Woningeigenaren die huren bij een woningcorporatie |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sociaal huren, met een pied-à-terre in de grachtengordel»?1
Ja.
Is het waar dat er ruim duizend mensen een woning huren van een woningcorporatie terwijl sommige meer dan 15 woningen in eigendom hebben?
Uit onderzoek van het Kadaster is naar voren gekomen dat 1055 personen een woning bij een woningcorporatie huren en tegelijk twee of meer koopwoningen in eigendom hebben. Het Kadaster heeft niet onderzocht hoeveel mensen met één koopwoning in een corporatiewoning wonen, omdat er tijdelijke situaties kunnen bestaan van mensen die doorstromen naar de koopsector of andersom, of bijvoorbeeld situaties van mensen in een scheiding. Uiteraard kan ook het hebben van één koopwoning een indicatie zijn dat een sociale huurwoning niet nodig is om te kunnen voorzien in woonruimte.
In het onderzoek van het Kadaster is geen uitsplitsing gemaakt naar eigenaars van woningen die een corporatiewoning huren in de sociale woningvoorraad, of een duurdere corporatiewoning in de vrije sector.
Wat vindt u van deze praktijk waarbij broodnodige woningen worden verhuurd of worden gebruikt als tweede woning terwijl er een enorme woningnood heerst?
Het is ongewenst als een huurder een sociale huurwoning van de woningcorporatie «bezet houdt», als hij niet op die woning is aangewezen om te voorzien in zijn woonbehoefte vanwege het bezit van één of meer koopwoningen. Sociale huurwoningen zijn bedoeld voor mensen met een smallere beurs, die op de woningmarkt niet zelfstandig kunnen voorzien in betaalbare en kwalitatief goede huisvesting.
Klopt het dat in Súdwest-Fryslân een corporatiebewoner 59 huurwoningen bezit? Hoe is dat mogelijk? Bent u het ermee eens dat deze woning per direct beschikbaar gesteld moet worden aan mensen die smachten naar een betaalbare huurwoning?
Uit het onderzoek door het Kadaster is naar voren gekomen dat een huurder van een woningcorporatie in Súdwest-Fryslân 59 koopwoningen in eigendom heeft. Zoals hierboven vermeld is niet onderzocht of het bij de in het artikel beschreven situaties sociale huurwoningen betreffen, of duurdere corporatiewoningen in de vrije sector. Dat is dus ook voor deze casus niet bekend.
Indien het hier inderdaad een sociale huurwoning zou betreffen, dan is het ongewenst dat deze woning niet beschikbaar is voor een huurder die op de sociale huursector is aangewezen om te voorzien in zijn woonbehoefte. Het stelsel van sociale verhuur is bedoeld om te voorzien in betaalbare en kwalitatief goede woningen voor de mensen met een smallere beurs. Dit is moeilijk te rijmen met de beschreven situatie. Ik vind het belangrijk om te onderzoeken hoe groot de problematiek is die in het eerdergenoemde artikel is geagendeerd en welke mogelijkheden er zijn om dit aan te pakken.
Deelt u de mening dat iemand die 59 woningen bezit niets te zoeken heeft in een sociale huurwoning? Deelt u de opvatting van de lokale PvdA dat «It echt te gek foar wurden» is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Dit kan toch niet door de beugel?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat woningen niet bedoeld zijn om te verzamelen maar om in te wonen? Zo ja, steunt u de voorstellen voor het ontmoedigen van het verzamelen van woningen door middel van de voorgestelde Prins Bernardbelasting?
Ik deel dat woningen bedoeld zijn om in te wonen. Er is behoefte aan zowel woningen in het koopsegment als in het huursegment. Om te zorgen voor voldoende huurwoningen zijn verhuurders nodig. Tegelijkertijd ontstaan er door de huidige krapte excessen op de woningmarkt, waardoor het voor diverse groepen, zoals starters en mensen met een middeninkomen, steeds lastiger wordt om een passende woning te vinden. Het kabinet richt zich op het aanpakken van deze excessen en het verbeteren van de positie van starters en mensen met een middeninkomen. Zo is per 1 januari 2021 de Wet differentiatie overdrachtsbelasting in werking getreden. Met deze wet is een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor starters2 ingevoerd, zodat zij minder lang hoeven te sparen voor hun kosten koper. Daarnaast zorgt een beperking van de reikwijdte van het verlaagde tarief van 2% voor de overdrachtsbelasting ervoor dat personen alleen nog in aanmerking komen voor dit verlaagde tarief, indien zij zelf in de woning gaan wonen. Andere kopers, zoals beleggers, betalen vanaf 1 januari 2021 het algemene tarief. Het algemene tarief is per 1 januari 2021 verhoogd van 6% naar 8%. De differentiatie moet de positie op de woningmarkt van starters en doorstromers verbeteren ten opzichte van beleggers.
Met de voorgestelde belasting zouden personen die in het bezit zijn van een vastgoedportefeuille met meer dan vijf woningen inkomstenbelasting moeten betalen over huurinkomsten en vermogenswinsten. In de huidige systematiek worden personen die in het bezit zijn van een vastgoedportefeuille met meer dan vijf woningen niet automatisch aangemerkt als ondernemer voor de inkomstenbelasting. De omvang van een vastgoedportefeuille is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een onderneming. Het introduceren van een numerieke grens gaat in tegen de huidige systematiek en de bestendige jurisprudentie dat pas sprake is van een onderneming indien de bezitting is gericht op het verkrijgen van een hogere waardestijging en rendement daarvan, dan bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Indien een vastgoedportefeuille niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, behoren de bezittingen – afgezien van een situatie van terbeschikkingstelling aan de eigen vennootschap of aan de onderneming van de fiscale partner- tot de rendementsgrondslag van box 3 en worden deze bezittingen belast tegen een forfaitair rendement. Een numerieke grens is bovendien arbitrair. Het voorstel om personen die in het bezit zijn van meer dan vijf woningen aan te merken als ondernemer, steunt het kabinet dan ook niet. Zoals beschreven heeft het kabinet andere maatregelen genomen om de positie van starters op de woningmarkt ten opzichte van beleggers te verbeteren.
Waarom is het op dit moment mogelijk om in aanmerking te komen voor een corporatiewoning wanneer iemand een woning in eigendom heeft?
Bij de toewijzing van sociale huurwoningen wordt op basis van de wet- en regelgeving het huishoudinkomen getoetst om te bepalen of iemand tot de doelgroep behoort en welk soort woning zou moeten worden toegewezen. De inkomenstoets behelst het inkomen inclusief het «inkomen uit sparen en beleggen» uit box 3. Het vermogen telt dus bij de toewijzing van de sociale huurwoning indirect mee. Deze inkomenstoets filtert die mensen eruit die niet tot de doelgroep voor sociale huur behoren. Deze mensen komen dan niet in aanmerking voor een sociale huurwoning van een woningcorporatie.
Vermoedelijk betreft het in de beschreven situatie – voor zover het om sociale huurwoningen gaat – huurders die tijdens de loop van het huurcontract het eigendom van één of meer woningen hebben verkregen.
Bent u bereid om voortaan te laten toetsten op eigen woningbezit alvorens iemand in aanmerking komt voor een sociale huurwoning? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat sociale huurwoningen bedoeld zijn voor de mensen met een smallere beurs, die op sociale huur zijn aangewezen voor een woning. Bedacht moet worden dat er tijdelijke situaties kunnen bestaan van mensen die doorstromen naar de koopsector of andersom, of bijvoorbeeld situaties van mensen in een scheiding. Ik vind het belangrijk om te onderzoeken hoe groot de problematiek is die in het eerdergenoemde artikel is geagendeerd en welke mogelijkheden er zijn om dit aan te pakken. Als de problematiek goed in beeld is, kan ik mogelijke oplossingen beoordelen.
Corporaties hebben zelf de mogelijkheid om in het huurcontract van de sociale huurwoning op te nemen dat de huurder geen woning(en) voor langere tijd in eigendom heeft. (Voor langere tijd, immers ongewenste situaties moeten worden voorkomen voor huurders die een woning erven, of gekocht hebben maar nog niet zijn verhuisd). Wanneer de huurder dan toch voor langere tijd één of meer woningen in eigendom zou hebben, dan kan de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen wegens contractbreuk. Het is aan corporaties om een dergelijke bepaling in het huurcontract op te nemen.
Ook kan een woningcorporatie de huurovereenkomst opzeggen wanneer zij kan beargumenteren dat «zij de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft» (artikel 7:274 lid 1 onder c BW). Het is uiteindelijk aan de rechter om te toetsen of dit houdbaar is. Dat eigen gebruik zou dan bestaan uit het weer te huur kunnen aanbieden van de woning aan een kandidaat-huurder die op de betaalbare huurwoningen van woningcorporaties is aangewezen. Te verwachten is dat een woningcorporatie zich alleen dán met succes op deze opzeggingsgrond zou kunnen beroepen, wanneer in het huurcontract uitdrukkelijk is opgenomen dat de huurder behoort tot de doelgroep waarvoor de sociale huurwoning bedoeld is. Heeft de huurder op enig moment één of meer eigen woningen (voor langere tijd) in bezit, dan is dat een indicatie dat hij niet meer tot de doelgroep behoort. Hierbij moet worden opgemerkt dat de wet geen specifieke invulling kent van het «dringend eigen gebruik» van een huurwoning, in relatie tot het in eigendom hebben van woningen door de huurder.
Deelt u de mening dat sociale huurwoningen bedoeld zijn voor mensen die niet al een eigen huis bezitten? Bent u bereid het recht op een sociale huurwoning te laten vervallen om dit soort situaties te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Aangezien een deel van de woningen wordt verhuurd aan arbeidsmigranten die vaak in erbarmelijke omstandigheden moeten leven, deelt u de mening dat een landelijke verhuurdersvergunning nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik zal u binnenkort per brief informeren over mijn gedachten bij eisen aan verhuurders en een landelijke verhuurdervergunning, zoals dit ook door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid namens mij onlangs is toegezegd tijdens het AO Arbeidsmigranten.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te treden met de corporaties om deze onttrokken woningen weer ter beschikking te stellen aan mensen die een woning nodig hebben? Zo nee, waarom niet?
Ik ga nader onderzoek doen naar deze problematiek. Het is belangrijk dit van geval tot geval te bekijken. Het is aan individuele corporaties om te bezien hoe zij om willen gaan met huurders in een sociale huurwoning die één of meer eigen woningen bezitten.
Het rapport ‘Basel III Reforms: Updated Impact Study’ uit december 2020 |
|
Roald van der Linde (VVD), Aukje de Vries (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «Basel III Reforms: Updated Impact Study» van de European Banking Authority (EBA) uit december 2020?
Ja.
Deelt u de conclusie van de EBA dat Nederlandse banken naar verwachting gemiddeld 21% meer kapitaal moeten aanhouden onder «Bazel 3.5»? In hoeverre worden aan Nederlandse banken hogere kapitaaleisen gesteld dan aan banken in andere EU-lidstaten? Wat betekent dat voor de kredietverlening in Nederland? Welke gevolgen heeft dit voor de verstrekking van hypotheken en de financiering van de energietransitie?
De analyse van EBA is gebaseerd op data van rond de 100 Europese banken, waaronder zeven Nederlandse, over het laatste kwartaal van 2019. De EBA schat op basis van deze analyse voor deze Nederlandse banken een stijging van de tier-1 kapitaalvereisten van rond de 21%. Deze inschatting is gebaseerd op de volledige implementatie van Bazel 3.5 aan het einde van het ingroeipad in 2028.
De kern van het Bazel-raamwerk is dat banken genoeg kapitaal dienen aan te houden voor de risico’s die ze lopen. Het is dus niet zo dat de richtlijnen bepalen welke activiteiten wel of niet gefinancierd mogen worden. Er worden slechts minimumeisen gesteld aan de wijze waarop banken risico’s dienen af te dekken. Daarnaast is het op dit moment nog onduidelijk hoe Bazel 3.5 binnen de EU geïmplementeerd zal worden. Naar verwachting presenteert de Europese Commissie (CIE) in de eerste helft van dit jaar haar wetgevende voorstel ten aanzien van Bazel 3.5. Zodra de CIE met een wetgevend voorstel komt, zal het kabinet uw Kamer informeren over haar inzet volgens de gebruikelijke weg van een BNC-fiche. Daarna zal een Europees onderhandelingstraject volgen.
Na implementatie van Bazel 3.5 in Europa zullen de Bazelse eisen in alle EU-lidstaten gelden en zullen er dus geen hogere kapitaaleisen aan Nederlandse banken worden gesteld dan aan banken in andere EU-lidstaten. Wel is het zo dat de impact voor een groot deel afhankelijk is van de samenstelling van de balans, activiteiten en verschillen in de vaststelling van risicowegingen van individuele banken. Hierdoor zal de impact per bank en per lidstaat verschillen. Eerder heb ik u geschreven dat de Nederlandse hypotheekportefeuilles een belangrijke factor zijn in de impact voor Nederlandse banken.1 De precieze gevolgen van Bazel 3.5 op de kredietverlening en de financiering van de energietransitie hangt voor een groot deel af van de uiteindelijke vormgeving van het wetgevend voorstel voor de implementatie in Europa en de keuzes die banken maken om aan de nieuwe eisen te voldoen. Daarover is dus meer te zeggen zodra dat voorstel er is.
Klopt het dat banken onder Bazel 5 onderpand minder zwaar mogen laten wegen bij het bepalen van de risico’s? Is het juist dat banken daardoor risico’s in de toekomst aanzienlijk hoger moeten inschatten dan op basis van historische verliezen nodig is?
Bazel 3.5 richt zich op het beperken van de variabiliteit in risicogewichten die banken zelf met interne modellen berekenen. In de afgelopen jaren is gebleken dat de variatie in de risicowegingen, en daarmee de kapitaalratio’s van banken, niet altijd te verklaren waren door verschillen in onderliggende risico’s in de portefeuilles. Door Bazel 3.5 moeten banken met overeenkomstige risico’s een meer vergelijkbare hoeveelheid kapitaal aanhouden, waardoor het speelveld voor banken gelijker wordt.
Eén van de maatregelen om de variabiliteit te beperken is de introductie van minimumwaardes voor de inputvariabelen die worden gebruikt bij de interne risicoberekening. Het onverwachte verlies, waarvoor banken kapitaal dienen aan te houden, wordt hierbij berekend op basis van de verwachting dat wanbetaling optreedt en het potentiële verlies gegeven wanbetaling. Voor zowel het verwachte verlies als het potentiële verlies gegeven wanbetaling zullen minimumwaardes gaan gelden. De minimumwaarde voor het potentiële verlies gegeven wanbetaling is gekoppeld aan de vorm van onderpand. In het geval er geen onderpand is volgt er bijvoorbeeld een hogere minimumwaarde dan wanneer grond of een woning als onderpand dient. Bazel 3.5 introduceert voor verschillende categorieën onderpand verschillende minimumwaardes die het risico van het onderpand reflecteren.
De introductie van deze minimumwaardes heeft tot doel dat alle banken een minimum aan kapitaal aanhouden voor deze activiteiten. Dit minimum aan kapitaal dient niet alleen bescherming te bieden voor verliezen als gevolg van de conjunctuurcyclus, maar ook tegen stresssituaties die zich niet in het recente verleden hebben voorgedaan.
Herinnert u zich de notitie «Inkomsten en verdienmodel van agrarische ondernemers» van de Nederlandse Vereniging van Banken uit juli 2020 en de toezegging van de Minister van LNV om daarover overleg te voeren met de Minister van Financiën1? Heeft dit overleg inderdaad op het niveau van de ministers plaatsgevonden? Zo ja, wat was de conclusie, welke acties zijn door de respectievelijke ministers op nationaal en internationaal niveau in gang gezet en wat is de stand van zaken op dit moment? Zo nee, waarom niet?
Er is op ambtelijk niveau overleg geweest tussen de ministeries van Financiën en LNV over de notitie «Inkomsten en verdienmodel van agrarische ondernemers» en er is hierover gezamenlijk gesproken met de NVB. De precieze gevolgen van Bazel 3.5 op de kredietverlening en de financiering van de landbouw hangen voor een groot deel af van de uiteindelijke vormgeving van de implementatie in Europa en van de keuzes die banken maken om aan de nieuwe eisen te voldoen. Zoals de Minister van LNV eerder aan de Vaste Commissie LNV heeft gemeld verwachten we het voorstel van de CIE ter implementatie van Bazel 3.5 in de eerste helft van dit jaar.3 Dit voorstel zal worden vergezeld door een brede impactanalyse van de CIE, in aanvulling op de impactanalyses die de EBA al heeft gedaan. Op basis van het daadwerkelijke voorstel en deze impactanalyse zal het kabinet haar definitieve inzet bepalen. In de tussentijd blijven de ministeries van Financiën en LNV in gesprek met de banken om ook de gevolgen voor agrofinanciering verder te verkennen.
Deelt u inmiddels de conclusie dat de kredietverlening aan agrarische ondernemingen onevenredig hard wordt getroffen? Wat gaat u daar in concreto aan doen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven welke andere sectoren in het bijzonder worden getroffen door Bazel 3.5? Hebt u hiervoor een impactanalyse laten opstellen? Zo nee, waarom niet? Bent u dan bereid om, vooruitlopend op verdere bespreking en besluitvorming en in samenwerking met banken en bedrijfsleven, zo’n analyse op te zetten? Bent u bereid om naast een Nederlandse impactanalyse ook in Europees verband te pleiten voor een impactanalyse, zodat ook andere lidstaten inzichtelijk krijgen wat de gevolgen zijn?
De impact van Bazel 3.5 is in belangrijke mate afhankelijk van de exacte implementatie van de Bazelse richtlijnen in de Europese wet- en regelgeving. Het wetgevende voorstel van de CIE zal voorzien worden van een uitgebreide impactanalyse. Deze impactanalyse zal ingaan op de gevolgen voor verschillende typen banken. Ik vind een dergelijk impactanalyse noodzakelijk om de gevolgen voor de Europese banken in kaart te brengen. Bovendien heeft EBA, mede op verzoek van de CIE, al diverse impactanalyses gedaan.4 Deze impactanalyses zijn gedetailleerd en toegesneden op vragen die rondom de Europese implementatie spelen. Daarnaast is er regelmatig contact met de banken om de gevolgen van de implementatie van Bazel 3.5 te bespreken.
Hoe voorkomt u dat banken door Bazel 3.5 de kredietverlening inperken of de kosten verhogen?
Om te voorkomen dat banken plotseling geconfronteerd worden met hogere kapitaaleisen door de implementatie van Bazel 3.5 kent het voorstel een lang ingroeipad. Dit moet banken de gelegenheid geven om tijdig aan de nieuwe eisen te voldoen. Het is uiteindelijk echter aan de banken om te bepalen op welke wijze zij daar invulling aan gaan geven.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het aanstaande verkiezingsreces?
Ja.
Het maximum SV-loonbedrag van de NOW |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om de voorgenomen verlaging van het maximum sociale verzekeringsloon (SV-loon) naar 4.845 euro terug te draaien?
Door de verlenging van de lockdown is het niet wenselijk om de voorgenomen afbouw van de NOW-regeling voort te zetten. Zo ook de verlaging van de maximale subsidie per werknemer naar éénmaal het dagloon. Werkgevers hebben het al zwaar, en een verlaging kan rauw op het dak vallen.
