Aanbestedingen van tolk- en vertaaldiensten |
|
Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging aan de Kamer om geen onomkeerbare stappen te zetten in de richting van het programma Tolken in de Toekomst?1
Ja, ik heb in afwachting van het advies van de parlementair advocaat geen onomkeerbare stappen gezet.
Hoe moet in het kader van de bovenstaande toezegging het openen van een voorinschrijving voor het nieuwe register voor tolken en vertalers worden bezien?2 Kunt u toelichten waarom hier volgens u geen sprake is van een onomkeerbare stap?
De voorinschrijving voor het nieuwe Register beëdigde tolken en vertalers is geen definitieve inschrijving en is bovendien nog niet gestart. Er is dus geen sprake van een onomkeerbare stap.
Hoe moet in het kader van de bovenstaande toezegging de online aankondiging van aanbestedingen door uw Ministerie van tolk- en vertaaldiensten worden bezien?3 Kunt u toelichten waarom hier volgens u geen sprake is van een onomkeerbare stap?
Voor een goed verloop van de aanbestedingen met een zo breed mogelijk aantal inschrijvers is het van belang alle potentiële geïnteresseerde marktpartijen in beeld te hebben. Om in contact te komen met deze partijen is in de afgelopen jaren vaker een dergelijke oproep gedaan. Zo’n bericht is geen onomkeerbare stap.
Door wie en wanneer is besloten de bovenstaande stappen te zetten?
De stappen genoemd in vraag 2 en 3 maken onderdeel uit van de voorbereiding op de implementatie van de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten en betreffen, zoals gezegd, geen onomkeerbare stappen. De stappen zijn onderdeel van het lopende transitietraject dat toewerkt naar de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten, waarover ik u onder meer in mijn brieven van 13 november 2018 en 5 april 2019 reeds heb geïnformeerd.4
Kunt u het beeld wegnemen dat u de aanbestedingen voortzet ondanks dat u eerder heeft aangegeven niets te zien in aanbestedingen van deze diensten4 en dat de parlementair advocaat heeft aangetoond dat de overheid er ook voor kan kiezen tolken en vertalers in dienst te nemen, of binnen de rijksoverheid de activiteiten voor het plannen en inzetten van tolken en vertalers te organiseren?5
Voor de duidelijkheid benadruk ik dat deze diensten voor een groot deel al worden aanbesteed. U hebt uit mijn reactie tijdens het AO tolken en vertalers op 19 februari 2020 kunnen opmaken dat ik geen nieuwe aanbestedingssystematiek zou introduceren als hier geen noodzaak toe zou zijn. Die noodzaak is er echter wel en heb ik toegelicht in mijn reactie op het advies van de parlementair advocaat, die u op 20 mei jl. ontvangen heeft.7 In de eerste plaats volgen we met het aanbesteden van tolk- en vertaaldiensten de Aanbestedingswet, die stelt dat ook op tolk- en vertaalopdrachten het reguliere aanbestedingsregime van toepassing is. Daarnaast kiezen we met de nieuwe systematiek voor een eenduidige marktbenadering en een betere grip op kwaliteit. Het is bovendien noodzakelijk om op korte termijn invulling te geven aan de verplichting de tolk- en vertaaldienstverlening aan te besteden. Uitstel van de aanbestedingen en implementatie van de systematiek brengt onzekerheden met zich mee voor de continuïteit van de dienstverlening van een aantal organisaties en voor de sector zelf. In de reactie op het advies van de parlementair advocaat heb ik uiteengezet dat en waarom het intern organiseren van tolk- en vertaaldiensten geen begaanbare weg is.
Wanneer kan de Kamer uw reactie op het rapport van de parlementair advocaat verwachten? Schetst u in uw reactie ook hoe de toekomst van tolk- en vertaaldiensten er uit komt te zien?
Mijn reactie op het advies van de parlementair advocaat heeft u ontvangen op 20 mei 2020 (zie vraag 5).
Voor een uitgebreide beschrijving van tolk- en vertaaldienstverlening en de waarborgen die voor de positie van de beroepsgroep zijn ingebouwd verwijs ik naar mijn brieven van 13 november 2018 en 5 april 2019 (zie vraag 4).
Waarom worden beslissingen genomen over de registertolken en registervertalers zonder die beroepsgroep hiervan in kennis te stellen of, beter nog, met de tolken en vertalers hierover in gesprek te gaan?
In de afgelopen jaren is er veel tijd en aandacht gegaan naar het betrekken van de beroepsgroep en de beroepsorganisaties. Het gaat dan niet alleen over de huidige Rbtv-tolken en -vertalers, maar ook de tolken die momenteel nog niet zijn opgenomen in het register en die wel veelvuldig ingezet worden bij rijksoverheidsorganisaties. De zorgen die daarbij naar voren zijn gebracht, zijn zorgvuldig meegenomen in de gewijzigde systematiek voor tolk- en vertaaldiensten. Ik realiseer me dat er nog steeds zorgen zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat met de invoering van de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten een sterke en noodzakelijke professionaliseringsslag wordt gemaakt en de zorgen van de beroepsgroep geadresseerd worden. Door het vormgeven van een goede en effectieve monitoring is de mogelijkheid gecreëerd om de praktijk van de nieuwe systematiek met elkaar te volgen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk, uiterlijk binnen een week, beantwoorden?
Beantwoording van deze vragen was niet eerder mogelijk dan vandaag.
Mensen die in de problemen komen door hun belastingadviseur |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 25 april 2020?1
Ja.
Klopt het dat de Belastingdienst in 2016 en 2017 150 belastingadviseurs in beeld had die verkeerde aangiften indienden of zich bedienden van malafide praktijken?
In 2016 en 2017 had de Belastingdienst 100–150 belastingadviseurs in beeld waarbij sprake was van aanwijzingen van malafide praktijken.
Klopt het dat er 11.000 slachtoffers bekend zijn? Deelt u dat dit heel veel, te veel persoonlijke drama’s kunnen zijn?
In 2016 is aan belastingplichtigen die gebruik maakten van de diensten van belastingadviseurs, die zich mogelijk bezighielden met malafide praktijken, een vragenbrief gestuurd om hun aangifte te beoordelen. In totaal hebben ongeveer 11.000 belastingplichtigen een brief ontvangen. Het is niet bekend hoeveel mensen daadwerkelijk benadeeld zijn door malafide belastingadviseurs. Dit is ook de reden dat ik geen antwoord kan geven op de vraag om hoeveel mensen het gaat. Elk slachtoffer van malafide belastingadviespraktijken is er één teveel.
Hoeveel belastingadviseurs heeft de Belastingdienst op dit moment in beeld die mensen in de problemen brengen door verkeerde aangiften? Hoeveel mensen zijn daarvan het slachtoffer? Bent u bereid onderzoek te doen naar de omvang van het probleem?
Binnen de Belastingdienst bestaat permanent aandacht voor de totale groep van ongeveer 26.000 fiscaal dienstverleners, waaronder ook fiscaal dienstverleners die tekortschieten in het naleven van fiscale wet- en regelgeving. De Belastingdienst heeft echter geen overzicht van het aantal belastingadviseurs die mensen in problemen brengen door verkeerde aangiften in te dienen. Ook is niet bekend hoeveel mensen hier het slachtoffer van worden.
De Belastingdienst beschikt wel over de volgende gegevens. In de periode van 2014 tot 3 juli jl.2 heeft het CAF-team 218 casussen opgevoerd waarbij mogelijke systeemfraude in de inkomstenbelasting en de betrokkenheid van belastingadviseurs centraal stond. 18 casussen zijn om diverse redenen niet verder onderzocht. Van de overige 200 casussen zijn er rond de 20 waarvan het onderzoek nog niet is afgerond.
De ongeveer 180 casussen waarvan het onderzoek is afgerond zijn onder te verdelen in casussen waarbij er een strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij één of meerdere verdachten of casussen die niet in het strafrecht zijn betrokken. Bij ruim 30 casussen heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar één of meerdere verdachten. Voor zover bekend, is slechts in één van die casussen de verdachte, i.e. de facilitator, door de rechtbank vrijgesproken. Bij acht casussen loopt de gerechtelijke procedure nog. De overige casussen hebben tot een strafrechtelijke veroordeling van de facilitator(s) geleid. Hierbij zijn in een aantal gevallen ook beroepsverboden opgelegd.3
Van de ruim 140 casussen die niet in het strafrecht zijn betrokken, heeft er in 3 gevallen een knock-and-talk-gesprek4 plaatsgevonden met de betrokken facilitator(s) en in ongeveer de helft van de 140 gevallen ging het om een zogenoemde normoverdragend gesprek5. Bij de overige casussen heeft de Belastingdienst geen directe maatregelen getroffen tegen de betrokken facilitators. In veel gevallen was de aandacht die op deze personen werd gevestigd voldoende om ze te doen te stoppen met de ongeoorloofde praktijken. Het corrigeren van de onjuiste aangiften van de klanten van deze facilitators werkte hierbij als een katalysator. Meerdere facilitators hebben van de Belastingdienst een brief ontvangen waarin werd vermeld dat voortzetting van het ongeoorloofde gedrag zou kunnen leiden tot ernstige consequenties voor de persoon zelf. Daarbij kan worden gedacht aan strafrechtelijk vervolging of het opleggen van een medepleegboete. Wel is het voorgekomen dat individuele belastingplichtigen een boete opgelegd hebben gekregen indien is geconstateerd dat zij verwijtbaar hebben gehandeld. Sinds 1 januari 2020 is het bovendien mogelijk geworden om onder omstandigheden een aan een facilitator opgelegde medepleegboete openbaar te maken.
Omdat ik wil zorgen dat het niet zo kan zijn dat de facilitator niet (voldoende) wordt aangepakt vind ik het tegelijkertijd belangrijk om alert te blijven op mogelijke problemen en ontwikkelingen in de praktijk. Ik ben dan ook bereid om te onderzoeken of het bestaande instrumentarium om op te treden tegen malafide belastingadviseurs toereikend is en voldoende wordt ingezet. Daarbij zal ook nadrukkelijk aandacht zijn voor het feit dat belastingadviseurs en andere fiscale intermediairs als zodanig geen wettelijk gereguleerde beroepsgroep vormen, anders dan bijvoorbeeld accountants.
Hoe kan voorkomen worden dat het beconnummer (registratienummer van belastingconsulenten en administratiekantoren) gebruikt wordt door slechte belastingadviseurs?
Het beconnummer is alleen bedoeld als registratienummer voor de Belastingdienst, zodat de Belastingdienst de belastingadviseur kan herkennen als hij van de faciliteiten die voor deze doelgroep beschikbaar zijn gebruik wil maken. Het zegt niets over de betrouwbaarheid of deskundigheid van een belastingconsulent of administratiekantoor. Voor vragen, aangiftes, aanvragen en uitvraag van gegevens over een belastingplichtige dient de belastingconsulent, afhankelijk van de handeling, in het bezit te zijn van aanvullende gegevens van de belastingplichtige, certificaten en/of machtigingen.6 Met deze gegevens kan hij ook zonder een beconnummer frauduleuze handelingen verrichten. Het niet verstrekken van een beconnummer, hoeft dan ook niet te voorkomen dat frauduleuze handelingen door belastingadviseurs worden verricht. Indien van een belastingadviseur bekend is dat hij frauduleus heeft gehandeld kan dat evenwel leiden tot het intrekken van zijn (eerder verkregen) beconnummer.
Hoe kan voorkomen worden dat bijvoorbeeld een belastingadviseur een DigiD van een belastingplichtige gebruikt voor het indienen van de aangifte zoals in de uitzending van Kassa naar voren kwam? Bent u bereid te onderzoeken hoe kan worden voorkomen dat belastingadviseurs hiervan misbruik maken?
DigiD kent verschillende niveaus van betrouwbaarheid. Met DigiD niveau «basis» kan met gebruikersnaam en wachtwoord toegang worden verkregen tot portalen van de Belastingdienst. Met DigiD niveau «midden» (DigiD app/ sms-controle) of «substantieel» (ID check) wordt gebruik gemaakt van meer-factor authenticatie. Een wachtwoord en gebruikersnaam zijn gemakkelijk aan iemand door te geven, bijvoorbeeld aan de belastingconsulent. Met meer-factor authenticatie is dit aanzienlijk moeilijker.
De Belastingdienst stimuleert burgers gebruik te maken van de DigiD-app. Burgers die hulp willen of nodig hebben bij het doen van aangifte kunnen ook gebruik maken van een machtiging die is aan te vragen via www.belastingdienst.nl.7 Ik zie op dit moment geen aanleiding om onderzoek te doen.
Hoe kunnen belastingadviseurs meer verantwoordelijk worden gemaakt voor verkeerde aangiftes? Bent u bereid belastingadviseurs net als in Duitsland aansprakelijk te stellen als zij willens en wetens de boel flessen door het doen van verkeerde aangiftes?
Binnen het huidige rechtsbestel zijn er verschillende mogelijkheden om belastingadviseurs verantwoordelijk te stellen voor verkeerde aangiftes, namelijk door middel van strafrechtelijke vervolging of het opleggen van een bestuurlijke boete.
Het stelsel van vergrijp- en verzuimboetes voorziet sinds 1 juli 2009 in de mogelijkheid om vergrijp- en verzuimboetes op te leggen aan anderen dan de belastingplichtige zelf, zoals belastingadviseurs wegens feitelijk leidinggeven dan wel medeplegen. Sinds 1 januari 2014 is dit stelsel uitgebreid met de mogelijkheid een boete op te leggen wegens doen plegen, medeplichtigheid en uitlokken. Dit ziet op situaties waarbij respectievelijk de belastingplichtige zich niet bewust is geweest van de fraude, de belastingadviseur slechts een ondergeschikte rol heeft vervuld en het geval waarbij het initiatief bij de belastingadviseur heeft gelegen. Daarnaast kunnen sinds 1 januari van dit jaar vergrijpboetes die zijn opgelegd aan personen die opzettelijk beroepsmatig belastingfraude hebben medegepleegd openbaar worden gemaakt. Zoals aangegeven zal ik onderzoeken of het bestaande instrumentarium toereikend is en voldoende wordt ingezet.
Hoe kan het tuchtrecht voor belastingadviseurs versterkt worden, in het bijzonder voor belastingadviseurs die niet zijn aangesloten bij een beroepsorganisatie? Bent u bereid een verplicht tuchtrecht in te voeren?
Het beroep van belastingadviseur is niet wettelijk gereglementeerd, er is geen sprake van bescherming van een beroepstitel of van een afbakening van taken die exclusief aan belastingadviseurs toekomen. Bovendien is aansluiting bij een beroepsvereniging niet verplicht om diensten als belastingadviseur aan te mogen bieden. Om deze redenen ligt het invoeren van een wettelijk tuchtrecht dan ook niet voor de hand.
Alvorens te komen tot een wettelijke regeling van tuchtrecht voor een beroepsgroep, zou eerst sprake moeten zijn van een duidelijk afgebakende groep van beroepsbeoefenaren, voor wie een duidelijk en eenduidig normenkader geldt, met daarin onder meer gedragsregels, dat bovendien breed draagvlak geniet binnen de beroepsgroep. Alvorens een vorm van wettelijke beroepsregulering te overwegen, zal bovendien telkens bedacht moeten worden welke belemmeringen hiervan uitgaan voor het vrije dienstenverkeer en in hoeverre het middel proportioneel is in het licht van het daarmee beoogde doel.
Mijns inziens ligt het meer op de weg van de sector om te komen met initiatieven die kunnen bijdragen aan het voorkomen van misstanden en het verbeteren van de kwaliteit. De sector doet dit voor een belangrijk deel al, doordat privaatrechtelijke beroepsorganisaties eigen systemen van registratie, keurmerken en vormen van tuchtrecht hebben ingericht. Belastingadviseurs die zich daarbij aansluiten, kunnen zich afficheren door middel van een beschermd keurmerk waaraan waarborgen ten aanzien van kwaliteit en integriteit zijn verbonden. Klanten die diensten afnemen van zulke belastingadviseurs kunnen van deze waarborgen profiteren.
Hoe kan ervoor gezorgd worden dat belastingadviseurs een bepaald kennisniveau hebben? Bent u bereid hieraan eisen te stellen, bijvoorbeeld aan het aanvragen en behoud van een beconnummer?
Het beconnummer dient slechts als een registratienummer voor de Belastingdienst, het zegt niets over de deskundigheid of betrouwbaarheid van een belastingadviseur. Het beconnummer dient dus ook niet als een kwaliteitskeurmerk. Daar «belastingadviseur» geen bij wet beschermde titel is, is er geen rechtsbasis om wettelijke eisen te stellen aan het opleidings- of kennisniveau van een belastingadviseur.
Ook het stellen van eisen aan het aanvragen en behoud van een beconnummer en het verplichtstellen van een VOG acht ik niet passend. Hierdoor verwordt het beconnummer onbedoeld toch tot een kwaliteitskeurmerk, dat iets impliceert over de deskundigheid en/of betrouwbaarheid van de belastingadviseur. Hier is het beconnummer niet voor bedoeld. Bovendien past het niet in de taken van de Belastingdienst om kwaliteitskeurmerken te verstrekken. Zoals aangegeven zal ik onderzoeken of het bestaande instrumentarium toereikend is en voldoende wordt ingezet.
Bent u bereid alsnog een VOG te verlangen voor het verstrekken van een beconnummer?
Zie antwoord vraag 9.
Religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo |
|
Niels van den Berge (GL), Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er ophef ontstaan is naar aanleiding van stereotyperende en generaliserende vragen over religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo?1
Ja, dat is mij bekend.
Bent u het met de mening eens dat burgerschapsonderwijs bij zou moeten dragen aan wederzijds begrip tussen jongeren met verschillende achtergronden en aan maatschappelijke samenhang? Bent u het met de mening eens dat lesmethodes burgerschapsonderwijs derhalve kritisch nadenken en eigen meningsvorming zouden moeten stimuleren?
Ik deel deze standpunten. Het is van belang dat studenten kritische denkvaardigheden ontwikkelen, zoals het perspectief van anderen in kunnen nemen en het kunnen nadenken over hoe eigen opvattingen, beslissingen en handelingen tot stand komen. Lesmethoden voor burgerschapsonderwijs moeten het kritisch nadenken en eigen meningsvorming stimuleren. In 2019 heb ik de kwalificatie-eisen voor burgerschap verduidelijkt en daarmee nog eens benadrukt dat het van groot belang is dat studenten leren omgaan met diversiteit, waaronder seksuele en genderdiversiteit. Met de extra middelen die ik beschikbaar heb gesteld voor de erkenning en herkenning van diversiteit, ondersteunt het Kennispunt MBO Burgerschap scholen hierbij. Via de website van het Kennispunt MBO Burgerschap, podcasts en verschillende themabijeenkomsten worden docenten geïnspireerd met kennis, vaardigheden en concreet lesmateriaal om met deze onderwerpen aan de slag te gaan.
