Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Ja.
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Het is mij bekend dat sommige vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld. Dit is zorgwekkend en onwenselijk. Gemeenten hebben een breed ambulant aanbod vanuit de Wmo 2015 en Jeugdwet, gericht op het voorkomen van escalatie van sociale problematiek en situaties van onveiligheid. Indien een situatie onhoudbaar blijkt, kan opvang nodig zijn. Bij zowel de vrouwenopvang (VO) als de maatschappelijke opvang (MO) is sprake van wachtlijsten en tekorten, mede vanwege schaarste op de woningmarkt en personele tekorten. Dit betekent dat gemeenten moeten afwegen wie zij kunnen helpen. Ik herken de signalen dat gemeenten een strenger toegangsbeleid hanteren om te bepalen wie toegang krijgt tot de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Hoewel gemeenten er alles aan doen om dit te voorkomen, kan dit leiden tot schrijnende situaties.
Maatschappelijke opvang is een tijdelijke vorm van onderdak met begeleiding en is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Om te beoordelen of iemand toegang heeft tot de maatschappelijke opvang, moet een gemeente onderzoek doen of iemand zelfredzaam is en vervolgens een formeel besluit nemen. Het ontbreken van passende huisvesting op zichzelf is in de regel niet voldoende om iemand aan te merken als «niet zelfredzaam». Gemeenten zijn niet verplicht zelfredzame gezinnen toegang te geven tot de opvang, maar mogen hiertoe wel besluiten. De vrouwenopvang is bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn en acuut hulp nodig hebben. De opvanginstelling beoordeelt aan de hand van een risicoscreening of toegang tot de vrouwenopvang noodzakelijk is of dat andere (ambulante) interventies passender zijn. Als toegang noodzakelijk is neemt de gemeente (meestal de centrumgemeenten) daartoe een formeel besluit.
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos raken zo snel mogelijk veilig onderdak vinden. De huidige krapte op de woningmarkt kan het snel vinden van onderdak belemmeren. Slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang komen op dit moment in aanmerking voor urgentie, wanneer de betreffende gemeente een huisvestingsverordening heeft opgesteld met daarin opgenomen een urgentieregeling. Dit betekent dat zij, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang dienen te krijgen. Vrouwen die niet in aanmerking komen voor de opvang en/of een inkomen hebben dat boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning ligt, krijgen niet automatisch urgentie. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting, waarmee alle gemeenten verplicht een huisvestingsverordening met urgentieregeling moeten opstellen. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in de Eerste Kamer ter behandeling. Met deze wet krijgen slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang in elke gemeente verplicht urgentie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 3. Daarnaast blijft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zich inspannen voor verdere uitbreiding van het woningaanbod.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Ja, het is zorgwekkend dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hun huis moeten verlaten. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang maakt dat er niet altijd gelijk een passende plek beschikbaar is. Zoals ook in de beantwoording van vraag 2 benoemd, is voor zowel slachtoffers van huiselijk geweld evenals voor dakloze personen hulp- en ondersteuningsaanbod beschikbaar. Dit aanbod bestaat enerzijds uit opvang (vrouwenopvang en maatschappelijke opvang) en anderzijds uit ambulante ondersteuning. De capaciteit van de vrouwenopvang staat onder druk. Om die reden is per 2026 structureel 12 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van opvangcapaciteit. Gemeenten en opvanginstellingen zetten zich nu in om deze uitbreiding te realiseren.
Daarnaast kan op dit moment de huisvestingsverordening met daarbij urgentieregelingen op basis van de Huisvestingswet 2014 worden ingezet door gemeenten voor de versnelde huisvesting van deze doelgroep. Gemeenten zijn momenteel nog niet verplicht een huisvestingsverordening op te stellen. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting dient iedere gemeente een huisvestingsverordening op te stellen, waarmee vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en uitstromen uit een vrouwenopvang worden aangemerkt als een verplichte urgentiecategorie. Dit betekent dat zij met voorrang gehuisvest dienen te worden door gemeenten. De verplichte urgentie geldt ook voor mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang en (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen.
