| Ingediend | 9 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 9 juli 2026 (na 30 dagen) |
| Indiener | Sandra Beckerman (SP) |
| Beantwoord door | Letschert |
| Onderwerpen | hoger onderwijs onderwijs en wetenschap |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12404.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2509.html |
Ja.
De Hogeschool der Kunsten Den Haag (hierna: de hogeschool) heeft mij geïnformeerd dat besloten is tot een organisatorische wijziging van het onderwijs. De variant ArtScience binnen de bachelor Fine Arts wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst (KABK) en de variant ArtScience binnen de Master of Music wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijk Conservatorium (KC) van de hogeschool. De interfaculteit ArtScience wordt daarmee opgeheven.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van het hoger onderwijs. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van het onderwijs, waarbij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) periodiek de kwaliteit van de opleidingen in het hoger onderwijs toetst. Het is vanuit mijn stelselrol niet passend dat ik als Minister uitspraken doe over de wenselijkheid van organisatorische wijzigingen in het onderwijs binnen een instelling.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, wordt de interfaculteit ArtScience opgeheven en het onderwijs in respectievelijk de KABK en het KC ondergebracht. Door deze organisatiewijziging kunnen volgens de instelling zowel de bachelorvariant ArtScience als de mastervariant ArtScience duurzamer worden ingericht met behoud van de interdisciplinariteit, experimentele cultuur en identiteit van het onderwijs. Wat met name wijzigt is de plaats van het onderwijs binnen de organisatie.
De hogeschool heeft mij tevens laten weten dat de kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en het belangrijk te vinden met de studenten in gesprek te zijn en blijven over de veranderingen in het onderwijs. De hogeschool heeft aangegeven dat de studenten toegang blijven houden tot alle faciliteiten.
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De hogeschool heeft mij laten weten dat kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en met de zittende bachelor- en masterstudenten hierover reeds in gesprek te zijn. Dit is ook de verantwoordelijkheid van de instelling en ik constateer dat de instelling die ook neemt.
De instelling gaat over de organisatorische inrichting van het onderwijs en doorloopt hiervoor de gebruikelijke interne besluitvormings- en communicatieprocessen. Zo ook in dit geval. De hogeschool heeft mij geïnformeerd dat zorgvuldig de tijd is genomen om tot het besluit te komen. Het docententeam en de studenten zijn gedurende het proces meegenomen in de voorgenomen veranderingen. Het uiteindelijke besluit is genomen na positief advies van de medezeggenschapsraad.
Het ministerie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Hogescholen en universiteiten bepalen zelf hoe zij de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben hierin bestedingsvrijheid.
In de vraag wordt gerefereerd aan de nog voor 2026 staande bezuinigingen. Ik neem aan dat dan gedoeld wordt op de bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten. Deze is grotendeels ingevuld met de afname van het aantal niet-Nederlandse EER-studenten die volgde uit de referentieraming. In het hbo resteert in 2026 daardoor een opgave van € 2 miljoen in totaal.2 Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de rijksbijdrage van instellingen, deze zal daardoor op instellingsniveau beperkt afnemen.
Het betekent natuurlijk ook dat er minder internationale studenten ingeschreven staan bij de instellingen en als gevolg van demografische ontwikkelingen tevens het totaal aantal studenten daalt. Dit kan ervoor zorgen dat instellingen genoodzaakt zijn keuzes te maken en bezuinigingen door te voeren om de organisatie daarmee financieel gezond te houden.
Ik heb echter van de hogeschool begrepen dat het besluit omtrent ArtScience geen bezuinigingsoperatie is, maar juist is bedoeld om het onderwijs een duurzame borging te geven.
Dit kabinet investeert in het hoger onderwijs en draait een aantal bezuinigingen van het vorige kabinet terug. Naast de hierboven genoemde € 2 mln. in het hbo kunnen instellingen te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische ontwikkelingen waardoor ze minder studentgebonden financiering ontvangen, en kunnen instellingsspecifieke factoren en gestegen kosten een rol spelen bij dergelijke keuzes om hun instelling financieel gezond te houden.
In het geval van het opheffen van de interfaculteit ArtScience benadrukt de hogeschool dat dit niet door bezuinigingen is ingegeven maar juist een investering is in een duurzaam toekomstperspectief voor zowel het bachelor- als het masteronderwijs ArtScience.
Het resultaat van de onderhandelingen van de coalitiepartijen is dat dit kabinet vanaf 2027 extra investeert in onderwijs. Deze investering loopt op van € 1 miljard tot € 1,5 miljard structureel.
In zijn algemeenheid kan ik hier geen antwoord op geven. Wijzigingen in het opleidingsaanbod, zoals het stoppen of samenvoegen van opleidingen, kunnen het gevolg zijn van bezuinigingen, maar voor het hbo resteert enkel een bezuiniging van € 2 miljoen in 2026. Er kunnen daarom ook andere redenen zijn zoals teruglopende studentenaantallen, een veranderende behoefte van de arbeidsmarkt of instellingsspecifieke redenen en algemeen gestegen kosten. Het is daardoor niet uit te sluiten dat er ergens opleidingen stoppen, ook na eventuele investeringen.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat voor wat betreft ArtScience niet het geval. Bovendien stopt de opleiding niet, maar betreft het een organisatorische wijziging met als doel het onderwijs duurzaam in te richten.
Dit kabinet investeert in 2027 € 1 miljard in onderwijs en dit loopt op tot structureel € 1,5 miljard vanaf 2031. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 en 7 heb aangegeven resteert in het hbo in 2026 een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar. Dalende studentenaantallen of instellingsspecifieke factoren kunnen ook leiden tot keuzes van instellingen om opleidingen stop te zetten.
Vanuit mijn stelselrol ben ik verantwoordelijk voor een landelijk dekkend, doelmatig opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod is altijd in beweging, er komen opleidingen bij, er worden opleidingen stopgezet en opleidingen worden gewijzigd. Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Ervan uitgaande dat de vragensteller doelt op de passage in de Beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gaat over de verdeling van de middelen van onderzoek en wetenschapsbeleid:3 Het kabinet investeert in bestaande instrumenten van het onderzoek en wetenschapsbeleid. Deze bestaande instrumenten zijn praktijkgericht onderzoek, sectorplannen, infrastructuur en Europese samenwerking. Kleine of niche opleidingen zijn geen primair beleidsdoel van deze instrumenten.
Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Hierbij is specifiek aandacht voor kleine of niche studies. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
De verdeling van het geld over de instrumenten is opgenomen in de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om studenten goed te informeren over de opleidingen en het onderwijs dat zij aanbieden. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit ook gebeurt.
Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven resteert in het hbo een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar.
In het geval een instelling heeft besloten een opleiding – om welke reden ook – stop te zetten, dan is de instelling verplicht de in de opleiding ingeschreven studenten de mogelijkheid te bieden de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden.
Op 9 juni 2026 heeft het lid Beckerman (SP) schriftelijke vragen gesteld over het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag. Tot mijn spijt is beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk, omdat de beantwoording zorgvuldige afstemming met de betrokkenen vraagt. Ik zal de vragen zo snel mogelijk beantwoorden.