Het bericht dat er nu toch een strafrechtelijk onderzoek loopt naar de klokkenluiders van de WODC-affaire |
|
Maarten Groothuizen (D66), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het Kamerdebat op 23 januari 2018 in reactie op de vraag of men actief op zoek ging naar de onthullers van de geconstateerde misstanden bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en het WODC, waarop u antwoordde dat er «geen enkel onderzoek is gedaan» en «dat is in ieder geval ook niet de cultuur die ik voorsta, dat wil ik hier hardop zeggen»? Hoe kijkt u hierop terug?
Ja, ik verwijs voor het verdere antwoord op de vragen naar mijn brief van heden.
Kunt u bevestigen dat in deze kwestie, waarbij door Nieuwsuur werd onthuld dat oneigenlijke druk is uitgeoefend door ambtenaren op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek van het WODC, nu toch een strafrechtelijk onderzoek loopt naar de bronnen van Nieuwsuur in de WODC-affaire? Wat is uw eerdere uitspraak in de Kamer op 23 januari 2018 dan waard geweest?1
Ja, er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar het lekken van de vertrouwelijke notitie buiten medeweten van de klokkenluidster (mevrouw Van Ooyen). Ik verwijs verder naar mijn brief van heden.
Erkent u dat deze WODC-affaire achteraf gezien een evidente misstand is geweest (gelet op de conclusies van de drie onderzoekscommissies) en dat deze misstand enkel en alleen is onthuld doordat betrokkenen niet anders konden dan dit via media naar buiten brengen, omdat alle interne mechanismes om dit bij het ministerie zelf aan de orde te stellen niet gewerkt hadden? Zo niet, hoe zit dit volgens u dan wel?
De klokkenluidster (mevrouw Van Ooyen) heeft te goeder trouw en naar behoren, maar tevergeefs, een vermoeden van een misstand proberen aan te kaarten en verdient daarvoor alle respect. De wegen die betrokkenen (niet zijnde de klokkenluidster) volgens de wet en jurisprudentie hadden moeten volgen zijn in het geval van het lekken van de vertrouwelijke notitie niet gevolgd.
Waarom stelde u op het intranet van het Ministerie van JenV het zelf jammer te vinden dat er nu een strafrechtelijk onderzoek nodig is: «Dergelijk onderzoek zou niet nodig moeten zijn. Zoals hierboven beschreven hebben we mogelijkheden en instrumenten om zaken die wellicht niet door de beugel kunnen veilig te kunnen bespreken, te melden en goed te laten onderzoeken.»?
Mijn doel is een veilige werkomgeving voor álle medewerkers van mijn departement. Dat houdt in dat interne procedures voor het melden van vermoedens van misstanden optimaal moeten functioneren. Daartoe is veel geïnvesteerd de afgelopen jaren, zoals ik in meerdere brieven aan uw Kamer uiteen heb gezet. 2
Klopt het dat er door het Ministerie van JenV aangifte is gedaan van het schenden van het ambtsgeheim, en dat het doel daarvan is de personen die vertrouwelijke informatie over de misstanden rondom het WODC naar buiten hebben gebracht te vervolgen? Zo niet, hoe zit dit dan wel?
Ja, er is aangifte gedaan. Voor de achtergrond daarvan verwijs ik naar mijn brief van heden.
Waarom heeft het Ministerie van JenV in november 2018 besloten deze aangifte te doen? Welke afweging heeft u bij het doen van aangifte gemaakt tussen het belang dat misstanden worden gemeld en het belang van het voorkomen van lekken? Waarom is die afweging, in dit concrete geval, uitgevallen in de keuze aangifte te doen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden.
Herinnert u zich uw uitspraken in het algemeen overleg over de onderzoeken naar de misstanden bij het WODC en het Ministerie van JenV in de Tweede Kamer in maart 2019, waarbij u zich zeer persoonlijk tot de aanwezige klokkenluider (mevrouw Van Ooyen) richtte, u haar complimenteerde en uw respect uitsprak voor het feit dat zij het als individu tegen de organisatie had opgenomen? Bent u nog steeds van mening dat mevrouw Van Ooyen groot gelijk had toen ze dit aankaartte? Hoe verhoudt de aangifte vanuit het Ministerie van JenV zich dan hiertoe?
Ik sta nog steeds achter mijn uitspraken in het WODC-debat ten aanzien van mevrouw Van Ooyen. Ik beschouw mevrouw Van Ooyen als een klokkenluidster die daarvoor alle respect verdient. Zij heeft intern tevergeefs aan de bel getrokken. Ik verwijs verder naar mijn brief van heden.
Waarom verdedigde het Ministerie van JenV de aangifte in de eerste reactie aan Nieuwsuur door te wijzen op allerlei andere gevallen van lekken die onderzocht zouden zijn, dat het zelfs zou gaan om «informatie die de veiligheid van personen raakt», maar dat vervolgens blijkt dat uiteindelijk slechts in één zaak aangifte is gedaan, namelijk in het geval van lekken in de WODC-affaire? Waarom is er geen aangifte gedaan in andere zaken? Op welke gronden is besloten de andere incidenten niet nader te onderzoeken?2
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden.
Wie heeft uiteindelijk besloten tot het doen van deze aangifte? Klopt het dat de betrokken ambtenaren die door Nieuwsuur genoemd waren in de WODC-affaire hebben aangedrongen op deze aangifte? Wat is uw persoonlijke betrokkenheid bij deze aangifte? Op welk moment precies kwam u er persoonlijk achter dat de aangifte uitsluitend gericht was op het WODC-verhaal? Was de aangifte toen al gedaan? Heeft u aangedrongen op deze aangifte of heeft u juist geadviseerd hiervan af te zien, maar u laten overtuigen dat deze aangifte toch nodig was?3
Ik ben op 15 oktober 2018 geïnformeerd dat er opsporingsindicaties waren ten aanzien van het lekken van de vertrouwelijke notitie. Op basis van het oordeel van het OM achtte ik mij gehouden aangifte te doen op grond van artikel 272 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 162 Wetboek van Strafvordering. Dit is eind november 2018 gebeurd. Zie verder mijn brief van heden. Klachten hebben geen rol gespeeld in mijn afweging om aangifte te doen.
Waarom wordt nu juist in dit geval, waarin evident sprake was van een misstand die onthuld is, aangifte gedaan, terwijl er in veel andere gevallen van lekken, zoals het voortijdig naar buiten brengen van nieuws door ministeries of het lekken van Prinsjesdagstukken, geen aangifte wordt gedaan?
Van alle casuïstiek die ik heb aangebracht bij het OM heeft in oktober 2018 het OM aangegeven dat er opsporingsindicaties waren ten aanzien van het lekken van de vertrouwelijke notitie. Op basis van het oordeel van het OM achtte ik mij gehouden aangifte te doen op grond van artikel 272 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 162 Wetboek van Strafvordering.
Welke gevolgen heeft deze aangifte en het beeld dat hierdoor is ontstaan, namelijk dat gejaagd wordt op degenen die deze misstand naar buiten hebben gebracht, voor de cultuur op het Ministerie van JenV? Denkt u niet dat op deze manier het risico groot is dat er meer een zwijg- en angstcultuur zal ontstaan dan een cultuur van openheid waarin geleerd kan worden van fouten, zoals door u beloofd is?
Een klokkenluider, zoals mevrouw Van Ooyen, verdient te allen tijde bescherming. Voor het overige geldt dat wet- en regelgeving bepalen dat iemand die in strijd met die wet- en regelgeving informatie lekt, niet als een klokkenluider beschouwd kan worden. Ik acht het uiterst onwenselijk dat stelselmatig (vertrouwelijke) informatie vanuit het ministerie wordt gelekt. Mijn doel is een veilige werkomgeving voor álle medewerkers van mijn departement. Medewerkers moeten erop kunnen vertrouwen dat informatie van hun hand niet door collega’s buiten hun medeweten om wordt verstrekt aan onbevoegde derden.
Wat zijn de juridische en niet-juridische mogelijkheden om strafrechtelijk onderzoek naar de bronnen te voorkomen, bijvoorbeeld door het Openbaar Ministerie te laten weten dat het Ministerie van JenV (als aangever van het vermeend strafbaar feit) bij nader inzien niet langer hecht aan vervolging?
Als Minister van Justitie en Veiligheid heb ik geen bemoeienis met individuele strafzaken. Het OM beslist in zelfstandigheid over de opportuniteit van een strafrechtelijk onderzoek en eventuele strafrechtelijke vervolging. Ik treed daar niet in.
Hoe beoordeelt u de (werk)sfeer op uw departement, als er blijkbaar veelvuldig wordt gelekt?
Het veelvuldig lekken is voor mij een belangrijk aandachtspunt. Vandaar dat ik daarop heb geacteerd. In het Medewerkersonderzoek 2018 op het bestuursdepartement van mijn ministerie is medewerkers gevraagd hoe zij de sociale veiligheid waarderen. Het bestuursdepartement scoorde hierop een 7,3. Het totaalbeeld van het Medewerkersonderzoek laat een stabiele tot licht opgaande lijn zien waarbij ten opzichte van de benchmark met andere ministeries de thema’s werkplezier, zelfstandigheid en beslisruimte en ongewenste omgangsvormen bovengemiddeld positief scoren. Stelselmatig lekken ondermijnt de sociale veiligheid die ik voorsta.
Waarom heeft u in uw antwoorden op de feitelijke vragen over het jaarverslag van het Ministerie van JenV wel melding gemaakt van de aangifte, maar niet vermeld dat het de WODC-kwestie betrof?4
Welke kwestie de aangifte betrof is aan het OM om te melden, maar niet aan het departement.
Welke patronen heeft de Rijksrecherche ontdekt naar aanleiding van haar onderzoek?5
Het is niet aan mij uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek, maar aan het OM op een door het OM te bepalen moment.
De zin «de coördinerend officier van justitie (OvJ) voor de Rijksrecherche heeft op basis van deze aangedragen casuïstiek vervolgens aangegeven dat er voldoende grondslag is voor een strafrechtelijk onderzoek naar vermeend strafbare gedragingen» suggereert dat er meerdere zaken in aanmerking kwamen voor nader strafrechtelijk onderzoek, hoe kan het dat er toch maar in één incident aangifte is gedaan?6
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden.
Wat gaat u doen om te zorgen dat klokkenluiders zich veilig voelen op uw ministerie en dat de aandacht gaat naar het aanpakken van misstanden in plaats van het aanpakken van klokkenluiders?
Mijn ministerie wil een professionele, lerende en veilige organisatie zijn. Dit houdt onder andere in dat er voorzieningen zijn die de weerbaarheid van medewerkers versterken. En dat er duidelijke, voor alle leidinggevenden en medewerkers terug te vinden, procedures zijn voor het melden en objectief en zorgvuldig afhandelen van (vermoedelijke) integriteitsschendingen. Dat houdt onder andere een vertrouwelijke behandeling van de melding in; terugkoppeling wat met de melding wordt gedaan; en bescherming tegen eventuele nadelige gevolgen. Iedere melding van een vermoeden van een misstand die te goeder trouw en naar behoren is gemeld, wordt onafhankelijk onderzocht.
In de beantwoording van vraag 158 over het Jaarverslag 2018 van mijn ministerie staan alle overige maatregelen die sinds 2015 op het integriteitsterrein zijn genomen opgesomd.8
Kunt u deze vragen afzonderlijk, en uiterlijk volgende week, maandag 24 juni 2019, beantwoorden?
Ja.
De eenzijdige beëindiging van Temporary International Presence in Hebron (TIPH) door de Israëlische overheid |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving rondom de beëindiging van de tijdelijke internationale missie in Hebron (TIPH) door de Israëlische overheid?1
Ja.
Bent u bekend met de TIPH, de internationale missie in Hebron die geïntroduceerd werd na de terreuraanslag van de radicale kolonist Baruch Goldstein, waarbij 29 doden en 150 gewonden zijn gevallen in de Ibrahimi moskee?
Ja, het kabinet is bekend met de TIPH.
Wat was uw primaire reactie toen u de berichtgeving over de beëindiging van TIPH onder ogen kreeg?
De EU, en dus ook Nederland, heeft op 1 februari gereageerd op het Israëlisch besluit om het mandaat van TIPH niet te verlengen. TIPH heeft een belangrijke rol gespeeld bij het voorkomen van geweld tussen Palestijnen en Israëlische kolonisten in Hebron. Het besluit brengt het risico met zich mee van verdere verslechtering van een reeds fragiele situatie op de grond. De EU heeft daarbij Israëls verplichtingen onder internationaal recht benadrukt om de Palestijnse bevolking in Hebron en andere delen van de bezette gebieden, te beschermen. In de verklaring heeft de EU de positie herhaald dat nederzettingen illegaal zijn en een obstakel voor vrede. Tevens heeft de EU opnieuw gezegd met beide partijen te willen werken, samen met regionale en internationale partners, aan een hervatting van het vredesproces.
Behalve de EU hebben ook de landen die de waarnemers leverden soortgelijke oproepen gedaan, net als de Secretaris-Generaal van de VN.
Deelt u de mening dat de internationale missie cruciaal is voor het gevoel van veiligheid en het normale leven van de Palestijnse inwoners van Hebron? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijke gevolgen denkt u dat de beëindiging van deze missie zou kunnen hebben voor de Palestijnen in Hebron, die decennialang worden getreiterd en geïntimideerd door Israëlische kolonisten?
Zie antwoord vraag 3.
Maakt u zich zorgen om de veiligheid van de Palestijnen in Hebron nu de waarnemingsmissie is opgezegd door de Israëlische overheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om samen met gelijkgestemde landen zich in te zetten voor het hervatten van de TIPH? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zicht op welke landen het proces van hervatting van de TIPH bemoeilijken? Zo ja, kunt u een overzicht van die landen aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw opvatting over het feit dat de TIPH is beëindigd na een vernietigend rapport van de TIPH waarbij 40.000 incidenten zijn gerapporteerd en de daden van de Israëlische autoriteiten worden bestempeld als constante overtreding?
