De opmars van tijdelijke huurcontracten en de gevolgen daarvan |
|
Sandra Beckerman |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Deelt u de opvatting van uw voorganger dat tijdelijke huurcontracten niet de norm mogen worden, of zoals uw voorganger zei in een debat: «Ik deel absoluut de notie die eigenlijk iedereen uitsprak: een huurcontract voor onbepaalde tijd is de norm, dat is de standaardregel»?1
Ja, bij reguliere verhuur is een huurcontract voor onbepaalde tijd de norm. Met de aanpassing van de Wet Doorstroming Huurmarkt 2015 is destijds niet beoogd afbreuk te doen aan de bestaande praktijk, maar een aanvullend instrument aan te bieden om zo in te spelen op de behoefte aan de mogelijkheid om tijdelijk te verhuren. Deze behoefte was er in uiteenlopende gevallen, bleek uit gesprekken met meerdere partijen. Er kan hierbij onder andere worden gedacht aan huurdersgroepen zoals arbeidsmigranten, mensen die begeleid wonen of mensen die net gescheiden zijn. Met tijdelijke huurovereenkomsten kregen verhuurders meer mogelijkheden om die specifieke doelgroepen te bedienen.
Op welke manieren stimuleert u verhuurders om de norm van huurcontracten voor onbepaalde tijd (de standaardregel) te hanteren, en waar blijkt dit uit?
Woningcorporaties mogen geen tijdelijke huurcontracten van 2 jaar of korter aanbieden aan reguliere huurders, maar alleen aan een aangewezen groep huurders2. De norm bij woningcorporaties bij reguliere verhuur is verhuren voor onbepaalde tijd. Daarnaast kunnen woningcorporaties, net als andere verhuurders, gebruik maken van de zogenoemde doelgroepencontracten indien zij woningen voor die betreffende doelgroepen (bijv. studenten, jongeren of grote gezinnen) hebben bestemd en beschikbaar willen houden.
Vastgoed Belang en IVBN geven aan dat leden met name huurcontracten voor onbepaalde tijd aanbieden. Zij benadrukken dat het sluiten van tijdelijke contracten een risico op leegstand met zich meebrengt omdat een verhuurder op zoek dient te gaan naar een nieuwe huurder. Daarnaast zijn er kosten gemoeid bij het vinden van een nieuwe huurder. Hierbij kan worden gedacht aan kosten die een makelaar in rekening brengt voor de bemiddeling en het opstellen van een nieuw huurcontract en kosten die zijn gemoeid met de voor- en eindinspectie van de woning.
Hoe is het mogelijk dat, wanneer tijdelijke huurcontracten niet de norm mogen worden, maar liefst 93% van de nieuwe verhuringen in 2018 van woningcorporatie De Key bestaat uit tijdelijke huurcontracten, terwijl het overgrote deel van hun woningvoorraad bestaat uit sociale huurwoningen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
In Amsterdam is in de prestatieafspraken van 2015 – 2019 afgesproken dat woningcorporaties, de gemeente en de huurdersorganisatie(s) jongeren een kans willen bieden op een zelfstandige huurwoning door te zorgen voor voldoende aanbod. In de prestatieafspraken 2020–2023 is jongerenhuisvestiging opnieuw een aandachtspunt.
De Key heeft in haar beleid bijzondere aandacht aan het huisvesten van studenten en jongeren. In 2018 heeft de Key voornamelijk doelgroepencontracten gesloten met jongeren en studenten4. Deze huurovereenkomsten kunnen worden opgezegd op het moment dat de huurder niet meer tot deze specifieke doelgroep behoort. Hiermee blijft de woonruimte beschikbaar voor de doelgroep waarvoor deze is bestemd.
Dit zijn andere (tijdelijke) huurovereenkomsten dan huurovereenkomsten voor maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen (eengezinswoningen, appartementen) respectievelijk maximaal 5 jaar voor onzelfstandige woningen (kamers), zoals die onder vraag 2 worden besproken. In de prestatieafspraken hebben de gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisatie(s) afgesproken dat in 2021 het effect en functioneren van de jongerencontracten wordt geëvalueerd.
Doordat jongeren en studenten (veel) sneller verhuizen dan reguliere huurders, komen voor jongeren en studenten bestemde woningen frequenter vrij en zijn daardoor gemiddeld genomen veel van de nieuw aangegane overeenkomsten een tijdelijk huurcontract. Reguliere huurders van de Key huren gemiddeld 30 jaar een woning, aldus de Key.
Hoeveel tijdelijke huurcontracten voor nieuwe verhuringen zijn er in 2017, in 2018 en in 2019 in ons land afgesloten? Kunt u dit uitsplitsen naar de sociale huursector en de vrije huursector, en per jaar en per type tijdelijk contract weergeven?
In 2017 is een eerste onderzoek gedaan naar het gebruik van tijdelijke huurcontracten onder particuliere verhuurders. Dit zag op verhuurderheffingplichtige verhuurders waardoor een deel van verhuurders werd gemist. In 2018 is deze ontbrekende groep wel betrokken en in 2019 is gewerkt aan verbetering van de onderzoeksopzet, waardoor in 2019 betrouwbare informatie over het gebruik van tijdelijke huurcontracten beschikbaar is gekomen. De uitkomsten van het onderzoek heeft het CBS op haar website gepubliceerd.5 Men dient deze cijfers, gezien de beperkingen van eerdere onderzoeken, als nulmeting te zien.
In zijn algemeenheid valt over het gebruik van tijdelijke huurcontracten het volgende te zeggen. Per 31 december 2018 verhuren particuliere verhuurders en bedrijven, niet zijnde woningcorporaties, 880 duizend woningen. Bij 72 duizend van deze woningen gaat het om een vorm van tijdelijk verhuur. Hiermee is het aandeel tijdelijke contracten bij dat type verhuurders ca. 8%.
Van de 2,21 miljoen die door woningcorporaties verhuren, gaat het bij 61 duizend om een vorm van tijdelijke verhuur. Hier betreft tijdelijke huurcontracten bijna 3% van het totaal. Het CBS zal het gebruik van tijdelijke huurcontracten het komende jaar verder monitoren.
Is er sprake van een slechte of onvoldoende registratie van het aantal tijdelijke huurcontracten en zijn de aantallen bij het CBS een onderschatting? Zo ja, hoe wordt dat verbeterd?3
Zoals weergegeven in het voorgaande antwoord heeft het CBS het onderzoek op een aantal punten verbeterd ten opzichte van de eerdere onderzoeken. Vooralsnog is er geen aanleiding om aan te nemen dat het CBS de huidige cijfers onderschat en ga ik uit van de juistheid van deze cijfers.
Ziet u ook een afname van de duur van tijdelijke huurcontracten en wat is uw mening daarover, met name bezien in het licht van groeiende onzekerheid door tijdelijke arbeidscontracten en woningnood op veel plaatsen in het land? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik beschik niet over gegevens waaruit ik een afname van de duur van tijdelijke huurcontracten kan constateren. Vanuit het licht van een verhuurder bezien is het ook niet per definitie wenselijk om de duur van huurcontracten te verkorten, omdat een verhuurder dan sneller op zoek zou moeten gaan naar een nieuwe huurder met de bijbehorende kosten van dien.
Overigens kunnen huurders er baat bij hebben dat een gedeelte van de woningen met tijdelijke huurcontracten wordt verhuurd en daardoor sneller vrijkomen; bijvoorbeeld spoedzoekers zoals mensen die na een relatiebreuk een andere woning zoeken of arbeidsmigranten en kenniswerkers.
Hoe verhoudt de groei van het aantal tijdelijke huurcontracten zich tot de primaire levensbehoefte van mensen voor betaalbare woonruimte en de verantwoordelijkheid die de overheid voor voldoende woonruimte draagt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
De Wet Doorstroming Huurmarkt 2015 heeft als doelstelling de doorstroom op de huurmarkt te bevorderen en daarmee het aanbod te vergroten. Het vergroten van het aanbod en een mogelijkheid bieden om een huurcontract te sluiten voor (al dan niet) tijdelijke verhuur en de daarmee gepaard gaande doorstroming, kan voor huurders die snel op zoek zijn naar een (tijdelijke) woning een goede oplossing bieden. Verhuurders die voorheen niet de mogelijkheid hadden om tijdelijk te verhuren, hebben die mogelijkheid na de aanpassing van de wet wel. Hierdoor zouden zij eerder genegen kunnen zijn om over te gaan tot verhuur, waardoor het huuraanbod wordt vergroot en meer woningen beschikbaar blijven voor reguliere huurders.
Bij tijdelijke huurcontracten geldt dezelfde huurprijsbescherming als bij huurcontracten voor onbepaalde tijd. Zo hebben alle huurders het recht om binnen de eerste zes maanden van het huurcontract de huurprijs laten toetsen bij de Huurcommissie. Bij tijdelijke huurcontracten van maximaal 2 jaar mag dat zelfs tot zes maanden na het einde van dat huurcontract.
Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind om in de evaluatie van de Wet Doorstroming huurmarkt 2015 aandacht te hebben voor de effecten voor huurders en verhuurders over deze tijdelijke huurcontracten.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effecten van (de groei van) tijdelijke huurcontracten op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen, alsmede naar de economische en psychologische gevolgen voor huurders en/ of woningzoekenden? Zo nee, waarom niet?
Ik ga de Wet Doorstroming huurmarkt 2015 binnenkort evalueren. De start van de onderzoeken voor de evaluatie van de wet staan voor de tweede helft van 2020 gepland, zodat ik de Kamer voor 1 juli 2021 over de uitkomsten daarvan kan informeren. Ik wil deze evaluatie gebruiken om verder inzicht te krijgen of de wet de beoogde doelstellingen behaalt en of er geen oneigenlijk gebruik optreedt. De ervaringen van huurders zullen ook worden meegenomen in deze evaluatie.
Deelt u de mening dat juist ten tijde van een wooncrisis huurders beschermd moeten worden en niet minder bescherming moet worden geboden, zoals gebeurt met tijdelijke huurcontracten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u de huurder met een tijdelijk contract meer huur(prijs)bescherming bieden?
Voorafgaand aan de Wet Doorstroming Huurmarkt 2015 gebruikten verhuurders regelmatig huurovereenkomsten met een gebruik dat naar zijn aard slechts van korte duur is. De huurder heeft bij dergelijke huurovereenkomsten geen huurbescherming en huurprijsbescherming. Dit was onwenselijk.
Mede in het licht hiervan zijn de tijdelijke huurovereenkomsten van maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen en maximaal 5 jaar voor kamers geïntroduceerd. Met deze tijdelijke huurovereenkomsten heeft de verhuurder vooraf de zekerheid dat het huurcontract na het einde van de afgesproken huurperiode eindigt (mits hij de huurder tijdig schriftelijk aan de einddatum herinnert), maar heeft de huurder wel huurprijsbescherming.
Bij tijdelijke huurcontracten van maximaal 2 jaar kan de huurder in plaats van de gebruikelijke termijn van zes maanden na aanvang van die huurovereenkomst zelfs tot zes maanden na afloop van dat tijdelijke huurcontract (ook bij verlenging) de aanvangshuurprijs door de Huurcommissie laten toetsen (zie ook het antwoord op vraag 7). Bovenstaande wordt ook toegelicht in de reactie op de motie van lid Beckerman c.s.8
Waar kan bijvoorbeeld een hurend, jong gezin in een grote stad naar toe als het tijdelijke huurcontract afloopt, er geen andere betaalbare huurwoningen zijn en een koophuis niet haalbaar is in de huidige overspannen huizenmarkt?
Ik herken de zorgen om (snel) een passende en prettige woning te vinden. In de Nationale Woonagenda 2018–2021 hebben we afgesproken om 75 duizend woningen per jaar te realiseren. In de woondeals zijn er regionale afspraken gemaakt die eraan bij moeten dragen om de krapte terug te dringen. Met de woningbouwimpuls van 1 miljard euro wordt gewerkt aan het inlopen van het woningtekort en het meerjarig hoog houden van de bouwproductie. Ik heb tot doelstelling dat hiermee meer betaalbare woningen worden gebouwd.
Bent u bereid het aantal tijdelijke huurcontracten dat een verhuurder mag aanbieden te maximeren, zodat er nooit meer tijdelijke contracten dan huurcontracten voor onbepaalde tijd kunnen worden afgesloten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment ben ik niet voornemens om het aantal tijdelijke huurovereenkomsten te maximeren. Uit de cijfers van het CBS, zoals die blijken uit de Monitor Tijdelijke verhuur en besproken in vraag 4, blijkt dat het overgrote merendeel van de lopende huurovereenkomsten, overeenkomsten voor onbepaalde tijd zijn.
Zoals eerder aangegeven zal ik later dit jaar beginnen aan de evaluatie van de wet. Afhankelijk van die uitkomsten zal ik bezien of er sprake is van oneigenlijk gebruik en of beperkende maatregelen aangewezen zijn.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en niet samenvoegen?
Ja.
Pleegouders die voortijdig stoppen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport «Waarom stoppen pleegouders»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «Waarom stoppen pleegouders»?
Als kinderen niet thuis kunnen wonen, is pleegzorg een belangrijk alternatief om kinderen zo thuis mogelijk te laten opgroeien. Pleegouders moeten dan ook goed worden ondersteund. Vanuit het actieplan pleegzorg wordt onder meer ingezet op behoud pleegouders. Om beter zicht te krijgen waarom pleegouders stoppen, is dit onderzoek uitgevoerd.
Het onderzoek laat zien dat goede begeleiding van pleegouders uitval kan voorkomen. Er wordt aangegeven dat er nog zorgvuldiger omgegaan dient te worden met pleegouders in alle fasen van het pleegouderschap. Met name de nazorg, na beëindiging van een pleegzorgplaatsing, kan en moet beter. Dit kan bijdragen aan een behoud van pleegouders voor de pleegzorg. Veel pleegouders geven aan, ondanks de soms negatieve ervaringen, zich in de toekomst opnieuw te willen inzetten voor de pleegzorg.
De resultaten geven goede handvatten om de begeleiding nog verder te verbeteren. Ik ga dan ook in gesprek met alle partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van het actieplan pleegzorg om te kijken waar binnen het actieplan mogelijkheden zijn om de ondersteuning, erkenning en waardering van pleegouders verder te versterken.
Heeft het rapport «Waarom stoppen pleegouders?» u nieuwe inzichten opgeleverd? Zo ja, welke inzichten? zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u, met de kennis van nu, naar het actieplan Pleegzorg2 en behoeft deze aanpassingen? Zo ja, welke aanpassingen? zo nee, waarom niet en hoe denkt u met het huidige actieplan pleegzorg de opgaven te behalen?
Er is een tekort aan pleegouders en daarnaast vallen pleegouders om verschillende redenen uit. Dit zijn belangrijke aandachtspunten in het actieplan Pleegzorg. In dit actieplan is daarom veel aandacht voor de ondersteuning en begeleiding van pleegouders. Zo wordt er veel geïnvesteerd in een goede toerusting en het bevorderen van deskundigheid van pleegouders. De komende jaren wordt er gewerkt aan een online platform met actuele en betrouwbare informatie, inzicht in het scholingsaanbod voor pleegouders en de mogelijkheid tot ontmoeting en uitwisseling.
Ook is de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) op 1 januari 2020 het project «Samenwerken binnen pleegzorg» gestart, waarin pleegouders, ouders, pleegzorgbegeleiders en jeugdbeschermers met elkaar in gesprek gaan over de samenwerking binnen pleegzorg. Deze en andere activiteiten vormen belangrijke onderdelen van het actieplan Pleegzorg.
Het onderzoek «Waarom stoppen pleegouders» is onderdeel van het «Actieonderzoek continuïteit» waarin tien pleegzorgaanbieders met hun partners (inclusief pleegouders) actieonderzoek doen naar het voorkomen van breakdown en uitval van pleegouders. In het actieonderzoek wisselen de tien pleegzorgaanbieders ook kennis en ervaringen uit en de resultaten van het actieonderzoek worden gedeeld met de overige pleegzorgaanbieders. Naar verwachting komen de resultaten van dit actieonderzoek in het najaar van 2020 beschikbaar. Het onderzoek «Waarom stoppen pleegouders» wijst op de aandacht voor betere nazorg en (nog) betere begeleiding aan pleegouders. Deze aandachtspunten zullen we in het Actieonderzoek Continuïteit en ook in de andere acties binnen het actieplan Pleegzorg, betrekken en benutten.
Zijn er knelpunten waar betrokken organisaties tegenaan lopen bij het uitvoeren van de acties die genomen worden in het kader van het actieplan pleegzorg? Zo ja, welke? Zo nee, waaruit blijkt dat er geen knelpunten zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen met de nieuwe bevinding dat het beëindigen van de plaatsing of het pleegouderschap voorkomen had kunnen worden als er op een andere manier gehandeld was tijdens de plaatsing? Zo nee, waarom gaat u hier niets mee doen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe staat het ervoor met het actieonderzoek naar breakdown pleegzorgplaatsingen en uitval pleegouders en wat voor gevolgen heeft het rapport «Waarom stoppen pleegouders» op de reeds gestarte en nog te volgen acties? Zo ja, welke wijzigingen worden doorgevoerd, zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met de stelling dat de vier ongewenste omstandigheden, waardoor pleegouders hebben besloten om te stoppen, op korte termijn aangepakt moeten? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de eerder ingediende motie-Westerveld inzake financiële belemmeringen voor het pleegouderschap?3
In opdracht van VWS is in 2018 onderzoek verricht naar de financiën rond pleegzorg. In aansluiting hierop is de fiscale vrijstelling van pleegvergoedingen met ingang van 8 november 2018 structureel gemaakt. Verder onderzoeken de verschillende partners die betrokken zijn bij het actieplan Pleegzorg nog welke financiële belemmeringen er eventueel nog zijn en welke oplossingsrichtingen nodig zijn. Onderdeel van deze afspraken is de handreiking pleegvergoeding te herzien.
