De mobiele eenheid voor Utrecht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dijksma wil eigen ME, Minister geschrokken van impact ongeregeldheden Overvecht op agenten»1 en «Sneller inzetbare ME: waarom Utrecht naar Den Haag en Rotterdam kijkt»2?
Ja.
Op grond van welke criteria wordt bepaald of een stad een eigen paraat peloton van de Mobiele Eenheid (ME) krijgt?
In de bijlagen bij de Regeling ME 2025 zijn de basiseenheden, watergetrainde eenheden en specialistische eenheden van de ME verdeeld over de verschillende regionale eenheden en de Eenheid landelijke expertise en operaties. Binnen deze kaders kan elke regionale eenheid zelf besluiten hoe de paraatheid van de ME binnen de regio is georganiseerd. De regeling wijst geen «paraat ME-peloton» toe aan specifieke steden, zoals Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er zijn ook geen criteria op basis waarvan wordt bepaald of een stad een eigen «paraat ME peloton» krijgt.
Artikel 13, eerste lid, Regeling mobiele eenheid politie 2025 bepaalt dat de korpschef ervoor zorgdraagt dat in iedere regionale eenheid ten minste één sectie van een basiseenheid ME binnen anderhalf uur op de opkomstlocatie aanwezig en gereed voor inzet is. «Gereed voor inzet» betekent dat de leden van de mobiele eenheden de benodigde kleding en uitrusting aan hebben en dat zij gebriefd zijn. Een peloton ME bestaat uit twee secties (artikel 2, lid 4 Regeling mobiele eenheid 2025).3
Het is aan de eenheden zelf om in overleg met de lokale bevoegde gezagen te bepalen of zij een sectie of een peloton ME direct in plaats van binnen anderhalf uur klaar heeft staan voor inzet in een specifieke stad.
Waarom heeft Utrecht geen eigen paraat ME-peloton? Wat betekent dat voor de ME-paraatheid in die stad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de genoemde politiesocioloog dat een paraat ME-peloton het verschil kan maken bij een effectieve aanpak van ongeregeldheden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het voordeel van een direct inzetbare sectie of peloton ME is dat zij direct naar de locatie kunnen gaan waar een openbare ordeverstoring plaatsvindt. Of en in hoeverre dat een verschil kan maken bij het optreden tegen ongeregeldheden, hangt af van de schaal, de omstandigheden en de complexiteit van de openbare ordeverstoring. De keuze voor een direct inzetbare sectie of peloton ME zal gevolgen hebben voor de beschikbare politiecapaciteit op andere plekken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat bij gebrek aan een eigen ME-peloton agenten in Utrecht langer moeten wachten op ondersteuning van de ME dan in andere grote steden? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor eerder in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, moet in elke eenheid ten minste één sectie ME binnen anderhalf uur inzet gereed zijn. Hoe sneller zo’n sectie of peloton gereed is voor inzet, hoe korter agenten in de Basispolitiezorg moeten wachten op assistentie van de ME. De lengte van de tijdsduur waarbinnen een sectie of peloton binnen een politie-eenheid inzet gereed is op een specifieke locatie of in een stad, is een keuze die op lokaal niveau wordt gemaakt. De burgemeester van Utrecht zal hierover in gesprek moeten gaan met de politiechef en de andere burgemeesters binnen de eenheid. Ik treed daar niet in.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat er ook voor Utrecht een paraat peloton ME beschikbaar moet komen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dat bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt er dan wel voor een snellere inzet van de ME in die stad gezorgd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het Argos-bericht 'Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen» van Argos?1
Ja.
In uw Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 60) geeft u aan: «Bij wijze van uitzondering en omdat ik in deze casus extra waarde hecht aan transparantie, informeer ik uw Kamer vooraf.» Klopt het dat u tot een brief over bent gegaan na vragen van Argos? Zo nee, waarom maakt u dan deze uitzondering?
Het besluit om de Kamer vooraf te informeren is gemaakt omdat ik voornemens ben om een Letter of Acceptance (LOA) te tekenen op 8 april aanstaande en zoals in de brief vermeld, waarde hecht aan transparantie en het tijdig informeren van de Kamer.
Welke commitment geeft Nederland aan het CCA-programma, nu en in de toekomst, bij het tekenen van de letter of acceptance?
Defensie gaat met het tekenen van de LOA een eenmalige verplichting aan richting de Amerikaanse overheid in de bandbreedte 50–250 miljoen2. Daarmee krijgen Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over het CCA testprogramma.
In hoeverre zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten uit dit programma intellectueel eigendom zijn van de Nederlandse overheid?
Het programma deelt de experimentele data en analyses van het Amerikaanse testprogramma CCA met Nederland. Op grond van de LOA worden nadere samenwerkingsafspraken, onder andere op gebied van intellectueel eigendom, uitgewerkt.
Op welke manier zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten later gebruikt kunnen worden ter bevordering van een Europees alternatief?
De opgebouwde kennis stelt Defensie in staat om in de toekomst beter geïnformeerde afwegingen te maken t.a.v. toekomstige materiaalverwerving. En geeft Nederland de mogelijkheid om beter geïnformeerd in eventuele andere Europese programma's te kunnen deelnemen, indien dit opportuun is in de toekomst.
Kunt u aangeven waarvoor het benodigde budget van € 50–100 miljoen wordt gebruikt?
Om als partner in het Amerikaanse programma deel te nemen, betaalt Defensie een Buy in Fee in de vorm van een financiële bijdrage. Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR krijgen als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over CCA.
Bent u voornemens om twee testtoestellen aan te schaffen?
Door Defensie worden geen testtoestellen aangeschaft, maar wordt toegang verkregen tot het Amerikaanse CCA-programma.
Oorspronkelijk, voorafgaand aan het ondertekenen van de LOI op 16 oktober 2025, ging Defensie er vanuit dat deelname aan het onderzoeksprogramma mogelijk was door middel van aanschaf van twee testtoestellen. Dit bleek anders, zoals ook in de LOA is verwoord. Er is door de Verenigde Staten gevraagd om een financiële bijdrage ter hoogte van de aankoop van twee testtoestellen voor deelname aan het CCA programma, waarna Nederland de beschikking krijgt over de testdata en analyse. De testtoestellen blijven eigendom van de Verenigde Staten.
Waarom is de Kamer in de voorgaande Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 56) over CCA niet ingelicht over het aanschaffen van testtoestellen?
Het aanschaffen van testtoestellen is niet aan de orde, zie vraag 7.
Worden er binnen het ministerie momenteel al vervolgstappen besproken om het inkooptraject van het CCA te vorderen, naast het aanschaffen van de twee testtoestellen? Zo ja, welke?
Nee, daar is hier geen sprake van.
Op basis van welke gronden kan de Nederlandse overheid nog uit het project stappen?
Na ondertekening van de LOA zullen nadere afspraken gemaakt worden over de inrichting van de Nederlandse deelname middels een Project Arrangement. Volgens de LOA is het mogelijk om uit het project te stappen met inachtneming van annuleringskosten. De details van de annuleringsgronden- en kosten staan in de LOA toegelicht en zijn commercieel vertrouwelijk.
