Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Rob Jetten (D66), Letschert |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
Het bericht 'Minister Letschert trekt 154 miljoen uit voor het aantrekken van buitenlands talent' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Waarom geeft u 154 miljoen euro uit aan buitenlands talent, terwijl Nederlandse studenten worden verdrongen en nauwelijks nog aan een studie of kamer komen?1
Begrijpt u dat dit beleid neerkomt op het subsidiëren van buitenlandse studenten met Nederlands belastinggeld, ten koste van onze eigen jongeren? Zo ja, waarom drukt u dit beleid er alsnog doorheen?
Waarom houdt u vast aan het bestaande Engelstalige onderwijsaanbod, terwijl dit de positie van het Nederlands als voertaal verder onder druk zet?
Vindt u het acceptabel dat instellingen zoals de Universiteit Maastricht inmiddels draaien op buitenlandse studenten en wanneer is voor u de grens bereikt?
Hoe denkt u grip te houden op internationale instroom, als u tegelijkertijd miljoenen uittrekt om die instroom juist verder aan te jagen?
Bent u bereid om harde grenzen te stellen aan het aantal buitenlandse studenten en het Nederlands weer de norm te maken in het hoger onderwijs, of blijft u kiezen voor internationalisering boven de Nederlandse belangen?
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1
Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?
Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?
Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Rob Jetten (D66), Letschert |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
De reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten de afgelopen (vijf) jaren?
Ja, ik ben ermee bekend dat diverse Nederlandse universiteiten reorganisaties hebben aangekondigd in recente jaren.
Weet u wellicht ongeveer hoeveel academici daarbij hun baan hebben verloren en kunt u daarvan een overzicht verschaffen per vakgebied?
Nee, deze informatie is bij mij niet bekend. Ik beschik niet over een overzicht van reorganisaties en ontslagen aan kennisinstellingen. UNL geeft aan dat het uiteindelijke aantal gedwongen ontslagen als gevolg van recente reorganisaties beperkt lijkt te blijven vanwege natuurlijk verloop, mobiliteit en individuele afspraken. Wel wijst UNL op een verlies aan fte’s voor ondersteunende en wetenschappelijke taken. UNL kan niet aangeven om hoeveel fte’s het gaat. Op verschillende plekken is er sprake van een vacaturestop.
Beseft u dat met het ontslag van deze academici veel kennis voor de Nederlandse universiteiten en wetenschap verloren dreigt te gaan en beseft u ook hoeveel manjaren en miljoenen euro’s aan investeringen met het ontslag van deze academici verloren gaan?
Ik besef dat er door ontslag van academici bij een reorganisatie kennis en kunde verloren kan gaan. Tegelijkertijd kunnen vertrekkende academici hun opgedane kennis en kunde elders in de samenleving inzetten. Daarnaast kunnen universiteiten borgingsmaatregelen nemen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Beseft u dat daarmee ook de positie van Nederland in internationale netwerken wordt verzwakt?
Zoals eerder benoemd, geeft UNL aan dat het aantal gedwongen ontslagen beperkt lijkt te blijven. Los daarvan kunnen de bezuinigingen op onderzoek en wetenschap van het vorige kabinet een rol spelen in de internationale positie van Nederland. Met de investeringen van het nieuwe kabinet in onderzoek en wetenschap hoop ik hierin het tij te keren.
Bent u bekend met het Tulp Fonds van De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) dat (onder andere) als doel heeft wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland te halen?
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft NWO vorig jaar gevraagd om het Tulp Fonds op te richten vanwege geopolitieke ontwikkelingen in relatie tot de wereldwijde strijd om talent. Het doel van het fonds is het aantrekken van internationale topwetenschappers op terreinen die van evident belang zijn voor Nederland en Europa. Hiermee draagt het instrument bij aan de strategische autonomie, het concurrentievermogen en de weerbaarheid van Nederland en Europa. Uw Kamer is op 20 maart 2025, 10 juli 2025, 30 oktober 2025 en 9 december 2025 over het Tulp Fonds geïnformeerd.1 Niet alleen Nederland zet nu extra in op het aantrekken van internationaal wetenschappelijk talent, ook de Europese Unie en een aantal landen om ons heen zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen dit.
