De sterke stijging van gemeentelijke lasten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Rijkaart , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeentelijke lasten stijgen bijna drie keer zo hard als inflatie: vooral automobilisten en huiseigenaren de klos»?1
Ja
Erkent u dat een stijging van gemeentelijke heffingen met 6,5 procent, bijna drie keer de geraamde inflatie van 2,4 procent volgens De Nederlandsche Bank, voor veel huishoudens onbetaalbaar begint te worden?
De inflatie (consumentenprijsindex, CPI) wordt bepaald op basis van een pakket aan goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. Ook stijgingen van de gemeentelijke heffingen worden in het inflatiecijfer meegenomen. De inflatie is nadrukkelijk een gemiddelde. Afhankelijk van het pakket aan goederen en diensten dat een huishouden gemiddeld aanschaft kan de inflatie die specifieke huishoudens ervaren afwijken van dit gemiddelde.
Het kabinet staat bij aanvang en bij het opstellen van de begroting in augustus stil bij de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen mensen zoals geraamd door het Centraal Planbureau. Over het algemeen is het effect van de gemeentelijke lasten op de koopkrachtontwikkeling beperkt.
Hoe rechtvaardigt u dat gemeentelijke lasten sinds 2016 met ruim 68 procent zijn gestegen, terwijl lonen en koopkracht deze ontwikkeling niet hebben bijgehouden?
Ik begrijp de zorgen die er zijn over de stijging van de gemeentelijke lasten.
Echter, het is van uit staatsrechtelijk perspectief niet gepast om als bewindspersoon te treden in een discussie over de lokale lasten in een specifieke gemeente. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Met ingang van 2020 is een benchmark lokale woonlasten geïntroduceerd. Door de benchmark kan de ontwikkeling van de lokale woonlasten beter vergeleken worden, waardoor de gemeenteraadsleden over meer informatie beschikken om afgewogen beslissingen te nemen over de ontwikkeling van de lokale woonlasten (in relatie tot de lokale opgaven).
Deelt u de conclusie dat huiseigenaren en automobilisten structureel worden gebruikt als melkkoe om gemeentelijke begrotingen sluitend te krijgen?
Het is niet aan mij om hierover een oordeel uit te spreken. Gemeenten hebben binnen de grenzen van de wet- en regelgeving een eigen vrijheid op het gebied van lokale belastingen. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Ten aanzien van de financiële positie van gemeenten geldt dat deze positie de afgelopen periode inderdaad aandacht heeft gevraagd. In bredere zin gaat het om een balans tussen de taken en middelen die gemeenten hebben, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, wij bewaken dat deze afspraken nagekomen worden. Zo is het afgelopen jaar door het toenmalige kabinet en de VNG tot gezamenlijke afspraken gekomen over de jeugdzorg op grond van het rapport Van Ark. De VNG heeft in haar reactie op de opvolging van het rapport Van Ark aangegeven, dat er op dit moment een financieel werkbare situatie voor gemeenten is ontstaan.2 Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met gemeenten uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u de forse stijging van parkeerheffingen, met name in grote steden als Amsterdam en Rotterdam, waar automobilisten steeds vaker geen betaalbaar alternatief meer hebben?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
In hoeverre erkent u dat het uitbreiden van betaald parkeren primair een inkomstenmaatregel is geworden en niet langer een instrument voor verkeers- of leefbaarheidsbeleid?
De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de openbare ruimte en voor een goede bewegwijzering naar (openbare) parkeerlocaties. In (stedelijke) gebieden met structureel hoge parkeerdruk zet de gemeente vaak betaald parkeren en vergunninguitgifte in om de druk te kunnen reguleren (SDP, 2019)3. Alhoewel de maatregel Autoparkeerbeleid niet direct als hindermaatregel genomen wordt, kan goed beleid voor autoparkeren wel bijdragen aan de bereikbaarheid van binnensteden, het verhogen van de kwaliteit van de openbare ruimte en het milieu.4
Zoals bij vraag 4 aangegeven, de politieke weging van voor- en nadelen vindt plaats in de gemeenteraad. Het is aan de betreffende gemeenteraad zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke concrete verantwoordelijkheid neemt het kabinet voor het feit dat gemeentelijke lasten structureel sneller stijgen dan de inflatie?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Bent u bereid om landelijke maxima of inflatiekoppelingen in te voeren voor gemeentelijke heffingen zoals de onroerende zaakbelasting (OZB) en parkeerbelastingen? Zo nee, waarom niet? En wat bent u bereid dan wel te doen om deze onrechtvaardige stijging van lasten te stoppen?
Nee, zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke bescherming biedt het kabinet op dit moment aan huishoudens die door stapeling van gemeentelijke lasten in financiële problemen komen?
Landelijk bestaan er verschillende maatregelen om armoede en (problematische) schulden te verhelpen of voorkomen. Gemeenten voeren daarnaast ook hun eigen armoedebeleid, dit verschilt per gemeente.
Negatieve gevolgen van extra provinciale regels inzake netcongestie voor woningbouw. |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Telegraaf waarin staat dat nieuwe woningen in Utrecht, Flevoland en Gelderland opnieuw 10.000 tot 15.000 euro duurder dreigen te worden, omdat provincies eisen dat ontwikkelaars en bouwers «netbewust bouwen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie? Zo ja, bent u bereid dit met relevante partners elk half jaar in kaart te brengen?
Er is geen totaaloverzicht hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie. Via verschillende wegen houd ik zicht op de woningbouwplannen en de voortgang hiervan. Dit doe ik onder andere via de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw (LMVW), de bestuurlijke overleggen woondeals en via de versnellingstafels. Aan de versnellingstafels bespreken de gemeenten, corporaties en marktpartijen vastlopende projecten om tot doorbraken te komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de publiek-private monitor waarmee alle informatie en knelpunten per project gebundeld wordt. Vertraging in een woningbouwproject is overigens vaak niet aan één specifieke oorzaak te wijten. De genoemde monitoringsinstrumenten geven voldoende richting om te kunnen sturen op de woningopgave.
Kunt u nader toelichten waarom na 1 juli 2026 netbeheerders geen ruimte meer mogen reserveren voor woningbouw en de prioriteit naar congestieverzachters verschuift?
Op 1 januari 2026 is het prioriteringskader voor transportverzoeken in werking getreden. De bevoegdheid voor het opstellen van dit prioriteringskader ligt bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In de oude werkwijze reserveerden de netbeheerders capaciteit voor het aansluiten van alle (toekomstige) kleinverbruikers, zodat elke kleinverbruiker transportcapaciteit kreeg zolang er capaciteit beschikbaar was. Grootverbruikers (ook met maatschappelijke prioriteit, zoals ziekenhuizen en defensie), kwamen ondertussen op een wachtlijst. Deze werkwijze doet geen recht aan de volgorde van het prioriteringskader en moet daarom veranderen. Netbeheerders hebben aangegeven tot 1 juli 2026 nodig te hebben om het nieuwe prioriteringskader voor kleinverbruikers te implementeren. Voor kleinverbruikers hebben netbeheerders tijd nodig voor het duiden van de impact van het nieuwe kader, het tijdig informeren van klanten en het aanpassen van bedrijfsprocessen. Tot 1 juli 2026 blijft de oude werkwijze daarom gelden voor kleinverbruikers en kan dus ook woningbouw, zolang daar capaciteit voor is, op de bestaande wijze worden aangesloten.
In het nieuwe prioriteringskader zijn drie categorieën opgenomen. Congestieverzachters staan in de hoogste categorie. Congestieverzachters zorgen voor een afname van netcongestie. In categorie twee vallen functies die essentieel zijn voor de nationale veiligheid zoals ziekenhuizen. In categorie 3 zitten functies gericht op maatschappelijke basisbehoeften, waaronder woningbouw. Woningbouw heeft daarmee ook in het nieuwe prioriteringskader prioriteit ten opzichte van een groot aantal functies die niet in het kader zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het, gelet op de huidige woningnood, een slechte zaak is dat circa 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden, omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn?
Dat er ongeveer 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn, herken ik niet. Bij het ministerie zijn enkele projecten bekend waar deze situatie zich voordoet of dreigt. Maar elke woning die niet bewoond kan worden is er één te veel. Daarom zet het kabinet vol in op het verhelpen van netcongestie, onder andere met het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) en de crisisaanpak in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU). Op 12 maart is uw kamer door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei geïnformeerd over de crisisaanpak voor de FGU-regio 2.
Deelt u de mening dat het niet bevorderlijk is voor het behalen van de eisen van betaalbare nieuwbouw, als ontwikkelaars moeten investeren door aanvullende provinciale eisen wat de realisatie van nieuwbouwwoningen duurder maakt, terwijl er bovendien geen garantie is dat er een aansluiting volgt? Graag uw visie.
In algemene zin zet dit kabinet er op in om kostenverhogende regels te voorkomen. Maar gezien de schaarste op het elektriciteitsnet kijk ik naar alle mogelijkheden waarmee de woningbouw wél kan doorgaan. Het «netbewust» bouwen van huizen is een belangrijke maatregel om de bestaande netcapaciteit zo goed mogelijk te benutten, en daarmee dus zoveel mogelijk woningen te realiseren met de beperkte netcapaciteit die er is. Samen met de sector werk ik aan beter zicht op de kosten en opbrengsten van netbewuste nieuwbouw. Het is van belang dat een goede afweging wordt gemaakt tussen de extra kosten die dit mogelijk met zich meebrengt en de netcapaciteit die hiermee wordt bespaard. Maatschappelijke baten en mogelijke energiebesparing voor de toekomstige bewoners worden hier ook bij betrokken.
Deelt u de mening dat het tegengaan van netcongestie belangrijk is, maar niet zou moeten betekenen dat broodnodige woningbouw wordt gehinderd? Graag uw visie.
Netcongestie is een realiteit waar het hele land mee te maken heeft. Door de schaarste aan transportcapaciteit wordt juist ook de woningbouw in toenemende mate geraakt. Het is van groot belang dat alle opties die voorkomen dat woningbouw door netcongestie wordt gehinderd serieus worden opgepakt.
Wat bent u bereid op korte termijn te ondernemen om provincies en gemeenten te stimuleren dat zij niet zomaar aanvullende eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen instellen en gebruiken om vergunningen te weigeren?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat (duurzaamheids-)normen worden gestandaardiseerd en dat er op toe gezien wordt dat alle gemeenten alle bovenwettelijke eisen aan de bouw schrappen, zodat overal hetzelfde geldt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regelt landelijk uniform dat bouwwerken veilig, gezond, bruikbaar en duurzaam zijn. Strengere of aanvullende lokale regels voor bouwwerken vanuit die oogpunten van het Bbl zijn niet toegestaan. Op de Woontop 2024 is dit ook herbevestigd met de sector. Om hier meer duidelijkheid over te bieden werk ik aan een wetsuitleg over de verdeling van publiekrechtelijke bevoegdheden over de 3 overheidslagen als het over de regels van het Bbl gaat en een wetsuitleg over de ruimte die de wet medeoverheden geeft om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van bouwtechnische aspecten voor woningen waar ze geen eigenaar van zijn/worden (in combinatie met uitleg artikel 23.7 Ow). Ik zal deze wetsuitleg op korte termijn met de Woontoppartners delen.
In uitvoering van het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving (STOER) worden via de regionale versnellingstafels de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw signalen behandeld in geval er aanvullende eisen gesteld worden waardoor er knelpunten ontstaan in nieuwbouwplannen.
Kunt u aangeven, in het kader van tegengaan van bovenwettelijke eisen, wat u tot nu toe heeft ondernomen én van plan bent te gaan ondernemen om gemeenten op te roepen geen bovenwettelijke eisen op te leggen aan nieuwbouwwoningen en toezicht te houden op de naleving hiervan (bijvoorbeeld via bestuurlijk overleg, versnellingstafels of woonafspraken), zoals de aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 25) heeft verzocht.
Zie antwoord vraag 7.
Wat heeft u ondernomen en wat gaat u ondernemen om het belang van woningbouw zo zwaar mogelijk te laten meewegen bij de vormgeving van beleid om netcongestie tegen te gaan?
