Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Bent u bekend met het bericht ««Menselijke maat ontbreekt»: kritiek op Enschede na stopzetten bijstand»?1
Klopt het dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet of geweigerd op basis van de vermogenstoets, ook in situaties waarin het vermogen (deels) bestaat uit compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire?
Deelt u de mening dat compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire niet bedoeld zijn om als regulier vermogen te worden aangemerkt bij de beoordeling van het recht op bijstand?
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeenten deze compensatiegelden toch (indirect) meewegen in de vermogenstoets, bijvoorbeeld doordat zij leiden tot overschrijding van vermogensgrenzen?
Welke landelijke richtlijnen bestaan er voor gemeenten ten aanzien van de behandeling van compensatiegelden van gedupeerden bij de uitvoering van de Participatiewet?
Bent u van mening dat de gemeente Enschede in deze gevallen de ruimte voor maatwerk onvoldoende benut heeft, en zo ja, waarom?
Hoe voorkomt u dat gedupeerden van de toeslagenaffaire, die juist door de overheid in de problemen zijn gebracht, opnieuw in financiële problemen komen door strikte toepassing van de vermogenstoets?
Bent u bereid om landelijk te verduidelijken of aan te scherpen dat compensatiegelden van gedupeerden (volledig) buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten bijstandsuitkeringen stopzetten of weigeren in situaties waarin dit leidt tot schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten?
Zijn er bij u signalen bekend dat ook andere gemeenten vergelijkbare praktijken hanteren waarbij compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire (direct of indirect) worden meegewogen in de vermogenstoets? Zo ja, om welke gemeenten gaat het en in welke omvang komt dit voor?
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van de minister tijdens de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026 |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u de uitspraak die u deed tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin u stelde dat u het sterke vermoeden heeft dat het aandeel totale uitgaven aan de sociale zekerheid ten aanzien van het bruto binnenlands product (bbp) tot 2040 nog verder toeneemt en ook flink toeneemt?
Kunt u deze uitspraak schriftelijke onderbouwen? Zo niet, waarom niet?
Kunt u schriftelijk onderbouwen op welk onderzoek u zich baseert wanneer u stelt dat de uitgaven aan sociale zekerheid van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp zullen stijgen zonder kabinetsingrijpen, en met kabinetsingrijpen van 12,1% naar 12,6%?
Bent u het ermee eens dat dit niet de grote stijging is zoals u die eerder tijdens datzelfde debat schetste? En dat het hier niet over onhoudbare stijgingen gaat? Zo ja, waarom wilt u dan zo hard op de sociale zekerheid bezuinigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat deze cijfers laten zien dat de door het kabinet voorgestelde kortingen op de WW en WIA en de verhoging van de AOW-leeftijd helemaal niet nodig zijn? Zo niet, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
De positie van gedupeerde ouders in het buitenland en rechtsbescherming binnen de hersteloperatie |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat gedupeerde ouders dossiers ontvangen waarin delen zijn gelakt, terwijl deze betrekking hebben op hun eigen persoonsgegevens?
Hoe verhoudt het verstrekken van gelakte dossiers zich tot de verplichting voor ouders om hun werkelijke schade aannemelijk te maken?
Hebben externe partijen die betrokken zijn bij schadebeoordelingen toegang tot ongelakte dossiers?
Hoe waarborgt u het beginsel van wapengelijkheid als beoordelaars over meer informatie beschikken dan ouders zelf?
Hoe beoordeelt u verschillen tussen gemeenten in ondersteuning van gedupeerde ouders via de SPUK-regeling?
Erkent u dat hierdoor verschillen in ondersteuning ontstaan afhankelijk van de woonplaats van gedupeerde ouders?
Welke maatregelen neemt u om te zorgen voor een uniform niveau van ondersteuning voor alle gedupeerden?
Op welke wijze wordt binnen herstelroutes rekening gehouden met immateriële schade van jongeren die direct zijn geraakt door de toeslagenaffaire?
Is er voor jongeren die te maken hebben gehad met uithuisplaatsing een afzonderlijk traumasensitief traject ingericht?
Hoe wordt voorkomen dat dossiers van jongeren vastlopen in dezelfde administratieve processen als die van hun ouders?
Hoeveel gedupeerde ouders bevinden zich volgens uw gegevens momenteel buiten Nederland?
Hoeveel van deze ouders beschikken niet over een BSN, DigiD of geldig Nederlands identiteitsdocument?
Hoe kunnen deze ouders hun dossier opvragen en deelnemen aan herstelprocedures?
Welke inspanningen worden verricht om gedupeerde ouders in het buitenland actief te traceren en te informeren over hun rechten binnen de hersteloperatie?
Kunt u aangeven hoeveel gedupeerde ouders volgens uw gegevens in het buitenland verblijven, in welke landen zij zich bevinden en hoeveel van hen nog geen contact hebben gehad met een persoonlijke zaakbehandelaar?
Op welke wijze onderzoekt u welke gedupeerde ouders in het buitenland mogelijk nog niet zijn bereikt of niet hebben gereageerd, en welke stappen worden genomen om deze groep alsnog actief te benaderen?
Zijn er afspraken met buitenlandse schuldeisers om te voorkomen dat herstelbetalingen direct in beslag worden genomen? Zo nee, bent u bereid deze vorm te geven?
U geeft in de voortgangsrapportage aan dat er wordt gewerkt aan een steunpunt waar gedupeerde ouders en getroffen jongeren terecht kunnen voor vragen over psychosociale hulp. Ligt de ontwikkeling nog steeds op schema, nu het tweede kwartaal van dit kalenderjaar snel nadert?
De uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in geschil 2024-0536?1
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen, enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen door pensioenverlagingen in dit verband?
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Het artikel ‘KLM beschuldigd van onwettig straffen’ |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM beschuldigd van onwettig straffen»?1
Ja.
Klopt het dat KLM meer dan alleen loon inhoudt over gestaakte uren? Klopt het dat er «boetes» worden opgelegd?
Op grond van artikel 6, vierde lid van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is het staken een recht van werknemers. In beginsel is een werkgever niet verplicht loon te betalen wanneer een werknemer staakt. Het niet verrichten van arbeid komt voor rekening van de werknemers. Naast loon kan de werkgever ook loongerelateerde arbeidsvoorwaarden inhouden. Daarbij kan worden gedacht aan overwerk- en ploegentoeslagen, maar ook aan pensioenopbouw over de stakingsuren. De werkgever mag in beginsel geen boete opleggen wegens het meedoen aan een staking. Over de praktijk bij KLM kan ik geen uitspraken doen. Het is aan de rechter om te beoordelen of die wettelijk is toegestaan.
