De kinderopvangtoeslag |
|
Eddy van Hijum (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Onder verwijzing naar uw antwoord dat de aanvraagformulieren in 350 000 gevallen een match opleveren en in 114 000 gevallen niet, terwijl het register nagenoeg geheel gevuld is, deelt u onze conclusie dat de Belastingdienst/Toeslagen effectiever gebruik had kunnen maken van de gegevens in het register en zo veel ergernis had kunnen voorkomen?1
Ik heb begrip voor de ergernis van de burger die de gegevens moet aanleveren, maar ik deel niet de conclusie dat dit was te voorkomen. Door de wijziging van de Wet kinderopvang hebben aanvragers vanaf 1 januari 2011 alleen recht op de toeslag indien de opvang staat ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Om te kunnen controleren of een toeslagaanvrager gebruikmaakt van een geregistreerde opvanglocatie moet er een koppeling plaatsvinden tussen het gegevensbestand van de Belastingdienst/Toeslagen aan de ene kant en het LRK aan de andere kant. Deze koppeling is in het najaar van 2010 gestart en vond plaats op basis van adresgegevens en opvangsoort van de opvanglocatie. Om tot een match te komen moest het door de toeslagaanvrager opgegeven adres van de opvanginstelling en de opvangsoort overeenkomen met de gegevens van de opvanginstelling in het LRK. Voor 75% van de aanvragers ontstond een match. Deze groep heeft de Belastingdienst/Toeslagen zelf gekoppeld.
Bij de 114 000 toeslagaanvragers die een brief hebben gekregen, is er geen match tussen het LRK en het systeem van de Belastingdienst op basis van adresgegevens van de opvanginstelling. Het niet kunnen realiseren van een match is bijvoorbeeld veroorzaakt doordat de opvanggegevens die deze toeslagaanvragers in het verleden bij de Belastingdienst/Toeslagen hebben opgegeven onjuist, onvolledig of verouderd zijn. Omdat alleen de toeslagaanvrager beschikt over de juiste opvanggegevens wordt de toeslagaanvrager gevraagd deze gegevens te leveren. Het gaat vaak om duizenden euro’s aan toeslagen; daarvan moet zeker zijn dat mensen er recht op hebben.
Indien aanvragers niet gewoon het ontbrekende nummer en de kinderopvanginstelling konden invoeren, maar het hele aanvraagformulier opnieuw moesten invullen, hoe gaat u ervoor zorgen dat voortaan slechts de ontbrekende gegevens worden uitgevraagd?
Indien toeslagaanvragers de wijziging invoeren op de computer waar ze eerder de aanvraag op hebben ingediend, zijn een aantal gegevens te importeren. Voor het doorgeven van het LRK-nummer moeten inderdaad nog andere gegevens worden ingevuld. Dat heeft aan de ene kant te maken met de behoefte aan aanvullende informatie, zoals adresgegevens. Met die informatie kan Belastingdienst/Toeslagen de match met meer zekerheid maken. Aan de andere kant voorziet het programma niet in de mogelijkheid alleen de gegevens door te geven die gewijzigd moeten worden. Het aanvraagprogramma is hierin helaas niet gebruikersvriendelijk. Dat probleem kunnen we echter niet oplossen met de huidige programmatuur. Dit is dan ook een van de redenen dat is besloten tot de bouw van een Nieuw Toeslagensysteem. Hierover bent u in indertijd geïnformeerd. Om de aanvrager zo goed mogelijk te informeren, is op de site van de Belastingdienst/Toeslagen aangegeven wat de snelste manier is om het registratienummer door te geven.
Wanneer wordt eindelijk geregeld dat kopieën van aanvragen en aangiften digitaal opgeslagen kunnen worden, dan wel als authentieke versie naar de klant/aanvrager teruggestuurd worden?
Aanvragen en wijzigingen kunnen digitaal of met een papieren formulier worden doorgegeven. Het aanvraag- en wijzigingsprogramma stelt mensen in staat zelf een afdruk van de gegevens te maken. Voor formulieren geldt dat mensen daarvan zelf een kopie kunnen maken.
Omdat veel aanvragers klagen per mail bij de vragenstellers dat zij wel degelijk het juiste nummer en adres hebben opgegeven, maar dat zij lang geen bevestiging konden ontvangen, kunt u verzekeren dat elke aanvrager nu binnen vijf dagen een bevestiging krijgt van het correct invoeren, dan wel een brief dat er nog steeds geen match is? Kan de Belastingdienst binnen vijf dagen uitsluitsel geven over de status?
De Belastingdienst/Toeslagen stuurt in de regel binnen twee weken een beschikking als een aanvraag of wijziging is verwerkt. Als een aanvraag of wijziging niet verwerkt kan worden omdat er geen match is met het LRK, stuurt de Belastingdienst/Toeslagen hierover een brief aan de toeslagaanvrager.
Omdat u stelt dat er op 10 februari nog een rappelbrief verzonden wordt aan toeslagaanvragers die niet tijdig reageren, wilt u toezeggen dat er pas eind februari, dus na de reactietermijn op die brief, eventueel toeslagen stopgezet zullen worden?
Ja. Conform de regelgeving in de AWIR stuurt de Belastingdienst/Toeslagen een rappel aan aanvragers die geen gegevens hebben verstrekt binnen de door de Belastingdienst/Toeslagen gestelde termijn. In dit rappel wordt een nadere termijn (28 februari 2011) gesteld om de betreffende aanvrager in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.
Indien in aanvraagprogramma’s het inmiddels standaard is dat koppelingen en nummers real time gecheckt worden, kunt u ervoor zorgen dat al tijdens het invullen gecheckt wordt of er een koppeling is, dan wel aanvragers in staat te stellen uit het register de opvanginstelling te selecteren via drop-down menu’s?
Het Landelijke Register Kinderopvang is een zelfstandig registratiesysteem, beheerd door DUO, dat los staat van de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. Voor een real time check in het Landelijk Register Kinderopvang is derhalve een externe koppeling nodig. Of een real time check mogelijk zou zijn is besproken met betrokken partijen. De conclusie was dat een dergelijke koppeling niet binnen de beschikbare tijd, met de beschikbare middelen en op het noodzakelijke veiligheidsniveau kon worden gerealiseerd.
Buitenlands beleid dat is afgestemd op Shell |
|
Harry van Bommel (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten dat het buitenlands beleid van Nederland afgestemd is op Shell1 en dat de Nederlandse overheid slechts sancties tegen Iran steunt zolang die sancties de activiteiten van Shell in het land niet belemmeren?2
De berichten, waaraan in de vragen wordt gerefereerd, zijn gebaseerd op informatie ontleend aan documenten gepubliceerd op de website «Wikileaks». Wikileaks stelt dat het gaat om vertrouwelijke Amerikaanse diplomatieke telegrammen. De inhoud van die documenten komt in dat geval voor rekening van de opstellers, de Amerikanen.
Overigens, zoals ook bekend, heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor strenge sancties ten aanzien van Iran, en voor een strenge toepassing ervan. Nederland heeft zich daarnaast altijd verzet tegen de extraterritoriale werking van Amerikaanse sancties, wanneer deze uitgaan boven hetgeen in EU- en/of VN-verband is afgesproken. Wanneer belangen van Nederlandse bedrijven hierdoor onevenredig geraakt worden, zullen wij hiervoor opkomen.
Kunt u aangeven waarom u Shell een «voorkeurspositie» zou willen geven boven andere Nederlandse bedrijven, zoals ABN Amro en ING? Op welke wijze zou dit in het algemeen belang zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Vreest u niet dat zaken als mensenrechtenschending, nucleaire dreiging en andere zwaarwegende zaken die zouden kunnen leiden tot internationale sancties tegen landen, lijden onder een dergelijke opstelling van de Nederlandse regering?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze voorkomt u belangenverstrengeling bij de uitwisseling van (top)personeel tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en bedrijfsleven?
Er is geen sprake van verstrengeling van belangen bij de uitwisseling van personeel. In de sector van olie en gas, meer dan in andere sectoren, is de rol van buitenlandse overheden en van hun staatsmaatschappijen dominant. In deze context zijn oliemaatschappijen uit het Westen aangewezen op steun van hun eigen overheid om hun positie in het buitenland zeker te stellen. Tegen deze achtergrond moet de detachering van een medewerker van Buitenlandse Zaken bij Shell worden gezien: deze dient het opbouwen van kennis en een beter begrip van de sector.
Deelt u de mening dat het niet gepast is als de regering van een land in zijn buitenlandpolitiek slechts de belangen van een enkel bedrijf behartigt? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet zal gebeuren?
Ja, die mening delen wij. In het kader van de economische diplomatie behartigt de Nederlandse regering dan ook de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven als geheel, en beperkt ze zich niet tot één enkel bedrijf.
Het rapport 'Development without freedom' van Human Rights Watch |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom de Development Assistance Group (DAG) een vervolgonderzoek heeft ingesteld naar de monitoringsmechanismen van verschillende ontwikkelingsprogramma’s in Ethiopië?