Welke afspraken zijn daaromtrent gemaakt en welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat de verdere integratie van CCA met de vijfde generatie jachtvliegtuigen onze afhankelijkheid van het Amerikaanse defensie-ecosysteem vergroot? Waarom wel, waarom niet?
De doorontwikkeling van het vijfde generatie jachtvliegtuig staat los van Nederlandse deelname aan dit Amerikaanse CCA programma. Nederland maakt op dit moment geen aanschafkeuze in onbemenste jachtvliegcapaciteit.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, dat Nederland verder geïntegreerd raakt in het Amerikaanse defensie-ecosysteem? Indien u deze zorg deelt, kunt u dan uitleggen hoe deze verdere integratie bijdraagt aan het onafhankelijker worden?
Als Nederland en Europa nemen we meer verantwoordelijkheid t.a.v. onze veiligheid en de verdediging van ons eigen continent. In het regeerakkoord is afgesproken om afhankelijkheden van buiten Europa af te bouwen en dat we voorop blijven in het toewerken naar een versterkte Europese pijler binnen de NAVO. Het Kabinet streeft daarom naar een meer gelijkwaardige trans-Atlantische relatie en een meer evenwichtige verdeling van de lasten binnen de NAVO. Echter houdt Defensie belang bij materieel- en industriesamenwerking met de VS, omdat we op bepaalde capaciteitsgebieden voorlopig afhankelijk zijn van kennis, onderdelen en ondersteuning vanuit de VS.
Bent u ermee bekend dat Anduril nauw samenwerkt met Palantir?
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van Anduril CEO Palmer Luckey: «So, to me, there's no moral high ground in using inferior technology, even if it allows you to say things like, «We never let a robot decide who lives and who dies,»» en van Palantir CEO Alex Karp «I love the idea of getting a drone and having light fentanyl-laced urine spraying on analysts that tried to screw us.»? In hoeverre bent u comfortabel met het uitbesteden van onze AI-defensiecapaciteiten aan deze personen?
Met deelname aan het programma wil Defensie kennis en data vergaren voor de mogelijke aanschaf, integratie en inzet van CCA in de verdere toekomst. Het gaat hier niet over het uitbesteden van defensiecapaciteiten. Daarnaast ga ik niet in op uitspraken van personen die geen betrekking hebben op CCA of de overeenkomst die ik van plan ben te sluiten met de Amerikaanse overheid.
Kunt u reflecteren op de uitspraak over Palantir van Italiaanse onderzoeker Francesca Bria in Follow the Money: «Het is een arm van de Amerikaanse veiligheidsstaat: een particulier instrument van geopolitieke macht. Als Europese overheden hun tools kopen, kopen ze niet alleen software: ze geven soevereiniteit op. Als je in zo’n bedrijf investeert, financier je de oorlog tegen Europese democratie.»?
Er is geen sprake van aanschaf van Amerikaans materiaal, enkel deelname aan een programma. Hiermee kan Defensie de benodigde kennis en data vergaren om later de juiste investeringskeuzes te kunnen maken. Door deelname aan het Amerikaanse programma, vergaren we ook kennis die we in Nederland en in Europees verband kunnen benutten of inzetten. Binnen het programma krijgen de kennisinstituten TNO en NLR mogelijkheden voor samenwerking, het opdoen van de nodige kennis en het vergaren van data.
Hoe verhoudt de samenwerking met deze bedrijven zich tot de verklaring over het gebruik van AI op Responsible AI in the Military Domain (REAIM), welke Nederland wel en de VS niet getekend hebben?
De software is gebaseerd op een open architectuur en geen eigendom van betrokken bedrijven, maar van de Amerikaanse overheid. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain (REAIM).
Hoe verhoudt de samenwerking zich met de uitspraken van Pete Hegseth, Amerikaanse Minister van Oorlog: «De AI van het Ministerie van Oorlog zal niet woke zijn.» en «Geen domme gevechtsregels, geen moeras van natie-opbouw, geen oefening in het bouwen van democratie, geen politiek correcte oorlogen»?
Defensie voert zijn activiteiten op het gebied van AI uit conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain.
Heeft het ministerie contact gezocht met Italië, het Verenigd Koninkrijk, dan wel met Japan, om te verkennen wat hun plannen zijn voor onbemenste vliegtuigen en of Nederland daaraan kan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Defensie doet sinds 2023 onderzoek en heeft veelvuldig informeel contact gehad met verschillende partijen. Hieruit blijkt o.a. dat het Global Combat Air Program (GCAP) in een conceptstadium zit met een initiële focus op bemenste zesde generatie vliegtuigen als opvolger van de vierde generatie jachtvliegtuigen van Italië, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Dit past nu niet bij de wens van Defensie om kennis te vergaren over onbemenste gevechtsvliegtuigen en daarom is niet formeel de vraag gesteld voor samenwerking.
In de Kamerbrief van 19 maart schrijft u dat: «[twee Europese samenwerkingsprogramma’s] bieden op dit moment geen mogelijkheden tot deelname aan een kennis- en innovatieprogramma voor onbemenste gevechtsvliegtuigen.»; waarom heeft u er niet voor gekozen om deze in samenwerking met andere landen op te zetten en in plaats daarvan uit te wijken naar de Amerikanen?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project, zoals vermeld in Kamerstuk 36 592 nr.60. Het doel is waar mogelijk kennis en ervaring op te doen, om in de toekomst beter geïnformeerde materiaalverwerving te kunnen doen. Het Amerikaanse CCA programma biedt nu de kans om kennis, data en analyses in de concept, test en ontwikkelfase te vergaren. Overige programma’s bieden dit vooralsnog niet, maar blijven nauwlettend gevolgd worden.
Kunt u deze vragen apart en voor 8 april 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Het rapport 'Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid»?1
Ja, dit rapport uit 2007 is mij bekend.
Kunt u bevestigen dat in dit rapport wordt gesteld dat bij aanwezigheid van wolven interacties met recreanten voor de hand liggen en dat (zelfs dodelijke) ongelukken met mensen, waaronder kinderen, niet volledig kunnen worden uitgesloten?
Ja. In het rapport wordt aangegeven dat, bij een introductie van wolven in de Amsterdamse Waterleidingduinen, interacties met recreanten voor de hand liggen gezien het grote aantal bezoekers.
Hoe beoordeelt u deze constatering in het licht van de huidige situatie waarin wolven zich structureel in Nederland lijken te vestigen?
Ik vind het zeer onwenselijk dat mensen met wolven in contact komen en zet me in om incidenten tegen te gaan. Interacties tussen wolven en mensen zijn in de bestaande leefgebieden van wolven helaas niet volledig uit te sluiten.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer sprake is van een voorzienbaar risico voor burgers door de aanwezigheid van wolven?
