De betrokkenheid van Defensie bij de bestrijding van de pandemie |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel op Defensie Platform: «Verstandig Bestuur»?1
Ja.
In hoeverre kunt u zich voorstellen dat militairen van Defensie een grotere rol voor zichzelf zien weggelegd in de planning, organisatie en uitvoering van het vaccinatieprogramma en bestrijding van het coronavirus?
In het algemeen zijn veel militairen en burgermedewerkers van Defensie werkzaam bij de bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-crisis. Defensie wordt breed ingezet bij, onder andere, het ondersteunen van de zorg, het handhaven van de openbare orde, de grensbewaking en het ondersteunen van de voedselbanken, zowel in Nederland als in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ik spreek mijn waardering uit voor al die militairen en burgers die de maatschappij hebben ondersteund en dat nog steeds doen.
De civiele autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het vaccinactieprogramma. De civiele autoriteiten hebben een beroep op Defensie gedaan om de uitvoering van dit programma te ondersteunen. Defensie doet dat op meerdere manieren: zo ondersteunt Defensie de planning en coördinatie met enkele specialisten en staan 1.000 militairen paraat om de daadwerkelijke vaccinatie te ondersteunen in de vaccinatiestraten. Daarnaast levert de Koninklijke Marechaussee bijstand bij de beveiliging van de centrale opslaglocatie van de vaccins.
Ten aanzien van de bestrijding van het COVID-19-virus in het algemeen en de gevolgen van de pandemie, wordt er breed een beroep op Defensie gedaan. In mijn brief «Inzet defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020-2021, nr. 1473, d.d. 28 januari 2021) ga ik hier nader op in.
Een actueel beeld van de ondersteuning van Defensie in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk vindt u op www.defensie.nl.
Bent u het met de crisisexpert eens dat de krijgsmacht als geen ander weet om te gaan met onzekerheden en gewend is om in scenario's te denken en dat Defensie deze logistieke operatie met militaire precisie kan uitvoeren?2
Defensie is een organisatie die in staat is om met onzekerheden om te gaan en waar scenarioplanning gemeengoed is. Defensie ondersteunt reeds de civiele autoriteiten met plannings- en coördinatiecapaciteit. Mochten de civiele autoriteiten een additioneel beroep doen op Defensie, dan zal Defensie deze verzoeken in behandeling nemen.
Welke aanbiedingen heeft Defensie op welke momenten gedaan om bij te dragen aan de planning en organisatie van de vaccinatie en bij de bestrijding van de corona-crisis in het algemeen?
Specifiek ten aanzien van de planning en organisatie van het vaccinatieprogramma ondersteunt Defensie, op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, al enige maanden met enkele logistieke planners de Dienst Vaccinatie en Preventieprogramma’s van het RIVM. De logistieke planners hebben geholpen de crisisuitvoeringsorganisatie op te zetten in de vorm van het Logistiek Coördinatiecentrum COVID-19 vaccinatie (LCC). Daarnaast neemt Defensie deel in diverse overlegstructuren ten aanzien van het vaccinatieprogramma. Inmiddels heeft Defensie ook logistiek beheerders laten aansluiten in het LCC. Tevens heeft Defensie militairen gereedgesteld en paraat staan om te ondersteunen in de zorg, waaronder de test- en vaccinatiestraten, indien dit noodzakelijk is. Tot slot levert de Koninklijke Marechaussee bijstand bij de beveiliging van de centrale opslaglocatie van de vaccins.
Defensie kan de civiele autoriteiten ondersteunen indien zij zelf niet in staat zijn om hun taken en verantwoordelijkheden uit te voeren. Defensie beoordeelt hiertoe elk verzoek dat via het reguliere proces wordt ingediend. Ik verwijs ook hier naar mijn brief «Inzet defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1473, d.d. 28 januari 2021).
In hoeverre is elk aanbod van Defensie door het kabinet aangenomen? Zo niet: waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven waarom slechts 150 van de 1.000 daartoe opgeleide militairen zijn ingezet om te vaccineren?
Defensie heeft 1.000 medewerkers paraat staat om, indien daarom wordt verzocht, de test- en vaccinatiestraten te ondersteunen. Deze medewerkers kunnen diverse functies vervullen bij het testen en vaccineren. Tot nu toe is gebleken dat de civiele instanties grotendeels zelf voorzien in de vraag naar het benodigde personeel. Daardoor is een groep van ongeveer 270 militairen ingezet in de teststraten.
Kunt u aangeven in hoeverre in andere landen (bijv. het VK) Defensie is betrokken bij de bestrijding van de pandemie en hoe dit daar uitwerkt en heeft u contact met andere landen over geleerde lessen met een planning en rol van hun Defensie?
Ik spreek veelvuldig met mijn internationale collega’s over de rol van Defensie bij de bestrijding van de COVID-19-pandemie. In de Kamerbrief «Leerpunten eerste fase COVID-19» (Kamerstuk 35 570 X, nr. 10 d.d. 9 oktober 2020) ga ik nader in op de samenwerking.
Internationaal ondersteunen defensiemedewerkers, net als in Nederland, de civiele autoriteiten. We kunnen veel van elkaar leren. Hiervoor wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het netwerk van liaisonofficieren en militair attachés bij bondgenoten. Geleerde lessen worden meegenomen in de planning en uitvoering van de respons op COVID-19. Zo is bijvoorbeeld de inzet in de teststraten in Nederland mede vormgegeven met de lessen die door het Britse leger zijn opgedaan.
Naast bilaterale contacten worden ook lessen gedeeld in EU- en NAVO-verband en in kleinere multilaterale verbanden zoals het European Intervention Initiative (EI2) en de Northern Group. Dit vindt plaats op alle niveaus: bestuurlijk, militair-strategisch, maar ook op uitvoerend niveau.
Wat is in 2009 bij de Mexicaanse griep zodanig misgegaan waardoor we het vaccineren wel als militaire operatie hebben ingericht en bij de corona-vaccinaties nu niet?3
Zowel in 2009, als in de huidige situatie, ondersteunt Defensie het vaccinatieprogramma dat wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS.
In 2009 in Defensie gevraagd om twee officieren de regie over de operationele uitvoering van de logistiek rondom vaccinaties te laten voeren. Bij de uitvoering van het vaccineren is geen ondersteuning geleverd door Defensie in 2009.
Los van de vraag of er wel of niet een aanvullend beroep op Defensie wordt gedaan, moet opgemerkt worden dat de situatie in 2009 anders was omdat slechts een deel van de bevolking werd gevaccineerd, er slechts sprake was van twee vaccins die in grote hoeveelheden aanwezig waren en er geen anderhalve meter samenleving was. Ik verwijs verder naar de evaluatie uitgevoerd door Berenschot (Kamerstuk 22 894, nr. 297, bijlage).
Herkent u het beeld dat de militaire operatie bij het vaccineren in 2009 ertoe leidde dat we als eerste gevaccineerd waren in Nederland?
Zie antwoord vraag 8.
Waarom werd Defensie bij het verdelen en toewijzen van IC-bedden in maart 2020 wel succesvol betrokken, maar bij de vaccinatiestrategie veel minder?
Defensie is zowel betrokken bij de coördinatie en planning ten aanzien van het spreiden van patiënten die opgenomen zijn op de IC-afdelingen, als bij de logistieke ondersteuning van het vaccinatieprogramma. Daarnaast staat Defensie gereed om op momenten van schaarste met een groot aantal militairen de uitvoering van het vaccineren te ondersteunen.
In hoeverre kan de Defensie afdeling Concept Development & Experimentation (CD&E) een rol spelen door een loket te openen waar ondernemers met innovaties – die door de drukte geen gehoor krijgen bij de Ministeries van VWS en AZ, maar wel een rol kunnen spelen bij het vernietigen van het virus – zich kunnen melden en waar Defensie, in samenwerking met onderzoeksinstituten, vervolgens de kansen waardeert op inzetbaarheid in het beleid, naast het goede werk dat het RIVM doet?
Het is mij bekend dat Nederlandse ondernemers vele innovatieve mogelijkheden zien voor de bestrijding van het COVID-19-virus. Het COVID-gerelateerde hulpaanbod dat de afgelopen maanden bij Defensie is binnengekomen, varieert van medische beschermingsmiddelen, testkits, ontsmettingsmiddelen en noodfaciliteiten, tot meer innovatieve middelen als dashboards, planningsapps en ICT-ondersteuning.
Defensie beschikt niet over de kennis en kunde om te bepalen welk aanbod bruikbaar en nodig is voor de bestrijding van de pandemie. Ook CD&E, dat een experimenteeromgeving voor innovatie biedt, kan dat niet. Het aanbod voor hulp- en beschermingsmiddelen wordt doorgeleid naar het Landelijk Consortium Hulpmiddelen van het Ministerie van VWS.
Om mee te blijven denken en de krachten te blijven bindelen, heeft Defensie vorig jaar in samenwerking met de Stichting Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) een centraal COVID-19-loket geopend. De NIDV fungeert daarvoor als eerste aanspreekpunt. Nederlandse bedrijven uit de defensie- en veiligheidsindustrie kunnen hier terecht als ze door de pandemie bij defensieprojecten tegen uitdagingen aanlopen, maar we hebben ook gezien dat bedrijven hier innovaties melden. Ook hierbij blijft gelden dat wij openstaan voor innovatieve aanbiedingen, maar COVID-10-gerelateerd aanbod doorgeleiden naar de verantwoordelijke ministeries. Defensie kan ook hier de beoordeling over betrouwbaarheid, toepasbaarheid of veiligheid van het COVID-19-gerelateerde aanbod niet overnemen.
Is het u bekend dat veel Nederlandse innovatieve ondernemers apparatuur hebben ontwikkeld dat het coronavirus in ruimtes kan vernietigen/verteren?4 5
Zie antwoord vraag 11.
In hoeverre is het kabinet bereid om (Nederlandse) innovaties (bijv. ionisatie of licht) in te zetten om ruimtes zoals klaslokalen, praktijkruimtes, kleedlokalen, vergaderruimte, kinderdagverblijven te vrijwaren van coronavirus-deeltjes?
Zie antwoord vraag 11.
Reisbeperkingen |
|
Lammert van Raan (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Corrie van Brenk (PvdA), Cem Laçin (SP), Chris Stoffer (SGP), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de internationale reisbeperkingen per land en van andere Europese landen die zij ingesteld hebben om influx van nieuwe coronavarianten te bestrijden?
In de bijlage treft u een overzicht.
Kunt u uitleggen hoe de reisbeperking van niet-noodzakelijke reizen van bijvoorbeeld Finland en België is vastgelegd en zich verhoudt tot de Europese regelgeving?
In Finland en België zijn respectievelijk tot 25 februari 2021 en 1 maart 2021 in- en uitreisbeperkingen binnen EU- en Schengengebied van kracht. Beide landen hebben hier een aantal groepen reizigers, zoals zorg- en transportpersoneel en dringend familiebezoek, op uitgezonderd. Daarnaast hebben Finland en België binnengrenscontroles ingesteld om iedere reiziger individueel te kunnen controleren. Met deze controles hebben de lidstaten meer handvatten om te controleren of een persoon een noodzakelijke reis maakt. Zij mogen echter niet, louter op basis van de niet-noodzakelijkheid van een reis, personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen de toegang weigeren. Er moet individueel worden beoordeeld of iemand een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Daarnaast kan een Europese lidstaat op basis van de Schengengrenscode niet zonder meer (tijdelijk) binnengrenscontroles invoeren, hiervoor gelden strikte voorwaarden. België en Finland hebben het invoeren van binnengrenscontroles conform Europese procedures gemeld aan de Europese Commissie (EC) en Europese lidstaten.
Kunt u uitleggen hoe reisbeperkingen van niet-noodzakelijke reizen binnen het Schengengebied gerealiseerd kunnen worden binnen de Nederlandse juridische kaders? Bent u bereid dergelijke beperkingen in te voeren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om de verspreiding van COVID-19 via buitenlandse reisbewegingen te beperken. Het kabinet heeft daarnaast nog een aantal maatregelen in voorbereiding, zoals de verplichte quarantaine en een negatieve testuitslag voor inreizende automobilisten. Het aantal niet-noodzakelijke reisbewegingen is mede daardoor reeds sterk gereduceerd. Uw Kamer is op 13 januari jl. geïnformeerd over het feit dat het invoeren van een noodzakelijkheidsverklaring voor vertrek juridisch zeer complex is. Een dergelijke voorwaarde behelst een enorme inperking van de individuele vrijheid van burgers en is voor vervoerders praktisch onuitvoerbaar te controleren.1
Het kabinet stelt zich voorts op het standpunt dat het herinvoeren van de binnengrenscontroles, op grond van de Schengengrenscode naar voorbeeld van België en Finland, eveneens een te ingrijpend middel is met grote gevolgen voor het vrije verkeer van personen en goederen. Daarnaast hebben de Europese regeringsleiders eind januari ook besloten dat een verbod op niet-noodzakelijke reizen binnen de EU onwenselijk is, maar dat deze reizen wel dringend moeten worden ontmoedigd. Hier sluit de Nederlandse aanpak op aan.
Het enkel herinvoeren van grenscontroles betekent daarnaast niet dat er daarmee ook een grondslag ontstaat voor toegangsweigering van EU-burgers. Die grondslag zou kunnen worden gezocht in het Vreemdelingenbesluit, maar alleen als iemand een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of volksgezondheid. De beoordeling hiervan zal altijd individueel gemotiveerd moeten worden. De bepaling van de noodzakelijkheid van de reis staat hier verder los van. Het kabinet acht het derhalve op dit moment niet proportioneel, juridisch kwetsbaar en moeilijk uitvoerbaar om niet-noodzakelijke reizen te verbieden.
Kunt u het OMT om een breed advies vragen over verdere maatregelen om de risico’s van verspreiding van de verschillende coronavarianten te beperken en dit met de Kamer delen voor het algemeen overleg Luchtvaart op 4 februari a.s.?
Het OMT is eind januari gevraagd om advies of er aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals extra vliegverboden. In haar 97e advies (deel II) heeft het OMT aangegeven dit niet noodzakelijk te achten, gezien de overige maatregelen die voor reizigers van kracht zijn geworden, zoals de dubbele negatieve testverplichting. Het kabinet neemt op dit moment dan ook geen aanvullende maatregelen voor reizigers uit hoogrisicogebieden, naast de al aangekondigde maatregelen zoals het verplichten van de quarantaine, een verplichte registratie en een negatieve PCR-testuitslag voor inreizende automobilisten.2
Land
Extra maatregelen i.v.m. mutaties
België
Sinds 25/01 moeten alle personen die vanuit het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika naar België reizen verplicht 10 dagen in zelfquarantaine. Dit moet met een verplichte PCR-test op dag 1 en dag 7 na aankomst in België. Deze maatregel is aanvullend op de geldende inreisbeperkingen.
Niet-noodzakelijke reizen van en naar België zijn van 27/01 tot 01/03 verboden. Strikt noodzakelijke reizen zijn mogelijk onder strenge voorwaarden en in bezit van «verklaring op eer». O.a. grensarbeiders en zakenreizigers blijven uitgezonderd.
Personen die geen hoofdverblijfplaats in België hebben dienen over een negatief testresultaat te beschikken, niet ouder dan 72 uur voor vertrek. Reizigers die niet via een vervoerder naar België komen en voor maximaal 48 uur in België blijven zijn uitgezonderd, dit geld ook voor luchttransfers.
Duitsland
Per 30/01 tot 17/02 geldt een inreisverbod voor vliegtuig/bus/trein/schip voor het VK, Ierland, Portugal, Brazilië en Zuid-Afrika.
Er geldt een testverplichting voor alle reizigers, niet ouder dan 48 uur voor vertrek. Op Länderniveau gelden verschillende regels. Zo maakt Noordrijn-Westfalen een uitzondering voor grensverkeer dat niet langer dan 24 uur in het land verblijft.
Sinds 14 februari zijn de Duitse grenzen met Tsjechië en Tirol (Oostenrijk) gesloten, vanwege de aanwezigheid van de Zuid-Afrikaanse variant aldaar. Forenzen uit Tsjechië en Tirol (Oostenrijk), die werken in cruciale sectoren, mogen Duitsland wel inreizen. Daarnaast zijn noodzakelijke reizen – waaronder goederenvervoer -uitgezonderd, mits zij hun reis vooraf aanmelden, men een negatieve testverklaring kan overleggen en in quarantaine gaat.
Finland
In Finland zijn tot 25 februari 2021 in- en uitreisbeperkingen van kracht voor zowel Finse ingezetenen als EU/Schengenburgers. Op deze in-en uitreis beperkingen zijn een aantal essentiële reizen gedefinieerd, zoals zorg- en transportpersoneel en voor reizen familiebezoek, die uitgezonderd zijn.
Er geldt geen testverplichting, maar een advies voor reizigers om zich te laten testen.
Frankrijk
Per 31/01 geldt een reisverbod voor niet-noodzakelijke (vlieg)reizen van en naar Frankrijk en de Franse overzeese gebieden. Dit verbod geldt voor alle landen, met uitzondering van lidstaten van de Europese Unie, Andorra, IJsland, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Zwitserland en Vaticaanstad. Daarnaast geldt er een uitzondering voor personen woonachtig in Frankrijk, mits zij vóór 31/01 jl. zijn vertrokken uit Frankrijk.
Reizigers die een dergelijke reis willen maken, dienen in het bezit te zijn van een noodzakelijkheidsverklaring en de benodigde bewijsstukken. Deze reizigers dienen na aankomst 7 dagen in quarantaine te gaan en zich na deze periode te laten testen.
Er geldt een algemene testverplichting voor alle reizigers, ongeacht modaliteit. Alle reizigers moeten beschikken over een PCR-testuitslag, die niet ouder is dan 72 uur voor vertrek.
* De informatie in deze tabel is aan (dagelijkse) verandering onderhevig.
Het IMVB-convenant Pensioenfondsen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen?
Ja.
Wat is uw reactie op de Voortgangsmeting? Deelt u de mening dat het uitermate zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat de implementatie van het Convenant op alle hoofdindicatoren achterblijft bij de tussentijdse doelstellingen?
In de appreciatie door de stuurgroep van het IMVB-convenant Pensioenfondsen (hierna: convenant) concludeert de stuurgroep dat terwijl de eerste stappen zijn gezet, de implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren achterblijft bij de doelstellingen. Deze voortgangsmeting over 2019 geeft weer dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen. Hoewel de monitoringscommissie concludeert dat er nagenoeg op alle subindicatoren van hoofdindicator »Beleid» voortgang is geboekt, blijkt uit het monitoringsrapport ook dat nog geen enkel pensioenfonds op alle subindicatoren positief scoort. Dit is een punt van aandacht, omdat de convenantdoelstelling voor eind 2020 was dat alle pensioenfondsen positief scoren op hoofdindicator «Beleid». De voortgangsmeting over 2020 wordt in het vierde kwartaal van 2021 verwacht.
Niet alle effecten van de convenantsactiviteiten zijn meegenomen in deze monitoring. Zo is vlak voor de peildatum van deze voortgangsmeting onder andere het instrumentarium gepubliceerd.1 Dit instrumentarium is een hulpmiddel voor de pensioenfondsen om de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) te implementeren. Ook zijn er verschillende webinars en een kennissessie over de implementatie van de OESO-richtlijnen en UNGP’s georganiseerd, waarin het instrumentarium bij pensioenfondsen onder de aandacht is gebracht. Aangezien de implementatie van de OESO-richtlijnen in het beleggingsbeleid de basis vormt voor de verdere due diligence stappen, is het belangrijk dat de pensioenfondsen het beleid zo snel mogelijk op orde krijgen conform afspraken in het convenant. In de stuurgroep en verschillende werkgroepen wordt momenteel een actieplan hiervoor opgesteld.
Hoe kan het dat geen enkele van de deelnemende pensioenfondsen alle subindicatoren voor «Beleid» volledig heeft kunnen realiseren? Hoe verklaart u dat slechts vijf procent van de pensioenfondsen alle stappen van due diligence doorlopen? Hoe verklaart u dat 39 deelnemende pensioenfondsen nog altijd niet het instrumentarium hebben toegepast, hoewel dit slechts gaat om het opnemen van (gesuggereerde) teksten in beleid, contracten en monitoring? Heeft u zicht op waarom de tussendoelstellingen over de gehele breedte gemist zijn?
De «Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen» gaat over eerste jaar (2019) van het convenant. Voor de hoofdindicator «Beleid» is in het convenant vastgelegd dat alle deelnemende pensioenfondsen hieraan moeten voldoen aan het einde van jaar twee.
