De oplopende kosten bij verpleeghuizen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van EenVandaag gezien waarin zorgbestuurders aandacht vragen voor de grote zorgen die er zijn over de oplopende kosten voor verpleeghuizen? Wat is uw reactie?1
Ja, ik heb de genoemde uitzending van EenVandaag gezien.
Op welke manier moeten zorginstellingen de gestegen kosten voor voeding, energie, verwarming en wasserij gaan opvangen? In hoeverre zijn de tarieven nog toereikend?
Via mijn brief van 17 oktober3 over de inventarisatie van energiekosten in de (semi-)collectieve sector op VWS-terrein heb ik gereageerd op de zorgen bij bestuurders over de oplopende energiekosten. Zoals aangegeven in deze brief vindt nu een inventarisatie plaats van de (maatschappelijke) gevolgen van de hoge energiekosten. Op basis van deze inventarisatie beoordeel ik samen met het kabinet of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de continuïteit van zorg te borgen. Bovendien heb ik uw Kamer in september4 geïnformeerd over mijn verzoek aan de NZa om de tarieven voor 2023 te actualiseren op basis van de loon- en prijsontwikkelingen uit de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB).
Door de tarieven voor 2023 tussentijds te verhogen op basis van de MEV wordt voorkomen dat zorgaanbieders en de budgethouders in de Wlz en de Zvw pas vanaf 2024 worden gecompenseerd voor de thans voorziene stijging van lonen en prijzen in 2022 en 2023.
Deelt u de mening dat de medewerkers in deze zorginstellingen ook geconfronteerd wordt met inflatie en gestegen kosten voor levensonderhoud en dus meer salaris zouden moeten krijgen?
Medewerkers in verpleeghuizen hebben net als alle andere Nederlanders te maken met inflatie en gestegen kosten. Daarom heeft het kabinet een omvangrijk pakket aan maatregelen genomen om de koopkracht van burgers te ondersteunen. Hier profiteren ook zorgmedewerkers van. Daarnaast zijn in de cao VVT door sociale partners afspraken gemaakt over cao-loonstijgingen in 2022 en 2023.
Hoe kunnen zorginstellingen met deze kostenstijgingen nog overgaan tot loonsverhoging?
Jaarlijks stelt het kabinet de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (de ova) beschikbaar. Daarbij geldt dat de stijgende inflatie zich vertaalt in hogere looneisen en hogere cao-lonen in de markt. Deze hogere lonen worden conform de in het ova-convenant vastgelegde rekenregels automatisch vertaald in een hogere ova om ook in de zorg die hogere loonstijging mogelijk te maken. Voor 2022 bedroeg de ova 2,2 miljard euro en voor 2023 bedraagt deze 3 miljard euro.
Welke ruimte hebben zorginstellingen nog voor investeringen in medewerkers, capaciteitsuitbreiding of innovatie?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Bent u bereid te besluiten tot een eenmalige compensatie van zorgorganisaties voor de hogere inflatie voor de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg, zodat een dreigend begrotingstekort over 2022 voorkomen kan worden en zorginstellingen niet in de kou komen te staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u hier duidelijkheid over bieden?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de week van maandag 17 oktober 2022?
Het is helaas niet gelukt om deze vragen te beantwoorden vóór de behandeling van de begroting.
Ik hoop u met mijn hiervoor genoemde brief van 17 oktober op hoofdlijnen reeds voldoende te hebben geïnformeerd in het licht van de vragen in dit stuk.
Het bericht 'Groep 7/8 van cbs De Wegwijzer moet op zoek naar een andere school' |
|
René Peters (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door het lerarentekort twee klassen op zoek moeten naar een andere school?1
Allereerst begrijp ik de zorgen en emoties die er bij leerlingen, ouders en personeel zijn in deze situatie. Kinderen hebben goed onderwijs en stabiliteit nodig en deze school is een belangrijke schakel in het dorp. Ik begrijp daarom dat dit een zwaar besluit moet zijn geweest voor de school. Ik vind het zorgwekkend dat het lerarentekort tot dit soort situaties leidt. Het toont voor mij dan ook de noodzaak aan om samen met alle betrokken partijen de tekorten aan te pakken. Het tekort aan leraren zet een grote druk op het onderwijs en leidt tot veel stress, onmacht en ongemak, zoals ook bij deze situatie het geval is. Bovendien vormt het een risico voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs.
Daarom moeten alle registers open om de tekorten aan te pakken. Daarbij is het van belang dat we regionaal samenwerken om dit soort situaties te voorkomen. Op 1 juli stuurden wij hierover naar uw Kamer onze strategie voor de aanpak van de tekorten en op 21 oktober heeft uw Kamer hierover een update gekregen.2
Verwacht u bij meer kleinere dorpsscholen dat vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Er zijn er geen concrete signalen dat meer klassen bij kleinere dorpsscholen vanwege het lerarentekort op zoek moeten naar een andere school. Dat neemt niet weg dat de tekorten op veel plekken urgent zijn en dat we alles moeten doen wat nodig is om de tekorten tegen te gaan.
Hoe wilt u omgaan met de opheffingsnorm indien vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Zoals wij in de Kamerbrief Lerarenstrategie hebben beschreven, zijn er in grote steden nog veel relatief kleine scholen.3 Dit is zowel vanuit kwaliteit als inzet van personeel niet effectief. We moeten de discussie durven aangaan of scholen niet meer samengevoegd kunnen worden, rekening houdend met de toegankelijkheid van het onderwijs.
De opheffingsnormen voor het basisonderwijs zijn niet voor alle scholen hetzelfde. In dichtbevolkte gebieden ligt de opheffingsnorm voor een basisschool tegen de 200 leerlingen. Voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente geldt de minimale norm van 23 leerlingen. Het is niet voor niets dat in dunbevolkte gemeentes een andere opheffingsnorm van toepassing is. Het is namelijk onwenselijk als kinderen in het basisonderwijs grote afstanden moeten reizen om naar school te kunnen. Het vraagt maatwerk om per lokale en regionale situatie te bepalen wat voor de kinderen het beste is. Dat bevestigt voor mij het belang van een regionale aanpak voor de continuïteit van het onderwijs.
Welke afstand vindt u acceptabel dat kinderen moeten reizen om naar een basisschool te gaan?
Wettelijk is geregeld dat een basisschool niet hoeft te sluiten wanneer de school de enige school van de geloofsrichting binnen een straal van 5 kilometer is en ten minste 50 leerlingen heeft. Wanneer de school de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer is over de weg gemeten en ten minste 23 leerlingen heeft, hoeft deze ook niet te sluiten. Deze uitgangspunten vind ik acceptabel.
Welke rol ziet u voor wie als het gaat om de ontwikkeling van het sluiten van klassen en de zorg dat ook in de regio’s basisonderwijs op redelijke afstand blijft worden aangeboden?
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het onderwijs en het aanstellen van (voldoende) personeel. Dat is gezien de tekorten op dit moment niet eenvoudig. Het vraagt inzet van alle betrokkenen, zowel regionaal als landelijk, om de tekorten aan te pakken.
Zoals aangegeven in de brief Lerarenstrategie, is in de regio winst te behalen. Door meer samen te werken bij het werven, opleiden en professionaliseren, bij het zorgen voor duurzame inzetbaarheid en breder goed personeelsbeleid kunnen de tekorten effectiever worden aangepakt. Daarom stimuleert OCW de regionale samenwerking op de onderwijsarbeidsmarkt via bijvoorbeeld de Regionale aanpak personeelstekorten (RAP).
Ook op landelijk niveau moeten we er alles aan doen om de tekorten aan te pakken en de juiste maatregelen te nemen. Zoals in de Kamerbrief Lerarenstrategie beschreven, komt er een landelijke strategie.4 Ook wijs ik op de verschillende regelingen om zij-instromers en onderwijsassistenten te stimuleren de opleiding tot leraar te volgen.
Het tweede OVV rapport over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het tweede rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis?1, 2
Ja
Onderschrijft u de conclusies van dit rapport? Kunt u reflecteren op de bevindingen?
In de kabinetsreactie op het tweede deelrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) geeft het kabinet een gezamenlijke reactie op de bevindingen van de OvV. Deze kabinetsreactie verwacht het kabinet zodra gereed aan uw Kamer te sturen.
Kunt u verklaren waarom uw departement en het kabinet in de periode tussen september 2020 en juli 2021, waarover dit rapport gaat, besloot tot ingrijpende coronamaatregelen, terwijl weinig bekend was over de effecten daarvan, waarmee de onderbouwing voor het invoeren van deze maatregelen in retrospectief onderuit gehaald wordt?
Gedurende de coronapandemie is er veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren. De actuele inzichten zijn steeds meegewogen in de besluitvorming. De maatregelenpakketten die in de afgelopen jaren zijn genomen, waren dan ook vanuit epidemiologisch oogpunt steeds effectief. Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.3
Kunt u uitleggen waarom het kabinet de keuzes voor het invoeren van deze maatregelen destijds wel presenteerde als (wetenschappelijk) onderbouwd effectief, terwijl dat niet het geval was? Is bewust gekozen voor het achterwege laten en/of verdraaien van deze informatie? Zo ja, wat waren hiervoor de overwegingen en de verantwoording?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.4 Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bij de besluitvorming over de maatregelen heeft het kabinet steeds de meest recente wetenschappelijke inzichten over de verspreiding van het virus en de effectiviteit van de maatregelen gebruikt. Het kabinet heeft deze adviezen met uw Kamer gedeeld, zie hiervoor onder andere alle adviezen van het OMT en de Gezondheidsraad. Voorafgaand aan elk debat werd een technische briefing georganiseerd waarin deze informatie ook met uw Kamer werd gedeeld.
Waarom heeft u de Kamer niet geïnformeerd over het feit dat de onderbouwing voor de coronamaatregelen minimaal was? Is deze informatie bewust voor de Kamer achtergehouden?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom, ondanks het gegeven dat de Kamer herhaaldelijk heeft gevraagd naar de effecten van de maatregelen, deze maatregelen desondanks nooit adequaat zijn onderzocht? Hoe kijkt u nu terug op deze keuze?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de overheid door deze beeldvorming en deze manier van communiceren aan het verspreiden van desinformatie, framen en misleiden van de burger en de Kamer heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, van bewust misleidende en onjuiste informatie is vanuit de overheid nooit sprake geweest.
Wat vindt u van de conclusie dat de communicatie van de overheid over de coronacrisis niet transparant was? Onderschrijft u die conclusie en kunt u uitleggen waarom de communicatie op een dusdanige manier verlopen is? Is bewust gekozen voor een dergelijke communicatiestrategie? Welke lessen trekt u hieruit en hoe gaat u uw communicatiestrategie in de toekomst verbeteren?
Transparantie en het geven van zoveel en zo duidelijk mogelijke feitelijke informatie is en blijft het fundament van de overheidscommunicatie. De communicatieaanpak heeft zich, mede op basis van evaluaties en onderzoek, gedurende de coronabestrijding continu doorontwikkeld. Dat lerende effect vind ik van groot belang. Het laat zien dat het kabinet regelmatig stilstaat bij wat goed gaat en wat beter kan, en dat het kabinet de aanpak daarop kan aanpassen.
Hoe reflecteert u op de rol van het Outbreak Management Team (OMT), naar aanleiding van de conclusies uit het OVV-rapport? Gaat dit orgaan naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport in de toekomst anders vormgeven en/of inzetten? Zo ja, hoe?
De OVV beveelt in zijn tweede deelrapport aan om een »reglement van orde» voor het OMT op te stellen.5 Deze aanbeveling sluit aan bij verbeterpunten die het RIVM en de voorzitter van het OMT zelf ook gezien hebben.
Het OMT zal hier, vanuit zijn onafhankelijke positie, op reageren richting de OVV. Het kabinet zal de reactie van het OMT meesturen met de aanstaande kabinetsreactie op het tweede deelrapport.
Waarom is nog steeds weinig bekend over het werkelijke, zowel positieve als negatieve, effect van de maatregelen op het bestrijden van de pandemie en op de samenleving? Waarom is er nog steeds nauwelijks geëvalueerd?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.6
Deelt u de meningn dat het gebrek aan monitoring en evaluatie van de maatregelen, het adequaat uitvoeren van de komende parlementaire enquete bemoeilijkt en dat dit onwenselijk is, omdat het na een crisis met een dusdanig grote impact als de coronapandemie van groot belang is dat de bestuurlijke macht en het uitgevoerde beleid gecontroleerd worden?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om tijdens én na een ingrijpende crisis te evalueren en reflecteren. Een parlementaire enquête is hiervoor een belangrijk instrument. Het is belangrijk om stil te staan bij wat goed gaat en wat beter kan en daar onze aanpak op aan te passen. Dit is een aanpak waar ik achter sta.
Zoals reeds in mijn brief van 11 november 2022 beschreven, is er gedurende de coronapandemie veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren.7 Ook de rapporten van de OvV vormen een grondige evaluatie van de aanpak van de Covid-19 crisis. Deze onderzoeken en rapporten bevatten waardevolle informatie voor de enquêtecommissie.
Aangezien er door ontoereikende monitoring en evaluatie nog steeds weinig bekend is over de effecten van de coronamaatregelen, is het naar uw mening dan nog steeds opportuun om te overwegen dezelfde maatregelen wettelijk te verankeren in de Wet publieke gezondheid (Wpg)? Waarom een juridisch instrumentarium optuigen voor mogelijk en waarschijnlijk, in ieder geval deels, ineffectieve en schadelijke maatregelen? Heroverweegt u de wijziging van de Wpg naar aanleiding van de conclusies van dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Om bij een volgende pandemie slagvaardig en flexibel te opereren is het noodzakelijk ook het wettelijk kader daarvoor op onderdelen te herzien. Daarvoor is op dit moment het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig.
Zie voor een reflectie op monitoring en evaluatie mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.8
Gaat u de toekomstige coronastrategie naar aanleiding van de conclusies van dit rapport herzien? Gaat u terughoudender zijn in het opnieuw invoeren van coronamaatregelen, of deze helemaal niet meer inzetten? Bent u voornemens om, zoals het OVV adviseert, zo spoedig mogelijk te evalueren en voor de uitkomst van die evaluatie in ieder geval geen coronamaatregelen meer in te voeren? Zo ja, op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Als de verspreiding van het virus om maatregelen vraagt, zal ik die nemen. Daarbij houd ik rekening met de omstandigheden van dat moment. Ik verwijs met betrekking tot dit onderwerp verder naar mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.9
Kunt u verklaren waarom in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2023 en de jaren daarna opnieuw miljarden zijn begroot voor coronagerelateerde maatregelen, terwijl het effect van deze maatregelen dus onduidelijk is? Hoe verantwoordt u deze uitgaven met de kennis en conclusies uit het OVV-rapport? Waarom moet de burger betalen voor beleid waarvoor geen onderbouwing kan worden gegeven?
Het effect van coronamaatregelen is niet onduidelijk, zie de antwoorden 3 t/m 6. Het kabinet zal zeker op de korte termijn voorbereid moeten blijven op de mogelijkheid van nieuwe oplevingen en nieuwe virusvarianten. Dat betekent ook dat hiervoor middelen beschikbaar moeten zijn.
Staat u nog altijd achter de beleidskeuzes die destijds zijn gemaakt, zoals het invoeren van de avondklok en de mondkapjesplicht? Zo ja, waarom, als u nu weet dat de effectiviteit hiervan onbekend is en de schade waarschijnlijk wel aanzienlijk?
Het kabinet heeft op basis van de destijds beschikbare kennis en ervaring maatregelen getroffen om verspreiding van het virus tegen te gaan. De maatregelenpakketten en hun (neven)effecten worden vanaf het begin van de pandemie geëvalueerd en gemonitord ten behoeve van (toekomstige) besluitvorming.
Ik verwijs graag opnieuw naar mijn brief van 11 november.10
Had u, met de kennis van nu, destijds andere keuzes gemaakt bij de aanpak van de coronapandemie? Zo ja, hoe had u het coronabeleid anders vormgegeven?
In mijn brief van 4 november jl. aan uw Kamer over pandemische paraatheid worden de eerste lijnen geschetst voor de visie op een versterkte pandemische paraatheid van de zorg en infectieziektebestrijding.11 De agenda is gericht op de voorbereiding op een toekomstige pandemie. Hierin zijn de lessen van de coronacrisis meegenomen.
Deelt u de mening dat op basis van dit rapport en ander voortschrijdend inzicht het coronatoegangsbewijs nooit meer in de zogenaamde «gereedschapskist» van in te zetten maatregelen terecht mag komen en dat er daarnaast nooit meer mag worden overgegaan tot welke inperking van grondrechten en vrijheden dan ook, zonder sluitende (wetenschappelijke) onderbouwing?
Op dit moment is het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig. In het verslag van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn (vergelijkbare) vragen gesteld over de door u aangehaalde themas. Momenteel heb ik de Nota naar aanleiding van het Verslag (NnavV) in voorbereiding. In de Nota naar aanleiding van het Verslag
met betrekking tot de Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid ga ik hier nader op in. Ik verwacht de NnavV binnen afzienbare tijd aan te bieden aan de Tweede Kamer. Ik verwijs u naar deze beantwoording.
Het voornemen om vóór de verlenging van de toelating van het landbouwgif glyfosaat (Round-up) te stemmen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland tijdens de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) vergadering van 13 en 14 oktober 2022 vóór het voorstel zal stemmen om de toelating van glyfosaat met een jaar te verlengen, zonder dat de wettelijk verplichte veiligheidstoetsen zijn afgerond?
Ja, het gaat hier om de procedurele verlenging van de werkzame stof glyfosaat met maximaal één jaar. De reden hiervoor is dat de wetenschappelijke beoordeling meer tijd kost doordat de grote hoeveelheid reacties uit de publieke consulatie die moeten worden verwerkt. Alvorens de herbeoordeling zorgvuldig te kunnen afronden.
Zo ja, waarom kiest u hiervoor? Kunt u uitsluiten dat hier economische belangen meewegen?
Verordening (EG) 1107/2009 voorziet in het procedureel verlengen van de goedkeuring van een werkzame stof op het moment dat de herbeoordeling niet tijdig is afgerond buiten de schuld van de toelatinghouder. Dit is hier het geval (zie ook vraag 1).
Ik hecht eraan dat alle wetenschappelijke inzichten, ook die tot een andere conclusie komen, worden betrokken, omdat dit de afweging voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring beter mogelijk maakt. In mijn stemverklaring heeft Nederland aangedrongen op snelheid, want hoe eerder het volledige inzicht beschikbaar is, hoe eerder een besluit genomen kan worden. De economische belangen zijn niet in deze afweging meegenomen (Kamerstuk 27 858, nr. 581).
Tijdens de stemming bleek geen gekwalificeerde meerderheid van lidstaten te zijn voor het Commissievoorstel (64,73% voor; een gekwalificeerde meerderheid is er vanaf 65%). De Europese Commissie zal het voorstel binnenkort opnieuw voorleggen aan het zogenoemde beroepscomité. Mocht ook dan geen gekwalificeerde meerderheid voor of tegen het voorstel zijn, dan is de Europese Commissie gemachtigd om een eigenstandig besluit op het voorstel te nemen. In eerdere beroepscomités is gebleken dat de Europese Commissie dan haar eerdere voorstel volgt.