Er bestaan momenteel geen eenduidige criteria voor een voorzienbaar risico. In leefgebieden van wolven bestaat altijd de kans op contact tussen een mens en een wolf. Via het Landelijk Informatiepunt Wolven wordt informatie gegeven hoe burgers kunnen handelen in het geval er een ontmoeting met een wolf plaatsvindt. Met deze informatie wordt het risico op incidenten zo veel mogelijk verkleind.
Daarnaast ga ik ook verder met de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), waar mijn voorganger zich hard voor heeft ingezet. In deze AMvB zijn criteria opgenomen voor de bepaling of sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Hieraan zijn specifieke beoordelingsregels gekoppeld voor het doden van wolven die daadwerkelijk een (ernstige) bedreiging voor mensen en gehouden dieren kunnen vormen, of voor het tijdelijk wegvangen met het oog op het aanbrengen van een zender zodat een wolf die mogelijk problemen voor mensen kan gaan veroorzaken kan worden gevolgd. De AMvB voorziet in wijziging op dit punt van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Waar zijn deze criteria beleidsmatig of juridisch vastgelegd?
Zie het antwoord op vraag 4.
Erkent u dat een expliciete afweging tussen deze belangen noodzakelijk is wanneer bescherming van een diersoort structureel botst met grondrechten van burgers?
Bij het maken van beleid zal steeds een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen de verschillende relevante belangen enerzijds en verplichtingen anderzijds, binnen de kaders van de Europese wetgeving. De Habitatrichtlijn biedt ook bij beschermde diersoorten mogelijkheden voor ingrijpen als bijvoorbeeld de veiligheid of de volksgezondheid in het geding komen.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid rekening gehouden met de veiligheid van recreanten in drukbezochte natuurgebieden, waaronder gezinnen met kinderen?
Ik wil er met de eerder genoemde AMvB voor gaan zorgen dat incidenten zoveel mogelijk beperkt worden. Slechts wanneer incidenten onvoldoende voorkomen kunnen worden, zal het mogelijk sluiten van gebied een optie zijn. Provincies, gemeenten en terreineigenaren van recreatiegebieden maken met elkaar afspraken over de veiligheid van recreanten. Waar nodig wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven in het gebied en hoe te handelen bij een eventuele confrontatie en in het uiterste geval kunnen gebieden tijdelijk worden afgesloten.
Zijn er actuele risicoanalyses uitgevoerd naar mogelijke interacties tussen wolven en mensen in Nederlandse natuurgebieden? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Terreineigenaren kunnen samen met provincies en burgemeesters, als bevoegd gezag, per gebied risicoanalyses uitvoeren wanneer zij hiertoe aanleiding zien. Mij zijn geen risicoanalyses bekend.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid invulling gegeven aan de zorgplicht van de overheid voor de bescherming van het recht op leven en veiligheid van burgers, zoals onder meer beschermd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Ik vind veiligheid heel belangrijk en werk daarom aan de AMvB zoals genoemd in het antwoord op vraag 4. Bij het maken van beleid worden steeds de verschillende relevante belangen en wettelijke plichten en taken mee. Waar het de belangenafweging betreft in samenhang met de bescherming van diersoorten, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Hoe worden het recht op privéleven en woning (artikel 8 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) betrokken bij de afwegingen binnen het wolvenbeleid?
Ook het eigendomsrecht is een op grond van de Habitatrichtlijn erkend belang dat ingrijpen bij beschermde diersoorten kan rechtvaardigen. Het recht op privéleven en woning, is een recht dat zich primair doet gelden tegen inbreuken door de overheid, en indirect ook een verplichting in zich houdt voor de overheid om maatregelen tegen inbreuken door andere burgers of bedrijven te treffen. Het artikel ziet niet op wolven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Welke protocollen en interventiemaatregelen bestaan er voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen?
Provincies hebben in hun provinciale Wolvenplan 2025 interventierichtlijnen vastgelegd.2 In deze interventierichtlijnen wordt ook aandacht besteed aan situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft een handelingsperspectief voor burgemeesters opgesteld met daarin eveneens aandacht voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen.3 Beide documenten zijn openbaar beschikbaar.
Wie draagt bestuurlijk en juridisch de verantwoordelijkheid indien zich een ernstig (mogelijk dodelijk) incident voordoet tussen een wolf en een mens en hoe is deze verantwoordelijkheid vastgelegd?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheid ligt op grond van de Gemeentewet bij de burgemeester, die in dat kader ook bijzondere (nood)bevoegdheden heeft. Gedeputeerde staten van de provincies zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het afschot van probleemwolven of het vangen van wolven met het oog op het zenderen en monitoren als er een probleemsituatie met de wolf. Met de AMvB neem ik mijn verantwoordelijkheid om ernstige incidenten zo veel mogelijk te voorkomen.
Aangezien wolven geen gehouden dieren zijn, geldt op dit punt geen risicoaansprakelijkheid. Ten algemene is de overheid aanspreekbaar in het civiele recht als zij onrechtmatig heeft gehandeld, waaronder begrepen handelen of nalaten in strijd met de zorgvuldigheid die de overheid betaamt. Er wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan het wolvenbeleid om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik provincies en burgemeesters hier zo goed mogelijk in.
Kunt u toelichten welke mogelijkheden burgemeesters hebben om op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten?
Een burgemeester kan op grond van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet een noodbevel geven of noodverordening te stellen als sprake is van limitatief opgesomde uitzonderlijke situaties in het kader van de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Bij de invulling van de vraag of sprake is van zulke omstandigheden komt de burgemeester een zekere beoordelingsruimte toe. Wel wordt de noodbevoegdheid restrictief uitgelegd. Aan de hand van specifieke omstandigheden zal in een concrete situatie moeten worden beoordeeld of deze situatie zich voordoet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat een wolf zich in de nabijheid van mensen ophoudt en blijk geeft van een agressieve houding. Een noodbevel kan bijvoorbeeld worden ingezet om een eigenaar van een landgoed op te dragen dat grondgebied voor het publiek gesloten te houden bij ernstig gevaar van één of meerdere wolven. Noodverordeningen worden gehanteerd voor een algemeen verbod voor personen om in een risicovol gebied aanwezig te zijn. Een noodbevel van de burgemeester is veelal van tijdelijke aard, en ook alleen mogelijk in die situaties waarin de inzet van de reguliere bevoegdheden van het desbetreffende provinciebestuur op grond van de Omgevingswet niet kan worden afgewacht.
Met de AMvB wordt het mogelijk om wolven zonder vergunning te verjagen. Ook zal de AMvB burgemeesters helpen om sneller en adequater op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten.
In hoeverre acht u deze mogelijkheden in de praktijk toereikend?
Ik realiseer me dat verschillende burgemeesters op zoek zijn naar de juiste mogelijkheden om in te kunnen grijpen bij incidenten met wolven. Zorgvuldige voorbereiding, duidelijke protocollen en afstemming met deskundigen zijn doorslaggevend om rechtmatig en effectief te kunnen handelen in situaties met wolven. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik hen hier zo goed mogelijk in. Ook het landelijk deskundigenteam dat in oprichting is, kan hierbij gaan helpen.