Het terugdringen van het woningtekort is topprioriteit van dit kabinet en netcongestie is een grote uitdaging in het realiseren van de woningbouwopgave. Het tegengaan van netcongestie is voor het kabinet om die reden onlosmakelijk verbonden met het belang van woningbouw. Netcongestie is dan ook een belangrijk onderdeel uit de opdracht aan de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw. Er worden concrete voorstellen uitgewerkt om te voorkomen dat woningbouw door netcongestie tot stilstand komt. Ook werkt mijn ministerie nauw samen met KGG, de VNG, IPO, de ACM en regionale netbeheerders aan de werkwijze voor het aanvragen van transportcapaciteit voor woningbouw onder het nieuwe prioriteringskader.
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Ja. Het is zorgelijk wanneer impulsaankopen bijdragen aan financiële problemen, zeker bij jongvolwassenen met een beperkte financiële buffer. Achteraf betalen kan dit effect versterken omdat het de drempel voor aankopen verlaagt en het bewustzijn van de werkelijke financiële impact vermindert. Ik vind het daarom belangrijk dat consumenten adequaat worden beschermd en dat zij in staat worden gesteld om weloverwogen keuzes te maken.
Met de komst van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de daaruit volgende implementatiewet wordt hiervoor een belangrijke basis gelegd. Voor het eerst valt achteraf betalen volledig onder het wettelijke consumentenkredietkader, waardoor aanbieders verplicht zijn om zorgvuldig te toetsen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt en om consumenten beter te informeren over de voorwaarden en risico’s. Daarnaast legt de CCDII regels vast over reclame, toezicht, raadpleging van het kredietregister en maximale vergoedingen, bijvoorbeeld bij te late betalingen en maatregelen bij (dreigende) betalingsproblemen, waardoor consumenten beter beschermd zijn tegen overkreditering. Dit is een essentiële stap om problematische schulden te voorkomen en de financiële weerbaarheid van consumenten te versterken.
Tegelijkertijd is achteraf betalen onderdeel van een breder fenomeen, waarbij beïnvloeding via sociale media tot impulsaankopen kan leiden. Dit kan zorgen voor financiële problemen bij kwetsbare groepen zoals jongeren. Daarom blijft het belangrijk om naast wettelijke bescherming ook aandacht te hebben voor bewustwording en educatie, zodat jongeren leren omgaan met financiële keuzes in een samenleving waarin online aankopen steeds makkelijker en sneller worden gedaan. Om die bewustwording te vergroten zet het kabinet in op verschillende initiatieven. Zo dient de «Week van het geld» als belangrijke aanjager voor het stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren en is er aandacht voor thema’s als financiële verleidingen en achteraf betalen. Het hele jaar door worden scholen ondersteund via de website geldlessen.nl met onderwijsmateriaal over omgaan met geld. Tevens is er vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in verschillende tijdvakken subsidie beschikbaar gesteld voor onderwijsinstellingen van het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en primair onderwijs om structureel aandacht te geven aan financiële educatie. Daarnaast is met de «Betaal Later Kater» campagneronde specifiek aandacht besteed aan risico’s van achteraf betalen en zijn er concrete tips gegeven aan jongeren hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan.
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Binnen de sector zijn reeds initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen mogelijk te maken. Zo beschikt de BNPL-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting, zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener.2 BNPL-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast reeds over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft.3 Tegen deze achtergrond ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om zelf een landelijk koopstopregister voor BNPL te ontwikkelen.
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Met de CCDII worden strengere eisen gesteld aan de informatieverstrekking aan consumenten. Aanbieders moeten tijdig, duidelijk en begrijpelijk informeren over onder meer betaaltermijnen, kosten, gevolgen van te late betaling en eventuele incassomaatregelen. Ook volgen uit de implementatie van de CCDII regels die de vergoedingen maximeren die aanbieders bij consumenten in rekening mogen brengen, inclusief maximale kosten bij te late betaling.
Daarnaast gaan regels gelden voor verantwoorde reclame en worden aanbieders onder toezicht geplaatst van de AFM. De AFM kan handhavend optreden wanneer aanbieders niet voldoen aan de wettelijke transparantie- en zorgplichtvereisten.
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Het nieuwe kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie opgenomen om alle regelingen van de overheid op een vast moment in de maand uit te betalen en dat te laten aansluiten op één vaste betaaldag voor de maandlasten. Momenteel is het Ministerie van SZW bezig met een onderzoek naar de praktische uitvoerbaarheid van het harmoniseren van betaalmomenten. Dit onderzoek richt zich zowel op de inkomstenkant als de uitgavenkant van mensen die inkomensondersteunende regelingen ontvangen. De onderzoeksvragen waar het onderzoek op ingaat zien op de mogelijkheden tot samenbrengen van betaalmomenten van inkomensondersteunende regelingen en incassomomenten van vaste lasten. Daarbij is aandacht voor de gevolgen voor burgers, publieke dienstverleners, private organisaties en systeemrisico’s. Het onderzoek is bijna afgerond en zal voor de zomer met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Het idee van een «nadenkmoment» sluit aan bij het bredere uitgangspunt dat consumenten een weloverwogen beslissing moeten kunnen nemen bij het aangaan van krediet. Met de implementatie van de CCDII worden aanbieders verplicht om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst adequate informatie te verstrekken en een kredietwaardigheidstoets uit te voeren.
In hoeverre aanvullende gedragsinterventies, zoals een verplicht nadenkmoment, effectief en proportioneel zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
De CCDII reguleert achterafbetaaldiensten volledig en maakt geen onderscheid tussen online en fysieke aanbiedingsvormen. Een nationaal verbod op BNPL in fysieke winkels, terwijl online BNPL wel toegestaan blijft, is daarom naar verwachting juridisch niet verenigbaar met het maximumharmonisatiekarakter van de richtlijn.
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
De CCDII verplicht aanbieders tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets voordat een krediet wordt verstrekt. Dit houdt in dat zij, op basis van toereikende informatie over de financiële situatie van de consument, moeten beoordelen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt. Ook worden regels ingevoerd voor raadplegen van en registratie bij het BKR, zodat kredietverplichtingen inzichtelijk zijn en overkreditering kan worden tegengegaan.
Daarnaast bevat de CCDII bepalingen ten aanzien van vroegsignalering van schulden. Zo worden aanbieders verplicht om consumenten op tijd door te verwijzen naar schuldadviesdiensten en dienen zij passende respijtmaatregelen te treffen bij betalingsproblemen. Ook worden kosten voor invordering gemaximeerd en wordt het aanbieden van BNPL aan minderjarigen verboden.
Met dit samenhangende pakket aan maatregelen biedt de CCDII een stevig en toekomstbestendig kader voor consumentenbescherming. Of aanvullende maatregelen nodig zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Voor het boren van putten is een omgevingsvergunning nodig. Deze is op 29 oktober 2025 voor vier putten verleend. Op dit moment zijn de putten nog niet geboord. Conform de verplichting uit de omgevingswet heeft Vermilion contact gehad met omwonenden in de omgeving. Vermilion heeft daarbij gesproken met de bewoners van de meest nabij gelegen woningen. Vermilion zal enkele maanden voor de start van de werkzaamheden nader over de boringen communiceren met de betrokkenen.
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie. Sinds 2009 wordt er gas gewonnen uit het gasveld. Destijds, maar ook bij de recent aangevraagde wijziging van het winningsplan is gekeken naar de adviezen van de vaste adviseurs en daarbij is ook ingegaan op de seismische risico’s. Er heeft sinds de start van de winning geen beving plaatsgevonden als gevolg van het winnen uit dit gasveld. Op grond van art. 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is Vermilion verplicht tot het vergoeden van schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het gasveld Geesbrug. De bewoners nabij de gaswinning kunnen schade waarvan zij denken dat die door mijnbouw is veroorzaakt, melden bij de Commissie Mijnbouwschade.
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Nee. TNO heeft mij geadviseerd dat het onwaarschijnlijk is dat de beperkte bodemdaling of een eventuele beving leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Vanwege de kleine kans op schade is geen aanleiding tot het uitvoeren van bouwkundige opnames (nulmetingen) in de omgeving van Geesbrug.
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Tijdens het uitvoeren van de boringen vinden emissies in de vorm van CO2 plaats. De scope 1 en scope 2 emissies zijn tijdelijk van aard en beperkt in omvang. Het brandstof- en energieverbruik tijdens de boringen zijn beoordeeld in de omgevingsvergunning en getoetst aan de eisen van de Omgevingswet.
Met de aanpassing van het winningsplan is de maximaal hoeveelheid te winnen gas naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Daarbij is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas.
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is de maximale hoeveelheid te winnen gas uit het gasveld Geesbrug met de aanpassing van het winningsplan naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Er zijn om deze reden geen extra scope 3-emissies om te beoordelen conform de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Het kabinet zet erop in de doelen uit de nationale en Europese Klimaatwet te halen. Dat betekent dat Nederland de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert, en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen na 2050. Hier stuurt het kabinet op door bij nieuwe en actualisaties van winningsplannen instemming te beperken tot en met 2045. Daarom heeft het kabinet besloten om de instemming met het winningsplan Geesbrug te beperken tot en met 2045 in plaats van de gevraagde winning tot en met 2049.
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
TNO heeft de bodemdaling als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend, waarbij ook de bodemdaling door gaswinning uit omliggende gasvelden is meegenomen. TNO komt tot vergelijkbare resultaten als Vermilion.
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
De vergunde grens voor bodemdaling is nog adequaat. Zoals bij vraag 7 aangegeven, heeft TNO de bodemdaling en het seismisch risico als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend en komt daarbij tot vergelijkbare resultaten als Vermilion. Het is onwaarschijnlijk dat de bodemdaling leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie.
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit zal het besluit in het kader van de bezwaarprocedure worden heroverwogen. Een besluit kan daarbij alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat gerechtvaardigd wordt door een grond als genoemd in artikel 36, eerste lid van de Mijnbouwwet. Maatschappelijk draagvlak valt hier niet onder.
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het vorige kabinet heeft de aanbevelingen die de Commissie Mijnbouwschade in haar verslag «Afhandeling Schademeldingen Ekehaar en Hooghalen» doet, ontvangen en heeft de Kamer aangegeven verkennende gesprekken op te starten. Deze gesprekken worden op korte termijn gestart.
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Ja, dat ben ik.
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Nee. Ik erken wel dat het opvragen en gebruiken van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs bij gemeenten een vergaand middel is. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto’s op een identiteitsbewijs op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals zorgvuldigheid staan bij het uitoefenen van deze bevoegdheid voorop.
UWV verstrekt jaarlijks meer dan één miljoen uitkeringen. Misbruik komt voor en dat pakt UWV aan. Controle en toezicht op de rechtmatigheid zijn hiervoor belangrijke onderdelen van het takenpakket van UWV. Per jaar ontvangt UWV ongeveer 6.000 signalen van mogelijke regelovertreding. Medewerkers beoordelen of deze signalen moeten worden onderzocht. UWV doet circa 2.000 toezichtonderzoeken op jaarbasis. Bij een klein aantal hiervan, ongeveer 100 per jaar, moet er een kopie van een foto op een identiteitsbewijs worden opgevraagd. Het gaat op jaarbasis om circa 5% van het totaal aantal toezichtonderzoeken. Dat is nodig als tijdens het onderzoek blijkt dat het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet. UWV zet hiervoor eerst lichte middelen in: mogelijk kan het op het internet worden gevonden. Als de lichte middelen niet een (betrouwbaar) resultaat opleveren, dan kan een zwaarder middel worden ingezet zoals het opvragen van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs. Dit gebeurt alleen bij een concreet vermoeden van misbruik, waarbij het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet, en dat niet op een minder ingrijpende manier kan worden onderzocht. Dit vergaande middel zet UWV dan ook beperkt in.
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
In het verleden is een document met een persoonlijke opvatting van een medewerker beschikbaar geweest voor andere medewerkers van UWV. De inhoud hiervan bevat niet het juridische standpunt of de werkwijze van UWV. De tekst is inmiddels verwijderd en de geldende werkinstructies, waaronder over het waarnemen, brengt UWV regelmatig onder de aandacht van de UWV-medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat overheidsinstanties zorgvuldig en terughoudend moeten omgaan met persoonsgegevens. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun privacy wordt gerespecteerd door de overheid. Ook UWV handelt binnen dit kader. In de situatie die in het artikel wordt geschetst, gaat het om toezichtonderzoek waarbij het mogelijk is voor UWV om een kopie van een foto op een identiteitsbewijs op te vragen bij de gemeente voor identificatie van een uitkeringsgerechtigde waartegen concrete vermoedens van misbruik zijn. UWV maakt beperkt gebruik van deze bevoegdheid en pas nadat andere minder inbreukmakende middelen zijn ingezet. Het opvragen van kopieën van identiteitsbewijzen bij gemeenten is proportioneel en toegestaan op grond van artikel 54 van de Wet SUWI. Er is hier dus geen sprake van het bewust en structureel overtreden van wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Ik begrijp dat het waarnemen van uitkeringsgerechtigden een vergaand middel is en vragen oproept over privacy en proportionaliteit. Het uitgangspunt is vertrouwen in mensen. Dit middel zet UWV daarom beperkt in. Toch zijn er ook mensen en organisaties die zich doelbewust niet aan de regels houden. Het is een taak van UWV om deze situaties te onderkennen en er gepast op te reageren.