Kunt u bevestigen dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft geoordeeld dat glyfosaat «waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens» is? Is dit oordeel meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?1
Ja, dat klopt. Echter, uit de recente classificatie van ECHA blijkt dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is dat de werkzame stof glyfosaat niet aan te merken is als kankerverwekkend.2
Kunt u bevestigen dat wetenschappers en de Parkinson Vereniging glyfosaat aanwijzen als één van de meest verdachte landbouwgiffen die de ziekte van Parkinson kunnen veroorzaken, ook op jonge leeftijd? Kunt u bevestigen dat er in de huidige herbeoordeling niet op de lange-termijn neurologische effecten (zoals Parkinson) is getoetst?2
Er zijn verschillende wetenschappelijke inzichten over het al dan niet veroorzaken van neurologische aandoeningen door het gebruik of de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. In de lopende herbeoordeling van glyfosaat is de beschikbare wetenschappelijke informatie over mogelijke neurologische effecten meegenomen.
Ik heb uw Kamer recent geïnformeerd over het rapport van het RIVM «Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurologische effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur». Volgens dit rapport heeft glyfosaat geen chemische structuur die lijkt op die van stoffen die met neurologische effecten in verband worden gebracht. Dit neemt niet weg dat de datavereisten op het gebied van neurologische aandoeningen aangescherpt kunnen worden. Daar span ik mij actief voor in. EFSA werkt op Europees niveau aan het verbeteren van de beoordelingsmethodiek voor neurologische aandoeningen (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
De Europees geharmoniseerde toelatingsprocedure voorziet op dit moment in een getrapte benadering voor het aspect «toxiciteit voor mensen». Dit betekent dat er standaard (proefdier)studies en openbare wetenschappelijke literatuur opgenomen dienen te worden in het aanvraagdossier. In deze proefdierstudies wordt ook naar mogelijke neurotoxische effecten gekeken. Als tijdens de beoordeling hiervan blijkt dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke motorische en neurologische aandoeningen, dan dient de aanvrager aanvullende specifieke (proefdier)studies uit te voeren, gericht op neurotoxische effecten. Gelet op het belang heeft Nederland bij de Europese Commissie gepleit de datavereisten voor neurologische aandoeningen voortaan standaard op te nemen in de goedkeuringsprocedure voor werkzame stoffen en in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen (Aanhangsel van de Handelingen, 2020–2021, nr. 3261).
Kunt u bevestigen dat er restanten van glyfosaat en het afbraakproduct aminomethylfosfonzuur (AMPA) worden gevonden op ons voedsel, maar dat er niet wordt getest op de «veilige» normen van AMPA? Kunt u bevestigen dat langdurige blootstelling aan lage doses AMPA in verband wordt gebracht met diverse vormen van kanker, nierschade, ADHD, autisme, Alzheimer, Parkinson, miskramen en huidziekten? Is dit meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?3, 4
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan ertoe leiden dat er restanten daarvan worden aangetroffen in of op ons voedsel. De mogelijke risico’s voor de consument worden echter afgedekt door onder andere het vaststellen en controleren van maximale residulimieten.
De mogelijke risico’s van blootstelling aan het afbraakproduct AMPA door consumenten via de inname van voedingsmiddelen zijn onderdeel van de lopende herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat.
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie glyfosaat reeds heeft geclassificeerd als (chronisch) toxisch voor het waterleven en dat in Nederland op veel plekken glyfosaat in het water wordt aangetroffen? Kunt u bevestigen dat op zeker 30 drinkwaterinnamepunten de normen voor glyfosaat worden overschreden? Heeft u dit meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?5
Ja, het is al vele jaren bekend dat de werkzame stof schadelijk is voor de ogen (categorie 1) en chronisch gevaar oplevert voor het aquatisch milieu (categorie 2). Het Ctgb houdt hier rekening mee bij het beoordelen van aanvragen voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat.
In de publicatie van het PBL waar het lid Vestering naar verwijst wordt gemeld dat in de periode 2014–2017 jaarlijks gemiddeld ca. 30 normoverschrijdingen bij drinkwaterinnamepunten werden gemeten en dat glyfosaat de belangrijkste probleemstof was. Op basis van de monitoringdata heeft het Ctgb bij de recente herbeoordeling van middelen op basis van glyfosaat maatregelen genomen om het drinkwater te beschermen7.
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb besloten nu in te kunnen stemmen met een procedurele verlenging, in afwachting van de definitieve herbeoordeling. Dit neemt niet weg dat ik uw zorg deel over de toxiciteit voor het waterleven, en daarom hecht aan verdere verlaging van emissies.
Heeft u de wetenschappelijke studie over het schadelijke effect van glyfosaat op hommels, in combinatie met de voedselschaarste voor hommels – die in veel landbouwgebieden een feit is – meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?6
Ja. Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit neemt niet weg, dat ik dit artikel onder de aandacht zal brengen van EFSA.
Kunt u bevestigen dat uit de Monsanto Papers (die openbaar zijn geworden tijdens Amerikaanse rechtszaken tegen glyfosaat) is gebleken dat toenmalige producent Monsanto gigantisch lobbyde en zelfs fraudeerde om ervoor te zorgen dat glyfosaat in 2017 als niet-kankerverwekkend zou worden geclassificeerd? Kunt u uitsluiten dat dergelijke lobby- en fraudepraktijken momenteel niet gaande zijn? Zo ja, hoe?7
Uw Kamer is geïnformeerd over de (inter)nationale ontwikkelingen rond de werkzame stof glyfosaat. Hierin is ook stilgestaan bij de «Monsanto papers» en het feit dat EFSA tot de conclusie is gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de chemische industrie de Europese beoordeling van de werkzame stof glyfosaat heeft beïnvloed (Kamerstuk 27 858, nr. 394).
Wat bedoelt u met de zin «Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA zien momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009»? Betekent dit dat het ernaar uitziet dat glyfosaat een nieuwe toelating zal krijgen? Zo ja, voor hoeveel jaar?8
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb ingestemd met een procedurele verlenging.
Ik hecht eraan dat bij de (her)beoordeling van een werkzame stof alle wetenschappelijke inzichten mee worden gewogen, ook inzichten die tot een andere conclusie komen. Op basis hiervan kan de afweging worden gemaakt over het al dan niet (hernieuwd) goedkeuren van een werkzame stof op het niveau van de Europese Unie. Het is aan de Europese Commissie om met een voorstel te komen voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat. Ik kan niet vooruitlopen op de inhoud van dit voorstel.
Kunt u bevestigen dat op het gebied van landbouwgif het voorzorgsprincipe geldt, waarbij stoffen niet toegelaten moeten worden tenzij bewezen is dat ze veilig zijn? Zo ja, waarom stemt u in het licht van bovenstaande dan voor de verlenging van de toelating van glyfosaat?
Ja. Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
Ik verwijs u voor het antwoord op het 2e deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich de motie van het lid Vestering die de regering verzoekt zich in te zetten voor een aanpassing van de Europese regelgeving om de toelating voor pesticiden te laten vervallen bij het verstrijken van de goedkeuringsperiode, in plaats van deze procedureel te verlengen? Deelt u het inzicht dat de Tweede Kamer zich hiermee kritisch heeft uitgelaten over procedurele verlengingen in het algemeen? Waarom neemt u dit niet mee in uw besluit over de procedurele verlenging van glyfosaat?9
Ik herinner me deze motie en de reactie daarop. Uw Kamer is geïnformeerd over het feit dat de inzet gericht is op het verruimen van de beoordelingscapaciteit van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten in de Europese Unie, omdat deze bevoegde autoriteiten de wetenschappelijke risicobeoordeling uitvoeren voor de goedkeuring van werkzame stof. Dit kan ertoe leiden dat de noodzaak om over te gaan tot procedurele verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen veel kleiner wordt. EFSA heeft niet de taak om wetenschappelijke risicobeoordelingen uit te voeren. Het aanpassen van Verordening (EG) 1107/2009 om EFSA een extra taak te geven, zou ten koste gaan van de reguliere taken van EFSA (de ontwikkeling van het toetsingskader voor de risicobeoordelaars van lidstaten en de organisatie van een peer review en extra toets op het rapport van de rapporterende lidstaat).(Kamerstuk 21502-32, nr. 1337).
Ik begrijp dat uw Kamer kritisch is op het procedureel verlengen van de goedkeuring van werkzame stoffen. Ik verwijs uw Kamer voor het derde deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u nog altijd niet kunt voldoen aan de uitspraak van de rechter om de interne communicatie rondom de zogenaamde «Sywert-deal» vrij te geven?
Wij verwijzen hiervoor naar de brief die we op 12 oktober jongstleden2 naar uw Kamer hebben gezonden. Hierin hebben wij u onder andere gemeld dat ten eerste recent is verduidelijkt dat voor zover bewindspersonen via chatberichten met elkaar overleggen, dit overleg bescherming verdient uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. Deze lijn strekt zich ook uit tot passages in andere chat- en sms berichten waarin verslag wordt gedaan van deze overleggen. De betrokken chat- en sms berichten dienen hierop te worden beoordeeld. Eerder was er Rijksbreed onvoldoende helderheid over hoe in deze context omgegaan moest worden met chat- en sms berichten.
Ten tweede is duidelijk geworden dat de voor het desbetreffende verzoek geselecteerde chat- en sms berichten nog niet compleet zijn. Tijdens het zienswijze traject is gebleken dat de selectie van (onderdelen van) berichten niet eenduidig is geweest en dat niet alle corona gerelateerde chat- en sms berichten daarin zijn meegenomen. De geselecteerde chat- en sms berichten dienen hierop te worden aangevuld en te worden beoordeeld. Dit is van belang zodat een zo volledig mogelijk beeld van de desbetreffende chatconversaties ontstaat.
Hieraan ligt ten grondslag dat het op een juiste manier bewaren van chat- en sms berichten uitermate complex is gebleken en extra aandacht verdient uit oogpunt van archief- en privacy regelgeving. Het samenspel van de archiefwetgeving, Woo en privacy-rechtelijke regels waaraan bij dit verzamel- en bewaarproces moet worden voldaan, maakt de situatie extra complex. Het selecteren en beoordelen van de documenten vergt veel capaciteit, te meer omdat de wijze van archivering en de stand van de informatiehuishouding maken dat veel werkzaamheden handmatig dienen te gebeuren. Denk daarbij ook aan het gereed maken van de chat- en sms berichten voor de beoordeling op grond van de Woo. Er dient een (technisch) proces plaats te vinden om de berichten op een correcte manier doorzoekbaar te maken, ze te kunnen bewaren en vervolgens ook geschikt te maken om juridisch te laten beoordelen op grond van de Woo. Dit maakt dat eerst dit proces moet worden doorlopen, voordat het openbaarmakingsproces in gang kan worden gezet.
Hoe verhoudt zich de hinder die uw departement ondervindt van de overvraging van informatieverzoeken met betrekking tot de coronapandemie, ten opzichte van de hinder die het Nederlandse volk en de Kamer ondervindt van het gebrek aan openheid en transparantie van het kabinet over de gemaakte beleidskeuzes met betrekking tot de coronapandemie in het algemeen en de Sywert-deal in het bijzonder?
Het Ministerie van VWS werkt met man en macht om de informatie openbaar te maken. We hechten net zo zeer aan transparantie als u, VWS wil zo transparant mogelijk zijn over de crisisbestrijding. Het gaat echter om zeer veel en omvangrijke documenten. Noch de Wob, noch de Woo is toegerust voor zo’n grote hoeveelheden documenten.
Bij de totstandkoming van de Woo is onvoldoende voorzien in (crisis)situaties, waarin door de hectiek en de vereiste snelheid van handelen omvangrijke hoeveelheden documenten zich niet altijd in de reguliere document management systemen bevinden. Het vergt zeer veel capaciteit om de documenten te verzamelen, selecteren en beoordelen. Mede gezien de grote hoeveelheden documenten waar het hier over gaat en de huidige arbeidsmarkt, die het complex maakt de beschikbare capaciteit op peil te houden, laat staan uit te breiden, vergt openbaarmaking meer tijd.
Om toch zo veel mogelijk verzoekers te kunnen voorzien van informatie, heeft het Ministerie van VWS een aangepaste werkwijze voor de afhandeling van Woo-verzoeken betreffende de coronabestrijding. Bij deze werkwijze worden stukken rondom de coronacrisis gefaseerd vrijgegeven. Dit betekent dat er per categorie en per maand documenten openbaar worden gemaakt. Deze werkwijze is ingevoerd gelet op de grote hoeveelheid corona-gerelateerde documenten (op dit moment meer dan 7,2 miljoen) die krachtens de Woo zo snel mogelijk moeten worden verwerkt. En het gaat om een zeer groot aantal Wob-verzoeken (inmiddels ruim 380). De Raad van State heeft in haar uitspraken van 20 oktober 20213 de behandeling van verzoeken om informatie over het coronavirus in stand gelaten. Het Ministerie van VWS heeft inmiddels zo’n 600.000 documenten verwerkt, en 108 corona-gerelateerde verzoeken afgedaan, voorzover het gaat over corona-gerelateerde documenten als mails en nota’s.
Kunt u aangeven op welke absolute of relatieve weigeringsgronden u zich baseert om de communicatie nog steeds niet vrij te geven? Kunt u een uitgebreide verklaring geven met een uiteenzetting van de gronden met betrekking tot de betreffende communicatie?
Nee. De weigeringsgronden zijn onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit. Voor de redenen van de vertraging verwijs ik u naar het antwoord van vraag 2.
Bent u niet van mening dat het openbaar maken van deze communicatie het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient?
Ja. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van de zorgvuldigheidseisen die de Woo stelt. Zo stelt de wet ook eisen betreffende privacy en bedrijfsgeheimen.
Kunt u uitleggen waarom van de communicatie die op dit moment wel al is verzameld nog nader bepaald moet worden wat kan worden vrijgegeven en wat niet? Welke informatie zou potentieel niet vrijgegeven kunnen worden en waarom niet? Welke afwegingen worden daarbij gemaakt? Prevaleert het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering hierbij (inmiddels) niet boven ieder ander belang?
We verwijzen u hiervoor naar het antwoord op vraag 2. De chat- en sms berichten dienen nog beoordeeld te worden op vertrouwelijkheid uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. We kunnen niet vooruitlopen op de uitkomst van die beoordeling of de daarin te maken afwegingen. Dit is onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit.
Aangezien er grote sommen gemeenschapsgeld gemoeid waren met de zogenaamde «Sywert-deal», bent u dan niet van mening dat het Nederlandse volk recht heeft op volledige en compleet transparante verantwoording over en specificaties van deze deal?
Ja, met dien verstande dat op grond van de Woo ook bepaalde zorgvuldigheidsvereisten in acht genomen moeten worden. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van deze zorgvuldigheidseisen.
Reflecteert u inmiddels anders op de uitspraak die hoogleraar staatsrecht de heer Voermans in juni jongstleden al deed, dat het weigeren deze communicatie vrij te geven «in strijd met zowat alle openbaarheids- en archiefregels die we hebben» is? Bent u inmiddels wel van mening dat het handelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in deze kwestie ernstig in strijd is met deze openbaarheids- en archiefregels? Of bent u het eens met de uitspraken van ambtenaren van het Ministerie dat deze keuze «juridisch verdedigbaar» is? Zo ja, kunt u dat dan verantwoorden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op het feit dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inmiddels duizenden euro’s aan dwangsommen moet betalen, welke worden bekostigd middels gemeenschapsgeld, waarmee de burger dus defacto zelf opdraait voor het feit dat hem democratische bestuursvoering wordt ontzegd? Op welke manier vindt u dit te rechtvaardigen?
We betreuren dat het niet gelukt is om binnen de door de rechter opgelegde termijn volledig aan de desbetreffende Wob/Woo-verzoeken te voldoen. Dat geldt ook voor het verbeuren van dwangsommen. We zijn doordrongen van het belang van tijdige besluitvorming en transparantie. Alles is er dan ook op gericht om zo snel als mogelijk op de verzoeken om informatie te beslissen (voor zover dat nog niet gebeurd is) en het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.
Welk bedrag aan dwangsommen acht u nog redelijk om te moeten betalen voor het niet vrijgeven van de betreffende communicatie? Zit er een maximum aan dit bedrag en welke afwegingen liggen ten grondslag aan deze bepaling, met het oog op het daarmee gemoeide gemeenschapsgeld?
Zie antwoord vraag 9.
Aangepaste bivalente vaccins tegen het coronavirus en boostercampagnes |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de recente berichtgeving van een internist-infectioloog van het OLVG, waarin deze internist-infectioloog aangeeft dat recente studies laten zien dat doorgemaakte natuurlijke infecties misschien wel net zo goed werken als een booster-vaccinatie, met name tegen Omikronvarianten en dat de verschillende Omikronvarianten sowieso doorgaans een mild verloop hebben?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het Twitterbericht waar in de vraag naar wordt verwezen.
Hoe reflecteert u in dat licht bezien op uw beantwoording van de tweede vraag van de eerder gestelde schriftelijke vragen van het lid Van Haga over bivalente vaccins en de boostercampagnes? Kunt u inzichtelijk maken op welke manier het aannemelijk is dat de Omicronvariant potentieel nog steeds zal zorgen voor een (te) grote druk op de zorg?2
Ik vind niet dat ik op basis van een Twitterbericht mijn eerdere beantwoording moet herzien. De aanname dat de omikronvariant van het virus geen risico voor de volksgezondheid zou vormen is niet juist. De varianten van het virus die op dit moment circuleren zijn weliswaar minder ziekmakend, maar ook een infectie met deze varianten kan leiden tot ernstige ziekte, langdurige klachten of zelfs sterfte. Daarnaast zijn omikronvarianten van het coronavirus zeer besmettelijk gebleken en kan een stijging in het aantal besmettingen nog steeds leiden tot een verhoogde druk op de zorg.
De studies waar in het Twitterbericht naar verwezen wordt, zijn bovendien vrijwel allemaal gepubliceerd in de periode voorafgaand aan de medisch-wetenschappelijke advisering van het OMT-Vaccinaties (OMT-V) over de najaarsronde en de inzet van bivalente vaccins. Ik vertrouw erop dat de experts die in het OMT-V plaatsnemen alle relevante wetenschappelijke literatuur hebben meegewogen om tot een gedegen en goed onderbouwd advies te komen over het aanbieden van een herhaalprik in het najaar. Er bestaat een brede internationale wetenschappelijke consensus over de meerwaarde van de bivalente vaccins.
