Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht.
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Het uitgangspunt is dat beslissingen niet mogen steunen op een omstreden, niet vaststaande theorie. Zij moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige casusafweging, met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Ik ga hierover in gesprek met Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde instelling.
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
We beschikken landelijk over cijfers over ondertoezichtstellingen en machtigingen tot uithuisplaatsing via onder meer CBS en de Rechtspraak. Toezicht op de uitvoering vindt plaats via de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de contractuele verantwoording tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen en de interne kwaliteits- en dossieraudits bij GI’s en de Raad voor de Kinderbescherming. Periodieke materiële controle is geborgd in samenwerkingsafspraken over dossiervorming en besluitvorming en via de reguliere accountants- en rechtmatigheidscontroles bij gemeenten.
Er is geen landelijk overzicht van welke jeugdbeschermingsorganisaties werken met deze of een vergelijkbare theorie. Er bestaat ook geen registratie die beslissingen tot uithuisplaatsing koppelt aan een specifieke methodiek. Daardoor is niet vast te stellen hoeveel uithuisplaatsingen op deze theorie zijn gebaseerd.
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Gecertificeerde instellingen werken in het algemeen volgens professionele richtlijnen en kwaliteitskaders en borgen vakinhoud via intervisie, supervisie en zo nodig een second opinion. Beslissingen steunen op de best beschikbare kennis, beroepsnormen en multidisciplinaire casuïstiek, met een duidelijke motivering. Ingrijpende maatregelen kunnen alleen na toetsing door de kinderrechter en moeten proportioneel en subsidiair zijn. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van de gecertificeerde instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten, regels en veldnormen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Hierover ben ik helder. Het is in het algemeen ongewenst dat betwiste werkwijzen leiden tot zulke ingrijpende beslissingen. Jeugdprofessionals werken volgens de professionele standaard van hun beroepsgroep. Die omvat de beroepscode, de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming en de veldnormen en handelen conform deze standaard is wettelijk verankerd. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschap, praktijkkennis en ervaringskennis en worden ontwikkeld en ingevoerd door het Nederlands Instituut van Psychologen, de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen, en Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet toe op naleving. Contactbeperking of uithuisplaatsing kan alleen op basis van de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en het zwaarwegende belang en de veiligheid van het kind, met toets door de kinderrechter. De stem van het kind weegt in deze toetsing mee.
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Ja. Kinderen hebben recht op een onafhankelijke beoordeling van hun beleving en veiligheid. In de praktijk gebeurt dat via het kindgesprek bij de kinderrechter en via onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook door jeugdbeschermers en betrokken zorgaanbieders. Het gaat hierbij steeds om de vraag welke beslissing uiteindelijk het meest in het belang van het kind wordt geacht. Kinderen hebben daarnaast toegang tot een cliëntenvertrouwenspersoon via Jeugdstem en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde instellingen.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Het kabinet is, samen met betrokken organisaties, aan de slag met het verbetertraject «Recht doen aan veiligheid», dat als doel heeft dat huiselijk geweld en kindermishandeling beter onderzocht, naar voren gebracht en meegenomen wordt in het familie-, jeugd- en strafrecht. Uw Kamer is in juli 2026 geïnformeerd over de voortgang van dit verbetertraject.2 Binnen dit traject wordt onder meer gewerkt aan deskundigheidsbevordering, het verbeteren van de informatie-uitwisseling en een toetsingskader. Daarbij is er ook aandacht voor dat voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met beide ouders het meest in het belang van het kind was. Met de betrokken partners werken we ernaartoe dat gewaarborgd wordt dat in die belangenafweging (het risico op) slachtoffer en/of getuige zijn van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen.
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Ja. De veiligheid van het kind moet altijd leidend zijn. Gecertificeerde instellingen werken volgens professionele richtlijnen en dienen transparant te zijn in hun besluitvorming en de onderbouwing van deze besluiten vast te leggen. Hier worden zij door het KeurmerkInstituut volgens het normenkader op gecontroleerd en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet toe op het handelen conform deze richtlijnen. De Raad voor de Kinderbescherming toetst onafhankelijk. De rechter toetst eveneens onafhankelijk en maakt een afgewogen beslissing tussen enerzijds het belang van het kind om contact met beide ouders te hebben en anderzijds het belang van het kind om in veiligheid op te groeien.
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
In mijn periodieke gesprekken met de gecertificeerde instellingen zal ik de regionale handelwijzen en praktijken ter sprake brengen. De Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houden toezicht op de kwaliteit van jeugdbescherming en jeugdzorg. Als zij in het toezicht normoverschrijdingen constateren in de handelwijzen van organisaties, kunnen zij verdiepend onderzoek doen om vast te stellen of de kwaliteit en veiligheid van de zorg onvoldoende is. Indien nodig kunnen zij een maatregel opleggen.
De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Het is niet bekend hoe lang zij gemiddeld moeten wachten op pleegzorg. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van de jeugdige. Daarbij is ook de mogelijkheid om de jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Jeugdzorg Nederland voert al jaren de landelijke wervingscampagne voor nieuwe pleegouders uit, met subsidie vanuit mijn ministerie. Eens per ca. vier jaar wordt een nieuwe campagne ontwikkeld. De huidige campagne heet «Jouw huis een 2e thuis». De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Ja, ik herken dit beeld. Het is van belang dat huidige pleegouders goede ondersteuning en begeleiding ontvangen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders wordt verzorgd door pleegzorgwerkers. Deze begeleiding wordt continu verbeterd door pleegzorgaanbieders. Binnenkort komen zij met een nieuwe verbeteragenda, waar zij de aanbevelingen van het thematisch toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)3 ook in meenemen. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ondanks dat de complexiteit en zorgzwaarte van kinderen die in pleegzorg instromen toeneemt, laten de cijfers ook zien dat pleegzorgorganisaties en pleegouders er nog steeds in slagen om plaatsingen zorgvuldig te begeleiden en stabiliteit te bieden.
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Ja, ik ben bekend met deze signalen en begrijp dat dit voor pleegouders vervelend is. Het Woonplaatsbeginsel Jeugd biedt ook binnen pleegzorg duidelijkheid over welke gemeente verantwoordelijk is voor zorg en financiering. Als pleegouders er desondanks tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen, kunnen zij terecht bij de Helpdesk van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) of Jeugdstem. Deze partijen worden vanuit mijn ministerie gefinancierd en er zijn korte lijnen onderling, waardoor signalen ook met mijn ministerie gedeeld kunnen worden als gemeenten hier van de wet afwijken. Ondertussen zet ik mij ervoor in om de samenwerking tussen gemeenten in het kader van het Woonplaatsbeginsel te bevorderen, zodat pleegkinderen (en daarmee pleegouders) tijdig de juiste hulp ontvangen.
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Gedeeld opvoederschap tussen pleegouders en biologische ouders is onderdeel van de pleegzorgbegeleiding. Pleegouders worden hierin toegerust vanuit de pleegzorgorganisatie. Gedeeld opvoederschap vraagt vaak om meer, en complexere begeleiding en regelmatig ook tot meer spanningen. Ouders dienen hier ook in begeleid te worden en zelf voldoende hulp te krijgen. Eigenlijk kan pleegzorg niet bestaan zonder ook (ambulante) hulp aan hen. Dit is nog niet altijd vanzelfsprekend.
