Het bericht dat spaarders en woningbeleggers de vermogenstaks eenvoudig kunnen ontwijken |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroutes en kunt u de constatering bevestigen dat deze scenario’s daadwerkelijk kunnen worden als resultaat van de invoering van de nieuwe box 3-heffing?1
In het geciteerde bericht worden twee scenario’s in box 3 beschreven, namelijk de mogelijkheid om de huur van enkele jaren te cederen en de mogelijkheid om een rentetermijn in december te laten uitbetalen in plaats van in januari. Hieronder wordt eerst ingegaan op de cessie van huurtermijnen en daarna op de rentebetaling.
In het geciteerde bericht wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een cessie van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een cessie van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder deze toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20092 en in de bij dit arrest horende conclusie.3 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.4 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.5 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,6 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,7 hetzij als reguliere schuld.8 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.9 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».10 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.11 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.12 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.13 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.14 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.15 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.16 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.17 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.18 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.19 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.20 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.21 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.22 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.23 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.24 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.25 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.26 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
In het kader van de cessie van huurtermijnen wordt in het geciteerde bericht aandacht gevraagd voor het overgangsrecht dat geldt bij de invoering van het toekomstige stelsel voor box 3. Om die reden is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.27 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
De tweede route die in het geciteerde bericht wordt genoemd, betreft de rente die wordt ontvangen op spaarrekeningen. Het is niet uitgesloten dat er belastingplichtigen zullen zijn die via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden tot belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.28 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Op welke schaal vermoedt u dat beleggers gebruik zullen maken van de beschreven mogelijkheden om belasting te ontwijken? Hoeveel euro kost dit de schatkist?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, is de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroute voor beleggers met betrekking tot de cessie van huurtermijnen niet mogelijk. Het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening zal in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed hebben op het totale werkelijke rendement in box 3.
Kunt u reageren op de twijfel die fiscalisten hebben bij de zienswijze van het Ministerie van Financiën dat met de verkoop van huurtermijnen geen belasting in box 3 kan worden ontweken en bent u bereid dit nader uit te laten zoeken, zodat aan de voorkant duidelijkheid bestaat over deze constructie om te voorkomen dat mensen achteraf bij de rechter gelijk krijgen?
De zienswijze van het Ministerie van Financiën is voorafgaand aan de beantwoording van deze Kamervragen nog niet uitgebreid toegelicht. Er is voor gekozen om de benodigde duidelijkheid te verschaffen door bij de beantwoording van vraag 1 een uitgebreide onderbouwing te geven van de fiscaal-juridische gevolgen in box 3 van een cessie van huurtermijnen.
Deelt u de mening dat het ongeacht de schaal onacceptabel is dat de beschreven ontwijkingsroutes mogelijk worden met de invoering van de nieuwe box-3 heffing?
Er is voor de tegenbewijsregeling in box 3 geen reparatiewetgeving nodig. Een uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in het antwoord op vraag 1. In het antwoord op vraag 1 wordt ook toegelicht dat in een separaat wetgevingstraject voor de aanpassingswetgeving in verband met het toekomstige stelsel een aanpassing wordt opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen.
Deelt u de bevindingen uit het artikel dat de mogelijkheid voor beleggers om belasting te ontwijken bij de invoering van de nieuwe box 3-heffing lastig te ondervangen is? Zo ja, wat maakt het moeilijk?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat de wetgever een lek in het belastingstelsel aan de voorkant zou moeten repareren? Zo ja, hoe bent u dit van plan te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een externe fiscaal-juridische analyse uit te laten voeren over de mogelijkheid van beschreven constructies en oplossingen in kaart te laten brengen om deze te mitigeren?
Ik neem signalen over fiscale constructies serieus en artikelen over belastingontwijkingsmogelijkheden worden op het Ministerie van Financiën zorgvuldig bestudeerd. Er is geen aanleiding voor het inhuren van een externe adviseur.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Kunt u toelichten hoe de aanwijzing van de vier gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede als grootschalige woningbouwlocatie zich verhoudt tot het feit dat zij hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn?1
Om de regionale spreiding van rijksinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen te borgen is een scheiding gemaakt tussen woningbouwlocaties in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en woningbouwlocaties daarbuiten (de zgn. «woningbouw op korte termijn», hierna: WoKT). Projecten voor woningbouwlocaties die binnen de nationaal grootschalige woningbouwgebieden vallen konden enkel aanspraak maken op het budget dat voor deze gebieden werd gereserveerd en andersom.