Het mandaat voor TIPH werd iedere zes maanden verlengd. Israël heeft begin dit jaar besloten niet meer in te stemmen met een volgende verlenging van het mandaat van de missie. Daarbij wees Israël op incidenten waarbij waarnemers van TIPH zich niet neutraal opgesteld zouden hebben. Nederland was niet een van de landen die waarnemers leverden voor TIPH, en kreeg daarom ook niet de vertrouwelijke rapporten van TIPH, waarnaar de media verwijzen. Ook zonder inzage in de rapporten van TIPH is het duidelijk hoe gespannen de situatie in Hebron is, en hoe groot de impact is van de aanwezigheid van de Israëlische kolonisten op het leven van de Palestijnen in Hebron. Het kabinet betreurt daarom het Israëlische besluit, ook van wege de risico’s zoals beschreven in antwoord op de vragen 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en roept, net als de EU, op tot hervatting van de missie. De EU heeft dit onder meer in VN-verband bepleit.
Veroordeelt u de Israëlische overheid aangaande de beëindiging van TIPH? Zo ja, wat was de verklaring van de Israëlische overheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw inschatting van de haalbaarheid van de hervatting van de TIPH?
Voor hervatting van de missie zal overeenstemming nodig zijn tussen de nog te vormen nieuwe Israëlische regering, de Palestijnse Autoriteit en de deelnemende landen. Daarbij zijn veel factoren van invloed, te beginnen met de uitkomst van de Israëlische verkiezingen en daaropvolgende formatie. Daarnaast speelt het gebrek aan vertrouwen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit een rol. Dat bemoeilijkt onderhandelingen over dit soort gevoelige kwesties.
Bent u bereid om, in internationaal verband, alle nodige inspanningen te leveren om de waarnemingsmissie zo snel mogelijk te laten hervatten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Een verdienmodel van een uitzendbureau met een wurgcontract voor docenten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Leraar waarschuwt tegen «wurgcontract» van uitzendbureau»?1 Hoe beoordeelt u dat een beginnende leerkracht die zou gaan werken via een Haags arbeidsbemiddelingsbureau, moest ontdekken dat hij daardoor voorlopig bij vrijwel geen enkele basisschool in Den Haag meer terecht kan voor een vaste baan?
Ja, dat bericht ken ik. Naar mijn mening toont het aan dat het belangrijk is dat leraren die via een uitzend- of bemiddelingsbureau willen gaan werken het contract vooraf goed lezen. Het is goed om leraren daarvoor te waarschuwen, zoals de leraar via dit bericht doet.
Zoals ik eerder heb aangegeven op antwoorden van uw Kamer over de inzet van uitzendbureaus, vind ik het onwenselijk wanneer de uitzendbureaus de schaarste op de arbeidsmarkt in het onderwijs aangrijpen om de tarieven te verhogen. De tarieven worden mede verhoogd omdat (potentiële) leraren worden verleid om voor hun te komen werken via op het eerste oog aantrekkelijker arbeidsvoorwaarden, zoals een hogere beloning en/of het beschikbaar stellen van een leaseauto. Hoewel het mijn beeld is dat dit uitwassen zijn, moet dit zoveel mogelijk worden voorkomen.
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het aanstellen van uitzendpersoneel, in overeenstemming met wat daarover is afgesproken in de cao. In PO-Raad-verband hebben besturen zich uitgesproken tegen de inzet van (te dure) uitzendbureaus. Op verschillende plekken proberen besturen daarom ook gezamenlijk tot afspraken te komen over de inschakeling van uitzendbureaus.
Acht u het acceptabel dat een arbeidsbemiddelingsbureau in een contract met de schoolbesturen vastlegt dat scholen een leerkracht die binnenkomt via dit bureau, daarna een bepaalde tijd – grofweg tussen een half en een heel jaar – alleen in vaste dienst mogen nemen als er een afkoopsom van zo’n 8.000 euro wordt betaald?
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het aanstellen van voldoende personeel om het onderwijs vorm te geven. Dat geldt ook voor de afspraken die bemiddelingsbureaus en besturen maken over de voorwaarden voor de inhuur van personeel.
Hoewel het niet ongebruikelijk is in de wereld van de uitzendbureaus dat er een afkoopsom wordt gevraagd wanneer een werkgever een werknemer overneemt van een uitzendbureau, vind ik het niet gewenst dat hier onderwijsgeld aan besteed wordt. De inzet zal moeten zijn dit te voorkomen (zie ook het antwoord op vraag 1).
Vindt u het ten opzichte van de betrokken leerkrachten een zinnig excuus dat het contract verder een zaak tussen het bureau en de school is en de leerkracht op papier nergens aan vastzit, maar uiteraard wèl de gevolgen ervan ondervindt in de vorm van geringe kansen op een vaste baan?
Uit de casus blijkt mijns inziens eens temeer het belang dat alle partijen vooraf bekend zijn met de voorwaarden. Voor alle betrokken partijen ligt daarbij een verantwoordelijkheid. Alleen dan kunnen de afzonderlijke partijen beoordelen of zij onder die voorwaarden een samenwerking aangaan.
Wat betekent de komst van zulke constructies voor de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep?
Zoals geantwoord op vraag 3 zitten er aan het werken via een uitzend- en detacheringsbureaus voor- en nadelen. Het is aan individuele leraren om een afweging te maken. Mijn advies aan hen zou wel zijn om voor een duurzaam dienstverband te kiezen.
Wmo indicaties die voor bepaalde tijd gelden |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de gemeente Rucphen Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning)-indicaties afgeeft die voor bepaalde tijd gelden (bijvoorbeeld drie maanden, een jaar of vijf jaar) en dat zorgbehoevende cliënten niet expliciet worden benaderd voor het uitvoeren van een herindicatie waardoor hun zorg onverwachts wordt stopgezet? Wat is uw mening over deze gang van zaken? Heeft u uit meer gemeenten dit soort signalen ontvangen?
Ik beschik niet over het inzicht dat gemeenten zorg zouden stopzetten zonder cliënten vooraf te benaderen voor een herindicatie. Indien de aan deze vraag ten grondslag liggende veronderstelling – van onverwachte beëindiging van de zorgverlening – juist is, vind ik dat geen goede gang van zaken. Het is primair aan het college van burgemeester en wethouders om dergelijke situaties, vanuit het grote belang van continuïteit van zorg en ondersteuning, te voorkomen. De gemeenteraad dient het bestuur daarop te controleren. Voor zover uw vraag specifiek ziet op uitvoering door de gemeente Rucphen, verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 8 tot en met 12.
Op welke wettelijke grond wordt een Wmo-indicatie voor een bepaalde tijd afgegeven?
De Wmo 2015 schrijft níet voor dat een indicatie voor een bepaalde tijd moet worden afgegeven noch wat de duur moet zijn van een te verstrekken voorziening. De wet geeft evenmin een termijn waarna een herindicatie moet plaatsvinden maar bepaalt wel dat gemeenten periodiek moeten nagaan of er aanleiding is de gegeven beslissing te heroverwegen (artikel 2.3.9 Wmo 2015). Dat wil zeggen, dat het college periodiek moet beoordelen of de voorziening(en) nog altijd «op maat» is (zijn) en of het eventueel verstrekte pgb nog passend is.
Hoe vaak dat noodzakelijk zal zijn, bepaalt de gemeente inderdaad zelf; dit hangt onder andere af van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en wat ten tijde van het onderzoek is vastgesteld.
Vindt u het wenselijk dat voor mensen met een chronisch aandoening of voor mensen van wie het niet aannemelijk is dat de zorgvraag wijzigt, een indicatie wordt afgegeven die maar voor een bepaalde tijd geldt?
In mijn brief «Merkbaar beter thuis» van 20 juli jl.1 ben ik onder meer ingegaan op dit onderwerp.2 Gebleken is dat beschikkingen voor mensen met een niet-tijdelijke, levenslange beperking inderdaad vaak voor een korte duur (bijvoorbeeld een jaar) worden afgegeven. Dit, terwijl de aard van de beperking en de verwachte ontwikkeling daarvan leidt tot langdurig noodzakelijk gebruik van voorzieningen en de onderbouwing van de korte duur van de indicatie veelal ontbreekt. Cliënten ervaren als gevolg daarvan onnodig onzekerheid en extra administratieve lasten. Dit moet en kan voorkomen worden.
Vast staat dat de wetgeving, Wmo 2015 noch Jeugdwet, geen enkele (juridische) belemmering bevat om in de gegeven situatie langlopende beschikkingen af te geven. Uitgangspunt is, dat beschikkingen voor mensen met een niet-tijdelijke, levensbrede beperking, meerjarig worden afgegeven, tenzij er vanuit het perspectief van de cliënt en de aard van de beperking steekhoudende argumenten zijn die tot een andere afweging moeten leiden. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn als er in een specifieke situatie nog in belangrijke mate onduidelijkheid bestaat over de ontwikkeling en de effecten van een beperking in relatie tot de vraag welke zorg en ondersteuning als passend kan worden aangemerkt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een op te starten indicatieprocedure bij het CIZ met het oog op zorgbehoefte uit de Wlz.
Ik heb de Kamer in eerdergenoemde brief laten weten dat ik deze lijn samen met organisaties van cliënten en de VNG op korte termijn verder zal uitwerken. De VNG zal de uitwerking vervolgens delen met alle gemeenten.
Vind u het, geredeneerd vanuit de zorgplicht die gemeenten op zich nemen, logisch dat er bij chronische aandoeningen spraken is van regelmatige herindicatie?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het wenselijk dat mensen die een chronische aandoening hebben zelf in de gaten moeten houden wanneer hun indicatie afloopt en op tijd een herindicatie moeten aanvragen omdat hun zorg anders stopt? Zo ja, waarom?
Ik vind het niet wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor het signaleren van het aflopen van de indicatie uitsluitend bij de cliënt ligt. Er zal een aanzienlijke groep cliënten zijn voor wie zo’n uitgangspunt tot het risico leidt dat men te laat is met het aanvragen van een herindicatie. Juist voor mensen met een chronische aandoening is een ononderbroken zorgverlening van belang. Dit is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente, zo bepaalt ook de wet. De gemeente dient een systeem te hanteren waarin de cliënt tijdig wordt geïnformeerd en actief wordt benaderd over het aflopen van de indicatie en de gevolgen daarvan.
Ook de professional die namens de aanbieder bij de cliënt thuis komt, kan deze erop attenderen dat een indicatie afloopt.
Vindt u dat het initiatief voor herindicatie, nadat iemand zijn of haar zorgvraag heeft ingediend en er een indicatie is afgegeven, bij de cliënt of bij de gemeente hoort?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wettelijke gronden wordt de termijn bepaald waarna een Wmo-herindicatie moet plaatsvinden, of valt dit onder de gemeentelijke beleidsvrijheid?
Zie antwoord vraag 2.
Vind u het een juridisch correcte invulling van de zorgplicht van de gemeente Rucphen om te veronderstellen dat de einddatum van een indicatie die op beschikkingen genoteerd staat voldoende communicatie omtrent indicatie en herindicatie is? Vindt u het een wenselijke invulling van de zorgplicht?
Ik heb naar aanleiding van uw vragen contact gezocht met de gemeente Rucphen en om nadere informatie gevraagd over het gehanteerde beleid en de uitvoering daarvan. Hieruit komt het volgende beeld naar voren.
De beslissing omtrent de duur van een indicatiebesluit komt tot stand op basis van de bevindingen tijdens het huisbezoek aan de cliënt. Voor het bepalen van de (duur van de) (her)indicatie hanteert de gemeente een intern werkdocument waarvan, waar nodig, gemotiveerd kan worden afgeweken.
Op basis van de bevindingen tijdens het huisbezoek geeft de gemeente een korte of langere indicatie. Omstandigheden die daarbij een rol spelen, zijn bijvoorbeeld:
De gemeente hanteert sinds 1 januari 2019 een volgsysteem voor indicaties die sinds die datum zijn gesteld: dat systeem boekt twee maanden voor het aflopen van de indicatie «automatisch» een herindicatie in. Een cliënt die zelf geen contact met de gemeente opneemt over de aflopende indicatie, wordt door de gemeente benaderd om te bespreken of een herindicatie aan de orde is. Cliënten met een indicatie van vóór 1 januari 2019, worden niet actief benaderd wanneer die afloopt. De gemeente overweegt inmiddels om ook deze cliënten in de nabije toekomst schriftelijk te informeren over het aflopen van hun indicatie.
Ik heb de gemeente gewezen op haar verantwoordelijkheid voor continuïteit in de zorgverlening. Vooral voor mensen met een chronische aandoening is dat immers essentieel. Daarbij hoort in mijn optiek ook het informeren van deze doelgroep met een indicatie die dateert van voor 1 januari 2019.
Deelt u de mening van de gemeente Rucphen dat haar inwoners niet meer expliciet gewaarschuwd hoeven te worden wanneer de indicatie voor de zorgverlening afloopt en herindicatie moet plaatsvinden?
Uit de informatie die ik heb ontvangen vanuit de gemeente maak ik op, dat mensen met een indicatie afgegeven nà 1 januari 2019, wel «gewaarschuwd» worden maar mensen met oudere indicaties niet. In het antwoord op vraag 8 ben ik hier op ingegaan.
Voldoet de gemeente Rucphen met deze gang van zaken aan een opstelling richting haar inwoners die overeenstemt met het doel van de Wmo? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Ik vind het niet informeren van burgers met een chronische aandoening kwetsbaar en niet aanvaardbaar. De wet legt de verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de zorgverlening bij de gemeente, die ook periodiek moet nagaan of de verstrekte voorziening(en) nog «op maat» is (zijn).
Wat zijn volgens u de gevolgen van het feit dat een gemeente zo met inwoners omgaat? Kunt u zich voorstellen dat zorgbehoevenden en hun mantelzorgers zich hiermee onjuist bejegend voelen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De gemeente Rucphen heeft mij laten weten dat zij met het in gebruik genomen volgsysteem juist beoogt om het risico van niet aaneengesloten ondersteuning uit te sluiten. Ik kan de opvatting dat de gang van zaken bevestigt dat de toegang tot zorg te ingewikkeld is, op basis van de ontvangen informatie, niet delen, wel het belang van een zorgvuldige uitvoering van de wettelijke opdracht door de gemeente.