Het vervolgonderzoek van de multidonor Development Assistance Group (DAG) betreft een uitbreiding naar andere grote programma’s die door een consortium van donoren, waaronder Nederland, worden gefinancierd en die niet in het eerste onderzoek van de DAG zijn opgenomen.
Hierbij zal ook worden onderzocht of de al bestaande verantwoordingsmechanismen en waarborgen aangevuld kunnen worden met monitoringsinstrumenten uit andere grote programma’s. Daarnaast zal worden gekeken naar de mogelijkheden om de bestaande waarborgen onafhankelijker te maken.
Heeft dit vervolgonderzoek inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat waren de conclusies van dit onderzoek? Zo nee, op welk moment zal dit onderzoek worden uitgevoerd en bent u bereid de conclusies van dit onderzoek aan de Tweede Kamer te sturen?
Het vervolgonderzoek bevindt zich nog in de ontwerpfase. Het vervolgonderzoek wordt zorgvuldig voorbereid en zal mogelijk pas eind 2011 gereed zijn.
Ik ben graag bereid de resultaten en de conclusies van dit onderzoek met de Tweede Kamer te delen.
Kunt u ingaan op de manier waarop afstemming plaatsvindt met andere donoren? Welke afspraken zijn gemaakt, zowel in EU-verband als binnen de Multidonor Development Assistance Group, waarin het rapport van Human Rights Watch (HRW) is besproken, zodat politisering van ontwikkelingsgeld wordt voorkomen?
Het vervolgonderzoek wordt in DAG-verband voorbereid en door de DAG-leden gefinancierd. Er vindt zowel in de ontwerpfase, waarin de Terms of Reference voor het onderzoek worden ontwikkeld, als in de uitvoeringsfase op het hoogste DAG-niveau van de «Heads of Agency» afstemming plaats.
De ambassadeurs van de Europese Unie zullen door de DAG op de hoogte worden gehouden van de voortgang van het onderzoek. De resultaten van het onderzoek zullen eveneens na afstemming met de EU-ambassadeurs worden gedeeld met de Ethiopische autoriteiten.
Kunt u aangeven of ook programma’s in andere landen kwetsbaar zijn voor de inzet van ontwikkelingsgeld voor politieke doelen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van landen en programma’s die hierbij volgens u een vergroot risico lopen? Kunt u ook aangeven wat de inzet is in de verschillende landen om te voorkomen dat ontwikkelingsgelden verkeerd worden ingezet?
Uitgangspunt van de regering is te voorkomen dat ontwikkelingsgelden door de overheid van een (partner) land verkeerd worden ingezet. De mate waarin programma's in landen kwetsbaar zijn om ingezet te worden voor politieke doeleinden, hangt af van de situatie en is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Wel wordt deze kwetsbaarheid voortdurend betrokken in de besluitvorming over de wijze waarop Nederland zijn bilaterale hulp inzet.
Ambassades in partnerlanden stellen ieder jaar een analyse op van de kwaliteit van het beleid en bestuur van deze partnerlanden. De uitkomsten van de analyses zijn bepalend voor de wijze waarop de Nederlandse hulp wordt vormgegeven. Afhankelijk van de uitkomsten van deze analyses en de risico’s die daaruit voortvloeien kan bijvoorbeeld worden besloten de overheid aan te spreken op verkeerd gebruik van de hulp, of maatregelen te nemen om de besteding van de hulp door de overheid nauw te volgen.
Daarnaast monitoren de ambassades gedurende het jaar de implementatie van het OS-programma, inclusief de multidonorprogramma’s waaraan Nederland deelneemt. Knelpunten, ook wanneer deze van politieke aard zijn, worden opgebracht in de dialoog met de overheid. De uitkomst daarvan kan bepalend zijn voor het vervolg van programma’s waar Nederland bij betrokken is.
Het onderhoud aan dijken |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincies waarschuwen voor staat van dijken»?1
Ja, dat is mij bekend.
Hoe kan het dat een land als Nederland, dat omringd wordt door water, wordt «beveiligd» door slecht onderhouden dijken?
Er wordt in Nederland door de waterschappen en Rijkswaterstaat veel tijd en geld besteed aan het onderhouden van waterkeringen. Om te beoordelen of de toestand van de waterkeringen op orde is, wordt volgens de wettelijke systematiek één keer per zes jaar de toestand van de waterkeringen getoetst. Een veelheid aan oorzaken kan aanleiding zijn voor het niet voldoen aan de normen. Dit betreft onder andere: aangepaste toetsrandvoorwaarden, nieuwe toetsinzichten, fysieke veranderingen van de waterkering of het nog niet meenemen van effecten van lopende verbeterprogramma’s.
Bij de toetsing spelen ook de provincies, als toezichthouder op de waterschappen, een rol. Dit is de aanleiding geweest voor het bericht waaraan u refereert.
Kunt u een overzicht geven van de dijken die onderhevig zijn aan slecht onderhoud en op welke termijn alle dijken in Nederland voldoen aan de wettelijke gestelde normen?
Ja, ik ben voornemens om u medio dit jaar een rapportage met daarin een overzicht van de toestand van alle primaire waterkeringen toe te sturen.
Heeft u de bereidheid om puur in te zetten op dijkverzwaring van zwakke dijken en niet meer op de creatie van nieuwe natuur? Zo nee, waarom niet?
Ik zet in op waterveiligheid, dat is mijn kernpunt. Dat sluit niet uit dat soms werk met werk gemaakt kan worden. Dit door gekoppeld aan de waterveiligheidsmaatregelen ook een bijdrage te leveren aan andere beleidsdoelstellingen. Dit mag echter niet ten laste komen van de budgetten voor waterveiligheid.
De onderschepping van twee Russische vliegtuigen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Russische vliegtuigen onderschept»?1
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat de Russische bommenwerpers zich vanwege vliegveiligheidsredenen zouden moeten melden bij het binnenvliegen van die delen van het internationale luchtruim waarbinnen luchtverkeersleiding wordt verzorgd?1
Ja.
Wat hebt u ondernomen sinds 19 oktober 2010, toen zich eenzelfde incident voordeed met twee Russische bommenwerpers, om te bevorderen dat deze vluchten worden gemeld?
De Russische bommenwerpers worden uit veiligheidsoverwegingen door vliegtuigen van de Navo, waaronder Nederlandse F-16’s, begeleid en in de gaten gehouden. De vluchten worden niet beschouwd als provocatie of internationaal incident. Nederland zal zijn standpunt over vliegveiligheidsaspecten bij het militair gebruik van delen van het internationale luchtruim waarbinnen luchtverkeersleiding wordt verzorgd kenbaar maken in bilateraal en bondgenootschappelijk contact met de Russische Federatie.
Bent u van plan de Russische ambassadeur te ontbieden en hem duidelijk te maken dat bedoelde vluchten vooraf moeten worden gemeld? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De bankiersverklaring |
|
Bruno Braakhuis (GL), Wouter Koolmees (D66) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bankierseed is gemiste kans»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie in het artikel dat de huidige bankierseed een wassen neus is?
De moreel-ethische verklaring is onderdeel van de Code Banken (principes 3.2.3 en 3.2.4). Deze code is wettelijk verankerd. Mede hierdoor is de moreel-ethische verklaring niet vrijblijvend. Bestuurders van banken dienen te verklaren dat ze hun beroep op een integere manier zullen uitoefenen. In aanvulling hierop dienen ze hierover verantwoording af te leggen in hun jaarverslag.
De voorrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken (hierna: de monitoring commissie) laat zien dat vrijwel alle bestuurders van banken de verklaring hebben ondertekend. Hiermee hebben zij verklaard dat zij naar eer en geweten aan hun (maatschappelijke) verplichtingen zullen voldoen. Dit is belangrijk. Het is van belang dat de banken laten zien dat ze de gewenste gedrag- en cultuurverandering kracht bijzetten en dat ze het gedachtegoed achter de moreel-ethische verklaring uitdragen binnen de hele organisatie. De monitoring commissie toetst de naleving van de Code Banken, ook op dit punt, en rapporteert hierover eind 2011. Ik houd dit in de gaten.
Heeft u kennisgenomen van de aanbevelingen 1.13, 1.14 en 1.15 in het rapport «Naar herstel van vertrouwen»2, waarin met betrekking tot de bankiersverklaring nadrukkelijk een rol voor De Nederlandsche Bank (DNB) wordt voorzien?
Ja.
Is het waar dat DNB ervan af heeft gezien een coördinerende rol op zich te nemen met betrekking tot deze verklaring? Wat zijn hiervoor de redenen?
De Code Banken betreft zelfregulering van banken zelf. Gelet hierop leek het opnemen van een koppeling van de moreel-ethische verklaring aan het toezicht van DNB (regulering) in de Code (zelfregulering) niet opportuun. Mede omdat de Code een (aanvullend) geheel vormt met wet- en regelgeving en het toezicht door DNB en de AFM dat daaruit voortvloeit.
Bent u van mening dat DNB een dergelijke rol alsnog op zich dient te nemen? Kunt u dit toelichten?