Kunt u daarnaast verklaren waarom burgemeesters in de praktijk terughoudend lijken te zijn om van deze bevoegdheden gebruik te maken?
Het is mij niet bekend dat burgemeesters terughoudend zijn bij het optreden in gevallen van incidenten met wolven. Zoals ik in het antwoord op vraag 14 heb aangegeven, realiseer ik me wel dat het niet eenvoudig is voor burgemeesters om een zorgvuldige afweging te maken bij hun handelen. Ik wil niet speculeren over de mogelijke beweegredenen van burgemeesters in de uitoefening van hun ambt.
Deelt u de opvatting dat onduidelijkheid over bevoegdheden kan leiden tot handelingsverlegenheid bij burgemeesters?
Ik ben van mening dat de bevoegdheden voor iedereen voldoende duidelijk zijn. Ondanks dat ben ik me er van bewust dat burgemeesters zich in een spanningsveld kunnen bevinden waarbij zij enerzijds verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de openbare orde en veiligheid en anderzijds moeten opereren binnen de strikte kaders van de Omgevingswet.
Waarom worden incidenten, angstbeleving, aantasting van leefbaarheid en economische schade in het wolvendossier vaak aangeduid als «maatschappelijke acceptatieproblemen» en niet als beleidsrelevante indicatoren voor veiligheid en leefbaarheid?
Voor mij zijn incidenten, angstbeleving en economische schade in het wolvendossier zeer relevante aspecten waar ik ook zeker rekening mee houd. Ik vind het heel belangrijk dat mensen zich veilig voelen in hun leefomgeving en dat ook het platteland leefbaar is en kinderen zonder angst naar school kunnen fietsen.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
Het bericht ‘Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen»?1
Ja.
Hoe voorziet u, naast toetreding tot het Amerikaanse CCA-programma, concreet aan te sluiten op Europese ontwikkelingen? Kunt u een plan van aanpak aan de Kamer verstrekken?
In de brief van 19 maart jl. (Kamerstuk 36 592 nr. 60) is toegelicht dat Defensie door deelneming in het CCA-programma nu concrete kansen kan benutten voor het opdoen van kennis tijdens de fase van test, onderzoek en ontwikkeling van onbemenste gevechtsvliegtuigen die kunnen samenwerken met bemenste jachtvliegtuigen. De twee genoemde grotere internationale samenwerkingsprogramma’s voor toekomstige jachtvliegtuigen, waar eventuele onbemenste gevechtscapaciteit onderdeel van uitmaakt, zijn in een beginstadium en bieden deze mogelijkheden (nog) niet. Dit neemt niet weg dat Defensie in het programma MOBIUS de mogelijkheden blijft verkennen van deelname aan andere programma’s voor kennisopbouw en ontwikkeling van dit soort systemen, wereldwijd en specifiek in Europees verband. Defensie werkt daarnaast in NAVO en in EU-verband en bilateraal met verschillende partners nauw samen op kennis- en innovatiegebied in het luchtdomein en wisselt in dit kader informatie uit over het opzetten van kansrijke projecten en initiatieven, waaronder op de gebieden van onbemenste systemen en autonomie.
Wat betreft de ambitie om aan te sluiten op Europese alternatieven; hoe gaat u om met het risico dat het ene Europese alternatief, «Future Combat Aircraft System» met daarbij behorende onbemenste systemen («Remote Carriers»), zo goed als stukgelopen is, en het andere Europese alternatief «Global Combat Air Program» zich met name richt op een volgende generatie bemenste jachtvliegtuig?
Geïntegreerde onbemenste luchtsystemen kunnen de effectiviteit van bemenste gevechtsvliegtuigen aanzienlijk vergroten en zijn sneller en goedkoper te produceren dan traditionele bemenste gevechtsvliegtuigen. De ontwikkelingen gaan snel en het is daarom aannemelijk dat bestaande trajecten van Europese landen worden doorontwikkeld of aangevuld met nieuwe initiatieven voor de toekomstige integratie van onbemenste luchtsystemen. Door deelname aan het Amerikaanse programma kan Defensie nu kennis vergaren waarmee we voorop lopen in deze ontwikkeling. Dit kan ook van nut zijn bij eventueel toekomstige deelname aan programma’s met Europese partners.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van kunstmatige intelligentie bij militaire inzet staat nog in de kinderschoenen; wat is uw plan als de kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse CCA-programma niet aansluit op Europese of Nederlandse standaarden? Hoe gaat u om met de risico’s? Bent u voornemens om, indien het niet aansluit, zelf alternatieven binnen Europese standaarden te ontwikkelen?
Het Amerikaanse CCA programma ontwikkelt de software in een open architectuur. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform Nederlandse dan wel Europese standaarden.
In uw recente Kamerbrief van 19 maart 2026 (Kamerstuk 36 592, nr. 60) schrijft u mogelijkheden te onderzoeken om de Nederlandse innovatieve industrie aan te laten sluiten bij de ontwikkeling van CCA in de toekomst; bent u bereid te verkennen of Nederland het voortouw kan nemen in de Europese ontwikkeling van onbemenste systemen zoals «Collaborative Combat Aircraft» of «Remote Carriers», overwegende dat dit complementair kan zijn aan huidige internationale initiatieven en de kennis en kunde in Nederland beschikbaar is?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project. Deelname aan het Amerikaanse CCA programma biedt unieke kansen op kennisopbouw om deze verkenning zorgvuldig uit te kunnen voeren.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er nog meer misstanden waren bij een vruchtbaarheidskliniek in Leiderdorp |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Oud zaad» en liegen tegen de Inspectie: meer misstanden in kliniek Leiderdorp»?1
Ja.
Klopt het dat de kliniek jarenlang bewust in strijd handelde met de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal kinderen per donor?
Het CBO-advies uit 1992 was tot aan de verschijning van het Landelijk standpunt spermadonatie in 2018 een gezaghebbend en breed gedragen document dat destijds binnen de beroepsgroep richting gaf aan het handelen van zorgverleners; zij moesten zich ertoe verhouden. In dit CBO-advies stond het maximum van 25 donorkinderen per spermadonor beschreven. Het maximum van 25 behoorde daarmee tot de destijds gangbare en breed gedragen beroepspraktijk. Wel moet worden erkend dat het CBO-advies niet volledig eenduidig was over het aantal van 25 donorkinderen, omdat er enige ruimte overbleef voor het afwijken van het maximumaantal. Bij afwijkingen van beroepsnormen gelden wel altijd voorwaarden voor de arts. Hierbij valt te denken aan een goede en transparante onderbouwing van de afwijking (het «pas toe of leg uit»-principe), en expliciete toestemming van de patiënt – de donor en wensmoeder. De Kamer ontvangt gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen een brief waarin duidelijkheid wordt gegeven over het CBO-advies.
Sinds 2018 geldt het Landelijk standpunt spermadonatie van de Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM), waarin niet langer werd uitgegaan van maximaal 25 kinderen, maar van maximaal 12 gezinnen per donor. Sinds 1 april 2025 is een maximum van 12 vrouwen per donor wettelijk vastgelegd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.
