Voedselhulp in Nederland als gevolg van groeiende armoede |
|
Jasper van Dijk |
|
Bas van 't Wout (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Rode Kruis in Nederland voedselhulp gaat opstarten om mensen van voedsel te voorzien?1
Het kabinet zet zich – samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties – in om financiële problemen zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. Helaas kan dit niet altijd voorkomen worden. Er staat gelukkig een goede infrastructuur in Nederland om mensen in armoede en met schulden te ondersteunen en dak- en thuisloze mensen te helpen, met een belangrijke rol voor gemeenten en maatschappelijke organisaties. Het kabinet heeft in de afgelopen jaren actief geïnvesteerd in de aanpak van armoede en schulden, onder meer via de brede schuldenaanpak en de ambities kinderarmoede. In aanvulling hierop heeft het kabinet in het licht van de coronacrisis extra middelen beschikbaar gesteld voor de aanpak van armoede en schulden (Kamerstuk 24 515, nr. 569).
Is het niet ronduit beschamend dat na tien jaar premier Rutte voedselhulp van het Rode Kruis nodig is?
Zie antwoord vraag 1.
Wat onderneemt u om de naar schatting 25.000 mensen te bereiken die voedselhulp nodig hebben, maar buiten de criteria van de voedselbank vallen?
Gemeenten hebben een belangrijke rol in het ondersteunen van mensen wanneer zij kampen met financiële problemen. Gemeenten hebben dan ook de mogelijkheid om maatwerk te bieden en personen, die buiten de criteria van de voedselbank vallen, te ondersteunen. Het Rode Kruis geeft voor een belangrijk deel voedselhulp aan vreemdelingen zonder recht op verblijf. Die groep wordt in principe niet ondersteund door de voedselbanken. Vreemdelingen zonder recht op verblijf zijn uitgesloten van sociale voorzieningen maar hebben op basis van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wel recht op bed, bad en brood wanneer zij in een situatie van extreme armoede verkeren. Zij kunnen in Nederland in verschillende gemeenten terecht bij een (pilot) Landelijke Vreemdelingen Voorziening.
Hoeveel draagt u bij aan de noodzakelijke voedselhulp via het Rode Kruis, dan wel via voedselbanken? Welk bedrag hiervan komt vanwege corona bovenop het budget van vorig jaar?
Het Rode Kruis en de voedselbanken ontvangen voor het bieden van noodzakelijke voedselhulp geen financiële ondersteuning vanuit de rijksoverheid. Veel gemeenten bieden deze ondersteuning wel. Het kabinet heeft in het kader van de corona crisismaatregelen aan Voedselbanken Nederland eenmalig een subsidie van vier miljoen euro als vangnet voor het calamiteitenfonds beschikbaar gesteld, mochten de middelen in hun calamiteitenfonds niet toereikend zijn. De Staatssecretaris heeft de Kamer op 16 november jl. nader geïnformeerd over de stand van zaken bij de voedselbanken en de bereidheid van het kabinet om de eerder toegekende vier miljoen euro subsidie uit te breiden met ESF+ middelen en gezamenlijk met Voedselbanken Nederland een aanpak te ontwikkelen die past bij de verwachte toename van de problematiek.
Bent u bereid structurele maatregelen te nemen om armoede en dakloosheid te voorkomen, zoals het afschaffen van de kostendelersnorm, minder onzekere contracten, een hoger sociaal minimum en een hoger minimumloon?
Het kabinet is niet voornemens de kostendelersnorm af te schaffen. Wel is het onderzoek van Significant APE (zie het antwoord op vraag 6) aanleiding voor het kabinet, zoals in de kabinetsreactie op het onderzoek is aangegeven, om te verkennen of het mogelijk is de kostendelersnorm anders vorm te geven. Dit rekening houdend met de huidige financiële kaders en de uitgangspunten dat werken moet lonen, dat stapeling van meerdere bijstandsuitkeringen op één woonadres ongewenst is en dat er schaalvoordelen zijn omdat woonkosten gedeeld kunnen worden. Het kabinet denkt daarbij aan een situatie waarbij voor de hoofdbewoner betaling van de vaste woonkosten gewaarborgd is. De verkenning wordt zo snel mogelijk uitgevoerd en het kabinet streeft ernaar uw Kamer over de uitkomsten begin 2021 te informeren.
Met de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) heeft het kabinet stappen gezet om te zorgen dat tijdelijk werk daadwerkelijk tijdelijk wordt ingezet. De rapporten van de commissie Regulering van Werk en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) laten zien dat het kabinet de laatste jaren in de goede richting beweegt, door in een gelijktijdige beweging de verschillen tussen vaste en flexibele contractvormen te verkleinen. Uw Kamer heeft onlangs de kabinetsreactie op beide rapporten ontvangen (Kamerstuk 29 544, nr. 1028). Het kabinet zal de komende maanden voorbereidingen treffen die het volgende kabinet in staat stelt om de aanbevelingen uit de rapporten verder ter hand te nemen.
Het kabinet is bekend met de uitkomsten van het FNV-onderzoek waarin een verhoging van het minimumloon naar 14 euro bruto per uur wordt voorgesteld. Afhankelijk van de normale arbeidsduur in de betreffende sector zou dit een verhoging van het minimumloon met 30 tot 40 procent betekenen. Door de samenhang van het minimumloon met de uitkeringshoogten in de sociale zekerheid, waaronder bijvoorbeeld de bijstand, AOW en Anw, heeft een dergelijke maatregel een zeer omvangrijk budgettair effect dat volgens het CPB4 oploopt tot 24,7 miljard euro. Het CPB wijst verder op negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in varianten waarbij minimumloon en socialezekerheidsuitkeringen worden verhoogd. De effecten lopen bij verdergaande verhogingen meer dan evenredig op, tot een verlies van werkgelegenheid van -3,5 procent bij een minimumloonverhoging met 40 procent.
Het kabinet hecht waarde aan een zorgvuldige afweging tussen de inkomenszekerheid van WML-verdieners enerzijds en de effecten die de hoogte van het WML heeft op sociale zekerheidsuitgaven en werkgelegenheid anderzijds. Mede in het licht van de forse effecten van de coronacrisis op bedrijvigheid en de arbeidsmarkt acht het kabinet een forse verhoging van het WML op dit moment niet opportuun. Het kabinet blijft de hoogte en werking van het minimumloon echter wel kritisch bekijken. Zo houdt het kabinet de inkomenspositie van werkenden aan de basis van het loongebouw goed in de gaten. Ook heeft het kabinet het CPB verzocht een nadere analyse te doen naar verdere economische en maatschappelijke effecten van een minimumloonverhoging. Denk hierbij aan de effecten op de lonen boven het wettelijk minimumloon, op economische groei en het risico op armoede van werkenden die het minimumloon verdienen. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor het einde van dit jaar verwacht. Een verhoging van het WML wordt ook betrokken bij de uitwerking van alternatieven voor het toeslagenstelsel, in voorbereiding op de aankomende formatie. Gelet op de mogelijke omvang van een eventuele stelselherziening ligt het in de rede dat de brede discussie over inkomensbescherming via minimumloon, het sociaal minimum en toeslagen, en de vormgeving van het stelsel door het volgende kabinet wordt gevoerd. De opbrengst van de genoemde onderzoeken maakt het mogelijk het debat hierover met kennis van zaken te voeren.
Gaat u nu eindelijk het beloofde onderzoek naar de Kamer sturen over de relatie tussen de kostendelersnorm en dakloosheid?2
Het onderzoek van Significant APE is met kabinetsreactie op 6 november jl. (Kamerstuk 34 325, nr. 199) aan de Kamer aangeboden. Zie ook het antwoord op vragen 5, 7 en 8 hierna.
Kent u het onderzoek van de FNV, waaruit blijkt dat 72 procent van de Nederlanders voorstander is van een verhoging van het minimumloon?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat een (forse) verhoging van het minimumloon en de uitkeringen direct leidt tot een afname van de armoede in Nederland? Zo ja, waar wacht u nog op?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Radboud Universiteit en Radboudumc in Nijmegen mogen zich niet langer 'katholiek' noemen' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel 'Radboud Universiteit en Radboudumc in Nijmegen mogen zich niet langer «katholiek» noemen»?1
Ja.
Hoe vaak heeft de Bisschoppenconferentie een voordracht voor een benoeming in de raad van toezicht van de Radboud Universiteit en de Radboudumc – via het benoemingsrecht ten aanzien van het bestuur van de Stichting Katholieke Universiteit (SKU) – in de afgelopen jaren afgewezen?
Uit de informatie die ik heb verkregen van de Stichting Katholieke Universiteit blijkt dat de Bisschoppenconferentie in totaal vijf benoemingsvoordrachten heeft afgewezen.
Op welke wijze wordt toegezien op de naleving van de wettelijke eis dat «de samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen» zoals bepaalt in artikel 9.7, eerste volzin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)?
Het doel van de Stichting Katholieke Universiteit is onder meer het houden van toezicht op het door het college van bestuur respectievelijk de raad van bestuur gevoerde bestuur en beheer over de universiteit respectievelijk het umc. Het bestuur SKU heeft de governancecodes van beide sectoren waarin zij actief is onderschreven en gedraagt zich dienovereenkomstig. Voorts zijn de bepalingen van Boek 2 BW van toepassing op de rechtspersoon.
Zijn de regels die de Bisschoppenconferentie heeft opgesteld om in Nederland de apostolische constitutie over de katholieke universiteiten Ex Corde Ecclesiae (ECE) toe te passen – zoals de bepaling dat in een meerderheid van de beschikbare plaatsen voor wetenschappelijk personeel en staffuncties rooms-katholieken benoemd moeten worden en de bepaling dat een meerderheid van het college van bestuur van de universiteit bestaat uit rooms-katholieken – niet in strijd met artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling?
Ik wijs hier op de uit artikel 23 van de Grondwet volgende inrichtingsvrijheid. Om de richting in de praktijk waar te kunnen maken, heeft een instelling ruimte nodig om de organisatie en het onderwijs naar eigen inzicht vorm te geven. De Grondwet heeft het expliciet over de vrijheid van het aanstellen van personeel. Maar er valt meer onder. Hierbij is de betreffende instelling wel gebonden aan de Algemene wet gelijke behandeling. Uit artikel 5, tweede lid, deze wet volgt dat een instelling op godsdienstige grondslag ten aanzien van personen die voor haar werkzaam zijn onderscheid mag maken op grond van onder andere godsdienst of levensovertuiging, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling. Een zodanig onderscheid mag niet verder gaan dan passend is, gelet op de houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de instelling die van de voor haar werkzame personen mag worden verlangd, en mag niet leiden tot onderscheid op een andere in artikel 1 van die wet genoemde grond.
Zijn de regels die de Bisschoppenconferentie in de praktijk aan leden van de raad van toezicht stellen – te weten «(i) de kandidaat moet geloven; (ii) de kandidaat moet praktiserend rooms-katholiek zijn en regelmatig de kerk bezoeken; (iii) de kandidaat moet – indien gehuwd – kerkelijk gehuwd zijn; (iv) de kandidaat mag niet gescheiden zijn; en (v) de kinderen van de kandidaat moeten gedoopt zijn» – niet in strijd met artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling en mogen dergelijke regels gelden voor benoemingen van toezichthouders bij publiek gefinancierde organisaties?2
Zie antwoord vraag 4.
Zijn de bezittingen van de Radboud Universiteit en Radboudumc, zoals de gebouwen en ict-infrastructuur, in deze juridische constructie eigendom van de Radboud Universiteit en Radboudumc of kan de Rooms-Katholieke Kerk daar aanspraak op maken?
De onroerende zaken die ter beschikking staan aan de Radboud Universiteit en het Radboudumc zijn in eigendom van de Stichting Katholieke Universiteit.
Betekent het besluit van de Bisschoppenconferentie om het predicaat «katholiek» in te trekken en het oordeel van de Ondernemingskamer dat de raden van toezicht van de Radboud Universiteit en Radboudumc voortaan onafhankelijk zijn, en dat de benoemingen van toezichthouders, behoudens één lid, niet langer afhankelijk zijn van de instemming van de Bisschoppenconferentie?3
De uitspraak van de Ondernemingskamer d.d. 21 juli 2020 en het besluit van de Bisschoppenconferentie om het predicaat «katholiek» in te trekken d.d. 19 oktober 2020 betekenen dat de Bisschoppenconferentie niet langer betrokken is bij de benoeming van leden van het stichtingsbestuur Stichting Katholieke Universiteit noch bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht.
Bij hoeveel onderwijsinstellingen spelen de Bisschoppenconferentie of andere kerkelijke instanties een rol bij het benoemen van bestuurders en toezichthouders?
In ons onderwijsstelsel zijn er meerdere universiteiten en hogescholen die uitgaan van een stichting die gericht is op onderwijs vanuit een bepaalde religieuze identiteit. In welk van deze gevallen de Bisschoppenconferentie of andere kerkelijke instanties een rol spelen bij het benoemen van bestuurders en toezichthouders is mij niet bekend.
Welke rol en bevoegdheden hebben studenten en medewerkers bij het benoemen van leden van een raad van toezicht bij hogescholen en universiteiten?
De universiteitsraad (universiteiten) dan wel medezeggenschapsraad (hogescholen) – bestaand uit leden die door en uit personeel worden gekozen en leden die door en uit de studenten worden gekozen – hebben adviesrecht met betrekking tot de (vooraf openbaar gemaakte) profielen voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht van de universiteit of hogeschool. Bij de bijzondere universiteiten geldt dit adviesrecht ook, tenzij deze universiteit naar het oordeel van de Minister naar redelijkheid heeft kunnen aantonen dat het met een beroep op de eigen aard zich tegen inachtneming van dit adviesrecht kan verzetten. Hiervan is in de praktijk echter geen sprake.
Vind u het van deze tijd dat kerkelijke instanties goedkeuring moeten verlenen bij het benoemen van bestuurders en toezichthouders van grote publiek gefinancierde organisaties? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ook hier wijs ik op de in de Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs, waaronder de (wijze van) benoeming van bestuurders en toezichthouders door een instelling valt.
Bent u bereid om de Inspectie van het Onderwijs te vragen onderzoek te doen naar de onafhankelijkheid en de samenstelling van de raden van toezicht van hogescholen en universiteiten?
Ik heb op grond van de onderhavige casus, maar ook in zijn algemeenheid, geen aanleiding om de onafhankelijkheid en samenstelling van de raden van toezicht van universiteiten en hogescholen ter discussie te stellen. Een onderzoek hiernaar door de Inspectie van het Onderwijs is dan ook niet aan de orde.
Separatorvlees |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Wat is de totale jaarlijkse hoeveelheid separatorvlees die in Nederland jaarlijks wordt geproduceerd?
De productie van separatorvlees 1 is gebonden aan Europese hygiëneregels. De productie mag alleen plaatsvinden in bedrijven die beschikken over een erkenning als bedrijf voor de productie van separatorvlees en/of gehakt vlees en/of vleesbereidingen. Op de website van de NVWA (www.nvwa.nl) zijn overzichten van erkende bedrijven opgenomen. De lijst met bedrijven die een erkenning hebben voor het produceren van separatorvlees treft u aan in de bijlage. In de praktijk maken niet alle bedrijven gebruik van hun erkenning. Er bestaat geen overzicht van bedrijven die separatorvlees verwerken.
De NVWA houdt toezicht op vleesbedrijven en bedrijven die separatorvlees verwerken, maar houdt geen centrale bestanden bij van productiehoeveelheden en afnemers. Centrale beschikbaarheid van dit soort gegevens is niet nodig voor het uitoefenen van toezicht door de NVWA. Er vindt ook geen registratie plaats in welke mate welke ingrediënten in welke voedingsmiddelen worden verwerkt. Separatorvlees mag niet als zodanig aan de consument verkocht worden en mag alleen verwerkt worden in producten die vóór consumptie – door het bedrijf of door de consument – worden verhit. Deze producten kunnen zowel voor de Europese markt als voor de export naar derde landen zijn bestemd.
Wie zijn de belangrijkste producenten en wie zijn de belangrijkste afnemers van separatorvlees?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de belangrijkste producten die separatorvlees bevatten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke wettelijke voorschriften zijn van kracht om de traceerbaarheid van separatorvlees in Nederland te waarborgen en welke verplichtingen hebben producenten volgens deze regelgeving?
Voor de traceerbaarheid van separatorvlees (én alle andere levensmiddelen) zijn de eisen van artikel 18, lid 1 t/m 3 van de Verordening 178/2002 van toepassing.
Producenten hebben op basis van deze Europese wetgeving de verplichting om ervoor te zorgen dat in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van separatorvlees het separatorvlees traceerbaar is.
Ze moeten kunnen nagaan wie hun het separatorvlees heeft geleverd en aan wie zij het separatorvlees of de levensmiddelen met daarin het separatorvlees als grondstof, hebben geleverd (1 stap terug, 1 stap vooruit). Daarnaast moeten producenten van levensmiddelen van dierlijke oorsprong ook voldoen aan de traceerbaarheidsvoorschriften van de uitvoeringsverordening (EU) Nr. 931/2011.
Als aan deze eisen wordt voldaan, is volledige traceerbaarheid gewaarborgd.
Is volledige traceerbaarheid in overeenstemming met de vastgestelde wettelijke regels?
Zie antwoord vraag 4.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan producenten die deze regels overtreden?
De sancties zijn onder andere het schorsen van een erkenning, het terugroepen van producten uit het winkelkanaal, een bestuurlijke boete, en een schriftelijke waarschuwing. Dit zijn de reguliere interventies van de NVWA die voor de inspecteurs ter beschikking staan bij het aantreffen van overtredingen tijdens inspecties en monsteronderzoeken.
Kunt u aangeven op welke wijze de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) handhaaft op gebruik van separatorvlees conform de wettelijke voorschriften?
Bij de producenten van separatorvlees en bij de bedrijven die separatorvlees verwerken worden jaarlijks één of meerdere inspecties uitgevoerd. Daarnaast worden periodiek projecten uitgevoerd waarbij specifieke aspecten bij deze bedrijven onder de loep worden genomen. Mocht blijken dat er hierbij overtredingen worden geconstateerd, dan wordt het hiervoor geldende interventiebeleid toegepast (zie ook het antwoord op vraag 6).
Kunt u aangeven hoeveel capaciteit in uren hier jaarlijks door de NVWA aan wordt besteed?
De NVWA houdt hier geen aparte uren-administratie van bij. Separatorvlees is zowel onderwerp van onaangekondigde inspecties als een specifiek onderdeel van de (aangekondigde) audits van de vleesbedrijven en van de bedrijven die separatorvlees verwerken, waarbij op meerdere inspectie-onderwerpen gecontroleerd wordt.
Wordt separatorvlees gelabeld? Zo nee, hoe hebben consumenten van separatorvlees de mogelijkheid om te ontdekken of ze separatorvlees kopen?
Het is niet toegestaan separatorvlees aan consumenten te verkopen. Bij producten waarin separatorvlees is verwerkt, is dit in de lijst van ingrediënten te lezen.
De verkoop van paspoorten |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het feit dat de Europese Commissie een formele infractieprocedure is begonnen tegen Malta en Cyprus over de «golden passport schemes» van die drie landen?1
Ja.
Kunt u aangeven of het schema van Curaçao, waarbij investeerders na vijf jaar het Nederlandse paspoort kunnen aanvragen, voldoet aan de eisen van de Europese Commissie? Kunt u dat antwoord toelichten?2
De betreffende eisen van de Europese Commissie3 zijn niet van toepassing op Curaçao. Daarnaast is het staatsburgerschap een Koninkrijkaangelegenheid. Curaçao beslist daar niet zelf over en tijdelijk verblijf op Curaçao geeft daar niet automatisch recht op.
Hoeveel mensen hebben de afgelopen jaren deelgenomen aan het programma in Curaçao?
Curaçao kan een eigen beleid voeren over het tijdelijk verblijf op het eigen grondgebied. Het is aan de Curaçaose regering om daarover verantwoording af te leggen.
Kunt u een overzicht geven van de golden passport en golden visa schema in het Koninkrijk der Nederlanden?
Er bestaat in het Koninkrijk geen regeling waarbij het staatsburgerschap verkregen kan worden bij het doen van een investering. Aan naturalisatie zijn strenge eisen verbonden. Er moet bijvoorbeeld sprake zijn van vijf jaar onafgebroken toelating (verblijfsrecht) en hoofdverblijf. Tevens dient sprake te zijn van toelating voor een permanent verblijfsdoel.
Wel bestaan er in het gehele Koninkrijk regelingen waarbij investeerders onder voorwaarden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert Curaçao, net als Sint Maarten, Aruba en Nederland, een eigen vreemdelingen- en migratiebeleid. Ten aanzien van de verblijfsregelingen in Europees en Caribisch Nederland kan ik het volgende melden:
Europees Nederland
Over de verblijfsregeling voor investeerders heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer eerder geïnformeerd.4
Caribisch Nederland
De regeling voor investeerders staat een maximaal verblijf van 120 dagen per jaar toe. Dat is per definitie onvoldoende om in aanmerking te komen voor het staatsburgerschap (dat vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf vereist).
Pensionado’s en renteniers kunnen een verblijfsvergunning krijgen voor de duur van een jaar. Deze kan jaarlijks verlengd worden. Er bestaat dus de mogelijkheid na vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf een naturalisatieverzoek in te dienen.
Hoeveel mensen wonen in Nederland, met een paspoort dat zij via Malta, Cyprus of Bulgarije gekocht hebben? Heeft u speciale zorgen over deze groep mensen?
Burgers uit deze lidstaten mogen zich op grond van de richtlijn vrij verkeer overal binnen de Unie bewegen en vestigen. Van hen die zich in Nederland hebben gevestigd is niet bekend op welke wijze zij aan hun staatsburgerschap zijn gekomen.
Voor wat betreft de speciale zorgen over deze groep mensen verwijs ik naar de brief aan uw Kamer van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november 20195. Daarin is vermeld dat het zorgelijk is indien de Maltese regeling (en ook van andere lidstaten met vergelijkbare paspoortregelingen) risico’s oplevert voor de (nationale) veiligheid en de openbare orde in andere EU-lidstaten.
Kunt u deze vragen een voor en binnen drie weken beantwoorden?
In verband met de afstemming tussen betrokken departementen en het land Curaçao vindt de beantwoording later plaats dan verzocht.
