Het bericht dat de klimaatplannen van grote luchtvaartmaatschappijen falen, o.a. in relatie tot de recente aankoop van aandelen Air France-KLM |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Leading airlines failing to plan for long haul on climate, warns influential investor initiative»?1
Ja.
Wat is uw algemene reactie op dit onderzoek van het Transition Pathway Initiative van het Grantham Research Institute van de London School of Economics?
Het is interessant om vergelijkingen te zien tussen luchtvaartmaatschappijen, zowel wat betreft de mate waarin zij actief communiceren over hun CO2-uitstoot en -doelstellingen als hoe hun energie-efficiëntie zich onderling verhoudt.
Het onderzoek trekt algemene conclusies over de CO2-uitstoot van de internationale luchtvaart. Die zijn ook van toepassing op de internationale luchtvaart van en naar Nederland en op Air France-KLM. Daarnaast worden conclusies getrokken over specifieke luchtvaartmaatschappijen. Air France-KLM maakt daar geen onderdeel vanuit.
Zoals ik uw Kamer heb toegelicht in mijn brief over het klimaatbeleid voor de luchtvaart van 27 maart 2019 kan het reduceren van CO2-uitstoot door de luchtvaart via grofweg drie sporen: 1) duurzamer vliegen, 2) compenseren van uitstoot in andere sectoren en 3) alternatieven voor vliegen. Het onderzoek van het Transition Pathway Initiative richt zich uitsluitend op de effecten uit het eerste spoor. Daarnaast is het onderzoek gericht op relatieve CO2-uitstoot, per passagier kilometer. Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is vooral de absolute CO2-uitstoot (in grammen) relevant. Ik zie daarom geen reden om de onderzoekers om aanvullend onderzoek te vragen.
In hoeverre acht u de conclusies van het Grantham Research Institute toepasbaar voor de Nederlandse situatie, inclusief Air France-KLM?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de onderzoekers van het Grantham Research Institute te vragen om hun onderzoek uit te breiden naar de Nederlandse situatie, inclusief Air France-KLM? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de conclusie dat de luchtvaartsector in het algemeen een significante en snel groeiende bijdrage levert aan klimaatverandering? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat de langetermijndoelen van de onderzochte grote luchtvaartbedrijven niet voldoende zijn om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5°C en zelfs niet voldoende zijn om deze opwarming te beperken tot onder 2°C? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek concludeert vooral dat in openbare documenten van de meeste luchtvaartbedrijven onvoldoende staat over concrete klimaatdoelstellingen voor de lange termijn. De luchtvaartsector wordt echter door de overheid gereguleerd, primair vanuit de VN-organisatie voor burgerluchtvaart (ICAO). De algemene boodschap van de onderzoekers is dat scherpere doelstellingen nodig zijn. Zoals ik uw Kamer reeds schreef in mijn brief over het klimaatbeleid voor luchtvaart van 27 maart 2019 zet Nederland zich samen met andere Europese landen in voor afspraken binnen ICAO over een hogere ambitie en over de effectieve inzet van maatregelen, ook op de lange termijn.
Onderschrijft u de conclusie dat veel reductiestrategieën in de luchtvaartsector gebaseerd zijn op koolstofcompensatie, terwijl het onduidelijk blijft hoe de luchtvaartmaatschappijen hun daadwerkelijke uitstoot gaan reduceren? Zo nee, waarom niet?
Voor het behalen van de temperatuurdoelstelling van Parijs zal de CO2-uitstoot van de internationale luchtvaart in absolute zin omlaag moeten. Zonder op marktwerking gebaseerde systemen – zoals het EU emissiehandelssysteem (ETS) en het mondiale CO2 compensatie- en reductiesysteem (CORSIA) – kan de luchtvaartsector met de thans beschikbare middelen en technologie de komende jaren de klimaatdoelstellingen niet realiseren. De mondiale luchtvaartsector verwacht vanaf 2035 voor het behalen van reductiedoelstellingen zonder het instrument van CO2 compensatie (CORSIA) te kunnen. Of dit daadwerkelijk het geval is, zal blijken uit tussentijdse evaluaties.
Compensatie van CO2-uitstoot door de internationale luchtvaart in andere sectoren is onderdeel van de reductiestrategie die landen wereldwijd zijn overeengekomen in ICAO. Belangrijk uitgangspunt voor Nederland is dat deze compensatie leidt tot additionele CO2-reductie in sectoren en landen bovenop bestaande maatregelen in het kader van Parijs. Daarnaast wordt beleid gevoerd om ook de uitstoot binnen de sector zelf te reduceren. Bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de prestaties van nieuwe vliegtuigen en de toepassing van duurzame hernieuwbare brandstoffen. Om op termijn reductiedoelstellingen te realiseren zonder compensatie van CO2-uitstoot zijn duurzame innovaties nodig. Hierbij kunt u denken aan synthetische kerosine en hybride/elektrisch vliegen.
Onderschrijft u de conclusie dat de luchtvaartsector in het algemeen zijn uitstoot significant zal moeten inkrimpen om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C? Zo nee, welke sectoren gaan in uw ogen de naar verwachting toenemende CO2-uitstoot van de luchtvaartsector opvangen?
Zie antwoord vraag 7.
Erkent u dat een krimp van het aantal vluchten een gunstig effect zal hebben op het inkrimpen van de uitstoot van de luchtvaartsector? Zo nee, waarom niet?
Als mondiaal minder gevlogen wordt, stoot de internationale luchtvaartsector minder CO2 uit. Als alleen van en naar Nederland minder gevlogen wordt is het effect minder duidelijk als gevolg van onder andere uitwijkgedrag en emissies door andere modaliteiten. Als alleen Nederland de CO2-uitstoot terug dringt, heeft dat op mondiale schaal nauwelijks effect. Daarom pleit ik voor een internationale aanpak, zoals beschreven in mijn brief over het klimaatbeleid voor luchtvaart van 27 maart 2019.
Onderschrijft u de conclusie dat er in het algemeen meer transparantie nodig is over de wijze waarop luchtvaartmaatschappijen omgaan met hun koolstofcompensatie en reductieprogramma’s? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht aan een goed inzicht in de CO2-uitstoot van de internationale luchtvaart en in de effectiviteit van het klimaatbeleid voor de luchtvaart. Onder het EU ETS voor de luchtvaart, en sinds dit jaar ook in het kader van CORSIA, monitoren luchtvaartmaatschappijen hun CO2-uitstoot. Hierover rapporteren ze aan de bevoegde overheidsinstanties in hun land middels rapportages die door een externe partij zijn geverifieerd. In Nederland is die bevoegde instantie de Nederlandse Emissieautoriteit. Voor de wijze van monitoren, rapporteren en verifiëren bestaan EU voorschriften (voor het EU ETS) en ICAO voorschriften (voor CORSIA). Op deze wijze wordt op zowel EU- als ICAO-niveau transparantie en inzicht geboden over de emissies. Ik hecht er ook belang aan dat in de verdere ontwikkeling van compensatieprogramma’s, zoals CORSIA, het inzicht in de wijze waarop maatschappijen hun emissies compenseren wordt vergroot.
Onderschrijft u de conclusie dat luchtvaartmaatschappijen in het algemeen niet mogen wegkijken van de extra impact van uitstoot op grote hoogte? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief over het klimaatbeleid voor luchtvaart van 27 maart 2019 is CO2 niet het enige broeikasgas dat vrijkomt bij verbranding van kerosine. Naast waterdamp zijn ook de concentraties van stikstof en fijnstof van invloed op het klimaat, bijvoorbeeld door het veroorzaken van vliegtuigstrepen en het beïnvloeden van al aanwezige bewolking. Over de bijdrage aan klimaatverandering van de niet-CO2 emissies op grote vlieghoogte bestaat nog veel onzekerheid ondanks langdurig wetenschappelijk onderzoek. Op dit moment wordt op internationaal niveau vanwege de grote onzekerheid niet gewerkt met zogenaamde «CO2-equivalenten» voor luchtvaart. Ik acht het wenselijk dat op termijn andere klimaatemissies expliciet kunnen worden meegewogen in het klimaatbeleid voor luchtvaart. Hiertoe zal echter eerst (internationaal) meer kennis moeten worden opgebouwd.
Onderschrijft u de conclusie dat de extra impact van uitstoot op grote hoogte nadrukkelijker moet worden meegenomen in statistieken en rekenmodellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw inzet om dit te bevorderen?
Zie antwoord vraag 11.
Erkent u dat de uitkomsten van dit onderzoek het aandeelhouderschap in Air France-KLM, een luchtvaartmaatschappij die vooralsnog gericht is op groei en dus groei van de CO2-uitstoot (ondanks de gerealiseerde en voorgenomen maatregelen ter beperking ervan), niet te verenigen is met een klimaatbeleid dat gericht is op beperking van de CO2-uitstoot? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft mijn reactie op het onderzoek, verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4. De aandelen in de holding Air France-KLM veranderen niets aan mijn inspanningen om de luchtvaartsector te verduurzamen. Aan de Duurzame Luchtvaarttafel werkt mijn ministerie samen met sectorpartijen,
kennisinstellingen, brancheorganisaties en maatschappelijke organisaties aan een verdergaande CO2-reductie.
Zijn de uitkomsten van dit onderzoek voor u aanleiding om het begrip «publiek belang», dat bij de aankoop van aandelen Air France-KLM vooral als economisch belang werd gezien, anders te gaan definiëren, namelijk in termen van de klimaatopgave? Zo nee waarom niet?
Zoals gemeld in de beantwoording van de schriftelijke vragen inzake de aankoop van aandelen Air France-KLM van 4 maart jl. is de doelstelling van het aanschaffen van dit aandelenbelang het borgen van het Nederlandse publieke belang dat samenhangt met het bestemmingennetwerk op Schiphol en het vestigingsklimaat. Klimaatopgaven hebben geen directe rol gespeeld. De aandelenpositie in Air France-KLM doet niets af aan de inspanningen van het kabinet om de luchtvaart te verduurzamen en zowel nationaal (o.a. de Duurzame Luchtvaarttafel) en internationaal (EU, ICAO) zet het kabinet zich in voor de publieke belangen inzake duurzaamheid en klimaat gerelateerd aan de luchtvaart. In het debat over de aandelenaankoop van 5 maart jl. is erop gewezen dat een brede afweging over de ontwikkeling van de luchtvaart, inclusief het klimaat zal worden gemaakt in de komende Luchtvaartnota. Ook zal daarbij aan de orde komen welke instrumenten daarvoor worden ingezet.
Hoe gaat u uw rol als actieve aandeelhouder van een vervuilend luchtvaartbedrijf inzetten om het publieke belang van een leefbare aarde te realiseren, inclusief het beperken van de opwarming van de aarde tot maximaal 1,5°C en het stoppen van de zesde uitstervingsgolf?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe gaat u uw rol als actieve aandeelhouder van een vervuilend luchtvaartbedrijf inzetten om dit bedrijf voor te bereiden op het scenario waarin de luchtvaartsector te maken krijgt met een sterke krimp van het aantal vluchten?
Zie antwoord vraag 14.
Erkent u dat de aankoop van aandelen Air France-KLM, een investering in een luchtvaartbedrijf wiens verdienmodel gebaat is bij het steeds meer (netto) verbranden van fossiele brandstoffen, onverantwoord is in het licht van de klimaatcrisis? Zo nee, waaruit blijkt dat het doel om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C dichterbij gekomen is door de aankoop van deze aandelen?
Zie antwoord vraag 13.
Het vergoeden van schade na fouten door het Openbaar Ministerie |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over de Berkelse ondernemer die schade heeft geleden als gevolg van nalatig handelen van het openbaar ministerie (OM), die destijds niet inhoudelijk beantwoord werden?1
Ja.
Is het waar het dat er destijds door het OM fouten zijn gemaakt, dat de inbeslaggenomen apparatuur, software en administratie door een omissie bij het OM verloren zijn gegaan en dat dit ook is toegegeven en schriftelijk is bevestigd door het OM? Zo nee, hoe zit dit dan wel?2
Nu de zaak waar u naar vraagt nog aanhangig is bij het gerechtshof Den Haag, past een terughoudende beantwoording van uw vragen. Ik volsta er daarom mee om te verwijzen naar de uitspraak in deze zaak van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2018, waarin de vorderingen van de eisende partij zijn afgewezen.3 De rechtbank heeft toen onder meer geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat de apparatuur, software en (volledige) administratie van deze ondernemer in beslag waren genomen. De stelling dat (meermalen) zou zijn erkend dat de administratie was kwijtgeraakt, heeft de rechtbank verworpen.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat deze ondernemer en zijn gezin nu alles kwijt zijn, ook hun woning, en diep in de schulden zitten? Wat is tot nu toe ondernomen om de ontstane schade als gevolg van deze omissie te vergoeden? Waarom wordt vooralsnog niet tot schadevergoeding overgegaan?
Uiteraard acht ik het schrijnend wanneer mensen in de schulden zitten, zeker wanneer dit het gevolg is van strafbaar handelen van anderen. Uitgangspunt bij het vergoeden van schade die burgers hebben geleden als gevolg van strafbaar handelen van derden, is dat vergoeding plaats dient te vinden door de veroorzaker(s) van die schade. Wil er een grondslag zijn voor schadevergoeding door de Staat, dan moet de schade in kwestie door de Staat zijn veroorzaakt.
In dit geval is over de aanspraak op schadevergoeding een procedure gevoerd bij de rechtbank, die vooralsnog heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van 2 mei 2018 en waarin niet is gebleken dat er sprake is van schade die is veroorzaakt door de Staat.
Wat is uw reactie op het feit dat iemand die geen cent te makken heeft het griffierecht niet kan betalen en dat daardoor de procedure niet door dreigde te gaan, waardoor iemand zijn recht niet kan halen?
Als Minister kan ik geen oordeel geven over een specifieke zaak; een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de rechter. In vrijwel alle (civiele) dagvaardingszaken moet griffierecht worden betaald door zowel de eisende partij als door de gedaagde partij voor aanvang van de zitting (artikel 3 lid 1 en lid 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)). Voor on- en minvermogende natuurlijke personen wordt een verlaagd griffierecht gehanteerd.
In een dagvaardingsprocedure dienen de griffierechten door eiser binnen vier weken na uitroeping van de zaak en door gedaagde binnen vier weken na verschijning te worden betaald (artikel 3 lid 3 Wgbz). Een zaak wordt aangehouden zolang één van de partijen de griffierechten nog niet heeft betaald en de termijnen nog lopen.
Als door de eiser niet of niet tijdig de griffierechten zijn betaald, ontslaat de rechter de gedaagde van instantie met veroordeling van eiser in de kosten. De rechter gaat hier pas toe over nadat hij de eiser in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht. Wanneer gedaagde het griffierecht niet heeft betaald, wordt tegen hem verstek verleend en wijst de rechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Gedaagde kan, zolang geen eindvonnis is gewezen, zijn verstek zuiveren door alsnog het griffierecht te betalen (art. 142 Rv). Is er eindvonnis gewezen dan kan de bij verstek veroordeelde gedaagde nog verzet instellen.
Is nu niet juist voor dit soort gevallen de hardheidsclausule voor het niet kunnen betalen van het griffierecht bedoeld? Staat de hardheidsclausule volgens u duidelijk genoeg in de wet om bijvoorbeeld in dit soort gevallen uitkomst te kunnen bieden? Zo nee, wat is daarvoor nodig?
De rechter kan de gevolgen van het niet tijdig betalen van het griffierecht, geheel of ten dele buiten toepassing laten wanneer hij van oordeel is dat die gevolgen, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (art. 127a lid 3, art. 128 lid 7, art. 282a lid 3, art. 409a lid 3 en art. 427b Rv). In de memorie van toelichting wordt dit aangeduid als de hardheidsclausule.
Een hardheidsclausule is uit de aard van de zaak niet concreet aangezien het antwoord op de vraag of en hoe de hardheidsclausule moet worden toegepast sterk afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van een zaak. Er kan zich een veelvoud van situaties in combinatie met bijzondere omstandigheden voordoen die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Deze concrete casus geeft mij geen aanleiding om te veronderstellen, dat de hardheidsclausule onvoldoende duidelijk is.
Het oordeel of in dit specifieke geval de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast is aan de rechter.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een door Nederland uitgezette asielzoeker uit Bahrein zonder eerlijk proces is veroordeeld tot levenslang |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitgezette Bahreini zonder eerlijk proces veroordeeld tot levenslang»?1
Ja.
Houdt u, ook nu Ali Mohammed al-Showaikh zonder eerlijk proces lijkt te zijn veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, vast aan uw eerdere standpunt dat u over zijn zaak niets kunt melden in verband met zijn privacy?2 Zo ja, kunt u motiveren in welke mate het respecteren van zijn privacy voor al-Showaikh meerwaarde heeft gedurende zijn verblijf in een Bahreinse cel?
Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, ben ik niet vrij individuele feiten en omstandigheden uit een asieldossier in de openbaarheid te brengen. In elke asielprocedure wordt de vertrouwelijkheid van hetgeen door de asielzoeker in de asielprocedure naar voren wordt gebracht ook benadrukt. De in de vraag genoemde veroordeling maakt dat niet anders.