Waarom roept u de gehele bevolking vanaf twaalf jaar op voor het halen van een booster, aangezien inmiddels slechts 22% van de Nederlandse bevolking nog geen natuurlijke infectie heeft doorgemaakt en de effectiviteit van boosters tegen ernstige COVID-19-infecties aanzienlijk minder is onder een populatie die al grotendeels immuniteit heeft bereikt dan wanneer de bevolking nog veel SARS-COV-2 naïeve personen telt?3, 4
Na verloop van tijd zien we zowel na vaccinatie als na infectie een afname van bescherming tegen COVID-19. Dit komt onder andere door de opkomst van nieuwe varianten. Het is daarom nog steeds van toegevoegde waarde dat ook de mensen die al een infectie hebben doorgemaakt zich laten vaccineren. De verwachting is dat de aangepaste bivalente vaccins een bredere bescherming geven en beter beschermen tegen de nu circulerende varianten dan het originele vaccin. Vooral voor ouderen en kwetsbaren is het van belang om de herhaalprik te halen, daarom worden zij persoonlijk uitgenodigd door middel van een brief. De overige bevolking van 12 jaar en ouder krijgt de mogelijkheid om de herhaalprik te halen, maar geen persoonlijke uitnodiging.
Kunt u uw antwoord dat «in deze studies zien we tot nu toe dat elke vaccinatie nog steeds veel toegevoegde waarde geeft in de afweerreactie» nader toelichten, aangezien uit andere studies blijkt dat de beschermingsfactor van boosters onder een populatie met een hoge mate van (natuurlijke) immuniteit aanzienlijk daalt?5
Het klopt dat een eerste infectie of vaccinatie het grootste effect heeft op de immuunrespons. Daarom zijn de eerste vaccinaties, een basisserie gevolgd door een boostervaccinatie, het belangrijkst. Na verloop van tijd zien we zowel na vaccinatie als na infectie een afname van bescherming tegen COVID-19. Dit komt onder andere door de opkomst van nieuwe varianten. De verwachting is dat de aangepaste bivalente vaccins de bescherming weer op peil brengen, en daarbij een bredere bescherming geven en beter beschermen tegen de nu circulerende varianten dan het originele vaccin.
Kunt u uitleggen waarom er toch opnieuw een bevolkingsbrede boostercampagne wordt uitgerold, terwijl deze boosters voor veel mensen waarschijnlijk nauwelijks toegevoegde waarde meer hebben, omdat zij al gevaccineerd en/of natuurlijk geïnfecteerd zijn en vaccinatie bovendien niet effectief is tegen transmissie van het virus?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht is de herhaalprik ook van toegevoegde waarde voor personen die al gevaccineerd zijn en/of een infectie hebben doorgemaakt. Daarom heeft het OMT-V hiertoe geadviseerd. De herhaalprik beschermt goed tegen ernstige ziekte en sterfte en draagt op deze manier bij aan het voorkomen van een te grote druk op de zorg. Tevens zijn er inmiddels meerdere wetenschappelijke studies verschenen waaruit blijkt dat vaccinatie transmissie van het coronavirus tegengaat. Dit is ook gebleken uit verschillende onderzoeken die het afgelopen jaar door het RIVM zijn uitgevoerd6. Ook het OMT-V benoemt dat het aannemelijk is dat de vernieuwde vaccins een rol kunnen spelen bij het verminderen van transmissie. Daarom heb ik er, op basis van het OMT-V-advies, voor gekozen om iedereen van 12 jaar en ouder de mogelijkheid te bieden een herhaalvaccinatie met een vernieuwd vaccin te halen. Doel hiervan is het zo veel mogelijk voorkomen van besmetting en het kunnen openhouden van de samenleving. Er blijft echter altijd een zekere mate van onzekerheid over de exacte bescherming tegen transmissie, omdat dit sterk afhankelijk is van de op dat moment dominante variant van het virus.
Vindt u het met de bevindingen over (de effectiviteit van) boosters, nog steeds geoorloofd om de vaccinatiegraad eventueel mee te nemen in de overweging voor het wel of niet invoeren van (vrijheidsbeperkende) coronamaatregelen? Zo ja, kunt uitleggen hoe u dat te verantwoorden vindt, ervan uitgaande dat de effectiviteit van boosters onder de Nederlandse bevolking waarschijnlijk niet heel groot is en de vaccins bovendien niet beschermen tegen transmissie?
Beide beweringen in deze vraag zijn onjuist. Ik acht het niet zinnig om te speculeren over het verantwoorden van maatregelen «ervan uitgaande dat de effectiviteit van boosters onder Nederlandse bevolking waarschijnlijk niet heel groot is en de vaccins bovendien niet beschermen tegen transmissie». De COVID-19-vaccins zijn namelijk bijzonder effectief, zoals ik in de bovenstaande antwoorden heb toegelicht. Een recente publicatie van het RIVM heeft dat belang nogmaals aangetoond.7
Bent u het eens met de conclusie van de internist-infectioloog van het OLVG dat wij zouden moeten stoppen met testen en traceren en dat het in dit stadium beter is het virus te laten rondgaan onder de grotendeels inmiddels beschermde populatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u uw vaccinatiestrategie voor de komende tijd dan herzien?
Nee, ik ben het er niet mee eens dat we moeten stoppen met testen en traceren. Testen en traceren zijn nog altijd belangrijk, onder andere ter bescherming van mensen met een verhoogde kans op een ernstig verloop en mensen die langdurig klachten houden nadat ze COVID-19 hebben gehad (post-COVID). Het advies is daarom nog steeds: heb je klachten, doe een (zelf)test. Voor het overgrote deel van de mensen is een zelftest voldoende. En het advies is ook nog steeds: ga in isolatie na een positieve (zelf)test en informeer je contacten. Verder zijn er verschillende instrumenten om nieuwe varianten tijdig op te sporen. Om daarnaast zicht te houden op onder meer de verspreiding van het virus en het aantal besmettingen zijn surveillance-databronnen ingericht. De reden waarom het nog steeds belangrijk is dat mensen zich laten vaccineren heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik zie op dit moment geen reden om het test- en traceerbeleid of de vaccinatiestrategie voor de komende tijd te herzien.
Gaat u de Nederlandse burger op de hoogte stellen van het waarschijnlijk kleine effect van boostervaccinaties tegen ernstige Covid-19 infectie? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat er op geen enkele manier meer vaccinatiedruk of dwang mag worden opgelegd aan de bevolking, zeker nu studies de effectiviteit van boostervaccins waarschijnlijk weinig toereikend achten?
De conclusie dat «studies de effectiviteit van boostervaccins waarschijnlijk weinig toereikend achten» is onjuist. Daarom span ik mij in om burgers op een toegankelijke en feitelijke manier te informeren over het belang van vaccinatie tegen COVID-19. De keuze om zich wel of niet te laten vaccineren is een persoonlijke keuze van burgers zelf.
Zo ja, betekent dat dan dat u gaat stoppen met proberen de burger middels politiek gestuurde beeldvorming en framing aan te een boosterprik te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat het voorkomen van het inmiddels zeer kleine risico van een (ernstig verlopende) Covid-19 infectie niet opweegt tegen het risico op potentiele bijwerkingen van herhaaldelijk vaccineren met nieuwe vaccins, als de effectiviteit van boostervaccinaties onder een grotendeels al (natuurlijk) geïmmuniseerde bevolking niet groot is? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide risico-analyse geven waaruit blijkt dat het doorzetten van een bevolkingsbrede boostercampagne de voorkeur heeft?
Ik ben in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) al meermaals en uitgebreid ingegaan op de grote hoeveelheid wetenschappelijk bewijs met betrekking tot de gezondheidswinst die dankzij COVID-19-vaccinatie kan worden bewerkstelligd. Dit weegt ook bij de herhaalprik op tegen de kleine kans op doorgaans milde bijwerkingen. Ik heb hier niets aan toe te voegen.
Schuldhulpverlening en het krijgen van een baan |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u er bekend mee dat mensen die schuldhulpverlening krijgen, hun loon moeten laten uitbetalen aan de bewindvoerder?
Niet alle mensen in de schuldhulpverlening hebben ook een bewindvoerder. Als iemand onder bewind is gesteld, worden zijn of haar financiën beheerd door een bewindvoerder. Het inkomen van de betrokkene wordt gestort op een beheerrekening. Deze rekening staat op naam van de betrokkene zelf. De bewindvoerder ziet erop toe dat vanuit de beheerrekening de vaste lasten worden betaald, zoals huur, energie en verzekeringen en leefgeld wordt uitgekeerd aan de betrokkene. Indien de betrokkene ook in een schuldregeling zit, wordt hiervoor vanuit de beheerrekening geld ingehouden.
Als iemand in een schuldregeling zit, maar niet onder bewind staat, betaalt diegene of zelf de afdracht voor de schuldregeling, of loopt dit via budgetbeheer bij de schuldhulpverlener. In dat laatste geval kan het gaan om een beheerrekening op naam van de betrokkene zelf, waar de budgetbeheerder een volmacht voor heeft. Een andere mogelijkheid is een derdengeldenrekening in beheer van de gemeente of kredietbank. Deze staat niet op naam van de betrokkene.
Kunt u zich voorstellen dat dit een obstakel kan vormen voor mensen om aan een baan te komen, omdat dit vooroordelen kan oproepen bij werkgevers?
Ik kan mij voorstellen dat mensen met schulden te maken krijgen met stigmatisering en veroordeling uit de omgeving en dat dit een obstakel kan vormen bij het zoeken naar een baan. Een beheerrekening bij onder bewindstelling hoeft echter geen dergelijk obstakel te vormen, omdat de beheerrekening op naam van de schuldenaar zelf staat. De betrokkene kan de bewindvoerder daarnaast verzoeken om hierover niet te communiceren met de werkgever.
In het geval van schuldhulpverlening bij de gemeente, kan de betrokkene de schuldhulpverlener vragen om een rekening op eigen naam, in plaats van een derdengeldenrekening.
Vindt u dat mensen die schuldhulpverlening krijgen dit moeten kunnen verbergen van (toekomstige) werkgevers?
Zoals omschreven bij het antwoord op vraag 2 is deze mogelijkheid er al. In het geval van beslaglegging op het loon is deze mogelijkheid er overigens niet. Dit kan voor de werknemer in sommige gevallen gepaard gaan met schaamte. Het kan voor een werknemer met schulden juist ook prettig zijn als de werkgever wel van de situatie op de hoogte is, omdat schulden vaak gepaard gaan met stress en andere (fysieke) klachten. Zo ontstaat er bij de werkgever meer begrip voor de werknemer.
Mijn ministerie zet zich in om de proactieve houding van werkgevers verder te versterken en om het stigma op schulden en armoede tegen te gaan. Gelukkig is er grote bereidheid bij werkgevers om zich in te zetten. Wij werken samen met brancheorganisaties, werkgevers aan aantoonbaar effectieve interventies. Zo stimuleert mijn ministerie de verdere uitrol van de Nederlandse Schuldhulproute waar werkgevers op kunnen aansluiten. Op deze manier maken werkgevers een financiële scan en toeleiding naar de juiste hulp op laagdrempelige wijze beschikbaar voor hun medewerkers. Andere initiatieven die ik toejuich zijn de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en het project Financieel fitte werknemers, waarmee kennisuitwisseling en samenwerking tussen werkgevers op het gebied van financiële gezondheid van werknemers wordt gestimuleerd.
Wat kunt u doen om deze drempel voor mensen om te solliciteren en een baan te krijgen weg te nemen?
Zoals uitgelegd hoeft schuldhulpverlening en/of de uitbetaling van het loon op een beheerrekening geen drempel te zijn bij het vinden van werk.
Het bericht dat er buitensporig vaak inzage in de persoonsgegevens – via de BRP - van slachtoffers van het toeslagenschandaal heeft plaatsgevonden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden waarom persoonsgegevens van slachtoffers van het toeslagenschandaal buitensporig vaak opgevraagd worden door overheidsinstanties, zoals de politie? Kunt u uitsluiten dat dit nog altijd gebeurt?1
Het is voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd.
Omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde, kan de politie dus niet nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen. In de begeleidende brief bij de beantwoording van deze Kamervragen en in het antwoord op vraag 10 is uiteengezet wat de aanleiding voor de bevraging in de BRP zou kunnen zijn geweest. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kan de gedupeerde daartoe een inzageverzoek bij de politie doen.2
Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Ons zijn ook geen signalen bekend over buitensporige bevragingen van de BRP, anders dan het FTM artikel.
Moet de inzage in de Basisregistratie Personen door een gemeente worden goedgekeurd of kunnen overheidsdiensten zich automatisch toegang verschaffen?
Wij beantwoorden deze vraag voor de BRP in het algemeen. Er wordt niet per geval aangegeven waarvoor er gegevens worden opgevraagd, maar wel in algemene zin. Voor iedere gebruiker van de BRP wordt voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de BRP door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) getoetst welke persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de gebruiker. Dit wordt vastgelegd in een autorisatiebesluit. Gebruikers van de BRP mogen de BRP enkel gebruiken binnen de kaders van het autorisatiebesluit. Daarbij merken wij op dat het centraal in de BRP bijhouden van de exacte reden van raadpleging ervoor zorgt dat er meer (gevoelige) gegevens centraal worden bewaard. Dat zou ertoe leiden dat er in de BRP veel meer informatie moet worden bewaard dan nodig is voor de uitvoering van de wet BRP, wat bovendien de risico’s voor burgers in het geval van datalekken en met betrekking tot profilering vergroot.
Gebruikers dienen na het opvragen van de gegevens zelf bij te houden wat de concrete reden van het gebruik van de BRP was. Als de burger precies wil weten waarvoor de BRP-gegevens zijn gebruikt, kan hij of zij een inzageverzoek indienen bij de organisatie die de BRP-gegevens heeft opgevraagd. Op grond van de AVG zijn organisaties die BRP-gegevens opvragen zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de doeleinden van de gegevensverwerking. De desbetreffende organisatie zal dus een reden (doeleinde) moeten kunnen gegeven voor het gebruik van de BRP-gegevens
Zie ook het antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de eerste, tweede en zevende vraag).3
Wordt er gevraagd of aangegeven waarom er in gegevens gekeken wordt van familieleden van iemand wiens gegevens worden opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Krijgt een gemeente een signaal als er buitensporig vaak in de persoonsgegevens van iemand wordt gekeken?
Nee. De Minister van BZK, feitelijk RvIG, beheert de centrale voorziening van de BRP waaruit gegevens kunnen worden opgevraagd. Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Er kan daarom ook geen signaal over worden afgegeven.
Specifiek met betrekking tot de politie is het volgende van belang. De taken en doelgroep van de politie zijn breed (verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavig aan politiecontrole, of omstander). Al deze mensen kunnen in aanraking komen met de politie, waarna de politie gegevens over diegene zal moeten opzoeken in de BRP. Voorgaande brengt ook met zich mee dat RvIG niet kan bepalen of en wanneer er sprake is van «buitensporig vaak» in de persoonsgegevens van iemand kijken. Daarvoor zou RvIG van iedere persoon moeten weten wat de precieze aanleiding is voor het opvragen van de BRP-gegevens. Dat is niet mogelijk gelet op het grote aantal gebruikers van de BRP en daarbij ook onwenselijk, omdat er dan (bijzondere) persoonsgegevens moeten worden bijgehouden in de BRP zonder noodzaak.
Erkent u dat het raar is dat zelfs Ministeries inzage vragen in de persoonsgegevens? Kunt u aangeven welke afdelingen dit betreft en welke redenen er zijn om iemands persoonsgegevens te controleren?
Nee, dat erkennen wij niet. Het doel van de BRP is het voorzien van overheidsorganen (waaronder Ministers) van de in de BRP opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.4 Ministeries kunnen persoonsgegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken, indien die taken onder directe ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Bijvoorbeeld de Minister van BZK voor het kunnen aanbieden van de voorziening DigiD of het beheer van het donorregister onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS. Op de website van RvIG is een overzicht te vinden van de ministeries die toegang hebben tot de BRP, en voor welke taken: BRP-besluiten-Ministeries.
Kunt u aangeven of er een verband is tussen de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst en de vele opvragingen van andere overheidsinstanties? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
PricewaterhouseCoopers (PwC) heeft onderzoek gedaan naar de gegevensverstrekking uit of over de FSV in het rapport «gegevensdeling met derden». De Belastingdienst heeft aanvullend onderzoek verricht dat is gevalideerd door PwC. Over dit onderzoek bent u voor de laatste maal door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd op 4 november 2022.
In die brief is opgenomen dat de 536 gegevensverstrekkingen die PwC heeft gevonden nader zijn onderzocht. Daaruit blijkt dat de omvang van de gegevensverstrekking aan derden beperkter is dan eerder geconstateerd. Van de 536 verstrekkingen heeft de Belastingdienst geconstateerd dat er in 128 verstrekkingen geen persoonsgegevens staan of dat de burger niet in de FSV staat. Van de overgebleven verstrekkingen bevat minstens 108 verstrekkingen geen informatie uit of over de FSV. In de verstrekkingen waar wel sprake is van FSV wordt in de meeste gevallen enkel FSV in de verstrekking vermeld zonder dat er informatie uit de FSV is verstrekt. Daarnaast is geconstateerd dat het overgrote deel van de verstrekkingen plaatsvond op basis van een informatieverzoek en dat de verstrekte informatie niet uit de FSV komt. Na analyse blijven er 296 verstrekkingen over die betrekking hebben op 505 mensen. Uit de nadere analyse van de Belastingdienst blijkt dat de ontvangers van de 4 exportbestanden een verbintenis hadden met de Belastingdienst en dat het daarom geen gegevensverstrekking aan derden is. Deze verstrekkingen zijn wel als een datalek aangemerkt, maar er zijn geen gevolgen geconstateerd. Uit het onderzoek met samenwerkingspartners van de Belastingdienst naar de gevolgen van gegevensverstrekking blijkt dat, op enkele gevallen na, er geen vervolgactie is ingezet op basis van de gegevensverstrekking. In de gevallen waarbij de samenwerkingspartner wél een vervolgactie heeft ingezet, ging het om informatie die de samenwerkingspartner op basis van een informatieverzoek heeft ontvangen.
Verstrekking
Aantal
Toelichting
4
Geen gegevensverstrekking
128
Geen gegevensverstrekking
108
Geen gegevensverstrekking
296
Gegevensverstrekking, circa 65% op basis van een informatieverzoek.
Totaal aantal verstrekkingen
536
Gezien er uit deze onderzoeken niet blijkt dat er grootschalige informatieverstrekking uit of over FSV heeft plaatsgevonden aan andere organisaties, is het onaannemelijk dat de FSV heeft geleid tot «grootschalige» bevraging van de BRP door overheidsorganisaties in die zin dat de persoonsgegevens van heel veel burgers in de BRP zijn bevraagd.
Los van de FSV, verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie van een persoon aan andere overheidsorganisaties, indien daar door een organisatie om verzocht wordt en hier een wettelijke basis voor is. Ook verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie aan andere organisaties ter uitvoering van een wettelijke taak.
Naast dat deze informatieverstrekking in de wet is vastgelegd, is ook in veel gevallen een convenant opgesteld. Die convenanten zijn openbaar beschikbaar.
Met welke instanties zijn er (gegevens van) FSV-lijsten of soortgelijke gegevens gedeeld?
Zie antwoord vraag 6.
