Het bericht ‘Veel financieel kwetsbare ouderen maken geen gebruik van inkomensvoorzieningen’ van de Nationale Ombudsman |
|
Don Ceder (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Nationale ombudsman «Met te weinig genoegen nemen»1?
Ja, het rapport is mij op 16 juni jl. aangeboden, waarbij de Nationale ombudsman mij gevraagd heeft om binnen drie maanden op de conclusies uit het rapport te reageren. Een afschrift van deze reactie doe ik hierbij aan uw Kamer toekomen.
Hoe worden ouderen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geïnformeerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en/of gemeenten over mogelijke aanvullende voorzieningen, naast Algemene Ouderdomswet (AOW)?
Enkele maanden voordat de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt, start de SVB met het bevorderen van AOW- en AIO-aanvragen door betrokkenen erop te wijzen om op tijd een AOW-uitkering en eventueel een AIO-uitkering aan te vragen. In de communicatie wijst de SVB ook op de mogelijke gevolgen van pensionering voor belastingen en toeslagen en wijst de SVB ook de mogelijkheden die gemeenten kunnen bieden.
Vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op werknemersverzekeringen (uitgezonderd Ziektewet). UWV heeft bij deze gebeurtenis de taak om deze verzekeringen en eventuele bijbehorende uitkeringen met ingang van de AOW-leeftijd te beëindigen. UWV heeft in de communicatie verder geen relatie met AOW-gerechtigden, maar beschikt als beheerder van de polisadministratie wel over inkomensgegevens die voor de SVB relevant zijn. Dat is de reden dat UWV betrokken is in een pilot met de SVB waarin wordt gewerkt aan een aanpak waarmee deze informatie gebruikt kan worden voor een pro-actieve benadering van mensen met mogelijk recht op AIO.
Vanaf de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op gemeentelijke algemene bijstand. Vanaf die leeftijd wordt, indien men daarvoor in aanmerking komt, algemene bijstand in de vorm van Aanvullende Inkomensvoorziening voor Ouderen (AIO) door de SVB verleend. Dat is veelal in combinatie met een gedeeltelijke AOW. Gemeenten moeten de algemene bijstand dan beëindigen, wijzen betrokkenen op de informatie van de SVB en werken daarvoor ook samen met de SVB. Daarnaast houden gemeenten wel de verantwoordelijkheid voor zaken als bijzondere bijstand (incl. zorgverzekering), kwijtschelding gemeentelijke lasten en een seniorenpas. Daarover blijven zij ook na de pensioengerechtigde leeftijd met hun burgers communiceren.
Bent u bereid om met gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties in gesprek te gaan over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om ouderen (herhaaldelijk) pro actief te benaderen aangaande mogelijke inkomensregelingen?
Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman aangeef, zijn gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties op verschillende manieren aan de slag met een proactieve benadering.
Bent u het met de Nationale ombudsman eens dat eenvoudigere aanvraagprocedures kunnen leiden tot een lager niet-gebruik van inkomensregelingen?
Ik deel deze opvatting. De uitvoeringsorganisaties gaan bijvoorbeeld werken met vooringevulde aanvraagformulieren en gaan meer ondersteuningsmogelijkheden bij de aanvraag bieden.
Hoe beoordeelt u het huidige beleid aangaande het bereiken van ouderen voor het voorkomen van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen?
Ik vind het belangrijk dat mensen de inkomensvoorzieningen krijgen waar ze recht op hebben. Dat is belangrijk om armoede te voorkomen en te bestrijden en dat geldt niet alleen voor ouderen. Het tegengaan van niet-gebruik heeft mijn prioriteit en maakt deel uit van de aanpak van geldzorgen, armoede en schulden, die ik in mijn brief aan uw Kamer van 12 juli jongstleden uiteen heb gezet (Kamerstuk 24 515, nr. 643). In deze aanpak komen de elementen terug die de Nationale ombudsman benoemt als het gaat om communicatie, het investeren in intermediairs, het benutten van contacten uit de omgeving van betrokkenen en om het inzetten op een meer proactieve overheid met betrekking tot gegevensuitwisseling. Daarbij ben ik met het onderzoek naar pensionering als levensgebeurtenis op zoek naar mogelijkheden om het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de vele veranderingen die dit met zich meebrengt voor mensen te versimpelen.
Hoe denkt u over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om aan de hand van beschikbare data of door gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties aanvraagprocedures te vereenvoudigen?
Ik ben het eens met de Nationale ombudsman dat het streven moet zijn met beschikbare data of door gegevensuitwisseling de aanvraagprocedures te vereenvoudigen. Dan gaat het bijvoorbeeld om de vooringevulde aanvraagformulieren en het proactief tegengaan van niet-gebruik.
Waar de Nationale ombudsman aanbeveelt om inkomensvoorzieningen waaraan geen verplichtingen verbonden zijn, automatisch toe te kennen, gebeurt dat in de praktijk soms al. Denk bijvoorbeeld aan de energietoeslag die gemeenten ambtshalve toekennen aan bijstandsgerechtigden inclusief AIO. Maar vaak is zoiets niet goed mogelijk, omdat er toch verplichtingen aan de inkomensvoorziening verbonden zijn, veel informatie – ook van de betrokkene zelf – nodig is en daarbij de inrichting van de gegevensuitwisseling waarop beslissingen moeten worden gebaseerd zelf ook omvangrijk en complex zou worden. Mede daarom kom ik in de bovengenoemde «Aanpak van geldzorgen, armoede en schulden» tot een variant die hier wel bij aansluit, maar flexibeler en minder ingrijpend is. Dat is het bieden van een juridische basis voor gegevensuitwisseling die een pro-actieve dienstverlening van overheidsinstellingen ondersteunt om mensen gerichter te benaderen, te informeren en zo nodig te helpen met de aanvraag, met waarborgen voor de bescherming van privacy. Maar we blijven bezien hoe we – voor zover mogelijk – een aanvraag kunnen vereenvoudigen of automatisch kunnen toekennen.
Ard B. die vastzit in een Franse cel |
|
Pieter Omtzigt |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het door RTV Oost op 14 juni 2022 gepubliceerde artikel over de ziekte van Ard B. die vastzit in een Franse cel?1
Ja.
Klopt het dat Ard B. zijn straf maximaal vier maanden zou uitzitten in Frankrijk om vervolgens uitgeleverd te worden aan Nederland? Zo ja, deelt u de mening dat Nederland zich actief moet inzetten voor deze uitlevering?
De rechtbank Amsterdam heeft in een lopende strafzaak de overlevering van betrokkene door Nederland aan Frankrijk toegestaan. De overlevering is toegestaan nadat Frankrijk aan Nederland een terugkeergarantie heeft afgegeven. Dit betekent dat is gegarandeerd dat betrokkene, na een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kan terugkeren om de straf te ondergaan. Mij is geen toezegging bekend dat betrokkene maximaal vier maanden in een Franse cel zou doorbrengen.
Net als in andere zaken heeft de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen zich ook in deze zaak actief ingezet voor het tot stand brengen van de strafoverdracht door Frankrijk aan Nederland. Nadat het strafvonnis onherroepelijk is geworden, heeft de advocaat van betrokkene bij IOS kenbaar gemaakt dat hij zijn straf in Nederland wilde ondergaan. Hierop heeft IOS de Franse autoriteiten meerdere keren verzocht om de procedure tot strafoverdracht te starten. Op 10 juni jl. heeft Frankrijk aan Nederland verzocht om de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen en is de procedure met voorrang gestart. Op 28 juni jl. heb ik ingestemd met de overbrenging van betrokkene op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Dit betekent dat IOS, in overleg met de Franse autoriteiten, betrokkene zo spoedig mogelijk over laat brengen naar Nederland.
Is er met oog op het humane en medische aspect van deze gedetineerde aanleiding voor u om de uitlevering van deze gedetineerde van Frankrijk naar Nederland te bevorderen?
Het doel achter de strafoverdracht is gericht op resocialisatie. Om te oordelen of er een resocialisatiebelang is, wordt er getoetst aan de criteria binding met Nederland en strafrestant. Humanitaire omstandigheden hebben geen invloed op de beoordeling van deze criteria. In deze zaak hebben de humanitaire en medische omstandigheden er wel toe geleid dat de casus met voorrang in behandeling is genomen, zowel door IOS als door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het bericht ‘Woonadressen van advocaten duiken geregeld op in strafdossiers’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Woonadressen van advocaten duiken geregeld op in strafdossiers. «Onacceptabel en ronduit gevaarlijk»»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) woonadressen van advocaten in strafdossiers herleidbaar heeft opgenomen?
Dit is zeer ongewenst en zorgelijk. Er bestaat geen enkele reden of noodzaak om (afgeschermde) privéadressen van advocaten, of andere geheimhouders, in het strafdossier op te nemen. Dat geldt overigens niet alleen voor het privéadres van geheimhouders, maar ook voor zogenoemde verkeers- en locatiegegevens (meta-gegevens) die betrekking hebben op een «geheimhoudergesprek» (bijvoorbeeld een gesprek met een advocaat).
Wat vindt u van het feit dat in sommige dossiers bijna alle betrokkenen anoniem zijn, maar advocaten kennelijk niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke redenen, of grondslagen, zijn er volgens u om in een strafdossier te registeren dat met een advocaat gebeld is?
In het strafdossier dient te worden verantwoord op welke wijze is gehandeld bij het «onderscheppen» van een geheimhoudergesprek in het kader van een bevel opnemen telecommunicatie. Op grond van art. 4a lid 1 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken wordt, indien bij het opnemen van telecommunicatie een nummer van een advocaat wordt herkend, het opnemen van de communicatie onmiddellijk beëindigd, maar worden wel (uitsluitend) de gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het gevoerde communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker verwerkt.
Het is echter niet noodzakelijk, en bovendien onwenselijk, om alle verkeers- en locatiegegevens, alsmede de gebruikersgegevens van een geheimhouder, waaronder het (privé)adres, in het dossier te vermelden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de woonadressen van advocaten niet herleidbaar zijn in strafdossiers?
De betrokken partijen, waaronder het OM, de politie en het Centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie (CIOT) onderzoeken in overleg met de advocatuur op welke wijze het opnemen van privégegevens van advocaten in de processtukken kan worden voorkomen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft de advocatuur op haar website gewezen op het voorgaande en het advies opgenomen om te bezien of het verstandig is om het mobiele telefoonabonnement op een kantooradres te registreren.
Bent u bereid om indringend een gesprek met het OM te voeren over deze gang van zaken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben hierover al in gesprek met de betrokken partijen, waaronder het OM. Ik heb er vertrouwen in dat genoemd onderzoek tot een goede oplossing leidt.
De onzichtbaarheid van de premier in het maatschappelijk debat over de dringende noodzaak om de natuur te herstellen en de stikstofmaatregelen die daarvoor nodig zijn |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat de huidige stikstofcrisis – de «muur» waar het kabinet tegen aan is gereden – veroorzaakt is door politieke keuzes die (ook) in uw kabinetten zijn gemaakt, denk aan het afschaffen van de Ecologische Hoofdstructuur en de bezuiniging van 70% op het natuurbudget door het kabinet-Rutte I, het doorzetten van het toen al omstreden Programma Aanpak Stikstof (PAS) in het kabinet-Rutte II en een volstrekt ontoereikende stikstofwet in het kabinet-Rutte III? Erkent u dat u eindverantwoordelijk was voor uw kabinetsbeleid op dit gebied? Zo nee, wie was dan wel eindverantwoordelijk voor deze keuzes?
Zoals vaker benoemd, ben ik als Minister-President verantwoordelijk voor datgene wat er onder mijn bewind gebeurt, dus ook voor de gemaakte beleidskeuzes in het natuur- en stikstofbeleid. Als je over langere tijd de verantwoordelijkheid draagt, is het onvermijdelijk dat het voorkomt dat niet de juiste keuzes zijn gemaakt. Daarbij is het van belang om dat op zo’n moment te erkennen en bij te sturen, wat ook gebeurd is op het stikstofdossier na de uitspraak van de Raad van State over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) op 29 mei 2019.
Voelt u zich verantwoordelijk voor de maatschappelijke onrust die is ontstaan nu na lang dralen en talmen alsnog maatregelen door uw kabinet zijn afgekondigd om de uitstoot van stikstof terug te dringen?