Gedeeld opvoederschap is ook onderdeel van Lerende Beweging Pleegzorg, uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), NVP en Jeugdzorg Nederland onder de vlag van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Bij jeugdbeschermingszaken is een belangrijke rol weggelegd voor de gezinsvoogd. We versterken de samenwerking tussen GI’s en pleegzorg door een herijking van de handreiking samenwerkingsafspraken. Planning is dat deze begin volgend jaar gereed is.
Reiskostenvergoeding voor pleegouders kan als onderdeel van pleegvergoeding of bijzondere kosten. Dit is aan de betreffende gemeente en pleegzorgaanbieder. Gemeenten kunnen daarnaast reiskosten voor biologische ouders financieren, maar zijn hier niet toe verplicht.
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Het recht op bijzondere kostenvergoeding is vastgelegd in de wet. Met de wijziging van de regeling Jeugdwet is dit recht per 1 januari van dit jaar ook uitgebreid naar pleegzorg in het vrijwillig kader. De Handreiking tarifering en inkoop (2023) biedt uitvoering aan de motie. Ik herken dat gemeenten en aanbieders hier niet uniform uitvoering aan geven, wat in het decentraal stelsel ook hun recht is. Daarom ben ik met gemeenten, aanbieders en vertegenwoordiging van pleegouders in gesprek over de uitvoering en ondersteuning van pleegouders op dit terrein, om de uitvoering te verbeteren.
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Ja.
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang van hun pleegkinderen. De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering en is daarmee niet geoormerkt. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland en de vertegenwoordiging van pleegouders in de NVP. Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders. Jeugdzorg Nederland en VNG hebben in afstemming met elkaar richting hun achterban gecommuniceerd om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Het uitgangspunt om broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen te plaatsen wordt geregeld met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming», dat nu bij de Raad van State voorligt. De geplande inwerkingtreding is – voor zover nu in te schatten – per 2028. Het wetsvoorstel voorziet niet in extra ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders. Gemeenten kunnen bijbeschikken richting pleegouders of gezinshuizen om (financiële) ruimte.
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Pleegouders krijgen onkostenvergoeding, de pleegvergoeding, deze voorziet in het levensonderhoud. Wanneer pleegouders structurele meerkosten maken vanwege de beperking van het pleegkind, hebben zij recht op een extra toeslag. Aanvullend kunnen pleegouders aanspraak maken op de bijzondere kostenvergoeding voor kosten die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind waar geen ander potje in voorziet, bijvoorbeeld om aanpassingen aan een huis te maken. De pleegzorgaanbieder besluit hierover, vaak in overleg met de gemeente. Vanaf 1 januari van dit jaar hebben pleegouders ook in het vrijwillig kader recht op bijzondere kostenvergoeding. Deze rechten gelden ook voor deeltijdpleegzorg, al worden die minder snel noodzakelijk geacht voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind.
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Ik begrijp dat het voor pleegouders geen recht doet aan de relatie met hun pleegkind, als zij op deze manier geen positie meer hebben ten opzichte van hun voormalig pleegkind. Het declareren van deze kosten is echter alleen mogelijk als de gemeente hier nog een beschikking of andere mogelijkheid tot declaratie heeft gegeven.
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Binnen pleegzorg is het voor een jongere mogelijk om met verlengde jeugdhulp t/m 23 jaar in een pleeggezin te blijven wonen, met behoud van vergoedingen voor pleegouders. Voor gezinshuizen is 21 de bovengrens. Als pleegkinderen of gezinshuiskinderen de maximumleeftijd bereiken, stromen zij uit de jeugdzorg. De betreffende gemeente kan op basis van maatwerk bezien of het mogelijk is dat de jongere wel blijft wonen op dezelfde plek, maar met financiering vanuit andere wet- en regelgeving.
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Op grond van de Jeugdwet zijn vrijheidsbeperkende maatregelen alleen toegestaan in accommodaties die zijn geregistreerd voor gesloten jeugdhulp en als een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Dergelijke maatregelen zijn dus nooit toegestaan binnen de open residentiële jeugdhulp, ook niet in gezinshuizen. Ik herken de signalen dat gezinshuisouders aanlopen tegen dilemma’s over het verschil tussen pedagogische maatregelen en vrijheidsbeperking. Om meer handvatten te geven in het omgaan met deze dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de jeugdhulp is het NJi gevraagd om een handreiking op te stellen. Aan de hand van gesprekken met jeugdigen, professionals en deskundigen is de handreiking opgesteld en in 2024 gepubliceerd. De handreiking is bedoeld om professionals, zoals gezinshuisouders, een houvast te bieden bij afwegingen. Het NJi heeft opvolging gegeven aan de handreiking door het organiseren van leeractiviteiten. Een voorbeeld hiervan is een dag georganiseerd specifiek gericht op gezinshuisouders, samen met beroepsvereniging Present 24x7 en het landelijk overleg aanbieders gezinshuizen (LOAG).
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Ja.
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Gezinshuisouders kunnen zich melden bij het NJi en beroepsvereniging Present24x7.
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Desondanks, zie ik dat begeleiding en ondersteuning van pleegouders verder versterkt kan worden. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de minister |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat u als Minister stelselverantwoordelijk bent voor een goed functionerend jeugdstelsel en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming van jeugdhulp aan Nederlandse jeugdigen, ook wanneer gemeenten deze hulp inkopen en jeugdigen in het buitenland worden geplaatst? Zo nee, kunt u nauwkeurig uiteenzetten waar uw verantwoordelijkheid eindigt en die van gemeenten begint?1
Deelt u de mening dat gemeenten die jeugdhulp in het buitenland inkopen verantwoordelijk zijn voor het vooraf controleren en gedurende de plaatsing bewaken van de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming, waaronder de vergunningen, het gekwalificeerd personeel, het toezicht, de klachtenprocedures, de vrijheidsbeperkende maatregelen en de feitelijke veiligheid van de locatie? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete controles moeten gemeenten uitvoeren voordat zij een jeugdige bij een buitenlandse jeugdhulpaanbieder plaatsen en gedurende de plaatsing blijven uitvoeren?
Hoe zijn volgens u in het gedwongen kader de verantwoordelijkheden voor de plaatsing, de kwaliteit, de veiligheid, de rechtsbescherming en het toezicht precies verdeeld tussen de gemeente, de gecertificeerde instelling (GI), de jeugdhulpaanbieder en een eventuele plaatsingscoördinator? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment voldoende duidelijk en is voor iedere plaatsing ondubbelzinnig vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze verantwoordelijkheden te verduidelijken?
Welke instantie controleert of gemeenten deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk nakomen en welke instantie kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende gebeurt? Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijk Minister wanneer blijkt dat deze controle tekortschiet?
Acht u het aanvaardbaar dat Nederlandse jeugdigen in het buitenland worden geplaatst wanneer niet kan worden gegarandeerd dat daar voldoende toezicht bestaat op de kwaliteit van zorg, veiligheid en rechtsbescherming? Zo ja, waarom?
Kunt u garanderen dat voor iedere Nederlandse jeugdige die momenteel in het buitenland verblijft in het kader van jeugdhulp aantoonbaar is vastgesteld dat de betreffende instelling aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en dat duidelijk is welke instantie daadwerkelijk toezicht houdt? Zo nee, hoeveel jeugdigen verblijven momenteel op locaties waarvoor dit niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd?