Het is voor veel deelnemende pensioenfondsen, die bijvoorbeeld kleiner van omvang zijn, een veelomvattende taak om alle stappen van due diligence te doorlopen en om te beschrijven hoe dit ingevuld en verankerd wordt in beleid, contracten en monitoring. Daarom werd van hen verwacht dat zij dit aan het einde van het tweede jaar van het convenant op orde zouden hebben. In de aanstaande monitoring over 2020 zal blijken of de deelnemende pensioenfondsen deze doelstelling hebben behaald. Voor een groot deel van de fondsen is het instrumentarium een noodzakelijk hulpmiddel hierbij. Dit instrumentarium werd aan het einde van het eerste jaar (december 2019) opgeleverd. Dit verklaart mede waarom een deel van de pensioenfondsen dit instrumentarium nog niet volledig heeft kunnen toepassen. Dit heeft bijgedragen aan een lagere realisatie op de tussendoelstellingen voor 2019 dan eerder werd verwacht.
Wat zegt volgens u de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant over de mate waarin pensioenfondsen hun duurzaamheidsrisico’s, zoals fysieke risico’s als waterschaarste, gedegen beheersen?
Bij de implementatie van het convenant draaide het voor de deelnemende pensioenfondsen in het eerste jaar om het starten met het vastleggen van de OESO-richtlijnen in hun beleid voor uitbesteding, monitoring en rapportage (stap één van gepaste zorgvuldigheid onder de OESO-richtlijnen). In lijn met de OESO-richtlijnen is het maken van een risicoanalyse de tweede stap van due diligence. Deze stap moet gezamenlijk met de andere stappen op basis van de afspraken in het convenant aan het einde van jaar twee vastgelegd zijn in het beleid van de pensioenfondsen. Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes de stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee op termijn hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen. In de monitoring wordt gekeken of pensioenfondsen de OESO-richtlijnen hebben geïmplementeerd in hun beleid. Op basis van de huidige voortgang van de implementatie kan ik geen conclusies trekken over de beheersing van specifieke duurzaamheidsrisico’s, omdat deze geen onderdeel van de monitoring binnen het convenant vormen.
Deelt u de mening dat aan de geloofwaardigheid van intenties ten aanzien van engagement afbreuk wordt gedaan, nu blijkt dat pensioenfondsen zeer matig scoren op de mate waarin ze invloed aanwenden om de negatieve impact van beleggingen te voorkomen of te mitigeren (indicator 2c)?
Subindicator 2c is onderdeel van de hoofdindicator «Uitbesteding». In het convenant is afgesproken dat de deelnemende pensioenfondsen voor zover dat nog niet het geval is, de afspraken voor uitbesteding zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het convenant in rapportagevereisten met externe dienstverleners opnemen. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3 is de naleving van de OESO-richtlijnen een veelomvattende taak voor veel pensioenfondsen. Er is bij het vastleggen van de afspraken daarom bewust voor drie jaar gekozen om de deelnemende pensioenfondsen de tijd te geven de uitbesteding goed in te richten. Ik vind het voorbarig om na één van de drie jaren al de geloofwaardigheid van de intenties hierop in twijfel te trekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waterroof: mede mogelijk gemaakt met ons pensioengeld» dat 19 januari jl. op Follow the Money verscheen?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het in de vorige vraag genoemde artikel laat zien dat verscheidene Nederlandse pensioenfondsen medefinancier zijn van gezondheids- en milieurampen in ten minste de Verenigde Staten en Mexico?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, met inachtneming van de toepassing van de OESO-richtlijnen, is een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en de toepassing hiervan verantwoord is en vindt daarbij de fondsen zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het IMVB-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en UNGP’s in het beleid en due diligence van pensioenfondsen.
Wat zegt het volgens u dat er door verschillende Nederlandse pensioenfondsen geen engagement toegepast wordt op een bedrijf als Coca Cola Femsa?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 7 is het beleggingsbeleid van pensioenfondsen een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen zelf. Hieronder vallen ook besluiten over met welke bedrijven een pensioenfonds (of de uitvoeringsorganisatie) een engagementtraject start. Vanuit de afspraken in het convenant is de verwachting dat pensioenfondsen conform de OESO-richtlijnen een risicoanalyse maken en prioriteren welke risico’s zij in hun beleggingsportefeuille willen aanpakken en met welke vorm van beïnvloeding. Dit kan op verschillende manieren, onder andere via stemmen op aandeelhoudersvergaderingen. Een engagementtraject is een andere manier van beïnvloeding en vraagt vaak een lange adem en meer middelen. Pensioenfondsen maken hierin zelf de afweging. Het kabinet kan geen oordeel geven over het al dan niet voeren van engagement met individuele bedrijven door één of meerdere pensioenfondsen.
Vindt u ook dat vanuit het Convenant een verplichting voortkomt voor pensioenfondsen om investeringen individueel te beoordelen en niet slechts via een benchmark?
In het convenant zijn afspraken vastgelegd volgens de stappen van gepaste zorgvuldigheid die de OESO-richtlijnen voorschrijven. Deze richtlijnen en specifiek het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers dat als leidraad wordt gebruikt door pensioenfondsen schrijft niet voor hoe om te gaan met directe beleggingen ten opzichte van het beleggen via een benchmark of index. Uit het convenant volgt geen verplichting voor het individueel beoordelen van investeringen. Wel wordt van pensioenfondsen verwacht dat zij, waar mogelijk, hun invloed aanwenden wanneer negatieve effecten worden vastgesteld bij bedrijven waarin zij investeren. Dit kan eventueel in een gesprek met de index-samensteller.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat veel deelnemende pensioenfondsen due diligence niet van toepassing verklaren op passieve beleggingen? Hoe kijkt u er met terugwerkende kracht op terug dat de inzet ten aanzien van passieve beleggingen in de tekst van het Convenant niet geëxpliciteerd is?
Uit de monitoringsrapportage komt naar voren dat veel pensioenfondsen in de hoor- en wederhoor met de monitoringscommissie hebben aangegeven gepaste zorgvuldigheid (due diligence) niet van toepassing te verklaren op passief beleggen. De appreciatie van de stuurgroep van het convenant is niet specifiek op dit punt ingegaan, maar neemt wel de aanbeveling over van de monitoringscommissie dat het eerder opgestelde instrumentarium geoptimaliseerd en beter toepasbaar gemaakt moet worden. De werkgroep Monitoring werkt momenteel een actieplan uit dat invulling geeft aan de verschillende aanbevelingen.
De convenantafspraken hebben betrekking op doelstelling, inzet en reikwijdte van het convenant. Zij zijn de uitkomst van een langdurige onderhandeling met alle betrokken partijen bij het convenant. Passieve beleggingen zijn daarin niet geëxpliciteerd, maar het huidige instrumentarium benoemt al dat er rekening wordt gehouden met de karakteristieken en beïnvloedingsmogelijkheden van verschillende pensioenfondsen. Te denken valt aan de grootte, de beleggingsstrategieën en de verschillende beleggingscategorieën. Met de voorgestelde optimalisatie van het instrumentarium kan pensioenfondsen een verdere handreiking worden geboden met betrekking tot hun handelingsperspectief voor wat betreft gepaste zorgvuldigheid.
Zet u zich er onverkort voor in dat passieve beleggingen daar, waar het gaat om het uitsluiten van sociale en milieugerelateerde misstanden, aan precies dezelfde doelstellingen onderworpen worden als actieve beleggingen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 10 zijn passieve beleggingen niet geëxpliciteerd in het convenant. Desalniettemin verwacht het kabinet dat pensioenfondsen voor al hun beleggingen (actief en passief) de stappen van gepaste zorgvuldigheid implementeren in hun beleggingsbeleid en gaan toepassen. Wanneer sociale- en milieu gerelateerde misstanden worden geconstateerd en pensioenfondsen hieraan gelinkt zijn, wordt vanuit de OESO-richtlijnen verwacht dat zij hun invloed aanwenden om deze te mitigeren of waar mogelijk te stoppen en in de toekomst te voorkomen. Hoe pensioenfondsen hun invloed aanwenden en in welke mate kan verschillen bij actieve en passieve beleggingen. Het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers2 geeft aan dat de mate van invloed onder andere bepaald wordt door de karakteristieken van de institutionele belegger, de beleggingsstrategie (actief of passief), en geldende wet- en regelgeving. Ook bij passieve beleggingen heeft een pensioenfonds een aantal opties om invloed aan te wenden om betrokkenheid bij misstanden te mitigeren en/of voorkomen.
Deelt u de mening dat er een verband bestaat tussen het gebrekkige optreden van Nederlandse pensioenfondsen in specifieke casussen, zoals uiteengezet in het Follow the Money-artikel, en de gebrekkige voortgang van de implementatie van het convenant? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het FTM-artikel spreekt over de vijf grootste pensioenfondsen en heeft van vier reacties opgenomen (ABP, PFZW, PMT en PME). Daarbij kan opgemerkt worden dat het FTM-artikel ook vermeldt dat bijvoorbeeld PMT en PME één van de genoemde bedrijven uitsluiten. De voortgang van individuele pensioenfondsen in naleving van het convenant is enkel inzichtelijk voor de leden van de monitoringscommissie en het SER-secretariaat dat de commissie ondersteunt bij de verwerking van alle antwoorden die aangeleverd worden in de monitoringtool. Op basis van de geaggregeerde voortgangsrapportage kan daarom niet geconcludeerd worden welke voortgang de vijf grootste pensioenfondsen hebben geboekt in het eerste jaar van het convenant.
Komen de resultaten van de monitoringscommissie voor u als een verrassing? Op welke momenten in het afgelopen jaar heeft u met pensioenfondsen over de voortgang van het Convenant gesproken? Heeft u op enig moment voor de verschijning van de publicatie van de voortgangsrapportage signalen gehad dat de voortgang van de implementatie zeer gebrekkig is? Wat heeft u met deze signalen gedaan?
Binnen de stuurgroep en de verschillende werkgroepen wordt continu het gesprek gevoerd met de Pensioenfederatie en dat deel van de pensioenfondsen dat deelneemt aan de stuurgroep en werkgroepen. In deze gesprekken gaat het over hoe de pensioenfondsen ondersteund kunnen worden bij het implementeren van de OESO-richtlijnen en welke producten er ontwikkeld kunnen worden om dit voor elkaar te krijgen. De monitoringcommissie monitort jaarlijks de voortgang die de partijen boeken op de convenantafspraken en houdt toezicht op de kwaliteit en de kwantiteit van de input van de partijen. Pas uit het jaarlijkse monitoringsrapport wordt daarom volledig inzichtelijk wat de voortgang is van het convenant ten opzichte van de afspraken. Deze eerste voortgangsmeting laat zien dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen.
Deelt u de zienswijze van de monitoringscommissie dat de vertraging op de hoofdindicator beleid consequenties heeft voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren?
De achterblijvende voortgang op de hoofdindicator «Beleid» vormt een risico voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren, omdat het vastleggen van de due diligence stappen in het beleid volgens de due diligence methodiek een voorwaarde vormt voor de verdere uitrol hiervan in uitbesteding, monitoring en rapportage. Deze eerste voortgangsrapportage laat echter ook zien dat een deel van de pensioenfondsen in de praktijk al meer voortgang heeft geboekt op de andere hoofindicatoren, terwijl nog niet alle subindicatoren onder de hoofdindicator «Beleid» zijn behaald.
Betekent de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant dat het dit kabinet onvoldoende gelukt is via het postennetwerk en economische diplomatie de partijen in het convenant te ondersteunen bij het implementeren van hun IMVB-beleid? Zo nee, waar baseert u dit op? Wat is er op dit punt het afgelopen jaar goed gegaan, en wat kan er beter?
Volgens afspraak hebben het postennetwerk en de economische diplomatie het convenant ondersteund, primair in het zogenaamde «diepe spoor» van het convenant waarin de partijen samenwerken aan engagementcasussen. Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 3 betreft dit de voortgang van het eerste jaar van het convenant. Hierin zijn volgens afspraak de eerste twee casussen gestart, te weten een mijnbouwcasus in Peru en een casus in de palmolieketen in Indonesië en Liberia. Vanaf het begin zijn de posten in de desbetreffende landen en/of landenmedewerkers op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag betrokken bij de casussen om duiding te geven aan de lokale context van de sector in het land of andere specifieke vragen die uit het samenwerkingsverband kwamen te beantwoorden.
In het afgelopen jaar, het tweede jaar van het convenant, is dat voortgezet en is er onder andere in de mijnbouwcasus een geslaagd virtueel veldbezoek georganiseerd in samenwerking met de ambassade in Lima. De ambassade heeft zijn netwerk van lokale contacten ingezet, hierdoor hebben meerdere bijeenkomsten tijdens het veldbezoek voor de casuswerkgroep plaatsgehad. De post heeft ook aangeboden om, indien gewenst door de werkgroep, een vervolgbezoek te organiseren voor organisaties waarmee tijdens dit eerste bezoek niet gesproken is.
Heeft u er, wijzende op het gegeven dat de resterende tijd voor realisatie van het convenant afneemt en er meer voortgang gemaakt moet worden dan als de tussendoelstellingen gehaald zijn, nog wel vertrouwen in dat de doelstellingen van het convenant gehaald gaan worden? Zo ja, waarop baseert u dat vertrouwen?
Ja. Deze voortgangsrapportage betreft het eerste jaar van de looptijd van dit convenant. De in het convenant vastgelegde afspraken voor het eerste jaar zijn behaald. Zo is er onder andere een monitoringstool ontwikkeld. Deze wordt door de pensioenfondsen als zeer gebruiksvriendelijk ervaren. Ook is het instrumentarium ontwikkeld en gepubliceerd en zijn de eerste twee casussen geselecteerd en gestart. Hierover is onder andere gecommuniceerd via nieuwsbrieven en een jaarbijeenkomst. De tussendoelstellingen voor de hoofdindicatoren zijn, zoals eerder benoemd in het antwoord van vraag 1, geen vastgelegde afspraak in het convenant, maar opgesteld om de voortgang op de hoofdindicatoren te volgen. De deelnemende pensioenfondsen hebben de eerste stappen gezet. De implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren blijft echter achter bij de tussendoelstellingen. Het is daarom voor alle betrokken partijen duidelijk dat er nog extra stappen gezet moeten worden om de gemaakte afspraken in het convenant waar te maken. Als deze gezet worden acht het kabinet, samen met de andere partijen bij het convenant, de volledige implementatie van het convenant nog steeds haalbaar.
Wat zou de juridische consequentie zijn als het scenario zich materialiseert waarin de Pensioenfondsen de doelstellingen van het Convenant niet halen, gegeven dat het behalen van deze doelstellingen een verplichting is?
De bestuurlijke opzet van het convenant beschikt over een stuurgroep waarin alle geledingen zitting hebben. Wanneer de afspraken uit het convenant niet gehaald worden of er onvoldoende voortgang is, dan is de stuurgroep het aangewezen orgaan om een actieplan op te stellen of deelnemende pensioenfondsen aan te spreken op de verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van het convenant. Dit kan zelfs bij een compleet doorlopen geschillenprocedure die niet succesvol is leiden tot het opzeggen van het convenant jegens de tekortschietende partij. De IMVO-convenanten zijn een vrijwillig instrument binnen het IMVO-beleid van het kabinet. Het niet halen van vastgelegde afspraken heeft geen juridische consequenties.
Op 16 oktober 2020 heeft het kabinet de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Hierbij heeft het kabinet de voorkeur voor een verplichting op Europees niveau.
Hoe verhoudt zich de constatering dat pensioenfondsen in toenemende mate hun eigen ESG-beleid formuleren, met de noodzaak tot harmonisatie van ESG-doelstellingen en -methoden zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet? Vraagt de noodzaak tot harmonisatie te komen om een actievere, meer interveniërende rol van de ministeries op dit specifieke punt? Hoe gaat u daar invulling aan geven?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen, waaronder financiële instellingen, dat zij de OESO-richtlijnen en UNGP’s naleven. Binnen het convenant zijn er verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Van pensioenfondsen wordt verwacht dat dat zij ESG-beleid opstellen volgens de OESO-richtlijnen. De daadwerkelijke invulling van het ESG-beleid is aan de pensioenfondsen zelf.
De noodzaak tot harmonisatie waaraan gerefereerd wordt in de duurzame financieringsstrategie heeft betrekking op harmonisatie van rapportagestandaarden. Om voortgang te kunnen vergelijken en de beschikbaarheid van data te verhogen is het belangrijk dat bedrijven op een uniforme wijze rapporteren, bij voorkeur op een Europese uniforme wijze. Dit is ook de inzet van het kabinet zoals beschreven in de consultatiereacties op de Europese Commissie consultaties van de Hernieuwde Duurzame Financieringsstrategie en de herziening van de richtlijn niet-financiële rapportage.
Ziet u vanuit uw inzet voor gedegen rapportages over ESG-impact en -risico’s, zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet, een speciale verantwoordelijkheid om u er actief tegenaan te bemoeien dat pensioenfondsen beter over voorgenoemde zaken gaan rapporteren, gegeven de slechte resultaten op de vierde hoofdindicator? Op welke manier gaat u hier invulling aan geven?
Rapporteren en transparantie bieden over de genomen beslissingen is een belangrijk onderdeel van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid volgens de OESO-richtlijnen. Ook in het convenant zijn verschillende afspraken opgenomen over transparantie en rapportage. Zo wordt er van de deelnemende pensioenfondsen verwacht dat aan het eind van het vierde jaar het convenant verwerkt is in de rapportages. De monitoringscommissie observeert in het monitoringsrapport over 2019 dat er over het algemeen voortgang is geboekt op deze doelstelling, maar dat daar ook meer tijd voor is vergeleken met de andere doelstellingen, conform het convenant.
Om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen aan het einde van het vierde jaar voldoen aan de afspraken, is er in het tweede jaar van het convenant al een brede kennissessie georganiseerd waarin rapportage ook aan bod kwam als één van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Voor het komende jaar worden er aanvullende webinars georganiseerd; gepland wordt dat daarin ook de verwachtingen op rapportage en transparantie behandeld zullen worden als onderdeel van het actieplan om de implementatie te versnellen.
Deelt u de mening van de monitoringscommissie dat een versnelling van de implementatie meer bestuurlijke aandacht, tijd en middelen vraagt? Wat is de implicatie daarvan voor uw rol?
Ja. De stuurgroep van het convenant, waar alle partijen zitting in hebben, heeft een appreciatie opgesteld van de voortgangsrapportage van de monitoringscommissie. Deze appreciatie onderschrijft de noodzaak van een versnelling. De stuurgroep deelt de mening van de monitoringscommissie dat de implementatie in de toekomst bij de pensioenfondsen meer bestuurlijke aandacht, en waar mogelijk tijd en middelen vergt. De overheid zal, als partij in het convenant, de pensioenfondsen hierin ondersteunen door naast haar inzet in de werkgroepen, expertise beschikbaar te stellen voor kennissessies en webinars. Ook heeft de overheid als partij deelgenomen aan een directeurenoverleg op 4 februari jl. gericht op de noodzakelijke vervolgacties voor deze versnelling.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour zenden aan de Kamer?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Gezien het voorjaarreces was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
De publicatie van de scorekaart van Farma ter Verantwoording |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde scorekaart van Farma ter Verantwoording waarop verschillende farmaceutische producenten van geneesmiddelen tegen COVID-19 worden gescoord op mensenrechten?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe u denkt over de bevinding van Farma ter Verantwoording dat geen van de gescoorde farmaceutische producenten goed scoort binnen de categorie «publiceert de tekst van de licentieovereenkomst»?
Een licentieovereenkomst is in de regel een vertrouwelijke overeenkomst tussen twee partijen. Het is dan ook aan deze partijen om te bepalen of ze deze overeenkomst openbaar willen maken. De Nederlandse overheid is zelf geen octrooi- of licentiehouder, wel financiert ze onderzoek door Nederlandse publieke instellingen die mogelijk een octrooi aanvragen op gedane ontdekkingen. Ik heb recentelijk aan u gecommuniceerd over de verwachtingen die ik heb wanneer publieke instellingen een licentie verlenen op een octrooi dat is verkregen door publiek gefinancierd onderzoek2. Nederlandse kennisinstellingen gaan rapporteren over het gebruik van de toolkit en de 10 principes van Maatschappelijk Verantwoord Licentïeren in licenties, maar ze zullen dat doen op geaggregeerde manier, om geen inbreuk te maken op de geheimhouding van overeenkomsten. Het risico bestaat dat als de Nederlandse kennisinstellingen geen geheimhouding accepteren er minder licentienemers (bedrijven) langs komen.
Dat laat onverlet dat openbaarheid van licentieovereenkomsten, als bedrijven dat toestaan, een mooie vorm van transparantie kan zijn.
Denkt u dat de Nederlandse samenleving baat zou kunnen hebben bij de introductie van transparantie inzake licentieovereenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het noodzakelijk dat de verschillende farmaceutische producenten voldoende scoren op de verschillende categorieën in de scorekaart?
Nee, het gaat hier om een lijst categorieën die eenzijdig zijn opgesteld door een stichting. Hoewel er zeker raakvlakken zijn met de beleidslijn die ik voorsta geldt dit niet voor alle categorieën.
Hoe bent u voornemens om ervoor te zorgen dat de onvoldoende scorende farmaceuten in de nabije toekomst voldoende zullen scoren?