Het kabinet heeft direct na de PAS-uitspraak in november 2019 besloten tot een eerste maatregelenpakket voor de stikstofproblematiek in de woningbouw- en infrastructuursector, gevolgd door de structurele aanpak stikstof in april 2020 waarvoor ruim € 5 miljard beschikbaar is gesteld. Daarnaast is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering inwerking getreden waarin harde stikstofreductiedoelen zijn opgenomen. In het coalitieakkoord zijn de te realiseren doelen verbreed1 en aangescherpt; voor het onontkoombaar terugbrengen van de stikstofuitstoot en -depositie en de daarvoor benodigde transitie van de landbouwsector is incidenteel 25 miljard euro gereserveerd. De richtinggevende stikstofreductiedoelen, die vorige week per gebied bekend zijn gemaakt, zijn nodig om de stikstofdoelen te realiseren en het herstel en behoud van natuur en biodiversiteit te borgen, wat ook voor de landbouw van cruciaal belang is.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de doelen voor ondernemers hard zijn aangekomen, de opgave is in sommige gebieden groot. Het is van belang dat provincies, samen met de gebiedspartners, in de gebieden tot passende oplossingen te komen. De doelen zijn nog niet in beton gegoten, maar geven richting aan het gebiedsproces en kunnen nog worden aangepast aan de hand van nieuwe inzichten. En zoals ook in het coalitieakkoord opgenomen zullen alle sectoren, dus ook de industrie en de mobiliteitssector, een evenredige bijdrage leveren aan het oplossen van het stikstofprobleem.
Hoe gaat u die verantwoordelijkheid waarmaken?
Zoals in het voorgaande antwoord is benoemd, neemt het kabinet zijn verantwoordelijkheid. Die blijft het kabinet ook nemen, omdat de stikstofproblematiek niet van vandaag op morgen is opgelost.
Erkent u dat u mensen met uw uitspraak bij Nieuwsuur uit mei vorig jaar – «Neem stikstof, daar hadden we meer tijd voor moeten nemen, in plaats van meteen het probleem op te lossen» – in de veronderstelling hebt gebracht dat het probleem daadwerkelijk was opgelost? Erkent u dat dit soort uitspraken bijdragen aan de onrust die is ontstaan nu er toch verdergaande maatregelen nodig blijken?
Uit het feit dat in het coalitieakkoord € 25 miljard is gereserveerd voor de aanpak van de stikstofproblematiek, blijkt duidelijk dat het stikstofprobleem niet is opgelost. Met mijn uitspraak bij Nieuwsuur heb ik dan ook niet de indruk gewekt dat het probleem reeds was opgelost.
Wat gaat de bevolking van u horen of zien in het verdedigen van de noodzaak om de natuur eindelijk te beschermen tegen de schade die ammoniak (uit de veehouderij) en stikstofoxiden aanrichten in de natuur? Bent u bereid om aan de Nederlandse bevolking en boeren duidelijk uit te leggen dat de achteruitgang van de natuur op dit moment escaleert (op sommige plaatsen al bijna onherstelbaar is verdwenen) en de vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningen daardoor grotendeels stilligt?1
Het kabinet vindt het herstel en behoud van natuur en biodiversiteit belangrijk. Dat blijkt ook uit de reeds genomen stikstofmaatregelen, de afspraken uit het coalitieakkoord en de startnotitie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied met daarin de richtinggevende stikstofreductiedoelen. Zoals bij elk kabinetsbesluit zal ik daar voor staan en dat toelichten en verdedigen wanneer dat aan de orde is.
Wat gaat de bevolking van u horen of zien als het gaat om reflectie op de eigen politieke keuzes die tot deze dramatische situatie hebben geleid?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 al benoemd, is het van belang om bij te sturen als op enig moment blijkt dat niet de juiste keuzes zijn gemaakt. Dit heeft het kabinet bij het stikstofbeleid ook gedaan, na de uitspraak van de Raad van State over de PAS.
Kunt u zich er iets bij voorstellen dat de premier wordt gemist in deze onrustige tijden voor Nederland?
In het Nederlands staatsbestel dragen Ministers verantwoordelijkheid voor hun eigen beleidsterrein. Daarom voeren de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit primair het woord over het stikstof- en landbouwbeleid.
Zoals bij het antwoord op vraag 5 benoemd, zal ik als Minister-President dat beleid toelichten en verdedigen wanneer dat aan de orde is.
Begrijpt u dat mensen verwachten dat de Minister-President naar voren stapt om zelf ook dit beleid, dat veel losmaakt in ons land, te verdedigen – en het niet alleen overlaat aan de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?
Zie antwoord op vraag 7.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan het Kamerdebat over het stikstofbeleid en het perspectief voor de Nederlandse boeren?
Ja.
Het bericht dat een vanwege een personeelstekort bij de rechtbank Gelderland zaken niet meer voor de rechter worden gebracht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Personeelstekort rechtbank noodzaakt tot sepot zaken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer betreurenswaardig is dat maar liefst 1500 strafzaken niet meer voor de rechter kunnen komen omdat er niet genoeg capaciteit bij de rechtbank is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het zeer betreurenswaardig dat het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt voelt deze stap te nemen. Zeker voor zover het zaken betreft waarbij slachtoffers betrokken zijn. Daar waar slachtoffers erop vertrouwden dat een rechter een onafhankelijk oordeel zou vellen over de zaak waar ze bij betrokken waren, gebeurt dit nu niet.
Hoeveel van de genoemde 1500 zaken moeten geseponeerd worden bij gebrek aan capaciteit? Deelt u de mening dat seponeren van deze zaken niet voortkomt uit een bewuste keuze voor seponering maar alleen uit nood geboren is? Zo ja, wat is uit mening daarover? Zo nee, waarom niet?
Ondanks maximale inspanning van het Openbaar Ministerie om oudere zaken af te handelen, kon niet worden voorkomen dat de voorraden bleven oplopen. Dit heeft tot gevolg dat ongeveer 90% van deze 1500 zaken worden geseponeerd. Deze keuze is uit nood geboren en dat is zeer betreurenswaardig.
Is de situatie bij het Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak in Oost-Nederland symptomatisch voor de situatie elders in Nederland? Zo ja, voor welke delen van Nederland dreigen ook strafzaken via sepots of OM-strafbeschikkingen te worden afgedaan? Zo nee, kunt u dan garanderen dat elders in Nederland dit niet zal gaan voorkomen?
Nee. Hoewel ook in andere arrondissementen tekorten aan rechters zijn waardoor niet alle zaken op tijd kunnen worden behandeld, zijn de achterstanden bij de rechtbank Gelderland verreweg het grootst. Zowel het Openbaar Ministerie als de Rechtspraak spannen zich maximaal in om te voorkomen dat ook elders in
Nederland tot dit soort vergaande maatregelen moeten worden overgegaan. Sepotbeslissingen van een vergelijkbare omvang in andere arrondissementen liggen daarom niet voor de hand.
Hoe komt het dat terwijl al een aantal jaren bekend is dat er een tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland is, dat probleem niet eerder is opgelost? Welke garanties kunt u geven dat dit probleem binnen afzienbare tijd wel wordt opgelost en aan welke termijn denkt u dan?
De afgelopen jaren zijn zaken steeds complexer geworden en is de behandeltijd per zaak fors toegenomen. Er zijn reeds maatregelen getroffen om het tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland terug te dringen. Zo zijn er op dit moment 20–25 nieuwe rechters in opleiding bij de rechtbank Gelderland, waarmee de maximale opleidingscapaciteit volledig is benut. Dat lost de problemen op korte termijn echter niet meteen op. Het opleiden van nieuwe rechters kost 1 tot 3 jaar, de personeelstekorten zullen er daarom nog wel enige tijd zijn.
Deelt u de mening van het OM en de rechtbank dat de keuze om zaken niet voor de strafrechter te brengen «zeer pijnlijk kan zijn voor slachtoffers»? Zo ja, waarom en wat gaat er gebeuren om slachtoffers, anders dan de wijze op de mogelijkheid van art. 12 Sv, toch genoegdoening te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik realiseer me dat met deze beslissing onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de wens van slachtoffers dat recht wordt gedaan aan wat hen is overkomen en dat betreur ik zeer. Daarom wordt gekeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de slachtoffers. In de zaken waarin slachtoffers schade hebben geleden, wordt beoordeeld of dat aanleiding is om de verdachte alsnog te dagvaarden op de geringe gereserveerde zittingsruimte of een OM-strafbeschikking op te leggen. Wanneer dat niet mogelijk is en de zaak wordt geseponeerd, krijgen de slachtoffers (en hun advocaat) een brief met een toelichting op het sepot. Daarnaast wordt – afgewogen in het geheel van de zaken die daarvoor in aanmerking komen – een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd in die gevallen waarin het niet vergoeden van de schade tot schrijnende situaties zou leiden. Over de praktische uitvoering daarvan zullen nadere afspraken worden gemaakt.
Deelt u de mening dat nu eens te meer blijkt hoe nodig het is om slachtoffers ook bij OM-strafbeschikkingen altijd de mogelijkheid tot het uitoefenen van hun spreekrecht te geven? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De OM-strafbeschikking is een vorm van buitengerechtelijke afdoening met als doel om veelvoorkomende criminaliteit snel te kunnen afdoen en de rechtspraak te ontlasten. Ook bij de keuze voor een strafbeschikking, houdt het OM – naast de ernst van het misdrijf en de persoon van de verdachte – rekening met de belangen van slachtoffers.
Het standaard regelen van een spreekrecht voor slachtoffers staat op gespannen voet met het hiervoor genoemde doel van de strafbeschikking. Desondanks ga ik hierover nog in gesprek met het College van Procureurs-Generaal. U wordt over de uitkomst hiervan geïnformeerd.
Het plan van de Europese Commissie om gelijke productiestandaarden te eisen van niet EU-landen en de onmogelijkheid om dat in bestaande handelsverdragen, zoals CETA, te regelen. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie heeft meegedeeld dat zij van plan is dezelfde duurzaamheidscriteria te eisen voor import van voedsel uit niet-EU landen als de duurzaamheidseisen die voor Europese boeren gaan gelden? Kunt u voorts bevestigen dat de EU milieu en klimaatheffingen op kan opleggen als niet-EU landen daar niet aan voldoen, en dat deze heffingen niet in strijd zijn met juridische bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie WTO?1
De Commissie heeft op 3 juni jl. het rapport gepubliceerd over een onderzoek naar de juridische haalbaarheid en rationale van het toepassen van EU gezondheids- en milieunormen op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten.2 Het rapport maakt duidelijk dat het in specifieke, onder WTO-regels omschreven omstandigheden mogelijk is om autonome maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met het WTO kader. Daarbij geeft het rapport aan dat een maatregel niet discriminerend mag zijn, noch een kwantitatieve beperking. WTO leden dienen gelijke binnenlandse en buitenlandse producten op gelijke wijze te behandelen. Ook moeten WTO leden gelijke producten uit derde landen onderling gelijk behandelen. Artikel XX Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) bevat mogelijke gronden waarmee eventuele afwijkingen van de GATT gerechtvaardigd zouden kunnen worden, bijvoorbeeld om het wereldwijde milieu te beschermen of om aan ethische bezwaren tegemoet te komen, mits aan strenge voorwaarden wordt voldaan.
De Commissie geeft aan dat de inzet van autonome maatregelen geval per geval bekeken moet worden op WTO-conformiteit, de technische en economische haalbaarheid van controle mechanismen, en de daadwerkelijke impact in relatie tot het te bereiken doel.
Het rapport bevat ook een breed overzicht van een aantal EU-rechtshandelingen of wetgevingsvoorstellen die worden voorbereid om productiemethoden die verband houden met dierenwelzijn of milieubescherming in te perken. Zo worden de herziening van de EU-dierenwelzijnswetgeving, het voorstel voor een verordening inzake ontbossingsvrije producten, het voorstel voor het in aanmerking nemen van milieuaspecten bij de vaststelling van MRL’s, en een horizontale kaderwet voor een duurzaam voedselsysteem genoemd. Het is mogelijk dat er, aanvullend op de onderwerpen die genoemd worden, op termijn ook andere onderwerpen op komen. Er is nu al een breed palet aan onderwerpen waar aan gewerkt wordt, en tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 13 juni jl. hebben de lidstaten aan de Commissie gevraagd daarover op regelmatige basis te rapporteren aan de Raad.
