Het bericht ‘Ook in coronatijd ernstige incidenten, zoals bijna-botsingen, op Schiphol. Onderzoeksraad voor Veiligheid: ‘Ernst onvoldoende duidelijk’ |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook in coronatijd ernstige incidenten, zoals bijna-botsingen, op Schiphol. Onderzoeksraad voor Veiligheid: «Ernst onvoldoende duidelijk»»?1
Ja.
Klopt het dat er afgelopen jaren 28 runway incursions en 47 afgebroken starts waren?
Ja, dat klopt.
Hoe reageert u op de waarschuwing van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat partijen nog steeds onvoldoende doordrongen lijken te zijn van de ernst van de boodschap?
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) heeft in 2017 in het rapport «Veiligheid Vliegverkeer Schiphol» een reeks aanbevelingen gedaan om de veiligheid op Schiphol verder te verbeteren. Sinds het verschijnen van het rapport wordt door zowel de sectorpartijen als het ministerie hard gewerkt aan de opvolging van de aanbevelingen. In 2019 heb ik onafhankelijke onderzoekers gevraagd om de opvolging van de aanbevelingen te evalueren. De evaluatie wees uit dat bij een groot deel van de aanbevelingen tegemoet was gekomen aan de achterliggende zorg en daarmee sprake was van adequate opvolging. Bij zes van de vierentwintig (deel)aanbevelingen waren volgens de onderzoekers wel maatregelen getroffen of gepland die effectief zijn, maar was het op het moment van de evaluatie nog onzeker in hoeverre die maatregelen de achterliggende zorg konden wegnemen. De afgelopen periode zijn extra inspanningen geleverd om specifiek op die zes aanbevelingen resultaten te boeken. Later dit jaar zal ik nogmaals laten evalueren hoe de opvolging van de aanbevelingen van de OvV ervoor staat.
Hoe verklaart u dat er vorig jaar 28 runway incursions waren bij 241.000 vliegbewegingen2, terwijl er in 2019 28 runway incursions waren bij 516.000 vliegbewegingen en in 2018 31 runway incursions bij 518.000 vliegbewegingen? Hoe verklaart u dat het risico op runway incursions in 2020 tweemaal zo groot is geworden ten opzichte van voorgaande jaren, terwijl het qua verkeersdrukte juist tweemaal zo rustig was op Schiphol?
Runway incursions worden gemeld bij het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL). In de Staat van Schiphol wordt toegelicht dat 16 van de 28 meldingen bij het ABL op één dag in januari 2020 hebben plaatsgevonden, op deze dag werd gedurende 25 minuten namelijk door 16 vliegtuigen op de Zwanenburgbaan geland terwijl deze gesloten was.
De procedure voor ingebruikname van een baan is dat LVNL vanaf de verkeerstoren de luchthaven informeert over het tijdstip dat zij een baan in gebruik wil nemen. Hierna volgt een inspectie van de baan door de luchthaven. Als dat heeft plaatsgevonden, vraagt LVNL formeel de baan voor ingebruikname aan bij de luchthaven. Op 18 januari 2020 heeft het informeren over het tijdstip en het aanvragen van de inspectie plaatsgevonden. De baanverlichting en de stopbars zijn aangezet. De laatste stap van de procedure – het telefonisch vragen aan de luchthaven om de baan formeel beschikbaar te stellen – is door LVNL echter niet uitgevoerd, zo is uit eigen onderzoek van LVNL gebleken.
Over deze situatie en het ontstaan hiervan heb ik u op 9 maart geïnformeerd. De OvV is een onderzoek gestart naar dit voorval en de sector (ISMS) heeft technische maatregelen genomen om een dergelijk voorval te voorkomen. Over de uitkomsten van het OvV onderzoek zal ik u informeren.
Hoe verklaart u dat er vorig jaar 47 afgebroken starts waren bij 241.000 vliegbewegingen terwijl er in 2019 ook 58 afgebroken starts waren bij 516.000 vliegbewegingen? Hoe verklaart u dat het risico op afgebroken starts vorig jaar haast tweemaal zo groot is geworden ten opzichte van 2019, terwijl het qua verkeersdrukte tweemaal zo rustig was op Schiphol?
Bij het ABL worden ook de afgebroken starts gemeld. De ILT heeft onlangs in de Staat van Schiphol opgemerkt dat het aantal gemelde afgebroken starts in 2020, met aanzienlijk minder vliegverkeer op Schiphol dan in 2019, in verhouding hoger is. De ILT blijft dit monitoren en zal voor beide jaren analyseren om welk type vliegtuigen en maatschappijen het gaat en de reden als deze erbij is opgegeven.
Zijn er meer in het algemeen redenen te bedenken waarom het aantal voorvallen zo fors toeneemt bij minder druk(te)?
Het is in de luchtvaartsector verplicht om allerlei typen voorvallen bij het ABL te melden, ook als er geen sprake is van een direct risico of gevaar voor de veiligheid. Dit leidt tot een groot aantal meldingen van voorvallen zonder groot risico. In gebruiksjaar 2020 zijn er ongeveer 4.500 meldingen van voorvallen op Schiphol. In verhouding met het aantal vliegtuigbewegingen is dit vergelijkbaar met 2019.
Een algemene reden voor een minder grote afname van bepaalde voorvallen – bijvoorbeeld afgebroken starts – is op basis van de beschikbare informatie niet te geven.
Hoe verhouden de waargenomen statistische risico’s in 2020 zich tot omliggende grote luchthavens in hetzelfde jaar? Is op luchthavens zoals Heathrow, Charles de Gaulle of Frankfurt ook eenzelfde forse toename van voorvallen te zien?
Dergelijke informatie heb ik nu niet beschikbaar, ook de ILT beschikt – als toezichthouder op Nederlandse luchthavens – niet over gegevens van luchthavens buiten Nederlands grondgebied.
Welke maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen? Is het wel verantwoord om te wachten op een «comité dat al een paar jaar bezig is met de nodige verbeteringen», zoals het bericht stelt? Hoe ziet de planning eruit van de nog niet uitgevoerde, maar wel aanbevolen maatregelen?
Het comité dat genoemd is in het artikel in de Telegraaf3 is het zogeheten sectorbrede Integraal Safety Management Systeem (ISMS). Binnen het ISMS werken betrokken sectorpartijen samen aan maatregelen om de veiligheid op Schiphol verder te verbeteren. Er wordt dus niet gewacht op het ISMS, het ISMS is sinds 2018 operationeel en levert regelmatig maatregelen op die de veiligheid verbeteren. Via de roadmap veiligheidsverbetering, die gepubliceerd is in 2018, houden sectorpartijen alle voorgenomen, in ontwikkeling zijnde en uitgevoerde maatregelen op Schiphol bij. Sommige maatregelen op de roadmap worden over enkele jaren opgeleverd, andere op kortere termijn. In mijn brief aan uw Kamer van 9 maart 20214 heb ik aangegeven welke belangrijke maatregelen er de komende periode nog worden getroffen. Voor een volledig overzicht van de maatregelen van het ISMS verwijs ik u graag naar de roadmap, die te vinden is op integralsafetyschiphol.nl.
Vanuit haar verantwoordelijkheid houdt de ILT toezicht en rapporteert in de Staat van Schiphol over het functioneren van het ISMS en de voortgang van de roadmap.
Het artikel 'Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten' |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten»?1
Ja.
Kunt u een verdere toelichting geven hoe deze fout met de beslagvrije voet heeft kunnen plaatsvinden?
Voor de berekening van de beslagvrije voet wordt onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit de Polisadministratie van het UWV. Er is gebleken dat ruim 200 gemeenten de vakantietoeslag van bijstandsgerechtigden niet maandelijks maar in een ander ritme, doorgaans jaarlijks, doorgeven aan de Polisadministratie. Binnen de systematiek van de loonaangifteketen is dit toegestaan. Daarom benadruk ik dat er geen sprake is van een fout van de betreffende gemeenten. De rekenmodules waarmee de beslagvrije voet wordt berekend, gaan ervanuit dat inkomensverstrekkers de vakantietoeslag maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. De beslagvrije voet bedraagt bij inkomens rond het bijstandsniveau 95% van het inkomen inclusief vakantietoeslag. Wanneer de vakantietoeslag niet elke maand aan de Polisadministratie wordt doorgegeven, komt uit de rekenmodules voor de beslagvrije voet een te lage beslagvrije voet (95% van het inkomen exclusief vakantiegeld).
Kunt u een overzicht geven bij welke gemeenten dit is misgegaan? Kunt u daarbij ook aangeven welke maatregelen deze gemeenten gaan nemen om het teveel geinde geld terug te geven? Op welke termijn gaat dat gebeuren?
Er is geen sprake van een fout van gemeenten. Zij mogen de vakantietoeslag maandelijks dan wel in een ander ritme doorgeven aan de Polisadministratie. In de bijlage2 is een lijst opgenomen met alle gemeenten, waarbij is aangegeven of zij de vakantietoeslag maandelijks of in een ander ritme doorgeven.
Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens. De Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft alle gerechtsdeurwaarders verzocht om de te veel ingehouden inkomsten door te storten naar de mensen zelf bij wie te veel inkomsten zijn ingehouden. Als de gerechtsdeurwaarder geen rekeningnummer heeft van de betrokkene, zal de gerechtsdeurwaarder het geld terugstorten naar de gemeente die dit op haar beurt direct doorstort naar de betreffende inwoner. Dit kan zolang dit geld nog op de derdengeldrekening van de gerechtsdeurwaarder staat. Wanneer de gerechtsdeurwaarder het ingehouden bedrag al heeft doorgestort naar de schuldeiser, moet een oplossing op maat worden gezocht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een schuldeiser die het te veel ingehouden bedrag zelf terugstort aan de schuldenaar of dat er afspraken worden gemaakt zodat er de navolgende maanden minder op het inkomen wordt ingehouden.
Klopt het dat dit probleem met de beslagvrije voet mogelijk groter is en dat dit mogelijk ook bij UWV en werkgevers speelt? Bent u bereid om het, in het artikel door u aangekondigde, onderzoek met de Kamer te delen? Gaat u in dit onderzoek ook in op de zorg dat het probleem mogelijk ook speelt bij mensen van wie wel de goede vakantietoeslag is doorgegeven maar die bijvoorbeeld tijdelijk zijn gekort op hun bijstandsuitkering?
Het ketenbureau van het Ministerie van SZW bekijkt op dit moment welke inkomensverstrekkers de vakantietoeslag anders dan maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. Deze informatie wordt gebruikt bij het vinden van een structurele oplossing teneinde gelijksoortige problemen te voorkomen in de toekomst. Bij het uitwerken van deze structurele oplossing worden mogelijke verkeerde berekeningen na een tijdelijke korting op de uitkering ook meegenomen.
Bent u van mening dat een dergelijke fout bij mensen in de schulden er toe leidt dat mensen gewoonweg geen geld meer hebben voor de huur of boodschappen en daarbovenop er een risico kan ontstaan op extra schulden of wellicht zelfs huisuitzettingen?
Een te lage beslagvrije voet kan inderdaad ongewenste gevolgen hebben. Daarom werken het ketenbureau en de ketenpartijen nauw samen om de processen en systemen continu te monitoren en optimaliseren. Er is direct actie ondernomen toen bekend werd dat de beslagvrije voet te laag werd vastgesteld. Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens.
Bent u daarom van mening dat dit zo spoedig mogelijk dient te worden opgelost, om zodoende te voorkomen dat mensen in de schulden nog verder in de problemen worden geholpen door fouten van de overheid?
Zie antwoord vraag 5.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat deze mensen gecompenseerd en geholpen worden?
Er is met de KBvG afgesproken dat de gerechtsdeurwaarders alle beslagen die in de periode 1 januari–31 maart jl. zijn gelegd controleren. In die gevallen waarin de beslagvrije voet te laag is vastgesteld wordt deze direct aangepast. Mensen die dit betreft worden snel geholpen. Het ketenbureau heeft daartoe samen met de KBvG en VNG een werkinstructie opgesteld voor gemeenten en gerechtsdeurwaarders.
Bent u tevens van mening dat de houding, zoals geschetst in het artikel, van de deurwaarders kwalijk is? Vindt u daarom ook dat zij verantwoordelijk zijn en daarom alles op alles dienen te zetten om de door hun teveel geinde bedragen terug te geven aan de mensen waarbij teveel geld is geïnd?
Ik vind dat iedereen de beslagvrije voet moet krijgen waar hij of zij recht op heeft. Om de beslagvrije voet goed te kunnen berekenen is een rekenmodule ontwikkeld waarmee alle gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet op dezelfde manier kunnen berekenen, conform de regels die hiervoor in de wet zijn opgenomen. Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 heb uiteengezet, berekent de rekenmodule de beslagvrije voet onder meer op basis van gegevens uit de Polisadministratie. Gerechtsdeurwaarders gebruiken de rekenmodule. Net zoals dat er in dit geval geen sprake is geweest van een fout van gemeenten, is er ook geen sprake van een fout van gerechtsdeurwaarders.
De zorgplicht bij gerechtsdeurwaarders houdt in dat deze zowel de rechten van de schuldeiser als de schuldenaar in ogenschouw neemt. Hij werkt weliswaar in opdracht van een schuldeiser, maar tegelijkertijd is een gerechtsdeurwaarder onafhankelijk en onpartijdig. Vanuit dat oogpunt proberen zij zowel voor de schuldenaar als schuldeiser te voorkomen dat onnodige kosten worden gemaakt. In dit specifieke geval heeft de KBvG mij desgevraagd gemeld haar leden nadrukkelijk te hebben verzocht om gelden die zij nog onder zich hebben door te storten naar de mensen of terug te storten naar de gemeente. Daar waar dit niet meer mogelijk is, omdat de gelden al zijn doorgestort naar de schuldeiser worden schuldeisers verzocht om dit terug te storten. Het ketenbureau blijft hierover in gesprek met de KBvG.
Bent u ook van mening dat er een zorgplicht bij deurwaarders ligt om er zeker van te zijn dat mensen in de schulden niet onnodig extra in de problemen worden geholpen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kijkt u aan tegen de goede suggestie van de voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden dat gemeenten gewoon vijf procent van het totaal inkomen dienen af te dragen in plaats van het huidige ingewikkelde stelsel?
Ik vind dit een goede suggestie en onderzoek op dit moment of deze optie als permanente oplossing kan dienen. Ik zal uw Kamer hierover nader informeren bij de volgende voortgangsbrief over de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.
Bent u bereid om deze suggestie verder te onderzoeken en de resultaten hierover naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat artsen alarm slaan over lachgas |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat artsen aangeven dat overvloedig gebruik van lachgas niet alleen het zenuwstelsel kan aantasten, maar dat het ook kan leiden tot bloedstolsels met hartinfarcten en andere vaatafsluitingen als gevolg?1
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat een drug dat hartinfarcten tot gevolg kan hebben, onder jongeren als relatief onschuldig bekend staat?
Er wordt doorlopend meer bekend over de schadelijkheid van het gebruik van lachgas als drug en ook over de soms onomkeerbare schade die dit tot gevolg heeft. Ondanks dat er steeds meer bekend is over de risico’s en negatieve effecten van gebruik blijft lachgas een middel dat door een deel van de gebruikers als onschuldig wordt gezien. Dit blijkt ook uit verschillende onderzoeken.2 Hier spelen verschillende factoren een rol bij, waaronder het gegeven dat lachgas niet onder de Opiumwet valt en het middel makkelijk verkrijgbaar is. Sociale media en de leefwereld van gebruikers spelen ook een rol in het onschuldige imago van lachgas.3 Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat sommige gebruikers lachgastanks als statussymbool zien.4 Het Trimbos-instituut geeft daarnaast aan dat het opvallend is dat gebruikers, ondanks verhalen over de ernstige gevolgen van lachgasgebruik via de media of hun directe omgeving toch blijven gebruiken, ook als zij klachten ervaren.
Of en wanneer de bekendheid over de risico’s van het gebruik van lachgas als drug tot een kantelpunt leidt in de perceptie van jongeren over deze drug is moeilijk te zeggen. Wel is duidelijk dat inzet op de omgeving van de gebruiker hier een belangrijke rol in kan spelen. Zij moet over de juiste handvatten beschikken om gebruik te signaleren en bespreekbaar te maken. Het Trimbos-instituut heeft een reeks aan verschillende materialen ontwikkeld welke ook onlangs zijn herzien waarin dergelijke handvatten worden geboden.5 Daarnaast zet ik ook dit jaar in op preventie. Zo zal het Trimbos-instituut de handreiking over lachgas herzien en onderzoek doen naar het beter bereiken van ouders van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond die lachgas als drug gebruiken.
Kunt u aangeven op welke terreinen er nu allemaal gezondheidsschade wordt geconstateerd door het gebruik van lachgas als partydrug? Kunt u ook een inschatting geven hoeveel jongeren dit betreft?
In de risicobeoordeling van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) en het onderhavige informatierapport worden de verschillende gezondheidsrisico’s uitvoerig beschreven.6 Tot nu toe is in ieder geval bekend dat het gebruik van lachgas als drug kan leiden tot bevriezingsverschijnselen en brandwonden door bevriezing en verschillende vormen van neurologische schade. Vorig jaar zomer sloegen neurologen alarm nadat uit een rondgang bleek dat er 64 gevallen van (gedeeltelijke) dwarslaesies te herleiden waren naar het gebruik van lachgas als drug.7 In sommige gevallen is de ontstane neurologische schade onomkeerbaar. Ook zijn er signalen dat het gebruik verslavender is dan op voorhand gedacht en dat er vaatschade kan intreden.8
Het is niet eenvoudig een schatting te geven van het aantal jongeren dat in meer en mindere mate deze verschillende vormen van gezondheidsschade ondervindt. Uit Het Grote Uitgaansonderzoek van 2020 blijkt dat gevoelloosheid of tintelingen in handen of voeten tijdens of kort na het gebruik de meest genoemde bijwerking van het gebruik van lachgas als drug zijn. Deze bijwerkingen worden genoemd door 41% van de laatste jaar-gebruikers van lachgas, ongeacht de frequentie van gebruik.9 Ook noemt ruim één op de tien (12%) laatste-jaar gebruikers van lachgas «gewenning en de craving (hunkering om opnieuw te gebruiken) als ongewenst gevolg van [hun] lachgasgebruik».10 Deze cijfers zeggen op zichzelf niets over de schade die eventueel kan optreden, maar zijn wel een belangrijk signaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, blijkt uit de risicobeoordeling van het CAM dat het niet mogelijk is om een veilige bovengrens van gebruik vast te stellen. Het is evident dat de kans op ernstige schade groter wordt bij een toename van gebruik, maar ook eenmalig excessief gebruik en zelfs beperkt gebruik kunnen tot aanzienlijke gezondheidsschade leiden.11
In oktober vorig jaar heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn zorgen rondom het problematisch gebruik van lachgas. Ik heb toen ook verwezen naar het aantal meldingen over lachgas bij het Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC) tot en met augustus 2020.12 Uit navraag bij het NVIC over jaarcijfers van 2020 blijkt dat in totaal 144 meldingen over lachgas zijn geregistreerd. In 69% van de gevallen ging het om frequent gebruik en in 67% van de gevallen om zwaar gebruik. Het NVIC kwalificeert zwaar gebruik als het gebruik van 50 ballonnen of meer per keer. In 53% van de gevallen ging het om frequent zwaar gebruik in 51% van de gevallen om gebruik uit een tankje of cilinder. In 43% van de gevallen werd een gevoel van tintelingen of verdoofd gevoel omschreven. Deze cijfers laten op alle onderdelen een stijging zien ten opzichte van 2019. Op basis van eerste gegevens is de prognose dat het aantal meldingen in 2021 onverminderd hoog blijft.
Uit cijfers van de Monitor Drugs Incidenten blijkt dat in 2019 het aantal gemelde incidenten met lachgas beperkt is, maar wel is verdubbeld in één jaar tijd. Bij de meeste meldingen was lachgas als enige drug geconsumeerd en een derde van de patiënten was zwaar onder invloed.13 Ook hieruit blijkt dat er een toename is van het aantal incidenten met lachgas. Dit betekent echter niet dat in al deze gevallen ook de gezondheidsschade is ingetreden waar ik hierboven naar heb verwezen.
Deelt u ook de conclusie van de artsen van het OLVG dat deze nieuwe bevindingen nogmaals duidelijk maken dat het recreatief gebruik van lachgas zo snel mogelijk landelijk verboden moet worden? Bent u het tevens eens met de stelling dat dit in ieder geval geregeld moet zijn voordat het uitgaansleven weer op gang komt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zo snel mogelijk landelijke maatregelen tegen het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik te treffen. Een aanpak op basis van strafbaarstelling van gebruik is overigens, zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, niet overwogen.14 Het gebruik van drugs op grond van de Opiumwet is niet strafbaar. De Opiumwet is primair gericht op bescherming van de volksgezondheid. Het gebruik van drugs is daarom bewust buiten de werkingssfeer van de Opiumwet gelaten om te voorkomen dat door strafbaarstelling mensen geen hulp zouden zoeken als zij als gevolg van hun drugsgebruik in de problemen komen.15 Dit uitgangspunt geldt voor alle middelen die op één van de lijsten bij de Opiumwet staan. Dit uitgangspunt wil ik in alle gevallen handhaven en geldt dus ook voor lachgas wanneer dat na inwerkingtreding van het Ontwerpbesluit aan lijst II bij de Opiumwet is toegevoegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid en ik hebben uw Kamer onlangs over de voortgang van de maatregel geïnformeerd; ik betreur het ten zeerste dat de voortgang van het Ontwerpbesluit onvoorziene vertraging heeft opgelopen. Ik kan niet vooruitlopen op de hervatting van het uitgaansleven. Uiteraard afhankelijk van parlementaire behandeling, had de maatregel met een ambitieuze planning mogelijk aankomende zomer in werking kunnen treden, als er geen vertraging door gebrek aan financiële dekking was ontstaan.
Kunt u aangeven waarom de inwerkingtreding van het verbod op recreatief gebruik van lachgas per 1 januari 2021 praktisch niet uitvoerbaar is gebleken?2
In het voorjaar van 2020 heeft de wetstechnische voorbereiding iets meer tijd in beslag heeft genomen dan vooraf ingeschat. Lachgas is het eerste gas dat binnen het bereik van de Opiumwet wordt gebracht en er zijn verschillende brede eigenlijke toepassingen van lachgas die van het Opiumwetverbod uit artikel 3 Opiumwet (Ow) uitgezonderd moeten worden. Ik heb hierin voor een zorgvuldige aanpak gekozen. De technische voorbereiding voor het Ontwerpbesluit is al enige tijd inhoudelijk gereed, zie daarvoor ook het antwoord op vraag 7. Zoals in maart jl. aan uw Kamer gecommuniceerd, is daarna verdere vertraging ontstaan door gebrek aan financiële dekking binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor kosten gemoeid met de uitvoering van het voorgenomen Lachgasbesluit.17 Zonder deze dekking kan de politie het voorgenomen verbod niet handhaven.