Bent u het in algemene zin met de mening eens dat het doel van burgerschapsonderwijs niet is het uitdragen van gestandaardiseerde informatie en stereotypes, maar het dialogisch reflecteren waardoor kritisch denken wordt gestimuleerd?
Deze mening deel ik volledig met u. De kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap vormen de basis van het burgerschapsonderwijs. Deze eisen bevatten ook het leren reflecteren op eigen opvattingen en gedrag, het praten over vooroordelen en stereotypen. Het vormen van een eigen mening door dialoog over en verdieping in de opvattingen en visies van anderen over sociaal-culturele, religieuze en seksuele waarden staan hierin centraal en zijn van groot belang voor een volwaardige deelname aan de maatschappij.
Heeft u zicht op de manier(en) waarop lesmaterialen die gaan over belangrijke, maar ingewikkelde thema’s als seksuele diversiteit, identiteit, gender alsmede culturele en religieuze tradities, ontwikkeld worden?
Hiervoor zijn grofweg drie manieren. Als eerste zijn er op dit moment landelijk negen uitgevers die lesmethoden voor burgerschapsonderwijs in het mbo ontwikkelen. Deze lesmethoden worden doorgaans samen met docenten en deskundigen uit het veld ontwikkeld. Ten tweede zijn er veldorganisaties met deskundigen die lesmaterialen over specifieke thema’s ontwikkelen voor scholen, bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal en methodieken en trainingen op het gebied van seksualiteit, integriteit, discriminatie, radicalisering en polarisatie. Ten derde kunnen scholen ervoor kiezen om zelf hun lesmethoden vorm te geven.
Heeft u zicht op hoe lesmateriaal over deze thema’s bijdraagt aan de doelen van burgerschapsonderwijs?
Om goed in te kunnen spelen op de leeftijd, de achtergrondkenmerken en het onderwijsniveau van studenten, en omdat het burgerschapsonderwijs in het mbo sterk verweven is met de beroepspraktijk, kunnen scholen zelf kiezen hoe zij het burgerschapsonderwijs vormgeven en welke lesmethode gebruikt wordt voor het onderwijs, zolang maar wordt voldaan aan de wettelijke eisen die zijn gesteld aan dit onderwijs. De manieren waarop de lesmaterialen bijdragen aan de doelen van het burgerschapsonderwijs verschillen, maar hier is geen onderzoek naar gedaan.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op lesmethodes binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. De inspectie heeft geen specifieke taak bij een algemene beoordeling van lesmateriaal of leermethoden, maar kijkt wel naar de deugdelijkheid van het gegeven onderwijs, inclusief gebruik van leermethoden.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op de inhoudelijke behandeling van maatschappelijk-sensitieve thema’s binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zie mijn antwoord op vraag 6. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs en heeft daarbij als basis de kwalificatie-eisen, zoals die zijn geformuleerd. Voor zover de maatschappelijk gevoelige thema’s onderdeel uitmaken van deze eisen, zal de inspectie beoordelen of hier aandacht aan wordt besteed tijdens de lessen.
Bent u bereid om in gesprek met de VO-raad, MBO-raad, uitgevers van lesmethodes en (verenigingen voor) docenten maatschappijleer en burgerschapsonderwijs, te bevorderen dat deskundigen op het gebied van religieuze geletterdheid, culturele sensitiviteit, seksuele diversiteit en inclusie in de breedste zin van het woord, betrokken worden bij het ontwikkelen van lesmethodes maatschappijleer en burgerschapsonderwijs? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, worden docenten en andere deskundigen op dit moment al vaak betrokken bij de ontwikkeling van lesmethoden. Het is daarnaast aan de school zelf om te beslissen hoe het burgerschapsonderwijs wordt vormgegeven en welke lesmethode hierbij wordt gebruikt. Aangezien het ministerie geen rol heeft in de ontwikkeling van lesmateriaal, maar dit aan docenten, andere deskundigen en de markt wordt overgelaten, zie ik geen reden om in gesprek met betrokken partijen aan te dringen op (meer) betrokkenheid van de in de vraag genoemde deskundigen.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitkomsten van het recente onderzoek Burgerschapsonderwijs en het omgaan met verschil in morele opvattingen, hierin te betrekken?2
De uitkomsten van dit onderzoek benadrukken het belang van goede deskundigheid onder docenten burgerschap. In het kader van de professionalisering van docenten als actielijn vanuit de Burgerschapsagenda 2017–2021 en de recentelijk aangenomen motie Van den Berge/Rog, wordt momenteel met het Kennispunt MBO Burgerschap, de Werkplaats burgerschap en docenten samengewerkt om professionalisering onder docenten te bevorderen. Docenten worden daarnaast ondersteund door het Kennispunt MBO Burgerschap, en via de Werkplaats burgerschap wordt praktijkgericht onderzoek gedaan door mbo- en ho-instellingen naar goed burgerschapsonderwijs in relatie tot kritisch denken. Ten slotte biedt de Stichting School en Veiligheid trainingen aan voor docenten, gericht op professionalisering specifiek in het omgaan met botsende opvattingen in de klas, zoals Dialogen onder Druk en De fijne kneepjes van het vak (seksuele integriteit).
Uitsluiting van studenten en jongeren voor de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in NH Nieuws‘Weddingplanner Sophie (20) krijgt geen coronavergoeding «omdat ze te jong is» van 18 mei 2020?1
Ja.
Hoe verklaart u dat hardwerkende jonge zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) onder 21 jaar slechts recht hebben op een uitkering van 259,78 euro per maand? Is het mogelijk om in Nederland rond te komen met een inkomen van 259,78 euro per maand?
De hoogte van de inkomensaanvulling voor jongeren van 18 tot 21 jaar vanuit de Tozo is gebaseerd op de jongerennormen op grond van artikel 20 van de Participatiewet. Deze jongerennormen zijn lager dan de bijstandsnormen voor volwassenen, omdat de ouders volgens de wet (artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) verplicht zijn bij te dragen aan de kosten van het levensonderhoud van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Om deze reden dekt de bijstandsnorm voor personen van 18 tot 21 jaar niet volledig de noodzakelijke kosten van bestaan. Gelet op het vangnetkarakter van de bijstand is het gerechtvaardigd om bij de bepaling van de hoogte van de norm rekening te houden met deze onderhoudsplicht (zie ook: Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 43).
Er wordt dan ook vanuit gegaan dat de jongere een beroep doet op zijn ouders voor een bijdrage in zijn bestaanskosten. Alleen als de ouders onvoldoende draagkracht hebben om aan hun onderhoudsplicht te voldoen, bijvoorbeeld omdat zij zelf een bijstandsuitkering hebben, of als redelijkerwijs het onderhoudsrecht ten opzichte van de ouders niet te gelde kan worden gemaakt, heeft de uitwonende jongere recht op aanvullende bijzondere bijstand (o.g.v. artikel 12 van de Participatiewet). De gemeente stemt de hoogte van de bijzondere bijstand dan af op de persoonlijke situatie, waarbij de gemeente zelf kan bepalen hoe hoog de bijzondere bijstand voor levensonderhoud is.
Ik kan mij overigens voorstellen dat in het geval een meerderjarige jongere al jarenlang een in de kern gezond bedrijf heeft, uitwonend is en financieel onafhankelijk is van de ouders, het onlogisch of onrechtvaardig kan aanvoelen dat de Tozo-inkomensaanvulling niet meer dan 259,87 euro per maand bedraagt, waardoor deze jonge ondernemer weer een financieel beroep moet doen op de ouders. De Tozo is een tijdelijke noodmaatregel, binnen de kaders van de Participatiewet. De grondslag van de Tozo, artikel 78f van de Participatiewet, staat niet toe om voor de Tozo van de bijstandsnormen af te wijken.
Deelt u de mening dat jongeren in de Tozo niet uitgesloten mogen worden vanwege de onderhoudsplicht tot 21 jaar, mede omdat ouders slechts tot 18 jaar de kinderbijslag en kindgebonden budget ontvangen?
Jongeren vanaf 18 tot 21 jaar zijn niet uitgesloten van het recht op Tozo. Wel gelden voor hen de lagere bijstandsnormen voor jongeren op grond van artikel 20 van de Participatiewet.
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen gemeenten genoodzaakt waren om andere maatwerkoplossingen te treffen voor jongeren onder 21 jaar omdat zij geen recht hebben op een volledige uitkering?
Vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de Tozo beschik ik niet over de gevraagde gegevens.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een grote groep jonge zzp’ers, ook als zij alleenstaande ouder zijn, de huur niet meer kan betalen?
Zie antwoord 2.
Deelt u de mening dat iedere zzp’er die zijn inkomen is kwijtgeraakt en aan het urencriterium voldoet recht heeft op een maximale vergoeding tot 1.050 euro per maand?
Zelfstandigen die aan de voorwaarden van de Tozo voldoen, hebben recht op een inkomensaanvulling tot de voor hen geldende bijstandsnorm, zoals opgenomen in de artikelen 20, 21, 22 en 24 van de Participatiewet. Voor 21 tot 67 jarigen is dat 1.050 euro per maand en voor jongeren onder de 21 jaar is dat de voor hen geldende bijstandsnorm.
Waarom heeft u besloten studerende zelfstandigen volledig uit te sluiten voor de Tozo? Waarom heeft u ervoor gekozen om voor zelfstandigen met veel vermogen of een partner met een hoog inkomen, wel volledige bijstand toe te kennen en voor studenten en jongeren onder 21 jaar niet?
Op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet hebben personen jonger dan 27 jaar geen recht op algemene bijstand, als zij door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Omdat de wettelijke grondslag van de Tozo is gelegen in artikel 78f van de Participatiewet, strekt deze uitsluiting zich ook uit tot het recht op bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo. De reden voor deze uitsluiting is dat in de Participatiewet studiefinanciering op grond van de WSF 2000 wordt aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Op grond van artikel 15 van de Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening.
Voor jonge zelfstandigen van 18 tot 21 jaar gelden dezelfde voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo als voor zelfstandigen vanaf 21 jaar. Ook voor hen geldt dat bij de beoordeling van het recht op en de hoogte van de Tozo het vermogen buiten beschouwing blijft. Voor 1 juni gold ook dat het inkomen van de partner buiten beschouwing bleef. Met ingang van 1 juni kent de Tozo wel een partnerinkomenstoets. Omdat de wettelijke grondslag van de Tozo is gelegen in artikel 78f van de Participatiewet, gelden voor jonge zelfstandigen van 18 tot 21 jaar wel de lagere jongerennormen op grond van artikel 20 van de Participatiewet.
Artikel 78f van de Participatiewet staat niet toe om voor de Tozo af te wijken van in dit geval de artikelen 13, 15 en 20 van de Participatiewet.
Bent u bereid om zzp’ers die studeren en of onder 21 jaar oud zijn, met terugwerkende kracht in aanmerking te laten komen voor een uitkering tot 1.050 euro per maand?
Zie antwoord vraag 7.
Discriminatie en etnisch profileren in alle lagen van de overheid |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Nationale ombudsman, die etnisch profileren in alle lagen van de overheid ziet?1
Ja.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat «iedereen (bij de overheid) barst van de vooronderstellingen en aannamen (en vooringenomenheid)»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies trekt u hieruit?
Mensen hebben helaas last van vooroordelen. In de wetenschap is beschreven hoe ons brein geneigd is de wereld om ons heen te categoriseren en daarmee te simplificeren.2 Dit kan leiden tot discriminatie en dat is ontoelaatbaar. Trainingen kunnen mensen bewust maken van hun eigen vooroordelen en stereotypen en zo discriminatie voorkomen. In de afgelopen jaren hebben ook medewerkers van ministeries en gemeenten dergelijke trainingen gevolgd bij het College voor de rechten van de mens.3 Ik zet in op verdere bevordering van dat bewustzijn bij de overheid, onder meer vanuit het strategisch personeelsbeleid Rijk 2025 waarin dit een belangrijk speerpunt is.
Deelt u de mening dat er binnen de overheid geen sprake mag zijn van institutionele vooringenomenheid, etnisch profileren, discriminatie en racisme?
Ja. Het is van groot belang om vooroordelen, bewust of onbewust, tegen te gaan omdat ze kunnen leiden tot discriminatie. De overheid heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid, neergelegd in artikel 1 van de Grondwet.
Op welke manier gaat u dit zeker stellen, nu institutionele vooringenomenheid, etnisch profileren, discriminatie en racisme kennelijk zo wijd verbreid zijn binnen de overheid?
Er ligt bij alle lagen van de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid voor de voorkoming en bestrijding van discriminatie. De maatregelen uit het kabinetsbrede antidiscriminatiebeleid zijn mede gericht op de overheid zelf. Ten eerste is bewustwording over vooroordelen belangrijk. Zo vergroot het Kennisplatform Integratie & Samenleving, gefinancierd door het Ministerie van SZW, de bewustwording over vooroordelen en discriminatie bij beleidsmakers van gemeenten en andere overheidsinstellingen. Om vooroordelen bij de werving en selectie tegen te gaan worden trainingen ingekocht voor leden van selectie commissies om vooringenomenheid te voorkomen en selectie gesprekken te verbeteren. Naast deze preventieve maatregelen is het van groot belang om de norm, neergelegd in de gelijke behandelingswetgeving en ook in de privacywetgeving, nadrukkelijk onder de aandacht te brengen binnen de overheid en te vertalen naar de uitvoeringspraktijk. Dit doe ik bijvoorbeeld door te werken aan een vertaling van juridische anti-discriminatienormen naar ontwerpprincipes voor de ontwikkelaars van AI-systemen, die de ontwikkelaars helpen om non-discriminatienormen zo goed mogelijk te borgen in het ontwerp van AI. Tenslotte krijgt het voorkomen en bestrijden van discriminatie een plaats in het integriteitsbeleid binnen de overheid. Het tegengaan van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en ongewenste omgangsvormen zoals discriminatie, maakt op grond van de Ambtenarenwet onderdeel uit van het integriteitsbeleid dat gericht is op het bevorderen van goed ambtelijk handelen. Van ambtenaren wordt verwacht dat zij op een respectvolle manier omgaan met anderen, zowel in hun contacten buiten als binnen de organisatie. Ambtenaren worden aangemoedigd elkaar aan te spreken op ongewenst gedrag en vermoedens van integriteitsschendingen te melden. Binnen het Rijk krijgt de positie van de melder de komende tijd extra aandacht. Ik verwacht de Tweede Kamer met een Kamerbrief voor het zomerreces nader hierover te kunnen informeren.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat het lerend vermogen van sommige overheidsorganisaties beperkt is en het voortschrijdend inzicht wel erg langzaam voortschrijdt? Klopt het dat het bijna altijd om monopolistische organisaties gaat, waarvoor de burger geen alternatief heeft?
Discriminatie is ontoelaatbaar en moet op alle mogelijke manieren voorkomen en bestreden worden. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 komen vooroordelen, bewust of onbewust, helaas bij alle mensen voor. Overheidsorganisaties hebben, vanwege hun specifieke rol in een democratische rechtsstaat, bij uitstek een verantwoordelijkheid om conform het gelijkheidsbeginsel te handelen. Het kabinet zet erop in om dit te bevorderen, onder meer met de acties toegelicht bij vraag 2.
Wanneer verwacht u dat het onderzoek van de Nationale ombudsman over etnisch profileren binnen de overheid zal worden afgerond? Is het waar dat er in korte tijd al 150 tot 200 meldingen hierover binnen gekomen zijn? Kunt u op dit onderzoek een kabinetsreactie schrijven met concrete actiepunten om etnisch profileren tegen te gaan?
De Nationale ombudsman doet een onderzoek naar hoe overheidsinstanties – waaronder de ombudsman zelf – om moeten gaan met klachten over etnisch profileren. De Nationale ombudsman verwacht het onderzoek in het najaar van 2020 af te ronden. In het kader van het onderzoek heeft de Nationale ombudsman tijdelijk een meldpunt geopend waarin burgers zijn gevraagd hun ervaringen met etnisch profileren te delen. Daarbij lag de focus op de vraag of burgers hierover een klacht hebben ingediend, en zo nee waarom niet, en zo ja, hoe zij dat hebben ervaren. Hierop zijn tussen de 150 en 200 reacties van burgers ontvangen.
Uiteraard zal ik het rapport na de openbaarmaking ervan bestuderen en bezien of het mij aanleiding geeft tot nadere vervolgacties.
Kunt u dit onderzoek zodanig verbreden dat het niet alleen gaat over afhandeling van klachten, maar ook naar het hele fenomeen etnisch profileren in al zijn facetten? Dus dat er ook gekeken wordt naar de oorzaken en mechanismes, die een rol spelen bij etnisch profileren? En hoe dit op een effectieve manier is tegen te gaan?
De focus van de Nationale ombudsman ligt bij dit onderzoek op de klachtbehandeling, omdat dat het expertisegebied is van de ombudsman. In zijn rapport zal de ombudsman ingaan op de manier waarop klachtbehandeling een rol kan spelen bij het tegengaan van etnisch profileren. Daarnaast zijn diverse instanties bezig met etnisch profileren (bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens). Ik verwacht dat lopende initiatieven, zoals die van de Nationale ombudsman en de Autoriteit Persoonsgegevens, meer inzicht zullen geven in een effectieve aanpak van etnisch profileren.
Zullen in dit onderzoek van de Nationale ombudsman ook de Belastingdienst, de politie, het UWV, het CBR, de SVB, de IND2 en de gemeenten meegenomen worden? Kunt u dit verzoek doen aan de Nationale ombudsman?
Voor het onderzoek van de Nationale ombudsman staan klachten centraal van burgers die het gevoel hebben dat zij er bij de opsporing of rechtshandhaving worden uitgepikt door een individuele ambtenaar vanwege hun etniciteit. Gelet op die definitie worden bij dit onderzoek de volgende overheidsinstanties betrokken: politie, KMar, UWV, SVB, Belastingdienst Douane en gemeenten.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat de politie er helaas in negatieve zin uitspringt wat betreft de vooringenomenheid? Klopt het dat dit zich met name uit in onterechte staandehoudingen en niet serieus omgaan met klachten?
In het artikel wordt een aantal overheidsorganisaties genoemd waarover klachten zijn als het gaat om institutionele vooringenomenheid. Ook wordt aangegeven dat er regelmatig klachten zijn over het optreden van de politie, hetgeen ook moet worden gerelateerd aan het feit dat de politie als frontlinie-organisatie van de overheid heel zichtbaar is.
