Getroffen maatregelen op het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-/Wet open overheid (Woo)-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Het bericht dat er wetenschappelijke tekortkomingen zitten aan de beoordeling dat glyfosaat niet potentieel kankerverwekkend is |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU regulators «dismissed evidence» linking glyphosate to rodent tumours»1 en het achterliggende onderzoek van de Health and Environment Alliance (HEAL)2?
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie geven op de zorgwekkende conclusies uit het rapport?
De «Assessment Group on Glyphosate» (hierna: AGG) – bestaande uit de bevoegde autoriteiten van Frankrijk, Hongarije, Nederland en Zweden – heeft de Europese wetenschappelijke herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat uitgevoerd en heeft de resultaten daarvan in juni 2021 opgeleverd. Voor Nederland is het Ctgb als de bevoegde onafhankelijke autoriteit onderdeel van de AGG. Een van de onderdelen hiervan is de beoordeling van de intrinsieke gevaareigenschappen van de werkzame stof, die leidt tot een geharmoniseerde gevaarindeling en etikettering. Het voorstel dat de AGG hiervoor opstelde is door het «Risk Assessment Committee van ECHA (hierna: RAC) – een groep van onafhankelijke experts – opnieuw beoordeeld en aangevuld met nieuwe informatie (studies en commentaar) verkregen uit een openbare consultatie.
De evaluatie van al deze informatie heeft geleid tot het oordeel dat de classificatie en etikettering van de werkzame stof glyfosaat niet gewijzigd hoeft te worden ten opzichte van de eerdere RAC-opinie uit 2017. Dit betekent dat de classificatie van de werkzame stof glyfosaat als een stof die ernstig oogletsel veroorzaakt en giftig is voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen, moet worden gehandhaafd, maar dat het beschikbare wetenschappelijke bewijs niet voldoet aan de criteria om glyfosaat te classificeren als een stof die kan leiden tot schade aan luchtwegen of andere organen (specifieke doelorgaantoxiciteit), een kankerverwekkende stof (carcinogeen), een stof die leidt tot genetische veranderingen (mutageen) of een stof die giftig is voor de voortplanting (reproductietoxiciteit)3.
Of deze intrinsieke gevaareigenschappen in de praktijk leiden tot risico’s is afhankelijk van de mate van blootstelling. Dit wordt geadresseerd in de risicobeoordeling. Een werkzame stof wordt alleen goedgekeurd als is aangetoond dat het gebruik ervan conform de voorschriften veilig is voor mens, dier en milieu.
De definitieve RAC-opinie wordt in augustus gepubliceerd door ECHA. In deze opinie zal een uitgebreide toelichting staan op de overwegingen die hebben geleid tot de hernieuwde classificatie. De RAC-opinie zal door EFSA toegevoegd worden aan het uiteindelijke, volledige, beoordelingsrapport van de werkzame stof glyfosaat.
Ik vind het belangrijk dat het proces van herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat zorgvuldig en transparant verloopt. Daartoe voorziet het proces op verschillende momenten in actieve openbaarmaking van voorstellen en controle daarop via consultaties van het publiek en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Alle informatie die zo verzameld wordt, wordt weer opnieuw beoordeeld en – indien relevant – aan het dossier toegevoegd.
Kunt u daarbij in het bijzonder reflecteren op de rol van Nederland, welke onderdeel uitmaakt van de Assessment Group on Glyphosate (AGG), een groep die bijdroeg aan het beoordelingsproces?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er sinds 2015, toen het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) concludeerde dat glyfosaat potentieel kankerverwekkend is voor mensen, meerdere wetenschappelijke en peer-reviewed studies zijn uitgekomen die deze conclusie ondersteunen?3
Sinds 2015 is er veel nieuwe informatie beschikbaar gekomen in de vorm van (proefdier)studies, commentaren op studies, meta-studies enz. Alle informatie – vóór en na 2015 – beschikbaar in het aanvraagdossier en in wetenschappelijke publicaties is in de huidige herbeoordeling van glyfosaat op relevantie beoordeeld en deze informatie wordt – indien van belang – in de huidige herbeoordeling meegenomen door AGG, ECHA en EFSA.
Klopt het dat van de elf studies die door de AGG zijn goedgekeurd ter beoordeling, de dieren in tien van de gevallen kanker ontwikkelden en dat in drie muizen-studies en één ratten-studie, het aantal tumoren toenam toen de glyfosaat dosis werd verhoogd?4 Zo ja, hoe kan het dat er door de AGG werd geconcludeerd dat er geen oorzakelijk verband vastgesteld kon worden tussen de blootstelling aan de stof en de waargenomen tumoren in de dierstudies?
Zowel door de AGG als door de experts van de RAC zijn de resultaten van de dierstudies beoordeeld in lijn met Verordening (EG) 1272/20086.
De Europese Commissie heeft ECHA verzocht een gedetailleerde toelichting te geven in de definitieve RAC-opinie op het onderdeel van de beoordeling waarover de publicatie van de «Health and Environment Alliance» gaat. De definitieve RAV-opinie wordt in augustus 2022 door ECHA gepubliceerd. Ik zal uw Kamer deze doen toekomen.
Kunt u tevens nader uitleggen hoe het ondanks dat in tien van de elf studies dieren kanker ontwikkelden, er geen 1B classificatie is gegeven aan glyfosaat, wat betekent dat het potentieel kankerverwekkend is op basis van dierstudies? Hoe ziet u hierbij de toepassing van het Europese voorzorgsprincipe?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de voortzetting van het debat over gewasbeschermingsmiddelen en deze studies meenemen in de informatie die nog naar de Kamer wordt gestuurd over glyfosaat?
Ja.
Ik heb uw Kamer op 17 juni jl. schriftelijk geïnformeerd over glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Herhaalprikken voor mensen onder de zestig jaar |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat op zaterdag 11 juni jongstleden diverse GGD’en tweede boosters voor mensen onder de zestig jaar zonder afspraak hebben aangeboden, maar dat dit binnen een dag weer teruggedraaid werd? Zo ja, hoe heeft dit misverstand kunnen ontstaan?1
Dit klopt niet. Er is geen sprake geweest van een wijziging van beleid. De herhaalprik wordt geadviseerd en aangeboden aan 60-plussers, volwassenen met het syndroom van Down en ernstig immuungecompromitteerde mensenvolwassenen. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen jonger dan 60 jaar die een vergelijkbaar ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling. Deze mensen kunnen zich met een verwijsbrief van een medisch specialist laten vaccineren bij de GGD. Voor 60-minners die niet in één van deze groepen vallen is de herhaalprik niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat de overheid een schild dient te zijn voor de zwakken en kwetsbare mensen moet helpen beschermen?
Ja, deze mening deel ik.
Herinnert u zich de aangenomen motie Van den Berg c.s., waarin de regering verzocht is maatwerk mogelijk te maken voor het toedienen van – op vrijwillige basis – herhaalprikken voor kwetsbaren onder de 60 jaar als de medisch specialist dat adviseert?2
Ja.
Op welke wijze heeft u deze motie uitgevoerd?
Mensen met een ernstig gecompromitteerd immuunsysteem hebben in de meeste gevallen een uitnodigingsbrief voor de herhaalprik ontvangen van hun medisch specialist. Het gaat om patiënten die onder behandeling zijn van een medisch specialist voor een specifieke aandoening of die bepaalde medicijnen voorgeschreven krijgen. Deze mensen behoren in principe tot dezelfde groep patiënten die eerder een derde vaccinatie kreeg als onderdeel van de basisserie. Sinds 19 april jl. ontvangen zij een uitnodiging voor de herhaalprik. Met deze uitnodigingsbrief kunnen zij de herhaalprik bij de GGD krijgen. Daarnaast is er maatwerk mogelijk voor individuele patiënten. Het betreft patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de eerdergenoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Deze route geeft ruimte om het gewenste maatwerk te leveren.
Om nader invulling te geven aan de oproep uit de motie om duidelijk te communiceren over de maatwerkroute heeft het RIVM in een nieuwsbrief aan zorgprofessionals, verstuurd in de week van 13 juni jl., de werkwijze voor de maatwerkaanpak extra toegelicht. Ook GGD GHOR Nederland heeft de maatwerkaanpak extra toegelicht in een nieuwsflits voor regionale GGD’en. Daarnaast zijn de patiënten- en cliëntenorganisaties voorzien van informatie over de maatwerkaanpak om te verspreiden onder de achterban. Tot slot wordt er op www.coronavaccinatie.nl/herhaalprik en www.rivm.nl/coronavaccinatie/afweerstoornis meer informatie gegeven over de maatwerkroute via de medisch specialist.
Deelt u de mening dat deze motie alleen goed uitgevoerd wordt als aan álle kwetsbaren onder de zestig jaar met een verwijzing van een medisch specialist een herhaalprik wordt aangeboden, en dus niet alleen voor ernstig immuun geconpromitteerden? Op welke wijze communiceert u hierover richting de GGD’en?
Het toepassingskader en de medisch-wetenschappelijke adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM zijn leidend bij de besluitvorming over de inzet van COVID-19-vaccins. Het primaire doel van het vaccinatiebeleid is het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19. Het afgelopen jaar hebben we geleerd dat de bescherming van de basisserie na verloop van tijd enigszins afneemt. Inmiddels weten we dat een hogere leeftijd, dus niet onderliggend lijden, de belangrijkste indicator voor een afname in bescherming is. Het immuunsysteem van ouderen werkt minder goed dan dat van jongere mensen. Deze verminderde werking zien we ook bij mensen met het syndroom van Down en mensen met een ernstige afwijking van het immuunsysteem. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen die een vergelijkbare ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling en bij wie de immunologische bescherming om die reden ook sneller terugloopt. Deze route en de communicatie hierover heb ik toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Omdat het immuunsysteem van de eerdergenoemde groepen minder goed werkt, neemt hun opgebouwde bescherming sneller af. Dit is waarom deze groepen het eerst in aanmerking kwamen voor een booster en ook waarom zij nu een herhaalprik aangeboden krijgen. Dankzij de herhaalprik wordt de bescherming tegen ernstige ziekte bij deze groepen weer op peil gebracht. De meeste andere mensen zijn na de basisserie en de booster echter goed en voor langere tijd beschermd tegen ernstige ziekte en sterfte. Onderliggend lijden of mate van blootstelling spelen hierbij geen grote rol. Er zijn géén aanwijzingen dat de booster minder goed werkt bij mensen met een medisch risico, zoals astma of diabetes. Met andere woorden: mensen onder de 60 jaar uit dergelijke medische risicogroepen bereiken door middel van de booster een even goede bescherming tegen ziekenhuisopname en sterfte als gezonde mensen onder de 60 jaar. In de huidige epidemiologische situatie zijn er daarom geen medisch-wetenschappelijke redenen om een herhaalprik aan te bieden aan mensen van onder de 60 jaar, al dan niet uit een medische risicogroep of met een verhoogde blootstelling aan het virus. Een herhaalprik levert voor deze mensen slechts zeer beperkte verhoging van de beschermingsgraad op. Het RIVM geeft daarnaast aan dat een langer interval tussen de doses voor een betere immuunrespons zorgt. Het aanbieden van een herhaalprik zonder medische noodzaak vind ik onwenselijk: vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. De herhaalprik is op dit moment niet geregistreerd en wordt alleen voor de oudste leeftijdsgroepen geadviseerd door het EMA, de ECDC of het RIVM. Er is onvoldoende bewijs om aan te tonen dat jongere leeftijdsgroepen baat hebben bij een extra prik. Formeel is het toedienen van een vaccinatie zonder medische noodzaak daarom niet toegestaan en kan juridische gevolgen hebben voor de betrokken partijen.
Kunt u aangegeven wat mensen die zich kwetsbaar voelen (bijvoorbeeld omdat ze overgewicht hebben, diabetes of COPD) en die daarom graag een tweede booster willen ontvangen maar jonger zijn dan 60 jaar, kunnen doen indien ze op dit moment geen regelmatig contact met een medisch specialist hebben?3
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, levert een herhaalprik voor deze mensen nauwelijks extra gezondheidswinst op. De medisch specialist kan bepalen of er in individuele gevallen sprake is van voldoende gezondheidswinst door een herhaalprik.
Wat gaat u doen om te borgen dat alle kwetsbaren via de huisarts een herhaalprik kunnen krijgen?
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik uitgelegd welke zorgvuldige medisch-wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de huidige afbakening van de doelgroep voor de herhaalprik. In individuele gevallen is er maatwerkmogelijk voor patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de in het antwoord op vraag 1 genoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. Medisch specialisten zijn het beste in staat om deze afweging te maken. Huisartsen geven aan te herkennen dat er bepaalde patiënten zijn met de wens voor een extra vaccinatie, maar weten ook dat hiervoor niet altijd een medische onderbouwing bestaat. In die gevallen is goede communicatie over nut en noodzaak van een eventuele extra herhaalprik erg belangrijk om zorgen weg te nemen bij patiënten. Communicatie via landelijke kanalen kan hieraan bijdragen, maar huisartsen kunnen in individuele gevallen ook een gesprek aangaan met patiënten. Vanuit het RIVM wordt een communicatiehulpmiddel opgesteld en gedeeld met de huisartsenkoepels om huisartsen hierbij extra te ondersteunen.
Het bericht ‘Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc's’ |
|
Salima Belhaj (D66), Sylvana Simons (BIJ1), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc’s»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het ermee eens dat Nederland een ereschuld heeft tegenover de Afghaanse oud-medewerkers van de ambassade die jarenlang onze belangen in Afghanistan hebben gediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
In aanvulling op de reguliere opvang door het COA heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) als oud-werkgever extra ondersteuning geboden aan de oud-medewerkers van de ambassade in Kaboel bij hun aankomst en integratie in Nederland.
Zo is direct (gespecialiseerde) psychosociale zorg voor de (ex)lokale medewerkers uit Afghanistan en hun families ingezet (een team psychosociale zorg, bestaande uit een BZ-manager, een Bedrijfsmaatschappelijkwerk-projectleider, zes bedrijfsmaatschappelijk werkers en vijf Afghaanse tolken).
Voor de begeleiding naar werk in Nederland is een contract afgesloten met SPARK. Deze organisatie heeft veel ervaring met begeleiden naar werk in crisisgebieden en met vluchtelingen. Zij hebben sinds 2001 ook ervaring in Afghanistan en met Afghaanse vluchtelingen. SPARK heeft ook binnen Nederland een uitgebreid netwerk. SPARK maakt via BZ ook gebruik van het interdepartementale netwerk. Via de interdepartementale contacten wordt ook een aantal uitzendbureaus betrokken.
Ook is een intensieve taaltraining Nederlands verzorgd.
Door vele collega’s van Buitenlandse Zaken zijn direct acties ondernomen om de groep, die zij vaak uit hun eerdere plaatsing in Kabul kenden, te ontmoeten en te ondersteunen.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van het ministerie hebben de lokale medewerkers in Zoutkamp en Harskamp bezocht.
