| Ingediend | 23 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 11 mei 2026 (na 49 dagen) |
| Indieners | Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
| Beantwoord door | van Essen , Eerenberg |
| Onderwerpen | belasting financiën landbouw planten |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z05790.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1884.html |
Ja.
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Zie antwoord vraag 2.
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Zie antwoord vraag 4.
Zie antwoord vraag 4.
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Zie antwoord vraag 9.
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
Schriftelijke vragen van de leden Inge van Dijk en Koorevaar (beiden CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (2026Z05790, ingezonden 23 maar 2026) over het bericht «Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot» kunnen vanwege de benodigde afstemming niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. Uw Kamer ontvangt de antwoorden zo spoedig mogelijk.