Het bericht ‘Wapens niet meer onklaar gemaakt’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wapens niet meer onklaar gemaakt»?1
Ja.
Kunt u aangeven wanneer de Europese wapenrichtlijn, waarover in 2016 al een akkoord is gesloten tussen de Europese lidstaten, in Nederland wordt ingevoerd? Klopt het dat ons omringende lidstaten de richtlijn al wel in nationale regelgeving hebben omgezet? Wat is de reden van mogelijke vertraging?
De Europese wapenrichtlijn moet op 14 september 2018 geïmplementeerd zijn. Het wetsvoorstel2 dat hier uitvoering aan geeft, is onlangs, op 29 juni 2018, ingediend bij uw Kamer. Uit navraag bij ons omringende landen als België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk is gebleken dat geen van deze landen op dit moment een desbetreffend wetsvoorstel bij hun respectievelijke parlementen heeft ingediend.
Herkent u de door de wapenhandel geschetste problematiek? Voor de invoering van de richtlijn werden er jaarlijks 500 tot 750 wapens onschadelijk gemaakt zo wordt er geschat, kunt u aangeven wat er de afgelopen twee jaar is gebeurd met wapens die onklaar gemaakt dienden te worden?
Nee, die problematiek herken ik niet. Er wordt niet bijgehouden wat er met vuurwapens is gebeurd als deze aangeboden zijn om onklaar te worden gemaakt.
Worden ingeleverde wapens op dit moment onklaar gemaakt? Zo nee, welke gevaren brengt dit met zich mee? Zijn er risico’s dat deze wapens op de zwarte markt belanden en bij criminele organisaties?
Vuurwapens die door particulieren bij de politie worden ingeleverd worden vernietigd. Vergunningplichtige vuurwapens die bij een wapenhandelaar worden ingeleverd blijven vergunningplichtig. Mij zijn geen signalen bekend dat dergelijke vuurwapens op de zwarte markt belanden.
Bent u bekend met wapenhandel die aangeeft geen wapens meer aan te nemen vanwege overschot in hun kluizen?
Ik ben bekend met dit geluid. De wapenhandel heeft hier op informele wijze bij mijn ministerie melding van gemaakt. Voor de wapenhandel bestaat overigens geen plicht wapens van particulieren voor opslag aan te nemen.
Hoe ver bent u gevorderd met het aanwijzen van één centrale keurende organisatie die bevoegd is om de wapens onklaar te maken? Wie wordt daarvoor aangewezen? Is de politie of het ministerie verantwoordelijk hiervoor?
In het wetsvoorstel ter implementatie van de Europese wapenrichtlijn is de politie aangewezen als de centrale controlerende instantie.
Zijn er middelen vrijgemaakt voor de inrichting van een dergelijke autoriteit?
Ja, hiervoor zijn in mijn begroting financiële middelen gereserveerd.
Kunt u aangeven of er nog obstakels zijn die beletten dat een speciale instantie om wapens onklaar te maken wordt opgericht? Indien die er zijn hoe gaat u die wegnemen?
De richtlijn noch het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn dat bij uw Kamer wordt ingediend schrijft de oprichting van een speciale instantie voor het onklaarmaken van wapens voor. Die bevoegdheid blijft bij de erkenninghouders (wapenhandel) liggen.
Het artikel ‘Populariteit Psychologie en Kunstmatige Intelligentie leidt tot studentenstop’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Populariteit Psychologie en Kunstmatige Intelligentie leidt tot studentenstop»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de invoering van een numerus fixus voor de opleiding psychologie door de Universiteit Utrecht, een indirect gevolg is van de populariteit van de Engelstalige psychologiestudies elders in het land?
De Universiteit Utrecht heeft mij te kennen gegeven dat de aangekondigde numerus fixus het gevolg is van een groot aantal inschrijvingen. De Universiteit Utrecht heeft op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat dat komt door de populariteit van (Engelstalige) opleidingen elders.
In hoeverre vindt u het ook onwenselijk dat Nederlandstalige opleidingen de zwakke studenten zouden trekken en het imago van «gemakkelijk» krijgt?
Ik heb moeite met de term «zwakke student» en ik zou een student niet snel als zodanig bestempelen. Ook de aanname dat Nederlandstalige opleidingen het predicaat «makkelijk» krijgen, herken ik niet. Het gaat hier om geaccrediteerde opleidingen die aan dezelfde standaarden worden getoetst en waarvoor geldt dat studenten aan het vastgestelde eindniveau moeten voldoen.
Bovendien zijn er geen signalen dat opleidingen zonder numerus fixus studenten met mindere leerprestaties aantrekken. De studenten voldoen, evenals de studenten die hebben deelgenomen aan de decentrale selectie, aan de vooropleidingseisen en hebben een studiekeuzecheck gehad waaruit blijkt of de opleiding bij hen past.
Deelt u de mening dat hier een probleem is ontstaan ten aanzien van de toegankelijkheid van ons onderwijs en de balans zoek is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik deel deze opvatting niet. De Universiteit Utrecht stelt voor deze opleiding een numerus fixus in, omdat zij niet kan instaan voor de kwaliteit van het onderwijs als de opleiding excessief groeit. Dat is een valide reden om een tijdelijke capaciteitsbeperking in te stellen. Ik ben geen voorstander van numeri fixi, omdat het leidt tot een beperking van de toegankelijkheid. Tegelijkertijd kan ik me voorstellen dat in sommige gevallen een tijdelijke numerus fixus de oplossing is om de kwaliteit van het onderwijs te kunnen blijven garanderen. Deze casus (de opleiding Psychologie aan de Universiteit Utrecht) is zo’n geval.
Bent u bereid, in lijn met uw uitspraken in de internationaliseringsbrief van 4 juni 2018 over de aanpak van problemen met toegankelijkheid2, acties te ondernemen om de balans in deze casus te herstellen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Verbod op het gebruik van de sleepvoet |
|
Helma Lodders (VVD), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u het in 2016 aangekondigde verbod op het gebruik van de sleepvoet heroverwogen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?1
Het aangekondigde verbod op het gebruik van de sleepvoetbemester heeft betrekking op het verbod ervan op grasland gelegen op klei- en veengrond. Dit verbod is in 2011 en 2012 al aangekondigd (Kamerstukken 30 654, nr. 99 respectievelijk 33 037, nr. 32). Een verbod op toepassing op zand- en lössgrond werd in 2009 aangekondigd (Kamerstuk 28 385, nr. 134) en is in 2012 ingevoerd (Stb. 2009, nr. 477). In 2016 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer meegedeeld dat de voorgenomen datum van inwerkingtreding van het verbod op het gebruik van de sleepvoetbemester op grasland op klei- en veengrond werd opgeschort van 1 januari 2017 naar 1 januari 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 182) en in mijn brief van 23 mei jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 286) heb ik u geïnformeerd over mijn besluit het verbod op 1 januari 2019 in werking te laten treden vanwege de noodzaak om in het kader het Programma Aanpak Stikstof (PAS) tot aantoonbare vermindering van de ammoniakemissie in de landbouw te komen. Dit is in overeenstemming met de «Overeenkomst generieke maatregelen in het kader van PAS» (maart 2014)1 die mijn ministerie en sectorale vertegenwoordigende instanties uit de landbouw hebben ondertekend. Een van de afspraken is om via het sleepvoetverbod op grasland op klei en veen de ammoniakemissie te verminderen. In lijn met deze overeenkomst zijn er sinds 2013 alternatieven ontwikkeld, mede omdat met de toegestane bemestingssystemen die de mest in de grond brengen door in de graszode te snijden (de zodenbemester en de sleufkouterbemester) er risico’s zijn op beschadiging van de graszode, vooral op veengrond. Op zwaardere kleigrond is veel trekkracht nodig en kunnen deze systemen bij droogte onvoldoende in de grond komen waardoor ze mest niet voldoende in de bodem brengen.
Bent u zich ervan bewust dat met het verbod op het gebruik van de sleepvoetbemester naar alternatieve systemen gezocht moet worden voor het bemesten met drijfmest van grasland op veen en klei?
Zie antwoord vraag 1.
Welke alternatieven zijn er volgens u?
Met medefinanciering van het ministerie zijn er onderzoeken uitgevoerd door het bedrijfsleven om tot alternatieven te komen voor gebruik op grasland op klei- en veengrond. In de Overeenkomst staan de randvoorwaarden: 1) eenzelfde of hogere ammoniakemissiereductie als het injecteren van mest in de bodem, 2) geen negatieve gevolgen voor andere milieuaspecten en 3) handhaafbaar en controleerbaar. De Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb ik gevraagd de onderzoeken te beoordelen op de mate van ammoniakemissie2 betreffende voorwaarde 1) en de wijze waarop deze technisch geborgd zouden kunnen worden3 betreffende voorwaarde 3).
De alternatieven die voldoen aan de voorwaarden, zijn de pulse-trackbemester die de drijfmest in kuiltjes in de grond brengt en de sleepvoetbemester waarbij de drijfmest verdund met water (twee delen mest en één deel water) op de grond wordt gebracht in strookjes van maximaal 10 cm breed. Wat betreft voorwaarde 2) is er geen aparte beoordeling door de CDM geweest. De Technische Commissie Bodem (TCB) heeft in haar advies bij het systeem waarbij verdunning van mest plaatsvindt, opgenomen dat er met verdunde mest een groter risico is op afspoeling. In de onderzoeken die zijn uitgevoerd met de sleepvoetbemester waarbij drijfmest die was verdund met water, werd aangewend, is dat echter niet waargenomen; daarbij is tot bijna 40 m3 drijfmest (plus water) per hectare aangewend bij verdunning van twee delen mest en één deel water.
Voor deze alternatieven werkt mijn ministerie nu aan de uitwerking van de regelgeving zodat deze kunnen worden toegepast in 2019. Ook werkt mijn ministerie op verzoek van de sector aan uitwerking van een alternatief voor bedrijven waar de melk- en kalfkoeien bovengemiddeld worden geweid. Dan mag in beperkt mate de sleepvoetbemester worden gebruikt zonder dat daarbij de drijfmest wordt verdund met water; dat betreft de zomerperiode. Want in het voorjaar dient met een emissiearm bemestingssysteem de drijfmest te worden uitgereden; dit kan ook met de sleepvoetbemester, maar dan dient de mest met voldoende water te worden verdund.
Kunt u toelichten wat de gevolgen van het gebruik van deze alternatieven zijn voor de verschillende grondsoorten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ermee bekend dat alternatieve vormen van mestaanwending op sommige grondsoorten haaks staan op uw beleid om het scheuren van grasland tegen te gaan?
De hierboven vermelde alternatieven zijn juist ontwikkeld om het doorsnijden van de graszode op klei- en veengrond te voorkomen. Dit draagt bij aan het tegengaan van het scheuren van grasland op deze grondsoorten.
Kunt u aangeven of, en hoe, er bij het maken van de afweging van het verbod van de sleepvoetbemester alleen gekeken is naar de effecten met betrekking tot Natura 2000 of ook naar de gevolgen van het gebruik van andere technieken voor bijvoorbeeld de grond en het bodemleven?
Er is in de onderzoeken aandacht geweest voor de mate van ammoniakemissie en de beschadiging aan de graszode. Daar deze methoden niet wezenlijk verschillen van de bestaande methoden, is er geen specifieke aandacht geweest voor de gevolgen voor het bodemleven.
Waarom kondigt u aan dat als de controleerbaarheid van alternatieve systemen niet geborgd is het verbod toch van kracht wordt? Hoe houdt u rekening met een goede landbouwpraktijk?
