Het bericht 'Als trans persoon gevlucht voor Trumps beleid, maar is dat genoeg voor asiel? ‘Het is niet veilig voor haar’' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Waarom hanteert u de opvatting dat een asielaanvraag door transgender personen uit de Verenigde Staten (VS) in Nederland momenteel geen stand kan houden vanwege het landenbeleid van Nederland richting de VS?
Nederland volgt de maatregelen in de Verenigde Staten gericht op lhbtiq+ personen. De ontwikkelingen zijn op dit moment geen aanleiding om in algemene zin aan te nemen dat transgender personen uit de Verenigde Staten een gegronde vrees voor vervolging hebben. Dit neemt niet weg dat iedere asielaanvraag altijd op zijn eigen merites wordt beoordeeld.
Van een (algemeen) ambtsbericht over de Verenigde Staten is overigens geen sprake. Als er geen (recent) algemeen ambtsbericht is, vindt de beoordeling van een asielverzoek plaats op basis van andere recente objectieve en verifieerbare bronnen. Medewerkers van de IND zijn opgeleid om zowel in het horen als beslissen actuele landeninformatie te betrekken. Zowel landeninformatie die op deze wijze door de medewerkers wordt verzameld, als informatie die door de vreemdeling of de advocaat wordt overgelegd, wordt betrokken in de beslissing op de asielaanvraag. Iedere beslissing wordt dus genomen op grond van recente landeninformatie.
Bent u ook van mening dat de veiligheid van lhbti+-personen, waaronder transgender personen, is verslechterd sinds het laatste ambtsbericht over de VS (daterend van september 2024) en het aantreden van president Trump begin dit jaar? Kunt u daarvoor een onderbouwing geven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het voornemen van de regering-Trump om zo’n 950 wetten en regelingen uit te voeren die ingaan tegen de rechten van transgender personen? Zo ja, bent u van mening dat deze ontwikkelingen de positie van transgender personen binnen afzienbare tijd zullen doen verslechteren? Kunt u hierop een toelichting geven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kwalificeert u het feit dat Transgender Netwerk Nederland sinds maart dit jaar transgender personen adviseert om niet meer naar de Verenigde Staten te reizen, vanwege de grote zorgen om de veiligheid van transgender personen naar aanleiding van het gewijzigd reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor lhbtiq+-personen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is tot op heden niet bekend met gevallen van Nederlandse lhbtiq+ personen die in de problemen zijn gekomen bij het reizen naar of in de VS in 2025. Mocht daar op enig moment verandering in komen, dan zal het ministerie daar gepast op reageren.
In het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Verenigde Staten (VS) staat onder andere informatie en advies voor lhbtiq+ personen over reizen naar de VS. Op 25 maart jl. heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken het reisadvies aangepast om Nederlanders onder andere te informeren over het feit dat wetten en gebruiken in de VS tegenover lhbtiq+ personen kunnen afwijken van die in Nederland. Het reisadvies raadt aan rekening te houden met deze afwijkende wetten en gebruiken.
Hoe kwalificeert u het beleid dat in werking is getreden in de VS waarbij transgender personen voortaan aangeduid worden bij hun geboortegeslacht? Deelt u de mening dat dergelijk beleid een frontale aanval is op het bestaansrecht en de veiligheid van transgender personen? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Het besluit van de Amerikaanse overheid om transgender personen alleen aan te duiden bij het geboortegeslacht is spijtig en een stap achteruit. Hetzelfde geldt voor het besluit dat op alle aanvragen het geboortegeslacht moet worden vermeld, ongeacht actuele geslachtsaanduidingen in officiële documenten.
Nederland staat voor gelijke rechten van lhbtiq+ personen en draagt dit ook in internationaal verband consequent uit. Er is regelmatig contact met de Amerikaanse autoriteiten en zij zijn op de hoogte van de Nederlandse positie.
Hoe oordeelt u over het feit dat transgender personen een paspoort kan worden geweigerd in de VS waardoor zij niet kunnen uitreizen als zij dat zouden willen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat het ambtsbericht op de kortst mogelijke termijn moet worden herzien? Zo nee, waarom niet?
Ambtsberichten worden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgesteld op basis van een informatiebehoefte van het Ministerie van Asiel en Migratie. Voor de meeste landen op de wereld geldt dat er geen (recent) algemeen ambtsbericht is. Op dit moment is er zoals reeds vermeld in mijn antwoord op vragen 2 en 3 geen algemeen ambtsbericht over de Verenigde Staten en zie ik geen aanleiding om deze aan te vragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Als er geen (recent) algemeen ambtsbericht is, vindt de beoordeling van een asielverzoek zoals toegelicht in antwoord op vragen 2 en 3 plaats op basis van andere recente objectieve en verifieerbare landeninformatie. Dit is het geval voor het overgrote merendeel van de herkomstlanden.
Zo nee, wanneer bestaat er volgens u wel genoeg aanleiding om het ambtsbericht vervroegd te herzien? Kunt u dit toelichten in het licht van het voornemen van de Trump-regering om de rechten van transgender personen verder in te perken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om transgender personen uit de VS aan te merken als risicogroep? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkelingen in de Verenigde Staten geven op dit moment geen aanleiding aan te nemen dat transgender personen uit de Verenigde Staten in algemene zin risico op vervolging lopen. Hierbij is het van belang nogmaals te benadrukken dat iedereen die bescherming behoeft, die ook verkrijgt. Een aanmerking als risicoprofiel is in dit geval niet aan de orde omdat er geen sprake is van landgebonden asielbeleid voor de Verenigde Staten maar een aanwijzing als een veilig land van herkomst.
Bent u bereid om de discretionaire bevoegdheid te gebruiken om transgender personen uit de Verenigde Staten asiel te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 27 augustus jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoewel ik als Minister van Asiel en Migratie eindverantwoordelijkheid draag, blijf ik besluiten over verblijfsvergunningen op grond van schrijnende omstandigheden aan de directeur-generaal IND mandateren. Teneinde de in 2019 beoogde vereenvoudigde en efficiënte procedure van de IND te behouden, ben ik voornemens het beleidskader aan te passen in lijn met het Vreemdelingenbesluit. Verder bezie ik of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen los van elkaar beantwoord.
Het mijnbouwbedrijf dat sneller wil beginnen met het mijnen in de Stille Oceaan. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mijnbouwbedrijf wil eerste diepzeemijn veel sneller leeghalen», waarin wordt beschreven hoe commerciële partijen waaronder het Zwitsers-Nederlandse bedrijf Allseas, plannen versnellen om op korte termijn te starten met grootschalige diepzeemijnbouw in de Clarion Clipperton Zone?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen om deze diepzee al binnen enkele jaren grootschalig te ontginnen, terwijl wetenschappers waarschuwen dat de ecologische gevolgen voor de oceaanbodem en mariene biodiversiteit mogelijk desastreus zijn en grotendeels onomkeerbaar?
Het kabinet past strikt het voorzorgsbeginsel toe en is op basis daarvan van mening dat de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de effecten van diepzeemijnbouwactiviteiten op dit moment niet toereikend is om de stap van exploratie naar exploitatie te maken, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van lid Postma (NSC).2 Ook is er nog geen overeenstemming over een sterke internationale regeling voor de mogelijke exploitatie van de delfstoffen van de internationale zeebodem (exploitatieregeling). Het kabinet is van mening dat deze exploitatieregeling strikte milieuvoorwaarden moet bevatten en moet voorzien in effectief toezicht op de naleving daarvan. Eventuele exploitatie kan pas van start gaan wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan. Voor het kabinet staat voorop dat diepzeemijnbouw alleen zou mogen plaatsvinden indien wetenschappelijk aantoonbaar strikt binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem, zoals aangegeven in de Kamerbrief met het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw3. Nederland zet zich daarom in de internationale onderhandelingen over de exploitatieregeling ook nadrukkelijk in voor het meewegen van de ecologische gevolgen voor de oceaanbodem en de mariene biodiversiteit in het regelgevende kader voor exploitatieactiviteiten. Dit standpunt wordt gedeeld door een grote groep landen binnen de Internationale Zeebodemautoriteit (Autoriteit). Nederland heeft nauw opgetrokken met deze landen en zal dit blijven doen.
Kunt u toelichten in hoeverre Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij deze plannen voor diepzeemijnbouw, in het bijzonder Allseas, een Zwitsers-Nederlands bedrijf dat volgens het artikel een cruciale rol speelt bij de technische uitvoering?
Voor zover bekend zijn er geen (andere) Nederlandse bedrijven betrokken. Het kabinet kan verder geen uitspraken doen over individuele bedrijven.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van wetenschappers dat diepzeemijnbouw leidt tot grootschalige slibwolken die zich jaarlijks over een steeds groter deel van de oceaan kunnen verspreiden, waardoor zee- en bodemdiertjes die voedsel uit het water filteren verstikken en massaal kunnen sterven?
Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt, is het kabinet van mening dat de exploitatieregeling moet voorzien in passende drempelwaarden voor de meest relevante milieueffecten, waarbij specifieke regionale en lokale omstandigheden in acht worden genomen. Hiertoe moeten in ieder geval duidelijke milieukwaliteitsdoelstellingen, evenals indicatoren en drempelwaarden als milieuvoorwaarden worden opgenomen in de exploitatieregeling.4 In 2023 zijn er binnen de Autoriteit expertwerkgroepen ingesteld die momenteel werken aan het ontwikkelen van bindende milieudrempelwaarden op de volgende drie onderwerpen: 1) toxiciteit, 2) troebelheid en bezinking van slibwolken, 3) onderwatergeluid en lichtvervuiling. De waarschuwingen over de mogelijke gevolgen van slibwolken worden dus opgepakt binnen de Autoriteit. De werkgroepen bestaan uit onafhankelijke deskundigen met erkende expertise op deze onderwerpen. Nederland spreekt zich in de Autoriteit nadrukkelijk uit voor het ontwikkelen van deze bindende milieudrempelwaarden en behoort tot een groep landen die zich actief inzet voor het werk van deze deskundigen en de voortgang in de werkgroepen.
Deelt u de mening dat de betrokkenheid van Allseas Nederland medeverantwoordelijk maakt voor de ecologische schade die diepzeemijnbouw met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst staat voor het kabinet voorop dat exploitatie van de diepzeebodem alleen kan plaatsvinden indien wetenschappelijk aantoonbaar strikt binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Het kabinet zet zich hier ook nadrukkelijk voor in. Verder is ten aanzien van diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren in het VN-Zeerechtverdrag geregeld dat elke contractant een zogenaamde Sponsoring State moet hebben, die garant staat voor naleving van de internationale regels voor diepzeemijnbouw onder het VN-Zeerechtverdrag door de contractant, en die de Autoriteit ondersteunt bij toezicht op en handhaving van naleving van de regels door de contractant. Nederland is niet betrokken bij de activiteiten van bedrijven (of andere partijen) in het kader van de Autoriteit, niet als Sponsoring State en niet als vlaggenstaat. Uiteindelijk zijn contractanten zelf verantwoordelijk voor hun diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren, en het daarbij voorkomen van schade aan het mariene milieu en ecosysteem.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de internationale afspraken over biodiversiteit, waaronder de Global Biodiversity Framework-doelen die gericht zijn op het beschermen van oceanen en ecosystemen?
Het kabinet onderschrijft alle doelen van het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader, waaronder de doelen die gericht zijn op het beschermen van de zeeën, de oceaan en ecosystemen. Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw is het kabinet van mening dat exploitatie van de delfstoffen van de internationale zeebodem aantoonbaar geen significante schade aan het mariene milieu, ecosysteem en biodiversiteit zou mogen aanrichten. Ook zou eventuele exploitatie de klimaat- en ecosysteemfuncties van de oceanen niet mogen verstoren.5 Dat sluit aan bij de afspraken volgend uit de BBNJ-overeenkomst6, het Biodiversiteitsverdrag en het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader. In het kader van deze internationale overeenkomsten heeft Nederland, zoals aangegeven in het antwoord op Kamervragen van het lid Postma (NSC),7 tijdens de onderhandelingen over de exploitatieregeling in september 2024 een tekstvoorstel ingediend, waarmee zou worden geregeld dat exploitatie van de internationale zeebodem alleen mag plaatsvinden als dit de effectieve implementatie van andere internationale raamwerken en overeenkomsten niet hindert. Hiermee wordt mede naar de BBNJ-overeenkomst en het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader verwezen. Dat voorstel kon tijdens de onderhandelingen in maart 2025 op steun van enkele andere staten rekenen.
Onderschrijft u de conclusies uit het rapport in opdracht van het WWF dat als we grondstoffen recyclen én slimme keuzes maken voor innovatieve accutechnologie (waar minder metalen nodig zijn) kan de toekomstige vraag naar metalen met meer dan de helft worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op Kamervragen van de leden Teunissen en Vestering (beiden PvdD)8 deelt het kabinet de conclusie dat grondstoffenefficiëntie en circulariteit essentiële onderdelen zijn van de aanpak voor leveringszekerheid van kritieke grondstoffen. Via de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS)9 en het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)10 zet het kabinet hier ook op in als handelingsperspectieven om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te vergroten. Ook Europees wordt nadrukkelijk ingezet op circulariteit van kritieke grondstoffen, via de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA)11. Hoe beter we er immers in slagen kritieke materialen te hergebruiken en substitueren, hoe minder we deze in de toekomst primair hoeven te winnen. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet, zoals onder andere benoemd in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw12, het belang van een voldoende groot aanbod van kritieke grondstoffen met het oog op de huidige geopolitieke verhoudingen rondom deze grondstoffen. De onderzoekers benadrukken in het WWF rapport eveneens dat naast vraagvermindering en circulariteit de komende twee decennia ook opschaling van mijnbouw nodig is om te kunnen voldoen aan de vraag naar kritieke grondstoffen voor de groene transitie.13 De onderzoekers geven daarbij aan dat de bestaande reserves die economisch rendabel zijn, niet voor alle grondstoffen voldoende zijn om in de voorziene vraagtoename naar kritieke grondstoffen voor de groene transitie te voorzien, in het bijzonder niet voor lithium, nikkel en kobalt. Nederland en Europa zijn voor de import van dergelijke mineralen sterk afhankelijk van derde landen, met name China, en dat maakt ons kwetsbaar voor verstoringen in toeleveringsketens. De afgelopen twee jaar stelde China meermaals verschillende exportbeperkende maatregelen in voor kritieke grondstoffen. Dat onderstreept het belang van urgente actie om onze kwetsbaarheid te verminderen. Het kabinet zet daarom zowel in op vraagvermindering en circulariteit, als op primaire winning van kritieke grondstoffen in de EU en nieuwe partnerschappen met bronlanden. Het kabinet deelt daarbij de visie in het rapport dat dit zo duurzaam mogelijk moet plaatsvinden, en gezocht moet worden naar vormen van mijnbouw en bronnen van mineralen met een zo beperkt mogelijke voetafdruk.
Ten aanzien van innovatieve batterijtechnologie, inclusief circulariteit en leveringszekerheid, zet het kabinet onder andere in op de «Routekaart Circulaire en weerbare batterijen» en het Nationaal Groeifondsproject «Material Independence and Circular Batteries». Op Europees niveau is er de Batterijenverordening (EU 2023/1542)14 die hier ook nadrukkelijk op inzet. Op dit moment is niet te voorspellen of deze inzet ertoe zal leiden de toekomstige vraag naar kritieke metalen met meer dan de helft kan worden teruggebracht.
Hoe beoordeelt u de inschatting van experts dat diepzeemijnbouw slechts voor zeer klein deel kan bijdragen aan de vraag naar metalen en dat het waarschijnlijk nog minstens tien jaar voordat de diepzeemetalen op de markt zouden kunnen komen, wat te laat is voor de energietransitie?
Op dit moment is onvoldoende duidelijk hoeveel diepzeemijnbouw zou kunnen bijdragen aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke metalen, en wanneer diepzeemetalen op de markt zouden kunnen komen. De tijdspaden van de verschillende handelingsperspectieven en de verwachte marktontwikkelingen, waaronder de inzet op een circulaire economie, weegt het kabinet mee in afwegingen over diepzeemijnbouw en over het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen.