De politie mag geen onderscheid maken tussen burgers zonder objectieve rechtvaardiging. De politie richt zich daarom – onder meer door middel van bewustwording via opleiding en trainingen – op professioneel controleren waarmee etnisch profileren wordt voorkomen. Met het oog hierop is het handelingskader proactief controleren ontwikkeld als richtsnoer voor een objectieve rechtvaardige selectie en goede bejegening.
Het voorkomen van etnisch profileren is van cruciaal belang voor de legitimiteit van het optreden van de politie, het maatschappelijk vertrouwen van eenieder in de politie en effectief politieoptreden5. De politie beschikt daarom ook over een toegankelijke en transparante klachtenprocedure waarin de onafhankelijke beoordeling van een klacht is geborgd. Uit de jaarcijfers van de politie blijkt dat van de 9677 ontvangen klachten in 2019, de politie 60 klachten ontving over etnisch profileren in de periode van januari 2019 tot april 2020.
Is het waar dat de klachtenprocedure bij de politie niet onafhankelijk is en bijna nooit leidt tot sancties tegen politieagenten? Kunt u er voor zorgen dat klachten over de politie worden behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de politie? En dat deze klachten leiden tot echte sancties, en echte genoegdoening van personen, die zijn gedupeerd door de Politie?
De politie voert haar werk zo goed mogelijk uit. Vaak gaat dat goed, ook in lastige situaties. Maar soms gaat het niet goed. In die gevallen kan een burger binnen één jaar een klacht indienen bij de politie.
De klachtenprocedure van de politie vindt haar grondslag in de Algemene wet bestuursrecht. In de eerste fase van de procedure wordt allereerst bepaald of een klacht al dan niet ontvankelijk is. Wanneer een klacht in behandeling wordt genomen, wordt getracht om met de klager en betrokken politiemedewerker(s) in gesprek te gaan en de klacht naar tevredenheid op te lossen. Als de klager tevreden is stopt de klachtbehandeling. Indien dit niet lukt, heeft de klager de mogelijkheid de behandeling van de klacht voort te zetten in de tweede fase. De politiechef van de betreffende eenheid vraagt advies aan een onafhankelijke klachtencommissie. Die commissie bestaat uit mensen die niet bij de politie werken. De klachtencommissie start een eigen onderzoek. Onderdeel daarvan is het organiseren van een hoorzitting waarbij de klager en de politiemedewerker beiden een toelichting kunnen geven op het politieoptreden. De klachtencommissie levert na het onderzoek een advies aan bij de politiechef. De politiechef stuurt de klacht ook voor advies door naar de burgemeester en de hoofdofficier van justitie. Aan het eind van deze fase wordt door de politiechef een beslissing genomen over de klacht. Indien de klager het niet eens is met deze beslissing dan kan hij/zij zich wenden tot de Nationale ombudsman.
De klachtenprocedure van de politie is een zorgvuldig ingerichte procedure waarvan een onafhankelijke beoordeling van klachten onderdeel uitmaakt. De klachtenprocedure is gericht op het herstel van vertrouwen van de burger in de politie en op het leren van klachten. Het is niet gericht op sanctioneren. Een klacht kan wel aanleiding geven tot het uitvoeren van een disciplinair of strafrechtelijk onderzoek. Daaruit kunnen sancties volgen. De politie werkt voortdurend aan de verbetering van de klachtenprocedure.
In het kader van professionalisering van de klachtbehandeling is de politie in 2019 in samenwerking met de Nationale ombudsman een verbetertraject gestart. Via workshops worden beelden gedeeld over de huidige werking van de klachtbehandeling binnen de politie en hoe deze richting de burger kan worden verbeterd. Ook is er een werkgroep gestart die vakgerichte workshops voor alle klachtbehandelaars organiseert, zoals een workshop over het herkennen van lichaamstaal en een werkbezoek aan klachtafdelingen van andere organisaties. Medewerkers van eenheden zijn ook bij andere eenheden op bezoek gegaan, waarbij gesproken is over het procesmodel klachten, de eenduidigheid van werken én waarbij het leren van elkaar centraal stond.
Herinnert u zich de brief van Minister-President Rutte van 6 februari 2012 aan het Landelijk Platform Slavernijverleden? Klopt het dat daarin stond dat «... de overheid alle burgers en ingezetenen van ons land gelijk behandelt en niet discrimineert»? Hoe verhoudt dit zich tot de bevindingen van de Nationale ombudsman, die het tegenovergestelde zegt?
De overheid is gehouden aan artikel 1 van de Grondwet en dient allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Het is zeer onwenselijk als vooroordelen tot discriminatie leiden. Het is de opdracht van iedere overheidsorganisatie om dat te voorkomen en bestrijden. Daar is onze inzet op gericht. Het is goed dat de Nationale ombudsman dit vanuit zijn rol onder de aandacht brengt.
Bent u bereid om de strafbare feiten, zoals opgesomd in artikel 137c t/m 137g en 429quater van het Wetboek van Strafrecht expliciet strafbaar te stellen op grond van nationaliteit en taal? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de strafbaarheid van discriminatie op grond van nationaliteit en taal. De huidige wetgeving beschermt dat belang. Eén van de opgenomen discriminatiegronden in de zogeheten antidiscriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht (de artikelen 137c-137g en 429quater), betreft «ras». De grond ras omvat, in overeenstemming met het VN Verdrag tegen rassendiscriminatie, kenmerken van fysieke, etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige aard. Dit wordt bevestigd door vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie o.a. Hoge Raad 13 juni 2000, NJ 2000, 513 en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016: 510). Discriminatie van een persoon op grond van diens nationaliteit valt daar onder, evenals taal en burgerschap voor zover deze die afkomst markeren. Het kabinet ziet om deze reden geen aanleiding taal en nationaliteit als zelfstandige discriminatiegronden in de strafwetgeving op te nemen.
Bent u bereid om artikel 1 van de Grondwet met de gronden etniciteit en nationaliteit te verruimen? Zo nee, waarom niet?
Ook het begrip ras in artikel 1 van de Grondwet dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie ruim te worden uitgelegd en omvat onder meer: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.6 Ik acht een verruiming van artikel 1 van de Grondwet dan ook niet noodzakelijk.
Bent u bereid om het brede antidiscriminatie- en racismebeleid grondig te evalueren, inclusief de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen? Zo nee, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer elk jaar over de voortgang van de kabinetsaanpak van discriminatie, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs (BVOM) en Media en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze voortgang komt vervolgens aan de orde in algemene overleggen met de vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken. Hiermee vindt er jaarlijks een grondige beoordeling plaats van het kabinetsbeleid tegen discriminatie en racisme. Overigens heb ik naar aanleiding van verschillende rapporten over de antidiscriminatievoorzieningen in mijn brief van 16 oktober 20197 mijn visie neergelegd over de versterking van antidiscriminatievoorzieningen.
Het bericht ‘Politie luidt noodklok over toename crystalmethlabs’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie luidt noodklok over toename crystalmethlabs»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel crystalmethlabs er dit jaar zijn opgerold? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal opgerolde crystalmethlabs, opgesplitst per jaar, vanaf 2017? Zo nee, waarom niet?
Over de periode 1 januari tot en met 8 juni 2020 zijn op dit moment acht opgerolde productielocaties geregistreerd waarin vermoedelijk productie van methamfetamine (crystal meth) plaatsvond. Het aantal productielocaties voor methamfetamine dat sinds 2017 is opgerold is in onderstaande tabel weergegeven.
Jaar
2017
2018
2019
2020
Opgerold
5
7
9
81
Kunt u aangeven waar de tot nu toe opgerolde crystalmethlabs zich in Nederland bevinden? Zo ja, in hoeverre is er sprake van geografische concentratie van dergelijke labs? Zo nee, waarom niet?
De politie geeft aan dat het inzichtelijk maken van de locaties waar productieplaatsen zijn opgerold het opsporingsbelang kan schaden. Ik kan daarom over de vindplaatsen geen uitspraak doen.
Kunt u aangeven hoe het aandeel inbeslaggenomen crystal meth zich verhoudt tot het totaal aantal in beslag genomen drugs? Zo ja, kunt u hiervan een overzicht geven, opgesplitst per jaar, vanaf 2017? Zo nee, waarom niet?
Een volledige registratie van de totale hoeveelheid in Nederland in beslag genomen drugs, onderverdeeld naar type drugs, is over de periode 2017 tot en met 2019 niet beschikbaar. In de van de politie ontvangen informatie zijn niet alle inbeslagnames van alle eenheden opgenomen. Over 2018 zijn alleen gegevens bekend van het Hit and Run Cargo Team (HARC) in de Rotterdamse haven en de Douane. Omdat deze gegevens op onderdelen een aanzienlijke onderschatting vormen van de totale hoeveelheid drugs die dat jaar in beslag zijn genomen, kan ten aanzien van de inbeslagnames in dat jaar geen voldoende representatief beeld worden geschetst. In onderstaande tabel zijn de drugssoorten vermeld die in de van de politie ontvangen gegevens over zowel 2017 als 2019 voorkomen en voldoende eenduidig zijn gedefinieerd om te kunnen worden vergeleken. De gegevens over deze jaren zijn inclusief de inbeslagnames door de Douane en de Koninklijke Marechaussee.
Uit deze cijfers blijkt dat het aandeel methamfetamine binnen de totale hoeveelheid inbeslagnemingen sinds 2017 is toegenomen. Cocaïne blijft verreweg het grootste deel vormen. Hierbij moet worden aangetekend dat voorzichtigheid geboden is bij het duiden van trends op grond van deze beperkte beschikbare data.
2017
2019
In beslag genomen
kg
kg
Amfetamine (speed)
122
475
Heroïne
1.110
1.326
Cocaïne
14.628
43.836
Methamfetamine / crystal meth
23
837
Ecstasy
1.249
599
Ketamine
1
19
Designerdrugs/NPS
5
Bronnen: «Drugs inbeslagnemingen uit het jaar 2017«, politie, Landelijke Eenheid, en «Informatierapport inbeslagname drugs 2019», politie, DLIO, mei 2020
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederland vanwege de goede infrastructuur, productiefaciliteiten en het milde strafklimaat als aantrekkelijke productiebasis voor crystal meth wordt gezien? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u en bent u bereid nog meer te nemen om Nederland minder aantrekkelijk te maken voor drugscriminelen? Zo nee, waarom niet?
De toename van het aantal aangetroffen productielocaties voor methamfetamine baart ook mij zorgen, en toont eens te meer de noodzaak om de georganiseerde ondermijnende criminaliteit krachtig te bestrijden. In mijn brief aan uw Kamer van 18 juni 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd op welke wijze het kabinet in de aanpak van de georganiseerde ondermijnende criminaliteit investeert.2 Van de daarin genoemde investeringen zal in het bijzonder de introductie van het Multidisciplinair Interventieteam (MIT) de risico’s voor drugscriminelen vergroten, en het daarmee voor hen Nederland onaantrekkelijker maken in Nederland actief te zijn. Ook zijn momenteel enkele wetswijzigingen in voorbereiding waarmee de handel in niet-geregistreerde precursoren (grondstoffen voor drugs) en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen kan worden aangepakt.
Over de aantrekkingskracht van Nederland op drugscriminelen kan in het algemeen het volgende worden opgemerkt. Aannemelijk is dat de factoren die Nederland aantrekkelijk maken voor bona fide ondernemers, zoals infrastructuur en financiële dienstverlening, ook door criminelen worden gewaardeerd. Ten aanzien van het strafklimaat heb ik uw Kamer in mijn brief van 3 februari jl. bericht dat Nederland in vergelijking tot andere landen in Noordwest-Europa geen bijzonder lage maximumstraffen kent.3 Over de overwegingen die voor drugscriminelen bepalend zijn voor de keuze hun waar in Nederland te produceren is vooralsnog weinig bekend. Om maatregelen te kunnen voorstellen die de aantrekkingskracht van Nederland op drugscriminelen verminderen is meer inzicht in deze overwegingen gewenst. In het kader van de kennisagenda van het brede offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit, waarover ik uw Kamer in de hiervoor genoemde brief heb geïnformeerd, ga ik na op welke wijze hier onderzoek naar kan worden gedaan. Ik zal uw Kamer daarover in het najaar nader informeren.
Is bij u meer bekend over de achtergrond van de opdrachtgevers van de crystalmethlabs? Zo ja, bestaat er enig verband tussen crystal meth opdrachtgevers en xtc opdrachtgevers? Zo nee, waarom is niet meer bekend over de achtergrond en lopen er überhaupt onderzoeken naar deze crystal meth opdrachtgevers?
Ik kan geen uitspraken doen over lopende onderzoeken. Wel kan worden gezegd dat bij enkele zaken is geconstateerd dat er naast de vermoedelijke productie van methamfetamine sprake was van handel in andere soorten illegale drugs. Daarnaast zijn er signalen op basis waarvan wordt vermoed dat bestaande synthetische drugsproducenten en handelaren (deels) overstappen naar de productie van methamfetamine.
De politie geeft aan aanwijzingen te hebben dat Nederlandse drugshandelaren met behulp van Mexicaanse drugskartels xtc-labs ombouwen tot labs waar crystal meth wordt gemaakt, herkent u dit beeld? Zo ja, welke concrete acties, zowel nationaal als internationaal, heeft u genomen en bent u van plan om te nemen om te voorkomen dat dat Mexicaanse drugskartels hun werkgebied in Nederland kunnen uitbreiden?
Zoals gemeld in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer over methamfetamine werkt de politie nauw samen met buitenlandse opsporingsdiensten, zowel in Europees verband als daarbuiten.4 Buiten Europa onderhoudt de politie intensief contact met de Amerikaanse Drug Enforcement Agency (DEA), de Australian Federal Police (AFP) en Mexicaanse opsporingsdiensten. De politie geeft aan op dit moment geen concrete reden te hebben om aan te nemen dat Mexicaanse drugskartels hun werkterrein uitbreiden naar Nederland. Evenals ten tijde van de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen is het beeld dat Mexicaanse criminelen op verzoek en onder regie van Nederlandse criminele samenwerkingsverbanden (CSV’s) in uitvoerende rollen de productie ondersteunen. In het contact met de Mexicaanse opsporingsdiensten worden de ontwikkelingen op dat vlak gevolgd en signalen uitgewisseld.
Kan worden toegelicht welk deel van de productie van crystal meth is bestemd voor de Nederlandse afzetmarkt en welk deel is bestemd voor de buitenlandse markt? Zo nee, waarom niet?
Uit het in maart jl. door het Trimbos-Instituut gepubliceerde Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2019 (NDM 2019) blijkt dat het gebruik van methamfetamine in Nederland sporadisch is, en zich beperkt tot enkele groepen zoals mannen die seks hebben met mannen.5 Op basis daarvan kan worden aangenomen dat de in Nederland geproduceerde methamfetamine vrijwel volledig wordt geproduceerd voor de buitenlandse markt.
Zijn er signalen vanuit het buitenland over uit Nederland afkomstige crystal meth? Zo nee, bent u bereid om contact op te nemen met uw Europese collega’s om de Europese productielijnen en afzet van crystal meth meer in kaart te brengen en de Kamer hier op korte termijn nader over te informeren?
In enkele gevallen zijn vanuit het buitenland, zowel binnen Europa als overzees, signalen ontvangen over aangetroffen methamfetamine die uit Nederland afkomstig zou zijn. Omdat het lopende onderzoeken betreft kan de politie hierover geen specifieke informatie verstrekken. Vanwege het onderzoeksbelang kan ook geen gedetailleerde informatie over de productie- en afzetlijnen worden gegeven. Zoals ik uw Kamer heb medegedeeld in mijn brief over crystal meth van 10 september 2019 bevinden de gebruikers van methamfetamine zich vooral in Noord-Amerika, en in toenemende mate in Zuid- en Oost-Azië en Australië.6 De landen in deze regio’s vormen daarom een belangrijke eindbestemming voor in Nederland geproduceerde methamfetamine.
Indien uit het buitenland het signaal wordt ontvangen dat vermoedelijk in Nederland geproduceerde methamfetamine is aangetroffen, zet de politie waar mogelijk met het desbetreffende land in op joint targeting. Hieronder wordt verstaan: het maken van afspraken met de internationale partners over de (structurele) opbouw van een informatiepositie, die leidt tot een aanpak van de sleutelfiguren, vanuit een gedeeld belang en kijkend naar gezamenlijke (interventie-) mogelijkheden. Joint targeting leidt tot focus, samen met andere landen, op High Priority targets, met het doel hen in hun criminele handelen te frustreren en uit te schakelen en verkregen vermogen af te nemen.
Welke maatregelen zijn er reeds genomen tegen eigenaren die, in ruil voor geld, hun leegstaande schuren beschikbaar stellen voor crystalmethlabs? Bent u bereid maatregelen te nemen om deze eigenaren weerbaarder te maken tegen deze drugscriminelen?
Eigenaren die worden verdacht van een strafbaar feit met betrekking tot de productie of opslag van illegale drugs in hun schuur worden strafrechtelijk vervolgd. Daarnaast is de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd een pand te sluiten als dit wordt gebruikt voor de productie of opslag van illegale drugs. Deze bevoegdheid ziet ook op schuren en loodsen, en wordt in de praktijk ook toegepast. Behalve het aanpakken van eigenaren die zich inlaten met drugscriminelen wordt ook in preventie geïnvesteerd. Om te voorkomen dat drugscriminelen ongestoord hun gang kunnen gaan in leegstaande schuren en loodsen zijn meerdere initiatieven ontwikkeld. In Brabant heeft de Taskforce – RIEC Brabant-Zeeland het Project Agrarisch Buitengebied geïnitieerd, dat als doel heeft de maatschappelijke weerbaarheid in het agrarisch buitengebied te vergroten en barrières op te werpen tegen ondermijning. Naast controles van stallen en loodsen, wordt door het geven van voorlichting en het bieden van handelingsperspectief bijgedragen aan het vergroten van de weerbaarheid van agrariërs. Verder is in het kader van de Regiodeal Achterhoek het programma Vitaal Buitengebied ontwikkeld. Naast het vergroten van de weerbaarheid van eigenaren van leegstaande panden wordt in dit programma ook ingezet op de transformatie en sloop van leegstaande gebouwen en het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor boeren om hun erf vitaal te kunnen houden en goed te kunnen blijven leven in het buitengebied. Tot slot heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer in zijn brief over de wijkaanpak van 31 maart jl. geïnformeerd over het onderzoek dat door de ministeries van JenV en BZK is uitgevoerd naar de huur van panden voor criminele doeleinden («Panden met een luchtje»).7 In de voortgangsbrief ondermijning van komend najaar wordt uw Kamer nader over dit onderzoek geïnformeerd.