Voor de gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede betekent de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden binnen hun gemeentegrenzen eerder dit jaar, dat zij voor projecten binnen dat geografische gebied geen aanvraag meer konden doen voor een bijdrage uit het WoKT budget, maar wel voor het infrabudget dat was gereserveerd voor nationaal grootschalige woningbouwgebieden én het gebiedsbudget van VRO. Voor projecten buiten deze nationaal grootschalige woningbouwgebieden konden gemeenten nog altijd een WoKT voorstel indienen. Zo ontvangt de gemeente Apeldoorn naast gebiedsbudget ook middelen uit het WoKT budget (ca. € 2,9 miljoen).
Hoe weegt u het feit dat deze vier gemeenten niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn, terwijl er op dit moment ook nog geen perspectief is op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting van de grootschalige woningbouwlocaties, en zij daarmee dus tussen wal en schip vallen?
De volledige € 2,5 miljard die dit kabinet uittrok voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en daarbuiten is verdeeld2. Het beperkte budget heeft geleid tot het kabinetsbesluit om aan de in de ontwerp-Nota Ruimte aangewezen nationaal grootschalige woningbouwgebieden (Alkmaar Kanaalzone, Binnenstad, spoor- en kanaalzone Apeldoorn, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede (SHE) nu alleen gebiedsbudget (ongeveer € 100 miljoen) toe te kennen. Met dit budget kunnen eerste stappen gezet worden. Dat is niet genoeg voor de totale ontwikkeling van deze gebieden. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of en hoe de noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden. We zijn hierover met de betreffende gemeenten in gesprek.
Welke risico’s ziet u voor de voortgang van de woningbouwopgave in deze vier gemeenten, gegeven het ontbreken van financieringsperspectief voor de noodzakelijke ontsluitende infrastructuur?
Met de toekenning van € 100 mln. gebiedsbudget (VRO) aan de nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden in de genoemde vier gemeenten kunnen eerste stappen gezet worden. Samen met het Ministerie van VRO is het Ministerie van IenW de komende periode met de betrokken gemeenten in gesprek om de mogelijkheden en risico’s van deze situatie voor de voortgang van de woningbouwopgave nader in kaart te brengen.
Zou u, samen met deze vier gemeenten en de betrokken provincies, in kaart willen brengen welke ontsluitende infrastructuur benodigd is om de woningbouwopgave te kunnen realiseren, en welke financieringsopgave daarbij hoort?
In aanloop naar de verdeling van de beschikbare middelen hebben ook de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden een propositie voor de ontsluiting van deze gebieden ingediend. Op basis daarvan is het Ministerie van IenW komende periode samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort.
Hoe gaat u deze vier gemeenten en de betrokken provincies betrekken bij de toekomstige besluitvorming over de financiering van de ontsluitende infrastructuur voor grootschalige woningbouwlocaties?
Er kan geen toezegging gedaan worden over de toekomstige besluiten en financiering van de benodigde infrastructuur voor grootschalige woningbouwgebieden, omdat dit aan een nieuw kabinet is. In de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden kunnen op korte termijn veel nieuwe woningen worden gebouwd als wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de woningbouwlocaties. De al ingediende proposities kunnen daarvoor als basis dienen.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat deze vier gemeenten daadwerkelijk tussen wal en schip vallen bij de rijksfinanciering van hun woningbouw- en infrastructuuropgave? Zou u de Kamer over deze inspanningen willen informeren?
Zoals aangegeven is het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer in het voorjaar geïnformeerd. Besluitvorming over het toekennen van eventuele nieuwe rijksmiddelen is echter aan een nieuw kabinet.
Hoe beziet u het feit dat er op dit moment een financieringsgat bestaat in de wijze waarop infrastructuur voor woningbouw wordt ondersteund op het moment dat woningbouwlocaties overgaan naar de status van grootschalige woningbouwlocatie? Zou u willen inventariseren welke verbeteringen mogelijk zijn om te voorkomen dat gemeenten hierdoor tussen wal en schip raken?