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel personen als gevolg van partnergeweld hun woning noodgedwongen moeten verlaten. Wel is er de afgelopen jaren gewerkt aan beter onderzoek naar dakloosheid en de capaciteit van de vrouwenopvang, wat ervoor zorgt dat de groep beter in beeld is. In de regionale ETHOS-tellingen wordt in regionale rapportages gerapporteerd over de aanleiding van de dakloosheid. Huiselijk geweld is hierin opgenomen als één van de mogelijke aanleidingen. Dit percentage verschilt per regio. Daarnaast bestaat er met de monitor Veilige Opvang van de VNG en Valente een beeld van het aantal slachtoffers dat gebruik maakt van de vrouwenopvang.
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Vrouwen, mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld zijn in het Nationaal Actieplan Dakloosheid niet opgenomen als specifieke aandachtsgroep ten opzichte van andere dakloze mensen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid richt zich op alle mensen in Nederland die dakloos raken.
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen in steeds meer regio’s beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in het woningbouwbeleid en de acties om dakloosheid tegen te gaan. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) daklozen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentie categorie op grond van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Dit betekent dat zij met voorrang recht hebben op een woning.
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), moet bij alle maatregelen betreffende kinderen, het belang van het desbetreffende kind als eerste in overweging worden genomen (artikel 3). Daarnaast moet volgens artikel 9 gewaarborgd worden dat een kind niet wordt gescheiden van diens ouders, tenzij dit in het belang van het kind is. Gemeenten hebben de verplichting deze rechten te waarborgen.
In algemene zin ben ik van mening dat gemeenten de totale gezinssituatie in ogenschouw moeten nemen bij de beoordeling van huisvestings- en opvangvraagstukken. Dat betekent onder andere dat gemeenten zich rekenschap moeten geven van het belang van een betrokken kind in de algehele belangenafweging ten behoeve van de beoordeling van urgentieverklaringen. Het is aan gemeenten om in een concreet geval een gedegen afweging te maken. Daarnaast worden (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen een verplichte urgentiecategorie met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, zoals in het antwoord op vraag 3 is vermeld.
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn door hoge veiligheidsrisico’s en wie acuut hulp nodig hebben, kan een plek in de vrouwenopvang worden geboden. Op dit moment wordt gewerkt aan capaciteitsuitbreiding van deze opvang, zie ook het antwoord op vraag 3. Voor slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang naar een woning geldt op dit moment al dat, als een gemeente een urgentieregeling vaststelt, deze groep wordt aangemerkt als een urgente groep en met voorrang moet worden gehuisvest. Ook mag een gemeente tegen deze groep geen bindingseisen opwerpen; een slachtoffer moet in alle gemeenten urgentie kunnen aanvragen. Het aantoonbaar hebben van binding met de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend is dus geen voorwaarde voor het verkrijgen van urgentie. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplicht elke gemeente over een huisvestingsverordening te beschikken met daarin tenminste een urgentieregeling opgenomen. Dit betekent dat deze slachtoffers in alle gemeenten in aanmerking komen voor urgentie op een huurwoning ongeacht de gemeente waar zij wonen of zijn opgevangen. Ik hecht eraan te benadrukken dat het van belang is dat slachtoffers van huiselijk geweld snel zicht krijgen op huisvesting. Dat vraagt van gemeenten ook om goede afspraken met buurgemeenten of andere woningmarktregio’s te maken, zodat snelle huisvesting gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld ook in een andere regio dan waar het slachtoffer binding mee heeft. Op dit moment werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening de regeling hierover verder uit. Deze aspecten krijgen daar ook een plek in. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 3.
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Binnen de vrouwenopvang wordt op dit moment al gewerkt met diverse kwaliteitskaders en overkoepelende afspraken. Een voorbeeld is het Keurmerk «Veiligheid in de Vrouwenopvang». Dit is een kwaliteitskeurmerk dat kwaliteit en veiligheid van de opvang waarborgt. Onderdeel van dit keurmerk is bijvoorbeeld het normenkader, waarin normen zijn opgenomen waarop de opvangorganisaties worden getoetst. Gemeenten en opvangorganisaties werken met dit keurmerk en hechten groot belang aan de veiligheid en de kwaliteit van ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld. Er bestaat breed draagvlak voor het gebruik van beschikbare (normen)kaders.