Deelt u de mening dat de gang van zaken in de gemeente Rucphen nog eens bevestigt dat de toegang tot (de juiste) zorg met name voor kwetsbare mensen te ingewikkeld is? Zo nee waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 11.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg WMO op 26 juni 2019?
Ik heb u met mijn brief van 25 juni jl. laten weten dat dit niet haalbaar was in verband met het inwinnen van informatie bij de door u genoemde gemeente ten behoeve van een zorgvuldige beantwoording.
Voorwaardelijke toelating van Spinraza tot het basispakket |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u de uitspraak die u deed tijdens het algemeen overleg Geneesmiddelenbeleid op 6 juni 2019 over een zo snel mogelijke start van de behandeling van SMA patiënten met Spinraza met het nieuws dat de eerste behandelingen in het vroegste geval 1 januari 2020 van start gaan?1
In het Algemeen Overleg Geneesmiddelenbeleid van 6 juni 2019 heb ik aangegeven mij tot het maximale in te spannen om het voorwaardelijke toelatingstraject zo snel mogelijk te kunnen starten. Ik heb daarom ook aangegeven dat we gezamenlijk met partijen inzetten op het stapsgewijs starten van de behandelingen per uiterlijk per 1 januari 2020. Ik probeer deze periode uiteraard zoveel mogelijk te bekorten. Tijdens het VAO Geneesmiddelenbeleid heb ik daarom ook de motie van leden mevr. Ellemeet en mevr. Agema over het zo snel mogelijk starten van het traject overgenomen.
Ik heb aangegeven dat dit een gezamenlijk voorbereidingstraject betreft samen met het UMC Utrecht, de patiëntenvereniging en de leverancier. Waar het de stappen betreft die bij hoofdzakelijk het Ministerie van VWS liggen heb ik aangegeven dat deze geen vertragende factor zullen vormen. Het cruciale pad van de voorbereiding is gelegen in de noodzakelijke zorginhoudelijke voorbereidingen die het UMC Utrecht treft om de behandelcapaciteit op te bouwen.
Deelt u de mening dat SMA patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot Spinraza omdat elke dag voor hen telt en zij spierfuncties die zij verliezen niet meer terug krijgen?
Uiteraard deel ik deze mening. Samen met de betrokken partijen zet ik mij daarom ook tot het uiterste in om zo snel mogelijk de voorwaardelijke toelating van Spinraza van start te laten gaan. Ik sta in nauw contact met alle partijen om de voortgang te bespreken en voortdurend te bekijken waar versnelling mogelijk is. Ook in de zomerperiode wordt hieraan hard doorgewerkt door alle partijen. Na het zomerreces zal ik de Tweede Kamer een voortgangsbrief toesturen over de stand van zaken van de voorbereiding van het voorwaardelijke toelatingstraject Spinraza.
Deelt u de mening dat de voorbereiding van het behandelcentrum, het vastleggen van afspraken in een convenant en het maken van financiële afspraken met de fabrikant, geen half jaar hoeft te duren en het een kwestie van wilskracht is om hier vaart mee te maken?
Dat deel ik niet. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 13 juni en in het VAO Geneesmiddelenbeleid van 18 juni is het kritieke pad van de voorbereiding gelegen in de opbouw van de behandelcapaciteit van het UMC Utrecht. De patiëntengroep die straks in behandeling wordt genomen is omvangrijk, waarbij het gaat om een langdurig behandeltraject met een complexe toedieningsprocedure en een uitgebreid nazorgtraject. Het kost tijd om te doordenken hoe deze grote instroom kan plaatsvinden zonder dat het ten koste gaat van de kwaliteit van zorg aan andere patiëntengroepen. Ook sta ik in nauw contact met de patiëntenorganisatie. De patiëntenorganisatie is op de hoogte van het voorgestelde tijdspad en heeft mij laten weten zich, samen met de nadere partijen, tot het uiterste te zullen inspannen om dit tijdspad tot een minimum te beperken.
Wat gaat u doen om de behandelingen nog deze maand van start te laten gaan, omdat het hier om mensenlevens gaat?
Zoals ik reeds heb aangegeven is het volgens het UMC Utrecht niet haalbaar om de behandelingen nog deze maand van start te laten gaan. Het UMC Utrecht heeft tijd nodig om het zorgpad voor deze instroom van patiënten goed te doordenken, zo nodig aan te passen en te bezien hoe deze nieuwe groep gecontroleerd in te laten stromen. Dit is belangrijk om de kwaliteit van zorg voor deze en andere patiëntengroepen binnen het centrum te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg van Pakketbeheer van 26 juni 2019?
Ja.
De baby en peuter van een Nederlandse vader die zich zonder ouders in een kamp in Noord-Syrië bevinden |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baby en peuter van Nederlandse vader zonder ouders in Kamp in Noord-Syrië»?1
Klopt het dat de kinderen van de Nederlandse Jihadstrijder Hatim Rodgers zonder ouderlijk gezag verblijven in het Koerdische kamp Al Hol in Noord-Syrië? Zo ja, wat kunt u zeggen over de gezondheidstoestand van de kinderen en de situatie waarin zij zich bevinden?
In 2017 is het Nederlanderschap van de heer Hatim R. ingetrokken.2 Ik heb kennisgenomen van de mediaberichten waarin wordt gezegd dat twee van zijn kinderen in kamp Al Hol in Syrië verblijven. Zoals u weet kan het kabinet hier niet nader ingaan op individuele gevallen.
Sinds wanneer is bij u bekend dat de twee kinderen van drie maanden en drie jaar oud zonder hun ouders in het kamp verblijven?
Zoals u weet kan het kabinet hier niet nader ingaan op individuele gevallen.
Zijn de desbetreffende kinderen door Nederlandse diplomaten of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) bezocht? Zo ja, kunt u toelichten wanneer deze kinderen door Nederlandse functionarissen zijn bezocht en wat het doel was van deze ontmoetingen?
Over de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. De informatie als zouden Nederlandse diplomaten kampen in Syrië bezoeken is onjuist.
Is onderzocht of deze twee kinderen ook door de Nederlands-Franse delegatie konden worden meegenomen? Zo ja, kunt u een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid onderzoekt in individuele gevallen van Nederlandse kinderen van overleden uitreizigers of, en zo ja hoe, deze kinderen overgebracht kunnen worden naar Nederland, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 21 februari 2019. De situatie van de twee Nederlandse weeskinderen die op 10 juni 2019 door Frankrijk uit Syrië zijn overgebracht en overgedragen aan hun Nederlandse voogd, betrof een unieke casus.
In hoeverre verschilt de situatie van deze kinderen zich van de situatie van de kinderen die vorige week door de Fransen uit het Noord-Syrische kamp Ain Issa zijn gehaald?
In het geval van de twee Nederlandse weeskinderen die op 10 juni 2019 door Frankrijk uit Syrië zijn overgebracht en overgedragen aan hun Nederlandse voogd, lag er een uitspraak van een Nederlandse rechter die voorlopig voogdij over deze kinderen toewees aan de Nederlandse jeugdbescherming. Er was bovendien sprake van een Nederlandse moeder (en daarmee Nederlandse kinderen) en overleden ouders.
Is het u bekend dat de Belgische kinderpsycholoog Gerrit Loots oordeelt dat deze kinderen onmiddellijk moeten worden weggehaald omdat ze anders een hongerdood sterven? Bent u zich bewust van de ernst van de situatie van deze kinderen? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen om de situatie van deze kinderen te verbeteren? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Ja, de uitspraken van Gerrit Loots zijn het kabinet bekend.
Ja, het kabinet is zich bewust van de ernst van kinderen in deze situatie. Het kabinet beschouwt deze kinderen als slachtoffer van de keuzes van hun ouders. De Nederlandse overheid biedt substantiële financiële steun aan internationale hulporganisaties ten behoeve van humanitaire bijstand voor alle mensen in nood in Syrië. In individuele gevallen van Nederlandse kinderen van overleden uitreizigers, onderzoekt de Nederlandse overheid of, en zo ja hoe, deze kinderen overgebracht kunnen worden naar Nederland, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 21 februari 2019.
Bent u bereid om maatregelen te nemen die resulteren in het ophalen van deze twee jonge kinderen die zonder ouders verblijven in het Syrische kamp?
De Nederlandse overheid onderzoekt in individuele gevallen van Nederlandse kinderen van overleden uitreizigers of, en zo ja hoe, deze kinderen overgebracht kunnen worden naar Nederland, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 21 februari 2019. Op basis van de nu beschikbare informatie is dit niet van toepassing op deze twee kinderen.
Bent u bekend dat in reactie op de uitzending van Zembla een zegsman van het Ministerie van Buitenlandse Zaken het volgende zegt: «de rol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is puur consulair. Zonder hulpvraag verlenen we geen consulaire bijstand»? Kunt u uitleggen hoe deze twee kinderen van drtie maanden en drie jaar oud, die verblijven zonder ouderlijk gezag, een verzoek tot consulaire bijstand kunnen indienen?
Ja. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken gaat over consulaire dienstverlening, niet over ouderlijk gezag of voogdij. Consulaire bijstand door de Nederlandse overheid start in de regel met een hulpvraag en is voorbehouden aan Nederlanders.
De patiëntenzorg die in gevaar is op de spoedeisende hulp van het LUMC. |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Personeel spoedeisende hulp LUMC: patiëntenzorg in gevaar»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat op de spoedeisende hulp door grote drukte niet de zorg wordt geboden die nodig is?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken. In die brief is onder andere aangegeven dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie) heeft kennisgenomen van de informatie van de raad van bestuur van het LUMC over de huidige situatie op de SEH. De Inspectie heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er op dit moment sprake is van onaanvaardbare risico’s. Het is van belang dat het LUMC doorgaat met de ingezette acties en waar nodig ook nieuwe verbetermaatregelen treft. Daarbij moet de raad van bestuur de effecten van deze maatregelen monitoren. De Inspectie heeft de raad van bestuur daarnaast gevraagd om specifiek informatie over de werkdruk voor de medewerkers te analyseren en deze te blijven monitoren. Het is van belang dat zorgaanbieders zelf ook gezond blijven en zich veilig voelen bij de zorg die zij moeten leveren.
Klopt het dat patiënten regelmatig noodgedwongen op de gang liggen in afwachting van zorg? Zo ja, kunt u een toelichting geven?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken. In die brief is onder andere aangegeven dat het LUMC een 4-uursnorm hanteert op de SEH. Op dit moment ligt 20 tot 25% van de patiënten langer dan vier uur op de SEH. De 4-uursnorm is een zelfopgelegde norm en geen wettelijke norm, die landelijk vaker gebruikt wordt om de uitstroom van patiënten van de SEH te reguleren. Die tijd is nodig om de patiënt goed te
triëren, de juiste diagnose te kunnen stellen en soms tijdelijk te observeren. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er in die uren geen zorg verleend wordt. Integendeel, tijdens deze uren wordt er ook gezocht (mocht dat nodig zijn) naar een passend bed in huis of elders. Een groot deel van de patiënten kan na (tijdelijke) observatie weer naar huis.
In de afgelopen twee jaar zijn door het LUMC een aantal maatregelen genomen om de SEH zo goed mogelijk te laten functioneren. Zo is er bijvoorbeeld een
«Taskforce Integrale Patiënten Logistiek» ingesteld. Deze taskforce is operationeel sinds februari 2019 en is aan de slag gegaan met het beter benutten van de huidige beddencapaciteit in het LUMC en via capaciteitsmanagement door te sturen op in-, door- en uitstroom van patiënten. Op korte termijn wil het LUMC starten met een uitbreiding van de beddencapaciteit door onder meer het gaan opzetten van gasthuisbedden. Dit gasthuis is bedoeld voor de kwetsbare, veelal oudere patiënt, die niet per se in het LUMC opgenomen hoeft te worden en tijdelijk in het gasthuis verpleegd en behandeld wordt tot er een passender plek is gevonden of hij/zij naar huis kan. Daarnaast worden er sinds januari 2019, indien nodig, extra verpleegkundigen ingezet om piekmomenten tussen 10:00 en 20:00 uur op de SEH op te vangen. Ook spreken de leidinggevenden van de verpleegkundige afdelingen van het LUMC dagelijks met elkaar over de toestroom van patiënten, inclusief die van de SEH, om die zo goed mogelijk op te vangen.
Klopt het dat een jongetje me teen ontstoken blinde darm ruim twaalf uur moest wachten voordat hij terecht kon op de kinderafdeling? Zo ja, kunt u een toelichting geven?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken. Als aanvullend antwoord op vraag 6 kan ik melden dat het LUMC mij en de Inspectie op 26 juni 2019 schriftelijk heeft laten weten dat zij ook een externe onderzoekscommissie hebben ingesteld.
Klopt het dat een patiënt een bloedtransfusie heeft moeten ondergaan omdat hij door drukte op de spoedeisende hulp onopgemerkt veel bloed had verloren? Zo ja, kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat in maart een patiënt is overleden omdat door drukte een hartinfarct niet tijdig is gesignaleerd? Zo ja, kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord vraag 4.
Sinds wanneer is het ministerie op de hoogte van de ernstige situatie bij de SEH van het LUMC? Wat hebt u sindsdien gedaan om de situatie te verbeteren en de veiligheid van patiënten te garanderen? Kunt u een uitgebreide toelichting geven?