Het feit dat het financieel tekort op de infrastructuurmaatregelen nu niet wordt gedekt komt niet voort uit de aanwijzing tot nationaal grootschalig woningbouwgebied, maar is een consequentie van het beperkte budget dat dwingt tot de gemaakte kabinetskeuze. Als de woningbouwlocaties in de vier betreffende gemeenten niet tot nationaal grootschalig woningbouwgebied waren aangewezen dan zouden de voorstellen hiervoor binnen de WoKT kaders zijn beoordeeld en geprioriteerd. Tevens kon dan geen aanspraak op het gebiedsbudget worden gemaakt, waaruit nu € 100 miljoen is toebedeeld.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Een verbod op de AI-chatbot van X |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «X komt met nieuwe beperkingen voor gebruik Grok, maar mensen uitkleden blijft simpel»1, «Politie en instanties slaan alarm om AI-app Grok: BN’ers digitaal uitgekleed, verbod in Nederland op tafel»2 en «Topoverleg tussen OM en Minister over uitkleed-app Grok, topman Musk komt beloftes niet na met nieuwe update»3?
Is het bij u bekend dat de AI-chatbot Grok van xAI wordt gebruikt om seksuele deepfakes te maken op X? Wat is daarop uw reactie?
Welke conclusies trekt u op basis van de berichtgeving? Vindt u dat X en xAI verantwoord handelen? Zo niet, welke maatregelen kunt u zowel nationaal als Europees nemen om misbruik van xAI tegen te gaan?
Wat heeft u met het Openbaar Ministerie besproken in het overleg van 15 januari 2026, waarover het AD bericht heeft? Kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zijn uitkleedapps en -tools verboden in Nederland? Hoe wordt hierop gehandhaafd, en welke gevolgen heeft het voor X dat het platform het genereren van seksuele deepfakes standaard aanbiedt via Grok?
Welke mogelijkheden bent u aan het verkennen om op te treden tegen uitkleedapps en -tools? Hoe bent u dit aan het onderzoeken en op welke termijn gaat u de uitkomsten met de Kamer delen?4 Hoe snel zou u aanvullende maatregelen kunnen nemen?
Vindt u de maatregelen die X heeft aangekondigd voldoende, namelijk een geoblokkade voor de AI-functie om seksuele deepfakes te genereren in landen die daar wetten tegen hebben? Wat betekent dit voor Nederlandse slachtoffers?
Deelt u de zorgen van de indiener dat deze geoblokkade gemakkelijk te omzeilen is en geen recht doet aan het leed van slachtoffers die ongewenst seksueel zijn afgebeeld?
Onder welke voorwaarden vindt u het acceptabel dat Grok beschikbaar blijft op X? Bent u, ook na de technische aanpassingen van de chatbot, van mening dat deze niet langer beschikbaar moet zijn?
Bent u bereid om, net als in België en het Verenigd Koninkrijk, over te gaan tot het blokkeren van de AI-chatbot Grok? Welke andere ingrijpen heeft u tot uw beschikking?
Steunt u de oproep van de Europese Commissie dat alle interne documenten en data gerelateerd aan de chatbot Grok moet worden vrijgegeven in het lopende onderzoek naar de contentmoderatie van X?5
Kunt u de relevante toezichthouders, in dit geval de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens, vragen om hun reactie? Hebben zij voldoende mogelijkheden om toezicht te houden en te handhaven?
Hoeveel klachten en meldingen zijn er gedaan door slachtoffers van seksuele deepfakes door Grok? Hoe wordt hier opvolging aan gegeven? Gebeurt dit altijd tijdig?
Hoe is uw contact met X? Heeft u de zorgen over deepfakes al met X besproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? Zo niet, kunt u dit zo spoedig mogelijk alsnog doen?
Voldoen X en xAI naar uw weten aan de ethische- en transparantieverplichtingen van Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke gevolgen heeft het als dit niet het geval is?