Hoe verklaart u dat een landelijk verbod niet uitvoerbaar is gebleken, maar dat inmiddels de helft van de gemeenten blijkbaar wel een lokaal verbod heeft kunnen instellen?3
Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid en ik aan uw Kamer hebben geïnformeerd, is er op dit moment onvoldoende dekking binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de claim van de politie ten aanzien van handhavingslasten te dekken. Dit betekent niet dat het verbod als zodanig onuitvoerbaar is; op dit moment zijn daar alleen niet voldoende middelen voor beschikbaar. Tevens verschillen de aard en reikwijdte van het ontwerpbesluit en de verboden die gemeenten op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening instellen wezenlijk van elkaar. De lokale verboden zien voornamelijk op overlast en/of gebruik in daarvoor aangewezen gebieden in een gemeente. Met het ontwerpbesluit worden alle handelingen met lachgas verboden, behalve het gebruik van lachgas. Zie daarover mijn antwoord op vraag 4. Ook worden alle eigenlijke toepassingen van lachgas van het Opiumwetverbod uit artikel 3 Ow uitgezonderd. Daarnaast is het zo dat de Opiumwet binnen het strafrecht en de APV in beginsel binnen het bestuursrecht valt. Dit verschil heeft andere implicaties ten aanzien van de handhavingslasten. Als lachgas op lijst II bij de Opiumwet staat, betekent dat bijvoorbeeld dat als lachgas wordt aangetroffen dat altijd moet worden ingenomen (behalve in de gevallen die zijn uitgezonderd van het verbod). Daarom heeft een landelijk verbod meer impact op de handhaving, wat financiële consequenties met zich meebrengt die tot nu toe nog niet zijn gedekt. Het is aan de lokale driehoek in elke gemeente om een afweging en prioritering te maken. Dit geldt ook voor de handhaving van APV-verboden.
Klopt het dat de wetgeving gereed is om de verkoop van lachgas als partydrug aan banden te leggen? Zo nee, wat zijn de knelpunten? Zo ja, waarom is dit niet al naar de kamer gestuurd?
Het ontwerpbesluit is al enkele maanden inhoudelijk gereed. De ontstane vertraging is ontstaan door het gebrek aan financiële dekking voor de claim van de politie binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zonder deze financiële dekking kan een voorstel niet worden voorgelegd aan de ministerraad en dus ook niet aan de Kamer worden verzonden. Zoals eerder aan uw Kamer toegelicht is in het geval van lachgas het bestaande beleid toegepast en wordt lachgas als enkele stof onder het bereik van de Opiumwet gebracht. Hoewel deze toevoeging formeel niet tot een extra taak leidt, ontstaan door dit besluit wel enige bijzondere omstandigheden, omdat lachgas als eerste gasvormige stof onder het bereik van de Opiumwet wordt geplaatst. Knelpunten als testmogelijkheden, opslag en vervoersaspecten kunnen in beginsel voor alle stoffen gelden die onder het bereik van de Opiumwet vallen. Wel is het zo dat het bijzondere karakter van lachgas als eerste gasvormige substantie onder de Opiumwet bij uitzondering een toevoeging aan de algemene middelen van de politie rechtvaardigt. Hiermee wordt de politie in staat gesteld met betrekking tot gasvormige substanties nu en in de toekomst invulling te geven aan haar bestaande taak.19
Wat is de huidige planning om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen?
Zoals onlangs per brief aan uw Kamer geïnformeerd, laten de Minister van Justitie en Veiligheid en ik het besluit over het voorgenomen lachgasverbod gezien de demissionaire status van het kabinet over aan een nieuw kabinet.20 Dit betekent dat naar alle waarschijnlijkheid helaas geen aangepaste regelgeving zal worden ingevoerd voor het voorjaar 2022.
Het bericht 'Zorgmedewerkers ervaren vaccinatiedruk' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgmedewerkers ervaren vaccinatiedruk»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht en de signalen die onder andere vakbonden afgeven?
We hebben intensief contact met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties over het vaccinatieproces. De werkgeversorganisaties geven aan dat het vaccinatieproces voor zorgpersoneel zorgvuldig verloopt. In het proces is veel aandacht voor voorlichting en informatieverstrekking, waarbij het vrijwillige karakter van de vaccinatie wordt benadrukt. Vanuit de werknemersorganisaties hebben we echter wel enkele signalen ontvangen die erop wijzen dat werknemers de oproep om zich te laten vaccineren en de uitleg daarover als dwingend ervaren. Dit zijn zorgelijke signalen omdat er geen sprake mag zijn van dwang of drang richting werknemers om zich te laten vaccineren. Vaccinatie is en blijft vrijwillig.
Vanwege de bescherming van de volksgezondheid en de mogelijkheid de samenleving weer te openen, achten wij het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren, dat is een grondrecht (artikel 8 EVRM). Het kabinet kiest daarom voor beleidsinterventies die de keuze voor vaccinatie kunnen beïnvloeden, maar de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Dit conform het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari 2021 «Ethische en juridische afwegingen COVID-19-vaccinatie».
Is er nader inzicht te geven in de omvang van deze signalen, zowel in de zorg als eventueel in andere sectoren over (ervaren) vaccinatiedruk richting personeel vanuit directie of op de werkvloer onder collega’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee mag er geen sprake zijn van vaccinatiedwang of -drang. We hebben de werknemersorganisaties gevraagd om nader inzicht te geven in deze signalen. Daaruit bleek dat er inderdaad enkele meldingen zijn binnengekomen bij de vakbonden van zorgmedewerkers die vaccinatiedwang of -drang vanuit hun werkgever en/of collega’s ervaren. De vakbonden hebben ons laten weten dat het in de afgelopen vier weken om circa 20 meldingen ging. Vanwege de vertrouwelijkheid van de meldingen kunnen zij geen nadere info verschaffen over deze meldingen.
Daarnaast is bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) nagegaan of zij meldingen hebben ontvangen. De ISZW laat weten dat er geen meldingen binnengekomen zijn over vaccinatiedwang of -drang. De ISZW heeft op grond van de Arbeidsomstandighedenwet ook geen grondslag om hierop te handhaven. Er worden namelijk geen bepalingen uit de Arbeidsomstandighedenwet overtreden als er sprake is van (ervaren) vaccinatiedwang of -drang. Bij de IGJ is een enkel signaal binnengekomen waarin sprake was van een indirecte vorm van vaccinatiedrang. De IGJ heeft vanuit haar taakstelling geen aanleiding gezien om dit signaal verder in behandeling te nemen en is hier ook geen logisch aanspreekpunt voor.
Deelt u de mening dat er op geen enkele wijze sprake kan zijn van dwang of drang ter zake vaccinatie?
Zie het antwoord op vraag twee.
Wat wordt er gedaan aan informatievoorziening en voorlichting richting (zorg)personeel ter zake vaccinatie (enerzijds inzake de werking van het vaccin en anderszijds inzake de eigen afweging van een werknemer)?
We hebben intensief contact met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties over de voortgang van het vaccinatieproces. Tijdens deze gesprekken is benadrukt dat vaccinatie vrijwillig is en dat er geen sprake kan zijn van dwang of drang richting werknemers.
Vanuit de overheid wordt ook aangestuurd op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. In de huidige vaccinatiecampagne wordt vooral gebruik gemaakt van milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Er wordt met name gebruik gemaakt van overreding en advisering om deelname aan het COVID-19-vaccinatieprogramma te stimuleren, door het belang van vaccineren te benadrukken. Overreding gaat over het met redelijke argumenten overtuigen van mensen om zich te laten vaccineren, zoals het geven van technische informatie over de werking van de vaccins en het gericht tegengaan van desinformatie. Advisering gaat over het in staat stellen van mensen om een geïnformeerde keuze te maken, zoals betrouwbare en wetenschappelijk onderbouwde informatie over de ontwikkeling van vaccins. In de publiekcommunicatie rondom vaccinatie wordt daarom vooral ingezet op het geven van transparante, toegankelijke en begrijpelijke informatie over de beschikbare vaccins, zodat iedereen een geïnformeerde keuze kan maken.
Wordt er actie ondernomen om vaccinatiedwang of -drang op de werkvloer te voorkomen c.q. tegen te gaan? Zo ja, welke actie?
Vaccinatie is en blijft vrijwillig. Deze vrijwilligheid wordt ook benoemd in onze gesprekken met de sociale partners en in de communicatiemiddelen die de overheid rondom de vaccinatie beschikbaar stelt. Vaccineren raakt immers het grondrecht van burgers op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. En als iemand om religieuze redenen niet gevaccineerd wil worden, kan ook de vrijheid van godsdienst worden geraakt. Deze grondrechten zijn vastgelegd in het EVRM en de Nederlandse Grondwet.
Als een werknemer vaccinatiedwang- of drang vanuit de werkgever ervaart kan hij/zij dit het beste eerst met de werkgever bespreken. Zo nodig kan de werknemer binnen de eigen organisatie terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon voor advies. Ook de arbodienst of de bedrijfsarts kan worden geraadpleegd. Het is belangrijk dat de werkgever weet welke bezwaren een werknemer eventueel heeft tegen vaccinatie. Als het om medische gegevens gaat, kan de werknemer deze met de bedrijfsarts bespreken. Dan kan gezamenlijk worden bekeken of mogelijk besmettingsgevaar van collega’s en/of patiënten/cliënten anders dan door vaccinatie kan worden weggenomen, bijvoorbeeld door het (blijven) dragen van beschermingsmiddelen, het (tijdelijk) vervullen van andere werkzaamheden of anderszins.
Op basis van het goed werkgeverschap en goed werknemerschap, zoals neergelegd in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek, mag van de werkgever en de werknemer worden verwacht dat zij in onderling overleg streven naar een passende oplossing. In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de rechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de door de werknemer (ervaren) vaccinatiedwang of -drang en de wens van de werkgever om besmettingsgevaar op de werkvloer zoveel mogelijk tegen te gaan.
Bent u bereid dit aan de orde te stellen in overleg met vakbonden en met name in overleg met werkgeversorganisaties?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 hebben we tijdens onze gesprekken met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties nadrukkelijk aandacht voor de vrijwilligheid van vaccinaties en hebben we ook deze signalen besproken. We zullen de vrijwilligheid ook in de toekomst blijven benadrukken.
De voorgenomen maar nooit uitgevoerde fusie tussen Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en ZonMW |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich mijn vragen uit 2018 over de voorgenomen maar nooit uitgevoerde fusie tussen NWO en ZonMW?1
Ja.
Bent u van mening dat met het wisselen van het voorzitterschap van NWO per 1 april 2021 de transitieperiode naar «het nieuwe NWO» afgesloten is?
In de evaluatie NWO2 wordt beschreven dat de Raad van Bestuur er goed in geslaagd is om de transitieplannen op adequate wijze in de organisatie door te voeren. Daarnaast concludeert de commissie dat de transitie nog niet helemaal voltooid is. Onder leiding van de Raad van Bestuur van NWO wordt gewerkt aan de (door)ontwikkeling van de NWO-organisatie.
Is er, gezien het feit dat de nieuwe voorzitter afkomstig is uit het domein van de Medische Wetenschappen (MW), enig zicht op het opnieuw ter hand nemen van de in de NWO-reorganisatie destijds zo bepleite fusie tussen NWO en ZonMW?
Nee, de huidige wijze van samenwerking voldoet. In de evaluatie van NWO wordt geconcludeerd dat het niet voor de hand ligt om op korte termijn nieuwe pogingen te ondernemen tot fuseren. De huidige samenwerkingsovereenkomst tussen NWO en ZonMw wordt door beide partijen als werkbaar en productief ervaren. Ook wij zien dat de samenwerking tussen NWO en ZonMw op grond van deze overeenkomst de afgelopen jaren sterk is verbeterd.
Bent u nog steeds van mening dat de taken van NWO en Zon te zeer van elkaar verschillen om deze in één wet te verenigen?
Ja. Bij de transitie van NWO was de oorspronkelijke doelstelling om tot een fusie te komen. De inbedding van ZonMw in NWO zou zijn beslag krijgen met het intrekken van de wet op Zon en de wijziging van de wet op de NWO. Gedurende het transitieproces zijn wij echter tot de conclusie gekomen dat een wetswijziging niet het juiste instrument is om deze doelstelling te realiseren. De taken en werkwijzen van NWO en Zon en de invulling van het opdrachtgeverschap door OCW en VWS verschillen te zeer van elkaar om in één wet te verenigen.
Op welke wijze bent u van plan om dan wél sturing te geven aan een meer formele inbedding van Zon in NWO? Welke stappen kunnen in de komende kabinetsperiode gezet worden om te komen tot een «ever closer union»?
Ik zie geen reden om te komen tot een formele inbedding, zie ook antwoord 3 en 4. De huidige samenwerking verloopt naar wederzijdse tevredenheid. Ook de evaluatiecommissie NWO constateert dat de huidige samenwerkingsovereenkomst tussen NWO en ZonMw als productief wordt ervaren en de samenwerking is verbeterd.
Ik ondersteun wel de conclusies van de evaluatiecommissie NWO dat er nog meer synergievoordelen behaald kunnen worden door de samenwerking in de toekomst verder te versterken. De commissie pleit ervoor extra aandacht te geven aan interdisciplinaire samenwerkingen. Daarbij kunnen NWO en ZonMw elkaars ervaringen hiermee benutten, bijvoorbeeld bij het verder ontwikkelen van instrumenten en beoordelingsprocedures die passen bij een multidisciplinaire benadering voor de hele kennisketen, en bij het beoordelen van maatschappelijke impact.
Het bericht dat een op de vier belastingbetalers meer betaalt dan nodig is |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een op de vier belastingbetalers meer betaalt dan nodig is?1
Ja, dit bericht is bij mij bekend.
Klopt het dat de Belastingdienst garandeert dat iedereen die vóór 8 april 2021 aangifte doet meestal vóór 1 juli 2021 een definitieve aanslag ontvangt?
Dit klopt deels. De garantieregeling houdt in dat iedereen die vóór 8 april 2021 zijn aangifte indient vóór 1 juli 2021 een bericht ontvangt. Dit kan een definitieve aanslag zijn, maar in sommige gevallen kan ook sprake zijn van een voorlopige aanslag of een brief, waarin wordt aangegeven welke nadere informatie de Belastingdienst nodig heeft om de aanslag op te leggen. De garantieregeling rond de aangiftecampagne houdt normaal gesproken in dat iemand die vóór 1 april aangifte doet een bericht krijgt vóór 1 juli. Maar omwille van de problemen die belastingplichtigen hebben kunnen ondervinden tijdens de eerste week van de aangiftecampagne, is ervoor gekozen om de termijn voor de garantieregeling dit jaar met een week te verlengen, tot 8 april 2021.
Klopt het dat belastingplichtigen alleen bij het doen van aangifte inkomstenbelasting de mogelijkheid hebben om hun inkomen toe te delen tussen hun fiscale partner en zichzelf en dat zes weken na ontvangst van hun definitieve aanslag daarna deze keuze vaststaat?
Ja, dit klopt. Indien sprake is van fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar of men heeft gekozen voor fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar, kunnen de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen en de als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting tussen fiscale partners worden verdeeld.
De verdeling tussen fiscale partners kan gewijzigd worden, tot het moment dat beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Onherroepelijk wil zeggen, dat er geen bezwaar, beroep of cassatie meer mogelijk is tegen de aanslag. Dit is zes weken na dagtekening van de aanslag of uitspraak. Zolang de aanslag van een van de fiscale partners nog niet onherroepelijk vaststaat, kan de verdeling dus nog worden gewijzigd.
Kunt u een opsomming geven van alle inkomensbestanddelen en aftrekposten die door belastingplichtigen vrij kunnen worden toebedeeld tussen fiscale partners in de inkomstenbelasting bij het doen van aangifte?
De belastingplichtige die gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde fiscale partner heeft, of wanneer gekozen wordt voor fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar, kan samen met diens fiscale partner een onderling overeengekomen verdeling toepassen per gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (box 3) en de als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting.
Als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt aangemerkt:
Is bij u bekend hoeveel belastingplichtigen jaarlijks hun inkomen niet optimaal toedelen aan zichzelf en hun fiscale partner waardoor de belastingdruk hoger is dan noodzakelijk?
Nee, dit is niet bekend. Het is voor de Belastingdienst niet mogelijk om te onderzoeken in welke individuele situaties sprake is van een optimale toedeling, mede gelet op de redenen die in het antwoord op vraag 7 worden uitgewerkt. Wel maakt het aangifteprogramma voor fiscale partners inzichtelijk wat de gevolgen voor de hoogte van de belastingaanslag zijn bij een gekozen toedeling.
Herkent u het beeld dat door de Bond van Belastingbetalers2 en in het hiervoor genoemde artikel wordt genoemd van het aantal belastingplichtigen dat onbewust te veel belasting afdraagt?
Nee, dit herken ik niet. Het bericht is niet gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst. De Belastingdienst spant zich in om belastingplichtigen te helpen bij het indienen van een juiste aangifte, waarbij nadrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheden om optimaal gebruik te maken van faciliteiten waarop de belastingplichtige recht heeft. In het bericht wordt gedoeld op de mogelijkheid bepaalde inkomensbestanddelen optimaal te verdelen tussen fiscale partners, waardoor de belastingdruk voor de partners samen zo laag mogelijk is.
Het is mij niet bekend in hoeveel gevallen van deze optimale toerekening geen gebruik wordt gemaakt en evenmin wat daar dan de reden voor is.
Zie voor een verdere inhoudelijke verdieping de antwoorden bij vraag 5 en 7.
Wat zouden redenen kunnen zijn voor belastingplichtigen om af te wijken van toedeling die de belastingdruk zo laag mogelijk houdt?
In veel gevallen zullen fiscale partners kiezen voor een verdeling waarbij de belastingdruk zo laag mogelijk is. Het aangifteprogramma helpt hierbij door inzichtelijk te maken wat de gekozen verdeling voor gevolgen heeft voor de belastingaanslag. Fiscale partners kunnen er echter ook voor kiezen om op een andere wijze te verdelen. Dit kan het geval zijn als fiscale partners de financiële zaken gescheiden houden en ieder individueel aangifte doet van het door hemzelf genoten inkomen of door hemzelf gemaakte kosten. De tussen fiscale partners gemaakte financiële afspraken vormen dan de grondslag voor een gemaakte keuze met betrekking tot de toedeling. Hiervan kan sprake zijn ingeval fiscale partners een gescheiden financiële situatie hanteren in een relatie.
Daarnaast kan de gemaakte verdeling invloed hebben op Toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen. Deze doorwerking kan een argument voor fiscale partners zijn om een verdeling te kiezen die fiscaal niet de meest gunstige is.
Voor de Belastingdienst zijn de beweegredenen voor de verdeling van fiscale partners niet relevant, in die zin: zij hebben immers de mogelijkheid naar eigen wens te verdelen. Wel is van belang dat de verdeling tussen fiscale partners voor 100% wordt toegepast. Hierop wordt door de Belastingdienst gecontroleerd.
Wat is de reden van het niet meer kunnen aanpassen van de inkomenstoedeling na zes weken na ontvangst van hun definitieve aanslag?
Fiscale faciliteiten, zoals de toedeling bij fiscale partners, zijn van invloed op de vaststelling van de materiële belastingschuld. Bij het opleggen van de aanslag wordt de materiële belastingschuld geformaliseerd en kunnen belastingplichtigen hiertegen in bezwaar/beroep komen.
In de wet is expliciet opgenomen dat de herziening van de toedeling bij partners enkel mogelijk is tot het moment dat de aanslag van beiden onherroepelijk vaststaat.
Waarom is het mogelijk om voor andere posten tot vijf jaar terug iets aan te passen en waarom is dit niet mogelijk voor de inkomenstoedeling tussen fiscale partners?
De begrenzing van deze keuzetermijn wordt noodzakelijk geacht voor de uitvoerbaarheid van de regeling. Iedere aanpassing in de verdeling heeft gevolgen voor de aanslagen van beide fiscale partners.
Bovendien kan dit ook een doorwerking hebben naar Toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen. Om deze reden is bij de totstandkoming van de regeling gekozen voor een begrenzing in de termijn waarbinnen aanpassing mogelijk is. Deze begrenzing is opgenomen in de wet.
De verwijzing naar de periode van vijf jaar ziet op de bevoegdheid van de inspecteur om een navorderingsaanslag op te leggen of een ambtshalve vermindering van de aanslag toe te passen. Het gaat hier om gevallen van een onjuiste belastingaanslag. Een andere verdeling tussen partners valt hier niet onder.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat de aangiftetermijn voor 2021 is verlopen?
Nee, dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Vader van honderden’ en massadoneren van sperma. |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vader van honderden» in de Volkskrant1 naar aanleiding van het bericht «The Case of the Serial Sperm Donor» in de New York Times van 1 februari jl. en het daar op aansluitende televisie item?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat een donor zoals Jonathan internationaal honderden kinderen heeft verwekt en dat al die kinderen dus wereldwijd honderden halfbroertjes en -zusjes hebben, hetgeen – zoals uit onderzoek is gebleken en door Stichting Donorkind wordt bevestigd – zeer belastend kan zijn op psychosociaal gebied (uit ervaring is bekend dat boven het aantal van tien dit ongemakkelijk wordt)?3
Ik vind het onwenselijk wanneer donoren grote aantallen kinderen verwekken. Dit is echter niet te voorkomen zolang vrouwen in de privésfeer (dus buiten een kliniek om) met spermadonoren in zee gaan. Ik ben van mening dat het van groot belang is dat wensouders zich de consequenties realiseren van hun keuze om via internet of social media een spermadonor te vinden of daarvoor uitwijken naar het buitenland. Op die manier is geen zicht op het aantal kinderen dat verwekt is met de zaadcellen van een donor en kan het gebeuren dat een donorkind later geconfronteerd wordt met een groot aantal halfbroers en -zussen, wat voor sommigen heel belastend kan zijn. Ook kan sprake zijn van een anonieme donor waardoor afstammingsinformatie ontbreekt.
Hoe lang weet u al dat de norm van maximaal 25 kinderen/12 gezinnen per spermadonor gemakkelijk te omzeilen is, doordat iedere kliniek werkt met een zelf gegenereerde code per donor in plaats van bijvoorbeeld het burgerservicenummer en de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (SDKB) gegevens niet kan koppelen? Klopt het dat dit «lek» al in 2016 aan het licht kwam in het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), waarin werd gesteld: «De inspectie concludeert dat een betere informatie-uitwisseling tussen de klinieken en de SDKB noodzakelijk is», en dat u daar vooralsnog niets mee heeft gedaan?
Uit het door u genoemde rapport van de Inspectie uit 2016 bleek dat de verschillende klinieken op verschillende wijze met deze norm zijn omgegaan. Sommige klinieken hanteerden een maximum van 25 kinderen, andere klinieken keken naar het aantal gezinnen waar het semen voor gebruikt wordt.