Ik voer het «sleepvoetverbod» in omdat de afspraken die daarover gemaakt zijn, moeten worden doorgevoerd om de doelstellingen van het PAS te realiseren. Indien op de alternatieven waarop borgingstechniek noodzakelijk is, deze techniek niet beschikbaar is in het bemestingsseizoen van 2019, dan zijn alleen de technieken toegestaan waarbij de mest in de grond wordt gebracht. In het kader van goede landbouwpraktijk is het zaak dat deze alternatieve systemen kunnen worden gebruikt zodat beschadiging van de graszode wordt voorkomen. Bij het bemestingssysteem dat de mest in kuiltjes in de grond brengt, lijkt de kans op beschadiging aan de graszode het kleinst.
Wie is verantwoordelijk voor de borging van mogelijke alternatieven en welke rol heeft u daarbij?
De gebruiker is er verantwoordelijk voor dat op de alternatieven die niet meer op het oog kunnen worden gecontroleerd een borgingstechniek aanwezig is, zodat bij controle via digitale informatie kan worden nagegaan of het betreffende alternatief op de juiste wijze heeft gewerkt. Dit betreft de sleepvoetbemester waarmee met water verdunde mest wordt uitgereden. Wat betreft bovengemiddelde beweiding van melk- en kalfkoeien in combinatie met het gebruik van de sleepvoetbemester zonder verdunning met water toe te passen, zal worden aangesloten op de bestaande certificering voor het leveren van weidemelk.
In de uitwerking van de regelgeving is het de bedoeling dat de producent of leverancier ervoor verantwoordelijk is dat, wanneer vereist, nieuw verkochte systemen voor bemesting technisch geborgd zijn. Per type van een machinebouwer moet deze borging, voordat het in de handel komt, getoetst zijn door een door de overheid aangewezen instantie. Voor bestaande systemen geldt dat de eigenaar ervoor verantwoordelijk is dat via een machinebouwer het bestaande systeem wordt voorzien van een technische borging die per machinebouwer is goedgekeurd door een door de overheid aangewezen instantie.
Kunt u aangeven welke voordelen deze nieuwe systemen hebben voor bemesten van bedrijven die de koeien weiden? Kunt u de onderzoeksresultaten daarover naar de Kamer sturen?
Het gebruik van de alternatieve bemestingssystemen wordt niet echt anders. Het enige dat verandert is dat er bij gebruik van de sleepvoetbemester water aan de mest moet worden toegevoegd en dat daarbij een borging nodig is om bij controle te kunnen vaststellen of de voorgeschreven verdunning met water is toegepast. Dit verschilt niet wezenlijk voor de toepassing op bedrijven die wel en niet weiden. Voor het systeem van bovengemiddelde beweiding dient er bovengemiddeld geweid te worden om tot voldoende reductie van ammoniakemissie te komen. Ik heb onlangs een advies aan de CDM gevraagd en ontvangen over het minimale aantal weide-uren dat nodig is om de sleepvoetbemester met onverdunde mest bij bovengemiddelde beweiding te mogen gebruiken (zie bijlage)4. Een daarbij gestelde voorwaarde, in lijn met wat in de Overeenkomst generieke maatregelen staat, is dat de ammoniakemissie op bedrijfsniveau minstens gelijk moet zijn aan een bedrijfssituatie waar de melk- en kalfkoeien 720 uren weidegang per jaar hebben en alle drijfmest emissiearm wordt aangewend (dat is met een systeem waarbij de ammoniakemissie gelijk is aan die van een zodenbemester). Om de sleepvoetbemester toe te passen waarbij alle drijfmest onverdund wordt uitgereden, zijn er gemiddeld 4.200 weide-uren nodig om aan deze voorwaarde te voldoen. Dat wordt lager naarmate een groter aandeel met een emissiearm systeem wordt uitgereden: bij 60% emissiearm zijn 2450 weide-uren nodig.
Welke afwegingen liggen ten grondslag aan de beslissing een uitzondering te maken voor de sleepvoetbemester met sleepslangsysteem aangezien aan deze uitzondering ook nadelen kleven (zo is voor dit systeem veel extra water nodig en zware machines die soms ook bij natte weersomstandigheden over het land moeten rijden)? Bent u bereid deze onderbouwing met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?2
Ik ben niet van plan in de regelgeving een uitzondering te maken voor de noodzakelijke borgingstechniek in het slangaanvoersysteem waarbij een sleepvoetbemester als bemestingselement wordt gebruikt. Elk systeem dat in combinatie met een dergelijk bemestingselement wordt gebruikt en water moet gebruiken voor verdunning zal bij controle door middel van borgingstechniek moeten kunnen aantonen dat op de juiste wijze de verdunning is toegepast. Het slangaanvoersysteem met sleepvoetbemester heeft ten opzichte van het systeem waarbij een tankwagen met daarachter een sleepvoetbemester of waarbij een zodenbemester wordt toegepast als voordeel dat er minder trekkracht nodig is.
Klopt het dat aan alternatieven de eis gesteld wordt dat de mest na toedienen niet meer zichtbaar mag zijn? Zo ja, wat is hiervan de onderbouwing?
Nee, dat is niet juist. Bij op het oog controleerbare systemen moet de mest in sleufjes of kuiltjes van maximaal 5 cm breed liggen waarbij de mest niet over de rand komt. Bij systemen waarbij verdunning met water wordt toegepast, moet de mest in strookjes van maximaal 10 cm breed op de grond worden gelegd; in de rijen is er daarbij een minimale afstand van 15 cm (hart-op-hart).
Het bericht ‘Nieuwe diesels stoten veel te veel stikstofoxiden uit’ |
|
Jessica van Eijs (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe diesels stoten veel te veel stikstofoxiden uit»?1
Ja. Het feit dat dieselvoertuigen op de weg meer uitstoten dan tijdens de officiële testprocedure in het laboratorium is helaas niet nieuw. Over deze thematiek is afgelopen jaren regelmatig met uw Kamer van gedachten gewisseld om dit ongewenste verschijnsel daadkrachtig aan te pakken. Mede door de inzet vanuit Nederland heeft dit geresulteerd in een nieuwe Europese testprocedure, waarbij voertuigen ook op de weg worden gemeten. Het gaat daarbij om de zogenaamde Real Driving Emissions (RDE) testprocedure. Hiermee wordt een definitief einde gemaakt aan het grote verschil in emissies van schadelijke stoffen tussen test en praktijk. Deze verbetering komt nog niet tot uitdrukking in de onderzoeken die ICCT heeft uitgevoerd, omdat daarbij oudere voertuigen zijn gemeten die nog niet aan de nieuwe testprocedure hoeven te voldoen.
Is het waar dat uit de test van de International Council on Clean Transportation (ICCT) blijkt dat de nieuwe Euro-6 diesels niet voldoen aan de Europese normen wat betreft de uitstoot van stikstofoxiden (NOx)? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Nee. De uitgevoerde testen zijn geen officiële typegoedkeuringstesten en derhalve kunnen op basis hiervan geen uitspraken worden gedaan of de voertuigen wel of niet voldoen aan de Europese emissielimieten. De overschrijdingen die gevonden werden zijn overigens vergelijkbaar met de resultaten uit het TNO rapport van 20162 dat u als bijlage bij de vierde overzichtsbrief dieselfraude heeft ontvangen.
Hoe zijn de Euro-6 diesels tot nu toe beoordeeld door Europese instanties?
De Europese typekeuringsinstanties beoordelen de Euro-6 voertuigen op basis van de Europese toelatingseisen. Alleen wanneer voertuigen voldoen aan de eisen worden ze toegelaten. Vanaf september 2014 gelden de Euro-6 eisen. Sindsdien zijn de eisen verder aangescherpt en gelden vanaf september 2017 de Euro 6d-TEMP eisen, waarbij ten behoeve van de toelating ook auto’s op de weg worden gemeten.
Welke stappen worden (in Europees verband en door Nederland) ondernomen naar aanleiding van de berichtgeving over het niet voldoen aan de normen van de Euro-6 diesels?
Het ICCT-rapport levert geen nieuwe inzichten en bevestigt het beeld dat de oudere types Euro 6 diesel voertuigen in de praktijk meer stikstofoxiden (NOx) uitstoten dan onder laboratoriumomstandigheden. Zoals onder antwoord 2 aangegeven bevat het rapport geen indicaties dat niet aan de normen wordt voldaan. Er is dus geen aanleiding om stappen te ondernemen.
Ziet u mogelijkheden om op te treden tegen auto’s die meer uitstoten dan de normen voor NOx-uitstoot?
In zijn algemeenheid geldt dat indien een voertuig niet voldoet aan de wettelijke eisen de typegoedkeurende autoriteit bevoegd is om de typegoedkeuring in te trekken en/of de betreffende fabrikant te verplichten het voertuig alsnog aan de wettelijke eisen te laten voldoen via een terugroepactie.
Wat betekenen deze te hoge uitstootwaardes van Euro-6 diesels voor de luchtkwaliteit in het algemeen en voor knelpunten in het bijzonder, nu en in de toekomst?
De meetresultaten uit 2016 zijn door TNO verwerkt in de emissiefactoren 2017 welke gebruikt worden in de luchtkwaliteitsmodellen. Omdat in Nederland gerekend wordt met emissiefactoren gebaseerd op praktijkmetingen geeft het nieuwe onderzoek van de ICCT geen aanleiding om de prognoses voor luchtkwaliteit bij te stellen.
Deelt u de mening van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) en de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) dat de meeste fabrikanten een geldige verklaring hadden voor het uitschakelen van de uitstootbeperkende systemen?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is fabrikanten wettelijk toegestaan om uitstootbeperkende systemen, tijdelijk en onder voorwaarden, uit te schakelen om de motor te beschermen tegen schade. De typegoedkeurende autoriteit van de betreffende fabrikant beoordeelt of het uitschakelen voldoet aan de wettelijke bepalingen. Ik heb geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de RDW.
Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en blijft om luchtvervuiling tegen te gaan?
Ik deel uw opvatting dat het onwenselijk is dat fabrikanten emissiebeperkende voorzieningen uitschakelen. Slechts bij hoge uitzondering onder extreme rij-omstandigheden zouden zij daar in mijn optiek gebruik van mogen maken. Daarom zijn, mede op verzoek van Nederland, in de meest recente Europese wetgeving richtsnoeren opgenomen over het al dan niet toestaan van deze uitschakeling verder te verduidelijken.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om de legitieme redenen voor het tijdelijk uitschakelen van de uitstootbeperkende systemen te beperken?
Ja, deze wens deel ik. Zoals ik in eerdere antwoorden heb aangegeven wordt de test in het laboratorium aangevuld door een test op de weg. De Real Driving Emissions (RDE)-wetgeving is nagenoeg gereed. Ik verwacht dat het vierde en laatste pakket in januari 2019 in werking zal treden. Het testen op de weg dient plaats te vinden binnen strenge grenzen, de zogenoemde boundaries4. Binnen deze grenzen dienen de uitstootbeperkende systemen te worden toegepast om aan de eisen te voldoen. Verder zijn, zoals ik in antwoord 8 heb aangegeven, in de meest recente Europese wetgeving de richtsnoeren over het al dan niet toestaan van deze uitschakeling verder verduidelijkt. Mijn streven is erop gericht om ook buiten de boundaries de emissiebeperkende maatregelen zoveel mogelijk toe te passen.
Hoe beoordeelt u de kritiek van de Europese autobrancheorganisatie dat de test misleidend zou zijn?