Evenals Uw Kamer vind ik de moreel-ethische verklaring van groot belang. Ik hoor bemoedigende geluiden uit de sector, zoals ondertekening van de moreel-ethische verklaring in het bijzijn van de raad van commissarissen om bij te dragen aan de inbedding van de verklaring binnen de gehele onderneming. Dit is positief. Het is van belang dat bankiers zich bewust zijn van de (maatschappelijke) verantwoordelijkheid die ze dragen. Iedere gelegenheid om dit bewustzijn te versterken moet worden aangegrepen. Mede gelet hierop zal ik met de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de NVB), DNB en de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) in overleg treden over een meer formele status van de moreel-ethische verklaring. Hierbij zal worden gekeken naar diverse opties, waaronder ook de mogelijkheid om de moreel-ethische verklaring te koppelen aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van banken door DNB3 alsmede de tijdens het Notaoverleg met de vaste Kamercommissie van Financiën van 7 maart 2011 naar voren gebrachte optie van een register. Ik zal Uw Kamer informeren over de uitkomst van dit overleg.
Bent u van mening dat de bankierseed onderdeel zou moeten uitmaken van een verklaring van geen bezwaar? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat de bankiers van DNB de verklaring zelf niet ondertekenen? Wat is hiervoor de reden?
De Code Banken is van toepassing op banken die beschikken over een bankvergunning verleend op grond van de Wet op het financieel toezicht en derhalve niet op DNB. De inhoud van de moreel-ethische verklaring is gericht op bankiers werkzaam bij deze instellingen. Zo dient een bankier te verklaren dat hij een zorgvuldige afweging zal maken tussen alle belangen die bij de bank betrokken zijn, te weten die van klanten, aandeelhouders, werknemers en de samenleving waarin de bank opereert, en dat hij in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen. Bestuurders van DNB zijn gebonden aan eigen (integriteits)regelingen.
Deelt u de mening dat de bankierseed serieus moet worden genomen en niet eenzelfde status verdient als het formuliertje voor de bijdrage aan de personeelsvereniging dat eveneens bij indiensttreding wordt ondertekend?
Ja.
Bent u bereid om hiertoe de noodzakelijke maatregelen te treffen?
Ja. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vragen 5, 6 en 11.
Wat is uw reactie op de Voorrapportage Implementatie Code Banken3 met betrekking tot de moreel-ethische verklaring?
De monitoring commissie signaleert in haar voorrapportage dat de moreel-ethische verklaring in vrijwel alle gevallen is ondertekend, maar dat er nog aandachtsgebieden zijn, zoals bijvoorbeeld het attenderen van nieuwe medewerkers op de inhoud van de principes van de verklaring. Uit de voorrapportage volgt verder dat een kleine 60% van de banken heeft aangegeven de verklaring te hebben doorvertaald naar principes die gelden als leidraad voor het handelen van de medewerkers van de banken. Ruim 25% van de banken is ten tijde van het onderzoek van de monitoring commissie voornemens dit nog in 2010 te gaan doen, aldus de monitoring commissie.
Hieruit volgt dat banken momenteel stappen in de goede richting zetten, maar dat er nog meer werk verricht moet worden. Een optimale naleving van de Code op alle onderdelen is noodzakelijk. Ik verwacht dan ook dat banken in hun jaarverslagen over boekjaar 2010 duidelijke resultaten laten zien.
Deelt u de mening van de commissie dat doorvertaling van de code in de organisatie zich goed leent voor het uitwisselen van best practices? Bent u bereidt deze uitwisseling te bevorderen wat betreft de bankierseed? Ziet u hier een rol voor DNB?
Ja, ik ben van mening dat de doorvertaling van de moreel-ethische verklaring uit de Code zich goed leent voor het uitwisselen van best practices. Ik zie hierin – mede gelet op het zelfregulerende karakter van de code en de verantwoordelijkheid die bij de sector ligt – met name een rol weggelegd voor de NVB. Ik zal dit meenemen in het overleg met de NVB, DNB en de AFM.
De website van de regionale toetsingscommissie euthanasie |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de website van de regionale toetsingscommissie euthanasie?1
Ja.
Wat is er de oorzaak van dat deze website sinds 2008 niet goed wordt bijgehouden, daar de meest recente oordelen uit dat jaar dateren?
Ik acht het van belang dat de geanonimiseerde oordelen van de commissies op de website beschikbaar zijn, omdat deze kunnen bijdragen aan de meldingsbereidheid van artsen en de transparantie en zorgvuldigheid van de uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Door het toegenomen aantal meldingen is de werkdruk bij het secretariaat van de regionale toetsingscommissies opgelopen. De prioriteit heeft om deze reden voornamelijk gelegen bij het zo spoedig mogelijk beoordelen van de meldingen. De formatieuitbreiding van de secretariaten is reeds in gang gezet, waardoor extra capaciteit is ontstaan. Tevens wordt de website op dit moment vernieuwd, waardoor deze op een snellere manier gevuld kan worden met de geanonimiseerde oordelen van de commissies. Dit zal er gezamenlijk toe leiden dat de geanonimiseerde oordelen van de commissies vanaf het voorjaar van 2011 weer op de website zullen worden geplaatst.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de transparantie en zorgvuldigheid van de uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, dat de ganonimiseerde oordelen van de regionale toetsingscommissie goed bijgehouden worden? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de website van de regionale toetsingscommissie weer goed bijgehouden wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Asielzoekers die te lang vast zitten op Schiphol |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Vluchtelingenwerk Nederland en de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR waaruit blijkt dat asielzoekers die aankomen op Schiphol gemiddeld twee maanden vastzitten, en dat dit de toegestane termijn van zes weken overschrijdt?
Ja, ik ben bekend met het rapport. De in de vraagstelling genoemde conclusie wordt echter in het rapport niet getrokken. Van een zeer klein aantal van de asielzoekers die aankomen op Schiphol duurt de asielprocedure langer dan zes weken. Ik verwijs hier naar het antwoord op vraag 2.
Welke actie hebt u ondernomen nadat dit bericht u bekend werd en hoe gaat u ervoor zorgen dat de termijn van zes weken in het vervolg niet wordt overschreden?
De IND spant zich in om zoveel mogelijk asielaanvragen binnen acht dagen af te handelen. Wanneer dit, ook gelet op de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid, niet mogelijk is, en er voldoende redenen voor zijn, kan de termijn langer zijn, in beginsel tot zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond, zal steeds een belangenafweging worden gemaakt omtrent het al dan niet voortzetten van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw 2000. De maatregel zal na het verstrijken van die zes weken in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen gelegen in de persoon van de vreemdeling of zijn gedragingen, anders indiceren. De ervaring leert dat dit laatste slechts sporadisch gebeurt. Hoe langer de maatregel van toepassing is, des te zwaarder wegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Het rapport van VWN en UNHCR geeft dan ook geen aanleiding voor nadere actie.
De vraag of de voortzetting van de maatregel rechtmatig is, kan steeds door de advocaat van de vreemdeling aan de rechter worden voorgelegd. Deze zal beslissen of de omstandigheden van het geval de duur van de detentie rechtvaardigen.
Ook wanneer binnen zes weken is beslist op de asielaanvraag, kunnen asielzoekers langer dan zes weken in bewaring zitten op grond van artikel 6 Vw. De totale duur van de artikel 6 maatregel is namelijk niet alleen afhankelijk van de duur van de asielprocedure – inclusief de eventuele beroepsprocedure – maar ook van de duur van het daarop volgende vertrekproces. Op de duur van het vertrekproces is de medewerking van de asielzoeker en van de autoriteiten van het land van herkomst van invloed.
Deelt u de mening dat de Gesloten Opvang Centrum-procedure (GOC-procedure) waarbij asielzoekers in detentie op een beslissing van het Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moeten wachten geen ideale situatie is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u daaraan doen?
Ik meen dat er onder de betreffende omstandigheden goede gronden zijn om gebruik te maken van een gesloten procedure. Het gaat in deze gevallen om grensdetentie, met andere woorden om personen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Dat is de reden dat zij in detentie verblijven. Detentie in deze gevallen is ook in overeenstemming met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het beletten dat personen op onrechtmatige wijze het land binnenkomen erkent als gerechtvaardigde grond voor detentie. In de meeste gevallen wordt de asielaanvraag niet ingewilligd en leidt de asielaanvraag niet tot toelating tot Nederland. Als dat wel het geval is, wordt de detentie opgeheven.
Ik ben van mening dat de achtergrond van de grensdetentie, namelijk de toegangsweigering, zich niet voor alternatieven leent. Immers, elk alternatief zal een niet-gesloten setting betreffen en houdt dus het risico in van onttrekken aan toezicht, waarmee de vreemdeling zich toegang tot Nederland verschaft, hetgeen juist moet worden voorkomen. In voorkomende gevallen vindt overigens wel een weging plaats tussen grensbelang en het persoonlijk belang van de vreemdeling, namelijk in die gevallen waarin de vreemdeling stelt over alternatieve opvang te kunnen beschikken.
Bent u bereid in te zetten op alternatieven voor detentie zoals een dagelijkse meldplicht in een vrijheidsbeperkte locatie of anderszins? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven neemt u in overweging?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u voorts de mening dat het een ongelijke situatie is dat asielzoekers die via het land Nederland bereiken niet terecht kunnen komen in een GOC-procedure en via Schiphol wel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat de GOC-procedure kan worden afgeschaft?