Hoe kan een gemeente naar uw oordeel verantwoord besluiten een jeugdige in het buitenland te plaatsen wanneer Nederlandse toezichthouders daar niet dezelfde toezichtsmogelijkheden hebben als bij jeugdhulp in Nederland? Deelt u de opvatting dat onvoldoende zicht op de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming een onaanvaardbaar risico vormt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse jeugdigen momenteel voor jeugdhulp in het buitenland verblijven, uitgesplitst naar land, gemeente, jeugdhulpaanbieder en type jeugdhulp? Kunt u daarbij per plaatsing aangeven op welke wijze vooraf is gecontroleerd of de aanbieder over de vereiste vergunningen beschikt, aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en onder welk toezicht deze plaatsing valt?
Welke maatregelen neemt u ten aanzien van Nederlandse jeugdigen die momenteel in het buitenland verblijven wanneer niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat hun veiligheid, rechtsbescherming en de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende zijn geborgd?
Bent u bereid te stoppen met nieuwe plaatsingen van Nederlandse jeugdigen voor jeugdhulp in het buitenland en ervoor te zorgen dat passende jeugdhulp voor deze jeugdigen in Nederland beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete juridische belemmeringen bestaan er volgens u om nieuwe buitenlandplaatsingen volledig te beëindigen? Kunt u per belemmering aangeven uit welke nationale of internationale wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling deze voortvloeit?
Welke bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zouden er volgens u aan in de weg kunnen staan dat Nederland als uitgangspunt hanteert dat Nederlandse jeugdigen jeugdhulp in Nederland ontvangen? Kunt u dit per bepaling juridisch onderbouwen?
Indien u van mening bent dat het IVRK of andere internationale verplichtingen vereisen dat in uitzonderlijke gevallen plaatsing in het buitenland mogelijk moet blijven, kunt u dan aangeven in welke concrete situaties daarvan sprake kan zijn en waarom de benodigde passende hulp in die situaties niet in Nederland georganiseerd kan worden?
Deelt u de mening dat het feit dat bepaalde specialistische jeugdhulp momenteel mogelijk onvoldoende beschikbaar is in Nederland geen reden mag zijn om Nederlandse jeugdigen naar het buitenland te plaatsen, maar aanleiding moet zijn om de noodzakelijke capaciteit in Nederland te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat opnieuw Nederlandse jeugdigen worden geplaatst bij buitenlandse instellingen waarvan vergunningen, toezicht, kwaliteit of veiligheid onvoldoende zijn geborgd?
Bent u bereid vanuit uw stelselverantwoordelijkheid de regie te nemen om te waarborgen dat Nederlandse jeugdigen de noodzakelijke jeugdhulp in Nederland kunnen ontvangen en dat gemeenten niet langer genoodzaakt zijn hiervoor uit te wijken naar buitenlandse aanbieders? Zo nee, waarom niet?
Het kinderopvangdebat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, zodra het kabinet communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie als «informeel» bestempelt, weigeren, op verzoek van de Tweede Kamer, deze communicatie aan de Kamer te verstrekken?
Wanneer is communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie eigenlijk «informeel»? En wanneer «formeel»? Kunt u een paar voorbeelden geven van «formele» en «informele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie?
Kunnen we uit het feit dat u weigert om de communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie over een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) naar de Kamer te sturen (omdat deze communicatie volgens u dus «informeel» zou zijn) logischerwijs concluderen dat er geen «formele» communicatie is geweest tussen de Europese Commissie en het Nederlandse kabinet over DAEB? Zo nee, kan de Kamer de «formele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Unie over het gebruik van (alternatieven voor) DAEB in de kinderopvang zo snel mogelijk toegestuurd krijgen?
Het artikel 'Wim (80) dreigt dakloos te worden én moet 10.000 euro betalen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van dit fragment van 13 oktober en zo ja wat vindt u hiervan?1
Hoe reflecteert u in dit licht op uw besluit van 3 juli om het plan voor wonen in vakantiehuisjes, dat een oplossing zou bieden aan ongeveer 60.000 bewoners, te schrappen? Is dit volgens u nog steeds de juiste beslissing? Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Welke stappen heeft u gezet om het plan van uw voorganger om permanente bewoning voor een periode te legaliseren, die volgens u onuitvoerbaar zou zijn, uitvoerbaar te maken?
Hoe gaat het, kijkend naar deze casus, volgens u zelf met de afspraken met gemeenten dat mensen die al in een vakantiehuisje wonen daar mogen blijven?
Is volgens u de inhoud van Kamerbrieven staand beleid? Zo ja hoe reflecteert u, kijkend naar deze casus, op de zin «In beginsel geldt dat de gemeente ervoor zorgt dat permanente bewoners van recreatiewoningen nooit zomaar op straat komen te staan: de menselijke maat is het uitgangspunt»? Is deze casus de menselijke maat die u voor ogen heeft (Kamerstuk 32 847, nr. 1497)? Zo, nee waarom niet en wat gaat u er aan doen?
Is er volgens u in deze casus sprake van een permanente bewoner die moet worden beschermd? Zo ja waarom wordt deze bewoner dan alsnog zijn woning uit gezet en waar moet meneer heen?
Waar kunnen ouderen, zoals Wim, volgens u naar toe, kijkend naar uw uitspraak dat «jongeren gelukkig nog bij hun ouders kunnen wonen»?
Welke maatregelen treft u om dit soort schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen, bent u bereid de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen alsnog uit te voeren?
Kan u nogmaals via de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) een oproep doen aan gemeenten om niet te handhaven? Zo ja kan u de Kamer een afschrift hiervan sturen?
Bent u bereid om in deze beantwoording expliciet gemeente Berkelland erop aan te spreken niet te handhaven? Zo ja wat gaat u zeggen? Zo nee waarom niet?
Ziet u uw beleid, wat bestaat uit onder andere het schrappen van de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen, nog als succesvol?
Hoeveel asielzoekers, ontheemden en geëvacueerden wonen momenteel op vakantieparken, in recreatiewoningen en/of hotels terwijl het Omgevingsplan of de huisvestingsregelgeving dat niet toestaan? Voor zover u die cijfers zelf niet heeft, wilt u deze vragen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ministeries en of overheden die deze cijfers wel hebben? Zo nee, waarom niet?
Racisme bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Discriminatie bij UWV: mensen met biculturele achternaam krijgen vaker én hogere boetes»?1
Welke signalen, meldingen, analyses, klachten of andere aanwijzingen over mogelijke discriminatie of ongelijke behandeling binnen UWV Handhaving waren vóór december 2025 bekend? Wanneer zijn deze signalen ontvangen, op welk organisatieniveau waren zij bekend en welke concrete maatregelen zijn daarop genomen?
Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over signalen van mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving, welke informatie is toen gedeeld en welke acties heeft het ministerie vervolgens ondernomen?
Klopt het dat naar aanleiding van de interne analyse is geadviseerd nader onderzoek te verrichten? Zo ja, wanneer is dit advies uitgebracht, wanneer is hierover besloten en welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij de timing van het vervolgonderzoek?
Op basis van welke inhoudelijke, methodologische of statistische gronden is de interne analyse als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld? Hoe verhoudt dit oordeel zich tot het besluit om op basis van dezelfde signalen een onafhankelijk vervolgonderzoek te starten?