Hoe staat het met het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om een groep van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), ook wel designerdrugs genoemd, te verbieden? Hoe verhouden de actieve stoffen van crystal meth zich tot de groep NPS behorende tot dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel waarmee groepen nieuwe psychoactieve stoffen kunnen worden verboden is dit voorjaar door Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport via internet geconsulteerd. Partijen die belast zullen zijn met de uitvoering en handhaving van de voorgenomen wetswijziging zijn verzocht een uitvoeringstoets uit te brengen. De verwachting is dat alle reacties de komende weken ontvangen zullen zijn en verwerkt kunnen worden. Het streven is het wetsvoorstel dit najaar in procedure te brengen.
De verhouding van methamfetamine tot het wetsvoorstel kan als volgt worden toegelicht. De stofgroepen die voor een verbod worden beoogd zijn afgeleid van de chemische structuur van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Een van die stofgroepen (fenethylamines) omvat ook de chemische structuur van amfetamine. Dat betekent dat alle nieuwe aan amfetamine verwante stoffen verboden zullen zijn. Methamfetamine is een stof die tot de amfetamines behoort, wat betekent dat ook alle mogelijke varianten van methamfetamine automatisch verboden zullen zijn.
Het bericht dat garnalenvissers meer mogen vissen in Natura-2000-gebieden |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Garnalenvissers mogen veel meer vissen in Natura-2000-gebieden»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de bedoeling is van het vastleggen van visuren in de Natuurbeschermingswet (NB-wet)vergunning?
De visuren zijn vastgelegd als inkadering van de getoetste feitelijke omvang van visserij in de Natura 2000-gebieden ten tijde van de vergunningverlening. Deze vastlegging van hetgeen getoetst is, is een vast gegeven in elke willekeurige Wnb-vergunning: een afwijking ervan geeft aanleiding tot een nieuwe beoordeling. Vastlegging ervan geeft een instrument om, waar noodzakelijk, handhavend te kunnen optreden: hetgeen niet in overeenstemming is met de vergunning, is immers in principe niet toegestaan vanuit de Wet natuurbescherming.
Klopt het dat het doel van de maatregel is om de inzet van de garnalenvloot in Natura 2000-gebieden op een bepaald niveau te bevriezen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is dan het niveau waarop de inzet wordt bevroren?
Nee, dat is niet het doel. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 gaat het hier om het in een vergunningvoorschrift vastleggen van de getoetste visserij. Het is niet bedoeld om deze visserij op een bepaald niveau te bevriezen. Wanneer de garnalenvissers ervoor zouden kiezen om, met een juiste en volledige ecologische onderbouwing, meer visuren dan de nu vergunde aantallen aan te vragen, dan kan dat niet zonder enige onderbouwing geweigerd worden. Dat is ook niet de insteek van de vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming; wanneer een vergunningaanvrager met een voldoende juiste en actuele ecologische onderbouwing zijn activiteit wil verruimen, dan is het aan mijn ministerie om op basis van die onderbouwing te bezien of die verruiming inderdaad toelaatbaar zou kunnen zijn.
Wat voor (soort) berekeningsfouten zijn er bij het verlenen van de vergunning gemaakt en waarom worden deze als «softwarefouten» gekarakteriseerd?
Bij het vaststellen van de initiële visuren voor het ijkjaar 2015 is met een, voor de zuidelijke Natura 2000-gebieden, te lage vissnelheid gerekend. Daarnaast bleek, naderhand, in deze initiële berekeningen sprake van ontbrekende data doordat onder andere de gebruikte software ten onrechte bepaalde (omgenummerde2) vaartuigen niet meenam in de berekeningen.
Meer specifiek en technisch: middels de software werd een zogenaamde «vesselgroup» aangemaakt van te vergunnen (en tijdens de monitoring: vergunde) vaartuigen. Daarin zat een zogenoemde «bug» waardoor er data van meer vaartuigen in de berekening meekwamen dan de daadwerkelijk te vergunnen respectievelijk vergunde vloot van vaartuigen. Ook werden in sommige gevallen tussentijds omgenummerde vaartuigen (als gevolg van overdrachten) door de «bug» dan weer wel en dan weer niet meegenomen. Daarmee werden er ook dus meer c.q. juist minder visuren in de berekeningen meegenomen dan feitelijk in de praktijk gerealiseerd werden. Tot slot zijn er bij de initiële berekening te veel visuren meegenomen omdat in eerste instantie ook het varen op 0 knopen werd meegeteld als «visactiviteit».
Kunt u inzage geven in de foute en in de correcte berekeningswijze?
Een deel van deze vraag heb ik reeds beantwoord in mijn reactie op vraag 4. Aanvullend daarop: de correcte berekeningswijze ligt erin vervat dat de door WMR gebruikte software de geschetste eerdere «bug» en de uitwerking daarvan op de data en opvolgende berekeningen, ondervangt.
Klopt het dat vanuit de visserij in een veel eerder stadium is aangegeven dat de vergunde uren zo veel afweken van de feitelijke situatie dat de uitkomsten van de berekeningen die aan de vergunningverlening ten grondslag lagen, eenvoudigweg niet konden kloppen?
Die signalen heeft de sector inderdaad eind oktober 2018 formeel aangegeven (na eerder op informeel niveau hierover signalen af te hebben gegeven), maar op dat moment waren er onvoldoende concrete gegevens om de berekeningen vanuit de NVWA in twijfel te trekken; de sector kon haar standpunt niet met cijfers onderbouwen. De sector kondigde in een formeel schrijven aan hierop haar eigen onderzoek in te zetten met inzet van Wageningen Economic Research. In diezelfde periode gaf Rijkswaterstaat soortgelijke signalen af voor wat betreft het Natura 2000-gebied Voordelta.
Wat is er concreet met deze signalen vanuit de visserij gedaan?
Op basis van het signaal vanuit RWS (die hierop de in haar opdracht uitgevoerde berekeningen en cijfers afkomstig van Wageningen Economic Research kon aanleveren) is aan de NVWA gevraagd de data nauwkeurig nogmaals na te lopen. Hieruit is een herberekening en volgend daarop een formele wijziging van de vergunde visuren voortgekomen (21 december 2018). Reeds per brief van 15 november 2018 is aan de sector gemeld dat de aangekondigde acties op het handhavende vlak, onmiddellijk opgeschort werden.
Hoe ziet u de praktische uitvoering van deze regelgeving in de richting van individuele vissers, die een collectief aangevraagde, maar individueel toegekende NB-wet vergunning hebben ontvangen?
In de inhoudelijke overwegingen bij de vergunning is hierover opgemerkt dat elk van de individuele vissers vergunninghouder is en zij als groep van totale vergunninghouders daarop aangesproken zullen worden. Wanneer er dus bijvoorbeeld in 2020 te veel visuren worden gerealiseerd in het Natura 2000-gebied Waddenzee dan zal de werking van de vergunning opgeschort worden voor dat specifieke Natura 2000-gebied. Hierbij merk ik nog op dat binnen de garnalenvisserijvloot er vergunninghouders zijn die veel (in een bepaald Natura 2000-gebied) op garnalen vissen en vergunninghouders die amper (in een bepaald Natura 2000-gebied) op garnalen vissen. Sommige van de vergunninghouders mogen ook op platvis vissen en schakelen daar naar toe over wanneer de prijzen goed zijn. Ook merk ik op dat er voor de meeste garnalenvissers voldoende uitwijkmogelijkheden naar elders, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden, zijn om verder te vissen. Voor de vissers die die mogelijkheid niet hebben, is het een verantwoordelijkheid van de vertegenwoordigende koepelorganisaties om hier in een kalenderjaar en met de monitoringsresultaten in de hand, gericht op te sturen zodat voor die specifieke vissers er voldoende visruimte in een gegeven jaar blijft.
Het gaat dus om het collectieve beeld van vissen. Wat de ene visser aan visuren «laat liggen», kan door de andere visser weer benut worden.
Verder merk ik nog op dat er ook voor gekozen kan worden de vereiste Wnb-vergunning op individuele basis aan te vragen. Dit betekent dat elke individuele visser voor specifieke Natura 2000-gebieden (of delen daarvan) een vergunning zal moeten aanvragen, daarbij een volledige en juiste ecologische onderbouwing zal moeten aanleveren en ook voor het eigen bedrijf een specifiek aantal visuren zal moeten aanvragen. Voor een langjarige Wnb-vergunning bedragen de leges € 3.500 per vergunningaanvraag. Ook de financiering van het laten opstellen van een individuele passende beoordeling ligt dan bij de individuele visser.
Hoe zouden vissers het maximum aan visuren in hun individuele visplannen moeten verwerken?
Omdat de Wnb-vergunningen collectief vanuit de sector zijn aangevraagd, wordt er vanuit die vergunningverlening niet gewerkt met individuele visplannen. Wel maken individuele vissers in hun eigen bedrijfsorganisatie individueel een jaarplanning. Wanneer in een lopend jaar al vroeg behoorlijke aantallen visuren worden gerealiseerd in een bepaald Natura 2000-gebied, dan zal de huidige monitoring van WMR dit snel detecteren. Deze monitoring start qua output in de maand mei. Deze monitoringsresultaten zullen ook structureel met de vertegenwoordigende koepelorganisaties gedeeld worden. Zij kunnen daarop hun acties inrichten en de betrokken vissers hierop informeren. Wat de mogelijke handelingsopties voor deze vertegenwoordigers (en daarmee ook de vissers) zijn, heb ik in mijn antwoord op vraag 8 aangegeven.
Hoe kunnen individuele vissers zich überhaupt aan deze regels met betrekking tot het maximumaantal visuren houden als zij niet weten wat het maximumaantal visuren precies voor hen op individuele basis betekent?
Ik verwijs hier naar mijn antwoord op vraag 9.
In hoeverre kan dit ertoe leiden dat individuele vissers een «incentive» hebben om zo veel mogelijk visuren te verbruiken teneinde niet achter het net te vissen op het moment dat het collectief toegekende aantal visuren is bereikt? Deelt u de mening dat dit een ongewenst effect zou zijn van deze regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik heb over die «incentive» al kort iets opgemerkt in mijn antwoord op vraag 8: het is met name aan de vertegenwoordigende koepelorganisaties om ten aanzien van die, zeker aanwezige, incentive zo sturend mogelijk om te gaan, bijvoorbeeld door te werken met een collectief visplan voor een specifiek Natura 2000-gebied. Op die wijze kan geborgd worden dat met name vissers die geen uitwijkmogelijkheid naar elders hebben, voldoende ruimte houden om hun visserij uit te kunnen oefenen.
Wanneer in een lopend jaar er in de eerste maanden fors gevist wordt door vissers dan zal de monitoring hierop dit ook tijdig signaleren. Het is dan aan de vertegenwoordigde koepelorganisaties om hun handelingsopties te benoemen en daarin een keuze te maken. Wanneer er actie vanuit die zijde achterwege blijft, zal handhavend opgetreden worden zodra het maximale aantal vergunde visuren met 10% overschreden wordt. Concreet betekent dit dat er in de betreffende Natura 2000-gebieden niet meer gevist mag worden tot en met 31 december van dat specifieke jaar.
Hoe zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) deze in de ogen van individuele vissers niet uitvoerbare regel ten opzichte van die individuele vissers gaan handhaven?
Ik verwijs hier mede naar mijn antwoord op vraag 11: ingeval van overschrijdingen zal de werking van de vergunning voor het betreffende Natura 2000-gebied opgeschort worden: elke opvolgende garnalenvisserij zal dan met het passend wettelijk handhavend instrumentarium worden geadresseerd.
De garnalensector zelf heeft de keuze gemaakt voor een collectieve vergunningaanvraag en daarmee ook om als collectief van vissers gehandhaafd te worden op de vergunde visuren. Het is aan de sector om hierin eventueel een andere afweging te maken en individuele garnalenvissers elk een individuele vergunning op grond van de Wnb te laten aanvragen.
COA-personeel dat zich onveilig voelt door ‘Minderjarige’ criminele Noord-Afrikanen |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA-personeel voelt zich onveilig en luidt noodklok: «Minderjarige» criminele Noord-Afrikanen verstieren het?»1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gelukszoekers uit landen als Marokko en Algerije ons land onveiliger maken? Zo ja, hoe staat het met de inzet van het kabinet om deze mensen zo snel mogelijk te laten terugkeren naar het land van herkomst? Wanneer kan de Kamer de uitvoering van de motie-Becker c.s. over uitvoering van de regeerakkoordafspraken over migratieovereenkomsten (Kamerstuk 35 300 VI, nr. 37) verwachten met een SMART overzicht van alle maatregelen die genomen zijn en nog genomen kunnen worden om deze migratie tegen te houden en terugkeer af te dwingen?
Asielzoekers uit veilige landen van herkomst zijn oververtegenwoordigd in de groep overlastgevers. Vanzelfsprekend vind ik dit volstrekt onacceptabel. De terugkeer van criminele en overlastgevende vreemdelingen met een vertrekplicht heeft, complementair aan de strafrechtelijke afhandeling van dergelijke situaties, grote prioriteit. Zoals uw Kamer weet, bemoeilijken verschillende COVID-19 gerelateerde (reis)beperkingen op dit moment de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Criminele en overlastgevende vreemdelingen vormen hier geen uitzondering op. Dit laat onverlet dat ik ook gedurende de COVID-19 maatregelen in de migratieketen ben blijven inzetten op de terugkeer van deze groep. Dat betekent dat inbewaringstelling van criminele en overlastgevende vreemdelingen door is gegaan en dat hun terugkeertraject is gestart of voortgezet. Ik informeer u voor het zomerreces over de uitvoering van de motie Becker c.s. Het kabinet zet onverminderd in op verbetering van de terugkeersamenwerking met relevante landen.
Worden inmiddels alle maatregelen die u eind vorig jaar aankondigde aangaande een strengere aanpak tegen overlastgevende asielzoekers reeds benut op en rond de Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)-locaties? Zo ja, hoe kan het dan dat de betreffende medewerkers zich nog steeds onveilig voelen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 18 december jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die ik inzet bij de aanpak van overlastgevende asielzoekers.2 Zo kunnen asielzoekers die dermate overlastgevend zijn dat zij op reguliere locaties belastend zijn voor medewerkers en medebewoners per 1 februari worden overgeplaatst naar de speciale Handhaving- en Toezichtlocatie in Hoogeveen. Ook is de Top X aanpak per 1 mei jl. landelijk ingevoerd. Voor meer informatie over de versoberde opvang van veilige landers verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 11. De eerste ervaringen met deze maatregelen zijn goed, maar er is meer tijd nodig voordat zij hun vruchten zullen afwerpen.
De maatregelen hebben als doel de overlast terug te dringen en een leefbare en veilige woon- en werkomgeving te borgen. Alhoewel de incidenten op COA-opvanglocaties vaak niet gericht zijn tegen COA-medewerkers, kunnen deze wel impact hebben op medewerkers. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin een COA-medewerker zich onveilig voelt.
Voldoet de uitrusting van het COA-personeel om zichzelf te beschermen tegen raddraaiers op een COA-locatie en welke extra maatregelen kunt u nemen om het COA-personeel in bescherming te nemen tegen agressie en geweld?
Veiligheid van COA-medewerkers heeft voor mij de hoogste prioriteit. Het COA biedt allerlei middelen en instrumenten die erop gericht zijn om goed om te kunnen gaan met diverse situaties. Zo biedt het COA alle medewerkers onder andere een intensieve training die is gericht op het de-escaleren van een conflictueuze situatie, vindt er regelmatig afstemming plaats met de wijkagent, is er een protocol agressie en geweld met onder andere richtlijnen hoe om te gaan met verschillende situaties en is er het maatregelenbeleid. In het geval dat een ernstig incident zich voordoet, zijn er aanvullende afspraken met de politie gemaakt met betrekking tot politie-inzet op de locatie. Binnen dit pakket is aanvullende beschermende uitrusting voor COA-medewerkers niet noodzakelijk gebleken.
Hoeveel asielzoekers die ernstige overlast veroorzaken zijn tot op heden ondergebracht in de door u aangekondigde Handhaving en Toezichtslocatie (HTL) in Hoogeveen?
Op 1 februari 2020 is de HTL geopend. Tussen 1 februari en 1 mei 2020 zijn 65 overlastgevers in de HTL geplaatst. In de HTL is plek voor maximaal 50 overlastgevende asielzoekers.
Worden er daarnaast ook overlastgevende asielzoekers op COA-locaties apart gezet in gesloten voorzieningen als zij zich schuldig maken aan overlast, geweld of diefstal? Zo ja, hoe vaak is dit gedaan?
De COA-opvanglocaties zijn open opvangvoorzieningen. Dat wil zeggen dat bewoners vrij zijn om in- en uit te lopen. Er bevinden zich geen gesloten voorzieningen op COA-opvanglocaties, ook niet voor overlastgevers. Indien er sprake is van crimineel gedrag zal aangifte worden gedaan bij de politie. Bij voldoende grond kan de rechter bepalen dat een asielzoeker, net als ieder andere inwoner van Nederland, in (voorlopige) hechtenis wordt genomen.
Indien een asielzoeker op een opvanglocatie dusdanig overlastgevend is dat hij of zij een gevaar vormt voor medewerkers en medebewoners kan deze persoon door het COA worden overgeplaatst naar de HTL. Overplaatsing naar de HTL gaat altijd gepaard met een vrijheidsbeperkende maatregel, waarmee het gebied waarin betrokkene zich mag bevinden wordt beperkt. De HTL is echter geen gesloten voorziening.
Hoeveel overlastgevende asielzoekers staan inmiddels op de Top-X lijst – de lijst waar de asielzoekers die de meeste overlast veroorzaken op worden gezet en waar vervolgens per overlastgever een individuele aanpak voor wordt gemaakt – en bereikt deze aanpak ook de asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken maar wel ontoelaatbaar gedrag vertonen?
Het aantal en de samenstelling van de groep asielzoekers die op de Top-x lijst staat verandert iedere maand. De Top X lijst bevat momenteel circa 330 unieke vreemdelingen. Na de data-gedreven selectie van asielzoekers op de landelijke lijst, wordt door lokale partijen uit de migratieketen bekeken welke personen op de lijst daadwerkelijk in aanmerking komen voor een individuele Top X aanpak en welke maatregelen er in dit kader worden opgelegd.
De Top-X aanpak bereikt ook asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken, maar wel ontoelaatbaar gedrag vertonen. Immers, een asielzoeker komt niet alleen op de Top-X lijst te staan wanneer hij of zij «veelpleger» is. Ook wanneer een asielzoeker voldoet aan andere criteria, komt hij of zij op de Top-X te staan, bijvoorbeeld wanneer een asielzoeker één of meerdere registraties van verdenkingen op zijn naam heeft staan van misdrijven met een grote impact en/of misdrijven tegen een ambtenaar met een publieke taak. Daarbij kunnen asielzoekers op de lijst komen te staan wanneer zij door COA-medewerkers worden aangedragen in verband met gedrag dat als overlastgevend wordt ervaren en waarbij sprake is van grote impact op medewerkers, medebewoners of de omgeving. Hiermee bereikt de Top-X lijst óók asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken.