Op welke manier is de samenwerking tussen de jeugdbeschermers, pleegzorgbegeleiders en pleegouders versterkt door middel van de dialogen die de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en Jeugdzorg Nederland gevoerd hebben en nog steeds voeren? Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, waarom niet?
Per 1 januari 2020 is het project «Samenwerken in pleegzorg» gestart. Met dit project gaan in 5 regio’s jeugdbeschermers, pleegzorgwerkers en pleegouders met elkaar in gesprek over rolverdeling, taken en verantwoordelijkheden. De uitkomsten worden gebruikt om de aanpak bij pleegzorgorganisaties te verbeteren. De uitkomsten van het onderzoek worden meegenomen in de uitvoering van dit project.
Gaat u nog andere maatregelen nemen om de samenwerking tussen jeugdbeschermers, pleegzorgbegeleiders en pleegouders te versterken? Zo ja, welke maatregelen en waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u ook dat pleegouders met een pleegkind met een extra hulpvraag moeite hebben om extra ondersteuning te vinden voor deze hulpvraag? Zo ja, waarom is die ondersteuning zo moeilijk te vinden? Wat kunt u doen om dit te verbeteren?
Het klopt dat pleegouders soms behoefte hebben aan extra ondersteuning en extra begeleiding voor het pleegkind. Bij veel pleegkinderen is sprake van (gedrags)problematiek die kennis en deskundigheid van betrokkenen vereist.
Onderdeel van goede begeleiding van pleegouders, is ook de ondersteuning goed regelen. Vandaar dat ook het project «Samenwerken in de pleegzorg» is gestart. De pleegouder pleegzorgwerker of (gezins)voogd door de pleegouder betrokken wordt bij de aanvraag. Hij of zij kan via gesprekken en door middel van de begeleiding en coördinatie van hulp, ondersteuning bieden.
Als het pleegkind met een ondertoezichtstelling in het pleeggezin is geplaatst of als het pleegkind een voogd van de gecertificeerde instelling heeft dan moet de gezinsvoogd besluiten tot het inschakelen van jeugdhulp bij de gemeente. Als de pleegouder zelf voogd is dan kan deze zelf jeugdhulp aanvragen. Bij een vrijwillige plaatsing moet de ouder met gezag het eens zijn met de aangevraagde jeugdhulp. In alle gevallen is
Bent u bekend met het artikel «2.500 jonge alleenstaande asielzoekers verdwenen»?4 Kunt u in het licht van dit artikel antwoord geven op de vraag wat er gebeurt in het huidige systeem met kinderen die in een asielzoekerscentrum (azc) verblijven die overgeplaatst moeten worden naar een pleeggezin? Constateert u enige hinder in dit systeem en hoe zou dit kunnen worden weggenomen? Worden er voldoende mensen geworven die dit soort kinderen willen opvangen? Worden zij voldoende ondersteund?
Wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) zich meldt in de centrale ontvangstlocatie in Ter Apel, krijgt hij of zij meteen een voogd toegewezen van Stichting Nidos (kortweg Nidos). Nidos beoordeelt welke vervolgopvang het meest geschikt is voor het kind.
In 2016 is het nieuwe opvangmodel voor amv’s in werking getreden. Volgens dit opvangmodel worden amv’s kleinschalig en naar perspectief (integratie of terugkeer) opgevangen door COA of Nidos. Amv’s jonger dan 15 jaar en kwetsbare amv’s worden volgens dit model door Nidos in opvanggezinnen geplaatst. Nidos werkt zoveel mogelijk met «cultuurgezinnen», die een vergelijkbare culturele achtergrond hebben als de amv. De gezinnen worden door Nidos geworven en gescreend. In de meeste gevallen lukt het om een opvanggezin te vinden. In alle opvangvormen van Nidos, waaronder de opvanggezinnen, worden de jongeren begeleid conform het perspectief dat voortvloeit uit hun asielprocedure. Nidos draagt er zorg voor dat de opvanggezinnen voor deze taak worden toegerust.
De problematiek van amv’s die met onbekende bestemming uit de asielopvang vertrekken is zorgelijk en al langer bekend. Om die reden heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in april 2019 twee gerelateerde onderzoeken aangekondigd om een beter beeld te krijgen van de problematiek. Bij deze onderzoeken wordt gekeken naar alle typen asielopvang voor amv’s, zowel van Nidos als van COA. De bevindingen van deze onderzoeken worden op korte termijn verwacht. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Mensen met een stoornis in het autistische spectrum die hun plaats in een woonvorm dreigen te verliezen door korte indicaties |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hoe de WMO zorg dreigt te slopen»?1
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat het afgeven van een indicatie voor een korte duur wanneer het een levenslange beperking betreft kan en moet worden voorkomen?2
Ja. Het is wenselijk dat de duur van een indicatie zoveel mogelijk aansluit bij de specifieke situatie van de cliënt. Daar waar sprake is van een beperking die niet tijdelijk is, ligt de afgifte van een kortdurende indicatie niet voor de hand.
Wat vindt u van het feit dat indicatiestellingen van drie maanden tot grote problemen leiden voor zowel cliënten als zorgaanbieders, in acht nemend het feit dat een stoornis op het autistisch spectrum een «niet-tijdelijke, levensbrede beperking» is en dus kwalificeert voor een meerjarige indicatie aangezien er geen «steekhoudende argumenten zijn die tot een andere afweging moeten leiden»?3
In algemene zin verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2, waarbij ik eraan hecht op te merken dat er in individuele gevallen steekhoudende argumenten kunnen zijn tot een andere afweging te komen. Een steekhoudend argument kan bijvoorbeeld zijn dat de cliënt een zodanige ontwikkeling heeft doorgemaakt dat ondersteuning op basis van de bestaande indicatie niet meer passend is.
Wat is de status van de samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en cliëntenorganisaties omtrent een plan hiervoor, waarnaar u in augustus 2019 zei te streven? Wanneer zal de Kamer verder geïnformeerd worden over uw aanpak met betrekking tot het afgeven van korte indicaties in geval van chronische aandoeningen?
In vervolg op de motie Kerstens4 heb ik u, bij brief van 28 oktober 20195, geïnformeerd over de nadere uitwerking van de samenwerking met de VNG en cliëntorganisaties. VNG heeft op genoemde datum haar leden opgeroepen beschikkingen voor langere tijd af te geven in die situaties waarin het duidelijk is dat er sprake is van een blijvende beperking en ondersteuning noodzakelijk zal blijven.6 Ter ondersteuning van deze lijn is in het kader van «Merkbaar beter thuis» een verdiepende bijeenkomst georganiseerd over passend indiceren in het kader van de Wmo 2015. Tijdens deze bijeenkomst zijn de mogelijkheden van gemeenten, om op basis van de Wmo 2015 passend te indiceren, uitgebreid toegelicht en besproken. Daarnaast blijft de VNG in gesprek met gemeenten en cliëntorganisaties over de mogelijkheden en de voordelen van het afgeven van beschikkingen voor langere tijd. Dit is met name van belang als duidelijk is dat de beperking van een cliënt niet meer verbetert en levenslange ondersteuning noodzakelijk is. Het is dan wel van belang dat de gemeente de cliënt niet uit het oog verliest en periodiek beziet of de ondersteuning nog steeds een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.
Meent u dat uw uitspraak «Juist voor mensen met een chronische aandoening is een ononderbroken zorgverlening van belang» ook van toepassing is op de mensen die in deze woonvorm leven?
In algemene zin onderschrijf ik mijn uitspraak dat «Juist voor mensen met een chronische aandoening een ononderbroken zorgverlening van belang is». Het is voor mij echter niet mogelijk om een uitspraak te doen over de vraag of dit ook geldt voor de mensen die in de betreffende woonvorm in Leeuwarden wonen. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente Leeuwarden om in samenspraak met deze mensen, individueel, rekening houdend met de kenmerken van de persoon en diens situatie, te bezien wat voor hen passende ondersteuning is.
Constaterend dat een autistische stoornis er een is die beter beheersbaar is wanneer cliënten duidelijk structuur en begeleiding ervaren, vindt u het logisch dat na een korte periode in een passende woonvorm de cliënt ambulante zorg moet krijgen in plaats van de zorg en begeleiding waar zij duidelijk goed bij gedijen?
Het is van belang dat cliënten, die zijn aangewezen op ondersteuning op basis van de Wmo 2015, voor hen passende ondersteuning krijgen. Vooropgesteld: bij cliënten met een stoornis in het autistisch spectrum is sprake is van een grote diversiteit. Dit leidt ertoe dat ook vorm en inhoud van de noodzakelijke passende ondersteuning divers is, individueel bezien moet worden. Daar komt bij dat deze ondersteuning naar aard en omvang ook kan wijzigen, bijvoorbeeld als gevolg van de levensfase waarin een cliënt zich bevindt. Op basis van het voorgaande is het voor mij niet mogelijk om eenduidig antwoord te geven op de algemeen geformuleerde vraag. Het gaat om maatwerk en is dus afhankelijk van de omstandigheden die voor de behoefte aan ondersteuning van de individuele cliënt van belang zijn.
Deelt u de mening dat het type woonvorm gecreëerd door deze ouders er een is die u vaak noemt en prijst, en het van belang is dit soort woonvormen te faciliteren in plaats van hen ten onder te laten gaan door het onzorgvuldige beleid van kort indicatiestellingen afgeven?
Naar aanleiding van deze vragen heb ik contact gezocht met de gemeente Leeuwarden. Daaruit blijkt dat in de betreffende woonvorm zowel cliënten wonen met een indicatie op basis van de Wmo 2015 als op basis van de Wlz.
Ook is uit deze contacten gebleken dat er binnen de gemeente Leeuwarden en de regio Friesland, geen sprake is van een aanpak die erop gericht is kortere indicaties af te geven. De gemeente Leeuwarden hanteert de beleidsregel dat indicaties worden afgegeven voor een maximum duur van 2 á 3 jaar, afhankelijk van het type ondersteuning. Bij een nieuwe beoordeling wordt gekeken of er veranderingen zijn in de behoefte aan ondersteuning, hetgeen zowel meer als minder ondersteuning dan wel andersoortige ondersteuning kan betekenen.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk met de betrokken woonvorm en gemeente in gesprek te gaan zodat deze cliënten hun plaats in deze woonvorm niet kwijtraken? Zo nee, waarom niet?
Uit mijn contacten met de gemeente Leeuwarden blijkt dat er al contact is tussen de betreffende woonvorm en de gemeente. Ik zie daarom voor nu geen reden met vertegenwoordigers van de betreffende woonvorm of de gemeente in gesprek te gaan.
De privacyrisico’s van onveilige beveiligingscamera’s |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Kees Verhoeven (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat honderden beveiligingscamera’s eenvoudig te lokaliseren en te hacken zijn? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ja.
Het is een zorgelijke ontwikkeling dat het gebruik van bepaalde beveiligingscamera’s negatieve gevolgen kan hebben voor de veiligheid en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.
Welke eisen worden aan dergelijke camera’s gesteld? Deelt u de mening dat deze camera’s alleen op de Nederlandse markt mogen worden toegelaten als is komen vast te staan dat ze adequaat zijn beschermd tegen (online) hacks? Zo ja, welke maatregelen stelt u zich voor om het beveiligingsniveau van beveiligingscamera’s te verbeteren? Wat vindt u bijvoorbeeld van het in de uitzending genoemde idee om een minimumstandaard voor online veiligheid in te stellen en eenvoudig te hacken rommelproducten te verbieden?
In de uitzending van Pointer gaat het om camera’s die met het internet zijn verbonden en door middel van het IP-adres gemakkelijk te lokaliseren zijn, zogenoemde IP-camera’s. Nederlandse en Europese wet- en regelgeving stellen thans geen digitale veiligheidseisen aan IP-camera’s. Nederland maakt zich in de Europese Unie (EU) wel sterk voor het stellen van wettelijke minimum digitale veiligheidseisen aan IoT-apparaten, zoals IP-camera’s, via de Europese richtlijn voor radioapparatuur,2 welke zijn geïmplementeerd via de Telecommunicatiewet. Apparaten die niet aan de minimumeisen voldoen, kunnen dan van de markt worden geweerd en gehaald. In Nederland houdt het Agentschap Telecom toezicht op deze richtlijn. Op initiatief van Nederland wordt momenteel in EU-verband gekeken naar de invulling van de minimumeisen. Nederland zal de komende periode een aanjagende rol blijven vervullen om ervoor te zorgen dat de minimumeisen in 2020 van kracht worden in de hele EU.3
Is u bekend in hoeveel gevallen per jaar sprake is van gehackte beveiligingscamera’s? Hoe vaak wordt daarvan melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens en bij de politie? In hoeveel gevallen wordt politieonderzoek ingesteld en in hoeveel gevallen vindt strafvervolging en veroordeling plaats? Vindt u dat sprake is van een adequaat handhavingsniveau op de bescherming van burgers tegen dit soort vormen van online criminaliteit?
Het totaal aantal gevallen per jaar waarbij sprake is van gehackte beveiligingscamera’s is mij niet bekend. Wel heeft de Autoriteit Persoonsgegevens mij laten weten dat sinds de meldplicht datalekken in Nederland van toepassing is, zij tussen 1-1-2016 en 28-1-2020 zeven datalekmeldingen heeft ontvangen waarbij sprake was van (mogelijk) gehackte beveiligingscamera’s. De politie heeft gemeld dat zij geen cijfers beschikbaar heeft over het aantal meldingen van gehackte beveiligingscamera’s. Gehackte beveiligingscamera’s worden niet als aparte delicten in de politiesystemen geregistreerd. Om die reden is niet bekend in hoeveel gevallen politieonderzoek wordt ingesteld en in hoeveel gevallen strafvervolging en veroordeling plaatsvindt en kan eveneens geen uitspraak worden gedaan over de adequaatheid van het handhavingsniveau.
Bent u bereid om, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken, producenten bewust te maken van de noodzaak van «privacy by design and default» om te voorkomen dat persoonsgegevens na een hack kunnen uitlekken? Zo ja, welke maatregelen stelt u zich daarbij voor?
Artikel 25 van de Algemene verordening gegevensbescherming kent een verplichting voor producenten om «privacy by design and default» toe te passen op hun producten. Deze verplichting geldt ook voor producenten van beveiligingscamera’s. Producenten dienen daaraan gevolg te geven, om te voorkomen dat persoonsgegevens na een hack kunnen uitlekken. Producenten dienen zich in dat verband af te vragen of zij de juiste eisen stellen aan de aanbieders en ontwikkelaars van die producten. Daarnaast kan de Autoriteit Persoonsgegevens producenten wijzen op de noodzaak van «privacy by design and default». Ik zie het niet als mijn taak om samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken de bewustwording van producenten over de noodzaak van «privacy by design and default» te versterken, dit is aan de AP en de producenten zelf. Wel zet Nederland zich in EU-verband, als reeds aangegeven, in voor het stellen van minimumeisen aan IoT-apparaten.
De gevolgen van de invoering van de ja/ja-sticker voor huis-aan-huiskranten |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat steeds meer gemeenten de eis stellen dat hun inwoners een ja/ja-sticker op hun brievenbus plakken als ze nog reclamefolders en huis-aan-huiskranten willen ontvangen?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Ik hecht aan het voortbestaan van huis-aan-huiskranten voor de lokale nieuwsvoorziening en deel dan ook de zorgen die geuit worden door de uitgevers van deze kranten.
Deelt u de mening dat huis-aan-huiskranten een belangrijke rol spelen in de lokale nieuwsvoorziening, een belangrijk communicatiemiddel zijn binnen lokale gemeenschappen en dat zij tevens een belangrijke functie vervullen als waakhond van de lokale democratie?
Ja. Onafhankelijke nieuwsvoorziening door journalisten is een essentieel onderdeel van een vitale lokale democratie. Burgers moeten in staat zijn zichzelf op de hoogte te stellen van wat er zich afspeelt in hun directe woon- en leefomgeving. Binnen het brede journalistieke aanbod spelen huis-aan-huiskranten een belangrijke rol in het geven van informatie of een kritische blik op bijvoorbeeld raadsvergaderingen en initiatieven uit de buurt.2
Deelt u de constatering dat het ja/ja-beleid een bedreiging vormt voor het voortbestaan van huis-aan-huiskranten, doordat hun oplage en advertentie-inkomsten drastisch zullen dalen? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk zou zijn als huis-aan-huiskranten verdwijnen c.q. een minder groot bereik krijgen?
Een vitale lokale democratie is van groot belang en lokale journalistiek draagt daar aan bij. Zonder de lokale journalistiek bereikt nieuws over lokale aangelegenheden de burger niet of nauwelijks, omdat hier op regionaal en landelijk niveau (bijna) geen aandacht voor is. Als Minister voor Media maak ik mij hard voor alle vormen van journalistiek, en dus ook voor journalistiek op lokaal niveau.