Kunt u toezeggen dat Nederland op geen enkele manier meewerkt aan en niet akkoord gaat met de vergunningverlening voor The Metal Company (TMC) in de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)? Zo ja, wanneer zult u hier stelling tegen nemen? Zo nee, waarom niet?
The Metals Company heeft geen verzoek voor een exploitatievergunning ingediend bij de Autoriteit. Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw is het kabinet van mening dat aanvragen voor exploitatievergunningen die bij de Autoriteit worden ingediend voordat een volledige exploitatieregeling is vastgesteld, moeten worden afgekeurd. Nederland en een meerderheid van de verdragspartijen bij het VN-Zeerechtverdrag hebben dit in de vergaderingen van de Autoriteit uitgedragen. Door de Raad van de Autoriteit (het uitvoerende orgaan) is inmiddels in meerdere besluiten vastgelegd dat commerciële exploitatie niet zou moeten plaatsvinden in afwezigheid van een exploitatieregeling. Tijdens de Raadsvergaderingen van dit jaar (maart en juli 2025) heeft de Nederlandse delegatie ook gewezen op deze besluiten.
Welke sancties heeft u voor ogen voor bedrijven die aan de slag gaan zonder zo’n internationale vergunning?
Zoals aangegeven in het antwoord op de Kamervragen van het lid Postma wil het kabinet ervoor waken om op zaken vooruit te lopen, want veel is nog onzeker.15 Uiteraard zal het kabinet zich, wanneer de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, beraden op eventuele te nemen stappen, binnen de kaders van de Autoriteit. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren plaatsvinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en onder auspiciën van de Autoriteit. Nederland werkt momenteel ook samen met andere staten die actief zijn binnen de Autoriteit om hiervoor zorg te dragen.
Kunt u TMC en Allseas op de hoogte stellen van de sancties die u voor ogen heeft als zij zonder vergunning gaan mijnen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de voorgaande vraag is veel nog onzeker, en is het op dit moment nog niet duidelijk of er partijen zijn die buiten de Autoriteit om diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren zullen opstarten. Nederland zal zich ervoor blijven uitspreken dat deze activiteiten plaatsvinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Ik kan verder geen uitspraken doen over individuele bedrijven. Conform de motie van het lid Postma c.s. van 11 juni 202516 kan ik u wel laten weten dat het kabinet in gesprek is gegaan met Allseas, waarin is toegelicht dat het kabinet staat voor de integriteit van het VN-Zeerechtverdrag en dat diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren plaats dienen te vinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en onder auspiciën van de Autoriteit.
De verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het historische advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 23 juli 2025 inzake de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het advies stelt dat het nalaten van een staat om passende maatregelen te nemen tegen klimaatverandering, onder meer door het verstrekken van subsidies voor fossiele brandstoffen, «een internationale onrechtmatige daad kan vormen die aan die staat kan worden toegerekend»?
Ja.
Erkent u dat elke vorm van staatssteun aan fossiel niet in lijn is met de klimaatdoelen van Parijs en daarmee een schending van internationale afspraken is? Bent u voornemens uw beleid op gebied van fossiele steun te analyseren naar aanleiding van dit advies? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze lezing onderschrijft het kabinet niet. Het kabinet voert klimaatbeleid gericht op de Europese en nationale klimaatdoelen, zodat Nederland zijn bijdrage levert aan het realiseren van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid is gericht op een effectieve, efficiënte en rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal, Nederland en Europa. In deze transitie zal, mede als gevolg van dit beleid, het gebruik van fossiele energiedragers verminderen. Ook tegen deze achtergrond kan een vorm van staatssteun aan het gebruik van fossiele energiedragers – binnen de toegestane Europese kaders – (tijdelijk) nodig zijn om bijvoorbeeld energiearmoede, leveringszekerheid of verplaatsing van bedrijven en CO2-uitstoot (weglek) naar het buitenland te voorkomen. Daarmee worden in de lezing van het kabinet geen internationale afspraken geschonden. Het kabinet ziet daarom in het advies van het IGH geen aanleiding om een nieuwe analyse te maken van het beleid dat steun geeft aan fossiele energie.
Klopt het dat de Nederlandse staat nog steeds voor rond de 40 miljard aan verschillende vormen van steun aan de fossiele sector geeft? Zo nee, hoeveel steun geeft de Nederlandse overheid op dit moment aan de fossiele sector?
In Nederland wordt jaarlijks in de Miljoenennota inzicht gegeven in fossiele voordelen (ook wel fossiele subsidies). Dit overzicht laat zien in hoeverre de klimaatschade die voortkomt uit het gebruik van fossiele energiedragers direct of indirect beprijsd is. Ook wordt geïnventariseerd welke subsidieregelingen een specifiek (direct of indirect) voordeel geven aan emissie van broeikasgassen als gevolg van het gebruik van fossiele energiedragers. In de Miljoenennota 2026 blijkt uit dit overzicht een klimaatbeprijzingstekort van 18,0 mld. euro voor het jaar 2024 voor emissies die gepaard gaan met het gebruik van fossiele energiedragers (inclusief uitgestelde emissies die worden toegerekend aan niet-energetisch gebruik van fossiele energiedragers). Het opgeteld budgettair belang van subsidieregelingen voor het jaar 2025 bedraagt 29,8 mld. euro. Dit budgettaire belang betreft vooral voordelen die samenhangen met verlaagde tarieven of vrijstellingen in milieuheffingen. Twee kanttekeningen zijn van belang bij deze optellingen: ten eerste worden verlaagde tarieven berekend ten opzichte van het hoogst geldende tarief van een milieuheffing. Een verhoging van de tariefstelling van milieuheffingen verhoogt hiermee dus ook de budgettaire omvang van een vrijstelling of een verlaagd tarief. Daarnaast wordt bij de optelling van het budgettaire belang van regelingen geen rekening gehouden met eventuele alternatieve heffingen voor een gebruikersgroep. Hiermee kan het opgeteld budgettair belang een vertekend beeld geven.
Zijn de juridische risico’s voor het verlenen van die steun toegenomen door het advies van het IGH? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze risico’s verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het advies verduidelijkt de bestaande internationaalrechtelijke verplichtingen van staten op het gebied van klimaat, maar schept geen nieuwe verplichtingen. De uitleg van het IGH over de internationaalrechtelijke verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen, sluit aan bij de zienswijze van het Koninkrijk der Nederlanden. De juridische risico’s zijn door het advies dus niet toegenomen, maar een herbevestiging van de verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen.
Is het u bekend dat het IGH in paragraaf 252 van haar advies benadrukt dat staten de verplichting hebben om bedrijven zo te reguleren dat 1,5°C niet onmogelijk wordt? Op welke wijze voldoet de Nederlandse staat aan die verplichting?
Ja, dat is het kabinet bekend. Het IGH benadrukt dat staten passende maatregelen moeten treffen om de doelstellingen van hun zogenaamde Nationally Determined Contributions (NDC’s) te verwezenlijken, ook met betrekking tot activiteiten die door private actoren worden uitgevoerd. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een regelgevend kader, waaronder de effectieve regulering van private actoren.
Nederland heeft zich in EU-verband met de Overeenkomst van Parijs, de Europese klimaatwet en de nationale Klimaatwet gecommitteerd aan klimaatneutraliteit in 2050 en daarmee aan de doelstelling van 1,5-graad. Nederland beschikt in EU- en nationaal verband over een uitgebreid regelgevend kader en werkt voortdurend aan nieuwe regelgeving, ook gericht op private actoren, ter verwezenlijking van de Europese en nationale klimaatdoelen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Klopt het dat het recente besluit van de Europese Unie om klimaatplannen niet verplicht te maken en geen resultaatverplichtingen op het gebied van klimaat aan bedrijven te stellen, ingaat tegen deze verplichting? Zo nee, waarom niet?
Waarschijnlijk verwijst de vraagsteller naar het Omnibus I-voorstel van de Europese Commissie, waarmee de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) wordt aangepast. De onderhandelingen hierover lopen nog en het Europees Parlement heeft nog geen positie bepaald. De onlangs bereikte Raadspositie inzake het Omnibus-I-Voorstel bevat nog steeds een verplichting een klimaattransitieplan vast te stellen. Het kabinet heeft eerder aangegeven eraan te hechten dat deze verplichting behouden blijft.1
Daarnaast zijn de klimaatdoelstellingen van de Unie uitgewerkt in een breed palet aan wetgevingsinstrumenten die alle relevante sectoren bestrijken, waaronder industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, energievoorziening, landbouw en landgebruik. Deze regelgeving bewerkstelligt een afdwingbare en coherente uitvoering van het klimaatbeleid binnen de gehele Unie en bestaat onder andere uit het EU-ETS, ESR, LULUCF, en verplichtingen ten aanzien van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Hiermee wordt, zoals reeds in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Bent u bekend met paragraaf 482 van het advies waarin het IGH staten medeverantwoordelijk houden voor de activiteiten van de in hun land gevestigde bedrijven? Kunt u beiden aangeven hoe dit oordeel zich verhoudt tot de huidige beleidspraktijk van Nederland? Op welke wijze spreekt de Nederlandse overheid bedrijven aan? Welke consequenties verbindt u aan het schenden van internationale afspraken op gebied van klimaat, milieu en mensenrechten door bedrijven?
Ervan uitgaande dat wordt gedoeld op paragraaf 428, is het kabinet bekend met dit deel van het advies. Het oordeel van het IGH sluit aan bij de beleidspraktijk die is beschreven in de antwoorden op vragen 6 en 7. Het is voor Nederland van belang het internationaal recht te respecteren en hiernaar te leven. Nederland beschikt, mede ter uitvoering van Europese regelgeving, over een effectief regelgevend kader om bedrijven te verplichten en te stimuleren de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Effectief toezicht en handhaving vormen het sluitstuk van dit kader. Dit omvat onder meer controles en inspecties, monitoring van emissies en het opleggen van maatregelen en sancties bij overtredingen van wettelijke normen. Bedrijven worden aangesproken via advies, toezicht en, indien nodig, handhavingsmaatregelen.
Verder verwacht het kabinet dat Nederlandse bedrijven die zakendoen in het buitenland, dit maatschappelijk verantwoord doen. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) vormen de basis van het Nederlandse IMVO-beleid. Kernonderdeel hiervan is de verwachting dat bedrijven gepaste zorgvuldigheid toepassen. Dat betekent dat zij risico’s voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens in kaart brengen en waar nodig aanpakken. Dit wordt een wettelijke verplichting in de CSDDD. Over wijzigingen in deze richtlijn wordt in het kader van het Omnibus I-voorstel momenteel nog onderhandeld.2
De overheid stimuleert IMVO door middel van elkaar versterkende maatregelen. Zo heeft Nederland een onafhankelijk Nationaal Contactpunt (NCP) dat meldingen behandelt van stakeholders die een meningsverschil hebben over de toepassing van de OESO-richtlijnen. Daarnaast kunnen ondernemingen alleen gebruik maken van het BHO handelsinstrumentarium als zij voldoen aan IMVO-voorwaarden. Uiteindelijk is het de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om beslissingen te nemen binnen de grenzen van de wet.
Kent u paragraaf 282 van het advies, waarin het IGH stelt dat adaptatiemaatregelen getoetst moeten worden op de mogelijke schade die ze aanrichten op mens en milieu? Kunt u bevestigen dat de effecten op mens en milieu meegewogen worden bij besluitvorming over adaptatiemaatregelen die Nederland steunt in het buitenland?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 282 van het advies. Deze effecten worden meegewogen in de besluitvorming. Nederland draagt via verschillende kanalen bij aan adaptatieactiviteiten in het buitenland. Onder andere via bilaterale en multilaterale ontwikkelingssamenwerking en de FMO. Ook programma’s zoals Partners voor Water en het International Panel on Deltas and Coasts (IPDC) dragen bij aan adaptatie in het buitenland. Alle bijdragen vanuit Nederlands instrumentarium zijn onderworpen aan procedures die de mogelijke nadelige effecten op mens en milieu afwegen (environmental, social and governance due diligence3 en milieueffectrapportage).
Erkent u dat het IGH in paragraaf 449–455 bevestigt dat staten verplicht zijn om schade door klimaatverandering te voorkomen, en dat bij het niet naleven van deze plicht sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad die herstel, waaronder compensatie, vereist? Hoe verhoudt dit zich tot het recente Nederlandse besluit om niet meer bij te dragen aan het VN-fonds voor klimaatschade (Fund for Responding to Loss & Damage)? Kan het uitblijven van een dergelijke bijdrage juridische en diplomatieke risico’s met zich meebrengen?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 449–455 waarin is opgenomen dat sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad en dat een staat de verplichting kan hebben tot rechtsherstel. Rechtsherstel is een onderdeel van het staatsaansprakelijkheidsrecht. De uitspraak van het IGH op dit onderwerp is geheel overeenkomstig het bestaande internationaal gewoonterecht, zoals neergelegd in de Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid. Om te bepalen of en zo ja welke vorm van rechtsherstel geboden moet worden, moet een causaal verband worden vastgesteld tussen de internationaal onrechtmatige daad en bepaalde schade die een andere staat heeft geleden of kan lijden. Compensatie is een vorm van rechtsherstel. De invulling hiervan (hoogte, etc.) is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en moet (volgens het IGH) per geval beoordeeld worden.
Het Hof zegt over de relatie tussen aansprakelijkheid en het VN-fonds voor klimaatschade dat deze los staan van elkaar. Zo moet aan het VN-fonds voor klimaatschade worden bijgedragen op een faciliterende basis en in het kader van samenwerking. Dit gebeurt derhalve niet in de context van aansprakelijkheid voor een internationale onrechtmatige daad. Het Hof zegt dat dit wordt bevestigd in paragraaf 51 van het besluit van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP) waarmee de Overeenkomst van Parijs is aangenomen.
Erkent u dat het advies bevestigt dat rijke landen als Nederland volgens het principe van klimaatrechtvaardigheid een extra verantwoordelijkheid hebben voor het terugdringen van klimaatuitstoot en aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij niet aan deze afspraken voldoen? Onderschrijft u dat deze invulling van klimaatrechtvaardigheid concrete handelingsperspectieven biedt? Zo nee, waarom niet?
Het IGH legt in zijn advies uit dat «equity» of billijkheid kan dienen als een leidraad voor de interpretatie van de toepasselijke regels van het internationaal recht. Het Koninkrijk heeft hierover in zijn inbreng aangegeven dat billijkheid zich op diverse plaatsen uit in het klimaatrecht, onder andere in de toepassing van common but differentiated responsibilities and respective capabilities (CBDR-RC). Dit betekent dat iedere staat een verantwoordelijkheid heeft, maar dat deze al naar gelang van de omstandigheden verschillen. Dit verschil komt bijvoorbeeld tot uiting in de mate van zorg die een staat moet betrachten om klimaatverandering te mitigeren. Het kabinet onderkent het principe van CBDR-RC als een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle klimaattransitie. Over de omstandigheden van staten zegt het Hof dat de kwalificatie als «ontwikkeld land» of «ontwikkelingsland» niet statisch is, maar met de tijd kan veranderen. Daarnaast heeft elke staat de verplichting om samen te werken om klimaatverandering tegen te gaan. Deze verplichting staat los van of een staat meer of minder welvarend is. De invulling van de plicht om samen te werken wordt echter wel ingegeven door de economische draagkracht van een staat.
Volgens het advies gelden de algemene regels van staatsaansprakelijkheid bij een schending van klimaatverplichtingen. De status van een land als ontwikkelingsland of ontwikkeld land is (volgens het Hof) niet van belang voor de toepassing van deze regels, maar bij de vaststelling een schending van een specifieke regel van het internationaal (klimaat)recht, in het bijzonder de zorgplicht, kan het onderscheid wel een rol spelen. Tevens onderstreept het Hof dat het staatsaansprakelijkheidsrecht geen speciale status toekent aan verschillende categorieën van benadeelde staten en dat alle staten een belang hebben bij de bescherming van de verplichtingen in het kader van klimaatverandering, mede omdat klimaatverandering een «common concern of humankind» is.