Zijn dossiers waarin mogelijk sprake is geweest van discriminatie of ongelijke behandeling inmiddels herbeoordeeld? Zo ja, hoeveel dossiers betreft dit en welke uitkomsten heeft dit opgeleverd? Zo nee, bent u bereid een onafhankelijke herbeoordeling te laten uitvoeren en eventuele benadeelde cliënten actief te informeren en waar nodig te compenseren?
Hoeveel meldingen van racisme, discriminatie of ongewenste omgangsvormen zijn sinds 2020 binnen UWV Handhaving geregistreerd? Welke opvolging hebben deze meldingen gekregen, welke verbetermaatregelen zijn getroffen en wie droeg en/of draagt verantwoordelijkheid voor de uitvoering en monitoring daarvan?
Is onafhankelijk onderzocht of (ex) medewerkers die melding maakten van discriminatie, racisme of ongewenst gedrag vervolgens nadeel hebben ondervonden in hun werkpositie, loopbaanontwikkeling of beoordeling?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog onafhankelijk te laten onderzoeken?
Welke maatregelen worden getroffen indien uit onderzoek blijkt dat melders zijn benadeeld, geïntimideerd of anderszins nadelige gevolgen hebben ondervonden van het doen van een melding?
Is daarnaast onderzocht of de werkwijze van het interne bureau Integriteit bij meldingen van discriminatie, racisme en ongewenst gedrag voldoende onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is geweest? Kan worden uitgesloten dat melders door selectieve feitenverzameling, suggestieve onderzoeksmethoden of andere vormen van vooringenomenheid (bias) zijn benadeeld of dat signalen hierdoor onvoldoende serieus zijn genomen? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
Is onderzocht of de gemelde discriminerende uitlatingen, signalen van ongelijke behandeling en ervaren onveiligheid wijzen op structurele patronen binnen de organisatiecultuur, werkprocessen of aansturing van UWV Handhaving? Zo ja, wat zijn de bevindingen?
Welke concrete doelstellingen, prestatie-indicatoren en tijdlijnen zijn verbonden aan het verbeterplan? Op welke momenten wordt hierover publiek gerapporteerd en welke onafhankelijke partij beoordeelt of daadwerkelijk sprake is van verbetering van de werkcultuur en gelijke behandeling van cliënten?
Op welke wijze wordt vastgesteld of burgers financieel of anderszins nadeel hebben ondervonden van mogelijk discriminerende handhaving, en welke vorm van herstel of compensatie wordt overwogen indien daarvan sprake blijkt te zijn?
Is in het onderzoek naar mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving onderzocht of het risicokenmerk «land van herkomst», nadat dit in 2020 volgens de geldende instructies buiten gebruik had moeten worden gesteld, daadwerkelijk geen invloed meer heeft gehad op de selectie van cliënten voor handhaving? Kunt u inzicht geven in eventuele verschillen in de samenstelling van de onderzochte populatie, opgelegde maatregelen en boetes vóór en na 2020? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht?
Kunt u omschrijven welke onderzoeksopzet en welke kaders en scope er geldt voor het uit te voeren onderzoek van KPMG?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook externen / oud-UWV medewerkers worden gesproken over hun ervaringen?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook reeds uitgevoerde en afgeronde onderzoeken binnen UWV worden betrokken? Kunt u hier specifiek en los ingaan op de onderzoeken over gefingeerde dienstverbanden, gezondheidsfraude, Werkloosheidswet (WW) en eventuele boetebesluiten?
Bent u bereid de regeringscommissaris die voortkomt uit de motie Patijn-Ceder2 de opdracht te geven naar de cultuur waaronder het racisme bij UWV te kijken?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Werknemersverzekeringen van 4 november 2026?
Het bericht ‘UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen’. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht «UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen»1?
Kunt u aangeven wanneer het UWV wist dat de kwaliteit van de data uit de systemen van het UWV onvoldoende was om de applicatie te laten werken zoals oorspronkelijk was bedoeld?
Wanneer bent u op de hoogte gesteld van dit besluit? Wanneer wist u dat er binnen het UWV sprake was van een digitaliseringsproject dat niet tot de gewenste uitkomst leidde?
Wat is de totale omvang van de schade voor de belastingbetaler als gevolg van dit besluit inclusief de interne kosten en inzet van het UWV?
Klopt het dat de geraamde waarde van de aanbesteding aanvankelijk circa € 5.000.000 tot € 7.000.000 bedroeg, maar uiteindelijk in het gunningsbericht werd vastgesteld op € 58.150.000 exclusief btw? Zo ja, kunt u toelichten hoe dit aanzienlijke verschil is ontstaan?
Kunt u toelichten waarom de aanzienlijke stijging van de opdrachtwaarde niet heeft geleid tot een nieuwe aanbesteding?
Bent u bereid om in de door u aangekondigde evaluatie ook de besluitvorming over de gunning van deze aanbesteding mee te nemen?
Wanneer verwacht u dat de evaluatie wordt opgeleverd?
Zijn er nog andere projecten binnen het UWV waarvoor kosten worden gemaakt, maar waarbij de beoogde resultaten nog niet zijn behaald of waarvan de daadwerkelijke meerwaarde nog onvoldoende is aangetoond? Zo ja, om welke projecten gaat het en welke kosten zijn hiermee gemoeid?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
Het artikel 'Noodfonds Energie opent op 4 januari, 'verborgen energiearmoede niet opgelost' |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Noodfonds Energie opent op 4 januari, «verborgen energiearmoede niet opgelost»»?1
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een groep huishoudens is, naar schatting rond de 124.000 mensen, die hun kachel niet aanzetten uit angst voor hoge energiekosten en toch niet in aanmerking komen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie juist omdat zij te lage kosten hebben?2
Kunt u deze huishoudens met verborgen energiearmoede en onderconsumptie alsnog toegang geven tot een tegemoetkoming uit het Noodfonds Energie?
Zouden energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers kunnen helpen bij het signaleren van deze huishoudens met energiearmoede bij het Noodfonds Energie of deze huishoudens kunnen aanmelden bij het Noodfonds Energie? Aangezien vanuit deze partijen, zeker vanuit energiecoaches, vele praktijksignalen naar boven kunnen worden gehaald?
Welke ideeën heeft u overwogen om mensen die, omdat ze bang zijn voor een te hoge energierekening, toch te compenseren vanuit het Noodfonds Energie? Waarom zijn deze ideeën afgevallen? Hoe wilt u er (in de toekomst voor zorgen) dat deze groep ook op compensatie kan rekenen?
Op welke manier kunnen energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers (die worden genoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 29 september) bijdragen aan het benaderen van mensen die mogelijk al wel recht hebben op compensatie vanuit het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Is het mogelijk dat gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers hun data gebruiken om ook zoveel mogelijk mensen waarbij vermoedelijk onderconsumptie plaatsvindt, benaderen om hen op de hoogte te stellen van het Noodfonds Energie?
Hoe zorgt u ervoor dat deze cyclus van de noodzaak van financiële compensatie in de komende jaren doorbroken wordt? Welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
Het bericht 'Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet' |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet» van Follow the Money?1
Kunt u uiteenzetten welke specifieke waarborgen voor het voorkomen van nadelige gevolgen van baanwisseling voor de compensatieregeling zijn opgenomen rondom de Wet toekomst pensioenen? Hoe verhoudt dit zich tot de huidige situatie waarbij veel deelnemers toch de compensatie mislopen of nog dreigen mis te lopen?
