Bent u bekend met het bericht «Duitsland verbiedt «hulporganisatie» scheepskonvooi Gaza?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze zogenaamde hulporganisatie ook actief is in Nederland?2 Zo ja, klopt het dat deze organisatie gelieerd is aan de Duitse en Turkse tak van IHH?3
Het besluit van de Duitse autoriteiten het kantoor van de Internationale Humanitaire Hulporganisatie (IHH) in Frankfurt te sluiten komt voort uit het feit dat de Duitse tak van IHH de Palestijnse beweging Hamas financieel blijkt te steunen. Hamas staat sinds 2003 op de EU Bevriezingslijst voor terroristische organisaties. Het is mij bekend dat de stichting IHH in Nederland geld inzamelt, maar ik beschik op dit moment niet over informatie waaruit blijkt dat de stichting IHH in Nederland betrokken zou zijn bij financiële steun aan Hamas.
De AIVD beoordeelt en duidt eventuele aanwijzingen voor risico’s vanuit het belang van de nationale veiligheid.
Mijn collega van Buitenlandse Zaken heeft daarnaast op 9 september jl. toegezegd dat er nader onderzoek zal worden gedaan naar de activiteiten van de Union of Good, waarvan IHH mogelijk onderdeel is.
Hoe beoordeelt u in dit kader de sluiting van het kantoor in Frankfurt en het verbieden van deze organisatie door de Duitse autoriteiten wegens financiële steun aan de Palestijnse Hamas-beweging?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het feit dat deze organisatie in Nederland wordt geclassificeerd als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI)? Welk algemeen nut voor de Nederlandse samenleving heeft deze instelling?
Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) zijn instellingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen. Dit betekent dat een instelling die zich wil kwalificeren als een ANBI, met haar doelstelling en activiteiten voor 90% of meer het algemeen nut moet dienen. De overige criteria om door de Belastingdienst als ANBI aangemerkt te kunnen worden, hebben onder meer betrekking op de hoogte van het vermogen en de kosten, bestuur, beleid en functiescheiding.
De betreffende instelling, stichting IHH, is momenteel aangemerkt als ANBI. De Belastingdienst houdt er toezicht op dat IHH zich houdt aan de criteria van de ANBI-regeling. Zodra zou blijken dat IHH niet voldoet aan de criteria, zal de organisatie niet langer als ANBI worden aangemerkt.
Een ANBI moet bijdragen aan het algemeen belang, dit hoeft niet beperkt te zijn tot een Nederlands algemeen belang.
Bent u in het kader van de recent aangescherpte ANBI-criteria bereid om een hernieuwde integriteitstoets via de belastinginspecteur te initiëren en zo nodig de ANBI-beschikking in te (doen) trekken? Zo nee, waarom niet?
Mede naar aanleiding van eind 2008 gestelde vragen4 is met ingang van 1 januari 2010 een integriteitstoets voor ANBI’s opgenomen in de wet. Op grond hiervan wordt een instelling niet (langer) als ANBI aangemerkt indien de instelling, bestuurder van die instelling of een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling, dan wel een voor de instelling gezichtsbepalend persoon onherroepelijk door de rechter is veroordeeld wegens aanzetten tot haat, aanzetten tot geweld of gebruik van geweld en nog geen vier kalenderjaren zijn verstreken sinds die veroordeling.
Bij de invoering van deze bepaling is onderzocht wat de mogelijkheden waren voor de invoering van een integriteitstoets. Naar aanleiding hiervan is de huidige bepaling ingevoerd. Bij de toetsing van instellingen moet de belastinginspecteur zich dan ook houden aan deze wettelijke bepaling.
Indien een ANBI naar doelstelling en/of feitelijke activiteiten niet meer voldoet aan de bij wet gestelde eisen, biedt dat grond voor het intrekken van de beschikking voor die instelling. Zoals eerder gemeld, is het niet toegestaan om informatie te verstrekken over individuele belastingplichtigen en de wijze waarop het fiscale toezicht op hen wordt uitgevoerd, aangezien de Belastingdienst is gebonden aan een fiscale geheimhoudingsplicht.
Ontvangt deze stichting van overheidswege subsidie(s)? Zo ja, kunt u specifiek aangeven hoeveel subsidie deze organisatie ontvangt alsmede garanderen dat Nederlands belastinggeld door deze stichting niet misbruikt wordt voor het financieren van terroristische organisaties zoals o.a. Hamas?
Nee, deze stichting krijgt geen subsidie van de rijksoverheid.
Bent u bereid om in navolging van Duitsland en Israël deze organisatie te verbieden als zij gelieerd is aan de Duitse of Turkse tak of als blijkt dat zij zelf dergelijk terroristische activiteiten ondersteunt en in dat geval deze organisatie te bestempelen als terroristisch? Zo nee, waarom niet?
Onder de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling terrorisme 2007-II kan de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de minister van Justitie en de minister van Financiën de tegoeden bevriezen van organisaties die terroristische activiteiten ondernemen of steunen. Vooralsnog beschikken wij niet over aanwijzingen die hiertoe nopen. Zie verder het antwoord op de vragen 2 en 3.
Bent u tevens bereid om in Europees verband te pleiten voor het plaatsen van de IHH op de zwarte lijst van terroristische organisaties van de Europese Unie? Zo nee, waarom niet?
De minister van Buitenlandse Zaken antwoordde op 12 juli 2010 op vragen van het lid Van der Staaij (SGP) over de Turkse hulporganisatie IHH en de betrokkenheid van Turkije reeds dat vooralsnog geen aanwijzingen bekend zijn die nopen tot stappen in de richting van plaatsing van IHH op de Europese lijst van terroristische organisaties. Zie verder het antwoord op de vragen 2 en 3.
EU-hulp aan Afghanistan opgeschort |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «EU-hulp aan Afghanistan opgeschort»?1
Ja.
Wat is uw politieke oordeel over dit bericht? Ondersteunt u de beslissing van de Europese Unie om hulp aan Afghaanse regering Karzai ter waarde van 600 miljoen euro voor onbepaalde tijd op te schorten?
De Europese Unie schort de ontwikkelingshulp aan Afghanistan niet op. De EU heeft de vaststelling van het nieuwe EU-meerjarenprogramma 2011–2013 voor Afghanistan uitgesteld tot na de Kabulconferentie om het zoveel mogelijk in lijn te brengen met Afghaanse prioriteiten. Dit uitstel heeft geen gevolgen voor de lopende OS-programma's van de EU, omdat het hier de programmering vanaf 2011 betreft. Tijdens de Kabulconferentie heeft de Afghaanse regering beleidsvoorstellen en plannen voor de komende jaren gepresenteerd. De EU zal aan de hand hiervan bekijken of het nieuwe meerjarenprogramma aanpassing behoeft.
Welke consequenties trekt u naar aanleiding van dit besluit voor het Nederlandse hulpprogramma voor de regering van Karzai?
Geen, zie verder de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de mening dat het Nederlandse hulpprogramma eveneens opgeschort dient te worden en pas weer van start kan gaan als er concrete en duidelijke maatregels worden genomen door de regering Karzai om corruptie te bestrijden?
Uitgangspunt bij alle Nederlandse ontwikkelingsprogramma’s en projecten is dat de beschikbare middelen efficiënt en effectief worden aangewend en dat corruptierisico’s worden vermeden door het nemen van de juiste voorzorgsmaatregelen op het gebied van controle en monitoring. Dit is ook het geval bij de lopende Nederlandse ontwikkelingsinspanningen in Afghanistan. Dit neemt niet weg dat Nederland ook de algemene ontwikkelingen in ogenschouw neemt.
Corruptie binnen de Afghaanse overheid is inderdaad een probleem dat veel aandacht vergt. Nederland dringt, net als vele andere internationale partners, al langere tijd aan op een steviger anti-corruptiebeleid. De maatregelen die president Karzai heeft aangekondigd tijdens de recente Afghanistanconferentie in Kabul op 20 juli jl. stemmen in dat opzicht positief. Zo is, naast een eerdere beslissing om het «High Office of Oversight» te versterken, nu ook afgesproken dat er een controlecommissie wordt opgericht waarin Afghaanse en internationale experts toezicht houden op de maatregelen op het gebied van corruptiebestrijding. Ook heeft Karzai aangekondigd dat het wettelijk anti-corruptiekader in lijn zal worden gebracht met de VN Conventie tegen Corruptie en dat de onafhankelijke «Control and Audit Office» zal worden versterkt. Dit zijn belangrijke, bemoedigende stappen, maar uiteraard gaat het uiteindelijk om de implementatie. Nederland zal de uitvoering van de afspraken nauwlettend blijven volgen.
Bent u tevens van mening dat de Slotverklaring van de vredes jirga moet worden aangevuld met de toevoeging dat niet alleen het geweld van regionale verzetsgroepen moet worden afgezworen tegen Afghanen, maar ook het geweld tegen buitenlanders (ISAF)?2
Zoals ik heb toegezegd tijdens het laatste Algemeen Overleg over Afghanistan, heeft Nederland er in de aanloop naar de Kabulconferentie herhaaldelijk op gewezen dat re-integranten geweld zullen moeten afzweren, niet alleen tegen Afghanen, maar ook tegen buitenlandse troepen. Ook in de EU-boodschap voor de Kabulconferentie werd dit benadrukt. De Afghaanse regering lijkt deze visie te delen, wat ook blijkt uit het communiqué van de Kabulconferentie, waarin juist deze, algemene formulering van het afzweren van geweld is gehanteerd, in plaats van die uit de slotverklaring van de vredesjirga.
Bent u bereid, indien de corruptie niet daadkrachtig wordt aangepakt en het geweld niet wordt afgezworen tegen buitenlanders als voorwaarde voor onderhandelingen, deze vrijgekomen hulpgelden bestemd voor de regering Karzai, vervolgens ter beschikken te stellen aan particuliere hulporganisaties, zodat de bevolking geen nadelige gevolgen hiervan ondervindt?
Er is geen sprake van vrijgekomen hulpgelden. Een deel van de Nederlandse bijdrage aan de Afghaanse ontwikkeling gaat echter reeds via particuliere kanalen. Het is echter ook van belang de Afghaanse overheid zelf verantwoordelijkheid te geven in de ontwikkeling en uitvoering van de programma’s. Daarom heeft Nederland ervoor gekozen een groot deel van de bijdragen via het «Afghanistan Reconstruction Trust Fund» te kanaliseren. Hiermee is het mogelijk om de Afghaanse overheid direct te ondersteunen bij de wederopbouw, terwijl er goed toezicht is op de besteding van de middelen omdat deze door de Wereldbank worden beheerd. Nederland is continu in overleg met de Wereldbank, de Afghaanse overheid en andere donoren van het ARTF om controles en «audits» te versterken en de transparantie van de gehele Afghaanse begroting te verbeteren.
Het bericht dat de EU haar hulp aan Afghanistan bevriest |
|
Johan Driessen (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU bevriest hulp aan Afghanistan»?1
Ja.
Deelt u de mening dat onder de Afghaanse autoriteiten corruptie en fraude welig tieren? Zo neen, waarom niet?