Hoe rijmt u dit maximale SV-loon met bijvoorbeeld een pakket waarin zelfstandigen zonder personeel worden geconfronteerd met een partnertoets waardoor zij met een minimaal bedrag rond moeten komen?
De NOW-regeling is bedoeld voor werkgevers met personeel in dienst. Dit is een ander deel van het steunpakket dan de Tozo, en vraagt daarom ook om andere maatregelen. Er is gekozen voor tweemaal het maximale SV-dagloon omdat in deze crisis sectoren in alle hoeken van de samenleving worden geraakt; het gaat om lonen in het hoge én in het lage segment. Op deze manier kunnen zo veel mogelijk werkgevers worden ondersteund in het betalen van hun loonsom. Het doel van de NOW is om zo veel mogelijk banen te behouden, dus óók banen met een relatief hoog loon.
In welke sectoren worden er lonen ter hoogte van het maximale dagloon betaald? Kunt u dit uitsplitsen in bedrijven?
Voor de voorschotbetalingen van NOW 1 is uitgezocht in welke sectoren percentueel de meeste lonen ter hoogte van twee keer het maximale dagloon zijn betaald. Er is gekeken naar de maand november 2020. De vijf sectoren waar dit het meeste voorkomt zijn het bank- en verzekeringswezen (40 BSN-nummers, 2,82% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), chemische industrie (645 BSN-nummers, 2,2% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), vervoer en logistiek (3.758 BSN-nummers, 1,96% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), overheid (384 BSN-nummers, 1,78% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020) en groothandel (3.140 BSN nummers, 1,4% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020).
Het uitsplitsen in bedrijven is zeer arbeidsintensief en gezien de werkdruk heb ik UWV dit niet gevraagd. In het online NOW-register staan alle bedrijven die NOW-steun ontvangen.
Past het in standhouden van dit maximale SV-loon bij een steunpakket dat ervoor moet zorgen dat bedrijven en ondernemers die amper het hoofd boven water kunnen houden de crisis doorkomen?
Ja. De lockdown is verlengd en daardoor is het niet wenselijk om het maximaal te vergoeden loon te verlagen. De NOW-regeling is bedoeld voor bedrijven met personeel in dienst. Het doel van de NOW is om zo veel mogelijk banen te behouden, dus óók banen met een relatief hoog loon. Op deze manier kunnen zo veel mogelijk werkgevers worden ondersteund in het betalen van hun loonsom. Geraakte ondernemers die niet in aanmerking komen voor de NOW-regeling, komen wellicht wel in aanmerking voor andere regelingen uit het steunpakket (bijvoorbeeld de Tozo of de TVL).
Bent u bereid dit maximale SV-loon alsnog te verlagen?
Nee.
De funderingsproblematiek . |
|
Helma Lodders (VVD), Aukje de Vries (VVD), Remco Dijkstra (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de bij u bekende en geïnventariseerde funderingsproblematiek (in steden en het landelijk gebied)? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillende onderzoeken naar de problematiek rond funderingen1. Deze onderzoeken zijn alle gebaseerd op schattingen, omdat de problematiek complex en divers is. In de praktijk is vaak onbekend op welk type fundering een pand staat. Daar komt bij dat de problematiek zich goeddeels ondergronds afspeelt en de situatie zelfs binnen een straat kan verschillen, waardoor bodemonderzoek per fundering het enige middel is op een volledig beeld te krijgen. De schattingen kennen daarom flinke reikwijdtes.
Funderingsproblemen doen zich vooral voor in gebieden met een veenbodem, grofweg het westen en het noorden van Nederland. Het gaat hier vaak om op houten palen gefundeerde woningen, waarvan de palen als gevolg van schimmels of bacteriën worden aangetast. Daarnaast kunnen er ook problemen ontstaan, doordat de dalende bodem de houten palen ongelijkmatig mee trekt. In het rivierenland ontstaan vooral problemen bij woningen die ondiep zijn gefundeerd («op staal»), wanneer door droogte de grond inklinkt. Een aantal gemeenten, waar sprake is van een grote problematiek, heeft een redelijk adequaat beeld van de staat van de fundering(en), zoals bijvoorbeeld Rotterdam, Zaanstad en Schiedam. Ook de gemeenten Gouda en Haarlem hebben in de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan.
Hoe staat het met de gesprekken met de bij het funderingslabel betrokken partijen?
Het funderingslabel is ontwikkeld door de private Stichting KCAF. Hierbij is mijn ministerie niet betrokken geweest. Na de lancering van het funderingslabel is vanuit mijn ministerie contact gezocht het KCAF. Het verzoek was om gezamenlijk met het ministerie en een aantal onderzoeksbureaus te werken aan het vergroten van het inzicht in de kwaliteit van funderingen. KCAF heeft hierop afwijzend gereageerd.
Wat zijn de verwachte kosten voor huiseigenaren als gevolg van funderingsschade?
In een recent rapport van Deltares is de verwachting opgenomen dat de schade tot 2050 door paalrot en verschilzetting van panden gefundeerd op staal bij een onveranderd klimaat tussen 5 en 39 miljard € ligt. Door toename van droogte bij klimaatverandering (KNMI scenario WH+) kan dit met 3 tot 15 miljard euro toenemen2. In dit rapport wordt ook aangegeven dat de onzekerheid van deze schatting erg groot is door ontoereikende data. De verdeling van deze schade over huiseigenaren vindt plaats op basis van 5 schadeklassen. De schadeklassen 1 tot en met 3 betreft herstelkosten tussen de € 500,– en € 10.000,–. De schadeklassen 4 en 5 betreft herstelkosten tussen de € 10.000,– en € 120.000,–. De schadeklassen 4 en 5 betreffen naar schatting maximaal 80.000 woningen. Deze schatting is inclusief funderingen die mogelijk al hersteld zijn in het verleden.
Hoe werkt het Fonds Duurzaam Funderingsherstel, waar huiseigenaren die de fundering van hun woning moeten repareren, een lening kunnen krijgen? In hoeverre sluit dit voldoende aan bij de praktijk en problemen van huiseigenaren? Hoeveel gebruik wordt hiervan gemaakt?
Huiseigenaren, die op de reguliere hypotheekmarkt geen lening kunnen krijgen om de fundering van hun woning te herstellen, kunnen in aanmerking komen voor een lening bij het Fonds Duurzaam Funderingsherstel (FDF). De woning moet zijn gelegen in een gemeente die een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het FDF. Gemeenten (voor het LTI-tekort) en banken/NHG (voor het LTV-tekort) dragen in voorkomende gevallen bij aan het fonds. De hypothecaire lening heeft een vaste looptijd van 30 jaar en een rentepercentage van nu 2,3%.
Sinds de oprichting van het fonds zijn 34 leningen verstrekt. Dit aantal leningen blijft ver achter bij de verwachtingen ten tijde van de oprichting van het fonds. Ik heb u hierover eind 2019 geïnformeerd3. Het fonds heeft maatregelen genomen om eventuele belemmeringen voor deelname aan het fonds weg te nemen. De effecten van deze maatregelen moeten nog zichtbaar worden. Andere factoren die mogelijk een rol spelen zijn de Corona-pandemie, waardoor de procesbegeleiding bij bouwblokgewijs funderingsherstel wordt bemoeilijkt. Daarnaast zijn sinds de start van het fonds de woningprijzen verder gestegen en is de rente aanhoudend laag gebleven, waardoor meer mensen bij de bank een lening kunnen krijgen en dus minder mensen een beroep hoeven doen op het fonds. Teneinde de werkingssfeer van het fonds te vergroten onderzoek ik de mogelijkheden om het fonds onder voornoemde voorwaarde toegankelijk te maken voor inwoners van alle gemeenten.
Kunt u aangeven wat het pallet van oorzaken van funderingsschade is (in steden en op het platteland? Kan bij elke oorzaak ook worden aangegeven welke oplossing(en) daarvoor zijn, welke pilots er op dit moment in de praktijk uitgevoerd worden en wat de voorlopige resultaten daarvan zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij funderingsproblematiek gaat het met name om funderingen met houten funderingspalen en funderingen op staal (dat wil zeggen: ondiep gefundeerd). Houten paalfunderingen werden vooral voor 1970 toegepast. Beide funderingstypen kunnen kwetsbaar zijn, waarbij onder meer bodemgesteldheid (slappe of stevige bodem op verschillende niveaus in de bodem), bodembeweging, droogte en grondwaterstanden een rol spelen.
Voor houten funderingspalen zijn er oorzaken als aantasting door schimmels bij droogstand, aantasting door bacteriën (ook onder water) en negatieve kleef, waarbij funderingspalen naar beneden worden getrokken bij inklinking of bodemdaling. Daarbij speelt ook de soort funderingshout een rol.
Soms zijn er andere oorzaken die bij beide soorten fundering een rol spelen; de fundering is niet (meer) berekend op het huidig gewicht (door verbouwing) of er is beschadiging door planten en boomwortels. Tenslotte komt het ook voor dat de oorspronkelijke fundering kwalitatief onvoldoende was.
Veelal is er sprake van een combinatie van oorzaken. Inzicht in de achtergrond van de problematiek en de mogelijke oplossingen vergen dus ook goed onderzoek en maatwerk en dienen van keer tot keer bepaald te worden.
In het verleden heeft RVO gezamenlijk met KCAF een aantal handreikingen ontwikkeld, zoals voor eigenaren en voor gemeenten. Voorts heb ik bijgedragen aan een aantal pilots in dit kader.
Het gaat hierbij bij voorbeeld om een onderzoek om te komen tot preventieve maatregelen tegen bacteriële aantasting van houten funderingspalen en een onderzoek naar digitale monitoring van de staat en achteruitgang van funderingen (project Code Oranje).
Daarnaast zijn er onder meer nog pilots naar actief grondwaterpeilbeheer in bebouwd gebied (Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie), naar de ontwikkeling van een handelingsperspectief voor bewoners/eigenaars in veenweidegebied (Regiodeal bodemdaling Groene Hart) en een pilot sloop-nieuwbouw als optie voor particuliere eigenaars bij de combinatie funderingsherstel en verduurzaming.
Tenslotte is er de uit het Deltafonds gefinancierde Impulsregeling klimaatadaptatie, die onder voorwaarden voorziet in (co-)financiering aan overheden bij de aanpak van klimaat gerelateerde knelpunten zoals watertekorten of -overlast.
Deelt u de mening dat zeker niet in alle gevallen het verhogen van het waterpeil de oplossing is voor funderingsschade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hiervan de wetenschappelijke onderbouwing delen?
Ik deel de mening dat zeker niet in alle gevallen het verhogen van het waterpeil de oplossing is voor funderingsschade. Zo staat de aantasting van met name grenen palen door een bepaalde soort bacteriën los van het waterpeil. De Stichting Houtresearch doet hiernaar sinds 1997 onderzoek en krijgt een steeds preciezere inzage in het probleem. Daarnaast kunnen er bijvoorbeeld ook funderingsproblemen ontstaan als gevolg van diepe bodemdaling door mijnactiviteiten.
Een wetenschappelijke onderbouwing treft u bijvoorbeeld aan in de risicoanalyse zoals Deltares die heeft opgesteld, waarbij ook ingegaan wordt op zettingsschade naast grondwaterstanden.
Daarnaast dient te worden opgemerkt dat er buurten en gebieden in Nederland zijn, bijvoorbeeld in Schiedam, waarbij grondwaterverhoging weliswaar een oplossing is voor woningen met houten funderingspalen, maar tegelijk schade oplevert voor op staal gefundeerde woningen in datzelfde gebied. Deze laatste woningen zijn juist gebaat bij een lagere grondwaterstand.
Kunt u aangeven welke partijen (inclusief overheden) allemaal betrokken zijn bij het dossier funderingsschade en de oplossing daarvan, inclusief rollen, taken en verantwoordelijkheden? Wat is de rol en toekomst van het Kenniscentrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF), inclusief financiering, en ook voor de landelijke loketfunctie voor woningeigenaren?
De belangrijkste partijen betrokken bij het dossier funderingsschade zijn:
De rol en toekomst van het KCAF is de verantwoordelijkheid van de Stichting KCAF. Mijn ministerie heeft in het verleden tijdelijke bijdragen verleend aan KCAF. Hierbij is altijd het oogmerk geweest dat KCAF zich op zo’n manier zou ontwikkelen, dat eigen inkomsten gegenereerd worden opdat de stichting onafhankelijk van de steun van het Rijk zou kunnen voortbestaan. BZK heeft aangegeven onder voorwaarden van een goede taakverdeling en samenwerking met RVO via het Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek (RPAF) bereid te zijn bepaalde taken van KCAF nog te willen blijven ondersteunen. KCAF heeft hiervan afgezien.
Is het waar dat een aantal activiteiten van het KCAF ondergebracht zijn bij RVO? Kunt u toelichten welke taken/activiteiten overgeheveld zijn naar RVO en wat de gevolgen van dit besluit zijn geweest in het kader van kennisontwikkeling, kennisvergaring, meldpunt van funderingsproblematiek, (aanjagen van) innovaties?
Het KCAF is een onafhankelijke stichting die haar eigen activiteiten bepaalt. Echter, met het oog op de gebleken kwetsbaarheid van KCAF als kleine organisatie, afhankelijk van een personeelslid en een vrijwillig bestuur en gelet op de opgave die op ons afkomt, is BZK in samenspraak met de gemeenten Rotterdam en Zaanstad en KCAF eind 2017 tot de conclusie gekomen dat het de voorkeur verdient dat KCAF zich bij een andere professionele organisatie aansluit. KCAF heeft hiertoe de keuze gemaakt voor RVO, waarmee al enkele jaren werd samengewerkt. In samenspraak met KCAF is een Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek opgezet, waarbij verschil van inzicht over de gewenste wijze van samenwerking is ontstaan. KCAF heeft zich vervolgens uit deze samenwerkingsrelatie teruggetrokken. Mede daardoor is het Rijksprogramma nog niet goed van de grond gekomen. Onlangs heeft RVO een uitvraag onder de stakeholders laten houden over de invulling van het Rijksprogramma. Dit wordt nu verder vormgegeven in 2021. KCAF is hiervoor ook benaderd, maar wilde geen medewerking verlenen.
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen en vragen die het KCAF jaarlijks heeft ontvangen (een overzicht van de afgelopen 5 jaar per jaar)? Hoeveel vragen of meldingen ontvangt RVO per jaar over de funderingsproblematiek?
Tot maart 2020 heeft KCAF het Funderingsloket uitgevoerd in opdracht van en gefinancierd door aanvankelijk BZK, later RVO. Vanuit BZK/RVO is daarom steeds naar het Funderingsloket verwezen. RVO ontvangt per jaar enkele tientallen vragen over funderingsproblematiek. Deze komen veelal uit het bestaande netwerk, meestal in relatie tot concrete activiteiten of kennisproducten. Vorig jaar was er een piek aan meldingen door de communicatie van KCAF over het funderingslabel. Daarnaast is er contact met woningmarktpartijen, als makelaars en taxateurs over de funderingsviewer indicatieve aandachtsgebieden, die wordt gehost door RVO. Hierover gaan ook de meeste vragen die RVO ontvangt. De website van funderingsviewer krijgt dagelijks 1500–2000 hits.
Ik ben niet op de hoogte van het aantal meldingen dat KCAF in de afgelopen 5 jaar heeft ontvangen. Dit omdat er lange tijd geen heldere administratie bleek van het aantal meldingen en de afkomst daarvan. Ook heb ik vanaf 2018 geen jaarverslagen van KCAF meer ontvangen en deze ook niet kunnen traceren.
Kunt u aangeven welke best practices er in het land zijn voor het oplossen van funderingsschade?
De verschillende aanpakken van funderingsproblematiek zoals in Zaanstad, Schiedam, Rotterdam, Haarlem en Gouda, zijn goede voorbeelden voor andere gemeenten. Deze gemeenten werken aan de ontwikkeling van kennis over de lokale problematiek, zijn daar transparant over naar burgers, faciliteren inwoners bij herstel door middel van bijvoorbeeld een loket, voorlichting, procesbegeleiding, funderingsonderzoek en/of een leenfaciliteit.
Ook de provincie Friesland en een aantal Friese gemeenten is actief op dit front. Eerder heeft ook Dordrecht haar lessen over de aanpak gedeeld in een uitgebreide publicatie.
Daarnaast zien we dat een aantal corporaties, waaronder enkele Rotterdamse en Noord-Hollandse woningbouwverenigingen, veel nuttige ervaring heeft opgedaan met de aanpak van funderingsschade. Het Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek (RPAF) verwerkt deze kennis momenteel in een handreiking.
Ten aanzien van burgerinitiatieven hebben we veel waardering voor de initiatieven die zijn of worden ondernomen om funderingsschade juist te voorkomen, veelal gericht op actief grondwaterpeilbeheer (Goed gefundeerd, Land van Valk).
De afgelopen jaren participeerden deze partijen ook steeds met groot enthousiasme en actief om hun ervaringen en lessen te delen met anderen op kennisdelingsbijeenkomsten georganiseerd door KCAF en gefaciliteerd door BZK en RVO.
Welke budgetten zijn er beschikbaar op rijksniveau? Wat doet het Rijk?
BZK stelt budget beschikbaar voor de uitvoering van het Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek (RPAF), zowel voor menskracht als middelen. Daarnaast is in het verleden herhaaldelijk (financieel) bijgedragen aan pilots en kennisdeling en is daar ook dit jaar weer budget voor beschikbaar. Een voorbeeld is de huidige RPAF-bijdrage voor de update van de bestaande maar verouderde richtlijnen voor funderingsonderzoek. Voor het overige verwijs ik naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van de leden Nijboer en Gijs van Dijk5.
Hoe wordt innovatie gestimuleerd voor het oplossen van funderingsschade? Wilt u dit voor alle oorzaken aangeven?
BZK en RVO hebben in het verleden diverse pilots en innovaties ondersteund. Het onderzoek naar bacteriële aantasting door SHR, digitale monitoring van verzakkingen (Code Oranje) en het burgerinitiatief Goed Gefundeerd. Veelal gebeurde dit door KCAF te betrekken of KCAF als trekker de mogelijkheid te bieden te werken aan innovaties. RVO heeft ook actief geparticipeerd in het Kennisprogramma Bodemdaling, vanuit de insteek dat innovatieve projecten en ontwikkelingen daar het funderingsdossier konden ondersteunen. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord op vraag 8.
In hoeverre zijn er bijvoorbeeld voor de bacterie-aantasting van funderingen ook innovatieve oplossingen beschikbaar of in ontwikkeling? Zo ja, welke?
Zie antwoord op vraag 5
Is het waar dat een verzoek voor een proef voor een oplossing van de bacterie-aantasting (één van de oorzaken van funderingsschade) van het KCAF niet is gehonoreerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Zo ja, waarom niet? Wie staat wel aan de lat om dit soort innovaties te stimuleren?
Nee. In het kader van de bij vraag 5 genoemde EFRO-aanvraag voor subsidie voor een praktijkproef met betrekking tot bacteriële aantasting van houten palen is een consortium samengesteld van partijen die een noodzakelijke rol hebben in een praktijktest. De rol van het KCAF is hierin ook benoemd, zijnde het organiseren van informatie-avonden voor de bewoners van het woonblok waar de praktijktest plaats zou vinden en het plaatsen van een deel van de sensoren om het effect van de behandeling van de funderingspalen te monitoren. De inzet van het KCAF is meegenomen in de begroting van de EFRO-aanvraag. Deze is zoals bij vraag 5 aangegeven helaas niet gehonoreerd door Op Oost.