In de ogen van de Europese autobrancheorganisatie ACEA is studie misleidend, omdat de onderzoeksmethode niet overeenkomt met de wijze waarop de uitstoot op de weg gemeten moet worden. Ik kan deze kritiek wel plaatsen en grotendeels onderschrijven. Voor de test maakt ICCT namelijk geen gebruik van mobiele meetapparatuur maar van zogenaamde remote emission sensing, waarbij gebruik wordt gemaakt van sensoren naast de weg. Een dergelijke testmethode kan alleen op bepaalde wegen onder gunstige testomstandigheden worden toegepast. Ze geeft slechts een momentopname per voertuigpassage voor specifieke verkeerssituaties. Er zijn duizenden passages nodig om hiermee met een zekere betrouwbaarheid iets te kunnen zeggen over de gemiddelde emissies van een voertuigmodel. Daarnaast werkt het onder de aanname dat de verhouding van de NOx-emissies met de CO2-uitstoot onder alle rij-omstandigheden gelijk is. Voor moderne voertuigtechnologieën is deze aanname niet algemeen geldig. Deze meetmethode kan niet onder alle omstandigheden (zoals bij slecht weer of in de file) worden ingezet. Dat geeft al aan dat er beperkingen zijn aan de resultaten, zodat deze zeker niet overeenkomt met de vereisten van dekking van verkeersituaties zoals in de RDE-wetgeving vereist. Ook is bij passages moeilijk te achterhalen of het voertuig in goede staat is, of ongeoorloofd aangepast. De resultaten zijn daarom slechts indicatief voor de prestaties en hieraan kunnen geen harde conclusies worden verbonden.
De situatie in Nicaragua |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent het bericht dat er grof geweld wordt gebruikt tegen demonstranten in Nicaragua? Wat is uw reactie daarop?1
Ja. De berichten over geweld jegens demonstranten door de politie en door aan de overheid gelieerde gewapende groeperingen zijn zeer zorgelijk. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzaam protest zijn onmisbaar in een democratische samenleving en de overheid heeft de verantwoordelijkheid burgers te beschermen. Om tot een duurzame en vreedzame oplossing te komen is een inclusieve nationale dialoog nodig.
Wat is uw reactie op het rapport van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens over de situatie in Nicaragua, waarin het onder andere melding maakt van serieuze mensenrechtenschendingen, excessief geweld door de staat, illegale en arbitraire detentie, martelingen en censuur?2 Bent u bereid er bij de Nicaraguaanse overheid op aan te dringen dat zij de vijftien aanbevelingen uit dit rapport overneemt en implementeert?
Het is goed dat de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten onderzoek heeft kunnen doen naar deze misstanden. De bevindingen zijn zorgwekkend en het is belangrijk dat er opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen. Eén van deze aanbevelingen is het optuigen van een onafhankelijke expertmissie die onderzoek doet naar de misstanden gepleegd sinds 18 april jl.
Nederland en de EU hebben Nicaragua via een verklaring opgeroepen de aanbevelingen uit het rapport van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten na te leven. Daarnaast heeft de Nederlandse ambassadeur in Costa Rica, mede geaccrediteerd voor Nicaragua, publiekelijk zijn steun geuit voor deze aanbevelingen en bij de regering aangedrongen op volledige implementatie.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek naar de moorden en aanhoudende mensenrechtenschendingen moet plaatsvinden? Zo ja, bent u bereid hierop aan te dringen in EU- en VN-verband?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Nicaraguaanse overheid op te roepen de VN-Mensenrechtencommissie toe te laten in het land, zodat zij daar onderzoek kan doen?
De Nicaraguaanse regering heeft op 20 juni jl. de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten, de EU en VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein uitgenodigd voor een bezoek aan het land en deelname aan de waarheids- en veiligheidscommissie. Daarnaast heeft de Nicaraguaanse overheid de Inter-Amerikaanse Commissie voor Mensenrechten verzocht om een expertmissie op te tuigen om onafhankelijk onderzoek te doen naar het geweld sinds 18 april jl. De Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten bevindt zich sinds 24 juni jl. met een delegatie in Nicaragua om voorbereidingen te treffen voor deze expertmissie.
Wat is uw oordeel over het geweld en de repressie door de Nicaraguaanse overheid?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) compenseert in de normering bij examens |
|
Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het artikel van Rene Kneyber over het feit dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) correctiemodellen niet aanpast, maar dat er gecompenseerd wordt in de normering? Klopt het wat hij schetst?1
Het CvTE is verantwoordelijk voor de inhoud en beoordeling van de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Door het inhoudelijke karakter van deze vraag, alsmede de vragen 2 en 3, heb ik het CvTE gevraagd om mij de benodigde informatie te verstrekken bij de beantwoording.
Het beeld dat de heer Kneyber met zijn blog schetst, klopt niet. Indien nodig worden de correctievoorschriften van de centrale examens zo veel mogelijk binnen vier werkdagen aangevuld. Er zijn dit jaar ongeveer vijftig aanvullingen op het correctievoorschrift verzonden. Het CvTE vindt het van belang om zo lang mogelijk met docenten in gesprek te blijven. Dat kan als gevolg hebben dat er alsnog een onvolkomenheid gecompenseerd moet worden terwijl alle examens al zijn nagekeken. In zo’n geval is de compensatie via de N-term de mogelijkheid om leerlingen te geven waar ze recht op hebben.
Wat is uw specifieke reactie op de vragen die Kneyber stelt in zijn artikel? Kunt u het CvTE verzoeken een antwoord op deze vragen te formuleren en deze met de Kamer delen?
Ik heb het CvTE gevraagd om een reactie te geven op de blog van de heer Kneyber, waarbij ook wordt ingegaan op de door hem gestelde vragen. U vindt de reactie in de bijlage.2
Het CvTE begrijpt dat de informatie over de normeringstechniek vragen kan oproepen. Om die reden is het CvTE voornemens om ook komend schooljaar weer in gesprek te gaan met geïnteresseerde docenten over de normeringssystematiek. Ik moedig dit gesprek van harte aan.
Wat is uw specifieke reactie op de rekenvoorbeelden in het artikel van Kneyber? Kloppen deze voorbeelden? Zo ja, vindt u deze uitkomsten wenselijk?
Het CvTE geeft aan dat de door de heer Kneyber gebruikte rekenvoorbeelden niet kloppen. Voor een toelichting op deze conclusie, verwijs ik u naar de bijgevoegde reactie van het CvTE.
Bent u het eens met de mening van Kneyber dat deze methodiek moreel volstrekt ongeloofwaardig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Rapporten van verschillende experts – zoals bijvoorbeeld op 6 september 2017 naar uw Kamer verzonden Adviesrapport RCEC – bevestigen dat de normeringsystematiek die het CvTE hanteert inhoudelijk en procedureel correct is.3
Mogen correctoren van examens zich beroepen op artikel 32e lid 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs indien een juist antwoord als fout wordt bestempeld in het correctievoorschrift van het CvTE?2
Nee, dit mag niet. Het tweede lid van artikel 32 e stelt dat leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid hebben als het gaat om het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Dit lid laat zich echter niet los lezen van het eerste lid van hetzelfde artikel en daarnaast zowel artikel 32 als artikel 41, derde lid van het Eindexamenbesluit.5 Deze artikelen geven aan dat er ruimte is voor zelfstandige verantwoordelijkheid van de docent binnen het onderwijskundig kader van de eigen school, en het schoolexamen. Die ruimte wordt voor wat betreft het centraal eindexamen beperkt door geldende wettelijke kaders, zoals die landelijk zijn bepaald. Doel van dit deel van de wetgeving is een gelijke beoordeling over de jaren van leerlingen in dezelfde schoolsoort. Het correctievoorschrift -dat onderdeel is van de beoordelingsnormen zoals genoemd in art. 41.3 van het Eindexamenbesluit- heeft de status van algemeen verbindend voorschrift.
Binnen het correctievoorschrift biedt artikel 3.3 ruimte aan docenten bij open vragen. De meeste eerst en tweede correctoren vinden daarin dan ook de ruimte om voor hun leerlingen tot de beste oplossing te komen.
Een beroep op artikel 32 e lid 2 slaagt niet. Voor in de ogen van docenten foutieve vragen bestaat binnen het algemeen deel van het correctievoorschrift een aangewezen route. Die is te vinden in hoofdstuk 2, algemene regels; en vervolgens daar in artikel 7. Dat – en alleen dat – is de route die voor docenten openstaat.
De berichten ‘Ander huis gezocht voor bedreigde christelijke Syriër’ en ‘Syrische christen uit Overijssel krijgt dreigbrief, van IS’ |
|
Kees van der Staaij (SGP), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Ander huis gezocht voor bedreigde christelijke Syriër» en «Syrische christen uit Overijssel krijgt dreigbrief, van IS»?1
Ja.
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat burgers, in dit soort situaties, meteen op adequate beveiliging kunnen rekenen?
Het lokale gezag draagt in het algemeen zorg voor de veiligheid en het welzijn van haar burgers. Het lokale gezag beoordeelt in hoeverre de persoon en/of zijn werkgever in staat is weerstand te bieden aan de dreiging. Indien nodig, treft zij aanvullende beveiligingsmaatregelen. Hierbij is de inschatting van de dreiging en het risico leidend voor het vaststellen van het beoogde weerstandsniveau en de bijbehorende beveiligingsmaatregelen.
In hoeverre zijn meer van dit soort situaties bekend? Bent u bereid dit zorgvuldig te registreren?
Mensen in Nederland moeten in vrijheid hun geloof kunnen belijden en uitleven, binnen de grenzen van de rechtsstaat. Wanneer sprake is van bedreiging, al dan niet met een discriminatoir motief, is het van belang om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Meldingen en aangiftes van discriminatie en bedreiging worden serieus behandeld en opgepakt.
De politie kan dit registreren als discriminatie of – waar sprake is van bedreiging – als bedreiging. Vorig jaar is er een samenwerkingsconvenant gesloten tussen de politie, het Openbaar Ministerie en antidiscriminatie voorzieningen om de aanpak van discriminatie een impuls te geven. Deze samenwerking leidt ertoe dat een beter beeld wordt verkregen van discriminatiezaken in Nederland, zodat gerichter maatregelen kunnen worden ingezet om discriminatie aan te pakken. De politie screent landelijk de politiesystemen op mogelijke discriminatiezaken. Per 1
Hoe voorkomt u dat burgers zich, als gevolg van bedreiging en intimidatie, beperken in de vrijheid teneinde hun opvattingen te uiten? Bent u bereid met het oog op het voorkomen van dit risico extra in te zetten op opsporing van daders van bedreiging en intimidatie?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed in onze democratische samenleving. Een ieder moet de mogelijkheid hebben om – binnen de grenzen van de wet – zijn of haar gedachten te kunnen verwoorden in een vrij maatschappelijk debat. Het is zeer kwalijk als men zich onder druk van dreigingen moet terugtrekken uit dit debat. Als er concrete aanwijzingen zijn dat dat gebeurt, dient direct tegen dergelijk gedrag te worden opgetreden. Men moet zich onbedreigd weten bij het uiten van hun mening of geloof. In geval van dreiging of intimidatie kan melding of aangifte bij politie worden gedaan. Tevens lopen er diverse bescherming en preventieprogramma’s voor situaties waarin de vrijheid van burgers beperkt worden. In brede zin zet dit kabinet fors in op het verder terugdringen van criminaliteit en een veiliger Nederland. Dit betreft o.a. investeringen in de politie waar een stevig accent gelegd wordt op de toekomstige versterking van opsporing, het verzwaren van strafmaten in het algemeen en verbetering en versterking van de strafrechtketen als geheel. Indien sprake is van een strafbaar feit kan daarvan aangifte worden gedaan bij de politie, waarna het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek kan starten. Het Openbaar Ministerie zet in op de opsporing van dit soort zaken en neemt de zaken uiterst serieus.