De gevolgen van de coronacrisis voor mensen in de prostitutie |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de verschillende series vragen over de gevolgen van de coronacrisis voor mensen in de prostitutie (28 april, 1 april en 19 maart)?1
Ja.
Wat is het algemene beeld van de situatie van mensen die in de prostitutie werken, in het bijzonder sinds de instelling van de gedeeltelijke lockdown?
Onlangs heeft het Verwey-Jonker Instituut een rapport gepubliceerd van het onderzoek dat gedaan is naar de impact van de coronacrisis op sekswerk in regio Hart van Brabant.2 Volgens het onderzoek zijn sekswerkers voor wie sekswerk het hoofdinkomen is, in zwaar weer terecht gekomen. Tijdens de lockdown hebben sommige sekswerkers besloten door te werken, met name met vaste klanten. Enkele sekswerkers zijn volledig overgestapt naar online werken. Voor een nadere toelichting op de impact van de coronacrisis op sekswerk verwijs ik u naar het rapport van het Verwey-Jonker Instituut.
Hoe is, in de keuze om prostitutie momenteel door te laten gaan, het belang van de gezondheid van de personen die werken in de prostitutie meegewogen?
Als onderdeel van de door het kabinet aangekondigde strengere maatregelen geldt met ingang van 15 december 2020 een verbod op het uitoefenen van een niet-medisch contactberoep. Daaronder valt ook prostitutie.
Op welke wijze wordt invulling gegeven aan de registratieplicht voor contactberoepen waar het de prostitutie betreft? Klopt onze indruk dat dit momenteel niet gebeurt en dat het ook voorstelbaar is dat dit in deze branche niet op de korte termijn gaat gebeuren?
Op dit moment is registratie niet aan de orde, omdat seksinrichtingen gesloten zijn en er een verbod is op het uitoefenen van niet-medisch contactberoepen.
Wanneer contactberoepen weer toegestaan zijn, dan is de registratie van naam en contactgegevens bedoeld om de GGD in staat te stellen contact op te nemen, mocht een besmetting hebben plaatsgevonden. Hoe meer en eerder contacten in beeld zijn, hoe sneller en efficiënter de GGD zijn werk kan doen, en hoe sneller ingrijpen mogelijk is. Het is dan ook in het belang van de klant om de juiste gegevens achter te laten. Dit is echter geen verplichting voor beroepen zoals prostitutie, waar dit omwille van het op een gepaste wijze uitoefenen van het beroep, of omwille van de veiligheid of welzijn van betrokkenen onwenselijk kan zijn.
Welke andere mogelijkheden zijn er om de gezondheid van mensen die werken in de prostitutie te beschermen, bijvoorbeeld middels een geanonimiseerde registratie van bezoekers? Kunt u hierbij ook aangeven welke keuzes andere landen, zoals bijvoorbeeld Duitsland, hierin maken?
Omwille van de veiligheid of het welzijn van de mensen die werken in de prostitutie kan het onwenselijk zijn om verplicht een registratie van naam en contactgegevens bij te houden van bezoekers. Het is dan ook aan de klant om deze gegevens, al dan niet geanonimiseerd, te verstrekken wil hij/zij benaderd kunnen worden in het kader van bron en contactonderzoek. In Duitsland wordt op het niveau van de verschillende deelstaten dit beleid vormgegeven; er kan dan ook niet in het algemeen aangegeven worden hoe dit registratiebeleid eruit ziet. Ook is momenteel vanwege het aantal besmettingen in sommige deelstaten het aanbieden van prostitutiedienstverlening in het geheel verboden. Echter, voordat dit verbod in is gegaan kende de deelstaat Nedersaksen een registratieverplichting waarbij er een identificatiebewijs met foto overlegd moest worden. De deelstaat Noordrijn-Westfalen kende, voor het algemeen verbod op prostitutie ook een registratieverplichting waarbij het tijdstip van het contact, de naam, het adres en de telefoonnummer van de klant voor vier weken bewaard diende te worden.
Welke ondersteuning is er voor mensen in de prostitutie die om begrijpelijke redenen op dit moment niet willen werken, bijvoorbeeld omdat zij een kwetsbaar familielid hebben of het simpelweg voor zichzelf te risicovol vinden? Is deze ondersteuning ook toegankelijk voor mensen die niet als ZZP’er geregistreerd zijn of werken middels opting-in?
Het steun- en herstelpakket is verlengd tot 1 juli 2021. Sekswerkers kunnen net als anderen gebruik maken van de bestaande regelingen. Indien zij aan de criteria van de regeling voldoen kunnen ze aanspraak maken op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), een Werkloosheidsuitkering (WW) of als vangnet de algemene bijstand. Gelet op de voorwaarden voor de Tozo is deze ondersteuning niet toegankelijk voor niet-zzp’ers, waaronder ook sekswerkers die volgens de opting in werken.
Speciaal voor huishoudens die nu tussen de wal en het schip vallen, willen we met de TONK (Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten) een ruimere toegang tot het instrument van de bijzondere bijstand bieden. SZW en gemeenten zijn er druk mee bezig om dit op korte termijn in werking te stellen.
Hoeveel geld is sinds maart 2020 in totaal verstrekt aan steunmaatregelen voor eigenaars van seksinrichtingen, sekssites, en anderen die bedrijfsmatig geld verdienen aan het feit dat anderen werken in de prostitutie?
Deze informatie is niet uit te splitsen naar de sekswerkers of exploitanten.
Hoeveel geld is sinds maart 2020 in totaal verstrekt aan steunmaatregelen voor mensen die zelf werkzaam zijn in de prostitutie? Hoeveel is daarbij terechtgekomen bij de mensen die niet als ZZP’er bij de Kamer van Koophandel staan geregistreerd of werken middels opting-in?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er exploitanten van seksinrichtingen zijn die wél steun ontvingen, maar dat de mensen die in hun inrichting werkten dat niet deden, bijvoorbeeld omdat de registratie niet goed op orde was of omdat de exploitant weinig waarde hechtte aan een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of enkel mensen via opting-in liet werken? Zo ja, vindt u dit rechtvaardig?
Het is mogelijk dat de exploitant aanspraak kon maken op de NOW. Voor ondersteuning van sekswerkers verwijs ik naar mijn eerdere antwoord.
Wat gaat u doen om iedereen die werkzaam is in de prostitutie, ongeacht de specifieke contractvorm, op gepaste wijze te ondersteunen, in het bijzonder wanneer sprake is van acute nood?
In Nederland rechtmatig verblijvende personen kunnen als zij aan de criteria van de regeling voldoen, aanspraak maken op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), WW of algemene bijstand. Gemeenten hebben een financieel vangnet en noodopvang voor de doelgroepen die getroffen zijn door de coronacrisis. Sekswerkers zijn daar één van.
Speciaal voor huishoudens die nu tussen de wal en het schip vallen, willen we met de TONK (Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten) een ruimere toegang tot het instrument van de bijzondere bijstand bieden. SZW en gemeenten zijn er druk mee bezig om dit op korte termijn in werking te stellen.
Sekswerkers die (al dan niet als gevolg van de coronacrisis) dak- of thuisloos zijn, kunnen zich melden bij de opvangvoorzieningen van gemeenten. De recent aangepaste richtlijn «Opvang dak- en thuisloze mensen3» beschrijft hoe de opvang voor dak- en thuisloze mensen georganiseerd moet worden tijdens de coronacrisis.
Kunt u inzicht geven in de totale vraag naar uitstapprogramma’s in 2020 en daarbij een overzicht geven onderverdeeld naar alle Regeling Uitstapprogramma's Prostitutie (RUPS)-ontvangende organisaties en niet enkel de penvoerders bij de subsidieaanvraag?
In onderstaande overzicht is de totale vraag naar uitstapprogramma´s in 2020 weergegeven per regio en uitgesplitst naar RUPS organisatie4.
1.
Gelderland
Rebelz
GGD/MEE
8
32
2.
Overijssel
Terwille
De Kern
Leger des heils
Kadera
Scharlaken Koord
30 (waarvan 15 door corona)
15 (totaal LdH en SK)
3.
Drenthe
Terwille
Leger Des Heils
9 (totaal)
4.
Zuid Holland
SHOP
Stichting de Haven
Humanitas
36
28
32
5.
Utrecht
Tussenvoorziening/Belle
Pretty Woman
16
6
6.
Amsterdam
Scharlaken Koord/ Second step
HVO Querido PG9292
Spirit, Nova
Leger Des Heils
38
40
5
18
7.
Noord Holland
Scharlaken Koord
GGD NH/
Mee en de Wering
21
9
8.
Flevoland
Scharlaken Koord/
Terwille
12
9.
Friesland
Stichting Fier
Leger Des Heils
24 (12 daarvan worden overgenomen door LDH)
10.
Groningen
Leger Des Heils
20
11.
Zeeland
GGD
10
12.
Limburg
Leger des Heils
35
13.
Zuid Limburg
Legers des Heils
41
Is het juist dat zogeheten parenclubs momenteel gewoon doorgang kunnen vinden?
Alle publieke binnenruimten, op winkels met levensmiddelen en locaties van (para)medische beroepen na, zijn gesloten. Indien parenclubs weer open mogen dient de beheerder zorg te dragen voor het kunnen naleven van alle alsdan geldende maatregelen, zoals het bewaren van 1,5 meter afstand tussen personen en een registratieverplichting.
Geldt voor dergelijke inrichtingen een registratieverplichting?
Zie antwoord vraag 12.
Past het binnen de richtlijnen van het RIVM wanneer een dergelijke seksinrichting tot na middernacht open is, gratis non-alcoholische drankjes aanbiedt, verspreid door de club meer dan 50 mensen toelaat en speciaal extra avonden plant om meer klandizie te krijgen? Zo ja, is het vanuit de bestrijding van het coronavirus niet bizar dat, gezien de aard en schaal van het contact, dit soort clubs in de gedeeltelijke lockdown «gewoon» door kunnen gaan?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid het beleid ten aanzien van dit specifiek type seksinrichtingen te herzien? Zo nee, kunt u uitleggen waarom een koffiezaak of restaurant dat keurig conform de richtlijnen handelt, momenteel geen bezoekers kan ontvangen en een dergelijke seksinrichting waarin intiem en wisselend contact onvermijdelijk is, gewoon doorgang kan vinden?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer komt het wetsvoorstel Regulering sekswerk nu eindelijk naar de Kamer?
Het wetsvoorstel Regulering Sekswerk zal op zeer korte termijn bij uw Kamer worden ingediend.
De dramatische achteruitgang van de biodiversiteit in Europa, die hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door de industriële landbouw |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «State of nature in the EU» en de artikelen «Biodiversiteit holt in heel Europa achteruit, maar er is nog hoop» en «Europa haalt eigen natuurdoelen voor 2020 niet: «Er is geen tijd meer voor uitstelgedrag»»?1 2 3
Ja.
Erkent u dat de biodiversiteit in Europa opnieuw achteruit is gegaan en dat de Europese doelen niet worden gehaald, zoals het Milieuagentschap van de Europese Unie (EEA) concludeert in het rapport?
Het EEA concludeert inderdaad in haar rapport dat we er in Europa nog niet in geslaagd zijn de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, ondanks de inspanningen van de lidstaten en een aantal verbeteringen die dat opgeleverd heeft. Er is wel vooruitgang opgetreden ten opzichte van 2010, maar niet voldoende om de doelen van de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 te behalen.
Onderschrijft u de conclusie van de EEA dat Natura 2000-gebieden en de versterking daarvan van groot belang zijn voor de soortenbescherming in Europa?
Ja. Daarom zet ik mij ook in om de condities in de Natura 2000-gebieden te verbeteren en investeer ik daar de komende jaren flink in met de structurele aanpak stikstof. Hiermee werken we niet alleen aan de oplossing van het stikstofvraagstuk, maar zetten we ook een forse stap naar het realiseren van onze natuurdoelen.
Bent u bereid om uw gesprek met de Europese Commissie in het kader van de stikstofcrisis over de «proportionaliteit en flexibiliteit» van Natura 2000-gebieden per direct te staken en uw aandacht te richten op het daadwerkelijk herstellen van de biodiversiteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?4
Ik richt mijn aandacht op het daadwerkelijk herstellen van de biodiversiteit in Nederland. Door scherp te blijven kijken hoe de investeringen het meeste effect sorteren, werken we doelgericht aan natuurherstel. Daar hoort bij dat ik het gesprek met de Europese Commissie blijf zoeken over hoe de omvang van de ingrepen zich verhoudt tot de zekerheid over het te bereiken resultaat.
Kunt u bevestigen dat de intensivering en specialisering van de landbouw (met 21% van de gevallen) het vaakst wordt genoemd als de oorzaak van verslechtering van habitats en diersoorten?
Figuren 4.1 en 4.2 in het technische rapport bevestigen dit. Landbouw wordt weliswaar benoemd als belangrijkste veroorzaker van drukfactoren, maar dit betreft zowel aspecten van intensivering van landbouw als het loslaten van traditionele, extensievere landbouwpraktijken zoals graslandbeheer met grazers. Dit laatste speelt op grote schaal in de zuidelijke lidstaten. Alle drukfactoren veroorzaakt door de landbouw bij elkaar maken 21 procent uit van alle drukfactoren5. De drukfactor vanuit de landbouw die het vaakst wordt genoemd is het stoppen van graslandbeheer, verantwoordelijk voor 14,3 procent van de totale drukfactoren uit de landbouw6.
Kunt u bevestigen dat bijna 50% van de lucht-, water- en bodemvervuiling die zorgt voor achteruitgang van de biodiversiteit veroorzaakt wordt door de landbouw?
Het rapport schrijft op pagina 73 dat de landbouw voor 48 procent bijdraagt aan de drukfactor vervuiling. Overigens is de impact van vervuiling op de achteruitgang van de biodiversiteit niet gelijk in elk habitat.
Kunt u bevestigen dat het EEA vooral wijst op het langdurige en grootschalige gebruik van meststoffen en landbouwgif als oorzaken van de achteruitgang van de natuur?
Op pagina 74 van het rapport stelt de EEA «Fertilisers and the use of plant protection products are reported to have a considerable impact on many habitats and species». Echter, zie ook mijn antwoord op vraag vijf: de drukfactor vanuit de landbouw die het vaakst wordt genoemd is het stoppen met traditionele vormen van extensief graslandbeheer, het loslaten van oudere landbouwpraktijken. Wel stelt het EEA dat er een correlatie bestaat tussen de mate van biodiversiteit en de intensiteit waarop agrarisch management wordt uitgevoerd.
Deelt u de visie dat de subsidies van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) intensivering en grootschaligheid bevorderen en dat het daarom van groot belang is dat de nieuwe GLB-subsidies volledig worden ingezet om de duurzame landbouwtransitie in gang te zetten om daarmee de afbraak van de natuur tegen te gaan?
Gelet op analyses van de behoeften in relatie tot het Nationaal Strategisch Plan ligt het voor de hand om het Gemeenschappelijk landbouwbeleid vooral te richten op het in ecologische en economische zin verduurzamen van de landbouw. Ik zal dit nader toelichten in mijn brief met de actuele stand van zaken van bij de totstandkoming van het Nationaal Strategisch Plan (NSP), die ik u heb toegestuurd (Kamerstuk 21501-32-1256).
Erkent u dat wetenschappers stellen dat we nog maximaal tien jaar hebben om de achteruitgang van biodiversiteit te keren? Erkent u dat het nieuwe GLB (dat zal lopen tot 2028) daarmee beslissend is voor de toekomstige leefbaarheid van Europa, ook voor generaties na ons?5
Volgens de Europese Commissie stellen wetenschappers dat de komende tien jaar doorslaggevend zijn voor het stoppen van het verlies aan biodiversiteit. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen.
Het toekomstig GLB moet een belangrijke bijdrage leveren aan de oplossing van het probleem. Gezien de andere belangrijke redenen voor biodiversiteitsverlies, zijn ook andere beleidstrajecten en maatregelen noodzakelijk naast het GLB, zoals ook blijkt uit de brief over de lopende inspanningen van het Rijk om biodiversiteitsverlies tegen te gaan en herstel te bevorderen, die ik mede namens de ministers van BH&OS, BZK, EZK en IenW op 16 oktober jl. aan uw Kamer stuurde.8
Het Nationaal Strategisch Plan voor het toekomstig GLB (NSP) moet een landbouw stimuleren die economie, boer en leefomgeving verbindt, daarmee draagvlak en maatschappelijke legitimiteit heeft én ondersteunend is aan de noodzakelijke omslag naar kringlooplandbouw en de klimaatopgave, een omslag die mede als doel heeft de biodiversiteit op boerenland te versterken. Het NSP is echter niet het enige middel dat mij ter beschikking staat om deze omslag te stimuleren. Het gaat me daarom te ver om te stellen dat het toekomstig GLB beslissend is voor de toekomstige leefbaarheid in Europa.
Zo ja, waarom heeft u tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 19 en 20 oktober 2020 niet ingezet op een drastische aanpassing van het GLB, zodat de subsidies volledig ten goede komen aan de duurzame landbouwtransitie?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de overtuiging dat Nederland bij de invulling van het Nationaal Strategisch Plan voor het nieuwe GLB van alle mogelijkheden gebruik moet maken om de subsidies gericht in te zetten voor de duurzame landbouwtransitie? Gaat u dit doen? Zo ja, op welke manier?
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft mij verzocht (Kamerstuk 21501–32, nr. 1234) om de Tweede Kamer een brief te sturen met de actuele stand van zaken bij de totstandkoming van het Nationaal Strategisch Plan (NSP). In deze brief (Kamerstuk 21501-32-1256) ben ik nader ingegaan op hoe het NSP kan bijdragen aan een duurzame landbouwtransitie.
Deelt u de mening dat in het licht van de dramatische achteruitgang van insecten (wilde) bijen en hommels niet extra belast zouden mogen worden met schadelijk landbouwgif? Zo ja, deelt u de mening dat een «acceptabele sterfte» van (wilde) bijen en hommels door landbouwgif dus eigenlijk 0% zou moeten zijn?
Het is belangrijk dat voor alle organismen geldt, dus niet alleen voor insecten en daarbinnen bijen en hommels, dat er geen onaanvaardbare effecten optreden. Om die reden bepaalt de EU verordening gewasbeschermingsmiddelen ((EU) 1107/2209) dat een werkzame stof alleen wordt goedgekeurd als uit een risicobeoordeling is gebleken dat een veilig gebruik voor mens, dier en milieu mogelijk is. Of daarvoor nodig is dat voor specifieke organismen geen enkele sterfte acceptabel is, dient door wetenschappelijk inzichten en richtsnoeren te worden bepaald. EFSA werkt momenteel in opdracht van de Europese Commissie aan de herziening van het bijenrichtsnoer dat daar een antwoord op zou moeten geven.
Zo nee, erkent u dan dat de sterfte van insecten door landbouwgif, bezien in het licht van de dramatische achteruitgang van insecten, in ieder geval minimaal moet zijn, en bij de herziening van het bijenrichtsnoer niet opgerekt dient te worden met het niet gevalideerde computermodel BEEHAVE? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op de vorige vraag weergegeven, werkt EFSA momenteel aan de herziening van het bijenrichtsnoer. Onderdeel daarvan is het vaststellen van een beschermdoel waarmee de bescherming van honingbijen, hommels en wilde solitaire bijen in voldoende mate kan worden geborgd. EFSA heeft vier opties voorgelegd aan lidstaten waarmee dat beschermdoel kan worden bepaald, waaronder de optie om gebruik te maken van het BEEHAVE model. Dit model is door een EFSA panel beoordeeld (Panel on Plant Protection Products and Residues, PPR panel). In antwoorden op Kamervragen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1245, Aanhangsel Handelingen. Vergaderjaar 2020–2021, nr. 426) ben ik ingegaan op de vier opties, het advies van het Ctgb daarover, de bruikbaarheid van het BEEHAVE model om rekening te houden met de natuurlijke variabiliteit in de omvang van bijenkolonies en de beoordeling van dat model door het EFSA PPR-panel.
Bent u bereid bij de herziening van het Europese bijenrichtsnoer te pleiten voor een «acceptabele sterfte» van wilde bijen, honingbijen en hommels van maximaal 7%?
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 12 ben ik in afwachting van nadere voorstellen van EFSA tot herziening van het bijenrichtsnoer, inclusief het beschermdoel dat daar onderdeel van zal uitmaken en de wetenschappelijke onderbouwing van een acceptabele sterfte. Zoals toegezegd aan uw Kamer, zal ik u informeren over die voorstellen zodra EFSA de voorstellen heeft gepubliceerd en ik een advies van het Ctgb daarover heb ontvangen. Daarbij zal ik in EU verband pleiten voor een goede en robuuste bescherming van bijen en hommels, inclusief wilde (solitaire) bijen, op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten.
Volgens de huidige planning wil EFSA de herziening van het bijenrichtsnoer in maart 2021 afronden. Het is dan vervolgens aan de Europese Commissie om het bijenrichtsnoer en eventuele voorstellen om nieuwe beschermdoelen te verankeren in uitvoeringsverordeningen, voor te leggen aan de Lidstaten.
Bent u bereid om in de uitwerking van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 verplichte maatregelen op te nemen voor de reductie van landbouwgif, aangezien met vrijwillige maatregelen de gestelde doelen structureel niet worden gehaald?
De benodigde verduurzaming van de landbouw is een fundamentele, langjarige transitie die diep ingrijpt op de manier waarop telers werken. Het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 bevat vele acties om de omslag naar een andere manier van landbouw bedrijven te realiseren. Dit uitvoeringsprogramma voorziet in een jaarlijkse monitoring van de voortgang, waardoor het mogelijk is tijdig bij te sturen als dit nodig blijkt te zijn. Dit kunnen verschillende maatregelen zijn, waaronder wet- en regelgeving.
Deelt u de mening dat het beter is als Nederlandse boeren niet méér mest uitrijden op het land dan Europees is afgesproken, gegeven de conclusie van het EEA dat het grootschalig gebruik van meststoffen een belangrijke drukfactor is voor de biodiversiteit?