Corruptie binnen de Afghaanse overheid is inderdaad een probleem dat veel aandacht vergt. President Karzai heeft, onder andere tijdens de internationale Afghanistanconferentie in Kabul op 20 juli jl., een aantal belangrijke stappen aangekondigd om corruptie aan te pakken. Zo zal het belangrijkste instituut voor corruptiebestrijding, het «High Office of Oversight», op korte termijn worden versterkt. Deze instantie krijgt meer bevoegdheden en een coördinerende rol ten aanzien van corruptiebestrijding. Het «High Office of Oversight» zal ook individuele klachten moeten gaan onderzoeken, benoemingen gaan controleren en samen met het ministerie van Justitie het wettelijk anticorruptiekader in lijn moeten brengen met de VN Conventie tegen Corruptie. Tevens zal er een controlecommissie worden opgericht waarin Afghaanse en internationale experts toezicht houden op de maatregelen op het gebied van corruptiebestrijding. Ook is afgesproken dat de onafhankelijke «Control and Audit Office» zal worden versterkt.
Nederland heeft samen met andere internationale partners lange tijd aangedrongen op dergelijke initiatieven. Nu concrete en goede maatregelen zijn aangekondigd, zal implementatie moeten aantonen of er daadwerkelijk sprake is van voldoende politieke wil en daadkracht om corruptie te bestrijden.
Bent u net als de EU bereid de ontwikkelingshulp aan Afghanistan op te schorten? Zo neen, waarom niet?
De Europese Unie schort de ontwikkelingshulp aan Afghanistan niet op. De EU heeft de vaststelling van het nieuwe EU-meerjarenprogramma 2011–2013 voor Afghanistan uitgesteld tot na de Kabulconferentie om het zoveel mogelijk in lijn te kunnen brengen met Afghaanse prioriteiten. Dit uitstel heeft geen gevolgen voor de lopende OS-programma’s van de EU, omdat het hier de programmering vanaf 2011 betreft. Tijdens de Kabulconferentie heeft de Afghaanse regering beleidsvoorstellen en plannen voor de komende jaren gepresenteerd. De EU zal aan de hand hiervan bekijken of het nieuwe meerjarenprogramma aanpassing behoeft.
Het bericht "Beroving winkels neemt toe" |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht »Beroving winkels neemt toe»?1
Ja.
Klopt het dat het aantal gepleegde winkeldiefstallen in 2009 met 9% is toegenomen ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar en dat de gepleegde winkeldiefstallen steeds professioneler worden qua uitvoering?
In het bericht wordt gesuggereerd, dat het aantal winkeldiefstallen in 2009 sterk is gestegen. De stijging van 9% betreft de stijging van de bij de politie geregistreerde criminaliteit. De Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009, die ondernemers bevraagt over het aantal ondervonden diefstallen, laat juist een daling zien van het aantal winkeldiefstallen met 12%.
Een deel van de diefstallen wordt uitgevoerd door rondtrekkende bendes, die professioneel te werk gaan. Ik heb geen gegevens waaruit zou blijken dat er een toename is van het aantal winkeldiefstallen dat op professionele wijze wordt uitgevoerd.
Klopt het dat de totale kosten voor winkeldiefstal in 2009 meer dan 1 miljard euro bedragen?
Detailhandel Nederland gebruikt in zijn onderzoek naar schade van winkelcriminaliteit een eigen definitie, waarin onder andere de kosten voor preventie en de schade door interne fraude zijn meegenomen. Men komt tot een totaal schadebedrag van circa 1 miljard. Dit is echter niet te verifiëren, omdat Detailhandel Nederland geen inzage geeft in haar onderzoeksmethodiek.
De Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 schat het schadebedrag van de delicten inbraak, diefstal, vernieling en overige criminaliteit op 241 miljoen. Hierbij is rekening gehouden met de directe en indirecte schade, maar niet met de kosten van preventie of productiviteitsverlies.
Klopt het dat slechts in zo’n 3% van de gevallen de politie wordt geïnformeerd door de winkelier en dat de politie vaak geen tijd voor aangifte heeft? Is dit het gevolg een gebrek aan capaciteit bij de politie? Zo nee, wat is dan de reden voor het tijdsprobleem voor het opnemen van deze aangiften?
De Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 geeft aan, dat 16% van de detailhandelsvestigingen die te maken hebben met diefstal, hier ook daadwerkelijk aangifte van doet. Het opnemen van aangiftes door de politie kan soms veel tijd in beslag nemen. De politie brengt momenteel de door het bedrijfsleven ervaren knelpunten in het intakeproces in kaart, waarbij een versoepeling van het aangifteproces nadrukkelijk een van de mogelijke oplossingen is.
Bij de keuze welke zaken als eerste worden opgepakt is de Aanwijzing voor de opsporing van het Openbaar Ministerie (Staatscourant, jaargang 2003, nr. 41) leidend. De aanwijzing bepaalt dat het in principe zo moet zijn dat aan ieder delict zo veel aandacht wordt gegeven als nodig is om tot opheldering te komen, maar dat het in de praktijk zo kan zijn dat opsporing in een bepaalde zaak achterwege moet blijven, omdat opsporingscapaciteit nodig is voor (nog) ernstiger zaken.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de politie geen tijd heeft voor aangiften en dat dit het vertrouwen in politie en justitie enorm schaadt? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen periode is een gestage daling van veel vormen van criminaliteit ingezet. In de voortgangsrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen, die ik op 23 april 2010 aan uw Kamer zond, worden de resultaten van de afgelopen drie jaar geschetst. In samenwerking met vele partners zijn goede resultaten geboekt. Zo is het aantal vermogensdelicten ten opzichte van 2006 met 25% gedaald en is het aantal geweldsdelicten ten opzichte van 2006 met 19% gedaald. Het aantal veelplegers is met 7% gedaald en het aantal fietsdiefstallen is met maar liefst 222 000 teruggebracht. Dit versterkt mijn mening, dat het vertrouwen in politie en justitie niet enorm is geschaad.
Deelt u de mening dat de procedure voor het opnemen van aangiften tegenwoordig te veel kostbare tijd in beslag neemt, welke de agent beter kan gebruiken voor het vangen van boeven en voor het zoeken naar sporen en het horen van getuigen? Bent u bereid om deze procedure te vereenvoudigen en om, de politie uit te breiden met 10 duizend extra agenten? Zo nee, waarom niet?
Het opnemen van aangiftes door de politie kan soms veel tijd in beslag nemen. Dit is een van de door het bedrijfsleven ervaren knelpunten, die de politie momenteel in kaart brengt. Om dit knelpunt op te lossen wordt door diverse korpsen geëxperimenteerd met internetaangifte.
Wat betreft de 10 duizend extra agenten wijs ik erop dat er met de korpsen en uw Kamer afspraken zijn gemaakt over de capaciteit waarmee de politie haar taken moet uitvoeren. De huidige politiecapaciteit gaat de afgesproken capaciteit reeds te boven.
Deelt u de mening dat dieven keihard moeten worden aangepakt? Deelt u de mening dat de enige oplossing het invoeren van minimumstraffen is, omdat bij kleine diefstal tot € 120,– slechts een boete kan worden opgelegd van € 250,– en dit een lachertje is voor een (professionele) winkeldief? Zo nee, waarom niet en welke maatregelen gaat u dan nemen?
Ik deel de mening dat diefstal aangepakt moet worden. Ik deel de mening niet dat het invoeren van minimumstraffen hiervoor de oplossing is. Ik heb geen aanwijzingen dat de door het OM geëiste straffen niet in overeenstemming zijn met de ernst van het gepleegde delict en dat een minimumstraf derhalve noodzakelijk is. Overigens concludeert prof. mr. P.J.P. Tak in het recent verschenen onderzoek «De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking», dat er over de effecten van minimumstraffen op de ontwikkeling van criminaliteit en op de beïnvloeding van het veiligheidsgevoel bij burgers zo goed als niets bekend is en dat geen onderzoek bekend is waaruit onomstotelijk blijkt dat de invoering van minimumstraffen tot minder criminaliteit of recidive leidt.
De voornoemde boete is niet bedoeld voor de professionele dief, maar voor de zogenaamde gelegenheidsdief. Het door u genoemde bedrag is de hoogte van de zogenaamde politietransactie. Politietransacties kunnen uitsluitend worden opgelegd bij eenvoudige winkeldiefstal, waarbij het gestolen goed een maximumwaarde van 120 euro heeft. Professionele winkeldieven komen niet in aanmerking voor een politietransactie, maar krijgen maatwerk van het Openbaar Ministerie. Op overtreding van artikel 310 Sr staat een maximale geldboete van de vierde categorie, zijnde € 18 500.
De positie van oliemaatschappij Koninkrijk Nederlandse Shell onder het (aan te scherpen) sanctieregime tegen de Islamitische Republiek Iran |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA), Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Amerikaanse «Iran Refined Petroleum Sanctions Act» (IRPSA) en met de brief aan Shell van 21 mei 2009 van de leden van het Amerikaanse Congres Dan Burton en Brad Sherman?
Ja.
Kent u het Wall Street Journal artikel «Shell Halts Gasoline Sales to Iran» (11 maart 2010)1 en het door het Iraanse persbureau Fars verspreide artikel «Shell Resumes Fuel Sales to Iran» (7 juni 2010)?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de tegenstrijdigheid van deze artikelen?
Shell heeft laten weten sinds oktober 2009 geen benzine te hebben verkocht aan Iran en dat de bewering dat in mei 2010 benzine is geleverd, is gebaseerd op een foutief rapport van de haveninspecteur van Bandar Abbas, dat later is gecorrigeerd.
Heeft Shell de leverantie van geraffineerde olieproducten aan Iran inmiddels gestaakt of niet?
Zie antwoord vraag 3.
Komt de positie van Shell in Iran («upstream», danwel «downstream») aan de orde in de besprekingen van 26 juli a.s., over het aanscherpen van de sancties tegen Iran, van de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie? Zo ja, wordt dan overwogen om voor Shell, onder het aan te scherpen Europese sanctieregime tegen Iran, een uitzonderingspositie te bedingen?
De Raad zal niet over individuele bedrijven spreken. Voor meer informatie over de bespreking over Iran tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli as. verwijs ik naar de geannoteerde agenda van deze bijeenkomst die Uw Kamer op 16 juli jl. toeging.
Deelt u de mening dat een uitzonderingspositie voor Shell onacceptabel is? Zo ja, zult u zich hiertegen met kracht verzetten? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 20 juli beantwoorden?
Bij deze.
Subsidie voor stichting Ar Rayaan |
|
Paul de Krom (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Dit is de Dag over de stichting Ar Rayaan?1
Ja.
Is het waar dat deze stichting subsidie ontvangt van de gemeente Nijmegen? Zo ja, hoeveel subsidie ontvangt deze stichting? Met welk doel wordt deze subsidie verstrekt?