De Commissie geeft ook aan dat er risico’s zijn verbonden aan het nemen van autonome maatregelen. Dat betreft onder meer de kans dat een derde land maatregelen aanvecht in het kader van het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO.
Kunt u bevestigen dat boeren en tuinders al lange tijd vragen om gelijke productiecriteria of extra heffingen op «goedkope» levensmiddelen uit niet-EU-landen, om oneerlijke concurrentie tegen te gaan?
Ja, er zijn boeren en tuinders die daartoe hebben opgeroepen.
Erkent u dat het importeren van producten uit landen waar lagere productiestandaarden gelden op het gebied van milieu en dierenwelzijn zorgen voor oneerlijke concurrentie voor Europese en Nederlandse boeren?
Juist omdat producenten in Nederland en/of de EU soms extra duurzaamheidsinspanningen moeten verrichten, en hun producten in sommige gevallen moeten concurreren met geïmporteerde producten van producenten die niet altijd aan dergelijke hoge milieu, arbeid- of dierenwelzijnsregels hoeven te voldoen, pleit ik voor aandacht voor dit onderwerp. Zoals bijvoorbeeld bij de Landbouw- en Visserijraad. Het kabinet zet via verschillende fora bovendien in op het verhogen van internationale standaarden op het gebied van milieubescherming en dierenwelzijn. Indien de EU-besluit om autonome maatregelen te treffen voor het op de markt plaatsen van producten, dient dit een bijdrage te leveren aan het gestelde milieu of dierenwelzijnsdoel en moet ook gezocht worden naar een zo min mogelijk handel verstorende maatregel. Dat maakt dat niet elk type maatregel geschikt is.
Dit laat onverlet dat de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse boeren ook van een groot aantal andere factoren afhankelijk is, waaronder infrastructuur, scholing, innovatie, arbeidsproductiviteit en natuurlijke omstandigheden. Nederlandse boeren concurreren bovendien vaak op de kwaliteit van hun producten. Het is derhalve geen gegeven dat EU-wetgeving omtrent productie de doorslaggevende factor vormt in de concurrentiepositie van EU-bedrijven.
Nederland is een van de meest concurrerende economieën ter wereld met een sterke export gerichte landbouwsector. Nederland zet hierbij in op de export van kwalitatief hoogwaardige, duurzame producten in plaats van focus op grote volumes. Tegelijkertijd bieden buitenlandse markten een uitgelezen kans voor het agro-bedrijfsleven om een concrete bijdrage te leveren aan de mondiale transitie, met hoogwaardige producten én met kennis en kunde.
Erkent u dat importheffingen gebaseerd op onze hogere milieustandaarden het speelveld weer gelijk kunnen trekken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 3 gesteld, wordt het speelveld van de concurrentiepositie door vele verschillende factoren bepaald. Daaruit volgt dat importheffingen gebaseerd op hogere milieustandaarden niet automatisch bijdragen aan gelijk speelveld. De EU kan overigens geen autonome maatregelen treffen alleen omwille van het behoud van de concurrentiepositie van EU-bedrijven, omdat dit indruist tegen de WTO-regels.
In bilaterale handelsakkoorden worden importheffingen voor de handel met een derde land verlaagd vergeleken met de voor alle derde landen geldende WTO-tarieven. In deze handelsakkoorden gebruikt de EU-importheffingen en quota om gevoelige sectoren te beschermen.
Kunt u bevestigen dat er in Canada lagere productiestandaarden gelden op het gebied van onder andere dierenwelzijn en pesticiden dan in de EU? Kunt u voorts bevestigen dat desondanks Canadese landbouwproducten volgens afspraken in het vrijhandelsverdrag CETA (gedeeltelijk) tariefvrij naar de EU en dus ook Nederland mogen worden geëxporteerd?
Canada is lid van de OIE (Wereldorganisatie inzake Diergezondheid). Uit een evaluatierapport van deze organisatie blijkt dat er in Canada een relatief goed niveau van dierenwelzijn wetgeving en uitvoering is.
Met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hebben landen buiten de EU hun eigen wet- en regelgeving om te beoordelen of gewasbeschermingsmiddelen al dan niet op de markt mogen worden gebracht. Deze landen zullen daarbij rekening houden met bijvoorbeeld de landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van dat land.
Omdat er geen internationaal geldende regelgeving is op het gebied van dierenwelzijn, zet de EU in bilaterale handelsakkoorden in op samenwerking om gezamenlijk met derde landen de standaarden voor dierenwelzijn te verhogen. Ook in CETA is voorzien in afspraken om samen te werken op het verbeteren van dierenwelzijn. CETA biedt juist een platform om met Canada samen te blijven werken aan dierenwelzijn, voedselgezondheid en milieubescherming.
De EU heeft een aantal regels op het gebied van dierenwelzijn waaraan bij de import van goederen in de EU moet worden voldaan. Deze regels worden door CETA niet aangetast.
Onder CETA worden tarieven op veel goederen afgebouwd. Dit geldt niet voor alle goederen en met name voor een aantal landbouwgoederen blijven importheffingen en in sommige gevallen beperkte quota gelden. De meest gevoelige sectoren zoals eieren en pluimveevlees zijn geheel van liberalisering uitgesloten.
Kunt u bevestigen dat de afspraken die gemaakt zijn in een bilateraal handelsverdrag tussen de EU en een handelspartner, zoals CETA met Canada, de beleidsvrijheid wegneemt om nadien hogere duurzaamheidscriteria te eisen dan wel importtarieven te verhogen als de handelspartner in kwestie niet aan deze criteria wil voldoen?
Nee, CETA bevat ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling. Het principe dat overheden het recht hebben om te reguleren wordt in CETA herbevestigd. De EU en Canada bevestigen in CETA expliciet dat overheden de vrijheid houden om beleidsmaatregelen te treffen ten behoeve van milieubescherming (artikel 24.3).
Met betrekking tot importtarieven is de EU gebonden aan bepaalde tarieven waarover zij in WTO-verband afspraken heeft gemaakt. De EU kan deze tarieven niet eenzijdig verhogen. CETA heeft hier geen invloed op.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande debat over de perspectief- en stikstofbrief voor de landbouw?
Nee.
De aanhoudende chaos bij asielzoekerscentrum Ter Apel en de bevindingen van het Rode Kruis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rode Kruis trekt handen af van Ter Apel»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe duidt u de bevindingen van het Rode Kruis die waarschuwt voor de «onmenselijke en onhoudbare situatie»? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarin u ook ingaat over de zorgen van de hulporganisatie aangaande de veiligheid op het terrein?
Het Rode Kruis heeft op 16 juli jl. besloten de tenten die zij in Ter Apel ter ondersteuning had opgebouwd, te verwijderen. Dit omdat het Rode Kruis constateerde onder de omstandigheden geen goede ondersteunende hulp te kunnen bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Op 17 juni jl. heeft het kabinet besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Binnen de nationale crisisstructuur worden maatregelen in drie fasen getroffen. Allereerst wordt de crisisnoodopvang uitgebreid. Ten tweede worden 7.500 statushouders versneld gehuisvest. Als laatst wordt er gewerkt aan een oplossing voor doorstroming en huisvesting van statushouders na de periode van drie maanden. Dat is, gezien de huidige woningmarkt, geen gemakkelijke opgave. Op 9 augustus is uw Kamer per brief2 geïnformeerd dat deze maatregelen nog onvoldoende renderen waardoor er vaker mensen buiten het aanmeldcentrum de nacht doorbrengen en dat er onvoldoende crisisnoodopvangplekken zijn om deze mensen onder te brengen. In aanvulling op de eerdergenoemde maatregelen zijn de veiligheidsregio’s gevraagd om een deel van de opvangplekken voor Oekraïners die niet benut worden te komende tijd te benutten voor reguliere asielzoekers, en om opnieuw per veiligheidsregio’s 225 extra crisisnoodopvangplekken te realiseren. Het kabinet ziet zich daarnaast genoodzaakt om het RO-instrumentarium in te zetten om opvanglocaties te realiseren.
Waarom bent u horende doof en ziende blind inzake de opvangcrisis, waarbij u de regie volledig kwijt lijkt te zijn? Kunt u in uw beantwoording aangeven hoe u deze chaos gaat oplossen, zeker omdat we u vorige maand naar aanleiding van eerdere chaos ook al over de situatie bevraagd hebben.2
Ik kan u verzekeren dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om snel resultaten te boeken, zoals beschreven in de beantwoording van vraag 2. De stip op de horizon voor de lange termijn is de realisatie van een stabiel en robuust asielsysteem met een stabiel opvanglandschap door middel van implementatie van «de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen» en het creëren van een wettelijke taak voor gemeenten om een bijdrage te leveren aan de opvang van asielzoekers.
Voor een uitgebreid overzicht van alle maatregelen verwijs ik naar de Tweede Kamerbrief van 9 augustus jl4.
Deelt u de mening dat u de kraan moet dichtdraaien als de emmer overloopt? Zo ja, wilt u eindelijk komen tot immigratiebeperkende maatregelen? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Nee, die mening deel ik niet. Het uitgangspunt van het Nederlandse migratiebeleid is dat Nederland bescherming biedt aan mensen die vluchten voor oorlog, vervolging en geweld. Daarbij komt dat Nederland verplicht is om zich te houden aan internationaal en Europeesrechtelijke verdragen als ook het Unierecht op basis waarvan o.a. asielzoekers die een asielaanvraag doen recht op opvang hebben. Dit laat uiteraard onverlet dat wij ons in Europees verband inzetten om meer grip te krijgen op de irreguliere asielstromen naar de Unie en Nederland. Over die inzet wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda en verslagen van de JBZ-Raad geïnformeerd.
Tijdens het commissiedebat van 30 juni jl. heb ik uw Kamer een juridische verkenning toegezegd naar o.a. een tijdelijke asielbehandelstop, op de voet van artikel 111 van de Vreemdelingenwet. Ik kom hier na het zomerreces op terug.
Opnieuw de vraag hoeveel asielzoekers Nederland volgens u nog aankan? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Het Kabinet streeft naar meer grip op migratie. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat migratie aansluit op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Zoals ook vermeld in mijn brief van 5 juli jl. met de beantwoording van de gestelde vragen tijdens het commissiedebat van 30 juni jl., begint dat met kennis en inzicht. Het kabinet werkt op verschillende manieren aan het vergroten van de kennis over de gevolgen van migratie op de Nederlandse samenleving. Zo is de Adviescommissie Vreemdelingenzaken gevraagd om een advies over de inzet van een beleidsmatig richtgetal van migratie. Daarbij is ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het incorporatievermogen van de samenleving. Het advies van de ACVZ weegt mee bij de beleidsontwikkeling rondom dit onderwerp. Naar de planning van de ACVZ verschijnt dit advies na het zomerreces.
Opnieuw de vraag wat uw antwoord is aan geografen die stellen dat het absorptievermogen van Nederland is bereikt en dat de aanhoudende bevolkingsgroei Nederland ontwricht? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u concreet doen om asielzoekerscentrum Ter Apel te ontlasten? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan, met een lange termijn visie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt u de veiligheid van bewoners en ondernemers in Ter Apel en omgeving? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners en ondernemers in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. Het ministerie is continu in gesprek met het COA, de gemeente, ondernemers en omwonenden omtrent de veiligheid en ook zijn er diverse maatregelen getroffen om de veiligheid te borgen. Zo zijn er in het winkelcentrum van Ter Apel dagelijks Boa’s aanwezig. Over het brede palet aan maatregelen bent u per Kamerbrief van 29 juni jl. geïnformeerd.
Het bericht 'Te weinig rechters in Gelderland, 1500 rechtszaken geschrapt' |
|
Raymond Knops (CDA), Michiel van Nispen , Mirjam Bikker (CU), Joost Sneller (D66), Laura Bromet (GL), Kees van der Staaij (SGP), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig rechters in Gelderland, 1500 rechtszaken geschrapt»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat het Openbaar Ministerie (OM) deze vergaande stap noodzakelijk acht?
Ik betreur het zeer dat zich het Openbaar Ministerie genoodzaakt ziet dit te doen, zeker voor zover het zaken betreft waarbij slachtoffers betrokken zijn. Daar waar slachtoffers erop vertrouwden dat een rechter een onafhankelijk oordeel zou vellen over de zaak waar ze bij betrokken waren, gebeurt dit nu niet.