Voldoet Nederland aan de afspraken onder het Parijs-akkoord voor het terugdringen van de klimaatuitstoot? Zo nee, zijn de juridische risico’s van het niet voldoen aan de internationale afspraken toegenomen door de uitspraken van het IGH?
Als partij bij de Overeenkomst van Parijs levert Nederland zijn bijdrage aan de afspraken onder de Overeenkomst. Dit doet Nederland samen met de andere lidstaten van de EU via de Europese klimaatdoelen die zijn vastgelegd in de Europese Klimaatwet: ten minste 55% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990, en klimaatneutraliteit in 2050. De Europese klimaatdoelen zijn in lijn met de benodigde EU-inzet om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Deze doelstellingen worden gerealiseerd via een omvangrijk en bindend wettelijk kader. Nederland implementeert dit kader binnen de nationale rechtsorde en neemt passende maatregelen om bij te dragen aan de verwezenlijking van zowel de EU-doelstellingen als de nationale doelen.
Het EU-klimaatdoel voor 2030 is eveneens gecommuniceerd in de EU NDC voor 2030. Dit document beschrijft de Europese bijdrage aan de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Het EU-klimaatdoel voor 2050 vormt het hart van de Europese Langetermijnstrategie. Op dit moment loopt de EU-besluitvorming over een wettelijk bindend tussendoel voor 2040, en over de NDC voor 2035 die daarvan zal worden afgeleid. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het desbetreffende BNC-fiche.4
Heeft dit advies invloed op uw inzet voor de COP30 dit najaar? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het IGH heeft onder meer naar COP-besluiten gekeken om tot dit advies te komen. Dit bevestigt in de eerste plaats hoe belangrijk het is dat Nederland actief blijft in de multilaterale klimaatonderhandelingen tijdens deze en volgende COPs. De precieze inzet voor COP30 wordt op een later moment dit najaar vastgesteld. Het kabinet zal u daarover via de gebruikelijke wegen informeren.
Erkent u dat Nederland als laaggelegen delta zelf zeer kwetsbaar is voor klimaatverandering en aanzienlijke investeringen in adaptatie moet plegen? Ziet u kansen om landen die hun uitstoot onvoldoende terug te brengen aan te klagen na het advies van het IGH? Zo nee, waarom niet?
Gezien de lage ligging van Nederland is bescherming tegen overstromingen ook zonder klimaatverandering een voortdurende taak die blijvend vraagt om investeringen. Door klimaatverandering en met name zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren, zal de omvang van deze opgave en investeringen in de toekomst toenemen. Dit geldt ook voor het voorkomen van schade door extreme regenval, droogte of hitte.
Het advies van het IGH bevestigt dat staten die hun klimaatverplichtingen onvoldoende naleven daarvoor aansprakelijk gesteld kunnen worden onder het internationaal recht. Dit kan zowel op basis van klimaatverdragen, als op basis van het internationaal gewoonterecht, op grond waarvan staten verplicht zijn zich in te spannen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken en daarmee klimaatverandering tegen te gaan en grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen. Deze verplichtingen gelden dus voor alle staten, ongeacht of zij partij zijn bij klimaatverdragen. Schending van deze verplichtingen kan leiden tot een internationale onrechtmatige daad met een verplichting tot rechtsherstel, dat kan bestaan uit compensatie, restitutie of genoegdoening. Er zijn wel praktische beperkingen. Zo heeft het IGH bijvoorbeeld benadrukt dat staten alleen rechtsherstel kunnen claimen als er een «voldoende direct en zeker causaal verband» bestaat tussen de internationale onrechtmatige daad en de geleden schade. De wereldwijde en complexe aard van klimaatverandering maakt het lastig om dit causale verband tussen een specifieke schending van een internationale verplichting en elders geleden schade te bewijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Klimaat en Energie op 3 september?
Het advies van het IGH vergt een zorgvuldige juridische analyse, die momenteel plaatsvindt. Daar wil het kabinet voldoende tijd voor nemen. Dat is de reden dat deze Kamervragen niet al voor het Commissiedebat klimaat en energie van 3 september jl. (versneld) zijn beantwoord. Conform de toezegging van de Minister van KGG tijdens het genoemde Commissiedebat, zal het kabinet een reactie op het IGH-advies met de Kamer delen.
De mobilisatie in Venezuela en de veiligheidsontwikkelingen nabij Curaçao, Aruba en Bonaire |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde Amerikaanse maritieme inzet in de Cariben rondom Venezuela (waaronder het uitzenden van drie Aegis-destroyers), en wat is het officiële feitenbeeld dat het Koninkrijk hierover van de Verenigde Staten (VS) heeft ontvangen (doel, duur, inzetprofiel, operatiegebied)?1, 2
Het kabinet is op de hoogte van de aanwezigheid van Amerikaanse marineschepen in het Caribisch gebied. Het betreft nationaal aangestuurde inzet door de VS. Het Koninkrijk is niet bij de inzet betrokken. Volgens Amerikaanse media worden de marineschepen ingezet voor de intensivering van drugsbestrijdingsoperaties in het gebied, gefocust op Zuid-Amerikaanse drugskartels, en zullen deze opereren in internationale wateren en luchtruim. Defensie en Buitenlandse Zaken houden contact met de VS.
Heeft voorafgaand of direct na deze aankondiging diplomatiek en/of militair overleg plaatsgevonden tussen het Koninkrijk en de VS? Zo ja, wat was de strekking daarvan?
De VS is een van de belangrijkste partners voor het Koninkrijk op het gebied van counterdrugsoperaties. Deze aangekondigde inzet is echter nationaal aangestuurd door de VS. Het Koninkrijk is hier niet bij betrokken. Op het moment houden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de VS.
In hoeverre raakt deze inzet de Cooperative Security Location Aruba–Curaçao (voorheen FOL) qua overvlieg- en stagingrechten, data-uitwisseling en aanwezigheid van personeel? Welke verdrags-/SOFA-afspraken en beperkingen gelden hierbij, en zijn deze recent geactualiseerd?
De inzet raakt de Cooperative Security Location slechts indien het gaat om inzet in het luchtruim boven Curaçao. Hierover zijn in het Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht (Trb. 2000, nr. 34, Trb. 2001, nr. 184, Trb. 2011, nr. 71, Trb. 2016, nr. 186 en Trb. 2021, nr. 89) afspraken gemaakt. Het verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten.
De status van Amerikaans personeel wordt geregeld in de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de status van personeel van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk (Trb. 2012, nr. 226, Trb. 2018, nr. 216 en Trb. 2019, nr. 12).
Over welke direct inzetbare middelen beschikt het Koninkrijk in het Caribisch deel met marine en kustwacht, en over welke opschalingsopties beschikt u?
Defensie heeft voor militaire- en politietaken een permanente militaire presentie in het Caribisch deel van het Koninkrijk van ruim 1.000 medewerkers van meerdere Defensieonderdelen, bestaande uit militairen en burgermedewerkers, met een zwaartepunt in maritiem optreden. Met deze aanwezigheid draagt Defensie bij aan de veiligheid op land, vanaf zee en in de lucht en geeft Defensie invulling aan de primaire taak, namelijk de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Daarnaast draagt Defensie bij aan het bevorderen van de internationale rechtsorde en het ondersteunen van civiele autoriteiten. De Kustwacht Caribisch Gebied is een Koninkrijksorganisatie. Naast dienstverlenende taken, zoals search and rescue, voert de Kustwacht opsporings- en toezichthoudende taken uit. Voor de uitoefening van haar taken beschikt de Kustwacht over varende, vliegende en rijdende eenheden die worden ingezet rond/op zowel de Boven- als Benedenwindse eilanden.
Indien noodzakelijk kunnen Defensiecapaciteiten vanuit Europees Nederland worden ingezet.
Hoe wordt de inzet van de Kustwacht afgestemd met Amerikaanse en regionale partners en zijn, gegeven de actuele situatie, extra personele of materiële maatregelen noodzakelijk?
De inzet van de Kustwacht Caribisch Gebied beperkt zich tot het verantwoordelijkheidsgebied van het Koninkrijk (territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone). Daarvoor vindt normaliter geen afstemming met internationale partners plaats. Defensie voert in nauwe samenwerking met de VS drugsbestrijdingsoperaties uit op volle zee (internationale wateren). Hiervoor vindt intensieve samenwerking plaats onder de coördinatie van de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S). Op dit moment is er geen aanleiding voor wijzigingen van reguliere operaties in het gebied.
Bent u voornemens een Notice to Airmen en/of Navigational Warning af te geven voor de burgerluchtvaart respectievelijk scheepvaart rondom de ABC-eilanden? Zo nee, welke andere maatregelen neemt u om de veiligheid van burgerluchtvaart en scheepvaart rond de ABC-eilanden te borgen, mede gezien cruise- en tankervaart en kritieke haven- en kabelinfrastructuur?
Binnen het Koninkrijk is Nederland verantwoordelijk voor het luchtruim boven Caribisch Nederland. Luchtverkeerdienstverleners uit Curaçao en Sint-Maarten zijn door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen om de luchtverkeersdienstverlening in het Nederlandse luchtruim boven Bonaire, Sint-Eustatius en Saba te verzorgen. Er is op dit moment geen aanleiding om vanwege veiligheidsontwikkelingen een NOTAM3 te publiceren voor het luchtruim van Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Aruba en Curaçao zijn autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en hebben daarmee eigen bevoegdheden. Het is dan ook aan Aruba en Curaçao om te bepalen of zij voor hun luchtruim een NOTAM publiceren.
Zoals gebruikelijk bij dergelijke ontwikkelingen wordt de Nederlandse burgerluchtvaart ook via de Expertgroep Dreigingsinformatie Burgerluchtvaart op de hoogte gehouden. De luchtvaartmaatschappijen maken hierbij hun eigen risicoanalyse om al dan niet van/naar, over of nabij de regio te vliegen. Verder is, voor wat betreft de waarborging van veiligheid voor de burgerluchtvaart, de Tweede Kamer op 16 september 2024 geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid 10 jaar na het neerhalen van vlucht MH17.4
Op 15 augustus jl. heeft de Minister van IenW een aangescherpte waarschuwing voor de Nederlandse commerciële zeescheepvaart afgegeven voor de territoriale zee, de aangrenzende zone en de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Venezuela, alsook voor de wateren grenzend aan de door Venezuela geclaimde Esequibo-regio van Guyana. Reden hiervoor was de verslechterde veiligheidssituatie op zee en op land, met name de onderschepping van een aantal kleine buitenlandse vaartuigen door de Venezolaanse marine/kustwacht gevolgd door arbitraire detenties van crewleden en/of oplegging van hoge boetes. Er is op dit moment geen aanleiding om deze zeescheepvaartwaarschuwing verder aan te scherpen. Ook wordt in het reisadvies voor Venezuela (zie antwoord vraag 7) de pleziervaart geadviseerd om niet te varen in de territoriale zee, de aangrenzende zone en de EEZ van Venezuela, alsook de wateren ten noorden van de Esequibo-regio van Guyana.
Worden reisadviezen en calamiteitenplannen voor bewoners en bezoekers van de ABC-eilanden geactualiseerd in het licht van deze ontwikkelingen en zo ja, hoe wordt hierover gecommuniceerd met bewoners, bedrijven en de toeristische sector?
Het reisadvies voor Venezuela is op 18 juli 2025 gewijzigd van grotendeels rood en deels oranje (alleen noodzakelijke reizen) naar geheel rood (niet reizen), vanwege willekeurige arrestaties door het regime en de zeer beperkte mogelijkheden om Nederlandse burgers te helpen wanneer die worden aangehouden. Deze wijziging van het reisadvies is actief gecommuniceerd met de autoriteiten en de toeristische sector in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Er is nu geen aanleiding om de huidige crisisplanvorming te actualiseren in het licht van de huidige ontwikkelingen.
Op welke wijze worden de regeringen en Staten van Aruba en Curaçao betrokken bij besluitvorming over defensie en buitenlandse betrekkingen die de situatie in en relatie met Venezuela aan gaan?
De handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk en de buitenlandse betrekkingen zijn conform artikel 3 van het Statuut Koninkrijksaangelegenheden. De Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken treden voor deze onderwerpen feitelijk altijd op als Minister van het Koninkrijk. De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten zijn als vertegenwoordiger van respectievelijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten lid van de Rijksministerraad en maken op die wijze deel uit van de besluitvorming van de Koninkrijksregering. Daarnaast vindt voortdurend bilateraal contact plaats tussen de autoriteiten in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de Koninkrijksministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. De Commandant der Zeemacht in het Caribisch Gebied (C-ZMCARIB) is als regionale commandant het primaire aanspreekpunt voor Defensie-aanwezigheid en -activiteiten in de regio voor lokale autoriteiten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt in het Caribisch deel van het Koninkrijk vertegenwoordigd door de Speciaal Gezant voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Tevens onderhouden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de Gezaghebber van Bonaire.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn, en zo nodig periodiek, te informeren over de verdere ontwikkelingen en de gevolgen voor het Koninkrijk, inclusief, waar passend, een vertrouwelijke technische briefing over paraatheid, conflictbeheersing en scenario’s?
Indien de situatie in de regio leidt tot een andere veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk zal de regering uw Kamer daarover onverwijld informeren.
Kunt u deze vragen, elk afzonderlijk, beantwoorden voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie?
Ja.
Mogelijke Nederlandse bijstand bij natuurbranden in Zuid-Europa |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de hevige natuurbranden die momenteel woeden in onder meer Spanje, Portugal en op de Balkan, zoals beschreven in recente nieuwsberichten?1 2 3
Ja.
Klopt het dat Montenegro, Spanje en Portugal bijstandsverzoeken hebben gedaan voor inzet, met name helikopters met teams, bij de bestrijding van deze natuurbranden?
Montenegro heeft op 11 augustus via het operationele Europese Coördinatiecentrum, het EU Emergency Response Coordination Centre (ERCC), het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming geactiveerd en verzocht om twee blushelikopters, twee blusvliegtuigen en een team voor de bestrijding van bosbranden op de grond. Verschillende EU lidstaten hebben op dit verzoek gereageerd door het leveren van de gevraagde capaciteiten en teams. Op 13 augustus heeft Spanje via ditzelfde mechanisme verzocht om blusmiddelen, zoals helikopters, vliegtuigen en voertuigen. Portugal heeft op 15 augustus een verzoek gedaan voor blusvliegtuigen.
Welke overwegingen hebben ertoe geleid om deze bijstand te weigeren?
Verzoeken die via het EU Emergency Response Coordination Centre (ERCC) worden gedaan komen in Nederland binnen bij het Nationaal Crisiscentrum (NCC). Het NCC volgt een vaste procedure om snel en effectief te reageren. Zo worden verzoeken uitgezet bij de relevante ministeries om na te gaan of aan het verzoek kan worden voldaan. Vervolgens zijn de verzoeken bij Defensie terechtgekomen. In het geval van het verzoek vanuit Montenegro is hier door andere EU-lidstaten op korte termijn op gereageerd. Naar aanleiding van het Spaanse verzoek heeft het kabinet besloten om twee Chinook-transporthelikopters te leveren om te helpen bij het bestrijden van de natuurbranden. De helikopters zijn van dinsdag 19 augustus tot zondag 31 augustus ingezet voor de brandbestrijding.
In deze periode hebben de toestellen bijna 3 miljoen liter water gedropt ter bestrijding van de natuurbranden.
Kan Defensie alsnog zo spoedig mogelijk helikopters inzetten in de getroffen gebieden die om bijstand vragen? Zo ja, gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat dergelijke operationele bijstand bij een crisis niet alleen de kracht van Europese samenwerking toont, maar ook het imago van Nederland als betrouwbare partner in EU- en NAVO-verband extra versterkt?