Bij concrete vermoedens van misbruik moet UWV onderzoek doen. In sommige gevallen kunnen kleding of loopgedrag daarbij relevant zijn in een toezichtonderzoek. Zo is er een casus geweest waarbij iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, omdat diegene slecht ter been was. Na een tip startte UWV een onderzoek en bij de waarneming die daar op volgde, bleek deze persoon een halve marathon te lopen. Dan is het inderdaad relevant om de situatie en uitkeringsgerechtigde te beschrijven en vast te leggen. Daarbij moet een toezichtmedewerker wel zorgvuldig vaststellen dat hij de juiste persoon waarneemt, zoals beschreven in antwoord op vraag 2. Toezichtmedewerkers hebben verschillende manieren om misbruik te onderzoeken. Daarbij worden altijd eerst de minst ingrijpende onderzoeksmethoden ingezet.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Wat betreft de Paspoortwet en de Wet SUWI het volgende. De Paspoortwet en de daarbij behorende lagere regelgeving regelen specifieke zaken in verband met identiteitsbewijzen, zoals de uitgifte en inname van identiteitsbewijzen, en de bescherming van de daarbij gebruikte gegevens. Gemeenten vervullen een belangrijke rol in de uitvoering van de Paspoortwet. In artikel 73 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is specifiek ten aanzien van de gegevens in de reisdocumentenadministratie aangegeven aan wie gemeenten deze gegevens mogen verstrekken. In de Wet SUWI zijn regels en bevoegdheden van onder andere UWV vastgelegd in het kader van de wettelijke taken die UWV uitvoert. Daarbij horen ook toezicht op en handhaving van de regels betreffende uitkeringen. In dat kader heeft UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI de bevoegdheid om gegevens en inlichtingen bij onder andere de colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. De bevoegdheid van UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI ziet derhalve op veel meer situaties dan alleen het opvragen van gegevens uit reisdocumenten bij gemeenten. De gegevens die UWV opvraagt moeten uiteraard noodzakelijk zijn voor de taak van UWV en het gebruik van de bevoegdheid moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding (proportionaliteit). Mogelijk is verwarring ontstaan doordat in artikel 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 UWV niet staat vermeld als instantie aan wie gemeenten gegevens uit reisdocumenten mogen verstrekken. Dit doet niet af aan de bevoegdheid die UWV heeft op grond van artikel 54 van de Wet SUWI.
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Ik begrijp dat verschillen in handelwijze tussen gemeenten vragen oproepen. Zoals hiervoor toegelicht, geeft artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI aan UWV de bevoegdheid om in het kader van de toezichttaak kopieën van een foto op een identiteitsbewijs bij colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. Dat in de praktijk verschillend wordt gehandeld door gemeenten, doet niet af aan de wettelijke grondslag waarop UWV handelt, maar beperkt wel de onderzoeksmogelijkheden van UWV. Dit was mij niet eerder bekend en daarom ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen om te komen tot een eenduidige toepassing.
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
UWV handelt binnen het wettelijk kader van de Wet SUWI en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UWV rapporteert daarom niet proactief aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
UWV houdt toezicht conform de wettelijke kaders. Ik vind het van belang dat de geldende werkwijze helder is vastgelegd en eenduidig wordt toegepast. UWV brengt de geldende werkinstructies daarom regelmatig onder de aandacht van medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
UWV maakt in deze gevallen een zorgvuldige belangenafweging tussen privacy en het onderzoeken van mogelijk misbruik. Ik zie dan ook geen reden om hieraan consequenties te verbinden.
Sepots en strafbeschikkingen door het Openbaar Ministerie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Het Openbaar Ministerie (OM) kan beslissen om een strafzaak voor te leggen aan de rechter, zelfstandig af te doen (met een strafbeschikking) of niet (verder) te vervolgen. Laatstgenoemde beslissing wordt een sepot genoemd. Een voorwaardelijk sepot houdt in dat de verdachte niet wordt vervolgd indien hij/zij zich binnen een proeftijd aan één of meer voorwaarden houdt. Bij een onvoorwaardelijk sepot, is de beslissing tot niet (verdere) vervolging niet afhankelijk gesteld van het gedrag van de verdachte.
Hieronder staat de gevraagde informatie per jaar.1
In 2023 heeft het OM 56.400 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 5 procent.
In 2023 heeft het OM 66.3000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 300 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 40 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.2 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.2
In 2024 heeft het OM 64.700 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 30 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 4 procent.
In 2024 heeft het OM 86.000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 500 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 45 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.3 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.3
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u deze sepotcijfers uitsplitsen naar delictcategorie (bijvoorbeeld: geweld, vermogensdelicten, zedendelicten, cybercriminaliteit/digital crime, drugsdelicten, verkeersdelicten, overige) en daarbij de definities van de gebruikte categorieën vermelden?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.4 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. De delictscategorieën zijn gebaseerd op de standaardclassificatie misdrijven zoals die wordt gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.5
Kunt u de sepotcijfers daarnaast uitsplitsen naar sepotgrond (bijvoorbeeld: technisch sepot, beleidssepot/opportuniteitssepot, onvoldoende bewijs, geringe ernst/geen maatschappelijk belang, capaciteits-/prioriteringsredenen, anders) en aangeven welk deel van de sepots (mede) samenhangt met capaciteits- of prioriteringskeuzes?
Het OM kan op dit moment op basis van 50 verschillende gronden en daaraan gekoppelde sepotcodes overgaan tot niet verdere vervolging. Het beleid voor het seponeren van strafbare feiten heeft het OM neergelegd in de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden. Er zijn twee categorieën sepotgronden: technische gronden en beleidsgronden. Een technisch sepot volgt als op grond van het opsporingsonderzoek geconcludeerd wordt dat niet kan worden vervolgd of een veroordeling niet haalbaar is, bijvoorbeeld omdat er te weinig bewijs is. Bij een beleidssepot luidt het oordeel van het OM dat een vervolging wel als haalbaar wordt ingeschat, maar niet opportuun is op gronden aan het algemeen belang ontleend.6 Mede naar aanleiding van het recente rapport «Afgezien van vervolging» van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is het College voornemens om het grote aantal sepotgronden terug te brengen naar een beperkt aantal gronden, met als achterliggend doel om de sepotbeslissingen begrijpelijker en duidelijker te maken voor betrokkenen.7
In onderstaande tabellen8 staat in hoeveel procent van de gevallen is gekozen voor een technisch sepot en verschillende vormen van een beleidssepot. Daarmee wordt inzicht verschaft in de factoren die in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken.
Hoeveel sepots betroffen zaken die waren aangeleverd door de politie met het oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft», en wat zijn daarvoor de belangrijkste redenen?
Er vindt geen registratie en/of inzending van zaken plaats door de politie aan het OM met een voorlopig oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft». Beoordeling van de zaken vindt plaats door het OM aan de hand van het kader als geschetst onder antwoord op de vragen 3 en 5. Indien een zaak wordt geseponeerd, is deze afgedaan, tenzij de beslissing op grond van nieuwe feiten of omstandigheden moet worden herzien of het gerechtshof een bevel tot vervolging geeft op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering.
Kunt u kwalitatief en kwantitatief uiteenzetten welke factoren in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken door het OM, bijvoorbeeld capaciteits- en prioriteringskeuzes, kwaliteit en volledigheid van politiedossiers, complexiteit van zaken en bewijslast, beleidsmatige keuzes in het kader van het opportuniteitsbeginsel of overige oorzaken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 afgedaan met een strafbeschikking (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
In 2023 heeft het OM 42.300 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 22 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 195.300. Het OM heeft 47.500 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking in 2023. Dit is 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 166.100.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.
In 2024 heeft het OM 52.900 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 214.500. In 2024 heeft het OM 47.700 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 190.300.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u de strafbeschikkingscijfers uitsplitsen naar delictcategorie (zoals genoemd in vraag 2) en ook aangeven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.9 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. Het is eveneens niet mogelijk om aan te geven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten, nu hiervoor dossieronderzoek nodig is omdat dit niet uit de systemen kan worden gehaald. In het algemeen geldt dat meervoudige recidive (dat wil zegen vanaf de tweede keer recidiveren) binnen vijf jaren ter zake van een misdrijf een contra-indicatie voor het opleggen van een strafbeschikking is op basis van het beleid van het OM.
Kunt u aangeven hoeveel strafbeschikkingen in 2023, 2024 en 2025 zijn betaald/nagekomen binnen de gestelde termijn, bij hoeveel verzet is aangetekend (en met welk resultaat), hoeveel zijn ingetrokken of aangepast, en hoeveel niet ten uitvoer zijn gelegd wegens onvindbaarheid, betalingsonmacht of een andere reden?
Meestal verstuurt en int het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de strafbeschikkingen die het OM oplegt. In de navolgende tabel staat de huidige status van de oplegde strafbeschikkingen uit 2023 en 2024 volgens de systemen van het OM.
Kunt u toelichten welke factoren bepalend zijn voor de keuze van het OM om strafzaken af te doen via een strafbeschikking in plaats van dagvaarding en kunt u daarbij inzichtelijk maken in hoeverre deze keuze wordt beïnvloed door beschikbare capaciteit binnen het OM en de rechtspraak, beleidsmatige aansturing en standaardisering van afdoeningen, aard en ernst van het delict, doorlooptijden en efficiëntieoverwegingen of andere relevante factoren?
Het OM heeft beleidsregels uitgevaardigd voor het afdoen met een OM-strafbeschikking: de Aanwijzing OM-strafbeschikking uit het jaar 2022. Uit deze beleidsregels volgt dat het uitgangspunt is dat een zaak in beginsel met een strafbeschikking wordt afgedaan wanneer dat wettelijk mogelijk is én de strafzaak zich ervoor leent. Wettelijk gezien is het voor de officier van justitie mogelijk om een strafbeschikking uit te vaardigen voor een overtreding of voor een misdrijf waarop een maximum gevangenisstraf van 6 jaar staat. Of een strafzaak zich voor een strafbeschikking leent, beoordeelt de officier van justitie op grond van alle feiten en omstandigheden, waarbij veel gewicht toekomt aan de ernst van het feit. Zo ligt het meer voor de hand om een strafbeschikking op te leggen in het geval twee volwassenen een rolletje drop stelen bij de supermarkt dan wanneer een professionele inbrekersgroep een woning leegrooft. In beide gevallen is er sprake van diefstal waarop een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar staat. Bij de beoordeling of een strafzaak zich leent voor afdoening met een strafbeschikking, slaat de officier van justitie ook acht op de strafvorderingsrichtlijnen van het OM. Deze zijn door het OM opgesteld met het streven naar een landelijk uniform strafvorderingsbeleid. Afdoening door middel van een strafbeschikking ligt in beginsel niet in de rede wanneer op basis van de strafvorderingsrichtlijn het uitgangspunt is dat een gevangenisstraf wordt geëist voor dat delict en er geen feiten en omstandigheden zijn die maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. De beleidsregels kennen verder een aantal contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking:
Het OM maakt sinds 2008 gebruik van de strafbeschikking. Hiervoor heeft uw Kamer een wet aangenomen die het OM de bevoegdheid geeft om bij sommige relatief lichtere misdrijven een strafbeschikking op te leggen (op grond van de wet kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen voor overtredingen en misdrijven waar maximaal een gevangenisstraf van 6 jaar op staat). Sinds 1 februari 2025 past het OM op grond van een tijdelijke instructie de strafbeschikking vaker toe bij veelvoorkomende vermogenscriminaliteit, zoals winkeldiefstal en heling. Hiermee wordt de strafrechter verder ontlast en kan rechterlijke capaciteit worden benut voor zwaardere strafzaken. De intensivering heeft tot doel doorlooptijden te verkorten en meer criminaliteit aan te pakken.