Er is hier geen sprake van gelijke of vergelijkbare gevallen, maar van twee fundamenteel verschillende situaties die een verschillende benadering rechtvaardigen. Allereerst is er natuurlijk de Schengengrenscode. Die geeft mij als hoofdregel dat ik personen die niet voldoen aan de voorwaarden om het Schengengebied in te reizen, aan de buitengrens dien te weigeren. Het enkele indienen van een asielaanvraag, maakt op zichzelf niet reeds dat aan die toegangsvoorwaarden voorbij kan worden gegaan. Ik ben van mening dat mijn verantwoordelijkheid uit hoofde van de Schengengrenscode, naar mijzelf en naar mijn Schengenpartners, met zich meebrengt dat ik mij dien in te spannen om illegale immigratie tegen te gaan. Ik verwacht omgekeerd hetzelfde van mijn Schengenpartners. Daarbij komt dat de reële kans bestaat dat de desbetreffende vreemdelingen zich aan het toezicht zouden onttrekken wanneer hen feitelijk toegang zou worden verleend om een asielaanvraag in te dienen. Dit zou tot gevolg hebben dat het aantal illegale vreemdelingen in Nederland – en de Europese Unie – zou toenemen. In het geval van asielzoekers die Nederland via het land bereiken, betreft het vreemdelingen die reeds in het Schengengebied aanwezig zijn, waardoor de belangen anders liggen. Ik wijs er op dat ik als hoofdregel hanteer dat indien een onderzoek naar een asielaanvraag meer dan acht dagen vergt, of er aanwijzingen zijn dat de aanvraag mogelijk kansrijk is, de periode van grensdetentie in beginsel relatief kort duurt. Het zijn juist de vreemdelingen met een minder kansrijk asielrelaas die langere tijd aan de grens gedetineerd blijven. Ik ben dan ook van mening dat het onderscheid gerechtvaardigd is en dat er goede redenen bestaan de gesloten verlengde asielprocedure (GVA-procedure) te behouden. Het feitelijk toelaten van vreemdelingen die niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldoen, zou bovendien de (Schengen)grensbewaking teniet doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het eerstvolgende algemeen overleg over Vreemdelingenbewaring dat is gepland op 26 januari aanstaande?
Deze vragen zijn gesteld op 24 januari jongstleden, derhalve twee dagen voorafgaand aan het algemeen overleg van 26 januari jl. over vreemdelingenbewaring. Het is mij helaas niet gelukt om de beantwoording voorafgaand aan het algemeen overleg aan u toe te zenden.
Tijdens genoemd algemeen overleg heb ik een aantal toezeggingen gedaan. Op twee daarvan zou ik terugkomen bij de beantwoording van de onderhavige vragen. Het betreft enerzijds de cijfers inzake de GVA-procedure en anderzijds de relatie van vreemdelingendetentie tot mensenrechten.
Wat de cijfers over de GVA-procedure betreft wil ik graag het volgende opmerken.
Uit het onderzoek van Vluchtelingenwerk Nederland en de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR komt naar voren dat sprake is van een dalende trend van het aantal asielzoekers dat aan de grens gedetineerd wordt ten opzichte van het onderzoek uit 2007. Voorts is volgens het rapport zowel de gemiddelde als de langste duur van grensdetentie in 2009 ten opzichte van 2008 afgenomen.
Bovendien is het in dit kader van belang te vermelden dat zoals in de brief van 11 juni 20101 aan uw Kamer gemeld, een versoepeling van het beleid inzake grensdetentie heeft plaatsgevonden. Ten eerste bevat de Vreemdelingencirculaire nu een limitatieve opsomming van situaties waarin de vreemdeling naar de GVA-procedure kan worden verwezen, waar voorheen sprake was van een ruime formulering. Ten tweede is de maximumduur van grensdetentie voor gezinnen met minderjarige kinderen beperkt van maximaal vier weken naar maximaal veertien dagen gerekend vanaf het moment dat het gezin feitelijk verwijderbaar is geworden.
De uitvoering van de GVA-procedure wordt dit jaar nauwlettend gevolgd en de cijfers ervan geregistreerd. In de reeds eerder aangekondigde terugkeerbrief, die naar verwachting medio 2011 naar uw Kamer wordt gezonden, zullen uw Kamer enkele eerste cijfers over de GVA-procedure worden verstrekt die dan beschikbaar zijn. Later in 2011 zal uw Kamer vervolgens opnieuw over de laatste cijfers worden geïnformeerd, waarbij tevens zal worden ingegaan op de effectiviteit van de GVA-procedure.
Voorts heb ik toegezegd in te gaan op de relatie tussen vreemdelingenbewaring en relevante guidelines op het terrein van mensenrechten. In het rapport van Vluchtelingenwerk en UNHCR worden twee Guidelines genoemd waarmee het beleid naar de mening van die organisatie onvoldoende in overeenstemming zou zijn. Het gaat om de UNHCR Guidelines on Detention en om de Guidelines on accelerated procedures van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Gesteld wordt dat de GVA-procedure niet in overeenstemming is met de UNHCR Guidelines on Detention omdat deze detentieprocedure in onvoldoende mate wettelijk geregeld is, nu alle regels omtrent termijnen en gronden voor GVA bepaling in beleidsregels zijn neergelegd. Voorts wordt in het rapport genoemd dat de Guidelines stellen dat asielzoekers niet gedurende de gehele statusbepaling of voor onbepaalde tijd mogen worden vastgehouden.
Ik deel nadrukkelijk niet dat de procedure onvoldoende wettelijke basis heeft. Kern van de procedure is immers dat de vreemdelingen niet voldoen aan de voorwaarden om toegang tot Nederland te krijgen, en hen om die reden de toegang is geweigerd. De bevoegdheid om hen aansluitend te detineren is neergelegd in de Vreemdelingenwet, in artikel 6, eerste en tweede lid. Dat de praktische uitwerking in – voor een ieder kenbare en gepubliceerde – beleidsregels is neergelegd, maakt dat niet anders. Ik zie geen reden om hierover meer regels op te nemen, nu deze de duidelijkheid niet ten goede komen.
Zoals hiervoor ook aangegeven vindt de statusbepaling niet als hoofdregel plaats in detentie. Indien de procedure niet zeer snel kan worden afgerond is de hoofdregel dat de procedure verder in een minder restrictieve setting kan worden afgewacht.
Voorts wordt in het rapport gesteld dat de GVA-procedure in strijd zou zijn met Guidelines on accelerated procedures van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Deze Guidelines stellen dat bijzonder complexe zaken niet in een versnelde procedure afgedaan zouden moeten worden, hetgeen volgens Vluchtelingenwerk en UNHCR in beginsel zou moeten betekenen dat 1F- zaken niet in deze procedure behandeld zouden moeten worden, tenzij de zaak niet als complex kan worden beschouwd. Voorts veronderstelt dit volgens Vluchtelingenwerk en UNHCR dat er een inhoudelijk criterium moet zijn voor behandeling in een versnelde procedure, terwijl een dergelijk inhoudelijk criterium in Nederland niet bestaat. Ook deze zienswijze deel ik niet. In de Nederlandse systematiek worden alle zaken op eenzelfde wijze beoordeeld. Indien de zaak dat toelaat, hetgeen in de meerderheid van de gevallen zo zal zijn, kan de zaak in 8 dagen worden afgedaan. Lukt dat niet, dan wordt die termijn verlengd, tot (maximaal) een half jaar. Of met voldoende zorg naar een zaak is gekeken, staat mede ter beoordeling van de rechter. Indien deze van mening is dat de beslissing gezien de aard van de zaak met onvoldoende zorg is voorbereid, kan hij besluiten dat zij opnieuw moet worden genomen. Een extra criterium is dan ook niet noodzakelijk. Anders dan Vluchtelingenwerk ben ik van mening dat voortgezette detentie gerechtaardigd is ten aanzien van vreemdelingen van wie ik betrokkenheid bij (oorlogs)misdaden vermoed. Ik lees in de guidelines niet dat ik ook deze categorie vreemdelingen in de normale, open opvang dien op te nemen.
Ook zou de regelgeving in strijd zijn met deze guidelines omdat niet is uitgesloten dat personen behorend tot kwetsbare groepen in de GVA-procedure worden opgenomen. Tot slot stellen Vluchtelingenwerk en UNHCR van mening te zijn dat de gemiddelde duur van de GVA-procedure dusdanig lang is, dat er, hoewel de procedure korter is dan de normale procedure, geen sprake meer is van een versnelde procedure in de zin van de richtlijn, en detentie derhalve in veel gevallen niet opportuun is. Ook deze mening deel ik niet. Indien er voldoende belangen aanwezig zijn, kan de detentie langer voortduren. Uiteraard kan de vraag of dat inderdaad het geval is steeds aan de rechter worden voorgelegd, die dit naar de omstandigheden van het geval zal beoordelen.
Het bericht dat de Friese politie agenten wil verhuren aan gemeenten |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de politie in Friesland agenten wil gaan verhuren aan gemeenten?1
Ja.