Ook meer algemeen ben ik van mening dat terughoudendheid op zijn plaats is waar het gaat om het door de overheid naar buiten brengen van feiten en/of oordelen over individuele dossier. Tegelijk hecht ik sterk aan een goede parlementaire controle en het periodiek afleggen van verantwoording door bewindspersonen en overheidsorganen. Ik ben mij bewust van de spanning die tussen beide uitgangspunten lijkt te kunnen ontstaan. In het interpellatiedebat zet ik graag de relevante beleidskaders en de wijze van toetsing door de IND en onafhankelijke rechtspraak uiteen om op die manier met uw Kamer het gesprek te kunnen voeren.
Kan, nu vast staat dat Ali Mohammed al-Showaikh na zijn uitzetting uit Nederland bij aankomst in Bahrein direct gevangen is gezet en mishandeld en vervolgens op basis van een vaag geformuleerde terrorismebepaling wordt veroordeeld tot levenslang, worden gesteld dat de uitzetting in strijd was met het beginsel van non-refoulement? Zo nee, waarom niet?
De gevangenzetting en veroordeling van de heer Al-Showaikh geven zeker aanleiding tot zorg. Er kan echter niet gesteld worden dat daarmee ook vaststaat dat de in Nederland gevoerde asielprocedure gebrekkig is geweest en dat de uitzetting in strijd was met het beginsel van non-refoulement. Die conclusie gaat er vanuit dat de behandeling bij terugkeer voorzien was en desalniettemin toch de toelatingsaanvraag is afgewezen. De IND en de rechter hadden geen reden dit te voorzien. Ik meen dat op basis van de beschikbare informatie destijds in redelijkheid kon worden geoordeeld dat niet aannemelijk was gemaakt dat de heer Al-Showaikh bij terugkeer te vrezen had voor vervolging.
Hoe beoordeelt u het feit dat de broer van Al-Showaikh met een vergelijkbaar verzoek tot bescherming wel asiel heeft gekregen in Duitsland? Bent u van mening dat binnen de EU de erkenning van asielmotieven voldoende wordt afgestemd? Zo nee, bent u voornemens om initiatief te nemen tot meer harmonisatie binnen de EU?
Deze vraag lijkt als aanname te hanteren dat aan beide aanvragen (ongeveer) eenzelfde asielrelaas ten grondslag heeft gelegen. Zonder het volledige dossier van de broer van betrokkene te kennen en zonder inhoudelijk in te gaan op de betreffende relazen, kan ik in algemene zin zeggen dat van twee gelijke asielrelazen zelden tot nooit sprake zal zijn.
Dat neemt niet weg dat in meer algemene zin Nederland meent dat verdere harmonisatie van de verschillende asielsystemen binnen de EU mogelijk en gewenst is. Al meerdere Nederlandse kabinetten hebben zich hier voor ingezet.
Nederland heeft ook een voortrekkersrol binnen de harmonisatie van het asielgebonden landenbeleid en neemt actief deel aan de diverse projecten die het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) daarvoor heeft opgezet.
Hoe waardevol dit alles ook is, een asielaanvraag zal steeds een individuele afweging vergen. Slechts zelden zullen gevallen werkelijk in alle opzichten gelijk zijn.
Bent u bereid om diplomatiek contact op te nemen met de Bahreinse autoriteiten over het oppakken en veroordelen van Al-Showaikh? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wat onderneemt u om Al-Showaikh bij te staan en zijn vrijlating te bespoedigen?
De heer Al-Showaikh is geen Nederlands staatsburger en komt dus niet in aanmerking voor consulaire bijstand. Nederland heeft geen ambassade in Bahrein. De Nederlandse ambassade te Koeweit, die mede geaccrediteerd is voor Bahrein, volgt het verloop van de beroepsprocedure en is voornemens waar mogelijk de behandeling van het beroep bij te wonen. Nederland heeft de zorgen over deze zaak verschillende keren overgebracht aan de Bahreinse autoriteiten.
Welke conclusies trekt u uit wat Al-Showaikh is overkomen, voor toekomstige uitzettingen naar Bahrein?
Het is in het verleden een enkele keer eerder gebeurd dat kort na een uitzetting er berichten waren dat een uitgezette afgewezen asielzoeker werd vastgezet of (anderszins) behandeld werd in strijd met de mensenrechten. Een relatief kortdurende detentie aan de grens om de identiteit en achtergrond van een persoon vast te stellen zonder dat sprake van onmenselijke behandeling reken ik niet tot zo een gebeurtenis.
Het is daarbij niet altijd mogelijk geweest de juistheid van die berichten vast te stellen. Daarnaast is het ook niet altijd mogelijk gebleken de causaliteit vast te stellen van hetgeen naar voren is gebracht in de doorlopen asielprocedure en de gebeurtenissen na terugkeer.
Het is immers mogelijk dat bij terugkeer een persoon wordt vastgezet om andere redenen dan de redenen die de persoon naar voren heeft gebracht in de asielprocedure. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een persoon wordt gezocht vanwege commune delicten, maar die persoon andere (onvoldoende geloofwaardige) gronden heeft ingebracht bij het asielverzoek. Een afwijzing van het asielverzoek kan dan terecht zijn, maar in dat voorbeeld zou gevangenzetting bij terugkeer toch dreigen. Met dit voorbeeld wil ik niet speculeren over casuïstiek uit het verleden en zeker ook niet over de casus die aanleiding vormt voor deze vragenset. Ik wil enkel duidelijk maken dat de causaliteit tussen een asielbeoordeling en behandeling bij terugkeer niet rechtlijnig hoeft te zijn en lastig te beoordelen is.
Dat neemt niet weg dat alle nieuwe feiten en omstandigheden die bekend worden over de veiligheids- en mensenrechtensituatie in herkomstlanden worden meegewogen bij de beoordeling van lopende en nieuwe asielverzoeken. Of gevangenzetting na terugkeer zo een nieuw feit is, moet echter per geval worden bezien.
Komt het vaker voor dat afgewezen en uit Nederland terug gestuurde asielzoekers bij terugkeer gevangen worden gezet? Als dat zo is, wordt daar dan bij nieuwe beslissingen op asielverzoeken rekening mee gehouden?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat sommige gemeenten liever geen geld uitgeven aan verkiezingsborden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten hebben besloten minder verkiezingsborden te plaatsen voor de aankomende verkiezingen?1
Ik heb geen overzicht van gemeenten die hebben besloten minder verkiezingsborden te plaatsen voor de aankomende verkiezingen.
Bent u het ermee eens dat het essentieel is voor de werking van onze democratie dat mensen gaan stemmen voor verkiezingen en dat opkomstbevorderende maatregelen daarom belangrijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het belang van de democratie zou het goed zijn als zoveel mogelijk kiezers hun stemrecht gebruiken. Opkomstbevorderende maatregelen als het plaatsen van verkiezingsborden hebben dan ook mijn steun.
Bent u het ermee eens dat in dit licht het bijzonder onwenselijk is dat gemeenten ervoor kiezen minder verkiezingsborden te plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het wenselijk dat gemeenten, door het plaatsen van verkiezingsborden, politieke partijen een mogelijkheid bieden om hun deelname aan de verkiezingen onder de aandacht van kiezers te brengen. Weliswaar is het plaatsen van verkiezingsborden niet wettelijk voorgeschreven, maar in het algemeen deel van het gemeentefonds is een voorziening opgenomen voor de bekostiging van het organiseren van verkiezingen, en die is ook bedoeld voor het plaatsen van verkiezingsborden. Het plaatsen van verkiezingsborden is echter een autonome bevoegdheid van de gemeente. Het is dus in laatste instantie aan de raad om te beslissen of er al dan geen verkiezingsborden worden geplaatst, en zo ja, hoeveel.
Bent u bereid de gemeenten op de hoogte te stellen dat dit een onwenselijke situatie is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb bij circulaire van 11 december jl., gericht aan het college van burgemeester en wethouders van alle gemeenten, aandacht gevraagd voor het plaatsen van verkiezingsborden. Ik heb de colleges geschreven dat ik ervan uitga dat zij tijdig verkiezingsborden plaatsen. Ik heb hen erop gewezen dat de voorziening in het gemeentefonds voor het organiseren van verkiezingen ook is bedoeld voor het plaatsen van deze borden, en dat de borden voor veel politieke partijen een belangrijk middel zijn om hun deelname aan de verkiezingen onder de aandacht van de kiezers te brengen. In de aanloop naar de Europees Parlementsverkiezing van 23 mei a.s. zal ik de colleges hier opnieuw op wijzen.
Bent u bereid het geld te oormerken dat vanuit het gemeentefonds beschikbaar is voor de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
De uitkering uit het gemeentefonds komt ten gunste van de algemene middelen van de gemeente (art. 6 van de Financiële verhoudingswet). De besteding daarvan is aan gemeenten en de middelen kunnen niet geoormerkt worden.
Kunt u deze vragen voor maandag 11 maart 2019 beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Een ziekenhuis in Amsterdam dat statushouders wil inzetten bij de verpleging |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het formulier waarmee een recruitmentbureau statushouders zoekt voor een Amsterdams ziekenhuis?1
Ziekenhuizen maken zelfstandig de keuze voor de wijze waarop zij nieuw personeel werven. Met het huidige tekort aan zorgmedewerkers ligt er een grote opgave voor de werkgevers in de zorgsector om voldoende nieuwe mensen aan te trekken en het huidig personeel te behouden. Met het actieprogramma «Werken in de zorg» zet ik hier – samen met de Minister en de Staatssecretaris van VWS – breed op in. Daarbij hebben wij ook oog voor de waardevolle bijdrage die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kunnen leveren in de zorg. Om die reden worden ook acties ondernomen om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in te laten stromen op banen in de zorg. Het gaat hier bijvoorbeeld om leerlingen van het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, mensen met een uitkering, en ook personen met een niet-westerse migratieachtergrond waaronder statushouders. Mensen die in de regel niet zondermeer in beeld zijn bij werkgevers maar over voldoende talenten bezitten die in de zorg goed inzetbaar zijn.
Vindt u het de taak van een ziekenhuis om statushouders op te leiden?
Het is de taak van een ziekenhuis om nu en in de toekomst voldoende en goed opgeleid personeel in dienst te hebben om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen. In deze tijd van arbeidsmarktkrapte is het begrijpelijk en ook heel goed dat ziekenhuizen breder kijken en zich ook richten op het aantrekken van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en hen passende training aanbieden wanneer die bijdraagt aan de inzetbaarheid van mensen.
Hoeveel extra geld gaat er naar de taallessen, taalstages en begeleiding van deze statushouders en wie betaalt dat?
De potentiële werknemer is zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen om het beroep te mogen uitoefenen. Voor deze specifieke functie wordt gevraagd naar de beheersing van Nederlands het niveau B1 of hoger. Dit staat gelijk aan de taaleis voor een BIG-registratie volgens het Gemeenschappelijk Europees Opleidingskader voor verpleegkundigen.
Voor een BIG-registratie moet de statushouder de procedure volgen bij het BIG-register die alle migrerende beroepsbeoefenaars moeten doorlopen.2 De kosten die hiervoor gemaakt moeten worden zijn voor de statushouder. VWS heeft geen zicht op eventuele afspraken die werknemers en werkgevers hierover met elkaar maken.
Komen Nederlandse kandidaten ook in aanmerking voor een proefplaatsing met behoud van uitkering? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie verder antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat gewone Nederlanders niet mogen worden gediscrimineerd ten opzichte van nieuwkomers voor opleidingsplaatsen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil extra benadrukken dat iedereen met de juiste competenties meer dan welkom is om in de zorg te komen werken. Zo zet ik, samen met de Minister en de Staatssecretaris van VWS, met het actieprogramma ook in op meer herintreders en zij-instromers door het project «Sterk in je werk» en bied ik met SectorplanPlus ook ondersteuning voor scholingsactiviteiten gericht op nieuwe medewerkers in de zorg.
In de huidige arbeidsmarkt in de zorg is elke op zijn taak berekende extra zorgverlener meer dan welkom. Of dit nu een statushouder betreft of iemand met een Nederlands paspoort is niet relevant. Van een voorrangsregeling is dan ook geen sprake. Wel vraagt dit soms om gericht initiatief, want bepaalde groepen zijn niet altijd automatisch in beeld bij de werkgevers of vragen net wat meer ondersteuning. Ik breng dit bij werkgevers onder de aandacht. De krappe arbeidsmarkt biedt kansen voor iedereen in Nederland die momenteel aan de kant staat. Deze kansen onbenut laten zou maatschappelijk ongewenst zijn.
Wanneer gaat u een einde maken aan de voorrangsregelingen voor statushouders?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat een uitgezette asielzoeker in Bahrein levenslang kreeg |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Uitgezette asielzoeker kreeg levenslang in Bahrein»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de mensenrechtensituatie in Bahrein sedert enkele jaren verslechterd is, zoals onder andere ook uit rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch blijkt? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor het asielbeleid ten aanzien van asielzoekers uit Bahrein? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zoals ik uw Kamer op 22 januari 2019 op de vragen van de leden Jasper van Dijk en Karabulut (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 1269) heb geantwoord geldt voor Bahrein dat uit verschillende bronnen blijkt dat de mensenrechtensituatie in de laatste jaren verslechterd is. Dit geldt met name voor kritische geluiden vanuit de oppositie op het bewind, mensenrechtenactivisten en journalisten en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering.
Deze ontwikkelingen worden door de IND betrokken bij de beoordeling van een individueel asielverzoek. Wanneer een asielzoeker aannemelijk maakt dat, gelet op zijn of haar individuele verhaal, tegen de achtergrond van de algemene situatie in Bahrein een gegronde vrees voor vervolging bestaat of bij terugkeer een reëel risico bestaat op een vernederende of onmenselijke behandeling dan wordt asiel verleend
Deelt u de mening dat indien een asielzoeker uit een land komt met een slechte mensenrechtensituatie en er een gerede kans is dat hij gemarteld wordt en geen eerlijk proces krijgt, uitzetting van zo’n asielzoeker niet aan de orde mag zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit vormt zelfs de basis van het asielsysteem. Wanneer de IND op grond van een asielrelaas, tegen de achtergrond van hetgeen bekend is over een herkomstland, oordeelt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer, wordt een verblijfsvergunning asiel verleend. Uitzetting is dan niet aan de orde. Slechts bij een zeer beperkt aantal herkomstlanden wordt bij voorbaat, dus onafhankelijk van het individueel relaas, zo een reëel risico aangenomen. Dit is thans bijvoorbeeld het geval voor Jemen.
Is deze concrete zaak voor u aanleiding om het beleid ten aanzien van asielzoekers uit Bahrein aan te passen en op grond van het principe van non-refoulement geen asielzoekers die in Bahrein gevaar lopen meer uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2.
Had u met de kennis van nu over de levenslange veroordeling en de berichten van marteling en een oneerlijk proces in dit concrete geval gebruik gemaakt van uw discretionaire bevoegdheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 wordt, in die gevallen waarin de IND oordeelt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer, een verblijfsvergunning asiel verleend. Dit betekent dat gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid dan niet aan de orde is. De wetgever heeft ook uitdrukkelijk bepaald dat de discretionaire bevoegdheid niet is bedoeld voor situaties waarin sprake is van recht op asielbescherming, want dan is er immers een ander wettelijk kader (gebaseerd op internationale verplichtingen) waarlangs de aanvraag wordt beoordeeld.
Het bericht ‘OM Eist 45 maanden cel tegen corrupte aspirant-agent ‘ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «OM Eist 45 maanden cel tegen corrupte aspirant-agent»?1
Ja.
Kunt u uitleggen tot welke informatie aspirant-agenten toegang hebben? Verschilt dit per eenheid of is de informatietoegankelijkheid voor (aspirant-) agenten gestandaardiseerd?
Politiemedewerkers en dus ook aspiranten worden pas geautoriseerd voor politiesystemen wanneer de screening is afgerond. Deze screening betreft het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek bij de aanstelling. Op 21 maart 2019 heb ik uw Kamer een wetsvoorstel aangeboden in verband met het verruimen van dit onderzoek. Aspirant-agenten voeren tijdens hun opleiding ook politietaken uit en hebben daarvoor toegang tot de informatie die zij op basis van hun rol nodig hebben. Het gaat daarbij om gebiedsgebonden politiezorg (GGP).
Het autorisatiebeleid is een aantal jaren geleden vernieuwd en geldt voor de gehele politieorganisatie. Met dit autorisatiebeleid is gekozen voor role based access, een systeem waarbij medewerkers bij het aanloggen op basis van hun functie en rollen toegang krijgen tot applicaties en gegevens. Door een koppeling met het personeelssysteem kan gezorgd worden dat de autorisaties op basis van profielen (rollen) ieder moment worden toebedeeld op basis van de meest actuele informatie. Deze functionaliteit zal ook bij ieder nieuw politie-informatiesysteem van toepassing zijn. Ook hanteert de politie sinds januari 2016 het vierogen-principe, waarbij de aanvraag voor een autorisatie boven een bepaald niveau door een extra leidinggevende wordt getoetst.