Mijn beleid is er niet op gericht om te zorgen dat farmaceutische producenten een voldoende score in de beoordeling door deze stichting. Wel zijn er raakvlakken tussen mijn beleid en de doelen die deze stichting nastreeft. Ik zet mij op diverse manieren in om enerzijds transparantie over de kosten van medicijnonderzoek en -productie af te dwingen, en anderzijds om beschikbaarheid te borgen, zowel in Nederland als wereldwijd. Dit doe ik bijvoorbeeld door in gesprekken met farmaceutische producenten het belang van transparantie over kosten en prijs te benadrukken, iets wat ik ook doe in alle gesprekken over covid-19 medicatie. Daarnaast steunt de Nederlandse overheid een onafhankelijke stichting, de Access to Medicine Foundation3, welke zich inzet voor deze onderwerpen en bedrijven en overheden een spiegel voorhoudt door het opstellen van zogeheten «benchmarks». Zo steunt de Minister van Buitenlandse Zaken een benchmark gericht op wereldwijde toegankelijkheid tot medicijnen, en steunt VWS een benchmark gericht op onderzoek, ontwikkeling en toegankelijkheid van antibiotica.
Deelt u de mening dat de verschillende farmaceutische producenten onvoldoende scoren op punten die van cruciaal belang zijn voor een eerlijke wereldwijde toegang tot farmaceutische middelen tegen COVID-19?
Het is mij niet helemaal duidelijk op welke punten u doelt. Ik kan wel aangeven dat het kabinet zich continu inzet voor eerlijke toegang tot farmaceutische middelen tegen covid-19. In de Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling covid-19 vaccins» van 18 december 20204 wordt hier uitgebreid op ingegaan.
Tevens zie ik dat sommige farmaceutische producenten ervoor kiezen om hun vaccin tegen kostprijs op de markt te gaan brengen. Om toegang binnen de Europese Unie te borgen roep ik farmaceutische producenten in bilaterale gesprekken op om hun producten in Europa via een joint-procurement bij de Europese Commissie beschikbaar te maken, zodat deze producten met gelijke toegang en op basis van de hoogste nood in Europa verdeeld kunnen worden.
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het feit dat Farma ter Verantwoording constateert dat geen enkel van de verschillende farmaceutische producenten de gemiddelde of marginale kosten van productie publiceert?
In de Voortgangsbrief algemeen geneesmiddelenbeleid 20215 heb ik u geïnformeerd over mijn beleid om tot maatschappelijk aanvaardbare prijzen te komen. Ik vind de prijs van een geneesmiddel maatschappelijk aanvaardbaar als (1) het geneesmiddel kosteneffectief is (de gezondheidsuitkomsten staan in verhouding tot de extra kosten), (2) die zich in redelijke en proportionele mate verhoudt tot de inspanningen en investeringen die zijn gedaan om tot het geneesmiddel te komen en (3) deze voldoende ruimte biedt voor innovatie. Het gaat dus niet alleen om de gemiddelde of marginale kosten van productie.
Heeft u, en de Nederlandse regering als mede-onderhandelaar van de Europese aankoop van COVID-19-vaccins, aangedrongen bij de farmaceutische producenten op het delen van kennis en intellectueel eigendom? Zo ja, kunt u een weergave van deze discussie delen? Zo nee, waarom niet?
De onderhandelingen door de Europese Commissie gingen primair over de aankoop van vaccins. De farmaceutische producenten waarmee de EU contracten zijn aangegaan hebben wel bij subcontractors de productie uitbesteedt. Dus de farmaceutische bedrijven delen hun kennis met subcontractors of er worden samenwerkingsverbanden opgezocht om hun productiecapaciteit te vergroten. Het delen van intellectueel eigendom is, buiten voorgenoemde, niet uitgebreid aan de orde geweest.
Het belang van brede toegankelijkheid wordt ook door de Europese Commissie onderstreept. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Acht u het noodzakelijk dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom wordt gepromoot om zo wereldwijde vaccintekorten in te perken? Zo ja, wat doet u hier aan? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet per se. Het is van belang dat de farmaceuten die nu een geregistreerd vaccin hebben, niet alleen de beschikbare productiecapaciteit binnen hun eigen organisatie aanwenden om het vaccin te produceren. We constateren dat zij samenwerkingsverbanden aan gaan met onderaannemers en ook andere farmaceutische bedrijven om de productie in brede zin te realiseren.
Hoe is Nederland, als officiële co-sponsor, betrokken bij het operationaliseren van het Coronavirus Treatment Acceleration Program (C-TAP)? Welke concrete stappen heeft u uitgevoerd, naast de steun uitroepen tijdens de vorige World Health Assembly?
In het kader van C-TAP wordt mede gesproken over het succesvol positioneren van de patentpool. Met WHO wordt verder gesproken over de invulling van C-TAP, zodat de data van bedrijven voldoende beschermd zijn en de noodzakelijke informatie wel breder gedeeld kan worden. Nederland maakt deel uit van een kerngroep op C-TAP met Brazilië, Maleisië, Pakistan en Zuid-Afrika, onder leiding van Costa Rica. Nederland spreekt tevens in dit kader met Portugal om in het kader van het Europese voorzitterschap een symposium te organiseren over C-TAP.
Overweegt de Europese Commissie ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen? Zo ja, kunt u garanderen dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom gesprek worden van de onderhandelingen?
Ja, de Europese Commissie overweegt ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen. En ingaand op het tweede gedeelte van uw vraag, nee, dat kan ik niet garanderen.
Behoud van banen in Roden |
|
William Moorlag (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen Nederland en Frankrijk bedreigt banen in Roden»?1
Ja.
Klopt het dat er ruzie is tussen Nederland en Frankrijk over het bedrijf Photonis?
Nee. De Nederlandse overheid heeft goed en frequent contact met de Franse staat over de ontwikkelingen rondom het bedrijf Photonis.
Deelt u de zorgen over de werkgelegenheid in Roden?
Het kabinet is van mening dat de werkgelegenheid bij de vestiging van Photonis in Roden naar verwachting op de middellange en lange termijn beter geborgd is bij een verkoop door de huidige eigenaar. Dit is ook de boodschap die ik heb overgebracht aan de Franse Minister van Economie en Financiën. De opties waar de Franse staat nu naar kijkt zullen hier ook blijk van moeten geven.
Bent u bereid zich in te spannen zodat er geen werkgelegenheid in Roden verloren gaat?
Het kabinet heeft nadrukkelijk oog voor de hoogwaardige kennisontwikkeling en werkgelegenheid in de regio rondom Roden. Het ecosysteem rond de Rijksuniversiteit Groningen speelt hierbij een belangrijke rol en heeft in deze context uitdrukkelijk ook mijn aandacht. Hier zal het kabinet zich vanzelfsprekend voor inzetten.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het bedrijf niet in verkeerde handen valt?
Het kabinet heeft geen indicatie dat een onwenselijke overname van het bedrijf op dit moment aan de orde is. In de verschillende scenario’s blijft de inzet van Nederland hetzelfde; het borgen van de ontwikkeling van hoogwaardige kennis en R&D op beide locaties, de internationale concurrentiepositie van het bedrijf, wereldwijde markttoegang en de hiermee gemoeide werkgelegenheid. Hierover blijft Nederland in gesprek met de Franse staat.
Deelt u de mening dat de discussie over het bedrijf tot veel onzekerheid bij gezinnen leidt en dat er zo snel mogelijk zekerheid over de toekomst van het bedrijf en de daarbij behorende banen moet komen? Wilt u daaraan bijdragen?
Het kabinet begrijpt dat de discussie over het bedrijf tot onzekerheid leidt bij gezinnen die verbonden zijn aan Photonis. In eerste aanleg is het bestuur aan zet om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de toekomst van het bedrijf en daarmee de onzekerheid weg te nemen. Het kabinet zet zich hierbij in voor een oplossing die Photonis op de korte termijn duidelijkheid biedt en op de (middel)lange termijn bijdraagt aan een levensvatbaar economisch perspectief.
De snelheid van het vaccineren en de uitvoering van de vaccinatiestrategie |
|
Kees van der Staaij (SGP), Jesse Klaver (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Rob Jetten (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de voornaamste reden dat Nederland een vaccinatiegraad heeft van 1,01 procent terwijl het gemiddelde binnen de Europese Unie ligt op 2,19 procent1? Kunt u nader toelichten of dit te maken heeft met de voorbereiding, de tegenvallende uitvoering van de strategie of de tegenvallende levering die voor elk lidstaat hetzelfde is?
De eerste prik is in Nederland gezet op 6 januari. Andere lidstaten van de Europese Unie hadden de eerste prik in de 2 weken daarvoor gezet. Tevens heeft Nederland een ruime zekerheidsmarge gehanteerd in het voorraadbeheer. Nederland heeft in eerste instantie gekozen voor het 100% op voorraad houden van een vaccin voor de tweede prik, uitgaande van wisselende en tegenvallende leveringen. Over de wijze waarop we momenteel aan het inlopen zijn, met onder meer een aangepast voorraadbeheer en een lagere spillage dan waar we eerder rekening mee hielden, heb ik u nader geïnformeerd in mijn Kamerbrief van 20 januari en 2 februari jl.
Welke afgesproken deadlines betreffende de vaccinatiestrategie zijn afgelopen maanden niet gehaald?
Zoals ik meermaals richting uw Kamer heb aangegeven moet in de uitvoering van de vaccinatiestrategie rekening worden gehouden met een drietal afhankelijkheden. Ten eerste, de geschiktheid van vaccins voor specifieke groepen, ten tweede het moment van beschikbaarheid van vaccins en de aantallen waarin ze worden geleverd, en tot slot de logistieke kenmerken en de wijze van levering van vaccins. Op basis van adviezen van de Gezondheidsraad is een volgorde bepaald van de verschillende doelgroepen die voor een vaccinatie in aanmerking komen. Gegeven de afhankelijkheden houd ik zo veel mogelijk vast aan de volgorde, omdat daarmee bescherming tegen ziekte en sterfte wordt geboden. Gegeven de informatie van fabrikanten over de exacte momenten en aantallen van leveringen kunnen we de uitvoering steeds concreter en specifieker plannen. Tegelijkertijd moeten we dus soms schuiven in de start van een doelgroep en is ook sprake van een langere doorlooptijd. Over het bijstellen en/of verder invullen van de activiteiten zoals ook weergegeven in de flowchart informeer ik uw Kamer doorlopend, laatstelijk 5 februari jl.
Wanneer verwacht u dat Nederland op dezelfde vaccinatiegraad zit als het EU-gemiddelde (of zelfs daarboven) en welke vaccinatiesnelheid (aantal vaccinaties per dag) is daarvoor nodig?
Het is niet goed in te schatten wanneer Nederland op dezelfde vaccinatiegraad zit als de andere EU-landen of zelfs daar boven. Ik verwacht dat de relatieve achterstand snel zal zijn ingelopen. De EU-landen krijgen naar rato van de bevolkingsomvang ongeveer dezelfde hoeveelheid vaccins geleverd. De vaccinatiesnelheid en -graad in de verschillende landen is afhankelijk van de snelheid waarmee vaccin geleverd wordt en de omvang van die leveringen in de landen en de wijze waarop dit ingezet wordt; bijvoorbeeld hoe omgegaan wordt met het voorraadbeheer, inzet van vaccin en hoe landen omgaan met het prikinterval voor de eerste en tweede prikken voor de verschillende vaccins. In mijn Kamerbrief van 2 februari jl. leg ik uit hoe ik een aantal uitgangspunten heb gewijzigd om de vaccinatieoperatie te versnellen.
Welke sleutelfiguren binnen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben de regie over de verschillende uitvoerende instanties in de vaccinatiestrategie? Welke taken heeft het ministerie onder zich en uit welke hoedanigheid wordt deze regie uitgevoerd?
Het ministerie is eindverantwoordelijk voor de COVID-19 vaccinatie. Op het beleidsdepartement ligt de verantwoordelijkheid voor de beleidsafwegingen binnen de strategie en de financiering, en het RIVM voert de regie over de uitvoering. De uitvoering vindt plaats in samenwerking met de verschillende uitvoerende partijen (zoals de GGD’en, huisartsen, ziekenhuizen en instellingen). Tussen het beleidsdepartement, het RIVM en de uitvoerende partijen vindt dagelijks overleg en afstemming plaats, variërend van bestuurlijk tot operationeel niveau.
Wat is uw opvatting om een regierol bij Defensie te leggen en klopt het dat Defensie de inzet van het leger heeft aangeboden om de uitvoering te verbeteren? Klopt het dat u dat hebt geweigerd?
Nee. Voor de zomer van 2020 is verkend op welke wijze de uitvoering van de vaccinatiecampagne tegen COVID-19 het meest logisch zou zijn. Toen is geconcludeerd dat de meest voor de hand liggende route is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de reeds bestaande structuren. Er is daarom gekozen om het RIVM als coördinator van het vaccinatieprogramma aan te wijzen. Bij de uitvoering wordt wel degelijk beroep gedaan op Defensie. Defensie ondersteunt het RIVM bij de logistieke operatie met name op het coördinerende vlak. Daarnaast is met Defensie de afspraak gemaakt dat, indien nodig, binnen afzienbare termijn maximaal 1000 medewerkers van Defensie kunnen worden ingezet voor de ondersteuning en het vaccineren. Van deze mogelijkheid hebben we tot nu toe geen gebruik hoeven maken.
Klopt het dat vanuit het bedrijfsleven hulp is aangeboden om de uitvoering te verbeteren? Klopt het dat u dat hebt geweigerd?
Nee. Het klopt dat er vanuit het bedrijfsleven hulp wordt aangeboden. Ik heb hierover overleg met VNO-NCW en het bedrijfsleven. Ik ben hen zeer erkentelijk voor hun betrokkenheid en het aanbod van expertise om de vaccinatiecampagne te kunnen versnellen. Het RIVM laat zich op dit moment adviseren over de logistiek en het planningsproces. Dit gebeurt onder de vlag van de Topsector Logistiek en met betrokkenheid van leden van VNO-NCW (zoals logistieke specialisten uit bedrijven als ASML en Heineken), onder leiding van prof. dr. ir. Jan C. Fransoo, hoogleraar Operations and Logistics Management aan Tilburg University en de TU Eindhoven. Op basis hiervan worden voorstellen gedaan voor het mogelijk verbeteren van plannings- en logistieke processen, zowel om bij te dragen aan mogelijke versnellingen op de kortere termijn, alsook om meer en regelmatige scenarioplanning mogelijk te maken voor de middellange termijn. Daarnaast hebben in de afgelopen periode veel (individuele) bedrijven aanbiedingen gedaan voor ondersteuning met onder andere koel- en invriesapparatuur, ICT-voorzieningen, digitale mogelijkheden voor vaccinatiebewijzen en vervoersaanbiedingen. Van deze aanbiedingen wordt in veel gevallen nu geen gebruikgemaakt, omdat er al afspraken zijn met verschillende leveranciers. Indien nodig kan en zal alsnog van de aanbiedingen gebruikgemaakt worden.
Kunt u in een tabel uiteenzetten: (1) hoeveel vaccins er op 28 januari 2021 op voorraad zijn, (2) uitgesplitst naar fabrikant hoeveel vaccins er de komende drie weken (tussen 28 januari en 18 februari) worden geleverd, (3) hoeveel vaccinaties er tussen 28 januari en 18 februari per dag gepland staan en (4) hoeveel afspraken hiervoor daadwerkelijk zijn ingepland en kunt u hierbij aangeven of dit een eerste of tweede prik betreft?
Op 28 januari waren er 485.670 doses vaccin van BioNTech/Pfizer, 200 van Moderna en 0 van AstraZeneca (deze was immers nog niet goedgekeurd) op voorraad. Voor het BioNTech/Pfizer vaccin wordt in deze berekeningen uitgegaan van 6 doses per flacon en voor Moderna van 10 doses per flacon. Voor een overzicht van hoeveel vaccins per fabrikant de komende drie weken worden verwacht, verwijs ik u naar mijn Kamerbrief van 2 februari jl.
Hoeveel vaccinaties er tussen 28 januari en 18 februari per dag gepland staan is niet te zeggen. Immers: de vaccinaties worden op dit moment onder meer binnen de muren van honderden instellingen gezet, die allemaal hun eigen planning hebben. Het totale aantal gezette en nog te zetten vaccins in die periode kunt u afleiden uit figuur 2 van de Kamerbrief van 2 februari jl. Voor het aandeel BioNTech/Pfizer en Moderna betreft dit in alle gevallen al ingeplande vaccinaties. Voor het aandeel AstraZeneca niet, omdat we in afwachting waren van het advies van de GR en ontvangst van de leveringen van dit vaccin.
Voor de BioNTech/Pfizer-vaccins geldt dat het deels om eerste en deels om tweede vaccinaties gaat. Voor Moderna en AstraZeneca geldt dat het in alle gevallen in deze periode om eerste prikken gaat.
Kunt u op basis van de geplande afspraken voor vaccinatie komende weken ook een prognose geven wat komende weken de vaccinatiesnelheid (het aantal vaccinaties per dag) is? Kunt u dit uitsplitsen per uitvoerder (GGD, huisarts, instellingsarts, etc.)?
Zie het antwoord op vraag 7 en mijn brief van 2 februari jl. voor een benadering van het aantal te verwachten vaccinaties.
Sinds 26 januari jl. is op het Coronadashboard de vaccinatie pagina toegevoegd. De data op dit dashboard wordt dagelijks geüpdatet, op basis van de data die bij ons bekend is. Momenteel wordt het totaal aantal gezette prikken per dag door het RIVM berekend op basis van de gerapporteerde cijfers door GGD-GHOR en LNAZ voor prikken gezet bij de GGD’en en in ziekenhuizen respectievelijk, en cijfers afgeleid uit de hoeveelheid bezorgde vaccins voor de instellingen in de langdurige zorg. Op het dashboard worden deze gegevens zowel als totaal als per type uitvoerende organisatie weergegeven.
In figuur 2 van mijn brief aan uw Kamer van 2 februari jl. heb ik het cumulatieve aantal geleverde (t/m week2 en verwachte doses vaccins (BioNTech/Pfizer, Moderna en AstraZeneca), op basis van de laatste leveringsschema’s uitgezet in de tijd en tegen de geplande vaccinaties. De komende weken groeit het aantal gezette prikken steeds dichter toe naar het aantal geleverde vaccins. De snelheid van prikken groeit sneller dan de snelheid van levering.
Bent u bereid de vaccinatiesnelheid (het aantal vaccinaties per dag) en de geprognosticeerde vaccinatiesnelheid voor aankomende weken te publiceren op het coronadashboard van de rijksoverheid?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat indien in week vijf in totaal 757.000 vaccins op voorraad zijn en er tot nu toe 185.356 vaccins zijn toegediend2], er momenteel een voorraad is van ongeveer 385.000 vaccins (757.000 – 2 * 185.356) die niet gereserveerd zijn voor een tweede prik en dat deze (excl. spillage) aan circa 193.000 personen toegediend hadden kunnen zijn? Zo nee, wat is dan de huidige voorraad van vaccins dieniet gereserveerd zijn voor een tweede prik? Zo ja, welke gezondheidswinst zou het hebben opgeleverd als deze vaccins reeds waren toegediend?
Het is niet juist dat in week vijf in totaal 757.000 vaccins op voorraad zijn. In week 5 bedroeg de beschikbare voorraad ongeveer 486.000. Maar deze verschilt per dag – afhankelijk van wat er per dag geleverd en uitgereden wordt.
Het aantal tweede vaccinaties is tot en met 31/1 nog relatief gering. Vanaf week 5 begint dit aantal op te lopen.
Kunt u het draaiboek aan de Kamer doen toekomen (dat gold ten tijde van de Kamerbrief van 20 januari jl.), waarin beschreven staat hoe de 7,6 miljoen vaccins in het eerste kwartaal zouden worden toegediend en waarin beschreven staat wat hierbij de snelheid van vaccineren was per week, per uitvoerder, aangezien er volgens de genoemde Kamerbrief indicatief 7,6 mln. vaccins werden verwacht in het eerste kwartaal van 2021?