In 2016 waren de meningen nog verdeeld over hoe de centrale registratie van het aantal kinderen per donor vorm gegeven zou moeten worden. In het rapport «Van donor tot donorkind: ketenzorg en registratiesystematiek in de huidige Nederlandse fertiliteitsklinieken op orde» (27 september 2016) merkte de IGJ (toen IGZ) hierover op dat veel klinieken hierin een rol zagen voor de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb), maar dat de Sdkb hier met haar wettelijke taakstelling geen mogelijkheden toe had. De inspectie heeft het Ministerie van VWS naar aanleiding van dit rapport geadviseerd in 2017 een vervolgevaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) uit te voeren met de focus op het Sdkb-register en de wettelijke taakopdracht van de Sdkb, inclusief de eventuele rol bij het monitoren van het maximaal aantal kinderen per donor. Het rapport van deze evaluatie4 heb ik op 29 mei 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden en mijn reactie op dit rapport op 26 september 20195. De aanbevelingen met betrekking tot het monitoren van het aantal kinderen per donor zijn verwerkt in het wijzigingsvoorstel van de Wdkb. Ik heb het advies van de Raad van State met betrekking tot dit wijzigingsvoorstel recentelijk ontvangen en zal het wetsvoorstel na verwerking van het advies zo spoedig mogelijk aanbieden aan de Tweede Kamer.
Het klopt dat de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in 2017 het Ministerie van VWS op de hoogte heeft gebracht dat er sprake was van een donor die veel kinderen had verwekt in verschillende klinieken en mogelijk ook daarbuiten. Om uit te sluiten dat er meerdere donoren waren die een groot aantal kinderen had verwekt was de wens dat de Sdkb het gehele register zou doorzoeken op spermadonoren die in meerdere klinieken actief zijn (geweest) en te bezien hoeveel zwangerschappen er in totaal zijn geregistreerd van deze donoren. Dit was echter niet mogelijk omdat de Sdkb hier geen wettelijke grondslag voor had en heeft. Met de wijziging van de Wdkb, die zoals gezegd binnenkort aan de Tweede Kamer aangeboden wordt, wordt voorzien in de mogelijkheid van centrale monitoring van het maximaal aantal kinderen per donor. De IGJ heeft geen vervolgonderzoek verricht naar de aantallen bij de klinieken.
Waarom is geen gevolg gegeven aan het advies uit 2016 van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM) om over te gaan tot centrale registratie? Klopt het dat al in 2017 door de NVOG werd gewaarschuwd voor de desbetreffende donor? Klopt het dat de IGJ vervolgonderzoek heeft uitgevoerd naar de aantallen bij klinieken en dat ook uit een evaluatie van ZonMw in 2019 naar voren kwam dat de gegevens niet correct waren? Waren deze signalen bij u bekend en wat heeft u daarmee gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich uw opmerking in het algemeen overleg Medische ethiek, donorgegevens kunstmatige bevruchting en orgaandonatie van 15 oktober 2020, dat spermabanken uit het buitenland, dus ook Deense spermabanken, zich moeten houden aan het maximum aantal kinderen in ons land, toen u zei: «Het is natuurlijk wel zo dat, als klinieken in Nederland gebruikmaken van donorzaad uit het buitenland, gewoon de Nederlandse wetgeving geldt. Voor het gros van de kinderen die in Nederland worden geboren, geldt dus gewoon de Nederlandse wetgeving en daarmee gelden ook de eisen die in de Nederlandse wetgeving worden gesteld»?4
Ja.
Klopt het dat de IGJ al in 2016 erop heeft gewezen dat Cryos helemaal niet kan controleren of het Nederlandse maximum aantal wordt overschreden? Wat heeft u met dit bericht van de IGJ gedaan? Hoe is dit voor andere buitenlandse en/of commerciële klinieken waar Nederlandse klinieken mee samenwerken? Is er zicht op welke klinieken in Nederland werken met donorsperma uit buitenlandse klinieken?
De IGJ heeft in haar rapport «Van donor tot donorkind: ketenzorg en registratiesystematiek in de huidige Nederlandse fertiliteitsklinieken op orde» (27 september 2016) aangegeven aandacht te zullen vragen bij het Ministerie van VWS voor de mogelijke risico’s en onduidelijkheden rond het beleid van buitenlandse semenbanken in relatie tot de vereisten van de Wdkb en de monitoring van het aantal kinderen per donor.
Inmiddels kan Cryos vanwege veranderingen in de Deense wetgeving als spermabank geen donorsperma meer verzenden naar privéadressen. Verzending is alleen toegestaan naar goedgekeurde weefselcentra, vruchtbaarheidsklinieken, ziekenhuizen en geautoriseerde professionele zorgverleners. Cryos volgt ook het nationale quotum voor het aantal gezinnen dat een donor in een bepaald land kan gebruiken.
Ik heb geen zicht op welke klinieken in Nederland werken met donorsperma uit buitenlandse klinieken. Klinieken dienen de (persoonsidentificerende) gegevens van donoren van ei- en zaadcellen te registreren bij de Sdkb op basis van de Wdkb. Dit geldt ook wanneer bij een behandeling gebruik gemaakt wordt van buitenlandse donoren.
Wat is volgens u de Nederlandse norm van 25 kinderen/12 gezinnen voor Nederlandse donorkinderen en hun ouders waard wanneer een donor van een buitenlandse spermabank (zoals Cryos) in Nederland tot het gestelde maximum sperma kan doneren, maar tegelijkertijd ook in alle andere landen tot het maximum aldaar? Bent u het met mij eens dat het tegenstrijdig beleid is dat Nederlandse klinieken gebruik mogen maken van donoren van buitenlandse spermabanken, waarbij het aantal nakomelingen kan oplopen tot honderden kinderen, terwijl de norm in de Nederlandse wet is gesteld op 12 gezinnen (vrouwen)?
Voor het gebruik van buitenlandse donoren in Nederland geldt identieke wet- en regelgeving als voor het gebruik van Nederlandse spermabankdonoren en Nederlandse eigen donoren. De beroepsgroepen NVOG en KLEM hebben in het Landelijke standpunt spermadonatie7 opgenomen dat klinieken dienen te zorgen voor een juridisch geldend samenwerkingscontract met de buitenlandse spermabank. De standaard is dat klinieken alleen zaken doen met spermabanken die onder meer gebruik maken van een zogenaamd «pregnancy slot» om te zorgen dat het maximaal aantal van 12 vrouwen per buitenlandse donor niet wordt overschreden in Nederland. Ik kan niet voorkomen dat via de desbetreffende spermabank ook in andere landen gebruik gemaakt wordt van deze spermadonor. Wensouders dienen zich de consequenties van het gebruik van een buitenlandse donor te realiseren. Een van de consequenties is de mogelijkheid van een groot aantal nakomelingen. Het maximale aantal kinderen per donor wordt bepaald door verschillende aspecten tegen elkaar af te wegen. Deze aspecten zijn de kans op inteelt, de kans op het wijd verspreiden van een genetische aandoening, het belang van het kind, de overwegingen van de donor, en het belang van de wensmoeder en partner. In Europees verband ligt er een advies van een internationale gelegenheidswerkgroep van professionals over het maximale aantal kinderen per spermadonor, indien internationaal (binnen Europa) gebruikt. De aanbeveling van deze groep komt uit op 10–100 gezinnen waarbij men rekent op 2 kinderen per gezin8.
Bent u van plan met spoed een voorstel aan de Kamer voor te leggen om de mazen in de wet- en regelgeving te repareren? Bent u bereid in gesprek te gaan met de SDKB en andere partners om te kijken wat in de tussenliggende periode gedaan kan worden om «massadonatie» te voorkomen?
Met de wijziging van de Wdkb wordt wettelijk geborgd dat het sperma van een donor maar bij maximaal 12 vrouwen door Nederlandse klinieken mag worden gebruikt en wordt dit centraal door de Sdkb gemonitord. Ik hoop dit wijzigingsvoorstel na verwerking van het recentelijk ontvangen advies van de Raad van State zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer te verzenden. Toezicht op dit maximumaantal is evenwel niet mogelijk indien wensouders gebruik maken van donoren buiten de Nederlandse klinieken om.
Zolang het wetsvoorstel nog niet van kracht is, geldt de huidige situatie. De kliniek maakt een aantal afspraken met de donor. Een daarvan is dat de donor verklaart dat hij zich maar bij één spermabank inschrijft en dat hij zich onthoudt van donorschap langs andere kanalen zoals aanbiedingen via internet. Dit kan niet worden gecontroleerd en het is een kwestie van vertrouwen dat de donor deze afspraak nakomt.
Kunt u aangeven hoe de SDKB denkt over haar rol en de mogelijkheden om instemming te vragen van een buitenlandse spermadonor, gebruikt in een Nederlandse kliniek, als de donorkinderen bij hen aankloppen voor hun persoonsgegevens? Welke mogelijke obstakels voorziet de SDKB hierbij en wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bij de Sdkb persoonsidentificerende gegevens van een donor worden opgevraagd stelt de Sdkb de donor van de voorgenomen verstrekking van de gegevens op de hoogte, alsmede van de gronden waarop dit voornemen berust. Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de kennisgeving kan de donor tegen de voorgenomen verstrekking bezwaar maken bij de Stichting. Verstrekking geschiedt niet dan nadat de beslissing op het bezwaar onherroepelijk is geworden. Om met de desbetreffende donor in contact te komen checkt de Sdkb, als het gaat om een in Nederland woonachtige donor, de Basisregistratie Personen (BRP) voor de huidige adresgegevens van de donor. Als het gaat om een buitenlandse donor neemt de Sdkb hiervoor contact op met de buitenlandse semenbank waar de donor zijn sperma heeft gedoneerd.
Bent u ook verontrust over het vermoeden, gebaseerd op forumberichten op internet, van Stichting Donorkind dat er een competitie bestaat tussen sommige massadonoren: wie kan de meeste kinderen verwekken? Bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Ik ben hiervan op de hoogte en vind dergelijke gedrag van donoren verwerpelijk. Ik ben niet bereid hier onderzoek naar te laten doen, omdat de uitkomst van een dergelijk onderzoek niet zal leiden tot een oplossing. Het gaat om handelingen in de privésfeer en daarop is geen toezicht mogelijk.
Wanneer wordt het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) aan de Kamer toegezonden? Waarom duurt het zo lang voordat dit wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd? De tweede evaluatie van de Wdkb is toch in april 2019 afgerond?
Ik verwacht het wetsvoorstel tot wijziging van de Wdkb op korte termijn naar de Tweede Kamer te kunnen verzenden. Het rapport van de tweede evaluatie van de Wdkb9 heb ik op 29 mei 2019 aan de Kamer aangeboden en mijn reactie op dit rapport op 26 september 2019. In die reactie heb ik aangegeven op welke punten de Wdkb gewijzigd zou worden naar aanleiding van de evaluatie. Het was noodzakelijk om de praktische invulling en de consequenties van de wetswijziging goed af te stemmen met betrokken partijen. Daarbij zijn ook de reacties betrokken die in het kader van de internetconsultatie over een concept van het wetsvoorstel zijn ingediend. Deze consultatie liep van begin juni tot eind juli 2020. De voortgang van het traject heeft enige vertraging opgelopen mede ook door de uitbraak van COVID-19.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat donoren die niet via klinieken doneren zich wel aan de regels houden? Wat vindt u van het idee van Moms on a Mission voor een registratiesysteem voor privédonaties, in casu geen apart registratiesysteem maar de mogelijkheid om te controleren of een donor waarmee je van plan bent een kind te krijgen al geregistreerd staat bij de SDKB, zodat wensouders hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen?
Ik heb geen middelen tot mijn beschikking om ervoor te zorgen dat donoren zich buiten de klinieken om aan de regels houden. Het is niet mogelijk een registratieplicht in te voeren voor handelingen in de privésfeer. Bovendien heeft registratie weinig zin als de donor vervolgens zijn diensten anoniem aanbiedt op bijvoorbeeld internet of in het buitenland en er wensouders zijn die van die diensten gebruik blijven maken. Registratie van donoren is geborgd wanneer spermadonatie via een Nederlandse kliniek plaatsvindt.
Ouders moeten ervan doordrongen zijn dat het gebruik van een spermadonor vanuit de ouderlijke verantwoordelijkheden niet lichtzinnig moet worden overwogen, en dat daarbij op hen een bijzondere verantwoordelijkheid ligt om dat zo te doen dat de gegevens van de donor op termijn voor het kind te achterhalen zijn en dat voor het kind bekend kan worden hoeveel halfbroertjes en -zusjes het heeft indien het kind behoefte heeft aan deze informatie. Ik adviseer wensouders daarom een spermadonor te vinden via een kliniek of om de spermadonatie van een eigen donor via een kliniek te laten plaatsvinden om zoveel mogelijk excessen te voorkomen.
Ouders die gebruik maken van een voor hen bekende donor beschikken zelf over de afstammingsinformatie van hun kind en zij kunnen deze informatie zelf aan hun kind ter beschikking stellen op een manier die zij passend vinden.
Ik onderstreep het belang van goede voorlichting. Voorlichting aan wensouders vindt plaats via klinieken en ook via particuliere websites. Fiom ontvangt van het Ministerie van VWS een instellingssubsidie als kenniscentrum op het gebied van onder meer afstammingsvragen. Zowel donorkinderen als donoren en wensouders kunnen bij Fiom terecht met allerlei vragen op dit terrein. Ook kunnen donorkinderen die op zoek zijn naar afstammingsinformatie en donoren van voor 2004 zich gratis inschrijven in de Fiom KID-DNA databank. Daarnaast is op 12 maart 2021 het digitale Landelijk informatiepunt donorconceptie officieel online gegaan. Het informatiepunt is tot stand gekomen door samenwerking tussen de Stichting donorkind, Stichting meer dan gewenst, Fiom en de Special Interest Group Gameetdonatie, die onderdeel is van de NVOG en het POINT-netwerk. Door de inrichting van dit digitale informatiepunt is alle informatie rond donorconceptie op één centraal punt te vinden. Het Ministerie van VWS financiert dit digitale informatiepunt (www.donorconceptie.nl).
Is het u bekend dat wensouders in toenemende mate kiezen voor een eigen donor? Bent u bereid om te kijken naar een mogelijkheid voor wensouders die gebruik maken van een eigen donor, buiten de klinieken om, om in een afstammingsregister de afstammingsinformatie voor het kind veilig te kunnen stellen? Bent u bereid om ook goede voorlichting rond thuisinseminaties en de mogelijke consequenties van deze route met een eigen donor in uw plannen mee te nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u aangeven hoe u de unaniem aangenomen motie Dik-Faber/Bergkamp zult uitvoeren, waarbij u ingaat op alle specifieke onderdelen van de motie, en op welke termijn u dat gaat doen?5
In de motie Dik-Faber/Bergkamp wordt de regering verzocht om11 de waarborgen, in lijn met het internationale verdrag voor de rechten van het kind, onder de aandacht te brengen in internationale gremia, bijvoorbeeld bij de Raad van Europa of andere overlegstructuren, waarbij nationale soevereiniteit het uitgangspunt blijft, en de Kamer hierover met regelmaat te informeren en12 in te zetten op het goed informeren van wensouders over de consequenties van het gebruik van buitenlandse donoren en daarbij ook de route en risico’s voor het achterhalen van donoren van buitenlandse semenbanken door Nederlandse nakomelingen specifiek in kaart te brengen.
Ad 1.
Landen kennen op het terrein van medische ethiek een grote mate van beleidsruimte. Om de nationale beleidsruimte op dit terrein te behouden heeft Nederland het Oviedo Verdrag niet geratificeerd. Daarmee is Nederland geen Party State maar slechts Member State, waardoor de invloed van Nederland beperkt is. Het Oviedo Verdrag, oftewel het Biogeneeskundeverdrag, bevat bepalingen omtrent de waardigheid en identiteit van het menselijk wezen. Het Verdrag biedt waarborgen ter eerbiediging van ieders integriteit en andere rechten en fundamentele vrijheden met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde.
Nederland neemt actief deel aan de vergaderingen van het Committee on bioethics (DH-BIO). Het DH-BIO geeft adviezen en kan geen bindende besluiten nemen. Als de gelegenheid zich voordoet, zal het Nederlandse standpunt actief worden uitdragen waarbij dan geldende nationale wet- en regelgeving uiteraard leidend is.13
Ad 2.
Voorlichting aan wensouders vindt plaats via klinieken en ook via particuliere websites. Op 12 maart 2021 is het digitale Landelijk informatiepunt donorconceptie officieel online gegaan. Het informatiepunt is tot stand gekomen door samenwerking tussen de Stichting donorkind, Stichting meer dan gewenst, Fiom en de Special Interest Group Gameetdonatie, die onderdeel is van de NVOG en het POINT-netwerk. Door de inrichting van dit digitale informatiepunt is alle informatie rond donorconceptie op één centraal punt te vinden. Daartoe behoort ook informatie over de consequenties van het gebruik van buitenlandse donoren. Het Ministerie van VWS financiert dit digitale informatiepunt (www.donorconceptie.nl). Daarnaast is Fiom beschikbaar als kenniscentrum op het gebied van afstammingsvragen om (individuele) vragen te beantwoorden en stelt Fiom informatie beschikbaar m.b.t. afstammingsvragen (www.fiom.nl).
Kent u het bericht «Rijnstate ziekenhuis hoeft identiteit zaaddonor niet bekend te maken»?6
Ja.
Deelt u ook het standpunt van de rechter dat de politiek bij de invoering van de Wdkb in 2004 met de toevoeging van de slot- en overgangsbepalingen niet genoeg rekening heeft gehouden met de belangen van donorkinderen, doordat al bestaande bekende donoren alsnog de mogelijkheid kregen om anoniem te blijven?
Ja dat standpunt deel ik en dat had ik ook al kenbaar gemaakt in mijn reactie op de tweede evaluatie van de Wdkb15.
Deelt u het standpunt dat conform internationale verdragen kinderen recht hebben om te weten van wie zij afstammen en dat het moeilijk voorstelbaar is dat belangen van een donor zwaarder wegen dan de belangen van het kind?
Ik onderschrijf het recht van ieder kind om te weten van wie hij of zij afstamt. Dat is ook het doel van de Wdkb en de reden dat deze wet is ingevoerd. Tegelijkertijd is het recht om te weten van welke ouders men afstamt niet absoluut. Het recht dient eventueel te wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen. De bepalingen uit het IVRK (artikel 7) en het EVRM (artikel 8) bieden de Europese lidstaten ruimte om bij het inrichten van het wettelijk stelsel de belangen van alle betrokken partijen tegen elkaar af te wegen en daarin een evenwichtige balans te treffen. De overgangsregeling van artikel 12 van de Wdkb is tegen die achtergrond tot stand gekomen. De wetgever heeft hierbij evenwel de situatie van B-donoren, zoals aan de orde in de zaak tegen Rijnstate, onvoldoende in ogenschouw gehad.
Herinnert u zich uw brief d.d. 26 september 2019 naar aanleiding van het rapport van de tweede evaluatie van de Wdkb, dat op 29 mei 2019 aan de Kamer is aangeboden, en waarin u onder meer het volgende aan de Voorzitter van de Tweede Kamer geschreven heeft?7 8
Ja. Het is echter onduidelijk waarnaar wordt verwezen bij verwijzing 8.
Wat vindt u ervan dat de rechter concludeert dat «de grens is bereikt van wat de rechter kan beslissen» en dat de politiek nu aan zet is? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat donorkinderen alsnog kunnen achterhalen wie hun donorvader is?
De uitspraak van de rechtbank ziet op een behandeling die heeft plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). Het ziekenhuis in kwestie verkeert in een conflict van plichten. Enerzijds heeft het ziekenhuis zich jegens de moeder van het donorkind gecommitteerd om de persoonsidentificerende gegevens van de donor aan het donorkind te verstrekken na het bereiken van de leeftijd van zestien jaar, anderzijds is het ziekenhuis daartoe niet bevoegd vanwege het intrekken van de toestemming daartoe door de donor. Om te kunnen beoordelen of het ziekenhuis niettemin verplicht kan worden tot verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor is de rechtbank van oordeel dat er een belangenafweging moet plaatsvinden tussen de belangen van het donorkind en de belangen van de donor. De rechtbank kan een dergelijke afweging niet maken, omdat de donor geen partij is in deze zaak. Volgens de rechtbank is de grens bereikt van wat de rechter kan beslissen en is de wetgever aan zet.
In mijn reactie op de tweede evaluatie van de Wdkb18 heb ik aangegeven eerst de uitspraak van de rechter in (een van de) twee rechtszaken af te wachten alvorens mij te beraden op eventuele vervolgstappen. De uitspraak van de rechtbank in de rechtszaak tegen Rijnstate is nu bekend. De uitspraak in een tweede zaak wordt uiterlijk 2 juni 2021 verwacht. In deze zaak gaat het ook om het verstrekken van persoonsidentificerende gegevens van een donor die ten tijde van zijn donatie een bekende donor wilde zijn en er later voor heeft gekozen anoniem te blijven. Ik wil ook de uitspraak in deze zaak afwachten. Afhankelijk van de uitspraak ben ik bereid een wetswijziging te initiëren. Een wetswijziging zou in kunnen houden dat gegevens van een B-donor van voor 2004 in principe worden verstrekt, tenzij de donor een zwaarwegend belang kan aantonen om niet over te gaan tot verstrekking van zijn persoonsidentificerende gegevens. Dit is meer in lijn met de geest van de Wdkb. Op deze manier worden B-donoren van voor 2004 op dezelfde wijze behandeld als de donoren van na 2004. Het is overigens ook mogelijk dat de rechtbank zal oordelen dat de kliniek waar de behandeling met de gedoneerde zaadcellen heeft plaatsgevonden op basis van de behandelovereenkomst persoonsidentificerende gegevens zou moeten verstrekken.
Wat vindt u ervan dat als een anonieme donor is overleden, familie niet wordt benaderd indien een donorkind informatie opvraagt over de donor en dat donorkinderen op andere manieren (DNA testen en stamboomonderzoek) vaak uiteindelijk toch uitkomen bij de familie – wat mogelijk nog invasiever is in de levens van mensen? Deelt u de mening dat het beschermen van de gegevens van anonieme donoren in feite achterhaald is, gezien de huidige ontwikkelingen op het gebied van internationale DNA databanken?
Ik veronderstel dat uw vraag betrekking heeft op de situatie dat een anonieme donor van voor 1 juni 2004 is overleden en zijn persoonsidentificerende gegevens niet kunnen worden verstrekt vanwege het ontbreken van instemming van de donor. Artikel 12 van de Wdkb voorziet niet in een vervangende regeling ingeval van overlijden van de donor. De situatie is anders in gevallen waarop artikel 3 van de Wdkb ziet. In dat geval is verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor aan het donorkind het uitgangspunt en zal het overlijden van een donor niet automatisch betekenen dat geen verstrekking meer kan plaatsvinden.