Zo ja, hoe kwalificeert u deze praktijk? Is dit volgens u wettelijk toegestaan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit volgens u wettelijk toegestaan is, bent u dan bereid te kijken hoe de wet aangepast kan worden om dit in de toekomst te voorkomen?
In beginsel mogen er geen boetes worden opgelegd door de werkgever aan de werknemer omdat deze mee heeft gedaan aan een staking. Wel kunnen het loon én loongerelateerde arbeidsvoorwaarden worden ingehouden. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen per situatie of de inhoudingen wettelijk zijn toegestaan. Daarbij zie ik geen aanleiding om de wet aan te passen. In de huidige wetgeving is gezocht naar een balans tussen het stakingsrecht en de bescherming van werknemers.
Wat voor gevolgen heeft dit voor het stakingsrecht? Deelt u onze zorgen dat het stakingsrecht hiermee in de weg kan worden gezeten?
Het stakingsrecht is verankerd in artikel 6, vierde lid van het ESH. Dit recht kan niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om een oordeel te geven of daarvan sprake is in deze situatie.
Deelt u de opvatting dat deze praktijk geen vervolg mag krijgen?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs is naar de antwoorden op vragen 2 en 3.
De houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting in die jaren per AOW’er?
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033 en 2060 is afgenomen.
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen? In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp in het pensioenakkoord?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt. Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen, gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale partners in gesprek.
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel vóór als na de voorgenomen maatregel?
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere uitkering krijgt?
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen respectievelijk toe?
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Aan beide verzoeken is voldaan.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Het bericht ‘Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds’ |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds»1 van Energeia?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat zijn de verschillen in doel en opzet tussen het Publiek Energiefonds en het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) ondersteunde huishoudens met een laag tot midden inkomen en een hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening. Het betrof een publiek-private samenwerking. De stichting TNE werd deels gefinancierd door een subsidie van het Rijk en deels door energieleveranciers en netbeheerders. Om de subsidie binnen de bestaande juridische kaders te verstrekken, was een private bijdrage van meer dan één derde van de totale som vereist.
Het TNE heeft in 2023, 2024 en 2025 uitgekeerd. Het had een jaarlijks vaststaand budget. Mensen kregen op volgorde van aanmelding een uitkering, totdat het budget was uitgeput. Aangezien het budget niet toereikend was voor het aantal huishoudens binnen de doelgroep, kon helaas niet iedereen geholpen worden. Omdat het een private stichting betreft, stond voor mensen geen bezwaar en beroep open.
Kenmerken van een publiek energiefonds zijn onder andere:
Binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF krijgen huishoudens met een gasaansluiting, een relatief hoog energieverbruik en een beperkt inkomen jaarlijks € 200 voor de verwachte stijging van hun energierekening als gevolg van de invoering van ETS-2. De looptijd van het fonds is minimaal 2 jaar, mogelijk langer afhankelijk van niet-gebruik. Het is de bedoeling dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan het verduurzamen van woningen. Ook kunnen huishoudens die daar geen bezwaar tegen hebben ondersteuning krijgen van hun gemeenten bij de verlaging van hun energierekening, bijvoorbeeld energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit artikel dat het aangekondigde Publiek Energiefonds is bedoeld om huishoudens te beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van Europees beleid, en daarmee geen vervanging is voor de inkomenssteun die het Tijdelijk Noodfonds Energie gaf aan huishoudens, en dus niet kan fungeren als directe vervanger van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het klopt dat de Europese middelen uit het Social Climate Fund en de vereiste nationale cofinanciering alleen aangewend kunnen worden voor het beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van de invoering van het nieuwe Europese emissiehandelssysteem ETS-2. De middelen zijn echter ook bedoeld voor compensatie van hoge energiekosten en komen in belangrijke mate terecht bij de doelgroep van het Tijdelijk Noodfonds Energie.
In de brief van het vorige kabinet aan de Kamer (Kamerstuk 2025D38183) is aangegeven dat het publiek energiefonds wordt voorbereid in samenwerking met de werkeenheid Uitvoering van Beleid (UVB) en dat invoering per januari 2027 werd beoogd. Wat is de huidige stand van zaken? wordt de beoogd uitvoerder definitief aangesteld?
Het kabinet bekijkt de mogelijkheden van een meerjarig publiek Energiefonds. Dat gaat helaas niet makkelijk. Met name de uitvoerbaarheid blijft een uitdaging.
Tegelijkertijd begrijpt het kabinet dat huishoudens zich zorgen maken over hoe het conflict hen zal raken en het kabinet neemt die zorgen serieus. Voor komende winter wil het kabinet onder andere kijken of het noodfonds energie weer op poten gezet kan worden, zodat mensen die daar echt behoefte aan hebben daar gebruik van kunnen maken. Ook brengt het kabinet zoals toegezegd door de Staatssecretaris van Financiën, alternatieve opties in kaart voor gerichte ondersteuning, zodat deze wanneer nodig bij de augustusbesluitvorming benut kunnen worden.
Wanneer moet de vormgeving van het fonds definitief zijn om op 1 januari open te gaan? Is daar wetgeving voor nodig? Lopen de voorbereidingen op schema, en kunt u een gedetailleerde planning aan de Kamer doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Aangezien het publieke energiefonds in 2026 nog niet operationeel zal zijn, welke maatregelen treft u om huishoudens met lage en middeninkomens in de winter van 2026 te beschermen tegen hoge energielasten en mogelijke betalingsproblemen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u zicht op hoeveel huishoudens worden geholpen met de dit jaar beschikbaar gestelde 30 miljoen euro voor gemeenten, en hoeveel hen dit scheelt op hun energierekening?
Er zijn meer dan 151.000 huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld en toestemming hebben gegeven om hun gegevens met de eigen gemeente te delen. Aan gemeenten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld om met deze huishoudens contact op te nemen over ondersteuning bij verlaging van de energierekening.
De overige € 20 miljoen dient als impuls voor de bestaande lokale dienstverlening in de aanpak van energiearmoede. Gemeenten kunnen deze middelen bijvoorbeeld inzetten voor energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen. Deze middelen kunnen gebruikt worden voor ondersteuning aan huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld, maar ook voor andere huishoudens in energiearmoede.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de uitvoering van hun energiearmoede aanpak, waardoor de effecten per gemeente en per huishouden kunnen verschillen.
Uit het TNO-rapport «Kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de effecten van energiehulp op huishoudens»2 blijkt dat vergelijkbare energiehulp een meetbaar effect heeft op het gas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens, met name voor mensen in energiearmoede. Gemiddeld leidt dit tot een besparing van € 215 per jaar op de energierekening. Daarnaast heeft energiehulp een breder effect, het vermindert zorgkosten en draagt bij aan een betere leefsituatie voor de huishoudens.