Bent u het ermee eens dat voordat een dergelijk fonds wordt ingezet om bedreigde buitenlandse wetenschappers naar Nederland te halen, beter eerst kan worden ingezet om ontslagen Nederlandse wetenschappers voor de wetenschap in ons land te behouden? Ze nee, waarom niet?
Ons land kent wetenschap van topniveau en is rijk aan excellente onderzoekers. Om dat zo te houden, moeten we wetenschappelijk talent aantrekken, behouden en ontwikkelen, van eigen bodem én van over de grens. Talent uit eigen land draagt bij aan het behoud van gespecialiseerde kennis, continuïteit in wetenschappelijk onderzoek en aandacht voor lokale vraagstukken. Buitenlands talent zorgt voor nieuwe perspectieven en toegang tot internationale netwerken en in het buitenland ontwikkelde kennis. De hoge kwaliteit van de Nederlandse wetenschap wordt in verband gebracht met een goede inbedding in de internationale onderzoeksgemeenschap en toegang tot internationale infrastructuren.2 Met het Tulp Fonds wordt ingespeeld op een kans die zich vanwege geopolitieke ontwikkelingen voordoet. Juist omdat de kennisinstellingen niet het vermogen hadden om hier zelf op in te spelen, lag er een rol voor mijn ministerie. Op dit moment is de uitwerking van het Tulp Fonds nog niet bekend. Kennisinstellingen kunnen tot 31 maart 2026 voordrachten indienen. Ik ben blij dat het huidige kabinet ervoor kiest om te investeren in onderzoek en wetenschap, waardoor de kennisinstellingen weer meer ruimte krijgen voor het aantrekken, ontwikkelen en behouden van talent. De verantwoordelijkheid om deze ruimte in te vullen ligt primair bij de kennisinstellingen in hun rol als werkgever.
Hoe rechtvaardigt u dan het ontslaan van Nederlandse wetenschappers terwijl tegelijkertijd met Nederlands belastinggeld wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland worden gehaald?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
De geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Ja.
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde vormen van publiek vervoer?
Voor het studentenreisproduct heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven. Of binnenlands open toegang-treinvervoer en de personenauto’s/taxibusjes van de Flex3 in Zeeland binnen de afgesproken reikwijdte van het gecontracteerde vervoer valt, is onderwerp van gesprek in de contractrelatie tussen het ministerie en de ov-bedrijven. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de voortgang van dit gesprek.
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Ik snap dat de wijze waarop binnen de provincie Zeeland het publieke vervoer is georganiseerd de vraag oproept hoe zich dit verhoudt tot de geldigheid van het studentenreisproduct. Dit wordt dan ook zoals aangegeven meegenomen bij de gesprekken zoals bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Momenteel werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) samen met de Ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en OCW, aan de verbredingsfase, welke als basis zal dienen voor een op te stellen Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit. De Staatssecretaris van IenW zal de Kamer eind 2026 informeren over de resultaten van de verbredingsfase en nader inzicht geven in de voortgang van het Kabinetsstandpunt dat de Staatssecretaris van IenW in 2027 naar de Kamer zal sturen.