Indien er geen gegevens zouden zijn gedeeld met andere instanties dat mensen gesignaleerd staan op een FSV-lijst, hoe verklaart u dat de opvragingen van andere instanties vele malen talrijker zijn dan voor mensen die niet gesignaleerd staan op een FSV-lijst?
Het artikel van FTM spreekt niet over extra raadplegingen van de BRP door de FIOD, het Ministerie van Financiën en anderen. Dit herkennen wij ook niet. In het geval van de politie kan niet worden vastgesteld of sprake is van overmatige bevragingen.
Daarnaast is het zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd. De politie heeft aangegeven dat zij niet kan nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde.
Zoals beschreven in de begeleidende brief zijn er wel diverse gronden op basis waarvan gegevens worden verstrekt aan de politie.
Welke gegevens zijn er overgenomen uit FSV-lijsten en gedeeld met andere instanties dan de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat bij sommige slachtoffers het krijgen van brieven om toeslagen terug te betalen gelijk loopt met de start van buitensporige inzage van politie, FIOD, Ministerie van Financiën en anderen? Hoe kunt u dit verklaren?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft het kenmerk «opzet grove schuld» achter iemands naam invloed gehad op het buitensporig in mogen zien van de persoonsgegevens?
Nee. Het kenmerk «opzet grove schuld» wordt niet geregistreerd in de BRP noch gebruikt bij de toets of een organisatie toegang krijgt tot persoonsgegevens in de BRP.
Bent u bereid een verplichting in te stellen voor instanties waarom zij een bevraging doen uit andere systemen, zodat mensen meer inzage kunnen krijgen in hun gegevens en wat er met hun gegevens gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel 5, tweede lid («verantwoordingsplicht»)). Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verplicht om daaraan te voldoen.
Denkt u dat wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking was getreden de toeslagenouders wél een fatsoenlijke verklaring van de politie zouden hebben gekregen over waarom er zo vaak inzage in de persoonsgegevens heeft plaatsgevonden? Kunt u uw antwoord toelichting?
Artikel 32a van de Wet politiegegevens (Wpg) gaat over logging in geautomatiseerde systemen van de invoer van gegevens in systemen en op termijn ook van het verzamelen, wijzigen, raadplegen, verstrekken (o.a. in de vorm van doorgifte), combineren of vernietigen van politiegegevens. Het ontbreken van een verklaring voor de bevragingen is niet gelegen in het feit dat er geen logging plaatsvindt van bevragingen. Er vindt wel degelijk logging plaats op grond van de algemene verplichting tot gegevensbeveiliging uit artikel 4a van de Wpg. Er kan echter geen onderzoek worden gedaan door de politie naar bevragingen op toeslagenouders, omdat het voor de politie niet kenbaar is welke personen toeslagenouders zijn. De politie kan daarom niet nagaan of toeslagenouders bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, en zo ja, wat daarvan de achterliggende redenen zou kunnen zijn. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kunnen zij daartoe een inzageverzoek bij de politie doen. In de begeleidende brief bij deze Kamervragen is een link opgenomen naar een website met meer informatie hoe een dergelijk verzoek kan worden gedaan.
Kunt u aangeven wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking zal treden?
Artikel 32a Wpg moet – conform de uitzonderingsmogelijkheid geboden in Richtlijn 2016/680 – uiterlijk in mei 2023 in werking treden. Dat kan middels een koninklijk besluit. Deze uitzondering is mogelijk gemaakt omdat systemen aangepast moeten worden zodat deze kunnen loggen. Het blijft ook na mei 2023 overigens tot 2026 mogelijk om een uitzondering te vragen voor specifieke systemen die om technische redenen nog niet kunnen loggen.
Kunt u tevens aangeven waarom het zo lang moet duren en of dat bij de inzage in de verwerking van politiegegevens ook zonder logplicht onder dat recht op inzage valt?
Het recht op inzage in de gegevens wordt geregeld door artikel 25 van de Wet politiegegevens, daaronder valt ook inzage in de doelen en de rechtsgrond van de verwerking. Daaronder valt verder een overzicht van de ontvangers van politiegegevens gedurende een periode van vier jaar, dus aan wie politiegegevens verstrekt zijn (lid 1, onderdeel c). Voor zover loggegevens tegemoet komen aan de onderdelen van artikel 25, valt dit onder het inzagerecht. Verder verwijzen wij u voor de beantwoording van deze vraag naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid instanties te verplichten dat een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn, en er dus niet een overzicht kan worden gegeven van slechts enkele systemen binnen een instantie waarin een persoon voor kan komen? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Voor de politie geldt dat het recht op inzage conform artikel 25 van de Wpg het inzien van persoonsgegevens en het krijgen van informatie over de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; de betrokken categorieën van politiegegevens; de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
Tegelijk is het goed om hier te onder de aandacht te brengen dat in artikel 27 van de Wet politiegegevens hier een uitzondering op wordt gemaakt en dat het verzoek kan worden afgewezen op grond van een aantal limitatief opgesomde uitzonderingsgronden.
Op overige organisaties die persoonsgegevens verwerken is de AVG van toepassing. De AVG regelt dat op iedere verwerkingsverantwoordelijke de verantwoordingsplicht rust (artikel 5, tweede lid, AVG). Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, is verplicht om te voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen (artikel 15 AVG). Overzichten van verwerkingsactiviteiten dienen compleet te zijn.5
Bent u bereid instanties te verplichten dat indien er een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn en dus ook moet bevatten met welke instanties deze gegevens nog meer zijn gedeeld? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel6. Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verantwoordelijk om daaraan te voldoen.
Waarom vindt u het nog altijd geoorloofd dat steeds meer instanties, en daarmee ook steeds meer mensen, inzage hebben in de persoonlijke gegevens van mensen zonder dat ze daarbij hoeven aan te geven waarom ze deze gegevens opvragen of hoe zij deze gegevens verder verwerken? Ziet u het gevaar als, zoals u eerder wenste, ook bijvoorbeeld banken toegang hebben tot dergelijke gegevens? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het verwerken van persoonsgegevens zonder dat daarbij kan worden aangegeven waarom de gegevens worden verwerkt zou inderdaad – behoudens uitzonderingen – ongeoorloofd zijn. Op iedere verwerkingsverantwoordelijke rust de verantwoordingsplicht (artikel 5, tweede lid, AVG). Zie voor de verdere beantwoording van deze vraag mijn antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de tweede vraag).7 Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, moet voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen.
Vindt u het rechtvaardig dat slachtoffers van het toeslagenschandaal nog altijd geen inzicht hebben in welke gegevens met welke diensten zijn gedeeld? Zo nee, hoe kan het dat deze mensen al zo lang op antwoorden moeten wachten? Zo ja, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de systemen van Toeslagen staat niet geregistreerd of en welke informatie van gedupeerde ouders in het verleden is gedeeld met andere organisaties. Het is voor de medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) daarom ook niet mogelijk om dit inzichtelijk te maken.
Wanneer gedupeerden in de FSV geregistreerd stonden, zijn zij door de Belastingdienst hierover geïnformeerd. De Belastingdienst informeert hen dan ook over de reden van registratie, wat de effecten van registratie zijn geweest en indien dit aan de orde is, met welke organisaties hun gegevens uit of over FSV zijn gedeeld.
Een lijst van 500-600 piekbelasters |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de verwarring over het bestaan van «een lijst van 500–600 piekbelasters» is ontstaan en wat precies de informatie richting de heer Remkes was, waar hij zijn veronderstelling op baseerde?
Als bijlage bij mijn brief van 14 oktober 2022 heeft u de exacte informatie zoals die aangeleverd aan de heer Remkes ontvangen (Kamerstuk 35 334, nr. 202). Zoals in die brief toegelicht, is op verzoek van de heer Remkes ambtelijk een inschatting gemaakt van de potentiële orde-grootte-effecten van een aanpak gericht op piekbelasters. Deze analyse is evenwel gedaan op basis van geanonimiseerde data en niet op basis van een lijst van 500–600 concrete bedrijven. Om welke bedrijven het gaat, is afhankelijk van beleidsuitgangspunten en instrumentarium.
Kunt u de eerdere adviezen en studies van en voor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarin ook sprake was van «piekbelasters» en «piekvervuilers», zoals het eerdere advies van de heer Remkes, RIVM-rapporten, de studie van het Ministerie van Financiën en de «Top 100» voor ammoniak en stikstofdioxide (NO2) en andere, samenvatten en appreciëren voor gericht beleid op piekbelasters?
Bovengenoemde adviezen en rapporten onderstrepen de potentie van een aanpak waarin gericht de uitstoot van de grootste piekbelasters wordt teruggebracht of weggenomen. Waar de top-100-lijsten voor ammoniak (NH3) en stikstofdioxide (NO2) informatie geven over de uitstoot, is bij de aanpak van piekbelasters met name de depositie van die bedrijven op de natuur, in het bijzonder stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden van belang. Met gebiedsspecifiek maatwerk gericht op piekbelasters kunnen stikstofdeposities effectiever worden weggenomen. Voor de nadere definiëring van wie piekbelasters zijn, zijn de hoeveelheid depositie, de eigenschappen van de stof (NOx of NH3), de soort en de karakteristieken van de emissiebron en de afstand tot een N2000-gebied relevant. Instrumenten kunnen zich vervolgens nog richten op specifieke subsets van piekbelasters, bijvoorbeeld de piekbelasters op die Natura 2000-gebieden waarvan de huidige en/of voorziene toekomstige staat het meest zorgelijk is.
Met de maatregel gerichte aankoop (MGA) gericht op agrarische piekbelasters wordt in de huidige aanpak stikstof reeds invulling gegeven aan gebiedsgerichte depositiereductie. Ook wordt ingezet op gebiedsgericht maatwerk voor industriële piekbelasters. Zoals toegezegd in het stikstofdebat van 23 juni jongstleden en tevens conform de motie-Van Campen (VVD) (Kamerstuk 33 576, nr. 302) werk ik de aanpak hiervoor verder uit samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. In de korte termijn aanpak die thans wordt uitgewerkt in het kader van het advies van de heer Remkes zullen de genoemde adviezen en de reeds lopende trajecten worden betrokken.
Wordt het idee om «piekbelasters» met voorrang en binnen een jaar uit te kopen of te onteigenen en de «winst» meegenomen in de gebiedsprocessen?
Het kabinet heeft in zijn reactie op het advies Remkes d.d. 14 oktober 2022 aangegeven om met betrekking tot piekbelasters de gefaseerde aanpak van de heer Remkes te hanteren: aanpassen, verplaatsen en daarna het gesprek aangaan over (vrijwillig) stoppen. Met provincies wordt momenteel overlegd over hoe dit proces het beste is te organiseren. Hierbij komt ook de samenhang van de piekbelastersaanpak met de gebiedsprocessen aan de orde. Beoogd is dat de inzetbare stikstofruimte die een aanpak oplevert met prioriteit naar het legaliseren van de PAS-meldingen gaat.
Wordt het idee om de «winst» van het beëindigen van «piekbelasters» te verdelen onder Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders meegenomen in gebiedsprocessen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een overlap tussen de bedrijven met de grootste ammoniakemissies en de bedrijven met de grootste stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden?
De omvang van de ammoniakemissie is een belangrijke factor. Voor de depositie op natuurgebieden zijn echter onder andere ook de ligging ten opzichte van en de afstand tot die natuur medebepalend.
Is er een overlap tussen de bedrijven met de grootste depositie en de lijst met PAS-melders?
Op dit moment is er geen lijst met piekbelasters waar de aanpak op zal zien, samengesteld. De mate waarin er sprake is van overlap, is daarmee niet te duiden.
Wat vindt u van het advies van de heer Remkes om Nederland in «zones» te verdelen, ingedeeld naar wat er in een bepaald gebied mogelijk is?
In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen gebieden in ons land, zoals de hoge zandgronden, veenweidegebieden en de kleigebieden. Ieder type gebied heeft zijn eigen natuur-, water- en bodempotenties met daarbij behorende opgaven voor natuur, stikstof, water en klimaat. Deze opgaven werken door in de ruimtelijke planvorming. Door onderscheid te maken tussen gebieden vanuit de opgaven die er spelen, wordt duidelijk wat er wel en niet in een gebied mogelijk is. Een zonering, zoals ook de heer Remkes voorstelt, kan ondersteunend werken aan de gebiedsprogramma’s. Het kabinet heeft reeds aangegeven dat het werken met een zonering «bottom-up» vorm zou moeten krijgen. Vanuit deze gedachte past het advies bij de uitgangspunten van het NPLG en de gebiedsgerichte aanpak die het kabinet voorstaat.
Als er een dergelijke indeling wordt gemaakt, hoeveel (ongeveer) van de PAS-melders zouden dan in een «rode zone» vallen?
Zo’n indeling is op dit moment niet gemaakt. Zodoende is ook niet te zeggen hoeveel PAS-meldingen (ongeveer) in een van de verschillende zones zouden vallen.
Het bericht 'Agressieve verkoper van energiecontracten start eigen energiemaatschappij. Radar Checkt!' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat u dacht toen u (terug-)keek naar de Radaruitzending van 26 september als het gaat om de energieleverancier HEM?1
Ik vind de in de Radaruitzending getoonde problematiek rondom energieleverancier HEM zorgelijk. Consumenten zijn vrij om in Nederland een energiecontract te kunnen afsluiten op basis van een divers aanbod met verschillen in tariefopbouw en looptijd. Tegelijkertijd zijn er ook spelregels en toezicht om te borgen dat leveranciers daarbij redelijke voorwaarden hanteren. Op zijn minst roept de uitzending de vraag op of die regels goed zijn nageleefd in dit geval. Ik vind het daarom belangrijk dat de toezichthouder scherp let op eventuele overtredingen van deze regels en zo nodig optreedt waar die niet nageleefd worden.
Wat vindt u van vaste contracten van vijf jaar met variabele tarieven? Zou u dit betitelen als een wurgcontract?
Vaste contracten van vijf jaar met variabele tarieven zijn niet gangbaar en in combinatie met een (hoge) opzegvergoeding biedt het de consument geen voordelen, maar wel risico’s bij een stevige prijsverhoging. Het biedt de energieleverancier zekerheid, omdat de consument zich bindt aan het energiecontract voor bepaalde tijd en de energieleverancier zijn inkoop daarop kan aanpassen. Het biedt de consument daarentegen geen zekerheid, want de tarieven zijn variabel en kunnen dus tussentijds verhoogd worden terwijl de leverancier vanwege de vaste looptijd van het contract wel een opzegvergoeding kan vragen als de consument het contract zou willen opzeggen. Er lijkt dus sprake van een potentieel scheve verdeling van risico’s bij zo’n contract. Ik vind dit een onwenselijke situatie gezien de kwetsbare positie waar consumenten zich in de huidige marktomstandigheden in bevinden, waar leveranciers ook voor gevraagd worden oog voor te hebben.
Mogen energieleveranciers dit soort contracten aanbieden aan consumenten die ZZP-er zijn en daardoor als zakelijke klant worden aangemerkt? Wie houdt hier toezicht op?
Voor het aanbieden van leveringscontracten moeten leveranciers zich houden aan de wettelijke regels die van toepassing zijn op het afsluiten van leveringscontracten, zoals het vereiste dat de voorwaarden, verbonden aan de leveringsovereenkomst transparant, eerlijk en vooraf bekend zijn en de verplichting bij het leveren van energie redelijke tarieven en voorwaarden te hanteren. Voor kleinverbruikers geldt, ook als zij handelen als een zzp-er, daarnaast aanvullende bescherming vanuit het Burgerlijk Wetboek. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving van deze regels.
Op basis van welke (wettelijke) bepaling mag een bedrijf energie leveren zonder leveringsvergunning van de Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
Een wederverkoper kan op basis van een bemiddelingsovereenkomst alleen handelen en niet leveren in naam van de vergunninghoudende energieleverancier. De wettelijke basis van de bemiddelingsovereenkomst is in Nederland opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (afdeling 7.7.3). Voor het kunnen leveren aan kleinverbruikers is in principe een leveringsvergunning noodzakelijk.
Vindt u het wenselijk dat de ACM het toestaat om vergunningen als «wederverkoop van energie aan kleinverbruikers» door te laten verkopen aan bedrijven zonder vergunning? Zo neen, wat gaat u hieraan doen?
Het is mogelijk om als wederverkoper (tussenpersoon) leveringscontracten aan kleinverbruikers aan te bieden. De wederverkoper handelt dan als bemiddelaar in naam van de opdrachtgever (de vergunninghoudende energieleverancier). In het contract dat hij namens de energieleverancier aan de kleinverbruiker aanbiedt, moet vervolgens de naam van de achterliggende leverancier, – de leverancier die de vergunning houdt-, vermeld staan als contracterende partij.
De daadwerkelijke leveringsovereenkomst komt tot stand tussen deze leverancier en de kleinverbruiker. Deze leverancier blijft ten allen tijde aansprakelijk voor het handelen van de wederverkoper. De vergunninghoudende leverancier blijft ook in de constructie van wederverkoop verplicht zich aan de daartoe geldende wettelijke regels voor het aanbieden van leveringscontracten van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers te houden. De ACM houdt toezicht op het handelen van leveranciers bij het aangaan van contracten met kleinverbruikers en – in het verlengde daarvan – de wijze waarop leveranciers hun wederverkopers aanspreken op het rechtmatig handelen bij het aangaan van leveringsovereenkomsten.
Kunt u aangeven wat er voor nodig is om de vergunningverlening te verscherpen om dit soort schimmige doorverkooppraktijken te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 10, 11 en 12.
Bent u ook verbaasd dat HEM uiteindelijk een eigen leveringsvergunning heeft gekregen, terwijl er binnen de ACM meerdere signalen bekend waren over de dubieuze handel en wandel van de eigenaren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de vergunningaanvraag van Allround Holland Energie B.V. heeft de ACM getoetst of de aanvrager beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Hier heeft zij aan voldaan en zij heeft een vergunning gekregen van de ACM. Een vergunninghoudende energieleverancier moet echter blijvend voldoen aan genoemde vergunningvereisten. Hier houdt de ACM toezicht op. Wanneer de ACM klachten ontvangt over een vergunninghoudende energieleverancier, kan dit aanleiding zijn voor een onderzoek. De ACM heeft in het interview met Radar aangegeven bekend te zijn met de klachten over HEM. Ik heb mede gelet op deze berichtgeving met de ACM gesproken en mijn zorgen gedeeld over de praktijk bij HEM.
Kunt u voorts aangeven hoe het mogelijk is dat een energieleverancier die zich niet aan de regels houdt toch zijn leveringsvergunning behoudt, zoals dat bij HEM het geval is? Vindt u dat het toezicht hier voldoende wordt toegepast?
Het is aan de ACM om te beoordelen of er voldoende reden is om een leveringsvergunning in te trekken.
Wanneer is het volgens u gerechtvaardigd dat een energieleverancier haar leveringsvergunning verliest?
In het geval dat een energieleverancier naar oordeel van de ACM als onafhankelijk toezichthouder niet meer aan de (wettelijke en andere) vergunningsvereisten voldoet.