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Ik herken het beeld dat slachtoffers van partnergeweld veelal behoefte hebben aan een snelle oplossing voor hun situatie en dat daaraan niet altijd op korte termijn tegemoet kan worden gekomen door een sociale huurwoning. Het creëren van gelijke kansen voor kwetsbare woningzoekenden in iedere gemeente is één van de aanleidingen geweest voor het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Met het verplichten van een huisvestingsverordening met daarin een urgentieregeling voor verplichte groepen, komen urgent woningzoekenden overal in Nederland in aanmerking voor urgentie. Of een slachtoffer van partnergeweld vervolgens in financiële problemen of schulden terecht komt, is afhankelijk van meerdere factoren en de individuele situatie van de persoon. Het ondersteuningsaanbod dat hiervoor beschikbaar is, is beschreven in vraag 10. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 genoemd wordt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening sterk ingezet op het vergroten en beter benutten van de woningvoorraad. Ook dit zal bijdragen aan snellere oplossingen voor slachtoffers van partnergeweld.
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
Het is bekend dat huiselijk geweld voor slachtoffers kan leiden tot financiële problematiek, bijvoorbeeld wanneer sprake is van dwingende controle, financieel of economisch geweld. Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld informatie en passende ondersteuning ontvangen, bijvoorbeeld gericht op het oplossen van financiële problematiek en het versterken van de bestaanszekerheid.
Femmes for Freedom heeft materialen gemaakt voor vrouwen in deze situatie, zoals een geldboekje en een flyer over financiële zelfredzaamheid, en informatie voor hulpverleners3.
Op verschillende manieren wordt ingezet op het ondersteunen van vrouwen in deze situatie. In het algemeen ondersteunt het Ministerie van SZW in het kader van het versterken van het recht op zelfbeschikking de financiële zelfbeschikking van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen (zoals bepaalde migrantengroepen) en/of afhankelijkheidssituaties, onder andere via een project van Diversion met migrantenvrouwenorganisaties en via een pilot met Single Super Mom. Ook werken diverse ministeries samen aan de versterking van sociaaljuridische en financiële dienstverlening (zoals Sociaal Raadslieden en Juridische loketten); deze wordt ook beter vindbaar gemaakt via de website www.sociaaljuridischekaart.nl. In enkele steden zijn vrouwenrechtswinkels opgezet. SZW ondersteunt bijvoorbeeld de vrouwenrechtswinkel van Femmes for Freedom in Utrecht. Vrouwen in kwetsbare situaties kunnen daar terecht voor gratis juridisch en financieel advies. De vrouwenrechtswinkel helpt ook bij doorverwijzing naar de juiste lokale (hulp)instanties.
Verder is informatie over geldzaken en levensgebeurtenissen beschikbaar via Geldfit, het Nibud, Wijzer in geldzaken en Overheid.nl. Via Geldfit zijn ook lokale hulproutes bij geldzorgen te vinden, zoals de gemeente en vrijwilligers, die mensen ondersteunen bij geldvragen. Geldfit en vrijwilligers helpen met de potjescheck, waarmee mensen kunnen nagaan waar ze recht op hebben. Binnenkort zal een pagina over wat te doen bij (dreigende) dakloosheid worden toegevoegd aan de Geldfitwebsite. De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) heeft recent een werkwijzer gemaakt voor gemeenten over financiële hulp aan mensen die (dreigend) dakloos zijn en welke regelzaken hun financiële redzaamheid kunnen bevorderen4.
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak te maken hebben met complexe problematiek. Daarom is het belangrijk dat deze groep recht heeft op urgentie voor huisvesting. Uitstroom naar een woning op een veilige plek is een belangrijke voorwaarde voor herstel. Zoals in het antwoord op vraag 3 en 7 is omschreven, hebben slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang of waarvoor door de gemeente een beschikking is afgegeven recht op urgentie voor huisvesting, als de gemeente een huisvesteringverordening en urgentieregeling heeft. Door woningcorporaties wordt rekening gehouden met de financiële situatie van deze slachtoffers bij het toewijzen van de sociale huurwoning.
Met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting worden voor alle gemeenten uniforme voorwaarden verbonden aan de urgentieregeling.
Deze voorwaarden worden, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, opgenomen in de regeling versterking regie volkshuisvesting.