Hoe weegt u de gevolgen die deze stap heeft voor het vertrouwen van Nederlanders dat recht gedaan wordt na overtredingen en dat rechtsherstel volgt door een goed functionerende strafrechtketen?
De uitdaging is groot om de doorlooptijden van strafzaken structureel te verkorten. Tegelijkertijd zijn we verplicht aan slachtoffers, betrokkenen, verdachten en de samenleving om ons hier onverminderd voor in te zetten. Op de langere termijn zullen de gelden uit het coalitieakkoord leiden tot de inzet van extra menskracht. Voor de korte termijn houden wij met de strafrechtketenorganisaties de vinger aan de pols en overleggen periodiek over de voortgang, zoals die van het Actieplan strafrechtketen die gericht is op het verkorten van de doorlooptijden van zaken op het gebied van veel voorkomende criminaliteit (VVC) en de monitoring van voorraden.
Kunt u aangeven welke factoren ertoe hebben geleid dat deze stap nu wordt gezet? Welk beeld heeft u bij de andere arrondissementen en hoe weegt u de gevolgen daarvan?
De reden dat deze stap door het Openbaar Ministerie is gezet, is het gebrek aan capaciteit bij de rechtbank Gelderland. Hoewel ook in andere arrondissementen tekorten aan rechters zijn waardoor niet alle zaken op tijd kunnen worden behandeld, zijn de achterstanden bij de rechtbank Gelderland verreweg het grootst.
Zowel het Openbaar Ministerie als de Rechtspraak spannen zich maximaal in om te voorkomen dat ook elders in Nederland tot dit soort vergaande maatregelen moeten worden overgegaan. Sepotbeslissingen van vergelijkbare omvang in andere arrondissementen liggen daarom niet voor de hand.
Wat wordt gedaan dit in de toekomst in Gelderland, maar ook bij de andere arrondissementen te voorkomen, met in achtneming van de eigenstandige positie van u en van de rechtspraak en het OM? Welke taak ziet u daarbij voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Welk tijdspad heeft u daarbij voor ogen?
De Rechtspraak heeft het aantal rechters in opleiding vergroot van 80 naar 130 per jaar, waarvan er op dit moment 20–25 in opleiding zijn bij de rechtbank Gelderland. Daarnaast wordt bij de rechtbank Gelderland de rechters-capaciteit in de sector strafrecht versterkt door rechters uit andere rechtsgebieden naar de sector strafrecht over te plaatsen. Dat lost de problemen op korte termijn echter niet meteen op. Het opleiden van nieuwe rechters kost 1 tot 3 jaar, de personeelstekorten zullen er daarom nog wel enige tijd zijn. Naast het aannemen en opleiden van extra mensen, onderzoeken de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie daarom ook andere mogelijkheden om de doorlooptijden in strafzaken terug te dringen en voorraden beter te beheren, zoals hiervoor is vermeld.
Op welke wijze worden slachtoffers actief geïnformeerd over de mogelijkheid bezwaar te maken? Is het ook mogelijk slachtoffers op een meer laagdrempelige wijze bezwaar te laten maken tegen sepot?
Er wordt gekeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de slachtoffers. In de zaken waarin slachtoffers schade hebben geleden, wordt beoordeeld of dat aanleiding is om de verdachte alsnog te dagvaarden op de geringe gereserveerde zittingsruimte of een OM-strafbeschikking op te leggen. Er wordt alleen overgegaan tot het opleggen van een OM-strafbeschikking als de zaak daarvoor geschikt is. In de beoordeling daarvan wordt de rechtsbescherming van alle betrokken partijen betrokken. Wanneer dagvaarden of een OM-strafbeschikking niet mogelijk is en de zaak wordt geseponeerd, krijgen de slachtoffers (en hun advocaat) een brief met een toelichting op het sepot. Daarin wordt ook uiteengezet dat zij bezwaar kunnen maken bij het gerechtshof op grond van artikel 12 van het Wetboek van strafvordering. De wet biedt geen andere mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een sepotbeslissing.
De zaken worden nu beoordeeld. Wanneer er zicht is op het aantal slachtoffers, schade en dergelijke wordt besproken of SHN in de nazorg nog een rol kan hebben. Ook de inzet van herstelrecht kan worden overwogen. Tot slot wordt gekeken naar de mogelijkheden van compensatie van schade voor die gevallen waarin het niet vergoeden van de schade tot schrijnende situaties zou leiden.
Welke maatregelen worden getroffen om slachtoffers nazorg te verlenen indien dit nodig is, ook wanneer sprake kan zijn van ervaren leedtoevoeging door het niet doorgaan van een strafzaak?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe blijft er, in die zaken waar overgegaan wordt tot OM-afdoening, oog voor de rechtsbescherming van alle betrokken partijen, juist waar het zaken betreft waar aanvankelijk niet is geoordeeld tot OM-afdoening over te gaan?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen heeft een toename van de artikel 12-procedure voor het gerechtshof en wat betekent een nieuwe toeloop voor zaken die reeds aanhangig zijn, maar ook voor de duur waarop mensen helderheid krijgen over het gevolg voor hun zaak?
Het gerechtshof zal alle artikel 12 Sv-klachten die binnenkomen kunnen en ook wettelijk moeten behandelen, waarbij wel geldt dat afhankelijk van de daadwerkelijke extra instroom de behandeltijden zouden kunnen oplopen. Het gerechtshof heeft intern wel geanticipeerd op een verhoogde instroom. Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel zaken met slachtoffers er zijn.
Het PGB |
|
Fonda Sahla (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u tot het besluit bent gekomen om kleinschalige woonvormen die functioneren als een zorg in natura, niet meer structureel in aanmerking te laten komen voor het gebruik van een persoonsgebonden budget (PGB)? Waarom komt u juist op dit moment met het besluit en welke afweging heeft u hierin gemaakt?1
Voorop staat dat ik het pgb een waardevol instrument vind, omdat het de eigen regie van zorgvragers ondersteunt. Mijn uitgangspunt is dat het pgb bedoeld is voor mensen die daar bewust voor kiezen en die in staat zijn eigen regie te voeren (oftewel: pgb-vaardig zijn). Vanuit dat uitgangspunt bezie ik ook kleinschalige woonvormen.
Ik heb waardering voor bewoners- en ouderinitiatieven, waarin bewoners/ouders met enorme inspanningen de zorg en ondersteuning op maat organiseren. Vaak doen zij dat voor hun eigen kinderen die te maken hebben met een levenslange en levensbrede beperking. In mijn brief van 20 mei jl.2 betoog ik geen algehele afschaffing van de inzet van het pgb voor kleinschalige woonvormen.
Het onderzoek naar de betekenis en waarde van het pgb3 constateert een toename in pgb-gefinancierde wooninitiatieven. In het rapport komt naar voren dat daarbij ook sprake is van situaties waarin budgethouders in een wooninitiatief onvoldoende eigen regie voeren. VWS krijgt ook direct signalen over wooninitiatieven die het pgb primair inzetten als financieringsmogelijkheid en waarbij van eigen regie door budgethouders weinig sprake lijkt. Dat vind ik onwenselijk, zoals verwoord in mijn brief van 20 mei 2022. Voor deze initiatieven wil ik onderzoeken hoe zij met het zorgkantoor afspraken kunnen maken over contractering.
Ziet u de waarde van het instrument PGB, waarmee de zorgaanvrager eigen regie kan voeren over welke zorg zij of hij inkoopt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verduidelijken wanneer er wel en wanneer er geen sprake is van het hebben van individuele regie in een ouder- of wooninitiatief? Kunt u daarnaast een definitie geven van ouderinitiatieven en wooninitiatieven?
Individuele regie in een ouder- of wooninitiatief start met de positieve, bewuste keuze voor het pgb. Dat is niet het geval als mensen noodgedwongen budgethouder worden, omdat dat de enige manier is om te kunnen wonen in het wooninitiatief dat hun voorkeur heeft. Vervolgens betekent een pgb ook dat je als budgethouder zeggenschap hebt over zaken als welke zorgverleners er in het wooninitiatief werken, welke dagbesteding je kiest en over de financiën. Dit zijn enkele voorbeelden. Mijn ambtenaren doen op dit moment een gespreksronde met in elk geval ZN/zorgkantoren, VNG en (vertegenwoordigers van) ouder- en wooninitiatieven. 30 mei en 17 juni waren er al gesprekken met de Klankbordgroep Wonen van Per Saldo en het Netwerk ouder(woon)initiatieven. Via deze gesprekken inventariseer ik waar kansen en belemmeringen bestaan, met bijvoorbeeld aandacht voor contracteringsvereisten voor kleinschalige aanbieders. Daarbij stel ik ook, in samenspraak met partijen, een kader op met wat minimaal verwacht mag worden op het vlak van eigen regie in een pgb-gefinancierd wooninitiatief.
In lijn met mijn voorganger definieer ik een ouderinitiatief als een woonvorm die is opgezet door ouders van (meestal volwassen) kinderen met een beperking die niet zelfstandig kunnen wonen. Deze ouders verrichten diverse taken: zij regelen een geschikte woonvorm, vormen met elkaar een bestuur, dragen zorg voor het onderhoud van de woonvorm, overleggen met de verhuurder, kopen ondersteuning of zorg in, organiseren activiteiten en blijven zodoende regie voeren over het leven van hun kind.4 Bij een wooninitiatief met pgb gaat het om een zorgondernemer die de zorg organiseert volgens zijn/haar visie, waarbij op verschillende manieren vorm gegeven kan worden aan hoe bewoners invloed hebben op het beleid en op het organiseren van de zorg.
Hoe borgt u het belang van de cliënten met dit besluit, gegeven het feit dat het instrument PGB is bedoeld voor cliënten die eigen regie kunnen voeren en ook eigen keuzes willen maken over de zorg die ze ontvangen?
Mijn ambitie met het pgb in wooninitiatieven start vanuit het perspectief van de cliënt. Ik vind het onwenselijk dat budgethouders belast worden met de taken en verantwoordelijkheden die horen bij het pgb, terwijl ze daar niet bewust voor kiezen en/of onvoldoende ruimte en vaardigheden voor hebben. Denk aan: administratie bijhouden, declareren, corresponderen met de gemeente of het zorgkantoor en de SVB, wijzigingen in wet- en regelgeving bijhouden, contracten aanpassen en zorgverleners aansturen. Daar waar eigen regie en de ruimte voor eigen keuzes tot zijn recht komen, blijft het pgb beschikbaar voor de inzet in ouder- en wooninitiatieven.
Kunt u aangeven op basis van welke gegevens u tot het oordeel bent gekomen dat het voor een budgethouder lastig kan zijn om vanuit eigen regie verandering aan te brengen en passende zorg en ondersteuning te ontvangen? En kunt u aangeven op basis van welke gegevens er bij zorg die ingekocht wordt met een PGB vaker sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie dan bij zorg in natura? Is het niet juist zo dat een budgethouder veel meer eigen regie heeft met een PGB dan wanneer zorg in natura wordt ingekocht? Hoe ziet u dit?
Als budgethouder ben je zelf primair aan zet bij het organiseren van je zorg en ondersteuning, inclusief het toezien op kwaliteit van zorg en rechtmatige besteding. Je schakelt als individu direct met de verstrekker; de verstrekker heeft op zijn beurt geen directe, formele relatie met het wooninitiatief. Als er zorgen bestaan op het niveau van het wooninitiatief, bijvoorbeeld over de kwaliteit van zorg of de besteding van zorggeld, dan kan een verstrekker het wooninitiatief daar niet direct op aanspreken. Dat kan alleen de budgethouder zelf doen, die op individueel niveau minder sterk staat en zodoende een grote(re) afhankelijkheid heeft ten opzichte van het wooninitiatief. Dat geldt nog sterker als een budgethouder niet bewust heeft gekozen voor het pgb en minder de mogelijkheden voor het organiseren van zorg op maat met een pgb benut. De verstrekker kan alleen op het niveau van de budgethouder informatie over bijvoorbeeld declaraties of kwaliteit van zorg achterhalen en is daarbij afhankelijk van de pgb-vaardigheid en bereidheid van budgethouders om zaken aan te kaarten. Omdat budgethouders bijvoorbeeld niet tevreden zijn over de zorg, maar vrezen hun woonplek te verliezen, gebeurt dat niet altijd.
Waarom wordt er niet gekozen voor een overgangsfase waarin geëxperimenteerd wordt met beide vormen?