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk gebied tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijs voor studenten en daaraan levert het studentenreisproduct een belangrijke bijdrage. Het Ministerie van OCW heeft hiertoe een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven afgesloten. Ik ben en wil in mijn rol niet verantwoordelijk zijn voor de rendabiliteit van publiek gefinancierd vervoer. Het budget van de onderwijsbegroting dient zo doelmatig mogelijk te worden besteed aan de beleidsdoelen van OCW.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct in open toegang ritten op het spoor?3
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten, en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?4
Via de privaatrechtelijke overeenkomst die ik heb met de ov-bedrijven, zorgen we ervoor dat studenten hun onderwijsinstelling of stageadres kunnen bereiken door ov-bedrijven te vergoeden voor de reizen die studenten met het studentenreisproduct maken.6 Het contract is voor mij een middel waarmee we de bereikbaarheid van voorzieningen voor studenten mogelijk maken.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO, geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
In de huidige verbredingsfase besteedt de Staatssecretaris van IenW in samenspraak met betrokken departementen ook aandacht aan de vraag of er een wettelijke definitie voor publieke mobiliteit dient te komen. De Staatssecretaris van IenW is geen partij in eventuele discussies ten aanzien van CAO’s. De Staatssecretaris van IenW realiseert zich echter dat het voor het vaststellen van de toe te passen CAO van belang is om over een heldere definitie van het begrip publieke mobiliteit te beschikken.
Verder is het goed om te melden dat de eerder genoemde privaatrechtelijke overeenkomst regelt voor welk type vervoer de ov-bedrijven een vergoeding van OCW kunnen krijgen voor reizen van studenten met het studentenreisproduct.
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale studieschuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025 de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?1
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk kwijtgescholden zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende categorieën: overlijden van de schuldenaar, medische gronden en kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven, zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.2
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven. Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
Aanvullende beurs
26,4
29,0
31,0
33,0
36,0
36,0
36,0
Overlijden
14,2
15,0
15,0
15,0
15,0
16,0
16,0
Kwijtschelding einde 15jaarstermijn
54,9
55,0
68,0
85,0
105,0
125,0
142,0
Nieuwe aanspraak
10,5
12,5
11,0
9,5
8,0
8,0
8,0
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor een specifiek budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen de algemene begroting? Kunt u dit toelichten?
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt, verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel (artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon. Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de kosten die voortvloeien uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het verzoek om per categorie het aantal studenten én de totale schuld in euro’s vermelden.
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer. Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen. De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december 2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft gebruik voor hun publicatie.
736.508
308.111
182.357
121.360
81.527
53.291
34.353
41.495
1.559.002
€ 2.955
€ 4.464
€ 4.494
€ 4.209
€ 3.641
€ 2.910
€ 2.220
€ 3.426
€ 28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen, terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het begin van studiejaar 2024–2025. Kunt u aangeven welk deel van deze schuld valt onder het oude stelsel (SF15) en welk deel valt onder het nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het verzoek om aan te geven om hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand per 31 december 2025.
759.727
12.241
537.888
12.231
219.307
3.847
1.516.922
28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft 1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep «nog studerend» alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt u aangeven hoe deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën: nog studerend, afgestudeerd en in de aanloopfase (nog niet begonnen met aflossen) en bezig met het afbetalen van de studieschuld.
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar studiefase, aanloopfase en aflosfase.
300.449
246.775
969.698
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het aflossen van hun studieschuld daarvan het volledige wettelijke maandbedrag betalen en hoeveel gebruik maken van de draagkrachtregeling en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december 2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop- of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
909.748
414.682
495.066
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd, is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging van hun wettelijke maandbedrag.
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een studieschuld van € 50.000 of meer? Gaat het voornamelijk om alphastudies, betastudies of gammastudies?
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld. Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling van gegevensbestanden te realiseren.
Het bericht ‘Geef hbo’ers beurs om naar universiteit te gaan’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geef hbo’ers beurs om naar de universiteit te gaan»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de reden is dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen geen extra jaar basisbeurs krijgen, maar die wel krijgen voor een hbo-master? Hoe volgt dit uit de onderwijswetgeving?