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos dreigen te raken tijdig worden ondersteund. Ik zie dat er uitdagingen bestaan voor deze doelgroep, zoals voldoende passende huisvesting en beperkte capaciteit in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. Het Rijk ondersteunt gemeenten door bijvoorbeeld betaalbare woningbouw te stimuleren en middelen beschikbaar te stellen voor de uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang. Ten aanzien van de huisvesting legt het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplichtingen vast die deze groep gaan helpen bij het sneller vinden van een passende woning en daarmee kunnen werken aan verder herstel. Zoals in de voorgaande antwoorden beschreven gaat de verplichte urgentieregeling die alle gemeenten straks, met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, moeten hebben hierbij helpen. Ook het volkshuisvestingsprogramma, dat gemeenten, provincies en het Rijk moeten opstellen gaat hieraan bijdragen. Gemeenten worden hiermee gevraagd integraal beleid te maken hoe te voorzien in de woon- en zorg/ondersteuningsbehoeften van de aandachtsgroepen, waaronder (dreigend) daklozen en slachtoffers van huiselijk geweld. De bouw van woningen is niet op korte termijn gerealiseerd en vraagt lange termijn inzet. Daarom wordt ook aan tijdelijke oplossingen gewerkt, zoals de inzet van flexwoningen. De Ministeries VWS en BZK en de VNG blijven over deze vraagstukken in gesprek.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 12.
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht ««Menselijke maat ontbreekt»: kritiek op Enschede na stopzetten bijstand»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet of geweigerd op basis van de vermogenstoets, ook in situaties waarin het vermogen (deels) bestaat uit compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire?
Het klopt dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet op basis van de vermogenstoets. Dat is ook gebeurd bij een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Ik begrijp dat een dergelijk besluit voor een gedupeerde pijnlijk kan zijn. Dit besluit was echter niet het gevolg van de ontvangst van compensatiegelden maar de ontvangst van een dwangsom. Hierdoor kwam het vermogen boven de vrijlatingsgrens van de bijstand uit (€ 8.000 voor een alleenstaande, € 16.000 voor een echtpaar).
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen compensatiegelden voor de toeslagenaffaire en een dwangsom. In de casus waaraan u refereert heeft de gemeente de bijstand beëindigd vanwege de ontvangst van een dwangsom. Een dwangsom is bedoeld als financiële prikkel voor de overheid om besluiten te nemen binnen de geldende beslistermijnen. Een dwangsom is geen schadevergoeding en kan op die grond ook niet buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van het recht op bijstand. Dat een dwangsom geen schadevergoeding is, blijkt uit uitspraken inzake «bijstand als lening» en «eigen bijdrage COA». In de eerste uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep niet de stelling onderschreven «dat het college de dwangsom niet als vermogen mocht aanmerken». Dit is het geval omdat een dwangsom geen vergoeding voor mogelijke immateriële schade is (ECLI:NL:CRVB:2025:1778). In de COA-zaak heeft de Raad van State geoordeeld dat het COA een eigen bijdrage voor de opvang mocht vragen aan een persoon die gedurende de asielprocedure een dwangsom ontving en doordoor boven de vermogensgrens uitkwam. Ook hier was het oordeel dat geen sprake was van een schadevergoeding (ECLI:NL:RVS:2026:140).
Elke gemeente is in beginsel verplicht de bijstand te beëindigen wanneer er sprake is van een te hoog vermogen. Het is mogelijk dat onderdelen van vermogen worden vrijgelaten op grond van artikel 31 of 34 van de Participatiewet. Compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn in een ministeriële regeling aangewezen als schadevergoeding die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet niet meetellen bij de bepaling van het recht op bijstand (zij worden niet tot de middelen gerekend). Ook de gemeente Enschede handelt zo. Omdat een dwangsom geen schadevergoeding is, kan deze niet op deze grond worden vrijgelaten.
Deelt u de mening dat compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire niet bedoeld zijn om als regulier vermogen te worden aangemerkt bij de beoordeling van het recht op bijstand?
Deze mening deel ik en dit is ook wettelijk vastgelegd, zie het laatste onderdeel van mijn antwoord onder vraag 2: het is een schadevergoeding die wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeenten deze compensatiegelden toch (indirect) meewegen in de vermogenstoets, bijvoorbeeld doordat zij leiden tot overschrijding van vermogensgrenzen?