Zoals de vorige Staatssecretaris van JenV en mijn ambtsvoorganger hebben toegelicht in een brief 19 december 2025 wacht het OM onder meer de uitkomst van een onderzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar de strafbeschikking af, een onderzoek van het WODC naar de strafbeschikking en het debat hierover in uw Kamer alvorens tot een eventuele verdere verruiming van de toepassing van de strafbeschikking wordt besloten.11 Naar verwachting zullen de rapporten van genoemde onderzoeken in de eerste helft van 2026 worden gepubliceerd. Ik zal u hierover informeren.
Zijn er binnen de sepots en strafbeschikkingen de afgelopen tien jaar trends of trendbreuken waar te nemen? En, zo ja, welke zijn dat en wat valt hier aan ten grondslag?
Tot 2019 kon de politie onder mandaat van het OM zelf seponeren (de zogenoemde politiesepot of BOSZ-sepot). Vanaf 2019 is dit beleid gewijzigd, nu seponeert het OM zelf. Vanaf dat jaar is daarom een hoger aantal onvoorwaardelijke sepots door het OM te zien.
Welke verwachtingen heeft het OM voor de komende jaren ten aanzien van het aantal vervolgingen, sepots en strafbeschikkingen?
Het OM wil meer en andere soorten zaken op het gebied van veelvoorkomende criminaliteit binnenhalen om deze meer in lijn te brengen met het criminaliteitsbeeld. In dit kader moet bijvoorbeeld worden gedacht aan meer zaken die zien op gedigitaliseerde criminaliteit. Daarbij streeft het OM ernaar om meer bewijsbare feiten bij het OM te laten binnenstromen, waardoor er minder geseponeerd hoeft te worden. Zoals hiervoor is toegelicht wordt nog bezien of de toepassing van de strafbeschikking wordt verruimd.
Wat heeft het OM concreet nodig om de komende jaren meer strafzaken daadwerkelijk te kunnen vervolgen?
Het OM zet zich optimaal in om zoveel mogelijk criminaliteit aan te kunnen pakken. Tegelijkertijd is de realiteit dat de opsporings- en vervolgingscapaciteit niet oneindig is, wat betekent dat het OM altijd keuzes zal moeten maken in welke zaken het oppakt.
Om het OM te ondersteunen in de onmisbare rol die het vervult in de strafrechtketen, is in het coalitieakkoord neergelegd dat er oplopend tot een bedrag van 50 miljoen euro structureel per jaar voor het OM beschikbaar wordt gesteld voor de ICT-problemen waar het op dit moment mee kampt.
Het bericht ‘Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken» uit Trouw van 4 februari 2026?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat mensen zoals de man die in het voorbeeld van het artikel wordt aangehaald zo sterk afhankelijk zijn van hun postcode of ze wel of niet op een goede manier aan het werk kunnen?
Iedereen moet toegang hebben tot passende ondersteuning, ongeacht waar iemand woont. Gemeenten hebben op grond van de Participatiewet de wettelijke taak om mensen te begeleiden naar werk en ondersteuning te bieden die aansluit bij hun behoeften. De wet biedt hiervoor verschillende instrumenten en geeft gemeenten ruimte om, binnen de kaders, eigen keuzes te maken in beleid en uitvoering. Daarbij maken gemeenten, gegeven hun beschikbare middelen, afwegingen over de inzet en prioritering van ondersteuning.
Gemeenten zijn hier dagelijks mee bezig. Begeleiding van bijstandsgerechtigden vindt daarbij plaats binnen de bestaande beschikbare financiële kaders, waarbinnen gemeenten keuzes moeten maken over de omvang en reikwijdte van de dienstverlening die zij bieden. Mensen (die langdurig) in de bijstand zitten, hebben vaak problemen op meerdere levensdomeinen. Ze hebben met name te maken met arbeidsbeperkingen, schulden en gezondheidsproblematiek. Dit blijkt onder meer uit het SCP-onderzoek «Een brede blik op bijstand» (2023). De aanpak hiervan vergt een meer integrale ondersteuning. Dit betekent dat gemeenten, binnen hun financiële kaders, soms scherpe keuzes moeten maken in de inzet van re-integratievoorzieningen. Dit blijkt ook uit een recent onderzoek van Significant dat recent met uw Kamer is gedeeld.2 In de praktijk kan dit ertoe leiden dat gemeenten hun inzet in sommige gevallen richten op mensen met een relatief grotere kans op uitstroom naar werk. Hierdoor kan het voorkomen dat mensen die meer intensieve of langdurige begeleiding nodig hebben minder worden bereikt. De mate waarin dit voorkomt verschilt per gemeente en hangt samen met de beleidsmatige en financiële keuzes die lokaal worden gemaakt. Ook dit beeld komt eveneens naar voren uit diverse onderzoeken.3
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten ruimte houden voor maatwerk, maar ook dat ondersteuning in het hele land toegankelijk is voor mensen die daarvan afhankelijk zijn. Daarom is in het coalitieakkoord «Aan de slag» aangekondigd dat het re-integratiebeleid van gemeenten meer wordt geüniformeerd. In de komende periode start het kabinet, in nauwe samenwerking met gemeenten, UWV, werkgevers en andere betrokken partijen, een verkenning naar hoe deze uniformering het best kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening van de heer el Mokaddem dat mensen zijn overgeleverd aan «de grillen van de lokale politiek» omdat geld voor re-integratie en beschut werk niet is geoormerkt?
Nee, deze mening deel ik niet.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet is bewust bij gemeenten belegd. Het doel daarvan is om ondersteuning dicht bij inwoners te organiseren en beter aan te laten sluiten bij lokale behoeften. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt dat gemeenten taken in het sociaal domein integraal kunnen aansturen en uitvoeren, waardoor ondersteuning effectiever en samenhangender kan worden geboden.
De huidige taakverdeling tussen het Rijk en gemeenten is gebaseerd op het principe dat het Rijk verantwoordelijk is voor het «wat» en gemeenten voor het «hoe». Het Rijk stelt de wettelijke en financiële kaders en is verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Gemeenten hebben binnen die kaders beleidsruimte om invulling te geven aan de uitvoering. Het is aan colleges van burgemeester en wethouders om te beoordelen welke ondersteuning of voorziening passend is om iemand naar werk te begeleiden. Gemeenteraden stellen de kaders voor het lokale beleid en controleren de uitvoering. In lijn met de staatsrechtelijke verhoudingen leggen colleges verantwoording af aan de gemeenteraad en niet rechtstreeks aan het Rijk.
Dit lokale proces biedt waarborgen voor een zorgvuldige beleidsvorming en uitvoering. Gemeenten geven hier in de praktijk serieus invulling aan. Dit beeld wordt door verschillende onderzoeken onderstreept.
In de praktijk zien we ook dat gemeenten hun re-integratietaken over het algemeen adequaat uitvoeren. Zo wordt de doelstelling voor beschut werk naar verwachting in 2025 gerealiseerd en neemt het aantal banen met loonkostensubsidie gestaag toe. Daarnaast zetten gemeenten belangrijke stappen in het versterken van de sociale infrastructuur, zodat er meer baankansen ontstaan voor mensen voor wie betaald werk niet vanzelfsprekend is.
Wat heeft u, of uw voorganger, de afgelopen twee jaar gedaan om ervoor te zorgen dat gemeenten die geld dat is bedoeld voor re-integratie en beschut werk hiervoor niet gebruiken dit wel gaan doen?
De middelen voor re-integratie maken onderdeel uit van het gemeentefonds. Het is aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat de middelen op een effectieve en efficiënte manier worden ingezet.
Ik deel niet het beeld dat gemeenten de middelen die bedoeld zijn voor ondersteuning van mensen naar (beschut) werk, daar niet voor gebruiken. Dit bleek onlangs uit het rapport «Re-integratiedienstverlening door gemeenten» van Significant, dat met de Kamerbrief monitoring Participatiewet 2025 met uw Kamer is gedeeld.4 Hieruit bleek dat gemeenten veel inzetten op re-integratie en dat de uitgaven van gemeenten op dit gebied de laatste jaren substantieel zijn gegroeid.
Heeft u eerder signalen van MKB-Nederland en VNO-NCW gekregen dat zij ook willen dat de regelingen om mensen aan het werk te helpen meer gelijk worden getrokken? Zo ja, wat heeft u met die signalen gedaan? Zo nee, hoe komt het dat u deze signalen niet op uw radar heeft?
Ja, het kabinet herkent deze signalen. Al in 2018 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede naar aanleiding van dergelijke signalen, een Breed Offensief gepresenteerd5 met voorstellen om wet- en regelgeving en de uitvoering te verbeteren. De laatste wettelijke maatregelen zijn op 1 juli 2023 in werking getreden. Ook heeft uw Kamer de invoeringstoets van het Breed Offensief en het onderzoek naar de invulling van de aangescherpte verordeningsplicht voor gemeenten ontvangen. Hieruit blijkt dat maatregelen uit het Breed Offensief hebben bijgedragen aan meer uniformiteit in de uitvoering. Tegelijkertijd blijven onderliggende verschillen zichtbaar, doordat gemeenten binnen de wettelijke kaders eigen keuzes kunnen maken.
Recenter heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de inzet om belemmeringen weg te nemen die werkgevers ervaren bij het in dienst nemen en behouden van mensen met een ondersteuningsvraag, waaronder verschillen tussen gemeenten in de inzet van instrumenten. Dit is onder meer gedaan in de Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk6 en in de beantwoording van Kamervragen van het lid De Kort (VVD).7
Het kabinet wil de knelpunten verder aanpakken en zet daarom de volgende stappen.
Met deze inzet wil het kabinet bijdragen aan een toegankelijker en effectiever stelsel, waarin mensen passende ondersteuning krijgen en werkgevers beter worden ondersteund om mensen met een ondersteuningsvraag in dienst te nemen.
Bent u het ermee eens dat je postcode niet mag bepalen welke zorg je krijgt of dat je wel of niet de juiste hulp krijgt bij het vinden of behouden van een baan? Zo ja, hoe rijmt u dat met de plannen die nu worden voorgesteld in het regeerakkoord? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt dat iedereen moet kunnen rekenen op passende en toegankelijke ondersteuning, ongeacht zijn of haar postcode. Tegelijkertijd is het belangrijk dat gemeenten ruimte houden om maatwerk te bieden, omdat de situatie van mensen en de lokale arbeidsmarkt kunnen verschillen en passende ondersteuning vraagt om maatwerk.
Zoals in het antwoord op vragen twee en vijf toegelicht, is in het coalitieakkoord «Aan de slag» het streven aangekondigd om het re-integratiebeleid van gemeenten meer te uniformeren. Het kabinet start de komende periode, in samenwerking met betrokken partijen, een verkenning naar hoe deze uniformering het best vorm kan krijgen.
Welke aanpassingen in landelijke wetgeving zouden er moeten komen om ervoor te zorgen dat gemeentelijke regelingen gelijk kunnen worden getrokken en geld dat bedoeld is om mensen aan het werk te helpen daadwerkelijk bij dat doel terechtkomt? Kunt u dit als lijst opsommen?
Vanuit verschillende trajecten wordt er gewerkt aan verbeteringen in landelijke wetgeving die ervoor moet zorgen dat er meer mensen aan het werk kunnen worden geholpen. Enkele hiervan zijn in de fase van verkenning en/of uitwerking, waarbij er wordt onderzocht welke aanpassingen het meest wenselijk en effectief zijn. Dit zijn onder meer:
Daarnaast wordt ingezet op een toekomstbestendige inrichting van sociaal ontwikkelbedrijven, zodat mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is, kunnen blijven rekenen op passend werk. Ook wordt de verbeteragenda beschut werk uitgevoerd. Onderdeel hiervan is een nieuw verdeelmodel voor een evenwichtigere verdeling van beschutte werkplekken en middelen over gemeenten.
Verder is in 2025 besloten de loonwaardemeting voor beschut werk te vervangen door een vaste, forfaitaire loonkostensubsidie van 68%. Door deze uniformering weten werkgevers (vooral sociaal ontwikkelbedrijven) waar ze aan toe zijn, verminderen we de administratieve lasten en voorkomen we onzekerheid bij werknemers over hun loonwaarde. Hiervoor wordt op dit moment een wetsvoorstel voorbereid. Ook worden op dit moment voorstellen uitgewerkt om het proces rondom beschut werk verder te versimpelen en te verbeteren.
Daarnaast wordt, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen twee, vijf en zes in de komende periode verkend hoe het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot verdere uniformering van het re-integratiebeleid van gemeenten het best kan worden vormgegeven.