Het feit dat tussen 2006 en 2017 bij Medisch Centrum Kinderwens (MCK) in Leiderdorp is afgeweken van het destijds geldende maximum van 25 kinderen per donor, is sinds de zomer van 2025 bekend. Het kabinet is van mening dat er in het verleden onwenselijke overschrijdingen van het destijds geldende maximumaantal kinderen per spermadonor hebben plaatsgevonden. De situatie bij MCK, hoe dit heeft kunnen ontstaan en hoe MCK de ouders en donoren hierover voorlichtte, is onderdeel van het lopende onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij MCK.
Klopt het dat de kliniek in 2015 bewust loog tegen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over het beleid ten aanzien van massadonatie?
De afwijking bij MCK ten aanzien van het maximumaantal kinderen per spermadonor, zoals staat beschreven in het CBO-advies, is onderdeel van het onderzoek dat de IGJ op dit moment uitvoert. De IGJ doet nooit uitspraken over lopende onderzoeken. Het kabinet wacht het onderzoek af.
Klopt het dat de kliniek tot op heden nooit zelf melding heeft gemaakt bij de IGJ ten aanzien van de overschrijdingen van de richtlijnen?
De inspectie doet geen uitspraken over meldingen die bij haar worden gedaan. Zeker in dit geval is dat niet mogelijk, aangezien er sprake is van een nog lopend onderzoek. Het kabinet wacht dus eerst de afronding van het inspectieonderzoek af.
Als het antwoord op de vorige vragen bevestigend is, hoe kan dat een kliniek die jarenlang de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal donoren aan de laars lapte, nog steeds geopend is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven welke handhavingsmogelijkheden de IGJ heeft op het moment dat een zorgaanbieder bewust informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt aan de IGJ?
Wat betreft het achterhouden van informatie geldt dat eenieder verplicht is mee te werken aan het toezicht van de IGJ. Als deze medewerking niet wordt verleend, dan bestaat de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen om medewerking af te dwingen.
Wat betreft het bewust verstrekken van onjuiste informatie, geldt dat indien de IGJ vaststelt dat onjuiste informatie is verstrekt, daarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de interventie. Wanneer een zorgaanbieder bewust onjuiste informatie verstrekt, kan dat het vertrouwen van de IGJ in de houding, intenties en verbeterkracht van de zorgaanbieder verminderen en, afhankelijk van de ernst en risico’s, aanleiding zijn voor een zwaardere interventie, waaronder een handhavingsmaatregel. Het bewust verstrekken van onjuiste informatie is voornamelijk van belang in het kader van het beoordelen van het vertrouwen in de intenties om kwalitatief goede zorg te verlenen en daarmee de inschatting van de kans op herhaling in de toekomst. Dit volgt uit het algemeen interventiebeleid van de IGJ.
Wat is de stand van zaken van het lopende onderzoek van de IGJ naar deze kliniek? Wordt deze nieuwe informatie bij het onderzoek betrokken?
De IGJ doet geen uitspraken over lopend onderzoek. Wel heeft de IGJ aangegeven de nieuwe informatie te bestuderen.
Vindt u het ook tijd om een grootschalig en onafhankelijk onderzoek te starten naar missstanden bij fertiliteitsklinieken in de afgelopen decennia?
Het kabinet beraadt zich momenteel op de vraag of een landelijk, historisch onderzoek naar donorconceptie in Nederland mogelijk en gewenst is, en zo ja, hoe dat vorm zou kunnen krijgen. Ondertussen werkt het kabinet verder aan verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Daartoe zijn bijvoorbeeld maatregelen in voorbereiding om massadonatie als gevolg van het gebruik van buitenlandse spermadonoren beter te reguleren. Deze maatregelen zijn op 12 februari jl.2 met de Kamer gedeeld.
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht dat VanDrie zijn belofte over de import van Ierse kalveren verbreekt |
|
Renate den Hollander (VVD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kalverslachter VanDrie verbreekt belofte over import Ierse kalveren»?1
Klopt het dat VanDrie Group eerder heeft aangekondigd vanaf 2026 te stoppen met de import van kalveren uit Ierland, maar dat het bedrijf nu toch doorgaat met deze import? Kunt u toelichten hoe deze situatie precies zit?
Hoeveel kalveren worden jaarlijks vanuit Ierland naar Nederland vervoerd voor de kalverhouderij? Kunt u aangeven hoeveel transporten het betreft en hoelang deze transporten gemiddeld duren?
In hoeverre voldoen deze transporten aan de huidige Europese regels voor diertransport, met name ten aanzien van transportduur, rusttijden en het verstrekken van voeding aan jonge dieren?
Deelt u de opvatting dat langeafstandstransporten van zeer jonge kalveren vanuit andere Europese Unie (EU) lidstaten (en overige landen) onwenselijk zijn vanuit het oogpunt van dierenwelzijn? Zo ja, welke stappen zet u om deze transporten te beperken? Zo nee, waarom niet?
Worden er momenteel controles uitgevoerd op transporten van jonge kalveren vanuit Ierland naar Nederland? Zo ja, hoe vaak vinden controles plaats en wat zijn de bevindingen van deze controles in de afgelopen jaren?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om op Europees niveau strengere regels te bepleiten voor het transport van jonge kalveren? Wat kan Nederland hier zelf in doen?
Deelt u de mening dat de Nederlandse kalversector toekomstbestendig moet zijn en dat de afhankelijkheid van geïmporteerde kalveren niet past binnen een dierwaardige veehouderij? Welke stappen zet het kabinet om hier een einde aan te maken?
Bent u bereid om met een plan te komen voor het verder verbeteren van dierenwelzijn in de kalverhouderij en hierbij ook in gesprek te gaan met de sector over het beëindigen van langeafstandstransporten van jonge dieren?
Bent u bereid om ook in gesprek te gaan met dierenwelzijnsorganisaties die dit thema al jaren agenderen en ook oplossingen en aanbevelingen hebben?
De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.
De uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek naar drugsgebruik, waaruit blijkt dat Nederland hoog scoort op MDMA en ketamine |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot rioolwateronderzoek naar drugs: Nederland bovenaan met MDMA en ketamine», waarin wordt bericht over de uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek door het drugsagentschap EUDA?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat Nederland tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat het ketaminegebruik in Nederlandse steden volgens dit onderzoek met ruim 40 procent is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?
Het kabinet vindt het zorgelijk dat Nederland volgens dit onderzoek tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat hogere concentraties ketamine in Nederlandse steden zijn gemeten. Het Sewage Analysis Core Group (SCORE)-onderzoek laat zien dat het gebruik van MDMA in 2025 in de Nederlandse steden die deelnemen aan dit onderzoek (Amsterdam, Eindhoven en Utrecht) het hoogste is van alle deelnemende Europese steden. Tegelijkertijd signaleert het onderzoek, in vergelijking met 2024, een afname van het MDMA-gebruik in deze steden. Voor ketamine geldt dat Amsterdam en Eindhoven behoren tot de Europese steden met de hoogst gemeten restanten en dat sprake is van een toename ten opzichte van 2024.