Omdat de daadwerkelijke compensatiegelden expliciet zijn vrijgelaten, neem ik aan dat u hier doelt op de dwangsom. Ik begrijp dat het meewegen van een dwangsom in de vermogenstoets voor een gedupeerde onrechtvaardig kan voelen. Zoals hierboven aangegeven, is een dwangsom voor het niet tijdig beslissen door de overheid echter geen compensatie of schadevergoeding voor de toeslagenaffaire. Het ontvangen van een dwangsom staat ook niet in de weg aan het later ontvangen van de daadwerkelijke compensatie. Gemeenten moeten de dwangsom dan ook meenemen in de vermogenstoets.
Welke landelijke richtlijnen bestaan er voor gemeenten ten aanzien van de behandeling van compensatiegelden van gedupeerden bij de uitvoering van de Participatiewet?
Dat is afhankelijk van het type compensatie. Als een compensatie een vorm van immateriële schadevergoeding is, kan het college besluiten de compensatie vrij te laten voor de Participatiewet. Dat kan alleen als dat uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarnaast zijn er schadevergoedingen die op grond van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ verplicht vrijgelaten moeten worden. De compensatie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire valt onder deze laatste categorie.
Bent u van mening dat de gemeente Enschede in deze gevallen de ruimte voor maatwerk onvoldoende benut heeft, en zo ja, waarom?
Ik kan de individuele gevallen niet beoordelen, maar in het algemeen geldt dat er op grond van de Participatiewet in beginsel geen reden is om een uitkering voort te zetten wanneer een dwangsom leidt tot een te hoog vermogen. Daarnaast zijn er wettelijke hardheidsclausules, in de vorm van de «dringende redenen»-toets, om te voorkomen dat iemand in ernstige financiële problemen komt.
Hoe voorkomt u dat gedupeerden van de toeslagenaffaire, die juist door de overheid in de problemen zijn gebracht, opnieuw in financiële problemen komen door strikte toepassing van de vermogenstoets?
Het is niet de bedoeling dat gedupeerden van de toeslagenaffaire door toepassing van de vermogenstoets in de problemen komen. Daarom wordt de compensatie ook volledig buiten beschouwing gelaten. Echter wanneer iemand een dwangsom ontvangt en daardoor over voldoende vermogen beschikt om in het eigen levensonderhoud te voorzien, dan heeft iemand in beginsel voldoende eigen middelen van bestaan en moet een bijstandsuitkering worden beëindigd.
Bent u bereid om landelijk te verduidelijken of aan te scherpen dat compensatiegelden van gedupeerden (volledig) buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand?
In artikel 31, tweede lid, onderdelen l, en s is al wettelijk geregeld welke compensatiegelden bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing moéten worden gelaten (onderdeel l) of kúnnen worden gelaten (onderdeel s).
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten bijstandsuitkeringen stopzetten of weigeren in situaties waarin dit leidt tot schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten?
Zoals eerder toegelicht bij vraag 6 is de wet zo ingericht dat schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten worden voorkomen.
Zijn er bij u signalen bekend dat ook andere gemeenten vergelijkbare praktijken hanteren waarbij compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire (direct of indirect) worden meegewogen in de vermogenstoets? Zo ja, om welke gemeenten gaat het en in welke omvang komt dit voor?
Mij hebben geen signalen bereikt dat compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire worden meegewogen in de vermogenstoets. Wel is mij bekend dat meerdere gemeenten een dwangsom, conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State, zien als in aanmerking te nemen vermogen. Ongeacht de aanleiding van deze dwangsom.
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Het klopt dat het kabinet bij de voorjaarsnota 2026 om budgettaire redenen heeft gekozen om vooralsnog minder te investeren in proactieve dienstverlening. Het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand zou dan niet in werking treden. Dit leidt tot een besparing oplopend naar structureel € 30 miljoen per jaar.1 De Kamer is hierover per brief van 2 april 2026 geïnformeerd.2 In deze brief heb ik aangegeven dat op het moment dat er weer financiële middelen beschikbaar zijn, het mogelijk is om dit onderdeel wel in werking te laten treden.