Bent u bereid te komen tot een gerichte aanpak ter voorkoming van bedreiging en intimidatie uit jihadistische kring, in samenwerking met de lokale overheden? Bent u met het oog daarop eveneens bereid gericht te onderzoeken in hoeverre deze praktijken breder spelen, gelet op eerdere berichtgeving over situaties van bedreiging van ex-moslims?2
De gerichte aanpak waar u naar vraagt wordt uitgevoerd op lokaal niveau. Gemeenten zijn regiehouders in de lokale aanpak die tot doel heeft radicalisering, extremisme en dreigingen te onderkennen en daarop te interveniëren. Een onderdeel van de lokale aanpak is het multidisciplinaire casusoverleg waarin informatie over personen die (mogelijk) geradicaliseerd zijn of een dreiging vormen wordt gedeeld, geduid en een plan van aanpak wordt opgesteld met als doel het indammen van de dreiging die van een persoon uitgaat. Lokale en landelijke partners werken nauw samen en er is een palet aan maatregelen beschikbaar. NCTV adviseert gemeenten en andere partners over de aanpak van de jihadistische beweging. Verder kunnen gemeenten die geen actief beleid voeren op het thema radicalisering gebruik maken van regionale expertise en kennis die beschikbaar is bij (grotere) gemeenten, veiligheidshuizen en politie-eenheden. Binnen het lokale beleid en de bovengenoemde casusoverleggen wordt er aandacht besteed aan voorkomen van bedreiging en intimidatie. Daarnaast overleggen Politie, Openbaar Ministerie en antidiscriminatievoorzieningen in regionale discriminatieoverleggen over trends en spanningen die samenhangen met de verschillende discriminatiegronden, waaronder ras en religie.
Het bericht ‘Zus vermoorde Nadia terug bij af na tbs-draai’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zus vermoorde Nadia terug bij af na tbs-draai»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u afgelopen maanden een draai van 180 graden heeft gemaakt en onlangs opeens wel toestemming heeft gegeven voor het transmurale verlof van Pascal F. een uiterst gewelddadige en gevaarlijke crimineel?
Het bericht haalt transmuraal verlof en de verlenging van de tbs-maatregel door elkaar. De tbs-maatregel is erop gericht herhaling van het misdrijf in de toekomst te voorkomen en de tbs-gestelde op veilige en verantwoorde wijze terug te laten keren in de samenleving. Iedere twee jaar bepaalt de rechter in een verlengingszitting of de tbs-maatregel wordt verlengd. Als een rechter de tbs-maatregel niet beëindigt, loopt de behandeling door. Het transmuraal verlof is een onderdeel van de behandeling.
De behandeling van een tbs-gestelde is een dynamisch proces, waarbij op zorgvuldige wijze de voortgang van de behandeling wordt getoetst. Als een verlofaanvraag op enig moment wordt afgewezen, kan op een later tijdstip een nieuwe aanvraag worden ingediend op basis van de voortgang in de behandeling. Zonder al te zeer op de individuele casus in te gaan, constateer ik dat het AVT in dit specifieke geval voldoende voortgang in de behandeling heeft gezien om positief te adviseren over het gevraagde verlof.
Beseft u dat u met deze beslissing de slachtoffers nog een trap na geeft? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij goed voorstellen dat de boodschap dat een tbs-gestelde met verlof gaat voor de nabestaanden en/of slachtoffers confronterend kan zijn. Als een tbs-gestelde met verlof gaat, worden slachtoffers en/of nabestaanden desgewenst geïnformeerd over het verlof en de beperkingen/voorwaarden (bijvoorbeeld gebiedsverbod) die hierbij aan de tbs-gestelde worden opgelegd.
Bent u bereid de stukken waarop u deze beslissing gebaseerd heeft, al dan niet vertrouwelijk, met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de wettelijke taak ervoor te zorgen dat de tbs-gestelde op veilige en verantwoorde wijze terugkeert in de samenleving. Verlofmachtigingen komen zorgvuldig en weloverwogen tot stand en worden pas afgegeven indien de behandeling van de tbs-gestelde dit toelaat en na advisering door het onafhankelijke Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT).
Het AVT toetst alle verlofaanvragen van tbs-gestelden. De belangrijkste vraag die het adviescollege dient te beantwoorden, is of het toekennen van verlof aan een tbs-gestelde verantwoord is. Het AVT bestaat uit elf forensisch psychiaters en psychologen, vier juristen en twee wetenschappelijk adviseurs. Het AVT bracht in 2017 in totaal 1572 adviezen over verlof uit. De Dienst Justitiële Inrichtingen is bevoegd namens mij een besluit te nemen op deze adviezen. Negatieve adviezen zijn bindend. Positieve adviezen zijn dat niet, maar ook deze worden in de regel gevolgd.
Ik zie geen aanleiding om adviezen over individuele tbs-gestelden, die aan een verlofmachtiging ten grondslag liggen, aan uw Kamer te sturen. Om diezelfde reden zal ik uw Kamer geen lijst met tbs-gestelden met een machtiging transmuraal verlof sturen.
Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen van alle tbs’ers die sinds uw aanstelling als Minister voor Rechtsbescherming en met uw toestemming transmuraal verlof hebben gekregen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid per direct de beslissing Pascal F. los te laten op de maatschappij terug te draaien en deze uiterst gevaarlijke en gestoorde crimineel achter slot en grendel in de tbs-kliniek terug te plaatsen? Zo nee, heeft u dan niets geleerd van de moord op Anne Faber? Beseft u dat het dan ook uw verantwoordelijkheid is als deze gevaarlijke moordenaar opnieuw toeslaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor donderdag 21 juni 2018?
Ja.
Het bericht ‘ANW compensatie is vervallen per 1 mei 2018' |
|
Martin van Rooijen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ANW compensatie is vervallen per 1 mei 2018» van het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds (ABP)?1
Ja. Volledigheidshalve wil ik benadrukken dat deze wijziging niet geldt voor nabestaanden die momenteel Anw-compensatie ontvangen. Zij blijven hun uitkering ontvangen volgens de oude voorwaarden.
Kunt u toelichten welke vorderingen er zijn geweest in deze kwestie, sinds het besluit tot uitstel van het afschaffen van de ANW-compensatieregeling met vier maanden en sinds uw toezegging naar aanleiding van mijn mondelinge vragen op dinsdag 30 januari 2018?2
Ja. Allereerst wil ik graag onderstrepen dat eind januari de zogenoemde ANW-coulanceregeling van het ABP niet alleen is verlengd (tot 1 mei 2018), maar ook de doelgroep is verruimd. Hierdoor dekt de regeling niet alleen ongeneeslijk zieken, maar ook deelnemers die voor 1 mei door een verzekeraar werden geweigerd (of alleen verzekerbaar waren tegen een relatief hoge premie).3 Deelnemers (actieven en gepensioneerden) hebben tot 1 mei 2018 de tijd gehad om zich bij het ABP aan te melden voor de coulanceregeling.
Daarnaast heb ik begin februari met het ABP-bestuur gesproken over het afschaffen van de ANW-compensatieregeling en gepaard gaande (media)berichtgeving. Het bestuur heeft toen – en in opvolgende reguliere overleggen tussen onder andere overheidswerkgevers en het ABP – aangegeven dat met het verlengen en het verbreden van de coulanceregeling de relatieve rust onder de deelnemers is wedergekeerd.
Voorts hebben bij het ABP aangesloten sectoren (en werkgevers in de sectoren) verschillende initiatieven genomen om een ANW-hiaatverzekering voor medewerkers te faciliteren.4 Zelf faciliteer ik als werkgever van de sector Rijk – na overleg met de vakbonden – een aanvullende ANW-hiaatverzekering voor het rijkspersoneel. Hierbij heeft de individuele werknemer de keuze gekregen om daar al dan niet op in te tekenen.
Tot slot is het ABP medio februari gaan communiceren over het feit dat voor deelnemers die pensioen hebben opgebouwd voor 1996 er een aanvulling op het nabestaandenpensioen bestaat. Dit komt doordat specifieke rechten uit een bijlage van het pensioenreglement zijn gaan herleven doordat de ANW-compensatieregeling bij het ABP is vervallen. Hier is eerder met de Kamer over gecorrespondeerd.5
Op welke wijze is er sprake geweest van het ontwikkelen en/of organiseren van alternatieve collectieve of individuele oplossingen voor de getroffen deelnemers?
Voorop staat dat voor deelnemers die reeds voor 1 mei 2018 ongeneeslijk ziek waren of zich niet – of alleen tegen relatief hoge kosten – konden bijverzekeren (en dit voor 1 mei jl. hebben aangetoond bij het ABP), een uitzondering geldt in de vorm van de zogenoemde coulanceregeling. Voor deze groep bestaat ook na 1 mei 2018 nog recht op ANW-compensatie volgens de oude voorwaarden. De looptijd van deze uitzondering is beperkt tot 1 mei 2023. Dit betekent dat de partner recht kan hebben op ANW-compensatie onder de oude voorwaarden als de deelnemer overlijdt voor 1 mei 2023.
Daarnaast hebben – zoals bij het antwoord op vraag 2 opgemerkt – sectoren verschillende initiatieven genomen om een ANW-hiaatverzekering te faciliteren, waarbij de uiteindelijk beslissing daarvoor ligt bij de werkgevers in de sectoren. Zoals eerder aan de Kamer gemeld, gelden daarbij verschillende situaties, mede afhankelijk hoe de sector georganiseerd is.6 Zo hebben sommige sectoren een overeenkomst afgesloten waar aangesloten werkgevers gebruik van kunnen maken. De individuele deelnemer heeft vervolgens de keuze gekregen om daar – afhankelijk van de persoonlijke situatie en voorkeuren – al dan niet op in te tekenen (als de aangesloten werkgever de aanvullende verzekering aanbiedt). Andere sectoren hebben er voor gekozen de aangesloten werkgevers vooral te informeren over de mogelijke gevolgen van het vervallen van de ANW-compensatie en aanvullende verzekeringsmogelijkheden. Wanneer een sector slechts één werkgever heeft, kan een aanvullende verzekering direct aan de werknemers van de sector worden aangeboden. Zo faciliteer ik als werkgever een ANW-hiaatverzekering voor de medewerkers van de sector Rijk.
Kunt u bevestigen dat er, behalve het uitstel met vier maanden dat inmiddels is verstreken, geen nieuwe tastbare resultaten zijn geboekt die het leed van de gedupeerden compenseren of verzachten?
Nee. Zie antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid aanvullende actie te ondernemen richting het ABP om alsnog tastbare resultaten af te dwingen voor de getroffen deelnemers?
Nee. Werknemers en werkgevers gaan over de inhoud van de pensioenregeling. In juli 2017 hebben werknemers en werkgevers bij het ABP in gezamenlijkheid besloten dat per 2018 het partner- en wezenpensioen wordt verruimd en het recht op ANW-compensatie (voor nieuwe gevallen) komt te vervallen. Deze stap was mede ingegeven door het signaal van het ABP-bestuur dat de Anw-compensatieregeling niet meer verantwoord uitvoerbaar was.
Gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling, in combinatie met de bovengenoemde verlenging en verbreding van de coulanceregeling, de sectorale initiatieven, de verruiming van het partner- en wezenpensioen en het feit dat voor deelnemers die pensioen hebben opgebouwd voor 1996 er een aanvulling op het nabestaandenpensioen kan bestaan, acht ik aanvullende actie niet noodzakelijk.