De Inspectie heeft naar aanleiding van de berichtgeving van Nieuwsuur in de uitzending van 18 juni 2019 contact opgenomen met de raad van bestuur van het LUMC. De Inspectie was ermee bekend dat het vraagstuk van de drukte in de acute zorg ook speelt in de regio Den Haag/Leiden en bij het LUMC. De Inspectie was niet op de hoogte van de signalen die de raad van bestuur van de Ondernemingsraad heeft ontvangen. De Inspectie was hierover wel graag geïnformeerd door de raad van bestuur. De raad van bestuur van het LUMC heeft de Inspectie desgevraagd laten weten al langere tijd in overleg te zijn met de Ondernemingsraad en ook op andere manieren in contact te staan met de werkvloer over de aard en ernst van de problematiek. Een groot deel van de medewerkers en leidinggevenden geven aan dat zij zich gehoord en serieus genomen voelen. De raad van bestuur van het LUMC heeft de Inspectie geïnformeerd over een aantal maatregelen op uiteenlopend gebied om de drukte op de SEH te verminderen en om risico’s in de patiëntenzorg te beheersen. Het betreft zowel acties die al langere tijd geleden in gang zijn gezet, als nieuwe acties naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen. Ik verwijs u verder naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken.
In de volgende brieven heb ik uw Kamer in zijn algemeenheid geïnformeerd over de drukte in de acute zorg. Hierbij is ook door het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) aangegeven hoe de drukte in de acute zorg in de verschillende ROAZen (waaronder ROAZ West) zich manifesteerde (zie onder meer 5 oktober 2016 (Kamerstuk 29 247, nr. 225); 22 december 2016 (Kamerstuk 34 550 XVI, nr.2, 20 juni 2017 (Kamerstuk 29 247, nr. 234); 27 november 2017 (Kamerstuk 29 247, nr. 249) en 2 juli 2018 (Kamerstuk 29 247, nr. 261) en 11 september 2017 en 10 januari 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 236 en Kamerstuk 29 247, nr. 267).
Kunnen patiënten die vandaag de spoedeisende hulp in Leiden bezoeken ervan uitgaan dat zij de zorg krijgen die zij mogen verwachten?
Ik verwijs u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken. De Inspectie heeft mij laten weten dat zij geen aanleiding hebben om te veronderstellen dat er op dit moment sprake is van onaanvaardbare risico’s. Wel is het van belang dat het LUMC doorgaat met de ingezette acties en waar nodig ook nieuwe verbetermaatregelen treft. Daarbij moet de raad van bestuur de effecten van deze maatregelen monitoren. De Inspectie heeft de raad van bestuur daarnaast gevraagd om specifiek informatie over de werkdruk voor de medewerkers te analyseren en deze te blijven monitoren. Het is immers van belang dat zorgaanbieders zelf ook gezond blijven en zich veilig voelen bij de zorg die zij moeten leveren.
Ervan uitgaande dat de Raad van Bestuur meerdere malen door artsen en verpleegkundigen op de problemen is gewezen, sinds wanneer is de Raad van Bestuur van het Leiden UMC op de hoogte van het ernstige personeelstekort en de onveilige situatie die zich voordoet voor patiënten?
Voor de antwoorden op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247 nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken. Ik heb de raad van bestuur van het LUMC met nadruk gevraagd de komende tijd goed in gesprek te blijven met de zorgprofessionals over de drukte op de SEH. De raad van bestuur heeft mij bevestigd dit te zullen doen. De raad van bestuur heeft maatregelen getroffen en is bereid extra maatregelen te treffen als dat nodig en wenselijk is. Ik ga ervan uit dat deze proactief uitgevoerd gaan worden, met als doel om alle patiënten in de regio goede en tijdige zorg te bieden.
Wat heeft de Raad van Bestuur gedaan met signalen vanuit artsen en verpleegkundigen dat de situatie niet langer houdbaar was? Welke stappen zijn ondernomen?
Zie antwoord vraag 9.
Sinds wanneer is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de gevaarlijke situatie op de spoedeisende hulp in Leiden UMC?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 7.
Wanneer is de IGJ op de hoogte gebracht van het overlijden van de 72-jarige patiënt na het niet signaleren van een hartinfarct? Welke maatregelen hebben zij sindsdien ondernomen?
Voor de antwoorden op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Kamercommissie over de drukte op de spoedeisende hulp van het LUMC van 25 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 287). Conform het commissieverzoek heb ik bij de beantwoording van dat verzoek reeds uw Schriftelijke Vragen betrokken.
Ervan uitgaande dat niet alleen op de spoedeisende hulp in Leiden er problemen zijn op de spoedeisende hulp, kunt u een overzicht geven van de problemen die spelen bij verschillende SEH-afdelingen in Nederland?
Ik beschik niet over een dergelijk overzicht. De Inspectie houdt toezicht op het gehele ziekenhuis, en heeft daarbij ook aandacht voor de SEH-afdelingen. Er zijn geen signalen van een zorgelijk beeld op andere SEH-afdelingen. In alle regio’s zijn afspraken gemaakt dat een patiënt in een levensgevaarlijke situatie altijd bij de meest geschikte SEH terecht kan. Ik heb u toegezegd tijdens het Algemeen Overleg van 26 juni 2019 dat ik in gesprek ga met de voorzitters van de ROAZ-en. Ik zal met hen gaan spreken over de ontwikkelingen in hun regio en de manier waarop de partijen de drukte op de acute zorg aanpakken.
De drukte op de acute zorg in Nederland is bij mij bekend. Dit wordt veroorzaakt door onder andere:
Zoals ik eerder heb aangegeven tijdens het Algemeen Overleg van 26 juni 2019 zal ik u in het voorjaar van 2020 een houtschetskoolschets van de acute zorg toesturen. Zodat de acute zorg ook in de toekomst kwalitatief goed, veilig en voldoende toegankelijk blijft.
Kunt u garanderen dat op andere SEH-afdelingen in het land wel de zorg wordt geleverd die patiënten mogen verwachten? Zo nee, wat gaat u doen om de situatie op alle SEH-afdelingen SEH in het land te verbeteren en de veiligheid voor patiënten te verbeteren?
Zie antwoord vraag 13.
Het bericht 'Overheidsalmanak staat bol van de fouten' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overheidsalmanak staat bol van de fouten»1 en kent u Allmanak, het alternatief voor de overheidsalmanak?2
Ja.
Is het waar dat er «bij bijna 15% van de gemeenten [...] de naam in het register niet overeen kwam met de gegevens van de Kiesraad, en bij 18,5% van de gemeenten [...] het aantal vermelde raadszetels in de gemeente niet klopt», en dat «bij negen provincies [...] de gegevens over de statenleden zelfs volledig» missen? Zo ja, zijn er nog meer gegevens onvolledig of onjuist? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat het bericht niet klopt. Wel wil ik aantekenen dat de gegevens van de Kiesraad in beginsel door het Centraal Stembureau zijn overgenomen uit de Basisregistratie Personen (BRP), waarbij de betrokkene de keuze heeft zijn eigen achternaam te gebruiken of die van een eventuele partner. Als namen in de overheidsalmanak niet overeenkomen met de namen die de Kiesraad publiceert kan er sprake zijn van typefouten, maar het is ook mogelijk dat de betrokkenen in de praktijk een naam gebruiken die niet volledig overeenkomt met de naam in de BRP (roepnaam, minder voorletters, andere achternaamkeuze, e.d.). In dat laatste geval zou ik deze gegevens niet als onjuist willen aanmerken.
Hoe komt het dat er zoveel gegevens niet kloppen of missen?
Zoals de Open State Foundation zelf ook constateert, worden in dit geval de gesignaleerde tekortkomingen in de overheidsalmanak veroorzaakt door gebreken in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de provincies aangeleverde informatie.
Deelt u de mening dat het niet nodig zou moeten zijn dat «onder andere belangenorganisaties, onderzoekers maar ook overheden zelf [...] elders lijsten [moeten] kopen voor duizenden euro’s of om zelf gegevens te gaan verzamelen»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en waarom is dit dan toch nodig?
Ik deel de mening dat openbare contactinformatie over overheidsorganisaties voor iedereen kosteloos beschikbaar moet zijn, omdat iedereen op gelijke wijze toegang tot de overheid dient te hebben. Dat is dan ook de bestaansreden van de kosteloze online overheidsalmanak.
Deelt u de mening dat de informatie op de overheidsalmanak3 volledig, juist en actueel moet zijn? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de overheidsorganisaties die verantwoordelijk zijn voor de gegevens voortaan wel de goede gegevens aanleveren? Hoe kunt u dit handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik zal contact opnemen met de VNG en met de betrokken provincies over een verbetering van de aanlevering van gegevens. Daarnaast zal er extra redactionele capaciteit worden ingezet om de kwaliteit van de gegevens te bewaken en gebreken te herstellen.
Gelekte documenten aangaande smerige politiek in Brazilië |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met de berichtgeving over gelekte documenten aangaande smerige politiek in Brazilië?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving waaraan u refereert.
Hoe beoordeelt u de inhoud van deze berichten? Deelt u de analyse dat voormalig president Lula, die momenteel een jarenlange gevangenisstraf uitzit, doelbewust is tegengewerkt om deel te nemen aan de verkiezingen in 2018, die hij, althans volgens opiniepeilingen, waarschijnlijk zou hebben gewonnen? Zo nee, waarom niet, en wat is dan uw lezing van de berichtgeving?
Naar aanleiding van de onthullingen door het online-tijdschrift The Intercept Brazil vond op 19 juni een hoorzitting plaats in het Braziliaanse parlement, waar gesproken is over de vermeende uitlatingen van de huidige Minister van Justitie, dhr. Sergio Moro, die destijds als rechter betrokken was bij de veroordeling van oud-president Lula da Silva.
Ook vond op 25 juni een zitting plaats van het Braziliaanse Hooggerechtshof, waarin de advocaten van oud-president Lula, die thans in de gevangenis zit, diens voorlopige invrijheidstelling vorderden op grond van de stelling dat de uitspraken van dhr. Moro zouden aantonen dat er sprake is geweest van een politiek proces tegen de oud-president. Het Hooggerechtshof heeft deze vordering vooralsnog afgewezen en zet de behandeling van de zaak voort na afloop van het zomerreces. Een datum daarvoor is nog niet vastgesteld.
Het is aan het Braziliaanse rechtssysteem om tot een juridisch oordeel te komen over de al dan niet vermeende uitlatingen van dhr. Sergio Moro.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aanklagers toegaven dat het bewijsmateriaal tegen Lula, op basis waarvan hij veroordeeld is, mager is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zeggen de gelekte documenten naar uw oordeel over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Brazilië en de veroordeling van oud-president Lula vorig jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Defensie blijft teleurstellen op het gebied van veiligheid |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie pakt veiligheidszaken traag aan, en dat levert gevaar op voor het personeel»?1
Ja
Kunt u aangeven hoe u deze gezondheidsproblemen gaat oplossen nu u, gelet op de antwoorden op vragen over het Jaarverslag van het Ministerie van Defensie 2018, niet in staat bent om een limitatief overzicht te geven over gezondheidsproblemen die (mogelijkerwijs) verband houden met de functie-uitoefening van Defensiepersoneel? Zo nee, waarom niet?
Een limitatief overzicht van gezondheidsproblemen die (mogelijkerwijs) verband houden met de functie-uitoefening van Defensiepersoneel is niet te geven. Gezondheidsproblemen zijn vaak niet te isoleren en zuiver te verbinden aan de functie-uitoefening, daar andere factoren een rol kunnen spelen bij het ontstaan van de aandoening. Dit zal steeds per geval moeten worden beoordeeld. Als er een gerede kans en/of een vermoeden is op een oorzakelijk verband tussen een aandoening en de functie-uitoefening, stelt Defensie een onderzoek in. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan kunnen maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden genomen.
De Inspecteur Militaire Gezondheidszorg (IMG) heeft een aantal constateringen gedaan over de militaire gezondheidszorg. Ik heb u daarover geïnformeerd in mijn brief van 15 mei 2019 (Kamerstuk 35 000-X, nr. 139). De IMG legt echter geen verband tussen deze constateringen en gezondheidsproblemen.
Kunt u een, eventueel geanonimiseerd, limitatief overzicht geven van de bekendstaande en gemelde gezondheidsproblemen, gezondheidsrisico’s en overlijdens die (mogelijkerwijs) verband houden met de functie-uitoefening van Defensiepersoneel? Zo nee, kunt u dit onderzoeken en de onderzoeksresultaten aan de Kamer mededelen?
Gezondheidsproblemen die aan een arts worden gemeld, vallen onder het medisch geheim en zijn daarmee niet beschikbaar. Als er een gerede kans en/of een vermoeden is op een oorzakelijk verband tussen een aandoening en de functie-uitoefening, stelt Defensie een onderzoek in. Dit is eerder ook gebeurd bij het zogenaamde Balkan onderzoek (2011), suïcide onderzoek (2015) en Chroom VI onderzoek (2018). Deze onderzoeken zijn openbaar.
Op dit moment wordt gewerkt aan de inrichting van gezondheidsmonitoring in de vorm van periodiek medisch onderzoek zoals aan uw Kamer gemeld in de brief van de Minister van Defensie (Kamerstuk 35 000-X, nr. 133, dd. 18 april 2019).
Bij overlijden dat verband houdt met de functie-uitoefening, wordt een veiligheidsmelding gedaan en veiligheidsonderzoek gestart (categorie 4). Van deze meldingen en onderzoeken worden een samenvatting en de geleerde lessen gepubliceerd. Een overzicht van de verschillende categorieën meldingen (1 tot en met 4) is opgenomen in het jaarverslag.
Kunt u de vragen 6, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18. 19, 25 en 26 van de lijst van vragen over het Jaarverslag Ministerie van Defensie 2018, de vragen 7, 12 en 16 van de lijst van vragen over de Afwijkingsrapportage ten opzichte van het Materieel Projecten Overzicht 2018 en de vragen 4, 8, 10, 16, 17, 18, 20, 21, 22, 23, 26,27,28,29, 30, 31, 32 en 38 van de lijst van vragen over de Oplegnota verantwoordingsrapportages en KPI’s Defensie 2018 – Personeelsrapportage alsnog beantwoorden, eventueel in geanonimiseerde vorm, aangezien uw antwoorden hierop niet volledig zijn? Zo nee, kunt u dit onderzoeken en de onderzoeksresultaten aan de Kamer mededelen?
De genoemde vragen zijn beantwoord en ik zie geen aanleiding om de antwoorden aan te passen.