Hoe kijkt het kabinet naar het onderzoek van Berenschot dat stelt dat een investering in loonkostensubsidie mogelijk 40.000 werknemers oplevert?2
Het rapport van Berenschot laat opnieuw zien dat de doelgroep waar het hier om gaat vaak intensieve ondersteuning nodig heeft om de stap naar werk te kunnen maken. Gemeenten zetten zich hier al jaren stevig voor in, en de re-integratie en matching van deze groep is complex en vraagt meer dan alleen financiële instrumenten zoals loonkostensubsidies. Het is daarom te kort door de bocht om te concluderen dat het beschikbaar stellen van extra middelen voor loonkostensubsidies op zichzelf zou leiden tot een uitstroom van 40.000 extra mensen.
Dat neemt niet weg dat investeren in mensen loont. Uit tal van onderzoeken blijkt dat wanneer mensen met een ondersteuningsbehoefte duurzaam aan het werk komen, dit zowel maatschappelijk als financieel voordelen oplevert. Het rapport van Berenschot onderstreept dit bredere beeld, en daarom is het waardevol dat Cedris en Divosa dit onderzoek hebben laten uitvoeren. Het laat zien dat wanneer meer mensen uitstromen naar werk, met inzet van verschillende vormen van ondersteuning, dit per saldo geld kan opleveren. Dit bevestigt het belang van een integrale aanpak om mensen met een ondersteuningsbehoefte naar werk te begeleiden.
Hoe kijkt het kabinet naar het plan «recht op werk» van de FNV?3
In de «Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk»10 heeft mijn voorganger naar aanleiding van een motie van het lid Van Kent c.s.11 een uitgebreide appreciatie van het plan «recht op werk» naar uw Kamer gestuurd. Het kabinet sluit zich bij deze appreciatie aan.
De voorstellen van de FNV raken aan reële knelpunten in de ondersteuning naar werk. De invoering van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, is echter niet uitvoerbaar binnen de bestaande budgettaire kaders. De kern en richting van het voorstel neem ik mee in het vervolg van het traject Participatiewet in balans en bij de uitwerking van de nieuwe banenafspraak.
Bent u bereid deze plannen als basis te gebruiken om mensen die aan het werk willen aan het werk te helpen?
Zoals in het antwoord op vraag negen vermeld, raken de voorstellen van de FNV aan belangrijke en herkenbare knelpunten in de ondersteuning naar werk. Het kabinet deelt de ambitie om meer mensen die willen en kunnen werken daadwerkelijk aan het werk te helpen. Zo is in het coalitieakkoord afgesproken dat de Participatiewet wordt hervormd met inzet op intensieve begeleiding, investeringen in sterke gemeenschappen en een betere samenwerking met gemeenten en (sociale) werkgevers. Tegelijkertijd is de invoering van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, op dit moment niet uitvoerbaar binnen de bestaande budgettaire kaders.
De richting en uitgangspunten van de voorstellen worden betrokken bij het vervolg van het traject Participatiewet in balans en bij de verdere uitwerking van de nieuwe banenafspraak. Hierbij wordt bezien welke elementen kunnen bijdragen aan betere ondersteuning en meer kansen op werk voor mensen voor wie het hebben van werk niet vanzelfsprekend is. In de uitwerking hiervan werken we nauw samen met onder andere gemeenten, UWV en sociale partners.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoeveel kinderen zijn de dupe van de onverwachte sluiting van de zorgvilla’s van ExpertCare?
Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bieden de vier locaties van Villa Expertcare zorg aan 70 kinderen.
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting. Wat bent u voornemens daaraan te gaan doen? Waarom zijn de tarieven niet kostendekkend?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en houdt mij intensief op de hoogte van de relevante ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wat betreft de tarieven voor aanbieders van medische kindzorg heeft de NZa mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u in contact met ExpertCare en de getroffen ouders om hen bij te staan in de zoektocht naar een nieuwe plek voor de kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er nog meer medische kindzorg locaties bekend waar sluiting dreigt? Zo ja, hoeveel?
Het is mij niet bekend dat bij andere locaties voor medische kindzorg sluiting dreigt. Ook bij de NZa zijn op dit moment geen signalen bekend van voorgenomen sluitingen van andere aanbieders van medische kindzorg.
Bent u bereid om met de betrokken partijen om tafel te gaan om te voorkomen dat er meer van dit soort sluitingen plaatsvinden en kinderen en hun ouders de dupe worden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om zelf het initiatief te nemen voor aanvullend overleg. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
De Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
Defensie maakt bij opleidingen en oefeningen gebruik van externe opleidingscapaciteit van civiele partijen. Deze opleiders verrichten hun werkzaamheden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met hun werkgever. Zij vallen niet onder militair gezag en zijn geen defensiepersoneel.
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid en continuïteit van de opleiding?
Defensie onderkent dat bij intensieve en meerdaagse opleidingen spanning kan ontstaan tussen de gewenste opleidingsrealiteit en de kaders van de Arbeidstijdenwet. Bij de inzet van externe opleiders berust de formele verantwoordelijkheid voor naleving van deze wet bij de betreffende werkgever. Defensie heeft een zorgplicht en moet erop toezien dat de ingehuurde medewerkers niet in strijd met toepasselijke wet- en regelgeving werkzaam zijn. Defensie maakt hierover vooraf duidelijke afspraken met de civiele werkgever en richt opdrachten zodanig in dat zowel operationele doelstellingen als geldende arbeidswetgeving worden gerespecteerd.
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bepalingen uit de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren voor defensiepersoneel, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wettelijke taken van Defensie.
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe opleiders die in een militair-operationele context functioneren?
Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op defensiepersoneel en wordt niet toegepast op extern ingehuurde opleiders. Voor deze laatste groep medewerkers blijft het civiele arbeidsrechtelijk kader, waaronder de Arbeidstijdenwet, volledig van kracht.
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriële regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel? Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het ligt in de rede dat uitzonderingsbepalingen binnen de Arbeidstijdenwet terughoudend worden toegepast en enkel van toepassing zijn op defensiepersoneel dat onder militair gezag valt. Voor extern ingehuurde opleiders geldt immers het civiele arbeidsrechtelijk kader. Wel herkennen we het vraagstuk. Daarom ben ik bereid met SZW hierover in gesprek te gaan. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het bericht 'Israël: Artsen zonder Grenzen moet 28 februari uit Gaza weg zijn' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Artsen zonder Grenzen Gaza moet verlaten, omdat Israël nieuwe eisen stelt aan humanitaire organisaties, waaronder het aanleveren van persoonsgegevens van medewerkers?1
Ja.
Bent u het eens dat het vertrek van Artsen zonder Grenzen uit Gaza desastreuze gevolgen kan hebben voor de medische situatie in de Gazastrook, gezien het feit dat de organisatie een aanzienlijk deel van de medische zorg, geboortezorg en de levering van schoon drinkwater verzorgt in een reeds zwaar getroffen gezondheidsstelsel?
Het kabinet maakt zich zorgen over het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren. Professionele hulporganisaties, waaronder internationale ngo’s, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN-agentschappen, leveren cruciale humanitaire hulp in de Gazastrook. Artsen zonder Grenzen speelt bijvoorbeeld evident een belangrijke rol in de humanitaire en medische respons in Gaza. Het kabinet steunt deze organisaties volledig.
Heeft u, gezien het doelgericht aanvallen van hulpverleners in eerdere fasen van deze oorlog, begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om persoonsgegevens van lokale staf niet te delen met Israëlische autoriteiten, en acht u dit besluit gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
We hebben begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om de gegevens niet te delen. Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Erkent u dat deze arbitraire vereisten van Israël bijdragen aan verdere ontwrichting van de al ernstig afgeknepen humanitaire hulpverlening in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, waaronder onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om internationale ngo’s de toegang te ontzeggen niet als de juiste weg voorwaarts. Israël heeft daarbij de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Het Israëlische constitutionele hof deed op 27 februari jl. een voorlopige uitspraak in de zaak die was aangespannen door 17 van de getroffen internationale ngo’s. Het hof heeft besloten dat de 17 petitiepartijen niet mogen worden geweigerd uit de Palestijnse Gebieden tot het hof hier een definitieve uitspraak over heeft gedaan. De voorlopige voorziening heeft echter geen impact op reeds bestaande beperkingen voor hulporganisaties. Daarmee neemt het de zorgen over deze kwestie – en over humanitaire toegang tot de Palestijnse gebieden in den brede – niet weg.
Heeft u deze arbitraire vereisten en de gevolgen daarvan al bij uw Israëlische collega’s bekritiseerd? Zo ja, wat was hun reactie en welke concrete toezeggingen zijn daarbij gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten aangekaart.
Zo nam voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Van Weel op 31 december jl. telefonisch contact op met zijn Israëlische collega toen bekend werd dat Israël had besloten om 37 internationale ngo’s de toegang te ontzeggen. Voormalig Minister-President Schoof riep de Israëlische president Herzog medio februari op de herregistratiewet niet te implementeren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie bovendien aangekaart bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 25 februari jl.
Bent u bereid om in EU-verband en andere internationale fora te pleiten voor aanvullende diplomatieke druk om deze maatregelen ongedaan te maken en humanitaire toegang tot Gaza te herstellen? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich in EU- en multilateraal verband inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals ook is gebeurd tijdens de Europese Raad van december vorig jaar. Tevens heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. zorgen uitgesproken over de implementatie van de ngo-registratiewetgeving en opgeroepen tot een gecoördineerd EU-optreden.
Welke concrete diplomatieke actie onderneemt de regering richting Israël om humanitaire toegang voor Nederlandse hulporganisaties te herstellen en om blijvende druk uit te oefenen ten behoeve van de algemene humanitaire voorzieningen in Gaza?
Nederland benadrukt richting Israël dat het de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde toegang moet verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden en dringt erop aan dat Israël de herregistratieplicht, in de vorm die door Israël nu wordt beoogd, van tafel haalt. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inspannen. Daarbij onderstreept Nederland dat door de maatregelen ook vertrouwde, onafhankelijke en professionele partners van Nederland worden geraakt. Het kabinet steunt het werk van de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk. Het kabinet verzoekt de Israëlische autoriteiten om het gesprek met de betreffende hulporganisaties aan te gaan. Nederland onderhoudt voorts nauw contact met partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. met directeuren van diverse Nederlandse hulporganisaties op het kantoor van UNICEF NL over de herregistratieplicht.
Het rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ van de Taskforce Antisemitismebestrijding. |
|
Annelotte Lammers (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Gevangen in Vrijheden» van de Taskforce Antisemitismebestrijding, waaruit blijkt dat Joodse studenten worden uitgescholden voor «kankerjood», met stokken geslagen, zich voortdurend moeten verantwoorden voor hun Joods-zijn en zich daardoor zeer onveilig voelen op hun eigen campus?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit dit rapport en uit de voortdurende toename van antisemitisme steeds duidelijker blijkt dat antizionisme een verkapte vorm is van antisemitisme?
Het kabinet sluit zich aan bij de manier waarop het rapport2 dit uiteenzet, namelijk dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël. Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk afwijst.
Welke middelen wendt u zelf aan en welke middelen stimuleert u bestuurders te gebruiken, om met harde hand op te treden tegen terugkerend antisemitisme? Indien geen, waarom niet?
Er worden, zowel door mij als Minister van OCW als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan een handreiking voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme waarbij ik gebruik maak van de expertise van diverse organisaties uit het veld. Daarnaast hebben mijn voorgangers regelmatig gesprekken gehad met Joodse studenten en medewerkers over hun ervaringen, met instellingsbesturen over deze signalen en met de NCAB over de voortgang van de lopende acties. Die lijn zet ik door.
Deelt u de mening dat de visa ingetrokken moeten worden van buitenlandse studenten die zich schuldig maken aan antisemitisme en dat een visumverbod tot de mogelijkheden moet behoren om dergelijke studenten te weren? Zo nee, waarom niet?
Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden. Voor antisemitisme is in onze samenleving, en daarmee ook op onze onderwijsinstellingen, geen plaats. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten die afkomstig zijn van buiten de EU, geldt zowel bij toegang als gedurende het verblijf het volgende: wanneer bij onherroepelijke veroordeling is vast komen te staan dat zij een gevaar zijn voor de openbare orde kan de verblijfsvergunning van deze persoon worden ingetrokken. In deze veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen een rol spelen. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf ontvangt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND beoordeelt of een vergunning kan worden ingetrokken.4 Hierbij toetst de IND aan de zogenoemde «glijdende schaal» (art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000) en het evenredigheidsbeginsel. Afhankelijk van de ernst van het delict waarvoor een vreemdeling is veroordeeld, kan de IND de vreemdeling ongewenst verklaren en een inreisverbod opleggen. Het is dus niet aan de Minister van OCW of de Minister van J&V om te oordelen over wanneer visa ingetrokken zouden moeten worden.
Klopt het dat laffe bestuurders uit angst bedreigende spandoeken en haatteksten laten hangen? Zo ja, gaat u eisen dat dergelijke uitingen per direct worden verwijderd en dat daders worden gesanctioneerd?
Ik sluit mij niet aan bij de bewering dat bestuurders «laf» reageren op escalaties en uitwassen bij demonstraties. Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inzetten om de veiligheid voor (Joodse) studenten en medewerkers te borgen. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en stelt dat het duidelijk is dat de protestacties veel vragen van bestuurders en vele medewerkers om hen heen qua inzet. Ik steun hen in de complexe afweging die zij moeten maken. Ook stelt het rapport dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten5, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek. Daarop aanvullend roept het rapport bestuurders en betrokkenen op om oog te hebben voor de Joodse minderheid, naast hen te gaan staan en duidelijk en zichtbaar voor hen op te komen. Dit onderstreep ik ten zeerste.
Verder is het niet aan de Minister van J&V of aan mij om aan te geven wanneer en hoe een onderwijsinstelling moet ingrijpen bij (uitingen van) protesten en demonstraties. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van studenten en medewerkers. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid waar mogelijk zoveel mogelijk lokaal worden genomen door de instellingsbestuurders, in nauwe samenspraak met de lokale veiligheidsdriehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen docenten en bestuurders die een bepalende rol spelen in het creëren of laten voortbestaan van een onveilige sfeer voor Joodse studenten, door het niet nemen van adequate maatregelen dan wel door zelf bij te dragen aan een antisemitische cultuur? Zo ja, hoever bent u bereid te gaan? Heeft u de hoofdverantwoordelijken inmiddels in kaart gebracht?
Zoals hiervoor aangegeven zijn instellingsbesturen verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Daar spannen zij zich elke dag opnieuw weer voor in. Verwacht mag worden dat in het onderwijs, onderzoek en bij de verschillende overige activiteiten op instellingen, docenten en bestuurders zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Pas wanneer er voor de Inspectie van het Onderwijs aanleiding is geweest om een onderzoek uit te voeren naar de sociale veiligheid op de instelling, en zij na dit gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is (geweest) van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW als ultimum remedium de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen.
Deelt u de mening dat de tijd van praten voorbij is en dat er per direct concrete resultaten geboekt moeten worden om antisemitisme in de kiem te smoren? Zo ja, neemt u de aanbevelingen uit het rapport over?
Het kabinet deelt de mening dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie. In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.
Het doodschieten van een hond door een jager |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hond doodgeschoten in Wapse door man met geweer. Baasje Lotte (48): «Benji lag in de sloot. Dood»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een jager een hond heeft doodgeschoten en vervolgens zonder pardon is weggereden, zonder ook maar enig medeleven of schuldbewustzijn te tonen richting de eigenaar van de hond?
Ik vind dit een tragisch voorval en wil hierbij mijn medeleven betuigen aan de eigenaren van de hond.
Kunt u bevestigen dat de betreffende jager een jachtvergunning heeft, lid is van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en een ontheffing heeft om ’s nachts op vossen te jagen?2
Ik kan bevestigen dat de betreffende jager een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft en dat hem door de provincie Drenthe een omgevingsvergunning is verleend om ’s nachts op vossen te jagen.
De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) speelt geen rol bij het afgeven van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, of bij het verlenen van bedoelde vergunningen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het lidmaatschap van de betreffende jager.
Hoe verklaart u het dat een jager die lid is van de KNJV en een jachtvergunning heeft, kennelijk niet in staat is om het verschil tussen een vos en een hond te zien?
De precieze toedracht van het incident wordt onderzocht door de politie. Ik kan daar op dit moment geen uitspraken over doen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onaanvaardbaar en ronduit gevaarlijk is dat mensen die dit soort fouten maken, met vuurwapens rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van het geweer voor jacht of faunabeheer is aan strikte regels gebonden, en is alleen toegestaan aan iemand die met succes een jachtexamen heeft afgelegd. Hierin wordt, onder andere, getoetst op het veilig kunnen omgaan met het geweer en het op de juiste manier vaststellen van de soort waarop wordt geschoten. Zoals aangegeven, onderzoekt de politie op dit moment wat de precieze toedracht is van het incident.
Kunt u bevestigen dat de jachtvergunning van deze jager per direct is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De wapens en de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van de betreffende jager zijn in afwachting van het onderzoek, in bewaring genomen door de politie. De jager kan hier gedurende het onderzoek dus niet over beschikken. Over het vervolg van deze casus kan ik gezien het lopende onderzoek geen verdere uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat ook zijn wapenvergunning per direct en voor altijd wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat er strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen deze man? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. De benadeelde partij heeft aangifte gedaan. Er loopt een politieonderzoek.
Heeft u kennisgenomen van verklaringen van ecologen die vermoeden dat de jager dacht op een wolf te schieten in plaats van een hond?3
Ja.
Acht u dit plausibel? Zo nee, waarom niet?
Het politieonderzoek over de toedracht van het incident is lopende. Ik vind het onverstandig hierover te speculeren.
Kunt u bevestigen dat met regelmaat dieren illegaal door jagers worden doodgeschoten, waaronder beschermde soorten, zoals roofvogels4 en rietganzen5, en in beschermde natuurgebieden?6
Het komt helaas voor dat dieren illegaal worden gedood. Dit is een strafbaar feit en de politie en andere handhavende diensten handhaven hierop. Wanneer burgers een strafbaar feit constateren kunnen zij dit bij de politie melden. Op basis van de door u aangehaalde incidenten kan ik niet bevestigen dat het illegaal doden van dieren op grote schaal gebeurt, of dat jagers hier bij betrokken zouden zijn.
Erkent u dat dit vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg is, omdat een groot deel van de jacht plaatsvindt buiten het zicht van handhavers of alerte burgers?
Op basis van de mij bekende feiten kan ik niet bevestigen dat de door u aangehaalde incidenten het topje van een ijsberg vormen. Het binnen de wettelijke kaders uitoefenen van de jacht is toegestaan.
Vindt u dit wenselijk?
Het illegaal doden van dieren vind ik niet wenselijk. Zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op eerdere Kamervragen stelde geen aanleiding te zien om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen?7
Ja. Dit is zo door mijn ambtsvoorganger geantwoord.
Kunt u bevestigen dat, indien in dit geval een wolf in plaats van een hond was doodgeschoten, de kans groot is dat dit nooit aan het licht was gekomen?
Er is in dit geval een hond doodgeschoten. Zoals gezegd bij vraag 2 vind ik dat een tragisch voorval. Ik wil niet speculeren over een situatie waarin een wolf zou zijn doodgeschoten en wacht de uitkomst van het politieonderzoek af.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van ecoloog Chris Smit dat er vermoedelijk veel meer stroperij op wolven is dan wij zien?8
Ja.
Bent u, in het licht van deze gebeurtenis en deze signalen, nog steeds van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Ja, zoals aangegeven in eerdere beantwoording, waar u aan refereert, is uit navraag bij BIJ12 en politie niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven. Ik heb geen signalen ontvangen dat die situatie is veranderd.
Bent u bereid om per direct het toezicht op (leden van) de KNJV te intensiveren en daarbij expliciet aandacht te besteden aan het illegaal doden van dieren? Zo nee, waarom niet?
De KNJV is een organisatie die de belangen van haar leden behartigt. De KNJV heeft geen rol in de vergunningverlening. Er is daarom geen sprake van toezicht op de KNJV vanuit mijn ministerie.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken hoe de handhaving op de jacht structureel kan worden geïntensiveerd, om te voorkomen dat opnieuw dieren of mensen slachtoffer worden van schietgrage jagers? Zo nee, waarom niet?
In Nederland gelden strikte wettelijke eisen voor het bezit en gebruik van vuurwapens in het kader van jacht, beheer en schadebestrijding. Hierop wordt gecontroleerd door de politie, provincies en omgevingsdiensten. Op basis van de huidige signalen zie ik geen aanleiding om de handhaving te intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals al richting uw Kamer aangegeven is het niet mogelijk geweest de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden, in verband met de benodigde afstemming en in verband met de kabinetswissel.
Het bericht ‘Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie op c?
Het bericht betreft een situatie waarbij de provincie Noord-Holland de gemeente Bloemendaal opdraagt om de aanlegwerkzaamheden voor de bouw van de chalets op de camping stop te zetten en over te gaan tot «handhaving». Dat is een aangelegenheid voor de provincie Noord-Holland en de gemeente Bloemendaal.
Camping Vogelenzang, waar plannen bestaan om een familiecamping om te zetten naar een luxe vakantiepark met circa 350 chalets en waar vaste kampeerders daarvoor moeten wijken?
Deze vraag ziet op de bedrijfsvoering en prijsstelling van een individuele ondernemer. Ik doe geen uitspraken over de keuzes van individuele bedrijven.
Wat vindt u ervan dat deze chalets volgens berichtgeving worden verkocht vanaf circa € 395.000 per vierpersoonschalet, terwijl het terrein tot nu toe juist een betaalbare gezinscamping was?
De provincie Noord-Holland gaat in haar «Handhavingsverzoek Camping Vogelenzang» van 16 januari 2026 inderdaad in op de maximale toegestane bebouwing.
Klopt het dat de provincie Noord-Holland daarbij stelt dat maximaal 1.600 m2 bebouwd mag worden, terwijl de plannen volgens de berichtgeving neerkomen op circa 21.000 m2 bebouwd oppervlak?
Het is aan de gemeente Bloemendaal om te beoordelen in hoeverre activiteiten passen binnen het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is. De provincie Noord-Holland houdt hier toezicht op en heeft in dit geval dus het in antwoord 4 genoemde handhavingsverzoek naar de gemeente verstuurd. Dit is een lokale afweging. In algemene zin ga ik bij het antwoord op vraag 11 in op handhaving.
Deelt u de opvatting dat het niet aanvaardbaar is wanneer grootschalige bebouwing doorgang vindt terwijl deze evident in strijd is met het omgevingsplan?
Het te voeren recreatiebeleid ter plaatse is een provinciale en gemeentelijke aangelegenheid. In dit geval wijst de provincie in haar handhavingsverzoek inderdaad op het seizoensgebonden karakter.
Hoe kijkt u aan tegen het bezwaar dat de provincie noemt over het permanente karakter van de chalets, terwijl recreatie in beginsel tijdelijk hoort te zijn en kampeermiddelen volgens berichtgeving slechts tussen 1 maart en 31 oktober geplaatst mogen worden?
Dat hangt af van de bestemming van het betreffende terrein. Indien er sprake is van een woonbestemming, dan zou dat ook op die wijze vergund dienen te worden, met inachtneming van de vigerende wet- en regelgeving.
Vindt u dat de bouw van luxe chalets met een (semi-)permanent karakter het risico vergroot op verkapte woonbestemmingen buiten de normale woningbouwregels om?
Gemeenten zijn vrij in hoe ze het begrip «kampeermiddelen» gebruiken in het omgevingsplan. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen tijdelijke kampeermiddelen en objecten met een permanent karakter. Ik zie geen aanleiding om dit aan te passen.
Acht u het wenselijk om de definitie van «kampeermiddelen» aan te scherpen, zodat chalets die in de praktijk een permanent karakter hebben niet langer onder deze definitie vallen?
Een gemeente kan een spoedeisende last onder bestuursdwang in de vorm van een bouwstop opleggen als sprake is van een overtreding. Hierdoor worden bouwwerkzaamheden stilgelegd.
Welke directe maatregelen kan een gemeente nemen om werkzaamheden stil te leggen om te voorkomen dat een ontwikkelaar een voldongen feit creëert?
Als dit daadwerkelijk aan de orde is, is het is aan de gemeente Bloemendaal om eventuele activiteiten te constateren en handhavend op te treden. De provincie heeft hier in haar handhavingsverzoek ook duidelijk op gewezen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat volgens betrokkenen al grondwerkzaamheden zijn verricht voordat vergunningen zouden zijn verleend, terwijl het gebied bovendien als beschermd landschap wordt omschreven?