In deze specifieke kwestie gaat het om de keuzes van gemeenten over het gemeentelijke stickerbeleid. Deze afwegingen zijn gebaseerd op de wens om afvalbergen tegen te gaan. Laat ik voorop stellen dat ik de wens om afvalbergen te verminderen begrijp; de vraag is echter of de ja-ja sticker dan datgene is waar op moet worden ingezet. Een dergelijke keuze van gemeenten kan directe gevolgen hebben voor het voortbestaan van huis-aan-huiskranten. Het belang van huis-aan-huiskranten voor de informatievoorziening van burgers en voor de lokale democratie zou naar mijn mening niet in het gedrang mogen komen in de afwegingen rondom het tegengaan van afvalbergen. Dit wordt ook aangehaald in de recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het stickerbeleid in de gemeente Utrecht.3
Ik ga met een aantal wethouders en met de VNG in gesprek om vanuit mijn zijde de belangrijke rol van huis-aan-huiskranten te benadrukken en aan te geven dat het niet wenselijk is als mensen verstookt raken van lokale informatie. Ik moet daarbij wel de kanttekening maken dat het niet aan mij is om in te grijpen in de gemeentelijke autonomie.
Daarnaast moedig ik het graag aan dat de verschillende betrokken partijen zelf (nogmaals) met elkaar in gesprek gaan om te kijken wat de gevolgen zijn van het stickerbeleid dat de gemeenten kiezen.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om bij te dragen aan oplossingen die de belangrijke functie van huis-aan-huiskranten erkennen en ondersteunen? Bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en andere betrokken partijen?
Zie antwoord vraag 3.
Het intrekken van perskaarten in Turkije |
|
Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut , Joël Voordewind (CU), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de Turkse autoriteiten tenminste 17 perskaarten van journalisten van de krant Evrensel hebben ingetrokken?1 Wat is u hierover bekend? Wat betekent dit voor de desbetreffende journalisten?
De krant Evrensel publiceerde op 24 januari jl. dat de perskaarten van 17 journalisten zouden zijn ingetrokken. Op 27 januari jl. kondigde de krant echter aan dat het intrekken van de perskaarten van deze journalisten is teruggedraaid door de Turkse autoriteiten. De perskaarten van de betreffende journalisten zijn dus niet of niet meer ingetrokken. Onduidelijkheid over de status van aanvragen voor perskaarten komt vaker voor in Turkije en past in het beeld dat de persvrijheid in Turkije onder druk staat. Het intrekken van perskaarten kan in algemene zin tot gevolg hebben dat journalisten geen toegang meer hebben tot persconferenties of evenementen die de overheid organiseert.
Klopt het dat dit optreden past in een patroon waarin Evrensel, vanwege kritische, onafhankelijke berichtgeving, vaker doelwit is van repressie door de Turkse staat, onder andere door financiële druk en rechtszaken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat sinds 2015 al bijna 4.000 perskaarten zijn ingetrokken in Turkije?
Uit officiële cijfers van de Turkse overheid uit oktober 2019 blijkt dat er sinds 2015 in totaal 3.804 perskaarten zijn ingetrokken in Turkije. Het is niet bekend of en hoeveel van deze perskaarten uiteindelijk zijn teruggegeven.
Bent u, in uw contacten met Turkije, bereid om zich uit te spreken over de repressie van persvrijheid in Turkije, specifiek in deze zaak, en erop aan te dringen dat dit stopt? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht erg aan de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, ook in Turkije. Nederland brengt daarom in contacten met Turkije voortdurend en op alle niveaus de zorgen over het gebrek aan persvrijheid in Turkije op. Dit doe ik zelf ook expliciet in mijn gesprekken met de Turkse Minister Çavuşoğlu. Daarnaast steunen de Nederlandse ambassade en de EU-vertegenwoordiging in Turkije projecten op het gebied van persvrijheid en organiseert de Nederlandse ambassade bijeenkomsten met Turkse journalisten. Turkije wordt door Nederland en de EU ook binnen de Raad van Europa aangesproken op het gebrek aan persvrijheid.
Nederland blijft zich in EU-verband er voor inzetten dat Turkije consequent wordt aangesproken op het gebrek aan persvrijheid, en blijft zich hier ook in bilaterale contacten over uitspreken.
Ziet u mogelijkheden om, eventueel in EU-verband, meer in te zetten op persvrijheid in Turkije?
Zie antwoord vraag 4.
De gevolgen van de Amsterdamse huisvestingsverordening inzake woningdelen voor de krapte op de huurmarkt |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gebod huurcontract: Krapte huurmarkt Amsterdam alleen maar nijpender»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat de nieuwe huisvestingsverordening van de gemeente Amsterdam het woningdelen vrijwel onmogelijk maakt? Zo ja, wat is uw visie daarop? Zo nee, waarom niet?
Woningdelen is en blijft mogelijk in Amsterdam. Op dit moment zijn er naar schatting van de gemeente zo’n 10.500 adressen waar sprake is van kamerverhuur. Amsterdam hanteert hierbij het principe: wat legaal is, blijft legaal. De regels voor het pand- en wijkquotum en het individueel huurcontract gaan per 1 april 2020 in. Tot die tijd kunnen verhuurders gebruik maken van de huidige, ruimere regels en een vergunning aanvragen om, zoals Amsterdam dat noemt, zo «schoon door de poort te gaan». Ook na 1 april 2020 blijft woningdeling, weliswaar onder strengere voorwaarden, mogelijk.
Deelt u de visie dat excessen van verkamering tegengegaan moeten worden en dat huurders meer rechten zouden moeten hebben, maar dat de maatregelen niet dermate rigoureus mogen zijn dat er te veel nadelen ontstaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Aan woningdelen en verkamering zitten twee kanten. Woningdelen kan een bijdrage leveren aan het zo doelmatig mogelijk gebruik maken van de schaarse woningvoorraad. Aan de andere kant kan het gezinnen verdringen en, afhankelijk van de schaal waarop het gebeurt, de leefbaarheid van buurten en wijken beïnvloeden. Om hier de juiste balans in te vinden heeft een gemeente de mogelijkheid om door middel van een huisvestingsverordening hiervoor regels te stellen. De gemeente Amsterdam maakt hier gebruik van en daar heb ik begrip voor.
Deelt u de conclusie dat het wenselijk is dat meerdere mensen naar eigen inzicht een woning zouden moeten kunnen delen? Hebben au pair en mantelzorg daarbij een specifieke plaats?
Het is zeker wenselijk dat meerdere mensen een woning moeten kunnen delen. In Nederland is dit wel aan regels gebonden met betrekking tot de huurbescherming van de mensen die de woning delen en mogelijk met betrekking tot de woningvoorraad van de gemeente waarin het woningdelen plaats vindt. Indien gewenst kan, zoals eerder aangegeven, de gemeente hier regels voor stellen, met inbegrip van regels voor au pairs en mantelzorgers.
Zijn de gevolgen van het Amsterdamse beleid in beeld indien randgemeenten van Amsterdam of andere grote steden het Amsterdamse voorbeeld gaan volgen?
In verschillende andere steden/gemeenten wordt nagedacht over strengere regels voor woningdelen en verkamering. Veel gemeenten willen de toenemende verkamering stoppen vanwege de mogelijke gevolgen voor de betaalbaarheid van koopwoningen (het opkopen van woningen om die via verkamering voor een hoge huur in de markt te zetten drijft de prijs op), vanwege de hoge huren en voor de leefbaarheid in wijken en buurten. De aantrekkelijkheid van het verkameren van woningen zit in de mogelijkheid om hogere huren te vragen en de daarmee gepaard gaande rendementen.
Het ligt in de rede dat als meerdere randgemeenten een strenger beleid gaan voeren wat betreft woningdelen, dit concept minder vaak zal worden gebruikt. Hierdoor komen meer woningen beschikbaar om door gezinnen te worden bewoond. Tegelijk dienen de personen die niet meer van het woningdelen gebruik kunnen maken alternatieven te vinden, wat in veel gemeenten niet eenvoudig is.
Kunt u kwantificeren hoeveel personen, die nu huisvesting hebben dankzij een «friends-contract», dan een beroep zullen doen op zelfstandige woonruimte?
Voor Nederland als geheel zijn hier geen gegevens over bekend. Wat betreft de Amsterdamse situatie zijn alle bestaande legale situaties ook na 1 april 2020 nog legaal. Het gaat nu dus om nieuwe gevallen die onder de oude regels wel een woning mogen delen maar onder de nieuwe niet meer, als gevolg waarvan de verhuurder afziet van een dergelijke verhuurwijze en om oude bestaande niet gelegaliseerde gevallen, die na 1 april 2020 nog steeds niet gelegaliseerd zijn en waarvan de verhuurder op zeker moment wil afzien van deze verhuring om hij (ook) niet aan de nieuwe regels wil voldoen. Ook hiervan is geen kwantificering te geven. Op dit moment zijn er naar schatting 10.500 adressen in Amsterdam waar kamerverhuur plaats vindt op een totaal van 432.000 woonruimten (cijfer 2018). Deze 10.500 adressen kunnen in stand blijven indien ze legaal zijn of gelegaliseerd worden. De gemeente Amsterdam verwacht dat dit het overgrote deel van deze 10.500 adressen betreft. Derhalve verwacht ik van deze nieuwe regels voor woningdelen geen grote effecten.
Acht u het verdedigbaar en uitlegbaar dat de grote gemeenten het begrip «huishouden» in hun huisvestingsverordening zo verschillend hebben gedefinieerd (Amsterdam twee volwassenen, Den Haag drie volwassenen en Rotterdam vier volwassenen)?
De volkshuisvesting is in Nederland gedecentraliseerd om goede redenen. Op lokaal niveau kan het best worden vastgesteld welke problematiek speelt en op welke wijze deze het best kan worden aangepakt. Ik acht het daarom aanvaardbaar dat op lokaal niveau er verschillen zijn in aanpak van wat wellicht oppervlakkig gezien hetzelfde probleem is. De definiëring van wat als een huishouden wordt gezien valt hier wat mij betreft ook onder, aangezien in de Huisvestingswet 2014 geen definitie van een huishouden is opgenomen.
Deelt u de conclusie dat studenten, starters en expats een fors onderdeel van de groep woningdelers zijn? Zo ja, waar moeten deze woonruimte-zoekers nu hun heil zoeken?
Er is weinig bekend over wie precies de woningdelers zijn. Derhalve heb ik geen cijfers die uw conclusie kunnen schragen. Welke groepen het ook betreft: als woningdelen niet meer mogelijk is, moeten ze elders terecht.
Acht u de kans groot dat het kameraanbod bij woningdelen door de aanscherping drastisch zal inkrimpen, zo niet verdwijnen? Wat zal daarbij de toekomst zijn voor dispuuts- en studentenhuizen, die niet langer worden toegestaan?
De kans dat het kameraanbod door woningdelen drastisch zal inkrimpen, zo niet verdwijnen, schat ik niet hoog in. Alle bestaande legale situaties waar sprake is van woningdelen kunnen immers blijven bestaan. Op dit moment, zo verneem ik van de gemeente, worden in Amsterdam nog vele bestaande situaties gelegaliseerd en worden nog aanvragen gedaan voor nieuwe gevallen. Alleen in Amsterdam is na 1 april 2020 sprake van de verplichting om een individueel huurcontract aan te bieden aan de huurders en dan alleen nog in die situaties waarbij de vergunning na 1 april 2020 wordt aangevraagd (dit betekent dat wat betreft de maximale huurprijs het waarderingspuntensysteem voor kamers geldt). Verhuurders die voor die datum een vergunning hebben of hebben aangevraagd zijn niet gebonden aan het individueel huurcontract, ook niet als na 1 april 2020 bijvoorbeeld één van de huurders vertrekt. Voor het overgrote deel van de bestaande gevallen in Amsterdam verandert er daarmee niets.
Dispuuts- en studentenhuizen worden niet verboden in Amsterdam. Zij blijven gewoon toegestaan. Als een dispuuts- of studentenhuis in Amsterdam geen vergunning heeft voor verkamering (een omzettingsvergunning), die overigens al sinds 1993 verplicht is, dan kan alsnog een vergunning worden aangevraagd. Gebeurd dit voor 1 april 2020 dan hoeft er geen individueel huurcontract met de huurders te worden afgesloten. Wel moet aan bepaalde geluidseisen worden voldaan. Indien er sprake is van verhuur voor vier kamers dan hoeft aan die eisen pas per 1 juli 2022 te worden voldaan. De regels voor dispuuts- en studentenhuizen zijn per 1 januari 2020 verruimd. Tot die tijd werden in sommige stadsdelen met weinig grote woningen (West en Centrum) geen omzettingsvergunningen afgegeven voor verkameren naar vijf of meer kamers. Sinds 1 januari 2020 is verkamering naar vijf of meer kamers in de hele stad toegestaan. Bij verkamering naar zeven kamers of meer wordt extra gelet op de leefbaarheid bij het verlenen van de vergunning, maar hier zal ruimhartig mee worden omgegaan.
Deelt u het kennelijke standpunt van Amsterdam dat drie volwassenen meer overlast veroorzaken dan een gezin met kinderen, nu een van de motieven om strengere regels op te leggen, overlastbeperking is? Deelt u de gedachte dat bij overlast ook volstaan zou kunnen worden met de reguliere handhaving op overlast?
Amsterdam heeft er in de nieuwe huisvestingsverordening voor gekozen de geluidseisen voor het omzetten naar drie onzelfstandige woonruimten te laten vervallen omdat het bewonen van drie kamers wat betreft de geluidsoverlast weinig verschilt van reguliere bewoning door een huishouden, bijvoorbeeld een gezin2. Gemeenten mogen op basis van de Huisvestingswet weigeringsgronden vastleggen in de huisvestingsverordening ten aanzien van het verlenen van een vergunning voor het onttrekken, samenvoegen, omzetten of splitsen van woonruimte of voor woningvorming. Hierbij kan gedacht worden aan de samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste, wijkverbetering en leefbaarheid3.
In hoeverre verdringt woningdelen gezinnen, aangezien (drie) volwassenen meer huur kunnen betalen dan één gezin? Vindt het woningdelen vooral in vrije sectorwoningen plaats, waarvan de huur bij 1.000 euro begint of in de gereguleerde sector?
Zoals ik al eerder aangaf, is er weinig bekend over woningdelen. Het is echter redelijk te veronderstellen dat drie volwassenen meer kunnen betalen dat een gezin en dat derhalve er soms sprake zal zijn van verdringing. Woningdeling en verkamering vindt vooral plaats in de private sector. Tegelijkertijd is een ontwikkeling dat het aantal eenpersoonshuishoudens stijgt en dat woningdelen, zoals eerder gezegd, een bijdrage kan leveren om doelmatig om te gaan met schaarse woonruimte.
Bent u bereid om de evaluatie die Amsterdam in de zomer wenst te doen aan de Kamer voor te leggen?
In september wordt een monitor gemaakt over woningdelen in Amsterdam. Indien daar behoefte aan is, kan deze na publicatie worden gedeeld met de Tweede Kamer.
Het bericht ‘Vreemdelingenadvocaten: ‘Curaçao zet Venezolanen collectief uit’ |
|
Antje Diertens (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de vragen 2,3 en 4?1
Ja.
Door wie wordt dit interview afgenomen? Hoe worden vreemdelingen van te voren geïnformeerd over het doel en het belang van dit interview? Kunnen vreemdelingen zich tijdens het interview laten bijstaan door een advocaat? Zo nee, waarom niet?
Het Korps Politie Curaçao (KPC) neemt de betreffende gehoren af. De autoriteiten van Curaçao hebben mij laten weten dat het doel en belang van dit interview mondeling aan de vreemdeling (in diens voertaal) kenbaar wordt gemaakt. Het KPC maakt bij het afnemen van het gehoor gebruik van onderdelen uit de vragenformulieren waarmee eveneens in Caribisch Nederland wordt gewerkt. De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat vreemdelingen zich tijdens een gehoor kunnen laten bijstaan door een advocaat. Het is volgens de autoriteiten van Curaçao echter aan de vreemdeling zelf om een beroep te doen op rechtshulp. De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat in dit kader op het terrein van rechtshulp momenteel de samenwerking wordt gezocht met enkele lokale non-gouvernementele organisaties.
Herinnert u zich het antwoord op vraag 13?
Ja.
Op welke wijze heeft Defensie geverifieerd of er sprake was van humane omstandigheden en of de opgevangen vreemdelingen toegang hadden tot juridische bijstand? Hoe zag deze verificatie eruit en wat waren de bevindingen? In hoeverre is hier onderscheid gemaakt tussen wat op papier is afgesproken (bijvoorbeeld dat vreemdelingen over het algemeen maximaal 14 dagen in de barakken verblijven) en hetgeen er gebeurt in de praktijk (namelijk dat sommige vreemdelingen meerdere maanden verblijven in de barakken)?