Ik ben niet van mening dat het beschermen van de gegevens van anonieme donoren van voor 2004 achterhaald is; ook niet in het licht van de huidige ontwikkelingen op het gebied van internationale DNA databanken. Anonieme donoren van voor 2004 zijn altijd in de veronderstelling geweest dat zij anoniem zouden blijven. Deze donoren hebben recht op bescherming op basis van artikel 8 EVRM dat bepaalt dat het privéleven en gezinsleven van burgers moet worden beschermd.
Het bericht dat 11.000 vergunninghouders in de tweede helft van dit jaar een woning moeten krijgen |
|
Alexander Kops (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Nederland een woningtekort heeft van zo’n 300.000 woningen en het daardoor voor de gewone Nederlander haast onmogelijk is een geschikte woning te vinden?1
Ja. Ik vind het belangrijk dat iedereen die in Nederland verblijft een geschikte woning kan vinden. Op dit moment staat de woningmarkt onder druk. Daarom heb ik verschillende maatregelen genomen om het woningtekort te verkleinen, waaronder het (wederom) beschikbaar stellen van 50 miljoen euro voor 2021 als stimulans voor de bouw van (flexibele) huisvesting voor kwetsbare groepen, waaronder vergunninghouders.
Hoe haalt u het in uw hoofd om 11.000 gelukszoekers binnen een half jaar een woning te geven terwijl Nederlanders vaak jaren moet wachten op geschikte woonruimte?2
Het kabinet kiest ervoor, en is daar ingevolge internationale en Europese wet- en regelgeving ook toe gehouden, om asielbescherming te bieden aan hen die daar recht op hebben. De verwachting is dat in de komende maanden (april t/m september 2021) 11.000 asielzoekers voor een asielvergunning in aanmerking komen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelt halfjaarlijks de taakstelling vast voor de huisvesting van vergunninghouders door gemeenten, aan de hand van het verwachte aantal verblijfsvergunningen dat door de IND wordt verstrekt. De gemeente is verantwoordelijk voor het huisvesten van vergunninghouders conform de halfjaarlijkse taakstelling. Veelal wordt op basis van prestatieafspraken met woningcorporaties gezocht naar een woning passend bij de gezinssituatie. Dit is echter niet verplicht. Gemeenten kunnen ook op andere manieren in huisvesting voorzien voor deze vergunninghouders.
Meer dan de wijze waarop de woningen worden verdeeld, is vooral het beschikbare woningaanbod van doorslaggevend belang voor de wachttijd voor sociale huurwoningen. Het aanjagen van de woningbouwproductie in gespannen regio’s en het beter benutten van de bestaande voorraad, is dan ook van groot belang om de kansen van alle woningzoekenden te vergroten.
Bent u het eens dat deze voorkeursbehandeling van gelukszoekers een klap in het gezicht is van al die Nederlanders die geen woning kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er wordt in Nederland geen onderscheid gemaakt op basis van nationaliteit. Iedereen in Nederland wordt in gelijke gevallen gelijk behandeld, een uitgangspunt dat in de Grondwet is verankerd. Van voorkeursbehandeling van vergunninghouders en/of discriminatie van andere groepen woningzoekenden is geen sprake. Zoals gezegd is alle inzet erop gericht om de kansen van woningzoekenden te vergroten.
Specifiek ten aanzien van vergunninghouders geldt dat tijdige huisvesting niet alleen in het belang van deze vergunninghouders is, maar ook van de Nederlandse samenleving: snelle huisvesting laat vergunninghouders sneller participeren in en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Bovendien worden door een snelle doorstroom naar huisvesting de maatschappelijke impact en financiële kosten die gepaard gaan met de opvang van asielzoekers beperkt.
Deelt u de mening dat het op stel en sprong regelen van woningen voor deze gelukszoekers pure discriminatie is van de gewone Nederlander? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze 11.000 gelukszoekers geen woning toe te wijzen, maar een enkeltje thuisland zodat deze woningen vrij blijven voor Nederlandse woningzoekers en de grenzen te sluiten voor nieuwe gelukszoekers? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet kiest ervoor, en is daar ingevolge internationale en Europese wet- en regelgeving ook toe gehouden, om asielbescherming te bieden aan hen die daar recht op hebben. Terugkeer is voor hen niet aan de orde. Zoals u bekend vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk.
Ontmijningsprojecten in Nagorno-Karabach |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van het gevaar voor de burgerbevolking van achtergebleven explosieve oorlogsresten zoals granaten, raketten en clustermunitie, na het recente conflict in Nagorno-Karabach?1
Ik ben bekend met het feit dat een groot aantal explosieve oorlogsresten is achtergebleven als gevolg van de oorlog in en rond Nagorno-Karabach, en met het gevaar dat deze oorlogsresten vormen voor de bevolking ter plaatse. De exacte omvang hiervan is echter moeilijk vast te stellen; er is op dit moment vrijwel geen toegang tot delen van het gebied voor internationale organisaties, m.u.v. het Internationale Comité van het Rode Kruis.
Bent u bereid om middelen uit het Contingency Fund van het Mine Action and Cluster Munitions Programme 2020–2024 in te zetten om deze explosieve oorlogsresten in Nagorno-Karabach zo spoedig mogelijk op te helpen ruimen? Zo nee, waarom niet?
Alhoewel ik onderschrijf dat de explosieve oorlogsresten zo snel mogelijk moeten worden geruimd, zijn de omstandigheden ter plaatse er op dit moment niet naar om dit project van de HALO Trust financieel te steunen. De situatie in Nagorno-Karabach is zeer sterk gepolitiseerd. Zelfs VN-organisaties als UNDP, UNHCR, UNESCO en UNICEF krijgen op dit moment nog geen toegang tot het betreffende gebied omdat er geen overeenstemming is tussen de betrokken partijen over bijvoorbeeld de wijze van inreizen. Bijdragen aan dit project zou kunnen leiden tot verdere polarisering en politisering.
Nederland hoopt in de toekomst te kunnen bijdragen aan humanitaire ontmijning van dit gebied, maar daarvoor moet aan bepaalde randvoorwaarden worden voldaan. Dit betreft o.a. toegang tot het gebied, hetgeen op dit moment niet wordt geboden. Nederland steunt de covoorzitters van de Minsk Groep, en anderen, die proberen te bemiddelen teneinde voortgang te maken op deze en andere belangrijke punten. Met bovenstaande benadering sluit Nederland aan bij het beleid van de EU.
Zowel Armenië als Azerbeidzjan wensen assistentie bij ontmijning. Nederland onderzoekt samen met internationale partners de mogelijkheden voor een bijdrage aan een eventueel regionaal fonds voor ontmijning bijvoorbeeld onder auspiciën van de United Nations Mine Action Service (UNMAS) en het United Nations Development Programme (UNDP). Een dergelijk fonds zou, zodra de omstandigheden het toelaten, een goed (financieel) instrument kunnen zijn voor de ontmijning in het hele gebied dat werd getroffen door het conflict.
Wat is precies de reden dat u een aanvraag voor een subsidie voor ontmijningsactiviteiten in dit gebied door de HALO Trust hebt afgewezen, terwijl u deze organisatie wel ondersteunt bij hun werk in andere gevaarlijke gebieden zoals Somalië, Oekraïne en Afghanistan? Om welke redenen sluit het werk van de HALO Trust in dit gebied niet aan bij uw buitenlands beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen zou het volgens u hebben als Nederland besluit de HALO Trust wel subsidie te verstrekken voor ontmijningsactiviteiten in Nagorno-Karabach?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de reden geweest om in 2009 te stoppen met de steun aan de ontmijningsactiviteiten van de HALO Trust in Nagorno-Karabach? Wat is er toen veranderd in de situatie op grond waarvan deze beslissing toen genomen is?
Nederland heeft in 2007 nieuwe prioriteiten voor de inzet van het Stabiliteitsfonds gesteld, waarbij Nagorno-Karabach niet als prioriteitsgebied werd aangemerkt. Als gevolg van die keuze is besloten de financiering af te bouwen. Ook werd destijds opgemerkt dat de situatie sterk was gepolitiseerd wegens het voortdurende conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië over dit gebied. Belangrijke reden dat Nagorno-Karabach niet langer als prioriteitsgebied werd aangemerkt, was gelegen in het feit dat Azerbeidzjan en Armenië geen partij zijn bij het Verdrag van Ottawa dat het bezit, gebruik en de productie van anti-personeelslandmijnen verbiedt. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat in al ontmijnde gebieden opnieuw mijnen worden gelegd.
Als voorzitter van het Verdrag van Ottawa roept Nederland deze landen op om alsnog partij te worden bij het Verdrag van Ottawa. Dit biedt aanvullende mogelijkheden voor ondersteuning bij het ontmijnen alsook steun bij het vernietigen van voorraden anti-personeelslandmijnen.
Bent u op de hoogte van het feit dat Noorwegen wel subsidie verleent aan de HALO Trust voor de ontmijningsactiviteiten in Nagorno-Karabach? Bent u op de hoogte van de redenen voor deze verschillende afweging die Nederland en Noorwegen kennelijk gemaakt hebben? Zo nee, bent u bereid om bij uw Noorse collega navraag te doen naar hun redenen om die steun wel te blijven verlenen?
Ja, het is mij bekend dat Noorwegen HALO financieel steunt in Nagorno-Karabach. Ik ben niet op de hoogte van de afwegingen die Noorwegen heeft gemaakt; derde landen worden daar doorgaans niet van op de hoogte gebracht. Landen maken eigenstandige afwegingen, zo ook Nederland.
Wat is de reden dat er door de Verenigde Naties wel steun gegeven kan worden aan de ontmijningsactiviteiten in Azerbeidzjan?2
UNDP heeft al vele jaren, samen met UNMAS, een relatie met ANAMA, de Azerbeidzjaanse ontmijningsautoriteit. Er is een lopend project van 2017 tot 2023. Als onderdeel van de VN-brede respons op recente conflict is nieuw geld beschikbaar gesteld om de bestaande activiteiten op te schalen. Voor de bredere inzet verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 t/m 4.
Het wegnemen van de juridische belemmeringen voor naturalisatie van RANOV-vergunninghouders |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie denkt u specifiek nog nodig te hebben voor u de motie Jasper Van Dijk en Van Toorenburg kunt uitvoeren?1
Het gaat hier in het bijzonder om een actueel en cijfermatig inzicht in zowel de wel als niet genaturaliseerde ranov-vergunninghouders. Het laatste onderzoek naar niet-genaturaliseerde ranov-vergunninghouders is uit 2017. Ik vind het belangrijk om op basis van actuele en volledige informatie een besluit te nemen.
Waarom stelt u hier een nieuw onderzoek naar in, in plaats van de kennis uit de bestaande onderzoeken te gebruiken om de motie uit te voeren?
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verricht het cijfermatige onderzoek naar de actuele groepssamenstelling. Tezamen met de bevindingen van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) wordt één rapportage opgesteld. Het WODC spreekt vertegenwoordigers van de advocatuur, vluchtelingenwerk, gemeenten en ambtenaren over de blijkens de vorige onderzoeken ervaren knelpunten om een naturalisatieverzoek in te dienen. Er is daarmee sprake van twee verschillende trajecten binnen het onderzoek, waarbij iedere instantie zijn eigen mogelijkheden en expertise inbrengt.
Waarom kunnen uw ambtenaren de bevindingen uit de al bestaande onderzoeken niet zelf inventariseren om met die kennis de gesignaleerde belemmeringen weg te nemen en zo de motie uit te voeren? Kunnen de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) u ook niet de benodigde recente informatie aanleveren zonder dat het WODC daartussen moet zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom gebruikt u WODC-onderzoek voor politieke doeleinden, namelijk vertraging van de uitvoering van een aangenomen motie? Deelt u de mening dat u, vooral na de WODC-affaire, het WODC ver zou moeten houden van politiek gemotiveerd onderzoek?
Het onderzoek vraagt slechts enkele maanden tijd en is mijns inziens noodzakelijk om een geactualiseerd beeld te hebben van de problematiek inzake het niet indienen van een naturalisatieverzoek door ranov-vergunninghouders. Het is op dit moment daarom zinvol om de beschikbare kennis op een rij te zetten en deze, samen met de nieuwe data, door experts te laten duiden. Het WODC is een onafhankelijke instelling. Verzoeken die bij het WODC worden neergelegd komen voort uit een kennisbehoefte die gekoppeld is aan beleidsmatige en politieke vraagstukken.
Hebben medewerkers van het WODC intern bezwaar geuit tegen deze onderzoeksopdracht? Kunt u aangeven wat de inhoud van deze bezwaren was?
Binnen het WODC is gesproken hoe een volgend onderzoek eruit zou kunnen zien. Een herhaling van het onderzoek uit 2015 werd niet wenselijk gevonden, omdat dit naar verwachting geen aanvullende inzichten zou opleveren. Het WODC heeft vervolgens een nieuwe onderzoeksopzet uitgewerkt.
De vele openstaande vragen die er zijn over de compensatie van gedupeerden in de toeslagenaffaire. |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Waarom is door u telkens ontkend dat de Belastingdienst al ver voor de de start van de Combiteams Aanpak Facilitators (CAF)-antirechtstatelijke werkwijzen gebruikte en dat hier ook werkinstructies op bestaan?1
In mijn eerste brief als Staatssecretaris over de kinderopvangtoeslagaffaire van 4 februari 2020 is meerdere malen, ook in antwoord op vragen van uw Kamer, gewezen op mogelijk gedupeerden van voor de start van het CAF.2 Hoewel in de eerste jaren na invoering van het toeslagenstelsel de focus lag op het zo snel mogelijk toekennen en uitbetalen van toeslagen, is bekend en ook erkend dat de Belastingdienst/Toeslagen de wet- en regelgeving vanaf het begin zeer strikt heeft geïnterpreteerd en toegepast. Zowel in de situatie waarin – naar de huidige inzichten – sprake is van «hardheden» in het stelsel als in situaties waarin de Belastingdienst/Toeslagen – naar de huidige inzichten – vooringenomen heeft gehandeld, kon dit zeer ingrijpende gevolgen hebben voor de ouders die hierdoor zijn getroffen. Juist om die reden heeft het kabinet in reactie op de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen besloten om gedupeerde ouders te compenseren over de gehele periode sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag. Onder meer met de Wet hardheidsaanpassingen AWIR, die per 1 juli 2020 in werking is getreden, is uitdrukkelijk (ook) voorzien in de mogelijkheid voor compensatie over vroegere jaren3. Ook voor de Catshuisregeling, die vooruitlopend op wetgeving als beleidsbesluit is gepubliceerd, kunnen de ouders die zich gedupeerd voelen in die vroegere jaren zich aanmelden. Het bieden van herstel aan gedupeerde ouders voor vroegere jaren vindt ook al plaats, bijvoorbeeld bij de pre-CAF zaak inzake gastouderbureau Appelbloesem. In de vijfde VGR heb ik de adviezen van de Commissie van Wijzen over zowel Appelbloesem als De Parel gedeeld. De Commissie kwam tot de conclusie dat bij de Appelbloesem sprake was vooringenomen handelen over 2007 t/m 2009. Bij de Parel was geen sprake van groepsgewijze vooringenomenheid, maar kan dit wel in individuele gevallen aan de orde zijn. Ook kan hardheid van het stelsel hier spelen. Door de uitbreiding van de compensatieregeling zullen de ouders in die gevallen ook hiervoor in aanmerking kunnen komen. Alle ouders hebben van UHT een brief ontvangen dat zij zich kunnen melden.
Is dit exemplarisch voor de begin dit jaar aangekondigde nieuwe werkwijze van de rijksoverheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is niet eerder een overzicht gemaakt van de onrechtstatelijke werkwijze bij Toeslagen en de Belastingdienst als het gaat om fraudeopsporing en fraudehandhaving? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals volgt uit de brief van 12 maart 2021 is het niet mogelijk een eenduidig overzicht te verstrekken van alle gevallen waarin de Belastingdienst of Toeslagen niet in overeenstemming met de wet- of regelgeving heeft gehandeld.4 Dit mede gezien de vele schakeringen en facetten van begrippen als «buitenwettelijk» of «onrechtmatig». Voor wat betreft fraudeopsporing en fraudehandhaving wil ik benadrukken dat dit altijd onderdeel is van het gehele palet aan toezichtactiviteiten van de Belastingdienst en Toeslagen. Met name na de «Bulgarenfraude» is hier veel sterker de focus op komen te liggen. Er is toen onvoldoende rekening gehouden met het feit dat burgers veelal onbewust fouten maken waar op een andere manier mee omgegaan moet worden dan via de destijds gekozen aanpak. Op deze manier wordt niet meer gewerkt, inmiddels ligt de nadruk veel meer op dienstverlening, het voorkomen van fouten en het helpen van de toeslaggerechtigden.
Kunt u reageren op het betoog van hoogleraar Van der Bunt dat de Catshuisregeling (opnieuw) tot willekeur leidt en dat u terug naar de tekentafel moet?2, 3
In het NRC-artikel benoemt hoogleraar Van der Bunt onder meer dat een groot deel van de ouders opnieuw vermalen dreigt te worden door het systeem, omdat de Catshuisregeling geen rechtszekerheid kan bieden. Zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 25 maart 2021 heeft het kabinet besloten om alle ouders die gedupeerd zijn door een vooringenomen behandeling, alles-of-niets-benadering of het onterecht aanmerken van ouders met het kenmerk «Opzet/Grove Schuld» bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag ten minste € 30.000 uit te betalen.7 De doelgroep is hiermee hetzelfde als voor de primaire herstelregelingen. De regeling is bedoeld om meer ouders een snelle uitbetaling te kunnen doen, omdat zij vaak al lang wachten op herstel. Daarnaast is de uitbetaling, tenzij de ouder anders beslist, geen vervanging voor de integrale beoordeling waarin in meer detail en samen met de ouder naar zijn of haar situatie gekeken wordt. Ouders die op basis van de herstelregelingen recht hebben op meer dan € 30.000 zullen dat na integrale beoordeling ontvangen. Daarnaast ga ik in de 6e Voortgangsrapportage op een aantal punten in die hoogleraar Van der Bunt noemt in het aangehaalde artikel in het NRC Handelsblad. Een vaktechnische structuur en onafhankelijk commissies waarborgen dat iedere ouder gelijk wordt behandeld en er dus geen willekeur ontstaat bij de toewijzing van compensatie (zie paragraaf 2.6). In paragraaf 2.5 van de Voortgangsrapportage ga ik enerzijds in op de wijze waarop ouders zich kunnen melden bij het College van de Rechten van de Mens indien zij het vermoeden hebben dat zij zijn gediscrimineerd. Anderzijds beschrijf ik de acties die zijn ondernomen om in de toekomst beter zicht te krijgen op signalen omtrent discriminatie en op welke wijze hier in de toekomst mee moet worden omgegaan. Tenslotte verwijs ik naar hoofdstuk 3 van de 6e Voortgangsrapportage voor de verschillende initiatieven om ouders, naast financiële compensatie, zo goed mogelijk te ondersteunen.
Klopt het dat voor de mensen die niet onder de Catshuisregeling vallen per 1 mei 2021 het moratorium dat er geen schulden mogen worden geïnd komt te vervallen? Zo ja, hoeveel mensen treft dit?
Dat klopt. Als in de lichte toets geen aanwijzingen zijn gevonden op basis waarvan een ouder in aanmerking komt voor € 30.000 vervalt het moratorium per 1 mei. Dit is om te voorkomen dat de private schulden van deze ouders oplopen, terwijl UHT nog niet heeft kunnen vaststellen dat zij in aanmerking komen voor de Catshuisregeling en zij mogelijk dus ook niet in aanmerking komen voor de schuldenaanpak. Als het moratorium wel door zou lopen en daarna in de integrale beoordeling blijkt dat een ouder geen recht heeft op compensatie, zouden de schulden van deze ouder in de tussentijd groter kunnen zijn geworden. Dit komt omdat het moratorium het uitwinnen van beslag voorkomt, maar niet kan voorkomen dat schulden (bv. een niet betaalde verzekering) ondertussen oplopen. Door het moratorium alleen door te laten lopen bij ouders die, na de lichte toets, onder de Catshuisregeling vallen zorgen we dat het moratorium alleen doorloopt voor ouders die ook in aanmerking komen voor de schuldenaanpak. Als bij de integrale beoordeling blijkt dat een ouder wel in aanmerking komt voor compensatie gaat het moratorium wel weer in. Zodra de lichte toets voor iedereen die zich heeft aangemeld is afgerond is duidelijk hoeveel mensen dit betreft. Overigens is een deel van de mensen die dit betreft de huidige partner van iemand die wel voor de Catshuisregeling in aanmerking komt. Zij komen daardoor wel in aanmerking voor de afkoelingsperiode van één jaar. De invordering van publieke schulden blijft wel gepauzeerd totdat definitief duidelijk is of mensen wel of geen recht hebben op compensatie (zie ook onderdeel 2.2 van de zesde Voortgangsrapportage).
Hoe zeker is het dat de mensen die buiten de Catshuisregeling vallen niet in aanmerking komen voor compensatie?
In mijn brief van 25 maart 2021 heb ik aangegeven dat voor alle ouders die zich uiterlijk op 15 februari 2021 hebben gemeld een lichte toets plaatsvindt om te bepalen of sprake is van recht op € 30.000. Op basis van data-analyse komt naar voren dat ongeveer 20% van de aangemelde ouders geen kinderen of geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Dit betreffen ook ouders waarvan het verzoek tot herstel niet zag op de kinderopvangtoeslag, maar op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag. Voor ongeveer 50% van de aangemelde ouders geldt dat er, na de data-analyse, een lichte handmatige toets nodig is om hun recht op de € 30.000 vast te stellen. Bij de handmatige toets kijken we in het individuele dossier of de ouder ooit onterecht kinderopvang moest terugbetalen. Indien we op basis hiervan nog geen aanwijzing zien voor recht op herstel dan kijkt een expert hier nog een tweede keer naar. Indien de expert twijfelt bellen we de ouder om de situatie goed te begrijpen. In diezelfde brief heb ik eveneens medegedeeld dat iedere ouder in aanmerking komt voor een integrale beoordeling, ook als er nog geen uitsluitsel kan worden gegeven na de lichte toets. In het traject van de lichte toets vindt ook collegiale toetsing plaats als we nog niet direct een haakje voor het recht op € 30.000 zien. Hiermee wil ik benadrukken dat wij binnen onze mogelijkheden zorgvuldig opereren om ervoor te zorgen dat we zoveel mogelijk mensen € 30.000 uitbetalen voor 1 mei. Via de integrale beoordeling en het contact met de ouder bekijken we steeds de individuele situatie zodat we er zeker van zijn dat – ook na 1 mei – iedere ouder het herstel krijgt waar hij/zij recht op heeft.
Waarom wordt voor gedupeerde gezinnen die een «opmaat-behandeling» nodig hebben, omdat bijvoorbeeld de 30.000 euro compensatie bij lange na niet de schade dekt, het moratorium opgeheven? Erkent u dat dit tot veel stress leidt bij deze gezinnen?