Naast deze technische voorzieningen heeft de politie ook allerlei sociale voorzieningen getroffen op het gebied van integriteit en opleiding. Het blijft belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden, bijvoorbeeld door bewustwordingsmaatregelen. De afdeling VIK heeft een Toolkit Preventie geïntroduceerd met daarin verschillende middelen die helpen bij het met elkaar praten over, en leren van, dilemma’s, integriteitsrisico’s en best practices in het dagelijks werk. In januari 2019 heb ik de Kamer een brief gestuurd over deze activiteiten van de afdeling VIK.2 Daarnaast gaan teamchefs en Operationeel Experts naar een leiderschapstraining en heeft de politie de theatervoorstelling «Rauw» ontwikkeld. De voorstelling is een belangrijk element in de bewustwordingscampagne hoe om te gaan met onder meer politie-informatie
Hoe kan het dat een aspirant-agent toegang had tot vertrouwelijke informatie uit lopende opsporingsonderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt gemonitord wie, wanneer, welke informatie uit lopende opsporingsonderzoeken bekijkt? Wordt dat überhaupt gemonitord? Verschilt dat per politie-informatiesysteem?
Van het gebruik van systemen worden log-files bijgehouden, dit gebeurt veelal in afzonderlijke systemen. Zo kan achteraf worden bekeken wie toegang heeft gehad tot welke informatie. Als daar aanleiding voor is kan in opdracht van het bevoegde gezag binnen de politie, de betreffende logging door een interne afdeling (Veiligheid Integriteit en Klachten, VIK) nader worden bekeken. De politie voegt de afzonderlijke logging-systemen samen in één nieuw systeem waarmee centraal kan worden bijgehouden wie welke informatie heeft geraadpleegd. De interne auditafdeling monitort of het logging-systeem aanwezig is en functioneert.
Binnen één politie-eenheid vindt een pilot plaats om atypisch gebruik van informatie te detecteren en zo mogelijk ongeoorloofd raadplegen van informatie te signaleren. Daarover heb ik u in november 2018 geïnformeerd in het halfjaarbericht Politie.3 De pilot richt zich op de ontwikkeling van het logging-model en de governance daaromtrent, evenals op proactiever signaleren. Afwijkend gedrag van gebruikersaccounts kan zo vroegtijdig worden opgepikt.
Proactief signaleren van atypisch gebruik van informatie heeft tevens een preventieve werking. Door in een vroeg stadium met medewerkers in gesprek te gaan kan een misverstand uit de weg worden geruimd, een probleem worden opgelost, misbruik worden voorkomen en gedrag tijdig worden aangepast.
Signalen van (mogelijk) ongeoorloofd raadplegen van informatie tijdens de pilot worden opgevolgd.
Op basis van de uitkomsten en ervaringen van de pilot kan voor alle politie-informatiesystemen met gevoelige informatie een betrouwbaar en effectief systeem worden geïmplementeerd om misbruik en oneigenlijk gebruik (near) real time op te kunnen sporen. In dit traject is ook de ondernemingsraad betrokken.
Is het waar dat er momenteel (meerdere) nieuwe politie-informatiesystemen in aanbouw zijn? Zo ja, welke? Hoe wordt bij die nieuwe informatiesystemen geborgd dat vertrouwelijke informatie uit opsporingsonderzoeken niet zomaar te raadplegen is?
In het ICT-vernieuwingsprogramma Vernieuwend Registreren worden de operationele systemen vernieuwd om daarmee de ondersteuning van de werkprocessen van de politie gebruiksvriendelijker te maken. Hierover heb ik de Kamer in september 2018 een brief gestuurd met daarin de aanpak van deze vernieuwing.4 Inmiddels is gestart met de proces «Afhandeling van winkeldiefstal». Ook zullen functionaliteiten van legacy-systemen, waaronder BVH en Summ-IT, worden vervangen dan wel volledig worden vernieuwd binnen het programma Vernieuwend Registreren.
Om zicht te houden op het gebruik van de systemen worden alle systemen aangesloten op de Logging as a Service (LaaS) omgeving. De wijze van logging wordt daarmee geüniformeerd.
De politie hanteert het privacy en security by design-principe. Dat betekent dat bij de aanschaf/ontwikkeling van elke nieuwe applicatie of nieuw systeem er al tijdens het ontwerp wordt nagedacht over de bescherming van de informatie daarin. Voor het laatste deel van deze vraag betreffende autoriseren verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en 3.
De bizarre ontwikkelingen in de strijd om patiënten na het faillissement van het MC Zuiderzee in Lelystad |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de handelwijze van de curator van het MC Zuiderzee ziekenhuis, die een tweetal specialisten op straat heeft gezet?1
Zoals ik u tijdens het mondelinge vragenuur op 5 maart jongstleden en in mijn brief van 13 maart jongstleden2 over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart heb laten weten, heb ik de curatoren om verheldering gevraagd. Zij hebben mij laten weten dat de betreffende specialisten, na diverse waarschuwingen, de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd omdat zij zich niet gehouden zouden hebben aan de regels voor bescherming van persoonsgegevens van patiënten. De curatoren hebben hiervan melding gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Dat is een zaak tussen de curatoren en de betreffende medisch-specialisten. Indien de betreffende medisch-specialisten zich hier niet mee kunnen verenigen, dan staat het hen natuurlijk vrij de gang naar de rechter te maken zodat die zich hierover kan uitspreken. Ik meng mij niet in een zaak tussen curatoren en twee individuele medisch specialisten. En heb mij dus ook niet op enig standpunt in deze casus gesteld.
Wat is uw reactie op het feit dat een arts zijn broek heeft moeten laten zakken op last van de curator?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie in deze context op het feit dat u zich tijdens het mondelinge vragenuur op het standpunt van de curator heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 1.
U kunt toch niet menen dat u als Minister voor Medische Zorg, het moeten laten zakken van de broek door een arts op last van de curator kunt goedkeuren? Wat heeft u hiertegen ondernomen sinds u van dit feit op de hoogte bent?
Zie antwoord vraag 1.
Komt deze handelwijze niet neer op obstructie van zorgverlening? Zo ja, wat gaat u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de handelwijze van de curatoren niet onderzoekt en dus ook niet onderzoekt of de kwaliteit van zorg hierdoor in gevaar kwam?
De Inspectie heeft op basis van de huidige signalen geen indicatie dat de veiligheid van zorg in gevaar is of is gekomen. Hierover zijn ook geen meldingen door de Inspectie ontvangen. Ook voor de Inspectie geldt dat zij zich niet mengt in een zaak tussen curatoren en twee individuele medisch specialisten.
Bent u bereid de IGJ alsnog te vragen de handelwijze van de curator te onderzoeken en of deze handelwijze de kwaliteit van zorg in het geding heeft gebracht, of er sprake is van obstructie van zorgverlening, of de curator juist omspringt met het eigenaarschap van de patiëntendossiers en of de curator bij machte is een arts de broek te laten zakken? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe zie ik geen noodzaak. Zie mijn antwoord op de vragen 1 tot en met 6 en de brief die ik u op 13 maart jongstleden heb gestuurd over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart waarin ik uitgebreid ben ingegaan de wijze waarop met de dossiers van de patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen wordt omgegaan.
Zijn er door de curatoren afspraken gemaakt met het St Jansdal inzake de overname van patiënten? Zo ja, kunt u dit volledig toelichten?
De curatoren en St Jansdal hebben mij laten weten dat er geen specifieke afspraken zijn gemaakt over de overname van patiënten. Patiënten of patiëntenaantallen zijn geen inzet geweest bij de onderhandelingen over de overname. St Jansdal heeft een profiel van het zorgaanbod geschetst. Er zijn afspraken gemaakt over het overnemen van activa, vastgoed en onderlinge dienstverlening. Wel heeft St Jansdal bij de overdracht de actuele wachtlijsten van patiënten gekregen om die te benaderen en, na toestemming van de patiënt, in te schrijven als patiënten van St Jansdal.
Zijn de patiënten en/of patiëntenaantallen inzet geweest bij de onderhandelingen over de overname, bijvoorbeeld qua volume of zorgzwaarte?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat een goede arts-patiënt relatie belangrijker is dan het weglekken van omzet?
Ja, voor mij staat voorop staat dat patiënten goede zorg krijgen, waarbij zij vrij zijn om hun eigen behandelaar te kiezen en er op een zorgvuldige manier met hun medische gegevens wordt omgegaan.
Van wie zijn de medische dossiers? De arts, het ziekenhuis of de patiënt? Kunt u bevestigen dat deze van de patiënt zijn? Hoe waarborgt u dat hier niet mee gemarchandeerd wordt?
Onder het Nederlandse recht kunnen eigendomsrechten alleen rusten op voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten3. Aangezien patiëntgegevens onstoffelijk zijn, kan er geen sprake kan zijn van eigendom van de patiëntgegevens. Wel kan er sprake zijn van eigendom van gegevensdragers (papier, cd-rom, informatiesysteem, etc.). Binnen ziekenhuizen zullen gegevensdragers vaak eigendom zijn van het ziekenhuis. Maar ze kunnen ook eigendom zijn van hulpverleners die binnen het ziekenhuis werkzaam zijn in medisch specialistisch bedrijf, als deze de gegevensdragers zelf hebben aangeschaft. Dat er bij patiëntgegevens geen sprake kan zijn van eigendom, betekent echter niet dat medische gegevens vogelvrij zijn. In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is geborgd dat niet gemarchandeerd wordt met het medisch dossier. De WGBO schrijft namelijk voor dat in beginsel alleen de hulpverlener en de betreffende patiënt zelf de medische dossiers mogen en moeten kunnen inzien. Uitzondering op deze regel is overdracht aan een hulpverlener die betrokken is bij de behandeling. Die hulpverlener mag noodzakelijke gegevens zonder toestemming van de patiënt inzien of een afschrift van die noodzakelijke gegevens krijgen. Wanneer hulpverleners uiteengaan (bijvoorbeeld als een hulpverlener bij een ziekenhuis vertrekt), heeft de betrokken hulpverlener in ieder geval recht op een kopie van de dossiers van patiënten voor zover deze door hem als hulpverlener zijn behandeld. Dit volgt volgens de Hoge Raad uit de artikelen 7:454 en 7:456 van het BW4. Voor overdracht van medische dossiers aan anderen is in beginsel altijd toestemming van de patiënt nodig. Met deze regels wordt geborgd dat er geen handel wordt bedreven met medisch dossiers. Dit geldt ongeacht de eigendomsvraag.
Waarom heeft niet elke patiënt zijn medische dossier meegekregen met het advies dit zelf aan de nieuwe (of oude) arts te overhandigen?
De curatoren hebben mij laten weten dat zij dit geen begaanbare weg vinden gezien de aantallen betrokken patiënten. Het betreft circa 500.000 patiëntendossiers van patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen.
Garandeert u dat elke patiënt zijn medische dossier meekrijgt als hij daarom vraagt?
St Jansdal heeft mij verzekerd dat elke patiënt zijn medisch dossier krijgt als hij of zij daar om vraagt.
Hoe komt de curator aan de adresgegevens van de patiënten van reumatoloog Baudoin, daar zij hen een brief heeft gestuurd?
De MC IJsselmeerziekenhuizen beschikken over de gegevens van hun patiënten en de curatoren zijn vertegenwoordigers van de MC IJsselmeerziekenhuizen. De brief is verzonden naar alle patiënten die bij de MC IJsselmeerziekenhuizen onder behandeling zijn of zijn geweest voor reumatologie om hen te informeren over het door de curatoren gesignaleerde datalek.
Waarom stuurde de curator de patiënten niet een brief met daarin de vraag of de patiënten wel mee willen naar het St. Jansdal of dat zij mee willen met hun behandelend artsen als die niet mee gaan naar het St Jansdal?
Patiënten zijn vrij in hun keuze voor een behandelaar, het is aan de patiënten zelf om een keuze te maken voor St Jansdal of voor een andere behandelaar. Zoals u weet vind ik het van belang dat de continuïteit van zorg voor de patiënten in Flevoland is gewaarborgd. In dat kader hebben de curatoren van MC IJsselmeerziekenhuizen mij laten weten dat alle patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen met een zorgbehoefte die niet door St Jansdal wordt aangeboden (kinderdiabetes, HIV/Hepatitus, bariatrie) individueel zijn geïnformeerd waar zij voor hun zorgbehoefte terecht kunnen. Alle patiënten woonachtig in Emmeloord en omstreken zijn gebeld om hen te wijzen op het zorgaanbod van de Antonius zorggroep. De overige patiënten in de Noordoostpolder en in de gemeente Urk zijn eveneens individueel geïnformeerd, met een brief met informatie over het zorgaanbod van Antonius. Alle overige patiënten kunnen terecht bij St Jansdal, en, indien woonachtig in de Noordoostpolder, bij de Antonius zorggroep.
De brief die de curatoren hebben gestuurd aan de (al dan niet voormalige) reumapatiënten was bedoeld om hen te informeren over het door de curatoren gesignaleerde datalek.
Op welke wijze is en wordt gehoor gegeven aan artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (vrije artsenkeuze)?
De vrije artsenkeuze voor patiënten blijft overeind. Zie voor een uitgebreidere toelichting de eerder genoemde brief van 13 maart jongstleden.
Heeft de curator toegang tot de medische dossiers van de patiënten van het MC Zuiderzee ziekenhuis?
In beginsel mogen alleen patiënten zelf en hulpverleners betrokken bij de behandeling, de medische dossiers inzien. De curatoren hebben, gezien het medisch beroepsgeheim, geen inzicht in de dossiers.
Hoe bewaakt u de patiëntendossiers? Hoe stelt u zeker dat er bij overname geen onderscheid is of wordt gemaakt tussen duurdere en goedkopere patiënten? Of tussen patiënten of patiëntengroepen waar wel of geen winst op te behalen valt?
In mijn brief van 13 maart jongstleden over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bewaring en overdracht van patiëntendossiers. Dit betreft zowel de overdracht van de medische dossiers van patiënten die nog onder behandeling waren bij de MC IJsselmeerziekenhuizen als de dossiers van patiënten bij wie de behandeling eerder al beëindigd was. St Jansdal heeft mij laten weten dat met de curatoren van de MC IJsselmeerziekenhuizen is afgesproken dat St Jansdal de medische dossiers van patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen bewaart. MC IJsselmeerziekenhuizen stelt die data beschikbaar aan St Jansdal. St Jansdal mag die data pas gebruiken indien en voor zover door de patiënt een toestemmingsverklaring is getekend en aan St Jansdal is overhandigd.
Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht om voor al hun verzekerden voldoende goede en passende zorg in te kopen. Een faillissement of een overname van een zorgaanbieder doet hier niets aan af. Patiënten zijn vrij om te bepalen bij welke aanbieder zij behandeld willen worden. Ik vind dat de vrije artsenkeuze altijd, en dus ook in deze specifieke situatie in Flevoland, gewaarborgd moet zijn. Patiënten kunnen er dus voor kiezen om hun behandeling voort te zetten bij andere zorgaanbieders dan St Jansdal of de Antonius zorggroep. Dit heb ik ook toegelicht in de genoemde brief van 13 maart jongstleden.
Zorgadviesbureau Gupta rekende voor St Jansdal uit dat voor de zorg die wordt overgenomen van het MC Zuiderzee ziekenhuis, 35 fte aan medisch specialisten nodig is. Hoeveel artsen zijn er van het MC Zuiderzee ziekenhuis overgegaan naar het St Jansdal?
St Jansdal heeft mij laten weten dat zij deze berekeningen zelf heeft gemaakt. Volgens de laatste opgave zijn er tenminste 16 medisch specialisten die voorheen bij het MC Zuiderzeeziekenhuis werkten overgegaan naar St Jansdal.
Waarom bent u nog altijd stuurloos inzake de faillissementen van de MC IJsselmeerziekenhuizen en het MC Slotervaart? Als u zichzelf niet stuurloos vindt, waar baseert u dat dan op?
Ik heb in recente debatten en een groot aantal brieven aan uw Kamer aangegeven welke acties ik onderneem om de regie op het proces te voeren. De operatie in Flevoland is een enorme inspanning geweest van veel partijen met wie ik de afgelopen maanden contact heb gehad om de continuïteit van zorg in de regio te waarborgen. Ik wil daarbij nadrukkelijk mijn complimenten aan al die partijen uitspreken voor hun enorme inzet.
Het bericht ‘Kiwa Register start ‘veel te laat’ met uitgifte nieuwe tachokaarten’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Kiwa Register start «veel te laat» met uitgifte nieuwe tachokaarten?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de smart tachokaarten pas per 15 mei 2019 beschikbaar komen? Is dat niet rijkelijk laat?
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voor de introductie van de Smart Tachograaf in het wegtransport, vanaf 15 juni 2019, start Kiwa Register een maand eerder (vanaf 15 mei) met de uitgifte van Smart Tachograafkaarten. Het gaat hier om bestuurderskaarten, bedrijfskaarten, controlekaarten en werkplaatskaarten. Alleen de werkplaatskaarten, die per 15 maart beschikbaar hadden moeten zijn, komen later dan voorzien.
Welke problemen liggen hieraan ten grondslag en wie is dat te verwijten? Is het correct dat zonder ijking van de apparatuur ondernemers de vrachtwagens niet kunnen gebruiken?
De vertraging wordt veroorzaakt door tekort aan capaciteit bij kaartproducent Idemia. Met voertuigen die na 15 juni in gebruik worden genomen, mag zonder geijkte tachograaf inderdaad geen vervoer worden verricht.