Ja. In antwoord op vragen van Nijmeegse raadsleden van 5 juli 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen geantwoord dat de stichting Ar Rayaan sinds 2005 voor bepaalde activiteiten een subsidie ontvangt van de gemeente vanuit het programma Integratie & Emancipatie. De beleidsregels voor subsidie aan allochtone zelforganisaties zijn hier op van toepassing, evenals de Nijmeegse Kaderverordening Subsidies (NKS). Beide regelingen zijn door de Nijmeegse gemeenteraad vastgesteld. In 2009 ontving Ar Rayaan € 2 490 en in 2010 € 3 480. De subsidie is in 2010 bestemd voor de organisatie van twaalf gastlessen/rondleidingen, twee thema-avonden en vier voorlichtingsbijeenkomsten.
Overigens heeft de gemeente Nijmegen de subsidie inmiddels stopgezet.
Ontvangt deze stichting subsidie van de rijksoverheid? Zo ja, hoeveel en met welk doel?
Nee.
Kunt u aangeven waarom het een taak van de overheid is om het verspreiden van (informatie over) een religie te subsidiëren?
De overheid subsidieert geen activiteiten met een zuiver religieus karakter. Dat zou niet passen binnen de scheiding van kerk en staat. Als stelregel bij het verstrekken van financiële steun aan projecten geldt dat niet de religieuze identiteit van de organisatie doorslaggevend is, maar de mate waarin de activiteiten ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt bijdragen aan de realisering van beleidsdoelen. Het bij voorbaat uitsluiten van organisaties met een religieuze identiteit van een te verstrekken subsidie verdraagt zich niet met het rechtsstatelijke beginsel van religieuze neutraliteit. Zoals in het Tweeluik religie en publiek domein staat, zal de overheid in principe geen inhoudelijke informatie over de juiste interpretatie van welke religie dan ook verspreiden.
Bent u van mening dat deze stichting de integratie bevordert?
Doelstelling van het integratiebeleid is dat burgers elkaar ontmoeten en met elkaar in dialoog gaan, zodat men niet met de ruggen, maar met de gezichten naar elkaar toe staat. Sommige van de teksten, cartoons en links op de website van Ar Rayaan leveren geen bijdrage aan de bevordering van integratie, maar het staat in Nederland iedereen vrij om binnen de grenzen van de wet gebruik te maken van zijn of haar vrijheid van meningsuiting. Ik verwerp de verheerlijking van geweld in welke vorm dan ook.
Ook de gemeente heeft aangegeven dat er teksten, cartoons en links op de website van Ar Rayaan zijn aangetroffen die indruisen tegen het integratiebeleid. Dat past niet binnen de subsidiekaders die binnen de gemeente Nijmegen gelden voor het verstrekken van subsidie. Daarom is het bestuur van Ar Rayaan uitgenodigd voor een gesprek met de Nijmeegse portefeuillehouder op 9 juli 2010. Inmiddels is de subsidie stopgezet.
In hoeverre komen de (integratie)doelstellingen van de gemeente Nijmegen (c.q. het Rijk) overeen met het anti-Israëlische sentiment op de website van Ar Rayaan?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het wenselijk dat deze stichting videomateriaal op de website plaatst waarin martelaarschap wordt verheerlijkt?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat één van de islamitische sprekers van deze stichting de toegang tot Engeland is geweigerd? Kunt u dit toelichten?
Op 16 juni 2010 werd Dr Zakir Naik de toegang tot het Verenigd Koninkrijk geweigerd. De Britse autoriteiten waren van oordeel dat verscheidene uitspraken van Dr Naik onaanvaardbaar waren en dat zijn aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk niet in het algemeen belang zou zijn.
Is het eveneens waar dat er banden bestaan tussen deze stichting en de beweging Hizb ut-Tahrir, die door de AIVD beschreven wordt als «radicale dawa-beweging»? Kunt u dit toelichten?
Bij de stichting Ar Rayaan worden lezingen verzorgd door verschillende islamitische predikers en geleerden, waaronder personen die het gedachtegoed van de Hizb ut-Tahrir in Nederland uitdragen. De Hizb ut-Tahrir is een politiek islamitische beweging die streeft naar heroprichting van een islamitische staat. De ideologie van de Hizb ut-Tahrir bevat antiwesterse, antisemitische en anti-integratieve elementen. Ze roept niet op tot geweld en vormt geen voedingsbodem voor gewelddadige radicalisering.
Bent u van mening dat de subsidie voor de stichting Ar Rayaan dient te worden stopgezet?
Decentrale overheden zijn vrij om – binnen de grenzen van de wet – zelf hun subsidiebeleid te bepalen. De gemeenteraad van Nijmegen heeft op 5 juli 2010 vragen gesteld aan het college over de subsidie. Het college heeft deze vragen beantwoord, heeft een gesprek gevoerd met de stichting Ar Rayaan en heeft inmiddels de subsidie stopgezet.
Het verbod op de Exclusietest voor de ziekte van Huntington en op HLA-typering (Human Leukocyten Antigeen) |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennis genomen van de TV-uitzending over de ziekte van Huntington?1
Ja, ik heb kennis genomen van deze uitzending.
Kunt u zich voorstellen dat mensen niet willen weten of zij in de toekomst de ziekte van Huntington zullen krijgen, omdat dat een zeer zware psychische belasting vormt en daarnaast ook praktische gevolgen heeft voor bijvoorbeeld hypotheek, levensverzekering en werk? Kunt u zich voorstellen dat mensen wél willen weten of zij kans hebben op een kind met dragerschap van deze ernstige ziekte? Kunt u zich voorstellen dat mensen, nu de mogelijkheid voor embryoselectie bestaat en er dus een kans is om een gezond kind te krijgen dat geen drager is van de Ziekte van Huntington, deze mogelijkheid willen gebruiken?
Ja, ik kan mij voorstellen dat deze wensouders niet willen weten of zij de ziekte van Huntington krijgen. De ziekte van Huntington is immers een ongeneeslijke erfelijke aandoening, waarvan het verloop tot op heden niet te remmen is. De ziekte uit zich in onwillekeurige bewegingen, persoonlijkheidsveranderingen en verstandelijke achteruitgang. Daarmee heeft de ziekte niet alleen grote gevolgen voor de patiënt zelf, maar ook voor diens omgeving. Ik kan mij daarom ook voorstellen dat de wensouders, die een ouder hebben met Huntington en daardoor mogelijk drager zijn van het gen, willen voorkómen dat hun kind de ziekte van Huntington ontwikkelen zal.
Bent u op de hoogte van het feit dat, wanneer exclusie Pré-implantatie Genetische Diagnostiek (PGD) verboden blijft, wensouders veroordeeld worden tot het ondergaan van een abortus, wanneer bij prenataal onderzoek blijkt dat de foetus 50% kans heeft op dragerschap? Vindt u abortus van een kind dat 50% kans heeft toch gezond te zijn acceptabeler dan het vernietigen van embryo’s die 50% kans hebben toch gezond te zijn, via exclusie PGD? Denkt u dat de belasting voor ouders, afgezien van de InVitro Fertilisatie (IVF)-behandeling, zwaarder is bij het niet gebruiken van een embryo dan bij het ondergaan van een abortus? Zo ja, waarom?
Potentiële dragers van het Huntington-gen met een kinderwens kunnen in Nederland op verschillende manieren proberen een kind te krijgen dat geen gendrager is. Zij kunnen dit onder andere proberen door middel van PGD. De ouders moeten dan wel bereid zijn geïnformeerd te worden over hun eigen genetische situatie. Het kan immers zo zijn dat beide ouders geen drager zijn van het Huntington-gen. Ik spreek hier bewust over «het proberen om een kind te krijgen»: de slagingskans per gestarte PGD behandeling is immers 15–20%. De PGD-behandeling is een belastende behandeling, zowel voor de moeder als de partner.
De wensouders kunnen verder proberen een kind te krijgen met behulp van donorzaad of een gedoneerde eicel. Tot slot kunnen de wensouders ervoor kiezen om middels prenataal onderzoek te bepalen of er sprake is van dragerschap bij de foetus. Zij kunnen bij dragerschap kiezen voor een zwangerschapsafbreking.
Bij deze beslissingen spelen allerlei overwegingen mee, zoals het voorkómen van lijden bij het toekomstig kind, beschermwaardigheid van het leven, de belasting van de vrouw en de wensouders. Dergelijke beslissingen zijn niet gemakkelijk te maken en wensouders maken verschillende afwegingen. Het kan dan ook niet zo zijn dat de ene beslissing als redelijker wordt gezien dan een andere beslissing.
Deelt u de mening dat het afwegen van de belasting van IVF/PGD tegen de belasting van de kennis van eigen dragerschap aan de ouders is, en de overheid dit niet voor de ouders mag beslissen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 1 van het lid Dijkstra (2010Z10856) waarin ik met redenen omkleed aangeef waarom de exclusietest in Nederland niet is toegestaan.
Deelt u de mening dat het niet logisch is de exclusie-PGD te verbieden, terwijl de prenatale exclusietest, die vaak wordt gevolgd door abortus, als de kans op dragerschap 50% is, wél wordt toegestaan? Zo nee, waarom niet?
Hierboven gaf ik reeds aan dat wensouders, die mogelijk drager zijn van het Huntington-gen, voor een moeilijke beslissing staan. Zij willen lijden bij hun toekomstig kind voorkómen. Lijden dat zijzelf van dichtbij hebben meegemaakt vanwege een aangedane vader of moeder. De wensouders zullen nadenken over de verschillende mogelijkheden die zij hebben om een kind te krijgen dat geen drager is van het Huntington-gen. Dat is geen eenvoudige opgave. Het kan dan ook niet zo zijn dat de ene beslissing als redelijker of logischer kan worden gezien dan een andere beslissing.
In welke landen is exclusie-PGD wel toegestaan? Vindt u het aanvaardbaar dat mensen uit Nederland naar die landen reizen om een exclusie-PGD test te ondergaan? Zo ja, waarom vindt u exclusie-PGD wel aanvaardbaar zo lang het niet in Nederland wordt toegepast?
In mijn antwoord op vraag 2 van het lid Dijkstra (2010Z10856) heb ik aangegeven dat PGD na een exclusietest onder meer toegestaan is in België, Frankrijk, Zweden, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.
De Huntington exclusietest is in Nederland niet toegestaan. In eerdere antwoorden heb ik aangegeven waarom deze test in Nederland niet is toegestaan en welke mogelijke alternatieven wensouders in dat geval hebben. Het is dan ook niet zo dat ik de exclusietest aanvaardbaar acht als deze in het buitenland wordt toegepast. Het staat wensouders echter vrij om voor deze behandeling naar het buitenland te gaan.
Hoeveel verzoeken voor een exclusietest zijn in 2009 afgewezen? Hoeveel verzoeken per jaar voor een exclusie-PGD test zouden kunnen worden verwacht als deze test wel zou zijn toegestaan in Nederland?
Omdat het jaarverslag PGD 2009 van het academisch ziekenhuis Maastricht (azM) nog niet uit is, moet ik u de cijfers over 2009 verschuldigd blijven. Uit het jaarverslag 2008 blijkt dat twee patiënten met een verzoek tot een Huntington exclusietest voor behandeling zijn afgewezen. Het is op het moment moeilijk in te schatten hoeveel verzoeken zouden kunnen worden verwacht.