Als sprake is van een overtreding, moet een gemeente in beginsel overgaan tot handhaving, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een gemeente van handhaving moet afzien. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om te handhaven wanneer sprake is van duidelijke strijdigheid met het omgevingsplan, zeker wanneer een provincie dit expliciet opdraagt?
Een provincie kan door middel van indeplaatsstelling zelf overgaan tot handhaving wanneer een gemeente dit niet doet. Dit kan alleen nadat bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met een gemeente en duidelijk is dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente omdat een gemeente nalaat een verplicht besluit te nemen of geen uitvoering geeft aan een wettelijke taak.
Welke mogelijkheden heeft de provincie om af te dwingen dat een gemeente daadwerkelijk handhaaft, wanneer een gemeente blijft talmen of onvoldoende optreedt?
Het is aan alle partijen (commercieel of niet) die omgevingsactiviteiten ondernemen om zich te houden aan wet- en regelgeving. Zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk.
Vindt u het wenselijk dat commerciële partijen in de praktijk kunnen opereren volgens het principe «eerst doen, dan pas vragen», en welke maatregelen acht u nodig om dat te voorkomen?
Deze vraag raakt aan de onderwerpen die aan de orde zijn in de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg «Red de Camping» van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025. Uw Kamer wordt hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Deelt u de zorg dat familiecampings steeds vaker worden opgekocht door commerciële ketens die vaste kampeerders wegdrukken ten gunste van dure chalets en recreatiewoningen?
Zie het antwoord op vraag 14.
Veel gemeenten kampen met vergelijkbare situaties rond de omzetting van familiecampings naar luxe chaletparken. Welke concrete voorstellen heeft u om dit probleem landelijk aan te pakken, zodat gemeenten dit niet ieder voor zich hoeven te bevechten?
Er is helaas geen definitie van familiecampings of (semi-)permanente chaletparken, dus het aantal verdwenen of omgezette parken is niet te bepalen. Uit de databank van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) blijkt wel dat het aantal overnachtingen op kampeerterreinen tussen 2012 en 2025 met 27,8% stijging minder sterk is gegroeid dan het aantal overnachtingen op huisjesterreinen met een stijging van 62,9%.
Kunt u aangeven hoeveel familiecampings in Nederland in de afgelopen 10 jaar zijn verdwenen of zijn omgezet naar (semi-)permanente chaletparken?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatieparken of hun plannen voor grootschalige herontwikkeling.
Kunt u inzicht geven in hoeveel recreatieparken in handen zijn van ketens en/of private equity, en hoeveel daarvan plannen hebben voor grootschalige herontwikkeling?
Er zijn geen directe middelen om herverkaveling tegen te gaan. Wel kan gestuurd worden op de verkaveling door middel van regels in het omgevingsplan. In het omgevingsplan kunnen bijvoorbeeld regels gesteld worden over de toegelaten kampeermiddelen, kan een maximaal aantal recreatiewoningen worden opgenomen of een maximaal bebouwd oppervlakte.
Welke middelen bestaan er op dit moment om herverkaveling van recreatieparken tegen te gaan, en welke bestuurslagen (gemeente, provincie, Rijk) kunnen deze middelen inzetten?
Voor zover de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de Camping» raken aan de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025, wordt uw Kamer hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Bent u bereid, in het licht van dit bericht, uw reactie op de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de camping» te herzien? Zo ja, wat is uw nieuwe reactie? Zo nee, waarom niet?
«Zie het antwoord op vraag 14».
Wat is de stand van zaken bij de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Vermeer over een voorstel voor een nieuwe kampeerwet en de voorstellen uit de initiatiefnota-Beckerman als richtinggevend beschouwen (Kamerstuk 36 452, nr. 9)?
Het bericht ‘Vlaams Parlement eensgezind over aanpak asbestproducent: 'Externe juridische expertise inwinnen'’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vlaams Parlement eensgezind over aanpak asbestproducent: «Externe juridische expertise inwinnen»»?1
Ja.
Wat vindt u van de aanpak in het Vlaams parlement dat bepaalt dat asbestproducenten moeten opdraaien voor het opruimen van asbest?
Het Vlaams Parlement handelt naar eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het is niet aan mij om een oordeel over dit handelen uit te spreken. In Nederland geldt het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid, natuur of milieu verantwoordelijk is voor het herstellen van die schade.
Waarom heeft het Nederlandse kabinet nooit gekozen voor een aanpak die de vervuiler, zoals het Twentse Eternit, laat opdraaien voor het doelbewust vervuilen van de omgeving?
In Nederland geldt het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid, natuur of milieu verantwoordelijk is voor het herstellen van die schade. Hiertoe zijn verschillende civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er zijn echter meerdere factoren die bepalen of het mogelijk is om tot aansprakelijkstelling te komen. Deze zijn relevant bij de afweging of verdere juridische stappen mogelijk en wenselijk zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen of er sprake is van juridische aansprakelijkheid en of er schadevergoeding moet worden toegekend.
Eerder liet het kabinet door de Landsadvocaat onderzoeken of Eternit civiel aansprakelijk kon worden gesteld voor saneringskosten van asbestwegen. Uit het advies bleek dat verhaal juridisch weinig kansrijk was, waardoor het kabinet geen civiele procedure startte.2 Uiteraard blijft het kabinet het verloop van de ontwikkelingen in Vlaanderen volgen. Wanneer deze hiertoe aanleiding geven zal opnieuw onderzoek naar de mogelijkheid van aansprakelijkheidsstelling worden gedaan.
Waarom kiest het kabinet er nu niet voor om op plekken waar asbest opduikt de vervuiler, indien mogelijk en aantoonbaar, verantwoordelijk te maken voor het opruimen of het financieren van het opruimen?
Het is een belangrijk uitgangspunt van het kabinet dat de vervuiler betaalt. Indien het mogelijk is om in een concrete situatie de kosten op de vervuiler te verhalen, dan wordt daar op ingezet. Echter er spelen bij aansprakelijkheid, zoals genoemd bij vraag 4, meerdere factoren die worden meegewogen in mogelijkheid en wenselijkheid van juridische stappen.
Neemt u naar aanleiding van dit bericht contact op met het Vlaams parlement om te informeren naar hun aanpak en de door hun ingewonnen juridische expertise? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 3 en 4.
Is het kabinet bereid om net als het Vlaamse parlement juridische expertise in te winnen om te onderzoeken of asbestproducenten aangepakt kunnen worden?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 4.
Waarom kiest het kabinet ervoor om een door de Tweede Kamer aangenomen motie die uitspreekt dat het 30-jarige verjaringstermijn voor alle asbestslachtoffers moet vervallen niet uit te voeren?2
In zijn brief van 4 juli 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 25 834/25 883, nr. 199, hierna: de brief) is de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uitgebreid ingegaan op de motie waaraan u refereert. In deze zogenaamde «spreekt-uit-motie» (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 507) is de wens verwoord om de absolute verjaringstermijn van asbestschade van 30 jaar (artikel 3:310 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) met terugwerkende kracht te laten vervallen voor alle asbestslachtoffers.
Sinds 1 februari 2004 geldt deze lange verjaringstermijn niet meer voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die vanaf die datum hebben plaatsgevonden (artikel 3:310 lid 5 BW). De motie heeft dus het oog op slachtoffers die vóór 1 februari 2004 zijn blootgesteld aan asbest. Er is daarom in de motie sprake van het met terugwerkende kracht afschaffen van de verjaringsregeling.
In de brief beschrijft de toenmalig Staatssecretaris het streven van het kabinet om het beroep op verjaring door de (voormalig) werkgever van het slachtoffer tot een minimum te beperken en de stappen die vanuit dat oogpunt sinds eind 2021 door de voormalig Minister voor Rechtsbescherming en de voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) zijn gezet. Cruciaal daarin is de afspraak van 21 oktober 2022 van de leden van de Raad van Toezicht en Advies van het IAS, waaronder werkgeversorganisaties en het Verbond van Verzekeraars. Zij hebben het IAS-convenant aangevuld met een bepaling waarin staat, dat de convenantspartijen, waaronder werkgeversorganisaties en verzekeraars, niet langer een beroep doen op de absolute verjaringstermijn (zie par. 2.1 van de brief).
Ook het huidige kabinet is van mening dat, zoals ook beschreven is in de brief, het op deze wijze met terugwerkende kracht wijzigen van de wet op gespannen voet staat met de rechtstatelijke beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Dit past een betrouwbare overheid niet (zie par. 3 van de brief). Daarnaast is het van belang te onderkennen dat de oorzaak van het niet-slagen van een bemiddelingspoging van het IAS om tot een schadevergoeding van de (voormalig) werkgever voor het asbestslachtoffer te komen, gelegen is in een complex van factoren. Het gebrek aan bewijs over wat er zich lang geleden heeft voorgedaan, vormt daarbij het grootste knelpunt. Dit wordt niet opgelost door het met terugwerkende kracht schrappen van de verjaring (zie par. 2.4 van de brief). Dit alles afwegend, meent het kabinet dat andere wegen prevaleren om asbestslachtoffers tegemoet te komen boven het met terugwerkende kracht afschaffen van de verjaringstermijn.
De belangrijkste vorm van tegemoetkoming is de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (hierna: de TAS) en de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (hierna: de TNS-regeling), waarop in het volgende antwoord nader wordt ingegaan. Het kabinet blijft ook in de toekomst graag in gesprek met het IAS om samen te werken in het belang van de slachtoffers.
Bent u het ermee eens dat een asbestslachtoffer ook 30 jaar na besmetting nog recht heeft op compensatie voor een op het werk opgelopen ziekte? Zo nee, waarom niet?
Er is in alle gevallen erkenning voor het ontegenzeggelijke grote leed van asbestslachtoffers met mesothelioom. Een slachtoffer heeft daarom in alle gevallen recht op een financiële tegemoetkoming van de staat van € 27.030 op grond van de TAS of de TNS-regeling, ook als de asbestblootstelling veel langer dan 30 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het IAS zet zich ook in om tot een schadevergoeding voor het slachtoffer te komen door kosteloze bemiddeling tussen het slachtoffer en zijn (voormalig) werkgever, in alle gevallen waarin sprake is van vermeende asbestblootstelling in loondienst (zie par. 1.3 van de brief).
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om ervoor te zorgen dat asbestslachtoffers die 30 jaar na besmetting achter hun door asbest veroorzaakte ziekte komen daarvoor worden gecompenseerd door hun werkgever, ook als de termijn is verlopen?
Zie het antwoord op vraag 8. Verder verwijs ik graag naar de brief van 4 juli 2025. Daarin is uitgebreid ingegaan op aanpassing van het IAS-convenant, de zogenoemde doorbrekingsrechtspraak van de Hoge Raad en de mogelijkheid die het deelgeschil het slachtoffer kan bieden in het beperkt aantal gevallen dat er nog een beroep op verjaring wordt gedaan (zie par. 2.1, 1.2, respectievelijk 2.2 – 2.4 van de brief). Deze ontwikkelingen dragen bij aan de mogelijkheid van het slachtoffer om zijn schade te verhalen op zijn (voormalig) werkgever. Zoals in het antwoord op vraag 7 al aangegeven, is het kabinet graag bereid om samen met het IAS verder te zoeken naar mogelijkheden om het leed van asbestslachtoffers te verzachten en hun juridische lijdensweg te bekorten.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Kerk mag de Grote Kerk van Alkmaar niet huren voor paasdienst. ‘Geen religieuze samenkomsten’' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over het weigeren van de verhuur van de Grote Kerk in Alkmaar voor een gezamenlijke paasdienst van de Protestantse gemeente van Alkmaar, terwijl het gebouw wel wordt verhuurd voor andere bijeenkomsten zoals culturele evenementen en bijvoorbeeld whiskyproeverijen?1
Ja
Hoe verhoudt het weigeren van religieuze samenkomsten zich volgens u tot het uitgangspunt van inclusiviteit dat veel culturele instellingen, mede met steun van de overheid, nastreven en in hoeverre verhoudt dit zich specifiek tot een historisch kerkgebouw (met een beschermde rijksmonumentale status)?