Ja, met de inzet van de Chinooks laat Nederland zien verantwoordelijkheid te nemen als bondgenoot, en een bijdrage te leveren aan het beschermen van levens en behoud van de natuur. Het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming is gestoeld op solidariteit: landen die elkaar bijstaan in crisistijd kunnen zelf ook rekenen op steun wanneer dat nodig is. Nederland hecht hier al langere tijd veel belang aan en draagt daarom actief bij, onder meer met donaties aan energie-infrastructuur, de levering van strooizout en de donatie van COVID-19-vaccins. Dat vergroot niet alleen de kans op wederkerigheid binnen de EU, maar heeft ook strategische waarde voor onze bilaterale relaties, zoals met Spanje, waar recent twee Nederlandse brandweerteams door Spaanse collega’s in Galicië zijn opgeleid – een samenwerking die Nederland graag verder uitbouwt.
Het is een goed voorbeeld van hoe Europese samenwerking en solidariteit er in de praktijk uitziet. Dit versterkt ook de positie van Nederland als betrouwbare partner in NAVO-verband.
Welke voorbereidingen of draaiboeken liggen gereed binnen Defensie om snel in te spelen op urgente internationale verzoeken tot civiele bijstand, zoals nu bij natuurbranden?
Defensie beschikt over kennis en expertise om bijstand te kunnen leveren. Voor internationale verzoeken wordt dit gecombineerd met de kennis en expertise die is opgedaan met expeditionair optreden. Uiteindelijk geldt bij noodsituaties als deze dat het om maatwerk draait. Bij internationale bijstand zal ook altijd een afweging plaatsvinden tussen nationale en internationale belangen, en worden de gevolgen van een dergelijke inzet ten opzichte van de gereedheid voor hoofdtaak 1 en 2 meegewogen.
Hoe beoordeelt u de strategische waarde van snelle, zichtbare Nederlandse inzet bij deze rampen voor onze positie in toekomstige Europese en internationale samenwerking?
Zie ook het antwoord op vraag 5. De snelle, zichtbare Nederlandse inzet van de Chinooks geeft een belangrijk signaal af dat Europese lidstaten elkaar steunen bij rampen en crises van verschillende aard. Daarnaast draagt het bij aan het versterken van gezamenlijke crisisresponsmechanismen.
Bent u bereid in ieder geval om de vragen 1 t/m 6, gezien de noodsituatie in delen van Zuid-Europa, per omgaande beantwoorden?
Uw Kamer is in de Kamerbrief Geannoteerde Agenda RBZ Defensie 28 en 29 augustus 2025 van 19 augustus jl. reeds geïnformeerd over de inzet van de Chinook-transporthelikopters om natuurbranden in Spanje te bestrijden.
Het bericht dat Oekraïne wapenexporteur wil worden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Oekraïne wil wapenexporteur worden: «Getest in de praktijk»»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het exporteren van wapens zonder degelijk wapenexportbeleid grote risico’s met zich meebrengt op het gebied van mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht veel waarde aan een zorgvuldige controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie met het oog op het behouden en bevorderen van de internationale veiligheid. De controles zijn onder andere bedoeld om de ongewenste verspreiding van wapens en overige militaire goederen te voorkomen, de verspreiding van gevoelige technologieën te beheersen en ervoor te zorgen dat export geen activiteiten ondersteunt die in strijd zijn met Nederlandse belangen en verplichtingen.
In dit kader stimuleert Nederland ook andere landen om een zorgvuldig en transparant exportcontrolebeleid te voeren (inclusief risicobeoordeling en controle op eindgebruik). Dit komt ook voort uit internationale verplichtingen zoals het partij zijn bij het VN-wapenhandelsverdrag (ATT) en geldende Europese wetgeving.
Heeft u een beeld bij het wapenexportbeleid dat Oekraïne van plan is te gaan voeren? Zo ja, kunt u hierover meer informatie verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Wapenexportbeleid is een nationale bevoegdheid. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de invulling van het Oekraïense wapenexportcontrolebeleid, aangezien dit sterk afhankelijk is van de nationale context. Nederland stimuleert Oekraïne om een zorgvuldig en transparant exportcontrolebeleid te voeren, in overeenstemming met het Oekraïense EU-toetredingsperspectief en de noodzaak tot geleidelijke aanpassing aan het EU-acquis. In dat kader vormt het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) het referentiekader.
Hoe verhoudt deze stap zich tot de investeringen die Nederland, mede onder het zogenaamde Memorandum of Understanding, doet in de Oekraïense wapenindustrie? Zijn hier risico’s mee gepaard? Graag een uitgebreide reactie.
Tijdens de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 5 juni jl. hebben Nederland en Oekraïne een zogenaamd Memorandum of Understanding (MoU) getekend om directe verwerving van militair materieel waaronder bijvoorbeeld Oekraïense drones ten behoeve van de Oekraïense krijgsmacht te faciliteren. Het MoU biedt een kader voor financiering, inkoop en contractering. Aankopen komen tegemoet aan de productiecapaciteit van de desbetreffende producenten, maar zijn geen directe investeringen.
Onder deze MoU wordt Oekraïens militair materieel door Nederland enkel en alleen aangekocht ten behoeve van Oekraïense krijgsmacht. In de MoU is bepaald dat materieel niet buiten de krijgsmacht overgedragen mag worden. Voor gebruik is vastgelegd dat het materieel enkel ter zelfverdediging en voor militaire doeleinden kan worden ingezet, in overeenstemming met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten. Er is daarmee beperkt risico voor verdere export van het materieel en oneigenlijk gebruik.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse investeringen gaan bijdragen aan de productie en export van verboden wapens, zoals personeelslandmijnen en clustermunitie? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 4 beschreven is het doel van de MoU om het verwerven van militair materieel voor de Oekraïense strijdkrachten te faciliteren. Dit proces is gebonden aan de Nederlandse exportcriteria. Vergunningaanvragen voor de export van militaire goederen naar Oekraïne worden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken zorgvuldig getoetst aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB).
Nederland is partij bij het Verdrag inzake clustermunitie (CCM) en het Verdrag inzake anti-personeelslandmijnen (APMBC) en is daarmee gehouden aan de bepalingen van deze verdragen, waaronder het verbod op productie en export van anti-personeelslandmijnen en clustermunitie. Criterium 1 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole toetst specifiek aan naleving van de internationale verplichtingen en verbintenissen van de lidstaten.
Bovendien zet Nederland zich in om, conform het Lausanne Action Plan van het CCM en het Siem Reap Angkor Action Plan van het APMBC, de naleving van de verdragsnormen bij niet-verdragspartijen te bevorderen. Onderdeel hiervan is het ontmoedigen van het gebruik, de ontwikkeling, de productie van voorraden en de overdracht van clustermunitie en anti-personeelslandmijnen.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse investeringen gaan bijdragen aan de export van wapens naar landen of gebieden waar grote risico’s op mensenrechtenschendingen zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor vraag 4. Voor gebruik van militaire goederen door Oekraïne is vastgelegd dat het materieel enkel ter zelfverdediging en voor militaire doeleinden kan worden ingezet, in overeenstemming met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten. Overdracht naar derde landen is zonder toestemming van Nederlandse exportcontrole autoriteiten niet toegestaan.
Verandert uw oordeel over de motie van het lid Dobbe (Kamerstuk 28 676, nr. 514) over implementatie van Europese wapenexportcriteria als voorwaarde bij investeringen in de Oekraïense wapenindustrie die door u op 27 mei jongstleden is ontraden omdat «Oekraïne op dit moment geen wapens mag exporteren omdat het in oorlog is.»? Deelt u de mening dat deze situatie nu is veranderd?
Zie het antwoord op vraag 4. Onder de getekende MoU wordt Oekraïens militair materieel door Nederland enkel en alleen aangekocht ten behoeve van de Oekraïense krijgsmacht. In de MoU is bepaald dat materieel niet buiten de Oekraïense krijgsmacht overgedragen mag worden.
Militaire oefeningen met bekabelde drones in Natura 2000-gebieden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Vinden er militaire oefeningen plaats in Natura 2000-gebieden met drones die via of met een glasvezelkabel worden bestuurd?
Nee, Defensie beschikt op dit moment niet over glasvezel aangestuurde (ook wel fiber optic) drones en heeft hier niet mee geoefend in Natura 2000-gebieden. Defensie heeft bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van onbemenste systemen en werkt strategisch samen met bedrijven, kenniscentra en andere partners. In dat kader kunnen demonstratie- of testvluchten plaatsvinden.
Heeft u onderzoek laten doen naar de schade op de natuur en het milieu door gebruik van deze glasvezelkabels? Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?
Bij de aanschaf van nieuw materieel wordt gekeken naar de gevolgen hiervan op de leefomgeving, waaronder de effecten op de natuur. Mocht de Nederlandse krijgsmacht de beschikking krijgen over fiber optic drones, zal dit niet anders zijn. Bij de aanschaf hiervan wordt dan gekeken naar de manier waarop glasvezelkabels worden opgeruimd.
Hoe worden Natura 2000-gebieden opgeruimd na een oefening van deze bekabelde drones? Worden de glasvezelkabels die worden gebruikt bij deze oefeningen opgeruimd of achtergelaten?
Binnen Defensie zijn gedrags- en gebruiksregels opgesteld die waarborgen dat restproducten na een oefening worden opgeruimd. Of dit nu bijvoorbeeld gaat om losse hulzen, verpakkingen van voedsel of, indien de Nederlandse krijgsmacht dat type drones zou gebruiken, glasvezelkabels.
Deelt u de mening dat militaire oefeningen in Natura 2000-gebieden nooit langdurige schade aan het gebied mogen veroorzaken, en dat Defensie uiterst netjes om moet gaan met onze natuur?
Verspreid over het land beschikt Defensie over militaire oefenterreinen. Deze militaire oefenterreinen dienen primair om de geoefendheid van de Nederlandse krijgsmacht op peil te houden. Door het militaire gebruik is op meerdere terreinen een unieke dynamiek ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Een deel van deze militaire terreinen heeft vanwege de daar aanwezige natuurwaarden de status als Natura 2000-gebied gekregen. Bij het beheer en het militaire gebruik van de terreinen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de natuurwaarden. Hiervoor is onder andere het Defensie natuurbeleid opgesteld. Dit zorgt bij multifunctioneel gebruik van gronden voor een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en bevat maatregelen om de biodiversiteit te versterken en ecosystemen te beschermen. Tegelijkertijd is verstoring van de natuur door het militaire gebruik van de terreinen niet altijd uit te sluiten, maar Defensie probeert dit – mede als terreinbeheerder van natuurgebieden – zo veel mogelijk te voorkomen en waar mogelijk wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de natuur.
NAVO-doelstellingen en Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bewering van de heer Bevers dat de geheime NAVO-doelstellingen, waarvan u eerder aan de Kamer heeft laten weten dat ze door de NAVO zijn gerubriceerd als geheim, mogelijk wel bekend zijn bij de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten?1
Bent u bekend met de bewering van de heer Bevers dat de geheime NAVO-doelstellingen, waarvan u eerder aan de Kamer heeft laten weten dat ze door de NAVO zijn gerubriceerd als geheim, mogelijk wel bekend zijn bij de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.
Is dit het geval? Is de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten wellicht wél op de hoogte van deze geheime NAVO-doelstellingen?
In het openbaar kan ik hier geen uitspraken over doen, omdat het staatsgeheim gerubriceerd is wat er met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten wordt besproken.
Indien dit het geval is, kunt u de geheime NAVO-doelstellingen dan, in vertrouwen, aan de gehele Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Bij de NAVO-top 2023 in Vilnius hebben de NAVO-lidstaten zich gecommitteerd aan de NAVO Resilience Objectives, dit is terug te vinden in het Vilnius Summit Communiqué.De onderliggende stukken van de NAVO Resilience Objectives zijn weergegeven in een onderliggend document dat niet openbaar is. De Nederlandse staat kan niet zonder toestemming van de NAVO besluiten om op verzoek van de Tweede Kamer de NAVO Resilience Objectives openbaar te maken. De Minister van Justitie en Veiligheid zal in het najaar in overleg treden met de NAVO om mogelijkheden te bespreken om aanvullende informatie aan uw Kamer te doen toekomen.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Welke organisatieonderdelen binnen uw ministerie maken/maakten direct gebruik van of hebben/hadden toegang tot de Palantir-software?1
Vanwege de vertrouwelijkheid kan ik niet delen welke specifieke organisatieonderdelen binnen Defensie gebruik maken van de Palantir-software. Deze vertrouwelijkheid komt voort uit het moeten afschermen van capaciteiten van Defensie om hiermee de veiligheid en effectiviteit van Defensiepersoneel te vergroten in hun taakuitoefening.
Wel kan ik bevestigen dat binnen de Nederlandse krijgsmacht gebruik wordt gemaakt van de Palantir-software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners tijdens militaire inzet.
Zijn er buiten de «Raffinaderij» nog andere projecten of initiatieven (geweest) die gebruik maken/maakten van Palantir-software, zo ja, welk organisatieonderdeel ontplooit/ontplooide dat initiatief en onder welke projectnaam of titel?
Ten aanzien van de zogenoemde «Raffinaderij» geldt dat dit een programma betreft dat buiten Defensie valt. Defensie is dan ook niet betrokken bij de totstandkoming of toepassing van dit programma en maakt er geen gebruik van. Verder verwijs ik u graag naar de beantwoording van schriftelijke Kamervragen door de Minister van Justitie en Veiligheid2.
Welke organisatieonderdelen (onder organisatieonderdelen worden ook samenwerkingsverbanden als het RIEC, LIEC, iCOV, etc. verstaan) en / of functionarissen maken/maakten gebruik van of hebben/hadden toegang tot de informatieproducten uit de «Raffinaderij» en / of Palantir-software?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen die data delen met de «Raffinaderij» of andere Palantir-gerelateerde initiatieven, en zo ja, welke organisatieonderdelen zijn dat?
Er zijn geen organisatieonderdelen binnen Defensie die data delen met het programma «Raffinaderij». Dit programma valt buiten het domein van Defensie.
Binnen Defensie wordt Palantir-software uitsluitend ingezet in het eerder genoemde kader van militaire operaties en NAVO-interoperabiliteit. De toepassing daarvan vindt plaats binnen Defensiespecifieke projecten en met inachtneming van de geldende wet- en r49egelgeving, waaronder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Kunnen de vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoord worden?
De beantwoording wordt op de eerste dag na het zomerreces verzonden aan de Kamer.
Nieuwe aanvallen op vrachtschepen in de Rode Zee |
|
Joeri Pool (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Houthi’s opnieuw schepen hebben aangevallen in de Rode Zee en daardoor zelfs een schip is gezonken?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat deze aanvallen, die overduidelijk zijn gericht op civiele schepen, gewoon een zuivere vorm van terrorisme zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de destabiliserende rol van de Houthi’s in de regio en de directe veiligheidsdreiging die uitgaat naar internationale scheepvaart. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke aanvallen iedere rechtsbasis missen en daarom evident in strijd zijn met het internationaal recht. Het kabinet veroordeelt de hervattingen van de aanvallen van de Houthi’s op de scheepvaart dan ook ten zeerste.
Bent u bereid om de Houthi’s nou eens een keer als terroristen te kwalificeren en hiervoor in internationaal verband te pleiten?
Ja.
Een EU terrorisme-listing is een waardevol diplomatiek en politiek instrument dat desgewenst als middel kan worden ingezet. Op dit moment is er om uiteenlopende redenen geen draagvlak binnen de EU voor het plaatsen van de Houthi’s op de EU terrorismelijst. Het kabinet monitort zowel de feitelijke als politieke omstandigheden nauwgezet en beziet of dit draagvlak mogelijk groter wordt en zet zich hiervoor in. Daarnaast zet het kabinet zich nog steeds in EU-verband in voor gerichte aanvullende sancties, bijvoorbeeld tegen individuen en bedrijven die een rol spelen bij het financieren en bewapenen van de Houthi’s.
Gezien het karakter van listingsprocessen zal het kabinet, zoals gebruikelijk, in beginsel, de Kamer informeren zodra er ontwikkelingen zijn die gedeeld kunnen worden.