Voor alle ouders die € 30.000 ontvangen blijft het moratorium gelden na 1 mei. Namelijk tot een jaar na de ontvangst van de € 30.000. Dit geldt ook voor de ouders die mogelijk recht hebben op meer compensatie van de € 30.000 en een «opmaat-behandeling» ofwel integrale beoordeling nodig hebben. Het moratorium vervalt alleen bij ouders bij wie in de lichte toets geen aanwijzingen zijn op basis waarvan de ouder in aanmerking komt voor de € 30.000. Als daarna, bij de integrale beoordeling blijkt dat een ouder wel recht heeft op compensatie gaat het moratorium weer in voor de looptijd van 1 jaar.
Waarom is nog geen verslag gedaan van de proef met het in één dag uitzoeken van het bepalen van de rechtmatige compensatie voor een gedupeerde, zoals u toezegde in het algemeen overleg Hersteloperatie Kinderopvangtoeslagen van 10 februari 2021?4
Samen met uw Kamer blijf ik kijken naar mogelijkheden om de dienstverlening aan ouders te optimaliseren. Daarbij vind ik het belangrijk dat ouders de hulp krijgen die hen écht verder helpt hun leven weer op orde te krijgen. En tegelijkertijd kijken waar versnelling in de behandeling mogelijk is. De motie Kwint en Leijten9 stelt niet letterlijk het afdoen van een dossier van een ouder in één dag. Dat is ook niet mogelijk, gezien de complexe situatie waarin veel ouders die zich gemeld hebben zich bevinden. Bovendien spelen er bezwaar- en beroepstermijnen en is er nog ook een rol voor de Commissie Werkelijke Schade.
Waarom is de toezegging uit het algemeen overleg Hersteloperatie Kinderopvangtoeslagen van 10 februari 2021 over de verschillen tussen de terugvordering van de uiteindelijke toekenning van toeslagen en de uiteindelijke beslaglegging en de verrekening door Toeslagen en het Landelijk Incassocentrum (LIC) niet nagekomen?5
In lijn met die toezegging zijn toekenningen, verrekeningen en beschikkingen gecontroleerd. Hiervoor hebben veelvuldige overleggen plaatsgevonden en zijn handmatige controles uitgevoerd. In geen gevallen zijn er fouten gevonden. Wel blijkt dat de berekeningen bij beschikkingen of toekenningen niet duidelijk zijn. Dit moet beter. Ik ga ervoor zorgen dat dit verbetert in de beschikkingen vanuit UHT en dat er ook op de website toeslagen.nl/herstel een duidelijke uitleg komt te staan. Daarnaast blijf ik signalen op mogelijke fouten uiteraard onderzoeken.
Kunt u aangeven hoe vaak er intern al gesproken is over het verschil van verrekenen door Toeslagen en beslagleggen via het LIC, en de nihilstellingen? Waarom is hierover dan nog geen verslag gedaan aan de Kamer?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel ouders hebben zich inmiddels gemeld met een (groot) verschil tussen wat is teruggevorderd en verrekend in relatie tot de nihilstellingen?
Enkele ouders en advocaten hebben zich hierover bij UHT gemeld, met hen loopt het gesprek.
Kunt u uitleggen waarom een in Nederland geboren gedupeerde consequent wordt vermeld als Turkse?
Ik betreur het zeer als vanuit de Belastingdienst en/of Toeslagen een dergelijke kwalificatie in het verleden gehanteerd is richting iemand met de Nederlandse nationaliteit en de gedupeerde niet de behandeling heeft gekregen die ze wenst. Er is hierover contact geweest met de betreffende ouder. Voor deze gang van zaken heb ik mijn excuses aangeboden richting de gedupeerde en heb dat intern onder de aandacht gebracht om hierop te letten.
Kunt u tevens uitleggen waarom de Belastingdienst hier geen uitleg over wil geven en deze gedupeerde enkel adviseert een klacht in te dienen bij het College voor de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 12.
Waarom krijgt deze gedupeerde geen antwoord op een informatieve vraag over waarom zij op een specifieke manier wordt behandeld?
Zie antwoord vraag 12.
Hoeveel gedupeerden die zich al in 2020 meldden, hebben nog geen persoonlijk zaakbehandelaar?
In 2020 hebben 11.928 (mogelijk) gedupeerden zich gemeld. Per 1 april 2021 hebben hiervan 9.118 (mogelijk) gedupeerden nog geen persoonlijke zaakbehandelaar, 2.810 hebben wel een persoonlijk zaakbehandelaar. Uiteraard krijgen alle ouders die zich in 2020 gemeld hebben een lichte toets voor 1 mei a.s. om hun recht op € 30.000 vast te stellen. Indien zij hier recht op € 30.000 hebben, krijgen zij dit voor 1 mei a.s. uitbetaald.
Hoeveel van deze gedupeerden wachten nog steeds op een compensatievoorstel?
Van de groep van 9.118 wachten 8.176 ouders nog op een compensatievoorstel. 942 ouders hebben een betaling in het kader van de Catshuisregeling ontvangen. Alle ouders die hiervoor in aanmerking komen ontvangen voor 1 mei een betaling in het kader van de Catshuisregeling.
Welke afspraken hebben u, de Minister-President en de Minister van Financiën afgelopen februari gemaakt met ouders in het Catshuis? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht sturen?
Op 6 februari en 27 maart jl. hebben de Minister-President, de Minister van Financiën en ik een gesprek gehad met een groep gedupeerde ouders, hierbij was ook de voorzitter van het ouderpanel aanwezig. Deze gesprekken zijn zeer waardevol om te komen tot een goede uitvoering van de herstelregelingen. Hierbij zijn verschillende onderwerpen aan de orde geweest, zowel verzoeken vanuit ouders als vragen om meer informatie. Het ging hierbij onder meer om de werkwijze van de commissies, de rol van de persoonlijke zaakbehandelaar, de speciale servicelijn en de verrekeningen tussen en met andere toeslagen. In de Voortgangsrapportages wordt u regulier op de hoogte gehouden van de stand van zaken over deze onderwerpen.
Hoe staat met het nakomen van die afspraken? Kunt u ook hiervan een overzicht sturen?
Zie antwoord vraag 17.
Erkent u dat, zoals in de media is beschreven, advocaten die mensen bijstaan onvoldoende vergoeding krijgen waardoor zij óf minder mensen kunnen helpen, óf hun eigen praktijk financieel ernstig tekort doen? Kunt u uw antwoord toelichten?6
Op 1 maart 2021 heeft de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) de Subsidieregeling pakket rechtsbijstand herstelregelingen kinderopvangtoeslag gepubliceerd.12 In deze subsidieregeling is aangesloten bij de systematiek van de vergoedingen die worden gegeven voor de sociale advocatuur zoals neergelegd in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Dit geldt ook voor de hoogte van de vergoeding per punt. Bij het opstellen van de regeling heeft de RvR samen met het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) onderzocht hoeveel punten redelijk zijn voor de activiteiten van een advocaat. Hierbij is steeds de vergelijking gemaakt met andere trajecten waarin gesubsidieerde rechtsbijstand wordt toegewezen. De begeleiding van gedupeerde ouders bij de Commissie Werkelijke Schade is specifiek punt van aandacht geweest. Deze procedure is als aanvullende stap opgenomen in de subsidieregeling en de werkzaamheden in die fase worden ook aanvullend vergoed. Omdat hiervoor mogelijk andere expertise nodig is dan bij de rest van de procedure, is bovendien besloten om het mogelijk te maken om een extra expert in te schakelen. De RvR heeft de subsidieregeling ook getoetst bij de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en die hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de regeling. Inmiddels hebben zich in korte tijd 169 advocaten gemeld. Met J&V, de RvR en de NOvA is wel afgesproken om de regeling periodiek te evalueren en dan ook te bezien of de regeling voldoet of moet worden bijgesteld.
Hoeveel advocaten hebben zich via de advocatenpoule gemeld?
Zie antwoord vraag 19.
Is het budget voor de advocaten voldoende om de begeleiding bij de Commissie Werkelijke Schade te bekostigen?
Zie antwoord vraag 19.
Zijn er al uitspraken gedaan door de Commissie Werkelijke Schade? Kunt u de Kamer deze uitspraken en een toelichting op de reikwijdte daarvan doen toekomen?
Er zijn tot op heden twaalf adviezen van de Commissie Werkelijke Schade («CWS») ontvangen (zie paragraaf 1.3 van de zesde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag). Er zijn situaties waarin de CWS adviseerde dat een ouder in aanmerking zou moeten komen voor een extra schadevergoeding bovenop de reeds uitbetaalde compensatie. In andere situaties kwam de CWS tot de conclusie dat extra schade reeds afgedekt werd door de betaling van € 30.000. Als uitgangpunt hanteert de CWS hierbij de persoonlijke omstandigheden van de gedupeerde ouder. Deze adviezen niet kunnen worden gedeeld met de Kamer vanwege de persoonlijke aard van de adviezen. Op een later moment, als meer adviezen zijn uitgebracht kan meer geaggregeerde informatie over de adviezen worden gedeeld via de Voortgangsrapportages kinderopvangtoeslag.
Waarom wordt nog altijd niet aangegeven hoeveel gedupeerden er zijn van de ontspoorde fraudeaanpak bij huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebondenbudget?
De afgelopen periode is een analyse uitgevoerd naar de potentiële omvang van de groep gedupeerde personen bij de zorgtoeslag, huurtoeslag en/of het kindgebonden budget. Vanwege het kabinetsbesluit in december om gedupeerden van de kinderopvangtoeslag een forfaitaire compensatie toe te kennen heeft de herstelorganisatie de uitwerking van dit kabinetsbesluit en uitvoering daarvan met prioriteit uitgewerkt. Het bepalen van de omvang van de groep gedupeerden bij de andere toeslagen heeft hierdoor vertraging opgelopen. In onderstaande tabel treft u de gevraagde aantallen die ook in de heden verzonden zesde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag zijn opgenomen.
Aantal betrokken personen CAF onderzoeken
Ongeveer 2.600
Ongeveer 550
wv betrokken bij CAF-vergelijkbaar
Ongeveer 500
Ongeveer 250
Aantal personen met O/GS kwalificatie
Ongeveer 21.000
Ongeveer 5.000
* personen kunnen zowel een O/GS kwalificatie hebben als voorkomen in een CAF-zaak.
Kunt u deze vragen beantwoorden op een zo kort mogelijke termijn?
Ja, dit is gelukt.
Corruptie bij Limburgse CDA-bestuurders |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de zoveelste integriteitskwestie in het Limburgse provinciebestuur?1, 2, 3, 4
De kwestie is schadelijk voor het aanzien van het openbaar bestuur en het vertrouwen van burgers in de overheid in het algemeen, en in het bijzonder voor de provincie Limburg.
Vindt u de huidige bestuurlijke situatie in de provincie nog houdbaar? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid om in te grijpen?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de gouverneur een onderzoek gelast. De twee gedeputeerden die het direct aanging, hebben hun ontslag genomen. Vervolgens hebben twee debatten plaatsgevonden in provinciale staten. Aan het eind van het laatste debat hebben de overige gedeputeerden hun ontslag genomen en heeft de gouverneur zijn functie ter beschikking gesteld. Daarop heb ik met de gouverneur gesproken over de ontstane situatie.
Bij alle betrokkenen, ook bij mij, leeft een breed besef dat de kwestie het imago van de provincie Limburg en het openbaar bestuur in het algemeen heeft geschaad, en dat daar actie op moet worden ondernomen. Daarop heb ik de heer J.W. Remkes voorgedragen voor benoeming tot waarnemend commissaris van de Koning, met een expliciete bestuurlijke opdracht.
Het is nu zaak dat snel weer een volwaardig provinciebestuur wordt gevormd, maar ook dat een begin wordt gemaakt in herstel van onderling vertrouwen en het vertrouwen van de samenleving in de overheid. Alleen als die breuken zijn hersteld, kan een duurzame verandering van de bestuurscultuur plaatsvinden, met inbegrip van het integriteitsbesef.
Vindt u de positie van de gouverneur nog houdbaar? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid om in te grijpen?
Zie antwoord vraag 2.
Spelen integriteitskwesties op deze schaal ook in andere provincies? Zo ja, welke?
Ik heb geen aanwijzingen dat dergelijke kwesties ook bij andere provincies spelen. Tegelijkertijd is er blijvende aandacht nodig voor integriteit. Dit is dan ook een terugkerend onderwerp op de agenda van het overleg dat ik regelmatig heb met de Kring van commissarissen van de Koning.
Welke externe controle en checks and balances zijn er om te voorkomen dat bestuurders en lokale politici kunnen frauderen?
Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun financiële administratie. Een onafhankelijke accountant controleert de stukken.
Fraude en corruptie zijn strafbare feiten, waarvan het Openbaar Ministerie met de opsporing en vervolging is belast. Bij vermoedens hiervan kan een ieder – zo nodig anoniem – aangifte doen.
Welke externe controle en checks and balances zijn er om fraude en corruptie aan het licht te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er bij u of het ministerie meldingen binnen gekomen over deze gang van zaken met subsidies in Limburg? Zo ja, hoe is daarmee omgegaan?
Het Ministerie van BZK heeft dergelijke meldingen niet ontvangen.
Erkent u dat gesjoemel met subsidiegelden door politieke bestuurders het vertrouwen in de politiek ernstig schaadt? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het stemgedrag van Nederland in de VN-Mensenrechtenraad |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft Nederland in de VN-Mensenrechtenraad opnieuw voor resoluties gestemd die eenzijdig tegen Israël zijn gericht zijn?1
Nederland en de EU hebben met de Palestijnse Autoriteit (PA) onderhandeld over het verminderen van het aantal resoluties dat de PA indient bij de Mensenrechtenraad en het verder afbouwen van het specifieke agendapunt over Israël («Item 7»). Als gevolg van deze inzet heeft de PA in de 46e zitting van de Mensenrechtenraad de eerdere «Human Rights» en «Accountability» resoluties samengevoegd en ingediend onder agendapunt 2, waar ook andere mensenrechtensituaties worden behandeld.
Daarnaast hebben de onderhandelingen in de 46e zitting tussen de EU en de Palestijnse delegatie geleid tot een meer gebalanceerde en evenwichtige tekst van de samengevoegde resolutie onder agendapunt 2. Deze resolutie roept op tot respecteren van internationaal recht en mensenrechten, en benadrukt het belang van accountability voor alle schendingen daarvan. De resolutie roept specifiek op tot een einde aan alle schendingen van internationaal recht door gewapende groepen. Voorts veroordeelt de resolutie geweld door alle partijen en in het bijzonder raketbeschietingen op Israël. Deze aspecten sluiten aan bij het Nederlandse en Europese beleid inzake het Midden Oosten Vredes Proces (MOVP), waarbij Nederland zowel bilateraal als in multilateraal verband beide partijen aanspreekt op hun handelen. Nederland stemde dan ook in gezelschap van EU-partners voor deze resolutie onder agendapunt 2. De resolutie werd met 32 voorstemmen aangenomen.
Nederland stemde voorts – net zoals de meeste EU lidstaten – voor de resoluties die het nederzettingenbeleid veroordelen («Settlements» resolutie), en het Palestijns recht op zelfbeschikking bevestigen («Self-Determination» resolutie). De voorstem op de «Settlements» resolutie is in lijn met de Nederlandse positie over nederzettingen. Het voortdurend uitbreiden van nederzettingen bemoeilijkt in toenemende mate een twee-statenoplossing. Dat geldt in het bijzonder voor stappen voor uitbreiding op een aantal plaatsen zoals Givat Hamatos, die Oost-Jeruzalem af dreigen te snijden van de rest van de Westelijke Jordaanoever. De tekst van de «Settlements» resolutie werd dit jaar aanzienlijk ingekort.
De tekst van de «Self-determination» resolutie bevestigde het Palestijnse recht op zelfbeschikking, wat vanzelfsprekend een wezenlijk element is van het Nederlandse MOVP-beleid waarvoor ook binnen de Kamer brede steun bestaat. Een tegenstem op deze twee resoluties zou niet in overeenstemming zijn met de kern van het MOVP-beleid, de verwezenlijking van een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël op basis van de grenzen van 1967.
Hoe verhoudt dit stemgedrag zich tot de Nederlandse doelstelling om een einde te maken aan dit exclusief tegen Israël gerichte agendapunt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe geloofwaardig vindt u het voor het VN-mensenrechtenbeleid dat dit agendapunt nog steeds bestaat?
De Mensenrechtenraad heeft ondanks het bestaan van agendapunt 7 aangetoond een relevant VN-forum te zijn voor de bescherming en bevordering van mensenrechten. Het kabinet beschouwt de Mensenrechtenraad als een belangrijk platform voor het agenderen van mensenrechtenschendingen en het tegengaan van straffeloosheid wereldwijd. Nederland beschouwt agendapunt 7 over Israël en de bezette gebieden als een voorbeeld van disproportionele aandacht voor Israël, maar is van mening dat mensenrechtenschendingen als gevolg van het Israëlisch-Palestijns conflict wel op de agenda van de Mensenrechtenraad thuishoren. Daarom acht het kabinet het een goede zaak dat het aantal resoluties onder agendapunt 7 afneemt en zal het zich blijven inzetten voor verdere afbouw van dit agendapunt.
Deelt u de mening dat het stemmen voor resoluties onder dit agendapunt bijdraagt aan de legitimatie van het eenzijdig tegen Israël gerichte agendapunt? Zo nee, waarom niet?
Nederland werkt samen met andere Europese landen aan het geleidelijk afbouwen van het aparte agendapunt 7 door het aantal resoluties te verlagen en resoluties onder andere agendapunten geagendeerd te krijgen. Als gevolg van onze inzet, heeft de Palestijnse Autoriteit dit jaar één resolutie minder ingediend en het aantal resoluties dat het indient onder het speciale agendapunt 7 gehalveerd ten opzichte van 2018. De Palestijnse Autoriteit is bereid tot deze aanpassingen vanwege de opstelling van Nederland en de meeste andere EU lidstaten in de onderhandelingen. Bij de stemming beoordeelt Nederland iedere resolutie op zijn totale inhoud en hanteert daarbij als maatstaf internationaal recht, het regeerakkoord, EU-Raadsconclusies en EU-beleid t.a.v. het MOVP en de motie Van der Staaij (Kamerstuk 34 775, nr. 44).
Bent u bereid om voortaan standaard tegen iedere resolutie onder dit agendapunt te stemmen dan wel van stemming te onthouden om daarmee het Nederlandse standpunt dat dit agendapunt moet verdwijnen kracht bij te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 en 2 zou een tegenstem of onthouding niet in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van het Nederlandse en Europese MOVP-beleid alsmede de Nederlandse en Europese positie inzake het nederzettingenbeleid.
Een tegenstem zou voorts niet leiden tot afbouw van het aparte agendapunt 7 of afname van het aantal resoluties. De Palestijnen kunnen in VN-verband rekenen op grote mate van steun bij VN-lidstaten, ook in de Mensenrechtenraad. Dat betekent dat de resoluties met een grote meerderheid worden aangenomen, ook als Nederland tegen zou stemmen. Door in EU-verband met de Palestijnse Autoriteiten te onderhandelen kan Nederland invloed uitoefenen op het aantal resoluties en hun inhoud. De Palestijnse bereidheid om teksten te verbeteren en het aantal resoluties te verlagen hangt in grote mate af van de bereidheid van de EU lidstaten om voor de aangepaste resoluties te stemmen.
De screening van justitiële zorginstellingen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen van FTM en De Gelderlander over het functioneren van het stelsel van zorgaanbestedingen?1 2
Ja.
Klopt het dat u de forensische zorginkoop geregeld heeft via Open House, en dat u hiervoor gekozen heeft om een zo groot mogelijke poule van mogelijke aanbieders te creëren?
De nu lopende raamovereenkomsten van DJI met zorgaanbieders zijn afgesloten via een open house procedure. Deze aanbesteding is in 2019 uitgevoerd voor de contractperiode 2020–2021. Eén van de redenen om voor de open house procedure te kiezen was de noodzaak om aan de oplopende behoefte aan forensische zorg te voldoen. Deze procedure biedt de mogelijkheid om relatief eenvoudig veel zorgaanbieders te contracteren.
Klopt het dat er inmiddels 270 aanbieders van forensische zorg zijn? Bij hoeveel van die aanbieders koopt u op dit moment zorg in?
DJI heeft momenteel met 180 zorgaanbieders raamovereenkomsten. Omdat DJI de enige instantie is die forensische zorg inkoopt, leveren alleen deze 180 zorgaanbieders forensische zorg. Het getal 270 is een optelsom van alle zorgaanbieders per categorie (type zorg, bijvoorbeeld klinisch) die DJI heeft gecontracteerd. Omdat zorgaanbieders in meerdere categorieën zorg kunnen aanbieden, komt die optelsom hoger uit dan het aantal unieke gecontracteerde zorgaanbieders.
Klopt het dat u zaken doet met zorgbedrijven die door gemeenten of zorgkantoren juist aan de kant zijn gezet wegens kwaliteits- of rechtmatigheidsproblemen? Zo ja, hoe kan dit?
DJI sluit overeenkomsten af met zorgaanbieders voor het leveren van forensische zorg en volgt daarbij de (aanbestedings)regels. Deze overeenkomsten staan los van de overeenkomsten die gemeentes en/of zorgkantoren met dezelfde zorgaanbieders sluiten.
DJI heeft een raamovereenkomst met zorgaanbieders die tijdens de laatste inkoopprocedure voldeden aan de gestelde eisen. Het al dan niet hebben, of niet verlengd krijgen, van een contract met een andere inkopende partij, was geen eis van DJI. Gedurende de contractperiode borgt DJI middels contractmanagement of aanbieders nog steeds aan de geldende eisen voldoen.
Wordt er informatie uitgewisseld tussen gemeenten, provincies en uw ministerie over ervaringen met zorgbedrijven? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
DJI krijgt signalen van gemeenten over zorgaanbieders die mogelijk geen goede kwaliteit leveren. DJI volgt die signalen op en zet indien nodig een verbetertraject in.
Klopt het dat het kenmerk van Open House is dat de cliënt zelf de zorg kan kiezen, maar dat bij forensische zorg, de zorg bij een zorgbedrijf vaak door een rechter of reclassering wordt opgelegd? Hoe staat dit in verhouding tot elkaar?
De open house procedure is voornamelijk geschikt wanneer cliënten zelf de zorg kiezen. Aanbieders worden dan vanwege die eigen keuze van de patiënt gestimuleerd om de beste zorg voor de patiënt te leveren. Forensische zorg wordt opgelegd door de rechter of door de reclassering en de plaatsing verloopt als volgt. Eerst vindt een indicatiestelling plaats waarin de zorgbehoefte en het eventuele beveiligingsniveau worden vastgesteld. Vervolgens wordt op basis van de indicatiestelling, ondersteund door een geautomatiseerd systeem, gezocht naar een passende plek die past bij de zorgvraag en de benodigde beveiliging.