De Nitraatrichtlijn is gericht op het terugdringen van de belasting van grond- en oppervlaktewater door nutriënten afkomstig uit de landbouw. Daarbij geldt de bepaling dat onder landbouwgronden de hoeveelheid nitraat uitspoelend uit de wortelzone 50 mg of minder per liter dient te zijn. De derogatie (uitzondering) die aan Nederland in de afgelopen jaren is toegekend en momenteel loopt tot 2022, staat toe dat er meer dierlijke mest mag worden uitgereden dan de Nitraatrichtlijn stelt. Deze derogatie gaat gepaard met strenge voorwaarden waaronder de eis van een jaarlijkse rapportage waarvan de meest actuele uw Kamer is gezonden op 30 juni 2020 (Kamerstuk 33 037, nr. 370). Daaruit blijkt, evenals uit eerdere derogatierapportages, dat vanaf 2015 de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio’s onder de waarde van 50 milligram per liter ligt. Wel zijn door de droogte van 2018 de nitraatconcentraties in alle regio’s gestegen, waarbij alleen in de Lössregio de gemiddelde concentratie boven de 50 mg/l kwam. Er is vooralsnog geen sprake van een trendbreuk; zowel in de Zandregio als in de Lössregio vertonen de concentraties ondanks de stijgingen van het laatste jaar nog een dalende trend over de hele meetperiode bezien. Zoals ik uw Kamer op 22 juni 2020 (Kamerstuk 33 037, nr. 369) heb geïnformeerd, heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) geadviseerd over de milieueffecten die optreden als gevolg van derogatie van de Nitraatrichtlijn. Uit dit advies blijkt dat derogatie positieve effecten heeft op onder andere agrobiodiversiteit (CDM advies, «Milieueffecten bij geen derogatie van de Nitraatrichtlijn», februari 2020). Op grond van de meetgegevens en van het CDM advies zie ik nu geen aanleiding om af te zien van een derogatieverzoek voor 2022 en volgende jaren.
Zo ja, bent u bereid om voor de periode na 2021 geen uitzonderingspositie bij de Europese Unie meer aan te vragen om meer mest uit te rijden (de derogatie op de Nitraatrichtlijn)?
Zie antwoord vraag 16.
Indien uw antwoord op verschillende bovenstaande vragen «nee» is, hoeveel alarmerende rapporten over de slechte staat van de natuur heeft u nog nodig om daadwerkelijk maatregelen te nemen die de duurzame landbouwtransitie in gang zetten?
De transitie naar een duurzamere landbouw in Nederland is een van de pijlers van mijn beleid zoals vormgegeven in de visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden. Ik zet in op een omslag naar kringlooplandbouw in 2030 waarin de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk wordt gemaakt. In het realisatieplan van de visie zijn veel maatregelen opgesteld die de transitie naar de duurzame landbouw bewerkstelligen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg Gewasbeschermingsmiddelen van 2 november 2020?
Ja.
Het bericht 'Falende screening: racende agent kon gewoon doorwerken' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Falende screening: racende agent kon gewoon doorwerken»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat een aspirant-agent, die meldt dat een aantal familieleden zich op dat moment in Syrië bevinden, zijn opleiding tot agent ongestoord kan voortzetten?
Ik wil niet ingaan op concrete casuïstiek. Om een goed beeld te vormen van de betrouwbaarheid en integriteit van een kandidaat worden diverse instrumenten ingezet. De politie vraagt diverse gegevens op; zoals NAW-gegevens, arbeidsverleden, nevenactiviteiten en dergelijke. Voorts wordt een overzicht opgevraagd van de geregistreerde gegevens bij BKR.
In het huidige screeningssysteem worden uitsluitend kandidaten die solliciteren op een vertrouwensfunctie onderworpen aan een omgevingsonderzoek. Dit omgevingsonderzoek wordt niet uitgevoerd bij een aspirant, omdat dit gelet op het ontbreken van een verhoogd integriteitsrisico niet proportioneel is.
Het kan gebeuren, ondanks dat alle andere maatregelen zijn getroffen om de betrouwbaarheid van een politieambtenaar te beoordelen, dat de politie alsnog feiten vaststelt die leiden tot een intern onderzoek of tot herbeoordeling van geschiktheid voor een aspirant die al in opleiding is.
Klopt het dat zelfs het gevaar dat ze zich vermoedelijk bezighouden met terroristische activiteiten geen beletsel is geweest om S. zijn opleiding te laten voltooien? Zo ja, welk signaal gaat daar van uit naar politieagenten in het bijzonder en naar de maatschappij in het algemeen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat dit het vertrouwen in de politieorganisatie ernstig schaadt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
De integriteit van politiemedewerkers is van groot belang en voor niet integer gedrag is geen plek in de politieorganisatie. Dat heb ik onlangs nog in mijn brief aan uw Kamer benadrukt.2 In die brief is eveneens aangegeven dat veranderingen aan het VIK-stelsel noodzakelijk zijn.
De belangrijkste veranderingen die de korpschef – mede naar aanleiding van de gedane aanbevelingen – op korte termijn zal aanbrengen zijn: verbetering van kwaliteit, het inrichten van een centraal team voor complexe zaken en centrale sturing en een scheiding van disciplinaire zaken en strafrechtelijke zaken aan de voorkant.
De politie heeft voortdurend aandacht voor integriteit en neemt derhalve diverse maatregelen om de kans op integriteitsschendingen door ambtenaren van politie en het effect daarvan te verkleinen. Als er een vermoeden is van integriteitsschending, wordt direct een intern onderzoek opgestart. Indien nodig zal de politie passende maatregelen treffen. De politie maakt zo duidelijk dat integriteitsschendingen niet worden toegelaten.
Met de vernieuwing van het VIK-stelsel wordt een belangrijke stap gezet. Daarnaast wordt met de invoering van de wet screening ambtenaren van de politie en -externen het screeningsbeleid versterkt. Om te voorkomen dat het bevoegd gezag pas bij een periodiek of incidenteel hernieuwd onderzoek erachter komt dat een ambtenaar van politie strafbare feiten heeft gepleegd, zal vanaf de voorziene inwerkingtreding onder meer continue controle op veranderingen in de justitiële documentatie worden ingevoerd.
Is het voldoen aan de eigen voorgenomen diversiteitsnorm hier belangrijker geweest dan de integriteit? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Integriteit is een kernwaarde van de politie. Hierop wordt niet ingeboet ten faveure van diversiteit.
Waarom staat er in de reactie van de korpsleiding dat «de huidige screeningswet het niet toestaat dat bij het screenen van nieuwe politiemensen in principe geen onderzoek plaatsvindt naar de omgeving van de kandidaat», terwijl de wet (Screening ambtenaren van politie en politie-externen) inmiddels er wel degelijk is en de politie daarvan als extern adviseur van op de hoogte is?
De enige screening waarbij op dit moment wel de omgeving wordt betrokken is het veiligheidsonderzoek, verricht onder verantwoordelijkheid van de AIVD. Uitsluitend personen die solliciteren naar een vertrouwensfunctie bij de politie, worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek.
De aangenomen wet Screening ambtenaren van politie en politie-externen die van toepassing zal zijn op alle politieambtenaren voorziet gedeeltelijk in omgevingsonderzoek. Er wordt op dit moment gewerkt aan een lijst met functies die voor zo’n onderzoek in aanmerking komen. Daarbij is er altijd een afweging rondom inbreuk van de privacy versus risico’s. Deze wet treedt naar verwachting op 1 juli 2021 in werking. Vanaf dat moment kunnen politieambtenaren die werkzaamheden verrichten met een verhoogd integriteitsrisico worden onderworpen aan een omgevingsonderzoek bij aanvang van de werkzaamheden en gedurende de werkzaamheden.
Vrachtwagenchauffeurs die hun cabine niet meer uitkomen |
|
Jasper van Dijk , Cem Laçin , Bart van Kent |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van Nieuwsuur over het feit dat vrachtwagenchauffeurs door de coronamaatregelen nauwelijks nog hun cabine uitkomen?1
Vanwege de zorgelijke toename van het aantal coronabesmettingen heeft het kabinet besloten tot «nieuwe en stevige maatregelen» waarmee we «eigenlijk naar een gedeeltelijke lockdown gaan». Deze maatregelen raken ook de transportsector. Ik onderschrijf het belang van chauffeurs om hun werk onder alle omstandigheden op een zo prettig mogelijke, gezonde en veilige manier te kunnen uitvoeren. Om dit te borgen is in de Europese rij- en rusttijdenverordening onder andere afgesproken dat de normale wekelijkse rust niet in de cabine genomen mag worden. De werkgever is bovendien verplicht om de kosten van een geschikte slaapfaciliteit te bekostigen.
Deelt u de mening dat het onverantwoord is dat de vrachtwagenchauffeurs zowat 24 uur per dag, zeven dagen per week in hun cabine doorbrengen en dat dit tot onveilige situaties kan leiden?
Tijdens en na het werk moet ruimte en tijd zijn voor ontspanning. De arbeidstijdenwetgeving stelt grenzen aan de werktijden en borgt zo de ruimte voor ontspanning. De gedeeltelijke lockdown heeft echter wel een impact op de manier waarop chauffeurs kunnen ontspannen, zo is er bijvoorbeeld minder ruimte voor interactie tussen chauffeurs onderling. Juist bij situaties waarin mensen bijeenkomen, is het risico van besmetting immers groot.
In Europees verband is geregeld dat chauffeurs hun normale wekelijkse rust niet in de cabine mogen doorbrengen. Verblijf in bijvoorbeeld een hotel, op kosten van de werkgever, is dan aangewezen. De geldende maatregelen bieden hiervoor ruimte.
Deelt u de mening dat chauffeurs recht hebben op humane arbeidsomstandigheden en dat het gebruik van douche en sanitaire voorzieningen een basisvoorziening dienen te zijn?
Elke werkende in Nederland heeft recht op humane arbeidsomstandigheden. Dat is vastgelegd in arbeidsomstandighedenregelgeving, het arbeidsrecht en in afspraken tussen werkgevers en werknemers. Een vrachtwagen hoeft op grond van de Arbowet niet over sanitaire voorzieningen te beschikken. Voor die voorzieningen is een chauffeur aangewezen op voorzieningen langs de weg. De Minister van IenW heeft tankstations en wegrestaurants dan ook opgeroepen hun sanitair beschikbaar te houden voor beroepschauffeurs. Dezelfde oproep geldt tevens voor bedrijven waar de chauffeurs laden en lossen. Daarnaast houdt het Ministerie van IenW de vinger aan de pols bij brancheorganisaties, om eventuele signalen over de beschikbaarheid van sanitair voor chauffeurs tijdig op te vangen.
De Ministeries van SZW en IenW achten het van groot belang dat chauffeurs op een veilige en verantwoorde manier hun werk kunnen doen en worden behandeld met het respect dat zij verdienen. Goed overleg tussen werkgevers en de chauffeurs is hiervoor van groot belang.
Klopt het dat vrachtwagenchauffeurs vaak niet bij tankstations terecht kunnen voor sanitaire voorzieningen en dat ook bij laden en lossen wordt gezegd dat de sanitaire voorzieningen alleen voor eigen personeel is?
Zie de beantwoording van vraag 3.
Deelt u de mening dat een vrijblijvende oproep om sanitaire voorzieningen beschikbaar te houden nogal vrijblijvend is en dat de chauffeurs recht hebben op een structurele oplossing?
Tijdens de intelligente lockdown dit voorjaar heeft de sector eveneens aandacht gevraagd voor de beschikbaarheid van sanitaire voorzieningen voor chauffeurs. Destijds heeft de Minister van IenW een vergelijkbare oproep gedaan en aandacht gevraagd voor de positie van beroepschauffeurs. Aan deze oproep is goeddeels gehoor gegeven. Aanvullend op deze oproep voert het Ministerie van IenW gesprekken met verschillende brancheorganisaties, om eventuele signalen over de beschikbaarheid van sanitair tijdig op te vangen en hier actie op te ondernemen. Ook zijn de arbeidsomstandigheden van chauffeurs geborgd in bestaande wet- en regelgeving.
Deelt u de mening dat het in ieders belang is dat chauffeurs gezond en fit achter het stuur zitten vanwege hun eigen veiligheid, maar ook die van anderen? Zo ja, wat onderneemt u om dit te waarborgen?
Ja, ik deel de mening dat het in ieders belang is dat chauffeurs gezond en fit achter het stuur zitten, niet in de laatste plaats dat van de chauffeurs en hun werkgevers zelf. Zie verder de beantwoording van vraag 3.
Waarom negeert u de wens in de brandbrief om een uitzondering te maken voor vrachtwagenchauffeurs?
De wegrestaurants hebben de Minister van IenW eerder een brandbrief gestuurd om aandacht te vragen voor de werkomstandigheden van beroepschauffeurs. De Minister heeft deze brief beantwoord, en daarbij het belang benadrukt van de beschikbaarheid van voldoende voorzieningen voor beroepschauffeurs. In deze brief is dan ook een oproep gedaan aan restaurants en tankstations hun sanitair beschikbaar te houden voor chauffeurs, en wordt er gewezen op de mogelijkheid eten en drinken aan te bieden via afhaalloketten. Naar aanleiding van deze brief wordt verder het gesprek gevoerd met zowel de wegrestaurants als de sector goederenvervoer, om actie te kunnen ondernemen bij eventuele signalen dat chauffeurs hun werk niet meer op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.
Bent u bereid om op korte termijn met de chauffeurs om tafel te gaan om voor een structurele oplossing te zorgen, waarbij de chauffeurs hun cabine uitkunnen en zich gehoord voelen?
Het Ministerie van IenW heeft contact met zowel de wegrestaurants als de goederenvervoersector. Met deze partijen wordt het gesprek gevoerd over de arbeidsomstandigheden van beroepschauffeurs onder de huidige coronamaatregelen. Uiteraard sta ik open voor aanvullende signalen vanuit de sector, deze helpen om een beter beeld te krijgen van de situatie.
Komt dit probleem alleen in Nederland voor? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit probleem binnen de gehele Europese Unie wordt aangepakt?
Er zijn aanwijzingen dat deze kwestie ook speelt in Frankrijk. Chauffeurs hebben daar aandacht gevraagd voor hun werkomstandigheden. Deze oproep komt op hoofdlijnen overeen met de door u aangehaalde kwestie. Op Europees niveau worden de arbeidsomstandigheden van chauffeurs geborgd door verschillende wetten en afspraken.
Het bericht 'Steen door de ruit en dreigbrief Molukse wijk in Elst' |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Bente Becker (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steen door de ruit en dreigbrief Molukse wijk in Elst» en ook met eerdere berichtgeving over soortgelijke incidenten zoals «Molukse jongeren maken afspraken om wijk Maastricht «Moluks te houden»?1 2
Ja.
Klopt het dat er in Nederland afspraken zijn tussen gemeenten en woningcorporaties over «Molukse wijken» en over het verstrekken van voorrang voor een woning aan mensen met een Molukse achtergrond? Kunt u toelichten wat de achtergrond en de huidige stand is van dit beleid?
Na de beëindiging van het Nederlandse bestuur over Nederlands-Indië zijn in 1951 veel Zuid-Molukkers die beroepssoldaat waren in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger met hun familie naar Nederland gebracht3. Aanvankelijk werden zij opgevangen in zogenoemde woonoorden. Vanaf het begin van de jaren zestig ging de overheid ervan uit dat deze mensen langdurig in Nederland zouden verblijven en werden de woonoorden opgeheven. De bewoners werden gehuisvest in voor hen bestemde woonwijken. Deze woonwijken werden aanvankelijk beheerd door Dienst der Domeinen (nu Domeinen Roerende Zaken) van het Ministerie van Financiën. In deze wijken gold een voorrangsregeling voor Molukkers die er zich wilden huisvesten. Vanaf de jaren 80 zijn die wijken vanuit de Dienst der Domeinen overgedragen aan woningcorporaties, hetgeen leidde tot onenigheden met de bewoners omdat de voorrangsregeling zou verdwijnen. Daarom sloot de regering in 1986 een overeenkomst met de grootste Molukse organisatie, waarin onder meer werd overeengekomen dat het Molukse karakter van deze wijken zou worden behouden. In de meeste van die wijken krijgen Molukkers nog steeds voorrang bij toewijzing van een woning.
Hoeveel wijken zijn er in Nederland waarvoor een toewijzingsbeleid op basis van (culturele) afkomst en/of nationaliteit wordt toegepast?
In 2017 was er in ongeveer 45 gemeenten een zogenaamde Molukse wijk, waar zo’n 40 procent van de ongeveer 45.000 Nederlandse Molukkers woonden.4 Zo’n wijk kan bestaan uit een paar straten maar er zijn ook buurten met meer dan 1500 bewoners. In de meeste van die wijken krijgen Molukkers voorrang bij toewijzing van een woning op basis van de eerdergenoemde afspraken.
Welke afspraken zijn er met de gemeenschap(pen) gemaakt over wijken waarvoor een toewijzingsbeleid op basis van (culturele) afkomst en/of nationaliteit wordt toegepast? Kunt u hierbij nader toelichten waarom deze afspraken zijn gemaakt en waar deze afspraken zijn vastgelegd? Welke andere afspraken met bijvoorbeeld woningcorporaties of gemeenten zijn er ten aanzien van de betreffende aparte wijken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat deze wijken vroeger onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Financiën vielen? Kunt u toelichten wat de actuele eigendomsconstructie van deze wijken is?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre deelt u het beeld dat er sprake is van een terugkerende discussie in gemeenten met een aangewezen Molukse wijk, omdat spanningen ontstaan als niet-Molukkers een woning willen betrekken met soms zelf veiligheidsincidenten tot gevolg?
Dat beeld deel ik niet. In het merendeel van de gevallen zijn er geen problemen bij de toewijzing van woningen. Slechts in uitzonderlijke gevallen leidt dit tot een incident. In bijna alle gevallen kunnen zulke incidenten voorkomen worden door goede afspraken tussen de woningcorporatie en de bewoners van de wijk.
Deelt u de mening dat, indien het uitgangspunt is dat de aangewezen Molukse wijken zijn gesticht om historisch begrijpelijke redenen, deze context niet generatie op generatie zonder meer gelijk blijft?
Zoals hierboven beschreven, zijn er met de Molukse gemeenschap afspraken gemaakt over voorrang bij toewijzing van woningen in bepaalde wijken. Ik ben van mening dat deze specifieke afspraak niet los van de historische context gezien kan worden. Buiten de incidenten waarvan de Gelderlander en de NOS melding hebben gemaakt, zijn mij vooralsnog geen signalen bekend die aanleiding geven tot een herijking van deze afspraak.
Deelt u het algemene uitgangspunt dat het niet bevorderlijk is voor een samenleving wanneer bevolkingsgroepen in etnisch gesegregeerde wijken leven en dat in tijden van krapte op de woningmarkt het moeilijk te verdedigen is dat de ene bevolkingsgroep voorrang krijgt boven de andere? Zo ja, bent u bereid het gesprek aan te gaan met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Molukse gemeenschap over de spanningen die in deze wijken kunnen ontstaan en de wenselijkheid van voortzetting van dit beleid?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Grapperhaus zit ernaast met verbod op gebruik softdrugs, stelt RUG-hoogleraar Jan Brouwer' |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Grapperhaus zit ernaast met verbod op gebruik softdrugs», stelt RUG-hoogleraar Jan Brouwer»?1
Ja.
Klopt het dat de volgende uitspraak in uw Kamerbrief van 19 oktober 2020 gebaseerd is op een arrest van de Hoge Raad d.d. 14 december 2004: «Aangezien men om softdrugs te gebruiken deze ook zal moeten bezitten, kan er in alle gevallen worden opgetreden tegen mensen die in de publieke ruimte (op enig tijdstip) met softdrugs worden aangetroffen, ook als men deze op dat moment aan het gebruiken is»?2
Nee. De uitspraak is gebaseerd op het feit dat in de Opiumwet het bezit van softdrugs strafbaar is gesteld, en dat er volgens de Aanwijzing Opiumwet en de Richtlijn Strafvordering Softdrugs op dit verbod op bezit wordt gehandhaafd, ook bij hoeveelheden onder de vijf gram. De softdrugs worden dan in beslag genomen, en bij weigering wordt er vervolgd. Dit verbod op bezit kan niet ongedaan gemaakt worden door een joint aan te steken.
Erkent u dat de Hoge Raad in een later arrest in 2015 heeft overwogen dat zijn eerdere uitspraak tot een misverstand heeft geleid, en dat de Hoge Raad heeft geëxpliciteerd dat in zijn oordeel uit 2004 niet besloten ligt dat ook het gebruiken van hasj strafbaar is gesteld?3
Ja.
Kunt u derhalve bevestigen dat u in uw Kamerbrief van 19 oktober 2020 ten onrechte hebt beweerd dat tegen het gebruik van softdrugs handhavend zou kunnen worden opgetreden vanwege verboden bezit op grond van de Opiumwet?
Nee. Er is in de brief4 niet geschreven noch bedoeld dat gebruik van softdrugs strafbaar zou zijn. Er is slechts aangegeven dat er tegen eenieder die met softdrugs wordt aangetroffen kan worden opgetreden.
Bent u bereid dit met spoed recht te zetten in een nieuwe brief, daar het onhandig is hier lang een misverstand over te laten bestaan, temeer daar u in de genoemde Kamerbrief juist aangaf «helderheid» te willen scheppen over de werking van het gedoogbeleid en de handhaving van de Opiumwet?
Nee, mijns inziens is de bestaande brief helder. De beantwoording van deze vragen kan eventuele laatste restjes onduidelijkheid wegnemen.
Kunt u voorts onderschrijven dat gemeenten wel per Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een lokaal bestuursrechtelijk verbod op het gebruik van alcohol of (soft)drugs kunnen instellen, ter bestrijding van mogelijke overlast?
Ja, ook dit wordt in de brief vermeld.
Kunt u derhalve bevestigen dat het verzoek in de motie Van der Staaij c.s. om met spoed te bezien hoe het bezit en gebruik van softdrugs in de publieke ruimte tussen 20.00 uur en 07.00 uur verboden kan worden in feite niets toevoegt aan hetgeen lokaal reeds kan?4
Ja, zoals in de brief aangegeven kan aan het verzoek uit de motie tegemoet worden gekomen door gebruik te maken van bestaande bevoegdheden. Mogelijk brengt de motie bij lokale driehoeken onder de aandacht dat zij bestaande instrumenten kunnen gebruiken om de wens uit de motie uit te voeren.
Het bericht 'Provincie vreest subsidie kwijt te raken' |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie vreest subsidie kwijt te raken»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat het ongewenst is dat de provincie Gelderland door laks optreden vanuit het ministerie mogelijk een Europese subsidie misloopt?