Wat vindt u in dat licht van de manier waarop deze oud-medewerkers tot nu toe zijn opgevangen en verwelkomd in Nederland? Is dit wat u betreft in lijn met de motie-Piri omtrent het bieden van een warm welkom?2
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de stichting Spark voor meerdere oud-medewerkers inmiddels banen heeft geregeld en moest afzeggen, vanwege het feit dat gezinnen steeds weer worden verplaatst? Zo ja, kunt u precies aangeven in hoeveel gevallen het gebrek aan een vast woonadres de reden was om de baan te moeten annuleren?
Spark heeft aangegeven dat 14 maal een aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst niet kon doorgaan vanwege een te grote reisafstand tussen werk en verblijfplaats.
Het vinden van huisvesting voor asielzoekers is gelet op de huidige woningmarkt een grote uitdaging. Dat geldt ook voor de oud-medewerkers. Als asielzoekers een vergunning krijgen, worden zij zo snel mogelijk gekoppeld aan een gemeente. Hier wordt daar waar mogelijk ook rekening gehouden met het feit dat iemand een baan heeft of kan krijgen. Het is echter ook van belang dat zij zo snel mogelijk gehuisvest worden. Zolang er nog geen woning is toegewezen en indien er een concreet aanbod ligt van een werkgever, kan het COA de betreffende persoon koppelen aan een gemeente die zich wel op reisafstand bevindt.
Kunt u aangeven hoe vaak de Afghaanse ambassademedewerkers en hun families sinds hun aankomst in augustus zijn verplaatst en hoeveel van de 37 inmiddels een woning hebben?
Na aankomst in augustus 2021 is de groep in Zoutkamp gehuisvest, waarna op 6 oktober 2021 de groep naar Harskamp is overgebracht. Daarna zijn ze weer in Zoutkamp gehuisvest. De groep is later verdeeld over verschillende AZC oa. Amsterdam, ’s-Gravendeel, Gorcum en Middelburg.
Vanwege het nijpende opvangtekort en het gebruik van (vaak kortdurende) noodopvang moeten bewoners van het COA regelmatig verhuizen. Overplaatsingen hebben een grote impact op bewoners en een negatieve invloed op hun integratieproces. Het COA streeft er daarom naar om verplaatsingen zo veel als mogelijk te beperken. Gelet op de huidige druk op de opvangcapaciteit kan echter niet worden voorkomen dat bewoners meerdere keren moeten verhuizen.
Op dit moment hebben 18 oud-medewerkers (en hun gezinnen waar van toepassing) een huis toegewezen gekregen. De overige wachten nog op huisvesting.
Bent u het ermee eens dat het pijnlijk is dat deze oud-medewerkers van de ambassade een deel van de vergoeding moeten inleveren, die zij bij hun ontslag kregen voor hun jarenlange dienst voor de ambassade, vanwege het feit dat zij tien maanden na aankomst nog geen vast woonadres hebben, en dat dit ook pijnlijk is omdat zij vanwege dit werk voor Nederland in gevaar kwamen en derhalve geëvacueerd moesten worden?
Net als anderen die gebruik maken van de asielopvang in Nederland zijn de oud-medewerkers conform de REBA-regeling (regeling eigen bijdrage asielopvang met inkomen en vermogen) een eigen bijdrage verschuldigd als zij over een inkomen of vermogen van meer dan EUR 13.010,– voor een echtpaar of gezin of EUR 6.505,– voor een alleenstaande beschikken. Onder deze bedragen is geen eigen bijdrage verschuldigd. De ontslagvergoedingen die de oud-medewerkers hebben ontvangen liggen boven de vermogensgrens van EUR 6.505,– respectievelijk EUR 13.010,–.
BZ heeft alle medewerkers ruim voor hun vertrek uit Afghanistan voorlichting gegeven over de opvang door het COA in Nederland en de daarbij geldende eigen bijdrage. De eigen bijdragen zijn nu aan de orde, omdat de oud-medewerkers pas recent beschikken over een BSN-nummer en daarmee de mogelijkheid van het openen van een bankrekening.
Alle oud-medewerkers ontvangen een ontslagvergoeding die ruimhartig is te noemen. Een geringe eigen bijdrage conform de REBA-regeling is reëel en gerechtvaardigd, mede in het licht van alle gedane en nog lopende inspanningen die BZ als voormalig werkgever heeft gedaan.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze mensen hun ontslagvergoeding niet hoeven in te leveren en derhalve het besluit terug te draaien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 6.
De hint van premier Johnson dat hij uit het Europees mensenrechtenverdrag dreigt te stappen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boris Johnson hints at leaving human rights convention over Rwanda row»?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van premier Johnson dat hij overweegt «sommige wetten te veranderen» om migranten naar Rwanda te kunnen sturen?
Tot dusver is geen uitvoering gegeven aan het voornemen van de Britse regering om vreemdelingen uit te zetten naar Rwanda. Hiermee handelt het Verenigd Koninkrijk in lijn met de voorlopige maatregel, opgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Het kabinet is bekend met het Britse ingediende wetsvoorstel, de Bill of Rights, die de verhoudingen tussen het EHRM en de Britse nationale rechtspraak ingrijpend wijzigt. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen gedurende het parlementaire goedkeuringsproces nauwgezet.
Bent u bekend met het artikel «Tory MPs Demand Boris Johnson Withdraws UK From European Court Of Human Rights» uit the Huffington Post van 15 juni 2022?
Ja.
Hoe kijkt u nu terug op uw antwoord op mijn vraag van 25 april jl. over de uitlevering van Assange en uw oordeel over of de waarborgen die een goede rechtsgang zouden moeten garanderen zijn veranderd sinds Brexit?
Het Verenigd Koninkrijk is en blijft ook na diens terugtrekking uit de EU gebonden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gemeenschappelijke toewijding aan mensenrechten staat genoemd in de eerste paragraaf van de preambule bij de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst die de EU en het VK gesloten hebben. Bovendien is in deze overeenkomst vastgelegd dat het opzeggen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gevolgen kan hebben voor de samenwerking op gebied van wetshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken. In de zaak Assange ga ik er vanuit dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen naleeft.
Deelt u de mening dat een mogelijk vertrek van het VK uit het Europees mensenrechtenverdrag een gevaarlijk precedent schept voor de andere landen die bij dit verdrag zijn aangesloten en die in de toekomst ook op de vingers getikt kunnen worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen?
Ik betreur de kritiek die in het Verenigd Koninkrijk in regeringskring is geuit over het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, des te meer omdat het VK een van de tien landen is die in 1949 de Raad van Europa hebben opgericht. Deze kritiek doet afbreuk aan het Hof, dat te maken heeft met zesenveertig partijen met elk hun eigen rechtstradities. Het VK geeft aan verdragspartij bij het EVRM te blijven en het kabinet zal in nauwe samenwerking met gelijkgezinde landen binnen de Raad van Europa blijven monitoren of de daarbij behorende verplichtingen worden nagekomen.
Bent u bekend met het artikel «Priti Patel accused of trying to deport former Iranian police officer to Rwanda» uit the Guardian van 7 juni?
Ja.
Hoe kijkt u nu terug op uw antwoord op mijn vraag van 25 april jl. over de uitlevering van Assange en uw oordeel over of de waarborgen die een goede rechtsgang zouden moeten garanderen nog in plaats zijn sinds de beslissing over het al dan niet uitleveren van Assange bij de Minister van Binnenlandse Zaken is gelegd; diezelfde Minister die, zoals uit bovenstaand artikel blijkt, een Iraanse politieman die weigerde lukraak op demonstranten in Iran te schieten en minderjarigen uit Rwanda onrechtmatig wilde uitzetten?
Mijn antwoord op uw vraag van 25 april jl. is ongewijzigd, zie ook mijn antwoord op vraag 4. Daarbij wil ik benadrukken dat de Nederlandse overheid nog steeds het vertrouwen heeft in het onafhankelijke en onpartijdige karakter van de Britse rechtspraak waarin ook de rechten van politieke vluchtelingen worden geborgd. Het kabinet blijft, in nauwe samenwerking met gelijkgezinde partners binnen de Raad van Europa, dit proces volgen om dit beeld bevestigd te zien.
Deelt u de mening dat de rechten van politieke vluchtelingen niet altijd worden gewaarborgd door de Minister van Binnenlandse Zaken van het VK?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid u uit te spreken tegen het onzorgvuldig en onrechtmatig uitzetten van vluchtelingen door het Verenigd Koninkrijk naar Rwanda, dit over te brengen aan uw Britse ambtsgenoot en in EU-verband steun voor dit standpunt te verwerven?
Ik heb geen aanwijzingen dat onrechtmatige uitzettingen van vluchtelingen vanuit het VK naar Rwanda plaatsvinden. Het kabinet is zeer gehecht aan de naleving van het internationaal recht, inclusief door de partijen bij het VN vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het kabinet kaart schendingen van internationaal recht aan, bilateraal en in de daarvoor geëigende multilaterale fora.
Bent u nu bereid u uit te spreken tegen uitlevering van Assange naar de VS door de Minister van Binnenlandse Zaken van het VK?
Zie het antwoord op vraag 2 en 7. Echter, wanneer zou blijken dat het VK internationaal recht schendt, zal het kabinet dit aankaarten op zowel bilateraal als internationaal niveau, in nauwe samenspraak met internationale partners. Ik heb bijvoorbeeld een ander Brits wetsvoorstel (the Northern Ireland Protocol Bill) waarmee – indien aangenomen – het VK zijn eigen internationaalrechtelijke verplichtingen niet nakomt, scherp veroordeeld.
Het bericht 'Rusland knijpt ook gaskraan naar Duitsland af, olieprijs naar 125 dollar per vat' |
|
Faissal Boulakjar (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Gazprom heeft besloten om 40% minder gas te leveren aan Duitsland?1
Ja, dat klopt. Zoals ik in mijn brieven van 20 juni en 21 juli jl. heb toegelicht hebben zich sinds 16 juni 2022 ook nadere ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot de toevoer van gas naar Duitsland via de Nord Stream 1 leiding. Op moment van schrijven van de brief van 21 juli jl. was sprake van een toevoer op 40% van de capaciteit.
Hebt u vermoedens om aan te nemen dat het hier geen technisch onderhoud betreft maar een (geo)politieke manoeuvre?
Het onderhoud aan Nord Stream 1 tussen 11 en 21 juli 2022 betrof een gepland onderhoud dat van te voren was aangekondigd en voorzien. In algemene zin geldt echter, dat Rusland het al dan niet leveren van gas inzet als economisch wapen tegen Europa. Dit is, zoals benoemd in de brief van 21 juli, op 20 juli aangegeven door de Europese Commissie.
Deelt u de opvatting dat als het een technisch onderhoud betreft een tijdsindicatie voor de duur van dit onderhoud relatief eenvoudig te maken zou moeten zijn (door Gazprom)?
Ja, normaliter zijn zowel tijdstip als duur van gepland onderhoud goed te voorspellen en ook op voorhand bekend. Dit ligt anders indien onderhoud dient plaats te vinden als gevolg van een incident, maar ook dan zou het mogelijk moeten zijn om tijdsindicatie te geven.
Zo ja, wat zegt het feit dat Gazprom niets zegt over de duur het onderhoud?
Voor de meest recente informatie over de levering via Nord Stream 1 verwijs ik naar de brief van 21 juli 2022.
Hoelang verwacht u dat de verminderde levering zal aanhouden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de Minister van Economische Zaken van Duitsland heeft gezegd dat dit geen implicaties heeft op de leveringszekerheid voor Duitsland?2
De Duitse Minister van Economische Zaken heeft inderdaad gezegd dat de verminderde levering op dit moment geen gevolgen heeft voor de leveringszekerheid van gas in Duitsland. Zoals in de brief van 21 juli jl. is toegelicht, geldt wel dat wanneer de gastoevoer niet verder opwaarts wordt bijgesteld in de komende periode, de gevolgen hiervan eerst en vooral door Duitsland zullen worden gemerkt.
Heeft de verminderde levering implicaties voor het verder vullen van de Nederlandse gasopslagen?
Zoals in de brieven van 20 juni, 5 juli en 21 juli jl. is toegelicht, verloopt het vullen van de gasopslagen vooralsnog voorspoedig en zijn er vooralsnog geen directe implicaties voor het vullen van de Nederlandse opslagen.
Heeft dit implicaties voor het verder vullen van de opslagen in Duitsland?
Ik kan geen uitspraken doen over de eventuele vulgraden van Duitsland.
Als afgeleide hiervan, wat zijn de implicaties van het achterblijven van Duitse vulgraden voor Nederland?
Als Duitsland er uiteindelijk niet in slaagt haar gasbergingen voldoende te vullen voorafgaan aan de aankomende winter heeft dat niet direct gevolgen voor Nederland. Wel neemt de kans dan toe dat Duitsland komende winter een fysiek gastekort zal hebben. In het geval van een fysiek gastekort kan Duitsland, nadat het zelf verregaande maatregelen heeft genomen zoals het afsluiten van niet door solidariteit beschermde afnemers (o.a. industrie, mkb, scholen), een beroep doen op solidariteit van haar buurlanden waaronder Nederland. De vulgraad van de gasbergingen is niet de enige factor die de kans op een fysiek gastekort bepaalt, ook de aanvoer via pijpleidingen uit andere landen, zoals Noorwegen, en LNG-import over zee spelen een rol.
Kunt u bevestigen dat een explosie heeft plaatsgevonden bij de «Freeport» vloeibargas producent in de Verenigde Staten?3
Ja, ik ben op de hoogte van het incident bij de Freeport LNG-terminal. De laatste berichten zijn dat de installatie in oktober gedeeltelijk kan worden opgestart.
Wanneer verwacht u dat de faciliteit weer tot volledige productiecapaciteit is gekomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u in gaan op de contractuele relaties van Nederlandse bedrijven actief in gasopslag of gasleveringen?
Nee, dit betreft bedrijfsvertrouwelijke, commerciële contracten.
Welke implicaties heeft dit voor de Nederlandse ambities ten aanzien van het aantrekken van additioneel vloeibaar gas en in het verlengde daarvan, het vullen van de Nederlandse gasopslagen?
Het is aan de marktpartijen die LNG-importcapaciteit gecontracteerd hebben of contracteren om ook LNG-volumes in te kopen op de wereldmarkt. Het wegvallen van Freeport maakt de wereldmarkt voor LNG (tijdelijk) krapper. Het is niet te zeggen in hoeverre dit gevolgen heeft voor de mate waarin partijen die in Nederland importcapaciteit hebben gecontracteerd moeilijker (of tegen een hogere prijs) LNG-volumes kunnen inkopen voor zover zij dat niet al hadden gedaan. Partijen die de Nederlandse gasopslagen vullen kopen dat gas in op de Europese gasmarkt. Dat kan gas zijn uit diverse bronnen waarvan geïmporteerd LNG er slechts één is. Zo lang er voldoende gas kan worden ingekocht op de Europese gasmarkt, is het mogelijk om de gasopslagen te vullen. In de brieven van 20 juni en 21 juli jl. ben ik nader ingegaan op de ontwikkelingen rondom het verdubbelen van de LNG-importcapaciteit in Nederland, nog voor aankomende winter. Gasunie heeft op 1 augustus jl. bericht dat de gehele capaciteit (8 miljard m3) van de drijvende LNG-terminal in Eemshaven inmiddels is gecontracteerd4.