Welke flexibiliteit is mogelijk om te voorkomen dat vrachtwagens stil komen te staan? Is het een optie om voorlopig geen boetes uit te delen?
Deze optie zou slechts in een zeer beperkt aantal gevallen uitkomst kunnen bieden, voor voertuigen die slechts binnen Nederland worden gebruikt; het overgrote deel van de voertuigen wordt (ook) gebruikt voor internationaal vervoer.
De ILT beoordeelt binnen Nederland van geval tot geval of sprake is van overmacht; indien een vervoerder geen schuld heeft aan een overtreding, dan wordt daarvoor geen sanctie opgelegd.
Zijn er in uw ogen nog andere mogelijkheden om te voorkomen dat er problemen ontstaan door het te laat beschikbaar komen van de tachokaarten?
Binnen de Nederlandse context zijn geen mogelijkheden om te voorkomen dat er problemen ontstaan. Nederland heeft de hulp nodig van andere lidstaten of de Europese Commissie om tot een oplossing te komen. De gesprekken met andere lidstaten en de Europese Commissie zijn hierover gaande. Zodra hier helderheid over is wordt u hierover geïnformeerd.
Bent u bereid om met uw collega’s van andere Europese landen, of in Brussel, te overleggen over hoe anderen omgaan met dezelfde problemen en wat wij in Nederland kunnen leren van deze landen?
Er is mij maar één andere lidstaat bekend die ook met dezelfde problematiek van een sterk vertraagde levering door de kaartenleverancier is geconfronteerd. Met dit land heeft overleg plaatsgevonden, maar dit heeft helaas niet tot nieuwe inzichten geleid. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Het bericht ‘Het bos is vogelvrij’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het bos is vogelvrij»?1
Ja.
Klopt het dat er in Nederland bospercelen worden gekapt waarbij de gehele bosgrond wordt bewerkt om plaats te maken voor nieuw bos? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Het is bekend dat in het verleden dergelijke beheeractiviteiten wel voorkwamen. Tegenwoordig wordt door veel beheerders gebruik gemaakt van natuurlijke verjonging of van kleinschalige kap- en aanplant, zonder of met beperkte verwijdering van ondergroei of bodembewerking. Het is niet uit te sluiten dat grootschaliger kappen en het geheel verwijderen van de bodemvegetatie sporadisch nog voorkomen. Dit is vanuit het perspectief van klimaat zeker niet optimaal. De methode van boskap en -verjonging wordt niet landelijk gemonitord. Beheerders hebben weliswaar een goed inzicht in welke bospercelen worden gekapt, en provincies hebben daar ook een beeld van uit kapmeldingen, maar er is een veelheid aan methoden om bos te verjongen. De keuze is maatwerk en sterk afhankelijk van de plaatselijke uitgangssituatie. Dat geldt ook voor de omgang met de aanwezige overige vegetatie, waarbij beheerders de balans moeten vinden tussen succesvolle bosverjonging en effecten op de groeiplaats.
Het is belangrijk dat beheerders keuzes gefundeerd kunnen maken. In het kader van de klimaatenveloppe Bos en Natuur wordt momenteel gewerkt aan een «gereedschapskist klimaatslim bos- en natuurbeheer». Voorts heeft de WUR ten behoeve van de beheerpraktijk kennis ontwikkeld over de relatie tussen houtoogst en bodemvruchtbaarheid. De sector is, onder meer via het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN) nauw betrokken bij de verspreiding van die kennis.
Klopt het dat de gedragscode voor kaalkap en herbeplanting uit 2010 nog steeds wordt gebruikt als richtlijn en dat deze, ondanks de nieuwe Wet natuurbescherming, niet is geactualiseerd?
Er bestaat geen gedragscode voor kaalkap en herbeplanting. Mogelijk doelt u op de gedragscode Bosbeheer, die handelt over bosbeheer in relatie tot soortenbescherming. Deze gaat over het zorgvuldig handelen jegens beschermde dier- en plantensoorten bij regulier bosbeheer. Dit is geen gedragscode die voorschrijft hoe bosbeheer als zodanig moet plaatsvinden, en op welke wijze herbeplanting bosbouwkundig verantwoord dient plaats te vinden.
De gedragscode Bosbeheer is opgesteld in het kader van de Flora- en faunawet en gericht op het verkrijgen van vrijstelling van de soortenbeschermingsbepalingen daarvan en is wat dat betreft ook in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. Vellingen die in het kader van de gedragscode gebeuren, hebben dus geen ontheffing nodig van het soortenbeschermingsregime, maar zijn niet vrijgesteld van de meld- en herbeplantingsplicht.
In het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming is bepaald dat gedragscodes, die onder de Flora- en faunawet zijn goedgekeurd, hun werking behouden voor de duur waarvoor ze zijn goedgekeurd. Op dit moment ben ik in overleg met de Vereniging van Bos- en Natuureigenaren (VBNE) over een actualisatie van de huidige gedragscode. De actualisatie gebeurt met name om de formulering op een aantal onderdelen, waaronder kap ten behoeve van verjonging, te verbeteren. Ik verwacht dit jaar tot overeenstemming komen met de VBNE over de actualisatie van de huidige gedragscode.
Hoe beoordeelt u de oude gedragscode ten opzichte van de Wet natuurbescherming?
Zie antwoord vraag 3.
Wat wordt verstaan onder het verantwoord bosbouwkundig handelen dat in de Wet natuurbescherming is opgenomen en hoe verhoudt het huidige handelen zich tot deze passage?
De Wet natuurbescherming spreekt over «herbeplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze» en binnen een termijn van drie jaar na vellen. Deze is gericht op de duurzame instandhouding van bos met in achtneming van belangrijke aanwezige waarden en is situatie-afhankelijk. Over het algemeen geldt dat de herbeplanting plaats vindt op gronden met ten minste dezelfde kwaliteit en oppervlakte als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond. Om een jonge beplanting te laten slagen, kan het helpen bodembewerking toe te passen en strooisel en bodemvegetatie te verwijderen, maar de mate en schaal maakt of dit wel of niet gepast is in een bepaalde situatie. Verantwoord bosbouwkundig handelen is situatie-afhankelijk. Gedeputeerde staten van de provincie zijn hiervoor bevoegd gezag en kunnen hier per situatie een oordeel over vellen.
Provinciale staten kunnen op grond van de Wet natuurbescherming nadere regels stellen over een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten. Ook indien wordt gewerkt op basis van een door de Minister goedgekeurde gedragscode met betrekking tot het vellen en herbeplanten van houtopstanden, is verzekerd dat sprake is van verantwoord bosbouwkundig handelen.
Wanneer wordt een nieuwe gedragscode voor kaalkap en herbeplanting verwacht waar de eisen van de Wet natuurbescherming in geborgd zijn?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Hoe ziet u de huidige manier van bosbewerking met het oog op de klimaatdoelstellingen?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 5. Bossen spelen een belangrijke rol in het klimaatsysteem, omdat ze CO2 uit de atmosfeer kunnen vastleggen en langdurig opslaan in hout en bodem. Het beheer van bos is hierop van invloed en vindt nog niet altijd op de meest klimaatoptimale wijze plaats. De manier van bosbeheer is meestal maatwerk en varieert per situatie. In het kader van het klimaatakkoord zet ik met de provincies, de sector en andere stakeholders in op ontwikkelen van kennis en methoden voor beheer van bos en natuur dat ook zo optimaal mogelijk de klimaatdoelstellingen nastreeft. Ik doe dat via de klimaatpilots en de «gereedschapskist bos- en natuurbeheer». Ook streef ik in datzelfde kader en met diezelfde partners naar aanleg van meer bomen en bos en naar tegengaan van ontbossing.
Het bericht dat Hogeschool Utrecht het stakingsrecht ondermijnt |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Hogeschool Utrecht ondermijnt stakingsrecht»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. Het stakingsrecht is een sociaal recht dat is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), een verdrag van de Raad van Europa. De werkgever kan de werknemer niet zomaar verbieden te staken of beperkingen opwerpen. De uitoefening van het recht op collectieve actie kan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH. Dit is alleen mogelijk indien de beperkingen aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Het is aan de rechter om te oordelen over de legitimiteit van een staking. Ook is het aan de rechter om te toetsen of sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht.
Deelt u de mening dat dit een inbreuk is op het stakingsrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat het personeel op deze manier tegen elkaar worden uitgespeeld?
De arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen zijn in het onderwijs gedecentraliseerd en de arbeidsvoorwaardenvorming is gebaseerd op overeenstemming tussen sociale partners. In het geval van een staking moeten die elkaar ook in evenwicht houden. Ik heb het artikel van de AOB nadrukkelijk onder de aandacht van de Hogeschool Utrecht gebracht, maar ik speel geen rol in dit conflict. Hier is sprake van een geschil tussen de Hogeschool Utrecht en haar personeel. Mochten zij er samen niet uitkomen, dan is een gang naar de rechter mogelijk.
Bent u bereid om de Hogeschool Utrecht op de vingers te tikken om de instelling te melden dat dit niet door de beugel kan?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de gevolgen voor het personeel als lessen niet verplaatst of overgenomen gaan worden?
Deelnemen aan een staking is geen werkweigering en dit betekent dat ontslag of andere straffen niet zijn toegestaan. De werkgever kan wel op grond van artikel 7:627 van het Burgerlijk Wetboek het loon over de gestaakte uren inhouden. De werkgever is daartoe niet verplicht.
Deelt u de mening dat op deze wijze het door Nederland geratificeerde Europees Sociaal Handvest met voeten getreden wordt? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Staken is een fundamenteel recht van de werknemer dat is vastgelegd in het ESH en kan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden worden beperkt. Stakingen zijn een zaak tussen werkgevers en vakbonden. Indien sprake is van een geschil is het niet aan mij, maar aan partijen om eventueel stappen te ondernemen.
De vergoeding van kunstmatige inseminatie |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen het ontbreken van een mannelijke partner (in geval van alleengaande en lesbische vrouwen) en het ontbreken van een mannelijke partner met semen?1
Bij een man met semen zonder zaadcellen of zaadcellen van onvoldoende kwaliteit is er sprake van een vruchtbaarheidsprobleem ten gevolge van een aandoening, stoornis of een ziekte. Dat geldt als een medische indicatie in de context van de Zorgverzekeringswet. Dat is niet het geval bij het ontbreken van een mannelijke partner.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen kunstmatige inseminatie met donorsemen bij alleengaande of lesbische vrouwen en kunstmatige inseminatie met donorsemen bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Bij een man/vrouw-paar geldt het volgende. In het geval dat de man een medisch vruchtbaarheidsprobleem heeft is sprake van een medische indicatie bij de man. In geval de man verminderd vruchtbaar is, kan soms kunstmatige inseminatie met opgewerkt eigen semen een oplossing bieden, al dan niet intra-uterien. In deze gevallen is sprake van een gezamenlijke behandeling voor het man/vrouw-paar. In geval de man onvruchtbaar is, kan KID bij de vrouw een oplossing bieden. Bij deze vruchtbaarheidsbehandelingen, is daarom (ook of uitsluitend) de vrouw betrokken, waardoor deze (deels) ten laste van de verzekering van de vrouw komt.
Dit is een gevolg van de praktische oplossing die volgt uit een medisch probleem. Bij alleengaande vrouwen of lesbische paren kan de afwezigheid van een mannelijke partner echter niet worden bestempeld als een medisch probleem, waardoor vergoeding op basis van de zorgverzekering niet aan de orde is.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen de medische indicatie van alleengaande of lesbische vrouwen en de medische indicatie van vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het logisch dat bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen wél geldt dat deze vrouwen een medische indicatie hebben, terwijl er medisch gezien niets met hen aan de hand is, maar dat bij vrouwen met een vrouwelijke partner zonder semen of vrouwen zonder partner deze medische indicatie opeens niet geldt? Zo ja kunt u dit uitgebreid uitleggen en beargumenteren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met mij eens dat het discriminatie is om vrouwen met een vrouwelijke partner of vrouwen zonder partner anders te behandelen dan vrouwen met een mannelijke partner?
In de Zorgverzekeringswet is de aanwezigheid van een medische indicatie het uitgangspunt. Aan het hanteren van dit criterium is op geen enkele manier een discriminerend doel verbonden. In de praktijk werkt dit anders uit bij lesbische paren en alleengaande vrouwen, omdat in die gevallen – anders de gevallen waarbij de man een vruchtbaarheidsprobleem heeft – geen sprake is van een medische aanleiding voor een vruchtbaarheidsbehandeling.
Dit onderstreept dat het belangrijk is dat er spoedig – zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 13 maart2 – een besluit wordt genomen over de vraag of (en zo ja, hoe) de overheid een rol heeft in het financieren van vruchtbaarheidsbehandelingen in geval een beroep wordt gedaan op de zorg voor het vervullen van een kinderwens, terwijl een medische noodzaak ontbreekt. Een vergelijkbaar vraagstuk betreft de vergoeding van ivf-draagmoederschap behandelingen voor mannenparen in het kader van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Het voornemen is om uiterlijk rond de zomer een besluit te nemen in deze discussie.
Bent u het met mij eens dat wanneer voor gezonde vrouwen met een mannelijke partner kunstmatige inseminatie met donorzaad (KID) wel wordt vergoed, terwijl dat voor gezonde vrouwen met een vrouwelijke partner en gezonde vrouwen zonder partner niet gebeurt, er sprake is van discriminatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uitleggen wat u bedoelt met uw antwoord op mijn eerdere vragen dat het mogelijk maken van vergoeding van behandelingen waarvoor een medische indicatie ontbreekt een fundamentele aanpassing van de Zorgverzekeringswet impliceert die vergaande consequenties heeft? Doelt u hiermee op artikel 14, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet? Zo ja kunt u aangeven wat exact verstaan wordt onder «zorginhoudelijke criteria» en waarom wel voldaan wordt aan deze criteria in het geval van een vrouw met mannelijke partner zonder semen, maar niet door een vrouw met een vrouwelijke partner of een alleengaande?
Om toe te lichten hoe artikel 14 in dit licht moet worden gelezen is het belangrijk om artikel 14 van de Zorgverzekeringswet in samenhang met artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekering toe te lichten.
In artikel 14 van de Zorgverzekeringswet is geregeld dat de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een bepaalde andere dienst slechts wordt beoordeeld op basis van zorginhoudelijke criteria. Hiermee wordt bedoeld dat vanuit medisch (en bijv. niet vanuit sociaal) perspectief wordt gekeken naar de bovengenoemde individuele risico’s. Uitkomst hiervan kan zijn dat er een medische indicatie is tot behandeling.
Vervolgens heeft een cliënt op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekeringen slechts recht op een vorm van zorg «voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen». Of een cliënt redelijkerwijs is aangewezen op een te verzekeren prestatie is een individuele (medische) beoordeling. Dit is pas het geval als het individuele risico dat hij loopt op een ziekte, aandoening of beperking hoger is dan het risico binnen de populatie in het algemeen. Er is dan sprake van een medische indicatie. De Zorgverzekeringswet betreft immers een individuele schadeverzekering.
Concluderend betekent bovenstaande dat er een medische aanleiding (indicatie) nodig is om de behandeling kunstmatige inseminatie met donorzaad vergoed te kunnen krijgen vanuit het verzekerde pakket. Aanpassing van deze artikelen van de Zorgverzekeringswet en de onderliggende wet- en regelgeving vereist daarmee een fundamentele wijziging van het stelsel van ziektekostenverzekeringen, omdat deze wijziging het medisch indicatievereiste zou verbreden.
Het artikel ‘Werkgevers overstelpt met loonsancties UWV over uitvoering ziektewet’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Werkgevers overstelpt met loonsancties UWV over uitvoering ziektewet»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Is het waar dat het aantal boetes aan private uitvoerders zo fors is opgelopen? Wat is daar volgens u de reden van?
Of het aantal sancties dat is opgelegd aan private uitvoerders zo fors is opgelopen kan niet gezegd worden. Er zijn geen cijfers hierover. UWV houdt namelijk het aantal sancties bij, maar maakt in de reguliere beleids- en verantwoordingsinformatie geen onderscheid in sancties die zijn opgelegd aan publieke en privaat verzekerde werkgevers.
Wat is uw reactie op de kritiek dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) minder strenge maatstaven hanteert voor werkgevers die de uitvoering aan de dienst zelf hebben toevertrouwd?
Eerst wil ik opmerken dat er geen sprake is van gewijzigd beleid. Werkgevers kunnen zelf kiezen hoe zij de Ziektewet (laten) uitvoeren. Werkgevers kunnen de betaling van het ziekengeld en de re-integratieverplichtingen overlaten aan UWV. Zij kunnen ook zelf het ziekengeld betalen ingeval van ziekte en eigenrisicodrager voor de ZW worden. Bijvoorbeeld omdat zij meer mogelijkheden zien om de kosten van ziekteverzuim te beperken door de werknemer zelf te (laten) begeleiden tijdens ziekte. Als werkgevers de uitvoering in eigen hand willen houden dan is dat voor hen een vrijwillige keuze die zij bewust maken. Op grond van de geldende wetgeving gelden er voor eigenrisicodragers ten aanzien van re-integratie van voormalig werknemers andere voorwaarden dan bij uitvoering van de Ziektewet door het UWV. Ik zal de verschillen hieronder nader toelichten.