Vindt u dat de ACM voldoende in staat is om consumenten te beschermen tegen energieleveranciers die zich niet aan de regels houden? Zo nee, waarom niet, en hoe gaat u dit dan verbeteren?
Het aanscherpen van toezicht op leveranciers en het stellen van extra eisen is hard nodig en heeft mijn volle aandacht. Zo heb ik dit najaar hiervoor aangescherpte beleidsregels in het kader van vergunningverlening vastgesteld en heeft de ACM het toezicht op energieleveranciers aangescherpt. Deze beleidsregels zijn inmiddels in werking getreden. Verdere aanscherping wordt uitgewerkt onder de Energiewet.
Het is de ACM die aanvragen van vergunningen beoordeelt en toezicht houdt op vergunninghouders, ook op vergunninghouders die via wederverkopers energiecontracten sluiten. Zoals aangekondigd in mijn brief van 20 september 2022 (Kamerstuk 29 023, nr. 347), is het toetsingskader voor de vergunningverlening en het toezicht op energieleveranciers onlangs aangescherpt. De daartoe aangekondigde Beleidsregels zijn inmiddels vastgesteld door ACM en mijzelf. Maandag 3 oktober 2022 zijn de Beleidsregels gepubliceerd en ze zijn van kracht met ingang van 4 oktober 2022.2 Hierdoor moeten energieleveranciers aan strengere eisen voldoen als het gaat om risicomanagement en hun financiële positie om een betrouwbare levering te kunnen garanderen.
Daarnaast heb ik uw Kamer in het Vragenuur van 27 september 2022 gemeld dat in het concept wetsvoorstel voor de Energiewet een extra benodigde kwaliteit van «deskundigheid» voor vergunninghoudende leveranciers opgenomen is. Ook krijgt de ACM de mogelijkheid gebruik te maken van de Wet Bibob bij het toezicht op vergunninghoudende leveranciers.
Consumenten worden in Nederland verder beschermd door regels over onder meer precontractuele informatieverplichtingen, verkoop aan de deur, op straat en aan de telefoon, het verbod op oneerlijke en agressieve handelspraktijken. De ACM ziet ook toe op de naleving van deze regels door energieleveranciers en kan optreden als ze overtreden worden, bijvoorbeeld door een boete op te leggen. Desalniettemin blijf ik alert op signalen uit de markt en bekijk ik waar verdere aanscherping van de bescherming van consumenten nodig is.
Vindt u dat de ACM genoeg doet om te voorkomen dat energieleveranciers contracten aanbieden die niet aan de regels voldoen?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u doen om bestaande of toekomstige vergelijkbare praktijken aan te pakken en de consument beter te beschermen tegen cowboys op de energiemarkt?
Zie antwoord vraag 10.
Waar kunnen de klanten van HEM terecht om hun recht te halen als zij onder valse voorwendselen zijn binnengehaald voor een wurgcontract? Hoe gaan u en de ACM deze mensen helpen?
Energiemaatschappijen moeten consumenten eerlijk en tijdig informeren over het contract dat zij sluiten. Daarnaast moeten ze eerlijke tarieven en voorwaarden hanteren. Consumenten met klachten over een energiemaatschappij kunnen hun recht halen bij de Geschillencommissie Energie of bij de burgerlijke rechter.
Ik raad consumenten die een klacht hebben over een energiemaatschappij aan om deze ook te melden bij de ACM. De ACM is bevoegd om op te treden tegen overtredingen van leveranciers, bijvoorbeeld door boetes op te leggen of door de vergunningverlening van energiemaatschappijen opnieuw tegen het licht te houden.
Garandeert u dat ACM mensen die bizarre bedragen voor het beëindigen van het wurgcontract helpt om die «boetes» terug te krijgen? Zo neen, waarom niet?
Eerder gaf ik al aan (hoge) opzegvergoedingen bij contracten van een bepaalde duur met variabele tarieven maatschappelijk onwenselijk te vinden. Het is aan de rechter te oordelen of het vragen van dergelijke vergoedingen wel rechtmatig is. De ACM heeft nu alleen mogelijkheden om in dergelijke gevallen op te treden wanneer een leverancier een tariefswijziging doorvoert die geen verband houdt met de stijging van de inkoopkosten en een opzegvergoeding in rekening brengt.
Strikt genomen staat de wet niet aan deze praktijk in de weg omdat de wetgever indertijd bij contracten van bepaalde duur geen rekening hield met contracten van bepaalde duur mét variabele tarieven. Dergelijke contracten zijn zeker niet gebruikelijk. Consumenten en bedrijven met een aansluiting voor kleinverbruik kunnen echter wel terecht bij de Geschillencommissie Energie of de rechter, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 13.
De term piekbelaster en de lijst van piekbelasters |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van Johan Remkes in de uitzending van Buitenhof over de lijst van boerenbedrijven die moeten worden uitgekocht?1, 2
Ja.
Kunt u aangeven of er nu wel of niet een lijst is, gezien het feit dat Johan Remkes in de uitzending van Buitenhof aangaf dat er een lijst is van boerenbedrijven die moeten stoppen, terwijl u eerder aangaf dat zo’n lijst er niet is? Hoe kan dit?3, 4, 5
Er is geen concrete lijst van boerenbedrijven die moeten stoppen. De heer Remkes heeft inmiddels ook toegelicht dat hij ten onrechte in die veronderstelling was. De heer Remkes heeft zich gebaseerd op de hem toegezonden ambtelijke analyse van de mogelijke effecten van een aanpak gericht op piekbelasters, en daarbij verondersteld dat er een lijst met concrete bedrijven onder lag. Voor de ambtelijk analyses is echter gebruik gemaakt van geanonimiseerde data. Zie voor een verdere toelichting daarop de notitie die ik 14 oktober jl. aan uw Kamer heb verzonden (Kamerstuk 35 334, nr. 202).
Zijn desbetreffende boerenbedrijven hierover reeds geïnformeerd? Zo niet, op welke termijn zal dit gebeuren?
Nee. Zoals toegelicht is er geen concrete lijst van bedrijven die moeten worden uitgekocht, en deze zijn dus ook nog niet benaderd. Momenteel werk ik een kortetermijnaanpak gericht op onder andere de uitstoot van piekbelasters uit. In november zal ik de Tweede Kamer hier nader over informeren.
Onderschrijft u dat ondernemers die vrezen voor de toekomst van hun bedrijf zo snel mogelijk duidelijkheid verdienen?6
Ja.
Op welke termijn moeten boerenbedrijven, die hierover worden geïnformeerd, vervolgens stoppen met hun bedrijfsvoering?
De heer Remkes noemt de termijn van één jaar. In zijn reactie op het rapport van de heer Remkes heeft het kabinet aangegeven dat deze tijdsperiode ambitieus is. Ik ga met provincies en sectorpartijen hierover in gesprek. Enerzijds is er de urgentie van een werkende aanpak om op korte termijn de stikstofdepositie terug te brengen, anderzijds vereist de aanpak van piekbelasters zorgvuldigheid en moeten bedrijven ook de mogelijkheid krijgen om, met hulp van de benodigde externe kennis en expertise, de mogelijkheid hebben om, naast beëindiging van de desbetreffende activiteit, in kaart te brengen op welke wijze de uitstoot tot bijna nul terug kan worden gebracht.
Op welke termijn gaat u de desbetreffende lijst openbaar maken?
Zoals toegelicht is er geen concrete lijst opgesteld. In november zal ik de Tweede Kamer nader informeren over de kortetermijnaanpak, waarbij ik ook in zal gaan op de voorgenomen tijdlijn.
Welke juridische status heeft deze lijst?
Zoals toegelicht is er geen concrete lijst opgesteld.
Kunt u de onderbouwing voor de samenstelling van deze lijst geven?
Zoals toegelicht is er geen concrete lijst opgesteld. In de notitie die met de heer Remkes is gedeeld en die ik 14 oktober jl. aan de Tweede Kamer heb verzonden, staat de onderbouwing bij de conclusies uit die notitie toegelicht.
Wat bedoelt u precies met de «smalle» en «brede» definitie van de term piekbelaster, gezien het feit dat u in antwoord op schriftelijke vragen over de term piekbelaster van 9 juni jongstleden aangaf dat de term piekbelaster «geen vast omschreven begrip is» en dat «deze groep qua omvang smal of juist breder kan worden begrensd of gedefinieerd»?7
De definitie van een piekbelaster en de begrenzing van de groep piekbelasters hangt samen met de context waarin de term wordt gebruikt. Zoals in de beantwoording van de schriftelijke vragen van 9 juni jongsleden is aangegeven, wordt de term gebruikt voor bedrijven met een hoge uitstoot op stikstofgevoelige natuur, die in de meeste gevallen op relatief korte afstand van stikstofgevoelige natuur zijn gelegen. De context wordt bepaald door het doel van bijvoorbeeld een maatregel (waarbij een grotere of kleinere groep in aanmerking kan komen), van de omstandigheden in een gebied, van maatregelen die al genomen zijn of nog genomen gaan worden en van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Kunt u uitleggen welke definitie de boerenbedrijven op de lijst van bedrijven, die moeten worden uitgekocht, precies kenmerkt?
Zoals beschreven in de ambtelijke notitie zijn er keuzes te maken in criteria. Zo kan een nadruk worden gelegd op de bedrijven die landelijk zorgen voor de meeste depositie, of specifieker worden gekeken naar wat per (als urgent aangemerkt) natuurgebied de bedrijven zijn die de meeste stikstofdepositie veroorzaken. Ik zal de Tweede Kamer op korte termijn nader informeren over de keuzes die hierin te maken zijn.
Het bericht ‘Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD), Simone Richardson (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp»?1
Ja.
Zijn deze misstanden ook ter sprake gekomen bij het bezoek van de Staatssecretaris aan dit jeugddorp op 14 september jongstleden? Zo nee, waarom niet?2
Nee, deze misstanden zijn niet besproken. Voorafgaand aan mijn werkbezoek aan de Glind hebben mij geen signalen bereikt over misstanden. Indien dat wel het geval was, was ik het gesprek hierover zeker aangegaan.
Hebben externe toezichthouders al eerder signalen bereikt over onveilige omstandigheden in jeugddorp de Glind? Zo ja, vanaf wanneer waren deze externe toezichthouders hiervan op de hoogte en welke stappen zijn toen ondernomen? Zo nee, hoe kan het dat dit nog niet bekend was bij de betrokken toezichthouders?
In de periode 2018 tot begin oktober 2022 ontving de IGJ 8 signalen en 5 meldingen over zorgaanbieders uit de Glind. Bij iedere melding bepaalt de IGJ welke vervolgstappen nodig zijn. Dat kan onmiddellijke actie zijn, maar het kan ook zijn dat de IGJ een zorgaanbieder bijvoorbeeld vraagt om zelfstandig onderzoek te doen. Meldingen die de IGJ ontvangt over geweld, misbruik of grensoverschrijdend gedrag binnen een gezinshuis, worden altijd opgevolgd. Ook neemt de IGJ meldingen die worden ontvangen mee in toekomstig toezicht. Veel van de zorgaanbieders in de Glind betreffen gezinshuizen.
Over de precieze inhoud van meldingen en de afhandeling doet de IGJ nooit mededelingen. Dat is vanwege de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen. En omdat meldingen (ook oudere) meegenomen kunnen worden in toekomstig toezicht of onderdeel zijn van lopend toezicht.
Hoe reflecteert u op de constatering van oud-pleegkinderen dat sprake is van een gesloten systeem dat vermeende daders de hand boven het hoofd hield? Welke stappen worden nu ondernomen ten aanzien van de zorgaanbieder?
Het is zeer te betreuren dat oud-pleegkinderen geen klacht durfden in te dienen of aangifte durfden te doen tegen vermeende daders van de misstanden in de Glind. Het gesloten systeem zoals in de uitzending van omroep Gelderland over de Glind in de jaren ‘80 en ‘90 is beschreven, is inmiddels veranderd. Het is sinds het begin van de jaren ‘90 niet meer verplicht om als hulpverlener in De Glind te wonen. Voor de gezinshuiskinderen wordt gekeken wat een passende school/ opleiding voor hen is, waardoor zij ook buiten de Glind naar een reguliere basisschool of school voor voortgezet onderwijs kunnen gaan.
In 2016 is de Stichting Jeugddorp de Glind opgericht, naast Stichting Intermetzo (de voorganger van Pluryn), die ook gezinswonen aanbiedt als zorgaanbieder. Ook andere zorgaanbieders hebben zich ondertussen gevestigd in het dorp met één of meerdere gezinshuizen, woonvormen of logeervoorzieningen. De verschillende zorgaanbieders werken binnen het dorp samen op het gebied van bijvoorbeeld vrijetijdsvoorzieningen. Intercollegiaal overleg of het bespreken van het (vermoeden) van misstanden kan hierdoor makkelijk plaatsvinden tussen professionals die geen afhankelijkheidsrelatie ten aanzien van elkaar hebben in de privésfeer.
De grootste franchise-gevende organisatie van gezinswonen (Gezinshuis.com) heeft sinds enkele jaren geen kantoor meer in de Glind en daarmee geen directe belangen, anders dan het vertegenwoordigen van haar formule bij zorgaanbieders en bij een groot deel van de gezinshuizen in het dorp. De positionering van Gezinshuis.com buiten de Glind draagt bij aan haar onafhankelijke positie.
De lopende meldingen en signalen die over de betrokken zorgaanbieders worden gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zullen zorgvuldig door de IGJ worden behandeld en zo nodig worden onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe wordt recht gedaan aan de groep oud-pleegkinderen die hun verhaal hebben verteld? Hoe wordt erop toegezien dat deze oude meldingen alsnog worden behandeld?
Pluryn heeft een telefoonlijn opgezet voor deze groep slachtoffers.
Pluryn is ook onderzoek aan het voorbereiden. Ik heb begrepen dat ze zowel onderzoek laten doen naar de stukken die in de archieven bewaard zijn, als methodologisch onderzoek, bijvoorbeeld door middel van focusgroepen met (oud)medewerkers en (oud)cliënten. De uitkomsten van beide onderzoeken zijn bedoeld om zowel helder te krijgen wat er gebeurd is met meldingen, maar ook om te leren hoe nu en in de toekomst om te gaan met (gevoelens van) onveiligheid van cliënten en medewerkers en dit te voorkomen.
Slachtoffers kunnen ook bellen met de telefoonlijn van Slachtofferhulp Nederland. Zij bieden hulp en ondersteuning en geven persoonlijk advies aan onder meer slachtoffers van geweld of seksueel misbruik.
Slachtoffers die tussen 1945–2019 slachtoffer zijn van geweld en behoefte hebben aan een luisterend oor of zoekende zijn naar hulp of ondersteuning, kunnen bellen met de telefoonlijn van het Centraal Informatie en Expertisepunt. Dat is speciaal opgericht voor slachtoffers van geweld. Er is ook een mogelijkheid tot chatten.
Indien zij dit nog niet gedaan hebben, kunnen de slachtoffers ook een financiële tegemoetkoming vragen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Mensen die tussen 1945–2019 als minderjarige onder verantwoordelijkheid van de overheid in aanraking kwamen met geweld in de vorm van jeugdzorg waar zij verbleven, komen in aanmerking voor deze vergoeding.
Zijn er voldoende mogelijkheden voor bewoners en jeugdbeschermers om veilig meldingen te doen, intern en extern, van onveilige situaties binnen het jeugddorp? Zijn bewoners en jeugdbeschermers hier ook voldoende van op de hoogte?
Er zijn nu diverse mogelijkheden voor bewoners maar ook voor jeugdbeschermers om veilig een melding te doen, indien zij over een zorgaanbieder klachten hebben, of onveiligheid of geweld ervaren. De mogelijkheden voor het doen van meldingen en het indienen van klachten zijn bekend bij de jeugdbeschermers en ook bewoners weten waar zij terecht kunnen bij klachten of onveilige situaties.
Allereerst hebben kinderen, ouders en pleegouders, op grond van de Jeugdwet, klachtrecht. Jeugdhulpaanbieders waaronder gezinshuizen moeten een klachtenregeling opstellen waarin in ieder geval voorzien wordt in een klachtencommissie met een onafhankelijk voorzitter die de klachten kan behandelen. Wordt de klacht niet naar tevredenheid afgehandeld dan kan de klager zich wenden tot de Nationale ombudsman of de Kinderombudsman.
Er bestaat tenslotte ook de mogelijkheid een tuchtklacht in te dienen.
Daarnaast moeten jeugdhulpaanbieders zoals gezinshuizen beschikken over een onafhankelijk vertrouwenspersoon, zoals een vertrouwenspersoon van het AKJ (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Jeugdigen en hun ouders kunnen daar terecht voor hulp bijvoorbeeld bij het indienen van een (tucht)klacht over een jeugdhulpaanbieder. De vertrouwenspersoon van het AKJ komt in het geval van een gezinshuis vier keer per jaar langs om een gesprek te voeren met de jeugdige. Bij klachten kan ook een gesprek worden gevoerd met de betreffende jeugdprofessional eventueel in aanwezigheid van diens leidinggevende. Indien sprake is van acuut gevaar dan kan de vertrouwenspersoon de situatie zelf signaleren bij de IGJ.
Er kan ook gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ. Het LMZ geeft advies en informatie bij klachten over de kwaliteit van zorg en geeft aan welke stappen mensen/ jeugdigen met klachten kunnen zetten.
Naast het LMZ heeft de IGJ een apart meldpunt voor (ex-)medewerkers en zorgaanbieders.
Zijn er op dit moment overeenkomstige signalen bekend bij andere jeugdinstellingen?
De IGJ zal meldingen door jeugdhulpaanbieders en signalen en meldingen die bij het LMZ binnen komen over jeugdinstellingen zorgvuldig behandelen en zo nodig onderzoeken. Over de inhoud van deze signalen en meldingen en over de afhandeling ervan doet de IGJ nooit mededelingen in verband met de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen.
Bent u bereid om breder onderzoek te doen naar veilige leefomstandigheden binnen dit soort woonvormen naar aanleiding van deze casus en de Kamer hierover voor het einde van het jaar te informeren? Zo nee, waarom niet?
Begin dit jaar heb ik het onderzoek naar veiligheidsbeleving onder jongeren in de jeugdzorg met verblijf naar uw Kamer gestuurd3. In mijn beleidsreactie en eveneens in het door de Tweede Kamer aangevraagde VSO heb ik aangegeven dat ik dit onderzoek naar veiligheidsbeleving in 2023 wil herhalen.
Specifiek naar aanleiding van deze casus heeft zorgaanbieder Pluryn aangegeven dat zij onderzoek gaan laten uitvoeren over wat er in de Glind gespeeld heeft. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven voert de tijdelijke regeling slachtoffers jeugdzorg uit waarmee slachtoffers die tussen 1945–2019 in de jeugdzorg verbleven een tegemoetkoming kunnen krijgen van € 5.000. Ik wil een onderzoek laten uitvoeren naar de gegevens die het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft opgehaald bij het uitvoeren van de regeling. Uit de gegevens van het Schadefonds Geweldsmisdrijven zijn mogelijk rode draden of patronen te herkennen waaruit lessen kunnen worden getrokken om de veiligheid van jeugdigen waar nodig te verbeteren. Een extra onderzoek voordat deze onderzoeken zijn uitgevoerd, heeft hierdoor op dit moment weinig meerwaarde.