Inmiddels heb ik besloten om de benodigde financiële middelen voor het mogelijk maken van gegevensdeling voor de algemene bijstand vrij te maken door het tweede knikpunt in het kindgebonden budget te leggen bij € 57.950 (prijspeil 2024). Dit doe ik via een nota van wijziging op het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel.3 Hiermee kan het gedeelte van het wetsvoorstel dat ziet op de algemene bijstand alsnog tegelijk met de rest van het wetsvoorstel in werking treden.
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Het klopt dat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht. De volgende analyse lag hieraan ten grondslag: Naar schatting 37% van de mensen die recht hebben op algemene bijstand maken daar geen gebruik van. De inschatting is dat het inkomen van niet-gebruikers onder het sociaal minimum ligt. Verder missen zij de beschikbare ondersteuning bij werk, opleiding en meedoen in de samenleving. We zetten in op het terugdringen van niet-gebruik met algemene communicatie (zoals pr-campagnes en benutten van bestaande contactmomenten met mensen), vereenvoudigingen (zoals P-wet in Balans) en automatische uitkeren (bijvoorbeeld van de individuele inkomenstoeslag uit de Participatiewet). Om het niet-gebruik verder terug te dringen is de persoonsgerichte aanpak van proactieve dienstverlening nodig met meer mogelijkheden voor hergebruik en deling van persoonsgegevens. Gebaseerd op empirische resultaten wordt verwacht dat met de voorgenomen gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening 2,5% van deze groep wel gebruik zal gaan maken van hun recht op algemene bijstand. Deze raming van de benodigde uitkeringslasten en uitvoeringskosten is opgenomen in de Voorjaarsnota 20244 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.5
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Het kabinet deelt de genoemde analyse. Uitkeringen en voorzieningen helpen mensen naar werk, beter werk of opleiding, voorkomen dat het inkomen onder het minimum zakt en ondersteunen bij meedoen in de samenleving. Zoals aangegeven bij vraag 1, heb ik gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden.
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Ik bespreek het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW graag snel met uw Kamer. Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling.
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden. De motie van het lid Hamstra c.s. verzoekt in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren. Bij automatisch uitkeren hoeven mensen geen aanvraag meer te doen. Zij krijgen een uitkering of andere sociale voorziening automatisch als zij daarop recht hebben. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW schrapt of wijzigt geen aanvraagprocedures. Het richt zich op het informeren van mensen over de ondersteuning die er voor hen is en hulp bij het aanvragen. Wel kan het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW mensen bereiken die nog niet eerder een aanvraag hebben gedaan en in dat opzicht is het ondersteunend aan automatisch kunnen uitkeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen, waarop een claim kan worden gelegd, zijn er daarom niet.
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel en het besluit proactieve dienstverlening SZW zijn verschillende budgetten gereserveerd:
0,8
4,8
8,1
11,3
12,9
12,9
12,9
0,2
0,5
0,9
1,2
1,4
1,4
1,4
0,2
1,0
1,6
2,3
2,6
2,6
2,6
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
0,1
0,1
2,0
2,1
2,0
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken te investeren in armoedebeleid en in het verkleinen van het niet-gebruik door proactieve dienstverlening. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW speelt een belangrijke rol in het terugdringen van niet-gebruik, omdat het erop gericht is om burgers actief te informeren en te ondersteunen bij het benutten van hun recht op uitkeringen en voorzieningen.
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen. In de memorie van toelichting worden de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Het wetsvoorstel richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het kabinet wil zoveel mogelijk oorzaken van niet-gebruik aanpakken door het stelsel van inkomensondersteuning te vereenvoudigen, de dienstverlening te verbeteren en de samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties te versterken. De focus ligt op het wegnemen van belemmeringen in de uitvoering, het vergroten van het vertrouwen en het beter informeren en ondersteunen van burgers. De precieze invulling daarvan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Het wetstraject wordt zo ingericht dat de grondslag voor gegevensdeling voor de algemene bijstand in zowel het wetsvoorstel als de conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW wordt opgenomen.
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
We willen het niet-gebruik verkleinen onder andere door proactieve dienstverlening.
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Deze kritiek heb ik mij ter harte genomen en om die reden heb ik gezocht naar een mogelijkheid om financiële middelen vrij te maken.