Behoren het verbieden van X of het vertrekken van overheidsorganisaties van de dienst tot de mogelijkheden als X stelselmatig de nationale en Europese wet- en regelgeving blijft overtreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
U schrijft in uw beantwoording dat u «op persoonlijke titel» bent uitgenodigd en deelneemt aan het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum, kunnen we daaruit concluderen dat de uitnodiging die u van de YGL Foundation in januari 2025 per e-mail heeft ontvangen dus losstaat van het feit dat u op 2 juli 2024 als Minister van Defensie tot het kabinet bent toegetreden? Betekent dit logischerwijs ook dat in de uitnodiging die u heeft ontvangen dus niet wordt verwezen naar uw ministersambt? Kan de Tweede Kamer deze e-mail met de uitnodiging die u heeft ontvangen doorgestuurd krijgen? Heeft u misschien ook enig idee waarom u, los van uw ministersambt, op persoonlijke titel, bent genomineerd en uitgenodigd door de YGL Foundation?1
U weigert in uw beantwoording, hoewel u dit wordt gevraagd, te reflecteren op de uitspraak van de bedenker en oprichter van de YGL Foundation, de heer Klaus Schwab, een uitspraak waarin hij stelt dat het Young Global Leaders programma – een programma waarvoor u dus, kort na uw beëdiging als Minister, bent genomineerd en uitgenodigd, een uitnodiging waar u, op persoonlijke titel, ook op bent ingegaan – door het World Economic Forum wordt gebruikt om wereldwijd, citaat, «kabinetten te penetreren», waarom? Is dit niet een terechte vraag die een volksvertegenwoordiger, die geacht wordt de regering te controleren, behoort te stellen als een lid van het kabinet deelneemt aan een dergelijk omstreden programma, een vraag die door het kabinet vervolgens ook beantwoord zou moeten worden?
Is het naar uw mening wenselijk en verstandig, voor een lid van het kabinet, om op persoonlijke titel deel te nemen aan een programma waarvan de oprichter en bedenker, in het openbaar nota bene, zélf heeft aangegeven dat daarmee wordt beoogd om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
Het bericht dat een Nederlandse opiniemaker de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd vanwege haar mening |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse opiniemaker Eva Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd omdat «haar aanwezigheid niet bevorderlijk wordt geacht voor het algemeen belang» – een paar dagen nadat ze een kritische tweet over de Britse premier Starmer plaatste?1
Bent u het eens dat de vrijheid van meningsuiting een zeer groot goed is, en dat we ook van onze buurlanden en bondgenoten – zoals het Verenigd Koninkrijk – verwachten dat ze deze verworvenheid uitdragen en beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het een flagrante schending van de vrijheid van meningsuiting is om een persoon de toegang tot het land te ontzeggen vanwege een geuite mening – al dan niet over de premier van het betreffende land?
Vindt u het feit dat de geweigerde persoon, in dit geval Vlaardingerbroek, geen bezwaar kan aantekenen tegen het genomen besluit verenigbaar met de principes van een rechtsstaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Heeft u de Britse regering en/of ambassadeur al om uitleg gevraagd over waarom Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd? Zo ja, wat was daarop de reactie?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom heeft u dit nog niet gedaan en bent u bereid om de Britse regering en/of ambassadeur hierover alsnog ter verantwoording te roepen?
Verwacht u dat deze inreisbeperking consequenties heeft voor andere Nederlanders die zich op sociale media kritisch of niet positief hebben uitgelaten over de regering van het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bekend met recente berichtgeving dat de Britse politie vele duizenden mensen per jaar – zo’n dertig per dag – arresteert wegens het geven van hun mening in vermeende beledigende uitingen op sociale media en andere platforms?2
Wat betekent het genoemde in vraag 7 volgens u voor (de vrijheid van meningsuiting van) Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven, op vakantie zijn, of daar wonen in verband met bijvoorbeeld werk?
Bent u van mening dat het reisadvies naar het Verenigd Koninkrijk dient te worden aangepast, nu we zien dat de vrijheid van meningsuiting steeds verder wordt ingeperkt en mensen zelfs gevangenisstraffen moeten vrezen of zelfs daadwerkelijk opgelegd krijgen na het uiten van hun mening? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië' |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië»?1
Zijn er los van de verbeterde situatie in Syrië meer redenen dat het inwilligingspercentage van eerste asielaanvragen gedaald is tot rond het Europese gemiddelde?