Het bericht 'Energy union or deindustrialisation' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Energy Union or Energy union or deindustrialisation»?1
Ja.
Herinnert u zich de artikelen «Fabrieken worden stilgelegd door energieprijzen en dat gaan we merken»2 en «Europese metaalbedrijven vrezen permanente sluiting van fabrieken»?3
Ja.
Erkent u dat de hogere energieprijzen in Europa in vergelijking tot andere landen, namelijk negen keer hoger in Augustus ten opzichte van de prijzen in de Verenigde Staten de-industrialisatie van Europa in gang zet?
Ik erken dat de hoge energieprijzen in Europa reden zijn tot zorg, en dat deze hoge prijzen de concurrentiepositie van delen van de (energie-intensieve) industrie onder druk zet. Deze zorg leeft ook bij mijn collega’s elders in Europa.
Ik ben dan ook in direct contact met een aantal van de grote bedrijven die onder de hoge energieprijzen lijden. In augustus waren de energieprijzen inderdaad significant hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Gelukkig is sindsdien de gasprijs in Europa met 70% gedaald. Dit biedt echter geenszins zekerheid op de lange termijn. Zoals toegezegd in het Commissiedebat Bedrijfslevenbeleid van 19 oktober jl., zal ik uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de impact van de gestegen energieprijzen op de industrie en de wijze waarop het kabinet hierin zal gaan acteren.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is de strategische en groene industrie binnen Europa voor te toekomst te behouden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Zoals ook aangegeven in mijn industriebrief van deze zomer en de brief over de verduurzaming van de industrie hecht het kabinet eraan om een strategische en groene industrie binnen Europa te behouden. Dit voorkomt dat CO2-emissies simpelweg worden verplaatst, vermindert onze afhankelijkheid van derde landen voor belangrijke goederen en zorgt voor een diverse en daarmee veerkrachtigere economie.
Deelt u de mening dat de huidige eisen en doelen [omtrent energiebesparing, staatssteun, afroming van winsten en maximale vulgraden] die door de Europese Unie gesteld zijn, maar ingevuld en uitgevoerd worden door de landen zelf waarbij er grote verschillen ontstaan door budgettaire capaciteit tussen landen, kan leiden tot een ongelijk speelveld en daarmee instabiliteit van de interne markt? Zo nee, waarom niet?
De plannen van de EU op dit gebied houden al rekening met het verschil in welvaart en budgettaire ruimte tussen lidstaten. De middelen uit de Green Deal, het RepowerEU programma en de Recovery and Resilience Facility komen in het bijzonder aan de minder kapitaalkrachtige lidstaten ten goede en minder aan lidstaten zoals Nederland. Ook gezamenlijke inkoop is een maatregel die de effecten van ongelijke marktmacht tussen lidstaten tegengaat. Er zijn dus al waarborgen getroffen voor het bevorderen van een gelijk speelveld.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europees afschakelplan ervoor kan zorgen dat de cruciale sectoren kunnen blijven draaien? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Als ook aangegeven in de Kamerbrief van 9 september inzake de voortgang van het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 342) wordt de afschakelstrategie in nauw overleg met de belangrijke handelspartners België en Duitsland vormgegeven. De komende periode zal een nadere analyse van grensoverschrijdende keteneffecten van deze landen worden gemaakt en met deze landen worden besproken. Indien nodig zal de afschakelstrategie daarop worden aangepast.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europese Energie Unie noodzakelijk is om te zorgen dat de-industrialisatie wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening deels. In reactie op de huidige energiecrisis en de stijging van energieprijzen in de EU worden zowel in EU-verband als op nationaal niveau veel maatregelen genomen om de gevolgen van de stijgende energiekosten voor burgers en bedrijven te verzachten en ook om de oorzaken van de gestegen energieprijzen aan te pakken. Samenwerking op Europees niveau is dan ook zeer belangrijk. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de resultaten van het onderzoek van het University College Dublin dat een Europese Energie Unie – waarbij de energie- en gasprijs op Europees niveau worden losgekoppeld, er gezamenlijk ingekocht wordt en het pan-Europese supergrid wordt afgemaakt, energieprijzen binnen de Europese Unie met 32% dalen?4 Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek – waaraan de VOLT-fractie refereert – gaat niet in op een Europese Energie Unie maar betreft een studie naar de voordelen van een mogelijk pan-Europees «super grid». Een conclusie van dit onderzoek is dat de energiekosten met 32% zouden kunnen dalen als gevolg van verdere versterking van de pan-Europese transmissienetwerken. Het klopt dat uitbreiding en versterking van Europese transmissienetten een belangrijke voorwaarde is voor het slagen van de energietransitie. De resultaten van dit onderzoek vloeien voort uit van een groot aantal aannames. Dit maakt het moeilijk te beoordelen hoe reëel dit cijfer is.
Deelt u de mening dat een Europese Energie Unie het opbouwen van strategische reserves makkelijker maakt omdat landen niet meer met elkaar concurreren? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Ten eerste kan een gezamenlijke gasinkoop bijdragen aan het makkelijker opbouwen van strategische reserves. Dit kan echter ook zonder een Europese Energie Unie, zoals de VOLT-fractie deze voor zich ziet. Voorts kan een gezamenlijke Europese Energie Unie uiteindelijk bijdragen aan lagere kosten die de burgers betalen voor energie. Vandaag de dag vormen ook moeilijk te beheersen externe factoren een belangrijke oorzaak van hogere energieprijzen. Voor een weerbaar Europees energiesysteem is de Europese Energie Unie geen doel op zich. Het gaat er wat mij betreft dan vooral om dat de EU als geheel niet alleen een geïntegreerd energiesysteem heeft, maar ook in staat is deze te voeden met overwegend hernieuwbare energie van eigen bodem. Dát maakt weerbaarder voor schokken van buitenaf.
Deelt u de mening dat een gezamenlijke Europese Energie Unie de kosten die de burgers betaalt voor energie verlaagt en het Europese energiesysteem weerbaarder maakt voor schokken van buitenaf? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de verschillende aspecten van een Europese Energie Unie zoals hierboven benoemd en ten aanzien van een Europese Energie Unie als geheel? Bent u bereidt om u in Europees verband hard te maken voor de totstandkoming van een Europese Energie Unie?
Zie antwoord vraag 9.
Het totaal onvoorbereid zijn op een nucleaire oorlog |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Nederland totaal niet is voorbereid op de toenemende dreiging van een allesvernietigende nucleaire oorlog?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van deze berichtgeving.
Wat vindt u van het feit dat de Amerikaanse president Biden heeft gesteld dat de dreiging van een allesvernietigende nucleaire oorlog op het hoogste niveau is sinds de Cubacrisis? Kunt u in uw beantwoording uw eigen oorlogsretoriek duiden dat de oorlog in de Oekraïne «onze oorlog» is? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
President Biden deed zijn uitspraken in reactie op de recente nucleaire retoriek van de Russische autoriteiten. Het kabinet deelt de zorgen over deze nucleaire retoriek. Dreigen met het gebruik van kernwapens is zeer onverantwoord. Afgelopen maanden heeft Rusland meermaals nucleaire retoriek geuit. Naar aanleiding van de illegale annexatie door Rusland van vier Oekraïense deelregio’s heeft Nederland de Russische ambassadeur ontboden. Daarbij is onder meer benadrukt dat Nederland zich niet laat intimideren door de Russische agressieve retoriek. Veel landen hebben de retoriek ook sterk veroordeeld, onder andere in de Algemene Vergadering van de VN.
De NAVO-bondgenoten nemen de Russische uitspraken serieus. Er wordt rekening gehouden met verschillende scenario’s en de NAVO houdt de situatie nauwlettend in de gaten. Zoals recentelijk door de VS is benadrukt, is aan Rusland gecommuniceerd dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de vastberadenheid om te reageren bij de Russische inzet van een kernwapen.
Het kabinet benadrukt dat Rusland de oorlog in Oekraïne is gestart en dat van agressieve oorlogsretoriek alleen sprake is bij Rusland. Oekraïne heeft het recht om zich te verdedigen tegen de Russische illegale inval. Het kabinet acht het onverminderd van belang om bij te blijven dragen aan de Oekraïense zelfverdediging. De Russische agressie ondermijnt ook de bredere Europese veiligheidsarchitectuur. Ook daarom is het in ons belang om Oekraïne te steunen in zijn strijd tegen deze agressie. De NAVO en bondgenoten zijn zelf geen partij bij de oorlog in Oekraïne en richten zich primair op de afschrikking en verdediging van het verdragsgebied.
Kunt u uw oorlogsretoriek duiden met het feit dat experts stellen dat Nederland totaal niet is voorbereid op een mogelijke oorlog?
Zoals in het antwoord van vraag 2 aangegeven, benadrukt het kabinet dat Rusland de oorlog in Oekraïne is gestart en dat van agressieve oorlogsretoriek alleen sprake is bij Rusland. Het kabinet acht het onwaarschijnlijk dat het conflict zich uitbreidt tot het NAVO-verdragsgebied. Niettemin heeft de NAVO in het kader van de verslechterde veiligheidssituatie afgelopen halfjaar verschillende maatregelen getroffen om de collectieve afschrikking en verdediging te versterken en de veiligheid van het verdragsgebied te blijven garanderen.
Wat vindt u van het feit dat experts stellen dat we met de huidige systemen nooit het hele land kunnen verdedigen, dat zij constateren dat ons land totaal niet voorbereid is op een eventuele nucleaire aanval en dat onze luchtverdediging niet goed genoeg is? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Nederland is voor zijn veiligheid afhankelijk van de NAVO. De bondgenootschappelijke afschrikking en verdediging dient ter bescherming van het gehele NAVO-verdragsgebied. De NAVO heeft een geïntegreerde lucht- en raketverdediging (Integrated Air and Missile Defence, IAMD) om het verdragsgebied te beschermen tegen luchtdreigingen. Daarbij werken bondgenoten nauw samen om hun nationale luchtverdedigingssystemen geïntegreerd te laten optreden, waarbij de NAVO bepaalt waar en hoe de capaciteiten zo optimaal mogelijk worden ingezet. Nederland beschikt over verschillende luchtverdedigingscapaciteiten die bijdragen aan de NAVO IAMD. In dat kader droeg een Nederlandse Patriot-eenheid in de periode maart – oktober 2022 in Slowakije bij aan de versterking van de oostflank. Op dit moment zijn Nederlandse militairen nog steeds in Slowakije gestationeerd om de Duitse Patriot-eenheden bij te staan.
Bij de inzet van luchtverdedigingssystemen tegen luchtdreigingen met een nucleaire lading spelen verschillende facetten een rol. Daarbij gaat het onder meer om het verschil tussen strategische en niet-strategische nucleaire wapens, alsmede de overbrengingsmiddelen. In algemene zin geldt dat NAVO’s afschrikking, en specifiek de extended deterrence die de VS biedt aan bondgenoten, de belangrijkste verdediging is tegen nucleaire wapens.
Wat vindt u van het feit dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) benadrukt dat er geen openbare schuilkelders meer zijn die ingezet zullen worden voor noodsituaties en dat de bevolking het voor het grootste deel maar moet uitzoeken? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Halverwege de jaren tachtig zette de rijksoverheid een streep door het schuilkelderbeleid in verband met het einde van de koude oorlog. Er is op dit moment ook geen fundamentele aanleiding voor het terugvallen op voorzieningen die destijds zijn afgeschaft. Het Landelijk Crisisplan Straling beschrijft de organisatie voor crisisbeheersing bij stralingsongevallen. Bij noodsituaties kan worden opgeschaald naar de nationale crisisstructuur en wordt door de overheid informatie (die van toepassing is op de specifieke situatie) verspreid via NL Alert en/of via betrokken veiligheidsregio’s en/of gemeenten.
Heeft u de bereidheid om, gezien de dreiging van een nucleaire oorlog, jodiumpillen aan de bevolking uit te delen? Zo nee, waarom niet?
Het is zeer onwaarschijnlijk dat Nederland getroffen wordt door een aanval met een nucleair wapen.
Het innemen van jodiumprofylaxe biedt bescherming tegen de inname van radioactief jodium (dat vrijkomt bij een kernongeval van bijvoorbeeld een kerncentrale) en niet tegen andere radioactieve stoffen. Ook de kans op een kernongeval is heel klein. Maar in het onwaarschijnlijke geval van een stralingsincident waarbij radioactief jodium vrijkomt, zijn jodiumtabletten in Nederland beschikbaar. Daarnaast hebben in Nederland huishoudens met minderjarigen, die zich in een cirkel van 100km rondom een kerncentrale bevinden, al via de post tabletten ontvangen in 2017 en 2021. De rijksoverheid zal altijd communiceren wanneer het nodig is om zo’n tablet in te nemen: dat moet op specifieke momenten, werkt alleen voor de doelgroep (afhankelijk van de afstand tot de bron) en biedt alleen bescherming tegen de schadelijke effecten van de inname van radioactief jodium. Een jodiumtablet moet dan ook nooit preventief of ter bescherming van andere radioactieve stoffen worden ingenomen. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is verantwoordelijk voor het beleid op jodiumprofylaxe.
Wilt u het advies van deskundigen opvolgen om zo snel als mogelijk weer een «Bescherming Bevolking» (BB) op te richten? Zo nee, waarom niet?
Zou u alsnog willen inzetten op de-escaleren omdat meer wapens en meer oorlog niet tot vrede zullen leiden, maar vredesonderhandelingen tussen Oekraïne en Rusland mogelijk wel? Kunt u toelichten hoe u hiervoor internationale steun gaat zoeken en hoe u hiervoor gaat lobbyen?
Rusland heeft met zijn invasie de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne op grove wijze geschonden. Oekraïne heeft het volste recht zich te verdedigen tegen de Russische agressie. Het kabinet blijft zich inzetten om, samen met internationale partners, Oekraïne te steunen. Want de urgentie van deze steun is en blijft hoog. Het initiatief voor vredesonderhandelingen met Rusland ligt bij Oekraïne zelf. Op dit moment zijn vredesonderhandelingen niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de Begrotingsbehandeling Defensie?
Ja.
De verder verslechterde situatie van minderjarige asielzoekers in het opvangcentrum in Ter Apel |
|
Don Ceder (CU) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke maatregelen zijn er sinds het bezoek van de Kinderombudsman in april 2022 genomen om de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Ter Apel te verbeteren?
Ik heb uw Kamer op verschillende momenten reeds uitvoerig geïnformeerd over de stappen die er zijn genomen sinds het bezoek van de Kinderombudsman april 2022, meest recent nog in antwoord op Kamervragen van het lid Podt.1 Kortheidshalve verwijs ik u daarom naar de beantwoording van deze vragen.
Hoe komt het dat de situatie nu volgens de Kinderombudsman toch verder is verslechterd?1
De instroom van amv is onverminderd hoog. Wekelijks komen er 100–150 amv aan met slechts een zeer beperkte doorstroom. Zoals ook aangegeven in voornoemde reactie op de vragen van het lid Podt is het daarom ook de verwachting dat de bezetting en de druk de komende periode helaas nóg verder toe zal nemen tenzij er meer plekken komen. Uiteraard is alle inzet erop gericht om deze plekken te realiseren.
Waarom kunnen zelfs basale zaken als tandenborstels niet eens verstrekt worden aan deze kinderen?
De amv die op de amv-locatie van Ter Apel verblijven hebben altijd toegang tot sanitaire voorzieningen, waaronder dus ook tandenborstels. Door het gebrek aan capaciteit hebben de afgelopen periode ook kinderen één tot enkele nachten geslapen op het aanmeldcentrum van de IND op Ter Apel. Het aanmeldcentrum is niet ingericht op opvangverblijf. Daar zijn, naast toiletten en wasbakken, dan ook geen andere sanitaire voorzieningen beschikbaar. Het bevindt zich ook op een ander deel op het opvangterrein in Ter Apel. De inzet is er dan ook op gericht om te voorkomen dat er überhaupt kinderen overnachten in de wachtruimte van de IND. Indien het toch noodzakelijk blijkt dat er amv op het aanmeldcentrum moeten overnachten deelt het Rode Kruis inmiddels hygiëne-pakketjes uit aan de amv, met daarin onder andere een tandenborstel en washandjes.
Als er een tekort aan dekens is, kunnen die dan niet op korte termijn aangeschaft worden of aangenomen worden van vrijwilligersorganisaties? Zo niet, waarom niet?
Alle amv die op de amv-locatie van Ter Apel verblijven en ook de amv die noodgedwongen moeten overnachten in de wachtruimte hebben de beschikking over dekens. Voor de amv die hebben moeten overnachten in de wachtruimte geldt uiteraard onverminderd dat we dit absoluut willen voorkomen. De inzet die daartoe wordt gepleegd is uitgebreid omschreven in de eerder genoemde beantwoording op de vragen van het lid Podt. Kortheidshalve verwijs ik u daarnaar.
Wanneer kinderen nergens anders kunnen overnachten dan in een wachtruimte zonder bedden, dekens of zelfs maar voldoende stoelen, is het dan niet beter hen in dergelijke noodgevallen in hotelkamers op te vangen? Is deze optie overwogen? Zo nee, waarom niet? Waren er geen andere mogelijkheden om deze kinderen onder te brengen?
Ik ben het uiteraard met u eens dat het feit dat deze amv in voorkomende gevallen hebben moeten overnachten in de wachtruimte van de IND hoogst onwenselijk is. Elke andere mogelijkheid was in deze gevallen echter reeds uitgeput. Er wordt momenteel al volop gebruik gemaakt van noodopvanglocaties zoals bijvoorbeeld hotels, paviljoens, huizen op recreatieparken om deze kwetsbare doelgroep op te vangen. Op de momenten dat er amv hebben moeten overnachten in de wachtruimte van de IND was er dan ook echt geen andere mogelijkheid meer.
Wat gaat u doen om deze situatie nu alsnog te verbeteren en bent u bereid de Kamer hierover binnen drie weken te informeren?
In de beantwoording van de vragen van het lid Podt heb ik reeds uitvoerig uiteengezet welke stappen er zijn genomen en worden genomen om de situatie in de amv-opvang te doen terugkeren tot de reguliere situatie. In het debat met uw Kamer van 8 september jl. heb ik toegezegd dat ik uw Kamer periodiek over de voortgang ten aanzien van een aantal van de bestuurlijke en politieke afspraken van 26 augustus jl. zou rapporteren. Hierover bent u eerstens geïnformeerd per brief d.d. 14 oktober 20223 en in het verlengde daarvan zal ik uw Kamer de komende tijd periodiek over de voortgang van de aanpak van de opvangcrisis informeren. Hierbij zal er uiteraard ook aandacht zijn voor de situatie van amv. Ik kan u niet toezeggen dat dit binnen drie weken zal zijn.