Vind het u ook ongewenst dat de politie vanwege vermeende financiële problemen zich gaat verhuren aan gemeenten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u deze ontwikkeling stopzetten?
Er is geen besluit dan wel voornemen van het korps Fryslân om agenten te verhuren aan gemeenten. Het korps heeft de mogelijkheden verkend om bovenformatief personeel te detacheren. Het verhuren van politieagenten aan gemeenten vind ik onwenselijk. De financiering van de politie is een verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid. De intensivering uit het regeerakkoord van € 300 miljoen oplopend tot € 370 miljoen in 2015, die dit Kabinet in het regeerakkoord heeft vastgelegd zorgt er voor dat de operationele sterkte bij de politie van 49 500 betaalbaar is en blijft. Er hoeven dan ook geen agenten uit de operationele sterkte om budgettaire redenen ontslagen te worden. Inmiddels heb ik op 24 maart een brief over de herijking van het budgetverdeelsysteem aan de Kamer gezonden, waarin staat hoe de intensivering wordt ingezet en hoe de betere verdeling van de politie over Nederland zijn beslag krijgt.
Deelt u de mening dat via de achterdeur nu een soort gemeentepolitie wordt gecreëerd? Vindt u ook dat dit de ontwikkeling van een nationale politie in de weg kan staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u voorkomen dat gemeenten een eigen politie gaan creëren?
Neen, ik ben niet van mening dat er via de achterdeur een soort gemeentepolitie wordt gecreëerd. Toezicht en handhaving door gemeenten zijn duidelijk onderscheiden van de taken van de politie. Gemeenten mogen en kunnen wel buitengewone opsporingsambtenaren aanstellen, maar zij mogen geen politiecapaciteit inhuren. De politie wordt uitsluitend bekostigd door de Rijksoverheid en aangestuurd op grond van de Politiewet. Er mag en zal geen (schijn van) nieuwe gemeentepolitie ontstaan. De huidige politiewet en het wetsontwerp nationale politie, laat hiervoor dan ook geen enkele ruimte.
Burgers in nood die onnodig wachten op hulp wanneer zij 112 bellen |
|
Hero Brinkman (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat wanneer men met een mobiele telefoon 112 belt, men eerst bij de meldkamer in Driebergen uitkomt en daarna pas wordt doorverbonden met de regio waarin men zich bevindt1, terwijl wanneer men met een mobiele telefoon 0900-8844 belt, men direct uitkomt bij de meldkamer van de regio waarin men bevindt? Waarom bestaat dit verschil bestaat?
Wanneer een burger met een mobiele telefoon belt naar 0900–8844, komt de beller niet direct terecht in de politiemeldkamer maar wordt de oproep gerouteerd naar een Politie Service Centrale. Sinds mei 2010 wordt de beller verzocht om de plaats in te spreken waar hij contact wil met de politie. De beller wordt hierna doorgeleid naar de desbetreffende regio. Wanneer de plaatsnaam niet herkend wordt door de spraakcomputer, zal het gesprek alsnog via de landelijke centrale in Driebergen worden afgehandeld.
Bij het beantwoorden van een 112-noodoproep is gegeven de urgentie van de oproep rechtstreeks menselijk spraakcontact met een centralist vereist. Een doorgeleiding zoals gebruikt wordt voor 0900–8844, is voor de veiligheid van de beller ongewenst.
Weet u dat, wanneer men met een vaste telefoon 112 belt, men wel direct uitkomt bij de meldkamer in de eigen regio? Waarom is er verschil tussen een vast telefoonnummer en een mobiel telefoonnummer? Deelt u de mening dat er dus géén technische belemmering bestaat om een mobiele beller direct bij de centralisten in de eigen regio uit te laten komen?
Er is wel degelijk een technische belemmering is om zowel mobiele als vaste 112 oproepen direct in de betreffende meldkamer uit te laten komen. In geval van een 112 oproep met een vaste telefoon wordt de beller in het openbare telefoonnet op basis van de zogenaamde «netnummertabel» gerouteerd naar de regio waar de beller zich op dat moment bevindt. Wanneer een mobiele beller met 112 belt, kan de telecom infrastructuur de specifieke locatie onvoldoende nauwkeurig automatisch vaststellen en dient de centralist in de landelijke centrale in Driebergen te verifiëren waar de beller vandaan belt en door te verbinden met de gewenste hulpverleningsdienst in de betreffende regio.
Deelt u de mening dat het technisch onnodig en daarnaast onwenselijk is dat door tussenkomst van de meldkamer in Driebergen kostbare tijd verloren gaat wanneer iemand 112 belt met zijn/haar mobiele telefoon?
Er gaat geen kostbare tijd verloren bij de huidige afhandeling van mobiele 112 noodoproepen. Ook de noodhulpmeldingen vanuit specifieke doelgroepen (o.a. gehandicapten), buitenlandse oproepen en niet routeerbaar telefoonverkeer uit de vaste netwerken worden in de landelijke 112 centrale verwerkt. Naast de technische belemmeringen is het ook uit oogpunt van efficiency, misbruikfiltering, incidentmanagement, uitwijkmogelijkheden, opschaling en kwaliteit van dienstverlening voor de mobiele beller is er voor gekozen om de mobiele 112 oproepen gecentraliseerd te verwerken..
Deelt u de mening dat iedere seconde telt en dat mensen die 112 bellen voortaan direct bij de meldkamer in de eigen regio zouden moeten uitkomen?
Ik deel uw mening dat elke seconde telt en dat de burger in nood zo snel mogelijk professionele hulp dient te krijgen. Echter ik ben niet van mening dat het noodhulpproces sneller zal verlopen wanneer de mobiele 112-beller direct in de meldkamer van de regio uitkomt. De argumenten hiervoor zijn in de voorgaande antwoorden opgenomen.
Sinds enkele jaren is de verdergaande professionalisering van het zogenaamde »aanname en inzetproces Noodhulp» in de multidisciplinaire meldkamer onderwerp van onderzoek en discussie. De functionaliteit 112, als enig noodhulploket in Nederland, is daarvan in de keten een onlosmakelijk onderdeel. Met het Veiligheidsberaad, de operationele disciplines en betrokken departementen heb ik afgesproken om, mede ter uitvoering van de doelstellingen uit het regeerakkoord, het meldkamerproces efficiënter in te richten. Over de uitvoering hiervan zal ik u nader berichten.
Een havenclub die afwil van 'luxe' arbeidsvoorwaarden |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitlating van de directeur van Deltalinqs dat werknemers genoegen moeten nemen met kariger arbeidsvoorwaarden om geen werk te verliezen aan buitenlandse vaklui?1
Afgezien van de wettelijke basis, worden de arbeidsvoorwaarden in een sector afgesproken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, die daarbij rekening houden met hun concurrentiepositie. Deltalinqs is hierin geen partij. Deltalinqs behartigt de gezamenlijke belangen van de logistieke en industriële bedrijven in het Rotterdamse haven- en industriegebied. Deltalinqs is onder andere met de gemeente Rotterdam in gesprek over hoe meer Rotterdammers in het Havengebied aan de slag kunnen gaan.
Deelt u zijn mening dat tijdloon vervangen moet worden door stukloon? Zo ja waarom?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe kan het dat bedrijven uit Italië, Portugal en Polen er met megacontracten voor de aanleg van de tweede Maasvlakte vandoor gaan? Zijn de buitenlandse arbeiders die ingeschakeld worden goedkoper dan Nederlandse zoals de directeur beweert? Voor buitenlandse arbeiders gelden toch ook de Nederlandse cao’s? Worden door deze bedrijven cao’s ontdoken? Wilt u dat onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat Europese afspraken zoals in het European Social Charter uit 1961 en het Community Charter of te Fundamental Social Rights op Workers uit 1989 juist beoogden om welvaart en rechten van werknemers te versterken? Hoe verklaart u dat belangrijke Nederlandse bedrijven, die zijn verenigd in Deltalinqs, geen acht slaan op deze afspraken?
Ik deel de mening dat Europese afspraken beogen om welvaart en rechten van werknemers te versterken. In het artikel wordt door Deltalinqs overigens geen afstand genomen van deze afspraken.
Wat gaat u doen om een «race to the bottom», als het gaat om arbeidsvoorwaarden, te voorkomen? Wordt het geen tijd dat de overheid ook de naleving van cao’s door buitenlandse bedrijven en voor buitenlandse arbeiders gaat controleren? Waarom niet?
Voor iedereen die in dienst is van een in Nederland gevestigd bedrijf gelden dezelfde arbeidsvoorwaarden. Deze zijn te onderscheiden in de wettelijke arbeidsvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de bovenwettelijke afspraken die bij cao worden vastgelegd door cao-partijen. Werknemers dienen tenminste beloond te worden volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en de geldende cao. Stukloon kan daarbinnen onderdeel uitmaken van de beloningssystematiek. Dit is een keuze van cao-partijen.