Ik herhaal dat Defensie in onderhavige casus, onder het gezag van de regering van Curaçao, in een uitzonderlijke situatie militaire bijstand heeft geleverd in het kader van de handhaving van de openbare orde door te ondersteunen bij de bewaking en beveiliging van een tijdelijke opvanglocatie voor een groep vreemdelingen, in afwachting van hun uitzetting. De inzet van Defensie is er derhalve op gericht geweest om Curaçao te ondersteunen in het creëren van humane omstandigheden op een alternatieve locatie aangezien de reguliere locatie van vreemdelingenbewaring de maximale capaciteit had bereikt. Bij deze ondersteuning is door personeel van CZMCARIB en de Brigade KMar zowel voorafgaand als tijdens de bijstand altijd zicht geweest op de omstandigheden waarin de vreemdelingen terecht zouden komen. Bij meerdere vergaderingen met de lokale autoriteiten zijn de omstandigheden in de tijdelijke opvanglocatie besproken en is verzekerd dat er gescheiden toiletgroepen en douches waren, alsook ventilatie, voedsel, bewegingsvrijheid, bedden, medische zorg en juridische bijstand. Bij de diverse afstemmingsmomenten heeft het welzijn van de vreemdelingen immer voorop gestaan.
Vindt u de detentieomstandigheden in de vreemdelingenbarakken op Curaçao in overeenstemming met de standaards die zijn te verwachten in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke punten niet en wat kunt u eraan doen om dit te verbeteren?
Ik maak mij zorgen over de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring op Curaçao. Aangezien het migratiebeleid een landsaangelegenheid betreft, is het echter aan Curaçao om deze omstandigheden te verbeteren. De Minister van Justitie van Curaçao heeft mij in december 2019 gemeld dat hij voornemens is de materiële en immateriële condities in de vreemdelingenbewaring zoveel mogelijk in lijn te brengen met de standaarden van het European Committee for Prevention of Torture (CPT), zoals uiteengezet in het factsheet Immigration Detention, uit 2017. Voorts gaf hij aan dat de uitvoering van een door Curaçao op te leveren project- en implementatieplan vreemdelingenbewaring, hieraan zal bijdragen.
Gelet op de grote opgave waarvoor Curaçao zich geplaatst ziet, biedt Nederland, op verzoek van Curaçao, op basis van artikel 36 Statuut ondersteuning via het leveren van technische assistentie en het beschikbaar stellen van financiële middelen. Deze ondersteuning stelt de Nederlandse regering ook in staat de vorderingen van de Curaçaose autoriteiten te volgen. Het is mijn verwachting dat in de loop van 2020 in dit verband de nodige resultaten door Curaçao worden geboekt.
Vindt u het humaan om meerdere vreemdelingen gezamenlijk voor langere tijd (bijvoorbeeld 8 maanden) 23 uur per dag vast te houden in een zeer sobere slaapzaal met enkel wat stapelbedden? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid hier iets aan te doen en de autoriteiten van Curaçao hierop aan te spreken?
Het is van belang dat vreemdelingen in Curaçao worden behandeld op een wijze die niet in strijd is met Curaçaose en internationale regelgeving. Dit betekent dat vreemdelingen niet langer verblijven in de vreemdelingenbewaring dan dat de regelgeving toelaat en dat hun rechten niet worden geschonden wanneer zij in vreemdelingenbewaring verkeren. Of in een concrete situatie conform bovengenoemde normen wordt gehandeld, is aan de autoriteiten en de rechterlijke macht van Curaçao om te beoordelen.
Verder benadruk ik dat Nederland momenteel ondersteuning aan Curaçao biedt bij het verbeteren van de vreemdelingenketen. De assistentie die Nederland bijvoorbeeld momenteel aan Curaçao verleent is er mede op gericht om het proces van het afdoen van verzoeken om bescherming en het terugkeerproces te bevorderen. Daarnaast sprak ik op verzoek (kenmerk: 2020Z00291) van leden van de vaste commissie Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer die begin januari 2020 deel uitmaakten van de Nederlandse delegatie bij het IPKO, met de Minister van Justitie van Curaçao over langdurig verblijf in de vreemdelingbewaring bij het SDKK. Hierover heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd2.
Vindt u het humaan als vreemdelingen slechts één uur per dag worden gelucht in een gesloten kooi? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid hier iets aan te doen en de autoriteiten van Curaçao hierop aan te spreken?
Ik onderstreep het belang dat Curaçao diens verplichtingen nakomt, daar waar het de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring betreft. Ik acht het daarbij onwenselijk dat vreemdelingen in bewaring binnen het Koninkrijk zonder zinvolle dagbesteding (c.q. aanbod van activiteiten) in vreemdelingenbewaring verkeren.
De Curaçaose autoriteiten geven verder aan dat mannelijke vreemdelingen wegens redenen van interne veiligheid maximaal twee uren per dag worden gelucht. De betreffende autoriteiten hebben mij verzekerd dat na de geplande verbouwing van de faciliteiten respectievelijk een regulier verblijfsregime en een beheersregime zullen worden gehanteerd, hetgeen er aan moet bijdragen dat de vreemdelingen meer vrijelijk binnen de vreemdelingenbewaring kunnen bewegen. De Curaçaose autoriteiten hebben mij verder gemeld dat de cellen in vreemdelingenbewaring bij het SDKK de hele dag open staan en dat men over een recreatieruimte met fitnessmogelijkheden beschikt.
In het kader van de ondersteuning die Nederland, op basis van artikel 36 van het Statuut, levert, heb ik er eind 2019 bij de autoriteiten van Curaçao onder andere op aangedrongen dat zij maatregelen ontwikkelen ter bevordering van een zinvolle dagbesteding voor vreemdelingen in bewaring (bijvoorbeeld door middel van de invoering van dagprogramma’s). De regering van Curaçao is momenteel aan zet om de betreffende maatregelen binnen afzienbare tijd te ontwikkelen en deze vervolgens door te voeren. De Dienst Justitiële Inrichtingen levert hierbij assistentie.
Vindt u de sanitaire voorzieningen humaan wanneer vreemdelingen voetschimmel en schurft van de douche krijgen omdat deze zo weinig wordt schoongemaakt? Vindt u de sanitaire voorzieningen humaan als de wc-pot van de muur is gesloopt en de vloer is bevuild? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid hier iets aan te doen en de autoriteiten van Curaçao hierop aan te spreken?
Curaçao is verantwoordelijk voor het onderhoud van de vreemdelingenbewaring. De hygiënische omstandigheden in de vreemdelingenbewaring op Curaçao dienen in lijn te zijn met de geldende (internationale) standaarden. De autoriteiten van Curaçao stellen dat het hen niet bekend is waarop de betreffende bewering over tekenen van schurft en voetschimmel zijn gebaseerd.
De autoriteiten van Curaçao geven aan dat de sanitaire voorzieningen in de vreemdelingenbewaring veelvuldig door vreemdelingen worden vernield. Zo geven de autoriteiten van Curaçao ter illustratie aan dat een aantal voorzieningen in 2018 drie keer vervangen moest worden. De autoriteiten van Curaçao geven daarbij aan dat bij beschadiging of vernietiging het niet mogelijk is om op dezelfde dag de betreffende sanitaire voorzieningen te herstellen. Curaçao heeft Nederland in november 2019 in het kader van onderlinge bijstand om een bijdrage gevraagd voor de aanschaf van nieuwe rvs-toiletten, ter waarde van 40.000 euro. Mede gelet op de problematiek en de duur van de aanschaf is deze financiële bijdrage eind 2019 reeds door Nederland geleverd.
Deelt u de zorgen dat als het aantal vreemdelingen in de barakken toeneemt, het schrijnende karakter van de omstandigheden waarschijnlijk ook zal toenemen en mogelijk ook kan leiden tot grotere problemen zoals uitbraak van ziektes en escalaties van geweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze zorgen over te brengen aan de autoriteiten van Curaçao?
Ja, deze zorgen deel ik. De Minister van Justitie van Curaçao is voornemens de capaciteit van de vreemdelingenbewaring uit te breiden tot circa 70 plekken. Eind 2019 drong ik er bij Curaçao al op aan dat planvorming niet alleen betrekking moet hebben op de uitbreiding van de faciliteit en het verbeteren van de materiële condities, maar ook op het in samenhang doorvoeren van aanvullende maatregelen om het regime voor de specifieke doelgroepen substantieel te verbeteren. Dit teneinde de beheersbaarheid in de vreemdelingenbewaring op de korte- en lange termijn te verbeteren.
Curaçao heeft aangegeven dat het in 2020 maatregelen neemt om de toegang tot medische screening en het aanbieden van zorg te bevorderen. Zelf hecht ik er waarde aan dat Curaçao maatregelen neemt om de medische intake en de toegang tot een huisarts, een psycholoog en verpleegkundigen structureel mogelijk te maken. Dit heb ik eind 2019 ook aan de regering van Curaçao kenbaar gemaakt.
Het is aan de autoriteiten van Curaçao om te anticiperen op een (mogelijke) toename van het aantal vreemdelingen in de betreffende faciliteit en het nemen van eventuele alternatieven maatregelen in plaats van bewaring zoals het opleggen van een meldplicht.
Op welk moment bent u van oordeel dat, op grond van artikel 43, tweede lid van het Statuut, sprake is van een actieve rol voor de Nederlandse overheid om de situatie op Curaçao te verbeteren? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Artikel 43 van het Statuut brengt onder andere tot uitdrukking dat in elk van de Landen van het Koninkrijk mensenrechten moeten worden beschermd. Het is primair aan de landen zelf om een adequaat niveau van mensenrechtenbescherming te verwezenlijken. Indien dit op problemen stuit, verdient het de voorkeur het gewenste beschermingsniveau te bereiken langs de thans ingeslagen weg van onderlinge samenwerking tussen de Landen.
Ingrijpen door het Koninkrijk op grond van het Statuut is een laatste redmiddel. Dit is een staatsrechtelijk gegeven, maar het is ook een zaak van handelingsperspectief. Een ingreep heeft namelijk vergaande bestuurlijke en financiële consequenties, die niet eenvoudig te overzien zijn. Daarbij moet een dergelijk besluit rekenen op voldoende draagvlak binnen de Koninkrijksregering.
Ten aanzien van de vraag op welk moment uit hoofde van de waarborgfunctie van het Koninkrijk (artikel 43, tweede lid Statuut) voor het Koninkrijk een actieve rol is weggelegd, verwijs ik u naar mijn brief aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 2019/2020, 29 653, I), waarin ik uitgebreid ben ingegaan op de verhoudingen binnen het Koninkrijk. In deze brief zet ik onder meer uiteen dat de toezichthoudende rol van de Koninkrijksregering naar mijn opvatting kan worden geactiveerd door (het niet nakomen van) een rechterlijke uitspraak en door signalen van lokale, internationale of niet-gouvernementele organisaties. Over de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring in Curaçao is naar mijn weten tot op heden nog niet door een rechter geoordeeld dat deze onrechtmatig zijn. Wel hebben verschillende organisaties hierover hun zorgen uitgesproken. Deze signalen sterken de Nederlandse regering in haar overtuiging dat het van belang is om er, in het kader van de door Nederland verstrekte ondersteuning, in 2020 zoveel mogelijk op toe te zien dat de regering van Curaçao de overgebrachte voornemens omzet in daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Mochten de inspanningen van Curaçao – mede in het kader van artikel 36 Statuut – tot onvoldoende resultaat leiden, dan kan op termijn door de Koninkrijksregering worden bezien in hoeverre een optreden in de bredere context van het Koninkrijk wenselijk is.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen de informatie die u van de autoriteiten van Curaçao ontvangt en de bevindingen van bijvoorbeeld verschillende Kamerleden die met eigen ogen een andere werkelijkheid vaststellen?
In algemene zin kan ik aangeven dat er tussen diverse ministeries van Curaçao en Nederland op verschillende terreinen structureel sprake is van informatie-uitwisseling, bijvoorbeeld in het kader van ondersteuning en samenwerking. Daarnaast pleegt Nederland regelmatig hoor- en wederhoor bij de autoriteiten van Curaçao, om onder andere ook uw Kamer zo goed mogelijk te kunnen informeren. Ik heb de indruk dat de autoriteiten van Curaçao bij het verschaffen van informatie zoveel mogelijk transparantie betrachten.
Bent u bereid een onafhankelijke expert(groep), bijvoorbeeld het VN antifolteringcomité of het CPT2 van de Raad van Europa, te vragen een bezoek te laten brengen aan Curaçao om de situatie objectief te beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op bestaande rapporten voegt een aanvullende beoordeling mijns inziens op dit moment weinig toe. Daarbij is het overigens in eerste instantie niet aan mij, maar aan de autoriteiten van Curaçao om een dergelijk verzoek te doen.
Het Koninkrijk der Nederlanden verscheen op 1 en 2 juli 2019, in het kader van de vijfde periodieke rapportage onder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, voor het VN-Mensenrechtencomité. De Minister van Justitie en Veiligheid zond u op 5 september 2019 een afschrift van de conclusies en aanbevelingen van dit comité4. De betreffende conclusies en aanbevelingen hebben ook betrekking op het verbeteren van de situatie in Curaçao. Het VN-antifolteringscomité stelde in december 2018 eveneens conclusies en aanbevelingen vast over onder andere de situatie in Curaçao5. Verder heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen in 2019 een advies uitgebracht aan Curaçao om de condities in de vreemdelingenbewaring bij het SDKK te verbeteren. Het is aan Curaçao om op basis van bestaande analyses (aanbevolen) maatregelen te implementeren. Nederland levert hierbij – zoals gezegd – ondersteuning bij het optimaliseren van de vreemdelingenketen en het verbeteren van de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring bij het SDKK.
Zijn de verbeteringen van het mannenblok van het SDKK inmiddels afgerond? Zo nee, waarom niet? Wanneer verwacht u dat deze verbeteringen zijn afgerond?
Nee. Zoals ik per Kamerbrief van 3 december 2019 heb laten weten (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1323) hebben de autoriteiten van Curaçao mij eind 2019 gemeld dat in het eerste kwartaal van 2020 de laatste verbeteringen aan het mannenblok van de vreemdelingenbewaring bij het SDKK worden gerealiseerd. In het bijzonder gaat het hierbij om de bouw van een overdekte recreatiezaal. De betreffende verbeteringen werden mede bekostigd door de € 132.000 die Nederland beschikbaar stelde.
Kunt u de vragen afzonderlijk en exact beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja. Er is in dit kader samengewerkt met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Defensie en de autoriteiten van Curaçao.
Het artikel ‘Nederland zit niet te wachten op geld uit groene subsidiepot van de EU’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Rob Jetten (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland zit niet te wachten op geld uit groene subsidiepot van de EU»?1
Ja.
Hoe kunt u stellen dat Nederland, als land met de hoogste CO2-uitstoot per inwoner van Europa, en de laagste opwekking van schone energie, niet mee wil doen aan een gezamenlijk Europees klimaatfonds terwijl zij een enorme opgave heeft in de klimaattransitie?
Ten aanzien van de kabinetsinzet omtrent het Commissievoorstel voor een Just Transition Fund (JTF) verwijs ik naar het BNC-fiche over het Just Transition Mechanism (JTM) waar het JTF onderdeel van uitmaakt.2 Het kabinet is voorstander van de oprichting van dit mechanisme. Het sluit aan bij de ambitie van het kabinet om een klimaattransitie te bewerkstelligen.
Het kabinet erkent dat voor het bewerkstelligen van de klimaatambities het nodig zal zijn om regio’s met een zware opgave bij de energie- en klimaattransitie daarbij te ondersteunen. Het kabinet onderschrijft dat klimaatverandering bij uitstek grensoverschrijdende effecten heeft en dat ook Nederland een grote klimaatopgave heeft.
Hierbij is het kabinet van mening dat het vooral van belang is dat lidstaten ook zelf investeren in de transitie en dat Europese financiering hierop een aanvulling moet zijn. Het kabinet is van mening dat het JTF in omvang beperkt moet blijven en dat middelen voor het JTF gevonden moeten worden binnen een plafond dat past bij de Nederlandse MFK-inzet. Zoals uw Kamer bekend, zet Nederland zich in voor een financieel houdbaar en ambitieus, gemoderniseerd MFK. Een afdrachtenstijging, mede als gevolg van Brexit, dient te worden voorkomen.
Waarom gooit u al de deur dicht voor een Europees plan, voordat er is gesproken over de precieze uitgaven en randvoorwaarden, en terwijl de gesprekken over de exacte financiering hiervan nog gaande zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wilt u dan niet meedoen aan dit grote Europese klimaatfonds waarmee Nederland juist ook inspraak kan hebben in hoe CO2-reductie in andere lidstaten bereikt wordt, aangezien klimaatverandering een probleem is dat bij uitstek grensoverschrijdend is en daarom gezamenlijk opgelost moet worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om actief aan de onderhandelingen deel te nemen en te pleiten dat ook voor regio’s waar werkgelegenheidseffecten optreden door het beperken van gaswinning, zoals Groningen, ook budget beschikbaar wordt gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw inzet in de verdere onderhandelingen van dit fonds?
Het kabinet heeft allereerst als inzet de omvang van het JTF beperkt te houden. Het kabinet zal vervolgens pleiten voor het gebruik van objectieve criteria, waarbij ook de werkgelegenheid in regio’s die het hardst worden geraakt ten gevolge van de klimaattransitie moet worden meegewogen. Voor de volledige kabinetsinzet omtrent het JTF verwijs ik naar het BNC-fiche over het JTM.
Het ontsporen van de Hoekse Lijn |
|
Cem Laçin |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de reconstructie van het onderzoekscollectief Spit in opdracht van Vers Beton, OPEN Rotterdam, WOS Media en SCHIE over het proces rondom de ombouw van de Hoekse Lijn?1
Het artikel geeft een overzicht van de stappen die zijn gezet om tot de realisering van de metroverbinding Schiedam Centrum–Hoek van Holland te komen.