De reden hiervoor is dat prestatiebeursrechten bedoeld zijn voor initiële opleidingen. Een hbo-masteropleiding die volgt op een hbo-bacheloropleiding geldt als een initiële opleiding. Een wo-masteropleiding volgend op een hbo-bacheloropleiding geldt niet als een initiële opleiding en daarom krijgt een student in dat geval geen extra jaar prestatiebeurs. Deze studenten kunnen wel lenen om te voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud. In navolging van de motie van het lid Straatman c.s.2 voer ik een verkenning uit naar dit vraagstuk.
Kunt u hierbij ook ingaan op de in het artikel aangehaalde rechterlijke uitspraak en de overwegingen daarin?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven voer ik een verkenning uit naar dit vraagstuk. Ik betrek de uitspraken van de rechtbank en Centrale Raad van Beroep hierbij. Op basis van de verkenning voer ik graag het gesprek met uw Kamer over eventuele beleidswijzigingen. Ik zal uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van de verkenning.
Kunt u specifiek ingaan op de overweging van de rechter dat «niet duidelijk is waarom in artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 bij de combinatie hbo-bachelor en hbo-master de lengte van de prestatiebeurs wél wordt vermeerderd en bij een wo-master niet. Ook is niet duidelijk of en waarom dit de bedoeling van de wetgever is geweest»?2
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2 en 3.
Is bekend hoeveel hbo-bachelors door deze situatie afzien van een wo-master terwijl ze dat misschien wel zouden willen?
Nee, dit is niet bekend.
Klopt het dat iemand met een wo-bachelor die daarna een hbo-master gaat doen wel een jaar extra basisbeurs krijgt en hoe komt dat?
Ja, dit klopt. Hier bestaat geen sluitende verklaring voor, in die zin dat een hbo-master niet wordt gezien als onderdeel of verlenging van een initiële wo-opleiding. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. In de eerdergenoemde verkenning zal ik dan ook ingaan op dit verschil.
Vindt u deze situatie gerechtvaardigd, aangezien een kernwaarde van het onderwijs juist is om studenten te stimuleren die verder willen leren en zich willen ontwikkelen?
Ik betrek dit vraagstuk in de toegezegde verkenning en wil op basis daarvan het debat met de Kamer voeren om te bepalen of we dit moeten heroverwegen.
Deelt u de mening dat deze situatie het hoger beroepsonderwijs onaantrekkelijker maakt omdat studenten in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden?
Ik kan niet zeggen of deze situatie het hoger beroepsonderwijs als geheel onaantrekkelijker maakt, omdat daar geen onderzoek naar gedaan is.
Wat zou ervoor nodig zijn om ervoor te zorgen dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen wel recht hebben op een extra jaar basisbeurs? En welke (financiële) consequenties heeft dit?
Ik kan deze vraag nu niet beantwoorden. Dat is precies waarom een nadere verkenning nodig is, zoals de motie Straatman ook vraagt. Ik kom daar voor het einde van het jaar op terug. Wat betreft de financiële consequenties is in 2025 in antwoorden op vragen bij de Voorjaarsnota4 geantwoord dat de extra kosten op ongeveer € 47 miljoen structureel worden geschat, gebaseerd op het prijspeil van 2025. Ik wil benadrukken dat dit een grove inschatting is. Mogelijke gedragseffecten, zoals een aanzuigende werking, en uitvoeringskosten zijn hierin niet meegenomen.
In de verkenning zal ik dan ook op de financiële gevolgen in gaan.
Welke stappen wilt u nemen om masteropleidingen in het algemeen toegankelijker te maken voor hbo-studenten?