Zoals eerder aangegeven heeft RVO via het Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek (RPAF) eind november 2020 de Stichting Houtresearch uitgenodigd in gesprek te gaan om te bekijken of een vervolg mogelijk is.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel andere relevante ministeries zoals Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Infrastructuur en Waterstaat, bij (het stimuleren van) innovatie voor het oplossen van de funderingsproblematiek?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van de leden Nijboer en Gijs van Dijk (zie ook het antwoord op vraag 11).
Wat zou de rol van de innovatiegezant, die vanuit Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het werk gaat, kunnen zijn bij het oplossen van de funderingsschade?
De innovatiegezant heeft de focus op mest- en stalinnovaties, dit onderwerp wordt geen onderdeel van zijn/haar verantwoordelijkheid.
Het bericht ‘Nederlandse militair gewond bij schietoefening op kamp in Afghanistan’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse militair gewond bij schietoefening op kamp in Afghanistan»?1
Ja.
Wat is er precies tijdens de oefening gebeurd en hoe heeft dit ongeluk kunnen plaatsvinden?
De Koninklijke Marechaussee voert momenteel een onderzoek uit naar het incident. De exacte oorzaken, omstandigheden en bijzonderheden zijn nog niet duidelijk, omdat het onderzoek nog niet is afgerond.
Had het ongeluk voorkomen kunnen worden? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe maakt de militair het nu? Heeft hij blijvend letsel opgelopen? Is hij teruggevlogen naar Nederland of was dit niet nodig?
De betrokken militair heeft in Afghanistan medische behandeling aan zijn verwonding ondergaan. Na deze behandeling is hij teruggevlogen naar Nederland. Momenteel gaat het naar omstandigheden goed met hem.
Hoeveel incidenten, waarbij een militair tijdens een oefening gewond is geraakt, hebben er de afgelopen jaren plaatsgevonden? Is er sprake van vergelijkbare situaties? Zo ja, hoe zijn deze situaties vergelijkbaar? Ligt dit bijvoorbeeld aan protocollen of materieel?
In de periode tussen 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 zijn ongeveer 1.300 meldingen gedaan van incidenten en ongevallen tijdens oefeningen, waarbij er sprake is geweest van letsel.
De exacte oorzaken, omstandigheden en bijzonderheden van het recente incident zijn nog niet duidelijk, omdat de Koninklijke Marechaussee het onderzoek nog niet heeft afgerond. Het is daarom nog niet bekend of er sprake is van een situatie die zich eerder heeft voorgedaan.
Zijn, na eerdere ongelukken die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden, lessen geleerd en verbeteringsprojecten opgestart? Zo ja, welke?
De bijzonderheden omtrent het incident van 21 januari jl. zijn momenteel nog niet bekend. Vanwege het feit dat het hierbij om een incident gaat dat verband houdt met het gebruik van wapens, worden hieronder de ontwikkelingen op dit gebied geschetst.
Naar aanleiding van eerdere incidenten met wapens heeft Defensie eind 2020 een stuurgroep voor het schieten met klein kaliber wapens ingesteld. Deze stuurgroep heeft defensiebreed beleid opgesteld voor het gebruik van schietbanen, wapens en munitie. Dit beleid is gericht op het creëren van een veilige omgeving voor personeel dat schietopleidingen en -trainingen volgt. Inmiddels hanteren alle defensieonderdelen dit beleid. In het laatste kwartaal van 2021 is een evaluatie van de werkbaarheid en uitvoerbaarheid ervan voorzien.
Momenteel worden defensiebrede opleidingen ingevoerd voor personeel dat bevoegd is om zelf schietopleidingen en -trainingen te verzorgen. In de tweede helft van 2021 is de oprichting voorzien van een defensiebreed kenniscentrum op het gebied van schieten met klein kaliber wapens. Dit centrum bundelt de kennis die binnen Defensie over dit onderwerp aanwezig is en maakt deze toegankelijk voor gebruikers.
Lopen er op dit moment nog verbeteringstrajecten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer verzekeren dat er bij alle trainingen die Defensie uitvoert met goed materiaal wordt gewerkt en de veiligheidsprotocollen in orde zijn? Zo nee, bij welke trainingsmodules is dit niet het geval?
Defensie zorgt bij trainingen en oefeningen voor goed materiaal. We zien toe op het gebruik binnen de daarvoor geldende protocollen en richtlijnen en evalueren dit in de praktijk. Daar waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
De beschikbaarheid van hulpmiddelen en basismateriaal bij de levering ten behoeve van, en uitvoering van de vaccinatiestrategie |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of Pfizer overgaat tot een aanpassing van de output van flacons, nu blijkt dat Pfizer uitgaat van zes doses per flacon, zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het 96e OMT-advies (deel 2)?1 Zo ja, hoe zal deze aanpassing er uitzien? Zal dit een labelaanpassing zijn, of zal het een hogere output in flacons zijn?
De productinformatie over Comirnaty, het vaccin van Pfizer, is aangepast naar 6 doses per flacon.2 Pfizer zal de leveringen ook gaan baseren op zes doses per flacon.
Kunt u aangeven waarom de contracten met de vaccinproducenten afgesloten zijn op basis van doses en niet op basis van flacons vaccin? Geldt dit voor alle contracten?
Het inkopen vaccins en het plannen op basis van doses is een gangbare eenheid. Dit is namelijk de eenheid die voor de individu geschikt is en daardoor een eenvoudig mee te rekenen eenheid. Ook de andere vaccincontracten rondom COVID-19 vaccins zijn gebaseerd op doses.
En voor de volledigheid: Niet alleen door de EU is ingekocht op basis van doses, ook andere landen hebben ingekocht op basis van doses.
Op welke manier worden de vaccins door de producenten geleverd voordat ze gedistribueerd worden over de EU-lidstaten? Gebeurt dit afgevuld in flacons? Zo nee, waar vindt de afvulling plaats?
Alle firma’s leveren de vaccins afgevuld in flacons, dit is voor alle vaccins ook de geregistreerde verpakkingseenheid. Deze flacons worden dan vanuit de firma naar de EU-lidstaten gedistribueerd.
Kunt u aangeven hoelang de levertijd op dit moment is voor basismaterialen bij het afvulproces van vaccins zoals flacons, stops en caps? Voorziet u hier problemen voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen of vaccins?
Ik heb inzicht in de leverschema’s van de vaccins in flacons, zoals ik ook met uw Kamer deel. Het is de verantwoordelijkheid van de firma’s, zoals contractueel is afgesproken, om het geregistreerde vaccin aan te leveren. Ik heb geen inzicht in levertijden van basismaterialen bij het afvulproces.
Schaarste aan deze basismaterialen lijkt niet de beperkende factor voor de farmaceuten voor de beschikbaarheid van vaccins. Tegelijk is er momenteel wereldwijd natuurlijk wel een gigantische vraag naar vaccins.
Kunt aangeven wat Nederland en de EU op dit moment doen in het beschikbaar hebben van basismaterialen, die nodig zijn bij het leverings- en uitvoeringsproces van de Covid-19 vaccins?
De basismaterialen worden mondiaal geproduceerd en ingekocht. Dit is een wereldwijde markt die privaat is geregeld. Goede handelsmogelijkheden en het openhouden van distributielijnen voor dit soort essentiële materialen is daarom van belang. Tegelijk zien we dat over de hele wereld overheden ook inzetten op handelsinstrumenten die de export van vaccins of de materialen die daarvoor nodig zijn, kunnen beperken. Daarnaast is het ook aan farmaceutische firma’s om flexibel om te gaan met de inkoop van hun basismaterialen. Als de ene leverancier niet kan leveren, dan kan mogelijk een andere leverancier het wel leveren. In het registratiedossier van een geneesmiddel is een aantal kwaliteitsaspecten van basismaterialen vastgelegd, maar niet de leverancier. Hier zit flexibiliteit voor de firma.
Kloppen de berichten dat de VS strategische benodigdheden (vulzakken, mengzakken et cetera) voor eigen markt behoudt waardoor producenten in de EU zonder deze materialen zitten? Kan dit tot problemen leiden voor alle andere non-covid medicatie die uiteraard ook gewoon doorgang dient te vinden? Zo ja, wat kan Nederland en/of de EU hier aan doen?
De beschikbaarheid van vaccins is politiek zo belangrijk geworden, dat verschillende landen in de wereld gebruik maken van handelspolitieke instrumenten, om de beschikbaarheid aan vaccins en hulpmiddelen te garanderen of te reguleren. Ook de EU doet dit. Tegelijk moeten we beseffen dat we elkaar nodig hebben en dat acties ook tegenreacties oproepen. Schaarste, of die nu gecreëerd is door productieproblemen, tekort aan personeel of waar u nu specifiek in uw vraag op ingaat handelsbarrières bij basismaterialen, kan tot tekorten leiden. Ik heb signalen ontvangen dat dit tot hick-ups in het productieproces kan leiden, maar dat die veelal op te lossen zijn door basismaterialen bij een andere leverancier in te kopen.
Is er een tekort aan basismaterialen bij farmaceutische bedrijven? Zo ja, kunnen we hier in Nederland of in de EU iets aan bijdragen? Klopt het daarbij dat voorraden basismaterialen tegengehouden worden door sommige landen?
Dat er zorgen zijn over schaarste van basismaterialen, heb ik ook vernomen. Maar ik heb geen concrete aanwijzingen dat dit nu tot problemen zorgt die private partijen niet zelf kunnen oplossen. In mijn antwoord op vraag 5 ga ik hier ook op in.
Kunt u aangeven of het mogelijk is om producenten te motiveren met EU-bedrijven samen te werken door hiervoor een extra vergoeding te bieden boven op de huidige inkoopprijs?
Als gezegd, schaarste aan basismaterialen lijkt op dit moment nog geen beperkende factor in de leveringen van vaccins. Wij spreken de betrokken vaccinproducenten op regelmatige basis. Als daarbij zou blijken dat zij behoefte hebben aan hulp van de overheid bij het realiseren van bepaalde vormen van samenwerking met andere bedrijven, ten einde problemen rond de beschikbaarheid van vaccins te voorkomen, dan zal ik daar uiteraard naar kijken.
Wat kan de overheid nu doen om het «Nederlandse» vaccin van Johnson & Johnson (Janssen Nederland) in Leiden na goedkeuring door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) succesvol en snel beschikbaar te stellen? Wordt hierbij ook onderzocht of er nog aanvullende productiecapaciteit te creëren is in Nederland?
We speken veelvuldig met Janssen. Het is uiteraard primair aan Janssen Vaccins om te bepalen hoe zij de productie van hun vaccins vormgeeft. Janssen Vaccins heeft plannen voor uitbreiding van productiecapaciteit in Leiden, maar dat zal pas op langere termijn effecten hebben op de productiecapaciteit. Daar waar binnen de regels gefaciliteerd kan worden om hier zaken in te versnellen, zal ik dit doen. Deze boodschap heb ik al vanaf het begin van de crisis aan bedrijven afgegeven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en uiterlijk vóór het volgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom ht coronavirus?
Dat is helaas niet gelukt.
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van De Dag van 28 januari 2021?1 Hoe is het mogelijk dat een rechter-commissaris een dag voor het verstrijken van de einddatum van een schuldhulpsaneringstraject besluit het traject niet te beëindigen omdat onduidelijk is of de moeder 30.000 euro krijgt?
Ik heb kennisgenomen van deze uitzending. Ik vind het natuurlijk heel vervelend dat ouders op enigerlei wijze negatieve gevolgen ondervinden van de beslissing om hen € 30.000 toe te kennen. Ik werk nu hard aan een oplossing voor alle ouders die schulden hebben. Hierover spreek ik ook op regelmatige basis met onder andere de Recofa en de Branchevereniging van WSNP Bewindvoerders (BBW). In deze gesprekken zal ik samen met VNG, SZW en JenV ook naar een oplossing zoeken voor het genoemde uitstel van een beëindiging van de WNSP als gevolg van de compensatie. In de beantwoording op de vragen van de leden Nijboer en Van Dijk2 over beslaglegging op compensatie door de Belastingdienst die ik meestuur met de beantwoording van deze vragen ga ik uitgebreider in op de werking van de WSNP.
Erkent u dat het totaal bizar is dat u stelt dat overheidsschulden worden kwijtgescholden of weggestreept, maar dat een rechter-commissaris dat blijkbaar niet mee kan wegen bij het beëindigen van een saneringstraject?
Het beoordelen van specifieke praktijksituaties is voorbehouden aan de bewindvoerder en aan de rechter. Zodra de kwijtschelding van de (overheids-)schulden gerealiseerd is, wordt bezien wat de mogelijkheden zijn voor de afhandeling van de private schulden. Daarbij neem ik de aangenomen motie van het lid Wilders3 natuurlijk mee.
Kunt u aangeven welke afspraken er zijn gemaakt over mensen in minnelijke of wettelijke schuldhulptrajecten en het kwijtschelden van schulden?
Het kabinet heeft besloten om de publieke schulden van alle gedupeerde ouders en hun huidige partner kwijt te schelden (eerder benoemde uitzonderingen omtrent schulden die voortvloeien uit ernstige fraude of strafrechtelijke feiten daargelaten). Dit geldt voor alle ouders, ongeacht of zij wel of niet in een schuldhulpverleningstraject zitten. In principe kunnen alle ouders die een herstelbetaling van UHT ontvangen ervan uitgaan dat hun publieke schulden (de hiervoor genoemde uitzonderingen daargelaten) niet langer geïnd worden en daarmee feitelijk zijn kwijtgescholden. Onze eerste prioriteit is nu zorgen dat de openstaande vorderingen van deze ouders bij publieke instanties worden gepauzeerd. In het traject van kwijtschelden zal ook gekeken worden naar de vormgeving en uitvoeren voor mensen in schuldentrajecten. Daar zijn op het moment nog geen specifieke afspraken over gemaakt.
Kunt u aangeven waarom het overleg over de omgang met de schulden van gedupeerden is misgelopen en waarom er geen plan voor een schone lei ligt?2
In de uitvoering van de hersteloperatie is er continu sprake van voortschrijdend inzicht. Er is maandenlang hard gewerkt door verschillende partijen om te komen tot een voorstel voor een schone lei voor ouders met schulden binnen de toen geldende mogelijkheden. Na de publicatie van het rapport van de POK en terechte zorgen die zijn geuit door verschillende partijen hebben wij, als demissionair kabinet, besloten alle publieke schulden van deze ouders kwijt te schelden. Natuurlijk betekent deze beslissing ook dat we samen opnieuw moeten kijken naar de beste manier om te zorgen dat alle ouders een schone lei krijgen. Vele ouders hebben immers ook schulden bij private partijen. Ik ben hierover in gesprek met schuldeisers en met organisaties als de Recofa en de Branchevereniging van WSNP Bewindvoerders (BBW) naar een oplossing die zowel recht doet aan de belangen van de gedupeerde ouders, als van deze schuldeisers. Het is echter zaak dat een oplossing voor een schone lei wordt ontwikkeld niet alleen in overeenstemming met de schuldeisers, maar ook in samenspraak met de VNG, SZW, JenV, en naast bovengenoemde ook andere partijen in de schuldhulpverlening. We zijn hard aan het werk om een zorgvuldig en houdbaar plan te ontwikkelen.
Hoe vaak heeft u overleg gevoerd over de omgang met schulden die gedupeerde ouders nog hebben?
Ik voer hier iedere dag overleg over want dit is een onderwerp dat ik ongelofelijk belangrijk vind.
Erkent u dat u gedupeerde ouders in problemen heeft gebracht door de aankondiging van de 30.000 euro en dat overheidsschulden zullen worden weggestreept? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deze aankondigingen zijn ervoor bedoeld om de situatie voor deze ouders significant te verbeteren. Ik vind het daarom erg vervelend dat er ouders zijn bij wie deze aankondigingen tot problemen heeft geleid en zal me er volledig voor inzetten om te zorgen dat dit doel voor hen ook zo snel mogelijk wordt bereikt.
Erkent u tevens dat beide aankondigingen tot stand kwamen door publieke druk, en het willen bijstellen van het beschadigde beeld van de compensatieregeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Beide besluiten zijn het gevolg van voortschrijdend inzicht – onder andere dankzij het rapport ongekend onrecht- en een zoektocht naar de beste wijze om deze ouders recht te doen.
Waarom is er nog altijd geen plan voor het bieden van een schone lei voor gedupeerden, terwijl er al wel 30.000 euro aan 500 mensen is betaald?
Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 4 zijn wij hard aan het werk aan het plan om gedupeerden een schone lei te bieden. Het is ondertussen belangrijk door te gaan met het uitbetalen van de € 30.000 aan ouders, mede omdat vele van deze ouders geen (problematische) schulden hebben en dit geld graag zo snel mogelijk ontvangen. De circa 500 ouders die reeds uitbetaald zijn, hebben contact met een PZB’er en hadden eerder een herstelbetaling van UHT ontvangen. Hun uitbetaling is aangevuld tot € 30.000. Voor de uitbetalingen die nu volgen neemt UHT telefonisch contact op met de ouders voorafgaand aan de uitbetaling. Als ouders in dat gesprek aangeven schulden te hebben en er de voorkeur aan geven om een uitbetaling niet op dit moment te ontvangen is dat mogelijk. Ouders waarvan bij ons bekend is dat ze in een schuldentraject zitten, of waarvan we weten dat er bankbeslag is gelegd op hun rekening, worden nog niet gebeld. We werken voor hen uit wat de beste aanpak is om te zorgen dat ook zij een schone lei krijgen, zonder dat ze daar hinder aan ondervinden.
Klopt het dat daar meerdere mensen tussen zitten die geen enkele aankondiging van het bedrag hebben gekregen, laat staan de vraag of mensen door het bedrag opnieuw in problemen kunnen komen?
De 500 ouders die reeds zijn uitbetaald hadden reeds een herstelbetaling ontvangen van UHT en ook al regelmatig contact met een PZB’er. Sommige ouders hebben eerder in het proces aangegeven dat een uitbetaling hen mogelijk in problemen zou brengen – die ouders zijn op hun verzoek niet uitbetaald. Daar wordt gekeken wat nodig is om alsnog over te gaan tot uitbetaling, bijvoorbeeld na overleg met de bewindvoerder.
Kunt u deze vragen voor dinsdag 2 februari 2021, 12 uur beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Een radio-uitzending over het Essexdrama waarbij 39 slachtoffers vielen |
|
Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de radiouitzending van Argos over het Essexdrama van 23 januari 2021 en wat is daarop uw reactie?1
Ja dat heb ik. De gebeurtenis in Essex is een uiterst ernstige zaak met een hartverscheurende afloop. Daarom is het goed dat Argos hier aandacht voor vraagt. Na een grootschalig Europees onderzoek zijn er in de Essex-zaak veroordelingen geweest voor mensensmokkel. In Nederland zal gereflecteerd worden op deze zaak en zal worden bezien welke mogelijke lessen hier uit getrokken kunnen worden.