Het Rijk is verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer van de hoofdspoorwegen. De provincies en vervoerregio’s zijn verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer van de lokale spoorwegen. Dat zijn de tram-, metro- en lightrailverbindingen. Ook zijn zij verantwoordelijk voor de concessieverlening van de vervoerdiensten over de lokale spoorwegen en de gedecentraliseerde treindiensten op hoofdspoorwegen.
Tot 3 april 2017 was het Rijk verantwoordelijk voor het beheer van de hoofdspoorweg Schiedam Centrum–Hoek van Holland en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) voor de concessieverlening van de gedecentraliseerde treindienst Rotterdam–Schiedam–Hoek van Holland. Op 3 april 2017 is het eigendom van de spoorweg Schiedam Centrum–Hoek van Holland overgegaan naar de gemeente Rotterdam en is deze spoorweg aangewezen als lokale spoorweg onder de Wet lokaal spoor. Daarmee is ook de verantwoordelijkheid voor het beheer en de ombouw gedecentraliseerd. Vanaf 3 april 2017 draagt het Rijk dus geen enkele verantwoordelijkheid meer voor de zogenaamde «Hoekse Lijn». Uw Kamer is over de overgang van de Hoekse lijn naar lokaal spoor en het overgaan van eigendom van Rijk naar de gemeente Rotterdam op 4 december 2012 (Kamerstuk 33 400 A, nr. 20) resp. op 25 januari 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 982) geïnformeerd.
De realisatie van de Hoekse Lijn als metrolijn was een wens van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. De betrokkenheid van het Rijk was de medewerking aan de overdracht van de hoofdspoorweg, het aanwijzen van de verbinding als lokale spoorweg, het doen van een financiële bijdrage in het kader van het Actieprogramma Regionaal OV (€ 35 miljoen) en het compenseren voor de kosten die MRDH heeft gemaakt voor het verwerven van de spoorweg (€ 18,3 miljoen).
Zoals ik in de brief van 25 januari 2018 heb aangegeven heeft de spoorweg Schiedam Centrum–Hoek van Holland lange tijd een nationale functie gehad. Vanwege de bootdiensten van en naar Engeland kreeg de spoorweg zelfs een internationaal karakter, dat met de opkomst van de luchtvaart en de opening van de Kanaaltunnel in belang inboette. De laatste boottrein reed in 2006 en sindsdien diende de Hoekse Lijn uitsluitend een lokaal belang. Om die reden en omdat de treindienst voor NS verlieslatend was, is de exploitatie in 2007 gedecentraliseerd. Metropoolregio Rotterdam Den Haag (voorheen Stadsregio Rotterdam) treedt sindsdien op als concessieverlener. In 2007 gaf de regio aan de spoorweg tot metro om te willen bouwen en bij Schiedam Centrum te koppelen aan de bestaande metrolijn. Het ministerie wilde toen eerst de ervaringen met Randstadrail afwachten voordat ze hier aan medewerking wilde verlenen. De ervaringen van Randstadrail waren na verloop van tijd zeer positief te noemen. De reizigersaantallen van Randstadrail overtroffen de prognoses. Het concept van het omzetten van een verlieslatende spoorweg in een succesvolle metrolijn bleek te werken. Dat was reden voor het ministerie om in 2012 bereid te zijn om de Hoekse Lijn onder de werking van de Wet lokaal spoor te brengen, waarbij de risico’s en verantwoordelijkheden van de te realiseren metroverbinding bij de Stadsregio kwamen te liggen. Vanaf dat moment zijn de voorbereidingen voor de ombouw begonnen.
Kunt u inzichtelijk maken op welke momenten – vanaf de start van het project – gekozen volksvertegenwoordigers, zowel lokaal, provinciaal als landelijk, de mogelijkheid hebben gehad om daadwerkelijk in dit project in te grijpen, bij te sturen of het te stoppen?
Zie antwoord op vraag 1. Uw Kamer is over de voorgenomen omzetting van de spoorweg Schiedam Centrum–Hoek van Holland in een metrolijn op 4 december 2012 geïnformeerd (Kamerstuk 33 400 A, nr. 20).
Naar mijn weten is de Hoekse Lijn regelmatig in de gemeenteraden van Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis besproken. In elk geval zijn daar de wijzigingen van de bestemmingsplannen ten behoeve van de realisering van de Hoekse Lijn aan de orde geweest. De kostenoverschrijding was ook regelmatig onderwerp van debat. Voor verdere informatie over de besluitvorming op decentraal niveau verwijs ik u graag naar de betreffende gemeenten.
Bent u van mening dat dit project voldoende beïnvloed kon worden door gekozen volksvertegenwoordigers en dat daarmee de democratische legitimiteit van dit project voldoende gewaarborgd is geweest? Kunt u uw antwoord toelichten, ook in het kader van de enorme kostenoverschrijding?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u overeenkomsten in het (besluitvormings)proces rondom de Hoekse Lijn en andere regionale infrastructurele megaprojecten met forse kostenoverschrijdingen zoals de Noord-Zuidlijn en de Uithoflijn? Zo ja, welke overeenkomsten ziet u en wat zou daaraan voor de toekomst volgens u aan moeten veranderen? Zo nee, waarom niet?
De overeenkomsten die ik tussen de drie projecten zie is dat de uitgaven van alle drie hoger zijn geworden dan vooraf begroot en om die reden regelmatig onderwerp van debat waren in de betrokken raden. Voor de toekomst geldt dat van deze projecten geleerd moet worden en dan vooral of goed in beeld is gebracht wat de risico’s zijn m.b.t. de kostenramingen om zodoende tot een realistisch en inzichtelijk beeld van de kosten te komen. Dit is nodig om de betrokken raden in staat te stellen een afgewogen besluit over het realiseren van dergelijke projecten te kunnen maken.
Een andere overeenkomst die ik zie is dat zowel de Hoekse Lijn als de Uithoflijn en de Noord-Zuidlijn vervoerkundig succesvol zijn. Zo is het gebruik van de Hoekse Lijn op werkdagen gestegen van 15.000 reizigers per dag per trein in 2017 naar gemiddeld 27.000 reizigers per werkdag per metro in november 2019. De RET dacht deze aantallen pas na 2 tot 3 jaar na de opening van de metrodienst te bereiken. Ook liggen de reizigersaantallen in het weekend hoger dan bij de rest van het metronetwerk.
Kunt u een compleet overzicht maken van alle kosten, zowel in de voorbereidings-, de uitvoerings- als de opleveringsfase, inclusief de aanschaf van materieel en schadevergoedingen, die gemoeid zijn met de ombouw van de Hoekse Lijn? Kunt u daarbij het totaalbedrag uitsplitsen per bestuurslaag en organisatie, en op welk moment (democratische) besluitvorming over de bedragen heeft plaatsgevonden?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Over informatie over alle kosten van dit decentrale project en over de momenten waar op de (democratische) besluitvorming heeft plaatsgevonden verwijs ik u naar de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Het Rijk was bij de daadwerkelijke ombouw niet betrokken.
Zijn er afspraken met Koninklijke Vopak N.V. gemaakt omtrent schadevergoedingen bij vertragingen die zijn opgetreden bij het ombouwen van de Hoekse Lijn? Zo ja, welke afspraken zijn dat, waar zijn deze afspraken vastgelegd, hoe zijn deze afspraken tot stand gekomen, om welke bedragen gaat het, door wie worden deze bedragen betaald, hoe is dat bedrag tot stand gekomen en zijn er nog andere bedrijven die een soortgelijke afspraak hebben rondom de Hoekse lijn, de Noord-Zuidlijn of de Uithoflijn? Zo nee, waarom wordt er dan een schadevergoeding betaald aan Koninklijke Vopak N.V.?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 5.
Wat is er precies gebeurd naar aanleiding van de auditrapporten over 2016, 2017 en 2018 die in de reconstructie worden genoemd en een onthutsend beeld schetsen over de voortgang van het project en de kosten die daarmee gepaard gaan?
Zie het antwoord op vraag 1. Het Rijk is niet betrokken geweest bij deze auditrapporten.
Kunt u alle auditrapporten die zijn opgesteld rondom het proces van de ombouw van de Hoekse Lijn inzichtelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het op antwoord vraag 7.
Waarom is er bij de levering van materiaal niet gekozen voor een leverancier die bewezen technologie kon leveren, ook gelet op de ervaringen die zijn opgedaan met het debacle met de Fyra?
Zie het antwoord op vraag 1. Het Rijk is niet bij betrokken geweest bij de keuze voor een leverancier.
Waarom is de ombouwplanning van vijf maanden nooit aangepast naar aanleiding van de kritiek die aannemers hebben geuit over de haalbaarheid van deze termijn nog voor het daadwerkelijk ombouwen was begonnen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wat is de aangewezen rekenkamer om zaken die op stadsregio- ofwel metropoolregioniveau spelen te onderzoeken? Heeft een rekenkamer een verslag uitgebracht over de gang van zaken rondom de Hoekse Lijn? Zo ja, kunt u dat verslag delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke andere openbaar vervoerprojecten hebben geen doorgang kunnen plaatsvinden door de enorme kostenoverschrijding van de Hoekse Lijn? Welke bezuinigingen op openbaar vervoer hebben plaatsgevonden als gevolg van de kostenoverschrijdingen?
Er zijn geen nationale openbaar vervoerprojecten beïnvloed door de ontwikkelingen bij de ombouw van de Hoekse Lijn. Ik ben niet op de hoogte welke afwegingen de regio heeft gemaakt om de kostenoverschrijding te bekostigen.
Het bericht dat asielzoekers buschauffeurs intimideren en reizigers bestelen |
|
Emiel van Dijk (PVV), Roy van Aalst (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielzoekers intimideren buschauffeurs» van 23 januari 2020?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom dit asieltuig gewoon haar gang kan gaan in ons openbaar vervoer en onze buschauffeurs op laffe wijze kan intimideren en reizigers kan bestelen?
Overlastgevende asielzoekers vormen een relatief kleine groep van alle asielzoekers. De overlast die door asielzoekers veroorzaakt wordt, is een maatschappelijk probleem dat zich ook in het openbaar vervoer manifesteert door bijvoorbeeld zwartrijden of het niet opvolgen van aanwijzingen van het OV personeel. Ook komt het voor dat er agressie tegen het rijdend en toezichthoudend personeel wordt gebruikt.
Grensoverschrijdend gedrag is onaanvaardbaar. De aanpak van overlastgevend gedrag heeft dan ook de hoogste prioriteit. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en met vervoerders, politie, vakbonden, ProRail en decentrale overheden om sociale veiligheid in het openbaar vervoer nog meer te verbeteren. Dat heeft onder andere geleid tot verbetering van uniforme incidentenregistratie, camera’s en noodvoorzieningen in voertuigen en vervoersverboden. Om de samenwerking tussen partijen op sociale veiligheid in zijn algemeen extra te borgen wordt een «Landelijk Convenant Sociale Veiligheid» opgesteld met als doel samenwerking, kennisuitwisseling, informatiedeling en innovatie omtrent sociale veiligheid in het openbaar vervoer.
Bij overlastgevend gedrag is het vertrekpunt dat, ongeacht de persoon, dit niet wordt getolereerd en dit leidt tot lik-op-stuk maatregelen. In bepaalde gevallen kan dit ook strafrechtelijke gevolgen hebben. In het openbaar vervoer kunnen vervoerders maatregelen treffen, zoals het opleggen van reis- en verblijfsverboden en/of door inzet van extra toezichthoudend personeel op de betreffende lijnen.
Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven, zie onder meer de Kamerbrief van 18 december 2019, is onderdeel van de zichtbare en brede zero-tolerance aanpak van de ketenmariniers ook het bieden van oplossingsrichtingen voor het handhaven van de openbare orde het verminderen van overlast, zowel op de opvanglocaties al daarbuiten.
Om duidelijk te krijgen wie de zwaarste overlastgevers zijn, wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid maandelijks een landelijke lijst opgesteld: de Top-X lijst. In de migratieketen wordt samen met partners als gemeenten, politie en het OM besproken welke maatregelen worden genomen om personen op de Top-X lijst aan te pakken. Voorbeelden van maatregelen zijn het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel en/of een gebiedsontzegging, en het opleggen van een hoogfrequente meldplicht. Indien er sprake is van een vertrekplicht, dan wordt met prioriteit gekeken of vreemdelingenbewaring en aansluitende uitzetting mogelijk is.
Bent u het ermee eens dat dit tuig gelijk de grens over moet worden geknikkerd en zolang dat niet gebeurt is tot die tijd op water en brood de cel in moet? Zo nee, wat gaat u dan doen om de veiligheid van ons personeel in het openbaar vervoer te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Een veerdienst tussen de eilanden Terschelling en Vlieland |
|
William Moorlag (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het initiatief van scholen en ondernemers op Terschelling en Vlieland om een veerdienst tussen beide eilanden te onderzoeken?1
Ja.
Ziet u ook heel veel voordelen, zoals een flinke reductie van de reistijd, voor de bewoners als er een veerdienst komt tussen Terschelling en Vlieland?
In het artikel over het initiatief voor een veerdienst tussen Vlieland en Terschelling wordt een reistijdreductie geschetst van ca. 70 minuten. In plaats van ca. anderhalf uur via het vasteland zijn passagiers met een rechtstreekse veerdienst ca. 20 minuten onderweg. Ik kan mij voorstellen dat de bewoners en de regio hier voordelen in zien.
Bent u tevens ook van mening dat deze verbinding bijdraagt aan toegang tot voorzieningen en daarmee de leefbaarheid op de Waddeneilanden Terschelling en Vlieland vergroot?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u daarom bereid om met gemeenten en provincie in overleg te treden om deze verbinding tot stand te brengen?
Het initiatief voor een veerdienst tussen Terschelling en Vlieland lijkt positief te worden ontvangen door gemeenten en ondernemers op de eilanden. Deze partijen onderzoeken momenteel de haalbaarheid. Ik heb hier geen rol in. Als concessieverlener van de concessie Waddenveren West ben ik verantwoordelijk voor het personenvervoer dat wordt verricht op de verbinding tussen Terschelling of Vlieland en het vasteland. De concessiehouder is de Terschellinger Stoombootmaatschappij (TSM). Overigens onderhoudt de TSM, naast de verbindingen met het vasteland, periodiek ook een verbinding tussen Terschelling en Vlieland.
Welke andere mogelijkheden heeft u om ervoor te zorgen dat deze directe veerdienst wordt gerealiseerd? Bent u bijvoorbeeld ook bereid om als consessieverlener hierover afspraken te maken met de huidige consessiehouder? En bent u tevens bereid om dit als voorwaarde mee te laten nemen bij een nieuwe consessie of bij overgang van de consessie naar provincies?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat Defensie 1800 mariniers wil huisvesten in Apeldoorn |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er wederom krankzinnige verhuisplannen in het nieuws zijn gekomen, ditmaal het bericht dat Defensie 1800 mariniers wil huisvesten in Apeldoorn?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat Defensie 1800 mariniers wil huisvesten in Apeldoorn? Zo ja, kunt u de Kamer en mariniers inzage geven in alle onderliggende stukken?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief «voorgenomen besluiten inzake verhuizing Korps Mariniers en compensatie Zeeland» die op 14 februari aan uw Kamer is verzonden.
Bent u bereid de krankzinnige verhuisplannen af te blazen en de kazerne in Doorn open te houden, zodat onze mariniers eindelijk eens op de voorgrond staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De vertraging van duurzame energieprojecten vanwege de stikstofproblematiek |
|
Laura Bromet (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bepaalde duurzame energieprojecten vertraging oplopen als gevolg van de stikstofproblematiek, met name de waterstofprojecten in de provincie Groningen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van duurzame energieprojecten die vertraging hebben opgelopen als gevolg van de stikstofproblematiek, zowel binnen als buiten Groningen? Deelt u de mening dat het in het licht van de gaswinningsproblematiek en het Nationaal Programma Groningen onacceptabel is dat deze projecten vertraging oplopen?
Door de stikstofproblematiek zijn er energieprojecten die vertraging oplopen of dreigen op te lopen. Dit komt omdat de vergunningverlening complexer is geworden sinds de uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) van de Raad van State. Dit betreft vooral de grotere energieprojecten, waarvoor tijdens de aanleg materieel moet worden ingezet waarvoor de energie- en bouwsector geen emissiearme alternatieven hebben (bijvoorbeeld kabellegschepen). De depositie van stikstof tijdens aanleg van deze projecten is daarmee niet altijd te reduceren tot 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast zijn er energieprojecten die ook in de gebruiksfase niet geheel tot 0,00 mol depositie terug kunnen.
De vergunningverlening voor deze energieprojecten valt terug op instrumenten als ecologische beoordeling en salderen. Voor beide instrumenten geldt nog geen standaard uitvoeringspraktijk, waardoor vergunningverlening in sommige gevallen traag op gang komt of op problemen stuit. Er is geen compleet overzicht van projecten die hiermee te maken hebben, omdat het bevoegd gezag hiervoor bij verschillende overheden (gemeenten, provincies en Rijk) ligt en initiatiefnemers zowel overheden als private partijen kunnen zijn.
Het is onwenselijk dat duurzame energieprojecten die nodig zijn voor het halen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord vertraging oplopen. De stikstofproblematiek heeft vooralsnog geen gevolgen voor de afbouw van de gaswinning in Groningen en het Nationaal Programma Groningen.