De pakketsorteerders die via een schijnconstructie worden ingehuurd bij PostNL |
|
Bart van Kent , Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de ZEMBLA-uitzending «De kilosjouwers van PostNL» gezien? Wat is uw reactie op dit zoveelste voorval waarbij PostNL met schijnconstructies werkt en werknemers uitbuit?1
Ja. Voor mijn reactie verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 2 tot en met 12.
Wat vindt u ervan dat pakketsorteerders via een schijnconstructie worden ingehuurd, zodat PostNL de post-cao niet hoeft na te leven?
Uiteraard verwerp ik constructies waarbij wordt gepoogd via een onjuiste voorstelling van zaken de regelgeving te ontduiken. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de indruk wordt gewekt dat er sprake is van aanneming van werk terwijl er feitelijk sprake is van uitzenden (ter beschikking stellen van arbeid).
In hoeverre er in dit concrete geval sprake is van schijnconstructies, is niet aan mij om te beoordelen. Bekend is dat er tussen de FNV en één van de ondernemingen een schikking is getroffen. Sociale partners kunnen bij de Inspectie een verzoek doen om onderzoek bij een vermoeden van overtreding van de loonverhoudingsnorm. Als uit onderzoek blijkt dat de Waadi niet is nageleefd, worden de betrokken partijen over de bevindingen geïnformeerd via een verslag.
Betrokkenen kunnen mede op grond van bevindingen van de Inspectie SZW via de rechtbank een civiele procedure starten. De rechter beoordeelt daarmee feitelijk of er sprake was van een schijnconstructie. Zoals in de Zembla-uitzending is aangegeven, zijn het uitzendbureau InPerson en de vakbond onderling tot een akkoord gekomen. FNV heeft daartoe de dagvaarding tegen het uitzendbureau ingetrokken. De FNV handhaaft de dagvaarding tegen PostNL.
De naleving en handhaving van een cao is in ons stelsel primair een zaak van cao-partijen. Het is dus niet aan de Inspectie SZW om nadere stappen te nemen, ook niet als zij bij een onderzoek op grond van artikel 8 van de Waadi heeft vastgesteld dat het loonverhoudingsvoorschrift zoals vastgelegd in de Waadi niet is nageleefd. Op grond van de Waadi kan de Inspectie SZW nadat een overtreding is geconstateerd een verslag maken van haar bevindingen en dit beschikbaar stellen aan betrokken partijen. Daarmee ondersteunt zij cao-partijen bij de naleving en handhaving van cao-afspraken. De onderhavige casus laat zien dat de melder in dit geval voldoende middelen ter beschikking staan om met behulp van het inspectierapport effectieve stappen te nemen om nabetaling af te dwingen indien er sprake is van onderbetaling.
Wat is uw reactie op de hoogleraar Arbeidsrecht die stelt dat PostNL met deze schijnconstructie, genaamd «contracting», de wet overtreedt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het gegeven dat ook de Inspectie SZW tot het oordeel gekomen is dat PostNL de wet overtreedt, maar dat zij geen mogelijkheden heeft om vervolgstappen te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de Inspectie SZW beter toegerust kan worden, zodat zij ook zelf boetes op kan leggen in plaats van afhankelijk te zijn van de vakbonden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er bij u meer bedrijven bekend die werken met «contracting», waardoor werknemers te maken krijgen met slechtere arbeidsvoorwaarden? Bent u niet bang dat door het toestaan van dit soort schijnconstructies er een race naar de bodem ontstaat?
Bij contracting worden van een opdrachtgever aangenomen of overgenomen werkzaamheden uitgevoerd door werknemers in dienst van een ander bedrijf of door zelfstandigen zonder personeel. Contracting, feitelijk het aanbesteden of uitbesteden van werkzaamheden, is op zichzelf niet nieuw. Bij aanneming van werk vinden de werkzaamheden plaats onder leiding van de aannemer, de «eigen» werkgever. Bij uitzenden vinden de werkzaamheden plaats onder toezicht en leiding van het inlenende bedrijf. Uiteraard verwerp ik constructies waarbij wordt gepoogd via een onjuiste voorstelling van zaken de regelgeving, zoals de toepasselijke cao-voorwaarden, te ontduiken.
Het aantal verzoeken van sociale partners aan de Inspectie om in het kader van de Wet Allocatie arbeid door intermediairs (Waadi) onderzoek te doen naar naleving van de loonverhoudingsnorm neemt toe. Dat leidt niet meteen tot de conclusie dat het aantal schijnconstructies aan het toenemen is.
De sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van cao-voorwaarden. De Inspectie SZW ondersteunt de sociale partners bij hun toezicht op naleving van cao-voorwaarden. Binnen het programma schijnconstructies van de Inspectie SZW is een speciaal team actief voor bij de aanpak van schijnconstructies en de ondersteuning van sociale partners in het toezicht op de naleving van cao’s.
Vindt u het verder ook onfatsoenlijk dat de uitzendbranche, keer op keer, schijnconstructies optuigt met als enige doel over de rug van werknemers nog meer geld te verdienen? Is voor u de maat ook vol en bent u bereid uitzendbureaus, die dit soort constructies optuigen, hard aan te pakken door hoge boetes?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de arbeidsomstandigheden voor pakketsorteerders die vaak ’s nachts en onder grote tijdsdruk pakketten tot wel 30 kilo moeten verwerken?
Ik neem deze signalen over arbeidsomstandigheden zeer serieus. Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden zijn belangrijk voor alle werkenden in Nederland. Daarbij hoort ook de mogelijkheid tot het in acht nemen van voldoende pauze- en rustmomenten en het voorkomen en tegengaan van overmatige werkdruk en ongezonde of onveilige situaties.
Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet is het de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever om voor goede arbeidsomstandigheden te zorgen en om de preventie van arbeidsrisico’s vorm te geven. De werkgever dient bovendien een beleid inzake arbeids- en rusttijden in samenhang met het arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. De werkgever is daarmee verantwoordelijk voor het inrichten van de werkzaamheden op een wijze waarop voorkomen wordt dat mensen gezondheidsklachten krijgen door het werk. De Inspectie SZW houdt risicogericht toezicht op naleving van de arbeidswetgeving, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet met als doel om daarmee een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken.
Een maximale veilige grens per tilsituatie kan verschillen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verwezen naar de NIOSH-methode die kan worden gebruikt door werkgevers om het maximaal tilgewicht te laten berekenen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het gewicht van een voorwerp maar ook naar de omstandigheden waaronder het gewicht wordt verplaatst. Per situatie kunnen de kenmerken van de taak en de werkomgeving worden meegenomen in de beoordeling van de fysieke belasting. Bedrijven kunnen daarmee samen met hun werknemers zoeken naar de meest passende oplossing. De NIOSH-methode wordt door de Inspectie SZW als standaard genomen bij het toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De Arbeidstijdenwet omvat een aantal bepalingen met betrekking tot pauzes en het werken in de nacht. Zo geldt dat indien er langer dan 5,5 uur gewerkt wordt, een werknemer recht heeft op minimaal 30 minuten pauze. Deze pauze mag in twee delen van een kwartier worden gesplitst. Bij een dienst van meer dan 10 uur geldt een recht op 45 minuten pauze, die eveneens in delen van minimaal een kwartier gesplitst kan worden. Na elke nachtdienst heeft de werknemer recht op ten minste 14 uur rust. Verder mogen er maximaal zeven nachtdiensten achter elkaar worden verricht, dan moet er een rust volgen van ten minste 46 uur. In een heel jaar mogen ten hoogste 140 nachtdiensten worden verricht. In de cao of bedrijfsregeling kunnen aanvullende afspraken over arbeids- en rusttijden worden opgenomen.
De Arbowet verplicht de werkgever om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving en zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de werknemers. Daarbij dient de werkgever ook psychosociale arbeidsbelasting van de werknemers te voorkomen en een beleid te voeren om onder andere werkdruk tegen te gaan. Het is belangrijk dat werknemers, werkgevers en opdrachtgevers met elkaar in gesprek gaan over de ervaren werkdruk en fysieke belasting en oplossingen zoeken voor eventuele knelpunten.
Werknemers kunnen individueel of via een vakbond of ondernemingsraad melding doen van eventuele misstanden. Meldingen die door de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, worden altijd in onderzoek genomen door de Inspectie SZW.
Herkent u het beeld dat veel van hen chronische elleboog- en rugklachten hebben en dat wanneer zij ziek worden hun onzeker contact vrijwel nooit verlengd wordt? Wat gaat u hiertegen doen?
Uit de enquête van TNO en het registratiesysteem van het NCvB herken ik niet het beeld van het veel voorkomen van deze klachten bij deze beroepsgroep. Uit de enquête van TNO blijkt wel dat de sector vervoer en opslag één van de sectoren is waar fysiek belastend werk het meest voorkomt. Verder blijkt uit het registratiesysteem van het NCvB dat er vanaf 2008 vijf beroepsziektemeldingen bij pakketsorteerders zijn gedaan. Daarvan zijn er 3 met elleboogklachten, één met rugklachten en één met nekklachten.
Een open en veilige bedrijfscultuur binnen een bedrijf helpt bij een effectieve aanpak gericht op gezond en veilig werken. Door middel van het netwerk Duurzaam Fysiek Werk faciliteer ik kennisuitwisseling over goede praktijkervaringen van bedrijven met de aanpak van fysieke belasting en met het bevorderen van een positieve bedrijfscultuur. Het netwerk bestaat uit zo’n 600 bedrijven, waaronder PostNL en veel andere bedrijven uit de transport en logistiek. Eind 2017 heeft een netwerkbijeenkomst plaatsgevonden bij PostNL-pakketten in Hoofddorp.
Kunt u zich nog de motie van de leden van Kent en Gijs van Dijk over een maximale tilnorm herinneren die opriep een verbod in te stellen op het verzenden van pakketten zwaarder dan 23 kilogram?2
Ja, deze motie is ontraden. Op basis van de uitslag van de stemming in de Kamer, is de motie verworpen.
Kunt u zich voorts nog herinneren dat u desbetreffende motie heeft ontraden maar wel het volgende zei: «ik neem de signalen over de risico's van het tillen van zware pakketten in sorteercentra en in de pakketbezorging zeer serieus»? Waar is dat concreet uit gebleken?3
Ja, ik kan mij dat herinneren. Ik heb deze motie ontraden omdat een maximale veilige grens per tilsituatie verschilt. In het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verwezen naar de NIOSH-methode die kan worden gebruikt door werkgevers om het maximaal tilgewicht te laten berekenen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het gewicht van een voorwerp maar ook naar de omstandigheden waaronder het gewicht wordt verplaatst. De NIOSH methode wordt ook door de Inspectie SZW als standaard genomen bij het toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De Inspectie SZW heeft in 2017 een inspectietraject afgerond bij acht grote pakketdiensten, waaronder PostNL. PostNL heeft verdiepend onderzoek gedaan in het kader van de RI&E en passende maatregelen bedacht om fysiek belastend werk zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken. Deze technische en organisatorische maatregelen die zich richten op de pakketbezorgers raken ook het werkproces van de sorteerders. In het sorteerproces zijn ook maatregelen genomen.
Bij de Inspectie SZW zijn geen meldingen bekend door OR of vakbonden over fysieke overbelasting bij pakketsorteerders bij PostNL.
Bent u bereid bedrijven als PostNl die structureel de randen opzoeken van wet- en regelgeving – en daar ook overheen gaan – hard aan te pakken?