Wat kunt u zeggen over het onderzoek dat de European Public Prosecutor’s Office heeft verricht bij de Belastingdienst? Waarom is er onderzoek gedaan?
Op welke andere plekken is onderzoek gedaan in het kader van dit onderzoek?
Welke vervolgstappen van het European Public Prosecutor’s Office verwacht u? Volgen er meer onderzoeken in Nederland?
Welke dienstonderdelen van de Belastingdienst huisvesten in het kantoor in Den Haag?
Wanneer informeert u de Tweede Kamer over het onderzoek?
Klopt het dat de plenaire behandeling, onder voorbehoud, in de Eerste Kamer op 8 november 2022 plaatsvindt en de eerstvolgende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 worden gehouden?
Ja.
Wat betekent de rijkelijk late behandeling van het wetsvoorstel op 8 november voor de implementatie van (mogelijke) wijzigingen voor de eerstvolgende waterschapsverkiezingen?
Door de nog niet afgeronde parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel kan helaas op dit moment nog geen duidelijkheid worden gegeven aan betrokkenen bij de aankomende waterschapsverkiezingen.
De Eerste Kamer heeft op 10 oktober jl. verslag uitgebracht. Daarin zijn vergelijkbare vragen gesteld en zorgen geuit over het goed kunnen verlopen van de waterschapsverkiezingen in 2023. Uiterlijk 4 november 2022 zal op de vragen van de Eerste Kamer worden gereageerd. Daarmee is de beantwoording vanuit de regering tijdig gereed voor de plenaire behandeling van 8 november in de Eerste Kamer.
Klopt het dat het uitblijven van een beslissing of het eventueel terugsturen van het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer zou betekenen dat er na de komende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 geen wijzigingen kunnen worden aangebracht in de Waterschapswet?
Specifiek voor het nu voorliggende initiatiefvoorstel wordt opgemerkt dat onder meer tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer daarover is aangegeven dat de wetswijziging, uiteraard indien de Eerste Kamer dit initiatiefvoorstel aanvaardt, uiterlijk op 1 december van dit jaar in het Staatsblad moet zijn gepubliceerd in verband met de uiterste datum waarop – nieuwe – politieke groeperingen zich kunnen laten registreren (19 december dit jaar).
In zijn algemeenheid geldt overigens dat wetswijzigingen altijd mogelijk zijn, uiteraard mits aangenomen door de Staten-Generaal. Een wetsvoorstel dat al bij een van de Kamers ligt kan in principe ook gewijzigd worden (procedure novelle indien het bij de Eerste Kamer ligt). Besluitvorming over de wetgeving na de komende waterschapsverkiezingen betekent dat huidige wetgeving blijft gelden voor het verkiezingsproces in 2023.
Bent u het ermee eens dat de lange duur van het behandelproces van het wetsvoorstel onduidelijkheid creëert bij betrokkenen van de aankomende waterschapsverkiezingen en er daarom op zeer korte termijn duidelijkheid dient te worden verschaft over de toekomst van de geborgde zetels?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het standpunt dat de wijzigingen aan de Waterschapswet – in welke vorm dan ook – niet meer kunnen worden doorgevoerd als de behandeling van het initiatiefvoorstel pas op 8 november in de Eerste Kamer plaatsvindt? Zo ja, bent u bereid om provincies en waterschappen duidelijkheid te bieden dat er tijdens de aankomende verkiezingen niets zal veranderen aan het systeem waarop bestuurders van waterschappen worden gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen – gezien de urgentie – binnen één week beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Inspectie: NS heeft onvoldoende zicht op gevaarlijke situaties' |
|
Bouchallikh , Fahid Minhas (VVD), Lisa van Ginneken (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk, maar uiterlijk voorafgaand aan het debat over de huidige situatie bij de NS beantwoorden?
Ja, ik stuur u de vragen voorafgaand aan de hoorzitting met NS op woensdag 19 oktober.
Wat is uw appreciatie van de berichtgeving in het NRC dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van mening is dat de NS te weinig zicht heeft op gevaarlijke situaties in treinen?1
In het onderhavige geval heeft de ILT op verzoek van het «Huis voor klokkenluiders» een onderzoek gedaan. De ILT heeft op basis van het onderzoek geen acute veiligheidsrisico’s vastgesteld. Ook is er geen sprake van een tekortkoming of overtreding. De ILT ziet wel kwetsbaarheden in de processen omtrent veiligheid en heeft NS hierover aangeschreven. NS heeft dit signaal opgepakt. De opvolging ervan blijft de ILT in haar regulier toezicht monitoren.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te gelasten naar de gang van zaken sinds de eerste melding van de klokkenluider?
De ILT heeft in de afgelopen jaren zorgvuldig contact met de klokkenluider gehad. Dat heeft mede geleid tot het ILT-onderzoek. Vooralsnog zie ik geen reden om aanvullend onderzoek uit te laten voeren.
Kunt u de brief en het onderzoek van 2020 en 2021 van de ILT waarin de problemen (bij de NS-directie) aan de kaak worden gesteld met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ja, bijgevoegd bij de beantwoording van de vragen ontvangt u de brief van de ILT aan NS2 en de reactie van NS daarop3. Dergelijke brieven worden op dit moment niet actief openbaar gemaakt, maar in overleg met betrokkenen is een uitzondering mogelijk.
Klopt het dat de klokkenluider heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen deze openbaring?
Na de recente publicatie in NRC heeft de ILT contact gezocht met de klokkenluider om te verifiëren of de klokkenluider geen bezwaar had tegen openbaarmaking. Dit heeft ertoe geleid dat de ILT de afhandelingsbrief nu openbaar maakt.
Kunt u toelichten waarom de ILT een onderzoek gericht op technische problemen waarbij mogelijk de veiligheid van treinstellen en daarmee reizigers in het geding was «te kostbaar» achtte en zodoende een kleiner en afgebakend onderzoek heeft ingelast?
De ILT heeft een zeer uitgebreid onderzoek ingesteld op het (onderhouds-)proces. Het kostenaspect heeft daarbij geen rol gespeeld. De technisch-inhoudelijke kant is door NS (driemaal) intern en door een extern bureau onderzocht en beoordeeld.
Kunt u ingaan op de actuele stand van zaken met betrekking tot het onderhoud aan treinstellen?
NS heeft mij geïnformeerd dat het aantal verstoringen in de treindienst als gevolg van technische problemen in de afgelopen jaren niet toegenomen is.
Zijn de in het bericht van NRC genoemde problemen inmiddels verholpen?
Op 18 juli 2022 heeft de ILT de hierboven aangehaalde en in bijlage 2 opgenomen brief van NS ontvangen, waarin is beschreven hoe NS opvolging geeft aan de conclusies en bevindingen van de ILT. In het reguliere overleg tussen de ILT en NS worden de hierin beschreven verbetermaatregelen zorgvuldig gevolgd. De eerste verbetermaatregelen zijn in een bijeenkomst in september 2022 met de ILT gedeeld. Verder worden de vorderingen die hiermee gemaakt worden meegenomen in een reguliere audit door de ILT die begin 2023 uitgevoerd zal worden.
Is er sprake van een acuut gevaar voor reizigers van de NS?
De ILT ziet geen acuut gevaar voor de reizigers van NS. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Wanneer zijn bij de NS-directie de eerste signalen ontvangen dat er sprake is van nalatigheid bij het onderhoud aan de treinen? Wanneer bereikten deze signalen u?
Mijn ambtsvoorganger is begin 2020 door de klokkenluider benaderd. Omdat het hier het veiligheidsbeheersysteem van NS betreft, ligt hier een rol voor de ILT. De ILT is in het voorjaar van 2020 door NS over eerste signalen over mogelijk nalatig onderhoud geïnformeerd. Aansluitend is dit door het «Huis voor klokkenluiders» bij de ILT gemeld. Op verzoek van het «Huis voor klokkenluiders» heeft ILT onderzoek hiernaar uitgevoerd.
Kunt u cijfers delen over de hoeveelheid treinstellen die te maken hebben gehad met onnodige vertragingen of uitval als gevolg van nalatigheid bij het onderhoud?
NS heeft mij geïnformeerd dat er geen treinstellen zijn uitgevallen of onnodige vertraging hebben gehad als gevolg van nalatigheid bij het onderhoud.
Kunt u ingaan op de stappen die de NS sinds het signaal van de ILT heeft genomen om de processen te verduidelijken en beheersen?
NS verwijst hiervoor naar de stappen zoals beschreven in de hierboven aangehaalde en in bijlage 2 opgenomen brief van NS aan de ILT van 18 juli 2022.
Beschikt de NS inmiddels over een informatiesysteem waarmee bijgehouden kan worden welke treinen nieuwe of gereviseerde onderdelen bevatten, of welke treinen onderdelen bevatten die aan vervanging toe zijn?
NS heeft mij geïnformeerd dat zij hiervoor een softwaresysteem hebben, waarin per treinstel bijgehouden wordt wanneer welk onderhoud gepland en uitgevoerd is, inclusief geplande vervanging met nieuwe of gereviseerde onderdelen.
Hoe vaak is het voorgekomen dat een volledig treintype of groep treinstellen met een te controleren onderdeel is teruggeroepen, waar mogelijk sprake was van een defect aan een enkel treinstel?
NS heeft mij geïnformeerd dat er in de periode 2021 en 2022 vijf controleacties zijn geweest die te herleiden zijn tot defecte onderdelen. Alle controleacties zijn uitgevoerd tijdens de nacht of andere rustige momenten, waardoor reizigers volgens NS geen hinder van het defect hebben ondervonden. NS informeert mij verder dat de inrichting van «tracking-and-tracing» geen verschil had gemaakt voor de doorlooptijd of kosten van de controleacties. Het door NS gebruikte softwaresysteem verschaft volgens NS voldoende informatie of slechts een enkel treinstel of alle treinstellen gecontroleerd moeten worden.
Worden situaties waar bijvoorbeeld deuren spontaan open of dicht gaan of remmen vastzitten op dit moment adequaat geregistreerd?
NS heeft mij geïnformeerd dat deze situaties adequaat geregistreerd worden in het softwaresysteem.
Zo ja, hoe is dat geborgd en hoe houdt u daar toezicht op?
Zie tevens het antwoord op vraag 15. Als er sprake is van een veiligheidsstoring wordt dit door NS door middel van een ingevuld formulier «melding bijzonder voorval» gemeld bij de ILT. Als op basis hiervan gevaarlijke situaties kunnen ontstaan voert de ILT nadere inspecties uit. Overigens voert de ILT vanzelfsprekend niet alleen naar aanleiding van dergelijke meldingen inspecties uit.
Hoeveel ernstige situaties, waarbij bijvoorbeeld een trein ontspoorde, zijn bij u bekend die te herleiden zijn tot de genoemde problematiek?
De ILT heeft bij het onderzoek gebruik gemaakt van twee casussen: de ontsporing op emplacement Binckhorst op 2 januari 20204 en de problematiek van de deursluitingen. Het is ILT niet bekend hoeveel ernstige situaties verder te herleiden zijn tot de genoemde problematiek.
Ziet u aanleiding strengere afspraken te maken over de informatie die de NS aan bijvoorbeeld de ILT moet verschaffen ten behoeve van toezicht en handhaving in het programma van eisen (PvE) van de hoofdrailnetconcessie (HRN)? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft geen behoefte aan meer informatie. Alle bijzondere voorvallen moeten gemeld worden door middel van de daarvoor bestemde meldingskanalen. Daarnaast vindt er regelmatig overleg plaats tussen de ILT en NS op strategisch directieniveau, op tactisch niveau tussen de veiligheidsafdeling van NS en de Toezichteenheid Rail van de ILT en op operationeel niveau.
Kunt u de berichtgeving in het NRC bevestigen dat actief is verhuld dat sprake was van een technisch defect, in plaats van een menselijke fout, in augustus 2021 toen een reiziger aan de buitenkant van een trein is meegesleurd met een trein?
Nee, de ILT heeft op 24 augustus 2021 via de gebruikelijke wijze deze melding van NS ontvangen. Naar aanleiding van dit incident heeft de ILT opdracht gegeven aan NS om hiervoor testen uit te voeren en om aanvullende informatie te verstrekken. Op 27 augustus 2021 heeft de ILT vastgesteld dat deze testen zijn uitgevoerd en dat de zogenaamde inklembeveiliging naar behoren en volgens de daaraan gestelde eisen heeft gefunctioneerd.
Indien hier sprake is geweest van verhulling van de gang van zaken, welke sancties beoogt u richting NS?
Ik heb niet kunnen vaststellen dat er sprake is geweest van verhulling van de gang van zaken.
Onvolledig onderzoek naar het mortierongeluk in Mali in 2016 |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van het programma Argos d.d. 8 oktober 2022? Is het juist dat de toenmalige Minister van Defensie «volledige openheid» eiste, «in het bijzonder voor de nabestaanden» en dat zij onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen van «essentieel belang» noemde?1
Het is juist dat de toenmalige Minister destijds al bij de aanbieding van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Kamerstuk 34 775 X, nr. 7.) en in het plenaire Kamerdebat van 3 oktober 2017 heeft benadrukt «volledige openheid van zaken te willen bieden aan de nabestaanden». Zij noemde «onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen van essentieel belang».
Deelt u de analyse dat de ambtelijke top van Defensie wilde voorkomen dat onderzoek werd gedaan naar «nalatigheid of verwijtbaar handelen» inzake het mortierongeval? Zo nee, wat is uw lezing van de feiten?
De documenten die Defensie openbaar heeft gemaakt, geven inzicht in de discussie die in 2017 heeft plaats gevonden over de formulering van de opdracht aan de onderzoekscommissie. Daarbij zijn ambtelijke adviezen gewisseld waarin de wenselijkheid van een onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen door individuen ter discussie werd gesteld.
De toenmalig Minister van Defensie heeft vervolgens op 3 oktober 2017 het besluit genomen om de commissie Van der Veer in te stellen met de opdracht om onder meer «een oordeel te geven in hoeverre er op enigerlei moment sprake is geweest van nalatig en/of verwijtbaar handelen» (artikel 2, onderdeel b, van het instellingsbesluit, Staatscourant 2017, 57398).
Deelt u de conclusie dat ambtenaren van Defensie moedwillig de onderzoeksopzet van de commissie-Van der Veer hebben aangepast? Zo nee, wat is dan uw lezing van de feiten?
Het rapport van de commissie van der Veer is in januari 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden. Tijdens een Algemeen Overleg op 25 april 2018 (Kamerstuk 21 501-28, nr. 174) en een Voortgezet Algemeen Overleg op 16 mei 2018 is uitgebreid met de Tweede Kamer gesproken over de onderzoeksopdracht en de wijze waarop daaraan door de commissie invulling is gegeven. Zoals bekend heeft de commissie de vraag naar nalatig en/of verwijtbaar handelen onderzocht op organisatie- en niet op individueel niveau, met als doel lering te trekken en soortgelijke incidenten in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen, zoals in het voorwoord benoemd. Uit de door Defensie, naar aanleiding van het reeds genoemde WOO-verzoek van Argos, openbaar gemaakte documenten blijkt dat er op 9 november 2017 contact is geweest tussen commissievoorzitter Van der Veer en de toenmalig secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie over de wijze waarop de commissie invulling aan haar opdracht zou geven.
Tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg van 16 mei 2018 is de motie Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 110) ingediend en op 22 mei 2018 aangenomen. De motie verzoekt de regering te allen tijde de Kamer actief te informeren, mocht de taak die opgenomen is in een instellingsbesluit voor het oprichten van een (tijdelijke) commissie onverhoopt geheel of gedeeltelijk wijzigen. Gelet op de tekst van de motie heeft deze betrekking op commissies waarvoor geldt dat de taakstelling, zoals geformuleerd in het instellingsbesluit, is gepubliceerd in de Staatscourant. Het Kabinet voert deze motie uit.
Hoe beziet u de opmerkingen van commissievoorzitter Van der Veer dat hij de onderzoeksopdracht «nader geïnterpreteerd» had en daarover «overleg gepleegd had met de hoge ambtenaren en de secretaris-generaal»?2
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat de aangenomen motie van het lid Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 109) niet volledig is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Onderhavige motie verzoekt de regering, na het voltooien van het strafrechtelijk onderzoek door het OM, onderzoek te doen naar de mogelijkheid om tot (aanvullende) interne disciplinaire maatregelen over te gaan indien er op enig moment sprake is geweest van nalatig en/of verwijtbaar handelen.
In februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie besloten om geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar het mortierongeval. Direct daarna hebben de nabestaanden via hun advocaat door middel van een artikel 12-procedure bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie. Op dit moment is het strafrechtelijke traject nog niet afgerond omdat deze artikel 12-procedure nog onder de rechter is.
Deelt u de mening dat nog altijd niet is vastgesteld wat de rol en verantwoordelijkheid van Defensiemedewerkers was in de aanloop naar het drama? Zo nee, wat is dan uw opvatting van de feiten?
Er is een reeks onderzoeken gedaan naar de oorzaak van het mortierongeval. In het aanvullend rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Kamerstuk 35 925-X, nr. 92) treft u een overzicht aan van deze onderzoeken. Al deze onderzoeken hebben veel informatie ontsloten over de aanloop naar dit ongeval en tekortkomingen binnen Defensie aan het licht gebracht. Het is van groot belang dat Defensie hieruit lering trekt om te voorkomen dat een dergelijk drama zich nogmaals kan voordoen.
De nabestaanden hebben aangifte gedaan van dood door schuld en schending van dienstvoorschriften, waarbij ook aangifte is gedaan tegen het Ministerie van Defensie. Zoals ik in vraag 5 heb aangegeven is deze zaak nog in behandeling.
Deelt u de opvatting dat de aangenomen motie van het lid Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 110) niet is uitgevoerd? Wat is uw verklaring daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid nieuw onderzoek in te stellen naar nalatigheid of verwijtbaar handelen, bijvoorbeeld in de vorm van rechtspositioneel onderzoek naar plichtsverzuim waarbij ook de verantwoordelijkheid van individuele ambtenaren kan worden vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
De oproep van de nabestaanden is luid en duidelijk. Ik vind dat we ons moeten inspannen om zoveel mogelijk van hun vragen beantwoord te krijgen. Daarom stel ik een onafhankelijke commissie in om te onderzoeken of en hoe eventueel individueel nalatig en/of verwijtbaar handelen kan worden vastgesteld en hier tevens opvolging aan te geven. Ik realiseer me dat dit besluit voor zowel de nabestaanden, betrokkenen als de Defensieorganisatie emoties zal oproepen. Zorgvuldigheid naar alle betrokkenen staat voorop en ik zal uw Kamer daarom over de verdere invulling zo snel mogelijk informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Veiligheid en integriteit Defensie op 20 oktober aanstaande?
Ja.
Het bericht 'Tweede pony in korte tijd aangevallen in Wittelte' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is er een compleet/volledig register van alle aanvragen en meldingen bij Bij12 van vermoedelijke wolvenschade?1
De registratie van de aanvallen wordt, in opdracht van de provincies, uitgevoerd door BIJ12. Deze registratie is openbaar beschikbaar2. De bij BIJ12 gemelde aanvallen, waarbij de wolf als dader niet is uit te sluiten, worden geregistreerd. Voor de beantwoording van uw vragen heb ik informatie opgevraagd bij BIJ12. Mijn ministerie heeft geen rol of bevoegdheid bij deze registraties.