In hoeverre is onderzocht of het bestaande Tijdelijk Noodfonds Energie tijdelijk kan worden ingezet om 2026 te overbruggen? Is deze analyse heroverwogen naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak dat het Noodfonds geen zelfstandig bestuursorgaan betreft? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de eerder opgevoerde argumenten om het Tijdelijk Noodfonds Energie in te zetten ter overbrugging van 2026?
Het kabinet wil ervoor zorgen dat er komende winter hulp is voor mensen die dat nodig hebben. Er liggen verschillende opties op tafel om mensen te helpen. Het Noodfonds Energie is daar één van. Die worden richting augustusbesluitvorming uitgewerkt.
Hoeveel huishoudens hadden dit jaar recht gehad op een uitkering uit het Tijdelijk Noodfonds Energie? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Het Tijdelijk Noodfonds Energie bakende haar potentiële doelgroep af op basis van inkomens en energiequote. Op basis van de door het Tijdelijk Noodfonds Energie gestelde voorwaarden bedroeg in 2023 de doelgroep naar (grove) schatting ca. 1,8 mln. huishoudens. 2023 was wel een jaar met zeer hoge energieprijzen en daarmee een potentieel grote doelgroep van huishoudens met een hoge energiequote. Het jaar 2024 was qua energieprijzen een meer «gemiddeld» jaar. Op basis van de gestelde voorwaarden bedroeg de doelgroep toen naar schatting 685.000 huishoudens. Over 2026 heeft het kabinet geen inschatting van de potentiële doelgroep, ook omdat de prijzen nog niet vaststaan. Het ligt gezien de huidige prijzen voor de hand dat deze tussen die van 2023 en 2024 ligt.
Hoeveel huishoudens die recht hadden gehad op inkomenssteun door het Tijdelijk Noodfonds Energie zullen dat niet meer hebben onder de voorwaarden van het Publiek Energiefonds? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
We kijken momenteel nog naar de vormgeving van een publiek energiefonds. De voorwaarden daarvoor staan dus nog niet vast. Om die reden kan de gevraagde inschatting nog niet worden gegeven.
Waarom is ervoor gekozen om het inkomensplafond om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Publiek Energiefonds te verlagen van 200% naar 130% van het sociaal minimum?
Een vernauwing van de omvang van de doelgroep sluit aan bij de bevindingen vanuit het onderzoeksprogramma energiearmoede van TNO3, met als doel om de beschikbare steun te richten op de doelgroep die dit het hardste nodig heeft.
Waarom is ervoor gekozen om de uitkering te maximeren op 200 euro, terwijl TNO berekende dat de «diepte» van energiearmoede veel dieper is (gemiddeld 472 euro per jaar)?
Zoals op vraag 3 geantwoord, mogen de Europese middelen uit het Social Climate Fund alleen gebruikt worden om de verwachte prijsstijgingen door de invoering van ETS-2 te compenseren. Onderzoek van CE-Delft laat zien dat de deze prijsstijging verder oploopt naarmate de jaren verstrijken. Het bedrag van € 200 per jaar sluit aan bij de verwachte gemiddelde prijsstijging waar huishoudens mee te maken krijgen door de meerprijs van ETS-2.
Daarnaast is de inzet van het kabinet om deze kloof te overbruggen ook breder dan alleen inkomensondersteuning; zo wordt er binnen het Ministerie van VRO nadrukkelijk ingezet op de verbetering van de energetische kwaliteit van woningen, en werkt het Ministerie van KGG als systeemverantwoordelijke aan een rechtvaardig energiesysteem.
Waar kunnen huishoudens met een warmtenet terecht die hun energierekening niet kunnen betalen?
Mensen met zorgen over de energierekening kunnen een betalingsregeling met de energieleverancier treffen of aankloppen bij de gemeente of bij Geldfit.
Kan uitstel van ETS2 leiden tot een lager budget in het Sociaal Klimaatfonds voor Nederland, en voor het Publiek Energiefonds in het bijzonder? Zo ja, (hoe) gaat u ervoor zorgen dat dit geen effect heeft op het beschikbare budget in het Publiek Energiefonds?
Het uitstel van ETS-2 zal geen gevolgen hebben voor het totale bedrag waar lidstaten aanspraak op kunnen maken. Wel is het mogelijk dat door het uitstel van ETS-2 de middelen pas later beschikbaar komen, aangezien het Social Climate Fund gevuld wordt uit de opbrengsten van ETS-2.
Kan uitstel van ETS2 naar 2028 ertoe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het Publiek Energiefonds in 2027, bijvoorbeeld omdat het fonds alleen toeziet op compensatie van extra kosten veroorzaakt door ETS2? Zo niet, op basis waarvan wordt in dat geval de vergoeding bepaald in 2027?
Uitstel van ETS-2 naar 2028 kan er niet toe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het publiek Energiefonds in 2027. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat het Sociaal Klimaatfonds ondanks uitstel van ETS2 per 1 januari open zal gaan? Zo niet, wat zijn de gevolgen voor het Publiek Energiefonds als dit niet zo zou zijn?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: 'Einde nog niet in zicht'' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: «Einde nog niet in zicht»»?1
Ja.
Welke economische ontwikkelingen verwacht het kabinet voor de komende jaren?
Op 20 februari 2026 publiceerde het CPB de doorrekening van het coalitieakkoord. Deze werd gemaakt op basis van ramingen uit een tussenversie van het Centraal Economisch Plan 2026. De definitieve raming wordt op 12 maart 2026 gepubliceerd.
In de doorrekening van het CPB is de verwachting dat het Bruto Binnenlands Product jaarlijks met gemiddeld 1,2%-punt groeit tussen 2027 en 2030. De verwachting is dat de werkgelegenheid in gewerkte uren jaarlijks gemiddeld met 0,4%-punt stijgt tussen 2027 en 2030 en de werkloosheid in 2030 uitkomt op 4,2%. Deze cijfers kunnen duiden op een aanhoudende arbeidsmarktkrapte.
Hoelang verwacht het kabinet dat deze reorganisatiegolf nog zal duren?
In 2025 waren er volgens het UWV 42% meer meldingen collectief ontslag (Wet melding collectief ontslag) van bedrijven en organisaties die een voorgenomen reorganisatie aankondigden.2 In totaal gaat het om 355 bedrijven en waren er 25.000 werknemers bij betrokken (36% meer als ten opzichte van 2024).