Wat is uw interpretatie en uitleg van artikel 150f van de Wet toekomst pensioenen, die bepaalt dat compensatie tijdsevenredig wordt toegekend gedurende een compensatieperiode? Zijn er vanaf de behandeling van de wet tot nu toe verschillende interpretaties van dit artikel geweest door de juridisch adviseurs en bewindspersonen?
Hoe beoordeelt u de keuze van veel pensioenfondsen om compensatie uitsluitend op het transitietijdstip toe te kennen? Acht de Minister deze uitvoeringspraktijk in overeenstemming met de bedoeling van artikel 150f en de daarbij behorende wetsgeschiedenis?
Wanneer is binnen uw ministerie voor het eerst bekend geworden dat werknemers door baanwisseling compensatie konden mislopen of juist dubbel konden ontvangen? Is toen (juridisch) getoetst in hoeverre dit conflicteerde met de artikelen van de Wet toekomst pensioenen?
Hoe beoordeelt u de informatievoorziening door pensioenfondsen, sociale partners en de gezamenlijke communicatie via pensioenvoorlichtingskanalen, zowel destijds als ook nu? Acht u de huidige informatievoorziening toereikend, ook gezien de bevindingen van het artikel in Follow The Money wat erop wijst dat ook nu de communicatie nog niet optimaal is?
Neemt de regeringscommissaris transitie pensioenen bovenstaande wetgeschiedenis, desbetreffende wetsartikelen, de eerdere en huidige communicatie mee in haar zoektocht naar een passende (en uitvoerbare) oplossing?
Het recente bezoek van de premier aan stichting Ieder Kind een Sint |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw bezoek aan stichting «Ieder Kind een Sint» in Vriezeveen van woensdag 30 september 2026?1
Welke lessen rond de ondersteuning van kinderen die opgroeien in armoede trekt u naar aanleiding van dit bezoek?
Vindt u het acceptabel dat het aantal kinderen dat opgroeit in armoede door uw beleid komend jaar waarschijnlijk vrijwel gelijk blijft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is voor u een acceptabel aantal kinderen dat in Nederland mag opgroeien in armoede? Indien uw antwoord in de lijn ligt dat geen enkel kind in armoede mag opgroeien, waarom is uw beleid hier dan niet op gericht?
Waarom heeft u geen duidelijk doel geformuleerd rond het terugdringen van het aantal kinderen dat opgroeit in armoede, zoals het kabinet Rutte 4 dat bijvoorbeeld wel had?
Deelt u de mening dat met de huidige aanpak van het kabinet blijkt dat nog steeds vrijwel hetzelfde aantal kinderen in armoede leeft en dat het daarom noodzakelijk is dat het kabinet extra maatregelen neemt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende stappen neemt het kabinet om het aantal kinderen dat opgroeit in armoede de komende vijf jaar drastisch te laten dalen?
Hoe rijmt u uw bezoek aan deze stichting met het feit dat uit de begroting blijkt dat het aantal kinderen in armoede door uw beleid ook komend jaar vrijwel gelijk zal blijven?
Welke stappen neemt u om initiatieven zoals «Ieder Kind een Sint» en andere initiatieven die kinderen in armoede financieel te ondersteunen?
Deelt u de zorgen van de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud ervoor zullen zorgen dat het aantal kinderen dat moet opgroeien in armoede komend jaar zal stijgen in plaats van dalen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud er niet voor zorgen dat nog meer kinderen in armoede zullen opgroeien de komende jaren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De continuïteit van de jeugdbescherming in Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderbescherming in Brabant onder hoogspanning door ruzie over geld: onzeker hoe het na de jaarwisseling verder moet»?1
Klopt het dat de onderhandelingen tussen de vijf Brabantse jeugdhulpregio’s en Jeugdbescherming Brabant, de William Schrikker Stichting en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering over de contractering vanaf 1 januari 2027 zijn vastgelopen?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van deze situatie en wanneer is uw ministerie hierover voor het eerst geïnformeerd?
Hoeveel kinderen in Brabant ontvangen momenteel jeugdbescherming via deze gecertificeerde instellingen en voor hoeveel van deze kinderen loopt de hulp na 1 januari 2027 door?
Kunt u garanderen dat geen enkel kind vanaf 1 januari 2027 zonder noodzakelijke jeugdbescherming of begeleiding komt te zitten als gevolg van het vastlopen van deze onderhandelingen? Zo ja, hoe garandeert u dit concreet?
Welke risico’s voor de beschikbaarheid en continuïteit van de jeugdbescherming zijn inmiddels bij de Nederlandse Zorgautoriteit gemeld? Hoe beoordeelt de NZa deze risico’s en welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen?
Waarop zijn de onderhandelingen financieel vastgelopen en hoe groot is het verschil tussen het aanbod van de gemeenten en het bedrag dat volgens de gecertificeerde instellingen noodzakelijk is om hun werkzaamheden verantwoord te kunnen uitvoeren?
Acht u de door de gemeenten aangeboden tarieven toereikend om kwalitatief goede en veilige jeugdbescherming te kunnen blijven leveren? Zo ja, waarop baseert u dit?
Hoe verklaart u dat, ondanks eerdere maatregelen om de financiële positie en tarieven van gecertificeerde instellingen te verbeteren, opnieuw een situatie ontstaat waarin de continuïteit van de jeugdbescherming voor kwetsbare kinderen onder druk staat?
Heeft u inmiddels gesproken met de betrokken Brabantse jeugdhulpregio’s en de drie gecertificeerde instellingen om tot een oplossing te komen? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Welk concreet noodscenario ligt klaar indien partijen niet tijdig tot overeenstemming komen, en welke maatregelen bent u vanuit uw verantwoordelijkheid voor het jeugdstelsel bereid te nemen om te voorkomen dat kinderen vanaf 1 januari 2027 zonder noodzakelijke jeugdbescherming komen te zitten?
Kunt u deze vragen, gezien de mogelijke gevolgen voor kwetsbare kinderen en de naderende jaarwisseling, met spoed beantwoorden?
De antwoorden op vragen van het lid Bolhuis (2026D44753) |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de cijfers uit de antwoorden waaruit blijkt dat in december 2025 55% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand een herkomstland buiten Europa heeft en dat deze groep sinds 2021 90% van de groei vertegenwoordigt?
Welk deel van de statushouders tot 27 jaar ontvangt een bijstandsuitkering en welk deel heeft werk?
Hoe groot is het totale budget van de bijstand? Welk deel wordt besteed aan statushouders, en welk deel specifiek aan statushouders onder de 27 jaar?
Hoe lang is de gemiddelde statushouder onder 27 jaar die bijstand ontvangt al in Nederland en wat is de spreiding hiervan?
Kunt u aangeven wat de gemiddelde duur van de bijstandsuitkering is vergeleken tussen de groep statushouders versus niet-statushouders, en wat de spreiding is in duur voor de groep jongeren tot 27 jaar?
Kunt u aangeven welke belemmeringen of obstakels statushouders ervaren om een baan te vinden?
Hoe kijkt u naar de spanning tussen de inburgeringsplicht en het vinden van of uitvoeren van werk door een statushouder?
Welk deel van deze statushouders spreekt Nederlands?