Deze uitkomsten moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd. De deelnemende steden zijn niet representatief voor het drugsgebruik in Nederland als geheel, zoals onder andere blijkt uit de landelijke pilotstudie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut uit november 2025 (zie onder andere het antwoord op vraag 5).2 Daarnaast kent rioolwateronderzoek beperkingen: een toename in gemeten restanten kan niet zonder meer worden vertaald naar een toename van het aantal gebruikers, omdat ook gebruiksfrequentie, dosering en zuiverheid van invloed zijn op de uitkomsten. Daarbij is het van belang de uitkomsten in een meerjarig perspectief te bezien. Voor ketamine geldt dat er nog slechts enkele jaren aan meetgegevens beschikbaar zijn, waardoor het op dit moment niet mogelijk is om uitspraken te doen over langjarige trends.
Deelt u de zorg dat het sterk toenemende gebruik van ketamine, een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, erop kan wijzen dat dit middel in toenemende mate wordt genormaliseerd binnen het recreatieve uitgaansleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het huidige drugsbeleid?
Het kabinet deelt de zorg om het niet medische gebruik van ketamine. Uit verschillende gegevensbronnen blijkt dat het gebruik hiervan stijgt. Drugsgebruik maakt geen onderdeel uit van een normale, gezonde leefstijl. Deze ontwikkeling bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen van drugsgebruik het denormaliseren van drugsgebruik.
In hoeverre bevestigen deze cijfers volgens u het beeld dat drugsgebruik in Nederland niet afneemt, maar in bepaalde vormen juist structureel toeneemt? Wat betekent dit voor de inzet van het kabinet op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik?
De cijfers uit het rioolwateronderzoek geven geen eenduidig beeld dat drugsgebruik in algemene zin structureel toeneemt. Wel laten zij zien dat er verschillen zijn per middel en per locatie, en dat bij sommige middelen sprake is van een stijgende trend. Dit bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik. Het kabinet blijft inzetten op preventie, monitoring en het tijdig signaleren van nieuwe ontwikkelingen, zodat waar nodig gericht kan worden bijgestuurd.
Hoe verhouden de uitkomsten van dit Europese rioolwateronderzoek zich tot de lopende Nederlandse pilot met rioolwatermetingen om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken?
De uitkomsten van het Europese rioolwateronderzoek zijn wat de metingen in grote steden en gemeenten betreft vergelijkbaar met de bevindingen uit de landelijke pilotstudie van het RIVM en Trimbos. De pilot heeft aangetoond dat dit beeld niet overeenkomt met drugsgebruik in kleinere gemeenten en steden. Hier is het gebruik van verschillende drugs over het algemeen lager. Beide onderzoeken laten de meerwaarde zien van rioolwatermetingen als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken. Wel is sprake van verschillen in de onderzochte stoffen. In het SCORE-onderzoek is gekeken naar MDMA, amfetamine, cocaïne, ketamine, cannabis en methamfetamine. In de Nederlandse pilot is niet gekeken naar cannabis en ketamine, maar in plaats daarvan naar 3-CMC en 4-CMC. In de toekomst kunnen mogelijk andere stoffen in beschouwing worden genomen. Bij de besluitvorming daarover worden recente risico-ontwikkelingen en signalen over trends in gebruik betrokken. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van inzichten van het RIVM en het Trimbos-instituut.
Bent u bereid om, mede in het licht van deze Europese cijfers, rioolwateronderzoek structureel en landelijk in te zetten als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet rioolwateronderzoek inderdaad als een waardevolle aanvulling op bestaande monitoringsinstrumenten. Het kabinet informeert de Kamer voor het zomerreces over de opzet van een landelijk rioolwateronderzoek.
Welk rioolwateronderzoek naar drugsgebruik wordt er op dit moment gedaan en op wiens initiatief?
Er worden incidenteel en structureel rioolwatermetingen uitgevoerd in verschillende delen van het land. Zo voerde het Wetterskip Fryslân in opdracht van de gemeente Leeuwarden een rioolwatermeting uit waarover de Kamer op 3 december 2025 schriftelijke vragen heeft ingediend.3 Het is bekend dat meerdere gemeenten dergelijke metingen laten uitvoeren, veelal met ondersteuning van kennisinstellingen zoals KWR Water Research Institute. Deze instelling voert sinds 2011 in opdracht van gemeenten rioolwateronderzoek uit en levert jaarlijks data aan voor het Europese SCORE-onderzoek, dat in samenwerking met het Europese Drugsagentschap (EUDA) wordt uitgevoerd. In 2025 namen 128 Europese steden deel aan het SCORE-onderzoek: dit aantal neemt jaarlijks toe. Van meet af aan worden hiervoor een week lang rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) in de omgeving van Amsterdam, Eindhoven en Utrecht bemonsterd. In de afgelopen jaren hebben Zwolle, Rotterdam, Groningen, Nieuwegein en Leeuwarden vergelijkbare metingen laten uitvoeren door KWR, waarbij de resultaten met instemming van de gemeenten zijn gedeeld met het SCORE-consortium. Deze verschillende onderzoeken leveren waardevolle signalen over ontwikkelingen in drugsgebruik op deze locaties. Met de landelijke pilot van het RIVM en Trimbos is gekozen voor een opzet waarmee wordt beoogd een meer representatief beeld te verkrijgen van ontwikkelingen in drugsgebruik op nationaal niveau.
Welke lessen voor de effectiviteit van het huidige preventie- en handhavingsbeleid trekt u uit het feit dat het onderzoek laat zien dat bij middelen als MDMA en cocaïne sprake is van duidelijke weekendpieken, terwijl bij sommige steden en middelen juist sprake lijkt van meer verspreid gebruik door de week?
De waargenomen weekendpieken bij bepaalde middelen sluiten aan bij het beeld dat drugsgebruik samenhangt met het uitgaansleven. Dit soort inzichten helpt om preventie- en handhavingsactiviteiten gerichter in te zetten, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij specifieke momenten en contexten van gebruik.
Laat de volgende uitkomst volgens u zien dat er sprake is van problematisch drugsgebruik in het uitgaansleven en dat hier maatregelen voor nodig zijn? Welke schade heeft dit gebruik elk weekend voor de veiligheid, gezondheid en het milieu en zijn gebruikers daar bekend mee?
Hoewel de uitkomsten van rioolwateronderzoek in samenhang met andere bronnen moeten worden bezien, is het bekend dat drugsgebruik problematische vormen kan aannemen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s voor gebruikers, zoals acute intoxicaties en verslavingsproblematiek, maar ook tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld in het verkeer of in de vorm van gewelddadig gedrag richting hulpverleners.4 Daarnaast zorgen de productie en handel van illegale drugs voor milieuschade en houdt deze handel een criminele praktijk in stand die schade toebrengt aan de rechtstaat. Om deze risico’s te beperken zet het kabinet in op een combinatie van preventie, handhaving en bewustwording. Zo heeft in uitvoering van de motie Bikker c.s. uit februari 2024 vorig jaar een campagne gedraaid die jongeren bewust maakt van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving, het milieu en de gezondheid. Het kabinet heeft eerder informatie verschaft over de voortgang van deze campagne5 en zal de Kamer voor de zomer informeren over onze plannen met betrekking tot het voortzetten van deze campagne.