Zoals aangegeven (bij de beantwoording van vraag 1) beoog ik geen algehele afschaffing van het pgb in wooninitiatieven. Ik wil wel de beweging naar contractering inzetten op die plekken waar het pgb niet volgens het centrale uitgangspunt (bewuste keuze van mensen die pgb-vaardig zijn, eigen regie) wordt ingezet. Daarbij zal ik zorgvuldig te werk gaan. In die gevallen waarin een wooninitiatief onvoldoende vormgeeft aan de uitgangspunten van het pgb, krijgt het initiatief de kans zich daar alsnog op in te richten. Als dat niet gewenst is of niet lukt, dan zal aangestuurd worden op contractering. Uiteraard zullen verstrekkers er in die gevallen zorg voor dragen dat wooninitiatieven voldoende tijd en mogelijkheid hebben om over te stappen naar gecontracteerde zorg. Met verstrekkers onderzoek ik bovendien hoe de contractering eventueel toegankelijker kan worden gemaakt.
Kunt u aangeven waar u het oordeel dat zonder een directe sturingsrelatie met de zorgaanbieder de verstrekker minder zicht heeft op de rechtmatige besteding op baseert?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Was het «feitelijk als zorg in natura functioneren» al eerder een criterium voor u of uw voorganger om te besluiten PGB niet toe te staan voor een bepaald type zorg of woonvorm? Kunt u daar meer toelichting op geven?
Nee, dit is niet eerder een criterium geweest. Het is in de praktijk aan de gemeente of het zorgkantoor om te bepalen of het pgb passend is.
Bent u bekend met de ontwikkeling van de checklist eigen regie? Zo ja, vindt u het een goed idee om de checklist verder door te ontwikkelen tot een meetlat eigen regie, zodat er niet alleen gekeken kan worden naar de mate van eigen regie, maar dat er ook verbeterpunten naar voren komen waaraan gewerkt moet worden om alsnog als PGB-waardig gezien te worden?
Ik ben bekend met deze checklist (gesprekeigenregie.nl), die ik samen met cliënten- en belangenorganisaties heb ontwikkeld.5 Deze website en bijbehorende vragenlijst worden later dit jaar gelanceerd. Met behulp van gesprekeigenregie.nl weet een cliënt heel precies waar hij/zij op kan letten bij de keuze voor een wooninitiatief als het gaat om eigen regie.
In mijn brief aan uw Kamer van 20 mei jl. gaf ik aan dat dit instrument een eerste aanknopingspunt kan zijn om te concretiseren hoe eigen regie minimaal vorm moet krijgen voor budgethouders in wooninitiatieven. Het startpunt is maatwerk vanuit het cliëntperspectief; per initiatief wordt bekeken of het pgb wel/niet passend is. Over de vraag hoe dat er precies uit moet zien en of de vorm van een meetlat daarbij het meest passend is, voer ik de komende tijd het gesprek met Per Saldo, BVKZ en andere belangen- en cliëntenorganisaties.
Hoe kijkt u naar de zorgen en de ophef die zijn ontstaan onder bewoners van wooninitiatieven en onder de initiatieven zelf over of hun bestaanszekerheid kwetsbaar is geworden en kunt u aangeven in hoeverre deze zorgen en onzekerheid terecht zijn?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Bent u het eens dat niet elk wooninitiatief op dezelfde wijze werkt en dat per initiatief goed gekeken moet worden naar de tevredenheid van bewoners en naasten? Hoe wordt met dit besluit maatwerk geleverd?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 9.
De ILO-uitspraak met betrekking tot de arbeidsvoorwaardelijke eisen voor KLM |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmenspel rond loonoffer KLM»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport van ILO-Committee on Freedom of Association (CFA) van maart 2022 (Case nr. 3398), waarin wordt vastgesteld dat de Nederlandse overheid ten onrechte de vakbonden niet heeft geraadpleegd en dat eventuele beperkingen alleen mogelijk zijn onder voorwaarde dat aan het voornoemde is voldaan, in een noodsituatie waarbij de maatregelen in duur strak beperkt moeten zijn en strikt niet langer dan dat exceptionele omstandigheden zich voordoen? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze vaststellingen?
Zoals ook aangeven in de Kamerbrief bij de derde rapportage van de staatsagent is het kabinet van mening dat er geen sprake is geweest van een zelfstandige eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat.2 In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig is langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Er is een voorstel gedaan op welke manier, conform dit principe, hier nadere invulling aan kan worden gegeven door KLM in overleg met de betrokken vakbonden. KLM heeft vervolgens afspraken met het personeel gemaakt over een bijdrage aan het verlagen van de kosten. Deze afspraken zijn opgenomen in een door KLM opgesteld herstructureringsplan, waarover uw Kamer in november 2020 is geïnformeerd.3
De Nederlandse staat is het met de aanbeveling van de ILO eens dat de maatregel niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk is. Het steunpakket voldoet hieraan, omdat de voorwaarden die zijn overeengekomen met KLM juridisch van kracht blijven tot de steun is afbetaald en beëindigd. Het ILO-rapport heeft geen juridische gevolgen voor de geldigheid van deze voorwaarden. Binnen het eerder beschreven uitgangspunt uit het steunpakket dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, zijn er bovendien mogelijkheden voor KLM en de bonden om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen. De ILO heeft de Nederlandse staat opgeroepen om in gesprek te gaan met de vakbonden. Op 1 juli jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie, KLM en de vakbonden.
Klopt het dat het Ministerie van Financiën op verzoek van de KLM haar zienswijze op het ILO-rapport over de handelwijze van de overheid bij het stellen van arbeidsvoorwaardelijke eisen met KLM heeft gedeeld? Kunt u deze brief aan KLM nog voor het commissiedebat staatsdeelnemingen van 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
De brief aan KLM is als bijlage toegevoegd. Daarin staat de zin waar u naar verwijst.
Kunt u bevestigen dat in deze brief van het ministerie aan KLM van 3 mei jl. staat: «er zijn geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden gesteld aan het steunpakket»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u dan ook publiekelijk afstand nemen van het standpunt dat er zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zouden gelden waaraan KLM en/of KLM-medewerkers zouden moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de zienswijze van uw ministerie aan KLM in uw brief van 3 mei jl. zich tot uw publiekelijke uitspraken tijdens het debat in de Eerste Kamer over de aandelenemissie AF-KLM (d.d. 31 mei 2022) waarin u op vragen van de senaat aangeeft dat KLM niet voldoet aan «de voorwaarden voor het doorvoeren van structurele kostenreducties, dus de structurele kant, de arbeidsvoorwaardelijke bijdrage en het beëindigen van het faciliteren van mogelijke belastingontwijking»? Hoe kunt u dergelijke uitspraken (blijven) doen terwijl u richting KLM schriftelijk aangeeft dat er helemaal geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zijn gesteld?
Onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met KLM is het opstellen van een herstructureringsplan. Beoogd doel van dit herstructureringsplan is om de concurrentiepositie structureel te verbeteren door middel van een reductie van de beïnvloedbare kosten met minimaal 15%. Uw Kamer is op 3 november 2020 geïnformeerd over de goedkeuring van dit plan door het vorige kabinet. In deze Kamerbrief staan de belangrijkste elementen van dit herstructureringsplan, waaronder de afspraken die KLM heeft gemaakt met het personeel over een bijdrage aan het verlagen van de kosten.4
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden verwijst de staatsagent naar dit herstructureringsplan en de commitering die KLM daarin is aangegaan. Het toezien op de implementatie en naleving van het herstructureringsplan is onderdeel van zijn werkzaamheden.5
In de leningsdocumentatie is vastgelegd dat de facilitering van mogelijke belastingontwijking door medewerkers wordt beëindigd. Dit betreft dus geen eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat. Het is aan KLM om deze facilitering te beëindigen.
Hoe verhoudt uw verweer op de vaststellingen van de ILO en de zienswijze aan KLM zich tot publieke uitspraken en rapportages van de staatsagent bij KLM waarin op arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden wordt getoetst?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens dat als u bevestigt aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld, daar dan ook niet door de staatsagent zelfstandig op getoetst kan worden in zijn rapportages? Hoe verhouden eerdere rapportages met uw uitspraken aan KLM? Vraagt dat geen algemene erkenning van uw ministerie dat eerdere rapportages, voor zover afwijkend van de nieuwe in uw brief van 3 mei jl uitgedragen grondslagen, een onjuist beeld schetsen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt deze «staffeleis» zich tot het verweer van het kabinet op de ILO-klacht waarin u stelt dat deze «staffel» slechts een voorstel was en uw zienswijze aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld?2 Kunt u de reactie van de overheid aan de ILO (die dateert van januari 2022) nog voor het commisssiedebat staatsdeelnemingen d.d. 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
Er is geen sprake van de staffeleis. Dat deze staffel geen harde eis maar een voorstel was blijkt ook uit het feit dat KLM en de vakbonden bij de afspraken voor het cockpitpersoneel geen staffel hebben toegepast maar, volgens KLM op verzoek van de bonden, een gelijke bijdrage ter hoogte van ruim 19% zijn overeengekomen. Het verweer van de Nederlandse staat is bijgevoegd.
Kunt u bevestigen dat invulling van de personeelsbijdrage om aan steunvoorwaarden, zoals de 15 procent beïnvloedbare kostenreductie, aan sociale partners is en dat een personeelsbijdrage überhaupt niet nodig is als KLM op andere punten tot 15 procent kostenreductie komt?
In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig zal zijn langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Zoals hierboven aangeven heeft KLM hier, samen met de vakbonden, invulling aan gegeven in het herstructureringsplan.
Dat laat onverlet dat binnen het uitgangspunt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, er mogelijkheden voor KLM en de bonden zijn om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen.
Bent u van mening dat de loonkosten die worden bespaard als gevolg van de reorganisaties die bij KLM hebben plaatsgevonden na het uitbreken van de coronacrisis, als kostenreductie van KLM moet worden aangemerkt? Kunt u aangeven hoeveel loonkosten KLM met de reorganisaties heeft bespaard? Indien u van mening bent dat de bespaarde loonkosten niet als kostenreductie aangemerkt moeten worden, kunt u dan aangeven waarom?
De loonkosten zijn onderdeel van de beïnvloedbare kosten. Dit betekent dat als er sprake is van (netto)besparingen op de loonkosten dit bijdraagt aan de afgesproken kostenreductie van 15%. Informatie over de besparingen op de loonkosten van KLM is bedrijfsvertrouwelijk en kan daarom, in zoverre ik daar al over beschik, niet worden gedeeld.
Hoe gaat u voorkomen dat de vakbonden nieuwe klachten tegen de Nederlandse overheid gaan indienen wegens schending van ILO-normen door de Nederlandse overheid?
Indien vakorganisaties en werkgeversorganisaties van mening zijn dat er sprake is van een schending van de verplichtingen voortvloeiend uit de ILO-verdragen dan staat het hen vrij om daarover een klacht in te dienen. Het is dan aan de ILO om daar een uitspraak over te doen. Ik wil daar op geen enkele manier tussen zitten.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Defensie naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Jasper van Dijk , Renske Leijten |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek c.q. onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert; kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige consequenties en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Sandra Beckerman , Renske Leijten |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-/Wet open overheid (Woo)-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Bart van Kent |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het Toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de «Reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken» van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan vóór het naar buiten komen van het Toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van sms’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)/Wet open overheid (Woo) verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Binnenlandse Zaken naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties en wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Op welke wijze is de 780 miljoen euro die beschikbaar is gekomen om de informatiehuishouding bij de rijksoverheid op orde te brengen tot stand gekomen? Welke onderbouwing is voor deze investering aangeleverd?
De basis voor de investering in het op orde brengen van de informatiehuishouding (Open op Orde) is gebaseerd op de Kosten Baten Analyse van het Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatie (RDDI) aangevuld met kosten voor ontwikkeling/bestendiging van een aantal stelselpartijen, zoals het Nationaal Archief, de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.