Kunt u (nogmaals) uiteenzetten waarom de politie nu eigenlijk al die uren Quyen en Hieu tot aan Anderlecht (België) hebben gevolgd en waarom het doorlaatverbod niet van toepassing zou zijn geweest? Hoe moet de verklaring van het Openbaar Ministerie (OM) in dat licht worden bezien dat er geen verdenking zou zijn van crimineel handelen?
Naar aanleiding van een verdenking mensensmokkel is ervoor gekozen om een observatieteam (OT) van de politie in te zetten om zicht te krijgen op de bewegingen van de jongens en op degenen die zich daarbij mogelijk schuldig zouden maken aan mensensmokkel. Het OT is de jongens, in het kader van de grensoverschrijdende observatie, gevolgd tot een adres in België. Op basis van de standaardprocedure grensoverschrijding is hiervoor contact opgenomen met de Belgische autoriteiten. De verdenking mensensmokkel was gericht tegen een niet bekend persoon (NN01) en gebaseerd op signalen van mensensmokkel zoals het feit dat één van de jongens eerder deel uitmaakte van een groep gesmokkelde personen die werd aangetroffen in Hoek van Holland en de veronderstelling dat het aannemelijk was dat na eventueel vertrek uit de beschermde opvang hij hulp zou krijgen van een ander of anderen. De Belgische politie liet weten dat het adres in België niet bekend stond als mensensmokkeladres of anderszins. Een concrete verdenking tegen een persoon is niet ontstaan.
Omdat er op dat moment geen concrete wetenschap van mensensmokkel was, is er volgens de politie en het OM geen sprake geweest van doorlaten (ex artikel 126ff Sv). Daarnaast zijn de jongens steeds onder controle gehouden/geweest van het Nederlandse observatieteam waarna in afstemming het initiatief is overgedragen aan de Belgische autoriteiten.
Kunt u uitleggen waarom de advocaat die beide slachtoffers heeft bijgestaan niet is betrokken bij het politieonderzoek zonder in details te treden over dit individuele geval?
Het is in het algemeen niet gebruikelijk om een advocaat te informeren over de voortgang van een politioneel onderzoek. Mocht dat al noodzakelijk zijn, dan zal het OM hier toestemming voor dienen te verlenen. Er was in dit geval geen reden om het OM hiervoor te benaderen.
Waarom vinden in andere landen wel strafzaken plaats naar aanleiding van het Essexdrama en niet in Nederland?
Direct nadat het Essex-drama bekend werd, heeft het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) onderzocht of, en zo ja in welke mate, er linken zijn met Nederland. Het EMM heeft de informatievragen vanuit het buitenland (en dus ook het VK) beantwoord en ook ongevraagd andere informatie gedeeld welke mogelijk van waarde was voor het ESSEX onderzoek. Nederland heeft geen zitting genomen in het Joint Investigation Team (JIT) omdat er geen sprake was van zicht op medeverdachten of strafbare feiten ten aanzien van het feit gepleegd in Nederland.
Vietnamese amv’s lijken, meer dan de andere onderzochte groepen amv’s, ingesteld te zijn op doorreis naar het Verenigd Koninkrijk en Nederland slechts als transitland te zien. Gevolg hiervan is dat deze groep amv’s zich maar kort in Nederland bevindt. Dit beperkt de mogelijkheden die Nederland heeft om hier eigenstandig iets aan te doen. Om dit probleem daadwerkelijk aan te pakken is internationale samenwerking cruciaal. Vandaar ook dat samenwerking en informatie-uitwisseling bij de bestrijding van de mogelijke internationaal opererende criminele netwerken op Europees niveau plaatsvindt in het kader van EMPACT, ondersteund door Europol. Binnen EMPACT THB is er ook een nieuw programma dat zich richt op het onderwerp Vietnamese THB. Nederland is samen met Duitsland en Spanje projectleider van dit programma. Op operationeel niveau vindt ook samenwerking plaats, indien hier aanleiding voor is (zoals bijv. de zaak Essex), vanuit onder andere de politie en de KMar.
Wat is uw reactie op de constatering dat nog steeds tientallen alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMVs), wiens situatie op die van Quyen en Hieu lijken, uit de beschermde opvang verdwijnen?
Dit beeld herken ik niet. Sinds de verdwijning van Ouyen en Hieu in oktober 2019 hebben in 2020 minder dan 102 Vietnamese jongeren in de Beschermde Opvang verbleven. Daarvan is geen enkele verdwenen met onbekende bestemming, circa 5 verblijven er nog en circa 5 van hen hebben het traject van de Beschermde Opvang doorlopen en zijn vervolgens doorgestroomd naar reguliere opvangvormen.
Bent u er inmiddels wel van overtuigd dat een grootschalig crimineel netwerk actief is dat Vietnamezen, waaronder minderjarigen, via Nederland handelt met het oogmerk hen uit te buiten dan wel te smokkelen? Zo nee, waarom niet?
Als er sprake is van criminele netwerken die zich bezighouden met mensenhandel en mensensmokkel, dan is het aan de politie om dit te onderzoeken. Over lopende onderzoeken worden geen uitspraken gedaan.
Daarnaast is op basis van de Essex-zaak Vietnam als prioriteit binnen EMPACT-THB opgenomen.
Kunt u uitleggen hoe de nieuwe werkinstructie moet voorkomen dat opnieuw Vietnamese AMVs via Nederland in de handen van criminele bendes terechtkomen?
Ik ga er vanuit dat u doelt op de nieuwe werkafspraken tussen politie/AVIM, COA, Nidos en de DT&V waar ik uw Kamer onder meer bij brief van 23 maart 2020 over heb geïnformeerd. Deze werkafspraken hebben tot doel gehad om vast te leggen wie, wanneer, welke rol heeft als wordt geconstateerd dat een amv is vertrokken uit de opvang. Hiermee wordt beoogd dat alle partijen de juiste vervolgstappen kunnen nemen. De werkafspraken zien niet specifiek op Vietnamese amv’s maar op amv’s van alle nationaliteiten in alle vormen van amv-opvang. Er wordt wel onder andere in vastgelegd dat de medewerkers van de beschermde opvang, waar Vietnamese amv’s standaard worden geplaatst, bij een vermissing uit de beschermde opvang direct contact opnemen met de voogd en de politie.
Wat is uw reactie op het verwijt dat u druk uitvoerde op het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel om de conclusies van het rapport te beïnvloeden?
Het in vraag 8 geschetste beeld herken ik niet. Aan het EMM is door voormalig Staatssecretaris Harbers juist gevraagd om onderzoek te doen naar of bij het verdwijnen van Vietnamese jongeren uit de beschermde opvang indicaties en signalen voor smokkel dan wel handel zijn. Het EMM heeft naar aanleiding hiervan een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd. Een conceptrapport is door het EMM aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorgelegd met het verzoek om hier inhoudelijk op te reageren. In reactie op dit conceptrapport zijn door het Ministerie van Justitie en Veiligheid een aantal verduidelijkingsvragen aan het EMM meegegeven. Het EMM heeft vervolgens het eindrapport zelfstandig afgerond.
Ik weet niet welke constatering in vraag 9 concreet wordt aangehaald. Ik vermoed dat u refereert aan het feit dat toenmalig Staatssecretaris Harbers in antwoord op Kamervragen heeft gesteld geen informatie te hebben «dat een smokkelnetwerk betrokken is bij de verdwijning van minderjarige Aziatische migranten»3. Hierover heb ik reeds vragen van Dhr. Van Dijk beantwoord op 7 april 2020.
Klopt de constatering dat u de Kamer inderdaad verkeerd heeft voorgelicht? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de politie nog eens onderzoek te laten doen naar wat er fout is gegaan waardoor Quyen en Hieu uit het oog van Politie en justitie verdwenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, heeft de Nederlandse politie deze personen niet uit het oog verloren, maar is de zaak overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Inmiddels heeft de Britse justitie veroordelingen uitgesproken met betrekking tot mensensmokkel tegen meerdere verdachten waaronder een aantal personen waarover Nederland informatie heeft gedeeld met het Verenigd Koninkrijk. Of er een aanvullend onderzoek komt is aan het Openbaar Ministerie. Op basis van het voorgaande is er geen enkele aanleiding voor een nader onderzoek.
De avondklok in de praktijk |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Mogen opa’s en oma’s oppassen op hun kleinkinderen na 21:00 uur als de ouders moeten werken?1
Het doel van de avondklok is dat mensen elkaar zo min mogelijk opzoeken. Dit om verspreiding van het corona virus te voorkomen. Zeker met het oog op de opkomst van de zeer besmettelijke Britse variant van het virus, is het des te belangrijker om zo min mogelijk andere mensen te zien.
Bij de vormgeving van de avondklok is er bewust voor gekozen om zo min mogelijk uitzonderingen te maken.
We verzoeken ouders die regulier gebruik maken van oppassers te bekijken of er alternatieven zijn. Daarbij valt te denken aan het ruilen van diensten, het laten overnachten van de oppas of het brengen van het kind naar het oppasadres. Mogelijk is er ook noodopvang in de avonduren beschikbaar in de regio.
In het specifieke geval waarbij beide ouders of een alleenstaande ouder moet werken in de avond/nacht (zoals in de zorg), en er echt geen andere oplossing is om in een oppas te voorzien dan zich tijdens de avondklok te verplaatsen, kan de oppas zich beroepen op de uitzondering «iemand anders heeft dringend mijn hulp nodig» en dit aangeven op het formulier Eigen Verklaring. Onder deze optie dient vervolgens te worden toegelicht waarom dit een geldige reden is.
Deelt u de mening dat dit niet te doen is voor bijvoorbeeld alleenstaande ouders die na 21:00 uur moeten werken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om een uitzondering te maken voor ouders in vitale beroepen die dus naar hun werk moeten en geen andere oplossing hebben dan een oppas regelen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid duidelijk toe te lichten hoe deze uitzondering wordt vormgegeven, mensen hierop te attenderen en de benodigde verklaringen beschikbaar te stellen via de website van de rijksoverheid?
Zie antwoord vraag 1.
De digitale inkomenstoets. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van Kamervragen over de digitale inkomenstoets?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom de pilot met betrekking tot de digitale inkomenstoets nog steeds niet gestart is, terwijl alle betrokken partijen al in 2019 in de zogenaamde «Proof of Concept» bij aanvang van het pilot-traject hebben aangegeven dat er geen juridische (noch technische) belemmeringen zijn voor een praktijk-pilot? Wilt u hierbij een uitleg geven?
Het is van belang dat de inrichting van de pilot voor een digitale inkomenstoets zorgvuldig gebeurt. Hoewel de verwachting was dat begin 2020 kon worden gestart met de eerste digitale inkomenstoetsingen in de pilotomgeving2, heeft het langer geduurd. Oorzaak hiervoor was dat de technische complexiteit groter was dan voorzien, waardoor het ontwikkeltraject minder snel kon starten en ook in een minder hoog tempo kon worden uitgevoerd. Daarnaast ontstond eind 2020 onduidelijkheid over de juridische grondslag voor het verstrekken van identificerende persoonsgegevens van aspirant-huurders uit de BRP, die nodig is voor de pilot. Deze onduidelijkheid is inmiddels opgelost en de verwachting is dat de pilot dit voorjaar kan starten.
Waarom zijn er nu bezwaren tegen het delen van BRP (Basis Registratie Persoons-) gegevens die eerder bij aanvang geen juridisch beletsel vormden, die de burger zelf via MijnOverheid verstrekt en die de burger sowieso al zelf (maar dan via kopie/pdf) aan de corporatie verstrekt bij toewijzing van een sociale huurwoning?
De benodigde verstrekking van persoonsgegevens door de overheid moet zorgvuldig worden geregeld, zodat dit in overeenstemming gebeurt met de eisen die de wet daaraan stelt. Voor de digitale inkomenstoets pilot is het nodig om ter verificatie van het inkomensgeven ook identificerende gegevens van de aspirant-huurders vanuit de BRP te verstrekken. Tijdens de voorbereidingen voor de pilot leverde een nadere analyse en ontwerp van de processen onduidelijkheid op over de juridische grondslag voor het verstrekken van de BRP-gegevens, die zich in een eerder stadium nog niet als zodanig hadden afgetekend. Deze onduidelijkheid is inmiddels opgelost.
Kun u aangeven waarom de bezwaren voor het verstrekken van de BRP gegevens pas zo laat in het proces aan het licht zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bewerkstelligen dat de pilot met digitale verstrekking van de benodigde gegevens (inkomen, voornaam, achternaam, geboortedatum, adres) door de burger via MijnOverheid aan de corporatie uiterlijk februari 2021 start? Kunt u als dat nodig is met spoed een grondslag daarvoor creëren?
De pilot zal naar verwachting dit voorjaar starten. Door de deelnemers wordt nu de laatste hand gelegd aan de voorbereidingen, waaronder het autorisatiebesluit voor de Belastingdienst om toegang tot de BRP te krijgen en de laatste technische voorbereidingen.
Indien het niet mogelijk is om de gegevensverstrekking zoals bedoeld in vraag 5 te bewerkstelligen, bent u dan bereid de deelnemende corporaties schadeloos te stellen voor de gedane investeringen?
Zie antwoord vraag 5.
Sneltestpilots in het PO en VO |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de informatie «Onderbouwing grootschalig testen van personen zonder klachten» van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?1
Ja.
Is dit de meest recente onderbouwing van grootschalig testen?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Sneltesten in onderwijs van start»?2
Ja.
Welk type sneltesten worden gebruikt bij de pilot?
In de studie wordt gebruik gemaakt van antigeen(snel)tests. Deze tests kunnen binnen 15 minuten een uitslag geven, waardoor ze het mogelijk maken om mensen met een positieve testuitslag snel te vinden.
Hoeveel testen zullen er naar schatting per dag afgenomen worden?
Voor de pilotfase, die op ongeveer 35 middelbare scholen plaatsvond, is vooraf ingeschat dat ongeveer 440–550 testen per dag zouden worden afgenomen. Die inschatting is gemaakt op basis van de situatie zoals die was voorafgaand aan de lockdown eind 2020 en de gemiddelde besmettingsgraad september-december 2020.
Kunt u meer details geven over hoe de pilot is ingericht en wordt uitgevoerd?
De pilot is op 18 januari jl. van start gegaan en heeft op zo’n 35 middelbare scholen in de regio Rotterdam en in Gelderland gelopen tot en met 23 april jl., onder leiding van Patricia Bruijning van UMC Utrecht. Wanneer een school een melding kreeg van een positief geteste leerling of personeelslid, deed de school een inventarisatie van de schoolcontacten van deze persoon. Hierbij zijn alle leerlingen en personeelsleden die in de potentieel besmettelijke periode ten minste 1 lesuur in dezelfde ruimte zijn verbleven met de index case geïdentificeerd als (niet-nauwe) contacten. De personen die werden geïdentificeerd als nauwe contacten moesten uit voorzorg in quarantaine. De niet-nauwe contacten werden uitgenodigd voor een sneltest die op school werd afgenomen en uitgelezen door een daartoe gekwalificeerd persoon van een testaanbieder. Bij een positieve uitslag werd de leerling of leraar naar huis gestuurd met instructies voor isolatie en werd de GGD geïnformeerd. Bij een negatieve uitslag kon het normale schoolprogramma worden vervolgd. Na 3–5 dagen (afhankelijk van weekenddagen) volgde een tweede testronde voor alle niet-nauwe contacten. Leverde dit geen nieuwe positieve personen op, dan werd er niet verder getest. Werden opnieuw één of meerdere personen positief getest, dan startte de procedure opnieuw. Meedoen aan de pilot was vrijwillig.
Op advies van het deskundigenpanel onder leiding van prof. dr. Van der Zande, toenmalig voorzitter van de LCT, heeft het kabinet besloten om de werkwijze in de pilots vanwege problemen met de werkbaarheid en schaalbaarheid niet voort te zetten, maar om zelftesten voor het funderend onderwijs vanaf medio april beschikbaar te maken. Leerkrachten kunnen zich daarmee twee keer week thuis preventief testen. Voor leerlingen in het voorgezet onderwijs zijn zelftesten beschikbaar gemaakt om, in overleg met de GGD, risicogericht te testen bij een besmetting in de klas. Zij kunnen zich daarmee op school zo snel mogelijk testen. In de tweede helft van mei zijn zelftesten beschikbaar gesteld waarmee ook alle leerlingen uit het VO zich tweemaal per week thuis preventief kunnen testen.
Voor het zelftesten geldt dat deelname geheel vrijwillig is en niet bepalend is voor de mate waarin leerkrachten en leerlingen fysiek op de onderwijsinstelling aanwezig mogen zijn.
Deelt u de mening van het RIVM dat de PCR-test op dit moment de «gouden standaard» is met een technische/analytische sensitiviteit van 96–99,5%?
Ja, de PCR-test is de meest sensitieve testmethode. Bij het valideren van nieuwe testmethoden worden deze methoden altijd met de PCR-test vergeleken. Dit betekent overigens niet dat de PCR-test in elke setting de meest ideale testmethode is. De PCR-test vraagt een geavanceerde labomgeving en het kost relatief veel tijd om de analyse uit te voeren. In het onderwijs wordt de voorkeur aan sneltesten gegeven omdat die de continuïteit van het onderwijs zo min mogelijk verstoren, een zelftest eenvoudig op de schoollocatie of thuis uit te voeren is en de testmethode snel een uitslag geeft waardoor besmettelijke mensen in de klas snel geïdentificeerd kunnen worden.
Wat is de technische/analytische sensitiviteit van de te gebruiken sneltesten?
In vraag 4 is toegelicht dat gebruik gemaakt wordt van antigeentesten. Over het algemeen geldt voor antigeentesten dat de specificiteit nabij de 100% ligt. Dit betekent dat het zelden gebeurt dat een monster positief is in de antigeentest, maar negatief is in de PCR. De sensitiviteit is afhankelijk van de populatie die getest wordt. In zijn algemeenheid geldt dat antigeentesten minder gevoelig zijn dan PCR-testen, en dat antigeentesten daardoor minder goed in staat zijn om besmettingen te detecteren in mensen die weinig virusdeeltjes in de luchtwegen hebben. Het voordeel van antigeentesten is wel dat ze goed in staat zijn om heel snel (binnen 30 minuten) mensen te vinden die veel virusdeeltjes in de luchtwegen hebben en daarmee waarschijnlijk ook het meest besmettelijk voor anderen zijn. Binnen de pilots is onderzocht of herhaald testen met antigeensneltests een effectieve aanpak is om verspreiding van het virus bij een besmetting binnen een school in te dammen. De onderzoeksuitkomsten worden in juni verwacht en zullen aan uw Kamer worden toegezonden. Voor een overzicht van de sensitiviteit van verschillende antigeentesten in verschillende doelgroepen verwijs ik naar het document Status validatie SARS-CoV-2 antigeen sneltesten dat door het RIVM wordt bijgehouden (Gebruik en veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen (rivm.nl)).
Hoeveel vals-positieve en vals-negatieve testuitslagen worden verwacht bij deze pilot, uitgaand van de technische/analytische sensitiviteit van de sneltesten en het geplande aantal af te nemen testen per dag?