Kunt u aangeven waarom u wel luistert naar de bevelen van dronkenlap Junker, maar Oost-Indisch doof bent voor de roep om betere arbeidsomstandigheden? Kunt u ook aangeven hoe dit zich tot elkaar verhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ik merk op dat de kwalificaties in de vraagstelling volledig voor rekening van de vraagsteller zijn. Ik herken deze niet en verder zie ik geen onderlinge relatie tussen de genoemde zaken.
Schaamt u zich niet voor het feit dat u Defensiepersoneel laat stikken met slechte arbeidsomstandigheden en daarmee in strijd handelt met het beginsel van goed werkgeverschap? Zo nee, waarom niet?
Defensie hecht veel belang aan goede arbeidsomstandigheden. In tijden van bezuinigingen zijn keuzes gemaakt die helaas niet altijd een positief effect hadden op de arbeidsomstandigheden. Het huidige herstel kost tijd en is niet altijd snel zichtbaar. Daar werken wij hard aan. Inmiddels hebben Defensie en de centrales van overheidspersoneel na vele en intensieve onderhandelingen, op 2 juli 2019 een onderhandelingsresultaat bereikt over een pakket van arbeidsvoorwaarden voor het defensiepersoneel. Zie ook de brief over het resultaat (Kamerstuk 35 000-X, nr. 146, dd. 2 juli 2019).
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja
Het bericht ‘Politiechef Fatima stelt dat ‘klokkenluiders’ intern tegen muur lopen’ |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politiechef Fatima stelt dat «klokkenluiders» intern tegen muur lopen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat agenten die bij hun leiding aankaarten dat er interne misstanden zijn, volgens een politiechef tegen een muur, «The blue wall of silence,» aanlopen?
Voor ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag zoals intimidatie, discriminatie en pesten is binnen de politie geen plaats. De ervaringen van politiemedewerkers over de afhandeling van signalen en meldingen van grensoverschrijdend gedrag neem ik zeer serieus. De korpschef deelt dit gevoel ten zeerste, mede vanuit de verantwoordelijkheid die de korpsleiding en politiechefs voelen om vanuit haar werkgeverschap te zorgen voor een veilig werkklimaat. Iedere politiemedewerker met welke klacht dan ook moet zich vrij voelen om hiervan een melding te maken en moet zich daarbij door de leidinggevende gesteund voelen. Daarom bevordert de leiding van de politie een werkcultuur waarin het gesprek wordt aangegaan over gedragingen die als grensoverschrijdend worden ervaren.
Wat is uw reactie op het feit dat dit volgens deze politiechef tot stress en zelfs tot agenten die het bijltje erbij neergooien leidt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet het citaat «(t)oen ik zaken van intimidatie, racisme en machtsmisbruik aankaartte bij mijn leidinggevenden, zeiden deze dat al die mensen waar ik over sprak niet op non-actief konden worden gezet gezien de capaciteitsproblemen. Dus toen ben ik maar weggegaan» met u?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat misstanden bij de politie soms niet bestreden worden vanwege capaciteitsproblemen? Zo ja, wat doet u om dit tegen te gaan? Zo nee, waar baseert u dit op?
In het bericht zijn de geïdentificeerde misstanden onder andere intimidatie, racisme en machtsmisbruik. Iedere melding van een dergelijk misstand bij de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) of het Landelijk Meldpunt Misstanden wordt onderzocht. Er is geen sprake van dat misstanden niet worden bestreden door een capaciteitsprobleem.
Bestaan er monitorraportages van discriminatie, racisme, intimidatie en machtsmisbruik bij de politie? Zo ja, wat blijkt hieruit? Zo nee, waarom niet?
Eens in de drie jaar vindt een groot onderzoek naar de werkbeleving binnen de politie plaats, de Medewerkersmonitor (MEMO). In de MEMO zijn onder andere vragen opgenomen over grensoverschrijdende omgangsvormen, op de werkvloer. De uitkomsten van de medewerkersmonitor zijn eerder met uw Kamer gedeeld.2
Hoeveel disciplinaire maatregelen zijn er in de afgelopen vier jaar binnen de politie genomen tegen meldingen van discriminatie, racisme, intimidatie en machtsmisbruik?
Ik heb uw Kamer aangegeven dat de politie ernaar streeft om met ingang van 2019 jaarlijks een geanonimiseerd overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren. Op dit moment is het nog te arbeidsintensief om het totaal aantal voor specifieke disciplinaire maatregelen te genereren. Op verzoek van de korpsleiding is een landelijk systeem in ontwikkeling dat de Veiligheid, Integriteit en Klacht (VIK)- en HRM processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf 2020 in de jaarverantwoording worden opgenomen.
Worden de redenen voor uitdiensttreding bij de politie geregistreerd? Zo ja, in hoe veel gevallen heeft dit het ervaren van discriminatie en/of machtsmisbruik als reden?
Van iedere medewerker die de politie verlaat wordt een tweetal gegevens geregistreerd: de datum van uitdiensttreding en de reden van uitdiensttreding, waarbij uit een beperkt aantal categorieën gekozen kan worden. Er is geen rechtsgrond om meer dan deze categorieën te registreren. De categorieën die worden geregistreerd zijn:
in welke sector de medewerker zijn of haar loopbaan voortzet;
Wordt met iedere diender die uit dienst treedt een exitgesprek gevoerd om de redenen te bevragen? Zo ja, wat zijn de meest genoemde redenen? Zo nee, waarom niet?
In het Halfjaarbericht Politie van juli 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het gesprek dat de korpschef en ik over dit onderwerp hebben gevoerd.3 De politie erkent het belang van exitgesprekken voor zowel de vertrekkende medewerker als de organisatie en de waardevolle informatie die dit oplevert. Op dit moment wordt door de politie gewerkt aan een beleidskader en een bijbehorend implementatieplan om met iedere medewerker die de politie verlaat, op vrijwillige basis, een exitgesprek te houden.
Uitgangspunt blijft dat de reden voor vertrek bij de politie niet wordt geregistreerd, anders dan zoals reeds beschreven in het antwoord op vraag 8.
Welke concrete maatregelen zijn genomen sinds de noodkreet van de ex-korpschef dat «een gif van uitsluiting de politie binnen dreigt te komen» en sinds het uitkomen van het zwartboek met noodkreten van agenten? Kunt u wat meer doen dan alleen verwijzen naar het programma de Kracht van het Verschil?
De afgelopen jaren stond het onderwerp integriteit hoog op de agenda van de korpsleiding. Extra aandacht is besteed aan de rol van leidinggevenden, omdat zij binnen het korps een centrale rol vervullen in het realiseren van een veilige en inclusieve cultuur. Zo is vanuit het leiderschapsprogramma aandacht voor een meer adequaat handelen en optreden – sneller, zichtbaarder en doeltreffender – bij ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag. Ook de theatervoorstelling Rauw die inmiddels door ruim 16.000 collega’s is gezien en ook in 2019 doorloopt, wordt ingezet om aandacht te besteden aan o.a. integriteit, discriminatie en pesten.
In 2018 is het integriteitsbeleid geactualiseerd, hierin is nadrukkelijk aandacht voor het bevorderen van integriteit en een veilig en inclusief werkklimaat. De politieorganisatie heeft verschillende mogelijkheden beschikbaar voor het bespreekbaar maken van signalen, zoals het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten, het Landelijk Meldpunt Misstanden en programma’s als de Kracht van het Verschil. Daarnaast beschikt de politie over de regeling klachten grensoverschrijdende omgangsvormen voor formele klachten over deze specifieke ervaringen; deze klachten worden onderzocht door de klachtencommissie grensoverschrijdende omgangsvormen. Deze commissie wordt per klacht samengesteld en bestaat uit interne medewerkers en externe personen met passende expertise.
Worden de effecten van de genomen maatregelen gemonitord? Zo ja, wat blijkt hieruit? Zo nee, waarom niet?
De Medewerkersmonitor wordt periodiek uitgevoerd. In de monitor zijn vragen opgenomen die inzicht geven in de effecten van de genomen maatregelen. Zie hiervoor tevens mijn beantwoording op vraag 6.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het voorkomen van en het bestrijden van discriminatie en uitsluiting binnen de politieorganisatie? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt door de korpsleiding invulling gegeven aan de borging van het programma De Kracht van het Verschil in de staande organisatie. Daarbij wordt ook bezien wat in de afgelopen jaren goed heeft gewerkt, wat niet en wat er verder nog ontwikkeld moet worden. Ik zie op dit moment geen aanleiding voor een onafhankelijk onderzoek.
De halal slacht van eenden, duiven, konijnen en herten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat slachterij Vugts in Steenbergen niet alleen lammeren halal slacht, maar ook eenden, duiven, konijnen en herten?1 Zo ja, worden deze dieren onbedwelmd geslacht?
Bij slachterij Vugts in Steenbergen mogen naast schapen en lammeren onder andere ook eenden, pluimvee, konijnen en gekweekt wild geslacht worden.
Uit de gegevens van de NVWA blijkt dat er uitsluitend schapen en lammeren onbedwelmd geslacht zijn. Alle overige dieren zijn geslacht na reguliere bedwelming.
Indien eenden, duiven, konijnen en herten bij deze slachterij onbedwelmd worden geslacht, waarom zijn deze diersoorten dan niet opgenomen in het door u gegeven overzicht van dieren die in 2018 onbedwelmd zijn geslacht?2
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, zijn uitsluitend schapen en lammeren onbedwelmd geslacht.
Het bericht ‘Analyse jaarverslagen: ziekenhuizen uit gevarenzone’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Analyse jaarverslagen: ziekenhuizen uit gevarenzone»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de gemiddelde financiële positie van ziekenhuizen in 2018 is verbeterd?
De analyse van Prismant is gebaseerd op de tot dusver aangeleverde jaarrekeningen van ziekenhuizen. Prismant concludeert dat de gemiddelde financiële positie van ziekenhuizen in 2018 is verbeterd. Dit beeld is herkenbaar, ook de recente analyse van inkoopcoöperatie Intrakoop schetst een positieve ontwikkeling. Uiteraard is hier sprake van gemiddelden; het ene ziekenhuis staat er financieel beter voor dan het andere. Hierbij is relevant dat de Nederlandse Zorgautoriteit de financiële gegevens uit de jaarrekeningen meeneemt bij de doorontwikkeling van het systeem van vroegsignalering van zorgaanbieders in financiële problemen2. Om een goed beeld te schetsen van wat deze gegevens betekenen voor de continuïteit van een individuele zorgaanbieder, neemt de NZa overigens ook andere (voorspellende) indicatoren mee. Denk bijvoorbeeld aan ratio’s op het vlak van liquiditeit, ziekteverzuim, een hoog percentage extern ingehuurd personeel. Maar ook andere zaken zoals verzoeken tot extra bevoorschotting door de zorgverzekeraar en wisselingen in de raad van bestuur. Ik zal uw Kamer na de zomer nader informeren over de werking van dit verbeterde systeem van vroegsignalering.
Herkent u het beeld dat de rentelasten zijn gedaald met 14,8 procent vanwege de steeds lagere kapitaalbehoefte van de ziekenhuizen en de dalende rentetarieven?
Dat beeld is inderdaad herkenbaar. Zo heeft het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) mij desgevraagd laten weten dat het totaal aan langlopende geborgde leningen is afgenomen doordat er meer is afgelost dan dat er aan nieuwe leningen is afgesloten. Daarnaast geldt dat ziekenhuizen bij nieuwe leningen en herfinancieringen profiteren van de lage renteniveaus, aldus het WFZ.
Kunt u aangeven of het Waarborgfonds voor de Zorgsector solvabiliteitseisen stelt aan ziekenhuizen? Zo ja, kunt u aangeven hoe hoog deze solvabiliteitseisen zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij de beoordeling van borgingsverzoeken kijkt WFZ niet naar de solvabiliteit (eigen vermogen/balanstotaal), maar naar het weerstandsvermogen (eigen vermogen/omzet). Het weerstandsvermogen van een zorgorganisatie is volgens het WFZ een betere indicator voor de mate waarin een zorginstellingen in staat is zijn financiële tegenvallers op te vangen. Het WFZ noemt indicatief een niveau van 20% á 25% weerstandvermogen voldoende, maar benadrukt dat bij de boordeling van borgingsverzoeken alle relevante factoren altijd in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Er is derhalve geen sprake van een strikte norm.
Hoe verklaart u dat het eigen vermogen van ziekenhuizen in 2018 is gestegen naar 7,0 miljard euro, een ruime verdubbeling ten opzichte van 2011?
De ontwikkeling van het eigen vermogen van ziekenhuizen heeft verschillende oorzaken. Gemiddeld genomen hebben ziekenhuizen in de periode 2011–2018 positieve resultaten gerealiseerd. Deze resultaten hebben bijgedragen aan een groei van het eigen vermogen. Voor ziekenhuizen is een voldoende omvang van het eigen vermogen van belang om eventuele tegenslagen te kunnen opvangen.
Deelt u de mening dat het in het licht van deze cijfers er meer zou kunnen worden geïnvesteerd in het schreeuwend tekort aan zorgpersoneel, noodzakelijke ICT-investeringen en leningen voor dure innovaties in ziekenhuizen?
Uiteraard is het hebben van voldoende zorgpersoneel, goede ICT-voorzieningen etcetera van groot belang. Dat ziekenhuizen daarin moeten en kunnen investeren is een keuze van ziekenhuizen zelf. Dit is afhankelijk de lokale situatie en de financiële positie van het ziekenhuis.
Het ontbreken van draagvlak voor aardgaswinning onder het Werelderfgoed de Waddenzee |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de raadsleden van S!N, een lokale samenwerking tussen D66, PvdA en GroenLinks, over het ontbreken van draagvlak voor de aardgaswinning onder de Waddenzee?1
Ja.
Kunt u reageren op de uitspraak van de raadsleden dat draagvlak voor de gaswinning in dit gebied volledig ontbreekt en dat het onbegrip over de plannen enorm is?