Wat is de status van de bouw van de stikstoffabriek nabij Zuidbroek?
De bouw van de stikstoffabriek in Zuidbroek is tijdig door Gasunie Transport Services (GTS) gestart. De vergunningen hiervoor zijn reeds verleend en zijn inmiddels onherroepelijk. De realisatie van de fabriek verloopt op dit moment volgens planning.
Deelt u het inzicht dat er een aantal verplichtingen zijn met betrekking tot duurzame energie, onder andere voortkomend uit het Urgenda-vonnis en EU-richtlijnen, waardoor het van groot belang is dat deze duurzame energieprojecten tijdig zijn voltooid?
Ja.
Deelt u de mening dat het voltooien van deze energieprojecten vele malen belangrijker is dan de bouw van snelwegen, aangezien er geen verplichtingen zijn rondom het tijdig bouwen van snelwegen?
Het kabinet zet zich in om samen met provincies en de maatschappelijke partners te komen tot een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Daarin worden blijvend maatregelen genomen die de stikstofuitstoot bij de bron aanpakken. Daarmee ontstaat structurele verbetering van de natuur en maakt het kabinet ruimte voor vergunningverlening voor onder andere energieprojecten. Voorts heeft het kabinet in de Kamerbrief van 13 november 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 1) gerichte maatregelen aangekondigd ten behoeve van de woningbouw en een aantal infrastructuurprojecten.
Welke maatregelen zijn getroffen om duurzame energieprojecten toch op tijd te voltooien?
Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 4 oktober 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 167) aangegeven dat toestemming voor projecten en activiteiten – waaronder projecten voor duurzame energie – kan worden aangevraagd op basis van onder andere intern en extern salderen. Bij intern salderen vermindert een bedrijf de stikstofemissie binnen het eigen project of op de eigen locatie om een nieuwe vergunning mogelijk te maken. Bij extern salderen neemt een bedrijf de ruimte om stikstofemissie uit te stoten over van een ander bedrijf dat geheel of gedeeltelijk stopt. Ook is het mogelijk om een vergunning aan te vragen als aangetoond kan worden dat de stikstofdepositie geen negatief effect heeft op een natuurgebied (ecologische beoordeling) of als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van nationaal belang is en de natuurschade gecompenseerd wordt (ADC-toets).
Via deze manieren van toestemmingverlening kunnen nu al een deel van de duurzame energieprojecten worden vergund. Initiatiefnemers kunnen de kans op toestemmingverlening vergroten door de projecten op een duurzame manier te realiseren waarbij geen of nauwelijks sprake is van stikstofdepositie.
Daarnaast is in de Kamerbrief van 7 februari 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 44) aangekondigd dat het de inzet van het kabinet is om verleasen van stikstofruimte mogelijk te maken. Verleasen betekent dat een ondernemer een deel van zijn niet benutte stikstofruimte in zijn vergunning op tijdelijke basis beschikbaar kan stellen aan een andere initiatiefnemer voor (tijdelijke) activiteiten waarbij stikstof vrijkomt. Het leasen van stikstofruimte kan dus een goede oplossing zijn voor projecten die een tijdelijke depositie veroorzaken, bijvoorbeeld duurzame energieprojecten.
Tot slot is conform de aankondiging in de Kamerbrief van 16 december 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 25) gestart met een verkenning of projecten voor duurzame energie kunnen worden gebundeld in een programma om vergunningverlening voor deze projecten te vereenvoudigen.
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn getroffen met betrekking tot de prioritaire projecten, zoals genoemd in uw brief van 13 november 2019?1
Het kabinet heeft drie maatregelen genomen. Ten eerste voert het kabinet een snelheidsverlaging overdag op autosnelwegen in. Ten tweede wordt ingezet op ammoniakreductie via voermaatregelen in de veehouderij. En tot slot wordt de reductie van stikstofdepositie door een uitbreiding van de warme saneringsregeling voor de varkenshouderij ingezet.
Met dit pakket aan maatregelen wordt het in de woningbouwsector mogelijk om in 2020 de bouw van 75.000 woningen te realiseren. Ook is ruimte gecreëerd voor een zevental infrastructuurprojecten die onder het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) vallen.
Kan de Kamer er nog steeds op rekenen, zoals eerder is toegezegd, dat het extra maatregelenpakket om de stikstofproblematiek op te lossen in januari naar de Kamer wordt gestuurd?
Op 7 februari 2020 heeft de Minister van LNV namens het kabinet een brief aan uw Kamer gestuurd waarin zij u informeert over een maatregelenpakket voor de landbouwsector. Ook in de toekomst blijft het Rijk samen met medeoverheden maatregelen nemen om de hoeveelheid stikstofdepositie terug te dringen. In het voorjaar zal ik uw Kamer hierover nader informeren.
Kunt u voor 1 februari 2020 een maatregelenpakket publiceren waarmee de voltooiing van duurzame energieprojecten tijdig wordt gerealiseerd?
Zie antwoord vraag 5.
De Rotterdamse klimaatplannen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Nieuwsuur-uitzending van 21 januari 2020, waarin GroenLinks-wethouder Bonte zegt dat Rotterdam over tien jaar 100.000 woningen van het gas af en de CO2-uitstoot gehalveerd wil hebben?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit onmogelijk, onzinnig en onbetaalbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeente, met betrokkenheid van stakeholders, uiterlijk in 2021 het tijdspad vastlegt en benoemt in welke wijken de gemeente voor 2030 aan de slag gaat met de energietransitie in de gebouwde omgeving. Ook het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan onderdeel uitmaken van deze aanpak. Inzet is dat de plannen van gemeenten in de Transitievisies Warmte optellen tot het doel van 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen die tot en met 2030 verduurzaamd worden. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet om richting 2050 alle gebouwen de overgang te laten maken van aardgas naar duurzame warmtebronnen.
Rotterdam bereidt zich voor op deze stappen. Navraag bij de gemeente Rotterdam leert dat Rotterdam voor 2030 85.000 gebouwen wil verduurzamen. De 12 verkenningen die de gemeente dit jaar gaat uitvoeren moeten inzicht geven in wat daarvoor nodig is. Op basis daarvan stelt de gemeente in 2021 een Transitievisie Warmte op. Deze toont de wijken waar voor 2030 een aanpak start om de gebouwde omgeving te verduurzamen. Naast het verduurzamen van de gebouwde omgeving zet Rotterdam in op verduurzaming van de haven, de mobiliteit en op de opwek van duurzame energie.
Bent u bekend met het eerder door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gegeven schriftelijke antwoord dat «gemeenten [...] geen wettelijke grondslag [hebben] om huiseigenaren te dwingen van het aardgas af te gaan»?2 Op grond waarvan worden in stadsdeel IJsselmonde momenteel koopwoningen van het gas afgehaald? Hebben de huiseigenaren hiermee ingestemd? Hebben zij dit kunnen weigeren?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Navraag bij de gemeente Rotterdam leert dat in IJsselmonde gebouweigenaren kunnen kiezen uit verschillende opties: ze kunnen overstappen op stadsverwarming en/of elektrisch koken, zelf aan de slag gaan met een alternatief voor aardgas in hun woning of ervoor kiezen om voorlopig aardgas te blijven gebruiken. Niemand wordt gedwongen mee te doen.
Hoeveel «klimaateffect» behalen de Rotterdamse klimaatplannen? Wat is daarvan het effect op de temperatuur van de aarde? Kunt u een onderbouwde berekening verstrekken? Zo nee, waar is deze klimaatonzin naar uw mening dan feitelijk goed voor?
De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft het Rotterdamse klimaatakkoord doorgerekend.3 Uit de doorrekening blijkt dat de in het Rotterdams Klimaatakkoord opgenomen maatregelen in de gebouwde omgeving in 2030 een verwachte CO2-reductie opleveren van 0,15 megaton. DCMR heeft niet het effect van de maatregelen op de temperatuur van de aarde berekend.
De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor 32% van het totale energiegebruik in Nederland en hiervoor wordt in circa 90% van de gevallen nog aardgas gebruikt. De voorstellen in het Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving moeten bijdragen aan een reductie van de CO2-uitstoot van 3,4 Mton in 2030 ten opzichte van het basispad. Dit is een aanzienlijke reductie voor de gebouwde omgeving, waar ook Rotterdam aan wil bijdragen. Het is duidelijk dat de bijdrage van een individuele gemeente zoals Rotterdam op wereldniveau niet groot is. Door in alle gemeenten en sectoren maatregelen te nemen kan Nederland haar deel van de opgave realiseren en bijdragen aan het halen van de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs. Bovendien kan de transitie naar aardgasvrij leiden tot een duidelijke verbetering van het wooncomfort en de directe leefomgeving van bewoners.
Bent u bekend met de studie «Onder de pannen zonder gas» van het Sociaal en Cultureel Planbureau?3 Deelt u de conclusie van het SCP «dat er onder burgers het gevoel leeft dat aardgasvrij wonen iets is wat zij opgelegd krijgen – wat feitelijk ook het geval is – zonder dat zij daarover iets te zeggen hebben gehad»? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met deze studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ik heb hierover eerder Kamervragen beantwoord (Kamerstukken 2019/2020, aanhangsel 345), waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
Bent u bereid het Klimaatakkoord en alle andere (gemeentelijke) klimaatplannen onmiddellijk door de shredder te trekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Samen met betrokken partijen ga ik door met de uitwerking van het Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de realisatie van de klimaatdoelstellingen. Gemeenten geven samen met bewoners en andere stakeholders invulling aan de wijze van verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het debat hierover vindt plaats in de gemeenteraad.
Het bericht 'Ladingen afgekeurd wegens inklimmers' |
|
Remco Dijkstra (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel getiteld «Ladingen afgekeurd wegens inklimmers»?1
Ja.
Is er een indicatie van de schade die wordt geleden door de transportsector door de afgekeurde ladingen vanwege inklimmers? Wie is er aansprakelijk voor de geleden schade?
De overheid heeft geen inzicht in de omvang van de schade die wordt geleden in de transportsector door het afkeuren van ladingen vanwege inklimmers. Ook Transport en Logistiek Nederland (TLN) heeft geen inzicht in de exacte omvang hiervan. De aansprakelijkheid van partijen is geregeld in hun vervoersovereenkomst. De vraag wie aansprakelijk is, kan daarom niet in algemene zin worden beantwoord. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval.
Hoeveel afgekeurde ladingen zijn er bekend bij de Koninklijke Marechaussee? Hoeveel personen zijn er in 2019 aangetroffen in ladingen van Nederlandse transporteurs?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft geen inzicht in het aantal afgekeurde ladingen van Nederlandse Transporteurs. Daarnaast houdt de KMar niet bij hoeveel inklimmers in ladingen van Nederlandse transporteurs worden aangetroffen.
Kunt u aangeven hoeveel inklimmers in de afgelopen drie jaar zijn aangetroffen, wat hun land van herkomst was, wat er gebeurt met de aangetroffen inklimmers en in hoeverre het per geval is gelukt om hen uit te zetten naar het land van herkomst?
De KMar heeft in 2019 ongeveer 910 personen aangetroffen die via een Nederlandse haven illegaal het Verenigd Koninkrijk probeerden te bereiken. In heel 2018 ging het om ongeveer 860 personen. In 2017 zijn er 910 personen aangetroffen. De top drie nationaliteiten in de afgelopen drie jaar door de KMar zijn aangetroffen zijn Albanezen, Afghanen en Vietnamezen.
In 2019 zijn circa 570 mensen aangetroffen door de Zeehavenpolitie (ZHP). De top drie aan nationaliteiten over 2019 die door de ZHP zijn aangetroffen bestaat uit Albanezen, Afghanen en Syriërs. Begin 2019 is de ZHP begonnen met het mogelijk maken van het bijhouden van registraties van inklimincidenten in het kader van het vreemdelingentoezicht. Deze registraties worden nog kwalitatief verbeterd.
Wanneer personen worden aangetroffen als zij illegaal het land proberen uit te reizen dan moeten ze Nederland onmiddellijk verlaten. Als deze personen niet vrijwillig vertrekken worden ze gedwongen uitgezet. Deze personen zullen als regel in bewaring worden geplaatst tenzij betrokkenen onmiddellijk het land kunnen verlaten. Zij krijgen ook een inreisverbod voor de Europese Unie opgelegd. Daarnaast wordt er opgetreden als er sprake is van strafbare feiten zoals het in bezit zijn van een vals paspoort, vernieling of het illegaal verblijven in andermans voertuig of op andermans terrein.
Wanneer personen met verblijfsrecht tijdens hun visumvrije termijn het land illegaal proberen uit te reizen dan eindigt daarmee hun visumvrije periode en moeten betrokkenen Nederland onmiddellijk verlaten. Als deze personen niet vrijwillig vertrekken worden zij gedwongen uitgezet. Zij zullen als regel in bewaring worden geplaatst tenzij ze onmiddellijk het land kunnen verlaten. Deze personen krijgen ook een inreisverbod opgelegd.
Wat wordt er met afgekeurde ladingen gedaan, aangezien met name voedsel en kleding worden afgekeurd na het aantreffen van inklimmers?
Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Een lading kan in verband met mogelijke gezondheidsrisico’s vernietigd worden.
Wat vindt u van het advies van Transport en Logistiek Nederland aan chauffeurs die onderweg naar de haven zijn om zo min mogelijk te stoppen? Is het wenselijk dat chauffeurs minder stoppen? Komt hiermee de verkeersveiligheid niet in het geding?
Chauffeurs dienen zich, ook volgens TLN, te houden aan de regels omtrent rij- en rusttijden voor chauffeurs, zoals neergelegd in de Europese verordening met betrekking tot rij- en rusttijden en het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Deze regels zijn opgesteld mede met het oog op de verkeersveiligheid. Het advies heeft in die zin dan ook geen gevolgen voor de verkeersveiligheid.
Is iedere chauffeur in het bezit van de voertuigenchecklist van de Border Force van het Verenigd Koninkrijk, een zogeheten Code of Practice, met eisen voor chauffeurs die naar het Verenigd Koninkrijk afreizen? Is het verplicht om deze checklist ingevuld te overhandigen bij binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk?
De Code of Practice is voor werkgevers en chauffeurs beschikbaar op de website van de Britse Border Force. Werkgevers en chauffeurs hebben hier (online) toegang toe. Het overhandigen van de checklist is geen formele voorwaarde bij binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk. Wanneer echter inklimmers gevonden worden, heeft het niet invullen van de checklist invloed op (de hoogte van) de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd door de Britse autoriteiten.
Welke maatregelen zijn er in 2016 genomen toen de grenscontroles werden aangescherpt door het toenemende aantal inklimmers? Zijn er in de tussentijd maatregelen bij gekomen gezien het feit dat de aantallen weer beginnen te stijgen? Bent u van plan meer maatregelen in te gaan voeren?
Naar aanleiding van de piek in 2016 zijn de controles op het detecteren van inklimmers die de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk willen maken verscherpt. In dat verband zijn er extra migratiehonden ingezet die de KMar en de Zeehavenpolitie bij de controles ondersteunen. Daarnaast wordt bij de grenscontroles meer gebruik gemaakt van technologische instrumenten zoals CO2-meters (zgn. warmtedetectie meters) en de inzet van een helikopter.
Verder zijn voor de uitvoeringsorganisaties (KMar, ZHP en AVIM) verschillende handelingskaders opgesteld op het terrein van de handhaving van de vreemdelingenwet alsmede een handhaving van de strafwetgeving.
Ook wordt nauw samengewerkt met de rederijen en de exploitanten van de maritieme grensdoorlaatposten en is de infrastructuur op sommige locatie aangepast, zoals het verhogen van het hekwerk in Hoek van Holland.
Voor de aanpak van het inklimmersvraagstuk heeft Nederland met België en het VK specifieke Memorandum of Understanding (MoU) afgesloten waarin verschillende activiteiten zijn benoemd om de inklimmersproblematiek tegen te gaan. Het betreft onder andere maatregelen voor het kunnen delen van informatie over mogelijke modus operandi, trends, gebruik van technologische detectiemateriaal en best practices.
Verder wordt dit moment samen met de uitvoeringsorganisaties verkend welke extra maatregelen ingevoerd moeten worden, zoals bijvoorbeeld de inzet van nog meer migratiehonden.
Kunt u aangeven welke gegevens u heeft over de mate waarin mensensmokkelnetwerken schuil gaan achter het probleem van de inklimmers en wat u er, ook in samenwerking met andere landen, aan doet om deze (ook via de gegevens van de aangetroffen inklimmers) op te rollen en te straffen?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt uitgegaan van de definitie van «inklimmer»: een persoon die een transportmiddel gebruikt om heimelijk en wederrechtelijk Nederland in, uit of door te reizen. Er wordt geen registratie bijgehouden van het aantal mensensmokkelonderzoeken waarbij specifiek door middel van «inklimmen» wederrechtelijk de grens is over gegaan. Wel worden in Nederland jaarlijks (enkele) tientallen onderzoeken naar mensensmokkel verricht n.a.v. het aantreffen van illegale vreemdelingen in voertuigen. In deze onderzoeken vindt regelmatig samenwerking plaats met andere Europese landen, onder meer gericht op de ontmanteling van criminele samenwerkingsverbanden die zich bezighouden met mensensmokkel.