Alhoewel er door betrokken partijen extra aandacht uitgaat naar de individuele aanpak van personen op de Top X lijst, wil ik graag benadrukken dat ook voor overlastgevers die niet op de Top X lijst staan, geldt dat hun gedrag natuurlijk niet wordt geaccepteerd en dat zij worden aangepakt volgens het brede palet aan maatregelen dat voorhanden is.
Is het juist dat de top-X lijst niet gedeeld mag worden met burgemeesters, onder andere vanwege de AVG, en bent u bereid te onderzoeken welke wijziging in regelgeving nodig is om dit alsnog wel te kunnen doen, zodat overlastgevende asielzoekers ook door het lokale gezag scherp in de gasten kunnen worden gehouden?
Onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) mogen persoonsgegevens niet zomaar gedeeld worden, ook niet binnen de overheid. Voor uitwisseling van persoonsgegevens binnen de migratieketen is reeds een wettelijke basis. Ik onderzoek of het onder bestaande wettelijke kaders (zoals de politie – en openbare orde wetgeving) eventueel mogelijk is om in het kader van de openbare orde en veiligheid bepaalde informatie van de migratieketen over personen op de Top X lijst te delen met de lokale gezagsdriehoek, bestaande uit de gemeente, de politie en het OM. Zo ja, dan zal worden bezien op welke manier. Zo nee, dan worden alternatieve oplossingen onderzocht, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van convenanten. Hierbij ben ik gebonden aan het AVG uitgangspunt van dataminimalisatie. Dat houdt in dat met de lokale gezagsdriehoek enkel de voor hen noodzakelijke personen/gegevens gedeeld zullen worden.
Hebben de ketenmariniers voldoende middelen om deze asielzoekers aan te pakken en wordt er vanuit het ministerie geëvalueerd waar er knel- en verbeterpunten zitten?
De ketenmariniers maken gebruik van het brede palet aan maatregelen dat voorhanden is in de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. Over deze maatregelen heb ik uw Kamer bij brief geïnformeerd.3 Binnenkort publiceren de ketenmariniers een toolbox met een overzicht van deze maatregelen. Een evaluatie van de Top X aanpak zal plaatsvinden zodra er genoeg ervaring is opgedaan om knel- en verbeterpunten vast te stellen. Uiteraard bekijk ik daarnaast continu met betrokken partijen waar het beter kan.
Hoe kan het dat de burgemeester van Smallingerland de noodklok luidt terwijl u een arsenaal aan extra maatregelen heeft ingevoerd? Bent u bereid met hem in gesprek te gaan om te bezien wat lokaal meer gedaan kan worden om de problematiek aan te pakken en iets als de massale vechtpartij in asielzoekerscentrum (AZC) Drachten niet meer te laten voorkomen?
De gemeente Smallingerland kampt al langere tijd met overlast veroorzaakt door asielzoekers. Een heftig incident in azc Drachten was de directe aanleiding voor de burgemeester om de noodklok te luiden en hulp in te roepen van het ministerie. Er heeft reeds een goed gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie en de burgemeester van Smallingerland om de lokale problematiek te bespreken. Daarbij heeft het ministerie haar hulp aangeboden. Naast de gemeente, het COA, Nidos, het OM en de politie, spelen ook de ketenmariniers een rol in de lokale aanpak. Er wordt alles aan gedaan om het aantal incidenten te verminderen. Echter, ondanks alle inspanningen die worden getroffen in de begeleiding van asielzoekers en de aanpak van overlastgevende asielzoekers kunnen incidenten zoals die in Drachten niet geheel voorkomen worden.
Hoe staat het met uw zoektocht naar een geschikte locatie voor separate opvang voor enkel en alleen asielzoekers uit veilige landen zodat zij niet langer anderen tot last kunnen zijn? Ziet u een mogelijkheid om ook een dergelijke aparte opvang, uiteraard sober en zoveel mogelijk gesloten, op te zetten voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers) uit veilige landen?
Een versoberde opvang voor personen wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2 past bij de relatief korte tijd die deze groep, met een relatief kansarme asielaanvraag, in Nederland verblijft. Daarnaast helpt het apart opvangen van deze groep bij de beschikbaarheid voor de asielprocedure en het vertrekproces.
Voor de realisatie van een separate opvanglocatie is naast een geschikte locatie ook bestuurlijk draagvlak een randvoorwaarde. Op dit moment is deze combinatie nog steeds niet gevonden. Bij wijze van tussenoplossing is het COA in een vergevorderd stadium van voorbereiding om de opvang van deze doelgroep op een aantal bestaande locaties te versoberen en beter beheersbaar te maken. Het COA richt zich nu allereerst op het realiseren van deze tussenoplossing. Met de opgedane ervaring vanuit de tussenoplossing wordt bezien of in de toekomst kansen ontstaan voor een separate locatie voor deze doelgroep. Ik verwacht dat de versobering van de opvang van veilige landers wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2 na het zomerreces is gerealiseerd. Op dat moment verwacht ik ook uw Kamer te kunnen informeren over de eerste ervaringen met deze tussenoplossing.
De aanpak van overlastgevende AMV’s heeft ook mijn aandacht. Op deze groep kan het COA verschillende maatregelen toepassen, zoals een locatieverbod of strafoverplaatsing. Als deze maatregelen geen of onvoldoende effect hebben, kan een AMV worden doorverwezen naar de Perspectief Opvang Nidos. In deze speciale opvangvorm wordt door middel van intensieve begeleiding gewerkt aan gedragsverbetering van overlastgevende AMV’s. Tevens zijn het COA en Nidos met mijn departement in gesprek over aanvullende maatregelen om de overlast van AMV’s te verminderen en zal bovendien de vierde ketenmarinier, die momenteel wordt geworven, zich specifiek richten op de aanpak van overlastgevende AMV’s. Ook over deze resultaten zal ik uw Kamer na de zomer informeren.
Hoe is het mogelijk dat overlastgevende asielzoekers zich kunnen verplaatsen door Nederland om, zoals uit het artikel blijkt, de opvang te gebruiken als basis om door het land te trekken op stroop- en rooftocht? Worden er bijvoorbeeld fietsen gefaciliteerd waarmee zij het terrein af kunnen en zijn er inmiddels nieuwe ontwikkelingen tussen de ketenmarinier en de vervoersmaatschappijen om reisverboden aan overlastgevende asielzoekers op te leggen? Hoe staat het in dit verband met de uitvoering van de motie Becker over een verbod op straatintimidatie (Kamerstuk 19 637, nr. 2483) om over te gaan tot openbaar vervoersverboden bij overlastgevers?
Mits zij hun verplichtingen -zoals de meldplicht- nakomen, zijn asielzoekers in afwachting van hun procedure vrij om zich door Nederland te verplaatsen. Zonder gegronde reden kan de overheid de vrijheid van een asielzoeker niet zomaar beperken of ontnemen. Dit is in lijn met internationale en nationale wet- en regelgeving, waar Nederland zich aan wil en dient te houden.
Het is geen COA-beleid om fietsen beschikbaar te stellen aan asielzoekers. In enkele gevallen wordt aan schoolgaande kinderen voor het vervoer naar school een fiets in bruikleen gegeven. Asielzoekers kunnen zelf een fiets kopen. Voor vervoersbewegingen gerelateerd aan het asielproces zoals een bezoek aan een advocaat wordt door het COA een OV-vervoersbewijs ter beschikking gesteld.
Zoals ik uw Kamer op 18 december jl. bij brief meldde, is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking opgesteld over de invoering van een verbod op straatintimidatie.4 Deze is actief verspreid onder de gemeenten. De motie van het lid Becker verzoekt verder om te verkennen of overlastgevende asielzoekers een reisverbod met het openbaar vervoer kunnen krijgen.5 Nog los van de uitvoeringsaspecten hiervan maakt de relevante privacywetgeving het delen van persoonsgegevens tussen de organisaties uit de migratieketen en de organisaties van het openbaar vervoer erg moeilijk.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stemmen de aanpak van overlastgevende asielzoekers in het openbaar vervoer met elkaar af. Aandachtspunten zijn inzicht verkrijgen in de groep asielzoekers die overlast veroorzaken in het openbaar vervoer en de mogelijkheden daarbij voor het opleggen van een reisverbod. Over de mogelijkheden voor het inzetten van reisverboden lopen de gesprekken met openbaar vervoerders, het OM en vakbonden.
Wanneer wordt overgegaan tot het opleggen van een gebiedsgebod bij een overlastgevende asielzoeker? Zou dit in uw ogen sneller kunnen dan dat nu het geval is?
Indien een asielzoeker overlast veroorzaakt binnen de opvanglocatie, kan door de IND, de DT&V of door de AVIM aan betrokkene een vrijheidsbeperkende maatregel (gebiedsgebod) worden opgelegd. Hierbij stelt het COA een verslag op van de overlastgevende gedragingen, aan de hand waarvan wordt beoordeeld of deze zodanig ernstig zijn dat de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel gerechtvaardigd is.
Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel vindt in de regel plaats kort nadat betrokkene overlastgevend gedrag heeft vertoond dat, al dan niet in samenhang bezien met eerder vertoond gedrag, diens verblijf op de opvanglocatie onhoudbaar maakt. De vrijheidsbeperkende maatregel, in het kader van overlastgevend gedrag, wordt in de regel opgelegd in combinatie met de aanzegging zich te melden in de HTL. Op werkdagen, uiteraard afhankelijk van het tijdstip, wordt de maatregel doorgaans opgelegd op de dag waarop de laatste grensoverschrijdende gedraging zich heeft voorgedaan. Binnen dit kader gebeurt het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel zo snel mogelijk en ik zie op dit moment geen aanleiding om dit te versnellen.
Daarnaast kan, indien dit is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening, ook een gebiedsverbod worden opgelegd door de burgermeester indien sprake is van overlastgevend gedrag buiten de opvanglocatie en/of de openbare orde in het geding is.
Welke extra maatregelen kunnen COA-locaties nemen om ervoor te zorgen dat asielzoekers niet met gestolen waar, volgens het artikel afkomstig uit winkels uit het hele land, de locatie op kunnen en dit vervolgens kunnen verkopen aan elkaar en asielzoekers meteen opgepakt worden als bemerkt wordt dat gestolen goederen in het bezit zijn?
Asielzoekers dienen zich net als een ieder in Nederland te houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving. De begeleiding van het COA is gericht op het realiseren van een veilige en leefbare leef- en werkomgeving. Een onderdeel van de begeleiding van het COA is het regelmatig uitvoeren van kamercontroles. Indien er signalen zijn van crimineel gedrag is het COA-beleid om contact met de politie op te nemen. In overleg met de politie wordt dan bekeken wat een gepaste actie is.
Bent u bereid opnieuw contact te zoeken met het lokale gezag in gemeentes met COA-locaties om ervoor te zorgen dat de gemeentes zich voldoende gehoord voelen en serieuze gesprekspartners zijn als het gaat om het aanscherpen van maatregelen?
Ik ben continu in gesprek met gemeenten over ontwikkelingen op het migratiegebied, waaronder de aanpak van de overlast en de behoefte aan aanvullende opvangcapaciteit. De opvang van personen die in Nederland asiel aanvragen is immers een gezamenlijke opgave; het COA kan dit niet alleen. Ik ben gemeenten met een opvanglocatie dankbaar voor hun inspanningen en benadruk de urgentie voor extra opvangplekken voor asielzoekers. Uiteraard heeft ook het COA, in het kader van de reguliere bedrijfsvoering, met regelmaat contact met de betreffende gemeente om informatie te delen en indien nodig gezamenlijk actie te nemen op ontwikkelingen in die gemeente. Teneinde te voorkomen dat een groep overlastgevers het draagvlak voor de opvang van asielzoekers ondermijnt en de zoektocht naar extra opvanglocaties bemoeilijkt, zet ik de ketenmariniers in om gemeenten waar nodig te adviseren en assisteren.
Bent u bereid een meldpunt in uw ministerie te openen voor COA-medewerkers die zich onveilig voelen, zodat ook concrete gebeurtenissen aanleiding kunnen geven het beleid weer verder aan te scherpen?
COA-medewerkers kunnen op diverse manieren hun mening geven en hun gevoel van onveiligheid uiten en worden daartoe ook expliciet uitgenodigd. Dit kan rechtstreeks bij hun leidinggevende, bij de preventiemedewerkers, vertrouwenspersonen, het bureau veiligheid, het meldpunt integriteit, de bedrijfsarts of een bedrijfsmaatschappelijk werker. Het COA-bestuur benadrukt in contacten met medewerkers – in overleggen of tijdens werkbezoeken – het gesprek aan te willen gaan over het dagelijks werk, waaronder (on)veiligheid. Dit doet het bestuur actief met de ondernemingsraad maar ook in gesprekken met (een vertegenwoordiging van) medewerkers. Het COA en het departement onderhouden nauw contact over overlast op opvanglocaties. Ik zie dan ook geen noodzaak tot het openen van een meldpunt op het ministerie.
Het rapport ‘Uitgesproken’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Uitgesproken» en met de huidige situatie in de gemeente Westerveld dat er een convenant is gesloten?1 2 3
Ja.
Deelt u de mening dat het gezien de uitkomsten van het rapport «Uitgesproken» onwenselijk is dat het convenant is opgesteld zonder burgerparticipatie of partijen die burgers representeren?
Het heeft mijn voorkeur dat omwonenden en telers met elkaar in gesprek komen om op lokaal niveau bevredigende afspraken te maken. Het rapport «Uitgesproken» laat zien dat dat op sommige plaatsen goed mogelijk is, maar dat in andere plaatsen hiervoor nog een weg is te gaan. Het is aan de lokale overheden om daar de juiste balans en werkwijze in te vinden en stap voor stap het gesprek weer op gang te brengen. Ik ben blij dat de gemeente Westerveld dat heeft opgepakt. Daarmee is niet gezegd dat het convenant een eindpunt is, maar wel een stap in de goede richting. De gemeente heeft het beste inzicht in de lokale situatie en ik heb vertrouwen in de aanpak die zij kiest.
Deelt u de mening dat de geplande pilot van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen in Zuid-West Drenthe urgentie heeft gezien de huidige situatie?
Ja. Onder regie van de provincie Drenthe zijn bestuurlijke gesprekken gevoerd met de provincie Overijssel en de Vereniging Drentse Gemeenten (VDG) over de opzet van deze meerjarige pilot. Het Ministerie van LNV is bereid deze pilot te faciliteren.
Bent u bereid om in overleg met de overige overheden het starten van de LNV-pilot gewasbeschermingsmiddelen te bespoedigen?
Mijn inzet is om onder regie van de provincie Drenthe zo spoedig mogelijk tot een pilot te komen binnen de kaders van het Uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
Wat is de verwachting qua planning rondom het advies van de Gezondheidsraad, commissie gewasbescherming en omwonenden? Wordt de datum van 1 juni 2020 gehaald of is er door de huidige situatie (COVID-19) een alternatieve datum gepland?
De Gezondheidsraad heeft op 29 juni 2020 haar advies gepubliceerd. Voor een inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van de Gezondheidsraad verwijs ik naar de brief die ik op 30 juni 2020 samen met de Minister voor Medische Zorg aan uw Kamer heb gestuurd
Hoe ziet u deze situatie in het licht van uw «Kringlooplandbouwvisie: waardevol en verbonden»?
Zoals aangegeven vind ik het van belang om zo snel mogelijk te starten met een pilot binnen de kaders van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, een belangrijk onderdeel van mijn visie op kringlooplandbouw. De kern van de visie op gewasbescherming is weerbare planten en teeltsystemen, waarbij minder behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen en waarbij nagenoeg geen emissie plaatsvindt. Met deze pilot wil ik een positieve impuls geven aan de ontstane situatie.
Vleermuizen en vogels die slachtoffer worden van lijmbanden. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Langzame dood voor vleermuizen en vogels door nieuwe aanpak van eikenprocessierups: «Deze idiotie moet stoppen»» en «De man van de vastgeplakte specht heeft zijn les geleerd: «Ik heb hem veertje voor veertje zelf losgemaakt»»?1 2
Ja.
Wat vindt u ervan dat vogels en vleermuizen het slachtoffer worden van het gebruik van lijmbanden en plakstrips?
Dat vogels en vleermuizen slachtoffer worden van het gebruik van lijmbanden en plakstrips vind ik betreurenswaardig.
Vormen lijmbanden en lijmstrips toegestane bestrijdingsmiddelen tegen de eikenprocessierups?
Het gebruik van lijmbanden, lijmstrips en andere vangmiddelen met lijm zijn op grond van de Wet natuurbescherming buitenhuis verboden en mogen derhalve niet gebruikt worden ter bestrijding van de eikenprocessierups. Van dit verbod kunnen provincies ontheffing verlenen.
Kunt u bevestigen dat het gebruik van lijmbanden niet bijdraagt aan het streven om populaties van andere soorten dan de soort die bestreden wordt in hun natuurlijke verspreidingsgebied in gunstige staat van instandhouding te laten voorbestaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u nagaan hoeveel wettelijk beschermde soorten gedood zijn door lijmbanden?
Dat kan ik bevestigen. Navraag bij de provincies wijst uit dat er, behalve de in de media vermelde voorbeelden, geen gegevens beschikbaar zijn van wettelijke beschermde soorten die gedood zijn door lijmbanden of andere vangmiddelen met lijm.
Is het juist dat het gebruik van lijmstrips om dieren te vangen of te doden verboden is zonder ontheffing van de provincie, zoals dat ook het geval is voor lijmplankjes? Zo ja, welke provincies hebben een ontheffing voor het gebruik van lijmbanden en lijmstrips in de open lucht verleend en op basis van welke afwegingen zijn deze ontheffingen verleend?3
Dit is juist, zie ook het antwoord op vraag 2. Navraag wijst uit dat er sinds de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (1 januari 2017) geen ontheffingen zijn afgegeven door provincies voor het gebruik van lijmbanden ter bestrijding van de eikenprocessierups.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat lijmstrips en lijmbanden worden gebruikt?
Ik heb de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) gevraagd om in hun voorlichting naar burgers en bedrijven te wijzen op het verbod tot het gebruik van lijmbanden, lijmstrips en andere vangmiddelen met lijm ter bestrijding van de eikenprocessierups. Genoemde instanties hebben daar inmiddels ook al uitvoering aan gegeven.
Ook het Kennisplatform Processierups verschaft informatie en voorlichting over bestrijdingsmogelijkheden tegen de eikenprocessierups, www.processierups.nu
Bent u bereid om handhavend op te treden tegen het gebruik van lijmstrips en lijmbanden?