In februari 2025 constateerde de Inspectie van het onderwijs (hierna: inspectie) in haar onderzoeksrapport «hbo’ers gelijkgeschakeld?» dat bijna een kwart van de masteropleidingen niet toegankelijk is voor hbo-bachelorgediplomeerden. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief «Toegankelijkheid en doorstroom»5 uiteengezet hoe de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot toelating tot het masteronderwijs is ingericht; in het hoger onderwijsstelsel geeft een bachelordiploma in principe toegang tot het masteronderwijs. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een hbo-bachelor en een wo-bachelor. Hbo-bachelorgediplomeerden mogen daarom niet bij voorbaat generiek worden uitgesloten van een wo-masteropleiding. Steeds moet op individuele basis worden beoordeeld of een student voldoet aan de kwalitatieve toelatingseisen die voor een masteropleiding gelden. De inspectie heeft de wettelijke kaders over toelating tot het masteronderwijs nogmaals onder de aandacht gebracht bij de onderwijsinstellingen naar aanleiding van haar onderzoeksrapport. Ik ben daarom niet voornemens om extra stappen te zetten wat betreft toelating tot het masteronderwijs.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag9. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten10, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.14 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context daarvan bezien.
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Ik kan niet ingaan op de betrokkenheid en activiteiten van organisaties bij Nederlandse universiteiten en hogescholen. Deze bevoegdheid ligt bij de lokale driehoek, zijnde de burgemeester, de politie en het Openbaar Ministerie. Het is niet aan mij als Minister van OCW om in deze bevoegdheid te treden.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
Het afschaffen van het predicaat cum laude aan de Universiteit Twente |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Twente stopt met «cum laude» om ongelijkheid tussen mannen en vrouwen: «Luie oplossing»», waarin wordt gemeld dat de Universiteit Twente het predicaat cum laude bij promoties afschaft omdat dit volgens de universiteit «systematisch nadelig» zou uitpakken voor vrouwelijke promovendi?1
Ja.
Deelt u de kritiek van diverse academici dat dit besluit een «luie oplossing» vormt die het probleem van subjectieve beoordelingen niet oplost, maar slechts de erkenning van uitzonderlijke kwaliteit afschaft en zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van het promotiereglement van een universiteit. In de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is vastgesteld dat het college voor promoties van een universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. In de WHW staat dat het college voor promoties het promotiereglement vaststelt. In het promotiereglement legt elke universiteit vast wat de regels zijn voor de procedure van beoordeling, waaronder de toekenning van cum laude.
Ik vind het zorgelijk dat het beoordelen van proefschriften niet objectiveerbaar lijkt te zijn en dat het differentiëren tussen proefschriften daardoor wordt bemoeilijkt. Ik vind het belangrijk om excellente onderzoeksprestaties te waarderen. Ik ondersteun het daarom van harte dat de Universiteit Twente een andere manier zoekt om bijzondere prestaties in promotietrajecten alsnog te waarderen.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van Renée Römkens die zegt «dat de oplossing vooral in bewustwording zit»?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met de maatregelen die een universiteit neemt om haar promotiereglement te vernieuwen.
Deelt u de mening dat het schrappen van het predicaat cum laude talentvolle promovendi, zowel mannen als vrouwen, benadeelt, terwijl de oorzaak van mogelijke ongelijkheid juist ligt in verbeterbare beoordelingsprocedures en bewustwording binnen commissies?
Ik vind het goed dat al onze talentvolle onderzoekers, ongeacht sekse, gelijke kans maken op waardering. Ik vind ook dat selecteren onderdeel is van de wetenschap en dit betekent dat er onderscheid gemaakt moet kunnen worden tussen onderzoekers.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Universiteit Twente om dit besluit te heroverwegen, en op welke wijze gaat u voorkomen dat andere universiteiten een vergelijkbare, ideologisch gemotiveerde nivellering doorvoeren die academische excellentie en meritocratie ondermijnt?
Nee, de universiteiten stellen zelf hun promotiereglement vast. Ik ga er vanuit dat zij onderling in gesprek zijn over wijzigingen in hun promotietrajecten.
De demonstratie van TFP Student Action Europe |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe voor de deur bij het Leiden University College The Hague op 24 september jl.?