Ik begrijp dat de effecten van de gaswinning in Groningen hebben geleid tot grote bezorgdheid over gaswinning elders in Nederland en met name ook in het Waddengebied. De gaswinning onder de Waddenzee is, onder strikte randvoorwaarden, toegestaan. De effecten hiervan worden jaarlijks beoordeeld door de onafhankelijke Auditcommissie Gaswinning Waddenzee, waarbij tot nu toe nog steeds is gebleken dat deze gaswinning niet heeft geleid tot enige schade aan de natuurwaarden in de Waddenzee. Daarnaast zijn per 1 januari 2017 in de Mijnbouwwet nog extra restricties opgenomen voor mijnbouwactiviteiten in het Waddengebied.
Bij het beoordelen van winningsplannen en het aanvragen van vergunningen volg ik een procedure waarbij advies wordt gevraagd aan SodM, TNO, de decentrale overheden, de Tcbb en de Mijnraad. Alleen als blijkt dat de effecten van de gaswinning beperkt blijven en niet leiden tot schade voor mensen, de natuur of gevolgen voor de waterkwaliteit, kan ingestemd worden met een winningsplan of kan een vergunning worden verleend.
Waarop baseert u dat het bestuurlijk draagvlak broos is aangezien de provincie Fryslân heeft aangeven tegenstander te zijn van gaswinning onder de Waddenzee en de raadsleden aangeven dat draagvlak voor de gaswinning in dit gebied volledig ontbreekt?
Ik realiseer mij dat bestuurders in het gebied, onder andere in het Fries Manifest, hebben aangegeven tegen gaswinning in het gebied te zijn. Tegelijkertijd is in het Fries manifest ook aangegeven dat aardgas nog een belangrijke rol speelt in de Nederlandse energievoorziening. Tegen deze achtergrond en gegeven het feit dat besluitvorming over gaswinning een nationale bevoegdheid is, heb ik gesproken over een broos draagvlak. Het al dan niet aanwezig zijn van draagvlak is in juridische zin geen weigeringsgrond bij het al dan niet doorgaan van projecten op het gebied van de energievoorziening.
Erkent u dat er verschil is tussen deelname aan het omgevingsproces en steun voor de voorgenomen gaswinning? Herkent u het in de brief geschetste beeld dat lokale participatie slechts plaatsvind als poging om de schade beperkt te houden?
Ik herken het geschetste beeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat deelname aan het omgevingsproces niet gezien mag worden als instemming met de voorgenomen gaswinning? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u zich voorstellen dat inwoners het gevoel hebben dat besluitvorming over de gaswinning reeds heeft plaatsgevonden, nu in het omgevingsproces voornamelijk gesproken wordt over de wijze waarop een deel van de opbrengsten kunnen terugvloeien naar de omgeving?
Ik kan mij dat gevoel voorstellen. Mijn ambtenaren hebben ook van begin af aan aangegeven dat het op grond van de bestaande wetgeving en binnen de wettelijke kaders het kabinet de taak heeft gaswinning, indien veilig, mogelijk te maken. In het geval van de gaswinning bij Ternaard is de afspraak gemaakt dat de uitkomsten van het omgevingsproces een plek krijgen in de uiteindelijke besluitvorming. Dit is naar verwachting dit najaar aan de orde.
Kunt u bevestigen dat een voorkeur voor gaswinning met terugvloei van inkomsten in plaats van gaswinning zonder terugvloei van inkomsten niets zegt over het draagvlak voor de gaswinning zelf?
Ik kan dat bevestigen.
Kunt u bevestigen dat het vaststellen van draagvlak niet alleen gebeurt in de stuur- en werkgroepen? Bent u bereid de omwonenden middels een enquête de expliciete vraag voor te leggen of zij gaswinning in het gebied steunen of niet? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven is het al dan niet aanwezig zijn van draagvlak in juridische zin geen weigeringsgrond. Wel wil ik met een zorgvuldig omgevingsproces en met de werk- en stuurgroepen en het bestuurlijk overleg de zorgen adresseren en de uitkomsten van dit proces een serieuze plek te geven in mijn besluiten over de gaswinning.
Ik ben niet bereid om voor projecten op het gebied van de energiewinning door middel van een enquête onder de bevolking het draagvlak vast te stellen.
Kunt u aangeven, aangezien u in de beantwoording van de eerdere vragen stelde dat in het omgevingsproces verkend werd onder welke voorwaarden de gaswinning acceptabel zou zijn, welke randvoorwaarden opgesteld zijn? Kunt u bevestigen dat het «hand aan de kraan»-principe een van die randvoorwaarden is?2
Uiteraard is het «hand aan de kraan»-principe voor een nieuwe gaswinning onder de Waddenzee een van de randvoorwaarden. Dit is vastgelegd in de Structuurvisie Waddenzee. Verdere randvoorwaarden zijn onder andere dat er duidelijkheid bestaat over de effecten van de eventuele gaswinning, en dat er afspraken zijn tussen de operator en de omwonenden over het voorkómen van ongewenste effecten, over het meten en monitoren van effecten, het nemen van maatregelen en het afhandelen van eventuele schades. Tenslotte hoop ik met het omgevingsproces er voor te zorgen dat de eventuele gaswinning bijdraagt aan de ontwikkeling van het gebied.
Kunt u aangeven op welke locatie in het verleden het «hand aan de kraan»-principe zijn werking bewezen heeft? Zo nee, waarom niet?
Voor met name de gaswinning onder de Waddenzee vanaf de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen, waarbij ook de effecten van de gaswinning Ameland worden meegenomen, wordt het «Hand aan de Kraan»-principe sinds 2006 toegepast. De meet- en monitoringsrapportages van deze gaswinning worden jaarlijks beoordeeld door de onafhankelijke Auditcommissie gaswinning Waddenzee. Tot nu toe is hierbij elk jaar vastgesteld dat de effecten binnen de vooraf vastgestelde bandbreedte zijn gebleven, dat de natuurwaarden van het gebied niet in het geding zijn geweest en dat ingrijpen door het verminderen of stoppen van de gaswinning niet noodzakelijk is gebleken.
Welke garantie kunt u geven dat er met het «hand aan de kraan»-principe voldoende controle gehouden kan worden over de gaswinning en de bodemdaling?
Zie antwoord op vraag 10.
Is het juist dat ook na het terugbrengen van de gasproductie (bijvoorbeeld doormiddel van het «hand aan de kraan»-principe) de kans op aardbevingen en bodemdalingen blijft bestaan? Zo ja, wat is dan het nut van het hand aan de kraan principe?
Het hand aan de kraan principe in de Waddenzee is gerelateerd aan bodemdaling. In de Waddenzee is het van belang dat de snelheid van aanvoer van sediment naar de Waddenzee in balans is met de snelheid van bodemdaling. Hierdoor verdwijnt er geen plaatareaal als gevolg van bodemdaling. Mochten er aanwijzingen zijn dat de bodem sneller gaat dalen, wordt er ingegrepen omdat hierdoor het Waddensysteem uit balans kan raken en er negatieve natuureffecten kunnen optreden. De gasproductie zal dan teruggebracht worden (Hand aan de Kraan). Hierdoor zal de snelheid van bodemdaling afnemen en daarmee weer in balans kunnen komen met de snelheid van sediment aanvoer.
Ook na het beëindigen van een gaswinning zal de bodemdaling nog enige tijd na-ijlen, maar met een lagere snelheid. De verplichting voor de mijnbouwonderneming tot het meten van de door de gaswinning veroorzaakte bodemdaling gaat nog door tot geruime tijd na beëindiging van de gaswinning.
Staat u nog altijd achter de stelling van het kabinet dat de natuur zich weliswaar niet voor 100% laat voorspellen, maar dat eventuele afwijkende gedragingen van de natuur via het «hand aan de kraan»-principe kunnen worden ondervangen?3 Zo ja, op basis waarvan?
Ja, ik sta nog altijd achter de analyse die ten grondslag ligt aan de gaswinning onder strikte randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waddenzee en sinds 2006 aan de orde. Het 5-jaarlijks actualiseren van de gebruiksruimte op basis van een geactualiseerd beleidsscenario voor de zeespiegelstijging ten behoeve van de delfstofwinning onder de Waddenzee, maakt daarvan onderdeel uit.
Bent u, vanwege de grote onzekerheden over de bodemeffecten en het ontbreken van draagvlak, bereid om geen toestemming te verlenen aan gaswinning onder het UNESCO-werelderfgoed de Waddenzee?
Er was reeds sprake van gaswinning onder de Waddenzee op het moment dat het gebied de status kreeg van UNESCO-werelderfgoed. De gaswinning en de stringente vergunningverleningsprocedure die daarbij gevolgd moet worden, heeft dat dus niet in de weg gestaan. Op grond van het feit dat bij het verlenen van instemming voor winningsplannen zeer zorgvuldige procedures worden gevolgd en via het hand aan de kraan principe ingegrepen kan worden indien nodig, ben ik niet bereid op voorhand en zonder een inhoudelijke beoordeling van de betreffende aanvraag, mijn toestemming te onthouden aan gaswinning onder de Waddenzee.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen dat op 27 juni 2019 gepland staat?
Ja.
De btw plicht voor toezichthouders in het licht van een recente uitspraak van het Europees Hof |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het arrest van het Europees Hof van Justitie van 13 juni 2019 over de btw-plicht voor toezichthouders?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de conclusie van het arrest die luidt: «De artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat een lid van de raad van commissarissen van een stichting, zoals verzoeker in het hoofdgeding – die wat de uitoefening van zijn werkzaamheden als lid van die raad betreft weliswaar op geen enkele wijze hiërarchisch ondergeschikt is ten aanzien van het bestuursorgaan of de raad van commissarissen van die stichting, doch noch in eigen naam, noch voor eigen rekening, noch onder zijn eigen verantwoordelijkheid handelt, maar handelt voor rekening en onder de verantwoordelijkheid van diezelfde raad, en evenmin het economische bedrijfsrisico draagt, aangezien hij een vaste vergoeding ontvangt die niet afhankelijk is van zijn deelname aan vergaderingen of van zijn feitelijk gewerkte uren –, niet zelfstandig een economische activiteit verricht»?
Ja.
Kunt u aangeven welke toezichthouders in Nederland dus niet btw-plichtig zijn en kunt u dit in een beleidsbesluit vastleggen?
De vaststelling van de belastingplicht voor de btw is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de inspecteur. Bij die beoordeling zal de inspecteur rekening houden met het arrest HvJ EU 13 juni 2019, nr. C-420/18 (IO).Echter, het arrest biedt naar mijn mening onvoldoende duidelijkheid om een algemene, voor iedere toezichthouder geldende, beleidslijn in een beleidsbesluit vast te leggen.
Voor de volledigheid vermeld ik dat de Hoge Raad binnenkort arrest wijst in een zaak over de btw-belastbaarheid van vacatiegelden.2 Na het wijzen van dit arrest zal ik opnieuw bezien of het mogelijk is om de btw-plicht van toezichthouders te verduidelijken in een beleidsbesluit.
Kunt u aangeven wat er gebeurt met een 'Verklaring omtrent de hoedanigheid van belastingplichtige», waarin de Belastingdienst in het verleden aangegeven heeft dat iemand btw-plichtige is en dat volgens EU-recht toch niet blijkt te zijn? Wordt die met terugwerkende kracht ingetrokken of hersteld?
Aan de «Verklaring omtrent de hoedanigheid van belastingplichtige» ligt een beoordeling van feiten en omstandigheden ten grondslag op het moment van afgifte. Deze beoordeling maakt de inspecteur op grond van het op dat moment geldende toetsingskader. De verklaringen vervallen wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van dat kader; hetzij doordat het feitencomplex verandert, hetzij doordat dit toetsingskader zelf verandert. De verklaringen worden niet met terugwerkende kracht ingetrokken of anderszins aangepast.
Klopt het dat het arrest de facto terugwerkende kracht heeft omdat het een uitleg van EU-recht geeft die ook voor de uitspraak van toepassing was?
Als de werking van een arrest niet door het Hof van Justitie zelf wordt beperkt in de tijd, heeft het arrest een werking ex tunc3. Dit betekent dat de uitleg van het Hof van Justitie terugwerkt tot het moment waarop de in het arrest beoordeelde artikel van de btw-richtlijn in werking is getreden. De terugwerkende kracht geldt echter niet voor onherroepelijk vaststaande beschikkingen, zoals teruggaafbeschikkingen of (naheffings-)aanslagen omzetbelasting.
Wat moeten mensen doen die sinds 2012 btw in rekening gebracht hebben en nu niet btw-plichtig blijken te zijn onder Europees recht?
Toezichthouders die twijfelen of zij na het arrest HvJ EU 13 juni 2019, nr. C-420/18 (IO) nog belastingplichtig zijn voor de btw, kunnen deze vraag voorleggen aan hun btw-inspecteur. Voor de voldoening op aangifte van btw over tijdvakken die in het verleden liggen geldt het volgende. Als de toezichthouder niet tijdig bezwaar maakt of heeft gemaakt tegen de voldoening van btw op aangifte, staan deze tijdvakken onherroepelijk vast en bestaat naar aanleiding van het arrest HvJ EU 13 juni 2019, nr. C-420/18 (IO) geen recht op ambtshalve teruggaaf van btw. Dit volgt uit de punten 8 en 12 tot en met 14 van paragraaf 23 van het besluit van 9 mei 2017 nr. 2017–1209 (Besluit Fiscaal Bestuursrecht).
Kunt u aangeven op welke gronden Nederland in 2012 besloten heeft dat het juist uit EU-recht volgde dat er wel een btw-plicht voor toezichthouders was? Kunt u de juridische adviezen en correspondentie met de commissie aan de Kamer doen toekomen?
Commissarissen die niet meer dan vier commissariaten vervulden werden tot 1 januari 2013 niet aangemerkt als btw-ondernemer op grond van een goedkeurend besluit.4 De Europese Commissie was van mening dat Nederland de BTW-richtlijn hiermee niet correct toepaste en startte een formele inbreukprocedure, waarbij de Europese Commissie een ingebrekestelling stuurde, gevolgd door een met redenen omkleed advies. Hierin werd Nederland verzocht om de goedkeuring in te trekken. De Europese Commissie was namelijk van oordeel dat niet slechts op grond van een aantal commissariaten kon worden bepaald of een commissaris voor btw-doeleinden als belastingplichtige moest worden aangemerkt. Dat diende volgens de Europese Commissie per geval te worden bepaald, rekening houdende met alle relevante elementen. Ter voorkoming van een inbreukprocedure voor het Hof van Justitie EU heeft Nederland de goedkeuring per 1 januari 2013 ingetrokken. Het btw-ondernemerschap van commissarissen wordt sindsdien van geval tot geval beoordeeld.