In artikel 63a van de Ziektewet is geregeld dat de eigenrisicodrager op dezelfde manier verantwoordelijk is voor de re-integratie van zijn voormalig werknemers als voor werknemers die onder een dienstverband vallen. Dit geldt zowel voor het eerste spoor (werkhervatting bij de eigen werkgever) als voor het tweede spoor (werkhervatting bij een andere werkgever). Kortom, na het einde van het dienstverband wordt de begeleiding van de zieke ex-werknemer voortgezet alsof de werknemer nog bij de eigenrisicodrager in dienst is. Als er mogelijkheden zijn om werk in het oorspronkelijke bedrijf te hervatten, dan moeten deze mogelijkheden benut worden. Voor de re-integratie van voormalig werknemers van publiek verzekerde werkgevers is er geen vergelijkbare bepaling. UWV hoeft de re-integratie in het eerste spoor niet te onderzoeken. Het UWV heeft deze mogelijkheid ook niet, want het UWV heeft hier immers niet de rol van werkgever en heeft ook niet de mogelijkheden die een werkgever wel in huis heeft. Bij de toetsing op de re-integratie inspanningen moet UWV nagaan of de publiek verzekerde werkgever voldoende re-integratie inspanning heeft geleverd (in zowel het eerste en tweede spoor) gedurende de tijd dat de werknemer in dienst was. Voor ZW-eigenrisicodragers moet UWV ook toetsen of er na einde van het dienstverband voldoende inspanningen zijn geleverd.
De werkwijzer poortwachter helpt werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en re-integratiebedrijven in de begeleiding en re-integratie van zieke of arbeidsongeschikte werknemers. UWV heeft de werkwijzer poortwachter verduidelijkt naar aanleiding van ontvangen vragen en opmerkingen bij een eerdere versie.
Wat is uw reactie op de kritiek dat het UWV loonsancties kan opleggen aan werkgevers die een gewezen werknemer geen vast contract aanbieden, terwijl het UWV zelf alleen maar inzet op re-integratie bij een andere werkgever («Spoor 2»)?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, gelden op grond van de Ziektewet andere voorwaarden voor ZW-eigenrisicodragers ten aanzien van de re-integratie van voormalig werknemers. Bij de beoordeling van de re-integratie inspanningen is het uitgangspunt van UWV dat de werkgever datgene doet wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. De begeleiding van zieke werknemers is maatwerk. UWV beoordeelt elke casus afzonderlijk en betrekt daarbij de individuele omstandigheden van dat geval. Ik kan daarom geen algemene uitspraken doen over het ontbreken van een vast contract als reden voor het opleggen van een sanctie.
Deelt u de mening dat het hybride model, waarbij er de keuze is om de zorg voor re-integratie van zieke werknemers uit te besteden aan private uitvoerders, valt en staat bij een gelijk speelveld en eventuele verschillen daarin zo snel mogelijk gelijk te trekken?
Op grond van de Ziektewet gelden voor ZW-eigenrisicodragers ten aanzien van de re-integratie van voormalig werknemers inderdaad andere voorwaarden dan bij de uitvoering van de Ziektewet door UWV. Zie ook het antwoord op vraag 3. Ik vind het vooral belangrijk dat het voor werkgevers duidelijk is wat de spelregels van beide modaliteiten zijn. Ik zie geen aanleiding om de voorwaarden voor eigenrisicodragers aan te passen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg arbeidsongeschiktheid op 27 maart 2019?
Ja, daartoe ben ik bereid.
Bent u bereid deze vragen mee te nemen in de gesprekken die u op dit moment voert met het UWV over de uitvoering en waarover u reeds heeft toegezegd de Kamer voor de zomer te informeren?
Ik ben regelmatig in gesprek met het UWV. Als er aanleiding toe is zal ik de Kamer informeren.
Het loskoppelen van het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Costa-amendement dat op 27 februari 2019 unaniem door het Britse Lagerhuis is aangenomen, dat voorstelt om het burgerrechtengedeelte van het Brexit-uittredingsverdrag los te koppelen en ervoor te zorgen dat dit geïmplementeerd wordt in alle gevallen – deal of no deal?1
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige situatie rondom de Brexit uiterst onzeker is voor vele Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk (VK), met nog maar ruim drie weken tot de Brexit-datum van 29 maart 2019 en dat het risico op een no-dealscenario reëel is?
De kans dat er geen akkoord komt tussen de Europese Unie (EU) en het VK blijft aanwezig, met nog minder dan drie weken voor de voorziene Brexitdatum te gaan. Daarom blijven Nederland, de Europese Commissie en de andere lidstaten van de EU zich onverminderd voorbereiden op een no deal scenario.
Deelt u de mening dat ondanks het feit dat het Nederlandse kabinet het garanderen van verblijfsrechten voor Britse burgers in Nederland serieus neemt, de vele EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk -waaronder duizenden Nederlanders- in het geval van een no-dealbrexit voor het beschermen van hun rechten overgeleverd zijn aan de beleidskeuzes van de regering van Theresa May in een land waar immigranten steeds minder welkom lijken te zijn?
Het kabinet deelt de mening in zoverre dat het VK verantwoordelijk is voor het beschermen van de burgerrechten van de EU-burgers in het VK in het geval van een no dealBrexit. Het kabinet is daarom positief gestemd dat premier May in haar speeches meerdere malen heeft benadrukt dat EU burgers die al in het VK zijn, daar mogen blijven, ook in een no deal scenario.
De Britse overheid heeft eind vorig jaar (6 december 2018) een policy paper over de rechten van EU-burgers gepubliceerd2 . Het kabinet ziet publicatie van dit policy paper als een positieve unilaterale stap van het VK om de eerdere toezeggingen van premier May op het gebied van burgerrechten in geval van een no deal nader uit te werken. Het VK is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid in dit policy paper. Omdat het kabinet groot belang hecht aan het beschermen van de rechten van Europese burgers in het VK, zal het kabinet hier bij de Britse regering aandacht voor blijven vragen. Ook de EU heeft op verschillende manieren aangegeven dat zij verwacht dat het VK concrete stappen zet om de toezeggingen op het gebied van burgers in geval van een no deal na te komen.
Deelt u de mening dat het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag een wederkerige basis legt om het verblijfsrecht van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk en Britten in de Europese Unie te beschermen en een aantal coördinatieproblemen oplost, zoals aggregatie van pensioenrechten, sociale zekerheidsrechten, en de toegang tot gezondheidszorg?
Ja, daarom is het kabinet er alles aan gelegen dat het terugtrekkingsakkoord in werking kan treden.
Deelt u de mening dat ondanks dat dit voorstel in het Costa-amendement niet alle problemen voor Nederlanders en andere Europese burgers in het Verenigd Koninkrijk oplost, er veel onzekerheid bij mensen mee kan worden weggenomen als het burgerrechtengedeelte van het Brexitverdrag in alle gevallen in werking zou treden? Bent u in dit kader nog steeds van mening dat het toestaan van dubbele nationaliteit voor deze groep Nederlanders, waarmee er een fundamentele en bestendige oplossing voor hen komt, onwenselijk is?
Het kabinet betreurt het dat de EU burgers door de politieke meningsverschillen binnen het VK nog geen volstrekte zekerheid hebben over hun verblijfsstatus na Brexitdatum. De beste manier om de rechten van de ongeveer 4,5 miljoen betroffen EU burgers in het VK en VK burgers in de EU te beschermen is door ratificatie van het terugtrekkingsakkoord. Hierin zijn namelijk wederkerige, juridisch bindende afspraken met het VK opgenomen met passende waarborgen voor naleving inclusief een rol voor het EU Hof van Justitie. De EU27 is niet bereid tot het sluiten van een «mini-deal». Dit zou impliceren dat de onderhandelingen over het alomvattende terugtrekkingsakkoord definitief zijn mislukt. Het voorliggende akkoord is niet zomaar tot stand gekomen: het is de uitkomst van lange en moeizame onderhandelingen om een balans te vinden tussen enerzijds de EU-uitgangspunten en anderzijds de rode lijnen van het VK. Het kabinet wil zich volop blijven concentreren op de ratificatie van het terugtrekkingsakkoord en op die manier een einde maken aan de onzekerheid voor burgers.
Het is op dit moment niet noodzakelijk om de bestaande mogelijkheden voor het bezit van een meervoudige nationaliteit voor Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk te verruimen. De redenen hiervoor zijn al eerder ter sprake gekomen (bijvoorbeeld tijdens het AO Brexit d.d. 23 januari 2019). Een alomvattend terugtrekkingsakkoord met het VK blijft de beste manier om de rechten van Nederlanders aldaar te waarborgen. Het VK heeft bovendien toezeggingen gedaan op het gebied van verblijfsrecht voor in het VK verblijvende EU-burgers en Nederland gaat ervan uit dat deze toezeggingen worden nagekomen.
Bent u bekend met het feit dat het Costa-amendement Premier May verplicht om de Europese Raad te verzoeken om het burgerrechtengedeelte van het uittredingsverdrag in alle gevallen – deal of no deal – te garanderen en implementeren?
Ja.
Bent u bereid binnen de Europese Unie vóór de Europese Top van 22 maart het voortouw te nemen om uw collega’s in de Europese Raad ervan te overtuigen dat garanderen van burgerrechten in álle gevallen noodzakelijk is en aldus positief te reageren op het verzoek van Premier May om zo te regelen dat de rechten van burgers in alle gevallen gegarandeerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De rechten van burgers zijn voor het Nederlands kabinet en de rest van de EU altijd topprioriteit in de Brexit onderhandelingen geweest. Ook in de toekomst zal dat zo blijven. Zoals ik in vraag 5 uiteen heb gezet, zal ik mij echter niet inzetten voor een «mini-deal» op de burgerrechten, omdat ik denk dat dit niet de beste oplossing is. De EU-lidstaten, waaronder Nederland, hebben in de ER-richtsnoeren van 29 april 2017 vastgelegd dat er pas overeenstemming over het terugtrekkingsakkoord is als er over alle onderwerpen overeenstemming is bereikt en dat afzonderlijke kwesties niet afzonderlijk kunnen worden geregeld. Een «mini-deal» op burgerrechten zou aanpassing van de ER-richtsnoeren vereisen. Deze aanpassing zou moeten gebeuren met consensus. Het kabinet blijft van mening dat de EU en de Europese Raad namens haar zich vol moeten blijven inzetten voor ratificatie van het terugtrekkingsakkoord.
Het bericht ‘Onverbeterlijke criminele asielzoeker heeft vrij spel’. |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onverbeterlijke criminele asielzoeker heeft vrij spel»?1
Ja.
Is het waar dat criminele bewoners van azielzoekerscentra (azc's) eenvoudig ergens anders «toeslaan als ze van azc wisselen» omdat ze vrij spel hebben omdat ze niet worden gevolgd en geen dossiers over hen worden aangemaakt? Zo ja, waarom worden ze niet gevolgd en waarom wordt niet aan dossiervorming gedaan?
De overlast die wordt veroorzaakt door een beperkte groep asielzoekers, is volstrekt onacceptabel. Dit geldt voor overlastgevend gedrag op de COA-locaties, maar uiteraard ook daarbuiten. Er zijn maatregelen getroffen om de ketensamenwerking te verbeteren. Daarbij is ook het belang van goede informatie-uitwisseling en dossiervorming onderkend.
Dit betekent concreet dat informatie over een (overlastgevende) bewoner bij een overplaatsing op de nieuwe COA-locatie bekend is; dat de politie incidenten op een zodanige manier registreert dat kan worden nagegaan of de betrokkene een asielachtergrond heeft; dat de IND en DT&V ten behoeve van de asielprocedure en het vertrekproces door middel van een uittreksel van de justitiële documentatie nagaan of een asielzoeker eerder met justitie in aanraking is geweest; dat bij overplaatsingen tussen asielzoekerscentra dossiers worden overgedragen, en dat bij de zwaardere overlastgevende asielzoekers, die in een EBTL worden geplaatst, ook de politie wordt ingelicht. Uit gegevens vanuit de migratieketen blijkt dat personen uit de zogenoemde veilige landen relatief vaker dan de gemiddelde asielzoeker overlastgevend en/of crimineel gedrag vertonen. Deze aanvragen worden sneller afgedaan.
Tijdens het AO JBZ op 6 maart jl. heb ik aangegeven dat ik bereid ben te kijken of een additionele databank meerwaarde heeft. Daarbij heb ik tegelijkertijd aangegeven dat er al heel veel zaken worden geregistreerd. Deze registratie is op een aantal punten inmiddels ook verbeterd. Het ontwikkelen van een additionele databank zal ook lang duren. Om die reden is het voor de korte termijn van belang dat bestaande structuren en systemen ten volle worden benut om belangrijke informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn het Lokaal terugkeeroverleg,2 het Regionaal afstemmingsoverleg3 en het lokale driehoeksoverleg.4 Zo is er met diverse gemeenten gesproken over de noodzaak tot nauwere lokale samenwerking om de aanpak van overlast van asielzoekers te doen slagen.
Herkent u de vraag van de politie Kampen om een landelijke database zodat niet achteraf maar vooraf maatregelen mogelijk zijn? Bent u bereid een dergelijke database in te richten waardoor in elk geval van deze categorie gegevens kunnen worden bijgehouden en gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u kennisgenomen van de stelling van Teamchef Ekker dat «met een volgsysteem met incidenten van iedereen die zich in Nederland aanmeldt voor asiel» kan worden ingespeeld op te verwachten overlast»? op welke wijze kunt u hieraan tegemoet komen?
Ja. Met het oog op de veiligheid op COA-locaties houdt het COA een registratie bij van incidenten die op die locaties gebeuren en daarmee is betrokkenheid bij incidenten inzichtelijk in de persoonsdossiers. Dit betekent dat informatie over een bewoner bij een overplaatsing op de nieuwe locatie bekend is. Indien nodig vindt er ook telefonisch contact plaats tussen de locaties ten behoeve van een warme dossieroverdracht. Daarnaast is het zo dat de politie, met het oog op haar taak voor het bewaken van de openbare orde, een registratie bijhoudt van incidenten, op een zodanige manier dat ook kan worden nagegaan of de betrokkene een asielachtergrond heeft. Deze informatie is door geautoriseerde politie-agenten raadpleegbaar. Dus ook als een asielzoeker wordt overgeplaatst naar een nieuwe locatie.
Herkent u het beeld dat de teamchef schetst dat het overplaatsen van asielzoekers, en dus ook die van een kleine groep criminelen, het «rondpompen van het probleem» is? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen waarom criminele asielzoekers niet naar een extra begeleiding en toezicht locatie (ebtl) worden overgeplaatst maar elders in een regulier azc worden ondergebracht?
Nee, dit beeld herken ik niet. De aanpak van criminele asielzoekers vindt in eerste instantie plaats binnen de strafrechtketen. Dit kan vanaf elke COA-locatie en staat los van het verplaatsen van een asielzoeker.
Op de COA locatie is de aanpak van overlastgevend gedrag gericht op optreden tegen onaanvaardbaar gedrag en beïnvloeding van houding en gedrag van overlastgevenden ten behoeve van de veiligheid en leefbaarheid op de locatie, alsook de directe omgeving. Hier bestaat een set aan maatregelen voor, waaronder directe overplaatsing naar een ebtl, overplaatsing naar een andere locatie om de groepsdynamiek te doorbreken en onthouden van verstrekkingen. Er wordt altijd aangifte bij de politie gedaan indien daartoe aanleiding is. Samenwerking tussen betrokken partners is daarnaast van groot belang. Zie hiervoor het antwoord op vraag 6.
Wat gaat u doen om de kern van de kritiek van de politie dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) informatie over criminele asielzoekers niet deelt wanneer deze worden overgeplaatst, weg te nemen?
Er zijn maatregelen getroffen om de ketensamenwerking te verbeteren. Daarbij is ook het belang van goede informatie-uitwisseling en dossiervorming onderkend. Het COA is met de politie in gesprek om te bekijken hoe de samenwerking verbeterd kan worden, aangezien het COA niet altijd op de hoogte is, dan wel wordt gesteld van de criminele gedragingen van de asielzoeker. Verbetering is mogelijk ten aanzien van het delen van informatie en elkaar informeren, binnen de wettelijke kaders van informatieoverdracht.
Het feit dat het ABP jarenlang uitbetaalde partnerpensioenen terugvordert |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van het ABP «ABP past 000 pensioenuitkeringen aan»1 en van de uitzending van Max meldpunt daarover2 en herinnert u zich het vragenuur van 5 maart 2019?
Ik wil om te beginnen, zoals ik aangaf in mijn brief aan uw Kamer van 21 maart jl. (2019–000001969), benadrukken dat ik het jammer vind als pensioengerechtigden te maken krijgen met terugvordering van pensioen. Achteraf moeten merken dat te veel pensioen is ontvangen is zuur. Dat geldt al helemaal indien een pensioengerechtigde te veel ontvangen pensioen moet terugbetalen.