Bent u van mening dat HLA-typering alleen mag plaatsvinden op voorwaarde dat het gaat om aanvullend onderzoek, als het kind lijdt aan een erfelijke ziekte en de ouders gezien het herhalingsrisico een indicatie hebben voor PGD? Vindt u het acceptabel dat er onderscheid gemaakt wordt tussen erfelijke en niet erfelijke ziekten bij het toestaan van HLA-typering? Zo ja, waarom en waarop berust dat onderscheid precies?
Ik ben van mening dat HLA-typering alleen toelaatbaar is als PGD wordt toegepast om een ziekte bij een volgend kind uit te sluiten. Tijdens deze PGD-behandeling kan dan ook gekeken worden naar mogelijke geschiktheid voor donorschap voor een oudere broer of zus.
HLA-typering is niet toelaatbaar als PGD niet ten behoeve van de gezondheid en het welzijn van het te concipiëren kind wordt ingezet, maar alleen met het oog op donorschap voor de oudere broer of zus. Een belangrijk argument hierbij is de overweging dat PGD alleen wordt ingezet omwille van het kind zelf. Het gaat dan om de vraag of het «donorkind» op de wereld komt omwille van zichzelf, of dat het in eerste plaats moet dienen als donor voor zijn oudere broer of zus. Daarnaast speelt de overweging mee dat PGD zou worden ingezet om een kind tot stand te brengen dat anders zonder technische ingrepen tot stand zou komen.
Bent u van mening dat het aanvaardbaar is dat artsen en ouders passief moeten toekijken wanneer een kind dreigt te overlijden aan een niet-erfelijke ziekte, terwijl het via IVF-en HLA-typering zou kunnen worden gered?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u op de hoogte van de mogelijkheid dat als een embryo alleen op HLA-typering getest kan worden en niet tevens op erfelijke ziekte, het «embryoverlies»geringer is? Vindt u dit een argument om HLA-typering toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik vind dat geen argument om PGD ten behoeve van donorschap voor een oudere broer of zus alsnog toe te staan. In mijn antwoord op vraag 9 heb ik reeds aangegeven om welke reden PGD ten behoeve van donorschap niet is toegestaan.
Hoeveel verzoeken per jaar voor een HLA-typering zouden kunnen worden verwacht als deze test wel zou zijn toegestaan in Nederland, ook bij ouders zonder indicatie voor PGD?
Eerder gaf ik aan dat het jaarverslag PGD 2009 van het azM nog niet uit is. De cijfers over 2009 moet ik u dan ook verschuldigd blijven. Volgens het jaarverslag 2008 zijn er in dat jaar geen verzoeken voor PGD-behandeling ten behoeve van donorschap afgewezen.
Bent u bereid de taak van de Indicatiecommissie PGD uit te breiden en deze commissie niet alleen te laten toetsen of eventuele nieuwe ziektes of aandoeningen in aanmerking komen voor PGD, maar ook varianten van toepassing van PGD te laten toetsen waarvoor nu een verbod geldt, analoog aan de Britse Human Fertility and Embryology Authority?
Nee, ik zie geen aanleiding de taak van de indicatiecommissie PGD uit te breiden.
Studenten van InHolland die via een truc een diploma kregen |
|
Jasper van Dijk |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «slechte scriptie, toch je bul»?1
Mijn oordeel is dat het volstrekt onaanvaardbaar is, indien er met diploma’s wordt gesjoemeld. De inspectie voert momenteel dan ook een diepgaand onderzoek uit naar deze zaken. De tussenrapportage van dit onderzoek is op 19 oktober jl. aan uw Kamer toegezonden.
Is het waar dat InHolland een «alternatief afstudeertraject» aanbood aan ouderejaars studenten om op gemakkelijke wijze alsnog de diplomabonus te incasseren? Zo ja, deelt u de mening dat dit pervers is?
Het rapport van de Commissie Leers dat uw Kamer op 24 september jl. heeft ontvangen en de eerder genoemde tussenrapportage van de inspectie tonen dat er bij de opleiding MEM van InHolland een alternatief afstudeertraject heeft bestaan, waarbij zich onacceptabele risico’s hebben voorgedaan ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs. De Commissie Leers heeft geen aanwijzingen gevonden dat InHolland of MEM zich hebben laten leiden door financiële motieven («diplomabonus»). Er is geen sprake geweest van streven naar persoonlijk financieel gewin bij betrokkenen. Daarnaast constateert de Commissie Leers dat de interne bekostigingssystematiek van InHolland maar zeer beperkte prikkels meebrengt voor de opleidingen om te zorgen voor zoveel mogelijk afstudeerders.
Kunt u zich voorstellen dat reguliere studenten verontwaardigd zijn over deze alternatieve route voor ouderejaarsstudenten omdat bijvoorbeeld een eerder afgekeurde scriptie alsnog werd goedgekeurd?
Ja.
Is het waar dat medewerkers «onder druk werden gezet met niemand hierover te spreken» en dat per mail werd opgeroepen «om collega’s of studenten die verhalen verspreiden met naam en toenaam te melden bij het management»? Wat zegt dit volgens u over de sfeer bij InHolland? Wat voor sancties gaat u hiertegen ondernemen?
Bij de MEM van InHolland is dit onderzocht door de Commissie Leers. De commissie concludeert dat niet kan worden aangetoond dat er sprake is van onoorbare druk op docenten, maar het kan wel zo zijn dat docenten druk hebben ervaren.
Tussen de Inspectie en hogeschool InHolland zijn afspraken gemaakt over de ontstane situatie van MEM en het verbeterplan met maatregelen die InHolland moet nemen i.v.m. de kwaliteit van MEM. In de gesprekken die de inspectie hierover voert met InHolland, inclusief die met het College van Bestuur, komt «druk op personeel» expliciet aan de orde.
Mocht blijken dat hier sprake is van onoorbaar handelen richting docenten en andere medewerkers, dan is het arbeidsrecht van toepassing. Daarin is een grondslag voor schorsing en ontslag (van CvB-leden en van overige personeelsleden, zoals opleidingsdirecteuren) opgenomen. De instelling is daarbij aan zet. Ik heb daarin geen rol.
Waarom floot de examencommissie de directie van de opleiding na twee jaar terug? Waarom heeft u via de Inspectie van het Onderwijs niet eerder ingegrepen?
Uit het rapport van de Commissie Leers blijkt dat de Schoolmedezeggenschapsraad zich in 2009 door het opleidingsmanagement heeft laten informeren, maar vooral met betrekking tot een aantal kwantitatieve gegevens. De Hogeschoolmedezeggenschapsraad heeft in mei 2010 aan de orde gesteld dat er sprake was van een alternatief afstudeertraject. Daarmee is in feite de zaak pas in discussie gekomen.
De inspectie heeft niet eerder ingegrepen, omdat tot die tijd geen signalen over de MEM bij de inspectie bekend waren.
Wat vindt u ervan dat bestuursvoorzitter Dales beweert dat het om een pilot zou gaan?
Ik zie daarin geen rechtvaardiging voor de ontstane situatie. Ook voor een pilot geldt immers dat de kwaliteit van het onderwijs buiten kijf moet staan en dat de wet wordt nageleefd.
Hoe verklaart u deze kwestie? Deelt u de mening dat de bekostiging van het hoger onderwijs perverse prikkels heeft? Gaat het nieuwe systeem hieraan een eind maken?2
In de conclusies van de Commissie Leers worden de volgende elementen genoemd ter verklaring van de ontstane situatie:
Ten aanzien van de bekostiging ben ik van oordeel dat in de bestaande systematiek de diplomacomponent teveel nadruk krijgt. Met ingang van 1 januari 2011 verandert de bekostiging. In het huidige model ontvangen de hogescholen het merendeel van hun onderwijsbekostiging (ca. 60–80%) bij de afgifte van het bachelordiploma. Dit percentage wordt in het model, dat per 2011 in werking treedt, verlaagd naar ca. 20%. De aanleiding voor de verlaging van de vergoeding voor een diploma is onder meer dat de bekostiging meer in evenwicht komt met de inspanningsverplichtingen van de hoger onderwijsinstellingen en niet voornamelijk gericht is op outputbekostiging. Blijft dat bij welk bekostigingsmodel dan ook nimmer een situatie zoals bij InHolland aan de orde mag zijn. Hoger onderwijsinstellingen krijgen in Nederland veel vrijheid. Daaraan dient onlosmakelijk verbonden te zijn de verantwoordelijkheid voor kwaliteit. Als die verantwoordelijkheid niet wordt waargemaakt, brengt dat grote schade toe aan het vertrouwen in de waarde van onze diploma’s.
Verder merk ik op dat in het Regeerakkoord is aangekondigd dat het rapport van de Commissie Veerman wordt uitgevoerd. Dat betekent dat in deze kabinetsperiode een bekostigingssystematiek wordt ontwikkeld die meer sturend is op kwaliteit en missie en dat het aandeel studentgebonden financiering in de bekostiging wordt verkleind.
Bent u bereid deze kwestie te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ja. Uw Kamer is al uitgebreid ingelicht over het rapport van de Commissie Leers en het landelijk verdiepingsonderzoek van de inspectie.
Zijn er meer instellingen die op vergelijkbare wijze te werk gaan? Bent u bereid dat te onderzoeken?
Uit de tussenrapportage van de inspectie blijkt dat veel instellingen beleid voeren op langstudeerders. Bij 41 instellingen wordt door de inspectie aanvullende informatie opgevraagd en de reeds beschikbare informatie zal geverifieerd worden. Op grond daarvan kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van risico’s. Is dat het geval dan volgt een verdiepingsonderzoek op de examinering. Indien daarbij risicovolle situaties worden aangetroffen, wordt nagegaan of er hiaten zijn in het interne toezicht en de kwaliteitszorg van de instelling. Waar nodig wordt samen met de NVAO onderzoek in gang gezet naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden. Mochten in deze stappen onregelmatigheden worden aangetroffen, dan wordt het instellingsbestuur gemaand de nodige maatregelen te treffen en een verbeterplan op te stellen.
Het artikel in de Volkskrant van zaterdag 10 juli 2010 over diplomafraude op hogeschool InHolland |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Volkskrant van 10 juli 2010 met als titel: «Slechte scriptie, toch je bul»?
Ja.
Bent u van mening dat de handelwijze van InHolland waarmee aan circa 250 studenten, die volgens de vigerende examennorm niet waren geslaagd en aan wie toch een diploma is uitgereikt, gekwalificeerd kan worden als fraude? Zo nee, waarom niet?
De Commissie Leers kwalifceert de handelwijze van InHolland niet als «fraude», maar concludeert wel dat het management van de opleiding MEM een sfeer van laisser faire, laisser aller heeft toegestaan, waardoor een fraudegevoelige situatie is gecreëerd. De inspectie heeft het rapport van Leers geanalyseerd. Die analyse geeft mij geen aanleiding om genoemde conclusie van Leers niet over te nemen.