Het is moeilijk te voorspellen hoe het aantal reorganisaties zich in de toekomst zal ontwikkelen. Met het oog op aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt zal er druk op bedrijven blijven bestaan om processen efficiënter in te richten en hetzelfde werk met minder personeel te doen. Dit kan nodig zijn voor bedrijven om productiever te worden en concurrerend te blijven. Dit kan mogelijk bijdragen aan een toename van het aantal reorganisaties. De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Dit kan de productiviteit verhogen, wat vervolgens meer ruimte zou kunnen bieden voor loongroei. Het werkloosheidspercentage ligt historisch gezien nog steeds laag en volgens het CPB (doorrekening coalitieakkoord) zal de totale werkgelegenheid (gewerkte uren) in Nederland toenemen met gemiddeld 0,4% per jaar tussen 2027 en 2030.
Bij hoeveel bedrijven verwacht het kabinet de komende jaren ook een reorganisatie? Om hoeveel medewerkers zal dit gaan?
Er kan geen precieze schatting gemaakt worden over het aantal bedrijven dat de komende jaren gaat reorganiseren. Bij de keuze voor herstructurering van een bedrijf spelen verschillende factoren een rol, bijvoorbeeld de hoogte van kostenstijgingen, economische onzekerheid en technologische ontwikkelingen. Veel van deze factoren worden beïnvloed door mondiale ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn per definitie onzeker. Hoewel een precieze schatting niet kan worden gegeven, kunnen de actuele cijfers wel worden geduid.
De cijfers van UWV laten zien dat het aantal collectieve reorganisaties sinds 2023 toeneemt, zoals aangegeven in antwoord op vraag 3. Op dit moment is er geen indicatie dat deze trend komende tijd zal veranderen. Het is aannemelijk dat het aantal reorganisaties in 2026 relatief hoog blijft. Daartegenover tonen de cijfers van het UWV een daling in het aantal faillissementen. In 2025 betrof dit ruim 2.000 bedrijven en bijna 20.000 werknemers. Desondanks blijft de arbeidsmarkt krap. Het werkloosheidspercentage ligt met 4,0% historisch gezien laag (Q4 2025). Ook het aantal vacatures per werklozen ligt met 93 vacatures per 100 werklozen hoog.
Wat doet het kabinet om de mensen die nu hun baan verliezen te begeleiden naar nieuw werk?
Wie zijn baan verliest en aan de voorwaarden voldoet, kan zich melden bij UWV voor een WW-uitkering en bijbehorende ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan. Wie niet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet kan zich voor ondersteuning, en mogelijk een bijstandsuitkering, melden bij de gemeente. UWV en gemeenten richten zich daarbij op de individuele client en de ondersteuning die voor hem/haar passend is. Dit instrumentarium wordt ook aangeboden via de Werkcentra. In de Werkcentra kan daarnaast intensieve begeleiding op maat worden aangeboden aan wie dat nodig heeft, bijvoorbeeld aan oudere werkzoekenden of diegene die met behulp van scholing een baan kan vinden. Ook kunnen goede voorbeelden worden gedeeld binnen en tussen de Werkcentra. Daarnaast stimuleert het kabinet leven lang ontwikkelen in den brede, wat vervolgens de positie van mensen in de arbeidsmarkt versterkt.
Hoeveel procent van de werknemers, die de afgelopen twee jaar hun baan hebben verloren, heeft ondertussen nieuw werk gevonden?
Op basis van CBS-cijfers kan gekeken worden naar de baansituatie en WW-situatie van personen met een WW-uitkering na instroom in de WW3. Deze cijfers volgen de personen tot 2 jaar na instroom in de WW. Voor mensen die niet de WW instromen zijn geen exacte cijfers te berekenen. Hun situatie is lastig te volgen, omdat deze niet altijd bekend is. Het kan zijn dat zij niet aan de voorwaarden voldoen voor een WW-uitkering of al snel weer een nieuwe baan gevonden hebben.
Van de mensen die in 2021 instroomden in de WW heeft 66% één jaar later een werknemersbaan. Na 2 jaar is dit percentage vrijwel gelijk gebleven. Van het aantal mensen dat in 2021 instroomde in de WW heeft 67% twee jaar later een werknemersbaan. Van de totale instroom in de WW in 2021 geldt voor 77% dat zij op enig moment de WW zijn uitgestroomd én een nieuwe baan als werknemer hebben gevonden (vervolgens kan de baan- of uitkeringssituatie nogmaals veranderen, bijvoorbeeld door baanverlies of pensionering)4. Voor de mensen die in 2022 instroomden in de WW heeft 62% één jaar later een werknemersbaan. Cijfers over de baansituatie na één jaar zijn nog niet bekend.
Welke gevolgen zal de voorgenomen korting op de Werkloosheidswet (WW-)duur hebben voor de mensen die de komende jaren vanwege deze ontslaggolf hun baan dreigen te verliezen?
In het coalitieakkoord wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2028 de maximale WW-duur te verkorten van 24 naar 12 maanden. Bovendien wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2030 de opbouw van WW-rechten te vertragen. Nu geldt voor de eerste 10 jaren arbeidsverleden een opbouw van een hele maand WW-recht en voor de jaren daarna een halve maand WW-recht. Dat wordt een halve maand WW-recht voor alle jaren. Na invoering van deze maatregelen ontvangen werkloze werknemers een kortere WW-uitkering. De inkomensbescherming bij baanverlies wordt hierdoor beperkter. Overigens hecht ik eraan te benaderukken dat ik over de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek ga met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Wat vindt u van het feit dat dat bedrijven veel winst boeken, maar toch besluiten om te reorganiseren en werknemers te ontslaan?
De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Er wordt gekeken of hetzelfde werk efficiënter gedaan kan worden. Dit geldt ook voor bedrijven waarbij het (relatief) goed gaat. Dit kan namelijk een bijdrage leveren aan het verlichten van de arbeidsmarktkrapte. Technologische vooruitgang vindt zijn weerslag op de arbeidsmarkt. Denk bijvoorbeeld aan de vele berekeningen die vroeger door werknemers handmatig werden gedaan, maar nu deels deels computers worden uitgevoerd. Dergelijke vooruitgang waarin het type werk zich ontwikkelt, is van belang voor economische vooruitgang. Dit is namelijk nodig voor een hogere productiviteitsgroei. Deze hogere productiviteit biedt vervolgens ruimte voor loongroei en komt daardoor deels bij de werknemers terecht.
Daarnaast is in tijden van arbeidsmarktkrapte de kans op het vinden een andere baan relatief groot. Dit neemt niet weg dat we ervoor moeten zorgen dat er geen mensen achterblijven, zelfs in zo’n goede arbeidsmarkt. Dit vergt goede begeleiding, zoals beschreven in het antwoord op vraag 5.