Het RDDI heeft in 2019 opdracht gekregen van het Ministerie van OCW en BZK om onderzoek te doen naar de kosten voor de rijksoverheidsorganisaties om de informatiehuishouding Rijksbreed te verbeteren en naar de baten daarvan. Voor deze Kosten-Baten Analyse is een berekening opgesteld op basis van het bij rijksoverheidsorganisaties realiseren van emailarchivering, websitearchivering, berichtenapp gebruik en archivering, openbaar maken van documenten, ontwikkeling van WOB tooling, een awareness campagne «medewerker aan informatie» en de Programmakosten per rijksoverheidsorganisatie. Deze analyse is uitgevoerd in het najaar van 2019 en heeft een berekening van de totale kosten voor de rijksoverheid opgeleverd.
De analyse betrof meer dan 165 organisatie-eenheden met in totaal circa 290.000 medewerkers. Daarbij is gebleken dat er sprake was van grote verschillen qua omvang, aard en organisatievorm. Aantallen medewerkers per organisatie variëren van enkele tientallen tot tienduizenden. Ook de aard van de werkzaamheden loopt sterk uiteen: beleidsmatig, projectmatig, procesgericht, onderzoek en fysieke uitvoering.
Uit de actieplannen blijkt dat niet alle ambities met de beschikbare middelen gerealiseerd kunnen worden. De consequenties van het verschil tussen vraag en budget beschrijven we in het geactualiseerde Generieke Actieplan «Open op Orde» dat in het vierde kwartaal naar Uw Kamer wordt gestuurd.
Klopt het dat er vier actielijnen zijn uitgezet naar aanleiding van de reactie op het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, zo ja wat is de stand van zaken van deze actielijnen? Kunt u de Kamer informeren over de sturingsinformatie die hierover beschikbaar is?
Het klopt dat voor het verbeteren van de informatiehuishouding vier actielijnen zijn benoemd. Dit zijn de actielijnen van het generieke actieplan Open op Orde:
Professionals,
Volume en aard van informatie,
Informatiesystemen,
Bestuur en naleving.
Op 21 september 2021 is een voortgangsrapportage24 naar uw Kamer gestuurd. Daarin is aangekondigd om uw Kamer via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk periodiek te blijven informeren. Op 17 december 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de benoeming van de heer Arre Zuurmond als regeringscommissaris Informatiehuishouding25. Op 18 mei 2022 is de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 202126 naar uw Kamer gestuurd.
Op welke manier kunnen de Kamer en de samenleving de voortgang of vertraging van de voornemens volgen?
De stukken die genoemd zijn onder vraag 9, zijn naar uw Kamer gestuurd en zijn daarmee openbaar (via o.a. rijksoverheid.nl).
Kunt u tevens aangeven hoe de Kamer zicht kan houden op de besteding van de 780 miljoen euro en in hoe haar budgetrecht is vormgegeven?
In de voorjaarsnota die 28 mei 2021 naar uw Kamer is gestuurd is 780 miljoen voor de periode 2021 t/m 2026 opgenomen en in de begroting van BZK verwerkt. Na beoordeling van de bij BZK ingeleverde actieplannen, is iedere (Rijks)overheidsorganisatie verantwoordelijk voor verantwoording over de gerealiseerde doelen en bestedingen. De eerste tranche voor 2021 ad € 104 miljoen is verdeeld via de najaarsnota. Via de voorjaarsnota 2022 zijn de structurele basisbudgetten verdeeld. De bestedingen van de middelen zijn opgenomen in de financiële verantwoording binnen de eigen programma’s van de rijksoverheidsorganisaties en op totaalniveau in ieders departementale verantwoordingen. Rijksbreed is de verantwoording opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering rijksoverheid. De begroting van BZK, de voor- en najaarsnota en de financiële verantwoording worden door uw Kamer vastgesteld.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over de planning, roadmap en activiteiten en wilt u in uw antwoord meenemen hoe u de Kamer ook direct informeert als er iets te melden is?
Op 6 april 2021 is het generieke actieplan Open op Orde naar uw Kamer gestuurd27. Het geactualiseerde generieke actieplan Open op Orde zal in het vierde kwartaal van 2022 naar uw Kamer worden verzonden, daarin zijn de planning, roadmap en activiteiten opgenomen en zal ook worden ingegaan op de voortgang. Daarnaast heeft de Minister-President tijdens het debat met uw Kamer op 19 mei jl. toegezegd ook de departementale actieplannen openbaar te maken. Die worden op korte termijn naar u toegestuurd. Daarnaast wordt u jaarlijks via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk geïnformeerd. We zijn aan het onderzoeken hoe we een rijksbreed dashboard kunnen vormgeven. De verbetering van de Informatiehuishouding is onderdeel van het programma Open Overheid. Zo is de verbinding gelegd tussen een belangrijk doel van het verbeteren van de informatiehuishouding: het sneller openbaar kunnen maken van informatie, bijvoorbeeld bij een WOO-verzoek. Indien nodig zal ik u via de periodieke brieven van het programma Open Overheid informeren, waar Open op Orde onderdeel van is.
Welk mandaat en welke plannen heeft de regeringscommissaris Informatiehuishouding precies gekregen en kunt u aangeven welk werkplan de regeringscommissaris heeft vastgesteld? Kunt u het werkprogramma en de doelstellingen van de benoeming naar de Kamer sturen?
«De taken van de regeringscommissaris Informatiehuishouding zijn vastgelegd in het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding.28 Dit betreft o.a. de taak om de voortgang van het generiek actieplan Open op Orde en de daaronder vallende departementale actieplannen te bevorderen, de ministeries daarop aan te spreken en waar nodig met voorstellen te komen om knelpunten op te lossen. Daarnaast speelt hij een verbindende rol tussen het Adviescollege O&I, de Inspectie O&E en de ministeries.
Bij zijn aanstelling heeft de regeringscommissaris de volgende ambities uitgesproken voor de komende jaren:
Op het gebied van gegevenshuishouding: een forse verbetering in het juiste gebruik van de correcte gegevens.
Op het gebied van documenthuishouding: ook hier een structurele verbetering van de documentenstromen binnen de overheid (oftewel vindbaar, beschikbaar en traceerbaar).
Uitgangspunt van zijn opdracht is een transformatie van de overheid en de bijdrage die een moderne informatiehuishouding daaraan kan leveren. Onderdeel hiervan is het verankeren van fundamentele beginselen in een algemene wet voor informatiebepalingen.
Hierbij geldt dat hij zijn opdracht niet beperkt ziet tot de informatiehuishouding van de rijksoverheid, maar voor de hele overheid.
De regeringscommissaris zal na de zomer zijn bevindingen sinds zijn start begin dit jaar met u delen. Hierin neemt hij ook een aantal aandachtspunten mee die onder andere input zullen zijn voor de actualisatie van het generieke actieplan Open op Orde.»
Is goed geborgd dat de regeringscommissaris en het Rijksprogramma effectief samenwerken?
«In voorbereiding op het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding is zorgvuldig gekeken naar de sturing en het toezicht op de verbetering van de informatiehuishouding door de verschillende actoren die hier een rol in spelen, waaronder het Rijksprogramma. Dit is uitgewerkt in de brief van 22 oktober 202129 aan uw Kamer.
In de praktijk is er intensief contact tussen de regeringscommissaris en de programmamanager van Open op Orde (en andere relevante programma’s) en wordt de regeringscommissaris op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het programma.»
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.31
Herhaalprikken voor mensen onder de zestig jaar |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat op zaterdag 11 juni jongstleden diverse GGD’en tweede boosters voor mensen onder de zestig jaar zonder afspraak hebben aangeboden, maar dat dit binnen een dag weer teruggedraaid werd? Zo ja, hoe heeft dit misverstand kunnen ontstaan?1
Dit klopt niet. Er is geen sprake geweest van een wijziging van beleid. De herhaalprik wordt geadviseerd en aangeboden aan 60-plussers, volwassenen met het syndroom van Down en ernstig immuungecompromitteerde mensenvolwassenen. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen jonger dan 60 jaar die een vergelijkbaar ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling. Deze mensen kunnen zich met een verwijsbrief van een medisch specialist laten vaccineren bij de GGD. Voor 60-minners die niet in één van deze groepen vallen is de herhaalprik niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat de overheid een schild dient te zijn voor de zwakken en kwetsbare mensen moet helpen beschermen?
Ja, deze mening deel ik.
Herinnert u zich de aangenomen motie Van den Berg c.s., waarin de regering verzocht is maatwerk mogelijk te maken voor het toedienen van – op vrijwillige basis – herhaalprikken voor kwetsbaren onder de 60 jaar als de medisch specialist dat adviseert?2
Ja.
Op welke wijze heeft u deze motie uitgevoerd?
Mensen met een ernstig gecompromitteerd immuunsysteem hebben in de meeste gevallen een uitnodigingsbrief voor de herhaalprik ontvangen van hun medisch specialist. Het gaat om patiënten die onder behandeling zijn van een medisch specialist voor een specifieke aandoening of die bepaalde medicijnen voorgeschreven krijgen. Deze mensen behoren in principe tot dezelfde groep patiënten die eerder een derde vaccinatie kreeg als onderdeel van de basisserie. Sinds 19 april jl. ontvangen zij een uitnodiging voor de herhaalprik. Met deze uitnodigingsbrief kunnen zij de herhaalprik bij de GGD krijgen. Daarnaast is er maatwerk mogelijk voor individuele patiënten. Het betreft patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de eerdergenoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Deze route geeft ruimte om het gewenste maatwerk te leveren.
Om nader invulling te geven aan de oproep uit de motie om duidelijk te communiceren over de maatwerkroute heeft het RIVM in een nieuwsbrief aan zorgprofessionals, verstuurd in de week van 13 juni jl., de werkwijze voor de maatwerkaanpak extra toegelicht. Ook GGD GHOR Nederland heeft de maatwerkaanpak extra toegelicht in een nieuwsflits voor regionale GGD’en. Daarnaast zijn de patiënten- en cliëntenorganisaties voorzien van informatie over de maatwerkaanpak om te verspreiden onder de achterban. Tot slot wordt er op www.coronavaccinatie.nl/herhaalprik en www.rivm.nl/coronavaccinatie/afweerstoornis meer informatie gegeven over de maatwerkroute via de medisch specialist.
Deelt u de mening dat deze motie alleen goed uitgevoerd wordt als aan álle kwetsbaren onder de zestig jaar met een verwijzing van een medisch specialist een herhaalprik wordt aangeboden, en dus niet alleen voor ernstig immuun geconpromitteerden? Op welke wijze communiceert u hierover richting de GGD’en?
Het toepassingskader en de medisch-wetenschappelijke adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM zijn leidend bij de besluitvorming over de inzet van COVID-19-vaccins. Het primaire doel van het vaccinatiebeleid is het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19. Het afgelopen jaar hebben we geleerd dat de bescherming van de basisserie na verloop van tijd enigszins afneemt. Inmiddels weten we dat een hogere leeftijd, dus niet onderliggend lijden, de belangrijkste indicator voor een afname in bescherming is. Het immuunsysteem van ouderen werkt minder goed dan dat van jongere mensen. Deze verminderde werking zien we ook bij mensen met het syndroom van Down en mensen met een ernstige afwijking van het immuunsysteem. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen die een vergelijkbare ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling en bij wie de immunologische bescherming om die reden ook sneller terugloopt. Deze route en de communicatie hierover heb ik toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Omdat het immuunsysteem van de eerdergenoemde groepen minder goed werkt, neemt hun opgebouwde bescherming sneller af. Dit is waarom deze groepen het eerst in aanmerking kwamen voor een booster en ook waarom zij nu een herhaalprik aangeboden krijgen. Dankzij de herhaalprik wordt de bescherming tegen ernstige ziekte bij deze groepen weer op peil gebracht. De meeste andere mensen zijn na de basisserie en de booster echter goed en voor langere tijd beschermd tegen ernstige ziekte en sterfte. Onderliggend lijden of mate van blootstelling spelen hierbij geen grote rol. Er zijn géén aanwijzingen dat de booster minder goed werkt bij mensen met een medisch risico, zoals astma of diabetes. Met andere woorden: mensen onder de 60 jaar uit dergelijke medische risicogroepen bereiken door middel van de booster een even goede bescherming tegen ziekenhuisopname en sterfte als gezonde mensen onder de 60 jaar. In de huidige epidemiologische situatie zijn er daarom geen medisch-wetenschappelijke redenen om een herhaalprik aan te bieden aan mensen van onder de 60 jaar, al dan niet uit een medische risicogroep of met een verhoogde blootstelling aan het virus. Een herhaalprik levert voor deze mensen slechts zeer beperkte verhoging van de beschermingsgraad op. Het RIVM geeft daarnaast aan dat een langer interval tussen de doses voor een betere immuunrespons zorgt. Het aanbieden van een herhaalprik zonder medische noodzaak vind ik onwenselijk: vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. De herhaalprik is op dit moment niet geregistreerd en wordt alleen voor de oudste leeftijdsgroepen geadviseerd door het EMA, de ECDC of het RIVM. Er is onvoldoende bewijs om aan te tonen dat jongere leeftijdsgroepen baat hebben bij een extra prik. Formeel is het toedienen van een vaccinatie zonder medische noodzaak daarom niet toegestaan en kan juridische gevolgen hebben voor de betrokken partijen.