Op de Maasvlakte zijn vijf grote opdrachtgevers actief. Het gaat daarbij om buitenlandse opdrachtgevers die werken met hoofdaannemers uit bijna alle Europese Lidstaten. Het is aan de bedrijven om hun hoofd- en onderaannemers te selecteren. De overheid speelt hierin geen rol. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden geldt dat werknemers van buitenlandse dienstverleners die tijdelijk in Nederland gedetacheerd zijn eveneens recht hebben op de Nederlandse wettelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. In aanvulling daarop hebben zij op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) recht op een «harde kern» van arbeidsvoorwaarden, voor zover die zijn opgenomen in de algemeen verbindend verklaarde cao in de betreffende sector: cao-loon (betaald door de dienstverlener), vakantiedagen, rusttijden, maximale werktijden, regels en voorwaarden voor uitzendwerk, veiligheidsmaatregelen en gelijke behandeling. Ook hierdoor wordt concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengegaan.
De Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de wettelijke arbeidsvoorwaarden (i.c. wettelijk minimum loon). Op basis van risicoanalyse en naar aanleiding van concrete meldingen controleert de Arbeidsinspectie jaarlijks ongeveer 12 000 werkgevers op arbeidsmarktfraude. Grote infrastructurele projecten hebben daarbij de bijzondere aandacht. Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de cao’s. Cao-partijen kunnen bij cao’s waarvan bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard, de Arbeidsinspectie verzoeken om een onderzoek bij een bedrijf in te stellen, indien er een gegrond vermoeden van overtreding bestaat en er een intentie is tot rechtsvordering. Voor meer informatie over de handhaving van cao’s verwijs ik naar de eerdere Kamerbrief over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544 en 32 123 XV, nr. 219).
Slachtoffers die hulp mislopen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom lopen 15 000 slachtoffers van een misdrijf psychische, juridische en praktische hulp mis?1
Voor de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 verwijs ik u naar de antwoorden 2, 3, 4 en 5 op de vragen van de leden Marcouch en Recourt, nummer 2011Z01085.
Welke fout zit er in het computersysteem, waardoor de doorverwijzing naar slachtofferhulp mis gaat?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd.
Waarom is de Tweede Kamer niet door u over deze fout geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u nemen om te verzekeren dat alle slachtoffers voortaan hulp krijg?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de slachtoffers die nu geen hulp hebben gekregen alsnog gebruik kunnen maken van de diensten van slachtofferhulp?
Zie antwoord vraag 1.
Het bijdrukken van geld door de Ierse centrale bank |
|
|
|
|
|
|
|
Is het waar dat de Ierse centrale bank zelf geld bijdrukt?12 Zo ja, is dit geoorloofd? Zo nee, is dat wel mogelijk en welke sancties staan hier tegenover?
Zijn er andere eurolanden waar centrale banken geld bijdrukken? Welke regels zijn hierover afgesproken?
Kent u de zorgen van professor Tissen over de kosten van het bijdrukken van geld (onder andere inflatie) voor de bevolking? Wordt er überhaupt geld bijgedrukt in EMU-verband en wat zijn hiervan de gevolgen voor de inflatie?
Kunt u garanderen dat de ECB geen geld bijdrukt ?
Voor hoeveel geld heeft de ECB inmiddels obligaties opgekocht van zwakkere eurolanden? Kan de ECB hier onbeperkt mee doorgaan? In hoeverre gebeurt dit nog steeds gesteriliseerd? Legt de ECB hierover verantwoording af? Zo ja, aan wie?
Het niet mogen gebruiken van busbanen door ambulances |
|
André Elissen (PVV), Léon de Jong (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat ambulancediensten in Zuid Holland van de provincie niet standaard gebruik mogen maken van alle busbanen wanneer er niet met spoed (A1 en A2) wordt gereden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat bestuurders van ambulances, ervaren en verantwoorde weggebruikers die zich onder moeilijke omstandigheden keihard inzetten voor de goede zaak, bij de uitvoering van hun werk over minder mogelijkheden beschikken dan bijvoorbeeld een taxichauffeur?
Ambulances zonder optische en geluidsignalen zijn wegvoertuigen die zich aan de verkeersregels moeten houden. Ambulances met optische en geluidsignalen zijn zogenaamde voorrangsvoertuigen. Deze voertuigen mogen afwijken van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) voor zover de uitvoering van hun taak dit vereist. Dit houdt onder meer in dat voorrangsvoertuigen gebruik mogen maken van busbanen. Ambulances beschikken als voorrangsvoertuig derhalve over meer mogelijkheden van weggebruik dan taxi’s. Taxi’s mogen geen gebruik maken van busbanen in beheer bij een provincie, waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht, tenzij gedeputeerde staten een ontheffing daartoe hebben verleend.
Deelt u de mening dat ambulances een ontheffing zouden moeten krijgen om ook buiten noodgevallen overal in Nederland te rijden (en stil te staan) waar ze willen, o.a. ook op busbanen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de wet aan te passen zodat ambulances in heel Nederland kunnen rijden (en stil kunnen staan) waar de bestuurder dat op basis van aanwijzingen van de meldkamer en op basis van eigen vakmanschap dat nodig acht? Zo nee, kunt u dan duidelijk onderbouwen waarom u vindt dat er restricties voor ambulances zouden moeten gelden?
Nee. De huidige wetgeving voldoet. Zie voorts het antwoord op vraag 2.
Welke bepalingen gelden voor andere hulpdiensten, zoals brandweer en politie? Heeft de provincie ook voor hun de bevoegdheid om beperkingen op te leggen of zij al dan niet over de busbaan mogen rijden? Is bij u bekend of dat ook het geval is, zo ja waar?
Voor hulpdiensten geldt dat deze alleen gebruik mogen maken van busbanen met de aanduiding «BUS» of «LIJNBUS» als de uitoefening van hun taak dit vereist en bij het voeren van optische en geluidssignalen. Op grond van het RVV hebben gedeputeerde staten de discretionaire bevoegdheid ontheffing te verlenen voor het rijden op een provinciale busbaan. De provincie Zuid Holland maakt alleen in uitzonderingsgevallen hiervan gebruik.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn om de provincies deze mogelijkheden om restricties op te leggen te ontnemen en hier landelijk beleid van te maken?
Nee. Gedeputeerde staten kunnen het beste beoordelen wanneer en waar in de regio ontheffingen van het rijden op een provinciale busbaan verleend dienen te worden.
Bent u bekend met de onderstaande berichten over de onderschepping van twee Russische bommenwerpers van het type Toepolev T-95 in de nacht van woensdag 19 januari op donderdag 20 januari 2011?12en3
Ja.
Kunt u aangeven of het hier gaat om de schending van het Nederlandse luchtruim of zijn de Russische bommenwerpers (enkel) het Nederlands verantwoordelijkheidsgebied binnen NAVO-verband ingevlogen?
De Russische lange afstandsvluchten zijn onaangekondigd en zonder opgave van redenen uitgevoerd in het vrij toegankelijke luchtruim boven internationale wateren. Er is geen internationale verplichting om dergelijke vluchten vooraf aan te kondigen. Met het uitvoeren ervan overtreedt Rusland geen internationale regels. De vluchten worden dan ook niet beschouwd als provocatie of internationaal incident. Wel is Nederland van mening dat de Russische bommenwerpers zich vanwege vliegveiligheidsredenen zouden moeten melden bij het binnenvliegen van die delen van het internationale luchtruim waarbinnen luchtverkeersleiding wordt verzorgd (waaronder het vluchtinformatiegebied Amsterdam). De op basis van nationale wetgeving bestaande meldingsplicht wordt tijdens dit soort vluchten doorgaans niet gerespecteerd.
De vluchten worden uit veiligheidsoverwegingen door vliegtuigen van de NAVO begeleid en in de gaten gehouden. Conform de NAVO-procedures wordt geen contact gemaakt met de Russische piloten.
Klopt het dat de Russische bommenwerpers zonder opgaaf van redenen het West-Europese luchtruim zijn ingevlogen of hebben Russische autoriteiten Nederland op de hoogte gebracht van deze vluchten?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de Nederlandse F-16 piloten contact kunnen maken met de Russische piloten? Zo ja, wat was de reactie van de Russen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een indicatie geven hoeveel Russische vliegtuigen sinds het einde van de Koude Oorlog zijn onderschept door Nederlandse straaljagers? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen het Nederlandse luchtruim en het Nederlandse verantwoordelijkheidsgebied binnen NAVO-verband? Zo nee, waarom niet?
Na de toespraak van toenmalig president Poetin in München in augustus 2007 volgde een forse toename van het aantal lange afstandsvluchten door Russische bommenwerpers. De toespraak bevatte kritiek over de opstelling van het Westen tegenover Rusland. Vanaf dat moment zijn dergelijke vluchten boven de Barentszzee en de Atlantische Oceaan op een structurele basis hervat. Een klein deel van deze vluchten wordt uitgevoerd boven de Noordzee. Het betreft zowel aangekondigde als onaangekondigde vluchten. Exacte gegevens over aantallen, posities en de acties die door de Navo zijn genomen, zijn gerubriceerd.
Er is in 2010 geen sprake geweest van verhoogde Russische activiteit boven de Noordzee. De vluchten dienen trainingsdoeleinden en fungeren mogelijk ook als demonstratie van Russische militaire macht. Dit past in het assertievere buitenlands en veiligheidsbeleid dat onder toenmalig president Poetin tot stand kwam.