Overigens blijkt uit het rapport van de commissie Leers en de analyse daarvan door de inspectie dat het bij de genoemde opleiding geen 250, maar 147 studenten betreft waarvan 104 afgestudeerden. Dat neemt niet weg dat het hier om een verontrustende situatie gaat.
Bent u van mening dat het verweer van de voorzitter van het College van Bestuur dat het hier om een «pilot» ging volstrekt inadequaat is, temeer omdat deze zogenaamde «Theo-route» nu reeds twee jaar loopt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ook voor een pilot geldt immers dat de kwaliteit van het onderwijs buiten kijf moet staan en dat de wet wordt nageleefd.
Bent u bereid om Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven om deze zaak, die zo schadelijk is voor het civiel effect van diploma’s (de maatschappelijke waarde van diploma’s), diepgaand te onderzoeken, met inbegrip van gesprekken met betrokken studenten, docenten en managers en met inbegrip van het opvragen van de interne documenten die betrekking hebben op deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Ja. Momenteel voert de inspectie een vervolgonderzoek uit bij InHolland. Daarbij wordt zo nodig ook gesproken met studenten, docenten en managers en gebruik gemaakt van interne documenten. De Commissie Leers heeft dat ook gedaan. Een overzicht van de interne documenten, die door de Commissie Leers zijn geanalyseerd, is opgenomen in bijlage 3 van het rapport van de commissie.
Daarnaast voert de inspectie een landelijk onderzoek uit naar alternatieve afstudeertrajecten in het hoger onderwijs. De tussenrapportage daarvan is u op 19 oktober jl. toegezonden. Daarin heeft de inspectie ook een analyse opgenomen van het rapport van de Commissie Leers.
Bent u bereid om rechtspositionele consequenties te verbinden aan de uitkomst van uw onderzoek voor de betrokken docenten, managers en de voorzitter van het College van Bestuur? Zo nee, moeten we dan vaststellen dat het sjoemelen met de uitreiking van diploma’s tot het toegestane repertoire behoort van docenten, managers en bestuurders? Zo nee, waarom niet?
Dat is een bevoegdheid die niet bij mij ligt, maar bij de instelling.
Bent u bereid om de 250 diploma’s die via de «Theo-route» zijn behaald in te trekken of ongeldig te verklaren? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid om diploma’s in te trekken ligt enkel en alleen bij de instelling zelf. Daartoe is het wettelijk niet alleen nodig om aan te tonen dat de diploma’s onterecht zijn verstrekt (hetgeen moet blijken uit het vervolgonderzoek van de inspectie). Tevens moet aantoonbaar zijn dat de student in kwestie dit ook moet hebben geweten.
Bent u bereid om de diplomabonus voor deze «Theo-diploma’s» terug te vorderen? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat diploma’s onrechtmatig zijn verleend, dan zal ik de bekostiging vanwege die diploma’s terugvorderen. De benodigde zorgvuldigheid bij het toepassen van dergelijke zwaarwegende sancties maakt dat de precieze kwalificatie van de feiten pas aan de orde kan zijn als het vervolgonderzoek van de inspectie beschikbaar is.
Bent u bereid om te onderzoeken of de zogenaamde «Theo-route» ook op andere hogescholen voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 4.
Onderschrijft u het standpunt dat het niet zo kan zijn dat er een categorie hbo-studenten is waaraan minder eisen worden gesteld dan aan andere categorieën studenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat onderschrijf ik. Dat laat onverlet dat maatwerktrajecten mogelijk zijn en soms zelf wenselijk. Hierbij dient uiteraard te allen tijde gehandeld te worden binnen de kaders van de wet.
Kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel van de betrokken 250 studenten van autochtone afkomst zijn en hoeveel studenten een allochtone of biculturele achtergrond hebben? Zo nee, waarom niet?
Voor de vraag of er sprake is van onregelmatigheden is de afkomst van studenten geen relevant gegeven.
Het ongeoorloofd verstrekken van diploma's media-opleiding door hogeschool InHolland te Haarlem |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Slechte scriptie, toch je bul», waaruit blijkt dat de hogeschool InHolland in Haarlem de afgelopen twee jaar aan circa 250 studenten van de opleiding media- en entertainmentmanagement ongeoorloofd diploma’s heeft uitgereikt?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de werkwijze van de hogeschool, in het bijzonder dat er sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van studenten en de onderliggende prikkel richting de hogeschool om aldus te handelen teneinde de door de overheid in het vooruitzicht gestelde afstudeerbonussen te kunnen toucheren?
De werkwijze van InHolland in verband met het alternatieve afstudeertraject van de opleiding MEM keur ik af, omdat daarmee onacceptabele risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs zijn ontstaan. De kwaliteit van het onderwijs moet boven alle twijfel zijn verheven.
De inspectie voert een diepgaand onderzoek uit naar alternatieve afstudeertrajecten, zowel bij InHolland als in het gehele hoger onderwijs. Als vast komt te staan dat er onterecht diploma’s zijn verstrekt, dan zal ik de daaraan verbonden bekostiging terugvorderen van de instelling die het betreft.
Wat betreft de onderliggende prikkel richting de hogeschool om afstudeerbonussen te toucheren merk ik op met ingang van 1 januari 2011 de bekostiging van het hoger onderwijs verandert. In het huidige model ontvangen de hogescholen het merendeel van hun onderwijsbekostiging (ca. 60–80%) bij de afgifte van het bachelor diploma. Dit percentage wordt in het model, dat per 2011 in werking treedt, verlaagd naar ca. 20%. De aanleiding voor de verlaging van de vergoeding voor een diploma is onder meer dat de bekostiging meer in evenwicht komt met de inspanningsverplichtingen van de hoger onderwijsinstellingen en niet voornamelijk gericht is op output bekostiging.
Blijft dat bij welk bekostigingsmodel dan ook nimmer een situatie zoals bij InHolland aan de orde mag zijn. Hoger onderwijsinstellingen krijgen in Nederland veel vrijheid. Daaraan is de verantwoordelijkheid voor kwaliteit onlosmakelijk verbonden. Als die niet wordt waargemaakt, brengt dat grote schade toe aan het vertrouwen in de waarde van onze diploma’s.
Deelt u de mening dat hier inderdaad sprake is van een ongeoorloofde werkwijze van de hogeschool? Zo neen, waarom niet?Indien u vindt dat een en ander wel geoorloofd is, wat zijn de procedures en formaliteiten waar de betreffende hogescholen zich aan dienen te houden om de kwaliteit van hun onderwijs te handhaven en te waarborgen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om deze werkwijze in het vervolg te voorkomen?
Ja, die mening deel ik (zie verder antwoord op vraag 2).
Naast het mogelijk terugvorderen van de onderwijsbekostiging die is verbonden aan de diploma-afgifte verwijs ik naar een aantal aanscherpingen in de wetgeving die onlangs zijn ingevoerd en die ertoe kunnen leiden dat de werkwijze die in de vraag wordt bedoeld in het vervolg meer wordt voorkomen.
Om te beginnen kan met ingang van 2011, wanneer het onderwijs onder de maat is en er geen zicht meer is op verbetering, de verleende accreditatie tussentijds (d.w.z. buiten de context van een accreditatieprocedure) worden ingetrokken. Het gevolg van het tussentijds intrekken is dat de desbetreffende opleiding de aan accreditatie verbonden wettelijke rechten, zoals bekostiging, verliest.
Ten tweede is de rol die de kwaliteit van examinering speelt bij de accreditatie verzwaard. Als alleen al het onderdeel examens en toetsing van een accreditatie negatief wordt beoordeeld, kan een opleiding de accreditatie verliezen.
Ook zijn onlangs de taak en de positie van de examencommies bij het hoger onderwijs versterkt (zie de wet versterking besturing, Staatsblad 2010 168), o.a. door de wettelijke verplichting voor het instellingsbestuur om zorg te dragen voor het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie.
Bent u bereid te onderzoeken of dit soort praktijken ook bij andere hogescholen voorkomen? Wanneer uit uw onderzoek blijkt dat dergelijke praktijken inderdaad elders voorkomen, bent u dan ook van mening dat deze onmiddellijk moeten stoppen? Zo ja, hoe gaat u dat aanpakken?
In mijn antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven, dat er inspectieonderzoek wordt uitgevoerd naar dit soort praktijken bij andere hoger onderwijsinstellingen. Uit de tussenrapportage van dit onderzoek, die u op 19 oktober jl. hebt ontvangen, blijkt dat de inspectie bij 41 instellingen aanvullende informatie zal opvragen over alternatieve afstudeertrajecten en de reeds beschikbare informatie zal verifiëren. Op grond daarvan kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van risico’s. Is dat het geval dan volgt een verdiepingsonderzoek op de examinering. Indien daarbij risicovolle situaties worden aangetroffen, wordt nagegaan of er hiaten zijn in het interne toezicht en de kwaliteitszorg van de instelling. Waar nodig wordt samen met de NVAO onderzoek in gang gezet naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden. Mochten in deze stappen onregelmatigheden worden aangetroffen, dan wordt het instellingsbestuur gemaand de nodige maatregelen te treffen en een verbeterplan op te stellen.
Het verwerpen van de Indonesische speciale autonomie door de bevolking van Papua |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het persbericht van het United Papuan Democratic Forum over het verwerpen van de Indonesische speciale autonomie door de bevolking van Papua?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de organisatoren van de demonstraties die gaande zijn, over intimidatie en machtsvertoon door Indonesische militiegroepen?
Nederland erkent de nationale soevereiniteit en territoriale integriteit van Indonesië. Binnen dat kader zet Nederland zich in de samenwerking met Indonesië inzake Papoea vooral in voor een effectievere implementatie van de Speciale Autonomiewet voor Papoea (SAL) van 2001. De implementatie verloopt langzaam, hetgeen onder meer samenhangt met de capaciteitsproblemen van het lokale bestuur. Om deze reden werkt Nederland nauw samen met de Indonesische regering en met NGO’s om de capaciteit van het lokale bestuur in Papoea te versterken. De situatie in Papoea vormt de laatste jaren vrijwel permanent onderwerp van overleg tussen Nederland en Indonesië, waarbij het recht om vreedzaam te demonstreren nadrukkelijk aan de orde is gesteld, evenals de hoge straffen die in individuele gevallen aan vreedzame demonstranten zijn opgelegd.
Nederland zal de situatie in Papoea nauwgezet blijven volgen en bespreken in de contacten met de Indonesische autoriteiten. Ook in EU-verband staat de kwestie- Papoea regelmatig op de agenda, zoals recent nog tijdens de eerste EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die op 29 juni jl. in Jakarta plaatsvond.
Bent u bereid bij de Indonesische regering aan te dringen op vreedzame dialoog met de bevolking van Papua en haar vertegenwoordigers, alsmede haar recht om vreedzaam te demonstreren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid de Indonesische regering op te roepen om onafhankelijke media, humanitaire hulpverleningsorganisaties en onafhankelijke waarnemers toe te laten in alle delen van Papua?