Indien bij het aantreffen van inklimmers concrete signalen van mensensmokkel aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van beschadigingen, wordt een opsporingsinspanning verricht. Deze strafrechtelijke aanpak van de inklimproblematiek is gericht op het verbeteren van de informatiepositie en is bedoeld om zicht te krijgen op eventuele mensensmokkelaars en/of mensensmokkelnetwerken die het inklimmen hebben gefaciliteerd en om die reden strafrechtelijk aansprakelijk zijn. Daarnaast leiden (gezamenlijke) controleacties niet alleen tot operationele resultaten, maar gaat daarvan ook een preventieve werking uit.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Belastingdienst heeft geen btw-id voor starters: 'Ik zit weken op zwart zaad' |
|
Thierry Aartsen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de situatie dat startende ondernemers weken moeten wachten op een btw-identificatienummer en hierdoor hun bedrijf niet kunnen uitoefenen?1
Het is niet gewenst en niet de bedoeling dat deze startende ondernemers langer dan twee weken moeten wachten op het omzetbelastingnummer (hierna: ob-nummer) en het nieuwe btw-identificatienummer (hierna: btw-id).
De Belastingdienst hanteert als uitgangspunt een termijn van twee weken om het btw-id te verstrekken. Het unieke btw-id kan alleen door de Belastingdienst worden afgegeven, omdat derden (zoals de KVK) het btw-id niet meer kunnen afleiden van het BSN. De privacy van ondernemers is op deze manier beter beschermd.
Kunt u aangeven hoeveel startende (deeltijd)ondernemers last hebben van deze situatie?
Eenmanszaken krijgen met ingang van 1 januari 2020 twee nummers: eerst een ob-nummer voor contact met de Belastingdienst (waaronder het doen van aangifte) en daarna een nieuw btw-id voor bijvoorbeeld hun facturen en gebruik op de website van de ondernemer. Dit is gedaan omdat de privacy van de ondernemers met het unieke btw-id beter gewaarborgd is.
Begin januari had maximaal de helft van de startende ondernemers last van het probleem dat ze hun ob-nummer en btw-id niet binnen de gestelde termijn van twee weken in huis hadden. In aantallen gaat het om bijna 14.000 ondernemers die langer hebben moeten wachten.
Om de oplopende achterstanden in de eerste weken van dit jaar en specifiek de uitval, die hierna wordt benoemd, te verwerken is zo snel mogelijk extra capaciteit ingezet door intern te schuiven met personeel en door extra inhuur en inzet van uitzendkrachten. De achterstanden zijn inmiddels weggewerkt.
Vanaf 10 februari 2020 worden de inschrijvingen en aanmeldingen van ondernemers weer zonder vertraging verwerkt, zodat de betreffende ondernemers het ob-nummer en het btw-id binnen twee weken ontvangen.
Kunt u aangeven waarom ondernemers nu aanlopen tegen deze problemen terwijl de piek van het aantal startende (deeltijd)ondernemers te voorzien was?
In het vierde kwartaal van 2019 zijn aanpassingen in de processen doorgevoerd gekoppeld aan de overgang naar het nieuwe btw-id (zonder BSN) per 1 januari 2020. Daarnaast is per die datum de nieuwe kleineondernemersregeling in de omzetbelasting ingevoerd. De aanpassingen zagen mede op het proces registratie nieuwe ondernemers waarbinnen onder andere een nieuwe applicatie in gebruik is genomen.
De uitval in het proces registratie nieuwe ondernemers, die handmatig verwerkt moet worden, was hoger dan verwacht en daardoor liepen de voorraden snel op. De belangrijkste reden voor uitval in het proces is dat de benodigde gegevens voor de vaststelling van de belastingplicht en aanvullende registraties niet meteen compleet en/of volledig juist beschikbaar zijn. Binnen bovengenoemd proces worden ook de aanmeldingen van zonnepaneelhouders verwerkt, waarvan de aanmeldingen in de maand december 2019 50% hoger waren dan in december 2018. Er moesten in deze drukke periode daardoor ook 5.000 meer aanmeldingen zonnepaneelhouders dan voorzien verwerkt worden.
Deelt u de mening dat het bijzonder vervelend en onwenselijk is wanneer ondernemers zich moeten bezighouden met administratieve rompslomp en tekortkomingen bij de Belastingdienst in plaats van met ondernemen omdat ze niet beschikken over een geldig btw-id? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening; daarom streeft de Belastingdienst ernaar dat ondernemingen niet langer dan twee weken moeten wachten op het ob-nummer en het btw-id, en zijn hiervoor ook maatregelen genomen (zie ook vraag 2).
Waarom krijgen nieuwe ondernemers hun btw-id niet mee bij hun KvK-inschrijving?
In 2018 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de Minister van Financiën een verwerkingsverbod opgelegd om het Burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer te gebruiken. Het BSN was de basis van het nummer dat veel ondernemers al van de KVK namens de Belastingdienst ontvingen bij hun inschrijving. Bij de brief van 19 december 2018 heeft mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer geïnformeerd over de implementatie van het alternatief voor het gebruik van het btw-identificatienummer met BSN, waardoor de privacy van de ondernemers beter beschermd is. Dit alternatief is per 1 januari 2020 geïmplementeerd.2 Als gevolg hiervan is ook de procedure van het toekennen van nummers gewijzigd, nu ontvangt een (startende) ondernemer twee verschillende nummers. Na implementatie gebruikt de ondernemer/natuurlijk persoon daarom de volgende twee nummers:
Zo wordt de privacy van de ondernemer beter gewaarborgd en is het niet langer mogelijk voor derden om het BSN af te leiden uit het btw-identificatienummer.
Deze ondernemers ontvangen bij inschrijving bij de KVK vanaf 1 januari 2020 een brief van de Belastingdienst. Hierin staat uitgelegd dat zij binnen twee weken twee brieven krijgen, elk met een nummer en waarvoor zij dit nummer gebruiken. Het btw-id staat in de tweede brief vermeld.
Als gevolg van de inzet van digitalisering is bij de Belastingdienst geen extra capaciteitsinzet vereist om volgens deze nieuwe werkwijze te werken. In de eerste weken van 2020 is wel extra capaciteit ingezet om de snel oplopende voorraden te behandelen die zijn ontstaan door meer uitval voor handmatige verwerking dan begroot (zie ook vraag 2).
Kunt u aangeven waarom de werkwijze bij inschrijving bij de KvK veranderd is en hoeveel capaciteit er extra ingezet moet worden bij de Belastingdienst om volgens deze nieuwe werkwijze te werken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de wijziging van bovengenoemde werkwijze tot meer bureaucratie leidt en dit niet in lijn is met het regeerakkoord waarin juist de afspraak is gemaakt om de regeldruk en administratieve lasten te beperken? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om op dit punt de administratieve lasten te beperken?
Het gebruik van de eerder genoemde twee nummers waaronder het nieuwe btw-id zonder BSN is een verbetering ten opzichte van het voormalige btw-identificatienummer, waarvan het belang ook in uw Kamer meermaals naar voren is gebracht. Ik hecht eraan dat startende ondernemers niet langer dan de termijn van twee weken die daarvoor staat, moeten wachten op het ob-nummer en het btw-identificatienummer. Hierbij geldt het verwerkingsverbod om het Burgerservicenummer (BSN) in het btw-id te gebruiken als extra waarborg. Om die reden is bij brief van 19 december 2018 de Tweede Kamer geïnformeerd over de implementatie van het alternatief voor het gebruik van het btw-identificatienummer met BSN. Daarbij is enerzijds zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitgangspunten van het Regeerakkoord om regeldruk en administratieve lasten te beperken, maar geldt anderzijds het verwerkingsverbod van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe ziet de beoordeling van een aanvraag eruit (welke handelingen worden verricht) en hoeveel tijd neemt een individuele beoordeling in beslag? Hoeveel beoordelingen zijn er vanaf de start van deze nieuwe werkwijze afgewezen en met welke reden?
Na inschrijving in het Handelsregister worden de gegevens automatisch aan de Belastingdienst verstrekt. De Belastingdienst toetst de gegevens van de ondernemer administratief en met een geautomatiseerd risicomodel, om mogelijke fraude te voorkomen. De administratieve toets betreft onder andere de indeling van de bedrijfsactiviteiten en het bepalen van de branchecode van de ondernemer. Als dat niet meteen duidelijk is dan wordt er contact met de ondernemer opgenomen. De administratieve beoordeling (vaststelling) en de aanvullende registratie van een nieuwe ondernemer kost gemiddeld 10 minuten. Dit is echter slechts een onderdeel binnen het gehele proces van de registratie van nieuwe ondernemers. Voordat de ondernemer zijn ob-nummer en btw-id in huis heeft vinden er nog meer geautomatiseerde en handmatige verwerkingen en handelingen plaats. Uiteindelijk ontvangt de ondernemer de twee nummers binnen de genoemde twee weken, tenzij uit de geautomatiseerde beoordeling blijkt dat een extra toetsing moet plaatsvinden.
Voor de afgifte van de nummers worden opvolgend twee brieven aangemaakt, geprint en verzonden. Indien van toepassing wordt bij de eerste brief een aangifte omzetbelasting over verstreken tijdvakken meegestuurd.
De eventuele extra toetsing bestaat uit het raadplegen van de systemen en, indien nodig, een aanvullend onderzoek naar het ondernemerschap door de Belastingdienst. Indien hierbij nadere informatie nodig is, zoekt de Belastingdienst telefonisch of schriftelijk contact met belanghebbende. Ook behoort een bedrijfsbezoek tot de mogelijkheden. De uitkomst van het proces kan een toekenning van de nummers zijn maar ook een afwijzing. Bij een afwijzing wordt de reden van afwijzing gecommuniceerd richting de aanvrager. Afwijzing vindt plaats als de Belastingdienst het ondernemerschap voor de omzetbelasting niet vaststelt of kan vaststellen. De aanvrager kan een verzoek doen tot heroverweging.
De bovenstaande processtappen worden ook uitgevoerd ingeval de belanghebbende zich niet moet (en kan) inschrijven bij KVK, maar zich dient aan te melden bij de Belastingdienst omdat hij wel ondernemer is voor de omzetbelasting en/of inkomstenbelasting. In dat geval registreert de Belastingdienst de algemene gegevens handmatig.
De aangepaste werkwijze is eind 2019 ingevoerd. Tegelijkertijd is een verbeterd en geautomatiseerd systeem van risicoselectie ingevoerd. Er is nog geen gevalideerde bestuurlijke informatie beschikbaar over het aantal extra toetsingen en afwijzingen.
Hoeveel aanvragen voor een btw-id liggen nog op de plank en hebben nog geen check gehad?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de oorzaak van de achterstanden met de verwerking van de aanvragen voor een nieuwe btw-id, mede gezien het feit dat u op de hoogte bent van het jaarlijkse piekmoment aan het begin van het nieuwe jaar?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Belastingtelefoon de bezorgde ondernemers zonder btw-id onvoldoende telefonisch kan helpen en dat er binnen de dienst soms zelfs aanvragen kwijtraken? Welke acties heeft u in gang gezet om het kwijtraken van dossiers per direct te stoppen?
De eerdergenoemde oorzaken van de vertraging hebben ervoor gezorgd dat ondernemers in de eerste twee weken van dit jaar beperkt geholpen konden worden, hier had de Belastingtelefoon zelf geen invloed op. Het proces bij de Belastingtelefoon is vervolgens aangepast. Medio januari is er een spoedproces ingericht voor ondernemers die aangaven in de problemen te komen door het niet kunnen beschikken over het btw-id binnen de gestelde twee weken. Voor deze ondernemers gold dat hun registratie door deze telefonische melding versneld werd opgepakt en dat zij binnen enkele werkdagen hun brief met btw-id kregen. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat er aanvragen of dossiers kwijtraken. Daarnaast zijn de achterstanden inmiddels ingelopen en is het spoedproces niet langer noodzakelijk.
Heeft u contact met vertegenwoordigers van ondernemers om de problemen waar ondernemers tegenaan lopen te inventariseren en samen te zoeken naar oplossingen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst heeft zowel in de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe btw-id via de gebruikelijke kanalen van afstemming met ondernemers en koepelorganisaties van fiscaal dienstverleners informatie en updates verstrekt. Op de website van de Belastingdienst zijn in januari 2020 updates over de langere behandeltermijn geplaatst. Ook is er contact geweest met VNO/NCW en MKB Nederland over deze problematiek. Inmiddels zijn de achterstanden ingelopen en kan de ondernemer zijn ob-nummer en btw-id binnen twee weken verwachten.
Wat gaat u doen om de achterstanden weg te werken? Wanneer is de verwachting dat de achterstanden zijn weggewerkt? Wat gaat u doen om deze getroffen ondernemers te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of alle ondernemers inmiddels beschikken over een btw-id nummer op basis van de tussenoplossing (de factuurvariant), waarvoor de Belastingdienst heeft gekozen, omdat het niet mogelijk was per 1 januari 2020 op een geheel nieuw systeem over te gaan, dat nodig was, omdat het oude btw-nummer (op basis van het BSN) niet meer gebruikt mocht worden? Kunt u aangeven wanneer het geheel nieuwe systeem (zoals aangekondigd in de brief van 19 december 20182geïmplementeerd gaat worden?
De Belastingdienst heeft in het najaar van 2019 alle ondernemers (meest eenmanszaken) die beschikten over een btw-(identificatie)nummer waarin hun BSN was verwerkt, een nieuw btw-id uitgereikt waarin geen BSN is verwerkt. In de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2019 zijn 1,47 miljoen nieuwe btw-id’s verstuurd, waarvan ruim 1,3 miljoen aan ondernemers die al per 1 oktober 2019 bij de Belastingdienst geregistreerd stonden. Daarnaast is in deze periode aan bijna 170.000 nieuwe ondernemers een nieuw btw-id uitgereikt (inclusief particuliere zonnepaneelhouders).
Er is op dit moment nog geen exacte datum aan te geven wanneer het geheel nieuwe systeem gebouwd en geïmplementeerd gaat worden. Het beschrijven, inkaderen, begroten, plannen en prioriteren van deze werkzaamheden vindt plaats in een meerjarig portfolioproces.
Kunt u de vragen voor het algemeen overleg over de Belastingdienst van 4 maart 2020 beantwoorden?
Ja.
Rechtswetenschappelijke onderzoek naar de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn |
|
Maarten Groothuizen (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u het rechtswetenschappelijke onderzoek «Domestic cats (Felis catus) and European nature conservation law» bestudeerd?1
Ja.
Hoeveel dieren (in duizendtallen) zijn er de afgelopen drie jaren in Nederland door katten gedood en welke diersoorten betreft dat?
Het is niet bekend hoeveel dieren in Nederland door katten worden gedood. De prooidieren van katten kunnen zowel kleine zoogdieren als vogels zijn.
Welke impact heeft dat op de (wild)stand van die diersoorten in de natuur en is er reden tot zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Met de zes-jaarlijkse rapportage op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn wordt gerapporteerd over maatregelen en effecten ten aanzien van vogels en ten aanzien van de landelijke staat van instandhouding van habitattypen en soorten. Voor de staat van instandhouding wordt een oordeel gegeven over de populatiegrootte van elke soort en de waargenomen trend daarbij. De eisen ten behoeve van verslaglegging zijn tussen de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vergelijkbaar gemaakt.
Er is geen één soort waarbij achteruitgang alleen aan predatie door katten kan worden toegeschreven. In duingebieden bij grote steden kunnen grond-broedende vogels slachtoffer worden van katten. Dit gebeurt niet alleen door katten, maar ook door roofvogels, vossen, kleine roofdieren of zelfs egels. Bij weidevogels is predatie een groter probleem. Ook daar is de kat daarbij slechts één van de vele predatoren. Het voorkomen van predatie bij weidevogels heeft in toenemende mate prioriteit bij beschermingsmaatregelen van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Van de tuinvogels is de merel regelmatig slachtoffer van katten maar de recente achteruitgang van de populatie van de merel is echter primair toe te schrijven aan een ziekte (het Usutuvirus). Ook hierbij speelt dat de landelijke status geen reden geeft tot ingrijpen.
Beschouwt u de kat als inheems in de zin van de Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Habitatrichtlijn beoogt onder meer wilde diersoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Deze wilde diersoorten zijn soorten die bedreigd, kwetsbaar of zeldzaam zijn. De huiskat (Felis catus) is geen inheemse wilde diersoort van communautair belang.
De in Nederland zeldzaam voorkomende wilde kat (Felis Silvestris) valt wel onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn (bijlage IV).
Op welke manier heeft u in de praktijk uitvoering gegeven aan artikel 22, sub b, en artikel 12, vierde lid, van de Habitatrichtlijn? Kunt u daarbij in het bijzonder bij beide artikelen ingaan op de uitwerking daarvan met betrekking tot katten? Vindt u een dergelijke uitvoering voldoende? Zo ja, waarom?
In artikel 22, sub b, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat lidstaten er op toe zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een niet-inheemse soort aan voorschriften wordt gebonden. In artikel 3.34 van de Wet natuurbescherming is ter implementatie hiervan een algemeen verbod opgenomen om dieren uit te zetten. Huiskatten zijn gehouden dieren en leven niet in het wild/de vrije natuur. Het houden van huisdieren, en deze buiten laten lopen, is niet te scharen onder het opzettelijk introduceren of uitzetten in de vrije natuur.