Zie ook de antwoorden op de vragen van de leden Van Dam en Eijsink ingezonden 30 november 2009 (kenmerk 2009Z22957) en de antwoorden op de vragen van het lid Knops ingezonden 21 oktober 2010 (kenmerk 2010Z15085).
Kunt u aangeven of er de laatste jaren sprake is van een stijgende lijn met betrekking tot de Russische vluchten in Noordwest Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat volgens u de beweegredenen zijn van de Russen om deze vluchten uit te voeren? Gaat het hier bijvoorbeeld om spionage-activiteiten?
Zie antwoord vraag 5.
Mocht dit incident een schending betreffen van het Nederlands luchtruim, bent u dan bereid opheldering te vragen bij de Russische ambassadeur en de Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het project Waterdunen in Zeeuws-Vlaanderen |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
|
|
|
Op welke wijze is het Rijk wat betreft financiering, het ruimtelijke ordeningstraject, het realiseren van de Ecologische Hoofdstructuur en het Natuurpakket Westerschelde betrokken bij het project «Waterdunen»?
Het project Waterdunen wordt onder verantwoordelijkheid van de provincie Zeeland in samenwerking met de gemeente Sluis, het waterschap Zeeuws-Vlaanderen, Molecaten (recreatieparken) en Het Zeeuwse Landschap gerealiseerd.
Het Rijk draagt financieel bij vanwege de kustversterking (€ 40 mln), de omgevingskwaliteiten (€ 18 mln Nota Ruimte) en het natuurherstel Westerschelde (€ 22,7 mln).
Het project heeft tot doel een economische impuls te geven aan de krimpregio West-Zeeuws-Vlaanderen in combinatie met het verbeteren van de waterveiligheid door dijkversterking in samenhang met ruimtelijke kwaliteit en een deel van de natuurherstelopgave voor de Westerschelde.
Het natuurherstel is geen onderdeel van de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De provincie Zeeland is verantwoordelijk voor de plan- en besluitvorming.
Op welke wijze kan het Rijk eventueel nog invloed uitoefenen op het besluitvormingsproces ten aanzien van het project «Waterdunen»?
Het besluitvormingsproces is afgerond. De provincie Zeeland heeft het provinciale inpassingsplan vastgesteld. Er loopt nog een beroepsprocedure tegen het vastgestelde plan. Voor het Rijk zie ik in de afgesloten besluitvormingsprocedure geen rol.
Hoe verhoudt het besluit van de provincie Zeeland om de onteigeningsprocedure voor het project «Waterdunen» in gang te zetten, zich tot de wijze waarop u de motie-Koopmans/De Mos1 over het niet onteigenen voor natuur uit wil gaan voeren? Welke mogelijkheden heeft u om onteigening van gronden voor natuurontwikkeling in het kader van het project «Waterdunen» te voorkomen?
In de motie Koopmans/De Mos staat onteigening voor de EHS centraal. Het te realiseren natuurherstel in dit project is echter geen onderdeel van de realisering van de EHS. Onteigening acht ik echter ten algemene niet wenselijk en dient mijns inziens tot een minimum beperkt te worden. Maar de provincie beslist in dit geval hierover. Overigens heb ik begrepen dat de provincie Zeeland alleen in uiterste gevallen tot onteigening bereid is.
Is de voorgenomen ontpoldering in het kader van het project «Waterdunen» noodzakelijk voor het realiseren van de gewenste kustversterking?
Het project Waterdunen is deel van de prioritaire zwakke schakel West-Zeeuws-Vlaanderen. Voor de prioritaire zwakke schakels geldt een dubbeldoelstelling: de veiligheid en ruimtelijke kwaliteit in samenhang verbeteren. Het realiseren van de gewenste kustversterking in het project is één op één gekoppeld aan het realiseren van de ontwikkelingen op het gebied van economie, recreatie, natuur en landschap.
Acht u de voorgenomen ontpoldering in het kader van het project «Waterdunen» en de Rijksbijdragen daarvoor in overeenstemming met de coalitieafspraak dat er geen nieuwe besluiten tot ontpoldering komen en bestaande plannen worden heroverwogen? Zo nee, welke mogelijkheden heeft u dan om de plannen voor «Waterdunen» in lijn te brengen met de genoemde coalitieafspraak?
Zie het antwoord bij vraag 2. Er is in het geval van Waterdunen sprake van een genomen besluit door de provincie Zeeland.
Acht u de mate waarin het aantal te ontpolderen hectares voor nieuwe natuur meetelt voor het aantal te ontpolderen hectares in het kader van het Natuurpakket Westerschelde evenredig met de daadwerkelijk te realiseren estuariene natuur? Bent u bereid u tenminste in te zetten voor een zwaardere bijdrage van het aantal te ontpolderen hectares in het project «Waterdunen» aan het Natuurpakket Westerschelde en, hieraan gekoppeld, voor een vermindering van het aantal te ontpolderen hectares?
De toegenomen naleving van leeftijdsgrenzen voor games en films |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de leeftijdsgrenzen op games en films steeds beter worden gehandhaafd door bioscopen, speelgoedzaken en bibliotheken?1
Ja.
Deelt u de mening dat een dergelijk handhavingsniveau nimmer bereikt had kunnen worden met een strafrechtelijk verbod op gewelddadig beeldmateriaal? Zo nee, waarom niet?
De verbeterde naleving van de leeftijdsgrenzen van de Kijkwijzer voor films en PEGI voor games is tot stand gekomen dankzij een breed scala aan maatregelen die door de private en publieke partijen zijn overeengekomen. Zaken als de introductie van e-learning voor het winkelpersoneel over de betekenis van de (leeftijds)pictogrammen en communicatie over de wettelijke plicht tot naleving, zijn kracht bijgezet door controle op de naleving te intensiveren via de inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren. Een eventueel strafrechtelijk verbod op extreem gewelddadig beeldmateriaal staat los van de preventieve inspanningen om de naleving te verbeteren en zou alleen de verspreiding van een specifieke categorie beeldmateriaal voorkomen hebben.
Deelt u de mening dat de entertainmentbranche er blijkbaar steeds beter in slaagt om mogelijk gewelddadig beeldmateriaal uit handen te houden van te jonge spelers? Zo ja, welke voorlopige conclusies verbindt u hieraan voor de wenselijkheid om een verbod op gewelddadige games te introduceren?
Ik constateer dat de audiovisuele branche er steeds beter in slaagt jongeren te beschermen tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal en zich daarmee aan haar bij wet opgelegde verplichting houdt. Een pluim verdienen vooral de bioscopen, bibliotheken en speelgoedzaken met nalevingspercentages die inmiddels (ruim) boven de vijftig procent zitten. De slechte naleving door onder meer gameshops (28,6%, TNS-Nipo 2010) blijf ik zorgwekkend vinden, maar is voor mij thans geen aanleiding de invoering van een verbod op extreem gewelddadige games te overwegen.
Bent u bereid de voorbereiding van wetgeving die voorziet in een strafrechtelijk verbod op de openbaarmaking of verspreiding van extreem gewelddadige games, zoals in het vooruitzicht gesteld door uw ambtsvoorganger2, per onmiddellijke ingang te staken, nu blijkt dat de branche een substantiële vooruitgang heeft geboekt in de naleving van de gestelde leeftijdsgrenzen? Zo nee, waarom niet?
De toenmalige Minister van Justitie heeft ter uitvoering van de motie Van der Staaij c.s. de mogelijkheid en wenselijkheid van een strafrechtelijk verbod op de verspreiding van extreem gewelddadig beeldmateriaal verkend en de consequenties ervan voor de naleving, handhaving en effectiviteit in ogenschouw genomen. Bij brief van 28 juni 2010 heeft hij uw Kamer laten weten dat een dergelijk verbod juridisch mogelijk is en vanuit een oogpunt van bescherming van jongeren tegen schadelijke invloeden wenselijk kan zijn, mits dit verbod beperkt blijft tot een kleine categorie extreem gewelddadige games. Echter, vanwege de beperkte effectiviteit in termen van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid gaf hij er de voorkeur aan eerst de al ingeslagen weg te vervolgen om in samenwerking met de audiovisuele branches de naleving aan het einde van de distributieketen te verbeteren (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 684, nr. 279). Er zijn daarna geen voorbereidingen getroffen voor wetgeving die een verbod op extreem gewelddadige games mogelijk moet maken.
Vindt u een dergelijk verbod überhaupt wenselijk?
Ik constateer dat het beleid van verbetering en intensivering van de naleving van de leeftijdsgrenzen zijn vruchten afwerpt. Het lijkt mij verstandiger daarop in te zetten.
Deelt u de mening dat alle inspanningen erop gericht moeten zijn op het vangen van échte in plaats van virtuele boeven? Zo nee, waarom niet?