De sensitiviteit van antigeensneltesten is doorgaan 80–90%. Dit betekent dat 10–20% van de positieven uit de PCR-test met de antigeensneltest niet positief testen met de sneltest. Hierbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat de antigeen-sneltest zeer gevoelig is bij mensen met een hoge virale load, de mensen die waarschijnlijk ook het meest besmettelijk zijn. De mensen die met de antigeen-sneltest gemist worden zijn dus vooral mensen die op het moment van testen niet besmettelijk zijn. Hiertussen kunnen wel mensen zitten die nog besmettelijk kunnen worden. Daarom is het van belang om bij het sneltesten de test na een aantal dagen te herhalen. Vals-positieve uitslagen zijn zeldzaam, het komt zelden voor dat iemand negatief test met een PCR-test en positief test met een antigeen-sneltest. Wanneer als gouden standaard hierbij een negatieve PCR test wordt gehanteerd is het percentage vals-positieve antigeentesten in diverse studies < 1%.
Hoe wordt voorkomen dat bij vals-positieve uitslagen leerlingen ten onrechte worden uitgesloten, aangezien het RIVM schrijft: «nadelen zijn ook het relatief hoge percentage foutpositieven dat bij brede screening gevonden zal worden, zelfs bij de testen met de hoogste specificiteit' en: «bij grootschalig gebruik van antigeensneltesten kan zelfs een relatief minimale fractie foutnegatieve testen tot aanzienlijke aantallen uitgroeien»? Welke concrete maatregelen worden genomen om fysieke besmetting als gevolg van vals-negatieve uitslagen te voorkomen?
De kans op vals-positieven is erg klein (< 1%). Bij een positieve uitslag op een zelftest, is het advies in de bijsluiter een confirmatietest te doen bij de GGD, zodat een mogelijke onterechte quarantaine zo kort mogelijk zal zijn.
Een vals-negatieve uitslag betreft mensen met een zeer lage besmettelijkheid. Door 3 tot 5 dagen erna nogmaals te testen, kunnen deze besmettingen bij toegenomen besmettelijkheid alsnog worden opgespoord. Dit wordt toegepast bij het risicogericht testen, en ook bij het preventief thuis testen, waar het advies is tweemaal per week te testen. Zo worden verdere besmettingen binnen de schoolcontext zo veel mogelijk voorkomen.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van Eurocommissaris Johansson dat Europa meer migranten nodig heeft |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Eurocommissaris Johansson (Binnenlandse Zaken) in het Nederlands Dagblad van 28 januari jl.?1
Ja.
Wat vindt u van haar uitspraak dat het aantal migranten dat van buiten de EU in Europa aan de slag gaat substantieel omhoog zou moeten, vanwege de demografische ontwikkelingen binnen Europa? En hoe beoordeelt u de gevolgen van deze uitspraken voor de Nederlandse situatie?
Ik heb kennisgenomen van de uitspraak van Commissaris Johansson. De uitspraak van Eurocommissaris Johansson heeft geen gevolgen voor de Nederlandse situatie. Zoals bij uw Kamer bekend kondigde de Europese Commissie bij de publicatie van de voorstellen op het gebied van asiel en migratie op 23 september jl. aan dat zij begin 2021 met nieuwe voorstellen zal komen over legale migratie. In deze mededeling benadrukt de Europese Commissie dat lidstaten zelf gaan over de aantallen arbeidsmigranten uit derde landen. Via het BNC-traject inzake de overkoepelende mededeling – COM (2020) 609 – is uw Kamer hierover geïnformeerd.2
Deelt u de analyse dat haar stellingname dat politieke leiders in de EU en daarbuiten als «drama queens en drama kings (...) bewust het debat over migratie vergiftigen» onterecht is en geenszins bijdraagt aan een evenwichtig debat over migratie binnen de EU?
Een evenwichtig debat over asiel en migratie in de EU is nodig, om op constructieve wijze tot een herziening van het gemeenschappelijk Europees migratie- en asielstelsel te komen. Daar wordt op verschillende wijze vanuit de lidstaten aan bijgedragen. Uitspraken die in dat verband door anderen worden gedaan, zijn voor rekening van hen.
Hoe verhoudt deze uitspraak in de Nederlandse context zich tot de reeds toenemende migratiestroom en het pleidooi van emeritus-hoogleraar Latten om juist zorgvuldig na te denken over de bevolkingsgroei in Nederland en de rol van migratie daarin, waarbij niets doen volgens hem geen optie is? Wat is uw opvatting hierover?2 3
De motie Dijkhoff c.s., die tijdens de Algemeen Politieke Beschouwingen (APB) van 2018 is aangenomen, verzoekt de regering verschillende scenario’s op te stellen waarin de gevolgen van veranderingen in de omvang en de samenstelling van de Nederlandse bevolking op verschillende beleidsterreinen in kaart worden gebracht. In juli 2020 is in dit verband door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het rapport Bevolking 2050 in Beeld, Drukker, diverser en dubbelgrijs gepubliceerd dat de demografische doorrekening bevat, en heeft u de kabinetsreactie op dit rapport ontvangen.5 Het eindrapport van de Verkenning 2050, dat een doorrekening van de maatschappelijke implicaties zal bevatten, is in het voorjaar van 2021 voorzien.
Uit de meest recente CBS-prognose blijkt dat ook na de Coronacrisis, het migratiesaldo de meest bepalende factor voor de bevolkingsgroei is. Het gaat hier met name om intra-EU mobiliteit (ongeveer 50% van de totale instroom), reguliere migratie voor arbeid en studie (circa 40%) en asiel (10%). Dit vraagt om een overheid die goed voorbereid en toegerust is en ervoor zorgt dat migratiebewegingen beheerst verlopen. Het kabinet zet hierop in door uitvoering te geven aan de integrale migratieagenda. Voor de laatste stand van zaken verwijs ik u naar de voortgangsrapportage die op 11 januari jl. aan uw Kamer is verstuurd.
Hoe kijkt u daarbij aan tegen de verhouding van autochtone en niet-Westerse bevolking en de spanningen die een relatieve toename van het aandeel niet-Westerse allochtonen, bijvoorbeeld in de steden, met zich mee kan brengen?
Op 14 december 2020 heeft de WRR het beleidsrapport Samenleven in verscheidenheid – Beleid voor de migratiesamenlevinggepresenteerd. Het rapport is resultante van vijf jaar lang onderzoek naar de maatschappelijke kansen en knelpunten die migratie naar Nederland met zich meebrengt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk met een kabinetsreactie op dit rapport komen. Het antwoord op deze vraag komt aan de orde in deze kabinetsreactie.
Vindt u dat het stellen van een bovengrens aan immigratie en het voeren van een jaarlijks debat over het aantal immigranten in Nederland in de migratiediscussie een belangrijke rol kan vervullen en derhalve wenselijk is, zoals de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vorig jaar opperde?4 5
Ik stel voorop dat een bovengrens aan immigratie geen onderdeel is van het huidige kabinetsbeleid, en een eventuele keuze terzake aan een volgend kabinet is.
In deze discussie is het goed een onderscheid te maken tussen de opvang en bescherming van asielzoekers, die verhoudingsgewijs een klein deel vormen van het aantal vreemdelingen dat naar Nederland komt, en reguliere, sociaaleconomische migranten en EU-burgers. De wettelijke c.q. verdragsrechtelijke verplichtingen jegens deze te onderscheiden groepen verschillen sterk.
Tegen deze achtergrond voert het kabinet een asielbeleid dat asielzoekers beschermt die recht hebben op asiel en daar maakt, zoals benoemd, een quotum geen deel vanuit. Wel zijn er grenzen aan de opvang- en asielcapaciteit en dient oog te worden gehouden voor het maatschappelijk draagvlak. Het kabinet spant zich in het kader van de integrale migratieagenda in om meer grip op irreguliere migratie te krijgen. Een goede samenwerking met belangrijke transit- en herkomstlanden, meer opvang in de regio, en de implementatie van een grensprocedure aan de buitengrenzen van de EU, waarbij zo snel mogelijk onderscheid wordt gemaakt tussen zij die bescherming behoeven en zij die daar geen recht op hebben en dienen terug te keren, zijn voorbeelden van maatregelen die deze grip daadwerkelijk moeten bieden.
Het kabinet voert daarnaast een arbeidsmigratiebeleid dat rekening houdt met de aanwezigheid van arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Unie en met de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven. Het kabinet faciliteert arbeidsmigratie van specifieke groepen, zoals kennismigranten. Het kabinet gaat daarbij niet uit van een generieke bovengrens. Voor EU-burgers geldt het vrij verkeer van personen tussen de lidstaten.
Migratie kan niet los worden gezien van vraagstukken als bevolkingsgroei, economie, arbeidsmarkt, onderwijs en huisvesting. Het bij het antwoord op vraag 4 genoemde eindrapport van de Verkenning 2050 bevat een doorrekening van de maatschappelijke implicaties van de ontwikkelingen in de bevolkingssamenstelling en kan mogelijk aanknopingspunten bieden voor verder beleid. Het is aan volgend kabinet om hierin keuzes te maken.
Deelt u de mening dat bij grote personeelstekorten in de zorg en een vergrijzende samenleving het verhogen van de immigratie zeker niet de oplossing kan zijn?
De bevolkingsontwikkelingen brengen vrijwel onvermijdelijk met zich mee dat er tekorten kunnen ontstaan op (onderdelen van) de arbeidsmarkt. In dit licht zij hier opgemerkt dat migratie waarschijnlijk geen structurele oplossingen zal kunnen bieden voor vergrijzingsvraagstukken. Wel kan de gerichte inzet van werknemers van binnen en buiten de EU voor bepaalde sectoren en beroepen (zoals bijvoorbeeld thans met kennismigranten) bijdragen aan het opvangen van specifieke knelpunten. Ook de zorg kan hiervan niet op voorhand uitgesloten worden. Daarbij geldt dat de kwaliteit van zorg en veiligheid van de patiënt voorop staan. Buitenslandse zorgverleners die in Nederland zelfstandig aan de slag gaan, moeten voldoen aan alle vereisten die de Wet BIG stelt, inclusief het vereiste om de Nederlandse taal voldoende te beheersen.
Het onder vraag 4 genoemde eindrapport over de Verkenning Bevolking 2050 van Nidi en CBS, brengt de maatschappelijke gevolgen in kaart van de bevolkingsontwikkelingen, óók op de terreinen arbeid en zorg. De inzichten die dit eindrapport oplevert moeten worden afgewacht om tot een zorgvuldige afweging te komen.
Bent u bereid op Europees niveau aan te geven dat dit soort uitspraken niet in lijn zijn met de Nederlandse visie op migratie binnen de EU, zeker gezien het feit dat u momenteel mee onderhandelt over een nieuw Europees migratiepact?
EU-lidstaten maken op het gebied van legale migratie eigen afwegingen op basis van de behoeften van de nationale arbeidsmarkten. De inzet van de Commissie op het aantrekken van talent en kennis is grotendeels in lijn met het kennismigratiebeleid van Nederland. Over de inzet van het kabinet is uw Kamer reeds geïnformeerd via het BNC-fiche op de algemene overkoepelende Commissiemededeling van 23 september jl.8 Naar verwachting zal de Commissie in 2021 en in het kader van het bredere alomvattende Europese asiel- en migratiebeleid nieuwe voorstellen doen op het gebied van reguliere migratie. Wanneer dat het geval is, wordt uw Kamer hierover op de gebruikelijke wijze geïnformeerd.
In hoeverre bent u het eens met de stelling dat in een klein en dichtbevolkt land als Nederland de mogelijkheden om migranten op te vangen juist zeer beperkt zijn en dat de toestroom van migranten derhalve juist beperkt moet worden? Welke consequenties verbindt u daaraan voor uw opstelling ten aanzien van een nieuw EU-migratiepact?
Zie het antwoord op vragen 4 en 6.
In hoeverre bent u bereid zich namens de Nederlandse regering bij de onderhandelingen over een migratie- en asielpact binnen de Europese Unie in te zetten voor beperking van de (oorzaken van) migratie, voor opvang en asielaanvraag in de regio en een effectieve en strenge terugkeerregeling?
Via het BNC-fiche inzake de overkoepelende Commissie mededeling inzake het Europese asiel- en migratiebeleid is uw Kamer geïnformeerd over de inzet van het kabinet.9 In lijn met de integrale migratieagenda deelt het kabinet de inzet van de Commissie om een alomvattend asiel- en migratiebeleid te hebben. Daar maken de elementen die in de vraag worden genoemd onderdeel van uit.
De onzin van subsidieslurpende mestfabrieken |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het sprookje van de mega-mestbewerking»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat voor de bouw en exploitatie van mestvergisters (mono- en co-vergisters) en mestverbranders subsidie uit de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE+(+))-regeling kan worden ontvangen?
Ja.
Hoeveel mestvergisters, mestverbranders en overige mestverwerkers zijn er momenteel in Nederland en hoeveel mest wordt hiermee verwerkt, in absolute zin en in het percentage van de totale mestproductie?
Er is een verschil tussen mestverwerking en de productie van hernieuwbare energie (via mestvergisters of mestverbranders). Mestverwerking is het exporteren van mest of het behandelen van dierlijke meststoffen tot een eindproduct dat aan bepaalde kenmerken voldoet. De productie van hernieuwbare energie uit meststromen door vergisting of verbranding levert niet altijd een verwerkte meststof op. Dit is afhankelijk van de manier waarop deze meststof verder wordt behandeld, bijvoorbeeld nog verder wordt verhit of gedroogd. Dit betekent dat niet alle mestvergisters ook mestverwerkers zijn.
In de SDE wordt subsidie verleend aan mestvergisters en mestverbranders, omdat deze hernieuwbare energie opwekken en daarmee bijdragen aan de energietransitie en het behalen van de klimaatdoelen. Gezien de hoge kostprijs van deze technieken is het niet waarschijnlijk dat er projecten zonder SDE-subsidie in bedrijf zijn. Per 1 februari 2021 zijn er binnen de SDE++ 232 projecten in beheer voor mestvergisting of co-vergisting op 157 verschillende locaties. Soms zijn dit meerdere projecten op dezelfde locatie, bijvoorbeeld door een uitbreiding van de productie of gelijktijdige productie van zowel hernieuwbaar gas als elektriciteit en warmte. Daarnaast is van 2 SDE-projecten bekend dat ze energie opwekken door de verbranding van vooral mest.
Mestverwerkers dienen te zijn aangemeld en erkend bij de NVWA in het kader van de verordening Dierlijke Bijproducten. Momenteel zijn er in totaal 143 bedrijven erkend door de NVWA voor de productie van (producten met) gehygiëniseerde/verwerkte mest. Dat zijn:
In de laatste inventarisatie van de mestverwerking in Nederland van het Nederland Centrum Mestverwaarding2 wordt een overzicht gegeven van de mestverwerking en export van mest in Nederland; er werd in 2019 6,8 miljoen kg P2O5 verbrand, 6,0 miljoen kg P2O5 mestkorrels gemaakt en 36,1 miljoen kg P2O5 geëxporteerd, waarbij vaak een sanitatie-stap wordt toegepast. In totaal werd er in 2019 48,9 miljoen kg P2O5 mest verwerkt, waarbij de mestproductie in 2019 155,5 miljoen kilogram P2O5betrof. Procentueel is dat 31,4% van het totaal.
Hoeveel subsidie is hiervoor in totaal reeds uitgegeven en hoeveel was dat onder de SDE+(+)-regeling? Kunt u dit uitsplitsen naar mestvergisters (mono- en co-vergisting), mestverbranders en overige mestverwerkers?
De totale betalingen vanuit de SDE-regelingen voor de in vraag 3 genoemde installaties zijn in de periode van 2008 tot en met 2020 460 miljoen euro voor mestvergisting en 28 miljoen voor mestverbranding.
In de afgelopen vijf jaar (2016–2021) heeft het Ministerie van LNV één subsidieregeling ter stimulering van mestverwerking gehad. Deze regeling werd betaald uit de nationale envelop Europese middelen melkvee- en varkenshouderij. Er was € 9.980.000,– beschikbaar, waarvan € 7.344.660,– is uitgekeerd. In totaal hebben 13 projecten een beschikking gehad. De regeling maakte geen onderscheid tussen de genoemde verwerkingstechnieken, maar had als doel de verwerkingscapaciteit (in kg fosfaat) uit te breiden.
Wat is de prijs per ton vermeden CO2-uitstoot van mestvergisters en mestverbranders?
De kostprijs per vermeden ton CO2 van mestvergisters en verbranders varieert van project tot project. Het is ook afhankelijk van het type energie dat wordt geproduceerd (hernieuwbaar gas, warmte of warmte en elektriciteit). Ter illustratie: voor de openstelling van de SDE++ 2020 heeft PBL berekend dat de verwachte subsidie voor de productie van hernieuwbaar gas door grootschalige monomestvergisting 131 euro per ton CO2 bedraagt. Mestverbranders zijn onderdeel van de categorie grote ketels op biomassa met een verwachte subsidie van tussen de 88 en 102 euro per ton CO2.
Bent u bekend met de klachten van omwonenden van mestfabrieken over de stank, ondanks dat exploitanten claimen dat deze «geurloos» zouden zijn? Kunt u aangeven hoeveel klachten er bij het Rijk, provincies en gemeenten zijn binnengekomen van omwonenden over de stank van mestfabrieken in de afgelopen vijf jaar?
Ik ben bekend met klachten van omwonenden van installaties die mest vergisten of verwerken. In veel gevallen hebben de omgevingsdiensten een rol bij het registeren en opvolgen van klachten.
Kunt u aangeven hoeveel lekken of andere ongelukken er plaats hebben gevonden met mestfabrieken/mestvergisters in de afgelopen vijf jaar?
Nee. Het toezicht op lekken of andere ongelukken bij dergelijke installaties die gebruik maken van mest betreft een bevoegdheid van de verschillende decentrale overheden.
Klopt het dat de meeste mestfabrieken grijs aardgas verbruiken voor het verwerkingsproces? Bij welk percentage van de mestfabrieken is dat het geval? Kunt u dit uitsplitsen per type mestfabriek (vergisting, verbranding en overige)?
Voor het verwerken van mest is in de regel warmte nodig. Bijvoorbeeld om de mest te hygiëniseren en te drogen om het product op deze wijze exportwaardig te maken. In sommige gevallen wordt daarvoor aardgas ingezet, in de meeste gevallen echter komt die warmte vrij tijdens het verwerkingsproces, zoals bij mestverbranding of mestcompostering. Een andere mogelijkheid is dat er restwarmte wordt gebruikt die vrijkomt tijdens de productie van hernieuwbare elektriciteit uit biogas zoals bij covergisting. Hierdoor is het gebruik van aardgas bij de meeste vormen van mestverwerking gering. Er worden geen cijfers bijgehouden van het aardgasgebruik bij mestverwerkers.
Hoeveel grijs aardgas wordt er jaarlijks gebruikt om dierlijke mest via monovergisting, co-vergisting en verbranding te verwerken en wat zijn de efficiëntie coëfficiënten en energieprestaties van deze mestfabrieken? Kunt u dit uitsplitsen naar type verwerking?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bevestigen dat mestverwerking met de huidige generatie mestvergisters en -verbranders ongeveer net zoveel energie (grijs aardgas) kost als dat het oplevert aan energie? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 9 wordt door de opwekking van hernieuwbare energie uit mest de hoeveelheid aardgas die moet worden ingezet om mest te verwerken verminderd.