Welke plannen heeft u om deze obstakels weg te nemen?
Welke plannen heeft u om prikkels en ondersteuning te bieden waardoor meer statushouders aan het werk gaan?
Kunt u aangeven welke succesfactoren meespelen bij statushouders die sneller aan een baan komen? Welke goede praktijkvoorbeelden kent u? In hoeverre zijn deze schaalbaar of welke lessen voor algemeen beleid zijn hieruit te trekken?
Kunt u aangeven welke belemmeringen er voor werkgevers zijn om statushouders aan te nemen?
Welke plannen heeft u om deze belemmeringen weg te nemen? Moet er bijvoorbeeld strenger gehandhaafd worden op de taaleis en zijn er voldoende (om)scholingsmogelijkheden naar bijvoorbeeld tekortsectoren?
Kunt u toezeggen dat zijn actieprogramma Nederland Werkt een plan zal bevatten om specifiek statushouders (breder dan de groep jongeren tot 27 jaar) meer succesvol te begeleiden naar werk?
Kan u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Participatiewet op 29 oktober?
De toenemende dakloosheid in Nederlandse steden |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daklozen zijn niet sexy: de pijnlijke reden waarom de politiek dit probleem niet oplost»?1
Hoe verklaart u dat de problemen rond dakloosheid verder toenemen, terwijl juist met het Nationaal Actieplan Dakloosheid de ambitie is uitgesproken dat in 2030 niemand meer op straat hoeft te slapen?
Deelt u de analyse dat de verdeling van de verantwoordelijkheid voor dakloosheid over meerdere ministeries de daadkracht van de aanpak belemmert? Zo nee, hoe verklaart u dan dat de problemen ondanks jarenlange beleidsinzet blijven toenemen?
Waarom gaat een groot deel van het beschikbare geld naar noodopvang, in plaats van structurele oplossingen?
Welke verantwoordelijkheid hebben werkgevers volgens u voor EU-arbeidsmigranten die na afloop van hun contract of na ontslag zonder huisvesting in Nederland achterblijven, en hoe moet worden voorkomen dat deze groep vervolgens op straat belandt?
Welke lessen trekt u uit de in het artikel beschreven situatie in Utrecht, waar het schrappen van het verbod op buiten slapen ertoe heeft geleid dat politiecontact afneemt, hulp later op gang komt en de overlast toeneemt?
De opnieuw opgelopen vertraging bij de hersteloperatie toeslagen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Trouw van 18 september 2026, «Herstel toeslagenaffaire opnieuw vertraagd: Stichting SGH van Laurentien loopt vast»?1
Hoe beoordeelt u het dat gedupeerde ouders bij de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) inmiddels 180 dagen moeten wachten voordat hun claim in behandeling wordt genomen, terwijl de wachttijd bij de overheidsroute MijnHerstel volgens het bericht 45 dagen bedraagt?
Kunt u toelichten waarom SGH onvoldoende in staat is gebleken haar capaciteit op te schalen om de toestroom van gedupeerde ouders aan te kunnen en hoe realistisch acht u de eis dat SGH binnen een halfjaar van 300 naar 675 dossiers per maand opschaalt?
Welke concrete gevolgen heeft de opnieuw opgelopen vertraging voor de beoogde afronding van de hersteloperatie eind 2027, nu uit het bericht blijkt dat deze deadline op deze manier niet wordt gehaald?
Hoe gaat u voorkomen dat de hersteloperatie verder wordt vertraagd door de lange doorlooptijden bij zowel SGH als advocatenkantoren met grote aantallen dossiers en welke resultaten verwacht u van het actief monitoren van de doorlooptijden per advocatenkantoor en het aanbieden van extra ondersteuning?
Het bericht 'Opnieuw wordt een Leidse bewindvoerder ontslagen in alle zaken: 'Hij dacht makkelijk geld te kunnen verdienen'' |
|
Anouschka Biekman (D66) |
|
van Bruggen , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bewindvoerderskantoor in de regio Leiden door de kantonrechter in alle 146 zaken is ontslagen en dat dit het derde grootschalige ontslag van een bewindvoerderskantoor in die regio binnen een jaar is?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat kwetsbare gedupeerden in zulke onzekerheid worden gestort?
Hoe beoordeelt u dat de betrokken bestuurder in 2025 bij een eerder kantoor al in alle zaken was ontslagen, vervolgens een tweede kantoor kon blijven voeren en ruim een jaar later opnieuw in alle zaken is ontslagen?
Klopt het dat het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren geen grondslag biedt om een bestuurder te weigeren die eerder in alle zaken is ontslagen? Wordt naast de benoembaarheid van het kantoor gekeken naar de bestuurder, opdat ontslagen bestuurders niet zonder meer een nieuw kantoor kunnen oprichten? Zo nee, zou dit bijdragen aan het voorkomen van dergelijke casussen?
Klopt het dat in de brief van 16 april 2025 niet wordt ingegaan op het voorstel uit de initiatiefnota van voormalig Tweede Kamerlid Kat, dat een ontslagen bewindvoerder niet langer benoembaar is en dat er een openbaar register komt waarin schorsingen, waarschuwingen, ontslagen en de overige functies van een bewindvoerder zichtbaar zijn? Wat is uw standpunt hierover, mede gelet op het feit dat cliënten van het betrokken kantoor moesten terugvallen op een recensieplatform om elkaar te waarschuwen?2 3
Heeft het kantoor in 2024 en 2025 de jaarlijkse toets van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM en de verplichte accountantscontrole doorlopen en zijn daarbij signalen naar voren gekomen, gelet op het feit dat volgens de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen van het kantoor structureel niet op tijd en incompleet werden ingediend? Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de beslisnota bij de brief van 16 april 2025 dat de accountantscontrole volgens het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM niet naar behoren werkt? Wat is de stand van zaken van de daarin aangekondigde verbetering van de accountantscontrole en de kwaliteitseisen?4
Welke mogelijkheden hebben cliënten en gemeenten om dubbel geïnde bedragen terug te vorderen en wie draagt het verlies als terugbetaling uitblijft? Hoe kijkt u in deze context aan tegen het voorstel in de bovengenoemde initiatiefnota van voormalig lid Kat rondom de aansprakelijkheidsprocedure?
Welke juridische belemmeringen bestaan er voor het vroegtijdig delen van klachten en meldingen met de gemeente en andere relevante partijen, gelet op het feit dat de gemeente Leiden aangeeft eerder op de hoogte gesteld te willen worden van klachten en meldingen bij de rechtbank? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen en de samenwerking tussen kantoren, gemeente en rechtbank verder kan worden bevorderd?
Hoe is het gesteld met de algemene beschikbaarheid van bewindvoerders, gelet op het feit dat na ontslag van een bewindvoerder een nieuwe bewindvoerder moet worden aangesteld? Heeft u signalen dat het op nationaal dan wel regionaal niveau het uitdagend kan zijn om bewindvoerders te vinden?
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van de leden Van Kent en Kat over onderzoeken of er voor het toezicht op bewindvoerders toereikende financiering, capaciteit en middelen zijn?5
Gelet op het feit dat zowel het nu ontslagen kantoor als een eerder ontslagen kantoor in 2021 een overeenkomst tekende met de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude en Oegstgeest, ziet u mogelijkheden om de doeltreffendheid van kwaliteitsborgingsconvenanten verder te verbeteren, bijvoorbeeld door samenwerkingsafspraken landelijk uniformer vorm te geven?