Ja, ik heb kennisgenomen van het persbericht. Sindsdien is duidelijk geworden dat het ABP in 632 gevallen te weinig en in circa 630 gevallen te veel pensioen heeft uitgekeerd. In 75 gevallen gaat het om een klein bedrag (minder dan € 12) aan te veel uitgekeerd pensioen. Het ABP zal voor deze gevallen geen te veel uitbetaalde aanvulling terugvorderen. Daarmee komt het ABP op in totaal 555 gevallen dat zij overgaat tot terugvordering. Ik verwijs hier ook naar een nieuwsbericht van ABP van 15 maart 2019.3
Kunt u aangeven welke foutieve informatie de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan het ABP heeft aangeleverd, wat daarvan de oorzaak was en waarom dit geleid heeft tot te hoge en te lage pensioenen?
Uit contacten met de SVB, het ABP en APG, als haar pensioenuitvoeringsorganisatie, is mij het volgende gebleken.
In 2015 is het recht op partnertoeslag voor nieuwe AOW-gerechtigden afgeschaft. Het pensioenreglement van het ABP bepaalt daarom dat zij, als compensatie voor verlaging van de AOW-partnertoeslag, een aanvulling op het ABP-pensioen verstrekt, die qua hoogte afhankelijk is van de AOW-partnertoeslag. Voor de uitvoering van deze ABP-compensatie maakt APG, als uitvoeringsorganisatie van het ABP, gebruik van een geautomatiseerde gegevensuitwisseling met de SVB.
In de periode december 2013 – mei 2015 is het proces van gegevenslevering door de SVB aan APG gewijzigd. Medio 2013 heeft de SVB nl. het verzoek gekregen van APG om de aanlevering van gegevens te beperken tot alleen de voor APG relevante inkomensmutaties. De SVB meldde nl., naar het oordeel van APG, te veel mutaties. Hierop heeft de SVB in december 2013 een filter geplaatst in de gegevensuitwisseling.
Na invoering van het filter heeft de SVB in oktober 2014 gemeld dat zij mogelijk niet alle relevante inkomensmutaties meer had doorgegeven aan APG. De SVB heeft eind 2014, in afstemming met APG, besloten om het filter te verwijderen.
In de release van mei 2015 heeft de SVB het filter verwijderd. Sindsdien geeft zij alle nieuwe mutaties weer correct door aan APG. APG en de SVB hebben in 2014 en 2015 meermaals gesproken over gemiste inkomensmutaties. APG heeft eind 2015 voor ruim 1500 mensen gemiste inkomensgegevens opgevraagd bij de SVB, die deze data ook heeft geleverd. Naar nu blijkt is in het herstel van de gemiste gegevens niet volledig geweest. Hierdoor bleef APG de aanvulling baseren op het oude, onjuiste inkomensgegevens van de partner en heeft APG deze ook niet herzien.
Medio 2018 ontving de SVB signalen van zijn klanten dat bepaalde gegevens bij APG niet waren doorgekomen en/of verwerkt. Het bleek hier te gaan om gegevens, die de SVB in 2013–2015 had aangeleverd aan APG, over de periode van december 2013 tot mei 2015 over in totaal 2073 klanten. De SVB heeft APG hierover op 28 augustus 2018 geïnformeerd. Pas in oktober 2018 bleek dat het om een significant aantal klanten zou gaan. Op dat moment is een nadere analyse gestart. Op basis van een steekproef is medio december 2018 vastgesteld dat het om circa 700 te veel uitbetaalde aanvulling op het pensioen ging. Na een einddoorrekening en vergelijking tussen de data van APG met die van de SVB is in februari 2019 het definitieve aantal terug te betalen en terug te vorderen vastgesteld. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de zinssnede «(h)et in de periode 2013–2015 te veel uitgekeerde pensioen» in het ABP persbericht? Gaat het alleen om teveel uitbetaald pensioen over die periode of gaat het ook over pensioen over de periode 2015–2019?
Ja. Navraag bij het ABP heeft het volgende opgeleverd. In de periode december 2013 tot mei 2015 zijn voor 2073 deelnemers geen wijziging in de inkomensgegevens doorgegeven. Indien geen nieuwe wijzigingen hebben plaatsgevonden in het inkomen van de partner, lopen de op basis van foutieve inkomensgegevens vastgestelde aanvullingen op het pensioen door tot en met mei 2019. APG zal, conform besluit van het ABP, vanaf 1 juni 2019 de aanvulling beëindigen en tot terugvordering overgaan.
Ben u ervan op de hoogte dat verschillende mensen, die nu geld moeten terugbetalen, tussen 2015 en 2018 brieven hebben ontvangen dat hun uitkering is gewijzigd middels een brief van het ABP waarin stond dat «van de SVB ontvingen wij bericht dat het inkomen van uw partner is gewijzigd»? Waarom werd hun toeslag toen niet aangepast?
Ja, dit heeft het ABP mij bevestigd. De aanvulling op het pensioen zijn niet aangepast indien en voor zover APG geen wijzigingen in inkomensgegevens doorgegeven had gekregen. In het geval APG namelijk wel een inkomenswijziging tussen 2015 en 2018 heeft ontvangen van de SVB, heeft APG de aanvulling vastgesteld, met inachtneming van die wijzigingen. APG heeft in augustus 2018 informatie ontvangen over de periode december 2013- mei 2015. De terugvorderingen zien toe op dit tijdvak.
Kunt u precies aangeven wanneer de SVB onjuiste c.q. onvolledige informatie aan het ABP heeft verschaft en of het ABP in de afgelopen jaren wel juiste en volledige informatie heeft gehad, waardoor ze de fout zelf eerder had kunnen ontdekken?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. In de periode december 2013 – mei 2015 is er een fout gemaakt in de gegevenslevering van de SVB aan APG. Vanaf mei 2015 heeft de SVB alle nieuwe mutaties weer correct doorgegeven aan APG. De fouten als gevolg van de oude nog niet verwerkte mutaties liepen op dat moment nog door.
Klopt het dat er mensen zijn, die zelf deze aanvulling niet hebben aangevraagd en bij wie op het pensioenoverzicht of elders niet stond waarop de «aanvulling pensioen» op gebaseerd was, nu ineens geld moeten terugbetalen aan het ABP?
Pensioengerechtigden hoefden de aanvulling op het pensioen van het ABP (op het achterwege blijven of de verlaging van de AOW-partnertoeslag) niet zelf aan te vragen. Het betreffende toekenningsbericht vermeldde de nieuwe bedragen als bruto totaalbedragen en bevatte, zo liet het ABP mij weten, verder algemene informatie. APG heeft de hoogte van de aanvulling niet nader gespecificeerd in de betreffende toekenningsbrief.
Hoe hadden deze mensen redelijkerwijs kunnen weten dat zij niet een juiste pensioenuitkering ontvingen?
De getroffen ouderdoms- of nabestaandenpensioengerechtigden hebben uit algemene brieven kunnen weten dat zij uitsluitend rechten op pensioen konden ontlenen aan het pensioenreglement van het ABP. In de jaarlijkse uitkeringsspecificatie neemt het ABP geen disclaimer op die duidelijk maakt dat de bedragen mogelijk niet correct zijn. De hoogte van de aanvulling op het pensioen was niet nader gespecifieerd in het betreffende toekenningsbericht.
Klopt het dat het ABP op haar jaarlijkse en maandelijkse overzicht geen enkele disclaimer plaatst, waardoor mensen niet is verteld dat pensioen of een uitkering kan worden teruggevorderd?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat het ABP tot op de dag van vandaag geen berekening gestuurd heeft aan de mensen, bij wie zij geld terugvordert? Hoe beoordeelt u dat?
Ja, dat klopt. Ik ben niet in de positie om te bepalen of dan wel in welk opzicht een pensioenuitvoerder het beste kan voorzien in de informatiebehoefte van de getroffen ouderdoms- of nabestaandenpensioengerechtigden. Pensioengerechtigden zijn niet homogeen. Zij hebben niet per definitie behoefte aan (reken)technische uitleg van hun pensioen. De Pensioenwet schrijft, voor zover hier van belang, daarom voor dat de informatie aansluit bij de informatiebehoefte en kenmerken van o.a. de pensioengerechtigde. Als de pensioengerechtigde zijn of haar pensioenuitkering wil kunnen controleren, dan moet de pensioenuitvoerder juist wel die onderbouwing geven. Het is primair de verantwoordelijkheid van het bestuur van elke pensioenuitvoerder om aan deze eis op een effectieve manier invulling te geven, en niet aan mij. Het ABP heeft overigens tot op 13 februari 2019 slechts circa 10 verzoeken om nadere onderbouwing van de aanvullingen op het pensioen ontvangen.
Betekent deze gang van zaken dat het ABP op elk moment een brief kan schrijven aan een deelnemer en kan zeggen dat (een deel van) de pensioenuitkering onterecht was of foutief berekend was en dat die kan worden teruggevorderd?
Elke pensioenuitvoerder is gehouden het door sociale partners overeengekomen pensioenreglement uit te voeren, aldus de Pensioenwet. Indien de pensioenuitvoerder of, onder diens verantwoordelijkheid de pensioenuitvoeringsorganisatie, een fout heeft gemaakt, dan kan deze via een brief de betrokken deelnemer daarvan op de hoogte stellen. De pensioenregeling bepaalt de hoogte van de pensioenaanspraken van de deelnemers. Als de pensioenuitvoerder meer aan een deelnemer heeft uitbetaald dan waarop deze op grond van het pensioenreglement aanspraak had, dan heeft de pensioenuitvoerder dat betreffende bedrag onverschuldigd betaald aan de deelnemer. De pensioenuitvoerder is gehouden het onverschuldigde bedrag terug te vorderen.
Deelt u de mening dat het zeer, maar dan ook zeer onwenselijk is om gepensioneerden een te hoge uitkering uit te betalen en dan, na stamelend sorry gezegd te hebben, alles in te gaan houden?
Met u vind ik het ongelukkig indien pensioengerechtigden verkeerde bedragen uitgekeerd krijgen. Pensioenuitvoerders mogen echter niet eigenstandig pensioenuitkeringen aanpassen. Uitsluitend het pensioenreglement bepaalt nl. de aanspraken op pensioen of de uitkeringen. Nadat een fout is ontdekt, zijn zij daarom gehouden hetgeen te veel is uitbetaald, terug te vorderen. En als te weinig is uitbetaald, het resterende bedrag alsnog uit te betalen. Bij terugvordering vind ik het van belang dat pensioenuitvoerders rekening houden met de omstandigheden van het geval.
Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan indien pensioenfondsen een al uitgekeerde pensioenuitkering wil terugvorderen? Kunt u zeer gedetailleerd ingaan op de casus dat de uitkeringsgerechtigde geen fraude gepleegd heeft of foutieve informatie heeft aangeleverd en op de situatie dat de pensioenoverzichten geen disclaimers bevatten?
Het is de wettelijke taak van het bestuur van de pensioenuitvoerder om de pensioenregeling uit te voeren, die sociale partners zijn overeengekomen. Het pensioenreglement is immers bepalend voor welke rechten (en plichten) deelnemers en pensioengerechtigden hebben. In het geval het bedrag van een pensioenuitkering aan een pensioengerechtigde niet conform de aanspraak is waarop de gerechtigde volgens het pensioenreglement recht heeft, moet de pensioenuitvoerder deze uitkering dus aanpassen, ongeacht of er een disclaimer in een brief is opgenomen, ook al heeft de pensioengerechtigde geen enkele aanleiding gegeven door bijvoorbeeld fraude te plegen. De informatie over de uitvoering van de pensioenregeling, bijvoorbeeld over de aanspraak op pensioen of, onverhoopt, over de terugvordering van uitbetaalde pensioenen wegens fouten of doorvoering van verlagingen, moet uiteraard «correct» zijn, zoals wettelijk voorgeschreven.
Ik plaats daarbij een belangrijke kanttekening. Ik vind dat pensioenuitvoerders het belang van getroffen pensioengerechtigden centraal moeten stellen door onnodige verjuridisering van de beslechting van geschillen tegen te gaan. Zij kunnen hun verantwoordelijk nemen door erop te sturen dat pensioengerechtigden de gang naar de Ombudsman Pensioenen of zelfs naar de rechter niet hoeven te maken. Dat doen zij door al in de fase van de interne klachtenbehandeling, in eerste instantie of in beroep, tot een redelijk en billijk oordeel te komen over een geschil. Ik acht het niet in het belang van pensioen- en aanspraakgerechtigden indien pensioenuitvoerders hen onnodig zouden dwingen ook nog de gang naar de Ombudsman Pensioen of de rechter te moeten maken om op te komen voor hun rechten.
Tot hoeveel jaar terug kan een pensioenfonds te veel uitbetaald geld nog terughalen bij een deelnemer? Kan een pensioenfonds geld terughalen na 5, na 10 jaar of zelfs na 20 jaar? Kan het ook teruggehaald worden bij de nabestaanden?
Van onverschuldigde betaling is sprake indien een pensioenuitvoerder meer pensioen heeft uitgekeerd dan waarop de betreffende pensioengerechtigde recht had op grond van het pensioenreglement. Op grond van Nederlands burgerlijk recht geldt een verjaringstermijn van 5 jaar voor vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling. De termijn van verjaring vangt aan op de dag dat de schuldeiser zowel met de vordering als de ontvanger van de betaling bekend is geworden. Of de pensioenuitvoerder de vordering wegens overlijden op de nabestaanden mag verhalen is afhankelijk van het erfrecht en de wijze waarop nabestaanden met de erfenis omgaan.
Welke rechten kan een deelnemer ontlenen aan een pensioenoverzicht of aan een jaaroverzicht van een pensioenfonds?
Een deelnemer ontleent zijn of haar aanspraak op pensioen uitsluitend aan het pensioenreglement. Pensioenuitvoerders zijn gehouden het pensioenreglement uit te voeren. Indien een pensioenuitvoerder een bedrag in een brief vermeldt dat niet gebaseerd is op het pensioenreglement, dan verandert daarmee niet de aanspraak op pensioen van die deelnemer.
Informatie over pensioen speelt echter wel degelijk een rol en terecht wat mij betreft. Fouten ondermijnen het vertrouwen in het nut van informatie. Fouten ondermijnen daarmee ook het gebruik van informatie. Of een deelnemer nl. gerechtvaardigd mag vertrouwen op informatie van de pensioenuitvoerder die later niet correct blijkt te zijn, is volgens jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Indien de deelnemer aantoonbaar schade lijdt als gevolg van foutieve informatie of van het herstel van de gemaakte fout, dan kan de uitvoerder aansprakelijk zijn voor die schade.
Indien een deelnemer geen absolute rechten kan ontlenen aan een Uniform Pensioenoverzicht (UPO), heeft hij/zij dan wel de mogelijkheid om een document van het pensioenfonds te vragen en te krijgen waaraan hij/zij rechten kan ontlenen?
Een deelnemer mag altijd vragen om extra informatie, bijvoorbeeld berekeningen, en om uitleg daarvan. Dat recht kent de Pensioenwet hem of haar toe. Een deelnemer kan, ter versterking van zijn rechtspositie, altijd vragen om een bevestiging van de juistheid van de ontvangen informatie. Evenzeer staat het een deelnemer vrij bij de pensioenuitvoerder aan te geven dat hij of zij zich voor een bepaald besluit baseert op de (juistheid en volledigheid van de) ontvangen informatie.
Indien een pensioenfonds meent dat teveel pensioen is uitbetaald, mag het fonds het teveel betaalde dan terughalen door in te houden op toekomstige uitkeringen? Zo ja, welke minimumwaarborgen gelden dan (informatieplicht, eerst bezwaar en beroep, maximum inhouding, maximum termijn uit het verleden waarover teruggevorderd mag worden)?
Een pensioenuitvoerder heeft de wettelijke taak het pensioenreglement uit te voeren, hetgeen betekent dat zij, in geval van uitbetaling van meer pensioen dan waarop de pensioengerechtigde recht heeft, het te veel uitgekeerde moet terugvorderen.
Ik vind dat het bestuur van een pensioenuitvoerder er verstandig aan doet van tevoren vastgesteld terugvorderingsbeleid te hebben, waarin inhoudelijke- en proceswaarborgen zijn opgenomen, die ook rekening houden met het belang van de getroffen pensioengerechtigde.
Het is niet aan mij om die waarborgen voor te schrijven. Dat is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de uitvoerder, dat uiteraard rekening moet houden met het toepasselijke recht, waaronder verjaringstermijnen en stuiting daarvan, en, minstens even belangrijk, vaste jurisprudentie over het recht op terugvordering en redelijke en billijke voorwaarden voor de terugvordering. Is en blijft een pensioengerechtigde het oneens met de individuele terugbetalingsregeling die de pensioenuitvoerder voorstelt, dan staat de interne klachtenprocedure open, en daarna, als het kennelijk niet anders kan, het aanhangig maken van een zaak bij de Ombudsman Pensioenen en/of de rechter.
Welke actie kan een deelnemer ondernemen om een pensioenfonds te verhinderen dat geld wordt ingehouden op zijn huidige pensioenuitkering omdat hij het niet eens is met de verrekening?
Een deelnemer kan opkomen tegen een terugvordering van (een deel van de) pensioenuitkering, door een interne klacht in te dienen, en daarvan zonodig intern in beroep te gaan als het pensioenreglement hierin voorziet. Daarna kan de deelnemer een zaak voorleggen aan de Ombudsman Pensioen. De deelnemer zou, onverhoopt, ook meteen de rechter kunnen vragen in kort geding om zijn of haar pensioenfonds te verplichten die verrekening nog niet of niet onverkort door te voeren.