Op het verbod tot gebruik van lijmbanden e.d. buitenhuis wordt toegezien door de provincies, en in voorkomende gevallen de Omgevingsdiensten voor hen. Indien nodig treden zij handhavend op.
Het bericht ‘NOS divibase: Staatsomroep heeft geheime wisselbokaal voor ‘divers profileren’ |
|
Zohair El Yassini (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NOS divibase: Staatsomroep heeft geheime wisselbokaal voor «Divers profileren»« en het feit dat de NOS tot afgelopen weekend iedere maand een «Divibokaal» uitreikte?1
Ja.
Wat waren de criteria om in aanmerking te komen voor de «Divibokaal» van de maand?
De redactie van de NOS heeft geprobeerd om invulling te geven aan zijn wettelijke taak om een zo breed en divers mogelijk publiek aan te spreken door een zo evenwichtig mogelijke weerspiegeling van de samenleving in zijn media-aanbod te realiseren. Een taak die tevens zijn beslag heeft gekregen in de prestatieafspraken die ik met de NPO heb afgesloten. Vanuit de redactie is in dat kader het idee geboren om een bokaal in het leven te roepen om op een structurele basis elkaar te stimuleren oog te hebben voor meer diversiteit in hun journalistieke producties. De bokaal werd door de redactie niet ingezet als officieel beleidsinstrument met concreet geformuleerde criteria, maar werd gehanteerd als een middel om de discussie op de redactie te kunnen voeren over de keuzes die de NOS maakt in zijn berichtgeving.
Op welke manier houdt de NOS een database bij met mensen op basis van hun geslacht of etniciteit? Worden mensen daarnaast ook geregistreerd op hun inhoudelijke kwaliteiten?
Het is de taak van de NOS om het Nederlandse publiek op een zo onafhankelijk mogelijke manier te informeren en in de berichtgeving de samenleving zo evenwichtig mogelijk te weerspiegelen. Daarbij past het in beeld brengen van een diversiteit aan bronnen die samen een afspiegeling vormen van de maatschappij. Om dit kunnen realiseren heeft de NOS ervoor gezorgd dat er een lijst is opgesteld van geschikte mensen die vanuit hun expertise én vanuit diverse achtergronden kunnen worden benaderd bij de verslaggeving. Volgens de NOS is de volgorde dat altijd vanuit de inhoud – en daarmee de expertise – het zoeken van meerdere bronnen begint en niet andersom.
De lijst met contacten is deels ontstaan vanuit gericht zoeken door de NOS-redactie via universiteiten, bedrijven, hogescholen, instellingen en organisaties en deels door gebruik te maken van reeds bestaande bronnen. Bij de zoektocht naar contacten heeft de NOS aan deze organisaties kenbaar gemaakt te willen komen tot een diverser expertbestand. De mensen die daarbij zijn genoemd zijn door de NOS telefonisch benaderd met de vraag of ze in voorkomende gevallen mogen worden benaderd voor onderwerpen in hun vakgebied of vanuit hun expertise.
Het is een gebruikelijke werkwijze binnen de journalistiek om een interne database van mogelijk te benaderen bronnen bij te houden voor het maken van een journalistiek item. De NOS heeft mij laten weten bij de opstelling van de Divibase ook te hebben gekeken naar de privacyaspecten en deze te hebben getoetst aan de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Ik vertrouw er op dat de NOS met het opstellen en hanteren van de database conform de AVG handelt, maar het is niet aan mij om hierover een oordeel te vellen. Dat is de taak van de Autoriteit Persoonsgegevens.
In hoeverre zijn mensen op de hoogte dat hun gegevens worden bijgehouden in de zogenaamde «divibase»? Is het bijhouden van een database met persoonlijke gegevens van mensen in strijd met de AVG?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de database van de NOS, waarbij geïnterviewde mensen worden gereduceerd tot hun geslacht of etniciteit?
De werkwijze van de NOS begint bij de inhoud, waarbij volgens de NOS vervolgens rekening wordt gehouden met een veelheid aan dimensies binnen diversiteit, niet alleen geslacht en etniciteit. Met het in beeld brengen van diverse bronnen en het vertellen van verschillende verhalen zet de NOS zich in om de kwaliteit van haar journalistiek media-aanbod te verbeteren. Over de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven kan en mag men van mening verschillen. Maar ik hecht eraan om het belang van diversiteit en de bijdrage die het levert aan de journalistieke kwaliteit niet ter discussie te stellen.
Op welke manier wordt er binnen de NOS gestuurd op diversiteit?
De NOS zegt haar diversiteitsbeleid te stoelen op het uitgangspunt dat iedere Nederlander recht heeft op een brede en evenwichtige nieuwsvoorziening. Daarin ziet de NOS voor zichzelf een belangrijke taak weggelegd die langs twee lijnen wordt vervuld. Ten eerste door diversiteit als onmisbaar onderdeel aan te merken van de kwaliteit van haar journalistieke producties. Daarnaast streeft de NOS ernaar om diversiteit ook in het eigen personeelsbeleid te realiseren.
Bent u van mening dat de diversiteitsquota leidt tot discriminatoire keuzes binnen de programmering van de NOS?
Voor zover ik begrepen heb, hanteert de NOS geen diversiteitsquota. Bovendien is het niet aan mij als Minister om een oordeel te vellen over journalistieke keuzen die media maken. De redactionele vrijheid die media genieten dient immers te worden gerespecteerd.
Zijn de gasten of geïnterviewden bij een item op de hoogte dat zij geselecteerd worden op hun afkomst in plaats van hun inhoudelijke kwaliteit? Zo ja, wat vinden zij hiervan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de hoofdredacteur van de NOS eens dat het profileringsbeleid van de NOS «werkt» en «betekenis heeft»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De NOS spant zich in om een meer evenwichtige representatie te realiseren en probeert zo bij te dragen aan haar taak om kwalitatief hoogstaand journalistiek media-aanbod te verzorgen. In hoeverre de NOS daarin daadwerkelijk slaagt zal moeten blijken uit de verantwoording die de NOS aan haar publiek aflegt.
Bent u van mening dat het reduceren van mensen tot hun geslacht of etniciteit niet alleen kwetsend is, maar ronduit beledigend? Bent u ook van mening dat zeker bij een omroep uit het publieke bestel dit soort etniciteitslijsten niet bijgehouden dienen te worden, laat staan te worden gevierd? Zo ja, op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de NOS afstapt van dit soort etniciteitslijsten of diversiteits-bokalen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat het reduceren van mensen tot hun geslacht of etniciteit in geen enkele context wenselijk is. De publieke omroep is van en voor alle Nederlanders en heeft op grond hiervan de taak om alle groepen in de samenleving te bereiken en evenwichtig te weerspielen. Deze taakopdracht staat wat mij betreft niet ter discussie. De wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven is een zaak van omroepen zelf. Daarin past bemoeienis vanuit de overheid niet. Dat geldt ook voor de NOS. Ik twijfel niet aan de intenties van de NOS maar begrijp ook de gevoeligheid rondom dit thema. Dat blijkt ook uit de verschillende reacties. Het spreekt vanzelf dat de NOS haar doel en werkwijze toelicht, daarover met haar publiek in discussie gaat en daar waar nodig aanpast. Ik zie ook dat dit gebeurt. Inmiddels is de NOS met de Divibokaal gestopt.
Een brand bij de RWE centrale in de Eemshaven |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat er op zaterdag een grote brand is uitgebroken bij de RWE-centrale in de Eemshaven?1
Ja.
Is het juist dat de brand woedde in de aanvoerinstallatie van houtsnippers en dus in het gedeelte van de centrale waarin biomassa wordt verwerkt?
Kunt u al meer informatie delen over de oorzaak van de brand die zou zijn ontstaan bij het lossen van houtsnippers? Zo nee, waarom niet?
Had deze brand niet voorkomen moeten worden door veiligheidsvoorzieningen in de los- of transportinstallatie en/of door het veiligheidsbeleid voor de hele centrale?
Bent u bereid om de eigenaar van de centrale, de brandweer en andere deskundigen te laten onderzoeken hoe herhaling kan worden voorkomen?
Wordt er naast de oorzaak van de brand ook onderzocht of er sprake is van het tekortschieten van veiligheidsvoorzieningen en/of beleid en of er onverantwoorde risico’s worden genomen tijdens de bij- en meestook van biomassa in deze kolencentrale? Zo ja, bent u bereid de Kamer hierover te informeren en indien nodig en mogelijk additionele stappen te zetten zodat dit type gevaarlijke situaties zo veel als mogelijk voorkomen wordt?
Voor zover mij bekend omvat het onderzoek alle aspecten. Op basis van de conclusies van het onderzoek en eventuele aanbevelingen is het aan het bevoegd gezag om te beoordelen of er aanleiding is om aanpassingen te doen, binnen de geldende wet- en regelgeving.
Het bericht ‘Zorgen om luchtvervuiling in Brabant en Limburg: 'Wat als er een tweede golf komt en het aantal doden hier weer hoger ligt?’ |
|
Henk van Gerven (SP), Frank Futselaar (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgen om luchtvervuiling in Brabant en Limburg: «Wat als er een tweede golf komt en het aantal doden hier weer hoger ligt?»?»1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat inwoners van Limburg en Brabant bovenmatig bezorgd zijn over een heropleving van COVID-19, met name in hun directe woonomgeving die zwaar is getroffen door de pandemie?
Ik kan mij voorstellen dat bewoners in zwaar getroffen regio’s, zoals Limburg en Noord-Brabant, bezorgd zijn over een heropleving van COVID-19. Door de maatregelen op advies van de experts stapsgewijs en gecontroleerd te versoepelen, maar ook door het testen en bron- en contactonderzoek wordt getracht een tweede golf van het virus te voorkomen.
Kunt u aangeven hoe lang het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bij benadering bezig zal zijn met het door u aangekondigde onderzoek naar de eventuele relatie tussen luchtkwaliteit, veehouderij en gevoeligheid van mensen voor COVID-19?2
Zoals ik in mijn brief «COVID-19 en mogelijke relatie met dieren» van 22 april jongstleden (Kamerstuk 28 286, nr. 1088) heb aangegeven, is het RIVM gevraagd een verkenning uit te voeren naar de onderzoeksmogelijkheden aangaande de relatie luchtkwaliteit, veehouderijen en COVID-19. Dit betreft een complex vraagstuk. Ik ben met het RIVM in gesprek over de onderzoeksmogelijkheden. Nadat deze in kaart zijn gebracht zullen mijn collega’s van I&W en VWS en ikzelf besluiten of en zo ja, welke onderzoeken we willen uitzetten bij het RIVM. Daarbij worden de regionale partijen zoals de provincie Noord-Brabant en de GGD betrokken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Welke mogelijkheden ziet u om in afwachting van de resultaten van dit onderzoek te starten met het verbeteren van de luchtkwaliteit, bijvoorbeeld door te beginnen met het inkrimpen van de veestapel in de meest veedichte gebieden?
Het is bekend dat luchtverontreiniging in het algemeen kan leiden tot een verhoogd risico op ziekte en sterfte. Daarom heeft het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de gezondheid de volle aandacht. Met het Schone Lucht Akkoord (hierna: SLA) zet het kabinet samen met decentrale overheden zich in om voor alle inwoners van Nederland de luchtkwaliteit te verbeteren zodat de gezondheidsschade door luchtverontreiniging minder wordt. Binnen het SLA wordt ingezet op de belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging voor de impact op gezondheid zoals verkeer, landbouw, houtstook en industrie.
De maatregelen in het kader van de stikstofaanpak, de verduurzaming van de veehouderij (middels stalinnovaties) en het Klimaatakkoord zullen eveneens bijdragen aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over de resultaten van tot op heden uitgevoerde internationale onderzoeken naar de relatie tussen luchtkwaliteit en risico’s op besmetting met COVID-19 en de effecten op medische schade daardoor?
Zoals de Staatssecretaris van I&W heeft aangegeven in haar brief van 4 mei jongstleden in antwoord op de vragen van het lid Van Esch (PvdD) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2667) zal uw Kamer geïnformeerd worden over welk onderzoek er in internationaal verband (Multi-Country Multi-City Collaborative Research Network) uitgevoerd zal worden naar de relatie tussen luchtkwaliteit en COVID-19.
Is het uitgesloten dat mensen die werken in een nertsenfokkerij besmet kunnen raken door met het coronavirus besmette nertsen?
Nee. Er zijn tot op heden op 25 locaties een besmetting met SARS-CoV-2 bij nertsen aangetroffen. Op twee locaties is naar alle waarschijnlijkheid SARS-CoV-2 overgegaan van nerts naar mens. Op beide locaties heeft de infectie waarschijnlijk plaatsgevonden toen nog niet bekend was dat nertsen op dit bedrijf besmet waren en er nog geen persoonlijke beschermingsmiddelen werden gebruikt. Inmiddels is het gebruik van niet medische mondkapjes en gezichtsschermen op alle nertsenbedrijven verplicht. Daarnaast zal de NVWA het toezicht op de naleving van de maatregelen ter voorkoming van infectie van nertsen met SARS-CoV-2 intensiveren. Naast het traceringsonderzoek dat door de NVWA en GGD wordt gedaan zal de Faculteit Diergeneeskunde de komende tijd op alle besmette bedrijven nog uitgebreider onderzoek doen om introductieroutes te achterhalen.
Wat is de medische stand van zaken met betrekking tot de overdracht van het COVID-19 virus?
Het SARS-CoV-2-virus verspreidt zich vooral via druppels in de lucht en mogelijk via oppervlaktes. De stuwende kracht achter de uitbraak van COVID-19 is de mens-op-mens overdracht. Daarnaast zijn er nertsenbedrijven positief getest voor SARS-CoV-2, waarbij het aannemelijk is dat de nertsen via verzorgers besmet zijn geraakt. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven, hebben er naar alle waarschijnlijkheid vervolgens ook enkele besmettingen van nerts op mens plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat de bedrijfsactiviteiten van de nertsenhouderijen waar SARS-CoV-2 aangetroffen is bij dieren versneld afgebouwd dienen te worden in aanloop naar het verbod op pelsdierhouderij, gezien de omstandigheden in het gebied en de mogelijke risico’s tot besmetting van andere nertsenhouderijen en het aldaar werkzame personeel?
Besmette nertsenbedrijven worden geruimd. Zoals ik in mijn brief «Reactie op aangenomen moties over COVID-19 gerelateerd aan slachthuizen en de nertsenhouderij» van 1 juli jongstleden (Kamerstuk 28 286, nr. 1120) heb aangegeven, onderzoek ik of en zo ja hoe een stoppersregeling kan worden vormgegeven waarmee deze bedrijven op korte termijn vrijwillig hun bedrijfsvoering kunnen beëindigen. Het kabinet is voornemens om in augustus aanstaande een besluit te nemen over de stoppersregeling en de Kamer daarover te informeren.
Het niet naar behoren beantwoorden van Kamervragen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om per vraag die ik u heb gesteld over de betrokkenheid van Nederland bij spionageoperatie «Rubicon» en afluistergenootschap «Maximator» aan te geven of u bij de beantwoording een beroep doet op het belang van de staat en een motivering te geven waarom u de informatie niet zou kunnen verstrekken en daarbij in ieder geval per vraag aan te geven welke argumenten u hebt om een beroep te doen op het belang van de staat, aan te geven welke risico’s eventueel verbonden zouden zijn met het verstrekken van deze informatie en welke schade u verwacht dat het gevolg zou zijn van de beantwoording van de vraag?1
Er is bij de beantwoording van de door u gestelde vragen geen sprake van een beroep op het belang van de staat als bedoeld in artikel 68 van de Grondwet, omdat er geen sprake is van het weigeren van verstrekking van informatie. Bij de verstrekking van informatie aan het parlement waar het gaat om de taakuitvoering van de diensten wordt het uitgangspunt «openbaar, tenzij ...» gehanteerd. Het is inherent aan de taakuitvoering van de diensten dat omtrent bepaalde aangelegenheden vanwege het staatsgeheime karakter slechts vertrouwelijk mededeling kan worden gedaan. Door uw Kamer is voor dit doel de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) ingesteld, die onder beding van geheimhouding parlementaire controle uitvoert op de geheime aspecten van de taakuitvoering van de diensten.2
De opstand in jeugdgevangenis Den Hey-Acker |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Oproer Den Hey-Acker. Bond: geweld in gevangenis vaak door personeelstekort»?1
Geweld hoort niet thuis in justitiële inrichtingen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) doet er alles aan om incidenten te voorkomen. Zo krijgt het personeel intensieve trainingen in het omgaan met situaties die mogelijk kunnen escaleren. Helaas laat de praktijk zien dat er soms toch sprake is van een incident zoals in het artikel. Als er een incident plaatsvindt worden passende maatregelen genomen en wordt daarnaast ingezet op nazorg voor personeel. Met de krapte op de arbeidsmarkt en het verloop van personeel binnen de inrichtingen is het aantrekken van nieuw personeel blijvend onder mijn aandacht. Ik herken mij echter niet in de suggestie die wordt gewekt als zou het incident in Den Hey-Acker het gevolg zijn van een tekort aan personeel.
Wat heeft zich tijdens deze opstand afgespeeld in deze jeugdgevangenis en hoe heeft dit kunnen gebeuren? Wordt dat onderzocht? Wanneer zijn de resultaten hiervan te verwachten en bent u bereid de Kamer hier te zijner tijd inhoudelijk over te informeren?
Op 14 mei 2020 is er in de middag een incident geweest met twee jongeren van de Individuele Traject Afdeling (ITA) van de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (Rijks JJI) locatie Den Hey-Acker. Op de ITA worden jongeren geplaatst die eerder incidenten hebben veroorzaakt in de jeugdinrichting en waarvan de inschatting is dat zij niet functioneren in een regulier regime of deze zullen verstoren. Er verblijven maximaal zes jongeren met een aangepast programma op de leefgroep. Het klopt niet dat er één medewerker per jongere aanwezig hoort te zijn. Per dienst horen drie medewerkers beschikbaar te zijn. Op het moment van het incident waren er overigens vier medewerkers aanwezig.
Op 14 mei ontstond een opstandige sfeer tijdens het recreatiemoment. Er werd door twee jongeren met water en daarna met pannen richting groepsleiders gegooid. Al tijdens het gooien van water is door een medewerker op de alarmknop gedrukt. Toen er met pannen werd gegooid hebben de op de groep aanwezige medewerkers zich terug moeten trekken. Drie medewerkers hebben de afdeling kunnen verlaten, een van de medewerkers heeft zich in het voorraadhok ingesloten. Er is direct 112 gebeld. De politie was snel ter plaatse en heeft ingegrepen.