In de vaccinatiestrategie wordt ingezet op meerdere uitvoeringspartijen die samen invulling geven aan de uitvoering van de vaccinaties in Nederland. Samen met en voor deze uitvoeringspartijen worden door het RIVM specifieke uitvoeringsafspraken gemaakt, worden verschillende op de uitvoering gerichte draaiboeken en instructies vormgegeven. Daarnaast zijn er algemene producten zoals de uitvoeringsrichtlijn(en), die voor alle uitvoeringspartners gedetailleerd beschrijven hoe de uitvoering eruit moet zien. Deze producten, die de vaccinatie-uitvoering richten en sturen, worden op de website van het RIVM gepubliceerd, maar daar waar het specifieke instructies betreft, juist ook via de betreffende koepels met de uitvoeringspartijen gedeeld. Voorbeelden daarvan zijn de Uitvoeringsrichtlijn COVID-19 vaccinatie, NHG-Praktijkhandleiding COVID-19-vaccinatie voor de huisartspraktijk, Werkinstructie voor vaccinatie in de instellingen, PvA COVID-19-vaccinatie voor ziekenhuizen, Handleiding inzet BRBA Registraties voor uw organisatie etc. Deze producten en ook de uitvoeringsafspraken worden, wanneer de situatie daar aanleiding toegeeft, gewijzigd; bijvoorbeeld als er nieuw vaccin toegelaten wordt, of als de vaccinatiestrategie en planning gewijzigd moet worden. In de uitvoeringsoverleggen en afspraken met de uitvoeringspartijen wordt qua voorbereiding en capaciteit(-sopbouw) aangesloten bij de verwachte leveringen en de prioriteiten en planning uit de vaccinatiestrategie. Hierbij wordt ook gekeken op welke wijze gebruikmakend van de ervaringspraktijk en capaciteit – onder voorwaarden – net als bij de griepprik grote hoeveelheden vaccins in korte periode gezet kunnen worden. Met de uitvoeringspartijen kijken we steeds welke capaciteit op welk moment nu en in de toekomst nodig is om de vaccins maximaal weg te kunnen prikken.
Wordt er in de bestaande draaiboeken gestuurd op overcapaciteit in de uitvoering zodat de voorraad maximaal benut wordt, rekening houdend met de tweede prik, en dat in het ergste geval mensen voor hun eerste prik moeten worden afgezegd als leveringen tegenvallen? Zo nee, waarom niet en bent u van plan dit de komende weken wel te gaan doen? Zo ja, waarom blijft het vaccinatiepercentage in Nederland zo ver achter bij andere Europese landen, die naar rato dezelfde leveringen krijgen?
In mijn brief van 2 februari jl. heb ik beschreven welke maatregelen ik heb getroffen, in aanvulling op de reeds gecommuniceerde uitgangspunten uit mijn brief van 20 januari jl., om de voorraad maximaal te benutten en daarmee meer mensen sneller een vaccin te kunnen aanbieden. Ik heb in deze brieven toegelicht op welke wijze het voorraadbeheer, met een minimaal veilig niveau van veiligheidsvoorraad, ingericht zal worden, zodat snel meer mensen gevaccineerd kunnen worden, maar wel zodanig dat bij een tegenvallende levering de vaccinatie niet meteen vertraagd of belemmerd wordt. De snelheid van vaccinatie wordt bepaald door de snelheid van leveringen. De snelheid van prikken groeit de komende weken sneller dan de snelheid van levering, als gevolg van de maatregelen die ik in mijn brieven van 20 januari en 2 februari jl. heb aangekondigd. Ook bereiden we ons voor op de, naar verwachting, grotere leveringen in het tweede kwartaal. In de eerstvolgende Kamerbrief zal ik u weer informeren over de landelijke steunverzoeken.
Hoeveel kwetsbaren in de langdurige zorg overlijden er gemiddeld per week ten gevolge van COVID-19 en wat is bij deze groep de kans op overlijden ten gevolge van COVID-19?
Op basis van de beschikbare cijfers wordt geschat dat van week 10 van 2020 tot en met week 4 van 2021 gemiddeld ca. 150 bewoners van verpleeghuizen per week zijn overleden die positief waren getest op COVID-19. Dit blijkt uit de gegevens van het RIVM. In deze periode zijn 36.000 bewoners besmet geraakt en van hen zijn 7250 overledenen gemeld. Dat is 20% van het totaal aantal overledenen. De daadwerkelijke kans op overlijden zal echter hoger zijn dan 20%, omdat bij een deel van de cliënten bij wie men een besmetting met COVID-19 vermoedt, dit met name in de eerste golf niet met een test is vastgesteld. In de locaties voor gehandicaptenzorg overleden van week 28 van 2020 tot en met week 4 van 2021 gemiddeld ongeveer drie bewoners per week aan COVID-19. Op het Coronadashboard zijn dagelijks nieuwe gegevens beschikbaar over het aantal positief geteste bewoners dat is overleden.
Wat is de geschatte gezondheidsschade voor kwetsbaren in de langdurige zorg gegeven het feit dat de mate van bescherming op ernstige ziekte ook al na één dosis van het BioNTech/Pfizer vaccin wordt geschat op 50 tot 60% (en 95% na tweede dosis) en dat van de 757.000 vaccins er momenteel slechts 17.000 zijn toegediend aan kwetsbaren in de langdurige zorg?
Vanwege de hoge ziektelast in deze groep vind ik het belangrijk dat alle kwetsbare mensen zo snel mogelijk een COVID-19 vaccin aangeboden krijgen. Ik baseer me hierbij ook op de adviezen van de Gezondheidsraad. Vaccinatie gaat in fases en is afhankelijk van de leveringen van de vaccins. Om zo snel mogelijk zo veel mogelijk kwetsbare mensen te beschermen tegen het coronavirus, heb ik naar aanleiding van het gezamenlijke advies van de Gezondheidsraad en het Outbreak Management Team, gekozen voor het verlengen van het prikinterval tussen de eerste en tweede vaccinatie met het BioNTech/Pfizer vaccin. Door de tweede vaccinatie uit te stellen en minder vaccins op voorraad te houden, kunnen meer mensen snel een eerste vaccinatie ontvangen. Na de eerste prik loopt de bescherming op (en in het geval van het BioNTech/Pfizer-vaccin is die meteen heel behoorlijk). In mijn brief van 5 februari jl. heb ik aangegeven dat het vaccin van BioNtech/Pfizer ook beschikbaar komt voor de bewoners van de genoemde kleinschalige woonvormen die onder de medische verantwoordelijkheid van de huisarts vallen. Op deze wijze kan het vaccinatietraject voor deze groepen met zeker drie weken worden versneld en kunnen alle bewoners van deze kleinschalige woonvormen eind februari de eerste vaccinatie hebben gehad.
Bent u het eens met de stelling dat het zo snel als mogelijk inhalen van de achterstand op het EU-gemiddelde kan bijdragen aan het voorkomen van sterfgevallen in de langdurige zorg? Zo ja, hoeveel sterfgevallen betreft dit? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de opkomst van verschillende, meer besmettelijke, varianten van het coronavirus, wil ik maximaal inzetten om de vaccinatieoperatie te versnellen waar dat verantwoord kan. In mijn brieven van 20 januari jl. en 2 februari jl. heb ik toegelicht welke stappen ik heb gezet, onder andere in het voorraadbeheer en de planning om sneller meer mensen een eerste vaccinatie aan te bieden. Onderzoek wijst uit dat vanaf 60 jaar sterfte en ziekte aan COVID-19 sterk toenemen. Om die reden wil ik deze leeftijdsgroepen zo spoedig mogelijk vaccineren. In mijn brief van 5 februari jl. heb ik aangegeven dat de bewoners in de kleinschalige woonvormen die onder de medische verantwoordelijkheid van de huisarts vallen sneller een eerste vaccinatie zullen ontvangen.
Wordt de mate van gezondheidsschade ook meegenomen in de planning voor de komende weken? Zo ja, hoe beïnvloedt dit de vaccinatiesnelheid en het maximaal benutten van de voorraad van vaccins?
De vaccinatiestrategie is gericht op het voorkomen van (ernstige) ziekte en sterfte. Door op basis van ziektelast te vaccineren wordt zoveel mogelijk gezondheidsschade voorkomen. De prioriteit bij het vaccineren ligt daarom bij mensen die het meest kwetsbaar zijn en zorgmedewerkers die voor hen zorgen.
Het doel van de vaccinatiestrategie is om in een zo kort mogelijk tijdsbestek, zo veel mogelijk mensen te beschermen tegen het virus. De snelheid van leveren bepaalt daarbij de snelheid van vaccineren. Ik zet alles op alles om te versnellen waar dat verantwoord kan. De komende weken wordt er meer geprikt dan dat er aan vaccins binnen komt; waarbij uiteraard wel een veilige buffer (voorraad) aangehouden wordt.
Wat is uw mening ten aanzien van de geschetste casus in het artikel «Door «versnippering» zijn verpleeghuizen weken of maanden bezig met vaccineren», dat in Huize Avondrood op de afdeling Zonnebloem de mensen die naast elkaar wonen op verschillende momenten en door verschillende uitvoerders worden gevaccineerd?3
In het artikel wordt gesteld dat in veel van de ongeveer 2500 Nederlandse verpleeghuizen vijf rondes nodig kunnen zijn om alle bewoners een eerste prik te geven. Dit is onjuist. Bewoners in verpleeghuizen worden in twee rondes gevaccineerd. Bewoners die vallen onder de medische verantwoordelijkheid van de specialist ouderengeneeskunde zijn of worden door de specialist ouderengeneeskunde gevaccineerd. Bewoners die voor medische zorg onder de eigen huisarts vallen, zijn of worden gevaccineerd door de huisartsen vanuit de huisartsenpost. Ten slotte woont er een kleine groep mensen in verpleeghuizen die geen Wlz-indicatie heeft. Zij hebben doorgaans hun vertrouwde huisarts uit de tijd dat zij nog zelfstandig woonden. Door de verscheidenheid aan woonsituaties, is het in sommige situaties moeilijk een scheidslijn aan te houden welke cliënt onder welk deel van de vaccinatie-operatie valt. Dit heeft op sommige locaties voor onduidelijkheden en verwarring gezorgd. Ik heb daarom met de sector duidelijkere afspraken gemaakt over deze laatste groep. Zij kunnen tegelijkertijd met één van de andere twee groepen gevaccineerd worden. In een instelling waar de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de specialist ouderengeneeskunde kunnen ook de bewoners die onder de verantwoordelijkheid van de huisarts vallen gelijktijdig worden «meegeprikt» en dat gebeurt ook al geregeld. Dat geldt zeker ook voor de omgekeerde situatie waar huisartsen de primaire verantwoordelijkheid hebben en waarbij de uitvoering via de huisartsenposten gebeurt. In beide gevallen is ook mogelijk dat bewoners van (kleinschalige) verpleeghuizen die geen Wlz-indicatie hebben in dezelfde ronde als hun medebewoners met een Wlz-indicatie gevaccineerd kunnen worden. Dit heb ik in mijn brief van 2 februari jl. uiteengezet. Als een bewoner zonder Wlz-indicatie op basis van zijn of haar leeftijd al eerder opgeroepen wordt door het RIVM om door de GGD gevaccineerd te worden, kan deze vanzelfsprekend ook op die oproep ingaan.
Waarom is het niet mogelijk om, ten behoeve van de efficiëntie en de vaccinatiesnelheid, alle mensen te vaccineren die woonachtig zijn binnen hetzelfde verpleeghuis ondanks dat zij wellicht onder de verantwoordelijkheid vallen van verschillende artsen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u toelichten waarom u onder andere in uw brief van 12 januari jl.4 aangeeft eerst kwetsbaren in de langdurige zorg en de verpleeghuizen te vaccineren maar er momenteel toch al gestart is met kwetsbaren van 90 jaar en ouder die mobiel genoeg zijn om een vaccinatielocatie van de GGD te bezoeken?
Zoals ik in mijn brief van 12 januari jl. toelicht, wil ik de meest kwetsbare groepen zo snel mogelijk een vaccin kunnen aanbieden.
Met het oog op de opkomst van verschillende, meer besmettelijke, varianten van het coronavirus, wil ik, mede op advies van de Gezondheidsraad, maximaal inzetten om de vaccinatieoperatie te versnellen waar dat verantwoord kan. In mijn brief van 20 januari jl. heb ik de volgende wijzigingen in de uitgangspunten aangegeven:
Door deze stappen te zetten in het voorraadbeheer en de planning kunnen we sneller meer mensen een eerste vaccinatie aanbieden. Dat gebeurt via verschillende uitvoerende partijen. Zo is gestart met het uitnodigen en vaccineren van de groep 90-plussers en wordt inmiddels ook de groep 85-plussers uitgenodigd voor een vaccinatie bij de GGD. Op 5 februari zijn ook de eerste uitnodigingen verstuurd voor de groep 80-plussers. Ik vind het onwenselijk om te wachten met deze groepen totdat het vaccineren in de instellingen is afgerond. In mijn brief van 5 februari jl. heb ik gemeld dat medio februari ook gestart zal worden met de vaccinatie van 60 tot en met 64 jarigen.
Indien het antwoord op de vorige vraag met name te maken heeft met de logistieke uitdagingen van het BioNTech/Pfizer vaccin, kunt u toelichten waarom Duitsland in staat is geweest reeds 663.171 verpleeghuisbewoners te vaccineren?5
Gezien het antwoord bij vraag 19, acht ik deze vraag als niet van toepassing.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en alvorens het eerstvolgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt deze vragen voor het debat van 4 februari te beantwoorden
Tekortschietende toegankelijkheid voor mensen met een assistentiehond |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Deur staat op kier voor geleidehond» en wat vindt u ervan dat, ondanks de wettelijke bepaling, circa 40% van de mensen aangeeft ergens te zijn geweigerd met een assistentiehond in de afgelopen 12 maanden?1
Ja, ik ben bekend met het artikel «Deur staat op kier voor geleidehond». Ik realiseer mij goed dat het belang van assistentiehonden voor mensen die daarvan gebruikmaken groot is. Ik wil dan ook vooropstellen dat ik de situaties waarin assistentiehonden onterecht geweigerd worden, betreur. Ik onderschrijf het belang van toelating van assistentiehonden, zoals geborgd in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz).
Wat is uw reactie op de signalen die onze fractie bereiken dat assistentiehonden nog vaak geweigerd worden in onder andere supermarkten, medische omgevingen, taxi’s en horecagelegenheden, ondanks het wettelijk verbod hierop?2
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven, willen we bijna vijf jaar na de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en aanpassing van de Wgbh/cz, natuurlijk het liefst dat iedereen het belang van toelating van assistentiehonden zou begrijpen en ook in de praktijk zou toepassen. En daarmee dat onterechte weigeringen niet meer voorkomen. Helaas is dat nog niet altijd het geval. Ik herken de signalen dat gebruikers van assistentiehonden in de praktijk met weigeringen te maken hebben en snap dat dat voor hen als een enorme belemmering wordt ervaren. Mede daarom ben ik in gesprek gegaan met verschillende partijen om te onderzoeken hoe we de genoemde sectoren bewuster kunnen maken van het belang van assistentiehonden en de plicht hen toe te laten.
Ik wil daarbij wel markeren dat een assistentiehond in beginsel toegelaten moet worden, tenzij dit een onevenredige belasting vormt bijvoorbeeld omdat de veiligheid of de gezondheid in het geding is. Het geldende principe is daarmee «ja, tenzij...». Een onevenredige belasting moet per specifieke omstandigheid worden bepaald. Dit betekent dat niet in algemene zin gezegd kan worden dat het toelaten van assistentiehonden een absoluut recht is.
Erkent u dat dit probleem voor een aanzienlijk deel het gevolg is van de onbekendheid met de geldende wet- en regelgeving of heeft u een andere verklaring?
Ik kan mij goed voorstellen dat veel ondernemers niet in detail op de hoogte zijn van de plicht tot toelating, zoals vastgelegd in de Wgbh/cz.
Met het project MKB Toegankelijk werken VNO-NCW en MKB-Nederland actief aan de verbetering van de toegankelijkheid bij ondernemers door onder meer het ondersteunen van het opstellen van sectorplannen die bijdragen aan het verbeteren van de toegankelijkheid en door zorg te dragen voor informatie over de verantwoordelijkheid die ondernemers op grond van de Wgbh/cz en andere relevante regelgeving hebben. Informatie over de plicht tot toelaten van assistentiehonden maakt daar onderdeel van uit.
Denkt u dat meer eenduidigheid in het uiterlijk van de assistentiehond qua tuigjes of door het gebruik van uniforme pasjes van mensen die gebruik maken van een assistentiehond, kan helpen om de toegankelijkheid te vergroten?
Ja, dat denk ik zeker en dat wordt ook onderschreven door betrokken partijen. Dit punt wordt meegenomen in het Europese normalisatietraject waarover ik u eerder heb geïnformeerd3. Hierin worden in Europees verband normen ontwikkeld voor assistentiehonden. Een van de betreffende normen waarover in dit traject wordt gesproken, is een eenduidig systeem waarmee assistentiehonden kunnen worden herkend.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met opleidings- en trainingsinstituten van assistentiehonden om samen met hen te kijken hoe de bekendheid van assistentiehonden vergroot kan worden? Zo ja, kunt u de uitkomst hiervan medio 2021 naar de Kamer sturen?
Recent ben ik opnieuw in gesprek gegaan met MKB Nederland over dit onderwerp. Zij voeren in het kader van het programma Onbeperkt Meedoen! het project MKB Toegankelijk uit. MKB Nederland heeft op basis daarvan een vervolggesprek gevoerd met verschillende vertegenwoordigers van branches om de toelating van assistentiehonden wederom onder de aandacht te brengen.
Uit deze gesprekken kwam onder meer naar voren dat Koninklijke Horeca Nederland (waar ook hotels onder vallen) en het Vakcentrum (branchevereniging voor supermarkten) met enige regelmaat aandacht besteden aan de toelating van assistentiehonden op hun website en in hun vakbladen. Naast horeca en supermarkten brengen ook diverse andere branches dit thema onder de aandacht van leden. VNO-NCW en MKB-Nederland ondersteunen hen hierbij vanuit het programma MKB Toegankelijk.
Verder heeft MKB Nederland mij geïnformeerd over contact met Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV), de brancheorganisatie voor onder meer taxivervoer, om daar de toegankelijkheid van assistentiehonden onder de aandacht te brengen. Daaruit is naar voren gekomen dat weigering van passagiers met geleidehonden voor zover bij KNV bekend, niet vaak gebeurt. Als het echter gebeurt, is meestal sprake van een zelfstandige rijder die niet bij een taxicentrale of een TTO (Toegelaten Taxi organisatie) is aangesloten. Koninklijk Nederlands Vervoer adviseert reizigers altijd een voertuig van een herkenbaar taxibedrijf/-centrale te nemen, of nog beter, een taxi bij deze organisatie te bestellen. Dan is de kans dat iemand te maken krijgt met weigering van de hond kleiner.
MKB Nederland heeft aangegeven de sectorale campagnes opnieuw te willen oppakken in samenwerking met verschillende brancheverenigingen. Ik heb MKB-Nederland in contact gebracht met KNGF en Hulphond.nl, twee van de grootste opleidings- en trainingsinstituten van assistentiehonden, om mee te denken over de aanpak van de sectorale campagnes.
Is er sprake van een landelijk protocol of andere afspraken voor ziekenhuizen of andere medische omgevingen op welke manier zij enerzijds zo veel mogelijk ruimte kunnen bieden aan mensen met een assistentiehond en anderzijds ook rekening houden met de veiligheid van patiënten? Zo ja, zorgt deze voor voldoende reële toegankelijkheid? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen om zo duidelijkheid te scheppen?
Er is op dit moment geen landelijk protocol voor ziekenhuizen met daarin regels over hoe zij zoveel mogelijk ruimte kunnen bieden aan mensen met een assistentiehond. In de beantwoording van eerdere Kamervragen over «honden afscheid laten nemen van baasje»4 heb ik aangegeven dat vanuit infectiepreventie veelal per casus in overleg met medisch verantwoordelijken wordt gekeken of het microbiologisch verantwoord is dieren toe te laten in bijvoorbeeld ziekenhuizen en zo ja, onder welke condities. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de individuele belangen en de risico’s voor andere patiënten, bezoekers en zorgverleners. Er zijn diverse ziekenhuizen die expliciet informatie over de toelating van assistentiehonden op hun website vermelden. De NVZ ziet op dit moment geen noodzaak een landelijk protocol op te stellen, ook omdat de specifieke situatie in ziekenhuizen verschilt.
Ik begrijp uit het artikel dat toch nog wel eens onduidelijkheid bestaat over de toelating van assistentiehonden in medische omgevingen. Ik heb daarom contact gehad met de NVZ en afgesproken dat zij de toegankelijkheid voor assistentiehonden nogmaals onder de aandacht brengt bij al hun leden. Voor vragen ter voorbereiding op een bezoek aan het ziekenhuis met een assistentiehond kan ik mij voorstellen dat in eerste instantie contact wordt opgenomen met de desbetreffende instelling met de vraag welke regels er bij die instelling gelden.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om meer aandacht te vragen voor de rol die gemeenten kunnen spelen ten behoeve van de inclusie van assistentiehonden in de samenleving? Zo ja, kunt u de uitkomst hiervan medio 2021 naar de Kamer sturen?
De VNG heeft in een gesprek toegelicht dat de invloed van gemeenten op de naleving van de verplichting assistentiehonden te verwelkomen, beperkt is. Thema’s waar de gemeenten beleidsmatig verantwoordelijk voor zijn, hebben vrijwel geen link met de inclusie van assistentiehonden in de samenleving.