Zij-instromers die moeilijkheden ervaren om aan de slag te gaan in het onderwijs. |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er gemotiveerde en capabele mensen zijn die als leraar willen zij-instromen in het onderwijs, maar niet worden aangenomen bij scholen, omdat het zij-instroomtraject bij pabo-opleidingen slechts twee keer per jaar begint?1
In de twitterlijn naar aanleiding waarvan uw Kamer vragen heeft gesteld, meldt een potentiële zij-instromer dat hij niet is aangenomen omdat de opleiding slechts twee keer per jaar start. Wij begrijpen dat dit tot vragen leidt, want we hebben iedereen die geschikt is om leraar te worden, hard nodig.
Het is mij bekend dat er verschillen zijn in het aannamebeleid van zij-instromers door schoolbesturen. Wij verwachten dat het door de verhoging van het subsidiebudget voor het begeleiden en opleiden van zij-instromers aantrekkelijk wordt voor schoolbesturen om zij-instromers aan te nemen.2 Daarnaast is het zo dat eerder voor zij-instromers wordt gekozen als de nood hoog is. Eén op de drie zij-instromers start bijvoorbeeld in de G5, waar de tekorten zeer urgent zijn.3 Verder zien we dat -mede door de oplopende tekorten- in veel regio’s schoolbesturen en lerarenopleidingen steeds meer samenwerken om het proces voor zij-instromers te stroomlijnen, zodat de werving en het voortraject aansluiten bij de start van de scholing. Het aantal startmomenten voor de scholing van zij-instroom wisselt per lerarenopleiding en hangt samen met het aantal zij-instromers in een regio. Zoals in de brief die wij onlangs naar uw Kamer stuurden staat, willen wij de aanpak van de tekorten intensiveren en versnellen. We gaan regio’s stimuleren en ondersteunen, en ook aanspreken als zij onvoldoende doen om tekorten aan te pakken.
Deelt u de mening dat, gezien het lerarentekort en de grote opgaven waar scholen voor staan, zij-instroom niet beperkt moet zijn tot slechts twee momenten per jaar?
We delen dat de startmomenten zoveel als mogelijk moeten aansluiten bij de behoeften van zij-instromers, van de schoolbesturen en de mogelijkheden binnen de lerarenopleidingen. Daarom is het van belang dat schoolbesturen en lerarenopleidingen regionaal samenwerken zodat de werving en het voortraject van zij-instromers aansluit op de start van de scholing. We stimuleren dit onder meer met de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort. Soms werken lerarenopleidingen met losse modules waar zij-instromers in de tussentijd alvast mee kunnen starten. Dit alles is erop gericht om zo flexibel mogelijk aan te sluiten bij wensen van zij-instromers en scholen maar tegelijkertijd ook recht doen aan de mogelijkheden van de lerarenopleidingen om een goed aanbod te organiseren.
Wat vindt u ervan dat hierdoor sommige zij-instromers worden betaald als onderwijsassistent in plaats van als docent?
Zij-instromers met een geschiktheidsverklaring behoren uiteraard een aanstelling te krijgen als leraar, inclusief het salaris van een leraar, niet als onderwijsassistent. In de cao po zijn door de sociale partners afspraken opgenomen over het aanstellen van zij-instromers. Precieze inschaling is mede gebaseerd op eerdere werkervaring. Om zij-instromers al voor het geschiktheidsonderzoek te binden, zien we dat zij-instromers tijdens het doorlopen van het voortraject eerst een aanstelling krijgen als onderwijsassistent en vervolgens na het behalen van de geschiktheidsverklaring een aanstelling krijgen als leraar. Zij-instromers die de (verkorte) lerarenopleiding volgen, kunnen tijdens de studie een aanstelling krijgen als onderwijsassistent, niet als leraar. Met de verhoging van het salaris van leraren verwachten wij dat dit ook een positief effect heeft op de afweging van zij-instromers om de overstap naar het onderwijs te maken.
Deelt u de mening dat dit lagere salaris zij-instromers kan weerhouden van de overstap naar het onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om de doorlopende instroom van zij-instromers te bevorderen?
We bevorderen de zij-instroom op verschillende manieren. Zoals opgenomen in de recente Kamerbrief Lerarenstrategie (1 juli 2022)4 wordt de subsidie van zij-instromers van € 20.000,– naar € 25.000,– verhoogd. Naar verwachting zullen hierdoor meer schoolbesturen een zij-instromer in beroep in dienst nemen. Door het verlengen van de Regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP-regeling) – waarin partijen in de regio worden gefaciliteerd en gestimuleerd om het personeelstekort in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs gezamenlijk aan te pakken – is het ook voor schooljaar 2022/2023 mogelijk voor besturen en lerarenopleidingen om gezamenlijk afspraken te maken, passend bij de behoefte van de regio om bijvoorbeeld zij-instromers te werven en te begeleiden en te investeren in het voortraject van zij-instromers. Tenslotte hebben wij met de lerarenopleidingen afspraken gemaakt in het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst.
Welke stappen neemt u om het voor schoolbesturen makkelijker te maken om zij-instromers aan te nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen zij-instromers, die vol enthousiasme en passie voor de klas willen staan, in dit traject zoveel mogelijk te ondersteunen en wilt u toelichten hoe u denkt dat te gaan doen?
Natuurlijk ondersteunen we zij-instromers, die vol enthousiasme en passie willen overstappen naar het onderwijs. Dit doen we op verschillende manieren. Zij-instroom is voor ons een belangrijke schakel in de aanpak van de tekorten in het onderwijs. We ondersteunen zij-instromers met de subsidie zij-instroom, die zoals aangegeven wordt verhoogd van € 20.000,– naar € 25.000,–. Met deze subsidie kunnen besturen zij-instromers laten scholen en begeleiden. Daarnaast investeren we in zij-instroom met de middelen uit het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen. In het bestuursakkoord zijn afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst. Tevens is via het Onderwijsloket en via de regionale onderwijsloketten de informatievoorziening voor zij-instromers over het opleidingenlandschap verbeterd. Vanuit de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP) is geïnvesteerd in deze regionale onderwijsloketten. Binnen een aantal RAP-regio’s wordt tevens geïnvesteerd in wervingsactiviteiten en begeleiding voor zij-instromers. Het opleiden van zij-instromers doet een groot beroep op de begeleidingscapaciteit door scholen en opleidingen. Met deze investeringen stellen we hen in staat om voor zij-instromers de benodigde ondersteuning goed in te richten. Naast deze investeringen in zij-instroom hebben we recent een werkagenda opgesteld waarin staat opgenomen dat we met onze partners afspraken maken over de verbetering en flexibilisering van zij-instroom.5
Getroffen maatregelen op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Bart van Kent (SP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het Toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de «Reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken» van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan vóór het naar buiten komen van het Toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van sms’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)/Wet open overheid (Woo) verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Defensie naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek c.q. onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert; kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige consequenties en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet (Kamerstuk 35 510, nr. 4 en Kamerstuk 35 510, nr. 95)?1
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten2 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,3 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.4 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt5 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.6 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans7 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»8 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.9 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.10 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»11 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»12 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?2
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.14 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.15
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.17
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.18 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen (Kamerstuk 35 925-III, nr. 30)?3
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?4
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.21
Openbaarmaking van documenten in de RWE-claimzaak. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wanneer worden het verzoek tot arbitrage, de aanklacht en het schaderapport openbaar gemaakt?
De inzet van Nederland is om zo veel mogelijk transparantie in de arbitrageprocedures te geven. Daarom wil Nederland zo snel mogelijk alle processtukken die door partijen bij het Arbitragetribunaal worden ingediend, openbaar maken.
Hierover zijn afspraken gemaakt. In Procedural Order no. 1 is een regime opgenomen dat voorziet in de snelle openbaarmaking van alle stukken die in het geding worden gebracht, inclusief getuigenverhoren, producties en verslagen van de hoorzittingen.1 Het verzoek tot arbitrage hoort hier strikt genomen niet bij.
Bent u van mening dat RWE de belofte nakomt om «zo open mogelijk» te zijn, in lijn met de uitspraken van de heer Miesen tijdens het rondetafelgesprek over het Energy Charter Treaty van 2 juni, waarin hij zei «We will try to be as open as possible. We have to be a bit careful in this case, because there are rules not only from the arbitrage, but also the Dutch government has a say in what’s made public and what is not made public» en de uitspraak in de brief die hij na afloop stuurde, waarin hij schreef «Ingeval partijen het over een bepaald document of passage niet eens worden leggen zij de vraag over publicatie daarvan ter beoordeling voor aan het Tribunaal»? Waarom wel of niet?
De inzet van de Nederlandse regering is om deze arbitrageprocedures zo transparant mogelijk te voeren, o.a. door zo veel mogelijk informatie openbaar te maken.2
Op 28 december 2021 heeft Nederland RWE verzocht tot openbaarmaking van het verzoek tot arbitrage, de memorial en alle producties, waaronder het schaderapport en ombouwanalyse.
Op grond van Artikel 25 van Procedural Order no. 1 is het publiceren van deze stukken toegestaan, nadat tussen partijen overeenstemming is bereikt over eventueel noodzakelijke redacties. Bijna een half jaar later, is het spijtig te constateren dat hierover geen overeenstemming is bereikt, ondanks de herhaaldelijke verzoeken en suggesties vanuit Nederland om de stukken zo snel mogelijk te kunnen publiceren.
Als hierover geen overeenstemming tussen de partijen kan worden bereikt, kan het arbitragetribunaal gevraagd worden om over de openstaande punten te beslissen. Nederland heeft RWE op 15 juni een finale deadline gegeven en verzocht om de betreffende stukken uiterlijk 20 juni openbaar te maken of anders de zaak aan het tribunaal voor te leggen. RWE heeft op 20 juni aangegeven tot overeenstemming te kunnen komen en de stukken kunnen nu dus snel worden gepubliceerd.
Een dergelijk lange procedure om stukken openbaar te maken, is niet in het belang van het proces noch in lijn met de procedure zoals voorgeschreven in Procedural Order no. 1. In de nationale procedures publiceert de Staat zijn eigen stukken in ieder geval om ook deze procedures op een zo transparant mogelijke wijze te voeren.3
Vindt u dat de Nederlandse overheid alles doet voor een «zo transparant mogelijk» proces, in lijn met de belofte voor een «zo transparant mogelijk» proces, onder andere bij monde van uw voorganger in de brief van 4 februari 2021 (Kamerstuk 35 570-XIII, nr. 77)? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er verschil van mening tussen RWE en de Nederlandse overheid over welke documenten of passages openbaar moeten worden de reden dat openbaarmaking zo lang duurt? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de commissievergaderingen Energieraad en Klimaat & Energie op 22 juni?
Getroffen maatregelen op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u, naar aanleiding van de kabinetsbrief waarin wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, toelichten welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid motiveren?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet? en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Binnenlandse Zaken naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties en wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Op welke wijze is de 780 miljoen euro die beschikbaar is gekomen om de informatiehuishouding bij de rijksoverheid op orde te brengen tot stand gekomen? Welke onderbouwing is voor deze investering aangeleverd?
De basis voor de investering in het op orde brengen van de informatiehuishouding (Open op Orde) is gebaseerd op de Kosten Baten Analyse van het Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatie (RDDI) aangevuld met kosten voor ontwikkeling/bestendiging van een aantal stelselpartijen, zoals het Nationaal Archief, de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.
Het RDDI heeft in 2019 opdracht gekregen van het Ministerie van OCW en BZK om onderzoek te doen naar de kosten voor de rijksoverheidsorganisaties om de informatiehuishouding Rijksbreed te verbeteren en naar de baten daarvan. Voor deze Kosten-Baten Analyse is een berekening opgesteld op basis van het bij rijksoverheidsorganisaties realiseren van emailarchivering, websitearchivering, berichtenapp gebruik en archivering, openbaar maken van documenten, ontwikkeling van WOB tooling, een awareness campagne «medewerker aan informatie» en de Programmakosten per rijksoverheidsorganisatie. Deze analyse is uitgevoerd in het najaar van 2019 en heeft een berekening van de totale kosten voor de rijksoverheid opgeleverd.
De analyse betrof meer dan 165 organisatie-eenheden met in totaal circa 290.000 medewerkers. Daarbij is gebleken dat er sprake was van grote verschillen qua omvang, aard en organisatievorm. Aantallen medewerkers per organisatie variëren van enkele tientallen tot tienduizenden. Ook de aard van de werkzaamheden loopt sterk uiteen: beleidsmatig, projectmatig, procesgericht, onderzoek en fysieke uitvoering.
Uit de actieplannen blijkt dat niet alle ambities met de beschikbare middelen gerealiseerd kunnen worden. De consequenties van het verschil tussen vraag en budget beschrijven we in het geactualiseerde Generieke Actieplan «Open op Orde» dat in het vierde kwartaal naar Uw Kamer wordt gestuurd.
Klopt het dat er vier actielijnen zijn uitgezet naar aanleiding van de reactie op het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, zo ja wat is de stand van zaken van deze actielijnen? Kunt u de Kamer informeren over de sturingsinformatie die hierover beschikbaar is?
Het klopt dat voor het verbeteren van de informatiehuishouding vier actielijnen zijn benoemd. Dit zijn de actielijnen van het generieke actieplan Open op Orde:
Professionals,
Volume en aard van informatie,
Informatiesystemen,
Bestuur en naleving.
Op 21 september 2021 is een voortgangsrapportage24 naar uw Kamer gestuurd. Daarin is aangekondigd om uw Kamer via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk periodiek te blijven informeren. Op 17 december 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de benoeming van de heer Arre Zuurmond als regeringscommissaris Informatiehuishouding25. Op 18 mei 2022 is de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 202126 naar uw Kamer gestuurd.
Op welke manier kunnen de Kamer en de samenleving de voortgang of vertraging van de voornemens volgen?
De stukken die genoemd zijn onder vraag 9, zijn naar uw Kamer gestuurd en zijn daarmee openbaar (via o.a. rijksoverheid.nl).
Kunt u tevens aangeven hoe de Kamer zicht kan houden op de besteding van de 780 miljoen euro en in hoe haar budgetrecht is vormgegeven?
In de voorjaarsnota die 28 mei 2021 naar uw Kamer is gestuurd is 780 miljoen voor de periode 2021 t/m 2026 opgenomen en in de begroting van BZK verwerkt. Na beoordeling van de bij BZK ingeleverde actieplannen, is iedere (Rijks)overheidsorganisatie verantwoordelijk voor verantwoording over de gerealiseerde doelen en bestedingen. De eerste tranche voor 2021 ad € 104 miljoen is verdeeld via de najaarsnota. Via de voorjaarsnota 2022 zijn de structurele basisbudgetten verdeeld. De bestedingen van de middelen zijn opgenomen in de financiële verantwoording binnen de eigen programma’s van de rijksoverheidsorganisaties en op totaalniveau in ieders departementale verantwoordingen. Rijksbreed is de verantwoording opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering rijksoverheid. De begroting van BZK, de voor- en najaarsnota en de financiële verantwoording worden door uw Kamer vastgesteld.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over de planning, roadmap en activiteiten en wilt u in uw antwoord meenemen hoe u de Kamer ook direct informeert als er iets te melden is?