Hoe gaat de belastingdienst om met de inhoudingen op de pensioenen, die feitelijk betrekking hebben op achterliggende jaren?
Als de terugbetaling van te veel genoten pensioen plaatsvindt door inhouding op de lopende pensioenuitkering, dan is die terugbetaling aan te merken als negatief loon. In paragraaf 4.9.1 van het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst staat uitgeschreven welke mogelijkheden er zijn en hoe dat moet worden uitgevoerd.
De pensioengerechtigde kan fiscaal ook om een andere verrekeningsoplossing vragen die gebaseerd is op een goedkeuring in een besluit van de Staatssecretaris van Financiën. Als de pensioengerechtigde het teveel genoten bedrag in een ander jaar heeft terugbetaald, kan dit leiden tot een belastingnadeel ten opzichte van de situatie dat hij die inkomsten niet zou hebben genoten. De pensioengerechtigde kan de belastinginspecteur verzoeken om het te veel genoten – en later terugbetaalde – pensioen als niet genoten aan te merken. Daardoor wordt het inkomen in dat jaar lager vastgesteld en vindt een herrekening van de aanslag plaats. De pensioengerechtigde moet dan wel afzien van zijn recht om de terugbetaling in het jaar van terugbetaling als negatief inkomen aan te merken.
Indien een persoon over bijvoorbeeld 2015 toch recht gehad zou hebben op toeslagen (of hogere toeslagen) kan hij die dan alsnog aanvragen? Zo nee, wie kan de pensioengerechtigde dan daarvoor aansprakelijk stellen?
Ik verwijs allereerst naar mijn antwoord op vraag 18. De daar beschreven andere verrekeningsoplossing houdt in dat het inkomen over 2015 lager wordt vastgesteld. Daarmee worden dan ook zonder afzonderlijk verzoek toeslagen aan de hand van dat inkomen opnieuw bepaald. Mocht die nieuwe vaststelling uitblijven of anders uitvallen dan verwacht, dan kan de burger zich wenden tot de Belastingdienst Toeslagen.
De pensioengerechtigde kan daarnaast altijd, ondersteund door vaste jurisprudentie, voor aantoonbare schade geleden als gevolg van foutieve informatie of fouten die de pensioenuitvoerder herstelt, vergoeding van schade claimen van en bij de pensioenuitvoerder. Als beide partijen er niet uitkomen, kan de pensioengerechtigde altijd nog, in uiterste geval, naar de rechter stappen.
Heeft u overleg gehad met het ABP? Wat was de uitkomst van het overleg? Is het ABP bereid om de getroffen mensen ook echt tegemoet te komen door (een deel van) de schade zelf te dragen?
In mijn contact met het ABP heb ik aandacht gevraagd voor zorgvuldige en coulante uitvoering van haar terugvorderingsbeleid. Het is aan het bestuur van elke pensioenuitvoerder om intern daarover verantwoording af te leggen, zeker ook bij terugvordering van ten onrechte uitgekeerd pensioen of bij nabetaling van te weinig uitgekeerd pensioen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden, zodat er voor de terugvorderingen opnieuw zouden kunnen beginnen een nieuwe politieke afweging kan plaatsvinden?
Ik heb gepoogd uw Kamer mijn antwoorden zo snel als mogelijk te sturen.
Het bericht 'Vaststelling WOZ door gemeenten rammelt' |
|
Albert van den Bosch (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaststelling WOZ door gemeenten rammelt»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Wat vindt u van het bericht dat 17 gemeenten een onvoldoende scoren op het vaststellen van de WOZ?
Gemeenten die een onvoldoende scoren worden onder verscherpt toezicht geplaatst en dienen binnen een bepaalde termijn afgesproken verbeteringen te realiseren. Ten opzichte van de situatie die blijkt uit antwoorden op de vragen van de leden Van den Bosch en Lodders over het bericht «Tientallen gemeenten hebben geen goed beeld van WOZ-waarde huizen» van 12 september 2018, die door de Minister van BZK op 9 november 2018 mede namens mij zijn beantwoord,2 blijkt dat sprake is van een verbetering. Er was destijds immers sprake van 26 gemeenten die een onvoldoende scoorden met betrekking tot de uitvoering van de Wet WOZ.
Hierbij zij opgemerkt dat als de Waarderingskamer van oordeel is dat in een gemeente de uitvoering van de Wet WOZ op onderdelen verbeterd moet worden, de Waarderingskamer toch van mening kan zijn dat de kwaliteit van de nieuwe taxaties wel voldoende geborgd is, zodat de nieuwe WOZ-waarden bekend gemaakt kunnen worden. In het algemeen oordeel over de WOZ-uitvoering worden namelijk veel meer aspecten van de WOZ-uitvoering beoordeeld dan alleen de kwaliteit van de taxaties. Bij gemeenten met het oordeel «moet op onderdelen worden verbeterd» (verscherpt toezicht) wordt de kwaliteit van nieuwe taxaties extra zorgvuldig door de Waarderingskamer beoordeeld door middel van een intensief onderzoek.
Hoeveel gemeenten hebben de WOZ-beschikking niet mogen versturen omdat de Waarderingskamer daar geen toestemming voor heeft gegeven? Hoeveel gemeenten hebben de WOZ-beschikking pas later mogen vesturen?
De Waarderingskamer heeft bij alle gemeenten ingestemd met het bekend maken van de WOZ-waarden. Daarbij zij opgemerkt dat ten aanzien van circa tien gemeenten pas is ingestemd nadat de Waarderingskamer een herhalingsonderzoek heeft uitgevoerd om te beoordelen of de afgesproken verbeteringen waren gerealiseerd. Bij andere gemeenten heeft de Waarderingskamer bij haar onderzoek wel extra controles door de gemeente zelf voorgeschreven, maar het niet noodzakelijk geacht de resultaten van deze extra controles zelf te onderzoeken, voordat de gemeente de WOZ-waarden bekend mocht maken aan de inwoners en bedrijven.
Er waren dit jaar geen gemeenten die, als gevolg van door de Waarderingskamer opgelegde verbeteracties, de WOZ-waarden in hun gemeenten later dan 28 februari bekend hebben gemaakt.
Wat zijn de oorzaken van het feit dat een aantal gemeenten (nog steeds) onvoldoende scoort?
De oorzaken voor het scoren van een onvoldoende bij de uitvoering van de Wet WOZ zijn divers. De betreffende gemeenten scoren bijvoorbeeld onvoldoende op het bijhouden van de registratie van objectenkenmerken. Een andere veel voorkomende oorzaak voor een negatieve beoordeling van de Waarderingskamer is gelegen in achterstanden die gemeenten hebben bij bijvoorbeeld het afhandelen van bezwaarschriften of het tijdig verzenden van beschikkingen. Verder beoordeelt de Waarderingskamer ook of WOZ-gegevens tijdig en juist beschikbaar komen voor waterschappen en Belastingdienst.
De beoordeling van de Waarderingskamer heeft dus niet alleen betrekking op de kwaliteit van de WOZ-taxaties of activiteiten die daaraan ten grondslag liggen, maar ook op andere werkzaamheden die van belang zijn voor inwoners en bedrijven of op werkzaamheden die van belang zijn voor afnemers, zoals waterschappen en Belastingdienst.
In het geval dat de Waarderingskamer instemt met het bekend maken van de WOZ-waarden terwijl die gemeente een onvoldoende scoort, zoals in sommige situaties gebeurt, op welke manier kunnen mensen dan achterhalen of het de gemeente betreft waarin zijn wonen? En deelt u de mening dat een gemeente die een onvoldoende scoort meer duidelijkheid moet geven aan de mensen?
De Waarderingskamer stemt niet in met het verzenden van de WOZ-beschikkingen als zij bij haar controles concludeert dat de kwaliteit van de WOZ-taxaties bij een gemeente onvoldoende is. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kan het wel voorkomen dat gemeenten waarbij de kwaliteit van de WOZ-taxaties voldoende is, om andere redenen als «algemeen oordeel» een onvoldoende krijgen.
Op de website van de Waarderingskamer3 kunnen belanghebbenden zien of de Waarderingskamer heeft ingestemd met het bekend maken van de WOZ-waarden. De website van de Waarderingskamer biedt daarvoor voor elke gemeente een afzonderlijke pagina. Daar kan ook het algemene oordeel worden geraadpleegd. Op de website zijn daarnaast per gemeente de rapportages van recente onderzoeken door de Waarderingskamer te raadplegen. In deze rapportages wordt nader toelichting gegeven op de kwaliteit van de uitvoering van de Wet WOZ door de betreffende gemeente. Door deze werkwijze wordt transparantie over de kwaliteit van de uitvoering van de Wet WOZ en over de totstandkoming van het algemeen oordeel van de Waarderingskamer bereikt.
De gemeenteraad is primair aan zet om ervoor te zorgen dat de gemeente haar inwoners informeert over de eventuele gevolgen van de beoordeling van de kwaliteit van de uitvoering van de Wet WOZ door de Waarderingskamer.
Klopt het dat ook de Waarderingskamer met een enorme achterstand te maken heeft? Zo ja, wat vindt u hiervan en treedt u met de Waarderingskamer in overleg om afspraken te maken over een inhaalslag?
Nee, dat klopt niet. De Waarderingskamer heeft mij laten weten dat er geen sprake is van achterstanden.
Kunt u een overzicht geven waarin staat hoe de overige gemeenten scoren op het vaststellen van de WOZ? Kunt u hierbij een overzicht geven per uitgereikte ster? Zo nee, waarom niet?
Onderstaand overzicht toont het aantal gemeenten per beoordelingscategorie.
Algemeen oordeel Waarderingskamer
Gemeenten
Een ster
0
Twee sterren
17
Drie sterren
105
Vier sterren
167
Vijf sterren
66
Hierbij merk ik wel op dat de oordelen van de Waarderingskamer worden aangepast als de situatie verandert, zoals ook al blijkt uit het antwoord op vraag 2. Als gebleken is dat een gemeente die een onvoldoende scoorde het probleem heeft opgelost, wordt het algemeen oordeel dus aangepast.
Dit overzicht toont de situatie per eind februari jongstleden; het moment waarop gemeenten wettelijk verplicht zijn de WOZ-waarden bekend te maken aan belanghebbenden. De stand van 1 januari van een jaar en de ontwikkeling in dat jaar publiceert de Waarderingskamer elk jaar in haar jaarverslag, dat ook aan beide kamers der Staten-Generaal wordt aangeboden.
Klopt het dat de Waarderingskamer een controle uitvoert op de processen om te komen tot de WOZ en niet op de waardebepaling van de woningen, bedrijfsgebouwen of overige? Wat vindt u van deze controle? Bent u van mening dat er voldoende inhoudelijk toezicht is op het vaststellen van de WOZ? Zo ja, op basis van welke controle-instrumenten bent u die mening toegedaan? Zo nee, wat gaat u er aan doen om de controle op de waardebepaling van objecten te verbeteren?
Ik ben van mening dat de Waarderingskamer voldoende inhoudelijk toezicht houdt op het WOZ-proces van gemeenten, en daarmee op het vaststellen van WOZ-waarden.
De Waarderingskamer voert bij alle gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten verschillende soorten onderzoeken uit. Sommige onderzoeken richten zich inderdaad op de werkprocessen die ten grondslag liggen aan de WOZ-taxaties, en de interne beheersing daarvan. De Waarderingskamer heeft in haar werkplan, dat gepubliceerd is op haar website, beschreven welke aantallen per soort onderzoek het betreft.
Zo voert de Waarderingskamer per jaar 90 inspecties ter plaatse uit bij gemeenten en ruim 10 onderzoeken naar de interne beheersing bij gemeenten. Door de diverse samenwerkingsverbanden is het aantal gemeenten dat betrokken is bij een onderzoek veel groter. Daarnaast zijn van alle gemeenten de resultaten van de zelfevaluaties beschikbaar en verder worden ook kengetallen uit de Landelijke Voorziening WOZ gebruikt.
In andere onderzoeken wordt de kwaliteit van de WOZ-taxaties beoordeeld. Deze onderzoeken vinden jaarlijks plaats bij circa 100 gemeenten, voordat de nieuwe WOZ-beschikkingen worden verstuurd. Bij de overige gemeenten worden de nieuwe WOZ-taxaties beoordeeld op basis van kengetallen die de gemeente in het kader van de zelfevaluatie aan de Waarderingskamer verstrekt. Als noch uit deze kengetallen, noch uit andere signalen blijkt dat er iets niet in orde is, stemt de Waarderingskamer zonder nader onderzoek in met het nemen van WOZ-beschikkingen door die gemeente. Als uit deze kengetallen blijkt dat de kwaliteit van de WOZ-taxaties mogelijk onvoldoende is, stelt de Waarderingskamer een diepgaand onderzoek in. Met deze risicogerichte aanpak wordt mijns inziens in voldoende mate inhoudelijk toezicht gehouden door de Waarderingskamer.
De diverse typen onderzoeken van de Waarderingskamer hebben allemaal tot doel het beoordelen van (onderdelen van) het WOZ-proces. Bij de onderzoeken naar de kwaliteit van de taxaties wordt specifiek beoordeeld of de waardebepaling van woningen en niet-woningen correct verloopt.
Welke sancties worden er opgelegd aan die gemeenten die een onvoldoende scoren?
De maatregelen die worden toegepast als er bij gemeenten sprake is van tekortkomingen, zijn beschreven in de interventieladder, die een onderdeel is van het bestuursreglement van de Waarderingskamer. Deze interventieladder onderscheidt een zestal fasen. In de gemaakte afspraken tussen de Waarderingskamer en het Ministerie van Financiën, komt de Waarderingskamer in actie in de eerste drie fasen en komt de Staatssecretaris van Financiën in actie in de laatste drie fasen.
De interventieladder bestaat uit de volgende fasen:
Het maken van afspraken over vervolgacties, zoals benoemd in de derde fase van de interventieladder, betreft een formele aanbeveling aan een gemeente, zoals geregeld in artikel 21 van de Wet WOZ. In de praktijk is het toepassen van deze formele aanbeveling als sanctie zelden nodig, omdat de colleges van burgemeester en wethouders het belang van nakoming van afspraken met de Waarderingskamer voldoende inzien.
Wat is de termijn waarop de gemeenten die een onvoldoende scoren hun processen op orde moeten hebben? Welke sancties worden er opgelegd indien dit niet binnen de afgesproken termijn is gelukt? Bij hoeveel gemeenten is de waardering meer dan twee jaar (op onderdelen) niet op orde?
Bij het bepalen van de termijn die gemeenten krijgen om hun gegevens of werkprocessen op orde te krijgen, houdt de Waarderingskamer rekening met de omvang van de organisatie en de aard van de problemen. De maximale termijn die bij het maken van afspraken wordt gehanteerd, is een periode van twee jaar. Dergelijke verbetertrajecten worden door de Waarderingskamer nauwlettend gevolgd. In het antwoord op vraag 9 is toegelicht welke stappen, conform de interventieladder van de Waarderingskamer, worden genomen als een gemeente er onvoldoende in slaagt om verbetermaatregelen door te voeren.
Er is op dit moment één samenwerkingsverband van gemeenten, waarbij al meer dan twee jaar sprake is van een onvoldoende beoordeling. Dit samenwerkingsverband heeft de afgelopen periode een intensief verbetertraject doorlopen, waarbij uiteraard ook de desbetreffende gemeenten betrokken zijn. De Waarderingskamer heeft mij laten weten dat bij dit samenwerkingsverband de afgelopen periode al verbeteringen zijn geconstateerd en dat op korte termijn een afrondend onderzoek zal worden uitgevoerd om te beoordelen of de benodigde verbeteringen volledig zijn doorgevoerd, zodat het oordeel «voldoende» op zijn plaats is.
Welke rol of bevoegdheid heeft de rijksoverheid in de controle op de waardebepaling van objecten?
Zoals geschetst in de interventieladder in het antwoord op vraag 9, heeft de rijksoverheid pas een rol in de richting van individuele gemeenten op het moment dat is gebleken dat het toezicht van de Waarderingskamer, inclusief een formele aanbeveling, onvoldoende effect sorteert.
Deelt u de mening dat de waardebepaling van woningen, bedrijfsgebouwen en overige op een zorgvuldige manier moet gebeuren omdat de WOZ-waarde gebruikt wordt voor belastingen en heffingen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de waardebepaling van woningen, bedrijfsgebouwen en overige objecten in het kader van de Wet WOZ zo zorgvuldig mogelijk moet gebeuren. Daarbij zij opgemerkt dat bij een massaal proces, zoals aan de orde bij de WOZ-taxaties, altijd een afweging moet worden gemaakt tussen de noodzakelijke minimale inspanning om tot een betrouwbare uitkomst te komen en de toegevoegde waarde van bovenmatige inspanningen. Het zou bijvoorbeeld niet verantwoord zijn als in het kader van de WOZ-taxaties voorgeschreven zou worden dat elke woning van binnen moet worden opgenomen. Dat is niet efficiënt en voor een betrouwbare uitkomst ook niet nodig.