Een ondernemer heeft de vrijheid om, binnen de grenzen van de regelgeving, de onderneming naar eigen inzicht in te richten. Als werkgever hoeft een ondernemer niet in financiële problemen te zijn gekomen voordat hij of zij (personele) maatregelen treft. Daar mag men op anticiperen. Bij een eventuele ontslagaanvraag moet de ondernemer aan UWV wel duidelijk kunnen maken dat de maatregelen noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering, en dat deze maatregelen leiden tot het structureel verval van arbeidsplaatsen (over een periode van minimaal 26 weken). UWV toetst dit bij een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen marginaal. UWV toetst of de juiste ontslagvolgorde (afspiegelingbeginsel) is gehanteerd en of het aannemelijk is dat de werknemer niet binnen de redelijk termijn herplaatst kan worden. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een reorganisatie voor de getroffen werknemers een vervelende situatie kan betekenen, met in sommige gevallen forse gevolgen voor de inkomenspositie van mensen.
Waarom bent u van plan op de WW-duur te korten terwijl de WW-pot vol zit en deze wordt gevuld door werknemers en werkgevers? Vindt u dit eerlijk?
Het verkorten van de WW-duur verbetert de overheidsfinanciën. Deze besparingen op de WW maken de gehele WW meer activerend. Hiermee wordt het arbeidsaanbod verhoogd in tijden van krapte op de arbeidsmarkt. Het kabinet kiest ervoor het activerende effect van de WW te vergroten maar ook om de WW de eerste twee maanden te verhogen naar 80%. Zo hebben werkenden meer zekerheid en rust om snel passend nieuw werk te vinden.
De aanwezigheid van fondsvermogen is geen reden om wel of niet te bezuinigen op de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het kabinet kijkt naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten en zorgt ervoor dat het begrotingstekort blijft voldoen aan de Europese normen. Het coalitieakkoord zelf bevat zowel bezuinigingen als extra uitgaven. Extra uitgaven worden voornamelijk door het Rijk gedaan (defensie, wonen, stikstof). Een deel van de bezuinigingen vindt plaats bij uitgaven die worden gedaan bij de sociale fondsen (waaronder ook de zorgfondsen). De uitgaven van de sociale fondsen nemen hierdoor af, terwijl hun inkomsten niet veranderen of zelf toenemen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat bij de sociale fondsen de inkomsten al een tijd lang hoger zijn dan de uitgaven. Hierdoor is, met name bij de UWV-fondsen, een flink fondsvermogen opgebouwd. Ook het vermogen van het werkloosheidsfonds is sinds 2023 weer positief. Daarmee is het vermogenstekort dat was ontstaan tijdens de financiële crisis weer ingelopen. Daarbij heeft het ook geholpen dat de NOW-regeling, die door het Rijk is betaald, tijdens de coronacrisis veel werkloosheidsuitgaven heeft voorkomen. Daarnaast kijkt het kabinet naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten.
Bent u het ermee eens dat het een aanval op de rechten van werknemers is om tijdens een reorganisatiegolf te gaan tornen aan de rechten van werknemers, zoals bijvoorbeeld de WW-duur? Zo nee, waarom niet?
Het coalitieakkoord geeft een duidelijke richting van het kabinet ten aanzien van de WW. Dit is geen aanval op werknemers, maar het kabinet wil wel zorgen dat iedereen die aan het werk kan gaan, dat zo snel mogelijk doet. Gelukkig doen de meeste mensen dat ook. Voor werknemers zelf is een nieuwe baan het fijnste. De aanhoudende arbeidsmarktkrapte benadrukt deze noodzaak voor onze economie. Daarnaast heeft het kabinet de opdracht voor gezonde overheidsfinanciën te zorgen. Zoals bij vraag 7 aangegeven, ga ik voor de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Zie hierboven.
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Ja.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Ja. Het klachtrecht in de jeugdzorg is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Jeugdigen en/of ouders moeten zich veilig genoeg voelen om te klagen over de manier waarop een instantie hen helpt (onder meer over bejegening). Klachtrecht is ervoor bedoeld dat jeugdigen en/of ouders zich gehoord voelen en dat een klacht kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
In het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet»1 is één van de bevindingen dat jeugdigen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten. Ik vind dit zorgelijk. De voormalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en mijn ambtsvoorganger hebben vorig jaar onderzoek laten uitvoeren om een actueel overzicht te krijgen van de uitvoeringspraktijken en verbeterpunten van interne klachtbehandeling bij organisaties in het brede jeugdzorgdomein. Dit onderzoek is 17 december jl. aan uw Kamer aangeboden2. Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Het is een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als op de uitvoering. Momenteel bestuderen de Staatssecretaris van JenV en ik dit nader. Hiervoor voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Ook gaan we in gesprek met jongeren als onderdeel van de kinderrechtentoets. De bevindingen uit het rapport van de Kinderombudsman nemen we hierin uiteraard mee. Voor de zomer van 2026 informeren de Staatssecretaris van JenV en ik de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de te zetten stappen.
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Uit de cijfers van Jeugdstem blijkt dat zij de afgelopen drie jaar duizenden jongeren en ouders hebben ondersteund bij een klachttraject, zie de tabel hieronder:
Klacht ondersteuningstrajecten
Jeugdigen
Ouders
2023
1.912
1.613
2024
2.521
1.832
2025
2.480
1.895
Ik vind het belangrijk dat jongeren zelfstandig een klacht kunnen indienen in een veilig pedagogisch klimaat. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het creëren en het waarborgen van een cultuur waar het veilig en toegankelijk is voor jeugdigen en ouders om een klacht in te dienen. Ook is het van belang dat klachtenprocedures toegankelijk zijn en er een organisatiecultuur is waarin geleerd wordt van feedback van jeugdigen en ouders. Deze aanbeveling komt ook overeen met een aanbeveling uit het eerder genoemde rapport3.
Daarom is het belangrijk dat zij een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon die hen kan ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ik subsidieer hiervoor Jeugdstem, een landelijke en onafhankelijke organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdzorg, die hen een luisterend oor biedt. Deze gesprekken zijn veilig en vertrouwelijk. Jeugdigen en ouders kunnen ook bij een vertrouwenspersoon terecht voor informatie en advies, onder meer over hun rechtspositie.
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Met het hierboven genoemde onderzoek is een beeld gegeven van de klachtenprocedures in het jeugdzorgdomein. Het is de taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet.