Tot slot zet het kabinet zich in voor het versterken van de Jemenitische overheid als tegenwicht tegen de Houthi’s, het aansporen van regionale partners om zich in te zetten tegen de Houthi-dreiging en verdere versterking van de effectiviteit van Aspides in het Rode Zeegebied.
In hoeverre verandert het dreigingsniveau voor Nederlandse schepen door de recente aanvallen waarbij naar verluidt een divers scala aan wapensystemen zijn ingezet?
Sinds 19 december 2023 geldt al het hoogst mogelijke dreigingsniveau in het zuidelijk deel van de Rode Zee, de Bab al Mandeb en de Golf van Aden, zoals de aanval op het Nederlandse vrachtschip de MV Minervagracht op 29 september jl. opnieuw aantoont. Dat de Houthi’s beschikken over een groot en divers arsenaal waarmee zij dit soort aanvallen kunnen uitvoeren is bekend en meegewogen in het vastgestelde dreigingsniveau. Nederlands-gevlagde schepen wordt ontraden dit gebied te doorkruisen.
Acht u het noodzakelijk om aanvullende maatregelen te nemen om de Nederlandse scheepvaart te beschermen in de wateren rondom Jemen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft sinds de start van aanvallen van de Houthi’s op de scheepvaart in het Rode Zeegebied bijgedragen aan de verschillende missies die in dit gebied opereren (Operation Poseidon Archer, Operation Prosperity Guardian, EUNAVFOR Aspides). Deze bijdragen zijn erop gericht (geweest) om onder andere een bijdrage te leveren aan het bevorderen van de vrije doorvaart in dat gebied. Momenteel draagt Nederland, samen met andere EU-lidstaten bij aan EUNAVFOR Aspides.
Zoals door het kabinet geformuleerd in de Kamerbrief inzake internationale inzet van Nederlandse militairen, civiele experts en politiefunctionarissen 2025–2028 van 4 april 2025 (Kamerstuk 29 521, nr. 493, d.d. 4 april jl.), hecht het kabinet aan het belang van maritieme veiligheid in de regio en overweegt het doorlopend mogelijkheden, wenselijkheid en haalbaarheid van eventuele aanvullende inzet in de regio.
Welke (sanctie) maatregelen gaat u nemen tegen Iran voor het faciliteren van de Houthi-terreur, waardoor een cruciale handelsroute nu al zo lang wordt bedreigd?
In de zomer van 2024 is onder andere op verzoek van Nederland het Iran Unmanned Aerial Vehicle (UAV)-sanctieregime van de EU uitgebreid met mogelijkheden om de Iraanse destabiliserende rol in de Rode Zee regio aan te pakken. Het is sindsdien mogelijk om individuen en partijen te sanctioneren die bijdragen aan de destabiliserende rol van Iran in de regio. En dit gebeurt ook. Zo is onder dit sanctieregime de Islamic Revolutionary Guard Corps (IRGC) Marine, die de Houthi’s voorziet van wapens en andere apparatuur, gesanctioneerd. Vanwege de vertrouwelijkheid wordt niet ingegaan op eventuele verdere sancties.
Kunt u deze vragen gezien de acute opleving van de aanvallen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het met 3D-printers maken van wapenonderdelen voor Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin wordt gemeld dat Deense vrijwilligers thuis met 3D-printers onderdelen van wapens maken voor Oekraïne?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze Deense burgerinitiatieven binnen het kader van Europese wapensteun aan Oekraïne?
Wij erkennen de waarde van maatschappelijke civiele initiatieven om civiele goederen te maken, verzamelen en distribueren ter ondersteuning van Oekraïne. Deze burgerinitiatieven helpen bij de verdediging van Oekraïne. Daarnaast getuigen ze van betrokkenheid met de Oekraïense bevolking in hun verdediging tegen de Russische agressie.
In overeenstemming met de bepalingen van de Wet wapens en munitie is het in Nederland uitdrukkelijk verboden om wapens, munitie of wapenonderdelen te produceren zonder voorafgaande erkenning. Deze regelgeving heeft eveneens betrekking op onderdelen die met behulp van geavanceerde 3D-printtechnologie worden vervaardigd. Het initiatief nemen tot het afdrukken van een dergelijk wapen of onderdeel zonder de vereiste vergunning te hebben verkregen, leidt derhalve tot een strafbaar feit en wordt door de autoriteiten als zodanig aangemerkt.
Klopt het dat er in Nederland momenteel geen (vergelijkbare) mogelijkheden zijn voor burgers om bij te dragen aan de verdediging van Oekraïne via civiele toepassingen zoals 3D-printtechnologie? Zo nee, welke mogelijkheden zijn daar momenteel wel voor?
Aanvullend op de beantwoording onder vraag 2 geldt in Nederland op grond van de Wet wapens en munitie een algemeen geldend verbod op wapenbezit voor burgers. Deze wet biedt tevens een grondslag voor uitzonderingen op dit wapenverbod voor burgers, zoals een vergunning om te jagen. Vanwege de potentieel hoge risico’s van wapenbezit zijn uitzonderingen streng gereguleerd, en moeten burgers aantonen dat ze de wapens alleen zullen gebruiken voor een doel dat wettelijk is toegestaan, geen crimineel verleden hebben en de wapens en munitie in een kluis bewaren. Deze voorschriften en eisen hebben als doel de risico’s voor de samenleving te beperken.
De wet biedt mogelijkheden voor burgers om wapens, wapenonderdelen en munitie te vervaardigen. Hiervoor moeten burgers een bijzondere vergunning hebben: erkenning als wapenhandelaar op grond van artikel 9, tweede lid van de Wet wapens en munitie. Deze burgers moeten naast de bovengenoemde eisen ook de opleiding Vakexamen Handel in Wapens en Munitie (VHWM) van de Politieacademie volgen en het examen succesvol hebben doorlopen voordat ze deze erkenning kunnen krijgen. Voor het volgen van deze opleiding is een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig en na verlening van de erkenning wordt de betrouwbaarheid van de persoon doorlopend getoetst. Hiermee wordt gewaarborgd dat wapens en munitie worden vervaardigd door burgers die hiervoor zijn opgeleid, betrouwbaar zijn en voldoen aan de veiligheidsvoorschriften.
Op grond van de Wet wapens en munitie zijn alleen deze erkenninghouders bevoegd om wapens, wapenonderdelen en munitie te vervaardigen. Dit geldt ook voor wapenonderdelen die gemaakt worden met 3D-printtechnologie. Het geven van een printopdracht om een 3D-wapen of wapenonderdeel, te vervaardigen zonder deze erkenning levert dan ook een strafbaar feit op.
Naast deze erkenning zijn goederen die specifiek worden ontwikkeld voor militair eindgebruik, zoals 3D-geprinte onderdelen van als militair goed gekwalificeerde wapens, onderhevig aan Nederlandse exportcontrolewetgeving op het moment dat deze Nederland verlaten. Zowel burgers met een officiële erkenning als Nederlandse bedrijven dienen bij export van dit soort goederen een vergunningaanvraag in te dienen bij de Nederlandse exportcontrole-autoriteiten. Zonder vergunning is de export van deze goederen niet toegestaan. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken toetst elke vergunningaanvraag zorgvuldig aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) om vast te stellen of een vergunning wordt verleend.
Acht u het wenselijk dat Nederlandse burgers of bedrijven, onder strikte voorwaarden en toezicht, onderdelen voor militaire systemen produceren en doneren aan Oekraïne? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse bedrijven dragen reeds bij aan de Nederlandse steun aan Oekraïne, onder andere door middel van productie van (onderdelen van) militaire systemen. Dit doen zij volgens de geldende wet- en regelgeving inclusief strikt toezicht. Hierbij is ook de Nederlandse exportcontrolewetgeving van toepassing. Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Mits wordt voldaan aan de strikte voorwaarden en toezicht zoals hierboven geschetst, kunnen Nederlandse burgers daaraan bijdragen.
Ziet u kansen voor het opzetten van een gecentraliseerd 3D-printprogramma in Nederland, mogelijk in samenwerking met het MKB en technische universiteiten, waarbij vrijwilligers en bedrijven via dual-use technologie kunnen bijdragen aan de Oekraïense verdediging?
3D-printing moet niet gezien worden als een doel op zich: de waarde van 3D-printing is afhankelijk van situatie en context. In de toepassingen waarin Defensie 3D-printing inzet is de meerwaarde dat onderdelen ter plaatse kunnen worden gefabriceerd, waarmee operaties minder afhankelijk worden van logistieke ketens. 3D-printing is, voor de massaproductie van materieel, zelden een efficiënte vervanging van normale industriële productietechnieken.
Wel wordt in de productieketen, ook bij de Nederlandse defensie-industrie ook gebruikt gemaakt van 3D-printing voor bijvoorbeeld de productie van componenten of bij de ontwikkeling van nieuwe producten en componenten. Het bedrijfsleven laat hiermee zien al over zulke capaciteiten te beschikken en die ook in te zetten in de toeleveringsketen.
Daarnaast is Nederland actief betrokken bij de ondersteuning van Oekraïne op het gebied van innovatieve technologieën. In samenwerking met tien Europese landen slaat Nederland de handen ineen om onder de vlag van het Europese Defensie Agentschap (EDA) en dankzij Kickstartfinanciering van Operationeel Beleid, een 3D-printing hub in Polen op te zetten. Het doel van de 3D-printing hub is om een blauwdruk te creëren die de deelnemende lidstaten kunnen gebruiken als invulling voor zowel de eigen 3D-print-operaties als ondersteuning voor Oekraïne. Deze inspanning toont aan dat wij ook bereid zijn om innovatieve oplossingen te verkennen en toe te passen ter ondersteuning van onze bondgenoten en partners.
Nederland zet zich dus al in via gevestigde en gereguleerde kanalen voor de productie en distributie van militaire hulp aan Oekraïne, waaronder het 3D-printen van wapenonderdelen. Dit waarborgt niet alleen de kwaliteit en veiligheid van de geleverde onderdelen maar ook dat alle activiteiten in overeenstemming zijn met internationale regelgeving en verplichtingen. Defensie focust vooral op de behoeftestelling van de Oekraïners op macro niveau, en ziet niet zo snel kansen om een dergelijk gecentraliseerd printprogramma op te zetten.
Bent u bereid te onderzoeken of in samenwerking met bijvoorbeeld TNO en de maakindustrie een programma kan worden opgezet om onderdelen van bijvoorbeeld drones, wapensystemen of voertuigen via 3D-printtechnologie te produceren en beschikbaar te stellen aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er op dit moment technologische, juridische of politieke belemmeringen die een dergelijk initiatief in Nederland in de weg staan? Zo ja, welke zijn dat en bent u bereid deze aan te pakken?
De Wet wapens en munitie in Nederland regelt het bezit, de productie, de verkoop en het vervoer van wapens en munitie. Zoals opgemerkt in de beantwoording van vraag 2, is het op basis van de bepalingen van de Wet wapens en munitie uitdrukkelijk verboden om wapens, munitie of wapenonderdelen te produceren zonder voorafgaande erkenning. Deze regelgeving heeft eveneens betrekking op onderdelen die met behulp van geavanceerde 3D-printtechnologie worden vervaardigd. Het initiatief nemen tot het afdrukken van een dergelijk wapen of onderdeel zonder de vereiste vergunning te hebben verkregen, leidt derhalve tot een strafbaar feit en wordt door de autoriteiten als zodanig aangemerkt.
Momenteel loopt het traject voor de herziening van de Wet wapens en munitie. Hierin wordt alle problematiek rondom de huidige Wet wapens en munitie opgehaald en worden oplossingen verkend. De herziening dient ook toekomstbestendig te zijn en aan te sluiten bij technologische en juridische ontwikkelingen.
De storing bij de radiosystemen van de Kustwacht |
|
Arend Kisteman (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Radiosystemen bij de Kustwacht werken niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Nederlandse Kustwacht een belangrijke rol vervult om de Noordzee veilig te houden en dat het daarom zeer belangrijk is dat radiocommunicatieproblemen snel worden opgelost?
Ja.
Kwalificeert u het communicatiesysteem voor de Kustwacht als mission critical?
Ja, in de zin dat de radiosystemen essentieel zijn voor het opereren van de Kustwacht.
Wie is er verantwoordelijk voor de communicatiesystemen? Als deze verantwoordelijkheid bij het Rijk ligt, wat gaat u eraan doen om storingen te voorkomen?
De Kustwacht is een samenwerkingsverband van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Defensie, Justitie en Veiligheid, Financiën, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het Ministerie van Defensie voert het beheer uit, waaronder dat van de communicatiesystemen.
Ja, de radiosystemen zijn op orde. De storing is verholpen. De oorzaak is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Heeft u het vertrouwen dat het communicatiesysteem op dit moment op orde is en bestand is tegen storingen?
Zie antwoord vraag 4.
Gezien de Kustwacht ook een rol speelt in het begeleiden van Russische schepen, kunt u garanderen dat de huidige communicatiesystemen adequaat zijn en we hier geen steken laten vallen?
Het begeleiden van niet-NAVO- en niet-partnereenheden door het Nederlandse deel van de Noordzee schepen is een taak van Defensie2. Waar gevraagd verleent de Kustwacht assistentie. De radiosystemen zijn op orde. De storing van de radiosystemen is verholpen. De oorzaak is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
In het geval van een storing waaronder deze luisteren de varende en vliegende Kustwachteenheden alsmede de maritieme verkeerscentrales en de reddingstations van de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij (KNRM) het maritieme radionoodkanaal uit. De Kustwacht informeert dan ook omliggende landen. De Kustwacht kan reddingboten alarmeren. De communicatie verloopt dan via het telefoon- en/of C2000-netwerk.
Zijn er kritieke toestanden ontstaan door de storingen en zijn er hierbij mensen in gevaar gekomen?
Nee, er zijn geen kritieke toestanden ontstaan en geen mensen in gevaar gekomen door de storing van de radiosystemen. De Kustwacht heeft direct mitigerende maatregelen genomen om bij nood bereikbaar te blijven. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de voorgaande vraag.
Hoe verhoudt deze storing zich tot de storing op 28 augustus 2024?2
De storing van 1 juli jl. en die van 28 augustus 2024 en de oorzaken daarvan staan los van elkaar. De eerste betrof een probleem met een routeringsprotocol op het netwerk tussen de radiosystemen van de Kustwacht. De storing van 28 augustus 2024 betrof een landelijke storing van het NAFIN4.
De NAFIN-storing op 28 augustus 2024 is geëvalueerd om herhaling te voorkomen5.
Zijn de problemen die deze storing toen veroorzaakten verholpen, zodat herhaling wordt voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kan het zijn dat de back-upsystemen voor de communicatie ook uitvallen als het hoofdsysteem een storing heeft? Is hier inmiddels iets aan gedaan?
Het betrof een storing op het netwerk tussen de afzonderlijke radiosystemen («radiostations»). De afzonderlijke radiosystemen bleven werken. De storing werd ervaren als een storing van de radiosystemen als geheel. De radiosystemen op zich zijn redundant ingericht en kunnen elkaar opvangen bij uitval als het netwerk ertussen beschikbaar is.
Het heeft lang geduurd voordat de storing in het routeringsprotocol werd verholpen, is hierin voorzien om het routeringsprotocol redundant te maken? En zo niet, bent u voornemens dit te doen?
Het netwerk tussen de radiosystemen is drievoudig redundant ingericht. Het probleem met het routeringsprotocol had te maken met een verkeerde instelling en is niet met redundantie te voorkomen. Het probleem is onderzocht en verholpen. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over uw inspanningen om een dergelijke storing in de toekomst uit te sluiten?
De storing is verholpen. De storing is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Hoe is het communicatiesysteem van de Kustwacht beschermd tegen cyberaanvallen?
Het communicatiesysteem van de Kustwacht is op verschillende manieren beveiligd tegen zowel interne als externe cyberaanvallen. Vanwege veiligheidsoverwegingen kan ik hierop verder niet ingaan.
In hoeverre zijn de opstelpunten essentieel voor goede radiosystemen voor de Kustwacht? Als dit zo is, wordt dit dan ook meegenomen in de gesprekken met de sector zoals beloofd in het commissiedebat Telecom van 30 januari 2025?