Nederland heeft de Indonesische autoriteiten in het verleden herhaaldelijk aangesproken op het restrictieve toelatingsbeleid tot Papoea. Inmiddels is de situatie enigszins verbeterd, hoewel zeker nog niet ideaal. Verscheidene humanitaire organisaties zijn momenteel actief in Papoea en in de vrije en onafhankelijke media in Indonesië wordt uitgebreid en gedetailleerd gerapporteerd over de situatie in Papoea. Desalniettemin zal het toelatingsbeleid tot Papoea ook in de toekomst onderwerp blijven vormen van overleg tussen Nederland en Indonesië.
Het bericht dat een levenslang gestrafte zesvoudig moordenaar toch met verlof mag |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een levenslang gestrafte zesvoudig moordenaar toch met verlof mag?1
Ja.
Kloppen de feiten in dit bericht? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?
Ja, de feiten in het bedoelde artikel komen overeen met de overwegingen zoals weergegeven in de uitspraak van de RSJ. Ik respecteer de uitspraak van de RSJ.
Hoe moet het oordeel van de beroepscommissie van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming worden gezien in verhouding tot het eerdere besluit van de toenmalige staatssecretaris van Justitie die de machtiging voor begeleid verlof juist introk?
De toestand van de slachtoffers en nabestaanden heeft heel zwaar gewogen bij het besluit tot intrekking van machtiging tot het verlenen van het begeleide verlof. De RSJ heeft overwogen dat hoezeer ook de reacties van de slachtoffers begrijpelijk zijn, deze niet kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat de machtiging ingetrokken kan worden.
Klopt het dat levenslang gestraften die voor een behandeling naar een tbs-kliniek gaan nu niet meer met verlof mogen? Hoe moet dit worden gezien in het licht van de onderhavige kwestie, waarin de tot levenslang veroordeelde wegens psychische problemen is overgeplaatst naar een tbs-kliniek?
Het huidige verlofkader, dat in 2007 van kracht werd, sluit verlof voor levenslanggestraften uit. Sindsdien is verlof, anders dan beveiligd incidenteel verlof van humanitaire aard, voor een levenslanggestrafte niet meer mogelijk. In de onderhavige zaak is op grond van in 2001 geldende wet- en regelgeving begeleid verlof toegekend. De RSJ heeft de intrekking van de machtiging tot begeleid verlof vernietigd. Hierdoor is de machtiging uit 2001 nog van kracht.
Hoe denkt u in dit concrete geval de verlofmogelijkheid alsnog te stoppen?
Zoals aangegeven in antwoord 2, respecteer ik de uitspraak van de RSJ.
Bent u van mening dat de huidige wet- en of regelgeving volstaat of moet deze worden aangepast?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3, 4 en 5 van het lid Helder (PVV), ben ik van mening dat de huidige wet- en of regelgeving volstaat.
Het bericht "Zesvoudig moordenaar mag toch met verlof" |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Zesvoudig moordenaar mag toch met verlof»?1
Ja.
Klopt het dat de beroepscommissie uit de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ) een eerder besluit van de toenmalige staatssecretaris van Justitie, namelijk het intrekken van de machtiging voor begeleid verlof, heeft vernietigd, waardoor een zesvoudig moordenaar met verlof mag?
Ja, de RSJ heeft het besluit tot intrekking van de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof vernietigd.
Deelt u de mening dat een tot levenslang veroordeelde persoon nimmer met verlof mag en daarvoor geen enkele reden is omdat iemand die tot een levenslange gevangenis is veroordeeld nooit meer in de maatschappij zal terugkeren?
Het huidige verlofkader, dat in 2007 van kracht werd, sluit verlof voor levenslanggestraften uit. Sindsdien is verlof, anders dan beveiligd incidenteel verlof van humanitaire aard, voor een levenslanggestrafte niet meer mogelijk. Tevens geldt dat levenslanggestraften in beginsel alleen door gratieverlening kunnen terugkeren naar de maatschappij. Zolang gratie niet aan de orde is, blijft betrokkene in een justitiële inrichting.
Deze zaak staat in dit opzicht op zichzelf. Er is geen andere levenslanggestrafte in Nederland met een verlofmachtiging. Na de invoering van het nieuwe verloftoetsingskader medio 2007 is dat ook niet meer mogelijk. Spoedwetgeving is dan ook niet aangewezen.
Deelt u de mening een dat een dergelijk persoon daarnaast geen enkel recht heeft op verlof, gezien de afschuwelijke misdrijven die degene heeft begaan? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat tot levenslang veroordeelden ook nooit meer de gevangenispoort zal uitkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u, bereid alsnog per direct met spoedwetgeving te komen om een einde aan de verlofmachtiging van deze moordenaar te maken? Zo nee, waarom niet? Op welke manier gaat u dan bewerkstelligen dat deze crimineel nooit achter slot en grendel vandaan komt?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dit wederom een klap in het gezicht is van de nabestaande van de slachtoffers? Zo ja, bent u bereid om met hen hierover in gesprek te treden, mits zij hier behoefte aan hebben, om zo een aanzet te geven dat slachtoffers dan wel de nabestaande gehoord worden, nu dit in een strafrechtelijke procedure vooralsnog niet of niet in voldoende mate gebeurt?
De slachtoffers en nabestaanden in deze zaak worden door mij geïnformeerd over het strafverloop. Dit wordt gedaan in overleg en samenwerking met Slachtofferhulp Nederland. Bij de uitspraak van de RSJ is er rekening mee gehouden dat deze emotionele reacties bij de slachtoffers kan oproepen. Voorafgaand aan de publicatie van de uitspraak van de RSJ zijn de slachtoffers en nabestaanden geïnformeerd. Bovendien een casemanager van Slachtofferhulp Nederland heeft met hen gesproken.
De uitzetting van Somaliërs |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hirsch Ballin gaat Somaliërs uitzetten»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er voorbereidingen worden getroffen om een groep Somalische ex-asielzoekers naar Mogadishu uit te zetten en dat er een terugkeerovereenkomst is gesloten met de Somalische overgangsregering? Zo ja, op basis waarvan is deze terugkeerovereenkomst gesloten? En wat zijn de voorwaarden van deze terugkeerovereenkomst?
Op 3 mei 2010 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in een MoU werkafspraken gemaakt met de internationaal erkende Somalische overgangsregering, de Transitional Federal Government van Somalië.
Deze werkafspraken in het kader van terugkeer zijn gebaseerd op de volkenrechtelijke verplichting van staten om de eigen onderdanen terug te nemen.
In het MoU zijn afspraken gemaakt over zowel zelfstandige als gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde Somaliërs. Ook voorziet het MoU erin dat de terugkeer plaats kan vinden met gebruikmaking van een EU-staat als reisdocument, indien de vreemdeling hier niet over beschikt.
De DT&V is, zoals gemeld in de brief van 29 maart 2010 (Kamerstuk 29 344, nr. 72), naar aanleiding van de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid begonnen met de nodige voorbereidingen, teneinde gedwongen terugkeer op individuele basis naar Somalië te kunnen realiseren. Afhankelijk van het verdere verloop van deze voorbereiding in de betreffende individuele zaken, zal mogelijk reeds deze zomer tot gedwongen terugkeer op individuele basis kunnen worden overgegaan. Er is geen sprake van een voorgenomen groepsgewijze uitzetting naar Somalië.
Bent u op de hoogte van de brief die de minister van Buitenlandse Zaken onlangs naar de Kamer stuurde waarin staat dat de situatie in Somalië vanuit elk perspectief somber?2 Deelt u deze mening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met deze brief van de Minister van Buitenlandse Zaken ben ik bekend. De zorgwekkende situatie in Somalië, die in deze brief wordt geschetst, is in lijn met informatie uit algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Somalië. Zoals ik ook eerder aan uw Kamer heb gemeld, ben ik van mening dat de situatie in Somalië zorgwekkend is.
Onderkent u dat de huidige regering slechts delen van de hoofdstad Mogadishu in handen en onder controle heeft?
Dit beeld herken ik. Dit staat ook vermeld in het laatstverschenen ambtsbericht over Somalië van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Bent u op de hoogte van het reisadvies voor Somalië op de site van Buitenlandse Zaken?3
Ja.
Deelt u de mening dat het erg tegenstrijdig is als het ministerie van Buitenlandse Zaken een negatief reisadvies voor Somalië geeft en tegelijkertijd voorbereidingen worden getroffen om ex-asielzoekers uit te zetten?
Nee, deze mening deel ik niet.
Een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken brengt advies uit ten behoeve van een voorgenomen bezoek aan het land. Indien er een negatief reisadvies ligt voor een land, betekent dit nog niet dat asielzoekers uit dit land voor asielrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Uiteraard komt de zorgwekkende situatie in Somalië in het landgebonden asielbeleid Somalië tot uitdrukking. Zoals ik u in mijn brief van 29 maart 2010 heb gemeld, bied ik groepsgewijze bescherming aan de bevolkingsgroep Reer Hamar vanwege hun bijzonder kwetsbare positie in het land. Deze groep is aangewezen als groep die systematisch bloot staat aan schending van artikel 3 EVRM. Aanvragen van overige Somalische asielzoekers worden uiteraard eveneens beoordeeld in het licht van hetgeen bekend is over de situatie in het land. Dit neemt niet weg dat ook Somalische asielzoekers worden afgewezen als zij niet voor bescherming in aanmerking komen. Zij die na de zorgvuldige afweging niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning in Nederland, zullen Nederland moeten verlaten. Hierbij wordt door de Dienst Terugkeer en Vertrek in eerste instantie ingezet op zelfstandige terugkeer. Voor Somalische vreemdelingen die ervoor kiezen niet zelfstandig te vertrekken, komt gedwongen terugkeer naar Somalië aan de orde.
Waarom is er gekozen om voorbereidingen te treffen om een groep Somalische ex-asielzoekers uit te zetten, terwijl gerespecteerde mensenrechtenorganisaties als Amnesty en Human Rights Watch aangeven dat de situatie rondom Mogadishu verschrikkelijk is?
De zorgwekkende situatie in Zuid- en Centraal-Somalië, daaronder begrepen Mogadishu, is betrokken bij de totstandkoming van het beleid, zoals beschreven in de onder antwoord 6 genoemde brief van 29 maart 2010. Die situatie is niet zodanig dat in geen geval terugkeer naar Somalië aan de orde kan zijn. Er wordt ingezet op zelfstandige terugkeer. Bij gedwongen terugkeer kan ook uitzetting naar Mogadishu aan de orde zijn.
Deelt u de mening dat de voorbereidingen van de uitzettingen een vorm van intimidatiepolitiek is?
Deze mening deel ik niet. Als de vreemdeling zijn plicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten niet nakomt, volgt uit de Vreemdelingenwet de bevoegdheid om dat vertrek gedwongen te realiseren.
Bent u bereid om de voorbereiding van een groep Somalische ex-asielzoekers te herzien? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven betreft het hier geen voorbereidingen voor de uitzetting van een groep Somaliërs. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid, om deze bovenstaande vragen voor de uitzetting te beantwoorden gezien de urgentie?