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Volgens onderzoek van de NLA maakten in 2021 naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht hadden op een bijstandsuitkering of een gedeeltelijke bijstandsuitkering.7
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen onder het bestaansminimum leven als gevolg van niet-gebruik. Er zijn wel schattingen van het aantal mensen dat mogelijk onterecht geen gebruik maakt van een uitkering of voorziening. Zij lopen daardoor het risico op een inkomen onder het bestaansminimum. De uitkeringen en voorzieningen met het grootste niet-gebruik zijn de Toeslagenwet, de AIO en de algemene bijstand. Deze uitkeringen vullen, als ze gebruikt worden, aan tot het bestaansminimum. De tabel geeft een overzicht van het niet-gebruik van deze uitkeringen en een schatting van het aantal betrokkenen.
33%-68%
136.200
Nederlandse Arbeidsinspectie, Onderzoeksrapport niet-gebruik van de Toeslagenwet, 23 oktober 2023, p.16
30%
73.500
CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023
37%
160.000
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Het kabinet wil met proactieve dienstverlening het niet-gebruik verkleinen. In hoeverre dat lukt bij de bijstand monitoren we door de ontwikkeling van het gebruik en het niet-gebruik van de bijstand te volgen.
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Het is mijn inzet om het onderdeel algemene bijstand gelijk met andere onderdelen van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW in werking te laten treden.
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals aangekondigd bij vraag 1 ik ben bereid om de aangekondigde bezuiniging uit de voorjaarsnota 2026 terug te draaien.
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het interview van vicepremier Yesilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Terugvorderingen toeslagenwet door fout bij UWV, naar aanleiding van eerder beantwoorde vragen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de controle van het partnerinkomen of andere relevante inkomsten is uitgebleven?
Gaat het hierbij enkel om de toeslag bij Ziektewetuitkering? Hoe zit dit bij andere regelingen van UWV? Zijn bij de Werkloosheidwet (WW), Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ook fouten gemaakt met het partnerinkomen of andere relevante inkomsten? Kunt u in uw antwoord specifiek stilstaan bij elke afzonderlijke regeling?
Is onderzocht of andere componenten (naast partnerinkomen of andere relevante inkomsten) mogelijk ook onjuist zijn verwerkt in dezelfde periode of daarbuiten?
Hoe wordt een BSN van de partner gekoppeld aan de uitkeringsgerechtigde? Is de koppeling met de BSN van de partner correct gemaakt? En hoe worden hier correcties op doorgevoerd als blijkt dat er een fout gemaakt is?
Zijn de technische problemen met de systemen inmiddels opgelost?
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de omvang van het probleem? Kunt u toezeggen de Kamer hierover te informeren voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
In hoeveel gevallen gaat het om een terugvordering?
In hoeveel gevallen gaat het om een volledige terugvordering van de Toeslagenwet (vanwege dat er achteraf is vastgesteld dat er geen recht is)? In hoe veel gevallen gaat het om een gedeeltelijke terugvordering?
In hoeveel gevallen gaat het om een nabetaling omdat het partnerinkomen of andere relevante inkomsten juist gedaald waren? Worden de toeslagen voor deze mensen nabetaald en gecorrigeerd voor de toekomst?
Kunt u, als u informatie verschaft aan de Kamer over de omvang van het probleem, vragen 5 t/m 7 ook specifiek beantwoorden? Dus om hoeveel mensen gaat het per wet die uitgevoerd wordt door het UWV? Over welke bedragen gaat het?
Welke terugvorderingen zijn al in gang gezet? Hoeveel mensen hebben inmiddels een terugvordering ontvangen? Welke besluitvorming ligt hieronder? Kunt u de kamer de stukken die bij die besluitvorming horen, toesturen?
Kunt u uitsluiten dat de systeemfout zich enkel voordeed in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025? Uit signalen die wij ontvingen blijkt dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvonden voor de WIA, de WAO, de Wajong en voor (oude gevallen) WW en ZW, klopt dat?
Wij hebben het signaal ontvangen dat er op dit moment een terugvorderingsactie loopt, namelijk een zogenaamde veegactie, klopt dit en zijn de vorderingsbrieven al (deels) verstuurd? Of zijn die nog opgehouden? Hoeveel van deze brieven zijn er en over welke bedragen gaan deze vorderingen en welke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat het?