Indien het antwoord op de vorige vraag ja is, beaamt u dan dat het greenwashing is om te stellen dat mestfabrieken «duurzaam biogas» produceren, omdat mestverwerking eigenlijk neerkomt op het simpelweg omzetten van grijs aardgas naar «biogas»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunnen mestfabrieken voor de energie voor het verwerkingsproces ook gebruik maken van houtige biomassa, door middel van gesubsidieerde industriële biomassaketels? Zo ja, hoeveel procent van de mestfabrieken maakt gebruik van zulke ketels en hoeveel subsidie hebben ze hiervoor in totaal ontvangen?
Biomassaketels kunnen SDE-subsidie krijgen voor de productie van warmte door houtverbranding als deze nuttig wordt aangewend, bijvoorbeeld voor het verwerken van mest. In de regel worden installaties voor houtverbranding binnen de SDE echter gebruikt voor ruimteverwarming of proceswarmte voor bedrijven. Hoeveel houtverbrandingsinstallaties met een SDE-beschikking die (deels) worden gebruikt voor mestverwerking is niet bekend. Overigens wordt het verwarmen van de installatie waarmee de hernieuwbare warmte wordt opgewekt vanuit de SDE++-regeling en de Regeling garanties en certificaten van oorsprong niet gezien als een nuttige toepassing van warmte en is daarmee niet subsidiabel.
Tot en met 2019 kon tevens gebruik worden gemaakt van een investeringssubsidie uit de ISDE voor biomassaketels tot 500 kW. In totaal hebben 5 projecten hiervan gebruik gemaakt met een gezamenlijk budget van circa 0,1 miljoen euro. Dit gaat om 2% van het aantal projecten zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3.
Wordt bij de SDE+(+)-subsidie het energieverbruik van industriële biomassaketels op dezelfde manier gecorrigeerd als het grijs aardgasverbruik?
Nee, bij productie van hernieuwbaar gas wordt gekort op de inzet van aardgas die wordt gebruikt door de productieinstallatie. Bij de productie van hernieuwbare warmte en elektriciteit wordt een korting toegepast op de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de door de productieinstallatie zelf gebruikte warmte. Warmte of elektriciteit uit aardgas komen niet in aanmerking voor subsidie.
Welk percentage van de mestfabrieken gebruikt de zelf opgewekte energie voor het verwerkingsproces? Kunt u bevestigen dat dit geen voorwaarde is voor de SDE++-subsidie? Waarom niet?
Het is niet precies bekend welk gedeelte van de mestverwerkers gebruik maakt van zelf opgewekte energie voor het verwerkingsproces. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 wordt de SDE-subsidie gebaseerd op de opwekking en nuttige toepassing van hernieuwbare energie. Het verwerken van mest staat hier in principe los van en het is daarmee ook niet logisch om hier in de SDE voorwaarden aan te stellen.
Kunt u bevestigen dat het restproduct uit mono- en co-vergisting van mest digestaat is, waarvan nu geprobeerd wordt dit te vermarkten tot «kunstmestvervanger»?
Nee, het digestaat wordt niet vermarkt of gebruikt als «kunstmestvervanger». Dit product heeft in Nederland de status van dierlijke mest en moet onder de gebruiksnorm dierlijk mest worden aangewend. Wil een ondernemer het product als kunstmestvervanger gaan vermarkten, dan gelden er aanvullende kwaliteitseisen, die alleen met aanvullende verwerkingsstappen (met name scheiden, filteren en concentreren) kunnen worden behaald. Er is momenteel één bedrijf in Nederland, die dat doet.
Hoeveel energie is er nodig voor de productie van 1 kilogram «kunstmestvervanger» uit dierlijke mest en hoeveel energie is er nodig om 1 kilogram «reguliere» stikstofkunstmest te produceren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 15 wordt digestaat niet vermarkt of gebruikt als «kunstmestvervanger», wel wordt onderzoek gedaan naar de kenmerken van bepaalde vormen van bewerkte mest. In energietermen is deze vraag moeilijk te beantwoorden, aangezien aardgas in het productieproces van het maken van kunstmest niet als energiehouder, maar als grondstof gebruikt wordt. Het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie geeft in het rapport over kunstmestvervanging door producten uit dierlijke mest3 wel een indruk van de klimaatimpact van twee productieprocessen in uitstoot in CO2-equivalenten. Het JRC concludeert dat de productie van herwonnen stikstofmeststoffen uit dierlijke mest (RENURE-meststoffen) kan worden geassocieerd met productie-emissies (0,54 tot 1,3 kg CO2-equivalenten per kg N), welke lager zijn dan de 3 kg CO2-equivalenten per kg N zoals vastgelegd in het sectorale referentiedocument over het beste milieu managementpraktijken, wanneer kunstmest gebruikt wordt. Overigens geldt dit alleen bij regionale toepassing van deze kunstmestvervangers, als de meststoffen over een grotere afstand getransporteerd worden, is de klimaatimpact groter.
Beaamt u dat in de biologische landbouw al sinds jaar en dag een simpele, goedkope en energiearme «kunstmestvervanger» wordt gebruikt, namelijk gewoon dierlijk mest?
Ja, in de biologische landbouw en de gangbare landbouw gebruikt men dierlijke mest. De hoogwaardig verwerkte mestproducten dienen als aanvulling op deze dierlijke mest en vervangen daarmee kunstmest. In de biologische landbouw is het niet toegestaan om kunstmest te gebruiken. De toepassing van kunstmestvervangers in de biologische landbouw zal daarmee beperkt zijn.
Kunt u uitsluiten dat het mogelijk is om de (co-)vergisting van mest en de verwerking van het digestaat onder te brengen in twee aparte besloten vennootschappen, waardoor een dubbele boekhouding gevoerd kan worden?
Het is mogelijk om de (co)vergisting van mest en de verwerking van het digestaat onder te brengen in twee aparte besloten vennootschappen. De vennootschappen dienen een inzichtelijke administratie te voeren. Vervoer van mest naar en vanaf een intermediaire onderneming dient inzichtelijk en geborgd plaats te vinden. Omdat het vergisten en het verwerken van mest twee verschillende processen zijn is het mogelijk dit onderscheid aan te brengen.
Indien het antwoord op de vorige vraag nee is, deelt u dan het inzicht dat dit ongewenste situaties kan opleveren, omdat op deze manier de SDE++-subsidie op basis van de bruto opbrengst van het biogas uitgekeerd kan worden, dus zonder correctie voor een groot deel van het grijs aardgas verbruik?
Nee, de SDE-subsidie wordt gegeven voor de productie van hernieuwbare energie. Het verbruik van deze energie voor mestverwerking hoeft daarvoor niet in mindering te worden gebracht.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zich voor uitkering van SDE++-subsidies uitsluitend baseert op aangeleverde cijfers van de eigenaars van de mestfabrieken? Zo ja, hoe worden die cijfers op juistheid gecontroleerd?
De subsidie wordt bepaald op basis van werkelijk gemeten energieproductie en de daarvoor afgegeven garanties van oorsprong. De meting per productie-installatie vindt plaats door een erkend meetbedrijf. Het meetbedrijf verifieert de door de producent verstrekte gegevens. Voor installaties groter dan 2MW elektrisch dient er daarbij door een accountant een assuranceverklaring te worden afgegeven. Indien hieruit volgt dat de geproduceerde energie aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet, worden er door CertiQ garanties van oorsprong verstrekt. De garanties van oorsprong zijn de basis voor de vaststelling van de subsidie door RVO. De NVWA is onder andere toezichthouder voor mestvergisters die subsidie ontvangen en ziet toe op de naleving van voorwaarden in de meststoffenwetgeving bij deze producenten.
Bent u bereid om mestfabrieken, gezien ze fraudegevoelig zijn en niet of nauwelijks duurzame energie opwekken, te schrappen van de SDE++-subsidieregeling, zodat dit geld besteed kan worden aan écht duurzame energieproductie? Zo nee, waarom niet?2
Nee, ik beschouw mestvergisting als een duurzame energiebron die ook nog eens de emissie van overig broeikasgas reduceert. Er is blijvende aandacht voor frauderisico’s in deze sector. Dit gebeurt onder andere door de versterkte handhavingsstrategie mest (Kamerstuk 33 037, nr. 311) en de acties opgenomen in de kabinetsreactie op het bestuurlijk signaal co-vergisting (Kamerstuk 33 037, nr. 364).
Bent u bekend met de uitspraak van het Europees Hof «Alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet begeleide minderjarige, moet een lidstaat nagaan of er voor de minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer»?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze uitspraak? Hoe gaat u het beleid aanpassen om te voldoen aan deze uitspraak?
In de uitspraak stelt het Hof dat een lidstaat zich, reeds voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit, ervan dient te vergewissen dat adequate opvang beschikbaar is. In de voorheen geldende uitvoeringspraktijk onderzocht de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) eerst ná het nemen van een terugkeerbesluit of er adequate opvang was om terugkeer te realiseren, onder opschorting van de terugkeer. Voor de goede orde merk ik op dat zowel voor als na de uitspraak, alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) alleen zijn teruggeleid als er adequate opvang aanwezig was in het land van herkomst. Ik ben op dit moment aan het onderzoeken wat de uitspraak betekent voor de inrichting van het terugkeerproces van amv’s.
Waarom was het beleid zo ingericht dat bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) boven de 15 jaar geen onderzoek werd gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang in het land van herkomst? Hoe kijkt u daar nu naar, gelet op de uitspraak van het Europese Hof?
Ik wil graag nogmaals benadrukken dat ook bij amv’s vanaf 15 jaar door de DT&V onderzoek werd en wordt gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang. Amv’s vanaf 15 jaar kunnen alleen niet in aanmerking komen voor de buitenschuldvergunning voor amv’s (zoals omschreven in paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000).
Het buitenschuldbeleid voor amv’s is in juni 2013 aangepast om amv’s die geen recht hebben op bescherming, maar van wie helder is dat zij buiten hun schuld niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst, alsnog duidelijkheid te bieden.2 Wanneer uiterlijk drie jaar na de asielaanvraag blijkt dat de amv buiten zijn of haar schuld om niet kan terugkeren en de amv nog steeds minderjarig is, kan hij of zij in aanmerking komen voor een buitenschuldvergunning voor amv’s. Door het stellen van een maximale termijn van maximaal drie jaar wordt de periode waarin een amv in onzekerheid verkeert over zijn of haar verblijfsperspectief begrensd, maar tegelijkertijd rekening gehouden met de tijd die nodig is om op een aanvraag te beslissen en onderzoek te doen naar het bestaan van adequate opvang.
Bij het presenteren van dit nieuwe beleid is destijds verduidelijkt dat het buitenschuldbeleid bedoeld is voor uitzonderlijke gevallen, omdat ook in het geval van een minderjarige geldt dat wie terug wil ook terug kan, zolang er een vorm van adequate opvang bestaat.
Amv’s van vanaf 15 jaar, die buiten hun schuld om niet kunnen terugkeren, kunnen overigens wel in aanmerking komen voor de reguliere buitenschuldvergunning (omschreven in paragraaf B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000).
Bent u ooit gewezen op het feit dat de huidige uitvoeringspraktijk in strijd is met EU-recht? Zo ja, wat is daar toen mee gedaan? Indien daar toen niets mee is gedaan, waarom niet?
Nee, dit was tot aan de uitspraak niet bekend.
Hoe kunt u in het schriftelijk overleg van 25 januari j.l. stellen dat «in de huidige uitvoeringspraktijk de Dienst Terugkeer en Vertrek eerst na het nemen van een terugkeerbesluit onderzoekt of er adequate opvang is om terugkeer te realiseren» en dat dit «de geldende werkwijze is in alle amv-zaken» terwijl het Europese Hof in een uitspraak op 14 januari j.l. juist heeft geconcludeerd dat dit voor amv-zaken tussen de 15 en 17 jaar niet de geldende praktijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
In het antwoord van het schriftelijk overleg van 25 januari jl. wordt gedoeld op de uitvoeringspraktijk tot de uitspraak. Inmiddels is begonnen met het intrekken van de terugkeerbesluiten van amv’s in de huidige caseload van de DT&V en vaardigt de IND in nieuwe amv-zaken voorlopig geen terugkeerbesluiten uit, totdat een besluit is genomen over eventuele aanpassingen aan het terugkeerproces voor amv’s.
Kunt u een beeld schetsen om hoeveel zaken het ongeveer gaat waarbij niet in lijn met Europese regelgeving is gehandeld en wat de voornaamste herkomstlanden zijn van de vreemdelingen die het betreft? Zo nee, waarom niet? In hoeveel procent van deze zaken is de betrokkenen ook daadwerkelijk uitgezet na aanvang van het achttiende levensjaar?
Zoals aangegeven in het schriftelijk overleg van 25 januari jl. was het in alle zaken, waaronder die van amv’s, de geldende praktijk om een afwijzende beschikking uit te vaardigen tegelijkertijd met een terugkeerbesluit. De DT&V heeft in alle amv-zaken waarin terugkeer aan de orde was, eerst onderzoek gedaan naar adequate opvang na het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. Er was tot aan de uitspraak van het Hof geen aanleiding om te denken dat hiermee niet in lijn met Europese regelgeving werd gehandeld. Voor de goede orde benadruk ik dat dit met name ziet op de volgtijdelijkheid van het proces. Er zijn geen minderjarige vreemdelingen uitgezet zonder dat aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake was van adequate opvang in het land van bestemming.
Het is niet mogelijk om vanuit de geautomatiseerde systemen van de migratieketen op te maken in hoeveel procent van de gevallen een betrokkene daadwerkelijk is uitgezet na aanvang van het achttiende levensjaar. Dit zou een complexe analyse vereisen, die binnen de termijn voor beantwoording van deze vragen niet is uit te voeren. Ter beeldvorming kan ik aangeven dat vanaf 2014 tot en met 2020 de jaarlijkse instroom van amv’s in de caseload van de DT&V uit gemiddeld ca. 310 zaken bestond. De voornaamste nationaliteiten over deze periode waren de Afghaanse, Marokkaanse en Eritrese nationaliteit.4
Kunt u toezeggen dat er voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen van 15 tot en met 17 jaar oud die zich nu en in de toekomst in Nederland bevinden, voortaan wel onderzoek wordt gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang in landen van herkomst voordat een terugkeerbesluit genomen wordt? Zo nee, waarom niet?
De precieze veranderingen aan de uitvoering van het terugkeerproces voor amv’s naar aanleiding van deze uitspraak zijn nog niet uitgekristalliseerd. De uitspraak is echter bindend voor Nederland, dus er zal vanaf nu onderzoek moeten worden gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang vóórdat een terugkeerbesluit kan worden genomen ten aanzien van een amv.
Het openbaar maken van de adressen van PAS-melders |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Raad van State inzake het openbaar maken van de locatiegegevens van PAS-melders?1
Ja.
Welke vervolgstappen heeft u voor ogen?
Ik hecht belang aan het opvolgen van de uitspraak van de Raad van State door de gevraagde locatiegegevens openbaar te maken. De noodzakelijke stappen hiertoe vergen een doorlooptijd van enkele weken: ik verwacht de gegevens in de loop van maart openbaar te kunnen maken en ik heb de PAS-melders hierover per brief geïnformeerd. Tegelijkertijd zet ik onverminderde actie op het legaliseren van de meldingen. Als het parlement het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering aanneemt, krijgt het kabinet de opdracht een legaliseringsprogramma in te richten. Daarmee hebben initiatiefnemers nog meer zekerheid dat hun activiteit wordt gelegaliseerd en de problematiek wordt opgelost.
Hoe gaat u zorgen voor voldoende bescherming van de privacy en de veiligheid van de PAS-melders en hun gezinnen?
Op grond van de uitspraak worden enkel de locatiegegevens van de bedrijven openbaar gemaakt. De persoonsgegevens van de initiatiefnemers blijven gelakt. Daarmee is de bescherming van de privacy binnen de kaders van de wet maximaal vormgegeven.
Ziet u mogelijkheden om alleen kaartbeelden te verstrekken en niet een lijst met namen en adressen?
Ja. Op grond van de uitspraak worden alleen de locatiegegevens van de PAS-meldingen, dat wil zeggen kaartbeelden, openbaar gemaakt. De naam en adresgegevens van de PAS melders worden niet openbaar gemaakt.
Het IMVB-convenant Pensioenfondsen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen?
Ja.
Wat is uw reactie op de Voortgangsmeting? Deelt u de mening dat het uitermate zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat de implementatie van het Convenant op alle hoofdindicatoren achterblijft bij de tussentijdse doelstellingen?
In de appreciatie door de stuurgroep van het IMVB-convenant Pensioenfondsen (hierna: convenant) concludeert de stuurgroep dat terwijl de eerste stappen zijn gezet, de implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren achterblijft bij de doelstellingen. Deze voortgangsmeting over 2019 geeft weer dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen. Hoewel de monitoringscommissie concludeert dat er nagenoeg op alle subindicatoren van hoofdindicator »Beleid» voortgang is geboekt, blijkt uit het monitoringsrapport ook dat nog geen enkel pensioenfonds op alle subindicatoren positief scoort. Dit is een punt van aandacht, omdat de convenantdoelstelling voor eind 2020 was dat alle pensioenfondsen positief scoren op hoofdindicator «Beleid». De voortgangsmeting over 2020 wordt in het vierde kwartaal van 2021 verwacht.
Niet alle effecten van de convenantsactiviteiten zijn meegenomen in deze monitoring. Zo is vlak voor de peildatum van deze voortgangsmeting onder andere het instrumentarium gepubliceerd.1 Dit instrumentarium is een hulpmiddel voor de pensioenfondsen om de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) te implementeren. Ook zijn er verschillende webinars en een kennissessie over de implementatie van de OESO-richtlijnen en UNGP’s georganiseerd, waarin het instrumentarium bij pensioenfondsen onder de aandacht is gebracht. Aangezien de implementatie van de OESO-richtlijnen in het beleggingsbeleid de basis vormt voor de verdere due diligence stappen, is het belangrijk dat de pensioenfondsen het beleid zo snel mogelijk op orde krijgen conform afspraken in het convenant. In de stuurgroep en verschillende werkgroepen wordt momenteel een actieplan hiervoor opgesteld.
Hoe kan het dat geen enkele van de deelnemende pensioenfondsen alle subindicatoren voor «Beleid» volledig heeft kunnen realiseren? Hoe verklaart u dat slechts vijf procent van de pensioenfondsen alle stappen van due diligence doorlopen? Hoe verklaart u dat 39 deelnemende pensioenfondsen nog altijd niet het instrumentarium hebben toegepast, hoewel dit slechts gaat om het opnemen van (gesuggereerde) teksten in beleid, contracten en monitoring? Heeft u zicht op waarom de tussendoelstellingen over de gehele breedte gemist zijn?
De «Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen» gaat over eerste jaar (2019) van het convenant. Voor de hoofdindicator «Beleid» is in het convenant vastgelegd dat alle deelnemende pensioenfondsen hieraan moeten voldoen aan het einde van jaar twee.