Welke aanvullende stappen gaat u nemen of verkennen om de kwaliteit bij bewindvoerders beter te borgen?
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van branchevereniging Aegis om strengere eisen te stellen aan het toelaten van bewindvoerders? Welke mogelijkheden ziet u bijvoorbeeld om praktijkervaring te vereisen bij een gevestigd bewindvoeringskantoor voordat een bewindvoerder zelfstandig aan de slag kan? Welke mogelijkheden ziet u in collegiaal toezicht, zodat niet alle druk van aanvullend toezicht bij rechtbanken wordt gelegd?6
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen van branchevereniging NVVK om de kwaliteit beter te borgen, bijvoorbeeld door een uniforme werkwijze van rechtbanken te bevorderen, het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM wettelijk beter uit te rusten en strenger te controlen op het vierogenprincipe?7
Het bericht ‘Oud-topman Gasunie George Verberg waarschuwt: ’Gronings gasveld volledig afsluiten? Dat zou nu niet mijn keuze zijn’’ |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-topman Gasunie George Verberg waarschuwt: «Gronings gasveld volledig afsluiten? Dat zou nu niet mijn keuze zijn»»?1
Aangezien de heer Verberg (als oud-topman van Gasunie) slechts de meest recente toevoeging aan een waslijst van experts is die zich zorgen maken over de geringe gasvoorraad in Nederland, deelt u nu eindelijk de opvatting dat het vulpercentage te laag is?
Deelt u de opvatting van de heer Verberg dat uw beleid bestaat uit «met de losse hand strooien»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Neemt u verantwoordelijkheid voor het feit dat Nederland eerder deze zomer, toen de gasprijs de helft was van wat deze nu is, de gasvoorraden niet verder gevuld heeft dan nu het geval is?
Heeft EBN eerder deze zomer, toen de gasprijs laag was, termijncontracten (futures of forwards) afgesloten waarmee zij nu goedkoper de gasvoorraad kan vullen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de heer Verberg dat Nederland een strategische gasreserve in Groningen kan aanhouden en tegelijkertijd de gasvelden daar zou kunnen vullen met stikstof, waardoor de aardbevingsfrequentie sneller zou kunnen afnemen, wat een win-win strategie zou zijn? Waarom doet Nederland dit niet? Vindt u het prima als de leveringszekerheid in het geding komt en de gasprijzen stijgen? En wilt u niet dat de aardbevingsfrequentie afneemt?
Deelt u de mening dat het dichtstorten van de gasputten met beton dus niet alleen toekomstige gaswinning onmogelijk maakt, maar ook het herstellen van het Groninger gasveld (zoals bijvoorbeeld met stikstof) onmogelijk maakt? Waarom blijft dit kabinet dan steevast doorgaan met het dichtstorten van de gasputten, terwijl steeds meer duidelijk wordt dat we hiermee Groningers permanent veroordelen tot aardbevingen?
Het artikel dat stelt dat de benzineprijs naar een recordhoogte is gestegen en richting de € 3,00 per liter gaat |
|
Hidde Heutink (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de benzineprijs met € 2,721 per liter naar een recordhoogte is gestegen en wat is uw reactie hierop?1
Bent u van plan de accijnzen per direct te verlagen om automobilisten te ontlasten? Zo nee, waarom kiest u ervoor de automobilisten de exorbitante prijsstijging van brandstof zelf te laten ophoesten?
Bij welke benzineprijs moet volgens u worden ingegrepen als de stijging van de adviesprijs voor benzine zich doorzet? Indien u daar geen specifiek antwoord op kan of wil geven, wilt u dan toelichten waarom?
Deelt u de opvatting dat brandstof voor miljoenen Nederlanders geen luxeproduct is, maar een noodzakelijke uitgave om bijvoorbeeld naar het werk, bij familie of bij (sociale) voorzieningen te komen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten hoe de adviesprijs van een liter benzine is opgebouwd en per uitsplitsing aangeven wat de regering kan doen om de kosten te drukken?
Hoe legt u aan automobilisten uit dat zij inmiddels recordbedragen aan de pomp moeten betalen, terwijl de regering, dat via de btw en accijns op brandstof, miljarden binnenhaalt maar dat geld liever aan zaken zoals ontwikkelingshulp uitgeeft?
Hoeveel euro ontvangt de Nederlandse overheid aan accijns en btw bij een liter benzine met een verkoopprijs van € 2,721 in totaal?
Bent u het eens met de stelling dat de huidige accijnsverlaging niet langer genoeg is en dat automobilisten meer compensatie verdienen dan ze nu krijgen? Zo ja, waarom blijven extra maatregelen dan uit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat de accijns per 1 januari 2027 in elk geval niet zullen worden verhoogd? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
De veiligheid van kinderen in gezinshuizen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kinderen uit Fries gezinshuis gehaald na veroordeling gezinshuisvader voor kindermisbruik»?1
Hoe kijkt u naar het feit dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft aangegeven geen veiligheidsrisico’s te zien voor kinderen die nog in het gezin verbleven zoals beschreven in bovenstaand artikel, terwijl de betrokken jeugdbeschermer hier – naar oordeel van de kinderrechter – terecht veel zorgen over had?
Onderschrijft u de oproep van onder andere de IGJ dat er beter toezicht moet komen op de inmiddels meer dan duizend gezinshuizen waar zorg wordt geboden aan kinderen die vaak zwaar getraumatiseerd zijn en ernstige opvoed- en/of gedragsproblemen hebben?
Bent u het met de indiener eens dat de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen minimaal zo streng, maar bij voorkeur nog strenger moeten zijn dan de kwaliteitscriteria voor pleegzorg, aangezien de complexiteit van de problematiek waar kinderen die in gezinshuizen worden opgevangen complexer is dan bij pleegzorg?
Hoe beoordeelt u de huidige situatie waarbij bovenstaande niet het geval is?
Bent u het met de indiener eens dat dit ernstige veiligheidsrisico’s kan opleveren voor de kinderen die op dit moment in gezinshuizen verblijven?
Kunt u toelichten of het klopt dat bij de screening van gezinshuisouders alleen een Verklaring Omtrent Gedrag opgevraagd kan worden, terwijl pleegouders een Verklaring van geen bezwaar moeten aanleveren, een zwaarder instrument waar ook onderzoeken zonder veroordelingen in staan?
Hoe beoordeelt u de signalen over aspirant pleegouders die afgewezen worden vanwege een negatieve Verklaring van geen bezwaar, maar zij dus wel op een andere plek in Nederland door de screening van gezinshuisouder kunnen komen omdat ze wel een Verklaring Omtrent Gedrag kunnen voorleggen?
Bent u het met de indiener eens dat dit hoogst onwenselijk is en tot hoge veiligheidsrisico’s voor kinderen kan leiden?
Wanneer verwacht u dat de herziening van de huidige kwaliteitscriteria voor gezinshuizen afgerond zal zijn en vanaf wanneer zullen deze herziene kwaliteitscriteria van kracht zijn?
Bent u het met de indiener eens dat de inzet gericht moet zijn op het strenger maken van deze kwaliteitscriteria, juist ook gezien de misstanden die aan het licht komen?
Kunt u garanderen dat in de kwaliteitscriteria die worden herzien minimaal wordt opgenomen dat vanaf de start van het gezinshuis een relevant hbo-diploma én een SKJ-registratie vereist is?