Gemeenten zijn uiteraard wel aan zet om te zorgen dat assistentiehonden worden toegelaten bij gemeentelijke diensten, zoals het gemeentehuis. De VNG heeft mij geïnformeerd dat gemeenten daar ook voor zorgen. De VNG brengt het belang van assistentiehonden ook onder de aandacht bij gemeenten, door goede praktijkvoorbeelden te delen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van supermarkten en taxicentrales om zo de toegankelijkheid in die sectoren te vergroten, zodat ook mensen met een functionele of psychische beperking zelfstandig boodschappen kunnen doen en een uitje kunnen ondernemen? Zo ja, bent u het ermee eens dat met een sectorale campagne de voorlichting verbeterd kan worden?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt in de bewustwordingscampagne aandacht besteed aan de toegankelijkheid van mensen met hun assistentiehond?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek van Ditmeijers Research waaruit onder andere naarvoren is gekomen dat ruim een derde van de respondenten wel eens wordt geweigerd bij hotels door het meenemen van hun assistentiehond en slechts 20% aangeeft naar een hotel naar keuze te kunnen gaan? Welke stappen kunnen gezet worden om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kan Nederland leren van het buitenland als het gaat om de inclusiviteit van assistentiehonden in de samenleving? Bent u bereid een onderzoek uit te voeren naar hetgeen Nederland kan leren van het buitenland over de inclusiviteit van assistentiehonden in de samenleving?
Door middel van het Europese normalisatietraject waaraan Nederland actief deelneemt, worden eenduidige Europese normen ontwikkeld voor assistentiehonden. Vanuit het Ministerie van VWS is met de Nederlandse voorzitter en secretaris van dit traject gesproken over de vergelijking met andere landen. Zij geven aan dat veel landen met dezelfde vraagstukken worstelen, waardoor onderzoek doen waarschijnlijk geen nieuw inzicht gaat bieden. Daarom heeft het mijn voorkeur nu in te zetten op het Europese normalisatietraject dat voor eenduidigheid gaat zorgen. In dat traject wordt met vertegenwoordigers van alle betrokken landen samen gewerkt aan normen die moeten bijdragen aan de oplossing van de problemen met toegankelijkheid.
Kunt u bevestigen dat pups in opleiding tot assistentiehond ook onder de wettelijke bescherming vallen en niet mogen worden geweigerd? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om de bekendheid hiermee beter te regelen, zodat zij niet meer geweigerd worden?
Pups in opleiding tot assistentiehond vallen onder de wettelijke bescherming. Dit betekent dat zij niet per definitie geweigerd kunnen worden, maar alleen als het toelaten een onevenredige belasting vormt. Dit kan zijn als de assistentiehond in opleiding onvoldoende getraind is en bijvoorbeeld de hele tijd blaft of springt. Dit argument geldt overigens voor alle assistentiehonden. De toelating van pups en jonge honden die hun training recent hebben afgerond, maakt ook deel uit van het Europese normalisatietraject. Het normalisatietraject moet ervoor gaan zorgen dat hierover meer eenduidigheid gaat komen. De Nederlandse voorzitter van de normcommissie gaf aan dat een tip bij honden in opleiding is om vooraf contact op te nemen, als de begeleider naar een nieuwe plek gaat. Een toelichting op het opleidingstraject kan vaak op begrip rekenen, waardoor de hond niet geweigerd wordt.
Het bericht ‘Huren van de corporatie terwijl je 59 panden bezit’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Julius Terpstra (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huren van de corporatie terwijl je 59 panden bezit»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het is ongewenst als een huurder een sociale huurwoning van de woningcorporatie «bezet houdt», als hij niet op die woning is aangewezen om te voorzien in zijn woonbehoefte vanwege het bezit van één of meer koopwoningen. Sociale huurwoningen zijn bedoeld voor mensen met een smallere beurs, die op de woningmarkt niet zelfstandig kunnen voorzien in betaalbare en kwalitatief goede huisvesting. Het is van belang de situatie goed te bezien en daarbij oog te houden voor de verschillende omstandigheden van het geval. Ik ga nader onderzoeken wat de omvang van het probleem precies is, en in hoeverre de problematiek de sociale verhuur door woningcorporaties betreft.
Is het waar dat er ruim duizend sociale huurwoningen worden verhuurd aan mensen die twee of meer koopwoningen bezitten?
Uit onderzoek van het Kadaster is naar voren gekomen dat 1.055 personen een woning bij een woningcorporatie huren en tegelijk twee of meer koopwoningen in eigendom hebben. Het Kadaster heeft niet onderzocht hoeveel mensen met één koopwoning in een corporatiewoning wonen, omdat hier veel tijdelijke situaties tussen zitten zoals mensen die doorstromen naar de koopsector of andersom, of bijvoorbeeld situaties van mensen in een scheiding. Uiteraard kan ook het hebben van één koopwoning een indicatie zijn dat een sociale huurwoning niet noodzakelijk is om te kunnen voorzien in woonruimte.
In het onderzoek van het Kadaster is geen uitsplitsing gemaakt naar eigenaars van woningen die een corporatiewoning huren in de sociale woningvoorraad, of een duurdere corporatiewoning in de vrije sector.
Hoeveel sociale huurwoningen worden verhuurd aan mensen die één of meer koopwoningen bezitten? Kunt u dit uitsplitsen naar het aantal koopwoningen dat een huurder van een sociale huurwoning bezit?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ook een overzicht van mensen die één of meer koopwoningen in het buitenland bezitten?
Het Kadaster heeft geen overzicht van eigendommen in het buitenland.
Deelt u de mening dat sociale huurwoningen niet bedoeld zijn voor mensen die een koopwoning bezitten? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden dit aan te pakken binnen de huidige wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Het stelsel van sociale verhuur is bedoeld om te voorzien in betaalbare en kwalitatief goede woningen voor de mensen met een smallere beurs. Dit is moeilijk te rijmen met de beschreven situatie. Het is onwenselijk wanneer sociale huurwoningen onterecht «bezet» worden door mensen die niet tot de doelgroep behoren of door mensen die intussen voordeel behalen uit gelijktijdig bezit van één of meer koopwoningen.
Deze problematiek hangt samen met de wijze waarop sociale huurwoningen worden toegewezen en hoe de corporatie gedurende de huurperiode zicht houdt op de financiële positie van de huurder. Bij de toewijzing van sociale huurwoningen wordt op basis van de wet- en regelgeving het huishoudinkomen getoetst om te bepalen of iemand tot de doelgroep behoort en welk soort woning zou moeten worden toegewezen. De inkomenstoets behelst het inkomen inclusief het «inkomen uit sparen en beleggen» uit box 3. Het vermogen telt dus bij de toewijzing van de sociale huurwoning indirect mee. Tijdens de looptijd van het huurcontract vindt geen toets op inkomen meer plaats, behalve voor het kunnen toepassen van het instrument inkomensafhankelijke hogere huurverhoging. Wanneer een huurder inkomen verwerft uit de eigendom van woningen en het huishoudinkomen (mede) daardoor stijgt tot boven de daarvoor geldende inkomensgrens, kan de woningcorporatie een hogere huurverhoging doorvoeren. Op deze manier kan de woningcorporatie ook na de woningtoewijzing een prikkel toepassen voor doorstroming zodat de huurwoning beschikbaar komt voor een volgende huurder.
Huurders van sociale huurwoningen genieten – net als iedere huurder – huurbescherming. Opzegging van het huurcontract door de verhuurder is alleen mogelijk in die gevallen die de wet expliciet noemt.2 In het geval dat de huurder in de sociale huurwoning woont, zijn huur betaalt en geen overlast veroorzaakt voor de omgeving, voldoet de huurder aan zijn huurcontract en kan de verhuurder de huur niet opzeggen.
Binnen de huidige regelgeving zou opzegging in beginsel mogelijk zijn indien:
Als de huurder niet met de huuropzegging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. De rechter zal in dat geval het belang van de verhuurder om de huur te beëindigen afwegen tegen het belang van de huurder om de huur voort te zetten.
Welke mogelijkheden zijn er nu om mensen uit een sociale huurwoning te zetten die bijvoorbeeld, zoals in het artikel wordt genoemd, 59 koopwoningen bezitten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of corporaties de mogelijkheid gegeven kan worden om een vermogenstoets uit te voeren bij de toewijzing van een sociale huurwoning? Bent u bereid corporaties ook de mogelijkheid te geven die vermogenstoets uit te voeren gedurende een huurcontract?
Ik vind het belangrijk om te onderzoeken hoe groot de problematiek is die in het eerdergenoemde artikel is geagendeerd en welke mogelijkheden er zijn om dit aan te pakken. Als de problematiek goed in beeld is kan ik de mogelijke oplossingen beoordelen.
Welke oplossingen ziet u om sociale huurders op te sporen die één of meer koopwoningen bezitten die volledig zijn gefinancierd? Bent u bereid met Aedes om tafel te gaan om deze huurders aan te pakken?
Ik heb naar aanleiding van het eerdergenoemde artikel met Aedes afgesproken om hier samen naar te kijken. Zoals in antwoord op vraag 6 en 7 beschreven is inzicht nodig in de omvang van het probleem voordat hiervoor oplossingen bedacht kunnen worden.
Herkent u de oproep van diverse lokale bestuurders en corporaties dat zij meer mogelijkheden nodig hebben om tegen misbruik van sociale huurwoningen op te treden? Zo ja, hoe wilt u deze mogelijkheden verruimen? Zo nee, bent u bereid zo snel mogelijk met hen contact op te nemen?
Ik ben bekend met de oproep van lokale bestuurders en corporaties. Om deze lokale bestuurders en woningcorporaties tegemoet te komen werk ik samen met de VNG en Aedes om te kijken welke obstakels bestaan voor de aanpak van woonfraude en hoe we die kunnen wegnemen. Het overleg hierover zet ik voort en ik zal bezien hoe dit in verband kan worden gebracht met de problematiek die in dit artikel naar voren is gebracht.
Bent u bekend met de pilot die corporatie TIWOS uit Tilburg met de politie wil draaien om wietplantages in sociale huurwoningen op te sporen? Wat doet u om ervoor te zorgen dat corporaties en politie informatie kunnen uitwisselen om criminele activiteiten in sociale huurwoningen tegen te gaan?
Woningcorporatie Tiwos heeft mij laten weten dat er geen specifieke pilot is, maar dat de jarenlange aanpak van wietproblematiek in Tilburg plaatsvindt volgens het lokale Hennepconvenant. De problematiek zoals in het krantenartikel beschreven valt binnen een afspraak uit het Convenant Wonen Tilburg 2020–2025 dat woningcorporaties en de gemeente met elkaar opstellen. Daarin is opgenomen dat gemeente en woningcorporaties samen zoeken naar juridische mogelijkheden om onrechtmatig gebruik van sociale huurwoningen tegen te gaan.
Een woningcorporatie kan (vermoedens van) strafbare activiteiten die een huurder in de woning begaat melden bij de politie. Ik voer momenteel gesprekken met Aedes en andere partijen óf – en zo ja in hoeverre – er aanvullende mogelijkheden wenselijk zijn om informatie-uitwisseling tussen corporaties en politie mogelijk te maken.
Ziet u andere mogelijkheden voor corporaties om sociale huurders op te sporen die één of meer koopwoningen hebben, en hen geen sociale huurwoning toe te wijzen of een huurcontract te ontbinden?
Zie mijn antwoorden op vraag 6 tot en met 9.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Waar de vraagstelling gerelateerde onderwerpen betreft heb ik de beantwoording van de vragen samengenomen.
De verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs per 1 september 2020 voor drie maanden de bekostiging gedeeltelijk (15 procent) van de Joodse school Cheider heeft opgeschort?1
Ja, dat klopt.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs tot deze maatregel is overgegaan door zorgen over de sociale veiligheid van leerlingen en een gebrek in het wettelijk verplichte onderwijsaanbod over seksualiteit en levensbeschouwing?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat ook het financiële beheer van de school tekort zou schieten volgens de Inspectie van het Onderwijs?
De Inspectie ziet financiële risico’s voor de continuïteit van het onderwijs. De continuïteit is één van de onderdelen waarop de inspectie het kwaliteitsgebied Financieel beheer beoordeelt.
Klopt het eveneens dat de Inspectie van het Onderwijs tot de conclusie kwam dat Cheider te weinig zou doen om de zaken te verbeteren?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven wanneer de Inspectie van het Onderwijs overgaat tot opschorting van (gedeeltelijke) bekostiging van een school?
De Inspectie kan alleen overgaan tot opschorting van de bekostiging van de school indien één of meer onderdelen van de wet- en regelgeving niet worden nageleefd. Indien de Inspectie na onderzoek heeft geconstateerd dat er sprake is van een overtreding van de wet- en regelgeving, dan biedt de Inspectie eerst tijd om de overtreding te herstellen. Indien na deze hersteltermijn een schoolbestuur nog steeds in gebreke blijft, en er geen zicht is op concrete verbetering, dan kan de Inspectie overgaan tot opschorting van de bekostiging.
Klopt het niet dat het doel tot het nemen van een bekostigingsmaatregel is dat de school nu eindelijk eens werk gaat maken van de conclusies van de Inspectie van het Onderwijs, zodat ze zo snel als mogelijk voldoen aan de wettelijke vereisten? En dat een bekostigingsmaatregel dus als doel heeft een school zo snel als mogelijk te bewegen om aan deze voorwaarden te voldoen?
Het oogmerk van het opschorten of inhouden van subsidie of bekostiging is primair het herstellen van een met de wet strijdige situatie. Het gaat erom een gedragsverandering bij het bestuur van de onderwijsinstelling te bewerkstelligen gericht op naleving van de wet- en regelgeving. Daarnaast mag worden aangenomen dat van dergelijke sancties een preventief effect uitgaat. Voordat inhouding van de bekostiging plaatsvindt, vindt in eerst opschorting plaats. Indien de wettelijke voorschriften alsnog door de school of instelling worden nageleefd, worden de opgeschorte bedragen alsnog uitbetaald. Ingehouden bedragen worden uiteraard niet nabetaald.
Hoe beoordeelt u dan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van het opschortings- en inhoudingsbesluit, dat de bekostigingsmaatregel opgeschort dient te worden tot na uitspraak in de bodemprocedure vanwege de verregaande gevolgen van de maatregel? Is dat niet juist het doel van de maatregel, dat het gevolgen heeft voor de betreffende school? Op welke manier wordt in de tussentijd de sociale veiligheid van leerlingen op deze school dan gewaarborgd?
De rechter heeft vastgesteld dat Cheider aan de hand van overlegde financiële gegevens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt. Bij de uitspraak heeft de rechter enerzijds het belang van Cheider meegewogen, namelijk het voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat doordat de continuïteit van het onderwijs in gevaar komt door het wegvallen van de benodigde bekostiging. Anderzijds heeft de rechter ook het belang van de Minister meegewogen om, door middel van een effectief handhavingsbeleid, veranderingen in het gedrag bij Cheider te bewerkstelligen omdat Cheider, naar het oordeel van de Minister, wettelijke voorschriften heeft overtreden. De voorzieningenrechter is van mening dat het belang van Cheider bij het voorkomen van onomkeerbare gevolgen zwaarder weegt. De rechter heeft de sanctiebesluiten geschorst tot zes weken na de beslissing(en) op bezwaar. De bezwaarprocedure tegen het opschortings- en inhoudingsbesluit loopt nog. Deze zal zo spoedig mogelijk worden afgehandeld. Vervolgens zal de inspectie kijken naar eventuele vervolgstappen. Intussen is en blijft het bestuur verantwoordelijk voor de sociale veiligheid van de leerlingen op deze school.
Wat zijn de volgende stappen die u gaat nemen om te garanderen dat de sociale veiligheid op het Cheider wordt gewaarborgd, dat ze zo snel als mogelijk gaan voldoen aan de wettelijke vereisten in het onderwijsaanbod als het gaat om seksualiteit en levensbeschouwing en dat het financiële beheer van de school weer in orde is?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat bij slechte prestaties van schoolbesturen, er zo snel als mogelijk ingegrepen dient te worden zodat we voorkomen dat we leerlingen blootstellen aan sociaal onveilige situaties of wanneer het onderwijs niet voldoet aan de wettelijk eisen?
Het is zeker mijn wens dat alle leerlingen onderwijs krijgen in een veilige situatie met onderwijs dat voldoet aan alle wettelijke eisen. Het bestuur is daarvoor verantwoordelijk. De Inspectie heeft de mogelijkheid om bij tekortkomingen herstelopdrachten te geven en herstelsancties op te leggen, om een schoolbestuur te bewegen alsnog aan de wettelijke voorschriften te voldoen. Daarbij dienen rechterlijke uitspraken te worden gerespecteerd. Zoals in het antwoord op vraag 7 al aangegeven: de bezwaarprocedure tegen het opschortings- en inhoudingsbesluit loopt nog. Deze zal zo spoedig mogelijk worden afgehandeld. Vervolgens zal de inspectie kijken naar eventuele vervolgstappen.
De ontheffing van de avondklok voor de jacht op zwijnen en vossen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ontheffing van avondklok voor jacht op zwijnen en vossen»?1
Ja.
Is het waar dat de Minister van LNV aan provincies en provinciale faunabeheereenheden gevraagd heeft om «ontheffingen te regelen voor de jacht op zwijnen en vossen»? Zo nee, is er vergelijkbare communicatie geweest waarop de KNJV (Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging) zich baseert? Zo ja, met welke partijen?
Het ministerie heeft in de derde week van januari, voorafgaand aan de invoering van de avondklok, verzoeken ontvangen van onder andere de KNJV over het in de nacht kunnen uitvoeren van noodzakelijk wildbeheer. Mijn ministerie heeft op 21 januari jl. aangegeven dat Rijk en provincies samen zouden bekijken wat de mogelijkheden zijn om nachtelijk wildbeheer uit te zonderen van de maatregelen horend bij de invoering van de avondklok. Op het moment van publicatie van het bericht waar u naar verwijst was er nog geen besluit genomen.
Beaamt u dat jacht geen uitzonderingsgrond is voor een ontheffing op de avondklok? Zo ja, wat is dan de wettelijke basis voor deze ontheffingen?
Jacht is geen uitzonderingsgrond voor de avondklok. Het beheer van wilde zwijnen om de aantallen te reduceren en zodoende de kans van introductie van Afrikaanse varkenspest zo klein mogelijk te maken, beschouw ik als een noodzakelijke werkzaamheid. In de regeling avondklok2 is een algemene uitzondering opgenomen voor het uitvoeren van noodzakelijke beroepsmatige werkzaamheden. Er is dus geen sprake van een specifieke uitzondering of ontheffing voor wildbeheer.
Ook het afhandelen van door aanrijding gewond geraakt wild (valwild) is een noodzakelijk werk. Andere vormen van wildbeheer en jacht die tijdens de uren van avondklok plaatsvinden zijn geen noodzakelijke werkzaamheden tijdens de uren van de avondklok. Dit is ook gecommuniceerd richting de KNJV en de faunabeheereenheden.
Kunt u aangeven welk doel gediend is met het verontrusten, bejagen en doden van vossen en zwijnen gedurende de nachtelijke uren?
In overleg met het Interprovinciaal Overleg (IPO) is besloten momenteel uitsluitend het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond geraakt wild dier tijdens de avondklokuren als noodzakelijke werkzaamheden te beschouwen. Het beheer van de wildezwijnenpopulaties is noodzakelijk om de kans van introductie van Afrikaanse varkenspest zo klein mogelijk te maken. De noodzaak van het verkleinen van populaties wilde zwijnen is onder andere verwoord in het Plan van Aanpak «besmetting van wilde zwijnen met AVP»3 en in de Roadmap «preventie introductie AVP», die vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd4.
Deelt u de mening dat er gedurende de nachtelijke uren op geen enkele wijze sociale controle uitgeoefend kan worden op de jacht en dat BOA’s of jachtopzichters niet zelden in dienst van de jagers zijn?
Die mening deel ik niet.
Waarom kiest u voor een centrale oproep om ontheffingen af te geven, waar u in andere gevallen doorgaans kiest voor decentrale verantwoordelijkheden met betrekking tot de jacht?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangeef is er geen sprake van ontheffingen. Bovengenoemd besluit is in samenspraak met het IPO tot stand gekomen om te zorgen voor een zo eenduidig mogelijk beleid.
Hoe verhoudt deze oproep zich tot een recente uitspraak van de rechtbank in Den Haag, die de ontheffing op nachtelijk jagen op vossen heeft verboden in Zuid-Holland?2
Zoals hierboven aangegeven beschouw ik op dit moment alleen het beheer van wilde zwijnen als noodzakelijke werkzaamheid. Dit dient te gebeuren binnen alle geldende regels en ontheffingen.
In welke andere Europese landen krijgen jagers ontheffing van coronapreventie, zoals de avondklok?
Zowel in België als in de aan Nederland grenzende Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen zijn er uitzonderingen in de regelgeving zodat urgente jachtactiviteiten kunnen worden uitgevoerd. Specifiek wordt hier ook het beheer van zwijnenpopulaties ter voorkoming van epidemieën zoals de Afrikaanse Varkenspest benoemd.