De opstelpunten zoals bedoeld in het commissiedebat zijn telecommunicatie-opstelpunten en hebben geen relatie met de storing of werking van de radiosystemen voor de Kustwacht.
Stikstofbelemmeringen op defensielocaties |
|
Jan Paternotte (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in de Telegraaf van 16 juni 2025 met de titel «Geheim rapport slaat alarm over Defensie: nieuwe NAVO-doelen in gevaar door aangescherpte stikstofregels»?
Ja.
Klopt het dat uit een vertrouwelijk rapport van TNO blijkt dat Defensie op vrijwel alle oefenlocaties wordt belemmerd door stikstofbeperkingen en dat dit directe gevolgen heeft voor het halen van de Nederlandse NAVO-doelstellingen?
Ja.
Om de impact van de stikstofproblematiek op Defensie beter te kunnen duiden, heeft TNO in opdracht van Defensie een verkenning gedaan naar de gevolgen voor de operationele gereedstelling van de krijgsmacht van de uitspraken van 18 december jl. van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en van 22 januari jl. van de rechtbank Den Haag. Daarnaast heeft Haskoning, voorheen Royal HaskoningDHV, in opdracht van Defensie de stikstofdepositiebijdrage van Defensie in Nederland in kaart gebracht, ten opzichte van de huidige achtergrondwaarde en de kritische depositiewaarde.
TNO heeft in haar onderzoek voor vijf locaties de impact van de uitspraken voor verschillende Defensieonderdelen beschreven. Op basis hiervan concludeert TNO dat de impact van de uitspraken van 18 december jl. – en de stikstofproblematiek in den brede – op de operationele gereedstelling van Defensie ‘enorm’ is. Daarmee beperkt dit ook de nationale en bondgenootschappelijke verdedigingscapaciteit en raakt daarmee onze verplichtingen in het kader van de collectieve verdediging van het Nederlandse en NAVO-grondgebied.
Kunt u dat rapport zo spoedig mogelijk, eventueel vertrouwelijk, aan de Kamer toesturen?
Het managementuittreksel van het onderzoek van TNO en het onderzoeksrapport van Haskoning zijn op 3 juli 2025 aan uw Kamer verzonden, als bijlage bij de Verzamelbrief ontwikkelingen in vastgoed, leefomgeving en ruimtelijke ordening (kenmerk D2025–002770).
Hoe beoordeelt u de constatering uit het artikel dat de natuurvergunningproblematiek niet alleen extra kosten en vertraging oplevert, maar ook raakt aan de paraatheid van de krijgsmacht?
De conclusies van het TNO-rapport zijn zorgelijk. Het is belangrijk dat ruimte wordt geboden aan maatschappelijke taken van Defensie in het licht van geopolitieke ontwikkelingen, zoals de tijdige en stelselmatige gereedstelling van de krijgsmacht. De (stikstof)ruimte voor het verkrijgen van nieuwe natuurvergunningen is echter beperkt en dat belemmert het bestendigen en intensiveren van bestaande defensieactiviteiten en de uitbreiding van deze of nieuwe defensieactiviteiten.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis De Peel?
Op de Luitenant-Generaal Bestkazerne wil het Defensie grondgebonden luchtverdedigingscommando (DGLC) de luchtverdedigingsactiviteiten uitbreiden.
Net als voor het overgrote deel van de defensielocaties, beschikt de Luitenant-Generaal Bestkazerne niet over een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (natuurvergunning). Defensie voerde op deze locatie immers al activiteiten uit op het moment dat de Natura 2000-gebieden werden aangewezen. Op de Bestkazerne en andere defensielocaties is het toegestane gebruik vastgelegd in milieutoestemmingen. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aantal schoten op schietbanen en geluidszones voor vliegbewegingen, maar ook om aantallen eenheden en voertuigbewegingen. Bij uitbreiding van aantallen eenheden en oefeningen boven de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, kunnen problemen ontstaan als voor die uitbreiding een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig. Door de stikstofproblematiek is het op dit moment moeilijk een natuurvergunning te krijgen voor uitbreiding van activiteiten of projecten die zorgen voor extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, die al overbelast zijn. Deze problematiek kan zich in de toekomst ook voordoen bij een mogelijke uitbreiding van de activiteiten van het DGLC.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zoals hierboven beschreven aan de hand van het voorbeeld van de DGLC, is het gezien de geldende wet- en regelgeving, de jurisprudentie en de huidige staat van de natuur lastig om een natuurvergunning te verkrijgen voor Defensielocaties. De Habitat-en de Vogelrichtlijn bevatten momenteel geen generieke uitzondering voor defensieprojecten, waardoor Defensie de reguliere stappen voor het verkrijgen van een natuurvergunning moet doorlopen.
Omdat de stikstofruimte in Nederland beperkt is, zal Defensie per opgave gebiedsspecifiek moeten onderzoeken wat de gevolgen van de stikstofdepositie van de defensieactiviteiten zijn voor de daar aanwezige natuur. Als sprake is van een overbelaste situatie, dan is een beperkt aantal instrumenten voorhanden om de toename van de Defensieactiviteiten vergund te krijgen. Intern salderen of stikstofruimte aankopen van derden zijn door de recente rechterlijke uitspraken enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Eén van de mogelijkheden die Defensie onderzoekt, is het treffen van compenserende maatregelen om bij te dragen aan het in stand houden van de samenhang van het Natura 2000-gebied.
Omdat slechts enkele Defensielocaties over een natuurvergunning beschikken, betekent dit dat als gevolg van de genoemde uitspraken in feite een herbeoordeling moet worden gedaan van bestaande en geplande activiteiten. Op basis van die herbeoordeling moeten natuurvergunningen worden aangevraagd. De hiervoor benodigde ecologische onderzoeken en procedures kennen lange doorlooptijden. Daarbij komt dat mitigatie en compensatie in de praktijk niet altijd mogelijk zijn i.v.m. overbelaste natuur, waardoor vergunningen – ondanks de kleine bijdrage van Defensie aan de stikstofdepositie – moeilijk kunnen worden verleend. In de praktijk wordt de vergunningprocedure daarnaast vaak vertraagd doordat het Nederlandse vergunningensysteem complex en tijdrovend is, met onder meer lange doorlooptijden en strikte eisen waaraan moet worden voldaan. Als gevolg hiervan duurt de totale procedure voor het verkrijgen van een natuurvergunning aanzienlijk langer dan initieel verwacht, waarbij de wettelijke termijnen voor vergunningverlening ruimschoots worden overschrijden. In sommige gevallen kan dit zelfs jaren duren.
De Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) werkt, na de vaststelling van een startpakket in april 2025, aan aanvullende maatregelen voor emissiereductie en natuurherstel, met als doel de belemmeringen voor vergunningverlening weg te nemen. Defensie veroorzaakt volgens het onderzoek van Haskoning een zeer beperkte gemiddelde bijdrage aan de totale achtergronddepositie in Nederland, namelijk 0,01–0,05%. Defensie probeert desalniettemin in haar rol als terreinbeheerder een positieve bijdrage te leveren aan natuurherstel.
Tenslotte heeft de Europese Commissie op 17 juni jl. het pakket Defence readiness omnibus gepubliceerd. In het wetgevingstraject dat nu wordt opgestart, probeert het kabinet op Europees niveau een oplossing te vinden voor de natuurvergunningenproblematiek in relatie tot de defensieopgaven.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis De Peel ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Indien geen vergunning kan worden verkregen voor activiteiten die nodig zijn voor de gereedheid van de krijgsmacht, zowel op Vliegbasis De Peel als op andere Defensielocaties, zijn de gevolgen groot. TNO concludeert dit ook in haar rapport. Als er minder ruimte is om mensen te huisvesten, op te leiden, onderhoud aan materieel niet meer kan worden gedaan of nieuw materieel onvoldoende kan worden ingezet, heeft dit direct invloed op de personele en materiële gereedheid van de krijgsmacht. De impact van deze problematiek reikt verder dan Defensie alleen. Het beperkt de nationale en bondgenootschappelijke verdedigingscapaciteit en daarmee de collectieve verdediging van het Nederlandse en het NAVO-grondgebied.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op het oefenterrein Marnewaard in Groningen?
Het oefenterrein Marnewaard beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. In het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is, voor wat betreft de schietbaan, de behoefte opgenomen om naast de vaste schietpunten ook te kunnen schieten vanaf voertuigen die rijden en verschillende vuurposities innemen. Daarnaast moet 6 weken per jaar meer kunnen worden geoefend, waardoor Defensie voornemens is om het aantal oefenweken van 14 naar 20 weken per jaar op te hogen. Dit is echter een uitbreiding van de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, waarvoor een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Marnewaard ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op de kazerne en het oefenterrein in Oirschot (Noord-Brabant)?
De kazerne en het oefenterrein Oirschotse Heide beschikken momenteel niet over een natuurvergunning. In het NPRD is echter de behoefte opgenomen het Oefenterrein Oirschotse Heide fysiek uit te breiden. Met betrekking tot deze uitbreiding kunnen problemen ontstaan omdat daarvoor een natuurvergunning nodig is.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als in Oirschot ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op het oefenterrein Harskamp (Gelderland)?
Het Infanterie Schietkamp (ISK) in Harskamp beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. Daarbij gaat het om een maximum aantal schoten en de wapentypen waarmee mag worden geschoten. Binnen die maxima zijn er geen belemmeringen. In het NPRD is de behoefte opgenomen om op het ISK met nieuwe wapensystemen te oefenen en de capaciteit met 30% uit te breiden. Bij uitbreiding van schotenaantallen boven de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, of bij het schieten met andere wapentypen, kunnen problemen ontstaan omdat hiervoor mogelijk een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Harskamp ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis Leeuwarden?
Op 18 juli jl. heeft de Rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan en de natuurvergunning van Vliegbasis Leeuwarden vernietigd. Onderdeel van de uitspraak is dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) 26 weken de tijd krijgt om opnieuw op de aanvraag van Defensie te beslissen. Defensie bestudeert momenteel de uitspraak.
Daarnaast is in het NPRD opgenomen dat op Vliegbasis Leeuwarden behoefte is aan meer grondgebonden geluidruimte. Dit is nodig voor meer proefdraaien met jachtvliegtuigen en het gebruik van grondvoertuigen en gronduitrusting. Voor deze behoefte is een nieuwe natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis Leeuwarden ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis Volkel?
Vliegbasis Volkel beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. In het NPRD is Vliegbasis Volkel niet aangewezen als voorkeurslocatie voor de behoefte voor aanvullende jachtvliegtuigcapaciteit. Wel is er de behoefte om bestaande activiteiten uit te breiden, zoals het proefdraaien van luchtvaartuigen. Bij uitbreiding van activiteiten buiten de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima kunnen problemen ontstaan omdat hiervoor mogelijk een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis Volkel ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Welke lessen trekt u uit de huidige impasse voor andere vitale sectoren (zoals woningbouw, energie-infrastructuur en crisisnoodopvang) die eveneens vastlopen op stikstofvergunningen?
De stikstofproblematiek raakt naast Defensie ook andere belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Interdepartementaal, bijvoorbeeld in de MCEN, worden opgedane ervaringen gedeeld. Bij het zoeken naar gebiedsspecifieke oplossingen voor de stikstofproblematiek bij uitbreidingen van Defensie, kijken we dan ook naar lessen uit initiatieven van andere sectoren in die gebieden.
De mogelijkheden voor oplossingen zijn, mede vanwege het bijzondere karakter van de defensieactiviteiten, echter beperkt. In de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel werkt het kabinet aan oplossingen om de vergunningsverlening weer op gang te brengen.
Daarnaast zet het kabinet via de in antwoord 6 genoemde Defence Readiness Omnibus van de Europese Commissie in op het versnellen en versterken van de defensiegereedheid. Dit door middel van Europese regelgeving die toegespitst is op het huidige dreigingsniveau.
De NAVO-doelstellingen, de Resilience Objectives |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er wellicht ook ministeries die in het geheel niet, dus op geen enkele wijze, betrokken of aangehaakt zijn bij het bereiken van de (geheime en voor de regering politiek bindende) «Resilience Objectives» van de NAVO? Zo ja, welke ministeries zijn dit?
Het weerbaarheidsbeleid betreft een kabinetsbrede inzet. De beleidsterreinen zijn benoemd in de kabinetsbrede Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen die op 6 december 2024 aan de Kamer is verzonden1 en de Kamerbrief Maatschappelijke weerbaarheid en militaire paraatheid tegen militaire en hybride dreigingen die recentelijk op 11 juli 2025 aan uw Kamer is verzonden.2
De Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Defensie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de coördinatie van de overheidsbrede inzet op weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Alle departementen werken in de aanpak op weerbaarheid samen, maar ieder vanuit hun eigen beleidsverantwoordelijkheid.
Naast de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Defensie zijn de Ministers van Economische Zaken, Infrastructuur en Waterstaat, Klimaat en Groene Groei, Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Volksgezondheid, Welzijn en Sport gelet op de onderwerpen betrokken bij de uitwerking van de NAVO Weerbaarheidsdoelen. De overige departementen worden door deze ministeries waar nodig aangehaakt om de doelstellingen te bereiken en worden via interdepartementale ambtelijke overleggen op de hoogte gehouden.
Het artikel 'Negen Nederlandse universiteiten doen gezamenlijk onderzoek met defensie-industrie van Israël' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse universiteiten doen gezamenlijk onderzoek met defensie-industrie van Israël» en de daarin gestelde bevindingen?1
Ja.
Onderstreept u de feitelijke bevindingen uit het artikel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderkent dat er vanuit Nederlandse organisaties onderzoek met dual use-potentie plaatsvindt in samenwerkingsprojecten met organisaties in Israël. Het kabinet kan de reikwijdte daarvan echter niet eigenstandig vaststellen.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat via Horizon Europe subsidiegeld ten goede is gekomen aan onderzoek met de Israëlische defensie-industrie, ondanks het eerdere besluit van de Europese Commissie om geen subsidie te verstrekken voor onderzoek met een militair doel?
Horizon Europe is een programma voor civiel onderzoek, zonder militaire doelstelling. Bij de aanvraag van een subsidie geeft de aanvrager aan of het project bepaalde veiligheidsrisico’s heeft, zoals een dual use-potentie. Voordat een onderzoek van start kan gaan, toetst de Commissie of het inderdaad gaat om een onderzoeksproject met enkel civiele toepassing en welke waarborgen worden afgegeven ten aanzien van (kennis)veiligheid. Gezien de open aard en brede toepasbaarheid van wetenschap en technologie valt in het algemeen echter niet uit te sluiten dat een product of onderzoeksresultaat na afloop van een project toch een toepassing krijgt in het militaire domein. Hiervan zijn vele voorbeelden bekend in gebieden zoals communicatietechnologieën, elektronica, en zelfs de relativiteitstheorie die nodig is voor GPS.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de TU Delft en TU Eindhoven respectievelijk deelnemen aan zeven en acht dual-use onderzoeksprojecten in samenwerking met de defensie-industrie van Israël? Veroordeelt u dit?
De eisen gesteld door het Horizon Programma rondom de civiele aard van de onderzoeken moeten opgevolgd worden door TU Delft en TU Eindhoven.
TU Delft heeft richting de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laten weten dat de universiteit (vooralsnog) geen indicatie heeft dat er verplichtingen zijn om gevoelige technologie met Israëlische partners te delen in werkpakketten binnen de Horizon programma’s. TU Delft heeft aangegeven dat zij dit desondanks alsnog zal onderzoeken om dit met zekerheid uit te kunnen sluiten.
TU Eindhoven heeft richting de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangegeven lopende samenwerkingen nader te beoordelen, door een ethische commissie. Bovendien hebben TU Delft en TU Eindhoven aangegeven dat ze vanwege het Israëlisch optreden in de Gazastrook voorlopig geen nieuwe institutionele samenwerkingen aan zullen gaan met Israëlische partijen.2 Universiteiten maken hierin eigen afwegingen bij het aangaan van samenwerkingen.