BIJ12 registreert ook de ingekomen telefonische meldingen die niet in behandeling worden genomen omdat wolvenschade als onwaarschijnlijk wordt beoordeeld. Deze worden elke drie maanden openbaar gemaakt in de zogenoemde «Tussenrapportage wolf»3.
Dit betrof in de periode vanaf 2015 tot begin november 2022, op een totaal van 773 meldingen, 54 meldingen die niet in behandeling zijn genomen. De reden voor het niet in behandeling nemen ligt in het feit dat de beoordelaar vanuit BIJ12 na overleg met de dierhouder tot de conclusie kwam dat de verwondingen en de situatie waarin deze plaatsvonden aanleiding gaven te oordelen dat een wolf niet de oorzaak was of dat de melding te oud was om nog te kunnen beoordelen. Het besluit tot het niet in behandeling nemen van een melding ligt bij BIJ12 en hoeft niet in overeenstemming met de veehouder te zijn.
Als dit register er is, is dit register dan inclusief de meldingen van mensen die telefonisch direct al bij wolvenschade zijn afgewezen?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, bij hoeveel meldingen is zo’n afwijzing het geval geweest? Op welke grond vond die afwijzing plaats?
Zie antwoord vraag 1.
Zo nee, op welke wijze houdt BIJ12 dan het overzicht op het totale aantal binnengekomen meldingen van wolvenschade?
Zie antwoord vraag 1.
Gaat een taxateur altijd langs voor onderzoek naar een gemelde wolvenschade bij grotere landbouwhuisdieren zoals koeien en paarden? Zo ja, bij hoeveel pony’s en paarden is de taxateur in 2021 en 2022 langs geweest voor onderzoek? Hoe vaak heeft hij daar ook daadwerkelijk een monster genomen?
Indien een melding zodanig wordt beoordeeld dat schade door een wolf niet uit te sluiten is, geeft BIJ12 opdracht aan het taxatiebureau om bij de dierhouder langs te gaan. In alle gevallen wordt dan een onderzoek aan het dier verricht, DNA-monsters afgenomen, de veldsituatie beoordeeld en een taxatie opgemaakt.
Er zijn in 2021 bij BIJ12 geen meldingen van vermoedelijke wolvenschade bij pony's binnengekomen. In 2021 hebben er dan ook geen taxaties op deze diersoort plaatsgevonden. In 2022 zijn negen taxaties op pony's uitgevoerd. In twee van deze negen gevallen was het niet mogelijk om DNA af te nemen, vanwege het ontbreken van uitwendige verwondingen.
Zo nee, wat was de reden van niet langsgaan voor onderzoek en/of bemonstering na een melding?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat een taxateur enkel op basis van foto’s/beeldmateriaal kan besluiten om verder geen onderzoek ter plaats uit te voeren? Zo ja, worden foto’s/beeldmateriaal door een tweede taxateur geverifieerd?
Nee. Er vindt een eerste beoordeling door een BIJ12-consulent plaats op basis van door de diereigenaar aan BIJ12 doorgegeven foto's en situatiebeschrijving. Naar aanleiding van deze beoordeling wordt door BIJ12 besloten of een onderzoek ter plaatse zal plaatsvinden. Bij het onderzoek ter plaatse voert de taxateur het gehele onderzoek uit, inclusief het maken van beeldmateriaal, conform opdracht. Uiteindelijk vindt op basis van de beschikbare informatie een eindbeoordeling plaats door BIJ12 die tot een besluit leidt. Bij gebrek aan een DNA-uitslag kan ook een oordeel worden gegeven op basis van andere informatie, zoals foto's.
Kan er, zowel door bedrijven als particulieren, bezwaar tegen een besluit van BIJ12 worden aangetekend, om, op basis van telefonisch en/of digitale beeldinformatie, niet langs te komen voor onderzoek en afnemen van een DNA-monster bij (vermeende) wolvenschade?
De beslissing van BIJ12 om niet langs te komen gebeurt na overleg met de dierhouder. Dit betreft op dit moment geen besluit waartegen bezwaar kan worden ingediend en om die reden wordt door BIJ12 niet gewezen op een mogelijkheid tot bezwaar. Het lid Van der Plas wijst, mijn inziens terecht, op deze lacune en ik ben het met haar eens dat het goed zou zijn indien schademelders tegen een beslissing van BIJ12 in het geweer kunnen komen, zowel tegen het niet ter plaatse komen beoordelen als tegen de beoordeling zelf. In dat kader zal ik met de provincies in gesprek gaan om te kijken of de werkwijze rond de schadeafhandeling door BIJ12 kan worden aangepast zodat deze mogelijkheid wel ontstaat.
Zo ja, worden melders van schade direct op deze mogelijkheid tot bezwaar gewezen?
Zie antwoord vraag 8.
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Is het bekend én openbaar hoeveel meldingen van wolvenschade er in 2021 en 2022 in totaal zijn gemaakt, hoeveel hiervan zonder nader onderzoek ter plaatse zijn afgewezen en hoe vaak tegen de werkwijze van BIJ12 bezwaar is ingediend?
In totaal zijn er in 2021 en 2022 499 meldingen van vermoedelijke wolvenschade door BIJ12 behandeld. Hiervan zijn 16 meldingen niet opgevolgd. Dit betroffen te oude meldingen, meldingen waarbij de kadavers al waren afgevoerd of meldingen waarbij het schadebeeld niet overeenkwam met schade veroorzaakt door een wolf.
In 2021 zijn 3 bezwaren ingediend tegen beslissing van BIJ12 over een wolvenschadedossier. In 2022 zijn tot nu toe 31 bezwaren ingediend. Deze in totaal 34 bezwaren handelen niet over de afgewezen meldingen, maar gaan over andere wolvenbesluiten, zoals de hoogte van de tegemoetkoming.
Hoe verhouden zich deze cijfers tegenover het totale aantal klachten over BIJ12?
Er zijn in 2021 10 klachten en in 2022 in totaal 7 klachten door BIJ12 ontvangen.
Deze klachten betroffen geen wolvenschademeldingen. In totaal zijn er in 2021 en 2022 bij BIJ12 451 bezwaren ingediend, waarvan 34 betrekking hebben op wolvenschade.
Indien er geen gegevens zijn over meldingen van wolvenschade in 2021 en 2022, die zonder nader onderzoek ter plaatse direct zijn afgewezen, deelt u dan de mening dat die cijfers er wel zouden moeten komen? Deelt u ook de mening dat er een volledig overzicht van gemelde wolvenschade moet komen, inclusief de meldingen die direct worden afgewezen voor nader onderzoek, mét vermelding van de reden van afwijzing?
BIJ12 publiceert elke drie maanden een «Tussenrapportage wolf»; hierin worden deze cijfers openbaar gemaakt.
Bestaat er een mogelijkheid voor bedrijven/burgers voor een vorm van erkende contraexpertise bij wolvenschade, zoals bijvoorbeeld DNA-afname door een erkend dierenarts en vervolgens onderzoek door een gecertificeerd (Europees) laboratorium?
Het staat een ieder vrij om een contra-expertise aan te vragen. De instituten waar BIJ12 mee samenwerkt hebben bepaald dat er bij hen geen contra-expertise kan plaatsvinden ter voorkoming van een dubbele rol. De provincies en BIJ12 maken gebruik van onafhankelijke en deskundige expertise bij afname en analyse. Bij de analyse wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijk verantwoorde, meest up-to-date en geharmoniseerde methodiek op basis van Europees afgestemde standaarden. Door deze internationale afstemming (binnen het zogeheten CEWolf-consortium4) vinden er tevens periodiek validaties plaats van de ingezette methodes om de kwaliteit en effectiviteit te borgen. Daarnaast zijn CEwolf-labs gebonden aan strikte institutionele regels van wetenschappelijke ethische normen.
De uitvoering van de contra-expertise zal dus door betrokkene zelf ter hand genomen moeten worden. Er vindt geen attendering of uitvoering plaats door BIJ12. Een contra-expertise sluit niet aan op de onderzoeksmethodiek die BIJ12 namens de provincies hanteert, waardoor er door BIJ12 geen uitspraak over kan worden gedaan of advies over gegeven kan worden, aldus BIJ12.
Zo ja, worden melders van wolvenschade hierop geattendeerd?
Zie antwoord vraag 14.
Zo nee, wat is de reden dat deze mogelijkheid niet wordt geboden?
Zie antwoord vraag 14.
Deelt u de mening dat met name bij paarden de lokale dierenarts vaak eerder ter plekke zal zijn, dan een taxateur van BIJ12? Deelt u tevens de mening dat bij beenwonden direct met behandelen moet worden gestart om een infectie te voorkomen? Zijn er voor deze situatie uitzonderingsbepalingen ten aanzien van DNA-afname getroffen, waarbij te denken valt aan veiligstellen van DNA door een dierenarts? Zo nee, waarom niet?
Nee, de snelheid waarmee een taxateur ter plekke kan zijn zal per situatie verschillen. Vaak zal een lokale dierenarts eerder ter plekke kunnen zijn. BIJ12 wijst de dierhouder er op dat, in geval van gewonde dieren, dierenleed zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Behandeling door een dierenarts is daardoor mogelijk. In overleg wordt bepaald hoe DNA-sporen kunnen worden veiliggesteld. Dit kan alleen na overleg met BIJ12 in specifieke situaties, bijvoorbeeld als er alleen gewonde dieren zijn die nog te helpen zijn, ook door een dierenarts plaatsvinden. Ook via begeleidende brochures worden betrokkenen hieropgewezen5.
Kunt u aangeven welke stimulatie inmiddels heeft plaatsgevonden en wat de stand van zaken hierin is en waar die stimulatie toe heeft geleid, gezien het feit dat u in een Kamerstuk schrijft dat «genetisch referentiemateriaal van wolven nu versnipperd aanwezig is bij diverse Europese instituten en onderzoekers» en dat u daarom zal «stimuleren dat materiaal beter kan worden uitgewisseld, ook met Nederland» en dat daarmee dan «zowel in ons eigen land als op Europese schaal het identificeren van wolven zal worden vereenvoudigd»?2
De provincies hebben opdracht gegeven aan Wageningen Environmental Research (WEnR) om gebruik te maken van de best beschikbare data ten behoeve van genetisch referentiemateriaal. In de praktijk betekent dit dat, nadat door WEnR een genetisch profiel van een wolf is geïdentificeerd, gebruik gemaakt wordt van de Europese database die bij Senckenberg aanwezig is. Hierin worden alle unieke profielen bijgehouden van wolven die door deelnemers van het CEwolf-consortium (waaronder WEnR) zijn geïdentificeerd. Elk individu in deze database krijgt een eigen unieke code toegewezen, bestaande uit GW-volgnummer-geslacht (GW = Genetische wolf). Zodra in Nederland een niet eerder vastgesteld genetisch profiel wordt aangetroffen, wordt dit profiel doorgestuurd naar deze databank en wordt daar gecheckt of dit profiel reeds bekend is onder een bepaalde code. Dit kan informatie opleveren over waar het dier zich eerder bevond. Wordt een bepaald individu na verloop van tijd door een CEwolf-partner in een ander land waargenomen, dan wordt dit doorgeven aan de landen waar het dier eerder aanwezig was.
Zoals blijkt uit de overzichten van BIJ12, kunnen hiermee wolven individueel worden geïdentificeerd.
In hoeverre kan nu van elkaars genetische databases gebruik worden gemaakt? Kunnen ook onafhankelijke buitenlandse, Europese instituten (zoals ForGen) nu gebruik maken van bijvoorbeeld de Nederlandse database? Zo nee, waarom niet?
Gebruik maken van genetische databases van andere partijen is uitsluitend mogelijk indien de data volgens eenzelfde geharmoniseerde en gestandaardiseerde methode verzameld en geanalyseerd is. Deelnemers binnen het CEWolf-consortium (onafhankelijke wetenschappelijke universiteiten en instituten) werken volgens dezelfde methode, waardoor zij gebruik kunnen maken van elkaars data. Data die op andere wijzen zijn geanalyseerd, zijn niet met elkaar uitwisselbaar of verenigbaar. Dit laatste doet zich voor tussen de Nederlandse database en die van ForGen. Via de website van BIJ12 zijn de analyseresultaten beschikbaar voor alle geïnteresseerde instituten.
Deelt u de mening dat, bij aanvallen op grotere landbouwhuisdieren, het juist ook hier van belang is om de activiteiten en voorkeuren van wolven te monitoren? En een zo volledig mogelijke database op te bouwen?
Monitoring is primair een taak van de provincies en vindt plaats volgens de afspraken gemaakt in het Interprovinciale Wolvenplan en Monitoringsplan wolf7.
Kunt u aangeven hoe uw visie zich verhoudt tot de huidige provinciale beleidsvoornemens om afrasteren tegen zwervende wolven als een «vanzelfsprekende voorwaarde» te gaan beschouwen, voor compensatie bij schade door zwervende wolven, gezien het feit dat u bij de aanwijzing van de wolf als beschermde inheemse diersoort schrijft dat «de lasten voor burgers en bedrijven, die voortvloeien uit de aanwijzing, blijven naar verwachting beperkt. Veehouders zullen schade kunnen ondervinden in het geval een wolf een prooi zoekt onder hun vee. Provincies en Faunafonds geven daarbij aan dat in het geval van een zwervende, individuele wolf, niet kan worden geëist dat agrariërs preventieve maatregelen nemen. De enkele zwervende wolf, die Nederland aandoet, zal hier maar kort verblijven en bijzonder schuw zijn. Preventieve maatregelen zijn kostbaar en niet effectief zolang niet duidelijk is in welk gebied een wolf zich ophoudt en hoelang hij daar blijft.»? Dus dat u enkel schade door zwervende wolven wil gaan vergoeden, wanneer er «wolvenproof» tegen zwervende wolven is afgerasterd?3
Het huidige Interprovinciaal Wolvenplan gaat uit van een normstelling die voor het provinciaal beleid het uitgangspunt is voor de inzet van preventieve maatregelen. In het kader van de lopende actualisering van het Interprovinciaal wolvenplan wordt hierover nog nader gesproken door provincies.
Het beleid rond vergoeding van schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. Het is aan provincies om te bepalen hoe hieraan invulling wordt gegeven.
Is er bij de definiëring van het «beperkt blijven van de lasten» aan een plafond gedacht? Dus op welk moment zijn de lasten voor burgers en bedrijven, die voortvloeien uit de aanwijzing van de wolf als beschermde inheemse diersoort, dan niet meer «beperkt» te noemen als het gaat om schade en preventieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 21.
Indien dat plafond nog niet is gedefinieerd, wat acht u acceptabel?
Zie antwoord vraag 21.
Zijn bij het definiëren van die «beperkte lasten» ook de arbeids- danwel loonlasten in acht genomen (zoals niet alleen plaatsen of verplaatsen van afrasteringen, maar ook de terugkerende lasten zoals wekelijks maaien onder de onderste – op 20 centimeter hangende – draden en/of bijvoorbeeld de verzorging en africhting van waakhonden)?
Het definiëren van lasten is een bevoegdheid van de provincies. In de tegemoetkomingsregeling die voor provincies als uitgangspunt geldt, wordt uitgegaan van een tegemoetkoming van de directe kosten, waaronder begrepen de kosten van de dierenarts en kosten van de afvoer van de gedode dieren. In de provinciale subsidieregelingen voor preventieve middelen wordt uitgegaan van een bijdrage in de investeringskosten van de maatregelen. Er is dus niet voorzien in vergoedingen voor indirecte kosten, zoals arbeids- en loonkosten.
Zo nee, waarom zijn deze (terugkerende) lasten niet meegenomen?
Zoals ik in mijn antwoord op vragen 21 tot en met 23 heb aangegeven, is het beleid rond vergoeding van schade door wolven een provinciale bevoegdheid. Het is derhalve aan de provincies om te bepalen welke lasten voor vergoeding in aanmerking komen.
Momenteel wordt door provincies gewerkt aan een actualisering van het Interprovinciaal Wolvenplan. Hierbij wordt ook gekeken naar de werkwijze rond schadeafhandeling door BIJ12.
Indien inderdaad alle dierenhouders moeten gaan afrasteren, is dit dan ook m.e.r.-plichtig, gezien het feit dat besluiten vanuit de overheid die van grote invloed zijn op onze leefomgeving alleen mogen worden genomen, nadat een milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft plaatsgevonden? Immers, met een draad op 20 cm hoogte kunnen egeltjes, dassen, hazen en konijnen etcetera niet meer migreren en door de hoogte van de afrastering 1.10 à 1.20 meter met 4.500 volt kunnen de reeën en ander groot wild geen gebruik meer maken van de weilanden?
Activiteiten waarvoor de mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt, zijn opgenomen in de bijlagen C of D bij het Besluit milieueffectrapportage. Het plaatsen van wolfwerende hekken is niet in die bijlagen opgenomen. In provinciale verordeningen kunnen provincies aanvullende activiteiten opnemen waarvoor een mer-plicht geldt. Dat kan alleen ter bescherming van het milieu in gebieden die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of aangetast. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal deze provinciale mogelijkheid komen te vervallen.
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording van vragen heb aangegeven (kenmerk 2022D46155), betreft het plaatsen van wolfwerende maatregelen het heel gericht afperken van particuliere gebieden waar vee en hobbydieren worden gehouden. Bij het op deze manier toepassen van wolfwerende maatregelen zal er dus naar verwachting genoeg ruimte overblijven voor ander dieren om zich vrijelijk in de natuur te bewegen.
Mogen wolven volgens de geldende wetgeving van een chip en/of een gps-tracker worden voorzien? Zo nee, met welk(e) wetsartikel(en) in welke wet(ten) is dat in strijd?
Artikel 3.8, vijfde lid van de Wet natuurbescherming maakt het mogelijk ten behoeve van onderzoek wolven te vangen en te voorzien van een chip of gps-tracker. Er moet hierbij wel worden voldaan aan de voorwaarden dat geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het streven populaties in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Provincies vormen het bevoegde gezag om hiervoor een ontheffing af te geven.
Indien het zenderen in het kader van onderzoek gebeurt, is ook de Wet op de Dierproeven aan de orde en kan een vergunning hiervoor nodig zijn.
Wat zijn de exacte criteria die gelden voor het legaal doden van wolven?
Artikel 3.8, vijfde lid van de Wet natuurbescherming schrijft voor dat doden slechts is toegestaan wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat het doden geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Afwijken van de verboden, waaronder het doden van wolven, mag alleen voor een van de vastgelegde doelen: de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom; het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; onderzoek en onderwijs.
Wilt u bovengenoemde vragen allen afzonderlijk beantwoorden?
Omwille van de duidelijkheid en om herhaling van antwoorden te voorkomen, heb ik bepaalde nauw samenhangende vragen tezamen beantwoord.