In hoeverre heeft de daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen geleid tot kortere doorlooptijden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Wat was in 2025 het inwilligingspercentage als Syrische asielzoekers niet worden meegerekend en hoe staat dit in verhouding tot het Europese gemiddelde?
Wat is het effect van de verbeterde situatie in Syrië op het aantal Syrische asielzoekers in de locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Verwacht u dat een daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen zal leiden tot verlichting van de druk op het COA?
Kunt u een overzicht geven van de doorlooptijden bij de IND van de verschillende stromen zoals deze zich in de periode 2021–2025 hebben ontwikkeld?
Kunt u de meest recente cijfers geven over het jaar 2025 op het gebied van de instroom van asielzoekers in Nederland?
Kunt u de cijfers van 2025 afzetten tegen de cijfers van de instroom van asielzoekers van de afgelopen 10 jaren?
Heeft u een overzicht van dezelfde instroomcijfers van de landen om ons heen, zoals Frankrijk, België, Duitsland en Denemarken?
Welke maatregelen zijn er genomen of gaat u nog nemen om de doorlooptijden bij de IND de komende tijd te verbeteren?
Kunt u aangeven hoeveel COA-locaties op dit moment volledig bezet zijn en hoeveel noodopvanglocaties nog in gebruik zijn, uitgesplitst naar reguliere opvang en crisisnoodopvang?
Is de bezetting van bewoners in COA-locaties in 2025 toegenomen? Hoeveel van deze bewoners zijn statushouders die wachten op een doorstroomwoning?
Wat is nu al het effect van de genomen maatregel om nareizigers niet langer in COA-locaties onder te brengen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting van Asiel en Migratie?
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het bericht 'Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: ’Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»»?1
Kunt u een overzicht geven van de huidige aantallen personeel met frauduleuze diploma’s binnen de jeugdzorg, inclusief uitgesplitst naar eventuele meldingen van criminelen, personen met een strafrechtelijk verleden en personen met een onbekende achtergrond?
Bent u bereid om geanonimiseerde gegevens te verstrekken over de demografische profielen (zoals leeftijd, geslacht, herkomst, eerdere beroepsachtergrond) van personen die zijn betrapt op het werken met nep-diploma’s in de jeugdzorg, zodat de Kamer kan beoordelen of er sprake is van specifieke patronen die beleidsinterventies vereisen?
Welke structurele maatregelen neemt u om er in de breedste zin voor te zorgen dat de jeugdzorgsector niet langer functioneert als een «toegangspoort» voor criminele ronselaars en bent u bereid om iedere medewerker die werkzaam is in de Jeugdzorg op basis van een ervaringscertificaat, per direct op non-actief te zetten?
Erkent u dat, nu criminelen met een nepdiploma via het jeugdzorgsysteem toegang hebben gekregen tot kwetsbare minderjarigen om hen vervolgens te verleiden of te dwingen tot prostitutie of criminele activiteiten, dit niet slechts een incident betreft maar een fundamenteel falen van de overheid in haar kerntaak om kinderen te beschermen, en zo ja, welke bestuurlijke verantwoordelijkheden verbindt u hieraan?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
De Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors |
|
Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors, die stelt dat ruim 388 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met discriminatie en zware vervolging vanwege hun geloofsovertuiging?1
Herkent u de trends, namelijk dat het aantal Christen dat te maken heeft met discriminatie en zware vervolging voor hun geloof toeneemt, die Open Doors in haar onderzoek laat zien?
Heeft u zicht op de veiligheidssituatie in Syrië voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime, en kunt u daarbij specifiek ingaan op de situatie voor Christenen?
Hoe waardeert u de veranderingen in de veiligheidssituatie voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime? Kunt u in uw antwoord de bevindingen van Open Doors meenemen die een forse toename van het aantal vervolgde Christenen in Syrië laat zien?
Welke mogelijkheden ziet u om via de Syrië-gezant en andere bilaterale of multilaterale contacten met de Syrische regering te pleiten voor grondwetsherzieningen die volledig en gelijk burgerschap garanderen voor alle Syrische burgers, ongeacht religie, etniciteit of geslacht?