Na het incident is er direct melding gemaakt bij de betrokken inspecties.2 De inspecties hebben DJI verzocht intern onderzoek naar het incident uit te voeren en hen daarover te rapporteren. In september zendt DJI de uitkomsten van het interne onderzoek aan de inspecties. De inspecties beoordelen aan de hand hiervan of er eventuele vervolgstappen komen. Als het onderzoek of een eventuele vervolgstap van de inspecties daartoe aanleiding geeft, zal ik de resultaten met de Kamer delen.
Hoe groot is het personeelstekort in de jeugdgevangenissen op dit moment? Hoe vordert het met uw beloftes om extra personeel te werven?
Wat betreft de personele bezetting in jeugdgevangenissen heb ik alleen zicht op de medewerkers in de Rijks JJI’s. De personele bezetting van de Rijks JJI’s is op orde. Ik zie hierin dan ook geen verband met het aantal incidenten.
Om de personele bezetting op orde te houden worden doorlopend wervingsacties uitgevoerd. Met de huidige werving wordt geanticipeerd op de verwachte uitstroom van personeel. De werving voor de Rijks JJI’s verloopt goed, de bezetting is in de eerste vier maanden van 2020 met ruim 20 fte gestegen.
Eventuele personele krapte wordt altijd opgevuld met uitzendkrachten. Als deze niet beschikbaar zijn en er een dreigend tekort is aan medewerkers in een JJI, kan het dagprogramma tijdelijk worden aangepast en in het uiterste geval wordt een afdeling (tijdelijk) gesloten.
Ziet u, net als de woordvoerder van vakbond Juvox, een oorzakelijk verband tussen dit soort opstanden en de tekorten aan personeel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt onderzocht of het inderdaad zo is dat lang niet alle geweldsincidenten gemeld worden?
Alle geweldsincidenten in een JJI worden geregistreerd. Conform de procedure wordt echter alleen een melding bijzonder voorval (MBV) opgesteld bij geweldsincidenten die leiden tot ernstig lichamelijk letsel. Er zijn mij geen signalen bekend dat incidenten die leiden tot ernstig lichamelijk letsel niet worden gemeld.
De opvolging van geweldsincidenten kan per geval verschillen. Daarbij geldt uiteraard dat in principe altijd aangifte wordt gedaan bij strafbare feiten, waarbij bijzondere aandacht is voor aangiftes die gedaan worden in het kader van Veilig Publieke Taak (VPT). DJI is periodiek in gesprek met de politie en het OM om de opvolging van VPT-aangiftes te verbeteren.
Hoe groot is het tekort aan personeel in Den Hey-Acker op dit moment? Klopt het dat op de Individueel Trajectafdeling één medewerker per jongere aanwezig hoort te zijn? Zo ja, waar waren die op het moment van de geweldsexplosie?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat het nu met het betrokken personeel? Wat voor nazorg krijgen zij?
Het gaat naar omstandigheden goed met de betrokken medewerkers. Er wordt nazorg geleverd conform het «Beleid opvang en nazorg aan personeel» van de inrichting. Dit betekent dat de medewerkers nazorg aangeboden hebben gekregen vanuit slachtofferhulp en het eigen nazorgteam. Voor het gehele team is er een gesprek met de traumapsycholoog georganiseerd. Daarnaast wordt ook individuele traumaverwerking aangeboden aan de medewerkers die hier behoefte aan hebben.
Het Openbaar Vervoer |
|
Lisa Westerveld (GL), Wim-Jan Renkema (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het openbaar vervoer (OV) een publieke dienst is en dat we moeten zorgen dat deze voor mensen zoveel mogelijk bereikbaar blijft?
Ik vind het belangrijk dat iedereen die is aangewezen op het openbaar vervoer daar gebruik van kan maken. Daarom zet ik samen met de sector alles op alles om er voor te zorgen dat juist de mensen die aangewezen zijn op het OV ook onder de huidige omstandigheden op een veilige en verantwoorde manier met het OV kunnen reizen.
Deelt u de mening dat de term «pretreiziger» geen recht doet aan al die mensen die er voor kiezen om van het OV gebruik te maken, omdat ze geen auto hebben en/of omdat ze bewust kiezen voor de milieuvriendelijkste vorm van vervoer?
Zoals u weet ben ik groot liefhebber en voorstander van het reizen met het openbaar vervoer. Door de COVID-19 maatregelen was de capaciteit in het OV in de periode vóór 1 juni helaas zeer beperkt. Sinds 1 juni rijdt de NS met een maximale inzet van materieel en personeel en een zo normaal mogelijke dienstregeling. Samen met de alle partijen in de OV-sector doe ik er alles aan om het OV beschikbaar te houden voor de mensen die hier op aangewezen zijn.
Is bij het vaststellen van het OV-protocol vooral gekeken naar de belangen van de OV-bedrijven, forenzen en werkgevers of naar de belangen van iedereen in het OV?
Het protocol is een gezamenlijk document dat door alle vervoerders, concessie-verlenende overheden, ProRail, in aanwezigheid van reizigersorganisatie Rover en de vakbonden, in het Nationaal OV Beraad (NOVB) is vastgesteld. Het protocol maakt stapsgewijs meer mobiliteit weer mogelijk, waarbij veiligheid en gezondheid van het OV-personeel en de reiziger voorop staat. Alle belangen zijn hierbij meegewogen.
Zijn behalve werkgevers, vakbonden en reizigersorganisaties ook vertegenwoordigers van studenten en mensen met een beperking betrokken bij het maken van de afspraken over het OV? En zijn de studentenbonden betrokken bij de afspraken over collegetijden?
Vanaf 1 juni rijdt NS met een maximale inzet van materieel en personeel een zo normaal mogelijke dienstregeling en is ook de NS reisassistentie weer volledig beschikbaar. Daarmee kunnen alle reizigers met een auditieve, visuele en motorische beperking weer gebruik maken van de gebruikelijke NS reisassistentie, dus ook reizigers met een hand bewogen rolstoel die op de brug of op de plank een duwtje nodig hebben om in de trein te komen.
Hoe toegankelijkheid verder wordt gewaarborgd voor deze groep is onderwerp van gesprek in de werkgroep OV-protocol. In samenspraak met belangenbehartigers van mensen met een beperking bekijkt die werkgroep welke impact het protocol heeft op het reizen van mensen met een beperking in het OV en of eventueel aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van het OV op peil te houden. Mijn inzet hierbij is dat wordt uitgegaan van gelijkwaardigheid in de uitvoering van de maatregelen van het OV-protocol en dat het voorzieningenniveau voor mensen met een beperking zo veel mogelijk terug gaat naar het niveau van voor de crisis. Hoe dit uitgewerkt wordt, zal ik aan uw Kamer laten weten in de brief die ik heb toegezegd bij het notaoverleg openbaar vervoer, infrastructuur en corona van 28 mei jongstleden.
Wordt de spreiding van studenten in het OV bereikt middels gespreide aanvangstijden van onderwijsinstellingen of met beperkingen van de OV-studentenkaart?
De spreiding wordt bereikt door middel van gespreide aanvangs- en eindtijden van de onderwijsactiviteiten. Verder blijft ook voor studenten de algemene oproep om zo veel mogelijk te lopen of gebruik te maken van de fiets en drukte te vermijden.
Hoe ziet de begeleiding eruit van reizigers met een beperking? Krijgen zij dezelfde extra service als gebruikelijk? Hoe verhouden afstandsregels zich tot deze mensen? Mogen hulpmiddelen zoals rolstoelen, looprekjes, aangepaste fietsen enzovoort wel mee?
Omwille van de veiligheid van medewerkers in het OV waren tijdelijk maatregelen nodig waardoor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het OV werden beperkt. In het OV-protocol dat ik op 14 mei heb vastgesteld1, is opgenomen dat dit protocol voor iedere reiziger van toepassing is, dus ook de reiziger met een beperking. Voor deze laatste doelgroep wordt in overleg met vervoerders en belangenbehartigers van mensen met een beperking goed vinger aan de pols gehouden en waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden genomen om de toegankelijkheid van het OV te borgen.
NS Reisassistentie is per 1 juni weer volledig beschikbaar, dus ook als dit betekent dat iemand met een hulpmiddel hulp nodig heeft om in of uit de trein te komen. Voor vervoer door NS geldt voorts dat alle hulpmiddelen voor mensen met een beperking die voorheen mee mochten in de treinen van NS ook nu mee mogen in de NS-treinen. Ook fietsen die door mensen met een beperking worden gebruikt als hulpmiddel mogen nog steeds mee in de treinen van NS.
Als er, om in- en uitstappen te versimpelen, geen fietsen meer mee mogen in de trein, kan dan de OV-fiets standaard worden toegevoegd als reisproduct voor alle OV-chipkaart-houders? Is het mogelijk om af te spreken dat OV-fietsen tijdelijk ook op een ander station mogen worden ingeleverd?
Het huren van een OV-fiets kan altijd door iedereen op de persoonlijke OV-chipkaart worden toegevoegd (middels eenmalige registratie op het persoonlijke OV-chip account). Mensen kunnen op bijna 300 locaties maximaal twee fietsen huren per account. Het inleveren van fietsen bij een ander station dan waar die fiets is gehuurd is mogelijk, maar hier zijn wel kosten aan verbonden (€ 10 per keer). Aan het terugbrengen van fietsen naar hun oorspronkelijke locatie zijn namelijk ook voor NS kosten verbonden, is logistiek complex en vraagt capaciteit. De inzet is er momenteel op gericht om alle fietsenstallingen weer te openen, inclusief de servicepunten. Met de vervoerders is afgesproken om lopende de maand juni te evalueren, en te kijken of en wanneer het weer mogelijk zou kunnen worden om de fiets in de trein mee te nemen.
Is er gekeken naar de inzet van touringcars en andere vervoersmiddelen om het reguliere OV te ontlasten? Welke andere manieren ziet u om de capaciteit in het OV te vergroten?
In samenwerking tussen vervoerders, ProRail, concessieverleners, reizigersorganisaties en vakbonden is het OV protocol opgesteld om maatregelen in de OV sector vast te leggen. Hierin is afgesproken dat vervoerders met de maximale inzet van materieel en personeel streven naar een zo normaal mogelijke dienstregeling per 1 juni. Met maatwerkoplossingen zorgen vervoerders ervoor dat vraag en capaciteit maximaal op elkaar aansluiten. Indien nodig maken vervoerders hier ook gebruik van de inzet van andere touringcars om de capaciteit te vergroten.
Welke maatregelen wilt u nemen om het gebruik van de (elektrische) fiets te stimuleren om het OV te ontlasten?
De belangrijkste maatregel om het OV te ontlasten is het inzetten op spreiding. Door goed te spreiden wordt piekdrukte voorkomen en kunnen er door de dag heen meer mensen op een veilige manier van het OV gebruik maken.
Ten aanzien van de (elektrische) fiets zet ik het huidige fietsbeleid voort, gericht op meer mensen op de fiets naar het werk. Daarnaast maak ik afspraken met onderwijsinstellingen om het OV te ontlasten. Ik heb dit al gedaan voor de onderwijssectoren die (nu en binnenkort) open zijn: leerlingen komen zoveel mogelijk te voet of op de fiets naar school. Met VNO-NCW en MKB-Nederland ben ik in gesprek over spreiden van drukte op (lokale) wegen naar diverse bestemmingen zoals horeca. Fietsstimulering maakt onderdeel uit van deze gesprekken. In communicatie-uitingen vanuit het Rijk wordt zoveel mogelijk gestuurd op lopen en fietsen.
Klopt het, dat op dit moment mensen met een beperking maar zeer beperkt ondersteuning krijgen via Reisassistentie? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Op welke manier wordt de toegankelijkheid van het OV voor mensen met een beperking gewaarborgd? Wanneer komen er aanvullende afspraken binnen het OV protocol zodat het openbaar vervoer voor iedereen toegankelijk blijft?
Zie antwoord vraag 4.
De persvrijheid op Curaçao |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op klachten van journalisten over de beperking van de persvrijheid op Curaçao in coronatijd?1
Zoals u eerder medegedeeld in beantwoording op de Kamervragen op 19 mei 2020 over de persvrijheid op Aruba, is het juist in een moeilijke periode als deze van belang dat burgers zowel door de overheid als door onafhankelijke journalisten geïnformeerd kunnen worden over ontwikkelingen in hun omgeving. Dat geldt voor alle landen in ons Koninkrijk. Journalisten informeren de inwoners over de laatste ontwikkelingen rond het coronavirus en zijn als journalistieke waakhond cruciaal voor het functioneren van de democratie. Dat moet ondanks de crisis door kunnen gaan. Zonder over de casuïstiek te oordelen, vind ik dat er ook tijdens de crisis ruimte moet zijn voor de informerende en controlerende rol van journalisten.
Deelt u de opvatting dat juist in tijden van crisis de vrije media een belangrijke controlerende taak hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat dit moet gelden voor alle landen van het Koninkrijk en dus ook voor het land Curaçao?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat de financiële steun aan Curaçao gepaard mag gaan met eisen aan de persvrijheid?
In mijn brief van 22 mei 2020 over aanvullende financiële steun aan Curaçao en Sint-Maarten in verband met COVID-19, zijn voor Curaçao voorwaarden opgenomen die zich voornamelijk richten op de financiële sector. De voorwaarden zijn gericht op effect en op voorhand niet limitatief vastgesteld. Per tranche van de liquiditeitssteun wordt besloten over de voorwaarden, die ook buiten de financiële sector kunnen liggen. In het plenaire debat met uw Kamer van 20 mei jl. over de incidentele suppletoire begroting inzake liquiditeitssteun Aruba, Curaçao en Sint Maarten heb ik dit uiteengezet en aangegeven bereid te zijn met een brede blik naar de voorwaarden te kijken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het debat op woensdag 20 mei over financiële steun aan Curaçao?
Beantwoording binnen een tweetal dagen is niet gelukt gelet op de zorgvuldigheid die ik voorsta in de beantwoording en de in dat kader benodigde afstemming. Op 19 mei jl. heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.
Veilige evenementen |
|
Eppo Bruins (CU), Rutger Schonis (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een drive-in bioscoop: organisatoren staan te trappelen maar krijgen geen vergunning»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Bent u bekend met de signalen uit het bericht, namelijk dat er bij een vergunningsaanvraag meteen wordt afgewezen op basis van de noodverordening en niet wordt gekeken of een individueel evenement veilig is volgens de RIVM-richtlijnen?
Het verbod op evenementen tot 1 september 2020 was een maatregel die noodzakelijk was om de verdere verspreiding van het Corona-virus tegen te gaan.
Op 24 juni heeft besluitvorming plaatsgevonden en zodoende wordt per 1 juli het algemene verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen opgeheven. Het is aan de lokale autoriteiten om te bepalen of organisatoren hun activiteit voldoende op anderhalve meter in kunnen richten en tevens aan andere van toepassing zijnde maatregelen kan worden voldaan. De procedure voor het aanvragen van een vergunning kost tijd en het zal dus een aantal weken duren voordat de eerste evenementen weer kunnen plaatsvinden. Niet alles zal meteen mogelijk zijn. 1,5 meter afstand houden blijft ook de norm bij evenementen.
Bent u het ermee eens dat door een algemeen verbod op evenementen met een vergunnings- en meldplicht veilige evenementen onnodig geen doorgang kunnen krijgen?
Nee. Een algemeen verbod op evenementen was een eenduidige norm die, vanwege de mogelijke effecten op de publieke gezondheid, het gebruik van de publieke ruimte, de handhaafbaarheid en op (de beschikbare capaciteit in) het openbaar vervoer noodzakelijk geacht werd. Gezien de positieve ontwikkelingen wordt per 1 juli is het algemeen verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen opgeheven.
Kunt u toelichten waarom het in Nederland niet mogelijk is om net als in Duitsland2 en Denemarken3 evenementen te organiseren die veilig zijn?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is het afschalen van maatregelen een politieke afweging, waarbij niet alleen het gezondheidsperspectief wordt meegewogen maar ook het maatschappelijk en economisch perspectief.
Bent u het ermee eens dat hierdoor onnodig schade wordt geleden door een sector die reeds hard wordt getroffen door de corona maatregelen?
Ik besef dat de maatregelen ter voorkoming van het coronavirus onvermijdelijke gevolgen hebben voor de economie. We zien dat daardoor ook de evenementensector zwaar getroffen wordt, net als andere sectoren. Daarom ondersteunt het kabinet (zelfstandig) ondernemers met tijdelijke financiële regelingen. De steun heeft als doel dat Nederland zich kan aanpassen aan een veranderde samenleving en economie. De regelingen zijn in twee noodpakketten gepresenteerd op 17 maart en 20 mei 2020.
Bent u bereid om het OMT te vragen te bezien hoe bij de advisering over sectoren meer maatwerk mogelijk kan worden gemaakt anders dan een generiek go/no-go signaal?
Het kabinet streeft naar eenduidige normen binnen sectoren. Op 24 juni is op basis van adviezen van het OMT besloten dat een verdere versoepeling van de maatregelen mogelijk is.
Bent u bereid burgemeesters meer ruimte te bieden om uitzonderingen op te nemen in de noodverordening die de mogelijkheid bieden evenementen die kunnen plaatsvinden, conform de richtlijnen van het RIVM doorgang te laten vinden?
Zoals ik eerder heb aangegeven is op 24 juni besloten dat het algemene verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen per 1 juli wordt opgeheven. Het is aan de lokale autoriteiten om te bepalen of organisatoren hun activiteit voldoende op anderhalve meter in kunnen richten en tevens aan andere van toepassing zijnde maatregelen kan worden voldaan.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat studenten drie maanden collegegeld terugkrijgen bij vertraging afstuderen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Welke reden ziet u om aan te nemen dat studenten die niet in het jaar van afstuderen zitten en studievertraging oplopen dit nog kunnen inhalen? Zijn hierover afspraken gemaakt met de instellingen in het hoger onderwijs? Op welke wijze gaan instellingen in het hoger onderwijs hiervoor gecompenseerd worden?1
Alle onderwijsinstellingen in het mbo en ho werken hard aan het voorkomen van studievertraging voor studenten. Studenten die niet in het laatste jaar van hun studie zitten kunnen tijdens hun studie nog eventuele vakken inhalen. Instellingen spannen zich in om ervoor te zorgen dat studenten zo weinig mogelijk achterstand oplopen of deze tijdens de studie kunnen inlopen. Laatstejaars studenten met vertraging kunnen dat niet omdat zij in het laatste jaar zitten. In het hoger onderwijs loopt het meeste onderwijs gewoon (digitaal) door. Zowel de student als de instelling heeft baat bij zo min mogelijk studievertraging. Toch zal dit voor sommige studenten niet geheel te voorkomen zijn en geldt voor hen dat zij hun studievertraging op een later moment dienen in te halen. Voor hen geldt dat de oplossing meer ligt in het bieden van meer tijd om die studievertraging binnen een redelijke termijn in te halen. Hier zijn in het kader van het servicedocument ho afspraken over gemaakt. Zo geven instellingen eerstejaarsstudenten die door de coronamaatregelen studievertraging oplopen en als gevolg daarvan de norm van het bindend studieadvies (bsa) in het studiejaar 2019–2020 niet halen, de mogelijkheid de bsa-norm te halen in het volgende studiejaar. Ook kunnen studenten in het hoger onderwijs erop rekenen dat coulance wordt betracht wanneer zij door corona niet binnen de diplomatermijn kunnen afstuderen. Normaliter wordt de hele prestatiebeursschuld omgezet in een lening (alle ontvangen basisbeurs, aanvullende beurs en de reisvoorziening) als een student niet binnen 10 jaar na aanvang van de studiefinanciering afstudeert. Dit is opgelost door de diplomatermijn ter verlengen met coulance/hardheidsclausule. Voor studenten die de overstap willen maken van het hbo naar het wo, of van bachelor naar master, maar door het COVID-19 virus niet op tijd aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen kunnen voldoen, zijn ook afspraken gemaakt met instellingen. Deze studenten kunnen doorstromen naar de vervolgopleiding onder de voorwaarde dat zij binnen een redelijke termijn alsnog voldoen aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen. Onderwijsinstellingen worden voor deze inspanningen niet gecompenseerd.