Ja, ik ben bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe. Ook ben ik bekend met de flyer die deze organisatie heeft verspreid. De bij de demonstratie verspreide flyer is inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de flyer die op de website van deze organisatie is gepubliceerd.1
Bent u bekend met de folder die zij bij deze demonstratie hebben verspreid, waarin zij beweren dat abortus de kans op kanker verhoogd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit nepnieuws betreft? Zo nee, waarom niet?
Ja, de flyer bevat onjuiste informatie. In de flyer staat bijvoorbeeld dat abortus onveilig is en de kans op borstkanker vergroot. Dat klopt niet. Het Nederlands Genootschap van Abortusartsen heeft aan mij bevestigd dat de informatie in de folder geenszins in overeenstemming is met de huidige medisch-wetenschappelijke consensus. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een legale zwangerschapsafbreking een veilige procedure is.2 Ook het vermeende verband tussen abortus en borstkanker wordt niet door recente betrouwbare studies ondersteund.3
Wat vindt u van de beschrijving van «oorlog» in relatie tot het abortusrecht van vrouwen zoals die door deze organisatie wordt gebruikt?
De vergelijking van abortus met oorlog slaat nergens op en vind ik absoluut ongepast en onwenselijk. Een dergelijke woordkeuze demoniseert vrouwen die kiezen voor een abortus, evenals de professionals die in de abortuszorg werkzaam zijn.
Welke actie gaat u ondernemen tegen het verspreiden van nepnieuws door TFP Student Action Europe?
Het is zorgelijk en onwenselijk dat er onjuiste gezondheidsinformatie over abortus wordt verspreid. Ik wil de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap, abortus en anticonceptie bestrijden. Als onderdeel van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap heb ik Fiom en Rutgers gevraagd om effectieve methodes daartoe te onderzoeken en hiermee te experimenteren. Eind 2026 leveren Fiom en Rutgers een overzicht op van geëvalueerde interventies en communicatiestrategieën. Deze interventies en strategieën kunnen vervolgens worden toegepast door Fiom, Rutgers en door andere partijen die over abortus communiceren.
Onjuiste gezondheidsinformatie is een complex probleem dat speelt bij verschillende onderwerpen. Om hier grip op te krijgen heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hier eind vorig jaar een onderzoek naar laten uitvoeren. Op 19 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger dit onderzoek naar uw Kamer gestuurd.4 Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Bent u het met ons eens dat het recht op abortus een belangrijk verworven recht is en abortus belangrijke zorg is voor vrouwen?
Ja, ik sta pal voor het recht op veilige en toegankelijke abortuszorg.
Bent u bereid tot het opzetten van een publiekscampagne om nepnieuws te bestrijden en betrouwbare informatie over abortus en vrouwenrechten te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie en het verstrekken van betrouwbare informatie zijn belangrijke onderdelen van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap waar ik vanaf 2026 nog nadrukkelijker op in zal zetten. Dit illustreer ik met twee voorbeelden:
Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Is iets bekend over de financiering van deze organisatie?
Op de website van TFP Student Action staat dat de organisatie wordt gefinancierd door diverse donateurs die grote, middelgrote en kleine bijdragen geven. De organisatie geeft aan geen overheidsfinanciering te ontvangen.5
Hoe wilt u opvolging geven aan de aangenomen motie-Van Campen/Dobbe?1
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft uitvoering aan deze motie door aansluiting te zoeken bij de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie7 en daarnaast door een aantal extra maatregelen te treffen om organisaties die opkomen voor vrouwen- en lhbtiq+- rechten te ondersteunen in het vergroten van hun weerbaarheid.