Op 6 april 2021 is het generieke actieplan Open op Orde naar uw Kamer gestuurd27. Het geactualiseerde generieke actieplan Open op Orde zal in het vierde kwartaal van 2022 naar uw Kamer worden verzonden, daarin zijn de planning, roadmap en activiteiten opgenomen en zal ook worden ingegaan op de voortgang. Daarnaast heeft de Minister-President tijdens het debat met uw Kamer op 19 mei jl. toegezegd ook de departementale actieplannen openbaar te maken. Die worden op korte termijn naar u toegestuurd. Daarnaast wordt u jaarlijks via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk geïnformeerd. We zijn aan het onderzoeken hoe we een rijksbreed dashboard kunnen vormgeven. De verbetering van de Informatiehuishouding is onderdeel van het programma Open Overheid. Zo is de verbinding gelegd tussen een belangrijk doel van het verbeteren van de informatiehuishouding: het sneller openbaar kunnen maken van informatie, bijvoorbeeld bij een WOO-verzoek. Indien nodig zal ik u via de periodieke brieven van het programma Open Overheid informeren, waar Open op Orde onderdeel van is.
Welk mandaat en welke plannen heeft de regeringscommissaris Informatiehuishouding precies gekregen en kunt u aangeven welk werkplan de regeringscommissaris heeft vastgesteld? Kunt u het werkprogramma en de doelstellingen van de benoeming naar de Kamer sturen?
«De taken van de regeringscommissaris Informatiehuishouding zijn vastgelegd in het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding.28 Dit betreft o.a. de taak om de voortgang van het generiek actieplan Open op Orde en de daaronder vallende departementale actieplannen te bevorderen, de ministeries daarop aan te spreken en waar nodig met voorstellen te komen om knelpunten op te lossen. Daarnaast speelt hij een verbindende rol tussen het Adviescollege O&I, de Inspectie O&E en de ministeries.
Bij zijn aanstelling heeft de regeringscommissaris de volgende ambities uitgesproken voor de komende jaren:
Op het gebied van gegevenshuishouding: een forse verbetering in het juiste gebruik van de correcte gegevens.
Op het gebied van documenthuishouding: ook hier een structurele verbetering van de documentenstromen binnen de overheid (oftewel vindbaar, beschikbaar en traceerbaar).
Uitgangspunt van zijn opdracht is een transformatie van de overheid en de bijdrage die een moderne informatiehuishouding daaraan kan leveren. Onderdeel hiervan is het verankeren van fundamentele beginselen in een algemene wet voor informatiebepalingen.
Hierbij geldt dat hij zijn opdracht niet beperkt ziet tot de informatiehuishouding van de rijksoverheid, maar voor de hele overheid.
De regeringscommissaris zal na de zomer zijn bevindingen sinds zijn start begin dit jaar met u delen. Hierin neemt hij ook een aantal aandachtspunten mee die onder andere input zullen zijn voor de actualisatie van het generieke actieplan Open op Orde.»
Is goed geborgd dat de regeringscommissaris en het Rijksprogramma effectief samenwerken?
«In voorbereiding op het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding is zorgvuldig gekeken naar de sturing en het toezicht op de verbetering van de informatiehuishouding door de verschillende actoren die hier een rol in spelen, waaronder het Rijksprogramma. Dit is uitgewerkt in de brief van 22 oktober 202129 aan uw Kamer.
In de praktijk is er intensief contact tussen de regeringscommissaris en de programmamanager van Open op Orde (en andere relevante programma’s) en wordt de regeringscommissaris op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het programma.»
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.31
Het onderzoek naar oversterfte en de beschikbaarheid van data |
|
Pieter Omtzigt |
|
Kuipers |
|
Herinnert u zich de heel precieze vragen over de beschikbaarheid van data (Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-data, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)-data over vaccinatie, Dutch Hospital Data (DHD)-data over comorbiditeit en VECTIS-verzekeringsdata) voor het onderzoek naar oversterfte, die gesteld zijn in het schriftelijk overleg over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?1
Ja.
Hebben de onderzoekers, die het onderzoek gedaan hebben dat op 26 juni gepresenteerd wordt, toegang gehad tot de gekoppelde databestanden, zodat zij voor elk overlijden de vaccinatiestatus, demografische gegevens, comborditeiten, een eerder vastgestelde corona-infectie (GGD)-data en VECTIS-data beschikbaar hadden voor hun onderzoek? Zo zij niet alle koppelingen hadden, kunt u dan aangeven welke koppelingen en datasets zij wel hadden?
Het CBS heeft bij het uitvoeren van het onderzoek toegang gehad tot diverse databronnen. In het bijzonder is door het CBS gebruik gemaakt van sterftecijfers, doodsoorzakengegevens (incl. comorbiditeiten), demografische gegevens en data over langdurig zorggebruik in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CBS had bij dit onderzoek geen toegang tot (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen en tot vaccinatiegegevens. Het CBS heeft toegang tot Vektis-data, maar voor het beantwoorden van de deelvragen in dit onderzoek was het gebruik van deze databron niet noodzakelijk.
Het RIVM heeft bij het uitvoeren van het onderzoek toegang gehad tot demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). Het RIVM heeft geen toegang gehad tot data van doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties. Verder was het binnen de doorlooptijd van dit onderzoek niet mogelijk om (volledig) te definiëren welke databronnen (en indelingen van variabelen) relevante comorbide aandoeningen in de gehele bevolking het beste benaderen.
De gebruikte data en methodologie in dit onderzoek zijn uitgebreid besproken met de klankbordgroep ingericht door ZonMw2.
Deelt u de mening dat voor de vierde deelvraag, «in hoeverre droeg vaccinatie bij aan de totale sterfte in 2021?», het van groot belang is dat niet alleen vaccinatiedatum (en eerste, tweede vaccinatie, booster) beschikbaar zijn en de overlijdensdatum, maar juist ook andere variabelen zoals leeftijd, geslacht, gezondheidsstatus (VECTIS en DHD) en doorgemaakte infecties (via GGD of bloed)?
Het koppelen van data is niet vanzelfsprekend. Dit brengt ethische en juridische vragen en uitdagingen met zich mee, waardoor de ambitie om vele bronnen aan elkaar te koppelen niet in korte tijd kan worden gerealiseerd. Het is aan de onderzoekende partijen, zijnde het CBS en het RIVM, om de balans te bepalen bij het gebruiken van zo veel mogelijk relevante data, en aan de bronhouder om data beschikbaar te stellen. Ik deel de mening dat het van belang is dat relevante variabelen beschikbaar zijn voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag, binnen de wettelijke kaders.
Bent u ervan op de hoogte dat in andere landen uitgebreide studies gedaan zijn naar de oversterfte tijdens de pandemie door uitgestelde zorg en door andere oorzaken en dat daarvoor juist uitgebreide datasets met controlevariabelen nodig waren?2 en3
In het commissiedebat van 16 juni 2022 gaf ik aan dat ik actief in contact sta met onze buurlanden en dat ik ervan overtuigd ben dat we veel van andere landen kunnen leren om de redenen en oorzaken van oversterfte te verklaren. Daarom heb ik ZonMw gevraagd om in traject drie van het oversterfteonderzoek5 internationale ervaring en kennis met betrekking tot oversterfteonderzoek te betrekken. Naar verwachting start dit traject in juli 2022, waarin academici worden gestimuleerd onderzoek te doen.
Kunt u voor elk van de vijf te beantwoorden deelvragen in het onderzoek naar oversterfte aangeven welke datakoppelingen wel gemaakt zijn en welke van de bovenstaande gevraagde datakoppelingen en de datakoppelingen in tabel 1 van de onderzoeksopzet wel gemaakt zijn welke niet tot stand gekomen zijn in de afgelopen zes maanden?
Ja. Zie hieronder:
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het CBS gebruik gemaakt van sterftecijfers, doodsoorzakengegevens, demografische gegevens en data over langdurig zorggebruik. Er was geen datakoppeling mogelijk met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het CBS gebruik gemaakt van doodsoorzakengegevens en demografische gegevens. Er was geen datakoppeling mogelijk met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het RIVM gebruik gemaakt van demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). De resultaten zijn in het onderzoek niet gecorrigeerd voor comorbide aandoeningen en voor doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek door het RIVM is gebruik gemaakt van demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). De resultaten zijn niet gecorrigeerd voor comorbide aandoeningen en voor doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek door het CBS is gebruik gemaakt van doodsoorzakengegevens. Datakoppelingen met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen, met vaccinatiedata en met gegevens van Bijwerkingencentrum Lareb waren niet mogelijk door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Deze deelvraag vind ik heel belangrijk, maar wordt niet in dit onderzoek beantwoord. Op 10 februari 2022 is deze onderzoeksvraag en de voorgestelde aanpak om die te beantwoorden in de door ZonMw ingestelde klankbordgroep besproken. Tijdens deze sessie heeft de klankbordgroep aan de onderzoekers geadviseerd dat het voorstel van RIVM en CBS om deze vraag te beantwoorden een andere, veel meer uitgebreide benadering vraagt in termen van data, deelvragen, doorlooptijd en expertise. Om deze reden en de beschikbare tijd voor het gehele onderzoek is door het CBS en het RIVM besloten deze deelvraag niet mee te nemen in traject 2 van het oversterfte onderzoek. Het is voor academici in traject 3 mogelijk om voorstellen in te dienen om deze onderzoeksvraag te beantwoorden. Indien de begeleidingscommissie van ZonMW deze voorstellen honoreert, zullen deze door ZonMW worden gefinancierd. Het onderzoeksprogramma van traject 3 zal op de website van ZonMW worden gepubliceerd6.
Heeft het CBS kunnen beschikken over de vaccinatiedata van het RIVM voor het onderzoek?
Nee, het CBS heeft geen beschikking gehad over de vaccinatiedata van het RIVM voor het onderzoek.
Als deze databronnen in Nederland niet zijn gekoppeld, hoe kan dan worden onderzocht wat de oorzaken zijn van de oversterfte?
Ook in afwezigheid van volledige koppeling van data is er gedegen onderzoek gedaan door het CBS en RIVM. Meer informatie hier over vindt u in de appreciatie van dit onderzoek die ik in de stand van zaken brief van 4 juli jl.7 heb mee gestuurd.
Als deze databronnen in Nederland niet zijn gekoppeld voor elk van de vijf deelvragen, wat betekent dat voor de conclusies van het eindrapport van het onderzoek naar oversterfte?
De conclusies in het onderzoeksrapport zijn valide en worden ook in het onderzoeksrapport in een context geplaatst van beschikbare data en de mogelijkheden die dit biedt. Het CBS en het RIVM hebben in het eindrapport vermeld welke data zijn gebruikt en welke niet (zie ook antwoorden op vraag8. Ook worden beperkingen en het belang voor vervolgonderzoek in het rapport besproken. De implicaties van het niet kunnen inzetten van alle wenselijke databronnen zijn uitgebreid besproken met de klankbordgroep voor het onderzoek van traject twee en zijn ook uitvoerig beschreven in het rapport dat op 23 juni 2022 gepubliceerd is.
Wanneer zijn de koppelingen gereed en kunnen de onderzoeken plaatsvinden met alle controle variabelen?
Op dit moment werk ik, samen met het onder meer het RIVM, de GGD’en en het CBS, om de data in de CBS-omgeving toegankelijk te maken voor onderzoek door derden. Met LCCB en RIVM verken ik wat er voor nodig is om data met betrekking tot vaccinatiestatus en doorgemaakte infecties via het CBS toegankelijk te maken voor onderzoekers die door de begeleidingscommissie van ZonMW worden geselecteerd in traject 3. Op dit moment zijn diverse bronnen reeds beschikbaar bij het CBS9 waar onderzoekers onder strikte voorwaarden in de CBS-onderzoeksomgeving onderzoek mee kunnen doen.
Controlevariabelen uit databronnen die beschikbaar zijn bij het CBS, zullen toegankelijk zijn voor onderzoekers in de beveiligde CBS onderzoeksomgeving (Remote Acces) zodra:
(1) onderzoeksvoorstellen door ZonMw gehonoreerd zijn (de planning is om de onderzoeksvoorstellen in de tweede helft van 2022 te honoreren),
(2) de onderzoekers geaccrediteerd zijn om onderzoek te verrichten in de beveiligde onderzoeksomgeving en
(3) de benodigde databronnen beschikbaar zijn (in sommige gevallen is hiervoor per onderzoek toestemming van de bronhouders vereist).
Zodra deze procedure succesvol is doorlopen zijn relevante databronnen voor bepaalde controle variabelen, indien toegankelijk in de beveiligde CBS-onderzoeksomgeving, beschikbaar voor de onderzoeken.
Kunnen dergelijke datakoppelingen centraal worden gedaan, zodat een onafhankelijke onderzoeker maar een keer een dataverzoek hoeft in te dienen?
Dat is niet mogelijk, maar het CBS faciliteert in de CBS-onderzoeksomgeving dat onderzoekers met toegang zelf de datakoppelingen op toegankelijke wijze kunnen maken aan de hand van een generieke koppelsleutel.
Kan een maximale termijn worden gesteld tussen een data-aanvraag en het beschikbaar stellen van de opgevraagde data voor onafhankelijke onderzoekers?
Dit is niet mogelijk, aangezien er per databron verschillende procedures zijn ingericht door de partijen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het verlenen van de toestemming tot de aangevraagde data. Pas na de toestemming zal de data van de bronhouder beschikbaar kunnen worden gesteld voor een onderzoek. In het geval een complete aanvraag wordt ingediend bij het CBS en er toestemming is verkregen van databronhouders voor toegang tot specifieke datasets, vergt de doorlooptijd bij het CBS ongeveer drie weken (mits er geen sprake is van grote drukte). ZonMw zal hier per onderzoeksvoorstel rekening mee houden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en voor de dag dat het rapport verschijnt beantwoorden?
Het beantwoorden van uw vragen voor de dag dat het rapport verschenen is, is door de korte tijd tussen uw vragen en de publicatie van het rapport helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht 'Uitsluiting studenten energietoeslag is onrechtmatig, zeggen juristen' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Uitsluiting studenten energietoeslag is onrechtmatig, zeggen juristen»?1
Ja.
In hoeverre bent u van mening dat «student zijn» een gerechtvaardigde grond is om deze groep uit te sluiten van de energietoeslag via de categoriale bijzondere bijstand, ook al is dit opgenomen in een richtlijn en niet in de wet?
