| Ingediend | 13 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 23 april 2026 (na 41 dagen) |
| Indiener | Doğukan Ergin (DENK) |
| Beantwoord door | Rob Jetten (D66), Letschert |
| Onderwerpen | recht staatsrecht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z05110.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1736.html |
Ja.
Het is in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van bewindspersonen en voormalige bewindspersonen om te waken voor (mogelijke) belangenverstrengeling. Daarbij zijn zij uiteraard gehouden aan de geldende wet- en regelgeving.
Zie antwoord op vraag 2.
De heer Moes nam als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deel aan de wekelijkse ministerraden en onderraden, waarbij dergelijke onderwerpen zijn besproken. Daarnaast was het onderwerp cultuurbeleid onderdeel van de portefeuille van de heer Moes. Op grond van de artikelen 98 en 272 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van het Reglement van orde van de ministerraad bestaat er een geheimhoudingsplicht ten aanzien van ambtsgeheimen, staatsgeheimen en ten aanzien van hetgeen tijdens vergaderingen van de ministerraad besproken wordt of geschiedt. Dat geldt ook voor vergaderingen van onderraden en van commissies uit de ministerraad. Deze geheimhoudingsplicht blijft ook na ontslag uit het ambt van bewindspersoon bestaan.
Zie antwoord op vraag 4.
Zie antwoord op vraag 2.
Ja, voor zover het gaat om beoogde vervolgfuncties waarop deze wet betrekking heeft, te weten dienstverbanden bij private en semipublieke werkgevers. Ook ten aanzien van beoogde vervolgfuncties in de publieke sector bestaat deze adviesverplichting, tenzij het gaat om één van de uitzonderingen genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet. Bij een dienstverband gaat het om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht.
Ik heb van het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (Arpa) begrepen dat de heer Moes geen advies omtrent het aangaan van deze functie heeft gevraagd. Daartoe zou ook geen verplichting bestaan indien het gaat om een onbezoldigde functie. Het Arpa heeft overigens geen actieve onderzoeksplicht.
Indien sprake is van een onbezoldigde functie, bestaat er op basis van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen geen verplichting tot het vragen van advies aan het Arpa.
Ja.
De heer Moes heeft, voor zover wij kunnen overzien, geen contact gezocht met ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie».
Nee.
In de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen is een lobbyverbod opgenomen dat inhoudt dat een voormalig bewindspersoon gedurende twee jaar na zijn ontslag geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie, en ook niet met ambtenaren van andere ministeries voor zover het gaat om aanpalende beleidsterreinen. Doel van dit lobbyverbod is het tegengaan van (het risico op) belangenverstrengeling. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan door de Minister-President, na een advies van het Arpa, ontheffing van het lobbyverbod worden verleend indien daarom wordt verzocht. Het spreekt voor zich dat de Minister-President met deze bevoegdheid terughoudend omgaat, aangezien ontheffing een afwijking van de wettelijke hoofdregel betekent. In de onderhavige casus is, zoals aangegeven in antwoord 12, geen sprake van ontheffing van het lobbyverbod.
De voormalige bewindspersonen uit het kabinet-Schoof zijn gehouden aan de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.
De verplichting om advies aan het Arpa te vragen over een beoogde vervolgfunctie heeft volgens de wet alleen betrekking op dienstverbanden (met uitzondering van de functies die zijn genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet). Bij een dienstverband gaat het, zoals gezegd, om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht. Onbezoldigde functies of opdrachten vallen dus niet onder de adviesverplichting. Als dat wel het geval zou zijn, zou voor allerlei soorten vrijwilligerswerk advies aan het Arpa moeten worden gevraagd. De wetgever heeft dit niet wenselijk geacht.
Op basis van artikel 8 van de wet zal drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie plaatsvinden omtrent de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Ik acht het voorstelbaar dat de afbakening voor wat betreft de adviesverplichting onderdeel uitmaakt van deze evaluatie.
Overigens is de reikwijdte van het lobbyverbod op basis van artikel 4, eerste lid, van de wet niet beperkt tot bezoldigde functies of opdrachten.
Ja.
Hierbij deel ik u mede dat de aan Minister-President en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gestelde vragen van het lid Ergin (DENK) over de rol van voormalig Minister Gouke Moes bij een rechtszaak tegen de Staat, door de Minister-President aan mij zijn overgedragen. Het is helaas niet mogelijk om binnen de gestelde termijn van drie weken (voor 3 april a.s.) de vragen te beantwoorden, omdat er afstemming nodig is met betrokken departementen en het adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers. Het streven is om de beantwoording zo spoedig mogelijk aan uw Kamer te doen toekomen.