Bent u het met de indiener eens dat er in de herziening van de kwaliteitscriteria ook een maximumaantal kinderen vastgesteld moet worden die in een gezinshuis mogen verblijven?
Kunt u aangeven hoeveel gezinshuizen momenteel meer dan zes kinderen (inclusief biologische kinderen) opvangen?
Hoe kijkt u naar de signalen dat er momenteel gezinshuizen zijn waar tien of meer kinderen worden opgevangen, soms zelfs allemaal vanuit een crisisplaatsing?
Op welke wijze kan kwalitatief goede zorg gegarandeerd worden door twee gezinshuisouders wanneer zij zorg dienen te leveren aan tien kinderen in crisis?
Hoe beoordeelt u het feit dat we in de kinderopvang in de wet een beroepskracht-kindratio vastleggen en we momenteel geen beroepskracht-kindratio vastleggen voor gezinshuizen?
Bent u het met de indiener eens dat er grote risico’s bestaan in de bedragen die gezinshuisouders ontvangen voor de zorg voor deze kinderen waardoor ook foute aanbieders en criminelen aangetrokken worden die primair geld willen verdienen ten koste van kwetsbare kinderen?
Bent u het met de indiener eens dat het wenselijk zou zijn om één erkend keurmerk en één landelijk kwaliteitsregister te hebben van gezinshuizen die aan kwaliteitscriteria voldoen?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk zou zijn als deze toetsing op kwaliteit zou gebeuren door een branchevereniging die (ook financieel) baat heeft bij een stijging van het aantal gezinshuizen?
Kunt u garanderen dat, ook in lijn met de eerder aangenomen motie Synhaeve c.s. om jeugdaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf te screenen, ook voor gezinshuizen geldt?2
Kunt u garanderen dat deze screening wordt gedaan door een onafhankelijk instituut zoals de IGJ?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Jeugddebat van 30 september aanstaande?
De bezuinigingen op de Luisterlijn vanaf 2027 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De bezuinigingen op de Luisterlijn geven een jammerlijk signaal af»?1
Klopt het dat per 2027 structureel 10 procent van het jaarbudget, oftewel € 700.000, bezuinigd zal worden op de Luisterlijn? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom gekozen is voor deze bezuiniging?
Hoe verhoudt deze geplande bezuiniging zich tot het feit dat de Luisterlijn in 2025 een recordaantal van 331.861 gesprekken voerde, oftewel ruim 900 gesprekken per dag? Deelt u de mening dat een stijgende vraag naar een laagdrempelig luisterend oor juist aanleiding zou moeten zijn om de voorziening, waar nodig, te versterken in plaats van te verzwakken?
Herkent u de constatering dat deze geplande bezuiniging zal leiden tot het sluiten van verschillende trainings- en werklocaties en mogelijk zelfs dat een deel van de vrijwilligers zal stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven welke gevolgen u verwacht als gevolg van de subsidiekorting voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de Luisterlijn?
Bent u bekend met het feit dat het kabinet-Rutte IV in 2022 naar aanleiding van een marktverkenning al concludeerde dat er geen (andere) marktpartij is die het bieden van een luisterend oor aan (jong)volwassenen en kinderen zonder overheidssubsidie kan uitvoeren? Zo ja, hoe rijmt u dit met de geplande bezuiniging?
Op basis waarvan is geconcludeerd dat de Luisterlijn deze bezuiniging kan opvangen zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening? Bent u bereid eventuele nieuwe marktverkenningen, evaluaties of doelmatigheidsanalyses te delen met de Kamer?
Hoe rijmt deze bezuiniging met de wettelijke taak, die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, om te voorzien in een anonieme, kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties en advies te vragen? Hoe rijmt deze bezuiniging met de aanpak Een tegen Eenzaamheid?
Deelt u de mening dat een voorziening als de Luisterlijn juist erg belangrijk is voor mensen die wel behoefte hebben aan contact of ondersteuning, maar niet direct een beroep doen of kunnen doen op formele zorg? Zo ja, hoe rijmt dat met de geplande bezuiniging?
Deelt u de mening dat de laagdrempelige hulp van de Luisterlijn bijdraagt aan preventie en kan voorkomen dat mensen een beroep doen op de ggz of andere vormen van psychosociale hulp? Is berekend hoeveel extra kosten uiteindelijk bespaard worden door de Luisterlijn?
Welke concrete maatregelen gaat u inzetten om te voorkomen dat deze bezuiniging ertoe gaat leiden dat mensen zich pas melden wanneer hun problemen zijn geëscaleerd en daardoor uiteindelijk een beroep doen op zwaardere en vaak duurdere zorg?
De aanhoudende problemen bij Jeugd Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vakbond kaart situatie jeugdzorg Lelystad aan bij Arbeidsinspectie»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven aanhoudende onrust bij Jeugd Lelystad en de vraagtekens die worden geplaatst bij het onderzoek naar de inmiddels ontslagen bestuurder?
Was u bij de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen op 11 augustus 2026 op de hoogte van het feit dat FNV Jeugdzorg de situatie bij Jeugd Lelystad reeds in april had gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Autoriteit Persoonsgegevens? Zo ja, waarom zijn deze meldingen en de daaraan ten grondslag liggende zorgen niet betrokken bij uw beantwoording?
Hoe beoordeelt u de samenloop van de door FNV gemelde ernstige personele problemen en de door de Nederlandse Zorgautoriteit gesignaleerde risico’s voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp in Lelystad?
Kunt u aangeven wat sinds uw beantwoording van 11 augustus 2026 concreet is verbeterd aan de beschikbaarheid, toegankelijkheid en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad? Kunt u daarbij aangeven hoeveel kinderen momenteel wachten op een besluit over of de daadwerkelijke inzet van passende jeugdhulp?
Deelt u de mening dat ernstige personele uitval en langdurige bestuurlijke onrust binnen een organisatie die verantwoordelijk is voor de toegang tot jeugdhulp gevolgen kunnen hebben voor de continuïteit en tijdigheid van die toegang? Zo nee, waarom niet?
Heeft u inmiddels vastgesteld of kinderen en gezinnen door de bestuurlijke en personele problemen bij Jeugd Lelystad langer hebben moeten wachten op jeugdhulp of anderszins nadeel hebben ondervonden? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom is dit nog niet vastgesteld?
U antwoordde op 11 augustus 2026 op de vraag welke aanvullende maatregelen u bereid bent te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van kwetsbare kinderen uitsluitend met: «Geen.» Bent u, gelet op de aanhoudende problemen en de meldingen bij toezichthouders, nog steeds van mening dat geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Zo ja, wat moet er volgens u nog gebeuren voordat u als stelselverantwoordelijke wel aanleiding ziet aanvullende maatregelen te nemen?
U gaf in uw eerdere beantwoording aan dat bij mogelijke taakverwaarlozing eerst signalering en factfinding plaatsvinden en dat het Rijk vervolgens via interbestuurlijk toezicht kan optreden. Is naar aanleiding van de situatie in Lelystad inmiddels sprake van signalering of factfinding in het kader van interbestuurlijk toezicht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken of meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en andere betrokken toezichthouders, voor zover deze relevant zijn voor de beschikbaarheid, toegankelijkheid, continuïteit en kwaliteit van de jeugdhulp in Lelystad?