In het wetsvoorstel zelf worden inderdaad geen groepen uitgesloten van het recht op een eenmalige energietoeslag, ook studenten niet. Wel heb ik ter bevordering van een uniforme uitvoering van de eenmalige energietoeslag gemeenten via de landelijke richtlijnen geadviseerd studenten als categorie uit te sluiten van het recht op een eenmalige energietoeslag. Daarvoor bestaat naar mijn oordeel een gerechtvaardigde en in principe ook juridisch houdbare reden. De woonsituatie van studenten is namelijk zeer divers, ook voor wat betreft de energiekosten. Ongeveer de helft van de studenten woont nog thuis bij de ouders en heeft dus geen eigen energierekening. Voor een aanzienlijk deel gaat het bij uitwonende studenten bijvoorbeeld om kamerbewoners, met een huurprijs inclusief energiekosten. Vanwege deze diversiteit in woonsituatie acht ik voor deze doelgroep de individuele bijzondere bijstand een geschikter instrument dan de categoriale bijzondere bijstand. Op deze wijze komt de financiële ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand uitsluitend terecht bij de studentenhuishoudens die het daadwerkelijk nodig hebben.
Overigens geldt er voor jongeren tot 21 jaar een wettelijke onderhoudsplicht voor de ouders.
Bestaat er een risico dat gemeenten beroepszaken zullen verliezen omdat zij de richtlijn vanuit het ministerie naleven?
Zoals ik in het vorige antwoord heb toegelicht, bestaat er naar mijn oordeel een gerechtvaardigde en in principe ook juridisch houdbare reden om studenten uit te sluiten van het recht op een eenmalige energietoeslag. Gemeenten beschikken over beleidsvrijheid bij het toekennen van de energietoeslag.
Het gelijkheidsbeginsel brengt met zich dat een gemeente bij de vormgeving van het beleid bij de eenmalige energietoeslag en bij de uitvoering ervan moet waarborgen dat mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien een betrokkene beroep instelt tegen een individueel besluit tot afwijzing van de eenmalige energietoeslag, zal de rechter onder andere toetsen of het besluit leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
Erkent u dat studenten, net als andere burgers, te maken kunnen krijgen met een hogere energierekening?
Afhankelijk van hun woonsituatie kunnen ook studenten te maken krijgen met een hogere energierekening.
Hoeveel studenten hebben naar schatting te maken met een hogere energierekening en wat is hun gemiddelde toegenomen last?
Ik kan niet aangeven hoeveel studenten te maken hebben met een hogere energierekening. Ongeveer de helft van de studenten woont thuis bij de ouders en heeft dus geen eigen energierekening. Ik heb geen beeld van het aantal uitwonende studenten dat een zelfstandige of gedeelde energierekening heeft en mogelijk een financieel probleem zou hebben als gevolg van de sterk gestegen energieprijzen. Duidelijk is wel dat de woonsituatie van studenten zeer divers is, ook voor wat betreft de energiekosten.
Op basis waarvan is de afweging gemaakt dat studenten vanwege hun diverse woonsituatie geen recht hebben op de categoriale bijzondere bijstand?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel studenten hebben reeds bij gemeenten een aanvraag voor bijzondere bijstand gedaan naar aanleiding van de hogere energielasten?
Het is mij niet bekend hoeveel studenten op het ogenblik een aanvraag voor individuele bijzondere bijstand hebben gedaan bij hun gemeente in verband met de sterk gestegen energieprijzen.
In hoeverre is het aannemelijk dat studenten in aanmerking komen voor individuele bijzondere bijstand, rekening houdend met de voorwaarden die hieraan verbonden zijn?
De verlening van bijzondere bijstand is zowel financieel als beleidsmatig gedecentraliseerd aan de gemeenten. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand zijn de gemeenten gehouden aan de wettelijke kaders van de Participatiewet. Eén van die kaders betreft de in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet opgenomen regel dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.
Bij een aanvraag wordt allereerst getoetst of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, of die kosten in dat geval noodzakelijk zijn en of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De voorwaarden voor het recht op individuele bijzondere bijstand verschillen per gemeente. Dit geldt ook voor de individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen. Binnen een gemeente gelden er in beginsel voor studenten geen andere voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand dan voor andere burgers.
Als het college van burgemeester en wethouders bovengenoemde vragen bevestigend beantwoordt, toetst het college of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Bij het bepalen van het inkomen voor studenten moet het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 in aanmerking worden genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud.2 Dat schrijft artikel 33, eerste lid, van de Participatiewet voor. Dit is namelijk een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet, omdat daarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Het is vaste rechtspraak dat het niet-afsluiten van een rentedragende lening – met als gevolg daarvan een lagere draagkracht – niet kan worden afgewenteld op de bijstand.3 Dit betekent overigens niet dat een student gehouden is om maximaal te lenen bij DUO; het afzien van deze mogelijkheid levert de student echter geen hoger recht op bijstand op.
In hoeverre is naar studenten actief gecommuniceerd dat ook zij aanspraak kunnen maken op de individuele bijzondere bijstand?
Ik ga op korte termijn in overleg met de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en gemeenten om te bezien in hoeverre de website van DUO benut kan worden om studenten te wijzen op de mogelijkheid van individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen.
De voorwaarden voor het recht op individuele bijzondere bijstand verschillen per gemeente. Dit geldt ook voor de individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen. De voorlichting zal niet dan ook niet anders dan algemeen kunnen zijn.
In hoeverre wordt er met verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties gesproken over het isoleren van woningen?
Vanuit het Rijk is er veelvuldig contact met verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zit regelmatig om tafel met Kences, de LSVb, UNL, stichting LOS, Nuffic, VH, de kennissteden, The Class Foundation en Vastgoed Belang. Met al deze partijen wordt het nieuwe Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting opgesteld dat in september aan uw Kamer zal worden aangeboden.
Ook duurzaamheid in combinatie met betaalbare studentenwoningen krijgt daarin een plek. In het reguliere overleg worden onderwerpen zoals duurzaamheid besproken en concreet opgepakt door degene die als verantwoordelijke wordt opgenomen in het landelijk actieplan. Zo is dit onderwerp niet alleen bij de verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties geadresseerd, maar hebben ook de gemeenten een verantwoordelijkheid waar het gaat over informatievoorziening met betrekking tot een duurzame studentenwoning.
Parallel hieraan lopen twee beleidstrajecten die invloed kunnen hebben op de isolatiestaat van studentenwoningen. Zo worden met woningcorporaties prestatieafspraken gemaakt over het uitfaseren van huurwoningen met slechte energielabels (E, F en G). Dit raakt ook zelfstandige studentenwoningen. Daarnaast wordt in het kader van de modernisering van het woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen onderzocht of de isolatie van onzelfstandige studentenwoningen beter gestimuleerd kan worden door toevoeging van het energielabel.
Welke mogelijkheden ziet u om jongeren en studenten die te maken hebben met een hogere energierekening en hogere prijzen door inflatie te ondersteunen?
Het kabinet heeft aanvullende maatregelen omtrent de koopkracht en de stijgende energieprijzen voor dit jaar getroffen. In het bijzonder verlaagt het kabinet de btw op de energierekening per 1 juli 2022 van 21 naar 9 procent. Daarnaast heeft het kabinet eind vorig jaar de energiebelastingen verlaagd. Ook jongeren en studenten hebben profijt van deze maatregelen.
Bent u bereid om samen met de studentenorganisaties te bekijken hoe de voorlichting van studenten over de individuele bijzondere bijstand te verbeterd kan worden?
Ik ben met gemeenten in gesprek over de knelpunten die zij ervaren met de energietoeslag en de positie van studenten. Ik wil daarbij ook de signalen betrekken van gemeenten die aangeven een goed uitvoerbare werkwijze ten aanzien van studenten te hebben. Aan de hand van de uitkomsten zal ik bezien in hoeverre de communicatie naar studenten nog aangepast moet worden en welke rol studentenorganisaties daarbij kunnen vervullen.
Jonge mantelzorgers |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending De Week van Gelderland van Omroep Gelderland d.d. 10 juni 2022, in het bijzonder het item over jonge mantelzorgers?1
Ja.
Deelt u ook de mening dat Nederland niet zonder mantelzorgers kan, zij van grote waarde zijn voor onze samenleving, en we dus zuinig op hen moeten zijn?
Ja, die mening deel ik. Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde in onze samenleving.
Herkent u de situatie dat jonge mantelzorgers, zoals de 13-jarige Jesse, niet altijd worden gezien of «in beeld» zijn? Welke signalen ontvangt u daar zelf over en van wie?
Ja, die herken ik. Maatschappelijke bewustwording blijft een belangrijk aandachtspunt als het gaat om mantelzorg. Van verschillende organisaties zoals JMZ Pro, MantelzorgNL, Stichting Werk & Mantelzorg, VNO-NCW en mantelzorgers zelf ontvang ik deze signalen. De signalen richten zich voornamelijk om meer in te zetten op bewustwording en ondersteuning van jonge mantelzorgers in het algemeen, maar ook specifiek in het onderwijs en op de werkvloer. Veel jonge mantelzorgers zijn zich er niet bewust van dat ze mantelzorger zijn en dat ze om ondersteuning kunnen vragen daarbij.
Hoeveel jonge mantelzorgers (onder de 25 jaar) telt Nederland naar schatting?
In Nederland verleent naar schatting 1 op de 4 jongeren mantelzorg2.
Bent u op de hoogte van de knelpunten die jonge mantelzorgers kunnen ervaren? Welke zijn dat?
Verschillende organisaties hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan om de knelpunten die jonge mantelzorgers ervaren in beeld te brengen. Uit het recente rapport van het SCP over jonge mantelzorgers in 2022 is een aantal knelpunten benoemd, en ook in het onderzoekrapport van het Trimbos-Instituut.3 De knelpunten die jonge mantelzorgers voornamelijk kunnen ervaren zijn:
Is voldoende duidelijk waar jonge mantelzorgers behoefte aan hebben als het gaat om bijvoorbeeld aandacht en ondersteuning? Zo ja, waaruit bestaat deze behoefte? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Door de vele onderzoeken die de afgelopen jaren zijn gedaan en de input die jonge mantelzorgers hebben gegeven, is er een voldoende duidelijk beeld ontstaan waar jonge mantelzorgers in geholpen kunnen worden. Het vergroten van de maatschappelijke bewustwording van mantelzorg is daar een belangrijke opgave in om het begrip, de waardering en de ondersteuning voor jonge mantelzorgers te vergroten. Dat vergt onze gezamenlijke aandacht. Dit wil zeggen dat ook op scholen, op de werkvloer en in de wijk meer aandacht moet zijn voor jonge mantelzorgers.
Naast bewustwording is ook handelingsperspectief van belang. De kennis over waar mantelzorgers in algemene zin behoefte aan hebben, betekent nog niet dat er daadwerkelijk ook iets verandert aan hun individuele situatie. Uiteindelijk is het die ene docent, sportcoach, goede vriend of een medewerker van de gemeente of andere organisatie die kan zien wat het verschil kan maken bij de jonge mantelzorger die zij kennen.
De Mantelzorglijn en de Landelijke Luisterlijn vervullen een belangrijke rol als het gaat om het bieden van een luisterend oor, zodat de mantelzorger gehoord wordt en eventuele praktisch info en tips meekrijgt. Ook lotgenotencontact, ontspanning en meer kennis en vaardigheden in het verlenen van mantelzorg is een behoefte die uit het eerder genoemde SCP-rapport (2022) naar voren is gekomen.
Welke ondersteuning specifiek gericht op jonge mantelzorgers is er thans beschikbaar? Hoe wordt hier gebruik van gemaakt?
Elke gemeente heeft beleid gericht op het ondersteunen en waarderen van mantelzorgers dat past bij de lokale situatie. In de gemeente Amsterdam is er bijvoorbeeld het coachingsprogramma «en nu jij» waar jonge mantelzorgers individuele begeleiding kunnen krijgen of in contact kunnen komen met lotgenoten. In de gemeente Lelystad wordt een luisterend oor aangeboden, maar ook allerlei activiteiten, trainingen en uitstapjes. Jonge mantelzorgers kunnen daar ook gekoppeld worden aan een maatje en/of lotgenoten. Daarnaast zijn er mantelzorgsteunpunten in veel gemeenten waar jonge mantelzorgers terecht kunnen voor ondersteuning. De wijze waarop hier gebruik van wordt gemaakt verschilt per gemeente, per ondersteuningsvorm.
Naast het lokaal aanbod is er ook landelijke ondersteuning, zoals het bieden van een luisterend oor door hulplijnen als de Mantelzorglijn, de Landelijke Luisterlijn en De Kindertelefoon. JMZ Pro ontvangt subsidie van VWS om maatschappelijke bewustwording, samenwerking, kennisdeling en het uitwisselen van ervaringen te bevorderen voor jonge mantelzorgers. Dat wordt gedaan door het bieden van een professioneel netwerk aan mensen die in de praktijk werkzaam zijn met en voor jonge mantelzorgers. Met deze subsidie wordt o.a. de organisatie van de Week van de Jonge Mantelzorger, de coördinatie van de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger, een klankbordgroep van jonge mantelzorgers en de pilot mantelzorgvriendelijke school mogelijk gemaakt.
Op welke manieren kunnen jonge mantelzorgers en hun gezin gevonden worden door bijvoorbeeld de gemeente, bijvoorbeeld door betere vroegsignalering? Welke organisaties kunnen daar een rol bij spelen? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Door als samenleving meer naar elkaar om te zien, kunnen jonge mantelzorgers eerder gezien en gehoord worden. Docenten, werkgevers, buren, kennissen en vrienden kunnen daar een rol in spelen door het gesprek met jonge mantelzorgers aan te gaan en ze bijvoorbeeld tijdig te informeren over de beschikbare ondersteuning. Vorig jaar is er met de bewustwordingscampagne #deeljezorg ingezet op het bespreekbaar maken van zorgen die mensen hebben.
Daarnaast biedt vroegsignalering op scholen goede mogelijkheden, doordat school een plek is waar aanwezigheid, prestaties en het welzijn van leerlingen zichtbaar is. Met de pilot mantelzorgvriendelijke school is op twintig scholen, in samenwerking met lokale jonge mantelzorgconsulenten, ingezet om jonge mantelzorgers zichtbaar te maken, eerder te signaleren en ondersteuning te bieden waar nodig. De pilot is uitgevoerd op scholen van het niveau primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het MBO. Als resultaat is o.a. naar voren gekomen dat het onderwijsteam op school jonge mantelzorgers snel kon herkennen en eventueel doorverwijzen, leerlingen herkenden zichzelf ook in de rol van jonge mantelzorgers en het thema werd opgenomen in het schoolplan. Er worden momenteel gesprekken gevoerd met JMZ Pro over een eventuele uitbreiding van de pilot.
Op welke manieren kunnen gemeenten helpen de regie en positie van jonge mantelzorgers en hun gezin te versterken? Kunnen jonge mantelzorgers bijvoorbeeld praktische ondersteuning krijgen bij de zorg voor een ziek gezinslid? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Gemeenten kunnen jonge mantelzorgers en hun gezin helpen door in gesprek met ze te gaan en passende ondersteuning en begeleiding te bieden. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door jonge mantelzorgconsulenten en/of onafhankelijke cliëntondersteuners. In de gemeente Nijmegen zijn mantelzorgconsulenten voor jonge mantelzorgers die een luisterend oor bieden, maar ook kunnen meedenken over de inzet van een regeling in de thuissituatie, zoals respijtzorg en/of huishoudelijke hulp om de jonge mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten. Daarnaast zijn in veel gemeenten sociale wijkteams, zoals in de gemeente Zaanstad waar het Sociaal Wijkteam Wormerveer jonge mantelzorgers ondersteuning kan bieden.