Welke acties bent u bereid te ondernemen aan de hand van de bevindingen uit bovenstaand artikel?
Zoals gesteld in de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan uw Kamer van 30 mei jl.3, ligt de keuze om samenwerkingsverbanden aan te gaan en/of op te schorten, binnen de institutionele autonomie van een instelling.
Binnen de academische gemeenschap vindt een open en stevige discussie plaats over op welke terreinen en met welke instellingen internationaal wordt samengewerkt en hoe die samenwerking vorm krijgt en zich ontwikkelt. Daarbij kan een instelling onder meer ethische vraagstukken, kennisveiligheidsvraagstukken en kansen op nieuwe wetenschappelijke inzichten en technologieën meenemen in de besluitvorming.
Veel van de Nederlandse universiteiten hebben ethische commissies ingesteld die adviseren bij de keuze om gevoelige (internationale) samenwerkingen aan te gaan, op te schorten of op te zeggen. Deze commissies worden nu vooral ingezet om bilaterale samenwerkingen te beoordelen, maar kunnen ook naar inzicht van de colleges van bestuur worden ingezet om te adviseren over ethische afwegingen bij samenwerkingen in Horizon Europe verband.
Het kabinet maakt zich grote zorgen over de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden. Het Israëlisch handelen in de Gazastrook roept urgente vragen op over de proportionaliteit daarvan en de humanitaire situatie is catastrofaal. Ook de situatie op de Westelijke Jordaanoever is fragiel. Het kabinet volgt de zorgwekkende ontwikkelingen nauwgezet en beziet steeds welke stappen het kan zetten om de situatie ten goede te keren. Dit is ook de reden dat Nederland in mei 2025 een brief aan de Hoge Vertegenwoordiger heeft gestuurd met het verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Als gevolg hiervan heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan tot opschorting van de samenwerking tussen Israël en de European Innovation Council (EIC), een onderdeel van Horizon Europe. Zoals uw Kamer reeds is geïnformeerd middels de brief van 28 juli jl., steunt het kabinet dit voorstel, dat Europese investeringen in mogelijke ontwikkeling van dual use technologie door Israëlische bedrijven nog verder zou beperken.
Kunt u met volledige zekerheid uitsluiten dat technologieën die momenteel in samenwerking met Nederlandse universiteiten worden ontwikkeld worden ingezet door Israël tegen onschuldige burgers in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, hoe? Zo nee, welke gevolgen verbindt u aan die conclusie?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de samenwerking tussen Nederlandse universiteiten en de Israëlische defensie-industrie te stoppen vanwege het risico op het bijdragen aan genocidaal geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om richting de Europese Commissie te pleiten voor een stop op subsidies voor Israël uit het Horizon Europe programma? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat er beter gecontroleerd zou moeten worden of een onderzoeksproject voor militaire doeleinden kan worden ingezet? Zo ja, hoe wilt u dit bewerkstelligen?
Er gelden al meerdere controlemechanismen voor het controleren van onderzoeksprojecten. Zo gelden er binnen de Europese Unie strenge regels voor de uitvoer van dual useproducten en technologie die naast civiele ook militaire toepassingen hebben. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving van deze EU-regels. Twijfelt de instelling of de exportregels van toepassing zijn, dan kunnen zij een indelingsverzoek doen bij de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU). Daarnaast ontwikkelen de kennisinstellingen in samenspraak met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uniforme indicatoren voor het inschatten van risico’s bij internationale samenwerkingen. Het kabinet acht het daarbij van belang dat instellingen zich bewust zijn van het mogelijk inzetten van onderzoeksprojecten voor andere doeleinden en de impact die wetenschappelijk onderzoek daarop kan hebben.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Dit heeft het Kabinet zoveel mogelijk gedaan. Vanwege de samenhang tussen vragen 5 t/m 8 heb ik deze vragen gezamenlijk beantwoord.
Het bericht dat de tweelingbroer van de staatsecretaris van Defensie directeur wordt van een drone-bedrijf, terwijl het leger voor miljoenen euro’s aan drones gaat kopen |
|
Michiel van Nispen (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tweelingbroer Staatssecretaris gaat bij dronebedrijf werken, terwijl leger miljoenen investeert»?1
Ja.
Klopt het dat de tweelingbroer van een zittende Staatssecretaris van Defensie een functie heeft aanvaard bij een bedrijf dat actief is op een terrein waarop Defensie momenteel fors investeert?
Ja.
Hoe kan het dat de Minister van Defensie, die politiek verantwoordelijk is, niet op de hoogte was van de nieuwe baan van de broer van de Staatssecretaris van Defensie?
Het was binnen de relevante onderdelen van de defensieorganisatie bekend.
Vindt u, in het licht van de opmerkingen vanuit de legerleiding over het heersende ongemak en de mogelijke kwetsbaarheid, de huidige regels rondom integriteit en aanbestedingen binnen Defensie en de Rijksoverheid strikt genoeg om belangenverstrengeling en oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Defensie heeft regels ingesteld om belangenverstrengeling en oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen.
In de Gedragsregels Defensie is de zogenaamde «afkoelperiode» vastgelegd. Deze houdt in dat Defensie voormalige medewerkers tijdens de eerste twee jaar na beëindiging van het dienstverband niet als gesprekspartner of bemiddelaar van het bedrijfsleven voor commerciële activiteiten accepteert. Defensiemedewerkers die zakelijke contacten met bedrijven onderhouden, moeten bij de vertegenwoordigers van die bedrijven navraag doen naar een eventueel verleden bij Defensie.
Op oud-defensiemedewerkers rust de verantwoordelijkheid dat zij hier transparant in zijn, zowel naar hun nieuwe werkgever als naar Defensie toe. Aanvullend geldt dat medewerkers van Defensie een geheimhoudingsplicht hebben met betrekking tot het gebruik van vertrouwelijke informatie.
Verder geldt voor alle bewindspersonen de «Gedragscode integriteit bewindspersonen». Daarbij gaat het onder meer om een geheimhoudingsplicht, het zorgvuldig omgaan met overheidsinformatie en het bewust zijn van privécontacten en eventuele daaraan verbonden integriteitsrisico’s.
Hoe wordt in deze kwestie nu concreet voorkomen dat bij de aankoop van nieuw materieel andere belangen dan louter inhoudelijke en zorgvuldige professionele afwegingen een rol spelen? Hoe kan daarop worden gecontroleerd?
In het geval van de uitdiensttreding van de broer van Staatssecretaris Tuinman gelden dezelfde afspraken zoals die gelden voor alle uitdienst tredende defensieambtenaren, die overstappen naar een commerciële werkgever. Deze zijn gebaseerd op de Gedragsregels Defensie, zoals hierboven toegelicht.
Verder geldt dat de Staatssecretaris terughoudend zal zijn in directe contacten met AI Armaments en dat specifieke communicatie over en/of specifieke samenwerking met AI Armaments onder de verantwoordelijkheid van de Minister valt.
Hoe kan voorkomen worden dat in een casus zoals deze staatsgeheimen van het Ministerie van Defensie uitlekken naar particuliere bedrijven?
Voor alle Nederlandse burgers is het lekken van staatsgeheimen strafbaar.
Wat vindt u van de kritiek van integriteitsexperts die spreken van een duidelijke «schijn van belangenverstrengeling» en die stellen dat Nederland achterloopt op het terrein van transparantie rond potentiële belangenverstrengeling?
De regelgeving en de reeds aanwezige maatregelen, zoals boven benoemd, bieden waarborgen om belangenverstrengeling te voorkomen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om zowel belangenverstrengeling als de schijn daarvan in dit soort gevallen te voorkomen of te corrigeren? Bent u van plan deze maatregelen te betrekken bij de evaluatie van het integriteitskader bewindspersonen?
Zoals boven toegelicht bieden de regelgeving en de reeds aanwezige maatregelen waarborgen om belangenverstrengeling te voorkomen. De regels en maatregelen van de Gedragscode integriteit bewindspersonen zullen onderdeel zijn van een eventuele, toekomstige evaluatie.
Welke regels zijn er van toepassing voor familieleden van bewindspersonen? Hoe wordt eventuele bevoordeling of een andere vorm van verstrengeling van belangen voorkomen in een zaak zoals deze, waar nauwe familiebanden een rol spelen?
In de «Gedragscode integriteit voor bewindspersonen» zijn regels omtrent familieleden opgenomen. Daarin staat dat een bewindspersoon niet deelneemt aan de besluitvorming over zaken die zijn of haar partner, kinderen, andere familie, zakenrelaties, belangen of vroegere functies raken, voor zover deelneming in strijd zou kunnen komen met een goede ambtsuitoefening.
Deelt u de opvatting dat het bij integriteit en het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling niet alleen gaat om het naleven van regels, maar vooral ook om het hanteren van normen, zelfs als bepaalde gedragingen formeel niet verboden zijn? Zo ja, hoe oordeelt u daar dan over in deze kwestie? Hoe zorgt u ervoor dat dit normbesef ook binnen het kabinet en bij bewindspersonen heerst?
Integriteit is niet altijd in regels te vatten. Een eigen, moreel kompas is steeds van belang.
De beantwoording van Kamervragen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom weigert de Minister van Defensie, zoals aangegeven in de beslisnota bij de beantwoording van Kamervragen 2025Z01466, de beantwoording (mede) te ondertekenen terwijl, aldus de Minister van volksgezondheid in deze beslisnota, «Het Ministerie van Defensie heeft zorggedragen voor de beantwoording voor het merendeel van de vragen»?
De NAVO Resilience Objectives |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct dat het geheimhoudingsniveau van de NAVO Resilience Objectives is vastgesteld door de NAVO?
Ja.
Indien dit niet het geval is, wie heeft dan het geheimhoudingsniveau vastgesteld?
Niet van toepassing, zie antwoord 1.
Indien dit wel het geval is, kan de Nederlandse staat, zonder toestemming van de NAVO, besluiten om, bijvoorbeeld op verzoek van de Tweede Kamer, de NAVO Resilience Objectives openbaar te maken of is de Nederlandse staat, indien de NAVO hiervoor geen toestemming geeft, hiertoe niet gemachtigd aangezien de NAVO immers het geheimhoudingsniveau heeft vastgesteld?
Nee, de Nederlandse staat kan niet zonder toestemming van de NAVO besluiten om op verzoek van de Tweede Kamer de NAVO Resilience Objectives openbaar te maken.
Het artikel 'Vechten om te overleven: middelgrote defensiebedrijven in Nederland dreigen ten onder te gaan' |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vechten om te overleven: middelgrote defensiebedrijven in Nederland dreigen ten onder te gaan»?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom, blijkens het artikel, grote defensiebedrijven wel meerjarige contracten krijgen, maar mkb-bedrijven niet? Ligt hier voorkeursbeleid aan ten grondslag?
Defensie werkt samen met EZ hard aan de opschaling van de defensie-industrie, en investeert daarom doelgericht, bijvoorbeeld in de 5 NLD gebieden. Dit doen we conform de uitgewerkte strategie die wij op 4 april 2025 met uw Kamer deelden2. In algemene zin geldt ook dat de sector fors aantrekt, mede door de sterk toegenomen investeringen die wij doen in de krijgsmacht. De noodzakelijke private financiering – van bijvoorbeeld banken en fondsen – veert tevens op na actieve communicatie vanuit Defensie.
Bij deze opschaling is geen sprake van een voorkeursbeleid. Defensie koopt eindproducten of -diensten en maakt geen onderscheid naar bedrijfsgrootte. Een verklaring schuilt in de manier waarop Defensie producten doorgaans verwerft. Ruwweg bestaan de verworven eindproducten uit twee categorieën. 1) minder complexe artikelen, die in grote hoeveelheden benodigd zijn 2) complexe (wapen)systemen.
Voor de eerste categorie worden vaak meerjarige raamcontracten gesloten, die in beginsel worden aanbesteed. Grote bedrijven komen in een dergelijke aanbesteding relatief vaak als beste uit de aanbesteding, bijvoorbeeld doordat een betere leveringszekerheid en service kunnen garanderen dan kleinere ondernemingen.
Voor de tweede categorie geldt dat grote bedrijven relatief vaak beschikken over de benodigde kennis en ervaring voor de ontwikkeling en productie van dergelijke complexe (wapen)systemen. Defensie komt daarom vaker uit bij de grotere defensie-industrieën die als hoofdaannemer optreden, die mkb-bedrijven in hun toeleveringsketen hebben. Zo profiteren mkb-bedrijven ook mee in toename in het aantal opdrachten. Defensie zet meer in op strategische autonomie en weegt bij de aanschaf van defensie materieel mee waar iets wordt geproduceerd, waarbij een Nederlandse of Europese toeleveringsketen de prioriteit heeft. Daarnaast maken Defensie en EZ zich via Industriële Participatie hard voor de betrokkenheid van Nederlandse Defensiebedrijven en kennisinstituten bij de ontwikkeling, productie en instandhouding van Defensiematerieel, waarbij in het bijzonder aandacht is voor aansluiting van het MKB.
Mkb-bedrijven zijn doorgaans wendbaarder en sterker in innovaties, maar vragen een ander type zekerheden dan grote bedrijven. Daarom stimuleert Defensie de samenwerking met innovatieve mkb-ers en scale-ups. Dit doen wij op twee manieren. Ten eerste door de vorming van ecosystemen rond prioritaire technologiegebieden te stimuleren. Hier binnen kunnen grote en kleinere bedrijven gezamenlijk werken aan sterke proposities voor Defensie en voor toepassing op de civiele markt; de zogenaamde «dual-use» producten of diensten. Ten tweede zet Defensie in op vernieuwende manieren van aanbesteden die het voor een bredere groep bedrijven aantrekkelijker maakt om met Defensie meerjarig samen te gaan werken. Met wie bedrijven dat binnen het ecosysteem gaan doen, blijft echter de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Uiteindelijk kan het toetreden van nieuwe partijen, zoals MKB-bedrijven, de defensie-industrie juist versterken en meer competitief maken, bijvoorbeeld op het gebied van snellere levering en lagere prijzen.
Onderschrijft u het categoriseren van leveranciers in zogenaamde «tiers»? Zo ja, waarom en welk afwegingskader ligt daaraan ten grondslag? Zo nee, hoe gaat u hiermee om?
De indeling van bedrijven in «tiers» is een algemene bedrijfseconomische groepering. In het kort zegt het iets over de plek van bedrijven in de toeleveringsketens, waarbij «tier 1»-bedrijven de Original Equipment Manufacturer (OEM) of systeemintegrator van een (sub-)systeem zijn en «tier 2»-bedrijven hun toeleveranciers zijn. Uit onderzoek van Berenschot (2024) blijkt dat we in Nederland relatief weinig «tier 1»-bedrijven hebben en relatief veel «tier 2»-bedrijven.3
De indeling in tiers vloeit voort uit de productiestrategie en sourcingstrategie van de fabrikant. Zoals bij vraag 2 al aangegeven is het niet aan Defensie om de leverancier voor te schrijven hoe die zijn supply chain moet inrichten. Wel onderkent de rijksoverheid dat het voor toeleveranciers lastig kan zijn om toegang te krijgen tot de toeleveringsketens van grote defensiebedrijven. We proberen die toegang op verschillende manieren te verbeteren. Vandaar dat we tier-1 bedrijven aanspreken op hun ketenverantwoordelijkheid, met als doel dat ze zelf goede afspraken maken met hun leveranciers over tijdige levering en kwaliteitseisen, zonder hierbij de eigen bedrijfsrisico’s en verantwoordelijkheden grotendeels op hen af te wentelen. Zo werkt het Ministerie van Economische Zaken nauw samen met Defensie om via het Industrieel Participatiebeleid Nederlandse bedrijven een positie te geven in de toeleveringsketens van internationale defensiebedrijven. Er zijn ook financieringsinstrumenten, zoals het SecFund, die specifiek gericht zijn op het (voor-)financieren van mkb voor het ontwikkelen van «dual-use» toepassingen.