Wat zijn de mogelijkheden om op nationaal en EU-verband de Syrische regering te stimuleren op te treden bij geweldsincidenten, discriminerende en intimiderende uitingen naar religieuze gemeenschappen en de verantwoordelijken te laten arresteren en vervolgen?
Hoe is uw zicht op de door Open Doors geconstateerde verdere verslechtering van de situatie in veertien landen in Sub-Sahara Afrika, waarbij in Nigeria wederom de meeste moorden op christenen werden gepleegd?
Welke kansen ziet u om gebruik te maken van de aankomende Universal Periodic Reviews van de VN-mensenrechtenraad om aandacht te vragen voor mensenrechtenschendingen en misstanden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging in bijvoorbeeld Niger, Mozambique, Syrië, Somalië en Soedan?
Bent u bereid om het geweld tegen Christenen in Nigeria onder de aandacht te brengen tijdens bilaterale en multilaterale contacten, met een nadruk op de religieuze component van deze grootschalige moorden, zoals wordt aangetoond door Open Doors?
Welke mogelijkheden ziet u om diplomatieke druk op de Nigeriaanse overheid uit te oefenen, en mogelijk Nederlandse of Europese assistentie te verlenen, om zorg te dragen voor bescherming van christelijke gemeenschappen, ondersteuning bij en veilige terugkeer en accurate vervolging van daders?
Welke gelegenheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale contacten met Algerije om aan te dringen op opening van kerken en andere gebouwen waar christenen samen willen komen, gevallen van strafvervolging tegen predikanten in te trekken en registratieprocedures te vereenvoudigen?
Bent u bereid om zich in de EU hard te maken om de benoeming van een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, die al eerder door de voorzitter van de Europese Commissie aangekondigd is, in de EU te bespoedigen?
Heeft het kabinet een actieve benadering om digitale controle en vervolging zoals die bijvoorbeeld plaatsvindt in China en ook India bespreekbaar te maken in contacten met deze landen? Zo niet, bent u bereid hieraan te werken?
Heeft u er zicht op of mogelijk Europese of zelfs Nederlandse technologie gebruikt wordt voor digitale controle en vervolging in China en India? Bent u bereid om zich in te zetten dat Europese en Nederlandse technologie hier niet toe gebruikt kan worden in deze landen?
Bent u bekend met het bericht «Chemiereus Sabic verkoopt twee fabrieken: gevolgen voor honderden werknemers nog niet duidelijk»?1
Hoe taxeert u de langetermijneffecten van deze transacties op de basisindustrie in Nederland in het algemeen?
Hoe taxeert u het langetermijneffect op het samenhangende basisindustrie ecosysteem van de Chemelot campus in Geleen in het bijzonder?
Bent u van plan zich in te zetten voor het in Nederland vestigen van het hoofdkantoor van de chemische activiteiten van Aequita, net zoals het hoofdkantoor van Sabic zich op dit moment al in Amsterdam bevindt?
Kunt u faciliteren dat relevante arbeidsmarktregio’s en de nieuwe eigenaar om de tafel gaan om de effecten op personeelsgebied zo snel mogelijk in kaart te brengen?
Kunt u aangeven welke stappen u zet om, samen met werkgevers, vakbonden en regionale overheden, alles in het werk te stellen om de werkgelegenheid en de economische vitaliteit in de betrokken regio’s te borgen, nu de Nederlandse SABIC-activiteiten zijn verkocht aan investeerders?
Young Global Leaders van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente ontkennende antwoord van de Minister van Defensie, namens de regering, op de vraag of de Koning wellicht een World Economic Forum «Young Global Leader» is (geweest)?1
Is het correct dat in de Oostenrijkse krant Der Standard van 21 januari 2005, één van de meest gelezen en gerespecteerde kranten van Oostenrijk, in een artikel over de Young Global Leaders van het World Economic Forum, de Koning (toen kroonprins) expliciet wordt genoemd als één van de Young Global Leaders van het World Economic Forum? Zo nee, waarom niet?2
Hoe verhoudt de bewering in dit Oostenrijkse krantenartikel dat «der niederländische Prinz Willem-Alexander» een van de «ausgewählten Führungspersönlichkeiten» van het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum zou zijn, zich tot het antwoord van de Minister van Defensie dat de Koning geen «Young Global Leader» van het World Economic Forum is (geweest)? Is de bewering dat de Koning een Young Global Leader is (geweest) in deze Oostenrijkse krant wellicht feitelijk onjuist?