Zo wordt de handreiking Omgaan met misinformatie voor medeoverheden8 vertaald naar een handreiking die maatschappelijke organisaties in het emancipatiedomein helpt in het bijtijds en effectief reageren op des- en misinformatie. Ook ondersteunt de Staatssecretaris van OCW de ontwikkeling van een toolkit Veiligheid en weerbaarheid. Deze wordt binnenkort gepubliceerd. Om kennisuitwisseling en samenwerking te bevorderen, is een bijeenkomst georganiseerd met de emancipatieallianties over omgaan met weerstand en desinformatie. Tevens kunnen maatschappelijke organisaties gebruikmaken van de subsidieregeling gender- en lhbtiq+-gelijkheid 2022–2027. Deze regeling kan worden benut om de positie en daarbij de inzet van organisaties die zich hard maken voor de rechten van vrouwen en lhbtiq+ personen te versterken.
Daarnaast worden op dit moment de opties en mogelijkheden voor aanvullend onderzoek naar anti-emancipatoire invloeden in kaart gebracht.
Het bericht ‘Techsamenwerking in gevaar: Florida plaatst Nederlandse universiteiten op zwarte lijst’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Techsamenwerking in gevaar: Florida plaatst Nederlandse universiteiten op zwarte lijst»?1
Ja.
Klopt het dat Amerikaanse bedrijven de samenwerking met Nederlandse universiteiten stoppen als gevolg van anti-BDS-wetgeving?2
Ik heb geen aanwijzingen dat Amerikaanse bedrijven de samenwerking met Nederland stoppen als gevolg van wetgeving tegen de Boycott, Divestment, Sanctions(BDS) beweging. Het bericht verwijst naar specifieke wetgeving uit de Staat Florida. Florida kent sinds 2016 anti-boycotwetgeving die het publieke pensioenfonds van de staat – de Florida State Board of Administration (SBA) – verplicht om elk kwartaal een geactualiseerde lijst te publiceren van «onderzochte bedrijven die Israël boycotten» en de betreffende bedrijven hierover schriftelijk te informeren. Het is verboden voor het fonds om directe aandelen te verwerven in de bedrijven op die lijst. Voor zover bekend heeft deze wetgeving tot nog toe geen gevolgen gehad voor Nederlandse bedrijven.
Afgelopen juni heeft Florida de bestaande anti-boycotwetgeving uitgebreid, waardoor meerdere publieke beleggings- of pensioenfondsen niet langer mogen investeren in onderwijsinstellingen die een academische boycot van Israël voeren. De lijst die nu circuleert, is afkomstig van het publieke pensioenfonds SBA. SBA heeft de bestaande lijst geactualiseerd naar aanleiding van de voorgenoemde wetswijziging. Dit fonds investeert zelf niet in Nederlandse kennisinstellingen. De verwachte directe impact van deze lijst op Nederlandse kennisinstellingen is daardoor nihil.
Heeft u inzicht in welke universiteiten door de staat Florida op een zogenaamde «zwarte lijst» zijn geplaatst? Zo ja, is het duidelijk welke criteria daarbij zijn gehanteerd?
De betreffende lijst is gepubliceerd door de SBA van Florida. De Nederlandse onderwijs- en onderzoeksinstellingen die op de lijst staan vermeld zijn de Technische Universiteit Eindhoven, de Erasmus Universiteit Rotterdam (met een aparte vermelding van de Rotterdam School of Management), de Gerrit Rietveld Academie, de Radboud Universiteit, de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, de Technische Universiteit Delft, de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Tilburg, en de Universiteit van Amsterdam (met een aparte vermelding van de Amsterdam School for Cultural Analysis).