Beaamt u dat het gebruik van lichtbakken, restlichtversterkers, nachtzichtapparatuur en geluidsdempers in de regel beschouwd wordt als een onwenselijke stropersmethode? Zo nee, waarom niet?
Wildstroperij is geen wettelijk gedefinieerde term, in de volksmond wordt hiermee bedoeld het bemachtigen en doden van dieren zonder hiervoor het wettelijke recht te hebben. Er zijn derhalve ook geen «stropersmiddelen», alleen middelen die al dan niet wettelijk mogen worden ingezet voor het bemachtigen en doden van dieren. Conform art. 3.25 en 3.26 van de Wet natuurbescherming kunnen provincies ontheffing afgeven voor het gebruik van de genoemde middelen indien de noodzaak goed kan worden gemotiveerd. Wanneer deze middelen op de juiste en ontheven manier worden gebruikt, is er geen sprake van wildstroperij.
Naast een ontheffing voor het gebruik van de middelen moet de gebruiker ook over een jachtakte beschikken op grond van de Wet wapens en munitie. Als zonder jachtakte en/of ontheffingen beschermde dieren worden bemachtigd/gevangen/gedood, is dat strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Waarom zouden jagers dieren gemakkelijker kunnen benaderen in het donker dan overdag en hoe verhoudt die noodzaak zich tot een vermeende overpopulatie?
Wilde zwijnen zijn in de meeste gebieden in Nederland door recreatie en andere menselijke activiteiten ’s nachts actief. Effectief afschot is daarom eigenlijk alleen mogelijk in die uren. Bovendien kunnen de dieren in de nacht minder goed zien, waardoor het zwijn een jager niet snel opmerkt. Het beheer van wilde zwijnen vindt, net als in andere jaren, hoofdzakelijk na zonsondergang en voor zonsopkomst plaats. Hierin verandert dus niets in vergelijking met de situatie onder «normale» omstandigheden.
Welke invloed heeft nachtelijke bejaging op de verkeersveiligheid en het oversteekgedrag van opgejaagde dieren, in de randen van de nacht en vroege ochtend?
Het gaat in dit geval om het beheer van wilde zwijnen. De wijze waarop die worden geschoten leidt niet tot een wezenlijke vergroting van de normale nachtelijke bewegingen van wilde zwijnen – de dieren worden niet opgejaagd. Deze vorm van beheer is niet van invloed op de verkeersveiligheid.
Hoe past de door u bepleite ontheffing zich tot het zoveel mogelijk beperken van ontheffingen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangeef is er geen sprake van ontheffingen.
Is er een formeel of informeel verzoek bij u ingediend waarin gepleit werd voor ontheffing van de avondklok? Zo ja, van wie was dat verzoek afkomstig en kunt u dat met de Kamer delen? Zo nee, waardoor werd uw initiatief dan ingegeven?
Er zijn bij mij informele verzoeken binnengekomen vanuit de KNJV, de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG), een provincie en enkele faunabeheereenheden uit provincies waar de varkenspestproblematiek speelt. Deze benadrukten de noodzaak van het beheer van wilde zwijnen in het kader van de preventie van Afrikaanse varkenspest.
In de correspondentie staan persoonlijke gegevens. Gelet op de benodigde zorgvuldigheid zal de gevraagde informatie op een later moment worden nagestuurd.
Kunt u deze vragen gelet op de urgentie van invoering van de avondklok en het ontheffingenbeleid binnen een week beantwoorden?
De vragen zullen binnen de termijn worden beantwoord.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er mogelijk bezuinigd gaat worden op de kinderbijslag |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitkeringsorganisaties maken meer kosten, en ouders mogen het betalen»?1
Ja.
Waarom moeten gezinnen met kinderen de rekening betalen van de extra kosten bij het UWV en de Sociale Verzekeringsbank?
Het kabinet zet in op een versterking van de uitvoering. Met het traject «Werk aan uitvoering» worden voorstellen gedaan om de dienstverlening aan burgers, bedrijven en instellingen te versterken en om de wendbaarheid, continuïteit en toekomstbestendigheid van diverse uitvoeringsorganisaties te vergroten. Dit is hard nodig om het vertrouwen van burgers in de overheid te houden en te versterken.
Het kabinet heeft binnen de begroting van SZW gezocht naar dekking voor deze investering. Het kabinet stelt voor om een deel van deze investering te dekken door de kinderbijslag in 2022 en 2023 niet, en in 2024 deels niet te indexeren. Omdat dit over ruim 1,9 miljoen gezinnen wordt gespreid, zijn de inkomens-effecten relatief beperkt en acht het kabinet dit aanvaardbaar. Ter illustratie: het cumulatieve, mediane inkomenseffect over de gehele periode 2022–2024 van de groep huishoudens met kinderen is -0,1%.
Overigens vindt het kabinet het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Daarom heeft het kabinet deze kabinetsperiode fors, zo’n € 900 miljoen extra, geïnvesteerd in de ondersteuning van gezinnen. Veel ouders zijn er daardoor structureel op vooruit gegaan.
Om welke extra kosten bij de uitvoeringsorganisaties gaat het en waarom kan het budget hiervoor niet op een andere wijze worden ingevuld?
Met de uitvoering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) worden miljoenen burgers in ons land ondersteund. De uitvoering van de sociale zekerheid is echter kwetsbaar. De continuïteit in het verlenen van de juiste dienstverlening staat onder grote druk. Sluipenderwijs is achterstallig onderhoud ontstaan en is de kwaliteit onder druk komen te staan.
Via de Ministeriële Commissie Uitvoering en de daarbij horende «Werkagenda voor de uitvoering» werkt het kabinet hard aan het toekomstbestendig maken van de uitvoering. In het rapport «Werk aan uitvoering fase II – handelingsperspectieven en samenvatting probleemanalyse» zijn concrete handelingsperspectieven opgenomen voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn.
Vooruitlopend op de kabinetsreactie op het traject «Werk aan de Uitvoering» (WAU) investeert het kabinet € 100 miljoen in UWV, de SVB en het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) vanaf 2022. De middelen worden ingezet voor onderhoud en modernisering van ICT, het verbeteren van en maatwerk bieden in de dienstverlening en voor artsen- en handhavingscapaciteit. Voor BKWI wordt structureel extra ontwikkelcapaciteit beschikbaar gesteld. Voor deze investering is dekking nodig binnen de Begroting SZW.
Omdat het inkomenseffect relatief beperkt is, acht het kabinet de voorgestelde dekkingsmaatregel aanvaardbaar.
Hoe beoordeelt u het dat juist in deze crisistijd de kinderbijslag mogelijk ruim twee jaar lang niet geïndexeerd wordt, terwijl op grond van de Wet koppeling en afwijkingsbevoegdheid (WKA) halfjaarlijks een indexering moet plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het ongepast is om in deze crisistijd, waarin gezinnen het al erg zwaar te verduren hebben, met dergelijke bezuinigingsvoorstellen te komen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet in 2019 ook al voornemens was een kindregeling (het kindgebonden budget) niet te indexeren, om een budgettaire tegenvaller te dekken?
Ja. Als gevolg van het herstellen van een omissie in de uitvoeringspraktijk bij de Belastingdienst/Toeslagen nam het niet-gebruik van het kindgebonden budget sterk af, waardoor veel extra gezinnen recht op kindgebonden budget kregen. Gevolg hiervan was dat de structurele uitgaven aan kindgebonden budget naar verwachting hoger uitvielen dan in de SZW-begroting was voorzien. Het kabinet heeft op dat moment eveneens de afweging gemaakt de budgettaire gevolgen van dekking te voorzien door geen indexering van het kindgebonden budget voor te stellen.2 Het kabinet heeft echter met het oog op het koopkrachtbeeld de maatregel later ongedaan gemaakt, waardoor indexering van het kindgebonden budget wel heeft plaatsgevonden.3
Bent u het eens met de stelling dat ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid en dat dit jojobeleid ten aanzien van het wel of niet indexeren van kindregelingen daar niet bij past? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Algemene Kinderbijslagwet wordt het basiskinderbijslagbedrag twee keer per jaar aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex zodat deze de algemene prijsontwikkeling volgt en daarmee zijn waarde behoudt.4 Het wetvoorstel dat van 13 januari tot en met 10 februari in internetconsultatie is geweest, stelt voor daar voor de jaren 2022, 2023, en deels in 2024 vanaf te zien.
Ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid. De kinderbijslag inclusief indexering maakt onderdeel uit van het geheel aan instrumenten waarover het kabinet beschikt om ouders financieel te ondersteunen. Dit kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Dit kabinet heeft deze kabinetsperiode daarom fors extra geïnvesteerd in gezinnen en kinderen. De kinderbijslag is verhoogd met € 250 mln, het kindgebonden budget voor paren met € 500 mln en recent het kindgebonden budget vanaf het derde kind met € 150 mln. Daarnaast ontvangen werkende ouders kinderopvangtoeslag en ondersteunt het kabinet via gemeenten kinderen die in armoede opgroeien.
Door bovengenoemde maatregelen zijn ouders er structureel op vooruit gegaan. De voorgenomen niet-indexering doet daar niet aan af. Per saldo is er van bezuinigingen geen sprake. Door de relatief beperkte inkomenseffecten van de voorgenomen niet-indexering en de versterking van de uitvoering waaraan deze intensivering bijdraagt, vindt het kabinet het (deels) niet-indexeren binnen dit totaalpakket aan structurele intensiveringen aanvaardbaar.
Deelt u de mening dat de reflex om te bezuinigen op gezinnen met kinderen door middel van bezuinigingen op het kindgebonden budget en de kinderbijslag onwenselijk is en dat de gezinnen niet langer als het kind van de rekening moeten worden gezien?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de AvroTros Radar-uitzending over de Ballerine?1
Patiëntveiligheid bij medische hulpmiddelen en in het bijzonder implantaten staan voor mij voorop. Ik begrijp heel goed dat de mediaberichten tot ongerustheid leiden bij vrouwen met de Ballerine spiraal en er onduidelijkheid heerst onder zorgverleners over de veilige toepassing daarvan. Deze kwestie heeft mijn volle aandacht. De signalen over de Ballerine spiraal waren reeds bekend bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zij zal op korte termijn de problematiek nader geduid hebben en indien nodig passende maatregelen nemen. Daarnaast was al voor de uitzending, op basis van de ingekomen meldingen bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI), een attendering in voorbereiding. Een dergelijke waarschuwing is bedoeld om (kennis over) al eerder geïdentificeerde risico’s bij het gebruik van implantaten in de dagelijkse praktijk te verspreiden onder zorgverleners en patiënten. Per 26 mei 2021 is de Europese Medical Device Regulation (MDR) van toepassing, die nog strengere eisen zal stellen aan het op de markt komen en blijven van medische hulpmiddelen. Ik ben ervan overtuigd dat dit de patiëntveiligheid zeker ten goede zal komen.
Welke meldingen rondom de Ballerine zijn bij u bekend? Hoeveel vrouwen gebruiken thans in Nederland een Ballerine?
Er zijn diverse kanalen waar klachten en bijwerkingen kunnen worden gemeld. Het is belangrijk dat zorgverleners, patiënten en fabrikanten dat ook laagdrempelig blijven doen, zodat mogelijke problemen met de Ballerine spiraal goed zichtbaar worden en met betrokken partijen kunnen worden aangepakt.
Voor het melden van bijwerkingen bij implantaten heb ik in 2017 het MEBI opgericht. Zowel zorgverleners als patiënten kunnen hierin melden. Het MEBI heeft tussen 24 januari 2020 (datum eerste melding) en 19 januari 2021 33 meldingen ontvangen over de Ballerine spiraal. 31 meldingen kwamen van zorgverleners en 2 van patiënten. De meldingen gaan vooral over (gedeeltelijke) uitstoting van het spiraaltje of onverwachte zwangerschap. Op basis van het aantal meldingen in MEBI was reeds een attendering in voorbereiding, waarmee zorgverleners en patiënten actief geïnformeerd worden over de geïdentificeerde risico’s.
Het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ heeft voor de uitzending 1 melding van een patiënt ontvangen en sindsdien geen nieuwe. Het betreft een uitstoting met onverwachte zwangerschap.
Distributeur Titus Health Care heeft aangegeven 258 klachten uit Nederland aan de fabrikant te hebben doorgegeven over voornamelijk het uitstoten van het spiraaltje door het lichaam, maar ook perforaties en onverwachte zwangerschappen. Deze klachten zijn niet allemaal door de fabrikant bij de IGJ gemeld. Dat hoeft ook niet altijd, bijvoorbeeld omdat het reeds bekende complicaties en bijwerkingen betreffen die in lijn zijn met reeds bestaande vergelijkbare spiraaltjes.
Fabrikanten en zorgverleners zijn wettelijk verplicht incidenten en calamiteiten te melden bij de IGJ. In 2020 ontving de IGJ 5 meldingen, alle via de fabrikant (OCON). Het gaat concreet om 5 perforaties, waarvan 4 tot een onverwachte zwangerschap hebben geleid. Zorgverleners hebben in 2020 dus geen meldingen gedaan bij de IGJ.
De Ballerine spiraal is sinds april 2019 in Nederland op de markt. De distributeur heeft aan de IGJ aangegeven dat in de periode van april 2019 t/m december 2020 7682 Ballerine spiraaltjes zijn geleverd in Nederland. Hiervan zal mogelijk nog een gedeelte op voorraad liggen bij zorgaanbieders en nog niet zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het advies van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), die als richtlijn hebben aangegeven dat de Ballerine geen eerste keus spiraal is omdat onvoldoende gerandomiseerd onderzoek is gedaan om de veiligheid en efffectiviteit van de Ballerine aan te tonen?
Het is aan de notified body om te beoordelen of voldoende klinisch bewijs is geleverd ter onderbouwing van de veiligheid en effectiviteit van het medisch hulpmiddel. De bevoegde autoriteit van het betreffende land houdt vervolgens toezicht op de notified body. Ik ga ervan uit dat ook in dit geval de gebruikelijke procedure adequaat doorlopen is. Uiteraard hecht ik grote waarde aan het aantonen van de effectiviteit en veiligheid van het spiraaltje met gepast onderzoek. Om er zeker van te zijn dat de Ballerine spiraal voldoet aan deze criteria voor markttoelating heeft de IGJ de Franse inspectie (ANSM) en de Franse notified body (LNE/G-MED) om nadere duiding gevraagd. Zo wordt de eventuele problematiek rondom de Ballerine spiraal op korte termijn in kaart gebracht, zodat vervolgens waar nodig passende maatregelen zullen worden genomen. Onder de MDR die op 26 mei 2021 van toepassing wordt, zullen de criteria voor klinisch bewijs strenger zijn.
Het Geneesmiddelen Bulletin raadt het gebruik af omdat de meerwaarde en veiligheid ten opzichte van de klassieke koperhoudende spiraaltjes niet is aangetoond, is dat voor u aanleiding om de fabrikant te verzoeken de Ballerine van de markt te halen? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u niet dat bij herregistratie van de Ballerine de werkzaamheid en veiligheid via deugdelijk gerandomiseerd onderzoek moeten worden aangetoond, waarbij groepen vrouwen worden vergeleken die hetzij de klassieke koperhoudende spiraal dragen, hetzij de Ballerine conform het advies van het Geneesmiddelenbulletin?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar misstanden rondom de Ballerine, bijvoorbeeld of er sprake is van ongewenste belangenverstrengeling tussen hulpverleners en Titus Health Care? Hoe is precies de relatie tussen het Vrouwen Medisch Centrum 's-Hertogenbosch, dat kennelijk allemaal spiraaltjes van Titus Health Care plaatst? Krijgt het Vrouwen Medisch Centrum daarvoor betaald of krijgt ze de spiralen tegen korting of zelfs gratis?3
De IGJ is alert op gunstbetoon en volgt marktontwikkelingen nauwgezet. Op dit moment ziet de IGJ geen aanleiding voor een onderzoek naar belangenverstrengeling.
De NHG-Richtlijn voor Anticonceptie4 geeft de behandelaar voor het plaatsen van een koperspiraal twee voorkeuren. De individuele behandelaar kan in samenspraak met de patiënt hiervan afwijken en een ander op de Nederlandse markt te verkrijgen koperspiraaltje plaatsen, zoals de Ballerine spiraal. Volgens Radar plaatste het Vrouwen Medisch Centrum (VMC) in 2020 413 spiralen, waarvan 141 Ballerine spiraaltjes. Hieruit is op te maken dat het VMC ook andere spiralen plaatst.
In het Transparantie Register Zorg is geen relatie tussen Titus Health Care en VMC gemeld in 2019. Aangenomen kan worden dat er in 2019 in ieder geval geen financiële relatie was tussen Titus Health Care en VMC. Het verstrekken van korting bij de inkoop van medische hulpmiddelen aan een instelling is wettelijk toegestaan en zal in de contracten moeten zijn opgenomen.
Wat is het oordeel van het bijwerkingencentrum voor hulpmiddelen, het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van het RIVM? Is het juist dat het MEBI 24 meldingen over bijwerkingen van de Ballerine heeft ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot andere spiraaltjes die vrouwen dragen?
Inmiddels heeft het MEBI t/m 19 januari jl. 33 meldingen ontvangen. Zoals eerder aangegeven in antwoorden op vraag 1 en 2, komt MEBI op korte termijn met een attendering.
De IGJ onderzoekt of het aantal bijwerkingen met de Ballerine spiraal afwijkt van wat verwacht mag worden en of er aanleiding is om maatregelen te treffen.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie over steekproefsgewijze controle en beoordeling van de documentatie die ten grondslag heeft gelegen aan markttoegang voor een implantaat door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Gebeurt dit?4
In mijn voortgangsbrief medisch hulpmiddelen beleid d.d. 9 oktober 20206 aan de Kamer heb ik u reeds laten weten dat het controleren van documentatie die ten grondslag ligt aan de markttoelating, op dit moment al onderdeel uitmaakt van het toezicht op implantaten. De IGJ vraagt fabrikanten en notified body’s regelmatig om technische documentatie en inzicht in de klinische onderbouwing van een implantaat, bijvoorbeeld in het kader van het toezicht op het werk van notified body’s of de onderzoeken die het RIVM voor de IGJ uitvoert naar bepaalde typen implantaten. Zo nodig neemt de IGJ maatregelen. Gaat het om een buitenlands bedrijf, dan vraagt de IGJ de toezichthouder in dat land om maatregelen te nemen. Omdat hier sprake is van Europese samenwerking, werkt de IGJ in het toezicht ook veel samen met andere toezichthouders van de EU-lidstaten.
Is de IGJ bereid om op korte termijn haar oordeel te vellen over de Ballerine en de klachten die haar hebben bereikt en een signaal af te geven?
De IGJ werkt momenteel aan een duiding van alle informatie, waaronder het lopende onderzoek van de betrokken notified body naar de Ballerine spiraal. IGJ zal een samenvatting van de uitkomsten van de gedane duiding publiceren op haar website. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven zal de IGJ in samenspraak met de Franse toezichthouder passende maatregelen treffen. Afhankelijk van de bevindingen kan dit bijvoorbeeld variëren van de fabrikant een correctieve actie laten uitvoeren, de notified body verzoeken het CE-certificaat te schorsen totdat tekortkomingen zijn opgelost, tot het compleet uit de handel laten halen van de spiraal.
Is de kwestie met de Ballerine nog aanleiding voor u om een onafhankelijke notified body (aangemelde instantie) te bewerkstelligen, die als een college beoordeling implantaten, implantaten beoordeelt zonder commerciële drijfveren?
Tijdens de onderhandelingen over de nieuwe verordeningen voor medische hulpmiddelen en diagnostische testen is in Europees verband lang en intensief gesproken over de wijze waarop de veiligheid en effectiviteit van medische hulpmiddelen, waaronder implantaten, het best verbeterd kon worden. Er was brede steun bij zowel lidstaten, het Europees parlement als de Europese Raad, om het bestaande stelsel met een beoordeling door een notified body verder aan te scherpen. Ik sta achter deze keuze voor behoud van het huidige stelsel van certificering door een notified body, aangevuld met de extra waarborgen die de verordeningen straks bieden. Dit systeem waarin een beoordeling door een aangemelde instantie die onder toezicht staat van de IGJ, centraal staat, biedt de beste waarborg om de benodigde kennis en expertise om medische hulpmiddelen te beoordelen, op de juiste manier in te zetten. Door een zorgvuldige beoordeling voorafgaand aan de markttoelating van het medisch hulpmiddel, in combinatie met een goede monitoring van een hulpmiddel na markttoelating, kunnen risico’s straks beter en sneller worden erkend en kunnen gepaste maatregelen worden genomen. Een vergelijking met landen waar de overheid een grotere invloed heeft op de toets voorafgaand aan markttoelating, laat zien dat zich in die landen vergelijkbare risico’s voordoen, nadat hulpmiddelen tot de markt zijn toegelaten. De keuze voor een dergelijk stelsel kan deze risico’s dus niet wegnemen.