Bent u op de hoogte van deze (onlangs verwijderde maar via het «internet archief» natuurlijk altijd weer te achterhalen) webpagina op de website van het «Young Global Leaders» programma zélf waarin de Koning (toen kroonprins) expliciet vermeld staat als één van de «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?3
Is de vermelding op deze onlangs verwijderde webpagina van het «Young Global Leaders» programma zélf correct? Met andere woorden, was de Koning, als kroonprins, een «Young Global Leader» van het World Economic Forum? Ja of nee?
Hoe kan het zo zijn dat de regering in antwoord op Kamervragen aangeeft dat de Koning geen «Young Global Leader» is (geweest) terwijl op de website van het «Young Global Leaders» programma zélf (en in een Oostenrijks krantenartikel) de Koning (toen kroonprins) expliciet wél wordt genoemd als een «Young Global Leader» van het World Economic Forum?
Kunt u de bovenstaande vragen apart en binnen drie weken beantwoorden?
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Het onderzoek van de Gezondheidsraad naar het voorschrijven van puberteitsremmers aan minderjarigen met genderdysforie |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van prof. mr. J.L. Smeehuijzen «De Gezondheidsraad en het reguleringsklimaat rond puberteitsremming bij minderjarigen» in het Nederlands Juristenblad?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van prof. Smeehuijzen ten aanzien van de onafhankelijkheid en de schijn van belangenverstrengeling van de leden van de commissie van de Gezondheidsraad die onderzoek doet naar gezondheidsrechtelijke en medische aspecten van het gebruik van puberteitsremmers bij minderjarigen met genderdysforie?
Hoe verhoudt in uw ogen de samenstelling van de genoemde commissie zich tot de «Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling» die de Gezondheidsraad verplicht zijn commissies zo samen te stellen dat het risico op kleuring van de oordeelsvorming door institutionele, professionele of persoonlijke belangen wordt geminimaliseerd en de geloofwaardigheid van het advies gewaarborgd blijft?
Hoe reageert u met name op het feit dat de helft van de commissie op een wezenlijke manier verbonden is met de interventie die zij moet beoordelen?
Kunt u aangeven hoe de interne controlemechanismen bij de Gezondheidsraad zijn georganiseerd als het gaat om de onafhankelijkheid van haar onderzoeken en de betrokken onderzoekers?
Hoe reflecteert u op de zeer beperkte juridische expertise die, blijkens de samenstelling ervan, in de commissie aanwezig is? Heeft u er vertrouwen in dat de commissie in staat is om een gefundeerd oordeel te vellen hoe de praktijk in Nederland zich verhoudt tot het geldende gezondheidsrechtelijke kader?
Wat is uw reactie op de zorgelijke opmerkingen die prof. Smeehuijzen maakt over het bredere Nederlandse reguleringsklimaat rond puberteitsremming? Hoe wordt, bij alle verwevenheid tussen klinische zorg, onderzoek en beleidsvorming, de onafhankelijkheid en onbevangenheid van wetenschappelijk onderzoek gewaarborgd?
Hoe waarborgt u als Minister van VWS uw eigen positie in dezen? Voert u, naast uw contacten met de betrokken Universitair Medisch Centra (UMC’s), ook het gesprek met artsen en wetenschappers die kritisch zijn op de Nederlandse praktijk ten aanzien van puberteitsremmers? Zo ja, hoe krijgt dit gestalte en in welke mate?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken van het onderzoek van de Gezondheidsraad precies is? Wanneer verwacht de commissie het onderzoek af te kunnen ronden?
Is het de bedoeling dat de herziening van het Kwaliteitskader Transgenderzorg pas wordt voltooid na ommekomst van het advies van het onderzoek van de Gezondheidsraad?