Nee, vorig jaar heb ik in het kader van het Europese project JIVE-2 met de provincie Zuid-Holland, OV-bureau Groningen-Drenthe en de provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel gewerkt aan een samenwerkingsovereenkomst voor waterstofbussen. De provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel besloten aan het eind om af te zien van de inzet van 10 waterstofbussen en de daarmee gemoeide financiële bijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze bijdrage is toen beschikbaar gesteld aan Nederlandse partijen ten behoeve van het JIVE-2 project en vervolgens overgenomen door de provincie Drenthe. De EU draagt in totaal 7,5 miljoen euro bij en het ministerie 3,75 miljoen euro. Afgelopen zomer gaf de provincie Gelderland aan alsnog de mogelijkheden voor deelname aan het JIVE-2 project te verkennen. De provincie heeft toen verzocht om additionele financieringsmogelijkheden te verkennen. Er is toen gesproken over de mogelijkheden van de DKTI regeling. In deze gesprekken is niet de verwachting gewekt dat de provincie direct gebruik kon maken van de regeling. Ook is geen toezegging gedaan over de datum waarop de DKTI-regeling wordt opengesteld.
Vreest u dat door dit lakse optreden goede initiatieven die duurzaamheid versterken vertraging oplopen? En vreest u ook dat hiermee het enthousiasme om te vergroenen wordt afgeremd?
Met alle partijen waaronder de OV-autoriteiten in Nederland wordt hard en met veel enthousiasme gewerkt om het OV busvervoer verder te verduurzamen. Gezamenlijk spant iedereen zich in om ervoor te zorgen dat vanaf 2025 alle nieuwe bussen nul-emissie zijn en in 2030 al het OV-busvervoer volledig nul-emissie is. De verwachting is dat daardoor dit jaar al duizend nul emissie bussen in het OV rondrijden. Een mooie prestatie. Recent is daarnaast aan uw Kamer de roadmap «Zero emissie bus» verzonden2. Deze roadmap is opgesteld door het Samenwerkingsverband DOVA (decentrale OV-autoriteiten) in samenwerking met het ministerie en de partijen die betrokken zijn bij de transitie richting zero emissie bus. Met de oplevering van de roadmap worden de ambities om de bussen te verduurzamen nogmaals door alle partijen onderstreept.
Wat is de reden dat de financieringsregeling Demonstratie klimaattechnologieën en -innovaties in transport 3 (DKTI 3) nog steeds niet beschikbaar is voor projecten zoals in de provincie Gelderland?
Om de regeling Demonstratie klimaattechnologie en innovatie in transport (DKTI) aan te laten sluiten bij de afspraken uit het Klimaatakkoord is een wijziging in de regeling noodzakelijk. Hierover is uw Kamer reeds geinformeerd2. Openstelling van de DKTI 3 is, na verwerking van de reacties op de internetconsultatie die op 5 november is gesloten, voorzien in januari 2021. Na openstelling van de regeling kunnen de eerste projecten binnen een maand na indiening uitsluitsel krijgen over de toekenning van de subsidie.
Is het inmiddels bekend in welke maand de DKTI 3-transport wordt opengesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden? En blijft het budget van de afgelopen jaren in stand?
Zie antwoord op vraag 4. Het beoogde budget is EUR 36,62 mln voor de DKTI 3 en deze is in omvang vergelijkbaar met de tweede tender van de DKTI.
Welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat er Europees geld voor innovatie en duurzaamheid kwijtraakt door vertraging bij het ministerie op de DKTI 3-transport?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ondersteunt partijen bij de verduurzaming van bussen in het openbaar vervoer. Zo ook bij Europese subsidieprojecten die daar aan bijdragen. Met onder meer Gelderland was om die reden tot in een ver stadium gesproken over een bijdrage in het kader van het Europese JIVE-2 project. Zij hebben toen besloten om zich terug te trekken uit de gesprekken over de samenwerkingsovereenkomst die in dit kader is opgesteld. Het is goed om te zien dat de provincie Gelderland nu nogmaals stappen zet in het JIVE-2 project. De provincie met vervoerder Arriva krijgen daarbij dezelfde mogelijkheden als andere vervoerders waar het de DKTI-regeling betreft. Ik vind het belangrijk dat sprake is van een gelijk speelveld waarbij alle partijen op dezelfde wijze aanspraak kunnen maken op publieke middelen en wil dan ook geen partijen bevoordelen. Los daarvan is er binnen de DKTI geen mogelijkheid om partijen te bevoordelen. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat de provincie hierdoor Europees geld misloopt. Zodra DKTI 3-transport wordt opengesteld kan zij een aanvraag indienen. Na openstelling van de regeling, die is voorzien in januari 2021, kunnen de eerste projecten binnen een maand na indiening uitsluitsel krijgen over de toekenning van de subsidie.
Bent u bereid om in overleg met de provincie Gelderland te treden, zodat zij de waterstofbussen kan laten rijden en bovendien de Europese subsidie niet misloopt?
Zie antwoorden 2 en 4.
Welke verdere stappen onderneemt u om de toegezegde versnelling in de productie van groene waterstof door integratie met andere sectoren zoals openbaar vervoer en waterstoftankstations zo spoedig mogelijk te realiseren?2
De versnelling van de productie van groene waterstof moet vooral plaatsvinden door een gezamenlijke aanpak van de energiesector, industrie en gebouwde omgeving en mobiliteit. De kabinetsvisie waterstof legt de basis voor die integratie4. De inzet van waterstof in mobiliteit is vanuit het oogpunt van productie van groene waterstof op korte termijn in volume beperkt maar draagt wel bij aan de ontwikkeling van de markt voor groene waterstof.
Antwoorden op vragen inzake de berichten ‘Tekorten aan jeugdzorgers steeds nijpender’ en ‘Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: ‘Zo gaat het kapot’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Welke rol heeft naar uw mening het Rijk bij de aanpak van knelpunten waarvoor u een gezamenlijke verantwoordelijkheid ziet van de sector, van werkgevers, werknemers, gemeenten, brancheorganisaties en vakbonden?1 Hoe kunt u de aanpak verder bespoedigen?
Ik neem in samenwerking met het veld actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Een gezamenlijke aanpak, gericht op zowel het behoud van personeel als ook het vergroten van de instroom. Het aanpakken van de knelpunten op de arbeidsmarkt jeugdzorg bereiken we alleen als betrokken partijen daarbij samenwerken en hun verantwoordelijkheid nemen. Onder andere via het programma «Zorg voor de Jeugd» nemen we in samenwerking met gemeenten, aanbieders, vakbonden en beroepsorganisaties acties om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Voorbeelden hiervan zijn het opbouwen van een samenwerkingsplatform vakmanschap jeugdprofessionals, de inrichting van een lerend netwerk van en voor professionals en het nemen van acties om de regeldruk voor professionals te verlagen in de jeugdzorg.
VWS en JenV hebben hierbij een stimulerende en faciliterende rol. Daarnaast investeert VWS in het werven en behoud van personeel, ook in de jeugdzorg, via het actieprogramma «Werken in de Zorg». Ook heeft VWS voor de uitvoering van projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp een financiële bijdrage van € 2,4 miljoen (tot eind 2022) beschikbaar gesteld.
Bent u het ermee eens dat de krappe arbeidsmarkt en de blijvende daling van het aantal medewerkers, laat zien dat de aanpak in het actieplan «Zorg voor de Jeugd» tot nu toe onvoldoende resultaat heeft? Welke concrete resultaten verwacht u van het aanvullende bedrag van 2,4 miljoen (tot eind 2022) voor de Arbeidsmarkttafel Jeugd?
De aanpak uit o.a. het programma «Zorg voor de Jeugd» laat zien dat we gezamenlijk maatregelen nemen die bijdragen aan het vakmanschap van professionals, het terugdringen van administratieve lasten bij zorgaanbieders en professionals en het bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt.
Zoals aangegeven in de beantwoording van uw Kamervragen van 6 oktober j.l. over genoemde artikelen, is het belangrijk dat mensen kiezen om in de jeugdzorg te werken en we zien dat dat nog steeds in grote aantallen gebeurt. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat de instroom in het eerste kwartaal van 2020 lager is in vergelijking met het eerste kwartaal van 2019. Onbekend is of de COVID19-pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
Jeugdzorg Nederland, FNV en CNV, werken met ondersteuning van VWS en JenV, aan projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp die samen met werkgevers en professionals worden uitgevoerd. Dat doen we door goede ideeën en praktijken in de branche op te halen, te versterken en te delen met anderen. Een van de projecten is gericht op het thema inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers.
In dit project ligt de focus op drie manieren van inwerken en begeleiden die aantoonbaar werken in de praktijk. De werkzame inzichten worden breed gedeeld in de jeugdsector en werkgevers zullen gefaciliteerd worden om de inzichten concreet toe te passen. Ook voor de andere projecten werken we gezamenlijk toe naar het opleveren van concrete producten en resultaten. Begin 2021 volgen mogelijk nog voorstellen voor nieuwe projecten of aanpassingen van projecten. Het gesprek hierover vindt plaats aan de arbeidsmarkttafel. De partijen aan de arbeidsmarkttafel zijn van mening dat de projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het aanpakken van de knelpunten die er zijn, in de gelijktijdige erkenning dat de aanpak van personeelsproblematiek niet eenvoudig is.
Is er een onderverdeling te maken in welke specifieke branches de uitstroom het hoogst is? Is er een verband met de ontoereikende hulp aan de meest kwetsbare jongeren zoals gesignaleerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat medewerkers met specialistische kennis behouden blijven voor de sector?
Het is niet mogelijk om de gegevens die in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) worden verzameld uit te splitsen naar subbranches. Deze gegevens worden niet op het niveau van subbranches verzameld. Eind 2018 hebben mijn ambtsvoorganger en de Minister voor JenV een arbeidsmarktverkenning2 naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit dit onderzoek volgt dat de gemiddelde uitstroom bij Veilig Thuis 14% is, bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering is de mediane uitstroom 17%3 en bij de Raad voor de Kinderbescherming is de uitstroom gemiddeld 11%. Bij grote instellingen (met een omzet van meer dan € 5 miljoen per jaar; in de jeugdhulp zijn dat er meer dan 100, die samen ongeveer 40% van het totaal aantal professionals in dienst hebben) is er sprake van een uitstroom van gemiddeld 15%.
In het rapport van de IGJ van o.a. november 2019 wordt aangegeven dat de arbeidsmarktknelpunten in de jeugdbeschermingsketen, zoals groot personeelsverloop en hoog verzuim, één van de factoren zijn die bijdragen aan het niet in alle gevallen kunnen bieden van passende hulp aan kinderen.
Het krijgen en behouden van goed gekwalificeerd personeel, onder meer met specialistische kennis, is lastig vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 1, nemen we actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Dit is ook van toepassing op de specialistische kennis.
Bent u van plan om, totdat u uw voornemen hebt ingevuld om in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) kostprijselementen van een redelijk tarief vast te leggen, met gemeenten en jeugdzorgorganisaties in gesprek te gaan over het betalen van faire tarieven waardoor professionals meer tijd en ruimte krijgen om goede zorg te verlenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke insteek kiest u voor deze gesprekken? Bent u bereid daarin ook duidelijk aan te geven dat specialistische zorg nou eenmaal duurdere zorg zal zijn en dat tariefdifferentiatie logisch lijkt?
Op grond van artikel 2.12 Jeugdwet geldt momenteel al dat gemeenten en aanbieders reële tarieven moeten afspreken voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Omdat in de praktijk veel discussie is over de uitleg van dit wetsartikel gaan we in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) elementen van een reëel tarief vastleggen, zoals dat eerder voor de Wmo 2015 is gebeurd. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders helderheid.
Bij de verdere uitwerking van de AMvB betrekken we ook gemeenten en aanbieders en hierin is ook aandacht voor de periode tot de AMvB is ingevoerd. Bij deze gesprekken zal ook aandacht worden besteed aan tariefdifferentiatie.
Daarnaast hebben het kabinet en de VNG vorig jaar in bestuurlijke afspraken afgesproken dat het belangrijk is dat er faire tarieven worden betaald. De gemeenten hebben dit opgepakt door in hun Norm voor opdrachtgeverschap op te nemen dat regio’s in hun contractering reële tarieven hanteren.
Nu u niet wenst te treden in het specifiek regelen van inspraak van professionals bij het beleid van hun organisaties omdat dat tussen werkgevers en werknemers geregeld moet worden, bent u bereid om in overleg te treden met jeugdzorgorganisaties en jeugdzorgbrancheorganisaties en hen te wijzen op het belang dat u hecht aan inspraak van de professionals? Zo nee, waarom niet?
Ik heb aangegeven dat ik vind dat inspraak van professionals wenselijk en helpend is. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Er zijn mij geen signalen bekend van professionals, werkgevers of branchepartijen dat inspraak van professionals een knelpunt is. Ik neem dit punt graag mee in mijn gesprekken die ik heb met partijen. Het Ministerie van VWS subsidieert een project van beroepsvereniging Verzorgenden en Verpleegkundigen (V&VN) en CNV waarbij onder andere vernieuwende medezeggenschap gestimuleerd wordt. In dit kader wordt een «menukaart» van bewezen effectieve interventies gemaakt om medewerkers op een goede manier te betrekken bij het beleid en de aanpak van knelpunten binnen de organisatie. De resultaten zullen ook voor de jeugdzorg beschikbaar komen.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de concrete opvolgacties zoals afgesproken in het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg», zoals het beschrijven van voorbeelden van gemeenten/regio’s die erin geslaagd zijn zonder vermijdbaar tijdschrijven jeugdzorg te bekostigen?
In het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» hebben de convenantpartijen (Jeugdzorg Nederland, FNV, CNV, de VNG en VWS) afgesproken om samen twee concrete acties op te pakken: het delen van goede voorbeelden en het vereenvoudigen van het aantal productcodes.
Beide acties zijn inmiddels gestart. Wat betreft het project goede voorbeelden van het stoppen met tijdschrijven hebben de convenantspartijen een oproep verspreid voor de werving van goede voorbeelden.
Inmiddels zijn de eerste gesprekken met gemeenten en instellingen die werken zonder tijdschrijven gevoerd. Rond 15 december wordt het eerste goede voorbeeld gedeeld. Vanaf 2021 zal dit doorlopend gebeuren. In het hiernavolgende antwoord op vraag 7 ga ik nader in op het programma productcodes.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het project van uw Ministerie van en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes? Wat is hierbij uw inzet bijvoorbeeld met betrekking tot een maximaal wenselijk aantal codes? Hoe gaat u er verder op inzetten dat het door professionals gevoelde wantrouwen wordt verminderd?
Het programma productcodes, waarin de administratieve overlast van de wirwar aan productcodes sterk wordt teruggebracht, bestaat uit een viertal projectgroepen, te weten productcodes jeugd- en opvoedhulp, productcodes jeugdbescherming/jeugdreclassering, productcodes niet cliëntgebonden tijd en productcodes reistijd. De kaders van het programma zijn geformuleerd. Nu wordt gewerkt aan bemensing vanuit het brede veld en vanuit alle convenantspartijen: professionals vanuit de uitvoering en vanuit de administratie, financials, inkopers en bestuurlijk verantwoordelijken.
Belangrijk is dat de gemeentelijke beleidsvrijheid aan de ene kant niet wordt ingeperkt, terwijl aan de andere kant de administratie wel drastisch wordt versimpeld. Dit kan bereikt worden door de administratie op een hoger aggregatieniveau (dus meer algemene productcodes) in te richten. Om dit proces goed in te richten moet het programma komen tot productcodes die eenvoudig zijn, maar ook herkenbaar genoeg om door de praktijk echt gebruikt te kunnen worden. Om deze reden heeft het programma geen vooraf vastgesteld maximaal wenselijk aantal codes, wel is duidelijk dat het aantal geminimaliseerd moet worden.
In het proces om tot de juiste vereenvoudiging te komen, krijgen professionals een belangrijke stem. Professionals zijn vanaf de start betrokken in de projectgroepen bij de voortgang en resultaten. Zij moeten aan het eind van het programma (31 december 2021) immers in hun praktijk de vermindering in administratie en vergroting van het vertrouwen zien en voelen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de motie Wörsdörfer c.s.2 de verantwoordingscriteria betrekken, zodat bij gemeenten ook een eenduidige verantwoording achteraf wordt gehanteerd?
De resultaten van het programma productcodes, namelijk de gerealiseerde vereenvoudiging van de productcodes, zal worden vastgelegd in een ministeriële regeling, zoals verzocht in de motie Wörsdörfer c.s. is de streefdatum voor deze ministeriele regeling 1 januari 2022.
Kunt u verklaren waarom in bovengenoemd convenant staat dat uw ministerie de uitwerking van dit convenant – waarin ook het project vereenvoudiging van productcodes is opgenomen – vóór 1 januari 2021 gaat opnemen in een ministeriële regeling, terwijl u in de beantwoording van de vragen onder nummer 2020Z15472 schrijft dat uw streefdatum voor het vastleggen van de vereenvoudiging van productcodes 1 januari 2022 is?
Naast het feit dat de COVID19-pandemie helaas ook effect heeft op het tempo van de uitwerking, is het zo dat de convenantpartijen hebben afgesproken dat het niet alleen van belang is om deze vereenvoudiging zo snel mogelijk te realiseren, maar dat draagvlak voor het resultaat essentieel is. Gezien de huidige omstandigheden hebben de partijen daarom gekozen voor een einddatum van 1 januari 2022. Dit zou betekenen dat de regeling niet op tijd is voor het inkoopproces 2021. Ik hoop de productcodelijst zo snel mogelijk met draagvlak van eenieder te kunnen vaststellen, zodat zij wellicht nog wel een rol kan spelen bij het inkoopproces 2021. Dit vereist wel optimale samenwerking van alle betrokken convenantpartijen en het programma Informatievoorziening Sociaal Domein, dat de productcodes zal moeten verwerken in I-standaarden.
Mocht uw streefdatum daadwerkelijk 1 januari 2022 zijn, wat gaat u dan tot die tijd doen om ervoor te zorgen dat de administratieve lasten, en daarmee een flink deel van de coördinatiekosten die nu niet aan zorg wordt gespendeerd, ook vóór genoemde datum al omlaaggaan?
Vooruitlopend op de ministeriële regeling worden diverse inspanningen verricht om de administratieve lasten omlaag te laten gaan. Zoals door het project goede voorbeelden, waarin goede voorbeelden van werken zonder tijdschrijven worden geïnventariseerd. Deze worden uitgewerkt door VWS en actief gedeeld door alle convenantpartijen met als doel aan te tonen dat bekostigen zonder tijdschrijven kan. Deze voorbeelden dienen tevens als inspiratie om anderen aan te zetten tot actie en verandering.
Daarnaast zijn alle convenantpartijen uit het programma «stoppen met tijdschrijven» van Rita Verdonk vanuit hun verantwoordelijkheid voor de beide programma’s optimaal gemotiveerd en betrokken om met elkaar de administratieve wirwar en bijbehorende last aan te pakken, bijvoorbeeld door al vooruitlopend op de ministeriële regeling, de vereenvoudigde set aan productcodes in de geest van de ministeriële regeling (de jure) te gebruiken voor het inkoopproces 2021.
Deelt u de mening dat u met het concreet en praktisch zo veel als mogelijk beperken van de lokale en regionale verantwoordingseisen niet moet wachten totdat het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» effectief behandeld, aangenomen en geïmplementeerd kan worden, als dit voorstel al een oplossing voor deze problematiek zou kunnen zijn? Zo ja, wat gaat u tot die tijd doen?
Om deze reden heeft mijn ambtsvoorganger Rita Verdonk als speciaal adviseur administratieve lasten aangesteld, met onder meer het convenant «Stoppen met Tijdschrijven» als uitkomst. In de AMvB «Verbetering uitvoering jeugdwet, WMO2015 en zorgverzekeringswet» is al vastgelegd dat gemeenten eenduidig moeten verantwoorden conform de gekozen uitvoeringsvariant. Dit houdt in dat zij in hun hele proces – van contract tot controle – volgens dezelfde systematiek moeten werken.
Hiermee worden verantwoordingseisen naar instellingen toe gestroomlijnd en (gedeeltelijk) geüniformeerd.
Bent u bereid na te gaan in hoeverre branchepartijen, bijvoorbeeld door interne richtlijnen en keurmerken, zélf bijdragen aan de overvloed aan administratieve lasten, om er vervolgens met deze partijen het gesprek over aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Branchepartijen en instellingen kunnen zelf een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de overvloed aan administratieve lasten. Het is zeker niet zo dat deze lasten alleen door gemeenten veroorzaakt wordt. Uit georganiseerde schrapsessies is regelmatig gebleken dat administratieve lasten veroorzaakt worden door de interne administratie van de instelling zelf, vaak vanuit een (onjuiste) veronderstelling dat gemeenten deze informatie nodig hebben. Of doordat vereisten versoepeld zijn, maar dat dit nog niet verwerkt is in de administratie. Het komt ook voor dat instellingen zelf bewust kiezen voor een grotere administratieve last voor hun eigen sturings- of verantwoordingsvraagstukken. Of dat instellingen elkaar onderling (bijvoorbeeld bij hoofd- en onderaannemerschap) administratieve verplichtingen opdragen, die vanuit de gemeente nooit gevraagd zijn.
Branchepartijen en instellingen zouden interne richtlijnen kunnen opstellen. Dit vereist een gesprek over de nut en noodzaak van detailsturing- en verantwoording binnen instellingen en branches. Ik neem dit punt graag mee in mijn gesprekken met de branche. Immers, administratieve lasten zijn een van de redenen voor professionals om de sector te verlaten.
Het illegaal slachten van paling zonder verdoving. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dierenwelzijnclubs: paling nog onvoldoende bedwelmd voor slacht»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het wettelijk verplicht is om zowel kweekpaling als wilde paling te verdoven voorafgaand aan de slacht?
Ja.
Wat vindt u ervan dat volgens De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2019 bij vier van de elf geïnspecteerde palingkwekerijen, dat is bij 36%, geen bedwelming plaatsvond voorafgaand aan het doden?
De wijziging van de Regeling houders van dieren, waarmee het voorafgaand bedwelmen van paling is gereguleerd, is in juli 2018 in werking getreden. Per abuis is in de brief aan uw Kamer van 16 oktober jl. (Kamerstuk 33 835, nr. 173) de indruk gewekt dat de 16 inspecties in 2019 uitsluitend zijn gedaan bij kweekbedrijven. Dit is echter niet correct. De inspecties zijn gedaan bij 4 kweekbedrijven, 8 rokerijen en 4 verwerkingsbedrijven. Bij vijf van de bezochte bedrijven werd geen paling geslacht. Vier bedrijven waren inderdaad in overtreding.