Op welke manieren kunnen gemeenten en/of scholen jonge mantelzorgers de mogelijkheid geven tijdelijk geen zorgtaken te hoeven doen? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Gemeenten kunnen respijtzorg bieden, zodat de jonge mantelzorger tijdelijk kan worden ontlast van de zorgtaken en een vrijwilliger of professional de zorg kan overnemen. De vrijwilliger of professional kan bijvoorbeeld tijd doorbrengen met het broertje of zusje die een beperking heeft of toezicht houden op iemand met dementie.
Op welke wijze zet u in op het bevorderen van maatschappelijke bewustwording, zodat er op grote schaal begrip voor jonge mantelzorgers en hun knelpunten wordt gecreëerd?
Wat ik vanuit VWS doe is bijdragen dat er kennis en bewustwording over het jong mantelzorger zijn en dat bijvoorbeeld scholen en werkgevers deze kennis ook hebben. Hier komt bijvoorbeeld de pilot «een mantelzorgvriendelijke school» uit voort. Daarnaast wordt er sinds 2020 in opdracht van VWS de Week van de Jonge Mantelzorger georganiseerd. Tijdens de Week vinden in het hele land fysieke en online activiteiten plaats gericht op bewustwording, herkenning en erkenning.
Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van VWS een richtlijn voor professionals gemaakt hoe zij beter de jonge mantelzorger kunnen steunen en eventueel doorverwijzen.
Wat gaat u deze kabinetsperiode doen om de situatie van en voor jonge mantelzorgers te verbeteren? Bent u bereid hierover met de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, maar ook met jonge mantelzorgers zelf, in gesprek te gaan en de Kamer hierover vóór Prinsjesdag 2022 te informeren?
Ik zal voor de begrotingsbehandeling van VWS een brief naar de Kamer sturen met daarin de visie van het kabinet op mantelzorg en de inzet voor verbetering voor de komende kabinetsperiode. De vraagstukken en beleidsopgave voor jonge mantelzorgers zullen daarin worden meegenomen. Partners uit de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, zoals JMZ Pro en MantelzorgNL, hebben hier ook input voor geleverd.
Een suikertaks |
|
Jeanet van der Laan (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken tijdens het commissiedebat Leefstijlpreventie op 24 maart jongstleden: «In het coalitieakkoord is eigenlijk de meest eenvoudige maatregel getroffen, namelijk de bestaande belasting meteen verhogen. U heeft gelijk dat dat leidt tot een aantal neveneffecten die we nu niet kunnen repareren. Ik zie hier bijvoorbeeld flesjes water op tafel staan. Het is misschien goed om te zeggen dat water daarmee ook wat duurder wordt. Het is namelijk de meest simpele belastingmaatregel die getroffen is en die ook opgenomen is in het coalitieakkoord, waar ook de financiële effecten van zijn doorgerekend»?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de in het coalitieakkoord luidende afspraak: «We verhogen de belasting op suikerhoudende dranken», niet uitgaat van de meest eenvoudige maatregel?
De afspraak «We verhogen de belasting op suikerhoudende dranken» is gebaseerd op het gebruikmaken van de bestaande verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ik vind dit een eenvoudige maatregel omdat de bestaande belasting slechts hoeft te worden verhoogd.
Deelt u de mening dat een suikerbelasting die leidt tot duurdere flesjes water geen suikerbelasting is?
Die mening deel ik. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verhoogd per 1 januari 2023. Dit leidt ertoe dat de belasting op de gehele huidige grondslag toeneemt. Dat betekent dat ook de belasting op – kort gezegd – mineraalwaters wordt verhoogd. Die verhoging is tijdelijk.
In de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord staat namelijk ook dat het kabinet voornemens is om met ingang van 1 januari 2024 mineraalwater niet langer deel uit te laten maken van de grondslag van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Het gaat hierbij meer specifiek om water, natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater, zonder toegevoegde suiker(s) of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd.
Deelt u de mening dat een effectieve suikerbelasting zou moeten leiden tot het minder consumeren van suikerhoudende producten?
Ja, die mening deel ik.
Deelt u de mening dat het verhogen van de prijs van flesjes water tezamen met andere dranken niet leidt tot minder verbruik van suikerhoudende dranken?
Die mening deel ik niet. Ik verwacht dat een verhoogde prijs van suikerhoudende dranken wel leidt tot minder verbruik van suikerhoudende dranken.
Kunt u uitleggen op welke wijze een verhoging van de verbruiksbelasting op niet-alcoholische dranken en mineraalwaters, past bij de preventie- en gezondheidsdoelstellingen van het kabinet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het kabinet voornemens om mineraalwater per 1 januari 2024 uit te zonderen van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Met deze wijziging beoogt het kabinet de consumptie van mineraalwater als gezonde optie te stimuleren en consumptie van ongezonde alcoholvrije dranken te ontmoedigen. Het was niet uitvoerbaar om de waters met ingang van 1 januari 2023 uit te zonderen van deze belasting.
Het kabinet wil gezonde voedselkeuzes stimuleren en ongezonde keuzes ontmoedigen. Prijsmaatregelen kunnen hieraan bijdragen.
Bent u bekend met de Britse suikertaks waarbij gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op basis van het suikergehalte? Zo ja, bent u bereid om in de Nederlandse suikerbelasting ook een tariefdifferentiatie naar hoeveelheid suiker op te nemen? Zo nee, waarom niet? Indien dit uitvoeringsvraagstukken met zich brengt, kunt u toelichten op welke wijze tariefdifferentiatie wel mogelijk is?
Ja, ik ben hiermee bekend. In de recent aan uw Kamer verzonden brief over het «Plan van aanpak prijsmaatregelen voeding» is aangekondigd dat een onderzoek zal worden uitgevoerd naar of, en zo ja hoe, tariefdifferentiatie kan worden toegepast binnen de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zodat gezondere keuzes prijstechnisch worden gestimuleerd en ongezonde(re) keuzes prijstechnisch worden ontmoedigd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 4 juli aanstaande en ieder afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De noodzaak tot het wettelijk verankeren van zaakstoedeling in de rechtspraak |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De regeling van toedeling van zaken aan rechters»?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, dit artikel is mij bekend. Ik heb het met veel interesse gelezen en vind het van grote waarde dat er in de rechtswetenschappelijke literatuur, waaronder dit artikel, aandacht is voor eventuele mogelijkheden de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak verder te versterken. Het is immers een belangrijk fundament van onze rechtsstaat.
Deelt u de mening dat zaakstoedeling de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid beïnvloed en dat rechters daarom altijd aselect moeten worden toebedeeld aan zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel de mening dat een objectief en transparant systeem van zaakstoedeling, waarin zaken worden toebedeeld op basis van objectieve, transparante en controleerbare criteria, een wezenlijk element is van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Dit betekent echter niet dat alle zaken aselect moeten worden toebedeeld. Uitgangspunt van internationale standaarden, zoals het rapport van the European Commission for Democracy through Law (Venice Commission)2 en de standaard voor de zaakstoedeling van het Europese Netwerk van Raden voor de rechtspraak3, is dat zaken binnen gerechten in beginsel neutraal en willekeurig worden toebedeeld aan rechters. Wanneer zaken niet aselect worden toebedeeld, moeten de criteria op basis waarvan zaken in dat geval worden toebedeeld, objectief, transparant en controleerbaar zijn. De deskundigheid en ervaring van rechters, maar ook de werkbelasting, kan daarbij een rol spelen.
Bent u het met de auteur eens dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) inderdaad heeft vastgesteld dat het ontbreken van een wettelijke regeling voor zaakstoedeling een inbreuk vormt op artikel 6 EVRM? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van op 1 december 2020 gestelde schriftelijke vragen van uw Kamer4 over de code zaakstoedeling heb ik onderzocht of het EHRM-arrest Miracle Europe KFT t. Hongarije5 noodzaakt tot nadere wettelijke verankering van de door de Rechtspraak ontwikkelde Code zaakstoedeling. De rechtspraak van het EHRM vereist een systeem voor zaakstoedeling op basis van objectieve, transparante en controleerbare criteria. Uit de rechtspraak van het EHRM vloeit echter niet onverkort de eis voort dat de criteria op basis waarvan de toedeling van zaken plaatsvindt, bij wet in formele zin moeten zijn gecodificeerd. Ook uit de internationale standaarden blijkt expliciet dat nadere regels opgesteld door de rechtspraak zelf, met een grondslag in de wet, volstaan. In het hiervoor genoemde rapport van the Venice Commission valt te lezen: «To sum up, the Venice Commission strongly recommends that the allocation of cases to individual judges should be based to the maximum extent possible on objective and transparent criteria established in advance by the law or by special regulations on the basis of the law, e.g. in court regulations.» Deze nadere regels zijn in dit geval de landelijk opgestelde Code zaakstoedeling en de door de gerechtsbesturen vastgestelde en inmiddels gepubliceerde regeling voor zaakstoedeling in de bestuursreglementen.
Deelt u de mening dat de Code zaakstoedeling geen enkele juridische betekenis heeft omdat het wordt vastgesteld in de vergadering van de presidenten van de gerechten, terwijl die vergadering geen wettelijke verankering kent?
Artikel 20, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de rechterlijke organisatie geeft het gerechtsbestuur de opdracht om een bestuursreglement vast te stellen dat nadere regels bevat inzake de toedeling van zaken aan de leden van de enkelvoudige en meervoudige kamers. Dat is, conform het genoemde artikel, gebeurd in de op 1 april 2021 in werking getreden bestuursreglementen, waarbij waar mogelijk rekening is gehouden met de (landelijke) Code zaakstoedeling. Deze Code zaakstoedeling is door de presidenten en de Raad voor de rechtspraak opgesteld uitsluitend met het oog op de gewenste coördinatie en samenhang in de totstandkoming. De Code zaakstoedeling doet niet af aan de eigenstandige wettelijke bevoegdheid van het gerechtsbestuur nadere regels op te stellen voor de toedeling van zaken aan de leden van de enkelvoudige en meervoudige kamers.
Bent u bereid een wetsvoorstel aan de Staten-Generaal toe te zenden om de Code zaakstoedeling wettelijk te verankeren van rechtbanken, gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad?
Met verwijzing naar mijn beantwoording van bovenstaande vragen, en met verwijzing naar de antwoorden op de eerder gestelde schriftelijke vragen van 1 december 2020, acht ik het niet noodzakelijk een wetsvoorstel in te dienen dat strekt tot een nadere wettelijke verankering van de door de Rechtspraak opgestelde regels voor de toedeling van zaken.
Hoe kijkt u aan tegen het Duitse model zoals door de auteur geschetst?
Op hoofdlijnen is dit model mij bekend. De federale structuur van de Bondsrepubliek Duitsland, waarin de rechtspraak wordt uitgeoefend door federale rechtbanken en de rechtbanken van de zestien deelstaten, verschilt in belangrijke mate van de organisatie van de rechtspraak in Nederland. De vraag of een model naar Duits voorbeeld zich leent voor toepassing in Nederland kan daarom niet op voorhand worden beantwoord. Ik ben daarom voornemens een rechtsvergelijkende inventarisatie te laten doen naar zaakstoedelingsregelingen in voor Nederland relevante EU-lidstaten, waarbij ook gekeken zal worden naar het Duitse model zoals in het artikel wordt beschreven.
Bent u in ieder geval bereid in objectieve criteria vast te leggen welke zaken niet aselect te hoeven worden toebedeeld in artikel 4 van de Code? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zal de Raad voor de rechtspraak vragen om de werking van de door de Rechtspraak opgestelde regels voor de toedeling van zaken te evalueren, 2 jaar na inwerkingtreding van de Code Zaakstoedeling (inwerkingtreding: 1 april 2021). Ik kan mij voorstellen dat het mogelijk is de regels op onderdelen verder te verfijnen nadat er enige tijd met de Code is gewerkt. Ik zal de Raad voor de rechtspraak vragen bij deze evaluatie specifiek in te gaan op het in vraag 7 genoemde punt. Over de uitkomsten van de evaluatie en van de hiervoor genoemde rechtsvergelijkende inventarisatie zal ik met de Raad voor de rechtspraak in gesprek gaan en uw Kamer hierover informeren.
Woonwagenbewoners die op zwarte lijsten staan bij gemeenten. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woonwagenbewoners op zwarte lijst bij gemeenten: nationale waakhond doet onderzoek»?1
Ja.
Klopt het dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid deze lijsten heeft opgesteld? Zo ja, wat wordt er in dit kader onder woonwagenbewoners verstaan en deelt u de mening dat dit moet stoppen?
De checklist is niet door het Ministerie van Justitie en Veiligheid opgesteld. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is opgesteld door de landsadvocaat in opdracht van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) en besproken in een klankbordgroep waarin gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid hebben deelgenomen. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is op 20 februari 2020 door de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer verzonden.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft mij laten weten dat de checklist onderdeel uitmaakt van het Model Privacy Protocol Binnengemeentelijke gegevensdeling bij de aanpak van ondermijning (hierna: modelinformatieprotocol). Dit modelinformatieprotocol is bedoeld als handleiding en maakt inzichtelijk op welke wijze op dit terrein binnen een gemeente rechtmatig de informatiedeling kan worden ingericht. Aan de hand van de checklist kunnen signalen (op grond van een aantal kenmerken en indicatoren) worden beoordeeld. Het modelinformatieprotocol is opgesteld naar het voorbeeld van het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. De checklist is ook overgenomen uit het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. Ten tijde van het opstellen van het modelinformatieprotocol golden woonwagencentra in Rotterdam als een handhavingsknelpunt.2 Dit betekende dat het in Rotterdam van belang was om alert te zijn ten aanzien van signalen die hierop betrekking hadden. Doordat de checklist van Rotterdam is overgenomen, zijn bewoners van woonwagencentra, naast eigenaren en huurders, ook opgenomen in de checklist van het modelinformatieprotocol. Overigens met de uitdrukkelijke kanttekening dat de checklist «vanzelfsprekend» kan worden aangepast al naar gelang de eigen gemeentelijke praktijk en ervaringen. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van gemeenten – om desgewenst met behulp van het modelinformatieprotocol en de checklist – binnen de bestaande wettelijke kaders gegevens uit te wisselen.
Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het zijn van een woonwagenbewoner een fundamentele uiting is van iemands identiteit en dat daarmee het bijhouden van lijsten van woonwagenbewoners waarin zij in verband worden gebracht met veiligheidsdreigingen een vorm is van etnisch profileren? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 14 december 20213 bent u geïnformeerd over het mensenrechtelijk toetsingskader dat het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft opgesteld. Daarin staan de juridische maatstaven om te bepalen wanneer risicoprofielen leiden tot (directe of indirecte) discriminatie op grond van de ras (waaronder etniciteit valt) of nationaliteit.
Het College hanteert volgens dit toetsingskader een ruime definitie van het begrip «ras». Zo vallen woonwagenbewoners die zich «van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur» volgens het College ook onder het begrip «ras».