Hoe komt het dat de fout pas zo laat ontdekt is? En zijn in de jaarlijkse steekproeven in de afgelopen tien jaar niet eerder signalen boven water gekomen dat de koppeling met het partner inkomen ontbraken? Zo ja, zijn er ook al eerder zogenaamde veegacties geweest met vorderingen van te veel uitgekeerde toeslagen? En over hoeveel veegacties met hoeveel vorderingen en welke maximale bedragen zijn die vorderingen gedaan?
Welke interne waarschuwingen, signalen of audits zijn er sinds 2016 geweest die mogelijk op deze fout hadden kunnen wijzen?
Op welke manier is de fout ontdekt?
In uw antwoorden gaf u aan dat het UWV pas in april 2025 bekend was met de fouten, klopt dat wel? En als het wel klopt hoe kan het dan dat pas na langer dan een halfjaar hierover aan de Minister wordt gerapporteerd?
Hoe kan het dat de Kamer hierover niet geïnformeerd is, maar dit boven water moet halen door schriftelijke vragen?
Kunt u de beslisnotities betreffende dit onderwerp bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Kunt u de informatie die u vanuit UWV kreeg bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Kunt u de vragen telkens separaat beantwoorden voor elke regelingen van UWV?
Kunt u de vragen specifiek en gesplitst beantwoorden voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
Kinderdagcentra |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel kinderen staan op dit moment op een wachtlijst voor een kinderdagcentrum (KDC) in elk van de vier grote steden? Is dit aantal de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Hoe lang moet een kind gemiddeld ongeveer wachten op een plek in een KDC in elk van de vier grote steden? Is deze wachttijd de afgelopen jaren toegenomen? Zo ja, hoe komt dit?
Hoe heeft het aantal (operationele) KDC-plekken in elk van deze vier gemeenten zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Is het aantal operationele (waarvoor dus ook de benodigde zorgmedewerkers beschikbaar zijn) KDC-plekken de afgelopen jaren toe- of afgenomen? Indien er sprake is van een afname, waardoor wordt dit veroorzaakt?
Is u bekend dat de wachttijd voor een KDC-plek in Den Haag inmiddels twee jaar is1?
Bent u ermee bekend dat Jeugdhulp Haaglanden een wachttijd voor een KDC-plek van meer dan 90 dagen als «schadelijk» definieert?2 Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?
Kan een KDC-wachttijd van twee jaar ertoe leiden dat een kind niet op tijd «schoolbaar» is waardoor het geen (speciaal) onderwijs kan ontvangen zodra het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie is hiervoor (primair) verantwoordelijk en welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd om te voorkomen dat (leerplichtige) kinderen geen onderwijs kunnen ontvangen en thuis komen te zitten omdat ze niet op tijd «schoolbaar» zijn vanwege een gebrek aan KDC-plekken zijn?
Kan de Kamer de beantwoording ontvangen voor het aanstaande debat over «passend onderwijs»?
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Het bericht dat fondsen geraakt worden door de oorlog in Iran |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte met de inhoud van het artikel?1
Was u al eerder bekend met de mogelijkheid dat de oorlog in Iran effect heeft op de pensioenen van Nederlanders? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u die onwetendheid?
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat hardwerkende Nederlanders, die keihard werken voor hun inkomen en pensioen, nu indirect financieel benadeeld worden door conflicten op duizenden kilometers verder weg? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Hebt u inzichtelijk hoeveel pensioenvermogen van Nederlanders sinds de escalatie rond Iran verloren is gegaan bij pensioenfondsen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u die informatie niet heeft?
Hoeveel pensioenvermogen kan nog verdampen door de situatie in Iran?
Zijn er meer conflicten die op dit moment spelen, of dreigen te ontstaan, die effect hebben op het pensioenvermogen van Nederlanders?
Deelt u de zorg dat Nederlanders onder het nieuwe pensioenstelsel sneller geconfronteerd kunnen worden met schommelingen in hun pensioenvermogen in tijden van oorlog, crises en wereldwijde onrust? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om Nederlanders en hun pensioen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, nu bekend is dat dit hen kan raken in de portemonnee?
Welk concreet effect heeft de oorlog in Iran op de uitkering die pensioengerechtigden dit jaar ontvangen? En op de komende tien jaar?
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?