Bij het opstellen van de lijst hanteert de SBA de criteria zoals meegegeven in de statelijke wetgeving van Florida. Zoals hierboven is aangegeven, vereist deze wetgeving sinds juni 2025 dat ook instellingen die participeren in «academische boycots» dienen te worden opgenomen in de lijst. De Staat Florida definieert een academische boycot van Israël als een situatie waarin een onderwijsinstelling restrictieve beleidsmaatregelen voert, of op andere wijze deelneemt aan activiteiten die resulteren in het beperken van bestaande of potentiële academische relaties op basis van banden met de staat Israël of met diens academische, onderwijs- of onderzoeksinstellingen. Binnen de gehanteerde definitie valt ook het collectief aansprakelijk stellen van onderzoekers, (toekomstige) studenten of gastdocenten voor vermeend aanstootgevend gedrag van de staat Israël. Een onderwijsinstelling wordt beschouwd als deelnemer aan een academische boycot van Israël wanneer één van de onderdelen van een instelling (bijvoorbeeld een vakgroep of faculteit) een boycot voert.3
De SBA claimt de selectie van opgenomen entiteiten op de lijst gemaakt te hebben op basis van publiek beschikbare informatie en gesprekken die het fonds voert met belanghebbenden en andere investeringsfondsen. Het is niet duidelijk welke informatie precies heeft geleid tot de toevoeging van de genoemde Nederlandse onderwijs- en onderzoeksinstellingen.
Is u bekend of andere Amerikaanse staten vergelijkbare maatregelen hebben getroffen of in voorbereiding hebben? Zo ja, om welke staten gaat het?
Veel Amerikaanse staten kennen een vorm van anti-boycotwetgeving met betrekking tot Israël. In de meeste staten richt de wetgeving zich op bedrijven die overheidsdiensten leveren of op publieke fondsen die in bedrijven investeren. Florida is voor zover bekend de enige Amerikaanse staat die onderwijsinstellingen en academische boycots expliciet opneemt in de wet.
Wat is de verwachte impact van deze ontwikkeling op Nederlandse universiteiten en wat voor gevolgen heeft dit voor hun onderzoek?
De huidige lijst is afkomstig van een individueel fonds uit één Amerikaanse staat. Dit fonds investeert zelf niet in Nederlandse kennisinstellingen. De verwachte directe impact van deze lijst op Nederlandse kennisinstellingen is daardoor nihil.
Heeft u inzicht in de eventuele schade aab de Nederlandse kennisinfrastructuur, bijvoorbeeld op het gebied van chips maar ook medische innovatie, nu Amerikaanse instellingen hun samenwerking met Nederlandse universiteiten lijken op te schorten?
Ik heb geen signalen ontvangen dat Amerikaanse instellingen hun samenwerking met Nederlandse universiteiten opschorten. Ik verwacht daarom geen impact op de Nederlandse kennisinfrastructuur.
Is er sprake van overleg of coördinatie tussen de Nederlandse overheid en kennisinstellingen enerzijds en de Amerikaanse staten anderzijds? Zo ja, wat is daarin uw inzet?
Mijn ministerie voert geen regulier overleg met afzonderlijke staten. Wel is er contact op federaal niveau. Samen met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp zet ik me in om de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van wetenschap en innovatie te behouden en versterken, onder meer via dialoog en uitwisseling.
Kennisinstellingen onderhouden over het algemeen geen regulier contact met de statelijke overheden. Zij staan direct in contact met de lokale kennisinstellingen en/of wetenschapsfinanciers.
Bent u bereid om contact op te nemen met de genoemde Nederlandse universiteiten om te kijken wat er nodig is om de voortgang van onderzoek en wetenschap te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Ik sta doorlopend in contact met onze universiteiten en hogescholen over de impact van ontwikkelingen in de Verenigde Staten op het onderwijs en onderzoek in Nederland. De Vereniging Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen (VH) hebben mij laten weten dat enkele universiteiten en hogescholen een informerend bericht hebben gehad van de SBA over de toevoeging van hun instelling aan de lijst. Vanwege het ontbreken van een financieringsrelatie met de SBA verwachten UNL en de VH vooralsnog niet dat dit bericht impact zal hebben op de voortgang van onderzoek en wetenschap bij de universiteiten en hogescholen die op de lijst vermeld staan.
Bent u bereid om maatregelen te treffen om de schade voor Nederlandse instellingen zo veel als mogelijk te beperken en zijn er eventuele alternatieve samenwerkingsroutes mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor aangegeven, verwacht ik geen schade voor Nederlandse instellingen.