Uit het toetsingskader komt duidelijk naar voren dat etniciteit nooit als enige of doorslaggevende criterium gebruikt mag worden en dat een onderscheid dat mede gebaseerd is op etniciteit slechts in uitzonderlijke situaties objectief gerechtvaardigd kan zijn. Daar moeten volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Onomstotelijk moet worden aangetoond dat het onderscheid niet alleen geschikt is om een legitiem doel te bereiken, maar tevens noodzakelijk is.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in dit toetsingskader. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en discriminatie is verboden. Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het stigmatiserend en discriminerend is dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan? Zo ja, kunt u uw antwoord nader toelichten en daarin meenemen hoe u hiertegen zult optreden? Zo nee, waarom niet?
Dat woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, als groep worden genoemd op de checklist ten behoeve van signaalanalyse is verkeerd en draagt bij aan stigmatisering.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in het toetsingskader van het College. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en daarom kunnen afkomstgerelateerde criteria niet of alleen in uitzonderlijke gevallen en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden toegepast.
De Minister van Justitie en Veiligheid zal het SBO (als opdrachtgever van het modelprotocol) verzoeken de checklist aan te laten passen, waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Worden er nog meer lijsten gebruikt in Nederland die discriminerend en/of stigmatiserend zijn voor woonwagenbewoners?
Een uitputtend overzicht waar risicoprofilering wordt gebruikt binnen de overheid is er op dit moment niet. De Staatssecretaris van BZK coördineert nu de uitvoering van het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s.4 (hierna Motie#21). Onderdeel van dit onderzoek is het stopzetten van het gebruik ervan en het opruimen van vervuilde data binnen de overheid. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd door middel van de tweede voortgangsrapportage. Op 25 mei is over dit onderwerp een technische briefing geweest. In oktober van dit jaar volgt de volgende voortgangsrapportage over de uitvoering van deze motie.
Kunt u uitsluiten dat woonwagenbewoners vanwege deze lijst onterecht of onevenredig hard in verband zijn gebracht met zware criminaliteit ten opzichte van andere inwoners en dat ze hierdoor ook benadeeld zijn geweest?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn geen signalen bekend dat het gebruik van de checklist heeft geleid tot een werkwijze van gemeenten waarbij individuele burgers zijn opgenomen in een registratie. Noch dat het modelinformatieprotocol in bredere zin daaraan heeft bijgedragen of dat hiervan voorheen sprake was.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de woordvoerder van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) Michel de Vroege «op woonwagenkampen spelen veel zaken die het daglicht niet kunnen verdragen» stigmatiserend is? Zo ja, bent u bereid om ervoor te zorgen dat hij deze woorden inslikt en excuses maakt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie (CCV) is geen onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het is een onafhankelijke stichting die ten doel heeft veiligheidsproblemen in kaart te brengen en op te lossen. Verantwoordelijkheid voor eventuele uitspraken ligt bij het CCV.
Het Ministerie van JenV heeft mij laten weten te erkennen dat het benoemen als groep van woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, op de checklist ten behoeve van signaalanalyse verkeerd is en draagt bij aan stigmatisering. Zoals aangegeven is de Minister van Justitie en Veiligheid voornemens de checklist aan te laten passen waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Is het u bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen door de overheid, bijvoorbeeld in het geval van Bibob-beleid van gemeenten, doorzoekingen of beleid dat zonder medeweten van betrokkenen wordt opgesteld? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Het is mij bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen. Het mensenrechtelijke toetsingskader van het College waarover uw Kamer is geïnformeerd bij brief van 14 december 20215 biedt hier een belangrijk instrument waaraan overheidsorganisaties zorgvuldig moeten toetsen. Met de toepassing van dit instrument voorkomt de overheid discriminatoir handelen.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat voor institutioneel racisme geen plek is in onze samenleving en dat overheidsorganisaties hierbij het goede voorbeeld moeten geven. Discriminatie kan en mag niet. Het non-discriminatiebeginsel uit het eerste artikel van onze Grondwet is daar heel helder over. De overheid heeft daarbij een belangrijke voorbeeldrol. Een eerlijke en onbevooroordeelde behandeling staat aan de basis van het vertrouwen in de overheid.
Het kabinet heeft hiervoor reeds maatregelen getroffen. Zo is bijvoorbeeld de ondersteunende capaciteit van het College versterkt om trainingen te bieden aan medewerkers van uitvoeringsinstanties om hun eigen vooroordelen te herkennen, wordt momenteel uitvoering gegeven aan het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van Motie#21 en is het kabinet bezig de positie van de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) te versterken. Rond de zomer wordt het Nationaal Programma van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) verwacht. Daarin is een integraal beeld van alle beleidsplannen en nieuwe voornemens opgenomen.
Vakantieparken die mogelijk misbruikt worden door criminelen om hun geld wit te wassen |
|
Sandra Beckerman (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over vakantieparken die mogelijk misbruikt worden door criminelen om hun geld wit te wassen?1
Ja.
Hoe kan het volgens u dat criminelen zo’n stevige grip hebben gekregen op vakantieparken en andersoortige recreatieobjecten? Sinds wanneer speelt dit probleem en wat heeft u de afgelopen jaren gedaan om dit probleem aan te pakken?
Uit het RIEC-rapport waar in het artikel aan wordt gerefereerd blijkt dat de afgelopen jaren de vraag naar recreatief vastgoed is gestegen. Ook de coronamaatregelen hebben aan de vraag naar recreatiewoningen een stimulans gegeven. Door de sterk toegenomen vraag naar (en prijs van met name luxere) recreatieobjecten is het zowel voor bonafide, als voor malafide partijen aantrekkelijk om in deze vastgoedmarkt te investeren. Zie voor meer informatie het RIEC-rapport.2
Bij gemeenten, provincies, Rijk en andere betrokken organisaties staat dit probleem al geruime tijd op het netvlies. In de interbestuurlijke Actie-agenda vakantieparken (2018–2020, resp. 2021–2022)3 is de aanpak van deze problematiek een belangrijke doelstelling: «Veilige vakantieparken met bonafide ondernemers waarbij situaties van overlast, criminaliteit en andere ondermijnende activiteiten worden voorkomen en beëindigd.» Vanwege de integrale aanpak van de problematiek op vakantieparken is de Actie-agenda een brede agenda, waar verschillende ministeries bij betrokken zijn, waaronder Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid, Economische Zaken en Klimaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De acties op het terrein van veiligheid en de aanpak van ondermijning zijn met name gericht op het beter in beeld krijgen van de betreffende parken en meer inzicht in de problematiek, op meer bewustwording onder bestuurders en een steviger agendering, en op het vergroten van het handelingsperspectief. Daartoe zijn er bijvoorbeeld regionale leerkringen georganiseerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en door Platform31, en ook landelijke (digitale) kennisbijeenkomsten. Verder zijn er handreikingen ontwikkeld om partijen te ondersteunen bij de aanpak en is er een website opgericht voor professionals waar publicaties, onderzoeken, handreikingen en instrumenten te vinden zijn4. Recent is ook een barrièremodel gepubliceerd. Dit model maakt inzichtelijk welke barrières opgeworpen kunnen worden om ondermijning op vakantieparken tegen te gaan en om in een vroeg stadium het criminele circuit in de kiem te smoren.5
Het bestrijden van criminaliteit met betrekking tot vakantieparken is daarnaast onderdeel van de brede aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In de brief aan uw Kamer van 26 april jl. heb ik u hierover geïnformeerd.6
Wat vindt u ervan dat de burgemeester van Arnhem, heer A. Marcouch, tevens voorzitter van het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) voor een landelijke aanpak pleit en de bevindingen alarmerend noemt?
De bevindingen in het RIEC-rapport zijn zorgelijk. Er wordt al in een landelijke aanpak, waar de heer Marcouch voor pleit, voorzien. Er wordt met alle betrokken ministeries gezamenlijk gewerkt aan de landelijke Actie-agenda (zie antwoord op vraag7, 8. Hierin is de aanpak van georganiseerde criminaliteit een van de doelstellingen, waaronder ook het tegengaan van witwassen valt.
Waarom worden de koop en verkoop van chalets en stacaravans niet geregistreerd in het Kadaster? Zou hier een oplossing voor het probleem in zitten?
In de Basisregistratie Kadaster (BRK) wordt alleen de koop en verkoop geregistreerd van onroerend goed. In de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bestaat wel de mogelijkheid voor gemeenten om verplaatsbare objecten in beeld te brengen door standplaatsen en ligplaatsen aan te wijzen. Op die manier ontstaan er voor objecten, zoals chalets en stacaravans, adressen, zodat de objecten vindbaar zijn en personen die er permanent verblijven in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven kunnen worden. In het kader van de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 is een traject gestart om op vakantieparken de informatiepositie voor gemeenten te verbeteren. Om beter zicht te krijgen op parken worden gemeenten door een extern bureau ondersteund om adresseerbare verblijfsobjecten en standplaatsen van een adres te voorzien en te registreren in de BAG. Het Ministerie van BZK heeft voor de uitvoering van dit BAG-traject eind 2021 een financiële bijdrage beschikbaar gesteld aan alle provincies. Op initiatief van de provincies zijn er de afgelopen periode in diverse provincies voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor gemeenten. Eerdere kennis en ervaringen die zijn opgedaan in de provincie Gelderland worden hierbij benut.9
Ik wil het resultaat van deze actie uit de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 eerst af te wachten en vervolgens bezien in hoeverre er nog steeds knelpunten optreden bij het beter zicht krijgen op vakantieparken en hoe die kunnen worden opgelost. In het kader van de eindrapportage van de Actie-agenda wordt uw Kamer hierover begin 2023 geïnformeerd.
Hoe kan het dat aan- en verkoop van chalets, stacaravans en parken veelal kan met contant geld? Zijn campingeigenaren dan wel eigenaren van chalets en stacaravans verplicht om melding te maken van verdachte transacties bij de Financial Intelligence Unit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gebeurt dit naar uw inschatting ook vaak genoeg en als dit niet genoeg gebeurt waar komt dit volgens u dan door?
Verschillende private instellingen zijn als poortwachters van het financiële stelsel verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het werk dat private instellingen in dit kader verrichten heeft een preventieve werking om het financiële stelsel «schoon» te houden en te voorkomen dat zij betrokken raken bij voornoemde criminaliteitsvormen. Het betreft banken, andere financiële ondernemingen en (rechts)personen of vennootschappen die handelen in het kader van hun beroepsactiviteiten (zie artikel 1a Wwft). Onder de laatste groep vallen onder meer accountants, administratiekantoren, notarissen, advocaten, makelaars, trustkantoren en beroeps- of bedrijfsmatig handelen in goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer. De Wwft is gebaseerd op de internationale standaarden van de Financial Action Task Force en de Europese anti-witwasrichtlijn. Campingeigenaren dan wel eigenaren van chalets en stacaravans zijn daarin niet genoemd.
Uit navraag bij FIU-Nederland blijkt dat zij regelmatig signalen met betrekking tot vakantieparken ontvangen van meldingsplichtige instellingen, met name van banken, notarissen en accountants. Uit een zoekslag in de data van de FIU-Nederland blijkt dat het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties met een relatie naar vakantieparken, campings en chalets/stacaravans de afgelopen jaren is gegroeid. De FIU-Nederland heeft over de afgelopen vijf jaar ruim 300 ongebruikelijke transacties gerelateerd aan vakantieparken, campings en chalets/stacaravans verdacht verklaard en ter beschikking gesteld aan de (bijzondere) opsporingsdiensten. Daarbij wordt door de FIU-Nederland opgemerkt dat deze transacties niet alleen kunnen zien op witwassen, maar ook op fraude en andere onderliggende delicten van witwassen.
Kunt u verduidelijken waar aan gedacht moet worden als gesproken wordt over «betalingen die door gewiekste constructies vaak moeilijk zijn te traceren»? Moet hierbij gedacht worden aan constructies die de betrokkenheid vragen van notarissen, advocaten, trustkantoren, et cetera? Zo ja, hoe kan het dat deze dienstverleners zich dan klaarblijkelijk laten lenen voor het witwassen van criminele gelden?
Bij georganiseerde criminaliteit kunnen (rechts)personen betrokken zijn die het criminele proces al dan niet bewust faciliteren. Het rapport noemt een achttal facilitators die betrokken kunnen zijn bij criminele investeringen in vakantieparken, te weten de notaris, taxateur, makelaar, financiële dienstverleners, beleggingsinstellingen, advocaat, accountant en administratiekantoren, en het openbaar bestuur.10 Voor al deze (rechts)personen en organisaties geldt dat zij alert moeten zijn dat wat hen wordt gevraagd niet wordt gebruikt voor georganiseerde criminaliteit, of het nu een juridische of financiële dienst betreft, of het verlenen van een vergunning. De risico-indicatoren die in het rapport worden genoemd bieden daarvoor goede handvatten.
Ook merk ik op, zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, dat veel potentiële facilitators, zoals advocaten, notarissen, trustkantoren en andere instellingen, poortwachters zijn van het financiële stelsel. Zo moeten zij op grond van de Wwft en voor trustkantoren ook de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt) cliëntenonderzoek verrichten en ongebruikelijke transacties melden bij de FIU-Nederland.
Daarnaast verwijs ik naar de geactualiseerde National Risk Assessment (NRA) witwassen, waarin risico’s op witwassen periodiek worden geïdentificeerd door betrokken publieke én private partijen. Uit de geactualiseerde NRA uit 2019 blijkt dat criminele gelden verhuld kunnen worden door witwassen via onder meer (complexe) juridische entiteiten en constructies, zoals door gebruik te maken van allerlei soorten rechtsvormen.11 Om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische entiteiten en constructies verwijs ik naar de concrete maatregelen, zoals opgenomen in het plan van aanpak witwassen van 30 juni 2019.12
Is het RIEC-rapport voor u aanleiding om de vakantieparkensector beter te reguleren dan wel om beter toezicht te gaan houden op deze sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier(en)?
Het is primair aan de gemeenten om toezicht te houden op vakantieparken en te handhaven ter voorkoming en bestrijding van criminele activiteiten. In het kader van de Actie-agenda vakantieparken ondersteunen het Rijk, provincies en kennisinstellingen gemeenten hierbij met leerkringen, kennisbijeenkomsten, handreikingen, workshops, etc. Het RIEC-rapport is een bevestiging van het belang om op die manier de bewustwording bij de betrokken professionals en bestuurders te vergroten en de opgedane kennis en ervaringen met elkaar te blijven delen.
In het bijzonder kan hier ook het Ariadne project worden genoemd, dat in de provincie Gelderland gemeenten adviseert en ondersteunt bij het versterken van hun informatiepositie en bij het uitvoeren van integrale controle-acties op vakantieparken. Het expertteam van Ariadne werkt samen met gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en andere partners, zoals Belastingdienst en Arbeidsinspectie.