Wat zijn de gevolgen of sancties voor het overtreden van de wet door bovengenoemde palingkwekers?
Van de vier bedrijven die geen bedwelmingssysteem hadden, heeft één bedrijf aangegeven dat een apparaat in bestelling is. De andere bedrijven zijn gemaand om met spoed aan de Regeling gevolg te geven. Eerst een waarschuwing geven is conform het interventiebeleid. De NVWA is voornemens om volgend jaar een hercontrole bij deze bedrijven uit te voeren en indien nodig te handhaven.
Hoe effectief was de bedwelming op de overige palingkwekerijen en hoe wordt dit gecontroleerd?
De eerder genoemde wijziging van de Regeling houders van dieren in 2018 is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek2 dat aangeeft aan welke eisen het bedwelmingssysteem moet voldoen om effectief te zijn. De controle richt zich op de eisen die uit de regeling voortvloeien.
Bent u bereid om de slacht in bovengenoemde palingkwekerijen direct te staken totdat bedwelmingsapparatuur aanwezig is en effectief wordt gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Hoe garandeert u dat alle wild gevangen palingen effectief bedwelmd worden voorafgaand aan de slacht en controleert de NVWA hierop? Zo ja, hoe vaak is er in 2019 gecontroleerd, hoeveel overtredingen zijn er vastgesteld en wat waren de sancties?
Het merendeel van de wild gevangen aal gaat naar de verwerkingsbedrijven of de palingrokerijen die eveneens onderdeel zijn van inspecties. Voor de hoeveelheid inspecties verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Twee van de bedrijven die geen bedwelmingssysteem hadden, betroffen bedrijven die wild gevangen aal verwerkten.
Welke concrete acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat alle palingkwekers zich aan de wet houden en per wanneer worden deze acties uitgevoerd?
De NVWA is voornemens om de controles voorlopig jaarlijks te doen om zo de ontwikkeling van de nalevingsbereidheid bij deze bedrijven te volgen. Het instrumentarium voor handhaving biedt genoeg ruimte voor een effectieve controle. Continu toezicht is om die reden wat mij betreft niet aan de orde.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen continu toezicht uit te laten voeren op het naleven van de wet en om de effectiviteit van bedwelming te garanderen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Export verarmd Urenco-uranium naar Rusland in strijd Europese sancties' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Export verarmd Urenco-uranium naar Rusland in strijd Europese sancties»?1
Ja
Bent u bekend met de «Gutachten zur Zulässigkeit von Exportgenehmigungen für Uran von Deutschland nach Russland»?2
Ja
Is het voor de uitvoer van verarmd uranium vanuit Duitsland, via een Nederlandse haven, verplicht dat de afzender van het verarmd uranium beschikt over een geldige exportvergunning?
Verordening (EG) Nr. 428/2009 van 5 mei 2009 (de Dual-useverordening) maakt het exporteren van (verarmd) uranium uit de Europese Douane-unie vergunningplichtig. Aanvragen dienen ingediend te worden door een exporteur in het land van vestiging. Indien toegewezen, mag de uitvoer uit de Europese Douane-unie uit iedere EU haven onder deze exportvergunning plaatsvinden.
Bent u het ermee eens dat het op grond van EU-verordening 833/2014 van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren verbodenis om verarmd uranium naar Rusland te exporteren als niet is vastgesteld dat het te exporteren verarmd uranium uitsluitend civiel wordt gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Vanuit internationale sancties geldt geen verbod voor het vervoer van en/of naar Rusland voor civiel eindgebruik door een civiele eindgebruiker. De levering van verarmd uranium aan Rusland is in overeenstemming met internationale verdragen, zoals het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) waarin vreedzaam gebruik wordt toegestaan. Uranium is onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen en (internationaal) toezicht om veiligheid en civiel eindgebruik van het uranium te waarborgen en proliferatie te voorkomen. Landen die partij zijn bij het NPV, waaronder ook Rusland, zijn gebonden aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Er zijn geen aanwijzingen dat Rusland zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen onder het NPV.
Exportvergunningen voor (verarmd-)uranium kunnen dan ook worden verleend ten behoeve van civiele doeleinden. De vergunningen worden slechts afgegeven onder strikte voorwaarden. Zo worden de vergunningen uitsluitend verstrekt nadat de overheid van het ontvangende land voorafgaand aan de export formele overheidsgaranties heeft gegeven omtrent dit civiel eindgebruik. Deze werkwijze vloeit voort uit de richtlijnen van het exportcontroleregime de Nuclear Suppliers Group (NSG) en uit de EU dual-useverordening. Deze overheidsgaranties zijn formeel bindend. Het materiaal staat bovendien onder toezicht van het Internationaal Atomenergie Agentschap (IAEA).
Klopt het dat er geen exportvergunning mag worden verleend als niet kan worden uitgesloten dat het naar Rusland te exporteren verarmd uranium militair wordt gebruikt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met het Duitse Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (BAFA) dat er niet kan worden uitgesloten dat het door Urenco Gronau (Duitsland) via Nederland naar Rusland uitgevoerde verarmde uranium militair wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Duitsland is een van de landen die de NSG heeft opgericht. Derhalve gelden in Duitsland voor exportvergunningen dezelfde richtlijnen en waarborgen.
In antwoord op vragen van de Bondsdag heeft de Duitse regering op 16 september 2020 aangegeven dat de export van dual-use goederen naar Rusland strikt wordt gecontroleerd en getoetst op mogelijk militair eindgebruik. Over individuele vergunningaanvragen doet de Duitse regering geen uitspraken. 3
Ik ben niet bekend met de specifieke uitspraak van het Duitse BAFA waaraan u refereert.
Wat vindt u ervan dat de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) bij de export van verarmd uranium alleen controleert of het transport aan de veiligheidseisen voldoet en niet kijkt naar wat er in Rusland met het verarmd uranium gebeurt, omdat er dan al een Duitse exportvergunning is afgegeven? Moet die controle niet een stuk uitgebreider zijn als het gaat om dergelijk radioactief materiaal?
Op grond van de Kernenergiewet is de ANVS aangewezen als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de controle op de veiligheid en beveiliging van deze transporten. In Nederland valt het verlenen van exportvergunningen en het toezicht op de uitvoering daarvan onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. In dit geval is sprake van een Duitse exportvergunning afgegeven door het Duits bevoegde gezag. Internationaal gezien kan de ANVS niet in de bevoegdheid treden van een ander bevoegd gezag.
Op welke wijze waarborgt u dat er via Nederland geen goederen in strijd met Europese exportsancties worden geëxporteerd?
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor de implementatie en uitvoering van sectorale sanctiemaatregelen. In deze rol beoordeelt de Minister exportvergunningaanvragen voor de export van strategische goederen. Daarnaast houdt de Douane toezicht op het (EU-)grensoverschrijdende goederenverkeer – waaronder transacties die vallen onder sanctiewetgeving – en handhaaft daarbij de voor dit verkeer geldende wet- en regelgeving. Voor wat betreft toezicht en handhaving op de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen, voert de Douane deze taak uit in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Douane geven in aanvulling op de officiële bekendmakingen regelmatig voorlichting aan bedrijven over vergunningverlening, sanctieregelgeving en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om illegale export en doorvoer tegen te gaan.
Het bericht ‘Staatsvijand Nr.1’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de documentaire «Staatsvijand Nr.1» over terrorist en crimineel Samir A.?1
Ja, ik ken deze documentaire.
Bent u het eens dat met deze documentaire nogmaals pijnlijk zichtbaar wordt dat zogenaamde de-radicaliseringstrajecten zowel in de praktijk als in de wetenschap weinig bewezen effectief zijn, aangezien de casus van Samir A inmiddels een van de vele cases is waarbij radicaal gedachtengoed diepgeworteld en blijvend blijkt? Zo ja, welke conclusie trekt u daaruit? Zo nee, op basis van welke analyse niet?
De afgelopen jaren zijn uiteenlopende maatregelen en interventies geëvalueerd. Hieruit komt naar voren dat de aanpak in Nederland in grote lijnen conform de huidige wetenschappelijke inzichten is. Methoden en wetenschap op dit gebied zijn constant in ontwikkeling en worden nauw gevolgd. Door het inzetten van deradicaliseringstrajecten bouwen we kennis en ervaring op en wordt inzichtelijk wat werkzame elementen zijn. Dit draagt bij aan duurzame inzichten in de effectiviteit van interventies. Het uiteindelijke doel is om passende trajecten aan te bieden die bijdragen aan een veilige re-integratie. Een deradicaliseringtraject of -proces is zeer complex en weerbarstig, en afhankelijk van veel factoren. Gecombineerd met de persoonlijke context van een individu, maakt dit objectieve meting van resultaten en effecten van interventies lastig. Desondanks wordt met verschillende ketenpartners geïnvesteerd in het doorontwikkelen en inzicht krijgen in de effectiviteit van interventies gericht op deradicalisering.
Trajecten binnen detentie, reclassering en in lokale casus-overleggen worden doorlopend geëvalueerd door middel van multidisciplinair overleg met ketenpartners vanuit zorg en veiligheid. Waar nodig worden deze bijgesteld. Ondersteunend aan een deradicaliseringstraject bestaan verschillende strafrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden om zicht te houden op veroordeelde terroristen. Hiervoor verwijs ik u graag naar de brieven die de Minister voor Rechtsbescherming en ik hierover eerder aan uw Kamer hebben gestuurd.2 , 3
Hoeveel gedetineerden met een terroristische achtergrond zitten momenteel in een dergelijk traject? Hoe lang duurt een gemiddeld traject, wat zijn hier de kosten van en hoe wordt geëvalueerd hoe succesvol de trajecten zijn?
Binnen het Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), waar gemeente en reclassering worden betrokken bij het opstellen van een re-integratieplan worden alle gedetineerden met een extremistische achtergrond en/of veroordeeld voor, of verdacht van terrorisme besproken. In de periode 2019–2020 zijn 51 gedetineerden in het MAR besproken. De duur van een traject binnen detentie betreft de periode van detentie. Het gespecialiseerde team Terrorisme, Extremisme en Radicalisering (TER-team) van Reclassering Nederland voert momenteel 54 reclasseringstoezichten uit. In de periode 2012–2020 hebben in totaal 252 justitiabelen met een extremistische achtergrond aan een programma van het TER-team deelgenomen. De gemiddelde looptijd van toezicht bij deze doelgroep is 21 maanden. Voor wat betreft deelname aan een individueel exit-traject van Forsa van het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE), hebben in de periode 2017–2020 50 personen deelgenomen – waarvan momenteel 18 actieve trajecten lopen, maar dit betreft niet enkel (ex)gedetineerden. De gemiddelde duur van een dergelijk traject is 14 maanden. In 2018 is de inzet van zowel het TER-team als het LSE positief geëvalueerd.
Zoals eerder gesteld blijft deradicalisering maatwerk, waarbij verschillende lokale en nationale (keten)partners betrokken zijn. Er is geen sprake van een standaard deradicaliseringstraject. Hierdoor is het niet mogelijk de kosten voor een dergelijk traject te benoemen.
De monitoring van een deradicaliseringstraject dat binnen detentie wordt gestart vindt plaats in het MAR. Voortgang wordt gemonitord op basis van verschillende (wetenschappelijk onderbouwde) aandachtsgebieden die indicatief zijn voor resocialisatie. Zowel het MAR als het TER-team maken daarnaast gebruik van het risicotaxatie-instrument VERA-2R. In de begeleidingstrajecten van Forsa van het LSE wordt gebruikt gemaakt van een meetinstrument om verschuiving van iemands extremistische attitude te monitoren en/of om te bepalen of een traject kan worden overgedragen naar lokale partners.
Vanwege de kleine doelgroep en de complexiteit van het meten van effect kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over het »slagingspercentage». Wel bleek uit onderzoek van de Universiteit Leiden in 2018 het terrorisme gerelateerde recidivepercentage 2,2% te bedragen voor de periode onder reclasseringstoezicht (het algemene recidivepercentage was 4,4%).
Hoeveel (ex-)gedetineerden met een terroristische achtergrond hebben een dergelijk traject afgerond, wat was de gemiddelde duur hiervan, wat waren de kosten en wat kunt u zeggen over het slagingspercentage?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid het beleid omtrent de zogenaamde de-radicaliseringstrajecten te herzien, conform onze eerdere oproepen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De aanpak en het beleid omtrent deradicalisering wordt continu doorontwikkeld. Zo is ter bevordering van de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de ketenpartners onder meer het MAR in het leven geroepen in 2019. Hierin stelt DJI samen met betrokken gemeente en reclassering een re-integratieplan op, voor een warme overdracht naar het lokale casusoverleg na detentie. Daarnaast wordt geïnvesteerd in evaluatie en (wetenschappelijk) onderzoek van de aanpak en de interventies. De betrokken organisaties zijn gericht op continue verbetering van de deradicaliseringstrajecten.
Uit de documentaire blijkt dat betrokkene vermoedt dat hij gedoogd wordt door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, deelt u de mening dat inlichtingendiensten terecht dergelijke afwegingen kunnen maken in het kader van het algemeen belang en de nationale veiligheid, maar dat het niet zo kan zijn dat in dat proces gefaciliteerd wordt dat gevaarlijke jihadisten ons land binnenkomen? Zo ja, welke acties onderneemt u? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten het gesprek aan te gaan of in de afweging of (voor)tijdig ingrijpen opportuun is, het voorkomen van terugkeer van uitreizigers zeer zwaar wordt meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt voorkomen dat mensen vanuit ons land jihadisten financieel of op andere wijze, in ons land of in het buitenland, kunnen ondersteunen? Welke interventies zijn momenteel mogelijk? Zowel bestuurlijk als strafrechtelijk? Hoe vaak worden deze ingezet?
Het tegengaan van terrorismefinanciering maakt een integraal onderdeel uit van het voorkomen en bestrijden van terrorisme. In de afgelopen jaren is fors ingezet op de financiële aanpak van terroristen. Publieke en private partners, alsmede de betrokken ministeries (Financiën, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid) trekken hierbij nauw met elkaar op.
Zo worden binnen het Programma Terrorismefinanciering van het Financieel Expertisecentrum (hierna: Programma FEC-TF) financiële netwerken in kaart gebracht van bij de FEC-partners en -participanten bekende personen en entiteiten die in verband kunnen worden gebracht met terrorisme en andere relevante personen en entiteiten. Daardoor wordt onder meer inzicht verkregen in de wijze waarop en door wie deze personen worden gefinancierd. In alle gevallen waarin het verkregen inzicht daartoe aanleiding geeft, wordt een interventiestrategie opgesteld en kunnen passende preventieve en repressieve (bestuursrechtelijke, fiscaalrechtelijke, strafrechtelijke) maatregelen worden genomen. Ook worden typologieën van potentiële soorten terrorismefinanciering geformuleerd en gedeeld met de financiële sector, zodat toekomstige casussen beter kunnen worden herkend.
Daarnaast wordt in de TF-Taskforce van het FEC, binnen strikte wettelijke kaders, informatie over subjecten gedeeld tussen publieke en private partijen in de strijd tegen terrorismefinanciering. Hiermee kunnen de betrokken private partijen (financiële instellingen) op grond van hun verplichtingen vanuit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gerichter zoeken naar de financiering van terrorisme en worden zij beter in staat gesteld ongebruikelijke transacties te identificeren en te melden aan de FIU-Nederland.
Op grond van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II (bestuursrecht) kunnen personen en organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Het gevolg van deze bestuurlijke maatregel is dat de financiële tegoeden bevroren zijn van degenen die op de lijst staan. Tegelijkertijd is het verboden voor anderen, waaronder familieleden, om financiële tegoeden of (op geld waardeerbare) middelen aan mannen en vrouwen in het strijdgebied die op de nationale sanctielijst terrorisme zijn geplaatst, ter beschikking te stellen. Ook als vrouwen en mannen in het strijdgebied niet op de nationale sanctielijst terrorisme zijn geplaatst, kan het Openbaar Ministerie op grond van art. 421 Wetboek van Strafrecht vervolging instellen als anderen financiële tegoeden of middelen naar hen sturen. Zo is in 2019 en 2020 een aantal verdachten op grond van art. 421 Wetboek van Strafrecht vervolgd voor het financieren van uitreizigers die hebben deelgenomen aan de gewapende strijd in Syrië.
De achterliggende gedachte is dat dat wie een strijder steunt, ook de strijd steunt. Het maakt dus niet uit waar de ontvanger het geld voor gebruikt.
Klopt het dat financiering van gevaarlijke uitgereisde jihadisten in veel gevallen via Hawala-bankieren zal gebeuren wat gebaseerd is op vertrouwen en een min of meer gelijke geldstroom? Klopt het dat via Hawala-bankieren ook geldstromen vanuit Nederland Syrië bereiken en andersom en met welk doel gebeurt dit?
Recentelijk hebben de Minister van Financiën en ik de National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering, uitgevoerd door het WODC, aan uw Kamer gestuurd. In de begeleidende beleidsreactie zijn we ingegaan op vier risico’s met potentieel de grootste impact. Eén van deze risico’s betreft de verplaatsing van contant geld via ondergronds bankieren. Hawalabankieren is een vorm van ondergronds bankieren. Traceerbaarheid van geldovermakingen is een belangrijk hulpmiddel in de strijd tegen (witwassen en) terrorismefinanciering. Het systeem van hawalabankieren kan door het gebrek aan deze traceerbaarheid worden gebruikt voor het financieren van terrorisme. In de NRA Terrorismefinanciering concluderen de onderzoekers dat de (overige) ingeschatte risico’s van terrorismefinanciering momenteel voor een significant gedeelte worden ingeperkt door beschikbare preventieve en repressieve middelen en maatregelen. U bent hierover geïnformeerd in de beleidsreactie op de NRA terrorismefinanciering.4
De afgelopen jaren en ook zeer recent nog zijn in Nederland diverse verdachten van hawalabankieren naar Syrië en terrorismefinanciering door de Nationale Politie en de FIOD aangehouden.
De brute moord op de Franse leraar Samuel Paty laat zien dat de dreiging van het jihadisme heel dichtbij is, ook in ons land is het dreigingsniveau nog steeds aanzienlijk, deelt u de analyse van terrorismeonderzoeker De Roy van Zuidewijn2 dat ons land «jihadismemoe» is en de maatschappelijke alertheid ontbreekt? Zo ja, welke analyse maakt u over de oorzaak van de verslapping van de maatschappelijke alertheid en welke maatregelen kunnen worden genomen om de alertheid te verhogen? Zo nee, waarom niet? Kunt u hierop een toelichting geven?
De afgelopen jaren werd ons land geconfronteerd met tal van (nieuwe) uitdagingen op veiligheidsgebied: digitale aanvallen, gevallen van ongewenste beïnvloeding of statelijke inmenging.
Het beeld dat Nederland «jihadismemoe» is geworden wordt door het kabinet niet herkend. Uit de zomermeting 2020 van de Risico- en Crisisbarometer (RCB) van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid blijkt dat de inschatting van de ernst van terrorisme niet is afgenomen.
Wel stelt de Roy van Zuijdewijn terecht dat niet aflatende alertheid (en inzet), juist nu geboden is. Het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland schetst dat sprake is van fragmentatie van de jihadistische beweging in Nederland, iets wat door aanhoudende overheidsdruk verder kan worden versterkt. Tegelijkertijd heeft ons land te maken met de erfenis van het kalifaat en moeten wij ook voorbereid zijn op nieuwe ontwikkelingen waaronder een mogelijk nieuwe opleving van de beweging. Het kabinet is er alles aan gelegen dat alle vormen van extremisme en terrorisme worden aangepakt. Aanhoudende overheidsdruk kan de verdere desintegratie van de jihadistische beweging bevorderen.
Transparantie met betrekking tot het oefenen van het gebruik van atoomwapens. |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Wat heeft u doen besluiten om tot een transparantiebeleid over te gaan over het oefenen van de luchtmacht met kernwapens? Wat houdt het transparantiebeleid in concreto in?1
Nederland streeft ernaar zo transparant mogelijk te zijn over de kernwapentaak en daaraan gerelateerde onderwerpen, binnen de kaders van de bondgenootschappelijke afspraken. De Nederlandse inzet binnen de NAVO is er dan ook steeds op gericht om die transparantie waar mogelijk te vergroten. De recente berichtgeving over een jaarlijkse NAVO-oefening met nucleaire dimensie is onderdeel van het streven naar meer transparantie. Conform de motie Knops blijft Nederland zich binnen de NAVO en in bilaterale contacten inzetten voor meer nucleaire transparantie. Er bestaat op dit moment binnen de NAVO echter geen draagvlak voor het eenzijdig vergroten van de bondgenootschappelijke nucleaire transparantie over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. Nederland blijft het gesprek hierover aangaan.
Kunt u aangeven sinds wanneer deze oefening, waarbij u, de NAVO-secretaris-generaal Stoltenberg e.a. in Volkel aanwezig waren, c.q. dit soort oefeningen wordt gedaan? Zijn het in dit geval de oefeningen «Steadfast Noon» en «Resilient Guard»? Worden er nog meer relevante oefeningen gehouden? Zo ja, welke? Welke landen nemen aan deze oefeningen deel?
Nederland heeft binnen de NAVO een kernwapentaak. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is met de uitvoering van deze taak één squadron F-16’s belast en zijn deze dual-capable jachtvliegtuigen gestationeerd op de vliegbasis Volkel.2 Het beoefenen van nucleaire scenario’s, op alle niveaus, teneinde de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van nucleaire wapens te garanderen, heeft binnen NAVO altijd plaatsgevonden en vindt ook nu nog plaats. Over de precieze aard en omvang van deze oefeningen kunnen onder de geldende bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan. Ten aanzien van de NAVO-oefening met nucleaire dimensie die onlangs plaatsvond, is binnen de NAVO besloten om meer openheid te verschaffen over deze specifieke oefening. De details van deze oefening blijven echter geclassificeerd. Over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens kunnen, op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken, eveneens geen mededelingen worden gedaan. Overwegingen van veiligheid liggen hieraan ten grondslag.
Kunt u bevestigen dat deze oefeningen worden gedaan omdat er kernwapens op vliegbasis Volkel liggen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat het vervoer van Amerikaanse kernwapens van en naar Volkel en andere Europese bases wordt geoefend?
Zie antwoord vraag 2.
