| Ingediend | 20 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 20 april 2026 (na 31 dagen) |
| Indiener | Michiel Hoogeveen (JA21) |
| Beantwoord door | Eerenberg |
| Onderwerpen | belasting financiën |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z05634.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1675.html |
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.