Zoals hierboven geschetst bevat de wet voldoende mogelijkheden voor partijen om wanneer zij van mening zijn dat er sprake is van een schijnconstructie, deze aan te pakken.
De Inspectie SZW houdt toezicht op naleving van de arbeidswetgeving, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet. Werknemers kunnen individueel of via een vakbond of ondernemingsraad melding doen van eventuele misstanden. Meldingen die door de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, worden altijd in onderzoek genomen door de Inspectie SZW. Bij geconstateerde overtreding van de relevante arbeidswetgeving, treedt de Inspectie SZW handhavend op.
Het bericht dat twee derde van 150 populaire websites de privacywet overtreedt |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twee derde van 150 populaire websites overtreedt privacywet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van de Consumentenbond waarin wordt geconcludeerd dat een grote meerderheid van de 150 bekende websites in Nederland de nieuwe privacywet overtreedt?
In het rapport van de consumentenbond gaat het over zowel de naleving van de recent ingevoerde AVG als de in 2012 gewijzigde e-privacyrichtlijn. Het is goed dat de consumentenbond namens de Nederlandse consument bedrijven scherp houdt op de naleving van de privacy wetgeving.
Kunt u de reactie van de Autoriteit Persoonsgegevens bevestigen dat de werkwijze van de onderzochte websites niet mag? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft bevestigd dat in zijn algemeenheid geldt dat voor het plaatsen van tracking cookies vooraf toestemming moet worden gevraagd aan websitebezoekers.
Hoe beoordeelt u de prioriteitsafwegingen van de Autoriteit Persoonsgegeven en de Autoriteit Consument en Markt? Hoe beoordeelt u de berichtgeving van beide organisaties dat zij zich focussen op andere zaken respectievelijke andere toezichtprioriteiten?
De Autoriteit Persoonsgegevens is een onafhankelijke toezichthouder die zelf haar toezichtprioriteiten stelt. Het is daarom niet aan mij om een oordeel te vellen over de prioriteitstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft onlangs haar toezichtkader voor de jaren 2018 en 2019 uitgebracht waarin zij helder uiteenzet waarop zij de komende tijd prioriteit legt.2
In het aangehaalde rapport van de consumentenbond wordt gesproken over 150 bekende websites, websites in verschillende sectoren die zich soms in zijn geheel maar bij sommige ook in mindere mate richten tot de Nederlandse consument. Nederland kent volgens de Stichting Internet Domein Registratie Nederland thans al ruim 5,8 miljoen websites die zich richten op Nederland. Het aantal websites wereldwijd is hier logischerwijs een veelvoud van. Dit dwingt de toezichthouders tot het maken van keuzes ten aanzien van de inzet van hun handhavingscapaciteit. Het staat de toezichthouders vrij hier hun eigen keuzes in te maken en af te wegen tegen andere problemen.
Desgevraagd licht de Autoriteit Consument en Markt haar keuze toe: de Autoriteit Consument en Markt heeft zich na de invoering van de cookiewet eerst gericht tot 150 websites van de overheid3, gevolgd door de uitgevers van de grootste en populairste websites in Nederland.4 Daarbij ging het om duizenden van de populairste websites in Nederland. Het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt heeft zich daarna gefocust op websites waar de privacy van de consument extra belangrijk is. Bijvoorbeeld ten aanzien van de website Stemwijzer die politieke voorkeuren van bezoekers verwerkte5 en gezondheidswebsites6, die medische gegevens van bezoekers verwerkten. De Autoriteit Consument en Markt heeft alle voornoemde overtredingen doen beëindigen.
Wordt de Autoriteit Persoonsgegevens zo geen tandeloze tijger, gelet op het feit dat zij een kleine organisatie is en geen actie kan ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen teneinde ervoor te zorgen dat de Autoriteit Persoonsgegevens beter haar taken kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Persoonsgegevens moet net als andere toezichthouders keuzes maken in haar toezicht. Naar mijn mening is de Autoriteit Persoonsgegevens op dit moment voldoende toegerust voor haar taken. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Autoriteit Persoonsgegevens monitoren zorgvuldig of de taken van de Autoriteit Persoonsgegevens en het benodigde budget met elkaar in de pas lopen.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving van de Belastingdienst dat zij nog een jaar nodig heeft teneinde aan de privacyregels te voldoen? Hoe kan het dat de Belastingdienst nog een jaar nodig heeft, terwijl er een lange voorbereidingstijd is geweest en tijdig bekend was gemaakt op welke wijze en wanneer de nieuwe privacywetgeving in werking zou treden?
De verantwoordelijkheid voor het (tijdig) voldoen aan de AVG ligt bij de desbetreffende overheidsorganisaties, dat geldt ook voor de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft mij laten weten dat is gekozen om per 25 mei 2018 een basisniveau van naleving van de AVG te realiseren en in beeld te hebben welke maatregelen nog genomen moeten worden om duurzaam in lijn te komen en blijven met de AVG. Gelet op de aard en omvang van de gegevensverwerkingen bij de Belastingdienst kan ik mij de keuze voor een dergelijke benadering voorstellen. Uit een beoordeling van deze aanpak door de Auditdienst Rijk blijkt dat daarmee alle onderdelen uit het door de Autoriteit Persoonsgegevens opgestelde 10-stappenplan voor implementatie van de AVG afgedekt zijn. Een oordeel over deze aanpak ligt uiteindelijk bij de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthouder voor de AVG.
Op welke wijze waarborgt u een veilige omgang en verwerking van privacygegevens van belastingbetalers- en ontvangers, nu blijkt dat de Belastingdienst nog een jaar nodig heeft teneinde aan de privacyregels te voldoen?
Ook het waarborgen van een veilige verwerking van persoonsgegevens is primair een aangelegenheid van de Belastingdienst zelf. De Belastingdienst heeft adequate technische en organisatorische maatregelen genomen voor informatiebeveiliging, in lijn met de rijksbreed geldende regels. De Belastingdienst is dan ook van mening dat gegevens goed beveiligd zijn.
Deelt u de mening dat overheidsorganisaties – zoals de Belastingdienst – het goede voorbeeld dienen te geven en ervoor moeten zorgen dat zij tijdig en volledig moeten voldoen aan de privacywetgeving? Zo ja, wat gaat u doen zodat organisaties als de Belastingdienst zo snel mogelijk gaan voldoen aan de wettelijke vereisten rondom de privacywetgeving? Zo nee, waarom niet?
Overheidsorganisaties dienen er inderdaad voor te zorgen dat zij tijdig en volledig aan de AVG voldoen. Dat zal op 25 mei jl. – de datum waarop de AVG in werking trad – nog niet overal het geval zijn geweest. In dat geval is het voor een overheidsorganisatie zaak er serieus mee bezig te blijven en zo snel mogelijk tot een afronding van het implementatieproces te komen. Het is aan het bestuursorgaan dat voor de organisatie verantwoordelijk is, om daarvoor zorg te dragen en aan de Autoriteit Persoonsgegevens om daarop toe te zien.
De AVG geldt gelijkelijk voor alle organisaties, publiek en privaat, en zij hebben allen de plicht om aan de kaders die de AVG stelt te voldoen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van organisaties om aan de wet te voldoen en het oordeel over de naleving ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthouder.
Het budgetrecht van de Kamer ten aanzien van een nieuwe deal met Shell en Exxon |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u schriftelijk uiteenzetten waarom het kabinet weigert het parlement vooraf te laten instemmen met het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en Exxon, conform de tijdens het debat over de gaswinning Groningen op 7 juni 2018 ingediende de motie-Nijboer c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 490)?
Het van te voren openbaar maken van een concept akkoord zet grote en onnodige spanning op het proces om met Shell en Exxon te komen tot een overeenkomst, omdat een dergelijk akkoord bedrijfsvertrouwelijke informatie bevat. Het risico dat er dan helemaal geen akkoord tot stand komt, ligt daarbij op de loer. Dat is niet in het belang van de regio en Nederland als geheel.
Daarnaast bepaalt artikel 4.6 van de Comptabiliteitswet 2016 dat een Minister namens de Staat overeenkomsten mag aangaan zonder dat hiervoor het parlement vooraf hoeft te worden geraadpleegd. Op basis van deze bevoegdheid is het de Staat die overeenkomsten met private partijen afsluit, waarbij de Tweede Kamer het kabinet hierop aan de hand van het parlementaire budgetrecht kan controleren. Het resultaat van de onderhandelingen valt niet onder de voorhang van de Comptabiliteitswet 2016. Het parlement stelt begrotingen vast en geeft daarmee vooraf goedkeuring (autorisatie) voor uitgavenmaxima. Om die redenen zal het kabinet de Tweede Kamer terstond informeren op het moment dat een akkoord op hoofdlijnen is afgesloten. Vervolgens kunnen we daarover met elkaar in gesprek gaan.
Gelet op het voorgaande is het kabinet niet voornemens de Tweede Kamer vooraf te laten instemmen met een akkoord op hoofdlijnen met Shell en Exxon.
Hoe verhoudt het budgetrecht van de Kamer zich tot de bevoegdheid van de Minister dan wel het kabinet om met Shell en Exxon langdurige en vergaande afspraken te maken over de verdeling van de opbrengsten van gaswinning, de schadeloosstelling van Groningers, de kosten van de versterkingsoperatie en de compensatie voor waardedaling?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u dan wel het kabinet bevoegd afspraken te maken over aansprakelijkheid op de genoemde terreinen en financiële arrangementen af te spreken zonder daarvoor vooraf instemming van het parlement te krijgen dan wel achteraf parlementaire instemming te verwerven?
Zie antwoord vraag 1.
Kunnen juridisch bindende afspraken worden gemaakt met Shell en Exxon zonder dat het parlement het laatste woord heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de kaders binnen onze parlementaire democratie waarbinnen het kabinet bindende afspraken kan maken met private partijen, zonder deze vooraf aan het parlement voor te leggen dan wel te maken onder voorbehoud van parlementaire instemming?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u zich ervan bewust dat met de afspraken in het op handen zijnde Akkoord op Hoofdlijnen vele tientallen miljarden zijn gemoeid, daarmee grote publieke belangen in het geding zijn en dergelijke afspraken dus niet als voldongen feit aan het parlement kunnen worden voorgelegd?
Ja.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de stemmingen over de motie Nijboer c.s. op dinsdag 12 juni 2018?
Fors duurder wordend zorgvervoer |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgvervoer dreigt fors duurder te worden door fiscale maatregel»?1
Ja.
Deelt u de inschatting van branchevereniging Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) dat taxi’s voor onder meer rolstoelgebruikers en nierpatiënten tientallen miljoenen euro’s per jaar duurder gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Nee dat verwacht ik niet. Met de afschaffing van de BPM-teruggaveregeling voor taxi’s beoogt het kabinet het taxivervoer verder te vergroenen. Door het afschaffen van deze regeling gaat de CO2-uitstoot een rol spelen bij de aanschafbeslissing. Het gevolg is dat taxivoertuigen met een hoge CO2-uitstoot duurder worden. Hiermee krijgen ondernemers een financiële prikkel om (zeer) zuinige of emissievrije voertuigen aan te schaffen. De veronderstelling van de KNV klopt in zoverre dat, als bij vervanging van het huidige wagenpark niet verder wordt vergroend, het afschaffen van de BPM-vrijstelling voor bepaalde auto’s leidt tot (fors) hogere BPM-opbrengsten. De verwachting is echter dat de toekomstige keuze zal vallen op de reeds beschikbare zeer zuinige of emissievrije alternatieven. Voor deze alternatieven geldt een lagere of zelfs geen BPM. In hoeverre er in een specifiek geval een kostenstijging optreedt, hangt daarom af van de toekomstige keuze op het moment dat (een deel) van het huidige wagenpark wordt vervangen. Ook in het doelgroepenvervoer zijn er al milieuvriendelijke en zelfs emissievrije alternatieven voorhanden. Vermeldenswaardig is het recente initiatief van een aantal steden om te komen tot het Zero Emissie doelgroepenvervoer. De verwachting is dat het afschaffen van de BPM-teruggaveregeling dit proces verder zal versnellen.