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Ik herken dit beeld. Dit wordt ook bevestigd in het onlangs gepubliceerde onderzoek naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein4, dat in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van VWS is uitgevoerd.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 geïnformeerd over te zetten stappen.
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Op grond van de Jeugdwet mogen jeugdigen en/of ouders zelfstandig een klacht indienen. Hier is geen begeleider voor nodig. Desgewenst kunnen jeugdigen en/of ouders een beroep doen op ondersteuning indien dit wenselijk wordt geacht.
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Ja, ik herken dit beeld. Voor de zomer van 2026 informeren we de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Dit zou niet zo moeten zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, dient het klachtrecht onder meer bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp. Het eerdergenoemde onderzoek5 geeft op dit punt ook een aanbeveling. Mede hierover voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
In de vervolgstappen op het eerder genoemde onderzoek zullen ook de bevindingen uit het recente rapport van de Kinderombudsman en de aanbevelingen van de Kinderombudsman uit 2016 worden meegenomen. Overigens zijn er sindsdien 2016 wel ontwikkelingen geweest. Zo heeft Jeugdstem in 2023 materiaal ontwikkeld, waarmee professionals in een vroeg stadium met cliënten het gesprek aan kunnen gaan over welke stap het beste genomen kan worden wanneer ze ontevreden zijn. Het doel hiervan is om de informatievoorziening voor jeugdigen en ouders te verbeteren en de toegankelijkheid van klachtenprocedures te vergroten. Ook heeft Jeugdstem opleidingsmateriaal over klachtafhandeling ontwikkeld voor professionals.6
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de wettelijke kaders voor de klachtenprocedures bij jeugdzorgorganisatie. Organisaties in het jeugdzorgdomein kunnen binnen deze kaders hun eigen interne klachtenprocedure inrichten. Met de Staatssecretaris van JenV kijk ik naar de mogelijkheden om klachtenprocedures te versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, zie antwoorden hierboven.
Het bericht 'Jos voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jos (64) uit Beek voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek die op faillissement afstevent: «We zijn belazerd»», over de (aanstaande) faillissementssituatie rond Vynova in Beek en de mogelijke gevolgen voor werknemers en oud-werknemers, waaronder het mislopen van loon, een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU-)regeling, en vergoedingen uit het sociaal plan?1
Ja. Het bericht is mij bekend. Het raakt mij dat werknemers die zich jarenlang hebben ingezet voor hun werkgever nu met zoveel onzekerheid worden geconfronteerd.
Hoe beoordeelt u dat er volgens berichtgeving een sociaal plan is overeengekomen met toezeggingen over onder meer ontslagvergoedingen, terwijl (een deel van) de betrokken werknemers inmiddels geen salaris over januari heeft ontvangen en uitbetaling van vergoedingen uit het sociaal plan onzeker is een aangevraagd faillissement?
Vooropgesteld is het zeer teleurstellend als afspraken uit een sociaal plan niet kunnen worden nagekomen, vanwege de financiële situatie van een bedrijf. Er wordt vaak lang over onderhandeld en het biedt werknemers in een kwetsbare situatie houvast. Wanneer dat houvast wegvalt, kan dat gevoelens van onzekerheid en onrechtvaardigheid versterken. Deze situaties komen helaas voor.
Een sluiting als gevolg van faillissement is wezenlijk anders dan een bedrijfssluiting of herstructurering van een onderneming wegens een bedrijfseconomische reden, waarvoor in nauw overleg met vakbonden en/of een OR vaak een sociaal plan wordt afgesproken ter ondersteuning van de ontslagen werknemers.
In geval van faillissement hangt het van de omstandigheden af in hoeverre werknemers nog aanspraak kunnen maken op vergoedingen uit een sociaal plan. Als een vergoeding al vóór het faillissement verschuldigd was, kunnen werknemers deze indienen bij de afwikkeling van het faillissement. Of en in hoeverre deze wordt uitbetaald hangt af van de beschikbare middelen en de andere schulden van het bedrijf. In de praktijk betekent een faillissement vaak dat niet alle schulden volledig kunnen worden betaald, hoe wrang dat ook kan uitpakken voor betrokken werknemers.
Werknemers hebben daarbij wel een zekere bescherming. Bepaalde vorderingen, zoals achterstallig loon en vakantiegeld, krijgen voorrang boven andere schulden.
Een andere situatie doet zich voor wanneer de curator tijdens het faillissement de arbeidsovereenkomst opzegt. In dat geval kunnen werknemers geen aanspraak maken op een ontslagvergoeding uit een eerder afgesproken sociaal plan. In plaats daarvan gelden de regels die specifiek zijn voor ontslag bij faillissement.
In beide situaties kunnen werknemers een beroep doen op de loongarantieregeling van UVW. Deze regeling houdt in dat UVW bij blijvende betalingsonmacht van de werkgever (zoals een faillissement) onder voorwaarden onder meer het achterstallige loon (over maximaal 13 weken), vakantiegeld en bepaalde andere verplichtingen uit de dienstbetrekking overneemt. Dit kan voor werknemers in deze moeilijke periode enige financiële verlichting bieden.
Deelt u de opvatting dat werknemers, zeker na tientallen dienstjaren, zwaar mogen leunen op gemaakte afspraken en toezeggingen in een sociaal plan, en dat het maatschappelijk vertrouwen wordt geschaad als zulke toezeggingen bij een sluiting niet worden nagekomen?
Ik ben het ermee eens dat werknemers waarde moeten kunnen hechten aan een sociaal plan. Voor werknemers vormen dergelijke afspraken een belangrijk fundament voor vertrouwen. Sociale plannen zijn in eerste instantie bedoeld om ontslagen te voorkomen. Daarnaast hebben ze als doel de (financiële) gevolgen van ontslagen te verzachten.
Helaas kan het voorkomen dat een onderneming (vlak) na het overeenkomen van een sociaal plan failliet gaat, waardoor het sociaal plan niet (volledig) kan worden nagekomen. Zoals bij het antwoord op de vorige vraag is beschreven, hangt het in dat geval van de situatie af in hoeverre een werknemer de afspraken die gemaakt zijn in een sociaal plan nog zal kunnen afdwingen.
Kunt u toelichten welke normatieve betekenis u hecht aan sociale plannen in dit soort situaties?
Een sociaal plan is niet wettelijk verplicht, maar wordt in de praktijk met regelmaat afgesproken tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. Juist omdat het werknemers duidelijkheid en houvast kan bieden in een onzekere periode.