Het is voor veel deelnemende pensioenfondsen, die bijvoorbeeld kleiner van omvang zijn, een veelomvattende taak om alle stappen van due diligence te doorlopen en om te beschrijven hoe dit ingevuld en verankerd wordt in beleid, contracten en monitoring. Daarom werd van hen verwacht dat zij dit aan het einde van het tweede jaar van het convenant op orde zouden hebben. In de aanstaande monitoring over 2020 zal blijken of de deelnemende pensioenfondsen deze doelstelling hebben behaald. Voor een groot deel van de fondsen is het instrumentarium een noodzakelijk hulpmiddel hierbij. Dit instrumentarium werd aan het einde van het eerste jaar (december 2019) opgeleverd. Dit verklaart mede waarom een deel van de pensioenfondsen dit instrumentarium nog niet volledig heeft kunnen toepassen. Dit heeft bijgedragen aan een lagere realisatie op de tussendoelstellingen voor 2019 dan eerder werd verwacht.
Wat zegt volgens u de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant over de mate waarin pensioenfondsen hun duurzaamheidsrisico’s, zoals fysieke risico’s als waterschaarste, gedegen beheersen?
Bij de implementatie van het convenant draaide het voor de deelnemende pensioenfondsen in het eerste jaar om het starten met het vastleggen van de OESO-richtlijnen in hun beleid voor uitbesteding, monitoring en rapportage (stap één van gepaste zorgvuldigheid onder de OESO-richtlijnen). In lijn met de OESO-richtlijnen is het maken van een risicoanalyse de tweede stap van due diligence. Deze stap moet gezamenlijk met de andere stappen op basis van de afspraken in het convenant aan het einde van jaar twee vastgelegd zijn in het beleid van de pensioenfondsen. Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes de stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee op termijn hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen. In de monitoring wordt gekeken of pensioenfondsen de OESO-richtlijnen hebben geïmplementeerd in hun beleid. Op basis van de huidige voortgang van de implementatie kan ik geen conclusies trekken over de beheersing van specifieke duurzaamheidsrisico’s, omdat deze geen onderdeel van de monitoring binnen het convenant vormen.
Deelt u de mening dat aan de geloofwaardigheid van intenties ten aanzien van engagement afbreuk wordt gedaan, nu blijkt dat pensioenfondsen zeer matig scoren op de mate waarin ze invloed aanwenden om de negatieve impact van beleggingen te voorkomen of te mitigeren (indicator 2c)?
Subindicator 2c is onderdeel van de hoofdindicator «Uitbesteding». In het convenant is afgesproken dat de deelnemende pensioenfondsen voor zover dat nog niet het geval is, de afspraken voor uitbesteding zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het convenant in rapportagevereisten met externe dienstverleners opnemen. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3 is de naleving van de OESO-richtlijnen een veelomvattende taak voor veel pensioenfondsen. Er is bij het vastleggen van de afspraken daarom bewust voor drie jaar gekozen om de deelnemende pensioenfondsen de tijd te geven de uitbesteding goed in te richten. Ik vind het voorbarig om na één van de drie jaren al de geloofwaardigheid van de intenties hierop in twijfel te trekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waterroof: mede mogelijk gemaakt met ons pensioengeld» dat 19 januari jl. op Follow the Money verscheen?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het in de vorige vraag genoemde artikel laat zien dat verscheidene Nederlandse pensioenfondsen medefinancier zijn van gezondheids- en milieurampen in ten minste de Verenigde Staten en Mexico?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, met inachtneming van de toepassing van de OESO-richtlijnen, is een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en de toepassing hiervan verantwoord is en vindt daarbij de fondsen zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het IMVB-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en UNGP’s in het beleid en due diligence van pensioenfondsen.
Wat zegt het volgens u dat er door verschillende Nederlandse pensioenfondsen geen engagement toegepast wordt op een bedrijf als Coca Cola Femsa?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 7 is het beleggingsbeleid van pensioenfondsen een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen zelf. Hieronder vallen ook besluiten over met welke bedrijven een pensioenfonds (of de uitvoeringsorganisatie) een engagementtraject start. Vanuit de afspraken in het convenant is de verwachting dat pensioenfondsen conform de OESO-richtlijnen een risicoanalyse maken en prioriteren welke risico’s zij in hun beleggingsportefeuille willen aanpakken en met welke vorm van beïnvloeding. Dit kan op verschillende manieren, onder andere via stemmen op aandeelhoudersvergaderingen. Een engagementtraject is een andere manier van beïnvloeding en vraagt vaak een lange adem en meer middelen. Pensioenfondsen maken hierin zelf de afweging. Het kabinet kan geen oordeel geven over het al dan niet voeren van engagement met individuele bedrijven door één of meerdere pensioenfondsen.
Vindt u ook dat vanuit het Convenant een verplichting voortkomt voor pensioenfondsen om investeringen individueel te beoordelen en niet slechts via een benchmark?
In het convenant zijn afspraken vastgelegd volgens de stappen van gepaste zorgvuldigheid die de OESO-richtlijnen voorschrijven. Deze richtlijnen en specifiek het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers dat als leidraad wordt gebruikt door pensioenfondsen schrijft niet voor hoe om te gaan met directe beleggingen ten opzichte van het beleggen via een benchmark of index. Uit het convenant volgt geen verplichting voor het individueel beoordelen van investeringen. Wel wordt van pensioenfondsen verwacht dat zij, waar mogelijk, hun invloed aanwenden wanneer negatieve effecten worden vastgesteld bij bedrijven waarin zij investeren. Dit kan eventueel in een gesprek met de index-samensteller.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat veel deelnemende pensioenfondsen due diligence niet van toepassing verklaren op passieve beleggingen? Hoe kijkt u er met terugwerkende kracht op terug dat de inzet ten aanzien van passieve beleggingen in de tekst van het Convenant niet geëxpliciteerd is?
Uit de monitoringsrapportage komt naar voren dat veel pensioenfondsen in de hoor- en wederhoor met de monitoringscommissie hebben aangegeven gepaste zorgvuldigheid (due diligence) niet van toepassing te verklaren op passief beleggen. De appreciatie van de stuurgroep van het convenant is niet specifiek op dit punt ingegaan, maar neemt wel de aanbeveling over van de monitoringscommissie dat het eerder opgestelde instrumentarium geoptimaliseerd en beter toepasbaar gemaakt moet worden. De werkgroep Monitoring werkt momenteel een actieplan uit dat invulling geeft aan de verschillende aanbevelingen.
De convenantafspraken hebben betrekking op doelstelling, inzet en reikwijdte van het convenant. Zij zijn de uitkomst van een langdurige onderhandeling met alle betrokken partijen bij het convenant. Passieve beleggingen zijn daarin niet geëxpliciteerd, maar het huidige instrumentarium benoemt al dat er rekening wordt gehouden met de karakteristieken en beïnvloedingsmogelijkheden van verschillende pensioenfondsen. Te denken valt aan de grootte, de beleggingsstrategieën en de verschillende beleggingscategorieën. Met de voorgestelde optimalisatie van het instrumentarium kan pensioenfondsen een verdere handreiking worden geboden met betrekking tot hun handelingsperspectief voor wat betreft gepaste zorgvuldigheid.
Zet u zich er onverkort voor in dat passieve beleggingen daar, waar het gaat om het uitsluiten van sociale en milieugerelateerde misstanden, aan precies dezelfde doelstellingen onderworpen worden als actieve beleggingen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 10 zijn passieve beleggingen niet geëxpliciteerd in het convenant. Desalniettemin verwacht het kabinet dat pensioenfondsen voor al hun beleggingen (actief en passief) de stappen van gepaste zorgvuldigheid implementeren in hun beleggingsbeleid en gaan toepassen. Wanneer sociale- en milieu gerelateerde misstanden worden geconstateerd en pensioenfondsen hieraan gelinkt zijn, wordt vanuit de OESO-richtlijnen verwacht dat zij hun invloed aanwenden om deze te mitigeren of waar mogelijk te stoppen en in de toekomst te voorkomen. Hoe pensioenfondsen hun invloed aanwenden en in welke mate kan verschillen bij actieve en passieve beleggingen. Het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers2 geeft aan dat de mate van invloed onder andere bepaald wordt door de karakteristieken van de institutionele belegger, de beleggingsstrategie (actief of passief), en geldende wet- en regelgeving. Ook bij passieve beleggingen heeft een pensioenfonds een aantal opties om invloed aan te wenden om betrokkenheid bij misstanden te mitigeren en/of voorkomen.
Deelt u de mening dat er een verband bestaat tussen het gebrekkige optreden van Nederlandse pensioenfondsen in specifieke casussen, zoals uiteengezet in het Follow the Money-artikel, en de gebrekkige voortgang van de implementatie van het convenant? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het FTM-artikel spreekt over de vijf grootste pensioenfondsen en heeft van vier reacties opgenomen (ABP, PFZW, PMT en PME). Daarbij kan opgemerkt worden dat het FTM-artikel ook vermeldt dat bijvoorbeeld PMT en PME één van de genoemde bedrijven uitsluiten. De voortgang van individuele pensioenfondsen in naleving van het convenant is enkel inzichtelijk voor de leden van de monitoringscommissie en het SER-secretariaat dat de commissie ondersteunt bij de verwerking van alle antwoorden die aangeleverd worden in de monitoringtool. Op basis van de geaggregeerde voortgangsrapportage kan daarom niet geconcludeerd worden welke voortgang de vijf grootste pensioenfondsen hebben geboekt in het eerste jaar van het convenant.
Komen de resultaten van de monitoringscommissie voor u als een verrassing? Op welke momenten in het afgelopen jaar heeft u met pensioenfondsen over de voortgang van het Convenant gesproken? Heeft u op enig moment voor de verschijning van de publicatie van de voortgangsrapportage signalen gehad dat de voortgang van de implementatie zeer gebrekkig is? Wat heeft u met deze signalen gedaan?
Binnen de stuurgroep en de verschillende werkgroepen wordt continu het gesprek gevoerd met de Pensioenfederatie en dat deel van de pensioenfondsen dat deelneemt aan de stuurgroep en werkgroepen. In deze gesprekken gaat het over hoe de pensioenfondsen ondersteund kunnen worden bij het implementeren van de OESO-richtlijnen en welke producten er ontwikkeld kunnen worden om dit voor elkaar te krijgen. De monitoringcommissie monitort jaarlijks de voortgang die de partijen boeken op de convenantafspraken en houdt toezicht op de kwaliteit en de kwantiteit van de input van de partijen. Pas uit het jaarlijkse monitoringsrapport wordt daarom volledig inzichtelijk wat de voortgang is van het convenant ten opzichte van de afspraken. Deze eerste voortgangsmeting laat zien dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen.
Deelt u de zienswijze van de monitoringscommissie dat de vertraging op de hoofdindicator beleid consequenties heeft voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren?
De achterblijvende voortgang op de hoofdindicator «Beleid» vormt een risico voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren, omdat het vastleggen van de due diligence stappen in het beleid volgens de due diligence methodiek een voorwaarde vormt voor de verdere uitrol hiervan in uitbesteding, monitoring en rapportage. Deze eerste voortgangsrapportage laat echter ook zien dat een deel van de pensioenfondsen in de praktijk al meer voortgang heeft geboekt op de andere hoofindicatoren, terwijl nog niet alle subindicatoren onder de hoofdindicator «Beleid» zijn behaald.
Betekent de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant dat het dit kabinet onvoldoende gelukt is via het postennetwerk en economische diplomatie de partijen in het convenant te ondersteunen bij het implementeren van hun IMVB-beleid? Zo nee, waar baseert u dit op? Wat is er op dit punt het afgelopen jaar goed gegaan, en wat kan er beter?
Volgens afspraak hebben het postennetwerk en de economische diplomatie het convenant ondersteund, primair in het zogenaamde «diepe spoor» van het convenant waarin de partijen samenwerken aan engagementcasussen. Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 3 betreft dit de voortgang van het eerste jaar van het convenant. Hierin zijn volgens afspraak de eerste twee casussen gestart, te weten een mijnbouwcasus in Peru en een casus in de palmolieketen in Indonesië en Liberia. Vanaf het begin zijn de posten in de desbetreffende landen en/of landenmedewerkers op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag betrokken bij de casussen om duiding te geven aan de lokale context van de sector in het land of andere specifieke vragen die uit het samenwerkingsverband kwamen te beantwoorden.
In het afgelopen jaar, het tweede jaar van het convenant, is dat voortgezet en is er onder andere in de mijnbouwcasus een geslaagd virtueel veldbezoek georganiseerd in samenwerking met de ambassade in Lima. De ambassade heeft zijn netwerk van lokale contacten ingezet, hierdoor hebben meerdere bijeenkomsten tijdens het veldbezoek voor de casuswerkgroep plaatsgehad. De post heeft ook aangeboden om, indien gewenst door de werkgroep, een vervolgbezoek te organiseren voor organisaties waarmee tijdens dit eerste bezoek niet gesproken is.
Heeft u er, wijzende op het gegeven dat de resterende tijd voor realisatie van het convenant afneemt en er meer voortgang gemaakt moet worden dan als de tussendoelstellingen gehaald zijn, nog wel vertrouwen in dat de doelstellingen van het convenant gehaald gaan worden? Zo ja, waarop baseert u dat vertrouwen?
Ja. Deze voortgangsrapportage betreft het eerste jaar van de looptijd van dit convenant. De in het convenant vastgelegde afspraken voor het eerste jaar zijn behaald. Zo is er onder andere een monitoringstool ontwikkeld. Deze wordt door de pensioenfondsen als zeer gebruiksvriendelijk ervaren. Ook is het instrumentarium ontwikkeld en gepubliceerd en zijn de eerste twee casussen geselecteerd en gestart. Hierover is onder andere gecommuniceerd via nieuwsbrieven en een jaarbijeenkomst. De tussendoelstellingen voor de hoofdindicatoren zijn, zoals eerder benoemd in het antwoord van vraag 1, geen vastgelegde afspraak in het convenant, maar opgesteld om de voortgang op de hoofdindicatoren te volgen. De deelnemende pensioenfondsen hebben de eerste stappen gezet. De implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren blijft echter achter bij de tussendoelstellingen. Het is daarom voor alle betrokken partijen duidelijk dat er nog extra stappen gezet moeten worden om de gemaakte afspraken in het convenant waar te maken. Als deze gezet worden acht het kabinet, samen met de andere partijen bij het convenant, de volledige implementatie van het convenant nog steeds haalbaar.
Wat zou de juridische consequentie zijn als het scenario zich materialiseert waarin de Pensioenfondsen de doelstellingen van het Convenant niet halen, gegeven dat het behalen van deze doelstellingen een verplichting is?
De bestuurlijke opzet van het convenant beschikt over een stuurgroep waarin alle geledingen zitting hebben. Wanneer de afspraken uit het convenant niet gehaald worden of er onvoldoende voortgang is, dan is de stuurgroep het aangewezen orgaan om een actieplan op te stellen of deelnemende pensioenfondsen aan te spreken op de verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van het convenant. Dit kan zelfs bij een compleet doorlopen geschillenprocedure die niet succesvol is leiden tot het opzeggen van het convenant jegens de tekortschietende partij. De IMVO-convenanten zijn een vrijwillig instrument binnen het IMVO-beleid van het kabinet. Het niet halen van vastgelegde afspraken heeft geen juridische consequenties.
Op 16 oktober 2020 heeft het kabinet de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Hierbij heeft het kabinet de voorkeur voor een verplichting op Europees niveau.
Hoe verhoudt zich de constatering dat pensioenfondsen in toenemende mate hun eigen ESG-beleid formuleren, met de noodzaak tot harmonisatie van ESG-doelstellingen en -methoden zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet? Vraagt de noodzaak tot harmonisatie te komen om een actievere, meer interveniërende rol van de ministeries op dit specifieke punt? Hoe gaat u daar invulling aan geven?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen, waaronder financiële instellingen, dat zij de OESO-richtlijnen en UNGP’s naleven. Binnen het convenant zijn er verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Van pensioenfondsen wordt verwacht dat dat zij ESG-beleid opstellen volgens de OESO-richtlijnen. De daadwerkelijke invulling van het ESG-beleid is aan de pensioenfondsen zelf.
De noodzaak tot harmonisatie waaraan gerefereerd wordt in de duurzame financieringsstrategie heeft betrekking op harmonisatie van rapportagestandaarden. Om voortgang te kunnen vergelijken en de beschikbaarheid van data te verhogen is het belangrijk dat bedrijven op een uniforme wijze rapporteren, bij voorkeur op een Europese uniforme wijze. Dit is ook de inzet van het kabinet zoals beschreven in de consultatiereacties op de Europese Commissie consultaties van de Hernieuwde Duurzame Financieringsstrategie en de herziening van de richtlijn niet-financiële rapportage.
Ziet u vanuit uw inzet voor gedegen rapportages over ESG-impact en -risico’s, zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet, een speciale verantwoordelijkheid om u er actief tegenaan te bemoeien dat pensioenfondsen beter over voorgenoemde zaken gaan rapporteren, gegeven de slechte resultaten op de vierde hoofdindicator? Op welke manier gaat u hier invulling aan geven?
Rapporteren en transparantie bieden over de genomen beslissingen is een belangrijk onderdeel van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid volgens de OESO-richtlijnen. Ook in het convenant zijn verschillende afspraken opgenomen over transparantie en rapportage. Zo wordt er van de deelnemende pensioenfondsen verwacht dat aan het eind van het vierde jaar het convenant verwerkt is in de rapportages. De monitoringscommissie observeert in het monitoringsrapport over 2019 dat er over het algemeen voortgang is geboekt op deze doelstelling, maar dat daar ook meer tijd voor is vergeleken met de andere doelstellingen, conform het convenant.
Om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen aan het einde van het vierde jaar voldoen aan de afspraken, is er in het tweede jaar van het convenant al een brede kennissessie georganiseerd waarin rapportage ook aan bod kwam als één van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Voor het komende jaar worden er aanvullende webinars georganiseerd; gepland wordt dat daarin ook de verwachtingen op rapportage en transparantie behandeld zullen worden als onderdeel van het actieplan om de implementatie te versnellen.
Deelt u de mening van de monitoringscommissie dat een versnelling van de implementatie meer bestuurlijke aandacht, tijd en middelen vraagt? Wat is de implicatie daarvan voor uw rol?
Ja. De stuurgroep van het convenant, waar alle partijen zitting in hebben, heeft een appreciatie opgesteld van de voortgangsrapportage van de monitoringscommissie. Deze appreciatie onderschrijft de noodzaak van een versnelling. De stuurgroep deelt de mening van de monitoringscommissie dat de implementatie in de toekomst bij de pensioenfondsen meer bestuurlijke aandacht, en waar mogelijk tijd en middelen vergt. De overheid zal, als partij in het convenant, de pensioenfondsen hierin ondersteunen door naast haar inzet in de werkgroepen, expertise beschikbaar te stellen voor kennissessies en webinars. Ook heeft de overheid als partij deelgenomen aan een directeurenoverleg op 4 februari jl. gericht op de noodzakelijke vervolgacties voor deze versnelling.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour zenden aan de Kamer?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Gezien het voorjaarreces was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
Behoud van banen in Roden |
|
Henk Nijboer (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen Nederland en Frankrijk bedreigt banen in Roden»?1
Ja.
Klopt het dat er ruzie is tussen Nederland en Frankrijk over het bedrijf Photonis?
Nee. De Nederlandse overheid heeft goed en frequent contact met de Franse staat over de ontwikkelingen rondom het bedrijf Photonis.