Zoals ik ook al in de antwoorden op de vragen van de leden Van den Bosch en Lodders van 12 september 2018 heb aangegeven, ben ik van mening dat Nederlanders uit moeten kunnen gaan van een betrouwbare overheid. Om die reden kent de Wet WOZ ook een toezichthouder, de Waarderingskamer. Het oordeel welke sancties op welk moment worden toegepast is aan de Waarderingskamer. Ik ga ervan uit dat, gelet op de samenstelling van dit zelfstandig bestuursorgaan, een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt aan de manier waarop de Waarderingskamer intervenieert. Daarbij zullen ongetwijfeld doelmatigheid en doeltreffendheid een rol spelen. Uit de evaluatie met betrekking tot de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de Waarderingskamer over de periode 2011–2016, is naar voren gekomen dat het toezicht op de Wet WOZ door de Waarderingskamer adequaat functioneert4.
Klopt het dat mensen bij een te hoog of te laag vastgestelde WOZ te veel of te weinig belasting betalen, maar dit ook gevolgen kan hebben voor de omvang van bijvoorbeeld een hypotheek? Zo ja, deelt u de mening dat de waardevaststelling bij iedere gemeente een voldoende zou moeten scoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke afspraken gaat u met de gemeenten maken om de waardebepaling voor alle gemeenten op een voldoende niveau te brengen?
Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in haar brief van 13 maart 20195 aan de Kamer heeft laten weten, wordt de WOZ-waarde van woningen in sommige gevallen ook gebruikt bij de beoordeling van een financieringsaanvraag, waarbij als zekerheid het recht van hypotheek wordt gegeven. Het komt ook voor dat met een WOZ-waarde de overwaarde overtuigend kan worden aangetoond en dat de bank bij een financiering bereid is tot verlaging van het geldende rentepercentage.
Ook voordat woningwaarden openbaar te vinden waren, mochten verzekeraars6 en aanbieders van hypothecair krediet7 op grond van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet WOZ al worden aangewezen als derden, waaraan het waardegegeven van een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient, kan worden verstrekt. Voorwaarde daarbij is dat zij om het waardegegeven verzoeken ten behoeve van de vergelijking met de veronderstelde waarde van een aan een financieringsaanvraag ten grondslag liggend waarde-object.
Het feit dat verstrekkers van hypothecair krediet de WOZ-waarde benutten om risico’s in te schatten en daarop mede de hoogte van de te betalen rente baseren, geeft aan dat zij WOZ-waarden in het algemeen herkennen als een adequate inschatting van de marktwaarde van de woning.
Gezien zowel het belang voor de belastingheffing als voor andere vormen van gebruik van de WOZ-waarde, ben ik van mening dat de WOZ-waarde altijd zorgvuldig moet worden vastgesteld. Het feit dat de Waarderingskamer bij gemeenten waar de WOZ-uitvoering in zijn geheel (nog) niet op orde is, extra controles uitvoert, voordat zij instemt met het bekend maken van de WOZ-waarden aan inwoners en bedrijven, biedt daartoe in mijn ogen adequate waarborgen.
Hebben mensen door een te hoog vastgestelde WOZ te veel belasting betaald? Zo ja, hoeveel mensen en om welke bedragen gaat dit? Hoe was dit in de afgelopen jaren?
Ingeval de WOZ-waarde naar de mening van een belanghebbende te hoog (of te laag) is vastgesteld, kan hij daartegen binnen zes weken na de dagtekening van de WOZ-beschikking bezwaar maken. Als een belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de bezwaarmogelijkheid, bijvoorbeeld omdat hij het eens is met de vastgestelde waarde, of als het bezwaar ongegrond is verklaard, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een te hoog vastgestelde WOZ-waarde waardoor te veel belasting wordt betaald. In mijn antwoorden op de vragen van de leden Van den Bosch en Lodders van 12 september 2018, heb ik aangegeven dat ik noch de Waarderingskamer precieze cijfers hebben. De Waarderingskamer baseert zich bij haar cijfers (feiten over de WOZ) op de gegevens die de gemeenten desgevraagd aanleveren. Op haar website publiceert de Waarderingskamer ook de gegevens over de afgelopen jaren.
Tot slot merk ik nog op dat de WOZ-waarde een waardering van het WOZ-object betreft. Het waarderen van een WOZ-object is geen exacte wetenschap. Er is dan ook sprake van een zekere beoordelingsmarge ten aanzien van de waarde van het WOZ-object. Mede vanwege deze beoordelingsmarge en de signalen die wij hebben ontvangen dat hierdoor door «no cure no pay»-bedrijven een verdienmodel wordt gehanteerd, heeft de Minister voor Rechtsbescherming mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en mij in antwoord op de vragen van de leden Van der Molen, Ronnes en Van Dam van 17 juli 20188 aangegeven dat een onderzoek naar de ontwikkeling van de aantallen bezwaren door no cure no pay bedrijven en de in verband daarmee toegekende kostenvergoedingen zal worden uitgevoerd.
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van de motie-Lodders/Van Weyenberg2 tijdens de behandeling van het Belastingplan heeft aangegeven dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties contact zou hebben met medeoverheden over het buiten de OZB laten van zonnepanelen? Heeft dit contact al plaatsgevonden? Zo ja, wat waren de uitkomsten en wat is er afgesproken? Zo nee, waarom niet en kan het nieuwsbericht van BNR hierin worden meegenomen?
Naar aanleiding van de motie-Lodders/Van Weyenberg vindt overleg plaats tussen BZK en de VNG. Samen met de VNG wordt onder andere in kaart gebracht wat de gevolgen van het buiten de OZB laten van zonnepanelen zijn voor de WOZ-administratie van gemeenten alsmede voor de inwoners. Zodra meer over de uitkomsten hiervan bekend is, zal de Minister van BZK u hierover informeren.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van Kamervragen over het niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen, op 4 maart 2019 de Kamer heeft geinformeerd dat u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunt beantwoorden? Kunt u toelichten waarom?1 2
Ja. De reden was de benodigde afstemming over de beantwoording, zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 4 maart 2019 (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1784).
Kunt u toelichten waar u precies op doelt als u schrijft: «Vanwege de nodige afstemming betreffende de beantwoording kunnen de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord worden»? Met wie moet u de beantwoording afstemmen?
De antwoorden dienden te worden afgestemd met de NVWA en RVO.nl.
Zijn er al wel gegevens bekend over de sterfte onder lammeren die in 2018 geboren zijn in de melkgeitenhouderij? Zo nee, hoe is dat mogelijk, gelet op uw aankondiging dat per 1 januari 2018 ieder bedrijf per kwartaal inzicht moet geven in het uitvalspercentage onder lammeren die op het bedrijf zijn geboren?3
De maatregelen uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes zijn door de sector per 1 januari 2018 ingebed in het keten-kwaliteitszorgsysteem KwaliGeit. Bedrijven zijn op grond van het plan van aanpak verplicht ieder kwartaal onderbouwd inzicht te geven in de uitvalspercentages. Deze gegevens worden geleverd aan en gecontroleerd door Qlip, een onafhankelijke private organisatie die bewaakt of melkgeitenhouders de normen uit KwaliGeit naleven. Het plan van aanpak verplicht ondernemers dus niet om per kwartaal aan de overheid inzicht te geven over het uitvalspercentage onder lammeren die op hun bedrijf zijn geboren.
Geitenhouders zijn verplicht om geboortes te melden in het I&R-systeem. Op basis van de gegevens uit I&R zijn sterftecijfers voor 2018 afgeleid. Voor deze sterftecijfers verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de schriftelijke vragen van de PvdD-fractie met kenmerk 2019Z02541 (ingezonden 11 februari 2019).
Hebben de bedrijven per kwartaal de cijfers aan u gemeld? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u alle cijfers die al wel beschikbaar zijn per ommegaande doorsturen naar de Kamer nu u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn zegt te kunnen beantwoorden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Foute verkeersboetes op de A29 |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het arrest Wet administratiefrechtelijke handhaving (WAHV) 200.243.592 d.d. 13 februari 2019 dossier Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) 206055766 waarbij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam van 16 juli 2018?
Ja, het arrest is mij bekend.
Welke gevolgen verbindt u aan het arrest? Klopt het dat het, naast dit dossier, nog circa 18.000 uitgedeelde boetes betreft? Wat is de totale financiële consequentie van vernietiging van al deze boetes? Deelt u de mening dat dit financiële aspect nimmer leidend mag zijn nu blijkt dat het openbaar ministerie (OM) fout zit?
Het arrest geeft geen aanleiding om tot terugbetaling van de boetes over te gaan. Ik zal dit hieronder toelichten. Overigens ben ik het met u eens dat het financiële aspect niet leidend mag zijn.
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen over «tienduizenden foute flitsboetes op de A29» en uw antwoorden op deze vragen?1 Hoe moet uw antwoord op vraag 8 worden geduid, waarin u eigenlijk stelt ook op te komen voor de getroffen automobilisten, zeker nu blijkt dat het hoger beroep voor hen gunstig uitvalt?
Ik sta nog steeds achter het eerder gegeven antwoord. Belangrijk is op te merken dat het Gerechtshof niet heeft geoordeeld dat de snelheidsmeting onbetrouwbaar is geweest. Het Gerechtshof is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, omdat deze zaak niet voor hoger beroep in aanmerking komt. Er is namelijk geen hoger beroep mogelijk indien na de beslissing van de kantonrechter een sanctie resteert die niet meer dan € 70,– bedraagt. De onderhavige zaak voldoet niet aan dit criterium omdat de sanctie door de kantonrechter was vernietigd.
Kunnen de getroffen automobilisten erop rekenen dat, nu het vonnis onherroepelijk is, u het OM opdraagt om niet flauw te zijn en zo spoedig mogelijk wordt overgegaan tot terugbetaling van deze onterechte boetes? Waarom zou een vertraging nog te billijken zijn als zo overduidelijk is dat het OM fout zit?
Voor de meetapparatuur die is gebruikt is een handleiding geschreven die deel uitmaakt van de certificering van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Voor een rechtsgeldige meting moet conform de eisen uit de handleiding worden gemeten. In de handleiding staat bij welke kromming van het weggedeelte geen deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. In de onderhavige zaak is aangevoerd dat de kromming van de bocht te groot was voor een deugdelijke snelheidsmeting. De rechter die de zaak behandelde heeft in de betreffende bocht door de politie een snelheidsmeting laten doen.
Op grond van die metingen heeft de rechter geoordeeld dat op die plaats geen meting had mogen worden uitgevoerd. Het beroep werd daarom gegrond verklaard.
Het OM heeft nadien op dezelfde locatie het NMi metingen laten verrichten. Het NMi heeft toen geconcludeerd dat de snelheidsmeting voldeed aan de eis uit de handleiding. Dit betekent dat de snelheidsmeting niet onbetrouwbaar is geweest en de boetes derhalve niet onterecht zijn opgelegd.
Dit had het OM graag in hoger beroep naar voren gebracht, maar zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven is het gerechtshof niet aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen.
De nog lopende zaken die betrekking hebben op snelheidsmetingen op dezelfde locatie worden alsnog met het onderzoeksrapport van het NMi aangebracht bij de rechter.
Kent u ook het artikel «OM: Onterechte snelheidsboetes A29 worden (nog) niet terugbetaald»?2 Deelt u de mening dat de automobilisten zonder gedoe hun geld moeten terugkrijgen?
Ja, ik ken het artikel, maar ik deel die mening, voor zover deze betrekking heeft op de onderhavige casuïstiek, niet. Na onderzoek is immers gebleken dat de snelheidsmetingen betrouwbaar waren en derhalve niet aan de grondslag van de boetes hoeft te worden getwijfeld. De inning van de lopende boetes zal daarom ook weer worden opgestart.
Is het niet vreemd dat het OM stelt dat ze de boetes stuk voor stuk moet gaan onderzoeken, aangezien duidelijk was op welke plek de boetes onrechtmatig waren? Klopt het dat het OM verder stelt dat uit een contra-expertise zou kunnen blijken dat de boetes mogelijk wel rechtmatig zijn, ondanks dat de politie al waarschuwde tegen de wijze van plaatsen van de flitser en het feit dat dit niet conform het handboek was en bent u op de hoogte dat er wegwerkzaamheden op de locatie zijn geweest die de contra-expertise bij voorbaat onbetrouwbaar maken? Waarom traineert het OM dusdanig en speelt zij een spel jegens automobilisten? Waarom erkent het OM haar verlies niet en waarom stort zij het geld niet direct terug naar de individuele automobilisten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven is door het NMi onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de metingen. Uit dat onderzoek van het NMi is gebleken dat de metingen betrouwbaar waren en dat de bochtstraal ruim binnen de wettelijke marge valt. Het NMI is de autoriteit op het gebied van snelheidsmetingen en heeft dit onderzoek deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Ik zie geen redenen om te twijfelen aan dit onderzoek.
In hoeverre ondermijnt het OM met deze bewuste handelwijze het vertrouwen van mensen in de overheid als geheel? Deelt u de mening dat hier leiderschap nodig is en dat u, als verantwoordelijk Minister, zeker in staat moet zijn dit juridisch getouwtrek te laten stoppen?
Ik ben van oordeel dat het OM een juiste afweging heeft gemaakt om het onderzoek van het NMi af te wachten en geen overhaaste beslissing te nemen. Ik vind dit zorgvuldig. De betrokken burgers hebben overigens zelf de mogelijkheid (gehad) om beroep in te stellen tegen de boete. Gebleken is dat de snelheidsmetingen correct zijn uitgevoerd. Van een handelwijze waarmee het vertrouwen van burgers is geschaad is naar mijn mening geen sprake geweest.
De dreigementen van de Turkse minister van Binnenlandse Zaken richting Europese toeristen die Turkije zouden verraden |
|
Bente Becker (VVD), Sven Koopmans (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Turkse Minister van Binnenlandse Zaken gezegd zou hebben dat degenen die in Europa Turkije «verraden» door het bijwonen van bepaalde bijeenkomsten en vervolgens op vakantie naar Turkije gaan, opgepakt en gedetineerd zullen worden?1
De Turkse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat personen die terroristische bijeenkomsten in Europa bijwonen, in Turkije aangehouden kunnen worden. Dit werd gezegd in een breder verband van opmerkingen over bijeenkomsten van de PKK. De PKK is een organisatie die ook door de EU en Nederland gezien wordt als een terroristische organisatie. Zoals in het reisadvies Turkije vermeld, beschouwt Turkije daarnaast de Gülenbeweging als terroristische organisatie. Turkije vervolgt personen die aan deze beweging verbonden zijn, of ervan verdacht worden deze te steunen. Nederland beschouwt de Gülenbeweging overigens niet als een terroristische groepering. Voor zover het kabinet bekend is er geen sprake van een beleidswijziging van de Turkse regering.
Bent u reeds door de Turkse autoriteiten geïnformeerd over dit beleid(svoornemen)? Wat betekent dit voor Nederlandse staatsburgers die zich in Nederland of elders in Europa kritisch uitlaten over (mensenrechtenschendingen in) Turkije of sympathie tonen voor de Koerdische zaak? Geldt deze «belofte» enkel voor degenen die werkelijk deel uitmaken van door zowel de EU als Turkije erkende terreurorganisaties of voor allen die betrokken zijn bij de vele groepen en bewegingen die de afgelopen jaren door Turkse bewindslieden als «terroristisch» zijn bestempeld?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Nederlanders met een Turkse achtergrond geen verantwoording hoeven af te leggen aan Turkije en dat dergelijke berichten over de gevolgen van «verraad» ongewenste spanningen opleveren in de Nederlandse samenleving en de integratie tegenwerken?
Het kabinet is van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten. Eventueel in Nederland gepleegde strafbare feiten, worden door het Openbaar Ministerie in Nederland onderzocht.
Hoe gaat u er voor zorgen – conform de motie-Becker c.s. die vraagt om een contrastrategie2 – dat Nederlanders met een Turkse achtergrond hier in Nederland meedoen en daarnaast niet worden lastiggevallen door Turkse regering?
Het kabinet zal de Kamer voor aanstaande zomer nader informeren over de uitvoering van de motie Becker c.s. Meer algemeen is reeds in de Kamerbrief van 16 maart 2018 toegelicht hoe het Kabinet omgaat met eventuele ongewenste buitenlandse inmenging.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat Nederlanders met een Turkse achtergrond in Nederland vrij moeten zijn om zich kritisch op te stellen ten aanzien van Turkije, en elders niet zouden moeten vrezen voor een gevangenisstraf?
Het kabinet is inderdaad van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten.
Bent u bereid over deze kwestie in gesprek te treden met de Turkse ambassade, temeer aangezien de Turkse ambassadeur recent heeft verklaard zich te willen inzetten voor integratie van Turken in Nederland?3
De Nederlandse opvatting over Turkse diaspora-politiek wordt veelvuldig met Turkse vertegenwoordigers besproken, dus ook met de Turkse ambassadeur in Nederland.
Zoals ook gemeld in het antwoord op de schriftelijke vragen van de leden Becker en Koopmans over de intenties van de Turkse ambassadeur om bij te dragen aan integratie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 948), is het Kabinet verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot integratie van Nederlanders met een migratieachtergrond. Hierin ziet het Kabinet geen rol weggelegd voor diplomatieke vertegenwoordigers van andere landen.
Hebt u indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen?
Het kabinet heeft geen indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen. De Turkse weekendscholen die subsidie ontvangen in het kader van het Anadolu weekendscholen project, zijn voor zover bekend nog niet gestart met hun onderwijsprogramma.