Wat betekent zowel de oefening als het transport van kernwapens voor de omgeving? Welke risico’s brengt dat met zich mee? Is de gemeente Uden en is de veiligheidsregio van risico’s op de hoogte? Op welke manier worden deze risico’s behandeld? Hebt u de gemeente van deze oefening op de hoogte gebracht? Zo ja, op welke manier en zo nee, waarom niet?2
Zoals hiervoor vermeld, worden geen mededelingen gedaan over locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. De kans dat er iets misgaat met transporten van Amerikaans nucleair materiaal over Nederlands grondgebied is uitzonderlijk klein, maar nooit volledig uit te sluiten. Nederland is daarom goed voorbereid op mogelijke ongevallen. De plannen zijn hiervoor aanwezig en in voorkomend geval wordt gebruikgemaakt van de bestaande Nederlandse crisisbesluitvormingsstructuren. De lokale overheid beschikt daarbij over voldoende gegevens om in hun rampenbestrijdingsplannen rekening te houden met mogelijke ongevallen op de vliegbasis Volkel.
Wanneer wordt de F-35 bij deze oefeningen betrokken? Wanneer wordt de B-61–11 naar de VS teruggetrokken?
De F-35 zal in de komende jaren de kernwapentaak van de F-16 overnemen. Op basis van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over de details van deze transitie. Uw Kamer is herhaaldelijk geïnformeerd over de modernisering van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens, meest recentelijk in antwoord op Kamervragen van Karabulut c.s. in 2018.4 Zoals eerder bekend gesteld, hebben de Verenigde Staten een levensduurverlengingsprogramma, het zogenaamde Life Extension Program (LEP), met als doel de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van onder meer het type B61 blijvend te garanderen. Het LEP betreft de modernisering van Amerikaanse kernwapens, dus NAVO-bondgenoten hebben geen zeggenschap hierover.
Zijn er op basis van het nieuwe transparantiebeleid door u aanvullingen te doen of correcties aan te brengen op eerdere antwoorden op Kamervragen?3
Op eerdere Kamervragen over het beoefenen van nucleaire scenario’s is geantwoord dat over de aard en omvang van oefeningen geen mededelingen kunnen worden gedaan. Binnen de NAVO is, in het streven naar meer transparantie, besloten om dit jaar voor het eerst te melden dat een NAVO-oefening met nucleaire dimensie plaatsvindt. De details van deze jaarlijkse oefening, inclusief het oefenscenario, blijven geclassificeerd.
Is het waar dat dit transparantiebeleid geldt voor alle landen van de NAVO die Amerikaanse atoomwapens op hun grondgebied hebben? Zo nee, welke landen niet?4
Dit jaar is voor het eerst de nucleaire dimensie van een jaarlijkse NAVO-oefening bekendgemaakt. Binnen de NAVO is besloten deze stap naar meer transparantie over de aard van de oefening te zetten. De details van de oefening blijven geclassificeerd in alle landen die betrokken zijn bij de oefening, net als dat er geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. Alle bondgenoten onderschrijven deze geheimhoudingsplicht.
Zijn er verschillen in het transparantiebeleid van de verschillende NAVO-landen? Zo ja, wat zijn die verschillen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u na het openbaar maken van de «Briefwisseling tussen regering van Nederland en de VS van 15 januari 1981» en de «Secret Technical Annex to the Agreement between the parties to the North Atlantic Treaty for Co-operation Regarding Atomic Information» melden op welke wijze: briefwisseling, memorandum of understanding of anderszins het nieuwe beleid is vastgelegd? Kunt u deze nieuwe overeenkomst aan de Kamer voorleggen? Zo nee, waarom niet?5
Het streven naar meer transparantie en de berichtgeving in dit kader over een jaarlijkse NAVO-oefening met nucleaire dimensie, behelst geen afwijking van de in de vragen genoemde overeenkomsten. De overeenkomst van 1981 waar in vraag 10 naar gerefereerd wordt, is niet gerelateerd aan de kernwapentaak; deze ziet toe op het prepositioneren van militair materieel. De overeenkomst inzake atoominformatie met bijbehorende bijlage, waar in vragen 10 en 11 naar verwezen wordt, geeft aan welke atoomgegevens de Verenigde Staten aan de NAVO en haar lidstaten ter beschikking kan stellen en dat per geval kan worden beoordeeld of, en zo ja welke, informatie openbaar gemaakt mag worden. Dat gebeurt in goed overleg, zoals nu ook binnen de NAVO in het kader van transparantie is besloten om meer openheid te geven over de eerder genoemde NAVO-oefening.
Wat betekent het transparantiebeleid voor het in 1964 overeengekomen beleid met betrekking tot «Control of information»? Is dat onveranderd zoals in «Secret Technical, enz» staat beschreven? Zo nee, wat zijn de verschillen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de Tweede Kamer een bezoek aan de kernwapensite van Volkel toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend kunnen op basis van bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens.
De antwoorden op vragen over een zinkgat in Kerkrade |
|
Henk Nijboer (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA), Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom ontwijkt u de eerdere vraag (vraag 4) wie aansprakelijk is voor de schade die is opgetreden? Kunt u ons alsnog een antwoord geven op de vraag wie aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan? Is dit de gemeente, de aannemer of een andere partij?1
Ik heb in mijn brief1 van 13 oktober duidelijk aangegeven waar de aansprakelijkheid ligt in het geval dat er schade zou ontstaan aan huizen van burgers ten gevolge van dit zinkgat. In dit specifieke geval is het Waarborgfonds Mijnbouwschade voor dergelijke schade aansprakelijk. Volgens de gemeente Kerkrade heeft het zinkgat op dit moment echter nog geen structurele schade aan de omliggende woningen veroorzaakt.
Het Waarborgfonds Mijnbouwschade kan in het geval van mijnbouwschade alleen door natuurlijke personen worden aangesproken. De door het zinkgat veroorzaakte schade aan het wegdek kan door de gemeente Kerkrade niet verhaald worden op het fonds.
Zoals aangegeven in mijn brief2 van 8 september 2020 voert de gemeente Kerkrade een programma uit dat gericht is op het lokaliseren en daarna saneren van historische schachten. Ik financier dit programma. Tijdens de sanering van de schacht wordt gebruik gemaakt van zwaar materieel waardoor wegdek en de inrichting van de straat kan beschadigen. De gemeente Kerkrade heeft mij gevraagd of men de kosten van het herstel van het wegdek en de inrichting van de straat kan meenemen in de kosten van de huidige sanering. Ik heb hiermee ingestemd.
Hoe kan het Waarborgfonds Mijnbouwschade volgens u een rol spelen bij de schade ontstaan doordat er aan een verborgen schacht is gewerkt, aangezien u in uw antwoord op de eerdere vraag 2 stelt dat dit fonds kan worden aangesproken? Heeft u hier contact over gehad met het Waarborgfonds? Zo ja, welke afspraken zijn er gemaakt? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het Waarborgfonds Mijnbouwschade is opgericht vanuit de Mijnbouwwet. Ik ben conform de Mijnbouwwet de beheerder van dit fonds. De werkwijze van het fonds staat beschreven in de artikelen 134 – 139 van de Mijnbouwwet.
De aansprakelijkheid voor de schade ten gevolge van het inzakken van een historische schacht is conform de recente uitspraak3 van de Raad van State niet verjaard. Ik heb uw Kamer hierover per brief4 op 23 september 2020 geïnformeerd. Het mijnbouwbedrijf dat destijds de schacht onder de huidige Franciscanerstraat in Kerkrade heeft aangelegd bestaat echter niet meer en daarom is het Waarborgfonds Mijnbouwschade op grond van de Mijnbouwwet de partij die kan worden aangesproken voor schade als gevolg van bodembeweging door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk door dat mijnbouwbedrijf.
Als de verzakking is veroorzaakt door een verwijtbare nalatigheid van de aannemer dan zou de aannemer voor de ontstane schade aansprakelijk kunnen worden gesteld. Gemeente Kerkrade heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van verwijtbaar handelen.
De gemeente Kerkrade heeft aangegeven dat er ten gevolge van de verzakking geen structurele schade is opgetreden aan de nabij liggende panden. Mocht er alsnog schade ontstaan dan kunnen bewoners zich bij mij melden omdat ik de beheerder ben van het Waarborgfonds. Het is in principe niet nodig dat ik contact opneem of afspraken maak met het Waarborgfonds want daar is op dit moment geen aanleiding toe.
Kunt u aangeven welke risico’s er voor omwonenden zijn, aangezien wij u eerder vroegen of de omwonenden op de hoogte zijn van eventuele risico's (vraag 5)?
Bij de opsporing en geplande sanering van een historische schacht worden de omwonenden door de gemeente Kerkrade uitgebreid geïnformeerd over de achtergronden van de aanpak van de historische schachten. Ook bij dit incident heeft de gemeente Kerkrade zich ingespannen om haar inwoners nader te informeren over de verzakking en sanering. Als opdrachtgever voor zowel het opsporen, onderzoeken en saneren van de schacht beschikt de gemeente over informatie uit de eerste hand en verzorgt zij de hieraan verbonden communicatie naar omwonenden.
Ik heb begrepen dat de gemeente richting de omwonenden tot nu toe vooral heeft gecommuniceerd over de verzakking en de uitvoering van de sanering. De gemeente Kerkrade heeft aangegeven dat ten behoeve van de algemene communicatie ook een informatieblad voor de bewoners wordt gemaakt waarin nader wordt ingegaan op het bestaande risico ten gevolge van de voormalige steenkolenwinning onder Kerkrade.
De gemeente Kerkrade kan daarbij gebruik maken van het onderzoek dat in de periode 2014 – 2016 in opdracht van de toenmalige Minister van Economische Zaken is uitgevoerd. Uw Kamer is op 15 december 2016 per brief5 geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek, de bestaande risico’s van de voormalige steenkolenwinning en de maatregelen die naar aanleiding hiervan samen met de regio zijn genomen.
Klopt het dat er ten tijde van het ongeluk toch 12 mensen woonden, gezien het feit dat u in uw antwoord op vraag 7 aangeeft dat het pand naast het zinkgat onbewoond was en inmiddels onbewoonbaar is verklaard?
Nee, het klopt niet dat er ten tijde van de verzakking mensen woonachtig waren in dit pand. De gemeente Kerkrade heeft aangegeven dat het pand conform de gegevens uit de gemeentelijke bevolkingsadministratie niet bewoond was. De gemeente heeft navraag gedaan naar het gebruik van het pand. Er is gebleken dat het pand is verhuurd aan een stichting die ten tijde van de verzakking het pand gebruikte als locatie voor studiedoeleinden.
De gemeente heeft geconstateerd dat in de ochtend na de verzakking er tenminste 1 persoon in het pand aanwezig was. De gemeente Kerkrade heeft via een noodverordening opgelegd dat het pand gedurende de sanering niet gebruikt mag worden.
Wij vroegen u welke lessen er zijn geleerd (vraag 6), kunt u deze vraag inmiddels beantwoorden?
De sanering van de schacht is nog steeds gaande. De gemeente Kerkrade verwacht dat de sanering in juni 2021 zal worden afgerond. In mijn brief van
8 september 2020 heb ik aangegeven dat het lokaliseren van de schachten in twee stappen plaatsvindt. In de eerste stap wordt met lichte apparatuur gezocht naar afwijkingen in de bodem tot een diepte van vijf meter. Tijdens de tweede stap wordt de vermoedelijk gelokaliseerde schacht ook daadwerkelijk aangeboord. Vervolgens wordt enige tijd na het aanboren van de schacht de sanering aangevangen. Naar aanleiding van de verzakking in de Franciscanerstraat heeft de gemeente Kerkrade nu besloten om het aanboren van de schacht (de tweede stap) voortaan direct te combineren met de sanering van de schacht. Op deze manier kan men adequaat reageren indien het aanboren van de schacht aanleiding geeft tot een verzakking.
Zoals eerder aangegeven zal na de sanering van de schacht een overleg plaatsvinden met de betrokken partijen. Tijdens dit overleg zal besproken worden welke verdere lessen uit dit voorval geleerd kunnen worden.
Ik ben van mening dat met betrekking tot de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning in Limburg er met de regio duidelijk afspraken zijn gemaakt op basis waarvan adequate maatregelen zijn en ook worden genomen. Over deze aanpak, de voortgang en de samenwerking met de regio ben ik erg tevreden.
Het bericht ‘Betalen ziekenhuizen de rekening van het afval van de kerncentrale Borssele’ |
|
Suzanne Kröger (GL), Wim-Jan Renkema (GL) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Betalen ziekenhuizen de rekening van het afval van de kerncentrale Borssele»?1 en «Minder radioactief afval van ziekenhuizen bij langere opslag»?2
Ja.
Klopt het dat er lagere tarieven worden gehanteerd voor het radioactief afval van grote leveranciers zoals Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ), de exploitant van kerncentrale Borssele, dan voor kleine aanbieders van radioactief afval?
Nee. COVRA hanteert voor standaardafval uniforme tarieven voor alle circa 300 leveranciers van dit radioactief afval3 4. Van deze 300 klanten leveren 5 bedrijven bovendien niet-standaardafval aan waarvoor langlopende contracten zijn opgesteld. Hierdoor kan COVRA goed inspelen op de verwachte toekomstige hoeveelheden van niet-standaard radioactief afval en de hierbij behorende opslagcapaciteit en financiële verplichting.
Klopt het dat de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) de Centrale Organisatie Voor radioactief Afval (COVRA) begin vorig jaar een dwangsom wilde opleggen van € 90.000, omdat kleine aanbieders van radioactief afval, zoals ziekenhuizen en laboratoria, zouden worden gediscrimineerd?
De ANVS heeft een inspectie uitgevoerd die betrekking had op de tarieven die door COVRA in rekening worden gebracht voor het beheer van radioactief afval. Omdat bij de ANVS het beeld van de tariefstelling voor contractafval niet volledig was, is begin 2019 aan COVRA een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom toegestuurd. Dit voornemen zag op het criterium «transparantie» van de tarieven en niet op het criterium «niet-discriminerend». Een voornemen tot een last onder dwangsom is een op herstel gerichte interventie. Op basis van aanvullende informatie van COVRA is destijds door de ANVS geconstateerd dat er geen reden was om handhavend op te treden en is het voornemen tot een last onder dwangsom ingetrokken. Zie vraag 8 voor het antwoord op de vraag over de discriminatie van de kleine aanbieders van radioactief afval.
Hoeveel, en voor welke hoeveelheden afgevoerd radioactief afval, betaalden Nederlandse ziekenhuizen gezamenlijk in respectievelijk de jaren 2016 en 2019 aan de COVRA?
Voor de antwoorden op deze vraag en de vragen 5, 6 en 7 heeft COVRA op verzoek informatie aangeleverd. COVRA heeft informatie beschikbaar over twee hoofdcategorieën van leveranciers van afval: enerzijds de nucleaire sector, waaronder de kerncentrale Borssele, NRG, URENCO en de Technische Universiteit Delft, en anderzijds de overige leveranciers van afval, door COVRA geduid als de institutionele producenten, waaronder ziekenhuizen. COVRA geeft geen informatie over individuele bedrijven die afval aanleveren.
De institutionele producenten produceren zogeheten laag- en middelradioactief afval (LMRA). Nucleaire organisaties produceren zowel LMRA als ook hoogradioactief afval (HRA). Voor verschillende soorten LMRA hanteert COVRA standaardtarieven, die gelden voor alle producenten, ongeacht de (institutionele of nucleaire) herkomst: de LMRA-tarieven zijn, aldus COVRA, non-discriminatoir.
In de jaren 2016 en 2019 produceerden de institutionele producenten gezamenlijk respectievelijk 49 m3 en 202 m3 aan LMRA en betaalden daarvoor € 1,1 miljoen en € 2,2 miljoen.
De cijfers in dit antwoord en in het antwoord van vraag 6 zijn ook samengevat in de tabellen 1 en 2.
Hoeveel van dit ziekenhuisafval zal voor het jaar 2130 vervallen tot onder de vrijgavegrens voor radioactief afval en niet in een eindberging voor radioactief afval worden geplaatst?
Het kortlevende afval van ziekenhuizen mag ter plaatse worden bewaard tot het vervallen is. Alleen langer levend afval wordt afgevoerd naar COVRA. De wettelijke vrijgavegrenzen voor radionucliden worden, als daar aanleiding toe is, door middel van nieuwe regelgeving bijgesteld. Er kan daardoor nu niet met zekerheid worden vastgesteld welk deel van het radioactief afval in 2130 als vervallen beschouwd wordt. COVRA gaat er voorzichtigheidshalve vanuit dat al het ontvangen afval in de eindberging geplaatst moet worden.
Hoeveel, en voor welke hoeveelheden afgevoerd radioactief afval, betaalden kerncentrale Borssele, NRG, URENCO en de Technische Universiteit Delft (TU Delft) in respectievelijk de jaren 2016 en in 2019 aan de COVRA?
COVRA geeft geen informatie over individuele bedrijven die afval aanleveren. Wel heeft COVRA een cumulatief overzicht gegeven van de genoemde nucleaire organisaties: kerncentrale Borssele, NRG, URENCO en de Technische Universiteit Delft. Deze nucleaire organisaties produceerden gezamenlijk in respectievelijk de jaren 2016 en 2019 157 m3 en 411 m3 aan laag- en middelradioactief afval (LMRA). Ook produceerden zij 0,6 m3(2016) en 0,6 m3(2019) aan hoogradioactief afval (HRA), en 0 m3(2016) en 336 m3 (2019) aan Natuurlijk radioactief Materiaal (NORM-afval). Voor het LMRA betaalden zij € 6,0 miljoen (2016) en € 7,6 miljoen (2019), voor het HRA € 2,4 miljoen (2016) en € 2,8 miljoen (2019) en voor NORM € 0,0 (2016) en € 3,7 miljoen (2019). Dit is exclusief investeringen in installaties en gebouwen bij COVRA (meer dan € 140 miljoen), waarvoor de genoemde nucleaire organisaties separaat zijn doorbelast.
2016
2019
Nucleair
Institutioneel
Nucleair
Institutioneel
LMRA
€ 6,0 mln.
€ 1,1 mln.
€ 7,6 mln.
€ 2,2 mln.
HRA
€ 2,4 mln.
–
€ 2,8 mln.
–
NORM
€ 13,0 mln.1
–
€ 3,7 mln.
–
Ter verklaring van dit bedrag, terwijl uit tabel 2 blijkt dat het volume in het jaar 2016 0 m3 was: dit bedrag betreft de jaarlijkse exploitatielast van een specifiek gebouw voor NORM-afval, plus een vooruitbetaling van de vaste lasten van dat gebouw.
2016
2019
Nucleair
Institutioneel
Nucleair
Institutioneel
LMRA
157 m3
49 m3
411 m3
202 m3
HRA
0,6 m3
–
0,6 m3
–
NORM
0,0 m3
–
336 m3
–
Hoeveel van dit industrieafval zal voor het jaar 2130 vervallen tot onder de vrijgavegrens voor radioactief afval en niet in een eindberging voor radioactief afval worden geplaatst?
Voor het LMRA van de nucleaire sector geldt hetzelfde als voor het LMRA van de overige leveranciers van afval.
De wettelijke vrijgavegrenzen voor radionucliden worden, als daar aanleiding toe is, door middel van nieuwe regelgeving bijgesteld. Er kan daardoor nu niet met zekerheid worden vastgesteld welk deel van het LMRA van de nucleaire sector in 2130 als vervallen beschouwd wordt. COVRA gaat er voorzichtigheidshalve vanuit dat al het ontvangen afval in de eindberging geplaatst moet worden.
Voldoet de COVRA aan haar wettelijke verplichting uit het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, artikel 10.10, om de in rekening te brengen kosten voor het beheer van radioactief afval en de ontwikkeling van een eindberging op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze vast te stellen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?
De ANVS heeft door middel van haar inspectie nader inzicht gekregen in de wijze waarop door COVRA de tarieven (met name voor standaardafval) worden vastgesteld (transparantie). Echter, de ANVS heeft geen conclusies kunnen trekken over de transparantie, de objectiviteit en de niet-discriminerende wijze waarop de COVRA de kosten bij de aanbieders van afval in rekening brengt.
Daarom heeft de ANVS een (uitvoerings)signaal aan mij gegeven. Hierbij signaleert de ANVS dat de kaderstelling voor het systeem voor de financiering van beheer van radioactief afval verder dient te worden uitgewerkt (zie ook het antwoord op vraag 11).
Op welke wijze is het beginsel «de vervuiler betaalt' gewaarborgd voor het radioactief afval dat door COVRA onder «finale kwijting» in eigendom is overgenomen?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld5 is één van de uitgangspunten van het beleid voor het beheer van radioactief afval dat de vervuiler betaalt. COVRA wordt geacht op bedrijfsmatige manier en kostendekkend te opereren. De aanbieders van radioactief afval betalen aan COVRA de kosten van verwerking, opslag en eindberging van het afval. Zoals in het antwoord op vraag 2 is gesteld, hanteert COVRA voor standaardafval uniforme tarieven voor alle leveranciers van dit radioactief afval. Daarnaast maakt COVRA voor niet-standaard afval niet-publieke, bilaterale afspraken op commerciële basis. In het algemeen worden grote investeringen voor de realisatie van nieuwe gebouwen voor opslag van specifieke afvalstromen direct door de grote aanbieders van radioactief afval – zoals EPZ (Borssele) en URENCO – gefinancierd.
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld, zijn er bepaalde risico’s waaraan COVRA is blootgesteld6. COVRA neemt het eigendom van het afval immers over van de producenten van het afval. Toekomstige ontwikkelingen op het gebied van aangroei van de middelen die COVRA beheert en kostenramingen voor voornamelijk eindberging zijn onzeker en vormen een financieel risico. Dit financiële risico is inherent aan het lange termijn karakter van de activiteiten. Aan de andere kant is er zekerheid over de verantwoordelijkheid nadat het afval is overgedragen (die ligt namelijk bij COVRA), waarbij de betaling voor de verwerking en het beheer bij de overdracht van het radioactief afval wordt voldaan door de leveranciers. Er blijven op deze wijze geen (eeuwigdurende) vorderingen bestaan op ondernemingen, waarvan het voortbestaan op de lange termijn onzeker is.
Overweegt u om ziekenhuizen toe te staan radioactief afval langer dan twee jaar ten behoeve van vervalopslag te bergen? Welke financiële consequentie heeft het verlengen van vervalopslag bij ziekenhuizen voor ziekenhuizen, voor de bekostiging van de ontwikkeling van een eindberging, en voor de nucleaire industrie?