Deelt u de zorgen over de werkgelegenheid in Roden?
Het kabinet is van mening dat de werkgelegenheid bij de vestiging van Photonis in Roden naar verwachting op de middellange en lange termijn beter geborgd is bij een verkoop door de huidige eigenaar. Dit is ook de boodschap die ik heb overgebracht aan de Franse Minister van Economie en Financiën. De opties waar de Franse staat nu naar kijkt zullen hier ook blijk van moeten geven.
Bent u bereid zich in te spannen zodat er geen werkgelegenheid in Roden verloren gaat?
Het kabinet heeft nadrukkelijk oog voor de hoogwaardige kennisontwikkeling en werkgelegenheid in de regio rondom Roden. Het ecosysteem rond de Rijksuniversiteit Groningen speelt hierbij een belangrijke rol en heeft in deze context uitdrukkelijk ook mijn aandacht. Hier zal het kabinet zich vanzelfsprekend voor inzetten.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het bedrijf niet in verkeerde handen valt?
Het kabinet heeft geen indicatie dat een onwenselijke overname van het bedrijf op dit moment aan de orde is. In de verschillende scenario’s blijft de inzet van Nederland hetzelfde; het borgen van de ontwikkeling van hoogwaardige kennis en R&D op beide locaties, de internationale concurrentiepositie van het bedrijf, wereldwijde markttoegang en de hiermee gemoeide werkgelegenheid. Hierover blijft Nederland in gesprek met de Franse staat.
Deelt u de mening dat de discussie over het bedrijf tot veel onzekerheid bij gezinnen leidt en dat er zo snel mogelijk zekerheid over de toekomst van het bedrijf en de daarbij behorende banen moet komen? Wilt u daaraan bijdragen?
Het kabinet begrijpt dat de discussie over het bedrijf tot onzekerheid leidt bij gezinnen die verbonden zijn aan Photonis. In eerste aanleg is het bestuur aan zet om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de toekomst van het bedrijf en daarmee de onzekerheid weg te nemen. Het kabinet zet zich hierbij in voor een oplossing die Photonis op de korte termijn duidelijkheid biedt en op de (middel)lange termijn bijdraagt aan een levensvatbaar economisch perspectief.
De publicatie van de scorekaart van Farma ter Verantwoording |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde scorekaart van Farma ter Verantwoording waarop verschillende farmaceutische producenten van geneesmiddelen tegen COVID-19 worden gescoord op mensenrechten?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe u denkt over de bevinding van Farma ter Verantwoording dat geen van de gescoorde farmaceutische producenten goed scoort binnen de categorie «publiceert de tekst van de licentieovereenkomst»?
Een licentieovereenkomst is in de regel een vertrouwelijke overeenkomst tussen twee partijen. Het is dan ook aan deze partijen om te bepalen of ze deze overeenkomst openbaar willen maken. De Nederlandse overheid is zelf geen octrooi- of licentiehouder, wel financiert ze onderzoek door Nederlandse publieke instellingen die mogelijk een octrooi aanvragen op gedane ontdekkingen. Ik heb recentelijk aan u gecommuniceerd over de verwachtingen die ik heb wanneer publieke instellingen een licentie verlenen op een octrooi dat is verkregen door publiek gefinancierd onderzoek2. Nederlandse kennisinstellingen gaan rapporteren over het gebruik van de toolkit en de 10 principes van Maatschappelijk Verantwoord Licentïeren in licenties, maar ze zullen dat doen op geaggregeerde manier, om geen inbreuk te maken op de geheimhouding van overeenkomsten. Het risico bestaat dat als de Nederlandse kennisinstellingen geen geheimhouding accepteren er minder licentienemers (bedrijven) langs komen.
Dat laat onverlet dat openbaarheid van licentieovereenkomsten, als bedrijven dat toestaan, een mooie vorm van transparantie kan zijn.
Denkt u dat de Nederlandse samenleving baat zou kunnen hebben bij de introductie van transparantie inzake licentieovereenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het noodzakelijk dat de verschillende farmaceutische producenten voldoende scoren op de verschillende categorieën in de scorekaart?
Nee, het gaat hier om een lijst categorieën die eenzijdig zijn opgesteld door een stichting. Hoewel er zeker raakvlakken zijn met de beleidslijn die ik voorsta geldt dit niet voor alle categorieën.
Hoe bent u voornemens om ervoor te zorgen dat de onvoldoende scorende farmaceuten in de nabije toekomst voldoende zullen scoren?
Mijn beleid is er niet op gericht om te zorgen dat farmaceutische producenten een voldoende score in de beoordeling door deze stichting. Wel zijn er raakvlakken tussen mijn beleid en de doelen die deze stichting nastreeft. Ik zet mij op diverse manieren in om enerzijds transparantie over de kosten van medicijnonderzoek en -productie af te dwingen, en anderzijds om beschikbaarheid te borgen, zowel in Nederland als wereldwijd. Dit doe ik bijvoorbeeld door in gesprekken met farmaceutische producenten het belang van transparantie over kosten en prijs te benadrukken, iets wat ik ook doe in alle gesprekken over covid-19 medicatie. Daarnaast steunt de Nederlandse overheid een onafhankelijke stichting, de Access to Medicine Foundation3, welke zich inzet voor deze onderwerpen en bedrijven en overheden een spiegel voorhoudt door het opstellen van zogeheten «benchmarks». Zo steunt de Minister van Buitenlandse Zaken een benchmark gericht op wereldwijde toegankelijkheid tot medicijnen, en steunt VWS een benchmark gericht op onderzoek, ontwikkeling en toegankelijkheid van antibiotica.
Deelt u de mening dat de verschillende farmaceutische producenten onvoldoende scoren op punten die van cruciaal belang zijn voor een eerlijke wereldwijde toegang tot farmaceutische middelen tegen COVID-19?
Het is mij niet helemaal duidelijk op welke punten u doelt. Ik kan wel aangeven dat het kabinet zich continu inzet voor eerlijke toegang tot farmaceutische middelen tegen covid-19. In de Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling covid-19 vaccins» van 18 december 20204 wordt hier uitgebreid op ingegaan.
Tevens zie ik dat sommige farmaceutische producenten ervoor kiezen om hun vaccin tegen kostprijs op de markt te gaan brengen. Om toegang binnen de Europese Unie te borgen roep ik farmaceutische producenten in bilaterale gesprekken op om hun producten in Europa via een joint-procurement bij de Europese Commissie beschikbaar te maken, zodat deze producten met gelijke toegang en op basis van de hoogste nood in Europa verdeeld kunnen worden.
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het feit dat Farma ter Verantwoording constateert dat geen enkel van de verschillende farmaceutische producenten de gemiddelde of marginale kosten van productie publiceert?
In de Voortgangsbrief algemeen geneesmiddelenbeleid 20215 heb ik u geïnformeerd over mijn beleid om tot maatschappelijk aanvaardbare prijzen te komen. Ik vind de prijs van een geneesmiddel maatschappelijk aanvaardbaar als (1) het geneesmiddel kosteneffectief is (de gezondheidsuitkomsten staan in verhouding tot de extra kosten), (2) die zich in redelijke en proportionele mate verhoudt tot de inspanningen en investeringen die zijn gedaan om tot het geneesmiddel te komen en (3) deze voldoende ruimte biedt voor innovatie. Het gaat dus niet alleen om de gemiddelde of marginale kosten van productie.
Heeft u, en de Nederlandse regering als mede-onderhandelaar van de Europese aankoop van COVID-19-vaccins, aangedrongen bij de farmaceutische producenten op het delen van kennis en intellectueel eigendom? Zo ja, kunt u een weergave van deze discussie delen? Zo nee, waarom niet?
De onderhandelingen door de Europese Commissie gingen primair over de aankoop van vaccins. De farmaceutische producenten waarmee de EU contracten zijn aangegaan hebben wel bij subcontractors de productie uitbesteedt. Dus de farmaceutische bedrijven delen hun kennis met subcontractors of er worden samenwerkingsverbanden opgezocht om hun productiecapaciteit te vergroten. Het delen van intellectueel eigendom is, buiten voorgenoemde, niet uitgebreid aan de orde geweest.
Het belang van brede toegankelijkheid wordt ook door de Europese Commissie onderstreept. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Acht u het noodzakelijk dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom wordt gepromoot om zo wereldwijde vaccintekorten in te perken? Zo ja, wat doet u hier aan? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet per se. Het is van belang dat de farmaceuten die nu een geregistreerd vaccin hebben, niet alleen de beschikbare productiecapaciteit binnen hun eigen organisatie aanwenden om het vaccin te produceren. We constateren dat zij samenwerkingsverbanden aan gaan met onderaannemers en ook andere farmaceutische bedrijven om de productie in brede zin te realiseren.
Hoe is Nederland, als officiële co-sponsor, betrokken bij het operationaliseren van het Coronavirus Treatment Acceleration Program (C-TAP)? Welke concrete stappen heeft u uitgevoerd, naast de steun uitroepen tijdens de vorige World Health Assembly?
In het kader van C-TAP wordt mede gesproken over het succesvol positioneren van de patentpool. Met WHO wordt verder gesproken over de invulling van C-TAP, zodat de data van bedrijven voldoende beschermd zijn en de noodzakelijke informatie wel breder gedeeld kan worden. Nederland maakt deel uit van een kerngroep op C-TAP met Brazilië, Maleisië, Pakistan en Zuid-Afrika, onder leiding van Costa Rica. Nederland spreekt tevens in dit kader met Portugal om in het kader van het Europese voorzitterschap een symposium te organiseren over C-TAP.
Overweegt de Europese Commissie ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen? Zo ja, kunt u garanderen dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom gesprek worden van de onderhandelingen?
Ja, de Europese Commissie overweegt ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen. En ingaand op het tweede gedeelte van uw vraag, nee, dat kan ik niet garanderen.
Reisbeperkingen |
|
Lammert van Raan (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Corrie van Brenk (PvdA), Cem Laçin (SP), Chris Stoffer (SGP), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de internationale reisbeperkingen per land en van andere Europese landen die zij ingesteld hebben om influx van nieuwe coronavarianten te bestrijden?
In de bijlage treft u een overzicht.
Kunt u uitleggen hoe de reisbeperking van niet-noodzakelijke reizen van bijvoorbeeld Finland en België is vastgelegd en zich verhoudt tot de Europese regelgeving?
In Finland en België zijn respectievelijk tot 25 februari 2021 en 1 maart 2021 in- en uitreisbeperkingen binnen EU- en Schengengebied van kracht. Beide landen hebben hier een aantal groepen reizigers, zoals zorg- en transportpersoneel en dringend familiebezoek, op uitgezonderd. Daarnaast hebben Finland en België binnengrenscontroles ingesteld om iedere reiziger individueel te kunnen controleren. Met deze controles hebben de lidstaten meer handvatten om te controleren of een persoon een noodzakelijke reis maakt. Zij mogen echter niet, louter op basis van de niet-noodzakelijkheid van een reis, personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen de toegang weigeren. Er moet individueel worden beoordeeld of iemand een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Daarnaast kan een Europese lidstaat op basis van de Schengengrenscode niet zonder meer (tijdelijk) binnengrenscontroles invoeren, hiervoor gelden strikte voorwaarden. België en Finland hebben het invoeren van binnengrenscontroles conform Europese procedures gemeld aan de Europese Commissie (EC) en Europese lidstaten.
Kunt u uitleggen hoe reisbeperkingen van niet-noodzakelijke reizen binnen het Schengengebied gerealiseerd kunnen worden binnen de Nederlandse juridische kaders? Bent u bereid dergelijke beperkingen in te voeren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om de verspreiding van COVID-19 via buitenlandse reisbewegingen te beperken. Het kabinet heeft daarnaast nog een aantal maatregelen in voorbereiding, zoals de verplichte quarantaine en een negatieve testuitslag voor inreizende automobilisten. Het aantal niet-noodzakelijke reisbewegingen is mede daardoor reeds sterk gereduceerd. Uw Kamer is op 13 januari jl. geïnformeerd over het feit dat het invoeren van een noodzakelijkheidsverklaring voor vertrek juridisch zeer complex is. Een dergelijke voorwaarde behelst een enorme inperking van de individuele vrijheid van burgers en is voor vervoerders praktisch onuitvoerbaar te controleren.1
Het kabinet stelt zich voorts op het standpunt dat het herinvoeren van de binnengrenscontroles, op grond van de Schengengrenscode naar voorbeeld van België en Finland, eveneens een te ingrijpend middel is met grote gevolgen voor het vrije verkeer van personen en goederen. Daarnaast hebben de Europese regeringsleiders eind januari ook besloten dat een verbod op niet-noodzakelijke reizen binnen de EU onwenselijk is, maar dat deze reizen wel dringend moeten worden ontmoedigd. Hier sluit de Nederlandse aanpak op aan.
Het enkel herinvoeren van grenscontroles betekent daarnaast niet dat er daarmee ook een grondslag ontstaat voor toegangsweigering van EU-burgers. Die grondslag zou kunnen worden gezocht in het Vreemdelingenbesluit, maar alleen als iemand een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of volksgezondheid. De beoordeling hiervan zal altijd individueel gemotiveerd moeten worden. De bepaling van de noodzakelijkheid van de reis staat hier verder los van. Het kabinet acht het derhalve op dit moment niet proportioneel, juridisch kwetsbaar en moeilijk uitvoerbaar om niet-noodzakelijke reizen te verbieden.
Kunt u het OMT om een breed advies vragen over verdere maatregelen om de risico’s van verspreiding van de verschillende coronavarianten te beperken en dit met de Kamer delen voor het algemeen overleg Luchtvaart op 4 februari a.s.?
Het OMT is eind januari gevraagd om advies of er aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals extra vliegverboden. In haar 97e advies (deel II) heeft het OMT aangegeven dit niet noodzakelijk te achten, gezien de overige maatregelen die voor reizigers van kracht zijn geworden, zoals de dubbele negatieve testverplichting. Het kabinet neemt op dit moment dan ook geen aanvullende maatregelen voor reizigers uit hoogrisicogebieden, naast de al aangekondigde maatregelen zoals het verplichten van de quarantaine, een verplichte registratie en een negatieve PCR-testuitslag voor inreizende automobilisten.2
Land
Extra maatregelen i.v.m. mutaties
België
Sinds 25/01 moeten alle personen die vanuit het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika naar België reizen verplicht 10 dagen in zelfquarantaine. Dit moet met een verplichte PCR-test op dag 1 en dag 7 na aankomst in België. Deze maatregel is aanvullend op de geldende inreisbeperkingen.
Niet-noodzakelijke reizen van en naar België zijn van 27/01 tot 01/03 verboden. Strikt noodzakelijke reizen zijn mogelijk onder strenge voorwaarden en in bezit van «verklaring op eer». O.a. grensarbeiders en zakenreizigers blijven uitgezonderd.
Personen die geen hoofdverblijfplaats in België hebben dienen over een negatief testresultaat te beschikken, niet ouder dan 72 uur voor vertrek. Reizigers die niet via een vervoerder naar België komen en voor maximaal 48 uur in België blijven zijn uitgezonderd, dit geld ook voor luchttransfers.
Duitsland
Per 30/01 tot 17/02 geldt een inreisverbod voor vliegtuig/bus/trein/schip voor het VK, Ierland, Portugal, Brazilië en Zuid-Afrika.
Er geldt een testverplichting voor alle reizigers, niet ouder dan 48 uur voor vertrek. Op Länderniveau gelden verschillende regels. Zo maakt Noordrijn-Westfalen een uitzondering voor grensverkeer dat niet langer dan 24 uur in het land verblijft.
Sinds 14 februari zijn de Duitse grenzen met Tsjechië en Tirol (Oostenrijk) gesloten, vanwege de aanwezigheid van de Zuid-Afrikaanse variant aldaar. Forenzen uit Tsjechië en Tirol (Oostenrijk), die werken in cruciale sectoren, mogen Duitsland wel inreizen. Daarnaast zijn noodzakelijke reizen – waaronder goederenvervoer -uitgezonderd, mits zij hun reis vooraf aanmelden, men een negatieve testverklaring kan overleggen en in quarantaine gaat.
Finland
In Finland zijn tot 25 februari 2021 in- en uitreisbeperkingen van kracht voor zowel Finse ingezetenen als EU/Schengenburgers. Op deze in-en uitreis beperkingen zijn een aantal essentiële reizen gedefinieerd, zoals zorg- en transportpersoneel en voor reizen familiebezoek, die uitgezonderd zijn.
Er geldt geen testverplichting, maar een advies voor reizigers om zich te laten testen.
Frankrijk
Per 31/01 geldt een reisverbod voor niet-noodzakelijke (vlieg)reizen van en naar Frankrijk en de Franse overzeese gebieden. Dit verbod geldt voor alle landen, met uitzondering van lidstaten van de Europese Unie, Andorra, IJsland, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Zwitserland en Vaticaanstad. Daarnaast geldt er een uitzondering voor personen woonachtig in Frankrijk, mits zij vóór 31/01 jl. zijn vertrokken uit Frankrijk.
Reizigers die een dergelijke reis willen maken, dienen in het bezit te zijn van een noodzakelijkheidsverklaring en de benodigde bewijsstukken. Deze reizigers dienen na aankomst 7 dagen in quarantaine te gaan en zich na deze periode te laten testen.
Er geldt een algemene testverplichting voor alle reizigers, ongeacht modaliteit. Alle reizigers moeten beschikken over een PCR-testuitslag, die niet ouder is dan 72 uur voor vertrek.
* De informatie in deze tabel is aan (dagelijkse) verandering onderhevig.
Het bericht 'Ondernemers beschermen zaak tegen relschoppers en krijgen boete' |
|
Chris van Dam (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers beschermen zaak tegen relschoppers en krijgen boete»?1
Ja.
Deelt u de mening dat boetes voor ondernemers die hun zaken verdedigen tegen relschoppers onrechtvaardig zijn? Wat gaat u eraan doen om de opgelegde boetes kwijt te schelden?
In de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 is bepaald dat er een uitzondering geldt voor degene die zich in een noodsituatie bevindt. Het gaat hierbij om onvoorziene omstandigheden die tot een situatie leiden waarin men plotseling om een dringende serieuze reden buiten moet zijn. Dit moet per geval worden beoordeeld. Zoals ik recent in het debat over de rellen heb aangegeven, zou in het geval van ondernemers die naar hun bedrijfspand zijn gegaan in verband met de rellen sprake kunnen zijn van een dergelijke noodsituatie. Of daar in een concreet geval ook sprake van is, is aan de beoordeling van de handhaver.
Het OM beoordeelt alle door politie en BOA’s uitgeschreven processen-verbaal en weegt in elk individueel geval zorgvuldig of de zich voorgedane situatie aanleiding geeft tot het opleggen van een boete vanwege overtreding van de coronamaatregelen. Voorafgaand aan het opleggen van een boete wordt vastgesteld of er een strafbaar feit is gepleegd en wordt de schuld vastgesteld.
Indien mensen het niet eens zijn met de uitgevaardigde strafbeschikking kan men verzet aantekenen bij de kantonrechter. Vervolgens is het eerst aan de officier van justitie en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de strafbeschikking rechtmatig is opgelegd, waarbij rekening zal worden gehouden met de omstandigheden van het geval.
Het is niet aan mij als Minister om in individuele zaken te treden.