Zoals ik in mijn voortgangsbrief forensische zorg aan uw Kamer heb laten weten, werk ik momenteel aan het verbeteren van de inkoopsystematiek.3 De voornaamste reden hiervoor is dat ik beter op kwaliteit en capaciteit wil kunnen sturen. Dit is ook een van de ambities uit de bestuurlijke agenda die ik met de sector heb vastgesteld op 2 november jl.4 Vooropgesteld moet worden dat de overgrote meerderheid van de aanbieders professionele zorgaanbieders zijn die goede kwaliteit leveren. Niettemin is gebleken dat er ook zorgaanbieders tussen zitten die forensisch beschermd wonen leveren en over wie gedurende de (raam)overeenkomst zorgen ontstaan of zij de benodigde kwaliteit en professionaliteit leveren. Deze zorgaanbieders vergen nu veel inspanning van DJI in het kader van contractmanagement om de kwaliteit te verbeteren en wanneer materiële controle uitgevoerd wordt. In het uiterste geval kan DJI besluiten patiënten niet langer bij een zorgaanbieder te plaatsen.
Met een nieuwe inkoopsystematiek beoog ik dat zowel bij de inkoop als gedurende de looptijd van de overeenkomst beter kan worden gestuurd op kwaliteit en capaciteit van de forensische zorg. Doel is dat het juiste en benodigde aanbod tijdig aanwezig is, en dat dit van goede kwaliteit is. Daartoe moet aan de voorkant scherper worden gedefinieerd aan welke kwaliteitseisen een zorgaanbieder moet voldoen zodat alleen zorgaanbieders worden gecontracteerd die goede kwaliteit leveren en DJI waar nodig via contractmanagement kan interveniëren. Bij een dergelijke inkoopsystematiek ligt de open house procedure niet voor de hand. Ik kom hier in de volgende voortgangsbrief forensische zorg op terug.
Daarnaast werk ik samen met de sector aan een kwaliteitskader forensische zorg. In het kwaliteitskader wordt in overeenstemming met de sector beschreven wat goede forensische zorg is. Hiermee bieden we DJI, zorgaanbieders en professionals handvatten wat onder goede forensische zorg verstaan wordt. Ik streef ernaar het kwaliteitskader in te laten gaan vanaf 1 januari 2022.
Is marktwerking in de forensische zorg volgens u wenselijk? Zo ja, waarom?
Ik ben verantwoordelijk voor het zorgen voor voldoende passend aanbod van kwalitatief goede forensische zorg. Vanuit het oogpunt van continuïteit van zorg kan de forensische zorg niet los gezien worden van de reguliere geestelijke gezondheidszorg en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. In de Wet forensische zorg is daarom gekozen voor zo veel mogelijk aansluiting op de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Ik zie binnen dat huidig stelsel voldoende mogelijkheden om genoeg passend aanbod te realiseren.
Ik zal in mijn reactie op de motie van de leden Van Nispen en Van Toorenburg ingaan op de wenselijkheid van marktwerking in de forensische zorg. Zie daarvoor mijn antwoord op vraag 8.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Van Toorenburg waarin wordt opgedragen scenario’s uit te werken om de marktwerking in de forensische zorg terug te dringen?3
Ik zal in de komende voortgangsbrief forensische zorg, die naar verwachting nog voor de zomer aan uw Kamer zal worden gestuurd, in gaan op de nieuwe inkoopsystematiek. Daarbij zal ik ook op deze motie reageren.
Een extra subsidie voor de extra bijstook van houtige biomassa |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie zegt ja tegen extra stook biomassa in kolencentrale Eemshaven«?1
Ja.
Klopt het dat de kolencentrale van RWE in de Eemshaven extra houtige biomassa gaat bijstoken en hiermee van 15% naar 30% bijstook gaat?
RWE heeft bij de provincie Groningen, het bevoegd gezag, een aanvraag ingediend voor een aanpassen van de bestaande vergunning, waardoor het mogelijk moet worden om het percentage biomassa in de Eemshavencentrale op te hogen naar 30 procent. Het staat een onderneming vrij binnen de wettelijke kaders deze verhoging van bijstook te verrichten.
Klopt het dat de kolencentrale voor de extra bijstook ook extra subsidie heeft gekregen van het Rijk, zoals het bericht stelt? Zo ja, wordt hier gesproken van een nieuwe subsidie of een verhoging van een bestaande subsidie? Voor hoeveel jaar is de extra subsidie gegeven?
Nee, er is vanuit het Rijk geen nieuwe subsidiebeschikking verleend of een bestaande beschikking verhoogd.
Hoeveel subsidie krijgt RWE voor 15% bijstook en hoeveel ton biomassa wordt er jaarlijks verbrand?
RWE heeft in 2016, op basis van de originele vergunning, een beschikking ontvangen voor de bij- en meestook van biomassa in de Eemshavencentrale. De maximale subsidie waar RWE aanspraak op kan maken op basis van deze beschikking is in totaal ca. 930 miljoen euro. Dit is de totale subsidieclaim over de gehele looptijd van 8 jaar. Het subsidiebedrag dat uiteindelijk uitgekeerd wordt, is afhankelijk van de productie van RWE en de markprijs van de geproduceerde energie en is naar verwachting lager. Als de marktprijs van de geproduceerde energie stijgt wordt het uit te betalen subsidiebedrag namelijk lager. Ik kan geen concurrentiegevoelige gegevens over de gebruikte hoeveelheid biomassa verstrekken.
Hoeveel subsidie krijgt RWE voor 30% bijstook en hoeveel ton biomassa zal er jaarlijks verbrand worden?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 is er geen sprake van een aanvullende subsidieverlening vanuit het Rijk of een verhoging van een bestaande subsidiebeschikking. Ook in het geval RWE besluit het aandeel biomassa verder te verhogen (naar bijvoorbeeld 30 procent) bedraagt de maximale subsidie waar RWE aanspraak op kan maken in totaal ca. 930 miljoen euro.
Wat zijn de criteria in het geval dat er gesproken wordt van een verhoging van een bestaande subsidie en welke andere centrales kunnen gebruik maken van soortgelijke verhoging?
In de brief van 4 juli 2017 over de najaarsronde van de SDE+ in 2017 staat dat de categorie bij- en meestook van biomassa in kolencentrales in de SDE+ niet meer wordt opengesteld (Kamerstuk 31 239, nr. 261). In het Energieakkoord is namelijk afgesproken dat met de SDE+ bij- en meestook gestimuleerd wordt tot aan een maximum van 25 PJ per jaar. Dit maximum is in de voorjaarsronde van 2017 bereikt. Daarom is de categorie bij- en meestook van biomassa sinds de najaarsronde van de SDE+ in 2017 niet meer open gesteld. Er zijn sindsdien dus geen nieuwe subsidiebeschikkingen verleend voor bij- en meestook van biomassa.
Hoe strookt een mogelijke verhoging van een bestaande subsidie met de afspraak uit het Energieakkoord dat de totale hoeveelheid Stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++) (voorheen SDE+) subsidiebeschikkingen voor bij- en meestook in kolencentrales zijn gemaximeerd op 25 petajoule?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe strookt een extra subsidie met uw uitspraak dat er geen nieuwe subsidies voor bij-en meestook van biomassa worden afgegeven?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe strookt het mogelijk geven van extra subsidie met het feit dat sinds 2018 de subsidie voor de categorie bij- en meestook van biomassa in centrales niet meer is opengesteld in de SDE++?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe strookt het vergeven van een extra subsidie voor het verbranden van houtige biomassa met de aangenomen motie van het lid Van Esch dat er geen nieuwe subsidies naar houtige biomassa gaan totdat het afbouwpad met de Kamer is gedeeld?2
Zie antwoord vraag 6.
Sneltesten middels de QuBA |
|
Wybren van Haga (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de wijze van sneltesten middels de QuBA?1
Ja, ik ben bekend met de ontwikkelingen rondom testmethoden die op basis van deeltjes die mensen via de mond uitscheiden kunnen vaststellen of iemand met het SARS-CoV-2 virus besmet is, waaronder ook de Quick Breath Analyzer.
Bent u op de hoogte van het validatieproces van de QuBA?
Nee. Het Ministerie van VWS is niet betrokken bij de validatie van de Quick Breath Analyzer.
Kunt u aangeven waarom het validatieproces zo lang duurt en wat de obstakels zijn die nog moeten worden overwonnen?
In het antwoord op de voorgaande vraag heb ik aangegeven dat ik niet bekend ben met het validatieproces van de Quick Breath Analyzer. Vanuit ervaringen met andere testmethoden kan ik u wel aangeven dat de validatie van dergelijke technieken zeer tijdsintensief is. Het kost tijd om de software zodanig te trainen dat een goed onderscheid gemaakt kan worden tussen mensen die wel of niet besmet zijn en om software goed onderscheid te kunnen laten maken tussen het virus en andere virussen die vergelijkbare klachten kunnen geven. Na deze technische validatie is validatie in de praktijk nodig, bijvoorbeeld in een teststraat, om te bezien hoe de techniek presteert ten opzichte van bestaande testmethoden en in welke settings de test wel of niet te gebruiken is. Daarnaast kunnen er naast de validatie ook nog andere meer praktische knelpunten zijn die weggenomen moeten worden voordat een methode veilig grootschalig ingezet kan worden.
Kunt u aangeven welke instanties, behalve de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de bevoegdheid hebben om de QuBA te valideren?
Het is de verantwoordelijk van de fabrikant om te bepalen wat het risico is van een bepaald medisch hulpmiddel en vervolgens hoe dit hulpmiddel gevalideerd moet worden. De fabrikant is zelf verantwoordelijk voor de technische en klinische validatie van het medische hulpmiddel, ook indien de validatie wordt uitgevoerd door een geaccrediteerd lab. Indien het een hulpmiddel met een lager risico betreft, kan de fabrikant vervolgens een CE-markering aanbrengen op het product en het op de markt brengen. Is het een hulpmiddel met een hoger risico, dan dient de fabrikant de validatie te laten controleren door een door de overheid aangewezen keuringsinstantie (notified body). De IGJ heeft zelf geen bevoegdheid om medische hulpmiddelen te valideren, maar houdt wel toezicht of medische hulpmiddelen conform wet en regelgeving op de markt zijn gebracht. Bij de hulpmiddelen met een lager risico doet de IGJ dat rechtstreeks. De IGJ houdt daarnaast toezicht op de in Nederland gevestigde notified bodies. Indien een fabrikant de CE-markering heeft aangebracht op het hulpmiddel, geldt deze CE-markering voor de gehele Europese Unie. Dat betekent dat de fabrikant zijn hulpmiddel in de hele EU op de markt mag brengen.
Na deze validatie voorafgaand aan markttoelating, is validatie in de praktijk nodig, bijvoorbeeld in een teststraat, om te bezien hoe de techniek presteert ten opzichte van bestaande testmethoden en in welke settings de test wel of niet te gebruiken is. In sommige, maar niet alle, gevallen kunnen hierbij validatiestudies uit het buitenland worden gebruikt.
Is een eventuele validering vanuit een ander Europees land geldig in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Is de standaard die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt voor sneltesten ook de minimale standaard voor sneltesten in Nederland?
In zijn algemeenheid geldt dat het van belang is om de prestaties van een testmethode af te zetten tegen de wijze waarop de methode ingezet wordt. Aan testmethoden die eigenstandig moeten kunnen aangeven of iemand wel of niet met het SARS-CoV-2 virus besmet is worden bijvoorbeeld andere eisen gesteld dan aan testmethoden die gebruikt worden als voortest. Bij mindere prestaties dan de gouden standaard, de PCR-test, moet telkens goed afgewogen worden in hoeverre deze mindere prestaties opwegen tegen mogelijke voordelen van de testmethode. De WHO heeft criteria voorgesteld voor de prestatie van antigeen sneltesten ten opzichte van de PCR, maar deze criteria geldt niet voor andere sneltesten zoals de Quick Breath Analyzer. De WHO-criteria voor antigeen sneltesten wordt ook in Nederland gebruikt voor de afweging of antigeen sneltesten kunnen worden ingezet.
Het oprichten van een wooncoöperatie in de Tweebosbuurt in Rotterdam |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bewoners van de Tweebosbuurt in Rotterdam een wooncoöperatie willen oprichten en daarmee sloop kunnen voorkomen?1
De Woningwet stelt een aantal eisen aan de oprichting van een wooncoöperatie. Het is aan lokale partijen om te bezien of een initiatief voor het oprichten van een wooncoöperatie wenselijk en haalbaar is.
Waarom stemt Vestia niet in met het onderzoek naar de oprichting van een wooncoöperatie, terwijl de bewoners in de Tweebosbuurt wettelijk gezien recht hebben op een onderzoek en ook op ondersteuning van de woningcorporatie daarbij? Kunt u in uw toelichting ingaan op het feit dat alleen al sinds het verzoek om een gesprek over het willen oprichten van een coöperatie er zes maanden de tijd gegeven moet worden aan de bewoners?2
Indien bewoners van tenminste vijf in elkaars nabijheid gelegen huurwoningen de intentie hebben om een wooncoöperatie op te richten, kunnen zij een gesprek aangaan met de corporatie over de mogelijkheden. Ik heb begrepen dat bij het verzoek om een gesprek aan de corporatie al duidelijk was dat de situatie niet voldeed aan de eisen die de wet daar aan stelt om gekwalificeerd te worden als wooncoöperatie. Om te voldoen aan de definitie van een wooncoöperatie zoals bedoeld in de Woningwet dient er sprake te zijn van huurders van ten minste vijf in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden die financieel, administratief, bouwtechnisch, stedenbouwkundig of anderszins een eenheid vormen. Bij de bewoners van de Tweebosbuurt is echter sprake van een initiatief van huurders/bewoners van een achttal woningen die zijn verspreid over een viertal woonblokken gelegen in een vijftal straten. De Autoriteit woningcorporaties heeft op 31 maart jl. aan bewoners gemeld dat hun initiatief, gezien de ligging van de woningen, zich niet kenmerkt als een initiatief in de zin van de wet. Daarnaast, zo meldde de Autoriteit woningcorporaties, is in het initiatief tevens sprake van huurwoningen die niet bewoond worden door leden van het initiatief, terwijl dit eveneens een wettelijk vereiste is. Om deze reden kan het initiatief geen gebruik maken van de mogelijkheden die de Woningwet geeft.
Waarom beroept Vestia zich erop dat de huizen «geen eenheid» zouden vormen, terwijl wettelijk gezien er minimaal vijf bij elkaar in de buurt liggende woningen nodig zijn om een wooncoöperatie op te kunnen richten, wat hier het geval is? Bovendien is er een administratieve eenheid in de vorm van De Unie van en voor de Tweebossers? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 is er geen sprake van een wooncoöperatie zoals de wet deze bedoelt. Er is geen sprake van huurders van ten minste vijf in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden die financieel, administratief, bouwtechnisch, stedenbouwkundig of anderszins een eenheid vormen.
Hoe verhoudt het niet meewerken of zelfs tegenwerken van de oprichting van een wooncoöperatie door een woningcorporatie zich tot uw eigen woorden dat «in de Woningwet geen wettelijke beperkingen staan voor het oprichten van een wooncoöperatie»?4
Hoewel de Woningwet geen beperkingen oplegt aan initiatieven die een wooncoöperatie wensen op de richten is de woningcorporatie niet verplicht om de woningen aan het initiatief te verkopen. Zie daarvoor tevens mijn antwoord op vraag 7.
Waarom is Vestia gestopt met de bemiddeling in de Tweebosbuurt en lijkt deze corporatie er alles aan te doen om de sloop van de huurhuizen door te drukken ondanks het aanhoudende en breed gedragen verzet uit de buurt? In hoeverre zijn oprechte gesprekken over alternatieve oplossingen zoals de oprichting van een wooncoöperatie dan nog mogelijk?5
De gemeente Rotterdam en Vestia geven het volgende aan:
Afgelopen jaar hebben Vestia en een bewonersgroep een bemiddelingstraject afgerond. Het resultaat daarvan is dat Vestia toezegt dat alle vaste bewoners die eind oktober 2020 nog in de Tweebosbuurt wonen, desgewenst in de Tweebosbuurt kunnen blijven wonen c.q. terugkeren. Op basis van een inventarisatie onder deze bewoners heeft Vestia bovendien besloten om 11 woningen te renoveren in plaats van te slopen. De mediation heeft dus wel degelijk tot een alternatieve oplossing geleid. Ruim 90% van de bewoners is inmiddels verhuisd naar een andere woning waarvan het overgrote deel in de directe omgeving een plek heeft gevonden.
Is het gezien het feit dat Vestia wordt opgesplitst en zal ophouden te bestaan niet logisch om bewoners juist nu de mogelijkheid te geven een wooncoöperatie op te richten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is er een mogelijkheid dat een andere corporatie het coöperatieplan van de Unie van en voor de Tweebossers begeleidt? Kunt u uw antwoord toelichten?6
Er is geen inhoudelijke relatie tussen de voorgenomen opsplitsing van Vestia en het mogelijk oprichten van wooncoöperaties. Het opsplitsen van Vestia maakt onderdeel uit van de structurele oplossing voor Vestia, met als doel om te komen tot drie gezonde, zij het sobere corporaties. Het voorstel om een wooncoöperatie op te richten moet op zijn eigen merites beoordeeld worden. Zoals gezegd is het aan lokale partijen om de wenselijkheid en haalbaarheid te beoordelen.
Hoe verhoudt het niet meewerken of zelfs tegenwerken van de oprichting van een wooncoöperatie zich tot de paragraaf uit het nog geldende regeerakkoord van kabinet Rutte III, dat de mogelijkheden voor wooncoöperaties juist wil vergroten?7
De afgelopen periode is op basis van het regeerakkoord in samenwerking met Platform31 een Actieprogramma wooncoöperaties opgezet en uitgewerkt. In de eerste fase heeft het programma zich met name gericht op het vergroten van de bekendheid van wooncoöperaties bij huurders, gemeenten en corporaties. Daarnaast speelde het programma een belangrijke rol bij het vullen van een gereedschapskist met tools voor de oprichting van een wooncoöperatie. In de tweede fase zijn initiatieven daadwerkelijk ondersteund. Tijdens deze fase is gebleken dat er grote belangstelling is voor het realiseren van nieuwbouwprojecten voor speciale doelgroepen door het hele land, ook bij gemeenten. Daarnaast willen enkele initiatieven bestaande gebouwen van de gemeente of woningcorporatie overnemen. Een aantal initiatieven worden op verschillende manieren door mij professioneel ondersteund via Platform31 om de daadwerkelijke realisering ervan te bevorderen. Het vergroten van de mogelijkheden voor wooncoöperaties betekent voor corporaties en gemeenten waarin deze gelegen zijn echter nog steeds dat er een belangenafweging dient plaats te vinden. Met de vorming van een coöperatie worden de sociale huurwoningen namelijk onttrokken aan de sociale voorraad en deze woningen zijn daarmee niet meer beschikbaar voor de gehele doelgroep. Om deze reden dient een beslissing tot medewerking altijd zorgvuldig te worden genomen. Een corporatie is dan ook niet verplicht om de woningen aan een wooncoöperatie te verkopen.
Hoeveel wooncoöperaties zijn er opgericht ten tijde van het kabinet Rutte II en hoeveel tijdens het kabinet Rutte III?
Het is mij niet bekend hoeveel wooncoöperaties er zijn opgericht door huurders van corporaties. Op de site van Cooplink, een organisatie die wooncoöperatie initiatieven bij het delen van kennis ondersteunt, zijn veel initiatieven opgenomen. Het gaat hierbij echter ook om initiatieven die nieuwbouw wensen te realiseren c.q. gerealiseerd hebben.
Zijn er voorbeelden uit andere gemeenten met andere woningcorporaties die niet hebben meegewerkt aan de oprichting van wooncoöperaties, koop- of beheercoöperaties? Hoe vaak is dat voorgekomen en om welke woningcorporaties gaat het?
Ik ben niet bekend met initiatieven waarbij corporaties geen medewerking hebben gegeven aan de oprichting. Zoals ik in antwoord 7 heb aangegeven vindt bij een verzoek altijd een zorgvuldige belangenafweging plaats, waarbij ook de zienswijze van de gemeente een belangrijke rol speelt.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en niet clusteren?
Ja
De compensatie van Shell en Exxon voor het verlagen van de gaswinning |
|
Sandra Beckerman (SP), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Shell en Exxon kregen minstens 1,5 miljard compensatie voor sluiting Groningen»?1
Ja.
Klopt het in het artikel genoemde bedrag van 1,5 miljard euro? Zo nee, hoeveel compensatie hebben Shell en Exxon volgens u gekregen?
Nee. Het artikel refereert aan de budgettaire effecten van het Akkoord op Hoofdlijnen. U bent in Kamerbrieven (Kamerstuk 33 529, nrs. 493, 499 en 524) geïnformeerd over de financiële effecten, en ook in het debat van 28 juni 2018 is er met uw Kamer gesproken over de financiële effecten. In de Miljoenennota 2019 zijn de budgettaire effecten van het Akkoord op Hoofdlijnen verwerkt. Tegelijkertijd met de Miljoenennota 2019 heb ik uw Kamer een brief gestuurd (Kamerstuk 33 529, nr. 524) waarin uitgebreid ingegaan wordt op de budgettaire gevolgen. Destijds heb ik uw Kamer ook mijn antwoorden op de vragen van het lid Nijboer gestuurd waarin het verschil in afdrachten door de NAM aan de orde is gekomen (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 3077).
Zoals aangegeven tijdens het debat van 14 april jl. hecht ik eraan te melden dat het Akkoord op Hoofdlijnen een gebalanceerd pakket aan maatregelen betreft waarmee de gaswinning uit het Groningenveld snel en verantwoord kan worden afgebouwd en beëindigd. Onderdeel van dit pakket is een wijziging van de afdrachten. Via de Tijdelijke wet Groningen is het regime van de Mijnbouwwet van toepassing verklaard op het Groningenveld. Zoals ook in de eerdergenoemde Kamerbrieven is toegelicht, was het verschil in afdrachten door de NAM ten opzichte van de oude situatie afhankelijk van onder meer de hoogte van de winning en de gasprijs. Het geraamde verschil was destijds € 1,3 miljard voor de periode 2018 t/m 2023. Dit is anders dan de € 1,5 miljard uit het artikel, die volgens het artikel bovendien enkel op 2018 en 2019 zag. In de praktijk is het verschil substantieel lager uitgevallen als gevolg van de versnelde afbouw van de gaswinning en de lagere gasprijzen. Dat blijkt ook uit de openbare jaarverslagen van de NAM.
Bent u met ons van mening dat het tempo waarmee deze mede veroorzakers zo ruim worden gecompenseerd in zeer schril contrast staat met hoe lang gedupeerden moeten wachten en strijden voor soms zeer beperkte compensatie?