Waarom is in dit steunpakket geen compensatie opgenomen voor de instellingen in het hoger onderwijs?
In het compensatiepakket zoals beschreven in de brief van 15 mei jl. is een subsidieregeling aangekondigd voor het inhalen van onderwijsachterstanden voor groepen kwetsbare kinderen en studenten. Doordat de coronacrisis kan leiden tot verergering van de kansenongelijkheid en daarmee tot verlies aan menselijk kapitaal, heeft het kabinet extra aandacht voor deze kwetsbare groepen. Omdat deze groepen meer voorkomen in het po, vo en mbo is ervoor gekozen om het compensatiepakket daarop te richten.
Deelt u de mening dat het juist dankzij een geweldige inspanning van de docenten in het hoger onderwijs is, dat er nog zoveel onderwijs doorgang kan vinden? Kunt u dit toelichten?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat juist door inspanning van alle leraren en docenten het onderwijs zo veel mogelijk doorgang kan vinden. Ook voor het hoger onderwijs is dat zeker waar. In alle sectoren gaat het onderwijs zo veel mogelijk digitaal door. Ik waardeer de inzet van al die leraren en docenten dan ook zeer.
Bent u zich ervan bewust dat deze omslag naar digitale onderwijsvormen ook kosten met zich meebrengt? Zo ja, hoe worden deze gecompenseerd?
Het is logisch dat er kosten zullen zijn voor digitale onderwijsvormen. Dat neemt niet weg dat deze omslag in het hoger onderwijs voor een deel al was voorzien. De investeringen hierin zouden waarschijnlijk later in de toekomst zijn gedaan en zijn nu naar voren gehaald. Dat betekent dat dit jaar een deel van de (bestemmings)reserves kan worden ingezet dat anders later werd ingezet. Tevens staan tegenover dit soort meerkosten ook minderkosten voor instellingen door minder gebruik van gebouwen.
Op welke manier worden instellingen vergoed voor de extra kosten die zij maken om de studievertraging, waarvoor studenten nu terecht gecompenseerd worden, met extra onderwijsinspanningen in te lopen?
Zie eerdere antwoorden op vraag 1, 2 en 4.
Op welke manier wordt er publieke verantwoordelijkheid genomen voor de vertraging die onderzoekers oplopen? Deelt u de mening dat hun positie als gevolg van de coronacrisis benard is en dat dit ook overheidssteun rechtvaardigt?
Ik ben me er van bewust dat de huidige situatie veel vraagt van wetenschappers. Ik neem deze signalen dan ook zeer serieus. Samen met de publieke kennispartners (NWO, KNAW, VSNU, VH en NFU) houdt OCW de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Er worden door de samenwerkende publieke kennispartners verschillende stappen gezet om onderzoeksvertraging waar mogelijk op te vangen of beoordeling aan te passen, ook in het licht van het nieuwe erkennen en waarderen. Daarnaast is NWO begonnen met het openbaar maken van calls die in de toekomst gepubliceerd worden. Dit geeft onderzoekers meer tijd om aanvragen voor te bereiden en hun planning daarop aan te passen. Nieuwe sluitingsdata van gepauzeerde calls worden ruim van tevoren gepubliceerd. Ook wordt gekeken of er mogelijkheden zijn om onderzoekers verlenging te bieden indien ze die nodig hebben om hun onderzoek af te ronden.
We kijken daarnaast naar mogelijkheden om het onderzoekswerk te hervatten binnen de kaders van de coronamaatregelen. Ik verwijs u daarvoor graag naar het servicedocument dat wij regelmatig uitbrengen en het protocol «Herstart Universiteiten». Alle bovenstaande maatregelen zijn er op gericht om onderzoekers zo veel mogelijk te ondersteunen in deze bijzondere omstandigheden.
Daarnaast investeert het kabinet in totaal € 47,5 miljoen – via de ministeries van VWS, OCW en EZK en wetenschapsfinanciers ZonMw en NWO en de topsector LSH – in coronagerelateerd onderzoek. Tot slot span ik mij in Europa in om binnen de financiële middelen van Horizon 2020 de continuïteit voor onderzoeksprojecten te borgen. Dat betreft een case by case benadering, geen generieke maatregelen.
Welke financiële consequenties heeft de meer kleinschalige inrichting, zoals die de komende tijd te verwachten is als gevolg van de coronamaatregelen, op de instellingen in het hoger onderwijs? Bent u bereid deze consequenties op te vangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat de anderhalvemetersamenleving consequenties zal hebben. Welke financiële impact dat heeft is niet bekend. Deze kosten hangen ook af van hoelang de crisis duurt en wanneer de coronamaatregelen versoepeld kunnen worden. Voor het hoger onderwijs zijn op dit moment de Vereniging Hogescholen en VSNU nog bezig met een inventarisatie van de kosten voor de korte en middellange termijn. Dit kan inzichtelijk maken tegen welke kosten instellingen aanlopen. Hogescholen en universiteiten zijn grotendeels publiek bekostigde instellingen. Er zijn op dit moment geen acute liquiditeitsproblemen.
Het functioneren van medezeggenschap in tijden van corona |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is de juridische status van het Servicedocument HO-aanpak Coronavirus COVID-19? Gaat het hier om een informatieve handreiking, een dwingende aanwijzing of bijvoorbeeld een collectieve afspraak van de overheid met onderwijsinstellingen? Hoe verhoudt het Servicedocument zich tot de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en Wet op de ondernemingsraden (WOR), specifiek waar het gaat om medezeggenschap? Vervangt het servicedocument de betreffende wetten? Zo ja, wat is hier de wettelijke grondslag voor?
In het servicedocument zijn bestuurlijke afspraken neergelegd tussen mij en de koepelorganisaties en bonden binnen het (hoger) onderwijs. Hoger onderwijsinstellingen hebben zich door middel van de koepelorganisaties gecommitteerd aan deze afspraken. De afspraken in het servicedocument als het gaat om de medezeggenschap laten onverlet wat in de WHW en in de WOR over de medezeggenschap is geregeld. In het servicedocument is daarom opgenomen dat het uitgangspunt is dat de medezeggenschap, zowel centraal als decentraal, de instemmings- en adviesrechten blijft uitoefenen. Tegelijkertijd zijn vanwege de uitzonderlijke crisissituatie afspraken opgenomen over de wijze van het betrekken van de medezeggenschap gedurende de crisis. In alle gevallen moet de medezeggenschap, zij het met bijvoorbeeld een kortere reactietermijn of in sommige gevallen achteraf, haar rol kunnen blijven vervullen. In het servicedocument is afgesproken dat de instellingen zich hiertoe inspannen.
Kunt u, gezien het feit dat het Servicedocument steeds wordt aangepast aan de veranderende werkelijkheid, inzicht geven of en hoe lang het naar uw mening legitiem is om de mogelijkheid om af te wijken van de gangbare medezeggenschapsprocedures, specifiek de mogelijkheid tot het informeren achteraf van medezeggenschap, in stand te houden? Bent u het met de mening eens dat het feit dat de eerste crisisweken voorbij zijn het nu zaak is zoveel mogelijk de bestaande medezeggenschapsprocedures, al dan niet digitaal, te herstellen? Hoe verhoudt het opnemen van deze mogelijkheid in het Servicedocument zich met de medezeggenschapsprocedures zoals vastgelegd in de WHW en de WOR?
De instellingen spannen zich in om de medezeggenschap haar rol te kunnen laten vervullen. Het ligt voor de hand dat instellingen alleen afwijken van de gebruikelijke procedure indien en voor zover dit noodzakelijk is om tijdig uitvoering te geven aan de afspraken in het servicedocument en tijdig te kunnen handelen in crisistijd. Wanneer van die noodzaak sprake is, wordt van de medezeggenschap gevraagd flexibiliteit te tonen. De afspraken in het servicedocument als het gaat om de medezeggenschap laten onverlet wat in de WHW en in de WOR over de medezeggenschap is geregeld. Indien de medezeggenschap van oordeel is gegeven de omstandigheden niet op de juiste manier te zijn betrokken, kan een geschil hierover met het instellingsbestuur worden voorgelegd aan de geschillencommissie (artikelen 9.40 en 10.26 WHW).
Op de wijze waarop instellingen omgaan met de medezeggenschap in crisistijd wordt signaal gestuurd toezicht gehouden door de inspectie, die bijvoorbeeld kan nagaan of in een bepaald geval het pas achteraf betrekken van de medezeggenschap proportioneel en beargumenteerd was en of er in het algemeen goede werk- en/of procesafspraken zijn gemaakt tussen instellingsbestuur en medezeggenschap.
Klopt het dat de in het Servicedocument genoemde optie om de medezeggenschap eventueel pas achteraf te informeren pas in de versie van het servicedocument van 24 april is verschenen? Wat was de aanleiding om op dat moment, ruim een maand na de fysieke sluiting van de onderwijsinstellingen, deze optie toe te voegen?1
Dat klopt. Door de bijzondere omstandigheid die als gevolg van het Coronavirus COVID-19 op hogeronderwijsinstellingen was ontstaan bleek dat het noodzakelijk was om, naast het uitgangspunt dat de afspraken in het Servicedocument hetgeen in de WHW en in de WOR over de medezeggenschap is geregeld onverlet laat, deze optie toe te voegen teneinde de continuïteit van het onderwijs en de examinering te kunnen (blijven) waarborgen.
Bent u bekend met de interne notitie van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) «besluitvorming en medezeggenschap» van 17 maart, die naar universiteitsbesturen is gestuurd om eventueel als basis voor hun besluitvorming en communicatie te dienen?
Ik ben bekend met deze notitie. Naar ik van de VSNU heb begrepen betreft het hier een interne adviserende notitie aan de voorzitters van de colleges van bestuur van de verschillende universiteiten.
Is het u bekend dat in deze VSNU-notitie wordt gesteld: «In het geval sprake is van een adviesrecht of instemmingsrecht, kan het CvB onverminderd het ontbreken van een positief advies of instemmingsbesluit besluiten indien de voorgenomen beslissing van het CvB gevergd wordt door «zwaarwegende (bedrijfs)organisatorische, (bedrijfs)economische of (bedrijfs)sociale redenen» (artikel 9.40 lid 5 en 10.26 WHW; artikel 27 lid 4 WOR).»? Hoe duidt u deze zienswijze?
Ik ben bekend met de inhoud van deze interne VSNU-notitie. Voor mijn duiding van de wijze waarop de medezeggenschap gedurende deze crisis moet worden betrokken, verwijs ik naar hetgeen hierover in het servicedocument is opgenomen. Sinds 17 maart jl. zijn er geen besluiten die direct of indirect verband houden met de thematiek «Medezeggenschap in tijde van Corona» aan de geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs voorgelegd.
Bent u het met de mening eens dat het in het bovenstaande citaat aangehaalde artikel 9.40 lid 5 WHW uitsluitend van toepassing kan zijn wanneer het besluiten zijn die daadwerkelijk aan de geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs zijn voorgelegd? Kunt u een overzicht geven van het aantal besluiten dat sinds 17 maart 2020 aan de geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs zijn voorgelegd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het met de mening eens dat het in het bovenstaande citaat aangehaalde artikel 27 lid 4 WOR uitsluitend van toepassing kan zijn wanneer het besluiten betreft waarmee de ondernemingsraad niet instemt of te lang wacht met het al dan niet verlenen van instemming en inhoudt dat het geschil aan de kantonrechter wordt voorgelegd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ermee bekend dat de VSNU-notitie ook het volgende stelt: «Het CvB kan richtlijnen vaststellen met het oog op de (praktische) organisatie en coördinatie van de uitoefening van de bevoegdheden van de decaan tot algemene leiding, bestuur en inrichting van de faculteit en de uitoefening van de bevoegdheden van de decaan tot vaststelling van onder andere (nadere regels mbt) de OER, BSA, decentrale selectie, collegegelden, vrijstellingen en evc’s (artikel 9.14 en 9.15 WHW).»?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het met de mening eens dat de in bovenstaand citaat aangehaalde wetsartikelen geen enkele betrekking hebben op het vaststellen of wijzigen van een Onderwijs- en Examenregeling (OER)?
Nee. Artikel 9.15, lid 1, onderdeel a van de WHW heeft betrekking op het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling. Hieruit volgt dat de decaan is belast is met het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan.
Bent u ermee bekend dat de VSNU-notitie verder stelt: «Het CvB en de decanen kunnen – al dan niet in algemene zin – besluiten de regels in de OER met betrekking tot de (praktische) organisatie en inrichting van de toetsing aan te passen. Zij informeren de examencommissies over hun (voorgenomen) besluiten. Indien en voor zover de examencommissies vanuit hun kwaliteitsborgende rol van oordeel zijn dat er in het licht van die kwaliteitsborging onoverkomelijke bezwaren zijn tegen de wijze waarop de toetsing wordt ingericht, kan de examencommissie interveniëren.»?
Ik ben bekend met de stellingen en zinsneden uit deze interne VSNU-notitie. Voor mijn duiding van de wijze waarop de medezeggenschap gedurende de crisis moet worden betrokken verwijs ik naar hetgeen hierover in het servicedocument is opgenomen.
Waar nodig kunnen instellingen naar eigen inzicht de OER aanpassen, uiteraard met inachtneming van de rol van de medezeggenschap. Indien de continuïteit van het onderwijs en de examinering dit vereist, kan de medezeggenschap ook achteraf worden betrokken. In een dergelijk geval dient de instelling er zorg voor te dragen dat de medezeggenschap, zij het achteraf, haar rol kan vervullen.
Bent u het met de mening eens dat noch in eerder aangehaalde individuele artikelen, noch elders in de WHW een juridische basis is te vinden voor bovenstaande passage?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het met de mening eens dat deze passage niet strookt met de in het servicedocument gestelde zinsnede: «De coronamaatregelen zullen in sommige gevallen leiden tot onderwijsactiviteiten en tentaminering die afwijken van hetgeen is opgenomen in de onderwijs- en examenregeling (OER). Afhankelijk van hetgeen in een specifiek geval in de OER is geregeld en de regels en richtlijnen van examencommissies, kan er ruimte zijn om van de eigen OER af te wijken. Dit gebeurt voor zover de reguliere procedures niet gevolgd kunnen worden, de student niet onevenredig benadeeld wordt en de afwijking niet ingrijpender is dan noodzakelijk. In veel gevallen zal aanpassing van de OER aan de orde zijn, die kan plaatsvinden door middel van een addendum op de bestaande OER waarin de afwijkingen op de OER in algemene termen worden beschreven. De medezeggenschap wordt hierbij betrokken.»? Zo nee, kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Bent nu ervan op de hoogte dat in de praktijk instellingsbesturen richting hun medezeggenschap, ook in de fase van de herstart en het voorbereiden van een functioneren in een anderhalvemeter-context, nog altijd verwijzen naar het VSNU-memo als een werkinstrument, als het gaat om het eventueel niet of slechts achteraf betrekken van medezeggenschap bij besluiten? Is dergelijke handelwijze naar uw oordeel in overeenstemming met wet- en regelgeving? Bent u bereid de instellingen op dit punt in uw handreiking duidelijkheid te verschaffen?
Zoals eerder aangegeven zijn in het servicedocument bestuurlijke afspraken neergelegd tussen mij en de koepelorganisaties en bonden binnen het (hoger) onderwijs. Hoger onderwijsinstellingen hebben zich door middel van de koepelorganisaties gecommitteerd aan deze afspraken. Ik ga er dus van uit dat instellingsbesturen de in het servicedocument opgenomen uitgangspunten ook in de praktijk toepassen. De afspraken in het servicedocument zijn duidelijk en als het gaat om de medezeggenschap laten zij onverlet wat in de WHW en in de WOR over de medezeggenschap is geregeld. Ik zal dit in de bestuurlijke overleggen die ik voer met de koepelorganisaties en bonden ook benadrukken. In het servicedocument is daarom opgenomen dat het uitgangspunt is dat de medezeggenschap, zowel centraal als decentraal, de instemmings- en adviesrechten blijft uitoefenen. Tegelijkertijd zijn vanwege de uitzonderlijke crisissituatie afspraken opgenomen over de wijze van het betrekken van de medezeggenschap gedurende de crisis. In alle gevallen moet de medezeggenschap, zij het met bijvoorbeeld een kortere reactietermijn of in sommige gevallen achteraf, haar rol kunnen blijven vervullen. In het servicedocument is afgesproken dat de instellingen zich hiertoe inspannen.
Kent u het het artikel over medezeggenschap en proctoring in universiteitskrant Mare van 14 mei 2020? In hoeverre past volgens u de geschetste (zeer beperkte) betrokkenheid van medezeggenschap bij de invoering van proctoring met de geest van het servicedocument?2
Ja, dat ken ik. Zoals ik in antwoord op de eerdere Kamervragen van uw hand van 28 april 2020 omtrent het artikel van Mare heb aangegeven, kan de medezeggenschap ook achteraf worden betrokken indien de continuïteit van het onderwijs en de examinering dit vereist. Ook in een dergelijk geval spant de instelling zich in om te zorgen dat de medezeggenschap, zij het achteraf, haar rol kan vervullen.
Bent u bereid deze vragen een voor een te beantwoorden?
Ik ben uiteraard bereid elk van de gestelde vragen te beantwoorden. Om de overzichtelijkheid van mijn beantwoording te bevorderen en herhaling in de beantwoording te voorkomen heb ik de beantwoording van vragen 5, 6, 7 en 8 en de beantwoording van de vragen 10, 11 en 12 samengenomen.