Uit de status van rijksmonument vloeit niet voort dat het gebouw opengesteld moet zijn. Er zijn heel veel rijksmonumenten die niet of zeer beperkt opengesteld zijn. Eigenaren en exploitanten van rijksmonumenten maken daarin hun eigen keuzes, binnen wettelijke kaders. Zie ook vraag 4. In dit specifieke geval is de Stichting Behoud Grote kerk Alkmaar eigenaar van het kerkgebouw. De exploitatie wordt verzorgd door de Stichting Theater De Vest & Grote Kerk Alkmaar (TDVGKA). Het gebouw is niet meer in gebruik als kerk.
Deelt u de opvatting dat religieuze bijeenkomsten, waaronder gebedsdiensten, onderdeel zijn van het immaterieel cultureel erfgoed en van oudsher verbonden zijn met kerkgebouwen die een cultuurhistorische functie hebben?
Het klopt dat er een sterke verbinding is tussen religieuze bijeenkomsten en de plekken waar deze plaatsvinden. Gebedsdiensten in algemene zin zijn echter geen onderdeel van de definitie van «immaterieel erfgoed» in het kader van het Unesco-verdrag ter bescherming van het immaterieel erfgoed. Wel zijn specifieke gebruiken die voortkomen uit en verbonden zijn aan het Christendom op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland ingeschreven door gemeenschappen die deze gebruiken uitoefenen. Dit gaat bijvoorbeeld om het bovenstemzingen bij psalmen in Genemuiden, de Heiligdomsvaart in Maastricht of de Passiespelen in Tegelen.
Hoe verhoudt deze opstelling zich tot de Algemene wet gelijke behandeling?
Culturele instellingen, zoals als TDVGKA, zijn vrij om op basis van een eigen profielkeuzes te maken ten aanzien van hun programmering en verhuur. Daarbij mogen zij niet discrimineren.
Krijgt de stichting behoud Grote Kerk direct of indirect subsidie van het Ministerie van OCW voor beheer of instandhouding van het kerkgebouw? Zo ja, hoeveel?
De Stichting Behoud Grote kerk Alkmaar heeft van het Ministerie van OCW in 2023 een subsidie van in totaal € 240.998 ontvangen in het kader van de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (Sim). Via de restauratieregeling van de provincie Noord-Holland (die voor ongeveer 50% wordt gefinancierd door het Rijk) heeft de stichting in de laatste ronde (2025) een subsidie van € 85.000,– ontvangen.
Kunt u toelichten welke voorwaarden uw ministerie verbindt aan subsidies voor het behoud en de exploitatie van religieus erfgoed en of daarbij aandacht is voor non-discriminatie en gelijke toegang voor verschillende vormen van gebruik, waaronder religieus gebruik?
Vanuit het rijk zijn er voor rijksmonumenten geen exploitatiesubsidies. Voor de instandhouding van niet-woonhuis rijksmonumenten (onderhoud en restauratie) zijn de Sim en de provinciale restauratieregelingen beschikbaar. De Sim kent geen eisen ten aanzien van het gebruik en de toegankelijkheid. De provincie Noord-Holland stelt als eis dat het monument tenminste 24 dagen per jaar voor publiek toegankelijk is.
Acht u het wenselijk dat een gebouw met een eeuwenlange religieuze functie, dat tegenwoordig mede met publieke middelen in stand wordt gehouden, expliciet wordt uitgesloten van religieus gebruik, terwijl andere vormen van samenkomst wel zijn toegestaan?
Ik snap de teleurstelling van de Protestantse gemeente van Alkmaar. Ik heb vernomen dat de gemeente Alkmaar voornemens is om met partijen in gesprek te gaan.
Vindt u het verenigbaar met het doel van deze subsidies dat religieuze gemeenschappen worden uitgesloten van gebruik van religieus erfgoed, terwijl zij historisch en inhoudelijk nauw met dat erfgoed verbonden zijn?
Het doel van de subsidies is de instandhouding van het cultureel erfgoed. Voortgezet gebruik is doorgaans de beste manier om dit behoud te realiseren, maar als dat niet langer mogelijk is draagt herbestemming hier ook aan bij. Van geval tot geval moet dan worden bekeken welke mogelijkheden er zijn.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiebeleid van uw ministerie voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat met publieke middelen ondersteunde instellingen bepaalde levensbeschouwelijke groepen structureel uitsluiten?
Ik zie hier geen noodzaak toe aangezien de waarborgen tegen uitsluiting reeds in andere wetgeving vastliggen. Zie antwoord 4.
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met gemeenten en gesubsidieerde erfgoedinstellingen, richtlijnen te bevorderen waarin recht wordt gedaan aan zowel de culturele als de religieuze betekenis van voormalige kerkgebouwen?
Het programma Toekomst Religieus Erfgoed, waarin kerken, overheden en erfgoedinstellingen samenwerken, richt zich op zowel de culturele als de religieuze betekenis van kerkgebouwen. Dat vraagt altijd om maatwerk. Er zijn diverse handreikingen ontwikkeld die hier ondersteunend aan zijn, zoals de «Handreiking religieus erfgoed voor burgerlijke en kerkelijke gemeenten».2
Zijn er meerdere gevallen bekend waarbij subsidie wordt verstrekt aan eigenaren danwel beheerstichtingen van een historische kerk, maar waarbij kerkactiviteiten expliciet verboden zijn? Zo ja, hoeveel en in hoeveel gevallen subsidieert het Ministerie van OCW deze?
Nee, hiervan zijn mij geen gevallen bekend. Overigens is een verbod ook in dit specifieke geval niet aan de orde.
Hoe verhoudt zich dit tot de bedoeling van de opgestelde handreiking kerkenvisie?
De handreiking kerkenvisie is gericht op de totstandkoming van een kerkenvisie langs de lijnen van dialoog en overleg. Een kerkenvisie is een document aan de hand waarvan vervolgens keuzes gemaakt kunnen worden ten aanzien van de toekomst van kerkgebouwen. Die keuzes moeten zich houden aan geldende wet en regelgeving.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de motie Ceder die de regering verzoekt in samenspraak met Toekomst Religieus Erfgoed te verkennen op welke manier belemmeringen bij functiebehoud kunnen worden weggenomen om zo veel mogelijk kerkgebouwen een goede herbestemming te geven?2
In de Kamerbrief van 2 juni 2025 heeft mijn voorganger aangekondigd het programma Toekomst Religieus Erfgoed te zullen voortzetten en daarbij specifiek aandacht te hebben voor het nevengebruik van kerkgebouwen door (christelijke) migrantengemeenschappen en de mogelijke belemmeringen daarbij.4
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen en erfgoedorganisaties om te voorkomen dat religieus erfgoed vervreemdt van de gemeenschappen waarvoor het nog altijd een levende betekenis heeft?
Gesprekken over de relatie tussen religieuze gemeenschappen en het behoud van religieus erfgoed vinden doorlopend plaats binnen het Programma Toekomst Religieus Erfgoed.
Wilt u deze vragen uiterlijk voor de behandeling van de OCW-begroting beantwoorden?
Ja.
Fouten bij UWV over het partnerinkomen en toeslagen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er na de vaststelling van de uitkering bij de vaststelling van het recht op toeslagen door het UWV fouten zijn gemaakt doordat er verzuimd is het partnerinkomen te betrekken?
Een toeslag van UWV vult het bruto-gezinsinkomen aan tot maximaal het sociaal minimum dat geldt voor de leeftijd en leefsituatie van de uitkeringsgerechtigde. Er zijn diverse voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat een betrokkene in aanmerking komt voor een aanvullende toeslag vanuit de Toeslagenwet van UWV. UWV wijst uitkeringsgerechtigden op deze voorwaarden en controleert daar ook op. Zo ook op het zelf doorgeven van eigen inkomsten en eventuele partnerinkomsten aan UWV. UWV heeft in april 2025 geconstateerd dat bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de toeslag op de Ziektewetuitkering in een aantal gevallen de controle van het partnerinkomen is uitgebleven als gevolg van een systeemfout. De toeslag is in deze gevallen vastgesteld op basis van de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven inkomsten van de partner. Door deze systeemfout zijn deze gegevens niet gecontroleerd met de voor UWV beschikbare inkomstengegevens in de Polis administratie. Omdat uit ervaring blijkt dat uitkeringsgerechtigden de partnerinkomsten niet, niet altijd of niet volledig opgeven is het mogelijk dat hierdoor uitkeringsgerechtigden een te hoog of te laag bedrag als aanvulling vanuit de Toeslagenwet hebben ontvangen.
Klopt het dat mensen hierdoor onterecht of te hoge toeslagen hebben gekregen?
Op dit moment is er nog geen volledig beeld van de totale omvang van de betrokken groep en de financiële impact per persoon. Er wordt hier momenteel hard aan gewerkt, zodat zo snel mogelijk duidelijkheid kan worden geboden. Uit de eerste informatie ontstaat het beeld dat er in de meeste situaties geen financieel gevolg is geweest. In een deel van de situaties kan dit hebben geleid tot een te hoge of juist te lage toeslag.
Zodra er een volledig en zorgvuldig beeld beschikbaar is, zullen wij u hierover informeren via de eerstvolgende Stand van de Uitvoering. Eventuele herstelacties worden altijd via de Stand van de Uitvoering gecommuniceerd; dat zal in dit geval ook zo zijn.
Zo ja, hoe lang speelt dit?
De systeemfout deed zich voor in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025 als gevolg van een verouderde systeemkoppeling, waardoor gegevens uit het ene uitkeringssysteem niet werden doorgegeven aan een ander uitkeringssysteem. Hierdoor ontving de medewerker van UWV geen signaal wanneer de inkomstengegevens in de Polisadministratie afweken van de inkomstengegevens die de uitkeringsgerechtigde zelf had opgegeven.
Het wordt betreurd dat deze fout pas op een later moment is ontdekt. UWV werkt aan het verbeteren van de systemen en controles om dergelijke fouten in de toekomst eerder te signaleren en te voorkomen.
Klopt het dat er voorbereidingen getroffen worden om die toeslagen (deels) terug te vorderen?
SZW en UWV zijn op dit moment in overleg over de omvang en een passende herstelaanpak. Afhankelijk van de uitkomst kan deze herstelaanpak bestaan uit nabetalingen en, waar aan de orde, terugvorderingen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via de Stand van de Uitvoering.
Klopt het dat dit gaat om grote bedragen en daarmee grote terugvorderingen? Kunt u een inschatting geven van het maximale en gemiddelde bedrag per persoon? Kunt u aangeven om hoe veel mensen dit gaat?
Op dit moment is nog geen volledig beeld beschikbaar van de totale omvang van de betrokken groep en van de financiële impact per persoon. Er wordt momenteel hard aan gewerkt om deze duidelijkheid zo snel mogelijk te verkrijgen, waarbij het van belang is de informatie zorgvuldig en volledig vast te stellen voordat hierover uitspraken worden gedaan.
Bent u hierover geïnformeerd? Zo ja, wanneer? Kunt u aangeven wanneer het UWV al op de hoogte was hiervan?
UWV heeft de fout in april 2025 geconstateerd, waarna nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten ben ik geïnformeerd over de geconstateerde systeemfout op 18 november 2025. De Kamer wordt over herstelacties altijd geïnformeerd in de Stand van de uitvoering.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 6 februari beantwoorden?
Voor de beantwoording van Kamervragen hanteren we de afgesproken termijn van drie weken. In dit geval is tegemoet gekomen aan u wens om de beantwoording van uw vragen zo spoedig mogelijk aan u te doen toekomen.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Tieman , David van Weel (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
De door u aangehaalde veiligheidssituatie, vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen vereisen grote urgentie voor het maken van wetgeving. Het voorbereiden van wetgeving vraagt echter tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben. Nederland blijft in de tussentijd op alle mogelijke manieren werken aan de aanpak van de schaduwvloot.
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Het kabinet kijkt naar manieren om zo snel mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen de schaduwvloot en zal uw kamer hierover in de nabije toekomst nader informeren.
Ook bestaat de mogelijkheid u in een technische briefing nader te informeren.
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Zie antwoord vraag 2.
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. Het voorbereiden van wetgeving vraagt tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben.
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Voor zover bekend is het Franse optreden gebaseerd op bestaande Franse wetgeving.
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
De aangekondigde wetgeving betreft geen wetgeving ter uitvoering of naleving van sancties. Er wordt met spoed gewerkt aan het robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden. Ook wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Hierin wordt de mogelijkheid meegenomen schepen aan te houden en verplicht te laten uitwijken naar aangewezen ankerplaatsen voor inspectie en, in het uiterste geval, de inbeslagname van een vals gevlagd schip.
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Zonder op details te kunnen ingaan, wordt deze optie verkend.