Op welke wijze wordt samengewerkt met gemeenten en andere belangrijke samenwerkingspartners om de uitkomsten van dit soort onderzoeken te vertalen naar gerichte lokale maatregelen om het gebruik van drugs terug te dringen?
Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden vanuit de rijksoverheid gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals ondersteunen bij het voeren van drugspreventiebeleid. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Voor dit basispakket wordt eveneens gebruikgemaakt van door het Trimbos-instituut ontwikkelde materialen. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Daarnaast heeft het Trimbos-instituut het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, dat een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid. Het Trimbos-instituut kan daarnaast een zogeheten Scanner-onderzoek uitvoeren, om gemeenten meer inzicht te geven in de lokale situatie rond middelengebruik en mogelijke handelingsperspectieven.
Naast het verschaffen van deze kennis en tools is ook regelmatig contact met verschillende gemeenten en de VNG over relevante onderwerpen.
Leiden de uitkomsten van dit onderzoek tot andere prioriteiten in preventie, opsporing en handhaving? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De uitkomsten van het onderzoek laten het belang zien van een preventiebeleid gericht op vermindering en denormalisering van het drugsgebruik. Signalen uit het onderzoek worden meegenomen om de effectiviteit van het beleid te verbeteren.
Keuzes betreffende opsporing en handhaving worden gemaakt door het bevoegd gezag. Aangezien het gebruik van middelen op zichzelf niet strafbaar is in Nederland, ligt het niet in de rede dat dit onderzoek, dat inzicht geeft in gemeten concentraties en mogelijke ontwikkelingen in gebruik, aanleiding zou zijn voor herprioritering.
Deelt u de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik, zoals verslaving en problemen met geheugen en concentratie, met name onder jongeren en jongvolwassenen? Zo ja, welke maatregelen neemt het kabinet om deze risico’s te beperken?
Ja, het kabinet deelt de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik. Daarom heeft het kabinet het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een risicobeoordeling uit te voeren en te adviseren over passende maatregelen.
De risicobeoordeling is zeer recent opgeleverd en brengt zowel de gezondheids- als de maatschappelijke risico’s in kaart. De voorgestelde beleidsopties worden momenteel gewogen. Het kabinet informeert de Kamer hierover voor het zomerreces.
Gedwongen uithuisplaatsingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport tijdens de begrotingsbehandeling van 4 maart 2026 heeft toegelicht, beschikken wij niet over de gevraagde gegevens. Ook acht ik nader onderzoek hiernaar niet zinvol. Naast kindermishandeling zijn er meer situaties die een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor een kind en daarmee een grond kunnen zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing
De uitzending van Pointer over tabaksspeciaalzaken |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat verhitte tabak wordt aangeprezen als schoner alternatief voor sigaretten, dat het aantal tabaksspeciaalzaken flink groeit en dat Philip Morris hier een belangrijk aandeel in heeft?1
Het is zorgelijk dat de tabaksindustrie steeds nieuwe tabaks- en nicotineproducten aan de man probeert te brengen en die, tegen de regels in, te promoten als «gezonder» alternatief voor normaal roken. Het kabinet snapt daarnaast ook de zorgen over de groei van het aantal tabaksspeciaalzaken. Het is echter belangrijk ook op te merken dat het verkooppuntenbeleid zijn vruchten afwerpt en heeft geleid tot een grote netto-daling van het aantal verkooppunten. De verwachting is dat na het verbod op de verkoop in supermarkten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 het aantal verkooppunten de komende jaren nog verder zal dalen. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten waaronder 6.400 supermarkten die deze producten nu niet meer mogen verkopen. Er zijn verkooppunten (met name speciaalzaken) hiervoor teruggekomen maar veel minder dan het aantal dat is verdwenen. Voorzien is dat per 2032 rookwaren alleen nog verkocht zullen mogen worden in speciaalzaken. Het wetsvoorstel hiervoor is op 20 maart j.l. ingediend.2
Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat winkeliers verhitte tabak als «beter», «schoner» of «gezonder» alternatief voor sigaretten aanprijzen? Deelt u dat dit onacceptabel is en klopt het dat dit in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet?
Dit is inderdaad onacceptabel en in algemene zin zijn dergelijke uitingen in strijd met het reclameverbod in de Tabaks- en rookwarenwet. Het is aan de NVWA of de uitingen die in de uitzending zijn gedaan een overtreding inhouden van het reclameverbod.
Kunt u klip en klaar aangeven dat het gebruik van verhitte tabak, zoals bij de genoemde IQOS-apparaten, helemaal niet gezonder, schoner of beter is dan sigaretten?
Verhitte tabaksproducten zijn net als gewone sigaretten schadelijk voor de gezondheid. Dat blijkt ook uit recent onderzoek van het RIVM.3 Hoewel de langetermijneffecten nog niet volledig bekend zijn, blijkt uit dit onderzoek dat verhitte tabaksproducten op korte termijn schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarmee zijn verhitte tabaksproducten geen veilig alternatief voor roken. Het gebruik van deze producten moet dus, net zoals bij gewone sigaretten, ten zeerste worden afgeraden.
Wordt er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd op dit soort illegale gezondheidsclaims? Zo ja, hoe kan het dat dit op zo’n grote schaal gebeurt?
Ja, de NVWA handhaaft de Tabaks- en rookwarenwet en treedt op tegen dit soort claims. De NVWA heeft eerder een boete van vierhonderdvijftigduizend euro opgelegd voor een vergelijkbare gezondheidsclaim over verhitte tabak die op schermen in een verkooppunt getoond werden. De rechter heeft de NVWA gelijk gegeven maar er loopt nu een hoger beroep. Als de NVWA ook in hoger beroep gelijk krijgt, kan met meer zekerheid worden optreden tegen dergelijke claims. Verder werd in de uitzending getoond dat medewerkers van de verkooppunten dit soort claims ook mondeling doen richting klanten. Dit bemoeilijkt het toezicht omdat dergelijke uitingen door de inspecteurs moeten worden waargenomen.
Wat vindt u van de rol van Philip Morris hierin, als winkelpersoneel wordt getraind over de voordelen van verhitte tabak? Is dit toegestaan en zo nee, hoe wordt hierop richting Philip Morris gehandhaafd?