Gevraagd naar de juridische adviezen en correspondentie met de Europese Commissie deel ik u mee dat ik nog onderzoek in hoeverre deze stukken mogen worden verstrekt nu het communicatie van/aan derden betreft. Als blijkt dat deze stukken kunnen worden gedeeld ontvangt uw Kamer die zo spoedig mogelijk van mij.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
Ja.
De uitvoering van de gewijzigde motie over een jaarlijkse rapportage over migratie |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoord herinneren tijdens de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid 2019, waarin u als reactie op de aangenomen motie-Groothuizen c.s.1 aangaf dat u het «waardevol achtte om een jaarlijkse rapportage aan de Kamer toe te zenden over de voortgang van de beleidsvoornemens uit de zes pijlers van de integrale migratieagenda van het kabinet, waarin u verantwoording aflegt voor wat wel en niet gelukt is»?2
Ja.
Wanneer kan de Kamer deze jaarlijkse rapportage verwachten?
Die mening deel ik. Uw Kamer ontvangt de jaarlijkse rapportage zo snel mogelijk na het zomerreces.
Deelt u de mening dat het waardevol is deze rapportage uiterlijk een maand vóór de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid aan de Kamer te versturen? Zo ja, kunt u dat bij deze toezeggen dat u dat voortaan zal doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het onterecht stoppen van huurtoeslag aan statushouders |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat wanneer bij een statushouder een baby geboren wordt, de huurtoeslag door de dienst Toeslagen gestopt wordt en een terugvordering toegezonden? Wat is de oorzaak van dit probleem?
Een voorwaarde voor het ontvangen van huurtoeslag is dat alle leden van het huishouden beschikken over de Nederlandse nationaliteit, de nationaliteit van een andere EU-lidstaat of een geldige verblijfsvergunning. Een kind dat geboren wordt bij statushouders beschikt niet automatisch over een verblijfstitel, de ouders moeten deze aanvragen. Zij ontvangen daarom binnen drie weken na de geboorte van hun kind een brief van de IND, waarin zij hierop gewezen worden. Bij toekenning van de verblijfsvergunning aan de pasgeborene, wordt de huurtoeslag opnieuw vastgesteld.
Dit betekent echter niet dat de huurtoeslag van statushouders direct na de geboorte van een kind wordt stopgezet en teruggevorderd. Wanneer de pasgeborene binnen drie maanden na de geboorte over een verblijfsvergunning beschikt, wordt de huurtoeslag automatisch en ongewijzigd opnieuw vastgesteld. Wanneer de ouders geen verblijfsvergunning aanvragen voor de pasgeborene, wordt de huurtoeslag drie maanden na de geboortedatum stopgezet. De huurtoeslag over deze periode wordt niet teruggevorderd. Ouders die bezwaar maken tegen deze stopzetting, maar nog geen verblijfsvergunning hebben aangevraagd voor de pasgeborene, worden door de Belastingdienst opnieuw gewezen op de noodzaak dit wel te doen. Wanneer ouders de verblijfstitel voor de pasgeborene alsnog verkrijgen, wordt de huurtoeslag opnieuw vastgesteld (met terugwerkende kracht) op de geboortedatum van het kind. Eventueel gemiste huurtoeslag wordt dan nabetaald.
Het opnieuw vaststellen van huurtoeslag na de eerste drie maanden is een handmatig proces. In enkele gevallen is het voorgekomen dat de huurtoeslag abusievelijk is vastgesteld op de datum waarop de verblijfsvergunning is afgegeven, in plaats van de datum waarop het kind geboren is. In dat geval kan ten onrechte een terugvordering ontstaan.
Kunt u bevestigen dat de geboorte van een baby geen reden is huurtoeslag stop te zetten?
Ja. Het is daarom zaak dat de ouders tijdig een verblijfsvergunning aanvragen voor de pasgeborene (zie ook antwoord op vraag 1).
Klopt het dat dit probleem wordt veroorzaakt door automatische koppeling tussen de systemen van de Belastingdienst en de Basisregistratie Personen? Bent u het ermee eens dat personen niet het slachtoffer mogen worden van administratieve verkeerde koppelingen?
Nee, het ervaren probleem wordt niet veroorzaakt door automatische koppeling. Het is een gevolg van de wettelijke vereisten. De Nederlandse nationaliteit, de nationaliteit van een andere EU-lidstaat of een geldige verblijfsvergunning voor alle leden van het huishouden is een voorwaarde voor huurtoeslag. Wanneer aan deze eis niet voldaan wordt, bestaat geen recht op huurtoeslag.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze onterechte stopzettingen van toeslagen niet meer voorkomen? Bent u bereid de mensen die dit is overkomen ruimhartig te compenseren? Bent u voorts bereid om (financiële) problemen die zijn ontstaan door het missen van huurtoeslag samen met deze mensen op te lossen?
Het is van belang dat statushouders zo snel mogelijk een verblijfsvergunning aanvragen voor hun pasgeborene. Zij ontvangen binnen drie weken na de geboorte van hun kind een brief van de IND, waarin zij hierop gewezen worden. Bij voorkeur worden de ouders hier echter al op gewezen wanneer zij bij de gemeentebalie aangifte doen van de geboorte. Via de VNG zal ik gemeenten hierop wijzen. Zoals in antwoord op vraag 1 is aangegeven wordt, wanneer ouders de verblijfstitel voor de pasgeborene alsnog verkrijgen, de huurtoeslag opnieuw vastgesteld (met terugwerkende kracht) op de geboortedatum van het kind. Eventueel gemiste huurtoeslag wordt dan nabetaald. Zelfs bij een in eerste instantie te late aanvraag van een verblijfstitel is er dus uiteindelijk geen verlies aan huurtoeslag. Toch wil ik bezien wat mogelijk is om stopzettingen en latere nabetalingen te voorkomen. Dit vergt nader onderzoek in overleg met de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie & Veiligheid. Ik verwacht u in het voorjaar van 2020 over de uitkomsten hiervan te kunnen informeren.
Het mensonterende voorval in Zeist |
|
Roy van Aalst (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ontslag voor chauffeur na mensonterend gedrag op facebookfilmpje» van 14 juni 2019?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) en FNV Taxi beiden de noodklok luiden over de «race naar de bodem» die zich bij de inkoop van het zieken- en ouderenvervoer nu voordoet?
Ja, ik ben op de hoogte van de zorgen die het KNV en FNV hebben geuit over contractprijzen in het vervoer.
Deelt u de mening dat dit voorval mede het gevolg is van een steeds grotere werkdruk op regio- en zorgtaxi’s vanwege de lage tarieven die de zorgverzekeraars bij de aanbesteding hanteren?
Nee. Ik betreur zeer dat dit incident plaatsgevonden heeft, maar er is geen reden te veronderstellen dat werkdruk of tarieven tot dit incident hebben geleid. Uitgangspunt is dat regiotaxivervoer tegen een reële prijs wordt gecontracteerd; kwaliteit is een zeer belangrijke maatstaf bij de gunning van contracten.
Naar aanleiding van uw vragen heb ik contact opgenomen met de provincie Utrecht, nu de betreffende rit werd uitgevoerd in het kader van het door hen afgesloten contract voor regiovervoer. De provincie heeft mij bevestigd dat het contract voorziet in reële tarieven. Tevens zijn er in de overeenkomst eisen aan de kwaliteit en dienstverlening gesteld, waaronder opleidingseisen voor chauffeurs.
De provincie heeft mij tevens bevestigd dat de vervoerder snel na het voorval passende (personele) maatregelen heeft genomen.
Bent u bereid met de zorgverzekeraars in gesprek te treden over de manier waarop de lage tarieven de markt onder druk zetten, zodat goed zieken- en ouderenvervoer geborgd kan gaan worden?
Zoals onder 3 aangegeven, betreft het incident regiotaxivervoer dat onder de verantwoordelijkheid van de provincie Utrecht is aanbesteed en wordt uitgevoerd. De provincie Utrecht heeft mij bevestigd dat er sprake is van reële tarieven en adequate eisen ten aanzien van dienstverlening in het contract.
Wat ziekenvervoer betreft geldt dat zorgverzekeraars in het kader van de Zorgverzekeringswet ziekenvervoer inkopen. Tijdens het AO pakketbeheer van afgelopen 26 juni heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport aangegeven dat het goed is dat zorgverzekeraars scherp zijn op de prijs bij de inkoop van zorg, maar daarbij geldt wel de kanttekening dat de prijs niet zo laag mag zijn dat de kwaliteit niet meer gegarandeerd kan worden. Daarbij heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport benoemd dat hij de signalen van de FNV over problemen bij het ziekenvervoer serieus neemt. Om die reden zal hij aan de NZa vragen om een verkenning uit te voeren door met alle partijen (verzekeraars, taxibonden en patiëntenverenigingen) in gesprek te gaan over de mogelijke problemen. De verkenning zal dan antwoord moeten geven op de vraag of er een probleem is met afgesproken prijzen in relatie tot de kwaliteit van de zorg en welke aanpak dat eventuele probleem kan worden aangepakt.
Het bericht dat nachtvluchten op Maastricht Aachen Airport niet worden uitgesloten. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nachtvluchten op Maastricht Airport in toekomst niet uitgesloten»?1
Ja, dat ken ik.
Klopt het dat in de Luchtvaartnota een scenario wordt uitgewerkt waarin de regionale luchthavens sterk zullen groeien?
Ter voorbereiding van de Luchtvaartnota worden via een PlanMER-proces de effecten in kaart gebracht van veel voorstellen die in het maatschappelijk debat over de toekomst van luchtvaart zijn ingebracht. Verdeling van groei van luchtvaart over regionale luchthavens maakt daar deel van uit.
Erkent u dat een dergelijk waterbedscenario tot grote maatschappelijke zorgen leidt bij de omwonenden van deze regionale luchthavens? Zo nee, waarom niet?
Het PlanMER proces is bedoeld om gestructureerd de effecten van de verschillende beleidsopties en alternatieven voor de Luchtvaartnota in kaart te brengen. Met vertegenwoordigers van belanghebbenden, waaronder ook omwonenden, wordt besproken wat de aandachtspunten zijn.
Kent u de reactie van VVD-gedeputeerde Van den Akker, die aan het Limburgs parlement schreef dat aanpassing van de huidige tijden van openstelling van Maastricht Aachen Airport onwenselijk blijft?2
Die reactie is mij bekend.
Wat is uw reactie op deze stellingname?
Ik heb hiervan kennisgenomen.
Heeft u al reacties van andere provincies of gemeenten op het scenario waarin de regionale luchthavens sterk zullen groeien? Zo ja, welke?
Nee. Momenteel loopt er een ambtelijk proces waarin mogelijke beleidsopties en alternatieven worden verkend en effecten in beeld worden gebracht. Er zijn nog geen afgeronde stukken en nog geen voorgenomen besluiten.
Neemt u deze reactie(s) op serieuze wijze mee in het vervolgproces van de Luchtvaartnota? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Suggesties voor beleidskeuzes of oplossingen heb ik zo mogelijk een plaats gegeven in de voorbereiding van de PlanMER. Reacties en aandachtspunten van belanghebbenden worden betrokken bij de weging van de uiteindelijke beleidskeuzes voor de Luchtvaartnota.
Klopt het dat in dit scenario de volledige baan van 2.750 meter van Maastricht Aachen Airport zou mogen worden gebruikt? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dit vormt onderdeel van een van de beleidsopties.
Klopt het dat in dit scenario Maastricht Aachen Airport mogelijk geopend zal zijn van 5.00 uur tot 2.00 uur? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja dat klopt. Conform het verzoek van uw Kamer laat ik in de PlanMER verschillende varianten van nachtsluiting beoordelen. Deze zijn voor de beoordelingssystematiek toebedeeld over verschillende luchthavens.
Op welke erkende gezondheidsnormen zijn dergelijke openingstijden gebaseerd?
Varianten van nachtsluiting worden beoordeeld in de PlanMER met onder meer het doel om de effecten op gezondheid in kaart te brengen.
Erkent u dat met dergelijke openingstijden de nachtrust van omwonenden ernstig wordt verstoord? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat met dergelijke openingstijden de leefomgeving van mens en dier verder wordt aangetast? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat dit scenario daarom indruist tegen de strekking van de aangenomen motie-Van Raan/Kröger (Kamerstuk 31 936, nr. 600), die de regering verzoekt grenswaarden voor de luchtvaart op het gebied van klimaat, leefomgeving en veiligheid te ontwikkelen? Zo nee, waarom niet?
Het laten onderzoeken van de effecten van verschillende beleidsopties in de PlanMER is juist bedoeld om op een zorgvuldige wijze invulling te kunnen geven onder andere aan deze motie.
Erkent u dat dit scenario extra hard aankomt in de regio die reeds te maken heeft met overlast van vluchten van en naar Luik? Zo nee, waarom niet?
Ik betreur het als naar aanleiding van dit bericht onrust is ontstaan.
Bent u bereid om de uitgelekte documenten, die reeds in bezit zijn van de pers, te delen met de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het gaat hier om ambtelijke concept-stukken die in bewerking zijn. De relevante stukken worden openbaar bij de publicatie van de ontwerpLuchtvaartnota na de zomer.
Kent u het bericht «Minister geeft geen openheid over vliegtuigoverlast Eijsden: «Dit is een onthutsend besluit»»?3
Ja, daar ben ik mee bekend.
Begrijpt u dat omwonenden graag willen weten waarom het maar niet lukt de ernstige geluidsoverlast in deze regio op te lossen?