De monitoring als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Habitatrichtlijn ziet op dieren van beschermde soorten van communautair belang die bij toeval worden gedood. Als het bij toeval doden van dieren van deze soorten een significante weerslag heeft op de betrokken soort, kan dat aanleiding zijn om instandhoudingsmaatregelen te treffen. Het is niet mogelijk om vast te stellen dat het incidenteel doden van dieren door katten een significante weerslag heeft op beschermde soorten, waardoor er geen aanleiding is om maatregelen te treffen.
Hoe legt u de term «opzettelijk» uit, gebruikt in artikel 12, eerste lid van de Habitatrichtlijn, en in artikel 5 van de Vogelrichtlijn?
Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn jurisprudentie bepaald dat aan de in artikel 12, lid 1, sub a, van de richtlijn voorkomende voorwaarde inzake opzet slechts is voldaan indien degene die de handeling heeft verricht de vangst of de dood van een specimen van een beschermde diersoort heeft gewild, althans de mogelijkheid van die vangst of dood heeft aanvaard. De Europese Commissie geeft op basis van die jurisprudentie van het Hof van Justitie de volgende definitie: «opzettelijke» handelingen zijn handelingen van een persoon die weet, in het licht van de relevante wetgeving dat van toepassing op de betreffende soort, en de algemene informatie die de overheid geeft, dat zijn handeling hoogstwaarschijnlijk leidt tot een overtreding tegen een soort, en hij die overtreding heeft gewild, of, indien dat laatste niet het geval is, hij bewust de voorzienbare gevolgen van zijn handeling aanvaardt. In dit laatste geval is er sprake van voorwaardelijk opzet.
Welke diersoorten, genoemd in bijlage IV, onder a, van de Habitatrichtlijn lopen in het bijzonder een risico op het bij toeval vangen of doden door katten en hoe heeft u het toezichtsysteem dat de Habitatrichtlijn vereist zodanig ingericht dat juist deze diersoorten adequaat worden beschermd tegen dergelijk vangen en doden?
Uit onderzoek op Schiermonnikoog naar het gedrag en de predatie door verwilderde katten is gebleken dat met name kleine zoogdieren (haas, konijn) door een kat worden gepredeerd. Deze soorten worden niet genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. De diersoorten genoemd in bijlage IV, onder a, van de Habitatrichtlijn lopen slechts een sporadisch risico om door een kat te worden gevangen of gedood. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord bij 5.
Op welke manier heeft u in de praktijk uitvoering gegeven aan artikel 2 en artikel 5 van de Richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn)? Kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de uitwerking daarvan met betrekking tot katten? Vindt u een dergelijke uitvoering voldoende? Zo ja, waarom?
Artikel 2 van de Vogelrichtlijn verplicht lidstaten tot het nemen van alle nodige maatregelen om de populatie van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen. Artikel 5 van de Vogelrichtlijn en artikel 12, eerste lid, van de Habitatrichtlijn verplichten lidstaten tot het treffen van de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de in bijlage IV, letter a) van de Habitatrichtlijn, vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Ter implementatie van deze bepalingen bepaalt artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dat de provincies tezamen zorgdragen voor het nemen van de nodige natuurmaatregelen, onder meer in de vorm van de realisatie van het Natura 2000-netwerk en het Natuurnetwerk Nederland en het voeren van actief soortenbeleid. Het is daarbij in beginsel aan provincies om – indien zij dat nodig achten – in hun beleid rekening te houden met het vangen en doden van dieren door katten.
Er zijn geen onderzoeken die aantonen dat (predatie door) loslopende huiskatten en verwilderde katten van invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van soorten die op grond van Habitat- en Vogelrichtlijn dienen te worden beschermd. Ik ben daarom van mening dat de uitvoering voldoet.
Op welke wijze geeft u gehoor aan de resultaatverplichting, zoals verwoord in verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), om soorten waarvoor een of meer Natura 2000-gebieden zijn aangewezen te beschermen of te herstellen? In hoeverre houdt u daarbij rekening met het vangen en doden van diersoorten door katten?2
Zie antwoord vraag 8.
Maakt u bij de bescherming van inheemse diersoorten onderscheid tussen de huiskat (met eigenaar) en de verwilderde huiskat? Zo ja, waaruit blijkt dat onderscheid? Zo nee, waarom niet?
Nee. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de (verwilderde) huiskat geen beschermde soort is (zie ook mijn antwoord op vraag 4). Voor wat betreft de bescherming van andere soorten maakt het in beginsel niet uit of deze soorten negatieve effecten ervaren van huiskatten of verwilderde katten. Bij het eventueel nemen van maatregelen kunnen de verschillen tussen huiskatten en verwilderde katten uiteraard wel een rol van betekenis spelen.
Hoe is in Nederland de (landelijke) ontheffing van Trap-Neuter-Return-programma’s geregeld? Op welke manier verhoudt die ontheffing zich tot de juiste uitvoering van de relevante bepalingen in de Habitat- en Vogelrichtlijn?
Bij Trap-Neuter-Return methode worden verwilderde katten gevangen, gesteriliseerd en weer terug geplaatst op de plek waar ze zijn gevangen. Voor het terugplaatsen is een ontheffing nodig op grond van artikel 3.34 van de Wet natuurbescherming (dit is de implementatie van art 22 sub b van de Habitatrichtlijn – zie mijn antwoord op vraag 5). Dit is een bevoegdheid van de provincies. Er is geen landelijke ontheffing.
Afhankelijk van de specifieke lokale problematiek wordt er door sommige provincies ontheffing verleend voor afschot van verwilderde katten, als andere alternatieven geen oplossing bieden.
Deelt u de mening van het Nederlandse kantoor van de Europese Commissie dat tegen het laten loslopen van katten niet hoeft te worden opgetreden? Zo ja, waarom en welke alternatieven ziet u dan om aan de Europese verplichtingen te voldoen? Zo nee, welke mening bent u dan wel toegedaan?3
Ja, die mening deel ik. Er zijn geen onderzoeken die aantonen dat (predatie door) loslopende huiskatten en verwilderde katten van invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van soorten die op grond van Habitat- en Vogelrichtlijn dienen te worden beschermd. Een verbod op het laten loslopen van huiskatten acht ik derhalve niet nodig.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uitgebreid beantwoorden?
Voor zover mogelijk heb ik dat hierboven gedaan.
Het bericht ‘European Banking Authority plans overhaul of EU bank stress test' |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «European Banking Authority plans overhaul of EU bank stress test»?1
Ja.
Bent u bekend met de extra speelruimte die banken krijgen om zichzelf te controleren onder de geplande voorstellen van de Europese Bankenautoriteit?
Het discussiepaper van de Europese Bankenautoriteit (EBA) waar het artikel over gaat, consulteert mogelijke aanpassingen van de stresstest.2 Eén van de ideeën is dat de stresstest voortaan uit twee componenten bestaat:
De toezichtcomponent («supervisory leg») die dient als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen. De toezichthouder is «eigenaar» van deze stresstest. De toezichthouder controleert projecties op basis van toezichtmodellen en horizontale vergelijkingen tijdens een intensief proces van kwaliteitsborging.
De bankcomponent («bank leg») bevat minder restricties en geeft meer ruimte om met eigen modellen de projecties te berekenen. De gedachte is dat hiermee beter kan worden aangesloten bij de specifieke risico’s die een bank loopt. De bank is «eigenaar» van deze stresstest.
Dit idee van twee «componenten» betekent niet dat banken een geheel eigen methodologie mogen volgen. Een gemeenschappelijke methodologie en scenario blijven het uitgangspunt voor beide componenten. De bankcomponent kan wel «flexibeler» worden beschouwd omdat banken meer mogelijkheid krijgen om op bepaalde punten af te wijken van de voorgeschreven gemeenschappelijke methodologie. De toezichtcomponent biedt daarentegen meer mogelijkheid om de projecties van banken aan te passen of te vervangen. Indien de uitkomst van de stresstest van de bankcomponent verschilt van die van de toezichthouder, dient de bank een verklaring te geven voor dat verschil in uitkomst. De toezichtcomponent («supervisory leg») dient nog steeds als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen.
Voorts bevat het discussiepaper een aantal andere ideeën, waaronder ook extra openbaarmaking. Zo doet de EBA onder andere de suggestie om bepaalde bankspecifieke verwachtingen openbaar te maken («Pillar 2 Guidance»). Daarbij wil ik benadrukken dat het discussiepaper enkel nog een publieke consultatie is. Door EBA is aangegeven dat, mocht na de consultatie blijken dat de voorgestelde aanpassingen van het huidige raamwerk weinig voordelen of zelfs nadelen meebrengen, ze niet zullen worden uitgevoerd. De nieuwe benadering zal op zijn vroegst vanaf 2022 worden toegepast. De eerstvolgende stresstest vindt dit jaar plaats, waarvoor EBA onlangs scenario’s presenteerde met forse schokken op onder meer bbp, werkloosheid, aandelen en vastgoed.3
Kunt u een appreciatie geven van de herziening zoals hier in dit artikel beschreven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt zich dit tot uw antwoorden op Kamervragen van 18 december 2018, waarin u aangeeft dat u goed toezicht belangrijk vindt?2
In de antwoorden op de Kamervragen van 18 december 2018 schreef ik dat ik «goed toezicht» op de bankensector in alle gevallen belangrijk vind.5 Dit standpunt geldt nog steeds.
Stresstesten geven inzicht in de weerbaarheid van een bank tegen financiële en economische schokken. Daarmee vormen stresstesten een waardevolle informatiebron voor de markt. Ook zijn stresstesten een belangrijk onderdeel voor de jaarlijkse kapitaalbeoordeling van individuele banken door de toezichthouder (ook wel de «Supervisory Review and Evaluation Process», SREP).6
De effectiviteit en geloofwaardigheid van de uitkomst van een stresstest hangen sterk af van de stevigheid van schokken en van de groep banken. Mijns inziens is het belangrijk dat specifieke risico’s en eventuele kwetsbaarheiden van banken zo goed mogelijk worden geïdentificeerd. Daarom is het van belang dat stresstesten zo dicht mogelijk aansluiten bij de daadwerkelijke risico’s. Dit, tezamen met meer transparantie en controle door toezichthouders, zie ik als een mogelijkheid om te komen tot betere stresstesten.
Welke mogelijkheden ziet u om te komen tot betere stresstests?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat extra speelruimte en daarmee verzwakking van de stresstest niet wenselijk is en dat juist verscherping van de stresstest noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Het nieuwe kader dat EBA consulteert zou er op gericht zijn om de EU-stresstest informatiever, flexibeler en kosteneffectiever te maken. Zoals in mijn antwoord op vragen 2, 3 en 8 is aangegeven, krijgen banken weliswaar de mogelijkheid om op bepaalde punten van de gemeenschappelijke methodologie af te wijken, maar krijgen toezichthouders tegelijkertijd meer mogelijkheden om de projecties van banken aan te passen indien zij dat nodig achten. Dit laatste leidt naar verwachting tot beter vergelijkbare uitkomsten tussen banken bij de toezichtcomponent. Daarnaast kan het loslaten van bepaalde methodologische aannames in de bankcomponent mogelijk een realistischer beeld van de weerbaarheid van individuele banken geven. Ook bij dit idee van twee «componenten» geldt nog steeds dat de toezichtcomponent («supervisory leg») dient als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen. Daarom is het niet mijn beeld dat de stresstest als instrument wordt verzwakt.
Deelt u de mening dat geloofwaardige en realistische stresstests van uitermate groot belang zijn voor de financiële stabiliteit en een geloofwaardig toezicht op de Europese bankensector? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u aangeven wat wordt bedoeld met flexibeler maken van de EU-brede stresstest, aldus het citaat van José Manuel Campa in het artikel?
Zie antwoord vraag 2.
Worden de opmerkingen van José Manuel Campa nog ergens besproken in een Europees gremium? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar dan? Worden de onderliggende gesignaleerde problemen en kwesties ergens besproken?
Het discussie paper wordt openbaar geconsulteerd zodat een ieder kan reageren. De stresstesten van EBA worden besproken in verschillende Europese gremia, onder andere in comités onder de Raad. Daarnaast wordt op verschillende niveaus binnen EBA gewerkt aan de voorbereiding en uitvoering van stresstesten. De Nederlandsche Bank (DNB) is binnen EBA aangesloten bij dit werk.
Het bericht dat de huidige Voorzitter van de Raad van de Europese Unie wordt gesponsord door de gaslobby |
|
Sandra Beckerman , Renske Leijten |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over het feit dat pas na lang speurwerk van journalisten en onderzoekers, het duidelijk is geworden dat de nieuwe Voorzitter van de Raad van de Europese Unie, Kroatië, blijkt te worden gesponsord door het bedrijfsleven?1
Het kabinet is van mening dat sponsoring in beginsel niet ongewenst is. Ieder voorzitterschap heeft de verantwoordelijkheid en de ruimte om het eigen voorzitterschap vorm te geven. Sponsorschappen kunnen een manier zijn om een EU-voorzitterschap logistiek te faciliteren.
Het kabinet hecht daarbij zeer aan transparantie en voert al jaren een proactieve transparantieagenda binnen de Europese Unie [zie kamerstuk 21 501-02, nr. 2027; kamerstuk 22 112, nr. 2762; kamerstuk 22 112, nr. 2699].
Nederland is in voorbereiding voor het Nederlandse EU-voorzitterschap van 2016 ook transparant geweest over de opgestelde richtlijnen voor mogelijke sponsorschappen. Deze richtlijnen zijn destijds online gepubliceerd en gaan als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen2. Bedrijven dienden volgens deze richtlijnen te voldoen aan een aantal drempelvoorwaarden om in aanmerking te komen voor een sponsorschap.
Erkent u dat na moeizame progressie op het onderdeel transparantie binnen de Europese Unie, dit absoluut een stap in de verkeerde richting betekent?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe oordeelt u over het feit dat Kroatië zich door maar liefst zeven commerciële bedrijven laat sponsoren waaronder ook het oliebedrijf INA?
Net als het kabinet, is de Europese Ombudsman van mening dat sponsoring van het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in beginsel niet ongewenst is. In haar aanbevelingen van 6 januari 2020 roept de Europese Ombudsman de Raad wel op om met richtlijnen te komen over het sponsoren van de EU-voorzitterschappen.
Het kabinet is van mening dat de Raad deze aanbevelingen serieus moet nemen. Momenteel wordt binnen de Raad gesproken hoe hierop te reageren. Daarbij zal de Nederlandse inzet zijn richtlijnen te formuleren die aansluiten bij de richtlijnen die tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap opgesteld zijn. De Raad zal vóór 6 april 2020 met een beargumenteerde opinie richting de Europese Ombudsman komen.
Staat de sponsoring door de olielobby ook niet haaks op de ambities van de Europese Commissie betreffende meer actie op het gebied van klimaat? Of vindt u dit wel passend? Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de Green Deal?
Het kabinet zet zich in voor effectief en ambitieus klimaatbeleid en maakt zich hier ook in de EU hard voor.
In de opgestelde richtlijnen voor het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2016 vormden onder andere deelname aan, of betrokkenheid bij wederrechtelijke activiteiten een reden om bedrijven uit te sluiten van een mogelijk sponsorschap. Ook expliciteerden de opgestelde richtlijnen dat sponsoren geen toegang hadden tot de deelnemers aan overleggen of evenementen van het EU-voorzitterschap.
Bij besprekingen in de Raad van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman is het de Nederlandse inzet richtlijnen te formuleren die aansluiten bij de richtlijnen die tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap opgesteld zijn.
Wat vindt u van het advies van de Europese Ombudsman Emily O’Reilly om strenge richtlijnen te hanteren met als doel het aan banden leggen van commerciële sponsoring van het bedrijfsleven aan de Voorzitters van de Raad van de Europese Unie?2
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het ethisch dat een land sponsoring accepteert tegen een bepaald bedrag, waarmee bedrijven de kansen en ruimte krijgen om hun producten te laten zien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw mening over de campagne voor fossielvrije politiek, opgezet door Corporate Europe Observatory en andere organisaties, om de belangen van de fossiele industrie in de politieke besluitvorming te weren?3
Zie antwoord vraag 4.
Is het niet evident dat de sponsoring door het bedrijfsleven van het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie compleet ongewenst is omdat het onvermijdelijk tot belangenverstrengeling leidt en hiermee effectief klimaatbeleid frustreert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het goede voornemen van de Duitse overheid om bedrijvensponsoring te weren als zij Voorzitter zijn van de Raad van de Europese Unie in de tweede helft van 2020?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft ieder voorzitterschap de verantwoordelijkheid en de ruimte om het eigen voorzitterschap in te kleden.
Ziet u de mogelijkheid om in het licht van de ambities voor transparantie en een ethische Raad van de Europese Unie als ook de ambities van de Green Deal, samen met het advies van de Europese Ombudsman en het voornemen van de Duitse overheid, zich in Europees verband in te zetten om een einde te maken aan de sponsoring van bedrijven voor het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 t/m 6 aangegeven, is het kabinet van mening dat sponsoring in beginsel niet ongewenst is. Sponsorschappen kunnen een manier zijn om een EU-voorzitterschap logistiek te faciliteren. De Raad heeft kennis genomen van de aanbeveling van de Europese Ombudsman en het kabinet is van mening dat de Raad haar aanbeveling serieus moet nemen. Daarbij zal de Nederlandse inzet zijn richtlijnen te formuleren die aansluiten bij de richtlijnen die tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap opgesteld zijn. De Raad zal vóór 6 april 2020 met een beargumenteerde opinie richting de Europese Ombudsman komen.