Deelt u de zorgen dat mkb-defensiebedrijven door het stringente aanbetalingsbeleid gedwongen worden om dure externe geldschieters te vinden en dat dit de kosten van defensiematerieel onnodig omhoogstuwt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening delen wij slechts gedeeltelijk. Per contract vindt onderhandeling plaats over het betaal- en leverschema, waarbij de leveringsbehoefte van Defensie wordt afgewogen tegen de liquiditeitsbehoefte van de leverancier om deze planning te kunnen realiseren. Afhankelijk daarvan wordt de hoogte van een aanbetaling en de vervolgbetalingen vastgesteld. Er is daarbij op voorhand geen beperking in de hoogte van een aanbetaling. Wel loopt Defensie een risico bij zo’n voorschotbetaling, vandaar dat financiële regelgeving stelt dat boven 0,5 miljoen euro een bankgarantie verplicht is.
Zo’n bankgarantie wordt door bedrijven vaak als beperkend ervaren. Daarom onderzoekt Defensie in overleg met het Ministerie van Financiën hoe alternatieven op de voorgeschreven bankgarantie-eis bij voorschotbetalingen kunnen worden toegepast en hoe het proces en de voorwaarden daarvoor kunnen worden versneld en geformaliseerd. Deze inzet heeft er al toe geleid dat de afgelopen tijd voor verschillende casussen een alternatief op de bankgarantie-eis bij voorfinanciering is toegekend, waarmee knelpunten in deze specifieke casussen werden weggenomen. Defensie houdt geen gegevens bij over het aanbetalingsbeleid van andere Europese landen. Zoals beschreven kiest Defensie voor een maatwerkbenadering, waarbij in de onderhandelingsfase een afweging mogelijk is voor aanbetaling.
Verder blijkt uit onderzoek wel dat zelfs met het voorfinancieren van de hoofdaannemer, er alsnog knelpunten in de toeleveringsketens van deze aannemer kunnen ontstaan. Dat komt doordat de hoofdaannemer in dergelijke gevallen pas tot betaling aan de toeleveranciers overgaat wanneer een «milestone» is behaald en de daaraan gekoppelde betaling bij de hoofdaannemer binnen is gekomen. In de praktijk kan dat tot de situatie leiden dat juist de kleinere toeleveranciers langer moeten wachten op financiering. Een oplossing hiervoor is niet eenvoudig, maar Defensie benadrukt bij de grote bedrijven dat ook zij hier een verantwoordelijkheid in hebben om binnen hun eigen toeleveringsketen dergelijke drempels bij toeleveranciers weg te nemen.
Waarom is de aanbetaling vastgesteld op 10 procent en hoe verhoudt dit zich tot andere Europese landen?
Zie antwoord vraag 4.
Is geïnventariseerd wat de impact is van het huidige aanbestedingsbeleid en wat de impact zou zijn van een eventuele verhoging van het aanbestedingspercentage op de productiecapaciteit in Nederland?
Uw Kamer is onlangs met een verzamelbrief4 door de Minister van Economische Zaken geïnformeerd over diverse onderzoeken, waaronder kansen voor het mkb en kansen voor de Nederlandse industrie. Tenderned publiceert ook regelmatig over deze onderwerpen, gebaseerd op de beschikbare aanbestedingsdata. De verzamelbrief vermeldt dat het stellen van kwalitatieve eisen binnen een aanbesteding een geschikt middel is om de Nederlandse industrie beter te positioneren. Dat is wat Defensie al doet door tijdige beschikbaarheid en herkomst van producten -bij voorkeur Nederlands of Europees- mee te wegen in de gunning. Het meest recente rapport Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde technologische industriële basis5 laat groeiverwachtingen in de sector zien, over de diverse domeinen en de diverse «tiers» heen.
Vindt er overleg tussen de overheid en de defensie-veiligheidssector plaats over mogelijke wijzigingen in het beleid om knelpunten weg te nemen? Zo ja, wat is hier tot nu toe uitgekomen en neemt het Ministerie van Financiën deel aan deze overleggen? Zo nee, op welke manieren wordt de sector dan wel betrokken bij het opstellen en evalueren van beleid?
Ja dat overleg vindt plaats. Gezien de rol van de overheid, nemen het Ministerie van Economische Zaken en Defensie het voortouw aan de financieringstafel van het nieuwe publiek-privaat platform Defport. Aan deze tafel nemen verschillende publieke en private financiers en brancheverenigingen zoals VNO-NCW en NVB deel. Eind maart 2025 is de financieringstafel van start gegaan, en werkt nu gezamenlijk aan identificatie en mitigatie van knelpunten van financiering. Deze tafel moet resulteren in concrete oplossingsvoorstellen voor de gesignaleerde knelpunten; zowel aan overheids- als aan private zijde. Het Ministerie van Financiën heeft besloten in deze fase nog niet aan te sluiten, maar zal door Defensie en EZ worden geconsulteerd nadat de financieringstafel met oplossingen voor financieringsknelpunten naar voren komt.
Deelt u de analyse dat geld an sich niet de primaire belemmering is voor onze gereedstelling, maar de wijze waarop het geld wordt ingezet wel? Zo ja, hoe gaat u dit oplossen? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Defensie beseft zich dat de wijze waarop het geld wordt ingezet bepalend is voor de effectiviteit van de krijgsmacht. Daarom kiezen we per dossier voor de meest effectieve oplossing, zowel bij de wijze van aanbesteding, de selectie van de uitvoerende partij als de financiële afspraken die met deze partij worden gemaakt.
In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie schrijft u dat de defensie-industrie geen gewone markt is. Heeft dit volgens u consequenties voor hoe de overheid zich tot de defensiesector zou moeten verhouden? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u dit motiveren?
Ja, de overheid heeft samen met de private sector een duidelijke rol voor de opschaling van de defensie-industrie. De huidige situatie maakt het nodig om op een andere manier met elkaar als overheid en industrie samen te werken. Met een andere mindset aan beide kanten, gericht op het gezamenlijk versnellen van het innovatie- en productievermogen, in plaats van een louter formele opdrachtgever-leverancierrelatie. Daarom zet defensie samen met kennisinstellingen en de industrie partnerschappen op, bijvoorbeeld via het publiek-private platform Defport. In deze partnerschappen wordt samen gewerkt, samen geïnvesteerd, geïnnoveerd en worden de risico’s gezamenlijk gedragen. Transparantie, onderling vertrouwen en wederkerigheid is daarbij het devies. Aan de ene kant vereist dit dat de overheid ervoor zorgt dat we bepaalde randvoorwaarden verbeteren, zoals ruimte om te testen of toegang tot financiering. Het vraagt ook om het geven van voldoende perspectief voor onze industrie die producten ontwikkelt. Daarvoor moeten we nauw contact hebben en houden met potentiële (toe)leveranciers. Aan de andere kant vraagt het ook van de industrie dat ze de samenwerking met elkaar opzoeken op onderwerpen die voor Defensie belangrijk zijn en daarmee met ons in gesprek blijven. De gebieden die genoemd zijn in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie bieden daarvoor het vertrekpunt.
Welke rol ziet u voor de overheid weggelegd om te voorkomen dat bedrijven omvallen waardoor broodnodige productiecapaciteit verdwijnt en afhankelijkheid van vreemde niet-Europese mogendheden toeneemt?
De verantwoordelijkheid voor een gezonde bedrijfsvoering is vooral een zaak van bedrijven zelf. In een groeisector als de defensie- en veiligheidsindustrie bestaan er goede kansen voor bestaande en nieuwe toetreders met een aantrekkelijk en innovatief aanbod. Met de hogere budgetten, doelgerichte investeringen en het nieuwe aanschafbeleid van Defensie – zoals aangekondigd in de nieuwe Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) – is de kans dat Nederlandse bedrijven in aanmerking komen voor contracten met Defensie toegenomen. Dit draagt bij aan een betere marktdynamiek binnen de defensie- en veiligheidssector van Nederland en Europa. Bovendien beschikt EZ over een aantrekkelijk aanbod van regelingen die bedrijven door uitdagende situaties kunnen helpen. Ondanks dat kan het voorkomen dat bedrijven die voor Defensie een rol van betekenis spelen door een samenloop van omstandigheden in zwaar weer komen te zitten. In een groeimarkt zit ook altijd een zelfreinigend vermogen. Niet alle bedrijven kunnen mee of zijn in staat om bedrijfsvoering aan te passen. Zeker zodra innovatie een grotere rol gaat spelen zullen er winners en verliezers zijn, zoals dat in elke groeimarkt voorkomt.
In uitzonderingssituaties kan de overheid overwegen om bedrijven of sectoren te ondersteunen. Algemene uitspraken over het wel of niet ingrijpen zijn moeilijk te doen, maar in het proces worden verschillende factoren evenwichtig bekeken. Of de overheid ingrijpt ter behoud van industriële productiecapaciteit in Nederland of niet, is sterk afhankelijk van de eventuele veiligheidsrisico’s, de mate van strategische afhankelijk van de activiteit in de toeleveranciersketen van de defensie- en veiligheidssector, de bereidheid van derden om bij te dragen aan een oplossing, de levensvatbaarheid en het innovatieve vermogen van het bedrijf in relatie tot prioritaire technologie-gebieden van Defensie. Ook wordt gekeken of een logisch Europees alternatief bestaat wanneer productie uit Nederland zou verdwijnen en of dat een acceptabel alternatief is gezien concurrentievermogen en strategische afhankelijkheid. Het Kabinet verbindt altijd voorwaarden aan dergelijke ondersteuning, afhankelijk van de specifieke casus.
Wanneer vast staat dat er met het wegvallen van de productiecapaciteit een ongewenste strategische afhankelijkheid of veiligheidsrisico ontstaat voor Nederland, en de private (financiële) sector niet bereid is om in te stappen, dan is Defensie – mits dit in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving – samen met o.a. EZ bereid om oplossingsrichtingen te onderzoeken en waar noodzakelijk in te grijpen om de leveringszekerheid van partnerlanden te garanderen. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het (Europeesrechtelijke) juridisch kader voor staatssteun. Dit alles in nauw overleg met het Ministerie van Financiën.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de hogere defensie-investeringen op een effectieve wijze ingezet worden om de gereedstelling van de krijgsmacht ook daadwerkelijk te verhogen?
Dit doen wij op verschillende manieren, Namelijk door invulling te geven aan onze plannen, de industrie te stimuleren, belemmeringen te verwijderen, knelpunten op te lossen en door resoluut te innoveren. Daarbij nemen we gecalculeerd risico, werken we meer met partnerschappen en gaan we groot leren met de meeste impact. Daarbij bestaat het risico dat ook dingen fout gaan, investeringen niet optimaal blijken te zijn, en behoeften later of duurder worden ingevuld. In dergelijke gevallen zullen we daarvan leren en hierover transparant zijn richting toezichthouders, maatschappij en Kamer.
Bent u voornemens om noodlijdende defensiebedrijven te steunen? Zo ja, worden hier voorwaarden aan verbonden zoals publieke inspraak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u alle vragen afzonderlijk en een week voor het commissiedebat Defensie-industrie van 11 juni 2025 beantwoorden?
Ja. Wegens de samenhang tussen vragen 4 en 5 en de vragen 10 en 12 zijn deze gezamenlijk beantwoord.
Het bericht ‘Pentagon gaat duizenden transgender militairen ontslaan’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
Marjolein Faber (PVV), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Verenigde Staten om militairen die transgender zijn te ontslaan?
In een steeds onveiliger wereld heeft Defensie het beste van iedereen nodig om Nederland en bondgenoten te kunnen blijven beschermen. Iedereen moet zich thuis kunnen voelen en daarbij kijken wij niet naar geaardheid, genderidentiteit of voorkeuren. Nederland blijft zich daarom inzetten voor een diverse en daarmee sterke krijgsmacht. In dat licht kijken wij met zorg naar de recente overheidsmaatregelen in de Verenigde Staten aangaande transgender personen.
Bent u bereid het besluit van het Pentagon om transgender militairen te ontslaan te veroordelen?
Nederland spreekt zich voor en achter gesloten deuren uit over het belang van diversiteit binnen de krijgsmacht, en zal dat ook blijven doen. Het zorgt ervoor dat we vanuit verschillende invalshoeken naar oplossingen kijken. Daardoor word je als team creatiever en als organisatie effectiever en ben je beter opgewassen tegen de dreigingen van vandaag en morgen.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Verenigde Staten om militairen die «in stilte» transgender zijn op te sporen, onder andere door medische dossiers onder de loep te nemen en daarin te zoeken naar wie tekenen van genderdysforie vertoont?
Het opsporen van collega’s middels inzage in medische dossiers, is in Nederland en dus ook bij Defensie wettelijk verboden. Het is mogelijk dat wetgeving in de Verenigde Staten anders is. Los daarvan zien wij niet in wat de noodzaak zou zijn van dergelijke voornemens.
Bent u van mening dat deze actie past bij een land (tevens NAVO-bondgenoot) die wij een bondgenoot noemen? Kunt u hierop reflecteren?
Alle landen genieten soevereiniteit en zij nemen beslissingen op grond van hun eigen specifieke nationale prioriteiten.
Strookt dit besluit volgens u met de waarden die NAVO-lidstaten op basis van het NAVO-verdrag verdedigen, waaronder democratie, individuele vrijheid en de democratische rechtsstaat?
Zoals we in het NAVO-commissiedebat van 22 mei 2025 aangaven, is het een zorgelijke ontwikkeling waar we kritisch op zijn. Het standpunt van Nederland is daarbij duidelijk, zoals benoemd in vraag 2 en 3.
Klopt het dat Defensie met een aanzienlijk tekort aan opleidingscapaciteit kampt, waardoor veel aspirant-militairen momenteel niet opgeleid kunnen worden?
Defensie heeft bij initiële opleidingen de bestaande problemen opgelost. Voor in de toekomst wordt gewerkt aan bestendiging, zodat ook grote aantallen aspirant-militairen tijdig kunnen worden opgenomen in de organisatie. Zo beoogt het Deltaplan Opleidingen om de balans te herstellen met de daarin opgelegde maatregelen2.
Bent u bereid deze ontslagen militairen een veilige haven te bieden in Nederland en hen een baan aan te bieden als opleider van militairen in Nederland?
Asiel wordt niet aangeboden. Een persoon die in aanmerking wil komen voor asiel, dient daartoe persoonlijk een verzoek in te dienen. Mocht een ontslagen Amerikaanse militair zich in Nederland bevinden, dan staat het deze persoon vrij om een asielverzoek in te dienen. Bij de beoordeling daarvan maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een zorgvuldige afweging of iemand voldoet aan de voorwaarden voor asiel. Ontslag uit een militaire functie is op zichzelf bezien niet voldoende om een asielvergunning te verlenen, verder krijgt het verzoek an sich altijd een individuele beoordeling.
Daarnaast is de inzet van het kabinet niet gericht op het faciliteren van werk, dat is in de regel wel nodig om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van werk te verkrijgen.
Zo ja, welke acties, zoals het creëren van een speciale vluchtelingenstatus van trans personen uit de VS, bent u bereid hiertoe te ondernemen?
De aangekondigde wijzigingen in het beleid van de Verenigde Staten zijn op dit moment geen aanleiding om in algemene zin aan te nemen dat transgender personen uit de Verenigde Staten een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. Er is nu dan ook geen aanleiding om aanvullend beleid op te stellen voor deze groep. Evenmin is dit aanleiding de bestaande kader daarvoor aan te passen, nog daargelaten de vraag of hier binnen het EU-acquis ruimte voor is. Dit neemt niet weg dat iedere asielaanvraag altijd op zijn eigen merites wordt beoordeeld.
Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid de samenwerking op te zoeken met andere Europese lidstaten (al dan niet NAVO-lidstaten) om militairen die transgender zijn een veilige haven te bieden in Europa?
Gezien de antwoorden op de vragen 8 t/m 10 bestaat daarvoor geen aanleiding.
Bent u bereid de samenwerking op te zoeken met andere Europese lidstaten (al dan niet NAVO-lidstaten) om transgender personen een veilige haven te bieden in Europa?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid deze vragen los van elkaar te beantwoorden?
Enkel waar dit dienstig was aan de beantwoording zijn de antwoorden samengevoegd.