Alle inspanningen van het kabinet zijn erop gericht om gedupeerden zo goed en snel mogelijk tegemoet te komen. Met het Akkoord op Hoofdlijnen heeft het kabinet ervoor gezorgd dat de gaswinning snel en verantwoord kon worden beëindigd. Zoals aan uw Kamer destijds gemeld (Kamerstuk 33 529, nrs. 493 en 499), was het Akkoord op Hoofdlijnen een gebalanceerd pakket aan maatregelen om de gaswinning uit het Groningenveld zo spoedig mogelijk op een verantwoorde wijze te beëindigen. Onderdeel van dit pakket waren, onder andere, de afspraken over de afbouw van de gaswinning, de winningsplicht voor NAM, de afspraak dat er geen claim zou komen voor het gas dat er in de grond achterbleef, de garanties van Shell en ExxonMobil voor de kosten van schade en versterken, en een wijziging van de afdrachten. De effecten van de wijziging van de afdrachten heb ik in het antwoord op vraag 2 gegeven.
Kunt u voor de komende jaren een berekening of schatting geven hoeveel compensatie Shell en Exxon zullen gaan ontvangen? Tot wanneer zullen zij gecompenseerd worden?
Volgens de tabel uit de Miljoenennota 2019 werd destijds het verschil in afdrachten door de NAM voor de jaren 2021 tot en met 2023 geraamd op € 0,2 miljard. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, hangt de omvang van dit verschil af van vele factoren, waaronder de hoogte van de winning. Deze is in de afgelopen jaren sterk teruggebracht en met dank aan het Norg Akkoord is het winningsniveau voor de jaren 2021 tot en met 2023 aanzienlijk lager dan destijds verwacht. Hierdoor is geen verschil in afdrachten meer te verwachten.
In mijn brief van 9 maart 2021 (Kamerstukken, 33 529, nr. 850) heb ik uw Kamer geïnformeerd over het Norg Akkoord. Zoals in die brief is beschreven, is er geen overeenstemming bereikt over de exacte hoogte van de vergoeding voor de gewijzigde inzet van de berging Norg. De hoogte van de vergoeding voor deze gewijzigde inzet wordt vastgesteld via arbitrage (zie ook het antwoord op vraag 13).
Een groot deel van de afspraken en akkoorden met Shell en Exxon zijn geheim, bent u alsnog bereid alles openbaar te maken?
Alle overeenkomsten met Shell, ExxonMobil of de NAM zijn, behoudens bedrijfsvertrouwelijke informatie, openbaar. Dit betreft ook de overeenkomst van Samenwerking uit 1963. Volledigheidshalve verwijs ik voor een overzicht naar de volgende Kamerbrieven: Kamerstuk 33 529, nrs. 493, 525, 678 en 850, en Kamerstuk 33 529, nr. 866. Voor zover het bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft, ziet deze niet op afspraken over de winstverdeling.
Uit het jaarverslag van het Instituut Mijnbouwschade Groningen blijkt dat zij vorig jaar 497 miljoen euro hebben uitgekeerd aan gedupeerde Groningers en 184,5 miljoen euro uitvoeringskosten hebben gemaakt, hoeveel daarvan is vergoed door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)? Kunt u dit inzicht ook voor voorgaande jaren geven?2
De NAM heeft alle kosten van schadeafhandeling die ik bij de NAM in rekening heb gebracht, betaald. In de onderstaande tabel kunt u een overzicht vinden van de kosten die de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) (en haar rechtsopvolger het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG)) hebben gemaakt voor de schadeafhandeling, het deel dat bij NAM in rekening is gebracht en hoeveel door NAM is betaald. Dit overzicht start met de oprichting van de TCMG.
Bedragen x € 1 mln
Uitvoeringskosten TCMG/IMG (inclusief bestuur)
Schadebetalingen (inclusief waardedaling)
In rekening gebracht bij NAM
Ontvangen van NAM
2018
41,5
7,7
44,3
24,0
2019
108,0
136,6
222,7
134,9
2020
184,5
497,2
310,4
262,1
2021
nog niet bekend
nog niet bekend
156,4
Dit overzicht laat de kasuitgaven TCMG/IMG en ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) zien. De uitgaven van het IMG, de bedragen die bij de NAM in rekening zijn gebracht en de van de NAM ontvangen bedragen hebben niet hetzelfde ritme. Dit heeft twee redenen. In de eerste plaats worden de uitgaven van TCMG/IMG in het vierde kwartaal pas in het volgende jaar bij de NAM in rekening gebracht en dus ook in het volgende jaar ontvangen. De uitgaven van het IMG in het derde kwartaal 2020 diende NAM begin 2021 te betalen, wat de NAM ook heeft gedaan.
In totaal is € 577,4 miljoen in rekening gebracht bij en ontvangen van NAM. Een bedrag van € 398,1 miljoen is (nog) niet bij NAM in rekening gebracht. Het betreft de volgende posten:
Dat de NAM facturen en heffingen heeft betaald, laat onverlet dat NAM bezwaar en beroep kan instellen: de afspraak is dat NAM eerst betaalt en dat eventuele discussies over de kosten daarna gevoerd worden. Over de discussies die in dit kader lopen heb ik uw Kamer onlangs per brief geïnformeerd (Kamerstuk 33 529, nr. 866).
Op dit moment staat er een recordaantal van meer dan 30.000 schademeldingen van gedupeerden open, wat is hierop uw reactie? Hoe gaat u zorgen dat deze spoedig worden vergoed en Shell en Exxon ten alle tijden hun rechtvaardig deel betalen?
Voor bewoners is het niet zozeer van belang hoe groot de werkvoorraad van het IMG is maar hoe lang het duurt voordat een schademelding wordt afgehandeld. Sinds de stuwmeerregeling wordt er op meerdere manieren gewerkt aan een beheersbare werkvoorraad van het IMG zodat het IMG schademeldingen voortvarend kan afhandelen. Het IMG verhoogt zijn duurzame capaciteit door meer schade-experts in dienst te nemen en digitale schade-opnames mogelijk te maken. Het IMG is van 400–500 afgehandelde schademeldingen per week eind 2019 naar gemiddeld 900–1.000 afgehandelde schademeldingen per week gegaan sinds november 2020. Dit was ook nodig, want het aantal schademeldingen per week is ook tot dat niveau gestegen. De gestegen productiviteit bij het IMG heeft als resultaat dat 71% van de schademeldingen binnen een half jaar een beslissing krijgt. De verwerkingscapaciteit van het IMG is daarmee verdubbeld in een jaar, zelfs als de nieuwe vormen van schade zoals de schade door waardedaling buiten beschouwing worden gelaten. Dit betekent dat het IMG een beheersbare werkvoorraad heeft. Het IMG blijft zich inspannen om het aantal meldingen dat binnen een half jaar afgehandeld wordt te verhogen, bijvoorbeeld door in te zetten op het oplossen van oude en complexe schademeldingen. Het is IMG overigens onafhankelijk en ik heb geen invloed op de wijze waarop het IMG zijn wettelijke taak uitvoert. Wel heb ik regulier overleg met het IMG, waarin de verwerkingscapaciteit en werkvoorraad ook besproken worden.
Op grond van artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen brengt de Staat alle kosten die het IMG maakt bij de uitvoering van de schadeafhandeling bij NAM in rekening. Hierbij geldt overigens dat alle kosten die de NAM betaalt voor de schade en de versterkingsoperatie uiteindelijk voor circa 73% door de Staat gedragen worden (Kamerstuk 33 529, nr. 501). In het Akkoord op Hoofdlijnen uit 2018 heb ik met Shell en ExxonMobil afspraken gemaakt over garanties en passende zekerheden om te bewerkstelligen dat NAM ook in de toekomst in staat is haar verplichtingen na te komen (Kamerstuk 33 529 nr. 493).
Is de NAM bereid haar deel te betalen voor het herstel van funderingsschade? Is de NAM bereid haar deel te betalen voor preventief schadeherstel? Is de NAM bereid haar deel te betalen voor schadeherstel dat verder gaat dan cosmetisch herstel?
Het IMG heeft op grond van de Tijdelijke wet Groningen als taak om schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (hierna: schade door bodembeweging) te vergoeden met toepassing van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Het IMG is hierin onafhankelijk. De kosten voor het herstel van funderingsschade die is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag Norg, worden bij de NAM in rekening gebracht op grond van artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen. Deze kosten kunnen ook worden verhaald op de NAM. Het recht op vergoeding van schade omvat op grond van artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in situaties waarin er sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging ook de «kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade». Daarmee heeft het IMG op grond van de reeds in de Tijdelijke wet Groningen vastgelegde taak al de mogelijkheid te kiezen voor duurzaam herstel door een redelijke maatregel ter voorkoming van schade, in plaats van die schade slechts te herstellen of daar een vergoeding voor te geven. Dergelijke maatregelen vallen daarmee binnen de taak van het IMG en zijn dus ook middels een door mij op te leggen heffing te verhalen op de NAM.
Daarnaast is bij de stemming over het wetsvoorstel Versterken een amendement aangenomen waarmee het IMG de mogelijkheid krijgt om maatregelen te nemen die een duurzaam herstel van schade mogelijk maken die verder gaan dan wat redelijk is ter voorkoming of beperking van schade door bodembeweging (artikel 6:184 BW).
Ik heb het IMG gevraagd in kaart te brengen welke gevallen dit betreft en hoe
vaak dit voorkomt. Zodra duidelijk is hoe het IMG hier uitvoering aan zal geven, zal ik met de NAM het gesprek aangaan over de kosten.
Uit de jaarcijfers van de Nationaal Coordinator Groningen blijkt dat nog circa 24.853 woningen in Groningen op de lijst met te versterken woningen staan, klopt dit? Hoeveel zijn de kosten van de versterking in totaal geweest? Welk deel daarvan heeft de NAM betaald? Welk deel van de totale kosten waren uitvoeringskosten?3
Het aantal van 24.853 klopt niet. Deze gaat ervan uit dat alle woningen in de scope versterkt dienen te worden.
Uit het dashboard (stand van zaken 31 maart 2021) op de website van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) is op te maken dat in totaal 26.809 adressen onderdeel uitmaken van de scope. Van 13.386 adressen is een versterkingsadvies opgesteld. De overige adressen zullen nog een opname en beoordeling krijgen, hiervan is dus nog niet bekend of deze woningen versterkt dienen te worden. Bij een deel van de adressen met een versterkingsadvies wordt een keuze aan de eigenaar voorgelegd voor een eventuele herbeoordeling, na deze herbeoordeling kan blijken dat deze woning geen versterking meer nodig heeft. Bij 1.865 adressen is het versterkingstraject afgerond.
De NAM heeft tot 31 december 2018 informatie aangeleverd aan de NCG waaruit blijkt dat er € 920 miljoen is uitgeven aan versterking. Daarbij is niet afzonderlijk inzichtelijk gemaakt welk deel hiervan is uitgeven aan uitvoeringskosten. De NAM leverde de informatie aan in het kader van de periodieke voortgangsrapportages van de NCG. Over 2019 heeft NAM niet gerapporteerd. Vanaf 2020 lopen de versterkingskosten via de BZK-begroting. In de tweede suppletoire begroting 2020 is aangeven dat de geraamde versterkingskosten in 2020 € 297 miljoen bedragen. De uitvoeringskosten zijn in de tweede suppletoire begroting geraamd op € 59 miljoen in 2020. Deze kosten worden in rekening gebracht bij de NAM met uitzondering van de btw. De gerealiseerde versterkingskosten en uitvoeringskosten in 2020 zullen op Verantwoordingsdag in het jaarverslag van BZK worden gepubliceerd.
Kunt u een inschatting maken welke kosten gemaakt gaan worden voor de circa 24.853 die nog op de lijst te versterken woningen staan? Welk deel zal uitvoeringskosten zijn? Wel deel zal de NAM betalen?
In de Kamerbrief van 31 maart 2021 (Kamerstuk 33 529, nr. 866) is gemeld dat op basis van de huidige kennis over de uitvoering van de versterkingsoperatie de raming van de uitgaven € 5 miljard bedraagt. De verwachting is dat het deel uitvoeringskosten ongeveer 13% zal zijn.
Bij deze cijfers dient te worden opgemerkt dat het om ramingen gaat en deze – zoals altijd met ramingen – met een grote mate van onzekerheid omgeven zijn. Achteraf worden de daadwerkelijk gemaakte kosten met uitzondering van de btw doorbelast aan de NAM.
Daarnaast zullen kosten gemaakt worden in het kader van de bestuurlijke afspraken die gemaakt zijn met de regio over de uitvoering van de versterkingsoperatie. Dit is toegelicht in de Kamerbrief van 6 november 2020 (Kamerstuk 33 529, nr. 830).
Op welke punten is er op dit moment geen overeenstemming met de NAM over de verdeling van de te maken kosten?
Over de verdeling van de kosten voor schade is geen discussie met NAM. De discussie met de NAM gaat over de omvang van de aan de NAM doorbelaste kosten. Zoals ik mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in de brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 866) heb aangegeven, heeft de NAM in een brief kenbaar gemaakt dat de NAM onder andere van oordeel is dat de TCMG het bewijsvermoeden in een te groot gebied toepast en dat de lat om het bewijsvermoeden te ontzenuwen te hoog ligt. De NAM is ook in bezwaar gegaan tegen de met een heffing in rekening gebrachte kosten van het IMG, maar dat bezwaar nog niet van gronden voorzien.
Ten aanzien van de versterkingsopgave is in dezelfde Kamerbrief over het verschil van inzicht met NAM het volgende vermeld: «Het belangrijkste aandachtspunt van NAM is dat NAM stelt dat de NPR 9998, waarmee beoordeeld wordt of gebouwen aan de veiligheidsnorm voldoen, te conservatief zou zijn en te conservatief zou worden toegepast. Daarnaast stelt NAM dat de kosten van de versterkingsoperatie alleen bij NAM in rekening gebracht kunnen worden wanneer deze gebaseerd zijn op de meest recente inzichten. De in rekening gebrachte kosten voor het derde kwartaal van 2020 heeft NAM, ondanks het verstrijken van de betaaltermijn, nog niet voldaan. NAM meent, na hierover te zijn aangesproken door haar externe accountant, dat de factuur onvoldoende informatie bevat om de kosten te verantwoorden in haar boekhouding en jaarrekening. De Minister van BZK is hierover met NAM in gesprek.»
Welke kosten worden er op dit moment door de staat gemaakt voor de aanpak van de ellende in Groningen waarvoor de NAM niet haar deel betaalt?
De NAM betaalt cf. de afspraken met de Staat (Kamerstuk 33 529, nr. 428 en Kamerstuk 33 529, nr. 680) alle kosten die noodzakelijk zijn om gebouwen aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. De kosten die nodig zijn om gebouwen aan de veiligheidsnorm te laten voldoen worden door de Staat voorgeschoten en door middel van gedeclareerde facturen in rekening gebracht bij de NAM.
De NAM heeft, met uitzondering van één factuur, alle doorbelaste kosten betaald. De factuur waarvan betaling door de NAM is opgeschort betreft de kosten voor de versterkingsoperatie in het derde kwartaal van 2020. Ik heb uw Kamer hierover op 31 maart jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 529, nr. 866).
Daarnaast draagt de Staat bij aan het Nationaal Programma Groningen om de leefbaarheid en de economische ontwikkeling van Groningen te stimuleren. De Staat draagt bij aan de operationele kosten van het woonbedrijf en het werk- en onderzoeksbudget van de NCG. Tevens compenseert de Staat de provincie en gemeenten in het aardbevingsgebied voor de extra kosten die deze maken ten gevolge van de aardbevingsproblematiek.
Bij het versterken van woningen is vanwege sociaal-maatschappelijke redenen in een aantal specifieke gevallen besloten om meer te doen dan voor de veiligheid noodzakelijk is. De Staat draagt dan samen met de regio bij om – boven op de bijdrage van NAM voor de veiligheid – sloop/nieuwbouw te kunnen realiseren in de uitvoering van batch 1588 en in verschillende projecten in onder andere Appingedam en Delfzijl. Ook draagt de Staat de kosten voor het openstellen van het loket ten behoeve van de huurders.
Ten slotte zijn met de regio bestuurlijke afspraken gemaakt over de toekomst van de versterkingsoperatie (Kamerstuk 33 529, nr. 830). In 2021 worden de eerste middelen beschikbaar gesteld. In de 1ste suppletoire begroting 2021 zal een overzicht worden gegeven van de actuele bedragen die hier mee zijn gemoeid.
Klopt het dat er onenigheid is met de NAM over het gebruik van de gasopslag bij Norg? Loopt hierover een arbitragezaak?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 9 maart 2021 (Kamerstuk 33 529, nr. 850) heb ik met de NAM, Shell en ExxonMobil overeenstemming bereikt over de gewijzigde inzet van de gasopslag Norg. De gasopslag Norg zal niet langer met Groningengas gevuld worden, maar met geconverteerd hoogcalorisch gas. Ik heb afgesproken de hoogte van de marktconforme vergoeding te laten vaststellen door een arbitragepanel. Deze arbitrage wordt nog opgestart, maar is dus nog niet formeel gestart.
Wat vindt u ervan dat de NAM weigerde de volledige kosten van de stuwmeerregeling te vergoeden? Deelt u de mening dat als de NAM iedereen snel en fatsoenlijk had gecompenseerd deze regeling niet nodig was geweest? (Kamerstuk 33 529, nr. 842)
Hoewel ik natuurlijk liever had gehad dat er nooit een stuwmeerregeling nodig was geweest, ben ik tevreden dat we zoveel Groningers hebben kunnen helpen. Zonder instemming van de NAM vooraf, is door de Staat de keuze gemaakt om in het belang van de snelle en ruimhartige afhandeling van oude aanvragen om schadevergoeding niet aan alle specifieke vereisten van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht te toetsen. Als gevolg hiervan ontbrak een juridische basis voor het verhalen van de kosten van de stuwmeerregeling op de NAM. NAM heeft een aanzienlijk deel van de kosten van de stuwmeerregeling wel betaald. Met de stuwmeerregeling is gekozen voor een goede oplossing voor bewoners die al lang in onzekerheid verkeerden. Dat belang heeft geprevaleerd.
Bent u bereid alsnog de 15,2 miljoen op de NAM te verhalen?
Ik heb met uw Kamer op 28 januari jl. de met de NAM gesloten overeenkomst gedeeld (Kamerstuk 33 529, nr. 842). Hierin is opgenomen dat zowel de NAM als de Staat niets meer te vorderen hebben van elkaar ten aanzien van de stuwmeerregeling.
Wat zegt het over de NAM dat zij tot achter de komma onderhandeld over vergoedingen voor schade waarvan zij zelf de oorzaak is? Vindt u niet ook dat uw ambtsvoorganger zich veel te slap opstelde richting de olies?
Het kabinet had twee prioriteiten: zo snel mogelijk de gaswinning uit het Groningenveld afbouwen en NAM op afstand zetten. Beide gaan voorspoedig. Zo wordt de gaswinning al veel eerder beëindigd dan voorzien. Daarmee wordt de oorzaak van de aardbevingen weggehaald. Tevens heb ik u onlangs geïnformeerd over het afronden van het op afstand zetten van de NAM (Kamerstuk 33 529, nr. 866). Het is aan de NAM om verantwoording af te leggen over zijn opstelling tijdens de onderhandelingen. Daar doe ik geen uitspraken over.
Kunt u een overzicht geven hoe vaak en waarover sinds 2018 met de NAM is gepraat en onderhandeld over de verdeling van de kosten en opbrengsten? Staan er op dit moment gesprekken en onderhandelingen gepland?
Over de verdeling van de kosten en opbrengsten van de gaswinning binnen het gasgebouw is niet met NAM gesproken, maar met de aandeelhouders van NAM. In het Akkoord op Hoofdlijnen dat mijn ambtsvoorganger in 2018 met Shell en ExxonMobil is overeengekomen, zijn afspraken gemaakt over de verandering van de afdrachten. Sindsdien is deze verdeling niet aangepast.
Met de NAM is de afgelopen jaren veelvuldig gesproken over het op afstand plaatsen van NAM. Ik heb uw Kamer onlangs geïnformeerd over het afronden hiervan (Kamerstuk 33 529, nr. 866).
Bent u bereid om wanneer u niet met Shell en Exxon tot overeenstemming kunt komen dit aan de rechter voor te leggen?
Voor zover de vraag ziet op de kosten van schade en versterken: daarover is geen overeenstemming met Shell en ExxonMobil nodig. In de brief (Kamerstuk 33 529, nr. 866) over het op afstand plaatsen van NAM heb ik aangegeven er streng op toe te zien dat alle kosten die bij NAM in rekening kunnen worden gebracht, ook in rekening zullen worden gebracht. Ook heb ik daarbij aangegeven dat de mogelijkheid dat de discussies met NAM uitmonden in juridische procedures reëel is, en dat het kabinet zich daarop voorbereidt en daarbij geen juridische middelen onbenut zal laten.
Bent u bereidt Shell en Exxon een extra belastingheffing op te leggen om te zorgen dat ze hun rechtvaardig deel van de veroorzaakte ellende in Groningen betalen?
Uw Kamer heeft mij middels de motie van het lid Nijboer (Kamerstuk 35 603, nr. 76) verzocht om «een heffing op de oliebedrijven te onderzoeken, zodat ook de kosten die zij niet willen vergoeden, zoals die gemaakt voor de stuwmeerregeling, op hen kunnen worden verhaald». Ik zal uw Kamer hier op korte termijn over informeren.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk één voor één en niet geclusterd beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat tientallen Chinese onderzoekers in Delft banden hadden met het Chinese leger |
|
Sietse Fritsma (PVV), Harm Beertema (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen onderzoekers in Delft hadden band met leger»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat 29 promovendi en gastonderzoekers van de National University of Defense Technology (NUDT) uit China, onderzoek deden aan de TU Delft op deels militair technologische vakgebieden?
De TU Delft laat desgevraagd weten dat van de in totaal circa 3.000 in maart 2021 aan de TU Delft verbonden promovendi 10 personen een masterdiploma hebben behaald bij de National University of Defense Technology.
Wat de vakgebieden betreft, is het onderscheid tussen gebieden die wel/niet militair relevant zijn, niet altijd duidelijk te maken. Universitair onderzoek heeft doorgaans een fundamenteel karakter. Onderzoeken uit dit soort vakgebieden worden gebruikt voor de ontwikkeling van technologie met een meer toegepast niveau, op allerhande terreinen en op manieren die veelal niet van te voren werden voorzien, ook militair.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 27 november 2020, wordt door het kabinet een inventarisatie gedaan om scherper in beeld te krijgen welke vakgebieden bescherming behoeven in het licht van nationale veiligheid. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van het proces om te komen tot een bindend toetsingskader op risicovakgebieden om ongewenste kennis- en technologieoverdracht tegen te gaan. Uw Kamer zal zo snel mogelijk, maar uiterlijk najaar 2021 opnieuw worden geïnformeerd over de voortgang op dit traject.2
Hoeveel van deze promovendi en onderzoekers zijn volgens uw informatie direct of indirect verbonden aan het Chinese Volksbevrijdingsleger (PLA)?
Over het algemeen geldt dat spionage door China een punt van zorg is. De inlichtingendiensten doen in het openbaar geen uitspraken over hun kennisniveau.