Kunt u aangegeven wat mensen die zich kwetsbaar voelen (bijvoorbeeld omdat ze overgewicht hebben, diabetes of COPD) en die daarom graag een tweede booster willen ontvangen maar jonger zijn dan 60 jaar, kunnen doen indien ze op dit moment geen regelmatig contact met een medisch specialist hebben?3
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, levert een herhaalprik voor deze mensen nauwelijks extra gezondheidswinst op. De medisch specialist kan bepalen of er in individuele gevallen sprake is van voldoende gezondheidswinst door een herhaalprik.
Wat gaat u doen om te borgen dat alle kwetsbaren via de huisarts een herhaalprik kunnen krijgen?
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik uitgelegd welke zorgvuldige medisch-wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de huidige afbakening van de doelgroep voor de herhaalprik. In individuele gevallen is er maatwerkmogelijk voor patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de in het antwoord op vraag 1 genoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. Medisch specialisten zijn het beste in staat om deze afweging te maken. Huisartsen geven aan te herkennen dat er bepaalde patiënten zijn met de wens voor een extra vaccinatie, maar weten ook dat hiervoor niet altijd een medische onderbouwing bestaat. In die gevallen is goede communicatie over nut en noodzaak van een eventuele extra herhaalprik erg belangrijk om zorgen weg te nemen bij patiënten. Communicatie via landelijke kanalen kan hieraan bijdragen, maar huisartsen kunnen in individuele gevallen ook een gesprek aangaan met patiënten. Vanuit het RIVM wordt een communicatiehulpmiddel opgesteld en gedeeld met de huisartsenkoepels om huisartsen hierbij extra te ondersteunen.
Het bericht dat er wetenschappelijke tekortkomingen zitten aan de beoordeling dat glyfosaat niet potentieel kankerverwekkend is |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU regulators «dismissed evidence» linking glyphosate to rodent tumours»1 en het achterliggende onderzoek van de Health and Environment Alliance (HEAL)2?
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie geven op de zorgwekkende conclusies uit het rapport?
De «Assessment Group on Glyphosate» (hierna: AGG) – bestaande uit de bevoegde autoriteiten van Frankrijk, Hongarije, Nederland en Zweden – heeft de Europese wetenschappelijke herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat uitgevoerd en heeft de resultaten daarvan in juni 2021 opgeleverd. Voor Nederland is het Ctgb als de bevoegde onafhankelijke autoriteit onderdeel van de AGG. Een van de onderdelen hiervan is de beoordeling van de intrinsieke gevaareigenschappen van de werkzame stof, die leidt tot een geharmoniseerde gevaarindeling en etikettering. Het voorstel dat de AGG hiervoor opstelde is door het «Risk Assessment Committee van ECHA (hierna: RAC) – een groep van onafhankelijke experts – opnieuw beoordeeld en aangevuld met nieuwe informatie (studies en commentaar) verkregen uit een openbare consultatie.
De evaluatie van al deze informatie heeft geleid tot het oordeel dat de classificatie en etikettering van de werkzame stof glyfosaat niet gewijzigd hoeft te worden ten opzichte van de eerdere RAC-opinie uit 2017. Dit betekent dat de classificatie van de werkzame stof glyfosaat als een stof die ernstig oogletsel veroorzaakt en giftig is voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen, moet worden gehandhaafd, maar dat het beschikbare wetenschappelijke bewijs niet voldoet aan de criteria om glyfosaat te classificeren als een stof die kan leiden tot schade aan luchtwegen of andere organen (specifieke doelorgaantoxiciteit), een kankerverwekkende stof (carcinogeen), een stof die leidt tot genetische veranderingen (mutageen) of een stof die giftig is voor de voortplanting (reproductietoxiciteit)3.
Of deze intrinsieke gevaareigenschappen in de praktijk leiden tot risico’s is afhankelijk van de mate van blootstelling. Dit wordt geadresseerd in de risicobeoordeling. Een werkzame stof wordt alleen goedgekeurd als is aangetoond dat het gebruik ervan conform de voorschriften veilig is voor mens, dier en milieu.
De definitieve RAC-opinie wordt in augustus gepubliceerd door ECHA. In deze opinie zal een uitgebreide toelichting staan op de overwegingen die hebben geleid tot de hernieuwde classificatie. De RAC-opinie zal door EFSA toegevoegd worden aan het uiteindelijke, volledige, beoordelingsrapport van de werkzame stof glyfosaat.
Ik vind het belangrijk dat het proces van herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat zorgvuldig en transparant verloopt. Daartoe voorziet het proces op verschillende momenten in actieve openbaarmaking van voorstellen en controle daarop via consultaties van het publiek en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Alle informatie die zo verzameld wordt, wordt weer opnieuw beoordeeld en – indien relevant – aan het dossier toegevoegd.
Kunt u daarbij in het bijzonder reflecteren op de rol van Nederland, welke onderdeel uitmaakt van de Assessment Group on Glyphosate (AGG), een groep die bijdroeg aan het beoordelingsproces?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er sinds 2015, toen het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) concludeerde dat glyfosaat potentieel kankerverwekkend is voor mensen, meerdere wetenschappelijke en peer-reviewed studies zijn uitgekomen die deze conclusie ondersteunen?3
Sinds 2015 is er veel nieuwe informatie beschikbaar gekomen in de vorm van (proefdier)studies, commentaren op studies, meta-studies enz. Alle informatie – vóór en na 2015 – beschikbaar in het aanvraagdossier en in wetenschappelijke publicaties is in de huidige herbeoordeling van glyfosaat op relevantie beoordeeld en deze informatie wordt – indien van belang – in de huidige herbeoordeling meegenomen door AGG, ECHA en EFSA.
Klopt het dat van de elf studies die door de AGG zijn goedgekeurd ter beoordeling, de dieren in tien van de gevallen kanker ontwikkelden en dat in drie muizen-studies en één ratten-studie, het aantal tumoren toenam toen de glyfosaat dosis werd verhoogd?4 Zo ja, hoe kan het dat er door de AGG werd geconcludeerd dat er geen oorzakelijk verband vastgesteld kon worden tussen de blootstelling aan de stof en de waargenomen tumoren in de dierstudies?
Zowel door de AGG als door de experts van de RAC zijn de resultaten van de dierstudies beoordeeld in lijn met Verordening (EG) 1272/20086.
De Europese Commissie heeft ECHA verzocht een gedetailleerde toelichting te geven in de definitieve RAC-opinie op het onderdeel van de beoordeling waarover de publicatie van de «Health and Environment Alliance» gaat. De definitieve RAV-opinie wordt in augustus 2022 door ECHA gepubliceerd. Ik zal uw Kamer deze doen toekomen.
Kunt u tevens nader uitleggen hoe het ondanks dat in tien van de elf studies dieren kanker ontwikkelden, er geen 1B classificatie is gegeven aan glyfosaat, wat betekent dat het potentieel kankerverwekkend is op basis van dierstudies? Hoe ziet u hierbij de toepassing van het Europese voorzorgsprincipe?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de voortzetting van het debat over gewasbeschermingsmiddelen en deze studies meenemen in de informatie die nog naar de Kamer wordt gestuurd over glyfosaat?
Ja.
Ik heb uw Kamer op 17 juni jl. schriftelijk geïnformeerd over glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Getroffen maatregelen op het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Sandra Beckerman |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moeten ze tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de rechtspraak komen én de reflectie op «Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken» van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van sms’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wob/Woo-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Toenemende druk op mantelzorgers en ouderenmishandeling |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mantelzorger kan druk vaak niet aan»1?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Wat vindt u van het feit dat uit eerder onderzoek is gebleken dat ongeveer 460.000 mantelzorgers zich zwaarbelast voelen?
Mantelzorgers vervullen een belangrijke en waardevolle rol in onze samenleving. Daarover zijn meerdere onderzoeken bekend. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft in december 2020 haar onderzoek «Een blijvende bron van zorg» gepubliceerd. Uit dit rapport komt naar voren dat de grote meerderheid van de 5 miljoen mantelzorgers die ons land rijk is, de zorg voor hun naaste goed weet te combineren met hun dagelijkse leven. Tegelijkertijd blijkt deze combinatie voor ongeveer 10% van hen te complex of vanwege zorgzwaarte te intensief, zij (dreigen) overbelast te raken. Vorig jaar april heeft mijn beleidsvoorganger uw Kamer in reactie op een eerdere set vragen daar ook beknopt over geïnformeerd.2
Het in eigen kring zorgen voor naasten is een groot goed en het vergt onze gezamenlijke aandacht om de groep voor wie dat om diverse redenen te zwaar wordt of dreigt te worden, waar nodig te ondersteunen.
Deelt u de mening dat moet worden voorkomen dat een half miljoen mantelzorgers, de ruggengraat van onze zorg, door hun hoeven zakken? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Ja, dat deel ik. Er is een grote groep Nederlanders die met liefde voor hun naasten zorgen. Het kan iedereen overkomen dat je naaste zorg van jou nodig gaat hebben. Het is een groot goed dat men in onze samenleving er vanuit kan gaan dat men bereid is dat ook te verlenen aan elkaar.
Dit kabinet maakt werk voor het verbeteren van de zorg voor ouderen (middels Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen, WOZO) en neemt het perspectief van mantelzorgers daar integraal in mee. Voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken en het goed ondersteunen van hen, vraagt een samenspel van de client, de hulpverlener, de financier én de hele omgeving van de client en mantelzorger.
De extra inzet op de sociale basis van dit kabinet moet gemeenten stimuleren om te komen tot een brede aanpak rondom het omzien naar elkaar in de wijk, o.a. via het versterken van vrijwilligerswerk, versterken van mantelzorgondersteuning, preventie en burgerinitiatieven. Mantelzorgondersteuning is hierbij een speerpunt. Voor Prinsjesdag 2022 zal ik de beleidsagenda mantelzorg met u delen.
Dit kabinet bouwt voort op de lessen die geleerd zijn onder het vorige kabinet waar vanuit een bestuurlijk akkoord «Samen Sterk voor mantelzorg» met VWS, VNG, MantelzorgNL, ZN en VNO/NCW. Partijen hebben verschillende acties ingezet om mantelzorgers beter te bereiken en ondersteunen, zoals:
Brede landelijke campagne ter vergroting van de bewustwording bij mantelzorgers;
Een landelijk adviesteam voor gemeenten om gemeenten te adviseren bij o.a. respijtzorg is opgericht
75 pilots van gemeenten om de toegang naar (mantelzorg)voorzieningen te verbeteren zijn uitgevoerd
Verwijzer mantelzorgondersteuning voor professionals om mantelzorgers goed te ondersteunen en verwijzen naar aanbod
Akkoord tussen VWS, het Ministerie van SZW, VNO/NCW over de combinatie werk en mantelzorg
Bent u bekend met respijtzorginitiatieven in den lande?2 Zo ja, heeft u de bereidheid om te komen tot een landelijk dekkend netwerk voor respijtzorg? Kunt u een gedetailleerd antwoord naar de Kamer sturen?
Ja, diverse initiatieven voor respijtzorg die gericht zijn op het ondersteunen of ontlasten van mantelzorgers die aangeven dat nodig te hebben, zijn mij bekend. Dat is van groot belang en om deze reden is afgelopen jaren stevig ingezet om het beschikbare aanbod en de vraag beter met elkaar in evenwicht te brengen, onder andere via het Programma Langer Thuis en de landelijk aanjager Respijtzorg in samenwerking met MantelzorgNL.