Bent u bereid het RIEC-rapport aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het rapport is openbaar te raadplegen.13
Bent u het ermee eens dat er een stop moet komen op de opkoop van campings door roofinvesteerders, waaronder naar nu blijkt dus ook veel criminelen zitten? Kunt u reageren op de punten uit het Manifest en daarbij aangeven of deze punten in hun samenhang bezien ook zouden kunnen helpen bij het terugdringen van crimineel geld en crimineel handelen uit deze sector?2
In het genoemde manifest wordt opgeroepen om de opkoop van campings te stoppen en de recreanten en de natuur te beschermen. De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister voor Volkshuisvesting en ruimtelijke Ordening hebben recentelijk een onderzoek laten uitvoeren naar deze punten.15
Naar aanleiding van het onderzoek Opkopen Vakantieparken kunnen we concluderen dat er een afname is in het aantal jaarplaatsen en dat het opkopen van vakantieparken hier een aandeel in heeft, maar dat deze ontwikkeling een bescheiden impact heeft op de totale voorraad jaarplaatsen (de afname ligt rond de 1% per jaar). Volgens de onderzoekers varieert de impact van de transities/herstructurering van jaarplaatsen naar verhuureenheden door opkoping of andere overnamevormen op de ruimtelijke ordening en de natuur per thema. Na een transitie zijn deze parken zelf in potentie duurzamer, maar wordt het effect daarvan deels tenietgedaan door hogere aantallen en frequentie van bezoekers. Of het opkopen van vakantieparken per definitie tot een negatieve impact op de omgeving en natuur leidt is dus niet eenduidig te zeggen. Gemeenten hebben overigens goede sturingsmogelijkheden om de ontwikkelingsmogelijkheden van parken te beïnvloeden middels het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium en de bestemmingsplannen.
Het is bij transities of herstructureringen van belang om een goede balans te vinden tussen de belangen van de verhuurder en de huurder. Het Ministerie van EZK is daarom het gesprek gestart met de sector waarbij de sector wordt gevraagd om huurders beter voor te lichten over hun contract, en bijvoorbeeld een helpdeskfunctie in te richten voor vragen rondom jaarplaatsen. De Minister voor VRO zal het rapport onder de aandacht brengen van gemeenten, zodat gemeenten goed op de hoogte zijn van hun sturingsmogelijkheden. Met deze acties verwachten de ministeries dat er meer aandacht komt voor de belangen van de huurders, maar ook leefomgeving en natuur.
Uit RIEC-rapport blijkt overigens niet dat er onder investeerders die campings opkopen veel criminelen zitten. Uit het onderzoek zijn enkele voorbeelden en concrete casussen van verdachte transacties naar voren gekomen dat er sprake is van een criminele investering of het voorkomen daarvan. Ook blijkt dat het niet eenvoudig is om zicht te krijgen op criminele investeringen op vakantieparken en dat signalen lastig hard te maken zijn.
Bent u het ermee eens dat een BIBOB-aanvraag verplicht moet worden gesteld bij de aankoop van een recreatiepark? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De Wet Bibob is een instrument dat dient ter bescherming van de integriteit van de overheid, door te voorkomen dat de overheid door het verlenen van bijvoorbeeld vergunningen of het aangaan van vastgoedtransacties onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen. Dit betekent dat een bestuursorgaan zelf bepaalt wanneer het de Wet Bibob inzet. Het altijd, in alle gevallen, inzetten van de Wet Bibob is niet proportioneel. Het Bibob-onderzoek vormt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en voorkomen moet worden dat het onderzoek zonder gerede aanleiding plaatsvindt. Hoewel ik het belang van de inzet van de Wet Bibob in risicovolle branches erken, vind ik het niet nodig om de toepassing van de Wet Bibob bij (de aankoop van) recreatieparken verplicht te stellen. Ik vind het belangrijk dat bestuursorganen beleidsvrijheid hebben bij de invulling van hun discretionaire bevoegdheden. Zij kunnen het beste een risico-inschatting maken van de in hun omgeving benodigde aanpak. Met een risicogerichte en bovenal proportionele inzet van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen ervoor zorgen dat een Bibob-onderzoek plaatsvindt wanneer dit gerechtvaardigd is.
Bent u het ermee eens dat sommige gemeenten en provincies enorme steken hebben laten vallen en zich hebben laten misleiden? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
In de Rapportage Vakantieparken van het RIEC Oost-Nederland wordt ingegaan op het investeren door criminelen in vakantieparken. Ook wordt benoemd welke zogenaamde «facilitators» betrokken kunnen zijn. Het onderzoek toont echter ook aan dat het niet eenvoudig is om zicht te krijgen op criminele investeringen in vakantieparken in Oost-Nederland. Op basis van de Rapportage Vakantieparken of andere berichten kan niet geconcludeerd worden dat bestuursorganen steken hebben laten vallen of zich hebben laten misleiden. Wel is dankzij de inspanningen van het RIEC Oost-Nederland inzichtelijk gemaakt waar de risico’s zich bevinden. Dit kan bestuursorganen helpen om een betere risico-inschatting te maken en het Bibob-instrument zo nog meer gericht in te zetten.
Bent u bereid te onderzoeken welke rol gemeenten en provincies in deze opkoop van vakantieparken spelen en gespeeld hebben? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
In het onderzoek naar het opkopen van vakantieparken dat recentelijk naar uw Kamer is gestuurd, is ook gekeken naar de rol van gemeenten en provincies16. Gemeenten hebben goede sturingsmogelijkheden om de ontwikkelingsmogelijkheden van parken te beïnvloeden middels het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium en de bestemmingsplannen. Bij het inzetten van deze instrumenten worden decentrale overheden echter geconfronteerd met de lastige afweging tussen de belangen van de ondernemers en die van de huurders, waardoor hier niet altijd gebruik van wordt gemaakt. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal dit rapport onder de aandacht brengen van gemeenten, zodat gemeenten goed op de hoogte zijn van hun sturingsmogelijkheden.
Wat vindt u ervan dat lokale overheden mogelijk met criminelen samen hebben gewerkt?
Het RIEC-rapport geeft aan dat lokale overheden gevoelig kunnen zijn voor aantrekkelijke plannen voor de realisatie van nieuwe vakantieparken, maar ook voor de investering in het revitaliseren van verloederde vakantieparken, bijvoorbeeld tot nieuwe parken of woonwijken. Ook kan het openbaar bestuur, veelal onbewust, criminelen faciliteren wanneer projectplannen zonder gedegen onderzoek worden goedgekeurd, als er geen kritische houding wordt aangenomen ten aanzien van vergunningaanvragen. Het is aan de lokale bestuurders om daar alert op te zijn. Daarnaast bieden het Rijk en de provincies ondersteuning om de bewustwording bij de betrokken professionals en lokale bestuurders te vergroten en de opgedane kennis en ervaringen met elkaar te delen. Zie ook antwoord 2 en 7.
Hoe kijkt u met de kennis van nu tegen de antwoorden op de eerder gestelde schriftelijke vragen van de SP over de opkoop van de vakantieparken Meerzicht (nr. 1721) en Het Berkenven (2022Z00628)?
De Minister voor VRO staat nog steeds achter de beantwoording van de eerder gestelde schriftelijke vragen van de SP over de opkoop van de vakantieparken Meerzicht (nr. 1721) en Het Berkenven (2022Z00628). Het rapport «Opkopen vakantieparken» en de reactie daarop is op 6 juli naar uw Kamer gestuurd17. Naar aanleiding van dit onderzoek ziet de Minister geen aanleiding om de antwoorden te herzien.
Bent u het ermee eens dat de grote zorgen van standplaatshouders onvoldoende serieus zijn genomen? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zoals eerder gezegd, is het bij transities of herstructureringen van belang om een goede balans te vinden tussen de belangen van de verhuurder en de huurder. Daarom zal het Ministerie van EZK in gesprek gaan met de sector en aan de sector vragen om huurders beter voor te lichten over hun contract, en bijvoorbeeld een helpdeskfunctie in te richten voor vragen rondom jaarplaatsen.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat bijna elke gemeente te maken gehad heeft met één of meerdere risico-indicatoren voor criminele investeringen maar desondanks de opkoop van recreatieparken zo massaal heeft kunnen plaatsvinden?
Het onderzoek van het RIEC heeft zich enkel gefocust op gemeenten in Oost-Nederland (provincies Overijssel en Gelderland). In dezelfde regio zijn ook voorbeelden van gemeenten die heel alert zijn op crimineel misbruik. Hierbij kan, zoals ook in antwoord op vraag 7, het Ariadne project worden genoemd. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om eventueel in samenspraak met uw collega bewindspersonen van Economische Zaken en Volkshuisvesting & Ruimtelijke Ordening per direct in te grijpen in deze massale opkoop totdat alle (vervolg)onderzoeken zijn afgerond? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De koop en verkoop van goederen is een zaak tussen private partijen. Ingrijpen op dergelijke individuele transacties is een vergaande maatregel waar ik geen voorstander van ben. In het antwoord op vraag 2 hiervoor ben ik ingegaan op de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 en heb ik kort uiteengezet wat er op dit moment wordt gedaan om meer zicht te krijgen op de problematiek rondom criminele investeringen in vakantieparken. Het kabinet wacht het resultaat van deze acties uit de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 eerst af en zal vervolgens bezien in hoeverre er nog steeds knelpunten optreden bij het beter zicht krijgen op vakantieparken en hoe die kunnen worden opgelost. Daarbij verwijs ik u ook naar de antwoorden op vraag 4, 7 en 9.
Hoe kijkt u in het licht van dit alarmerend bericht naar een eerder artikel over de vergunning van Europarcs in Kaatsheuvel?3
Uit het aangehaalde artikel uit het Brabant Dagblad van 2 juni 2022 blijkt onder meer dat Europarcs in Kaatsheuvel in strijd heeft gehandeld met het bestemmingsplan en dat er sprake was van permanente bewoning. Dit zijn volgens de Rapportage Vakantieparken van het RIEC Oost-Nederland risico-indicatoren die kunnen duiden op een verhoogde kans op een criminele investering. Het plegen van strafbare feiten dat hiermee gepaard kan gaan is naar mijn mening zeer ongewenst. Uit het artikel blijkt ook dat het bestuursorgaan Loon op Zand een Bibob-toets heeft gedaan en advies bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft ingewonnen. In het artikel wordt gesteld dat uit het onderzoek van het LBB naar voren is gekomen dat er sprake is van een ernstig gevaar dat er strafbare feiten kunnen worden gepleegd met de vergunning. Vanwege de vertrouwelijkheid van het advies worden hier geen uitspraken over gedaan. Wel kan in algemene zin gesteld worden dat de mate van gevaar een indicatie is dat de kans bestaat dat met gebruik van de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd. Op basis van in het verleden (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten wordt de kans op misbruik ingeschat, en daarvoor geldt in principe hoe hoger het aantal strafbare feiten, hoe eerder sprake is van de categorie ernstig gevaar. In deze beoordeling wordt door het LBB niet gekeken naar de ernst van de feiten. Het is namelijk bij wet bepaald dat de beoordeling van de ernst van de feiten is voorbehouden aan het bestuursorgaan. De ernst van de feiten wordt gerelateerd aan de impact van misbruik van een vergunning. De impact van misbruik is onder meer afhankelijk van de lokale context, wat het beste lokaal kan worden beoordeeld. Daarmee kan het dus voorkomen dat er sprake is van een ernstig gevaar, maar dat een intrekking of weigering van een vergunning niet proportioneel is. In dat soort gevallen kan bijvoorbeeld een vergunning onder voorwaarden worden verleend, waarbij de voorwaarden zijn bedoeld om de kans op misbruik te verkleinen.
Bent u het eens met de stelling dat gemeenten te makkelijk en soms onterecht een vergunning afgeven ondanks een BIBOB-toetsing waaruit volgens dit artikel blijkt dat de vergunning mede zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ik verwijs voor dit antwoord naar de beantwoording van vraag 18.
Bent u bekend met het bericht «Patty en Herman moeten na 54 jaar vertrekken van de Zwarte Bergen»?4
Ja.
Hoe kijkt u tegen de vermeende bedreigingen van de exploitant van deze camping tegen een raadslid van de Lokale Partij Bergeijk dat het raadslid aan Omroep Brabant bevestigd heeft?
Iedere volksvertegenwoordiger moet veilig zijn of haar ambt kunnen uitoefenen. De Minister van BZK heeft 8 maart jl. uw Kamer geïnformeerd over verdere acties en stappen in het kader van intensiveringen van weerbaar bestuur.20 Ik vind het belangrijk dat er altijd melding en waar mogelijk ook aangifte wordt gedaan van vermeende intimidaties en bedreigingen richting politieke ambtsdragers. Uit het artikel begrijp ik dat er aangifte is gedaan bij de politie en dat het onderzoek bij justitie ligt.
Bent u bereid, zeker nu vast is komen te staan dat er criminele activiteiten afspelen op vakantieparken, een onderzoek in te stellen naar intimidatie en bedreigingen van standplaatshouders en gemeenteraadsleden c.q. andere mensen in dienst van de lokale overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer kunnen we de resultaten van dit onderzoek verwachten?
Uit het onderzoek van het RIEC Oost Nederland komen geen signalen naar voren dat intimidatie en bedreigingen regelmatig aan de orde zijn in relatie tot vakantieparken. Uit het geschetste profiel van criminele investeerders in vakantieparken blijkt dat criminelen, die iets nodig hebben van een gemeente of andere overheidsinstelling, juist goed zijn in een «charmeoffensief» en zich op een slimme manier weten te presenteren. Wel vind ik het belangrijk om te vermelden dat mijn ministerie op de hoogte is van diverse situaties waarbij burgemeesters geïntimideerd zijn naar aanleiding van problematiek op vakantieparken. Ik vind deze signalen zeer zorgelijk. Ik vind het belangrijk dat er altijd melding en waar mogelijk ook aangifte wordt gedaan. Het is dan aan de politie en justitie om daar onderzoek naar te doen.
Het Ministerie van BZK laat iedere twee jaar de Monitor Integriteit en Veiligheid uitvoeren. Deze geeft inzicht in de mate waarin politieke ambtsdragers bij decentrale overheden en medewerkers in het bredere openbaar bestuur te maken krijgen met agressie en geweld door burgers en de wijze waarop hier beleidsmatig mee wordt omgegaan. De monitor maakt daarbij niet inzichtelijk hoe incidenten met agressie en geweld gerelateerd zijn aan verschillende maatschappelijke problemen, zoals mogelijk misbruik door criminelen van vakantieparken, maar biedt daarentegen wel altijd veel aanknopingspunten voor verdere acties en stappen in het kader van de intensiveringen van weerbaar bestuur. In haar brief van 6 juli jl. aan uw Kamer heeft de Minister van BZK uiteengezet welke stappen er naar aanleiding van de Monitor Integriteit en Veiligheid 2022 worden gezet.21
Was u op de hoogte van het onderzoek dat door RIEC uitgevoerd werd? Zo ja, per wanneer?
Op ambtelijk niveau is mijn ministerie in april geïnformeerd over het fenomeenonderzoek. Het behoort tot de taken van de RIEC’s om dergelijke onderzoeken te doen. Door het blootleggen van criminele fenomenen in de verschillende regio’s kunnen deze door gezamenlijke partners in de RIEC’s ook beter worden aangepakt.