Het kabinet ziet voor de volksgezondheid geen voordelen van verhitte tabak ten opzichte van tabak die wordt gerookt. Verhitte tabak brengt de rookvrije generatie niet dichterbij en het kabinet is dan ook niet blij met deze trainingen. Of de trainingen een overtreding van het reclameverbod zijn, moet worden vastgesteld door de NVWA. Een overtreding van het reclameverbod moet de NVWA bewijzen met feiten en omstandigheden. En dat is in het geval van mondelinge commerciële mededelingen erg lastig. Niet alleen vanwege de scheidslijn tussen informatie delen tussen producenten en verkoper (wat is toegestaan) en verkoopbevordering (wat niet is toegestaan), maar ook omdat het gaat om mondelinge mededelingen.
Herkent u het beeld dat er sinds 2021 minimaal 250 tabaksspeciaalzaken zijn bijgekomen? Welke cijfers heeft u over (de stijging van) het aantal tabaksspeciaalzaken en het aantal verkooppunten in totaal?
Ja, dit zijn herkenbare cijfers. In 2022 is het verbod op tabaksautomaten4 in werking getreden, gevolgd door het verbod op online verkoop5 in 2023. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten, waarvan 6.400 supermarkten. Per 1 juli 2024 geldt het verbod op de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten in supermarkten en horeca-inrichtingen.6 Daarmee is het 6.400 supermarkten niet meer toegestaan deze producten te verkopen. Omdat supermarkten tot 1 juli 2024 meer dan de helft van de verkoop van tabak en vapes voor hun rekening namen, werd voorzien dat nieuwe verkooppunten zouden worden geopend om de vrijgevallen omzet op te vangen. In een door het toenmalige kabinet uitgezet onderzoek uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO)7 werd ervan uitgegaan dat circa 800 nieuwe tabaksverkooppunten zouden openen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft hierbinnen. Uit recent onderzoek van SEO8 volgt namelijk dat er relatief weinig nieuwe tabaksspeciaalzaken en gemakszaken bij zijn gekomen sinds het supermarktverbod. SEO telde aan het einde van 2024 548 tabaksspeciaalzaken, waarvan 120 nieuw geopend zijn na 1 januari 2024. Volgens SEO compenseren de nieuw geopende zaken de daling in het aantal tabaksverkooppunten nauwelijks. Voorts volgt uit de factsheet «Monitor nieuwe verkooppunten van rookwaren oktober-november 2024» van de NVWA dat er in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2024 netto 656 nieuwe verkooppunten van rookwaren zijn geopend, waarvan ruim 40% kan worden aangemerkt als speciaalzaak. Deze cijfers wijken niet significant af van de door Pointer genoemde cijfers. Pointer stelt dat het aantal speciaalzaken van 246 in 2021 is gestegen naar 494.
Deelt u de mening dat deze stijging direct ingaat tegen de doelstelling van het rookbeleid om het aantal verkooppunten terug te dringen?
Het kabinet deelt die mening niet. Om te voorkomen dat jongeren gaan roken en om ex-rokers te beschermen heeft het toenmalige kabinet er in 2020 voor gekozen het aantal verkooppunten te verminderen en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te beperken tot verkoopkanalen waar doorgaans geen kinderen en ex-rokers komen.9 Het kabinet zet dit beleid voort. Het verminderen van de (toen nog) brede beschikbaarheid van rookwaren beschermt jongeren en ex-rokers tegen de verleiding om te gaan roken en het doen van impulsaankopen van rokers. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij tabaksproducten en aanverwante producten vanaf 1 januari 2032 alleen nog in speciaalzaken verkocht mogen worden. Speciaalzaken richten zich op de volwassen roker en verkopen vrijwel alleen tabaksproducten en aanverwante producten.
Het aantal nieuw geopende tabaksverkooppunten ligt vele malen lager dan het aantal van 6.400 verkooppunten dat per 1 juli 2024 met het verbod op tabaksverkoop door supermarkten verdwenen is. Daarbij was reeds voorzien dat andere verkooppunten (met name speciaalzaken) een deel van het weggevallen aanbod zouden overnemen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht (namelijk 800 nieuwe verkooppunten). Dat een groter deel van de verkoop plaatsvindt in speciaalzaken draagt er bovendien aan bij dat ex-rokers, stoppers en kinderen minder vaak in aanraking komen met tabaksproducten vergeleken met de situatie waarbij sigaretten nog verkocht werden in de supermarkt.
Deelt u de mening dat snelle invoering van de registratieplicht essentieel is, om zicht te hebben op het aantal verkooppunten van tabak? Klopt het dat de vertraagde invoering hiervan leidt tot minder zicht op het aantal verkooppunten?
Het effect van het supermarktverbod en de beperking van het verkopen tot uiteindelijk alleen speciaalzaken kan nauwkeurig worden gemeten met de gegevens die met de aangekondigde registratieplicht zullen worden verkregen.
Per 1 juli 2026 zal de registratieplicht gelden voor verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten.
Wat vindt u ervan dat Philip Morris de stijging van het aantal tabaksspeciaalzaken faciliteert, door inrichtingen en verbouwingen te financieren?
Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. De NVWA heeft dergelijke praktijken in onderzoek en het Trimbos-instituut is gevraagd inzicht te geven in het effect van reclame in speciaalzaken op het rookgedrag van klanten.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de betrokkenheid van tabaksfabrikanten bij tabaksspeciaalzaken en de Kamer hierover voor de zomer per brief te informeren?
Ja, de NVWA werkt nu aan een factsheet over deze ontwikkelingen in speciaalzaken. Het kabinet verwacht u de reactie op deze factsheet en de bevindingen van het Trimbos-instituut voor de zomer toe te sturen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal tabaksspeciaalzaken niet meer, maar juist minder wordt en dat ook het totaal aantal verkooppunten verder afneemt?
Het Nederlandse verkooppuntenbeleid maakt de eisen die aan tabaksverkoop gesteld worden steeds strenger. In 2032 mogen alleen speciaalzaken rookwaren verkopen. Speciaalzaken mogen dan naast rookwaren alleen nog loten en dagbladen verkopen. Uit onderzoek van SEO10 blijkt dat met deze eisen alleen een beperkt aantal verkooppunten rendabel kan zijn. Het aantal levensvatbare speciaalzaken in Nederland in 2032 wordt geschat op circa 1.500. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht.
Deelt u dat invoering van een vergunningstelsel voor de verkoop van rookwaren het meest effectieve instrument is om het aantal verkooppunten terug te dringen? Zo ja, bent u bereid de invoering hiervan voor te bereiden per 2032?
De verwachting is dat het aantal verkooppunten in 2032 zal zijn gedaald naar 1.500 wat een vermindering inhoudt van 85% ten opzichte van eind 2023. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor verdergaande maatregelen. Wel blijft het kabinet uiteraard de effecten evalueren en monitoren.
De wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht, welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER, de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe normen?
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland op te nemen?
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar is?
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen of vergunningvoorwaarden hanteren?
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de bescherming van omwonenden?
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
De stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar is toegenomen?1
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1990?
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel om de klimaatdoelen te halen?
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter hoger staat dan voorheen gedacht?2
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld dijknormering en delfstofwinning?
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is, bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan te passen?
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar 2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust? Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag met de Kamer heeft besproken?