Ik begrijp heel goed dat bewoners van de gemeente Eijsden-Margraten willen weten waarom vluchten door het luchtruim boven Eijsden worden geleid. Daarom heb ik onlangs een detailanalyse laten uitvoeren door een onafhankelijk onderzoeksbureau naar de afhandeling van het vliegverkeer in de omgeving Maastricht-Luik. Naar aanleiding van de resultaten van de analyse, zal ik nu in overleg met de Belgische autoriteiten inzetten op verdere maatregelen om de overlast te beperken.
Klopt het dat u in reactie op het WOB-verzoek van de heer Hoenen, dat als doel had om te achterhalen waarom het maar niet lukt de ernstige geluidsoverlast in deze regio op te lossen, enkele stukken niet heeft verstrekt, omdat de betrekkingen met België in het geding zouden komen? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat u bij dat oordeel heeft betrokken «dat vaststaat dat Belgocontrol (de Belgische luchtverkeersleiding) geen verstrekking wenst van informatie over het luchtruim Eijsden»? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dat klopt.
Wat kunt u wél zeggen over de geheimgehouden documenten die kennelijk zo belangrijk zijn in dit dossier dat het landsbelang zou kunnen worden geschaad? Indien u niets kunt zeggen, waarom niet?
Bij het overwegen om informatie openbaar te maken worden derde partijen gevraagd of zij daartegen bezwaar hebben. De Belgische autoriteiten hebben gebruik gemaakt van deze bestaande wettelijke mogelijkheid om bepaalde documenten niet openbaar te maken. Ik kan daarom niet ingaan op de inhoud van deze documenten.
Erkent u dat met deze argumentatie de indruk kan worden gewekt dat de Nederlandse overheid zich heeft laten ringeloren in de onderhandelingen met de Belgische overheid? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet zo is?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 20 heb aangegeven heeft de Belgische overheid gebruik gemaakt van de bestaande wettelijke mogelijkheden om niet geheel inzage te geven in onderliggende documenten. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te geven.
Waarom zijn de belangen van Belgocontrol voor u belangrijker dan de belangen van omwonenden die willen weten waarom hun geluidsoverlast niet wordt aangepakt?
Dat is absoluut niet het geval. Ik doe mijn uiterste best om de geluidshinder in de omgeving van Eijsden te verminderen en inzicht te geven in de daarvoor gehanteerde aanpak. Hierover heb ik uw Kamer op diverse momenten geïnformeerd4.
Erkent u dat bewoners van de regio die reeds te maken heeft met overlast van vluchten van en naar Luik zich in de steek gelaten zouden kunnen voelen door deze gang van zaken? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van de geluidshinder in de omgeving van Eijsden heeft mijn volle aandacht. Dat ik bepaalde informatie niet openbaar kan maken verandert hier niets aan. Zo lang de situatie nog niet voldoende is verbeterd blijf ik doorgaan met het zoeken naar mogelijkheden om verbetering te realiseren. Daarbij ben ik zo transparant mogelijk naar uw Kamer en de regio.
Herinnert u zich de toezegging dat u «een onafhankelijke derde partij» de opdracht zou geven om «een detailanalyse te laten doen naar de afhandeling van het luchtverkeer op de luchthaven Luik, mede in relatie tot het overige vliegverkeer in de (grens)regio» en dat de afronding van deze analyse is voorzien voor «begin 2019»?4
Ja, deze toezegging is bij mij bekend.
Is deze detailanalyse al af? Zo ja, waarom is deze detailanalyse dan nog niet publiek gemaakt? Zo nee, wanneer is deze detailanalyse af?
De detailanalyse naar de afhandeling van het vliegverkeer in het luchtruim van Maastricht en Luik is recent opgeleverd. De detailanalyse heb ik op 3 juli 2019 per brief aan uw Kamer aangeboden.
Bent u bereid deze detailanalyse direct na afronding publiek te maken en naar de Tweede Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 25.
Klopt het dat in de Luchtvaartnota ook een scenario wordt uitgewerkt waarin Schiphol zou groeien tot 800.000 vluchten per jaar?
Ja dat klopt. Ter voorbereiding van de Luchtvaartnota worden verschillende invalshoeken van het maatschappelijke speelveld in kaart gebracht. In het maatschappelijke debat wordt zowel gepleit voor reductie van klimaat- en leefomgevingseffecten van luchtvaart als voor groeiruimte vanwege het economische belang. Om deze reden wordt het groeiperspectief ook getoetst in de PlanMER. Zie mijn antwoord op vraag 28.
Deelt u de mening dat het vanuit het oogpunt van zowel het klimaat, leefomgeving van mens en dier als veiligheid volstrekt onwenselijk is om Schiphol te laten groeien tot 800.000 vluchten per jaar? Zo nee, waarom niet?
Juist om te kunnen beoordelen wat een goede toekomstkeuze is, laat ik de effecten beoordelen van de verschillende invalshoeken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Dit heb ik zoveel mogelijk gedaan.
Het bericht ‘Honderd Cubanen lopen illegale mars voor homorechten: 'Historisch moment'’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderd Cubanen lopen illegale mars voor homorechten: «Historisch moment»»?1
Ja, het bericht is bekend. Ik kan bevestigen dat er bij een demonstratie voor gelijke rechten van LHBTI’s verschillende demonstranten op een gewelddadige manier zijn opgepakt. De mars op 11 mei jl. was een spontane demonstratie van de LHBTI-gemeenschap in Cuba in reactie op het besluit van de Cubaanse regering om de jaarlijkse Gay Pride af te gelasten. Aan het eind van de demonstratie is een aantal demonstranten met geweld gearresteerd.
Kunt u bevestigen dat bij een mars voor homorechten demonstranten op een gewelddadige manier zijn opgepakt? Zo nee, wat is er volgens u dan gebeurd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat demonstranten die demonstreren voor homorechten door de politie worden opgepakt en belemmerd? Wat zegt dit volgens u over de (veiligheids-)situatie voor LHBTI’ers in Cuba?
Het kabinet betreurt het dat demonstranten zijn belemmerd in het uitoefenen van hun demonstratierecht en zijn opgepakt bij een vreedzame demonstratie voor gelijke rechten van LHBTI’s. Gelijke rechten voor LHBTI’s is een prioriteit van het Nederlandse mensenrechtenbeleid en het is van belang dat ook onafhankelijke LHBTI-activisten kunnen opkomen voor deze rechten. Het gewelddadige einde van deze demonstratie laat zien dat het voor de LHBTI-gemeenschap in Cuba nog steeds moeilijk is om activiteiten te ontplooien.
Bent u na dit incident nog steeds van mening dat er in algemene zin geen reden is om aan te nemen dat LHBTI’ers bescherming tegen terugkeer naar Cuba nodig hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, welke actie gaat u hieraan verbinden?
Hoewel ik het incident uiteraard betreur zie ik hierin, noch op basis van andere bronnen over de positie van LHBTI’s in Cuba, geen reden om tot een ander beleid ten aanzien van LHBTI’s uit Cuba te komen.
Het is mij bekend dat LHBTI’s in Cuba geen gemakkelijk bestaan hebben. Discriminatie van LHBTI’s komt in Cuba voor, maar de omvang en aard hiervan is niet zodanig systematisch en structureel dat in algemene zin moet worden gesproken van vervolging waartegen bescherming dient te worden geboden.
Het gaat er in de beoordeling om of de mate van discriminatie zodanig ernstig is, dat er sprake is van een ernstige schending van de grondrechten van de mens en er daarom sprake is van vervolging. Niet elke schending van een grondrecht leidt tot deze conclusie. Er moet sprake zijn van een onhoudbare situatie als gevolg van discriminatie.
Uiteraard kunnen in individuele zaken de omstandigheden aanleiding geven om alsnog asielbescherming te verlenen. De IND toetst elke aanvraag voor asielbescherming op de individuele omstandigheden in een zorgvuldige procedure, zo ook die van LHBTI’s uit Cuba.
Kunt u aangeven hoe het uitgezette asielzoekers, specifiek LHBTI’ers, naar Cuba vergaat?
Zoals uw Kamer bekend volgt Nederland geen afgewezen asielzoekers die zijn teruggekeerd. Uitgangspunt van ons stelsel is zorgvuldige beoordeling en rechterlijke toetsing voorafgaand aan uitzetting. Monitoring na terugkeer maakt daar geen deel vanuit. Ik kan berichtgeving hierover dan ook niet bevestigen.
Op welke wijze wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken autoriteiten gemonitord hoe het in Cuba gesteld is met LHBTI-rechten, en hoe de uitwerking van nieuwe maatregelen zoals de strafbaarstelling van discriminatie jegens homoseksualiteit en de mogelijkheid om campagne te voeren voor homorechten in de praktijk tot uitvoering wordt gebracht?
Voor actuele informatie over de situatie in Cuba en ook de positie van specifieke groepen als LHBTI’s worden bronnen geraadpleegd zoals rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International, en ook rapportages van NGO’s zowel gericht op mensenrechten in het algemeen en meer specifiek gericht op LHBTI’s in Cuba. Om een idee te geven van de (NGO) bronnen noem ik hieronder een aantal: ILGA (International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association); Inter-American Commission on Human Rights; Observatorio Cubano de Derechos Humanos; en Cubanet.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Cubanen die Cuba ontvluchten bij terugkeer worden opgepakt en in de gevangenis terecht komen vanwege landverraad?2
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze berichtgeving bevestigen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt dit zich volgens u met het Nederlandse beleid dat LHBTI’ers in principe veilig kunnen terugkeren naar Cuba?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vindt u dat de stappen die afgelopen jaren op het gebied van LHBTI-rechten in Cuba zijn gezet zich verhouden tot de politieacties bij de recente homomars en wat zegt dit volgens u over de veiligheid van LHBTI’ers in Cuba?
Met het inwerkingtreden van de nieuwe Cubaanse Grondwet in april 2019 lijkt er op papier bescheiden vooruitgang te zijn geboekt op het gebied van gelijke rechten voor LHBTI’s in Cuba. Artikel 42 van deze Grondwet verbiedt discriminatie op grond van sekse, ras, huidskleur of etnische oorsprong, godsdienst en geloofsovertuiging, handicap, leeftijd, seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Dit is belangrijk voor de nog te hervormen familiewet waarmee het huwelijk van personen van gelijk geslacht mogelijk kan worden gemaakt. Het moet in de praktijk nog blijken hoe de nieuwe Cubaanse Grondwet bescherming biedt aan de LHBTI-gemeenschap. Het gewelddadige einde van de recente demonstratie laat zien dat het voor de LHBTI-gemeenschap in Cuba nog steeds moeilijk is om buiten de Cubaanse regering om activiteiten te ontplooien.
Bent u bereid de rechten van LHBTI’ers in Cuba aan de orde te stellen bij uw eerst volgende contact met uw politieke ambtsgenoot in Cuba?
Ja, daartoe ben ik bereid. Tijdens het bezoek van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur aan Cuba in mei 2019 heeft zij het geweld dat de Cubaanse autoriteiten hebben gebruikt bij de mars opgebracht bij de Cubaanse overheid en haar teleurstelling hierover uitgesproken. Ook heeft zij met zowel aan de staat gelieerde als meer onafhankelijke LHBTI-activisten gesproken. Verder zet Nederland zich actief in voor gelijke rechten van LHBTI’s in Cuba middels een project van de Cubaanse politie, het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) en CENESEX gericht op de bewustwording van de politie van de kwetsbare positie van de LHBTI-gemeenschap.
Hoeveel Cubanen hebben de afgelopen vijf jaar asiel in Nederland aangevraagd, hoeveel hebben er asiel gekregen en hoeveel zijn er afgewezen? In hoeverre is er bij deze laatste groep ook daadwerkelijk sprake van terugkeer?
De hieronder genoemde aantallen zijn afgerond op tientallen. Verder wordt opgemerkt dat op aanvragen mogelijk niet in hetzelfde jaar wordt beslist. Ook betreft het vertrek niet alleen afgewezen asielzoekers, maar alle Cubanen die Nederland hebben verlaten. De jaarcijfers van instroom, doorstroom en vertrek kunnen om die reden niet zomaar met elkaar worden vergeleken.
2015
2016
2017
2018
2019 (t/m april)
Instroom
10
20
260
160
10
Uitstroom
2015
2016
2017
2018
2019 (t/m april)
Afwijzing
10
20
80
290
10
Inwilliging
1
1
6
0
Aantal uitstroom
2014
2015
2016
2017
2018
2019 t/m april
Aantoonbaar vertrek
10
10
10
20
60
0
Geen vertrek
0
0
0
0
30
10
Zelfstandig vertrek zonder toezicht
10
10
10
40
170
10
Bent u nog steeds van mening dat, zoals verwoord in uw brief van 17 mei 2019 aan LGBT Asylum Support, er over de positie van LHBTI’ers in Cuba voldoende betrouwbare en objectieve informatie beschikbaar is uit diverse openbare en vertrouwelijke bronnen, waardoor u geen aanleiding ziet om een nieuw (thematisch) ambtsbericht op te laten stellen? Zo ja, waarom? Over welke bronnen en informatie gaat het? Zo nee, bent u bereid een nieuw thematisch ambtsbericht op te stellen? Zo nee, waarom niet?3
Over de positie van LHBTI’s in Cuba is naar mijn oordeel voldoende betrouwbare en objectieve informatie beschikbaar uit diverse openbare en enkele vertrouwelijke bronnen. De IND is op basis van deze informatie in staat zorgvuldig te beslissen in individuele asielzaken.
Hierbij is het goed om op te merken dat de IND een afdeling heeft met op een land gespecialiseerde medewerkers die door de hoor- en beslismedewerkers benaderd kunnen worden voor actuele en betrouwbare informatie uit diverse betrouwbare bronnen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ziet daarom geen aanleiding het Ministerie van Buitenlandse Zaken te verzoeken een (thematisch) ambtsbericht over LHBTI’s uit Cuba op te stellen. Een dergelijk ambtsbericht zal weinig toe kunnen voegen aan hetgeen reeds uit andere bronnen bekend is. Daarbij wordt ook naar de instroom gekeken of een verzoek voor een ambtsbericht opportuun is. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 12 geeft de huidige instroom hier evenmin aanleiding toe.