Het tekenen van een contract om de zorgbonus terug te moeten betalen als deze niet wordt uitgekeerd. |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht juist dat werkgevers werknemers verplichten een contract te ondertekenen dat ze hun zorgbonus moeten terugbetalen als de werkgever voor deze werknemers geen zorgbonusgeld ontvangt?1
Ik ben bekend met de signalen zoals deze in het artikel in de Telegraaf van 26 januari jl. zijn benoemd.
Wat is uw oordeel daarover?
Het getuigt wat mij betreft niet van goed werkgeverschap en het is ook niet de bedoeling dat het risico van het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden en -verplichtingen wordt afgewenteld op de zorgprofessional. De zorgaanbieder draagt de verantwoordelijkheid voor het aanvragen van de subsidie voor de zorgbonus. Daarbij past niet dat zorgmedewerkers een formulier dienen te ondertekenen waarin zij toezeggen de zorgbonus terug te betalen wanneer blijkt dat de zorgaanbieder geen recht had op de ontvangen subsidie. Dit is niet in lijn met het doel en de voorwaarden van de Subsidieregeling. Ik heb naar aanleiding van deze berichten reeds richting werkgevers aangegeven wat de bedoeling is en hen verzocht in lijn met het doel, de voorwaarden en de verplichtingen van de Subsidieregeling te handelen. Zorgprofessionals die worden gevraagd een dergelijke verklaring te ondertekenen, raad ik aan hiervan melding te maken bij een daartoe geschikt orgaan bij de werkgever, zoals de ondernemingsraad. De ondernemingsraad heeft de mogelijkheden om de onwenselijkheid van deze werkwijze bij de zorgaanbieder te adresseren.
Wat gaat u ondernemen om deze praktijken te voorkomen, aangezien dergelijke praktijken een klap in het gezicht zijn voor deze werknemers?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het komende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronacrisis?
Het is helaas niet mogelijk gebleken de beantwoording voor het plenair debat van 4 februari jl. te versturen.
Het bericht 'Egypte: doden in gevangenissen na marteling en slechte medische zorg' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Egypte: doden in gevangenissen na marteling en slechte medische zorg» d.d. 25 januari jl?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het inhoud van het rapport «What do I care if you die» van Amnesty International?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het rapport van Amnesty International?
Het Amnesty International rapport schetst een zorgwekkend beeld, waaronder de situatie waarin vele personen soms jarenlang vastzitten zonder toegang tot goede gezondheidszorg. Naar aanleiding van het Amnesty International rapport is er contact geweest met de Egyptische autoriteiten waarbij zij hun visie hebben gegeven op de situatie in Egyptische gevangenissen.
Deelt u de zorgen over de mensenrechtensituatie in Egyptische gevangenissen? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen jaren is de algehele mensenrechtensituatie in Egypte en die in Egyptische gevangenissen verslechterd. Maatschappelijke organisaties brengen met enige regelmaat berichten naar buiten over de slechte omstandigheden in het Egyptische gevangeniswezen. Veel gevangenen, inclusief politieke gevangenen, zitten jarenlang vast zonder te worden aangeklaagd of berecht.
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 januari jl. (zie verslag dd. 29-01-2021, Kamerstuk 21 501-02, nr. 2265) werd de mensenrechtensituatie in Egypte besproken. Vele LS hebben zorgen over die situatie. Ook Nederland is hierop ingegaan. Zorgen hieromtrent worden door Nederland en andere landen daarnaast in zowel bilateraal als multilateraal verband aangekaart. Tijdens de Universal Periodic Review van 2019 heeft Egypte meerdere aanbevelingen gekregen over de omstandigheden in het gevangeniswezen, waaronder het gebrek aan adequate medische zorg.
Wat vindt u van de wijze waarop politieke gevangen in Egypte worden behandeld?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat als er sprake is van het bewust ontzeggen van toegang tot gezondheidszorg als straf en het zwaar lijden of pijn veroorzaakt, het gaat het om marteling? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het VN verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat zowel Nederland als Egypte hebben geratificeerd. Nederland heeft dit ter sprake gebracht bij de Egyptische autoriteiten in bilateraal en multilateraal verband.
Bent u bereid per omgaande met uw Europese collega’s in overleg te treden om de Egyptische autoriteiten op te roepen om mensen die willekeurig gevangen zijn gezet vrij te laten? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 januari jl. werd de brede mensenrechtensituatie in Egypte besproken waarbij Nederland zorg uitsprak over de situatie (zie ook antwoord op vraag 4 en 5). In VN- en EU-verband worden zorgen overgebracht over arbitraire detentie en de omstandigheden in Egyptische gevangenissen. Tijdens de eerste maanden van de COVID-19 crisis heeft Nederland samen met gelijkgestemde landen via diplomatieke kanalen de Egyptische autoriteiten opgeroepen om de gevangenispopulatie te verkleinen door de meest kwetsbare groepen – zoals ouderen en gedetineerden met onderliggende gezondheidsproblemen – vrij te laten.
Bent u bereid per omgaande met uw Europese collega’s in overleg te treden om de Egyptische autoriteiten op te roepen om de kwetsbaarste gevangenen vrij te laten, zoals ouderen en gevangenen met onderliggende gezondheidsproblemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat alle gedetineerden toegang moeten krijgen tot goede gezondheidszorg zoals een Covid-19-vaccinatie, zonder enige vorm van discriminatie? Zo ja, op welke wijze gaat u dit in bilateraal en/of multilateraal verband bij de Egyptische autoriteiten onder de aandacht brengen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft dit bij de Egyptische autoriteiten onder de aandacht gebracht. In gesprekken met de Egyptische mensenrechtenambassadeur heeft Nederland zorgen uitgesproken over het verlenen van adequate gezondheidszorg voor alle gedetineerden in Egyptische gevangenissen. In toekomstige dialoog zal Nederland, waar mogelijk, ook de toegang tot Covid-19-vaccinaties benadrukken.
Het bericht ‘Nieuwkoopse stikstofboeren krijgen tonnen subsidie van minister Schouten voor project: ‘Dit moeten we een kans geven’‘ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat vijftig melkveehouders rond de Nieuwkoopse Plasssen 300.000 euro subsidie van het Ministerie van LNV en 200.000 euro subsidie van de provincie Zuid-Holland krijgen voor een onderzoek naar emissie-arme melkveehouderij?1
Er is behoefte aan kennis en inzicht om de bedrijfsprocessen te verduurzamen, met name op het gebied van ammoniak. Deze kennis is de basis voor innovatie. Door LNV is voor deze pilot € 300.000 toegezegd, de provincies Zuid-Holland en Utrecht hebben de bereidheid uitgesproken om ook bij te dragen maar moeten het bedrag nog vaststellen.
Klopt het dat als onderdeel van de pilot de benodigde innovatie betaald zou worden door andere bedrijven door middel van het verleasen van ammoniakuitstoot? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de subsidies van het ministerie en de provincie?
De intentie is om er voor te zorgen dat de via saldering te verwaarden maatregelen niet met overheidssubsidie gerealiseerd worden. Zowel in de nog op te stellen Beleidsregel voor het verleasen vanuit innovatie als bij de subsidieverlening zal hier aandacht aan worden besteed mede vanwege staatssteunregels. De subsidie vanuit mijn ministerie is gericht op het vergroten van kennis en niet op het treffen van fysieke maatregelen.
Klopt het dat de milieuwinst in de vorm van ammoniakuitstoot wordt verleaset aan andere bedrijven? Zo ja, wordt deze milieuwinst daadwerkelijk uitgesloten van de extern salderen-maatregel door de provincie?2
Er wordt voor de pilot in de Nieuwkoopse plassen een constructie van samenhangende regels voorzien waarbij saldering tijdelijk of permanent mogelijk wordt gemaakt, maar beperkt wordt tot saldering van innovatieruimte. Bij tijdelijke saldering kan er tussen de private partijen sprake zijn van een leasecontract met een langere termijn. Van belang daarbij is dat niet de volledige door innovatie verkregen winst zal worden gesaldeerd, maar 56% hiervan. De overige 44% komt ten goede aan de natuur.
Wordt er helemaal geen stikstofruimte teruggeven aan de natuur, waar in de eerste berichtgeving nog sprake van was?3
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat maar 70% van de verleasde stikstofruimte ingezet kan en mag worden gedurende de looptijd van de overeenkomst, zoals is toegezegd? Zo ja, hoe is het mogelijk dat de provincie Zuid-Holland een uitzondering geeft? Zo nee, hoeveel procent van de verleaste stikstofruimte wordt teruggegeven aan de natuur?4
Zie antwoord vraag 3.
Rechtvaardigt dit de investering bezien vanuit de afspraken die reeds zijn gemaakt rondom emissiebeperkingen en -plafonds?
De pilot zal uit moeten wijzen of er door middel van het verleasen van een deel van de bespaarde stikstofreductie een sluitend verdienmodel te maken is om de innovatie in het gebied te versnellen en daarmee de totale uitstoot te verlagen.
Kunt u toelichten hoe deze casus past in de pas aangenomen stikstofwetgeving?
Het voorstel voor de Wet stikstofreductie en natuurverbetering dat onlangs is aangenomen, strekt ertoe de structurele aanpak wettelijk te verankeren. Het hoofddoel van de structurele aanpak is het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitattypen. Salderingstechnieken zoals verleasen, die tot doel hebben om – onder voorwaarden – toestemmingverlening mogelijk te maken, zijn geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel.
Deze werkwijze beoogt echter wel de stikstofemissie versneld te verminderen en een substantieel deel van die reductie ten goede te laten komen aan de natuur. De vormgeving van de pilot zorgt ervoor dat de betrokken boeren gestimuleerd worden een uiterste inzet op stikstofreductie te plegen en hun bedrijf een gezonde toekomst te geven. Daarnaast ondersteun ik deze boeren om hun bedrijfsvoering te verduurzamen, waarmee emissies afnemen.
Op welke manier past deze uitzondering binnen de voorgenomen reductiedoelstelling voor stikstof die reeds binnen de structurele aanpak stikstof is afgesproken en die geldt voor alle agrarische ondernemers in Nederland? Is hier sprake van een gelijk speelveld?
De aanpak in deze pilot vind ik belangrijk vanwege de versnelling die deze kan geven in het optimaal reduceren van stikstofemissie, het toekomstperspectief dat het geeft aan de betrokken boeren en de verlaagde stikstofdepositie op de natuur. Indien de pilot de verwachtingen waarmaakt zal dit het bereiken van de reductiedoelstelling plaatselijk versnellen.
Zit er een maximum aan het aantal keer dat de stikstofruimte door deze ondernemers verleaset mag worden?
Er zal bij tijdelijke saldering (met onderliggend leasecontract tussen private partijen) sprake zijn van een maximale periode dat de ruimte beschikbaar kan worden gesteld. Deze periode wordt vastgelegd in de provinciale beleidsregels. Het is aan de ondernemer of de ruimte in één keer of in meerdere kleine delen binnen deze periode beschikbaar wordt gesteld.
Op welke manier past deze uitzondering op het extern salderen bij het aangekondigde Omschakelprogramma waarbij integraal bijgedragen moet worden aan het vergroten van de biodiversiteit, vermindering van externe inputs en verbeteren van de bodemkwaliteit?5
Met het omschakelprogramma beoog ik boeren perspectief te bieden en wil ik ze stimuleren en ondersteunen om versneld om te schakelen naar stikstofarme(re) en meer duurzame agrarische bedrijfsvoering.
Het Investeringsfonds is de kern van het Omschakelprogramma, met het fonds zullen op basis van goedgekeurde bedrijfsplannen achtergestelde leningen (risicodragend kapitaal) worden verstrekt aan agrarische ondernemers die willen investeren in de omschakeling naar een meer extensieve en/of meer circulaire bedrijfsvoering. Hierbij wil ik benadrukken dat het echt om een omschakeling in het bedrijfssysteem moet gaan, het Investeringsfonds ondersteunt de investeringen die nodig zijn voor het realiseren van het integrale bedrijfsplan voor omschakeling. Dat betekent dat een ondernemer die bijvoorbeeld enkel een stal renoveert en daarvoor middelen aanvraagt uit het Investeringsfonds niet in aanmerking zal komen. Over de voorwaarden en aanmeldingsprocedures van de pilot van het Investeringsfonds zal ik u later dit voorjaar nader informeren.
De pilot in de Nieuwkoopse plassen heeft een bredere doelstelling dan het verlagen van de stikstofuitstoot door innovatieve stalsystemen en mestopslag. Ook andere mogelijkheden om in de bedrijfsvoering te komen tot emissiereductie zijn onderdeel van de pilot. Daarmee zie ik geen spanning tussen deze aanpak en de doelen van het Omschakelprogramma.
Komt de verleaste stikstofruimte na de verleaseperiode weer tot de vrije beschikking van de ondernemer?
De afroming van 44% is permanent. Bij het kortstondige verleasen wat in veel provincies mogelijk is gemaakt komt de volledige ruimte na de verleaseperiode weer terug bij de ondernemer. In de pilot kan slechts 56% van de ruimte weer teruggaan naar de ondernemer. Daartoe zal de ondernemer dan wel een aanvraag moeten indienen bij het bevoegd gezag voor een project of plan waarvoor deze of minder ruimte nodig is.
Klopt het dat deze ondernemer die stikstofruimte kan gebruiken voor het vergroten van de veestapel, onder het gebruikelijke voorbehoud van fosfaatrechten en de regels rondom grondgebondenheid? Zo ja, in hoeverre zorgt de pilot daarmee voor een versnelling van de reductie van stikstofuitstoot rondom de Nieuwkoopse Plassen ten opzichte van het huidige voorgenomen stikstofbeleid?
Binnen de specifieke beleidsregels voor de pilot zou het voor een deelnemende veehouder inderdaad mogelijk zijn om met een deel van de bespaarde emissieruimte zijn bedrijf uit te breiden. Ook voor een eventuele uitbreiding geldt dat die optimaal stikstofemissie moet reduceren. Door het samenstel van prikkels, de betrokkenheid van de boeren in het gebied en de afroming voor de natuur zal er sneller gekomen worden tot investeringen in de boerderijen in het gebied en tot reductie van de depositie. Daarnaast wordt er een voorbeeld gegeven voor versnelde verschoning voor de sector als geheel.
Deelt u de mening dat subsidiëring van innovatie nodig is om de transitie in te zetten naar een nieuwe vorm van landbouw waarbij de natuur ook wordt hersteld? Zo ja, hoe zorgt u dat extern salderen ook daadwerkelijk reductie oplevert, met inachtneming van de mogelijkheid om te salderen met latente ruimte? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillende programma’s voor de ondersteuning van innovatie en transitie in de landbouw, die ik erg belangrijk vind. Daarbij kunt u onder andere denken aan de Subsidieregeling brongerichte verduurzaming en het Omschakelprogramma. Daarnaast juich ik initiatieven als in de Nieuwkoopse plassen toe om andere financieringsbronnen te vinden. Als uit innovaties ruimte ontstaat om extern te salderen, borgen de beleidsregels intern en extern salderen dat er daadwerkelijk depositiereductie optreedt.
Steun aan de culturele en creatieve sector. |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van EY over de culturele sector getiteld «Rebuilding Europe: the cultural and creative economy before and after the Covid-19 crisis»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat de omvang van de Europese culturele sector met 31 procent is gekrompen? Wat zijn de specifieke gevolgen voor de kunst en cultuur in Nederland?
De bestrijding van het coronavirus vraagt veel van de culturele en creatieve sector, zowel op Europees als landelijk niveau. De sector wordt hard geraakt. Dat bleek al uit eerdere gegevens van het CBS2 en nu ook uit het onderzoek van EY dat een Europese focus heeft. Ten aanzien van dit laatste onderzoek wil ik benadrukken dat dit onderzoek niet een volledig totaalbeeld geeft. Zo is in dit onderzoek wel de reclamesector (als onderdeel van de mediasector) meegenomen, maar bijvoorbeeld de erfgoedsector niet.
Om de gevolgen van de crisis op de Nederlandse culturele en creatieve sector goed in kaart te brengen, worden er op dit moment diverse onderzoeken uitgevoerd. Zo voert de Boekmanstichting onderzoek uit naar de impact van de coronacrisis op de culturele en creatieve sector. De resultaten van dit onderzoek worden dit voorjaar verwacht. Ook ander onderzoek draagt bij aan het beeld van de effecten van de corona crisis op de culturele en creatieve sector, zoals het eerder aan uw Kamer gepresenteerde onderzoek van het CBS naar de omzetbelasting aangiften in de eerste twee kwartalen van 20203 en de Monitor Creatieve Industrie (editie 2021, met data tot en met 2020) die in voorbereiding is en die naar verwachting eind 2021 verschijnt.
Deelt u de conclusie dat grootschalige publieke investeringen noodzakelijk zijn om kunst en cultuur in Nederland te stutten en ook opnieuw op te bouwen na de crisis? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet investeert ruim € 1,7 miljard om instellingen, ondernemingen en makers in de culturele en creatieve sector te ondersteunen, zodat de sector na de crisis, de draad weer kan oppakken. In 2020 is er € 300 miljoen4 voor instellingen en makers plus € 40 miljoen5 voor het niet gesubsidieerde deel van de podiumkunsten, waaronder de vrije theater producenten beschikbaar gesteld. In mijn brief van 28 augustus6 jl. heb ik aangekondigd dat er € 414 miljoen beschikbaar komt om de culturele en creatieve sector te ondersteunen in de eerste helft van 2021. In deze brief werd ook aangekondigd dat gemeenten en provincies via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) nog eens € 68 miljoen krijgen voor compensatie van de geleden schade in de regionale en lokale culturele infrastructuur in 2020. Dit bedrag komt bovenop de € 60 miljoen die gemeenten reeds in mei ontvingen. Vanwege de verzwaarde lockdown7eind december 2020 en vervolgens de verlenging van de lockdown8 in januari 2021, heeft het kabinet in totaal € 24 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de culturele en creatieve sector. Ten slotte kan de sector gebruikmaken van de generieke maatregelen. Het verwachte gebruik hiervan tot en met januari 2021 is ruim 800 miljoen.
Met deze investeringen wordt getracht om de schade zoveel mogelijk te beperken. Zodat er na deze coronacrisis een culturele sector is die nog kwaliteit in zich heeft en die veerkrachtig is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat ook private partijen investeren in kunst en cultuur na de coronapandemie? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat we talent maximaal ontwikkelen en benutten?
Ondanks de crisis blijft het ontwikkelen van talent speerpunt van mijn beleid. Juist nu is investering in scholing zeer urgent. In het najaar van 2020 is het Werktuig Permanente Professionele Ontwikkeling (PPO) van Platform ACCT van start gegaan. Werktuig PPO heeft tot doel om scholing in de sector te stimuleren en bewustwording te creëren dat scholingsmiddelen onderdeel moeten zijn van afspraken over arbeidsvoorwaarden. Mijn initiële steun voor dit instrument was € 19 miljoen voor de jaren 2020–2024. In mijn brief van 28 augustus jl. heb ik aangekondigd nog eens € 4 miljoen beschikbaar te stellen om tijdelijk aanvullende steun te geven aan zelfstandigen die vanwege de crisis zonder opdracht zitten. In deze crisis hebben verschillende private partijen initiatief genomen om de culturele en creatieve sector te ondersteunen. Vanuit mijn beleid heb ik aan enkele initiatieven kunnen bijdragen, om hun werking te vergroten. Het gaat om de volgende bijdragen, van in totaal circa € 91 miljoen:
Tot slot wordt in 2021 gestart met het project «Leve het geven» dat tot doel heeft het geven aan cultuur te stimuleren en in de periode 2021–2024 met € 0,5 mln. per jaar vanuit OCW wordt ondersteund.
Inzetten op talentontwikkeling blijft de komende periode onverminderd belangrijk. Vooral met het oog op uitingsvormen en verdienmodellen die door de coronacrisis lijken te veranderen. Het is zaak dat de ontwikkeling van talenten meebeweegt met deze veranderingen.
Deelt u de opvatting dat een aanvullend steun- en opbouw pakket noodzakelijk is voor kunst en cultuur? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij mijn reactie op punt 3 is er een uitgebreid steunpakket beschikbaar voor het eerste half jaar van 2021. Dit pakket is in samenspraak met vertegenwoordigers uit de sector tot stand gekomen en sluit aan op de noden binnen de sector. Hiermee is de culturele en creatieve sector dit half jaar toegerust om met de uitdagingen van deze tijd om te gaan. Naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur «Onderweg naar overmorgen» blijf ik in gesprek over het meer wendbaar en weerbaar maken van de culturele en creatieve sector.
Bent u bereid zich in in Europees verband in te zetten voor een Europees garantiefonds voor de culturele sector? Zo nee, waarom niet?