Bij grotere ontslagen (20 of meer werknemers binnen een tijdsbestek van 3 maanden in een werkgebied van UWV) moet een werkgever dit melden en in overleg gaan met vakbonden over hoe de gevolgen voor werknemers kunnen worden beperkt. Dat overleg kan leiden tot een sociaal plan, maar dit is niet verplicht. Een sociaal plan wordt wel vaak als wenselijk gezien voor alle partijen, omdat het duidelijkheid en houvast biedt voor alle betrokkenen.
Een sociaal plan wordt daarom vaak gesloten bij herstructurering en sluiting. Een sociaal plan is juridisch bindend voor betrokken partijen en kan – buiten faillissement – ook worden afgedwongen. Een faillissement wordt echter juist uitgesproken omdat de gefailleerde niet meer in staat is om al zijn verplichtingen na te komen. Er gelden in dat geval de bij het antwoord op vraag 2 beschreven bijzondere regels, die berusten op een afweging van de belangen van alle betrokkenen bij een faillissement, hoe moeilijk dat in de praktijk ook kan uitwerken voor werknemers.
Klopt het dat (ex-)werknemers die gebruikmaakten van een RVU bij Vynova, omdat zij daarvoor zelf ontslag moesten nemen, in beginsel geen aanspraak meer hebben op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering wanneer de RVU-uitkeringen vervolgens wegvallen door betalingsonmacht van de werkgever?
In algemene zin geldt voor de WW dat een werknemer die het dienstverband op eigen initiatief beëindigt geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat dan sprake is van verwijtbare werkloosheid. Ik realiseer me dat dit in situaties als deze hard kan uitpakken voor werknemers die in goed vertrouwen gebruik hebben gemaakt van een regeling.
Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van inkomenszekerheid en de bedoeling van RVU-afspraken?
Wanneer een RVU-uitkering wegvalt als gevolg van betalingsonmacht van de werkgever, kan dat aanzienlijke gevolgen hebben voor het inkomen van betrokken werknemers. In hoeverre die gevolgen optreden, hangt mede af van de manier waarop de regeling is ingericht en welke afspraken daarover zijn gemaakt. De situatie waarin een RVU-uitkering stopt door betalingsonmacht is dan ook onwenselijk, omdat deelname aan een RVU-regeling voor werknemers een ingrijpende stap is. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de uitkeringen daadwerkelijk worden betaald, aangezien deze vaak een belangrijke inkomensvoorziening vormen in de periode tot het bereiken van de AOW-leeftijd.
Een RVU is een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers en werknemers(-vertegenwoordigers). Het is daarom aan sociale partners om bij het maken van deze afspraken nadrukkelijk oog te hebben voor de uitvoerbaarheid, de financiering en de zekerheid van betaling. Daarbij is het van groot belang dat zij vooraf stilstaan bij de risico’s, zoals betalingsonmacht, en afspraken maken over hoe deze kunnen worden gemitigeerd en opgevangen. Dit kan bijvoorbeeld door het treffen van voorzieningen via cao-afspraken, het onderbrengen van middelen in een A&O-fonds of het extern organiseren van de financiering en uitvoering van de regeling, met name wanneer sprake is van een onzekere financiële situatie.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van deze situatie, te bezien of de huidige systematiek rond RVU-afspraken waarbij werknemers «op eigen verzoek» uit dienst gaan (en daarmee WW-rechten kunnen verliezen) aanvullende waarborgen behoeft voor het geval de werkgever de RVU-verplichting daarna niet (meer) kan nakomen, bijvoorbeeld door insolventie? Zo ja, welke opties verkent u? Zo nee, waarom niet?
Ik zie dat situaties waarin een werkgever in betalingsonmacht raakt nadelige gevolgen kunnen hebben voor personen die gebruikmaken van een RVU. Dat kan voor betrokken tot onzekerheid leiden.
In het akkoord «Gezond naar het pensioen» (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663) is met sociale partners afgesproken om de voortzetting van de RVU zorgvuldig te volgen en aandacht te hebben voor de uitvoerbaarheid. Daarbij wordt ook gekeken naar hoe regelingen in de praktijk uitwerken.
In de Kamerbrief over de uitwerking van het akkoord (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685) is tevens aandacht gevraagd voor de mogelijke gevolgen voor de uitbetalingen van RVU-uitkeringen wanneer de werkgever failliet gaat en deze geen voorziening heeft getroffen voor de doorbetaling van RVU-uitkeringen. De handreiking voor de uitvoering van RVU-regelingen, die in samenwerking met sociale partners is opgesteld, beschrijft oplossingsrichtingen om dit risico af te dekken.
Tegen deze achtergrond ben ik hierover in gesprek met sociale partners en zal ik dit blijven doen. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor de continuïteit van RVU-uitkeringen. Sociale partners hebben toegezegd dit ook actief onder de aandacht te brengen bij hun achterban. Op dit moment zie ik echter geen directe aanleiding voor aanpassing van de RVU-systematiek.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij bedrijfssluitingen en herstructureringen sociale plannen en bijbehorende financiële verplichtingen beter worden geborgd (bijvoorbeeld via zekerheidsstellingen), zodat werknemers niet alsnog met lege handen staan bij surseance of faillissement?
Een sociaal plan is ook een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers). Het is aan partijen zelf om daarbij ook afspraken te maken over hoe de uitvoering en betaling worden geregeld, juist om onzekerheden zoveel mogelijk te beperken. Ik begrijp de wens dat werknemers hierin meer zekerheid willen en acht het wenselijk dat partijen hier nadrukkelijk aandacht aan hechten. Het is aan partijen om daar goede afspraken over te maken.
Tegelijkertijd kan een faillissement ertoe leiden dat niet alle afspraken kunnen worden nagekomen, wat voor werknemers ingrijpend kan zijn. Mocht het uiteindelijk tot een faillissement komen, dan worden werknemers beschermd doordat vorderingen wegens verschuldigd loon of vakantiegeld deels een voorrangspositie hebben bij de afwikkeling van het faillissement. Ook het UWV speelt hierin, zoals eerder genoemd, een rol.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met sociale partners?
Een sociaal plan is een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. Het is aan partijen zelf om daarbij ook stil te staan bij de vraag hoe afspraken in de praktijk kunnen worden nagekomen en hoe zoveel mogelijk zekerheid kan worden geboden aan werknemers.
In het kader van de uitwerking en monitoring van de afspraken rond het akkoord «Gezond naar het pensioen» (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663) is mijn ministerie in gesprek met sociale partners over de uitvoering van RVU-regelingen in de praktijk. Naar aanleiding van uw Kamervragen is daarbij opnieuw aandacht gevraagd voor de continuïteit en borging van RVU-uitbetalingen. Sociale partners zullen hun achterban hier extra op attenderen.
Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Ja, dat ben ik.