Directe of indirecte verbondenheid van promovendi en onderzoekers aan het Chinese Volksbevrijdingsleger is volgens de Nederlandse wet niet strafbaar, maar kan wel risico’s voor de nationale veiligheid opleveren. Het kabinet werkt aan een landenneutraal pakket maatregelen dat samengenomen een handelingsperspectief biedt aan zowel de kennisinstellingen als de rijksoverheid om ongewenste kennisoverdracht tegen te gaan, zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag twee.
Is het volgens u aannemelijk, of zelfs door onze eigen diensten bewezen, dat er als gevolg van deze Chinese invasie op de TU Delft kennis/technologie naar het PLA is gevloeid?
Verscheidene openbare onderzoeksinstituten, waaronder het Australian
Strategic Policy Institute (ASPI), wijzen op de banden van sommige Chinese studenten met het PLA en het feit dat sommige Chinese studenten na terugkeer naar China benaderd worden om informatie te delen. Hoewel hiermee niet concreet voor deze casus gezegd is dat kennis en technologie van de TU Delft naar de PLA is gevloeid, laat het wel zien dat er risico’s zijn dat ook in Nederland academische samenwerking met China in bepaalde gevallen kan hebben geleid tot ongewenste technologieoverdracht. AIVD en MIVD doen in het openbaar geen uitspraken over hun kennisniveau.
Onderzoek van ASPI laat bijvoorbeeld zien dat diverse Chinese kennisinstellingen banden hebben met het leger en dat promovendi en onderzoekers in bepaalde gevallen in het buitenland worden ingezet om kennis te vergaren voor het Chinese leger. Daarom is het essentieel dat we kennis en bewustzijn bij kennisinstellingen over de risico’s van ongewenste kennisoverdracht bij internationale samenwerking vergroten. Ter versterking van de kennisveiligheid, heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd in de op 27 november jl. aan uw Kamer gestuurde brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap. Het doel van dit pakket is o.a. de kennisveiligheid te vergroten door ongewenste kennisoverdracht en ongewenste beïnvloeding tegen te gaan.
Deelt u de mening van hoogleraar Alexander Verbraeck dat we niet naïef moeten zijn en dat er ook kennis naar het PLA vloeit als wordt samengewerkt met niet-militaire universiteiten? Zo ja, hoe monitort u dergelijke samenwerkingsverbanden?
Ik ben van mening dat álle vormen van ongewenste kennisoverdracht zoals ik die beschreven heb in de Kamerbrief over kennisveiligheid, moeten worden tegengegaan. Het Nederlands hoger onderwijsstelsel wordt gekenmerkt door een hoge mate van autonomie voor de hogescholen en universiteiten. Deze is wettelijk geborgd in de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het aangaan van een (internationale) samenwerking, is dan ook de verantwoordelijkheid van een instelling zelf. Dat betekent dat een universiteit bij elke samenwerking, nationaal en internationaal, een gedegen afweging dient te maken van de kansen en risico’s die een samenwerking oplevert.
Het is hierbij belangrijk om het veiligheidsbeleid binnen de instellingen nadrukkelijk te verankeren en duidelijkheid te krijgen over de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen. Samen met de koepels, universiteiten en onderzoeksinstituten zullen de ministeries van OCW en EZK daarom werken aan bestuurlijke afspraken. Het doel ervan is commitment te organiseren en borgen, en te werken aan een gezamenlijke visie op kennisveiligheid. Het streven is de bestuurlijke afspraken tweede helft 2021 gereed te hebben.
Zoals ik in het antwoord op vraag twee al aangaf, wordt ook gewerkt aan een toetsingskader op risicovakgebieden. Onderdeel hiervan is om deze risicovakgebieden, in samenwerking met de kennisinstellingen, te bezien welke elementen van samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse partners een risico vormen op ongewenste kennisoverdracht. Het in december jl. verschenen rapport van RVO, waarin onder andere 183 Memoranda of Understanding (MoU’s) van de zes aan het onderzoek deelnemende Nederlandse universiteiten met Chinese kennisinstellingen zijn bestudeerd, is hierbij een goede eerste stap om het benodigde inzicht te verkrijgen.3
Tot slot herhaal ik hier mijn oproep uit de Kamerbrief Samenwerking met China op het gebied van onderzoek en wetenschap aan alle Nederlandse kennisinstellingen om bestaande samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse kennisinstellingen tegen het licht te houden en te onderzoeken of de nationale veiligheid hierin voldoende geborgd is. Waar dat niet het geval is, zou het wenselijk zijn dat afspraken op dit punt door de betrokken instellingen worden herzien.4
Kunt u cijfermatig weergeven hoeveel Chinese promovendi en onderzoekers de afgelopen tien jaar aan Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen werkten of onderzoek deden, en hoeveel Chinezen het momenteel betreft?
Nee, over deze cijfers beschik ik niet, aangezien er in Nederland geen centraal register bestaat waarin de nationaliteit van onderzoekers en promovendi die onderzoek doen aan Nederlandse kennisinstellingen wordt bijgehouden.
Het RVO rapport beveelt onder andere aan om afzonderlijke registratiesystemen van universiteiten voor promovendi te koppelen en kennis te delen tussen instellingen rond de werving van PhD’s. Aan een aantal van deze concrete aanbevelingen wordt al opvolging gegeven. Zo onderzoeken universiteiten in VSNU-verband de haalbaarheid van een landelijk systeem voor registratie van PhD’s. Dit systeem kan inzichtelijk maken welke arbeidsrelatie een promovendus heeft met de instelling en op welk kennisgebied er een PhD-relatie is. Het systeem zal echter geen inzicht geven in nationaliteit of land van herkomst van de promovendi, mede in het licht van privacywetgeving.
Wat heeft u gedaan met de gezamenlijke waarschuwing van de inlichtingendiensten MIVD en AIVD en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in het «dreigingsbeeld statelijke actoren» dat «Spionageactiviteiten van China met name gericht zijn op Nederlandse topsectoren en kennisinstellingen»?2
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren biedt inzicht in de activiteiten van statelijke actoren die onze nationale veiligheid kunnen schaden, waarbij ook Nederlandse kennisinstellingen en bedrijfsleven, in het bijzonder de topsectoren doelwit zijn.6 Uw Kamer is eerder geïnformeerd via de Kamerbrief «Tegengaan statelijke dreigingen» over de kabinetsbrede, geïntegreerde aanpak van statelijke dreigingen, waarin ook onderwerpen als de investeringstoets, exportcontrole, cyberveiligheid en (economische) spionage aan bod komen.7
Uw Kamer is geïnformeerd via de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap over de maatregelen die het kabinet samen met het Nederlandse kennisveld neemt ter versterking van de kennisveiligheid.8 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn ook nauw betrokken bij de uitwerking van deze maatregelen.
Screenen de Nederlandse inlichtingendiensten Chinese onderzoekers standaard als zij aan Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen komen werken? Zo ja, in hoeveel gevallen heeft dit geleid tot het weren van Chinezen? Zo nee, bent u bereid alle toekomstige plus reeds aanwezige Chinese onderzoekers individueel door de AIVD en MIVD te laten screenen?
Internationale uitwisseling en kennisoverdracht zijn essentieel om het hoger onderwijs en het (toegepaste) onderzoek in Nederland op peil te houden en wordt daarom gestimuleerd. Met en vanuit elk land kan gewenste kennisoverdracht plaatsvinden. Tegelijkertijd moet ongewenste overdracht van (sensitieve) kennis en technologie, met negatieve gevolgen voor de nationale veiligheid van ons land en aantasting van de Nederlandse innovatiekracht voorkomen worden. Daarnaast gaat het ook om heimelijke beïnvloeding van hoger onderwijs en wetenschap door statelijke actoren, die o.a. kan leiden tot vormen van (zelf)censuur met aantasting van de academische vrijheid tot gevolg. Zoals ook benadrukt in de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap, kiest het kabinet hierbij voor een aanpak die landenneutraal van aard is.
De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten voeren niet standaard een naslag of een veiligheidsonderzoek uit naar Chinese onderzoekers als zij aan Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen komen werken. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) biedt daartoe geen basis en bovendien zou dit in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel. Er wordt wel gewerkt aan een landenneutraal toetsingskader voor risicovakgebieden, waarnaar ik eerder verwees in mijn antwoord op vraag twee.
Deelt u de constatering van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI) dat samenwerking met Chinese «Seven Sons of National Defence» universiteiten een uitermate hoog veiligheidsrisico met zich meebrengt?3
Ja, die deel ik. Over China’s Seven Sons of National Defence universiteiten kan gezegd worden dat zij banden hebben met China’s militaire en defensie-industrie. Wanneer er vanuit Nederland wordt samengewerkt met deze universiteiten bestaat het risico op technologieoverdracht, zeker op gebieden waar de kenniskloof met Nederland groot is. Dergelijke technologieoverdracht kan leiden tot ongewenst eindgebruik, bijvoorbeeld in militaire of surveillance toepassingen. Ook kan technologieoverdracht op termijn het Nederlandse verdienvermogen aantasten of leiden tot (gedeeltelijke) technologische afhankelijkheid van China.
Is het vanuit het oogpunt van onze nationale veiligheid en vanuit het oogpunt van ongewenste kennisoverdracht nog wel verantwoord dat de TU Delft samenwerkt met universiteiten van de «Seven Sons» groep? Graag een uitvoerige toelichting.
In vervolg op mijn antwoord op vraag 9 en in lijn met de brief «Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap», raad ik kennisinstellingen aan zich zeer grondig te verdiepen in de risico’s die met een dergelijke samenwerking samenhangen en waar nodig robuuste mitigerende maatregelen te treffen.
Internationale samenwerking brengt kansen maar ook risico’s met zich mee. Zoals het risico op kennisoverdracht die vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid onwenselijk is. Daarom moeten universiteiten weerbaar zijn, door voorafgaande aan het aangaan van een samenwerking ook het nationale veiligheidsperspectief mee te nemen in de afweging. Het is daarbij van belang om voorafgaand (met welke andere universiteit of bedrijf ook) aan de hand van een risicoanalyse in kaart te brengen wat de te beschermen belangen zijn, welke dreiging er bestaat tegen deze belangen en in hoeverre deze risico´s beheersbaar zijn (door al getroffen maatregelen) of beheersbaar kunnen worden gemaakt (door het nemen van nieuwe maatregelen).
Het kabinet werkt bovendien aan maatregelen om ongewenste kennisoverdracht tegen te gaan, waarnaar eerder werd verwezen bij het antwoord op vragen vier en vijf.
Kunt u aangeven welke Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen nog meer samenwerken met één of meer universiteiten van de «Seven Sons» groep? Klopt het dat het in ieder geval de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Technische Universiteit Eindhoven, de Wageningen University, de Universiteit Twente en de Rijksuniversiteit Groningen betreft?
Nee, daarover kan ik geen uitsluitsel geven omdat er geen landelijk register van samenwerkingsverbanden bestaat. In mijn opdracht heeft RVO een verkenning uitgevoerd bij zes Nederlandse universiteiten waaruit blijkt dat een aantal universiteiten inderdaad een overeenkomst (Memorandum of Understanding) heeft afgesloten met een van de universiteiten die tot de «Seven Sons of National Defense» worden gerekend. Dit zijn de Rijksuniversiteit Groningen, TU Eindhoven, TU Delft en de Universiteit Twente.
Hoe staat het met de gesprekken van de TU Delft met «drie ministeries om met een gezamenlijk antwoord te komen op de China-kwestie»? Hebben deze gesprekken inmiddels tot maatregelen geleid?
Er wordt gedoeld op het gesprek dat is gevoerd in het kader van de kennisveiligheidsdialoog. Dat is de gespreksronde die het kabinet voert met besturen van alle individuele universiteiten, onderzoeksinstituten en hogescholen om beelden over de situatie rond kennisveiligheid bij de instellingen uit te wisselen en aan de hand van concrete casuïstiek mogelijke handelingsperspectieven te bespreken. De insteek van deze gesprekken is landenneutraal en dus nadrukkelijk niet gericht op één specifiek land.
De opbrengsten van de kennisveiligheidsdialoog zijn tweeledig. Enerzijds draagt de dialoog binnen de instellingen bij aan een verdere versterking van het bewustzijn rond statelijke dreigingen en aan bekendheid met reeds bestaande instrumenten om op een verantwoorde manier eigen afwegingen te maken. Anderzijds levert de gesprekkenreeks voor het kabinet waardevolle inzichten op, die zijn meegenomen in de totstandkoming van de maatregelen rondom kennisveiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De maatregelen uit die brief worden op dit moment geoperationaliseerd door het Rijk, waarbij ook de kennissector (VSNU, TO2’s, KNAW,VH, NWO, NFU) betrokken is.
Bent u bereid een zwarte lijst op te stellen van Chinese universiteiten en onderzoeksinstellingen waar Nederlandse universiteiten en instellingen vanwege veiligheidsrisico’s en ongewenste kennisoverdracht bij voorbaat niet mee moeten samenwerken?
Zoals gezegd in eerdere antwoorden wordt gewerkt aan een (landenneutraal) toetsingskader om ongewenste kennis- en technologieoverdracht tegen te gaan. Om een beeld te krijgen van de mogelijke reikwijdte van een dergelijke toets wordt een inventarisatie gedaan van risicovakgebieden die bescherming behoeven in het licht van nationale veiligheid uitgevoerd.10 De te beschermen Nederlandse belangen vormen het uitgangspunt voor de getroffen beleidsmaatregelen in de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap. Het gaat daarbij om een combinatie van bewustwording en zelfregulering binnen het kennisveld en een bindend toetsingskader op risicovakgebieden.
Daarbij geldt dat academische kernwaarden als academische vrijheid, wetenschappelijke integriteit, openheid, toegankelijkheid en institutionele autonomie steeds de toetsstenen van ons handelen zijn. De academische kernwaarden zijn immers integraal onderdeel van onze te beschermen belangen. Internationale uitwisseling en kennisoverdracht zijn daarbij onontbeerlijk om hoger onderwijs en het (toegepaste) onderzoek in Nederland op peil te houden.
Het bericht ‘Ziekenhuis hoeft identiteit zaaddonor niet prijs te geven’ |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 361950, die op 24 maart 2021 door Rechtbank Gelderland is gedaan?1
Ja.
Hoe leest u deze uitspraak, die stelt dat het ziekenhuis in kwestie niet kan worden verplicht de gegevens van de zaaddonor aan het donorkind te verstrekken, omdat het niet mogelijk is een belangenafweging te maken tussen het kind en de donor vanwege de anonimiteit van de donor?
Deze uitspraak ziet op een behandeling die heeft plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). Het ziekenhuis in kwestie verkeert in een conflict van plichten. Enerzijds heeft het ziekenhuis zich jegens de moeder van het donorkind gecommitteerd om de persoonsidentificerende gegevens van de donor aan het donorkind te verstrekken na het bereiken van de leeftijd van zestien jaar, anderzijds is het ziekenhuis daartoe niet bevoegd vanwege het intrekken van de toestemming daartoe door de donor. Om te kunnen beoordelen of het ziekenhuis niettemin verplicht kan worden tot verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor is de rechtbank van oordeel dat er een belangenafweging moet plaatsvinden tussen de belangen van het donorkind en de belangen van de donor. De rechtbank kan een dergelijke afweging niet maken, omdat de donor geen partij is in deze zaak. Volgens de rechtbank is de grens bereikt van wat de rechter kan beslissen en is de wetgever aan zet.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de artikel 2 uit de donorwet, waarin staat dat indien een zaaddonor achteraf alsnog anoniem wenst te blijven, er een belangenafweging dient te worden gemaakt tussen het kind en de donor, waarbij het belang van een zaaddonor om anoniem te blijven «zwaarwegend» moet zijn?
Voor de (volledige) inwerkingtreding van de Wdkb op 1 juni 2004 konden spermadonoren anoniem doneren. Na 1 juni 2004 is dit niet meer mogelijk omdat de kliniek waar de behandeling plaatsvindt de gegevens van de donor moet registreren bij de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb). De vraag ziet op de belangenafweging die kan voortvloeien uit artikel 3 van de Wdkb. Dit artikel is echter alleen van toepassing indien de behandeling heeft plaatsgevonden na 1 juni 2004. Als de behandeling heeft plaatsgevonden vóór 1 juni 2004, geldt de overgangsregeling van artikel 12 van de Wdkb.
In deze zaak gaat het om een behandeling van vóór 1 juni 2004. Op grond van artikel 12 van de Wdkb mogen de persoonsidentificerende gegevens van de donor alleen worden verstrekt door de Sdkb als de donor daarmee instemt. In de zaak die bij de rechtbank voorlag ging het overigens niet om de vraag of de Sdkb de persoonsidentificerende gegevens had moeten verstrekken, maar om de vraag of het ziekenhuis daartoe verplicht was.
Bent u het ermee eens dat met deze uitspraak de conclusie van de tweede evaluatie van de donorwet wordt bevestigd, namelijk dat de anonimiteit van de zaaddonor prevaleert boven het recht van het kind om zijn of haar biologische vader te kennen, en dat dit haaks staat op het doel van de donorwet, namelijk het beschermen van de rechten van donorkinderen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het probleem van bekende donoren (B-donoren) van voor 2004 die zich bedenken en er alsnog voor kiezen anoniem te blijven (A-donor te worden) is bekend. Het switchen van B-donor naar A-donor past niet bij de bedoeling van de Wdkb. In mijn reactie op de tweede evaluatie van de Wdkb2 heb ik aangegeven eerst de uitspraak van de rechter in (een van de) twee rechtszaken af te wachten alvorens mij te beraden op eventuele vervolgstappen. De uitspraak van de rechtbank in de rechtszaak tegen Rijnstate is nu bekend. De uitspraak in een tweede zaak wordt uiterlijk 2 juni 2021 verwacht. In deze zaak gaat het ook om het verstrekken van persoonsidentificerende gegevens van een donor die ten tijde van zijn donatie een bekende donor wilde zijn en er later voor heeft gekozen anoniem te blijven. Ik wil ook de uitspraak in deze zaak afwachten. Afhankelijk van de uitspraak ben ik bereid een wetswijziging te initiëren. Een wetswijziging zou in kunnen houden dat gegevens van een B-donor van voor 2004 in principe worden verstrekt, tenzij de donor een zwaarwegend belang kan aantonen om niet over te gaan tot verstrekking van zijn persoonsidentificerende gegevens. Dit is meer in lijn met de geest van de Wdkb. Op deze manier worden B-donoren van voor 2004 op dezelfde wijze behandeld als de donoren van na 2004. Het is overigens ook mogelijk dat de rechtbank in de tweede rechtszaak zal oordelen dat de kliniek waar de behandeling met de gedoneerde zaadcellen heeft plaatsgevonden op basis van de behandelovereenkomst persoonsidentificerende gegevens zou moeten verstrekken. Om die reden wil ik de tweede uitspraak ook nog afwachten.
Sluit u zich aan bij het standpunt dat het recht van een donorkind om zijn of haar biologische vader te kunnen traceren, te allen tijden moet worden gewaarborgd?
Ik onderschrijf het recht van ieder kind om te weten van wie hij of zij afstamt. Dat is ook het doel van de Wdkb en de reden dat deze wet is ingevoerd. Tegelijkertijd is het recht om te weten van welke ouders men afstamt niet absoluut. Het recht dient eventueel te wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen. De bepalingen uit het IVRK (artikel3 en het EVRM (artikel4 bieden de Europese lidstaten ruimte om bij het inrichten van het wettelijk stelsel de belangen van alle betrokken partijen tegen elkaar af te wegen en daarin een evenwichtige balans te treffen. De overgangsregeling van artikel 12 van de Wdkb is tegen die achtergrond tot stand gekomen. De wetgever heeft hierbij evenwel de situatie van B-donoren, zoals aan de orde in de zaak tegen Rijnstate, onvoldoende in ogenschouw gehad. Zoals gezegd, ben ik in afwachting van de uitkomst van de andere rechtszaak om te bezien of en welke wetswijziging op dat punt aangewezen is.
Gaat u stappen ondernemen om de wet op dit punt te verhelderen of wijzigen, zodat zaaddonoren niet langer anoniem kunnen blijven als dit ten koste gaat van de rechten van het donorkind? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 4. Daarbij wil ik nog wel benadrukken dat een eventuele wetswijziging alleen betrekking zal hebben op B-donoren en niet op anonieme donoren van voor 2004.
Wat gaat u met terugwerkende kracht doen om tegemoet te komen aan de donorkinderen aan wie de donorwet op dit moment geen bescherming biedt?
Zie het antwoord bij vraag 4.
Is het register met alle informatie over donoren inmiddels compleet?
Ik ga er vanuit dat u bedoelt met «informatie» de geheimhoudingsverklaringen en de persoonsidentificerende gegevens van donoren die voor de inwerkingtreding van de Wdkb sperma hebben gedoneerd. Ik heb de klinieken op 13 maart 2020 een brief gestuurd dat ook de persoonsidentificerende gegevens van een spermadonor die een geheimhoudingsverklaring heeft ondertekend moeten worden overgedragen aan de Sdkb. Door de geheimhoudingsverklaringen over te dragen aan de Sdkb kan controle plaatsvinden op de aanwezigheid van een geheimhoudingsverklaring die voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Deze eisen houden in dat de verklaring is afgelegd in de periode tussen de publicatie van de Wdkb (mei 2002) en de volledige inwerkingtreding ervan (op 1 juni 2004), zodat duidelijk is dat de donor kennis heeft genomen van de Wdkb, maar toch anoniem wenst te blijven.
De Sdkb heeft mij laten weten dat de geheimhoudingsverklaringen en persoonsidentificerende gegevens zijn aangeleverd, op de gegevens van drie klinieken na. Eén kliniek heeft in 2012 de bedrijfsvoering gestaakt zonder overdracht van dossiers, waardoor de Sdkb geen aanspreekpunt heeft voor het overdragen van de verklaringen. Eén kliniek heeft in 2009 de bedrijfsvoering gestaakt; de dossiers zijn elders ondergebracht. Gezien de uitzonderlijke situatie van dit archief zijn de geheimhoudingsverklaringen daarin niet overgedragen aan de Sdkb, maar worden aanvragen per individueel geval beoordeeld. Daarnaast is er één kliniek die meent niet over de grondslag te beschikken om de geheimhoudingsverklaringen over te dragen. De SDKB is nog met deze kliniek in gesprek.
Na controle van de ontvangen stukken bleek een deel van de geheimhoudingsverklaringen niet aan de door de wet gestelde eisen te voldoen. De Sdkb heeft klinieken verzocht de melding dat sprake is van een geheimhoudingsverklaring uit de registratie te verwijderen en controleert de opvolging van klinieken op dit punt. Betreffende donoren worden voortaan, bij een aanvraag door een donorkind, door de Sdkb benaderd met het verzoek toestemming te geven voor de verstrekking van persoonsidentificerende gegevens. Donorkinderen van de betreffende donoren van wie de aanvraag in het verleden is afgewezen op grond van de geheimhoudingsverklaring, ontvangen hierover bericht van de Sdkb. Zij kunnen indien gewenst een nieuwe aanvraag indienen, zodat de Sdkb alsnog de donor om toestemming kan vragen.