Wat verwacht u voor gevolgen van de voorgenomen afschaffing van de BPM-teruggaveregeling voor mensen als hiervoor bedoeld die afhankelijk zijn van taxivervoer? Hoe voorkomt u dat door deze maatregel minder taxivervoer beschikbaar komt met als gevolg dat daarop aangewezen mensen in de kou komen te staan?
Voor contracten voor het doelgroepenvervoer geldt in de regel dat de afgesproken tarieven jaarlijks geïndexeerd worden. Een eventuele kostenstijging door het afschaffen van de BPM zal dan vooral voor rekening komen van de opdrachtgever en niet de personen die gebruik maken van het zorgvervoer. Daarbij geldt dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn. De gemeente heeft dus de plicht zorgvervoer beschikbaar te blijven stellen voor degenen die dat nodig hebben. De gemeenteraden hebben de taak om te toetsen of deze zorgplicht voldoende wordt nagegaan.
Daarnaast is in het Besluit zorgverzekering2 opgenomen dat vervoerskosten voor verzekerden worden vergoed door de zorgverzekeraar, indien zij onder een van de genoemde categorieën (artikel 2.14 lid 1 Besluit zorgverzekering) vallen.
Bent u ook van mening dat voor mensen als hiervoor bedoeld stapeling van zorggerelateerde kosten voorkomen moet worden en taxivervoer als hier aan de orde dus zonder extra kosten mogelijk moet blijven? Zo ja, hoe gaat u dat garanderen? Zo nee, welk alternatief biedt u deze mensen c.q. op welke wijze gaat u hen compenseren?
Zie beantwoording vragen 2 en 3.
Integriteitsschendingen binnen het openbaar ministerie |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «OM deed zaken met familie procureur»?1 2
Klopt het dat het toenmalig lid van het college van procureurs-generaal (college van PG) met personeelsbeleid in zijn portefeuille – periode 2008 – 2014 – een contract heeft gesloten met de firma «Hireserve» uit Rotterdam waarbij de jongere zus van het betreffende lid van het college van PG sinds april 2009 project manager was? Zo ja, is hier naar uw oordeel sprake van belangenverstrengeling of de schijn van belangenverstrengeling?
Klopt het dat er «geen enkele bemoeienis» is geweest van het lid van het college van PG met de selectie van en contractering van de firma «Hireserve» uit Rotterdam? Zo nee, op welke manier was er bemoeienis van het lid van het college van PG in dit geval?
Klopt het dat de top van het openbaar ministerie (OM) bekend was met de familieband van het lid van het college van PG met de projectmanager bij de firma «Hireserve»? Was deze band ook bekend bij de toenmalige betrokkenen binnen het OM bij de selectie en contractering van de firma «Hireserve» in Rotterdam? Zo ja, op welke manieren?
Welke problemen zouden er in de bedrijfsvoering zijn ontstaan als het contract met de firma «Hireserve» in 2013 niet zou zijn verlengd? Wegen deze problemen inderdaad op tegen de toen geconstateerde «procedurele onrechtmatigheid» door de eigen controleafdeling van het OM? Wat was deze procedurele onrechtmatigheid?
Hoeveel geld is er in totaal betaald aan de firma Hireserve in Rotterdam?
Wordt de hier bevraagde vermeende belangenverstrengeling meegenomen in het onderzoek naar integriteitsschendingen binnen het OM door de speciale commissie van drie onafhankelijke strafrechtdeskundigen onder leiding van de voormalig PG bij de Hoge Raad?
Het bericht ‘Agentschap Telecom slaat alarm over hackbare apparaten’ |
|
Arne Weverling (VVD), Arno Rutte (VVD), Jan Middendorp (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Agentschap Telecom slaat alarm over hackbare apparaten»?1
Ja, dat bericht is bekend.
Kunt u zich vinden in de uitspraak van het Agentschap Telecom (AT) dat er haast gemaakt moet worden met een keurmerk voor veilige apparaten? Zo nee, waarom niet?
Het Agentschap Telecom (AT) houdt in de Staat van de Ether 20172 een pleidooi voor de snelle invoering in Europa van minimumeisen aan met internet verbonden apparatuur (IoT) via een CE-markering (of keurmerk). Ik deel dit pleidooi gezien de enorme groei van (onveilige) IoT-apparatuur. Vandaar dat ik deze oplossingsrichting ook noem in de Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software3. Omdat er niet één maatregel bestaat die de digitale veiligheid van IoT-apparatuur kan realiseren, bevat de roadmap een mix van maatregelen.
Eerder heeft u aangegeven dat u bezig bent met een keurmerk voor veilige apparaten, kunt u aangeven hoe dit proces vordert? Wanneer verwacht u een voorstel te kunnen doen?
Het CE-keurmerk waar het AT op doelt, is gebaseerd op de Radio Equipment Directive (RED). De RED schrijft eisen voor waar (radio)apparatuur aan moet voldoen om het Europese keurmerk CE te mogen dragen. AT is toezichthouder op de RED. De voorschriften gaan tot dusver over zaken als gebruiksveiligheid, het voorkomen van interferentie en storingsgevoeligheid. De RED biedt daarnaast de mogelijkheid om, na activering door de Europese Commissie, minimale eisen te stellen aan de digitale veiligheid van draadloze apparaten. Het kan daarmee dan ook dienen als keurmerk voor veilige «slimme» draadloze apparaten.
Met de Europese Commissie onderzoekt het kabinet hoe invulling te gegeven aan voornoemde mogelijkheid om het huidige CE-keurmerk van de RED uit te breiden met minimale eisen aan de digitale veiligheid van draadloze apparaten. Nederland heeft daartoe onlangs in Europa een voorstel gedaan. De Commissie heeft positief op dit voorstel gereageerd en overweegt om als eerste stap veiligheidseisen voor bepaalde productcategorieën versneld in te voeren. Dit is een belangrijke eerste stap. Daarbij is de Nederlandse inzet dat op de langere termijn alle met internet verbonden apparatuur moet voldoen aan minimale eisen ten aanzien van de digitale veiligheid (security by design).
Deelt u de mening van het AT dat het CE-keurmerk als voorbeeld zou kunnen dienen voor een keurmerk voor veilige «slimme» apparaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt in de ontwikkeling van het keurmerk voor veilige apparaten ook nagedacht over hoe voor consumenten zo zichtbaar en duidelijk mogelijk kan worden gemaakt welke «slimme» apparaten veilig zijn en welke niet, aangezien dit volgens het AT vaak niet zichtbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het CE-keurmerk op basis van de RED betekent dat alle apparaten die onder deze richtlijn vallen aan de minimumeisen moeten voldoen. Onveilige apparatuur die niet aan de minimum eisen voldoet, kan door de toezichthouder (het AT) van de markt worden verwijderd. Als de regelgeving van de RED wordt uitgebreid met veiligheidseisen voor digitale veiligheid, is het CE-keurmerk daarvoor ook geldend. De CE markering (in de vorm van een CE-logo) moet op ieder apparaat aangebracht zijn. AT houdt toezicht of dit ook terecht gebeurt.
Ziet u voldoende kansen voor telecommunicatie- en internetproviders om hun netwerk af te speuren naar onveilige apparaten? Zo nee, waarom niet?
Aanbieders van internettoegang kunnen vanuit hun beheerstaak van de internetverbinding een rol spelen bij het terugdringen van digitale kwetsbaarheden. In dialoog met aanbieders van internettoegang wordt bekeken hoe zij, analoog aan de succesvolle aanpak van botnets, een bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van onveilige apparaten.
Vindt u het wenselijk dat bedrijven zelf met een keurmerk zouden komen, zoals het AT suggereert? Zo nee, waarom niet?
Mijn voorkeur gaat uit naar een Europees keurmerk, zoals het eerdergenoemde CE-keurmerk met verplichte minimumeisen. Dit is het meest effectief en draagt bij aan de Digitale Interne Markt (het voorkomt versnippering en verstoring van het level playing field). Totdat zo’n keurmerk er is, kan de overheid geen toezicht houden om zo nodig producten van de markt te weren. De roadmap bevat mede daarom meerdere maatregelen om onveilige producten samen met bedrijven aan te pakken. Zoals standaardisering en certificering. Met de Cybersecurity Act wordt op Europees niveau gewerkt aan een raamwerk voor (vrijwillige) cybersecurity certificatie. Uw Kamer is onlangs, voorafgaand aan de Telecomraad van 8 juni, geïnformeerd over de Cybersecurity Act4. Dat raamwerk biedt bedrijven de mogelijkheid om Europese standaarden en certificaten te (helpen) ontwikkelen voor specifieke producten, processen of diensten. Bedrijven kunnen er vervolgens voor kiezen om hun product, proces of dienst vrijwillig te laten certificeren tegen de bij een certificaat behorende eisen.
Deelt u de mening dat het snel en actief invoeren van een keurmerk voor «slimme» apparaten nodig is om innovaties, ontwikkelingen en ondernemerschap te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Een keurmerk kan het maatschappelijk verantwoord innoveren stimuleren als het zo wordt ingericht dat apparaten digitaal veiliger worden en er ruimte blijft voor innovatie, het meenemen van ontwikkelingen en ondernemerschap.
Het terugsturen van vrouwen en kinderen naar IS-gebied |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Koerden sturen gevangen jihadbruiden terug naar IS»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de informatie van de Belgische veiligheidsdiensten die nu via de media naar buiten is gekomen?
De signalen over uitruil / terugsturen van vrouwen en kinderen naar IS gebied door de Syrische Koerden zijn via verschillende kanalen tot mij gekomen. Vooralsnog kunnen deze berichten niet bevestigd worden.
Is Nederland door de Belgische inlichtingendiensten op de hoogte gesteld van de bij hen bekende informatie? Zo ja, welke informatie is door hen verstrekt? Zo nee, bent u bereid contact op te nemen met uw Belgische collega?
Er is een hechte samenwerking tussen Europese inlichtingendiensten, waaronder de Belgische inlichtingendienst. Waar nodig wordt informatie over uitreizigers gedeeld. Ik kan niet ingaan op specifieke gevallen.
Is bij u bekend of ook Nederlandse vrouwen en kinderen zijn teruggestuurd naar IS-gebied? Zo ja, welke informatie heeft u daarover?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze Kamervragen in samenhang beantwoorden met eerder gestelde Kamervragen over het lot van de Nederlandse IS-kinderen?2
Op uw verzoek zijn deze Kamervragen gelijktijdig beantwoord.
Het bericht ‘Beroerde arbeidsomstandigheden in kraamzorg’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beroerde arbeidsomstandigheden in kraamzorg»?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusies zoals beschreven in de Monitor werkdruk in de kraamzorg 2018?
Op basis van het gepresenteerde onderzoek kan ik moeilijk beoordelen of de resultaten representatief zijn voor de gehele sector kraamzorg. Als dat zo is, dan zijn het in ieder geval belangrijke signalen waar de sector mee aan de slag moet.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is als kraamverzorgenden structureel overwerken, geen vakantiedagen kunnen opnemen en zich niet ziek mogen melden? Zo nee, waarom niet?