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Nee. Ik erken wel dat het opvragen en gebruiken van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs bij gemeenten een vergaand middel is. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto’s op een identiteitsbewijs op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals zorgvuldigheid staan bij het uitoefenen van deze bevoegdheid voorop.
UWV verstrekt jaarlijks meer dan één miljoen uitkeringen. Misbruik komt voor en dat pakt UWV aan. Controle en toezicht op de rechtmatigheid zijn hiervoor belangrijke onderdelen van het takenpakket van UWV. Per jaar ontvangt UWV ongeveer 6.000 signalen van mogelijke regelovertreding. Medewerkers beoordelen of deze signalen moeten worden onderzocht. UWV doet circa 2.000 toezichtonderzoeken op jaarbasis. Bij een klein aantal hiervan, ongeveer 100 per jaar, moet er een kopie van een foto op een identiteitsbewijs worden opgevraagd. Het gaat op jaarbasis om circa 5% van het totaal aantal toezichtonderzoeken. Dat is nodig als tijdens het onderzoek blijkt dat het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet. UWV zet hiervoor eerst lichte middelen in: mogelijk kan het op het internet worden gevonden. Als de lichte middelen niet een (betrouwbaar) resultaat opleveren, dan kan een zwaarder middel worden ingezet zoals het opvragen van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs. Dit gebeurt alleen bij een concreet vermoeden van misbruik, waarbij het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet, en dat niet op een minder ingrijpende manier kan worden onderzocht. Dit vergaande middel zet UWV dan ook beperkt in.
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
In het verleden is een document met een persoonlijke opvatting van een medewerker beschikbaar geweest voor andere medewerkers van UWV. De inhoud hiervan bevat niet het juridische standpunt of de werkwijze van UWV. De tekst is inmiddels verwijderd en de geldende werkinstructies, waaronder over het waarnemen, brengt UWV regelmatig onder de aandacht van de UWV-medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat overheidsinstanties zorgvuldig en terughoudend moeten omgaan met persoonsgegevens. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun privacy wordt gerespecteerd door de overheid. Ook UWV handelt binnen dit kader. In de situatie die in het artikel wordt geschetst, gaat het om toezichtonderzoek waarbij het mogelijk is voor UWV om een kopie van een foto op een identiteitsbewijs op te vragen bij de gemeente voor identificatie van een uitkeringsgerechtigde waartegen concrete vermoedens van misbruik zijn. UWV maakt beperkt gebruik van deze bevoegdheid en pas nadat andere minder inbreukmakende middelen zijn ingezet. Het opvragen van kopieën van identiteitsbewijzen bij gemeenten is proportioneel en toegestaan op grond van artikel 54 van de Wet SUWI. Er is hier dus geen sprake van het bewust en structureel overtreden van wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Ik begrijp dat het waarnemen van uitkeringsgerechtigden een vergaand middel is en vragen oproept over privacy en proportionaliteit. Het uitgangspunt is vertrouwen in mensen. Dit middel zet UWV daarom beperkt in. Toch zijn er ook mensen en organisaties die zich doelbewust niet aan de regels houden. Het is een taak van UWV om deze situaties te onderkennen en er gepast op te reageren.
Bij concrete vermoedens van misbruik moet UWV onderzoek doen. In sommige gevallen kunnen kleding of loopgedrag daarbij relevant zijn in een toezichtonderzoek. Zo is er een casus geweest waarbij iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, omdat diegene slecht ter been was. Na een tip startte UWV een onderzoek en bij de waarneming die daar op volgde, bleek deze persoon een halve marathon te lopen. Dan is het inderdaad relevant om de situatie en uitkeringsgerechtigde te beschrijven en vast te leggen. Daarbij moet een toezichtmedewerker wel zorgvuldig vaststellen dat hij de juiste persoon waarneemt, zoals beschreven in antwoord op vraag 2. Toezichtmedewerkers hebben verschillende manieren om misbruik te onderzoeken. Daarbij worden altijd eerst de minst ingrijpende onderzoeksmethoden ingezet.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Wat betreft de Paspoortwet en de Wet SUWI het volgende. De Paspoortwet en de daarbij behorende lagere regelgeving regelen specifieke zaken in verband met identiteitsbewijzen, zoals de uitgifte en inname van identiteitsbewijzen, en de bescherming van de daarbij gebruikte gegevens. Gemeenten vervullen een belangrijke rol in de uitvoering van de Paspoortwet. In artikel 73 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is specifiek ten aanzien van de gegevens in de reisdocumentenadministratie aangegeven aan wie gemeenten deze gegevens mogen verstrekken. In de Wet SUWI zijn regels en bevoegdheden van onder andere UWV vastgelegd in het kader van de wettelijke taken die UWV uitvoert. Daarbij horen ook toezicht op en handhaving van de regels betreffende uitkeringen. In dat kader heeft UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI de bevoegdheid om gegevens en inlichtingen bij onder andere de colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. De bevoegdheid van UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI ziet derhalve op veel meer situaties dan alleen het opvragen van gegevens uit reisdocumenten bij gemeenten. De gegevens die UWV opvraagt moeten uiteraard noodzakelijk zijn voor de taak van UWV en het gebruik van de bevoegdheid moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding (proportionaliteit). Mogelijk is verwarring ontstaan doordat in artikel 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 UWV niet staat vermeld als instantie aan wie gemeenten gegevens uit reisdocumenten mogen verstrekken. Dit doet niet af aan de bevoegdheid die UWV heeft op grond van artikel 54 van de Wet SUWI.
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Ik begrijp dat verschillen in handelwijze tussen gemeenten vragen oproepen. Zoals hiervoor toegelicht, geeft artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI aan UWV de bevoegdheid om in het kader van de toezichttaak kopieën van een foto op een identiteitsbewijs bij colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. Dat in de praktijk verschillend wordt gehandeld door gemeenten, doet niet af aan de wettelijke grondslag waarop UWV handelt, maar beperkt wel de onderzoeksmogelijkheden van UWV. Dit was mij niet eerder bekend en daarom ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen om te komen tot een eenduidige toepassing.
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
UWV handelt binnen het wettelijk kader van de Wet SUWI en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UWV rapporteert daarom niet proactief aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
UWV houdt toezicht conform de wettelijke kaders. Ik vind het van belang dat de geldende werkwijze helder is vastgelegd en eenduidig wordt toegepast. UWV brengt de geldende werkinstructies daarom regelmatig onder de aandacht van medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
UWV maakt in deze gevallen een zorgvuldige belangenafweging tussen privacy en het onderzoeken van mogelijk misbruik. Ik zie dan ook geen reden om hieraan consequenties te verbinden.