Binnen het programma Creative Europe bestaat al het instrument van een garantiefaciliteit voor de culturele – en creatieve sector. Dit is de zogenoemde CCS garantiefaciliteit. Er is een Nederlandse bank in het proces om intermediair te worden voor het CCS garantie instrument, om deze in te gaan zetten bij de financiering van projecten in de culturele – en creatieve sector in onder andere Nederland. Dit proces ligt op schema en wordt naar verwachting in de komende maanden afgerond. De CCS garantiefaciliteit valt in het nieuwe Creative Europe-programma 2021–2027 onder het Invest EU-programma. In het Media Action Plan wordt naast de CCS garantiefaciliteit een nieuw financieel instrument voorgesteld, MediaInvest9, om private investeringen in de audiovisuele productie en distributie te stimuleren.
Het nieuws dat jagers worden uitgezonderd van de avondklok |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontheffing van avondklok voor jacht op zwijnen en vossen»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u ervoor kiest om uitzonderingen op de avondklok toe te staan voor jagers?
Zoals ik ook heb aangegeven in mijn antwoorden op de vragen van het lid Wassenberg, is in overleg met het IPO besloten momenteel uitsluitend het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond geraakt wild tijdens de avondklok als noodzakelijke werkzaamheden te beschouwen. Het beheer van de wildezwijnenpopulaties is noodzakelijk om een uitbraak van Afrikaanse varkenspest te voorkomen. Een van de manieren om de kans op insleep van het virus te verkleinen is het reduceren van populaties wilde zwijnen. Het afschot is daarvoor de geëigende methode. We zetten nog meer acties en maatregelen in om de risico’s verder te verkleinen. Deze zijn opgenomen in de Roadmap Preventie introductie AVP die vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd.
Wat is volgens u de urgentie om nu op korte termijn afschotmaatregelen te nemen tegen groot wild?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich voorstellen dat mensen boos worden als zij lezen dat zij omwille van de volksgezondheid na 21.00 uur niet de straat op mogen terwijl dit ondertussen wel wordt toegestaan voor mensen die op pad gaan om dieren te doden?
Dat kan ik mij voorstellen, daarom heb ik in de berichtgeving ook benadrukt dat alleen het beheer van wilde zwijnen een noodzakelijke werkzaamheid is, alle andere vormen van wildbeheer zijn op dit moment geen noodzakelijke werkzaamheden. Jagers dienen zich tijdens de werkzaamheden te houden aan alle andere beperkende maatregelen die zijn genomen om SARS-CoV-2 te bestrijden en verspreiding ervan tussen mensen te minimaliseren.
Deelt u de mening dat buitensporige verstoring van het leefgebied van zwijnen en vossen in natuurgebieden ook op andere wijze kan worden voorkomen dan door afschot?
Nee die mening deel ik niet. Het beheer van wilde zwijnen vindt net als in andere jaren hoofdzakelijk na zonsondergang en voor zonsopkomst plaats. Hierin verandert dus niets in vergelijking met de situatie onder normale omstandigheden. Het beheer van populaties wilde dieren in de nachtelijke uren leidt niet tot een buitensporige verstoring van het leefgebied. Het beheer is noodzakelijk om groei van de populatie tegen te gaan. De zwijnenpopulaties dienen in stand te worden gehouden in de aangewezen leefgebieden. Daarbuiten geldt die verplichting niet. De provincies houden bij het beheer rekening met diverse belangen, waaronder verkeersveiligheid, vraatschade en risico’s van dierziekten.
Deelt u de mening dat deze uitzonderingspositie op de avondklok voor jagers per direct dient te worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in het antwoord op vragen 2 en 3 aangeef zie ik het beheer van wilde zwijnen als noodzakelijk in het kader van de preventie van Afrikaanse varkenspest.
UNRWA-studiematerialen |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rapport over UNRWA-studiematerialen legt wederom schokkende feiten bloot over Palestijns onderwijs»?1
Ja.
Klopt de bevinding van het Institute for Monitoring Peace and Cultural Tolerance in School Education (IMPACT-SE) dat in nieuw ontwikkelde onderwijsmaterialen van The United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA), gericht op het thuisonderwijs gedurende de coronapandemie, sprake is van oproepen tot geweld, het afwijzen van vrede en het ontkennen van de legitimiteit van Israël en de Joodse geschiedenis en aanwezigheid in de regio?
Nederland heeft, tezamen met andere donoren, direct bij het openbaar worden van de IMPACT-SE bevindingen UNRWA om opheldering gevraagd in deze ernstige zaak. UNRWA gaf in haar reactie aan dat het zero tolerance heeft voor zaken zoals naar voren gebracht in het rapport en het problematische materiaal op de nieuwe, centraal aangestuurde online leeromgeving is weggehaald of aangepast. Tevens is er een interne review gaande naar hoe dit heeft kunnen gebeuren en de bijpassende aanscherpingen in de controle systemen die nodig zijn om dit in de toekomst te voorkomen.
Als gevolg van maatregelen om de verdere verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan, zijn veel UNRWA scholen in de Palestijnse gebieden gesloten en volgen de leerlingen sinds vorig jaar voor een groot deel thuisonderwijs. Om de plotselinge overgang, in het voorjaar van 2020, van klassikaal naar thuisonderwijs soepel te laten verlopen en er voor te zorgen dat de lessen niet onderbroken zouden worden, heeft UNRWA aanvullend materiaal geproduceerd op basis van de schoolboeken van de Palestijnse Autoriteiten.
UNRWA heeft direct actie ondernomen toen het erachter kwam dat hierbij fouten waren gemaakt en heeft zaken terstond aangepast en het betrokken materiaal verwijderd. Zoals gemeld door UNRWA, wordt bij het omzetten van de schoolboeken naar een centraal digitaal lesplatform alle content gecontroleerd om te waarborgen dat alle materialen die aan de leerlingen ter beschikking worden gesteld voldoen aan de VN-principes en waarden. Nederland en andere gelijkgezinde landen hebben hierop aangedrongen bij UNRWA en zullen er nauwgezet op toezien dat dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn.
Beaamt u dat de onderwijsmethoden hiermee niet in lijn zijn met de officiële VN-doelstellingen?
Het kabinet steunt de uitgangspunten van het onderwijsbeleid van UNRWA. Binnen de uitvoering van dit beleid wordt de inhoud van het curriculum en de bijbehorende schoolboeken permanent aan nauwgezet onderzoek onderworpen om te verzekeren dat het materiaal in overeenstemming is met VN-waarden van neutraliteit, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en non-discriminatie. UNRWA traint haar onderwijzend personeel hierin en zorgt ervoor dat het lesprogramma aangevuld wordt indien er zorg is over bepaalde passages in teksten. UNRWA erkent dat, in de uitzonderlijke en moeilijke omstandigheden van de Corona pandemie, er desondanks een beperkte hoeveelheid lesmateriaal dat eerder als problematisch aangemerkt was, toch in het pakket is terecht gekomen. UNRWA hanteert een zero tolerance beleid ten aanzien van discriminatie en het aanzetten tot haat en geweld in haar scholen en aangeboden lesmateriaal en heeft dan ook onmiddellijk actie ondernomen om dit te corrigeren.
Erkent u dat dit aantoont dat feedback naar aanleiding van eerdere onderzoeken slechts in beperkte mate wordt toegepast op nieuw onderwijsmateriaal?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de volgende bevindingen van IMPACT-SE (zie ook de nadere toelichting hierop en onderbouwing hiervan onder de sectie «selected examples»)? Kunt u een reactie op elke afzonderlijke conclusie geven?
Nederland, maar ook de EU en andere donorlanden zijn van mening dat het aanzetten tot haat en geweld in het lesmateriaal volstrekt onacceptabel is. UNRWA toetst de Palestijnse schoolboeken continu op problematische passages. Voor de gevallen waar lesmateriaal niet met VN-waarden blijkt te stroken heeft UNRWA alternatieve instructiematerialen ontwikkeld voor gebruik in diens scholen.
Het kabinet acht het van groot belang dat UNRWA strikte toetsing blijft uitvoeren en is tevens van mening dat kennis van elkaars leven en geschiedenis van belang is voor een klimaat waarin vrede mogelijk is. Het kabinet blijft zich uiteraard inzetten om aanzetten tot haat of geweld tegen te gaan. Binnenkort verwacht Nederland de uitkomsten van het door de EU-gesponseerde onderzoek van het Georg Eckert instituut naar de schoolboeken van de Palestijnse Autoriteiten, waarmee een objectieve basis moet komen voor het beoordelen van het Palestijnse curriculum en een discussie met de Palestijnse Autoriteit over dit curriculum.
Beaamt u dat dit soort lesinhoud haatzaaien, verdeeldheid en conflict veeleer bevordert dan vermindert en dat jonge kinderen op school niet aan dit soort onjuistheden en eenzijdigheden blootgesteld zouden moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u geschrokken van deze bevindingen van IMPACT-SE en welke conclusies verbindt u hieraan voor de Nederlandse diplomatieke en financiële steun aan UNRWA?
Het kabinet heeft bij UNRWA steeds het belang van neutraliteit, ook in het onderwijs, benadrukt en betreurt dat UNRWA ondanks de aandacht voor neutraliteit in het onderwijs toch deze materialen heeft geproduceerd. Zoals gesteld heeft Nederland, tezamen met andere donoren, bij UNRWA om opheldering gevraagd in deze ernstige zaak. Daarbij heeft UNRWA herhaald dat dergelijke teksten niet geaccepteerd worden, en de teksten niet in de online leeromgeving geplaatst worden. De genoemde interne review zal de toedracht van deze omissie en de bijpassende aanscherpingen in de controle systemen duidelijk moeten maken en tot verbetering moeten leiden om herhaling te voorkomen.
Tijdens de politieke consultaties met het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Palestijnse Autoriteit op 28 januari 2021 benadrukte Directeur-Generaal Politieke Zaken wederom het belang dat Nederland hecht aan het nauwe toezicht door Palestijnse (en Israëlische) ministeries van Onderwijs op de inhoud van hun eigen schoolboeken en dat lesmaterialen geen discriminatie, antisemitisme, haat zaaien en/of opruiende retoriek mogen bevatten.
Nederland is van mening dat het onderwijsbeleid van UNRWA een solide basis heeft, daarbij meewegend dat uitvoering altijd uitdagend blijft in de omstandigheden waarin UNRWA haar werk doet. Die omstandigheden werden nog moeilijker toen UNRWA in alle velden waar het actief is onverwachts moest omschakelen naar thuisonderwijs. In dat licht, rekening houdend met de corrigerende maatregelen die UNRWA heeft genomen en in het belang van de gehele continuïteit van UNRWA’s dienstverlening, is het kabinet niet voornemens de Nederlandse financiering van UNRWA te herzien.
Bent u bereid zowel binnen UNRWA als de Palestijnse autoriteit het gesprek aan te gaan over de conclusies van IMPACT-SE en de noodzaak tot een andere inhoud van lesmaterialen?
Zie antwoord vraag 7.
Daar waar u in antwoord op eerdere vragen stelde dat Nederland het belang van goed onderwijs onderschrijft, maar dat er geen reden was om de Nederlandse financiering te herzien of aan te passen, ziet u die reden inmiddels wel? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 7.
De afgebroken CAO-onderhandelingen bij de supermarkten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Overleg supermarkt-cao weer afgebroken: «Geld klotst tegen de plinten»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Het is jammer dat cao-partijen bij de supermarkt-cao nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. Het proces van onderhandelingen verloopt soms vlot, maar heeft soms ook wat meer tijd nodig om tot een goed einde te worden gebracht. Ik hoop dat partijen er uiteindelijk samen uit gaan komen en een evenwichtig onderhandelingsresultaat weten te bereiken.
Deelt u de mening dat supermarkten in 2020 een recordomzet hebben geboekt van 45 miljard euro, een stijging van 11 procent ten opzichte van 2019?
Uit het aangehaalde artikel begrijp ik dat uit onderzoek van marktonderzoeker IRI volgt dat supermarkten 45 miljard euro hebben omgezet in 2020, hetgeen een stijging van 11 procent zou betekenen ten opzichte van 2019. Dat is inderdaad fors.
Hebt u gezien dat in het nieuwe jaar de klinkende cijfers gewoon doorzetten, met in de eerste week van 2021 alweer een groei van negen procent?
In hetzelfde artikel heb ik gelezen dat in de eerste week van 2021 sprake zou zijn van een groei van 9 procent.
Bent u het eens met de stelling dat deze cijfers een loonsverhoging rechtvaardigen voor de circa 300.000 supermarktmedewerkers, in lijn met de eis van de vakbonden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat de coronacrisis veel vraagt van Nederland en dat ook supermarktmedewerkers hard hebben gewerkt om de supermarkten draaiende te houden. Het is echter niet aan mij om me te mengen in de cao-onderhandelingen in een specifieke sector en te oordelen over de rechtvaardiging van een structurele en/of incidentele loonsverhoging. Het is aan de betrokken werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden en een cao af te sluiten. Cao-partijen weten bovendien het beste welke afspraken in een specifieke sector passend zijn.
Is een (extra) loonsverhoging ook niet logisch vanwege de hoge werkdruk als gevolg van corona?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een moreel appel te doen op de werkgevers vanwege het feit «dat het geld tegen de plinten klotst»? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is het aan werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen en een cao af te sluiten. Het onderhandelingsproces in een specifieke sector is dan ook geen zaak waar ik mij in kan mengen.
Hebt u gezien dat een Kamermeerderheid voorstander is van een hoger minimumloon? Bent u bereid het minimumloon met tien procent te verhogen als een eerste stap richting 14 euro per uur? Zo nee, waarom niet?
Ik ben ervan op de hoogte dat meerdere partijen voor een hoger wettelijk minimumloon (WML) pleiten in hun verkiezingsprogramma’s. De wijze waarop partijen dit invullen is echter verschillend. Zoals eerder aangegeven in mijn brief van januari vorig jaar,2 ben ik niet voornemens het WML in de resterende kabinetsperiode te verhogen. Overigens is het WML niet het enige dat bepalend is voor het inkomen van werknemers. Ook het bredere stelsel van inkomensondersteuning via de fiscaliteit en toeslagen speelt een rol. Goede weging van een verhoging van het WML dient dan ook in een bredere samenhang met deze instrumenten te worden bezien.
Het schrappen van artikel 8b uit het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn |
|
Helma Lodders (VVD), Barry Madlener (PVV), Wybren van Haga (FVD), Jaco Geurts (CDA), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat vanwege de geldende coronamaatregelen de fysieke bijeenkomsten van de Tweede Kamer beperkt zijn en de gelegenheid om moties in te dienen momenteel tot een minimum beperkt is?
Ja.
Bent u bereid om een verzoek van de VVD, CDA, SGP, PVV en FvD om artikel 8b uit het Besluit gebruik meststoffen te schrappen, vooruitlopend op het indienen van een motie waarbij u opgeroepen wordt dit artikel te schrappen (dit artikel is op 29 december 2020 toegevoegd en op 6 januari 2021 gepubliceerd), in te willigen? Bent u het ermee eens dat dit artikel een geïntegreerde teelt in de weg staat, omdat bijvoorbeeld de mechanische onkruidbestrijding onmogelijk wordt gemaakt (terwijl dit juist een van de doelstellingen is in de geïntegreerde teelt) en de selectie van pootgoed, ook met mechanische ondersteuning bij de teelt van pootaardappelen onmogelijk wordt? Hoe verhoudt dit zich tot uw beantwoording van de schriftelijke vragen van VVD en CDA op 30 september 2020, waarin u heeft verwezen naar de milieueffectrapportage van maatregelen in het kader van het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn van Wageningen Environmental Research, waarin aangegeven staat dat er een aantal kennishiaten zijn, zoals dat bijvoorbeeld enkel experimenteel onderzoek heeft plaatsgevonden in een niet representatief gebied voor Nederland, namelijk alleen in hellende, erosiegevoelige gebieden, en dat er daarnaast geen gegevens bekend zijn voor de Nederlandse situatie met vlakke percelen? Kunt u dit verder toelichten, aangezien in dit rapport tevens staat dat verondersteld wordt dat de maatregel niet effectief is voor kleigronden, waarmee deze maatregel in de praktijk niet bijdraagt aan de doelen van de Nitraatrichtlijn, maar wel zorgt voor het verhogen van de regeldruk, het stimuleren van chemische onkruidbestrijding en het ontstaan van onwerkbare situaties?1
In mijn beantwoording van de schriftelijke vragen, gesteld door de leden Lodders (VVD) en Geurts (CDA) (Aanhangsel Handelingen II 2020/21, nr. 242), heb ik toegelicht dat de optie van het aanleggen van drempeltjes is gewijzigd naar aanleiding van de reacties die op de consultatieversie van het ontwerpbesluit zijn uitgebracht.
Het voorstel van LTO is overgenomen om tijdens of na het aanleggen van de ruggen mechanisch kleine drempeltjes te maken tot een afstand van maximaal 2 meter. Bij pootaardappelen is deze maatregel inderdaad lastiger toepasbaar, daarom is in het ontwerpbesluit voorzien in meerdere opties voor de landbouwer.
De optie van het frezen van een opvanggreppel is daarom verbreed waarbij een landbouwer afwaterende greppels of infiltratiesleuven aanlegt die bij normale weersomstandigheden het afstromende water opvangen en niet afwateren op de watergang. Hierdoor kan de landbouwer de voor zijn perceel meest passende greppel of infiltratiesleuf aanleggen. Ook is een derde optie toegevoegd, namelijk het verbreden van de teeltvrije zone langs watergangen. Dat houdt in dat langs de het betreffende perceel grenzende watergang aan onbeteelde en onbemeste zone wordt aangelegd van minimaal 3 meter breed. Boeren hebben dus de keuze de mogelijkheid te kiezen die op het eigen perceel en in de eigen bedrijfsvoering het beste uitvoerbaar is.
Het rapport «Milieueffectrapportage van maatregelen zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn» maakt deel uit van de verplichte plan-milieueffectrapportage die in het kader van de totstandkoming van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn in 2017 is doorlopen. In 2020 is door Wageningen Universiteit & Research als vervolg hierop veldonderzoek2 uitgevoerd naar het effect van drempels in percelen met aardappels geteeld in ruggen op vlakke percelen in Noord- en Zuid-Limburg. In dit onderzoek zijn een ruggenteelt met een drempel, een ruggenteelt zonder drempel en een teelt met een ruwe rug (aangelegd door een gitter-roller) met elkaar vergeleken.
De eerste onderzoeksresultaten laten zien dat in de ruggenteelt met drempels een duidelijk effect op het volume oppervlakkig afstromend water werd gemeten. Met de vermindering van de oppervlakkige afstroming spoelde ook minder sediment af. Ook bij de ruw aangelegde ruggen werd minder oppervlakkige afstroming gemeten, zij het minder geprononceerd. Het blokkerende effect nam lopende het seizoen af. Op de percelen waar in de loop van 2020 hevige neerslag optrad, zijn drempels weggespoeld. Analyse van de concentraties in het opgevangen afgestroomde water en sediment wordt nog uitgevoerd. Komend jaar zal verder onderzoek plaatsvinden waarnaar publicatie zal plaatsvinden in de tweede helft van 2022.
Hierbij is het goed op te merken nutriënten die niet afspoelen kunnen worden benut door de teelt en dat is in het voordeel van de landbouwer. Door de drempeltjes filtreert het water in het gehele perceel in en stroomt het niet af naar een lager gedeelte binnen het perceel, waardoor schade wordt voorkomen. Bij een langere periode van droogte wordt regen beter benut.
Het niet invoeren van deze maatregel betekent dat het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn niet volledig wordt uitgevoerd en dus niet volledig wordt voldaan aan de voorschriften van de Nitraatrichtlijn. Een meerderheid van uw Kamer verzoekt mij nu echter deze maatregel te schrappen. Aan dit verzoek zal ik als volgt gehoor geven. Omdat het besluit reeds gepubliceerd is, is het op dit moment niet mogelijk het besluit aan te passen en dus ook niet mogelijk een artikel te schrappen. De enig mogelijke stap is om, na afloop van de nahang, per koninklijk besluit tot gedifferentieerde inwerkingtreding over te gaan. Dat betekent dat ik in het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit zoals dat – na afloop van de nahang die op 6 januari jl. is gestart (Kamerstuk 33 037, nr. 382) – zal worden vastgesteld, artikel 8b van het Besluit gebruik meststoffen niet in werking zal laten treden. Dit betekent dat landbouwers op klei en löss niet verplicht zijn drempels tussen ruggen, of één van de andere opties daarvoor, toe te passen om afspoeling van meststoffen te voorkomen.
Deze maatregel was voorzien in het kader van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn. Het nemen van maatregelen om afspoeling van nutriënten te beperken blijft onverkort van belang. Ik zal dit dan ook opnieuw bezien bij het opstellen van het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn ten behoeve van de verantwoordelijkheden in het kader van de waterkwaliteit. Het zou met het oog op de invulling van het zevende Nitraatactieprogramma behulpzaam zijn als de sector hiervoor het komende groeiseizoen zelf vrijwillig maatregelen treft. Hierbij kunnen landbouwers gebruik maken van reeds opgedane kennis en ervaring via bijvoorbeeld het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.