Ja.
Onderzoek naar vermeende wantoestanden bij een abortuskliniek |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving over mogelijke wantoestanden bij een Haagse abortuskliniek?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling dat het een kwestie van tijd is, voordat er medische blunders worden gemaakt en dat baliemedewerkers zouden worden ingezet om net geholpen patiënten te verzorgen?
Bij de kliniek in Den Haag zijn problemen van bestuurlijke aard. Omdat dergelijke problemen kunnen leiden tot risico’s voor de geboden zorg is VWS in overleg getreden met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De Inspectie heeft de kliniek inmiddels meerdere malen bezocht en bij deze bezoeken zijn geen tekortkomingen geconstateerd die een ernstige bedreiging vormen voor de kwaliteit van de zorg.
Welk onderzoek is er reeds gedaan naar de kwaliteit van de zorg binnen deze abortuskliniek?
De Inspectie heeft gesprekken gevoerd met het bestuur, de directie en overige medewerkers waaronder de abortusartsen, verpleegkundigen en anesthesisten. Daarnaast heeft de Inspectie een onaangekondigd inspectiebezoek gebracht aan de kliniek. Zoals aangegeven bij vraag 2 zijn er tijdens deze bezoeken geen tekortkomingen geconstateerd die een bedreiging vormen voor de geboden zorg.
Zijn er reeds maatregelen getroffen om de kwaliteit van de zorg in de betreffende abortuskliniek te garanderen? Zo ja, welk? Zo nee, welke maatregelen kunt u nemen?
De Inspectie heeft een plan van aanpak ontvangen van de kliniek waarin de maatregelen staan die ervoor moeten zorgen dat de kliniek de zorg kan blijven garanderen. De Inspectie heeft afspraken gemaakt met het bestuur over het rapporteren van de voortgang en volgt op die manier het proces nauwkeurig.
Deelt u de mening dat ook het financieel beheer van abortusklinieken onderdeel behoort te zijn van toezicht, en dat wanbeheer er nooit toe mag leiden dat de kwaliteit van de zorg in het geding komt?
Ja.
Op welke wijze wordt op dit moment toezicht gehouden op het bestuur en het financieel beheer van abortusklinieken?
Voor zover de kliniek een beroep doet op de AWBZ subsidie abortushulpverlening, is het College voor zorgverzekeringen (CVZ) belast met het toezicht op de besteding van de subsidie.
Enkele leden van het personeel hebben bij de Haagse politie aangifte gedaan van vermeende fraude. Deze aangifte is onder behandeling bij het functioneel pakket in Den Haag. De uitkomst wordt door het CVZ afgewacht, alvorens zij zelf een onderzoek gaan instellen.
Bent u van mening dat het toezicht op het bestuur en het financieel beheer door abortusklinieken voldoende geregeld is? Zo nee, welke mogelijkheden tot verbetering van het toezicht ziet u?
Door de problemen in Amsterdam en nu in Den Haag is gebleken dat de regeling rondom de abortushulpverlening aanpassingen vereist. Op dit moment wordt daar door VWS, in samenwerking met CVZ, IGZ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aan gewerkt.
Zijn er u andere vergelijkbare situaties bekend, waarbij mogelijk financieel wanbeheer de dienstverlening door abortusklinieken wellicht een risico vormt voor de kwaliteit van de zorg?
Nee.
Een onderzoek naar geluidsoverlast van de JSF |
|
Jasper van Dijk |
|
Is het waar dat u het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) opdracht geeft om het rapport van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartinstituut naar het geluid van de JSF te laten valideren?1
De opdracht aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor een validatie van het NLR-rapport over de geluidsbelasting van de JSF (F-35) wordt verleend door de provincie Fryslân. Het ministerie van Defensie is medeopdrachtgever van het onderzoek. Over het onderzoek, de aanleiding om dit onderzoek uit te voeren en de betrokkenheid van het ministerie van Defensie daarbij, bent u geïnformeerd met brieven van 7 januari 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 211), van 22 februari 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 219) en van 9 juli 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 245).
Waarom geeft u deze opdracht, aangezien in mei de moties Van Velzen cs. en Eisink cs. zijn aangenomen die de regering verzoeken geen nieuwe investeringen te doen inzake de JSF en om te stoppen met de JSF testfase?2
Na het presenteren van het NLR-rapport en de beantwoording van vragen zijn bij de provincie Fryslân onduidelijkheden blijven bestaan over de verwachte geluidsbelasting van de F-35 rondom de vliegbasis Leeuwarden. Ik hecht eraan dat deze onduidelijkheden worden weggenomen en om die reden heeft het ministerie van Defensie zich bereid verklaard medewerking te verlenen aan de validatie waar de provincie om heeft verzocht.
Wat heeft de validatie nog voor zin als de aanschaf van de JSF totaal ongewis is geworden? Deelt u de mening dat het geld voor de opdracht (50.000 euro) wel beter besteed kan worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de opdracht in overleg met de provincie Fryslân te annuleren?
Met het onderzoek wordt tegemoet gekomen aan vragen van de provincie Fryslân, gemeenten en omwonenden van de vliegbasis Leeuwarden. Ik zal de provincie niet verzoeken de opdracht te annuleren.
Recreatief medegebruik van defensieterrein Infanterie Schietterrein Harskamp |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Welke actie hebt u ondernomen om volgens de wens van de Tweede Kamer recreatief medegebruik van defensieterreinen zo mogelijk in stand te houden?1
Vrijwel alle oefenterreinen van Defensie staan van oudsher open voor extensief recreatief medegebruik zoals wandelen, fietsen en paardrijden. Daarin komt geen verandering. Defensie treedt zelfs faciliterend op door op verschillende plaatsen voorzieningen, zoals het aanleggen van routes, te treffen. Ten aanzien van lawaaisporten, zoals motorcross, was het beleid terughoudend vanwege de verstoring voor mens en dier. Conform de motie Knops c.s. zullen de bestaande faciliteiten voor lawaaisporten gehandhaafd blijven of in goed overleg worden verplaatst. Inmiddels is met enkele belangenorganisaties gesproken over hun wensen en de knelpunten ten aanzien van het medegebruik van defensieterreinen. Dit wordt gebruikt bij het opstellen van nieuw beleid over recreatief medegebruik. Kern daarvan is dat onverkort gelegenheid tot extensief recreatief medegebruik wordt gegeven en dat de ruimte voor intensief recreatief medegebruik voor zover mogelijk blijft gehandhaafd.
Enkele oefenterreinen en de schietterreinen zijn en blijven om veiligheidsredenen niet toegankelijk.
Wat hebt u ondernomen om de mogelijkheden te onderzoeken om camping «de Oase» nabij het Infanterie Schietterrein Harskamp (ISK) in stand te houden? Bent u bereid om volgens de wens van de Kamer op korte termijn in gesprek te gaan met de beheerders van dit recreatieoord en te zoeken naar een oplossing om het recreatiepark te behouden?
Defensie heeft met de eigenaren van camping De Oase, hun vertegenwoordiger en hun raadsman gesproken. Hierbij is vooraf aangegeven dat het besluit de erfpacht niet te verlengen vast staat. Defensie heeft tijdens de gesprekken de bereidheid getoond om binnen haar mogelijkheden tot een oplossing te komen. Tijdens deze gesprekken was ook de provincie Gelderland vertegenwoordigd. Ook de provincie was bereid te zoeken naar een oplossing. De eigenaren van camping De Oase hebben verdere gesprekken niet afgewacht en zetten de reeds aanhangig gemaakte juridische procedure door.
Kent u de situatie van het nabijgelegen woonhuis op de grens van het Infanterie Schietterrein Harskamp (ISK), dat verwijderd zal moeten worden? Deelt u de mening dat hier een maatwerkoplossing mogelijk is en bent u bereid samen met de bewoners een passende oplossing te zoeken die voor beide partijen acceptabel is?
De situatie van het nabijgelegen woonhuis op de grens van het ISK is mij bekend. De bewoners van deze woning is gevraagd op korte termijn met Defensie in gesprek te gaan over het moment en de wijze van oplevering van het perceel. Defensie is bereid te zoeken naar een maatwerkoplossing, maar wil benadrukken dat van verlenging van de erfpacht geen sprake kan zijn.
Het bevel van de Inspectie voor de Gezondheid (IGZ) |
|
Renske Leijten |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw inhoudelijke reactie op het feit dat de Inspectie zich genoodzaakt ziet om HWW Zorg een bevel op te leggen, omdat de veiligheid van de bewoners nog steeds gevaar loopt?1
De IGZ heeft op vrijdag 2 juli 2010 een bevel gegeven aan HWW Zorg. Dit bevel was geldig voor 7 dagen. Binnen deze periode moest HWW Zorg de noodzakelijke verbeteringen die in het bevel stonden uitvoeren. Het feit dat de IGZ het nodig vond een bevel op te leggen aan HWW Zorg, betreur ik. Tegelijkertijd heeft de IGZ geconstateerd dat binnen de 7 dagen waarvoor het bevel gold HWW Zorg de opgelegde maatregelen heeft getroffen. Ik constateer dat in dit geval het instrument van het bevel een effectieve werking heeft gehad. Dit stemt mij tevreden over het gebruik van het instrument in deze situatie.
Herinnert u zich uw verontwaardiging over de toestand bij HWW Zorg, met name de BOPZ-afdeling? Vindt u het geven van een bevel, op straffe van een boete, niet een te lichte maatregel, aangezien de bewoners acuut gevaar lopen? Zo nee, waarom niet?2
Door het geven van een bevel is een zeer concrete opdracht aan HWW Zorg gegeven. HWW Zorg had 7 dagen de tijd om dit bevel uit te voeren. Bij het niet uitvoeren van het bevel is er de mogelijkheid een dwangsom of bestuursdwang toe te passen. Tevens is er de mogelijkheid het bevel na 7 dagen te verlengen. De zorginstelling ervaart, mede vanwege het publieke karakter van het bevel, voldoende druk om de opdracht die is bevolen uit te voeren. Door de IGZ is de uitvoering gecontroleerd door middel van onverwachte bezoeken. Kortom, ik zie geen aanleiding om het bevel als een te lichte maatregel in deze situatie te beschouwen.
Heeft HWW Zorg binnen de geldigheidstermijn het bevel van de Inspectie uitgevoerd? Zo nee, heeft u het bevel verlengd?
Ja, HWW Zorg heeft binnen de termijn de in het bevel genoemde maatregelen uitgevoerd. Op 5 juli is er uitvoerig verslag uitgebracht aan de Inspecteur-Generaal voor de Gezondheidszorg. Tevens zijn er door de IGZ twee onaangekondigde bezoeken gebracht op 7 juli aan woonzorgcentrum de Amethisthorst en aan woonzorgcentrum Moerwijk.
Na deze bezoeken was er geen grond om het bevel verder te verlengen en is het bevel 9 juli 2010 opgeheven.
