| Ingediend | 29 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 5 juni 2026 (na 37 dagen) |
| Indieners | Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
| Beantwoord door | David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
| Onderwerpen | defensie economie ict internationaal |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z09123.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2164.html |
Ja.
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Zie antwoord vraag 2.
Ja, daarvan is kennisgenomen.
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens uw Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief3 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025. Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestede diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Wat betreft uw vraag inzake eventuele exitstrategieën van Defensie het volgende. Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Ook wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen. Het afbouwen van afhankelijkheden is een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen, maar dat kan bijvoorbeeld ook door in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven verschillende contractuele, organisatorische en technische maatregelen te treffen. Tegelijkertijd onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.