De ANVS heeft het RIVM gevraagd een aantal consequenties te onderzoeken van het verlengen van de termijn voor vervalopslag van radioactief afval bij ziekenhuizen. De eerste verkennende berekeningen laten zien dat het verlengen van deze termijn kan leiden tot een vermindering van de hoeveelheid afval die naar de COVRA moet worden afgevoerd en dat ook in de nieuwe situatie de stralingsbelasting voor ziekenhuismedewerkers ruimschoots binnen de norm zal blijven2. Deze resultaten geven argumenten om verruiming van de termijn voor vervalopslag van radioactief afval bij ziekenhuizen te overwegen, maar alvorens dit te kunnen toestaan is nader onderzoek nodig. De financiële consequenties van een eventuele verruiming van die termijn voor vervalopslag zijn nog niet bekend.
De financiële consequenties zullen in kaart worden gebracht als onderdeel van het vervolgonderzoek dat in 2021 van start zal gaan.
Klopt het dat u door de ANVS bent geadviseerd dat «een regelgevend kader voor de financiering van de eindberging voor radioactief afval ontbreekt en ontwikkeld moet worden»? Bent u voornemens om dat regelgevend kader te ontwikkelen om dergelijke discriminerende praktijken te voorkomen in de toekomst? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 8 is gesteld, heeft de ANVS mij laten weten dat het van belang is dat de kaderstelling voor het systeem voor de financiering van beheer van radioactief afval verder wordt uitgewerkt, zodat de kosten voor het beheer van radioactief afval op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze vastgesteld kunnen worden. Op dit moment ontbreekt de uitwerking om toe te kunnen zien of dit in voldoende mate plaatsvindt. Vanuit mijn departement wordt het overleg over deze uitwerking opgestart met in eerste instantie het Ministerie van Financiën en de ANVS.
Het bericht dat de Inspectie SZW onterecht hoge boetes gaf aan werkgevers |
|
Bart van Kent |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Arbeidsinspectie gaf werkgevers jarenlang onterechte en te hoge boetes»?1
Ja.
Is het juist dat ongeveer 15% van de door de Inspectie SZW opgelegde boetes achteraf onterecht en/of te hoog is geweest?
In het Jaarverslag Inspectie SZW 2019 is vermeld dat de Inspectie SZW in dat jaar 1778 boetebeschikkingen heeft verzonden. Naar aanleiding van bezwaar en (hoger) beroep zijn 267 betaalde boetes (gedeeltelijk) terugbetaald, dat is 15%.
Het is juist dat er in het jaar 2019 in totaal 267 boetes (gedeeltelijk) zijn terugbetaald, maar niet elke boetebeschikking was in 2019 verzonden.
De oorspronkelijke boetebeschikkingen van die terugbetaalde boetes dateren uit 2019, maar ook uit 2018 en 2017 of eerdere jaren. Het percentage van 15% geeft dan ook wel een indicatie van het percentage terugbetalingen, maar voor een goed antwoord op de vraag in hoeveel gevallen een boete van de Inspectie SZW in de volgende stadia van bezwaar en (hoger) beroep wordt verlaagd, is een langjarig overzicht beter. Dat is in onderstaande tabel vervat.
Totaal aantal boetebeschikkingen1:
10.178
100%
Verlaging boete in bezwaar, beroep en hoger beroep:
1.147
11%
Betalingsregelingen:
1.780
17%
Gemiddelde terugbetaling:
€ 17.778
Mediane terugbetaling:
€ 13.500
Met betrekking tot de Arbeidsomstandighedenwet, Arbeidstijdenwet, Wet arbeid vreemdelingen, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Voor een nadere toelichting op de tabel verwijs ik naar de bijlage bij mijn brief bij deze beantwoording.
De formulering van de vraag duidt wellicht op de aanname dat een verlaging van de boete in bezwaar of (hoger) beroep betekent dat de boetebeschikking onterecht of onjuist is geweest. Dat is zeker niet automatisch aan de orde. Een regelmatig voorkomend voorbeeld maakt dit duidelijk. Een inspecteur constateert een overtreding. Uit de beginselplicht tot handhaving vloeit voort dat er een boeterapport wordt opgemaakt. Een boeterapport wordt door de inspecteur of projectleider gelijktijdig aan de overtreder gezonden en aan de boeteoplegger. De Inspectie SZW heeft de boeteoplegger organisatorisch losgekoppeld van de toezichthoudende directies. Zo wordt de wettelijk vereiste functiescheiding gegarandeerd tussen degene die de overtreding vaststelt en deze in een boeterapport vastlegt en degene die de boete oplegt.
De overtreder kan zijn zienswijze geven op het voornemen om een boete op te leggen. De boeteoplegger weegt het boeterapport en de zienswijze om te bepalen of de overtreding is aangetoond. Als dat niet het geval is, wordt geen boete opgelegd. Als de overtreding wel is aangetoond, beziet de boeteoplegger op basis van wet- regelgeving of een boete moet worden opgelegd of een ander handhavingsinstrument, zoals een waarschuwing aan de orde is. Ook wordt de hoogte van de boete bepaald aan de hand van de (matigingsgronden) in de beleidsregels boeteoplegging, de evenredigheid, mate van verwijtbaarheid en feiten en omstandigheden van het geval. Indien er een boete wordt opgelegd, wordt de overtreder een boetebeschikking toegezonden. Tegen de beschikking kan bezwaar worden gemaakt bij het Ministerie van SZW. In bezwaar wordt de boetebeschikking volledig heroverwogen. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden aangetekend bij de bestuursrechter van de rechtbank. Tegen een uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In ieder van die stadia kan nieuwe informatie worden ingebracht of reeds bekende informatie opnieuw worden gewogen. Als de uitkomst in een bepaald stadium anders is dan in het voorgaande stadium, betekent het niet automatisch dat een (eerdere) beslissing daarmee hetzelfde had kunnen of moeten uitpakken. Tegenbewijs kan immers later zijn geleverd of de rechter concludeert in (hoger) beroep bijvoorbeeld dat wet- of regelgeving onvoldoende helder is.2
Wilt u een grondig onderzoek uitvoeren naar hoeveel bedrijven onterecht beboet worden, aangezien er mogelijk meer bedrijven zijn die onterechte boetes opgelegd krijgen, maar afzien van bezwaar of een rechtsgang onder andere vanwege de hoge kosten?
Het hele proces, vanaf vaststelling van een overtreding, boeterapport, zienswijze, boetebeschikking, bezwaar, beslissing op bezwaar, beroep, hoger beroep, is gericht op rechtswaarborgen, individuele gevalsbehandeling en onderzoek van feiten en omstandigheden van het geval. Voor andersoortig onderzoek zie ik geen reden: het zal niet grondiger zijn dan wat reeds per individueel geval aan onderzoek en bezwaar en beroepsmogelijkheden plaatsvindt.
Kostenoverwegingen hoeven een werkgever zeker niet in de weg te staan om kenbaar te maken dat hij het niet eens is met het opleggen van een boete. Werkgevers kunnen kosteloos hun zienswijze inbrengen in het stadium dat er nog niet een maatregel zoals een boete is opgelegd. Het boeterapport van de inspecteur wordt namelijk tegelijkertijd aan het bedrijf en aan de boete oplegger gestuurd. De boeteoplegger betrekt de zienswijze van het bedrijf bij het al dan niet opleggen van een maatregel, zoals een boete. Ook als in het volgende stadium er wel een boete is opgelegd, kan er kosteloos bezwaar worden gemaakt. Het griffierecht voor (hoger) beroep bedraagt van € 178 tot € 532, terwijl men geen verplichte rechtsbijstand nodig heeft. Ook procederen hoeft dus geen hoge kosten met zich mee te brengen, dat is afhankelijk van de keuze van de overtreder. Een overtreder die geen advocaat kan betalen maar daar toch gebruik van wil maken, kan in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand.
Welke interne regels of werkvoorschriften worden binnen de Inspectie SZW gehanteerd bij de fraudeaanpak?
Elke arbeidswet kent aparte boetebeleidsregels3 waarin de aard en de ernst van de overtredingen tot uitdrukking komt in onder meer het type overtreding, het door de toezichthouder in te zetten instrument en de boetenormbedragen. Deze boetebeleidsregels zijn openbaar. In de beleidsregel boeteoplegging Arbeidsomstandighedenwetgeving wordt bijvoorbeeld aangegeven dat er sprake is van verschillende soorten overtredingen. In de bijlage bij die beleidsregel wordt per beboetbare overtreding of onderdeel daarvan aangegeven met welk soort overtreding men van doen heeft. Bij zware overtredingen en de overtredingen waarvoor direct een boete kan worden opgelegd wordt een boeterapport opgemaakt dat door de boete oplegger, een aparte afdeling binnen de Inspectie SZW wordt beoordeeld. Bij een zware overtreding kan een stillegging worden opgelegd indien er sprake is van ernstig gevaar voor personen. Bij de overige overtredingen wordt eerst een waarschuwing of een eis tot naleving gegeven en indien niet aan een waarschuwing of eis is voldaan, wordt een boeterapport opgemaakt. Ook in de beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen en de beleidsregels bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zijn mogelijkheden voor het geven van een waarschuwing opgenomen. De boetebeleidsregels worden met enige regelmaat aangepast, ook naar aanleiding van jurisprudentie. Dit heeft niet alleen geleid tot meer verfijning in de boetesystematiek, maar ook tot meer diepgaand en uitvoerig onderzoek in de inspectiepraktijk. Bij boeteoplegging wordt voor het bepalen van de hoogte bovendien de evenredigheid, mate van verwijtbaarheid en feiten en omstandigheden van het geval meegewogen. Dit betekent dat los van reeds gecodificeerde situaties boetes kunnen worden gematigd.
Is of was er sprake van speciale «quota» met betrekking tot het aantal fraudeurs, het aantal boetes of het boetebedrag dat gehaald moesten worden?
Nee.
Boeteopbrengsten of aantallen boetes worden niet taakstellend opgelegd.
De Inspectie SZW werkt risicogericht en programmatisch met als doel om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken. Deze aanpak is nader uitgewerkt in de Jaarplannen en Jaarverslagen van de Inspectie SZW.4 Binnen een programma kan het stellen van doelen in termen van aantallen interventies aan de orde zijn om een percentage van de totale populatie te bereiken of te controleren. Boeteopbrengsten komen niet aan de Inspectie SZW zelf ten goede. Met het oog op het voorkomen van onjuiste prikkels, zou dat ook niet wenselijk zijn.
Was het opleggen van boetes een onderdeel van een «business-case» in relatie tot de Ministeriele Commissie Aanpak Fraude?
Nee. De doelstelling van de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude was om een bijdrage te leveren aan een rijksbrede aanpak van fraude met publieke middelen. In de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude is gesproken over kosten-batenanalyses van maatregelen tegen fraude. De term business case verwijst naar het Regeerakkoord 2012, waarin het kabinet aan onder meer het UWV en de SVB de mogelijkheid heeft geboden een plan te ontwikkelen om door versterking van het toezicht te besparen op de uitkeringen. Ook is onderzocht of gekomen kon worden tot een business case voor de Inspectie SZW. In de brief van 4 oktober 2013 is uw Kamer geïnformeerd dat het bij de Inspectie SZW niet mogelijk is gebleken om een zelfstandig voorstel te ontwikkelen waarbij de extra kosten van toezicht worden opgebracht uit de daaruit voortvloeiende boeteopbrengsten.5
Is of was er sprake van het zichzelf moeten terugverdienen van het fraudetoezicht?
Nee. Handhaving is gericht op nalevingsbevordering van wettelijke normen, niet op het genereren van ontvangsten. De hoogte van de boetes zijn passend in relatie tot de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wat is de reden dat vooral kleine ondernemers de dupe zijn van verkeerd opgelegde boetes?
Ik heb geen aanwijzingen dat vooral kleine ondernemers de dupe zijn van opgelegde boetes. In de regelgeving is juist op een aantal plekken nadrukkelijk rekening gehouden met de omvang van een onderneming. Bepaalde verplichtingen gelden niet voor kleine ondernemingen, zoals bijvoorbeeld het in dienst hebben van een preventiemedewerker. De werkgever/eigenaar kan zelf zorgdragen voor preventie. Ook voor de verplichte toetsing van de RI&E door een gecertificeerde arbodeskundige gelden voor kleine bedrijven uitzonderingen. Daarnaast geldt dat bijvoorbeeld in de beleidsregels boeteoplegging Arbeidsomstandighedenwetgeving is bepaald dat kleine ondernemingen boetes krijgen van 10% van het boetenormbedrag. Grote bedrijven krijgen een boete van 100%. De boete voor illegale tewerkstelling wordt voor overtreders die geen rechtspersoon zijn (of daarmee gelijkgestelde) gehalveerd. In de Arbeidstijdenwet is de boete voor kleine bedrijven (minder dan 10 werknemers) 50% van het boetenormbedrag. Voor grote bedrijven (meer dan 100 werknemers) is dat 150%. Daarbij komt dat de Inspectie SZW een gedifferentieerde aanpak hanteert met een breed palet aan interventies en met gebruikmaking van verschillende handhavingsinstrumenten.
Hoeveel ondernemers zijn als gevolg van het beleid van de Inspectie SZW onder het bestaansminimum gekomen?
Ik vind het belangrijk dat mensen met schulden laagdrempelig om hulp kunnen vragen bij de gemeente, ook als ze zelfstandig ondernemer zijn. In de noodzakelijke intensivering van de armoede- en schuldenaanpak vanwege de coronacrisis is expliciet aandacht voor zelfstandig ondernemers met schulden.6 Middels het Gemeentenieuws van SZW zijn gemeenten geïnformeerd over hoe zij extra ondersteund worden om de brede toegang en goede dienstverlening voor ondernemers met schulden zo snel mogelijk te realiseren.7
Schuldenproblematiek heeft meestal niet één oorzaak. Over directe causaliteit, waarnaar wordt gevraagd, heb ik geen cijfers. Wel geldt dat de Inspectie SZW in 2019 in 46 boetezaken heeft meegewerkt aan een schuldsaneringstraject. In 2019 zijn 27 lopende schuldsaneringstrajecten succesvol afgerond. Als het bestaande schuldenpakket dusdanig hoog is, dat er in relatie tot de inkomenspositie sprake is van een uitzichtloze situatie, adviseert de Inspectie SZW om een schuldsaneringstraject aan te gaan. Als een dergelijk traject reeds is gestart, werkt de Inspectie SZW hier constructief aan mee. In die gevallen wordt de boete kwijtgescholden, tot het onder de schuldeisers te verdelen bedrag dat de overtreder gedurende 3 jaar kan opbrengen boven de beslagvrije voet. Zie tevens de antwoorden op vragen 9, 10, 11 en 12 van het lid Smals (VVD) 2020Z19310.
Hoeveel ondernemers komen als gevolg van het handelen van de Inspectie SZW en de opgelegde boetes terecht bij schuldhulpverlening?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeveel gevallen, in harde cijfers en procentueel, wordt de boete verhoogd met aanvullende kosten en boetes als gevolg van het incassoproces van de oorspronkelijke boete?
Door het treffen van een betalingsregeling wordt voorkomen dat incasso via een deurwaarder en daarmee gepaard gaande kosten ontstaan. Incasso is bijvoorbeeld aan de orde bij weigerachtigheid en (turbo) liquidaties. In 2020 is tot nu toe bij 8% van de opgelegde boetes een deurwaarder betrokken. Bij het uitblijven van een tijdige betaling van de boete wordt een overtreder aangemaand. Voor de aanmaning wordt overeenkomstig artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht een vergoeding van € 15,00 in rekening gebracht. Bij uitblijven van betaling of een reactie volgt er een dwangbevel waarbij de boete wordt verhoogd met buitengerechtelijke kosten. De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is vastgesteld in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
In hoeveel gevallen, in harde cijfers en procentueel, wordt afgeweken van de minimumboete van € 6.000?
Er is geen minimumboete van 6.000 euro. Zie tevens het antwoord op vraag 10 van het lid Smals (VVD) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1411).
In hoeveel gevallen, in harde cijfers en procentueel, worden boetes na geconstateerde overtreding alsnog verlaagd of kwijtgescholden?
Zie het antwoord bij vraag 2.
In hoeveel gevallen, in harde cijfers en procentueel, worden boetes opgelegd, terwijl de werkgever wel aan alle voorschriften heeft voldaan?
Er wordt geen boete opgelegd als een werkgever aan alle voorschriften van de relevante wet- en regelgeving heeft voldaan. Als een boete is opgelegd omdat de wet- en regelgeving is overtreden en de overtreder is het niet eens met de opgelegde boete, dan staat tegen het boetebesluit bezwaar en vervolgens (hoger) beroep open. Het kan uiteraard zo zijn dat in een latere fase feiten anders worden gewogen, of aanvullend bewijs wordt geleverd. Indien er twijfel is of wetgeving is overtreden dient dit in het voordeel van de werkgever uit te vallen.
Hoeveel bedrijven zien af van bezwaar of een gang naar de rechter, omdat dit meer kost dan dat het zou opleveren? Moet de Inspectie SZW de volledige proceskosten betalen als blijkt dat ze in het ongelijk wordt gesteld?
Overtreders kunnen kosteloos bezwaar maken tegen een opgelegde boete. De kosten (het zogenaamde «griffierecht») voor het instellen van beroep bedragen € 178,– (natuurlijke personen) of € 354,– (rechtspersonen), voor hoger beroep € 265 of € 532. Het griffierecht wordt volledig vergoed indien de overtreder in het gelijk wordt gesteld, net als andere proceskosten, zoals bijstand door een advocaat. In dat geval wordt de vergoeding toegewezen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Bijstand door een advocaat is in het bestuursrecht overigens niet verplicht. Als een bedrijf zonder bijstand van een advocaat bezwaar maakt tegen een boetebesluit zijn er dus geen kosten aan verbonden. Een overtreder die geen advocaat kan betalen maar daar toch gebruik van wil maken, kan in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Het is niet bekend of overtreders afzien van het maken van bezwaar of beroep vanwege de kosten.
Hebben bedrijven en werkgevers van een normale rechtsbescherming gebruik kunnen maken?
Ja. Indien de Inspectie SZW een boete heeft opgelegd aan een overtreder dan kan diegene bezwaar maken tegen de boete bij het Ministerie van SZW. In bezwaar wordt de opgelegde boete heroverwogen. Indien de overtreder het niet eens is met de beslissing op het bezwaar, dan kan hij daartegen in beroep gaan bij de bestuursrechter van de rechtbank. Is hij het niet eens met de uitspraak van de bestuursrechter? Dan kan hij in hoger beroep gaan tegen de uitspraak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Iedere overtreder die een boete krijgt opgelegd heeft deze rechtsbescherming en wordt daarop gewezen door de Inspectie SZW en de Staatssecretaris van SZW, onder andere in de besluiten en op de website (zie bijvoorbeeld: https:www.inspectieszw.nl/inspectie-szw/sancties-en-handhavingsmethoden/boeteprocedure).
Op basis van welke criteria wordt de beperkte capaciteit van de Inspectie SZW ingezet op de juiste problemen en mogelijke misstanden?
In het Meerjarenplan 2019–2022 dat op 15 november 2018 aan uw Kamer is toegezonden8, is uiteengezet op welke wijze de Inspectie SZW haar inzet op verschillende risico’s via een programmagerichte aanpak bepaalt. Het realiseren van een zo groot mogelijk maatschappelijk effect is hierbij leidend. De meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW is tot stand gekomen op grond van een nieuwe, verbeterde inspectiebrede risicoanalyse (IRA 4.0) en omgevingsanalyse (OMA). Binnen het domein van SZW onderscheidt de Inspectie SZW 20 hoofdrisico’s waaronder onderbetaling, gevaarlijke stoffen, onveiligheid op de werkplek en zware ongevallen, uitbuiting etc. Deze risico’s zijn afgeleid van de beleidsdoelstellingen en de wet- en regelgeving van het Ministerie van SZW. De debatten in uw Kamer en in de samenleving hebben hierbij een signalerende functie. De aangebrachte prioritering van deze verschillende risico’s zijn richtinggevend voor de programmatische aanpak van de Inspectie SZW. Daar waar de risico’s zich in een bepaalde bedrijfstak concentreren, kiest de Inspectie SZW voor een sectoraanpak, zoals bij de programma’s uitzendbureaus, zorg en asbest. Als een bepaald risico breed verspreid over de arbeidsmarkt voorkomt, kiest de Inspectie SZW voor een thematische insteek, zoals bij arbeidsuitbuiting, arbeids(markt)discriminatie en bedrijven met gevaarlijke stoffen. De vele meldingen die de Inspectie SZW jaarlijks ontvangt worden in twee aparte programma’s afgehandeld.
In het regeerakkoord 2017–2021 is € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor versterking van de handhavingsketen van het Ministerie van SZW. In het Jaarplan 2021 dat de toenmalige Staatssecretaris 11 november 2020 aan uw Kamer toestuurde en het Jaarverslag 2019 van de Inspectie SZW staat meer in detail beschreven hoe de extra middelen voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW worden ingezet. Vanwege het hierbij overeengekomen ingroeipad komt de volledige € 50 miljoen pas in 2022 ter beschikking. In haar Jaarverslagen zal de Inspectie SZW op de gebruikelijke wijze rapporteren over haar inzet en de behaalde resultaten en effecten.
Welke type misstanden, sectoren of bedrijven hebben op dit moment prioriteit bij de Inspectie SZW?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om een grondige analyse uit te voeren van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving op alle terreinen waar dit betrekking op heeft? Zo ja, wanneer stuurt u een rapport met bevindingen naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op 14 juli 2017 is naar uw Kamer de evaluatie van het handhavingsbeleid inzake sociale zekerheidswetten, inclusief het sanctieregime zoals vastgelegd in de Fraudewet verzonden.9 Aanvullend hierop is een evaluatie verricht naar de handhaving in de arbeidswetten.10 Nieuw is dat de toenmalige Staatssecretaris in zijn brief van 12 november 2020 over fraude in de sociale zekerheid toezeg om twee onderzoeken te doen naar de begrijpelijkheid van regelingen en de kennis die specifieke doelgroepen daarover hebben.11 Dit onderzoek wil ik laten uitvoeren in de eerste helft van 2021. Zodra ik de uitkomsten van het onderzoek heb zal ik deze met uw Kamer delen.
Het bericht '‘Geheim’ telefoonverkeer legt ernstige corruptie bij politie bloot' |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Geheim» telefoonverkeer legt ernstige corruptie bij politie bloot»?1
Ja.