Heeft u nog vertrouwen in de Raad van Bestuur van HWW Zorg? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, welke consequentie hoort deze gang van zaken, naar uw mening, te hebben voor deze RvB?
Het is niet aan mij om wel of geen vertrouwen te hebben in de Raad van Bestuur van een instelling. De Raad van Bestuur van een instelling wordt aangesteld door de Raad van Toezicht en deze houdt vervolgens toezicht op het functioneren van de Raad van Bestuur. In het geval van HWW Zorg geldt dat de Raad van Toezicht in de afgelopen maanden een nieuw tweehoofdig bestuur heeft aangesteld. De voorzitter van de Raad van Bestuur is per 1 april 2010 gestart bij HWW Zorg en het andere bestuurslid is 1 juni 2010 gestart. Ik neem aan dat de Raad van Toezicht zorgvuldig heeft gezocht naar competente bestuurders. Zij moeten de tijd krijgen te bewijzen dat dit het geval is.
Welke actie heeft het zorgkantoor ondernomen, en welke actie gaat zij nog ondernemen vanuit de zorgplicht?
Het zorgkantoor is vanuit de zorgplicht verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en kent vanzelfsprekend de regio. Van het zorgkantoor begrijp ik dat zij actief betrokken is bij de verbetertrajecten van HWW Zorg. Het zorgkantoor voert frequent overleg met HWW Zorg.
Deelt u de mening dat de continuïteit van zorg in het geding is wanneer de kwaliteit van een grote instelling als HWW Zorg ernstig tekort schiet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u ingrijpen als de misstanden voortduren?
De continuïteit van zorg bij HWW Zorg is niet in het geding. Wel heeft de IGZ aan het begin van dit jaar aan de instelling gevraagd een plan van aanpak te maken om de kwaliteit van zorg te verbeteren. De IGZ volgt de verbeteringen op de voet. De verbeteringen zijn zichtbaar, maar dit betekent niet dat alle noodzakelijke verbeteringen ook binnen korte tijd allemaal gerealiseerd kunnen worden. De IGZ houdt daarom ook de komende tijd de vinger aan de pols bij HWW Zorg. Het feit dat de IGZ er zo boven op zit geeft mij het vertrouwen dat de noodzakelijke verbeteringen binnen afzienbare tijd gerealiseerd kunnen worden.
Bent u van mening dat er in de langdurige zorg situaties denkbaar zijn waarin de dreiging met boetes niet leidt tot verbetering van de zorg, maar waar de ultieme maatregel van sluiting ongewenst is? Deelt u de mening dat u in een dergelijk scenario onvoldoende wettelijke mogelijkheden heeft om in te grijpen? Zo nee, over welke alternatieven beschikt u?
Ik ben van mening dat het huidige toezichtsinstrumentarium wat betreft kwaliteit voldoende instrumenten bevat om kwaliteit van zorg te verbeteren waar dat nodig is.
Situaties waar in de vraag op wordt gedoeld zijn wellicht denkbaar, al zijn deze op dit moment fictief en naar verwachting zeldzaam. Instrumenten toevoegen aan de huidige instrumentenkist van het toezicht door de IGZ is hiervoor mijns inziens niet nodig.
Omdat er gevallen kunnen zijn waarbij (nog) geen sprake is van een faillissement, maar bewindvoering toch nodig kan worden geacht met het oog op de continuïteit van de zorgverlening, wil ik de mogelijkheden daartoe uitzoeken. In de brief Ruimte en Rekenschap heb ik daarom aangekondigd de wettelijke mogelijkheid om verantwoordelijkheden van de Raad van Bestuur/Raad van Toezicht over te laten nemen door een bewindvoerder te willen vastleggen in de wet. Ik moet dit aan een volgend kabinet overlaten.
Herinnert u zich uw brief aan de Kamer waaruit blijkt dat u momenteel geen wettelijke mogelijkheden heeft om de Inspectie tijdelijk het bewind te laten overnemen? Deelt u de mening dat het wenselijk is om de «reguliere instrumentenkist» van de IGZ uit te breiden, teneinde bewindvoering mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid met een voorstel te komen?3
Zoals in het antwoord van vraag 7 reeds staat, ben ik van mening dat de huidige instrumentenkist van de IGZ niet hoeft te worden uitgebreid. Het door de IGZ laten voeren van het bewind over een instelling lijkt mij niet wenselijk. De onafhankelijkheid van de IGZ, als toezichthouder van de kwaliteit in de zorg, zou hierdoor in gevaar kunnen komen.
Het aanstellen van een bewindvoerder is een zwaar middel, hiernaast komt dat ten principale de verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de zorg bij de zorginstelling ligt. De wijze waarop op dit moment bij HWW Zorg toezicht wordt gehouden op het uitvoeren van het plan van aanpak doet recht aan de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. De IGZ volgt bij geconstateerde onvoldoende kwaliteit de verbeteringen op de voet en kan zonodig ingrijpen. Voor de mogelijkheid een bewindvoerder te benoemen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Beter toezien op loterijen |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Meer kosten dan prijzen in loterij» en «Beter toezien op loterijen»?1 Deelt u de mening dat met name de goededoelenloterijen ten onrechte hun eigen gang lijken te gaan?
Ik heb kennisgenomen van beide berichten, maar ik deel de mening niet dat de goede doelenloterijen ten onrechte hun eigen gang lijken te gaan. De cijfers waarop het artikel gebaseerd is, zijn niet geheel juist. Inmiddels heeft het College van toezicht op de kansspelen deze cijfers gerectificeerd. De kostenstijging is dan ook minder groot dan in het artikel wordt gesuggereerd.
De vergunning van de Goede doelenloterijen bevat geen voorwaarde voor de maximale hoogte van de kosten van een loterij. Bij de Goede doelenloterijen is impliciet een plafond voor de hoogte van de kosten aangebracht door de vergunningsvoorwaarde die de aanbieder verplicht ten minste 50% van de inleg af te dragen aan het goede doel. Vervolgens is het vooral een bedrijfsmatige afweging van de aanbieder wat een goede verhouding is tussen de kosten van de loterij en de prijzengelden. Ook de beslissing om de lotprijs te wijzigen is primair een keuze van de aanbieder, die op bedrijfsmatige gronden genomen wordt. Hiermee is niet gezegd dat de aanbieders volledig vrij zijn in de kosten die zij maken. Zo zijn de aanbieders verplicht periodiek te rapporteren over hun marketinguitgaven. Uit de beschikbare informatie is gebleken dat de genoemde loterijen voldoen aan de vergunningvoorwaarden voor wat betreft de afdracht aan de goede doelen.
Ten aanzien van de discrepantie tussen de door de BankGiroLoterij in het vooruitzicht gestelde prijzen en het feitelijke aantal verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen van het lid Joldersma van 25 maart 20092.
Bent u bereid, zolang de Kansspelautoriteit nog niet is opgericht, om extra toezicht te houden op goededoelenloterijen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven doen de in het artikel genoemde misstanden zich niet voor. Extra toezicht is derhalve niet aan de orde.
Het budget van Nederland Open in Verbinding (NOiV) |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel van Webwereld over het verlagen van het budget Nederland Open in Verbinding? En kent u het artikel van Computable over het verdubbelen van het budget Nederland Open in Verbinding? Wat is uw reactie op de strekking van de artikelen en de schijnbare onduidelijkheid over het budget?1
Ik ken de artikelen van Webwereld en Computable.
Uitgangspunt voor de jaarlijkse budgetten zijn de bedragen die daarvoor bij aanvang van het programma gebudgetteerd zijn. Elk jaar bekijk ik of dat budget toereikend is om de doelstellingen van het actieprogramma te behalen. In 2009 bleek een ruime verdubbeling van het oorspronkelijke budget noodzakelijk. Om de in de tweede Voortgangsrapportage NOiV benoemde knelpunten voldoende aan te kunnen pakken, achtte ik voor 2010 een verdubbeling van het oorspronkelijke budget afdoende.
De interpretatie van de door mij aangeleverde gegevens valt onder de verantwoordelijkheid van de redacties van de door u genoemde media.
Kunt u deze onduidelijkheid wegnemen? Kunt u aangeven hoe het budget zich vanaf de vaststelling van het actieplan Nederland Open in Verbinding precies heeft ontwikkeld? Welk bedrag is er jaarlijks door het ministerie beschikbaar gesteld?
Bij de start van het programma Nederland Open in Verbinding (NOiV) is 5,5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het programma door het programmabureau, dat is ondergebracht bij de stichting ICTU. Daarbij is gesteld dat wanneer nodig aanvullende middelen aan het programmabureau ter beschikking zouden worden gesteld. In 2008, 2009 en 2010 is gebleken dat verhoging van het budget inderdaad noodzakelijk was, om de beoogde resultaten te kunnen bereiken.
(in euro)
jaar 1:
2008
jaar 2: 2009
jaar 3:
2010
jaar 4:
2011
Oorspronkelijk gebudgetteerd
1 450 000
1 350 000
1 350 000
1 350 000
Uiteindelijk aan ICTU toegekend budget
1 792 000
3 144 000
2 700 000
Uiteindelijk uitgegeven door ICTU
1 647 537
3 235 000
Saldo
+ 144 463
– 91 000
Welke bedragen zijn er jaarlijks precies begroot en uitgegeven? Kunt u hier een overzicht van verstrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er door Nederland Open in Verbinding externen ingehuurd voor de uit te voeren werkzaamheden? Hoeveel procent van het personeelsbestand is als externe ingehuurd?
Ja, het programmabureau NOiV huurt externen in. De verhouding intern–extern personeel werkzaam bij het programmabureau NOiV: is 57,5% (intern)– 42,5% (extern).
Hoeveel procent van het totale personeelsbudget wordt uitgegeven aan de inhuur van externen? Als dit boven de 13 procent uitkomt, kunt u dan aangeven waarom van de rijksnorm wordt afgeweken en wat u gaat doen om dit terug te brengen naar de nieuwe norm van 10 procent?2
De uitvoering van het programma NOiV is belegd bij de stichting ICTU. ICTU is opgericht door het ministerie van Binnenlandse Zaken en de VNG en voert in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Binnenlandse Zaken het programma NOiV uit.
Binnen het programma NOiV gaat 55,5% van het personeelsbudget naar de inhuur van externen. ICTU is geen onderdeel van de rijksoverheid en valt daarmee niet onder de rijksnorm.
ICTU organiseert haar personeel op basis van opdrachten, die kunnen fluctueren en waarbij wisselende expertise nodig is. Bij de oprichting van ICTU is aan de Eerste en Tweede Kamer gemeld dat «voor uitbesteding van werkzaamheden zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de markt....». Hiermee wordt flexibiliteit mogelijk en kan specifieke deskundigheid worden ingehuurd.3
Welke aanbestedingsprocedures zijn gevolgd bij de inhuur van externen? Bent u bereid de Kamer hier inzicht in te verschaffen?
De ICTU werkt met mantelovereenkomsten, die zijn aanbesteed volgens de Europese aanbestedingsregels. NOiV huurt externe medewerkers in onder dit regime van de mantelovereenkomsten.