De geldende wet- en regelgeving omtrent arbeidsomstandigheden biedt werkgevers een helder kader waarbinnen zij moeten zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Ik verwacht van werkgevers dat zij zich in ieder geval aan de geldende wet- en regelgeving houden. Daar waar dat niet het geval is, is dat wat mij betreft onacceptabel.
Daarnaast ben ik van mening dat nu zeker het moment is voor goed werkgeverschap waar dit nog niet het geval is. Je moet als sector aantrekkelijk zijn voor (potentiële en huidige) medewerkers. Dat vraagt van sociale partners en de beroepsvereniging dat zij hun beste beentje voor zetten en ervoor zorgen dat huidige medewerkers graag in de sector blijven werken en de sector aantrekkelijk is en blijft voor potentiële nieuwe medewerkers.
Welke mogelijkheden ziet u om de werkdruk voor kraamverzorgenden terug te dringen?
De sector is hard bezig met het terugdringen van de werkdruk. Zo werkt de sector onder andere aan een monitor om een precies beeld te krijgen van de omvang van het probleem en de regionale spreiding, werkt de sector aan een betere strategische personeelsplanning en aan een Geboortezorg Academie. Acties die goed passen bij de ingezette actielijnen uit het Actieprogramma Werken in de Zorg. Ik heb de kraamzorg uitgenodigd om mee te denken en (vooral) mee te doen bij het actieprogramma Werken in de Zorg. Langs de actielijnen meer kiezen voor de zorg, beter opleiden voor de zorg en anders werken in de zorg werk ik daarin samen met partijen aan het terugdringen van het tekort naar nul of daar dichtbij.
Welke gegevens zijn bij u bekend over (te verwachte) tekorten aan kraamverzorgenden?
Er zijn geen gedetailleerde ramingen bekend over de (te verwachten) tekorten aan kraamverzorgenden. Ik ondersteun de brancheorganisatie Geboortezorg daarom bij het ontwikkelen van een instrument voor strategische personeelsplanning. Daarmee ontstaat zicht op de ontwikkelingen in de vraag naar personeel in de kraamzorg voor de komende vijf jaar, op basis van een aantal scenario’s.
Bent u bereid in contact te treden met werkgevers en werknemers over hoe urgente knelpunten kunnen worden opgelost en arbeidsomstandigheden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met de partijen in de kraamzorg afgesproken dat zij thema’s en knelpunten op het gebied van arbeidsmarkt en opleiden gezamenlijk oppakken in het sectoroverleg. Ik ondersteun de sector daarbij financieel met een subsidie aan de brancheorganisatie Geboortezorg voor onder andere het ontwikkelen van een instrument voor strategische personeelsplanning.
Matchfixing in het tennis |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Belgische politie arresteert leden goksyndicaat en tennissers wegens matchfixing»?1
Ja.
In hoeverre strekt deze zaak zich uit tot Nederlandse verdachten of andere betrokkenen?
In het artikel wordt melding gemaakt van een Belgisch strafrechtelijk onderzoek. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten contact te hebben met de Belgische autoriteiten. Ik kan verder niets zeggen over lopende buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 4.
Is er contact tussen de Nederlandse en de Belgische justitiële autoriteiten over deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is dit bericht voor de Kansspelautoriteit dan wel het openbaar ministerie aanleiding nader onderzoek te doen naar matchfixing in het tennis waarbij Nederlandse partijen betrokken zijn? Zo nee, waarom niet?
De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt enkel toezicht op de detectie en melding van verdachte weddenschappen. De Ksa kan naar aanleiding van meldingen navraag doen bij vergunninghouders en handhavend optreden richting vergunninghouders. Elk signaal wordt daarnaast – zoals gebruikelijk – onderzocht op mogelijke aanknopingspunten voor strafrechtelijk onderzoek door het OM. Het OM doet geen mededelingen over al dan niet lopende onderzoeken.
Onveilige telefoons van Samsung |
|
Mahir Alkaya |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Samsung geen beveiligingsupdates hoeft te leveren voor telefoons ouder dan twee jaar?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Ik ga hier nader op in bij de beantwoording van de overige vragen.
Bij welke producenten is dit probleem ook aanwezig en hoeveel burgers hebben in Nederland een toestel dat de noodzakelijke beveiligingsupdates mist of kan missen als gevolg van het willekeurige updatebeleid van Samsung of andere producenten?
Ik heb geen cijfers over bij welke telefoons dit een probleem zou zijn en hoeveel Nederlanders een dergelijke telefoon gebruiken. De Consumentenbond heeft onderzoek gedaan naar het verstrekken van updates door fabrikanten die gebruik maken van het Android besturingssysteem. Voor de resultaten verwijs ik naar de website van de Consumentenbond.2 Wel moet ik daarbij opmerken dat de Consumentenbond van een beperkt aantal modellen heeft bijgehouden of er updates worden verstrekt, daardoor is er geen volledig beeld. Het onderzoek schetst een goed beeld maar is helaas niet geschikt om algemene uitspraken te doen over hoeveel burgers worden geraakt door «willekeurig updatebeleid».
Deelt u de mening dat digitale veiligheid van een product een essentieel onderdeel is van de deugdelijkheid van elektronische producten als telefoons? Zo nee, waarom niet?
Eén van de belangrijkste onderdelen van het Nederlandse consumentenrecht is dat de consument het recht heeft op een deugdelijk product. Of een product deugdelijk is, hangt samen met wat de consument redelijkerwijs van het product mag verwachten en wordt mede bepaald aan de hand van de afspraken die de verkoper en consument hebben gemaakt. Per geval moet worden beoordeeld of een product deugdelijk is. Relevant zijn bijvoorbeeld welke reclame-uitingen de verkoper heeft gedaan en welke prijs voor het product is betaald. Bij de beantwoording van de vraag of een product deugdelijk is, kunnen alle omstandigheden worden meegenomen, ook de digitale veiligheid van een product.
Digitale veiligheid is echter geen zwart-wit situatie. Of er in een concreet geval sprake is van een ondeugdelijk product door gebrekkige digitale veiligheid, is afhankelijk van de concrete omstandigheden, zoals het soort product en het risico dat het gebrek met zich brengt. Ik kan daarom geen algemene uitspraken doen over wanneer een product ondeugdelijk is vanwege (gebrekkige) digitale veiligheid.
Deelt u de mening dat digitale veiligheid onder het conformiteitsbeginsel dient te vallen en daarmee onderdeel wordt van de garantie op een product?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat telefoons voor de levensduur van het toestel via updates moeten worden beveiligd door de producent van het toestel? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk om de digitale veiligheid van producten zoals telefoons te bevorderen. De ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Justitie en Veiligheid hebben daarom, mede op basis van inbreng van publieke en private partijen, de Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software opgesteld. Deze Roadmap bevat een samenhangende set van maatregelen om onveiligheden in hard- en software te voorkomen, kwetsbaarheden te detecteren, en om de gevolgen daarvan te beperken. Wetgeving maakt hier ook onderdeel van uit. Zo onderzoekt het kabinet welke minimale veiligheidseisen gesteld kunnen worden aan apparaten via de Europese Radio Equipment Directive. Daarnaast wordt met de Cybersecurity Act op Europees niveau gewerkt aan een raamwerk voor (vrijwillige) cybersecurity-certificatie. Omdat digitale veiligheid bij uitstek een grensoverschrijdend onderwerp is, vind ik het van belang om hierover op EU-niveau afspraken te maken.
In EU-verband wordt op dit moment ook onderhandeld over een richtlijnvoorstel «betreffende bepaalde aspecten met betrekking tot de contracten voor de levering van digitale inhoud» (films, muziek, software etc.). Het voorstel regelt de rechten voor de consument en de verkoper, zoals contractuele eisen aan de te leveren digitale inhoud en rechtsmiddelen voor de consument als de verkoper de overeenkomst niet nakomt. Het voorstel waar de lidstaten onderling overeenstemming over hebben bereikt, verplicht de verkoper – kort gezegd – om beveiligingsupdates te verstrekken. Deze verplichting geldt niet als de consument er uitdrukkelijk op is gewezen dat deze updates niet worden verstrekt en hij hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd. Een vermelding in de algemene voorwaarden, bijvoorbeeld, volstaat dus niet. De onderhandelingen tussen de Raad en het Europees parlement lopen nog.
Bent u bereid met wetgeving te komen die de eisen aan de digitale veiligheid van telefoons aanscherpt, zodat kopers van Samsungproducten verzekerd kunnen zijn van een deugdelijk product?
Zie antwoord vraag 5.
Het terugdringen van de klimaatimpact van de financiële sector |
|
Carla Dik-Faber (CU), Rob Jetten (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ambitie van de Volksbank om, voor wat betreft de volledige balans van de bank, klimaatneutraal te zijn in 2030?1
Ja.
Zijn er andere banken die eveneens concrete ambities hebben gepubliceerd om de door hen gefinancierde klimaatimpact voor de hele balans terug te dringen binnen een bepaald tijdsbestek?
Op 26 juni jl. hebben een groot aantal financiële partijen aangekondigd dat zij voor 2020 actief de klimaatimpact van alle meetbare financieringen en beleggingen gaan meten en hierover rapporteren via de PCAF-methodiek of alternatieve benaderingen. Met deze ambitie willen zij een bijdrage leveren aan de Nederlandse klimaatdoelstellingen. De deelnemende partijen zijn: ABN AMRO, ACTIAM, Aegon Nederland, ASN Bank, ASR, AXA IM Nederland, BNG Bank, DoubleDividend, FMO, ING, NNEK Vermogensopbouw, Rabobank, SET Ventures, Triodos Bank, de Volksbank.
Zijn er (naast de Volksbank) al andere banken, verzekeraars of pensioenfondsen in Nederland die zich publiekelijk hebben gecommitteerd om de in 2017 ontwikkelde meetmethode van het Platform for Carbon Accounting Financials (PCAF) te benutten om hun totale gefinancierde klimaatimpact te meten en te publiceren?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, mede in het kader van de nog niet uitgevoerde motie-Dik-Faber/Van Veldhoven (Kamerstuk 31 793, nr. 143), in het Klimaatberaad afspraken te maken met banken, verzekeraars en pensioenfondsen over hoe zij concreet bij gaan dragen aan de doelstelling van 1,5° Celcius zoals afgesproken in Parijs en op welke wijze Nederlandse financiële instellingen transparanter worden over de klimaatintensiteit van al hun leningen en investeringen? Zo nee, bent u in dat geval bereid om anderszins uitvoering te geven aan de genoemde motie door in 2018 concrete afspraken te maken met banken, verzekeraars en pensioenfondsen die inhouden dat zij transparanter worden over hun totale gefinancierde klimaatimpact en hoe zij deze klimaatimpact concreet verminderen in lijn met het Parijsakkoord? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de betrokkenheid bij en aansluiting van de financiële sector op de doelstellingen van het akkoord van Parijs. Daarom heb ik de sector uitgenodigd om actief deel te nemen aan de gesprekken over het Klimaatakkoord en is er een taakgroep Financiering. Deze taakgroep bestaat uit vertegenwoordigers van banken, verzekeraars, pensioenfondsen, investeerders en andere belanghebbenden uit de financiële sector. De opdracht van de taakgroep is om in samenwerking met de sectortafels concrete plannen te ontwikkelen om de energietransitie te faciliteren. Binnenkort informeer ik uw Kamer over de voortgang om te komen tot een Klimaatakkoord.