Ik vind het belangrijk dat we in gezamenlijkheid zorgen voor voldoende passend aanbod om mantelzorgers tijdelijk te ontlasten dan dat er een landelijk dekkend netwerk respijtzorg komt. Het beschikbare aanbod kan bestaan uit logeerzorg, waarbij mensen tijdelijk ergens anders verblijven. Maar er zijn ook alternatieven, zoals respijtzorg aan huis. Het meest passende aanbod verschilt per situatie en vraagt dus maatwerk en keuzes op lokaal niveau. De afgelopen kabinetsperiode zijn er veel geleerde lessen en inzichten opgehaald over tijdelijke opvang. Ook nu ondersteun ik gemeenten actief hierbij door:
Het verspreiden van Handreiking Respijtzorg en Handreiking Logeerzorg om gemeenten te ondersteunen bij het inrichten van het aanbod respijtzorg, het faciliteren van een netwerk logeerzorg;
De doorontwikkeling van een Mantelzorgtest waarmee mantelzorgers inzicht krijgen in de taken die hen zwaar vallen of energie geven, en worden doorverwezen naar lokaal aanbod;
In 75 pilots zijn gemeenten aan de slag om de toegang tot mantelzorgvoorzieningen te verbeteren;
Een adviesteam ondersteunt deze pilot-gemeenten en andere gemeenten met het doorvoeren van verbeteringen.
Zoals ook in de Hoofdlijnenbrief Wmo gemeld, wil ik de komende periode inzetten op het innoveren van het respijtzorgaanbod. Hierbij wil ik goed luisteren op welke manier respijtzorg het beste aansluit bij de behoeften van mantelzorgers.
Heeft u de bereidheid om beter te monitoren wie hulp aan ouderen geeft, zodat we schrijnende situaties van ouderenmishandeling kunnen voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Ouderenmishandeling en specifiek ontspoorde mantelzorg is ernstig, zorgt voor schade in de relatie en is gevaarlijk voor het welzijn van de oudere. Het is daarom belangrijk mantelzorgers die langdurig intensief zorg moeten verlenen te ondersteunen en tijd te geven om af en toe lucht te happen en zichzelf te zijn. Dit is waarom ondersteuning, respijtzorg, advies, blijk van waardering voor en aan de mantelzorger onmisbaar is. Ik vind het van groot belang dat ieder die zorg levert aan een naaste, weet dat en waar dit ondersteuningsaanbod beschikbaar is. Als er ook professionele zorg in of aan huis is, kan ook die professional een rol hierbij spelen.
Hulp aan ouderen omvat een breed scala aan handelingen, welke binnen een grote diversiteit aan contexten wordt geboden. Hulp die binnen het formele circuit wordt geboden valt onder de geldende beroepsstandaarden van die beroepsgroep, inclusief opleiding en periodieke bijscholing van het personeel. Hulp welke binnen het informele circuit wordt geboden, waaronder mantelzorg, wordt per definitie niet structureel gemonitord. Vanuit de gedeelde wens om de bureaucratie in de zorg waar mogelijk te beperken, ben ik geen voorstander van het registeren van wie hulp aan ouderen biedt. Wel ben ik voorstander om in te zetten op preventie en aandacht te vragen voor een veilige mantelzorgrelatie.
Heeft u de bereidheid om ouderenmishandeling beter te registreren, zodat erger kan worden voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Kunt u een gedetailleerd antwoord sturen?
Veilig Thuis registreert meldingen en adviesvragen van over de veiligheid van betrokkenen van huiselijk geweld, waaronder ouderenmishandeling. Zowel professionals als slachtoffers of betrokkenen kunnen advies vragen of een melding doen. In 2021 ontving Veilig Thuis landelijk 2.370 meldingen over ouderenmishandeling, een aantal dat vergelijkbaar is met 2.580 in 2020 en 2.420 in 2019. Dit aantal staat niet in verhouding tot de geschatte prevalentie van ouderenmishandeling, waarbij volgens onderzoek uit 2018 van Regioplan werd geschat dat 1 op de 20 (5,5%) van alle thuiswonende ouderen ooit het slachtoffer zijn geworden van een vorm van ouderenmishandeling, en jaarlijks 1 op de 50 (2,0%) van alle ouderen slachtoffer wordt.4 Mede vanwege de complexiteiten die dergelijk prevalentieonderzoek met zich meebrengt, waaronder ouderen die uit schaamte niets durven te zeggen of ingewikkelde familierelaties, geven de onderzoekers aan dat deze percentages vermoedelijk een ondergrens betreffen. Dit houdt waarschijnlijk verband met het feit dat ouderenmishandeling lang niet altijd wordt herkend, of dat er handelingsverlegenheid is door de familierelaties en afhankelijkheid van de oudere.
In nauwe samenwerking met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en het CBS wordt periodiek gekeken naar de beschikbare cijfers van Veilig Thuis, welke mogelijkheden er zijn voor aanvullende gegevens en ook hoe deze data vervolgens kan worden ontsloten voor derde partijen. Ik zal met de VNG, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en betrokken partijen zoals MantelzorgNL in gesprek gaan over de mogelijkheden om ontspoorde mantelzorg eerder in beeld te krijgen en wat er mogelijk is aan ondersteuning van zowel de mantelzorger als zorgbehoevende wanneer hiervan een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
Om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak ouderenmishandeling heb ik recent een «expertpool» opgericht waarbij gemeenten aan de hand van een eigen hulpvraag worden ondersteund door een expert om de lokale aanpak te laten versterken. Ook kunnen gemeenten gebruik maken van verschillende toolkits, zoals de Basisaanpak ontspoorde mantelzorg5 die ontwikkeld is op basis van pilots in tien gemeenten om het beleid hier meer op in te richten en in te zetten op preventie.
Het onderzoek naar de (oorzaak van de) oversterfte |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kunt u ons de correspondentie doen toekomen die er tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is geweest over het onderzoek dat het RIVM samen met het CBS, op verzoek van de Kamer uitvoert naar de (oorzaak van de) oversterfte?1
Ja. De verzochte correspondentie is bij deze brief gevoegd.1
Zij-instromers die moeilijkheden ervaren om aan de slag te gaan in het onderwijs. |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er gemotiveerde en capabele mensen zijn die als leraar willen zij-instromen in het onderwijs, maar niet worden aangenomen bij scholen, omdat het zij-instroomtraject bij pabo-opleidingen slechts twee keer per jaar begint?1
In de twitterlijn naar aanleiding waarvan uw Kamer vragen heeft gesteld, meldt een potentiële zij-instromer dat hij niet is aangenomen omdat de opleiding slechts twee keer per jaar start. Wij begrijpen dat dit tot vragen leidt, want we hebben iedereen die geschikt is om leraar te worden, hard nodig.
Het is mij bekend dat er verschillen zijn in het aannamebeleid van zij-instromers door schoolbesturen. Wij verwachten dat het door de verhoging van het subsidiebudget voor het begeleiden en opleiden van zij-instromers aantrekkelijk wordt voor schoolbesturen om zij-instromers aan te nemen.2 Daarnaast is het zo dat eerder voor zij-instromers wordt gekozen als de nood hoog is. Eén op de drie zij-instromers start bijvoorbeeld in de G5, waar de tekorten zeer urgent zijn.3 Verder zien we dat -mede door de oplopende tekorten- in veel regio’s schoolbesturen en lerarenopleidingen steeds meer samenwerken om het proces voor zij-instromers te stroomlijnen, zodat de werving en het voortraject aansluiten bij de start van de scholing. Het aantal startmomenten voor de scholing van zij-instroom wisselt per lerarenopleiding en hangt samen met het aantal zij-instromers in een regio. Zoals in de brief die wij onlangs naar uw Kamer stuurden staat, willen wij de aanpak van de tekorten intensiveren en versnellen. We gaan regio’s stimuleren en ondersteunen, en ook aanspreken als zij onvoldoende doen om tekorten aan te pakken.
Deelt u de mening dat, gezien het lerarentekort en de grote opgaven waar scholen voor staan, zij-instroom niet beperkt moet zijn tot slechts twee momenten per jaar?
We delen dat de startmomenten zoveel als mogelijk moeten aansluiten bij de behoeften van zij-instromers, van de schoolbesturen en de mogelijkheden binnen de lerarenopleidingen. Daarom is het van belang dat schoolbesturen en lerarenopleidingen regionaal samenwerken zodat de werving en het voortraject van zij-instromers aansluit op de start van de scholing. We stimuleren dit onder meer met de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort. Soms werken lerarenopleidingen met losse modules waar zij-instromers in de tussentijd alvast mee kunnen starten. Dit alles is erop gericht om zo flexibel mogelijk aan te sluiten bij wensen van zij-instromers en scholen maar tegelijkertijd ook recht doen aan de mogelijkheden van de lerarenopleidingen om een goed aanbod te organiseren.
Wat vindt u ervan dat hierdoor sommige zij-instromers worden betaald als onderwijsassistent in plaats van als docent?
Zij-instromers met een geschiktheidsverklaring behoren uiteraard een aanstelling te krijgen als leraar, inclusief het salaris van een leraar, niet als onderwijsassistent. In de cao po zijn door de sociale partners afspraken opgenomen over het aanstellen van zij-instromers. Precieze inschaling is mede gebaseerd op eerdere werkervaring. Om zij-instromers al voor het geschiktheidsonderzoek te binden, zien we dat zij-instromers tijdens het doorlopen van het voortraject eerst een aanstelling krijgen als onderwijsassistent en vervolgens na het behalen van de geschiktheidsverklaring een aanstelling krijgen als leraar. Zij-instromers die de (verkorte) lerarenopleiding volgen, kunnen tijdens de studie een aanstelling krijgen als onderwijsassistent, niet als leraar. Met de verhoging van het salaris van leraren verwachten wij dat dit ook een positief effect heeft op de afweging van zij-instromers om de overstap naar het onderwijs te maken.
Deelt u de mening dat dit lagere salaris zij-instromers kan weerhouden van de overstap naar het onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om de doorlopende instroom van zij-instromers te bevorderen?
We bevorderen de zij-instroom op verschillende manieren. Zoals opgenomen in de recente Kamerbrief Lerarenstrategie (1 juli 2022)4 wordt de subsidie van zij-instromers van € 20.000,– naar € 25.000,– verhoogd. Naar verwachting zullen hierdoor meer schoolbesturen een zij-instromer in beroep in dienst nemen. Door het verlengen van de Regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP-regeling) – waarin partijen in de regio worden gefaciliteerd en gestimuleerd om het personeelstekort in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs gezamenlijk aan te pakken – is het ook voor schooljaar 2022/2023 mogelijk voor besturen en lerarenopleidingen om gezamenlijk afspraken te maken, passend bij de behoefte van de regio om bijvoorbeeld zij-instromers te werven en te begeleiden en te investeren in het voortraject van zij-instromers. Tenslotte hebben wij met de lerarenopleidingen afspraken gemaakt in het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst.
Welke stappen neemt u om het voor schoolbesturen makkelijker te maken om zij-instromers aan te nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen zij-instromers, die vol enthousiasme en passie voor de klas willen staan, in dit traject zoveel mogelijk te ondersteunen en wilt u toelichten hoe u denkt dat te gaan doen?
Natuurlijk ondersteunen we zij-instromers, die vol enthousiasme en passie willen overstappen naar het onderwijs. Dit doen we op verschillende manieren. Zij-instroom is voor ons een belangrijke schakel in de aanpak van de tekorten in het onderwijs. We ondersteunen zij-instromers met de subsidie zij-instroom, die zoals aangegeven wordt verhoogd van € 20.000,– naar € 25.000,–. Met deze subsidie kunnen besturen zij-instromers laten scholen en begeleiden. Daarnaast investeren we in zij-instroom met de middelen uit het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen. In het bestuursakkoord zijn afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst. Tevens is via het Onderwijsloket en via de regionale onderwijsloketten de informatievoorziening voor zij-instromers over het opleidingenlandschap verbeterd. Vanuit de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP) is geïnvesteerd in deze regionale onderwijsloketten. Binnen een aantal RAP-regio’s wordt tevens geïnvesteerd in wervingsactiviteiten en begeleiding voor zij-instromers. Het opleiden van zij-instromers doet een groot beroep op de begeleidingscapaciteit door scholen en opleidingen. Met deze investeringen stellen we hen in staat om voor zij-instromers de benodigde ondersteuning goed in te richten. Naast deze investeringen in zij-instroom hebben we recent een werkagenda opgesteld waarin staat opgenomen dat we met onze partners afspraken maken over de verbetering en flexibilisering van zij-instroom.5