Klopt het dat tijdens een besloten bijeenkomst over het nieuwe Multidisciplinair Interventieteam (MIT) grote zorgen zijn geuit door de politie over ambtelijke corruptie?
Ja, zij het dat dit onderwerp niet de kern van het werkbezoek was en ik door het OM en de politie al eerder over het betreffende onderzoek geïnformeerd ben.
Was u aanwezig bij deze bijeenkomst? Zo ja, heeft u daar kennisgenomen van de zorgen die de politietop heeft over ambtelijke corruptie en hoe is dit gebeurd?
Zie antwoord vraag 2.
Op welk moment, welke wijze en door wie bent u geïnformeerd over de bevindingen uit het EncroChat-onderzoek en de grote aanwezigheid van corruptie bij onze opsporingsdiensten en specifieker de politie?
Op 11 juni jl ben ik door het openbaar ministerie geïnformeerd over de bevindingen uit het onderzoek 26Lemont. Eén van deze bevindingen was dat er in een aantal zaken verdenking was ontstaan van ambtelijke corruptie binnen de politie.
De aanduiding «grote aanwezigheid van corruptie» is een weergave die ik op basis van de mij ter beschikking staande informatie niet voor mijn rekening kan nemen. Iedere zaak is er één te veel. Ik ben onder de indruk van de creativiteit, het technisch en operationele vernuft van alle betrokkenen dat geleid heeft tot het ontsluiten van het dataverkeer van vele criminelen (Enchrocat). Daarmee ontstaat zicht op mogelijke verwevenheid van de onder- en de bovenwereld waar ik natuurlijk erg bezorgd over ben, maar mij helaas niet erg verrast. Niet voor niets wil ik de ondermijning aanpakken. Dat doe ik breed en ook in deze zaken. Niet voor niets gaat een speciaal hiervoor in het leven geroepen combi-team van rijksrecherche en politie zaak voor zaak de verdenkingen na en zal na bevind van zaken handelen.
Deelt u het beeld dat in het Telegraafartikel naar voren komt dat een eerste zoekslag in 23 miljoen berichten uit het onderzoek 26Lemont een diepe verwevenheid van boven- en onderwereld laat zien, inclusief een grote kwetsbaarheid van de politie? Zo ja, welke acties neemt u, al dan niet in afwachting van het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Zonder in te gaan op het lopende onderzoek is het helder dat criminelen invloed proberen uit te oefenen op de bovenwereld; van private faciliteerders van criminaliteit tot ook overheden en dus ook de politie. De verwevenheid van bovenwereld met onderwereld gaat heel breed. Dat moet aangepakt worden. Reden waarom ik nu juist sterk inzet op de aanpak van de ondermijnende criminaliteit.
Met het encrochat onderzoek is belangrijke informatie over de werkwijzen van criminelen verkregen. Hierop worden stappen ondernomen.
In mijn brief van 13 oktober 2020, met als onderwerp «Onderzoek Encrochat» heb ik aangegeven welke investeringen ik in de capaciteit van de rijksrecherche heb gedaan in het kader van het breed offensief tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.2
Tegelijkertijd met de beantwoording van de vragen informeer ik uw Kamer over het integriteitsstelsel van de politie. Dit was al in de maak maar de urgentie om te handelen wordt nog eens onderstreept door wat we leren uit het hier van belang zijnde onderzoek. In de vernieuwing op het integriteitsstelsel spelen een verbeterde signalering en screening een rol maar ook een meer heldere organisatiestructuur en protocollering.
Kunt u aangeven hoe uw aanpak van corruptie bij de politie vormgegeven is, voordat deze informatie bij u bekend was en daarna?
Wanneer er signalen komen van corruptie, dan worden deze altijd onderzocht door het VIK en/of de Rijksrecherche, onder leiding van het openbaar ministerie.3 Als door het OM strafbare feiten worden vastgesteld wordt het strafrechtelijk dossier, of een extract daarvan, op grond van de WPG ter beschikking gesteld van de werkgever ten behoeve van disciplinaire beoordeling en bestraffing.
Daarnaast is er de afgelopen jaren door de politie, door middel van het nemen van een aantal preventieve en repressieve maatregelen op het gebied van haar integriteits-, autorisatie- en screeningsbeleid, fors ingezet op het voorkomen van corruptie en ander oneigenlijk gebruik van politie-informatie. Om medewerkers bewust te maken en het goede gesprek te stimuleren over integriteit is hiervoor een toolbox ontwikkeld. Ook gaan teamchefs en Operationeel Experts op leiderschapstraining.
Tevens hanteert de politie het vierogen-principe, waarbij de aanvraag voor een autorisatie boven een bepaald niveau door een extra leidinggevende wordt getoetst. Om zicht te houden op het gebruik van de systemen, worden deze aangesloten op de Logging as a Service (LaaS) omgeving. In deze omgeving wordt bijgehouden wie, wanneer, welke informatie heeft geraadpleegd. Hiermee wordt de wijze van logging geüniformeerd.
13 oktober jl is het wetsvoorstel «Screening ambtenaren van politie en politie-externen» aangenomen. Dit voorstel intensiveert de screening van politieambtenaren op integriteit. Het huidige screeningsinstrumentarium van de politie worden met deze genoemde maatregelen uitgebreid en verstevigd. Om een goed beeld te krijgen van de betrouwbaarheid van een kandidaat-politieambtenaar wordt ook gekeken naar factoren die een risico kunnen vormen voor de integriteit van de politieambtenaar. In bepaalde gevallen kan hierbij de omgeving van de politieambtenaar worden betrokken.
Daarnaast wordt het dankzij deze wet mogelijk om politiemedewerkers, ten aanzien van wie een betrouwbaarheidsonderzoek heeft plaatsgevonden, tijdens hun werkzaamheden continu te screenen en worden zij verplicht om relevante wijzigingen in hun persoonlijke situatie te melden. Beide genoemde middelen zijn, naast het doen van onderzoek naar de betrouwbaarheid van politiemedewerkers, bedoeld om corruptie bij de politie zo veel mogelijk te voorkomen en, indien daarvan sprake is, in een vroegtijdig stadium proactief in te kunnen grijpen.
Zoals ik u in eerdergenoemde brief van 13 oktober 2020 heb bericht is in opdracht van de korpschef een interne evaluatie uitgevoerd van de afdelingen VIK, gericht op het proces van interne onderzoeken. De evaluatie en beleidsreactie «contouren vernieuwd stelsel integriteit en interne onderzoeken» heb ik uw Kamer op 12 november jl. doen toekomen.
Klopt het dat een 33-jarige politieman is aangehouden voor schending van het ambtsgeheim, ambtelijke corruptie en computervredebreuk en dat deze corruptiezaak tot gevolg heeft dat rechercheonderzoeken schade hebben opgelopen?
Het klopt dat er een 33-jarige politieman is aangehouden voor genoemde feiten. Ik kan geen nadere mededelingen doen hierover, omdat het een lopend onderzoek betreft.
Hoeveel rechercheonderzoeken hebben mogelijk schade opgelopen? Indien dit nog niet te zeggen is, gezien het feit dat onderzoeken nog lopen, wat betekent dat dan voor de continuering van deze rechercheonderzoeken?
Ik kan hierover geen nadere mededelingen doen aangezien het lopende onderzoeken betreft.
Bent u bereid de korpschef te vragen wat hij van u nodig heeft in de strijd tegen corruptie, ook om de goedwillende politiemensen te beschermen en bent u bereid deze maatregelen te treffen? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek? Zo nee, waarom niet?
De korpschef en ik spreken elkaar regelmatig over dit thema. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Klopt het dat er een speciaal team (Team Aanpak Corruptie) is opgetuigd om corruptie nader te onderzoeken? Zo ja, op basis van welke analyse gebeurt dit en wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Op 11 juni jl. ben ik door het openbaar ministerie geïnformeerd over de resultaten van het Encrochat-onderzoek. Naar aanleiding van de informatie uit het Encrochat-onderzoek, waarbij signalen van ambtelijke corruptie naar boven zijn gekomen, wordt onderzoek verricht door een speciaal hiervoor opgericht team. Dit «Team Aanpak Corruptie» staat onder leiding van de Rijksrecherche en wordt ondersteund door rechercheurs van de landelijke eenheid, om zo optimaal gebruik te maken van de reeds opgedane kennis en expertise. Zij voeren samen onder het gezag van de officier van justitie de opsporingsonderzoeken uit. In mijn brief van 13 oktober 2020 heb ik u hierover bericht.4
Wie zitten er, en met welke opdracht, in dit speciale team?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de werkzaamheden van dit speciale team, strafrechtelijke onderzoeken naar corruptie niet in de weg zitten?
Eén van de taken van de Rijksrecherche is om strafrechtelijk onderzoek te doen naar ambtelijke corruptie. Het «Team Aanpak Corruptie» is speciaal opgericht om strafrechtelijk onderzoek te doen naar de signalen van corruptie uit de Encrochat-informatie. Het team staat onder leiding van de Rijksrecherche en onder gezag van de officier van justitie.
Deelt u de mening dat de recente bevindingen dat er meerdere signalen van corruptie bij de politie naar voren zijn gekomen en dat meerdere rechercheonderzoeken hierdoor geraakt kunnen zijn, ook de pijlers van de aanpak van drugscriminaliteit kunnen ondermijnen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan en waarom is dit niet met de Kamer gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet kan ik niet in gaan op lopende strafrechtelijke onderzoeken. Deze worden uitgevoerd onder gezag van de officier van justitie. In algemene zin ben ik van mening dat onderzoeken naar servers van versleutelde communicatie (zoals Encrochat) van onschatbare waarde zijn voor de aanpak van de veelal verborgen (inter)nationale georganiseerde, ondermijnende criminaliteit en onwenselijke vermenging met de bovenwereld, waaronder ambtelijke corruptie. Opsporing- en handhavingsdiensten hebben integriteit hoog in het vaandel staan. Rotte appels worden actief opgespoord en aangepakt en daarnaast is een goed integriteitsbeleid onontbeerlijk.
Eerder heb ik al bericht dat ik in het kader van het breed offensief heb geïnvesteerd in de capaciteit van de Rijksrecherche en het openbaar ministerie. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 18 juni jl.5
Klopt het dat u in het notaoverleg Strafrechtelijke Onderwerpen van 21 september jl. aangeeft op vragen van Kamerleden dat zij in De Telegraaf hebben kunnen lezen dat de korpschef heel duidelijk zegt dat er nu een speciale anticorruptie- eenheid is ingericht? Bent u het eens dat het onderwerp zo relevant is voor alle agenten die integer zijn en hun organisatie schoon van corruptie willen zien en voor de aanpak van ondermijning, dat het aan u is dit met de Kamer te delen en bent u daartoe bereid? Kunt u een toelichting hierop geven?.
Dat klopt. Dit is ook na te lezen in het verslag van dit notaoverleg.6 Bij de beantwoording van vragen 10 en 11 ben ik ingegaan op de oprichting van het «Team Aanpak Corruptie» en daarnaast verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u aangeven bij welke andere veiligheids- en/of opsporingsdiensten corruptie ontdekt is en wat dit betekent voor de aanpak van de georganiseerde misdaad?
Ik doe verder hierover vooralsnog geen uitspraken, omdat het gaat over lopende onderzoeken, uitgevoerd onder gezag van de officier van justitie. Veiligheids- en opsporingsdiensten moeten een goed integriteitsbeleid en -stelsel hebben. Zoals criminelen steeds nieuwe wegen vinden, vinden opsporingsdiensten ook nieuwe wegen om de georganiseerde misdaad een slag toe te brengen zoals het Encrochatonderzoek aantoont.
KLopt het dat onlangs extra middelen zijn vrijgemaakt voor de aanpak van ondermijning? Hoe kunt u waarborgen dat deze middelen goed besteed worden en dat de aanpak van georganiseerde misdaad niet ondermijnd wordt door corruptie?
Zoals ik u in mijn brief van 18 juni jl.7 heb geïnformeerd zijn er in de voorjaarsnota 2020 extra middelen vrijgemaakt voor de aanpak van ondermijning. De afgelopen jaren is een groeiend aantal ernstige lek- en corruptiezaken door de Rijksrecherche onderzocht, waarbij ook regelmatig contact met de georganiseerd criminaliteit werd waargenomen. Deze complexe onderzoeken leiden tot een aanmerkelijke druk op de capaciteit van de Rijksrecherche. In het kader van het breed offensief heb ik onder andere fors geïnvesteerd in de noodzakelijke uitbreiding van capaciteit van de Rijksrecherche en de vervolgingscapaciteit van het openbaar ministerie. Ambtelijke corruptie is een ernstig ondermijnend effect van de georganiseerde misdaad. Een goed toegeruste Rijksrecherche is dan ook een belangrijke samenwerkingspartner van het multidisciplinair interventieteam. In mijn gesprekken met deze partijen zie ik erop toe dat de middelen besteed worden voor het doel waarvoor zij bedoeld zijn. Het is van belang dat organisaties een goed integriteitsbeleid en -stelsel hebben.
Klopt het voorts dat de politie aangeeft al langere tijd software te willen invoeren waarmee verdacht zoekgedrag door politiemensen binnen de systemen automatisch wordt opgemerkt, maar dat zij tegen privacywetgeving aanlopen? Welke acties heeft u tot nu toe ondernomen en onderneemt u om deze belemmeringen op te heffen en ervoor te zorgen dat integriteitsschendingen sneller aangepakt kunnen worden?
De politie is verantwoordelijk voor een grote hoeveelheid aan gegevens. Misbruik van informatie moet daarbij voorkomen worden. Daarnaast moet informatie beschikbaar blijven en niet door technische bedreigingen (bijvoorbeeld een virus of malware) beschadigd worden of onbeschikbaar raken. Op dit moment draait er een pilot waarmee kan worden bijgehouden wie, wanneer, welke informatie heeft geraadpleegd (atypisch bevragen). Deze monitoring op atypische signalen is overigens gefocust op datagebruik en niet in de eerste plaats op individuele politiemedewerkers. Mocht blijken dat het een individu betreft, dan zal de betreffende melding (overigens is niet elke melding plichtsverzuim) bij het sectorhoofd worden neergelegd en het reguliere proces gevolgd worden. Het doel is om oneigenlijk gebruik van politie-informatie en politie-systemen proactief te herkennen en hier adequate opvolging aan te geven. Momenteel draait er binnen de politie een pilot met dit systeem. Deze pilot wordt in het tweede kwartaal van 2021 afgerond.
Hierbij is geen sprake van belemmeringen ten gevolge van privacywetgeving. Voor de verwerking van de gegevens is een zogenaamde gegevenseffectbeoordeling (GEB) opgesteld. In deze GEB staan het verwerkingsdoel van de verkregen data en de juridische grondslag benoemd en onderbouwd.
Voor overige acties die zijn en worden ondernomen op dit gebied verwijs ik u naar het antwoord dat ik heb gegeven op vraag 6.
In de Telegraaf van 18 september geeft u aan dat vooral meer corruptie wordt waargenomen, niet dat er meer agenten zijn dan vroeger, waar baseert u dit op?
Ik heb mijn uitspraken gedaan op basis van de stappen die de afgelopen jaren binnen de politie zijn gezet om corruptie eerder te onderkennen. In de beantwoording van vraag 6 zijn deze stappen door mij benoemd. Dit heeft erin geresulteerd dat politieagenten op dit gebied alerter zijn geworden en dat corruptie eerder wordt herkend en erkend. Daarnaast zijn onderzoeken als dat naar EncroChat, maar eerder ook Ennetcom, IronChat en PGP-safe niet alleen van onschatbare waarde bij het verkrijgen van inzicht in de aard, omvang en werkwijzen van criminele netwerken, maar helpen zij ook bij het blootleggen van de aard en de omvang van bestaande corruptie binnen de politie.
Ook geeft u in dat artikel aan dat het goed is dat nu integriteitsschendingen aangepakt kunnen worden, op welke wijze gaat u dit doen?
Zie het eerste deel van mijn antwoord op vraag 6 en het antwoord op vraag 17.
Bent u van mening dat corrupte agenten snel en effectief aangepakt moeten worden om er voor te zorgen dat al die politiemensen die elke dag met de beste bedoelingen op hun werk verschijnen, beschermd worden? Zo ja, welke acties heeft u hiervoor genomen, naast de wet screening ambtenaren van politie en politie-externen?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 6.
Deelt u de mening dat structurele, goede screening van cruciaal belang is voor het beschermen van integere agenten, voor het functioneren van de politieorganisatie en het tegengaan van ondermijning? Kunt u hierop een toelichting geven?
Ik ben met u van mening dat een goede, structurele screening van cruciaal belang is. Het aangenomen wetsvoorstel «Screening ambtenaren van politie en politie-externen» verstevigt het huidige screeningsinstrumentarium van de politie met o.a. een wettelijke grondslag voor het screenen van externen, een continue controle op wijzigingen in justitiële documentatie, een meldingsplicht en herhaalonderzoeken. Daarnaast kan beter inzicht worden gekregen in gegevens over verslavingen of andersoortige afhankelijkheden die mogelijk van invloed zijn op de integriteit van de politieorganisatie. Zowel politieambtenaren als externen worden niet meer alleen voorafgaand maar ook tijdens hun werkzaamheden gescreend, dit is een grote verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De mate van zwaarte van de screening is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden. Bij functies met een verhoogd risico wordt ook de directe omgeving meegenomen. Met deze genoemde maatregelen kunnen risico’s voor de politieorganisatie vroegtijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Hoe verklaart u dat een aspirant-agent, broer van een terreurverdachte, nog langdurig in dienst kon blijven na afgepakt rijbewijs en illegaal werk voor een taxibedrijf?2 Wat zegt dit over de screening van (aspirant-) agenten en welke acties zijn genomen om falende screening te voorkomen?
Op individuele cases kan ik niet ingaan. Met betrekking tot acties die zijn genomen om de screening te verbeteren kan ik zeggen dat het in de vorige vraag genoemde wetsvoorstel «Screening ambtenaren van politie en politie-externen» hiervoor is bedoeld. In dit voorstel is uitbreiding van het betrouwbaarheidsonderzoek geregeld, waardoor continue screening van politieambtenaren mogelijk wordt.
Wat betekenen deze bevindingen voor het aannamebeleid van nieuwe agenten en ander personeel bij de politie?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 6.
Wat betekenen deze bevindingen voor de toegang tot informatie van een agent? Hoe wordt geborgd dat integere agenten niet belemmerd worden in hun dagelijkse werk en dat tegelijkertijd degenen die informatie door (willen) spelen aan criminelen niet de kans daartoe krijgen?
Het wetsvoorstel «Screening ambtenaren van politie en politie-externen» is ingediend, juist om de screening van politiemedewerkers aan te scherpen en werknemers die bij wie er onvoldoende waarborgen zijn over hun betrouwbaarheid zijn te weren. Deze krijgen dan ook geen toegang tot de verschillende informatiebronnen die politieagenten tot hun beschikking hebben. Wanneer er signalen zijn dat agenten informatie door (willen) spelen aan criminelen dan wordt hier langs de gebruikelijke weg actie op ondernomen.
Wel maken zowel het genoemde wetsvoorstel, alsook de genomen maatregelen, waaronder de invoering van LaaS het mogelijk om dergelijke onverkwikkelijkheden eerder te onderkennen en hier zodoende ook eerder tegen op te treden.
Klopt het dat er ook agenten zijn die vrezen voor hun veiligheid als ze niet meewerken met criminelen en uit angst voor henzelf of hun familieleden de fout ingaan? Wat zijn de mogelijkheden voor agenten die geïntimideerd worden om tijdig hulp in te schakelen en ziet u hier verbetermogelijkheden? Zo ja, welke? Zo nee, op basis van welke analyse niet?
Ik kan niet ingaan op individuele gevallen of op zaken waarnaar onderzoek wordt verricht. Voor agenten die vrezen voor hun eigen veiligheid of die van hun familie bestaan verschillende mogelijkheden ter bescherming, uiteenlopend van extra toezicht op de woning van de politieambtenaar tot en met beschermingsmaatregelen in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen. Belangrijk is dat de individuele werknemer, zodra er sprake is van een dergelijke situatie, zich meldt bij zijn leidinggevende waarna deze hem kan ondersteunen en zorg kan dragen voor het nemen van passende maatregelen. De teamchef van de politieambtenaar is de eerst verantwoordelijke ten aanzien van de zorg. Voor politieambtenaren geldt dat zij na een incident te allen tijde een gesprek aangeboden krijgen met het team collegiale ondersteuning (TCO) en waar nodig worden doorverwezen naar de zorglijn binnen het korps. Bijstand van de betreffende medewerker, administratieve en/of juridische hulp wordt geleverd door de casemanager GTPA.
Ik heb geen signalen gekregen dat dit proces onvoldoende functioneert of verbeterd moet worden.
Bent u van mening dat het ongelooflijk zuur is voor alle agenten die dag en nacht zich inzetten voor onze veiligheid, om geconfronteerd te worden met collega’s die corrupt zijn en de beeldvorming die daaruit kan volgen? Zo ja, wat doet u concreet om ervoor te zorgen dat alle agenten die van goede wil zijn, zich gesteund weten?
Wij hebben een politiekorps van bijna 65.000 mensen. Ik sta voor de kwaliteit en de integriteit van deze mensen. Ik spreek mij hierover zeer regelmatig zeer duidelijk uit. Ik doe dit niet alleen publiekelijk maar ook richting de agenten zelf. Zij mogen zich door mij gesteund weten.
Daarnaast houden zowel de korpschef als ik ons intensief bezig met het voorkomen van en de aanpak van corruptie. Hierdoor mag de overgrote meerderheid van goedwillende agenten weten dat wij dit niet accepteren en niet tolereren. Ook op deze manier laten wij zien al die integere politiemedewerkers te steunen.
Kunt u aangeven wat de politieorganisatie nodig heeft om corruptie aan te pakken en welke acties ondernomen worden om dit te realiseren?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 6.
Bent u van mening dat het actief en stevig optreden van de politietop tegen corruptie binnen de eigen organisatie het zelfreinigend vermogen van het apparaat, de integriteit en professionaliteit van onze politiemensen benadrukt en dus op alle mogelijke manieren ondersteund dient te worden? Zo ja, hoe gaat u deze ondersteuning vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Wanneer blijkt dat de politie ondersteuning nodig heeft bij haar optreden dan zal ik die desgevraagd geven. Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen dat er meer ondersteuning nodig is.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid beantwoorden?
Ja.