De geloofwaardigheid van de rechtsstaat is erbij gebaat, wanneer alle wet- en regelgeving serieus wordt genomen. Weliswaar worden vanuit capaciteitsoverwegingen prioriteiten gesteld in de opsporing en vervolging, maar dit ontslaat de overheid niet van de plicht om ook toe te zien op naleving van wetten die in sommiger ogen wellicht van geringer belang zijn. De bescherming van jongeren tegen voor hen schadelijk te achten beeldmateriaal is in diverse internationale overeenkomsten vastgelegd en bovendien in nationale wetgeving waaronder artikel 240a Sr verankerd. Ten slotte is de confrontatie op jonge leeftijd met gewelddadig beeldmateriaal geïdentificeerd als een risicofactor voor agressief gedrag. Dit betekent niet dat iedere jongere die geweldsbeelden ziet, zich agressief zal gaan gedragen, maar dat de kans daarop wel groter wordt. Ook vanuit preventieve overwegingen is het derhalve van belang dat deze bescherming door de overheid wordt geboden.
Het bericht 'nederlandse bedrijfsleven raakt verder achterop met R&D' |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CBS-bericht «Nederlandse bedrijfsleven raakt verder achterop met R&D»?1
Ja.
Deelt u de mening dat onderzoek één van de basisgrondstoffen van innovatie is?
Ja, onderzoek is een belangrijke basisfactor voor innovatie, naast bijvoorbeeld menselijk kapitaal en ondernemerschap.
Heeft u nog altijd de ambitie om tot de top 5 van kenniseconomieën te horen?
Ja, die ambitie is in het Regeerakkoord ook expliciet genoemd. De ambitie heeft betrekking op de prestaties van de gehele kenniseconomie. R&D is hiervoor een belangrijke factor, maar zeker niet de enige. Menselijk kapitaal is een andere bepalende factor voor de prestaties van de kenniseconomie.
Wat is uw analyse van het feit dat Nederland qua private kennisinvesteringen niet in de top 5 staat, maar binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op plaats 16, achter Tsjechië, maar net nog voor Hongarije?
Dat de private R&D-uitgaven in Nederland relatief laag zijn in vergelijking met het buitenland is niet nieuw. De Nederlandse sectorstructuur (relatief veel diensten en relatief weinig hightech in de industrie) vormt hiervan de belangrijkste oorzaak. Daarnaast is een hoofdoorzaak dat de R&D-uitgaven van buitenlandse bedrijven in Nederland laqer zijn dan op grond van de openheid van de Nederlandse economie zou mogen worden verwacht. Nederlandse bedrijven doen veel onderzoek in het buitenland, maar Nederland trekt relatief veel minder R&D van buitenlandse bedrijven aan.2
Hoort Nederland volgens u thuis op plaats 16?
Nee, de Nederlandse ambitie ligt hoger. Met het nieuwe bedrijfslevenbeleid en de integrale aanpak op topsectoren zet het kabinet alle zeilen bij om de zaak in beweging te krijgen. Dat het bedrijfsleven commitment toont aan de aanpak stemt positief. Maar we moeten tegelijkertijd de blik niet vernauwen tot investeringen in R&D; dat is te beperkt om de diversiteit van het innovatieproces recht te doen en de innovatiekracht van Nederland af te meten. Investeringen zijn input. Uiteindelijk gaat het om de outputprestaties. Nederland is een van de meest welvarende landen ter wereld en scoort hoog op bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking en de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur. Ook de wetenschappelijke prestaties zijn van wereldklasse en de technologische output gemeten aan de hand van aantallen octrooien is hoog. In het Innovation Union Scoreboard 2010 van de Europese Commissie is Nederland op een brede index voor innovatie (met 24 achterliggende indicatoren) gestegen naar een achtste positie in de EU27. Er is dus geen reden tot pessimisme.
Wat zou de Nederlandse ambitie moeten zijn in percentage bruto binnenlands product (BBP) voor private kennisinvesteringen?
Het kabinet bepaalt de Nederlandse ambitie voor de R&D-uitgaven (publiek en privaat) in het kader van het Nationaal Hervormingsprogramma, als nationale invulling van de Europese doelstelling voor R&D (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-30, nr. 248). Het Nationaal Hervormingsprogramma zal in april 2011 aan de Europese Commissie worden gezonden en vooraf met de Tweede Kamer worden besproken.
Welke plaats in een rangorde van OESO-landen heeft u qua private kennisinvesteringen voor ogen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke plannen gaat u inzetten om het Nederlandse bedrijfsleven grotere kennisinvesteringen te laten doen?
Hiervoor verwijs ik u naar de hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid, beschreven in de brief «Naar de top». Die brief is op 4 februari 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Hoe denkt u dat u door het verdelen van minder specifieke innovatiemiddelen, gezien de huidige bezuinigingen, over meer terreinen, gezien de plannen met de economische topgebieden, een vergroting bereikt van de private onderzoeksinvesteringen?
Zie antwoord vraag 8.
Het niet goed uitvoeren van onderzoek naar plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het onderzoek naar de doodsoorzaak van plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen, dat sinds januari 2011 is verplicht, niet of niet goed wordt uitgevoerd?12
Ja. Het bericht is echter niet juist. De NODO-procedure is nog niet ingevoerd; er is dus geen sprake van een verplichting.
Wat betekent het in de praktijk, wanneer een arts contact met de gemeentelijke lijkschouwer moet opnemen maar bij twijfel verder onderzoek nog niet kan worden verricht volgens de in de wet vastgelegde procedure? Betekent dit, dat de gemeentelijke lijkschouwer in alle gevallen dan ook zelf zal schouwen en nader onderzoek zal verrichten?
Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts sinds 1 januari 2010 vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven óf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer.
Kunt u zich voorstellen dat het op dit moment, zonder NODO-procedure (Nader Onderzoek Doodsoorzaak), voor lijkschouwers onduidelijk is welke taak zij moeten uitvoeren? Zo ja, vindt u dit gewenst?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is alleen het contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer vanaf 1 januari 2010 een nieuwe taak. De beslissing die de lijkschouwer neemt na dit contact blijft dezelfde als voorheen. Bovendien is hierover zowel door het Rijk als door de betrokken artsenorganisaties voorlichting verstrekt.
Bij de invoering van de NODO-procedure zal bezien worden op welke wijze de gemeentelijk lijkschouwers voldoende toegerust kunnen worden voor de beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding van de NODO-procedure? Waarom is de NODO-procedure nog niet in werking getreden, waarom is er kennelijk vertraging opgetreden en wie is daarvoor verantwoordelijk, welke concrete stappen moeten er nog gezet worden en wanneer kan de NODO-procedure wel in werking treden?
In april 2010 heeft de KNMG een advies opgeleverd over de inrichting van de NODO-procedure. Aan de hand daarvan is in september 2010 door een extern adviesbureau een berekening van de uitvoeringskosten gemaakt. Daaruit blijkt dat de inrichting van de NODO-procedure, op de door de KNMG geadviseerde wijze, zeer hoge kosten met zich brengt. Ook komen er signalen uit de medische sector dat deze inrichting niet breed gedragen wordt als optimale organisatie van de NODO-procedure en worden er vanuit de sector alternatieven aangereikt.
Daarom overweeg ik op welke andere wijze de NODO-procedure op effectieve en efficiënte wijze kan worden ingericht. Een goed alternatief zou kunnen zijn om aan te sluiten bij een project dat TNO samen met de Universiteit Twente uitvoert inzake de preventie van kindersterfte. Daartoe wordt de haalbaarheid onderzocht van het installeren van speciale teams die een multidisciplinaire evaluatie uitvoeren in alle gevallen van het overlijden van een kind. Deze werkwijze wordt in de Angelsaksische landen ook wel aangeduid met de term «Child Death Review». In Engeland wordt voorafgaand aan deze multidisciplinaire evaluatie een onderzoek uitgevoerd dat de «Rapid Response» wordt genoemd. Deze «Rapid Response» heeft als doel om in korte tijd onderzoek te doen naar de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. De NODO-procedure heeft dezelfde doelstelling. Daarom wordt nu bekeken of het instellen van dergelijke mobiele «Rapid Response» teams in het kader van de uitvoering van de NODO-procedure een goede en effectieve werkwijze is.
Ik acht het van belang dat de NODO-procedure op korte termijn kan worden ingevoerd en streef er dan ook naar hierover spoedig een beslissing te nemen, in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welk ministerie is verantwoordelijk voor de hele procedure rondom de NODO? Welke minister of staatssecretaris is hiervoor verantwoordelijk?
De NODO-procedure valt onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Betrokkenheid van de Minister van VWS is echter onontbeerlijk gezien haar deskundigheid van het medische veld.
Klopt het dat de vertraging in de uitwerking van de NODO-procedure veroorzaakt wordt door onenigheid tussen overheid en de KNMG over de financiering? Zo ja, kunt u de standpunten van beide partijen nauwkeurig weergeven?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijke gevolgen kan het nog niet in werking treden van de NODO-procedure concreet hebben voor ouders van overleden minderjarigen en voor zorgverleners? Welk signaal kan er uitgaan van een verplichte melding bij onverwacht overlijden van een minderjarige, wanneer niet-natuurlijke dood niet met zekerheid kan worden uitgesloten, terwijl de vervolgprocedure nog niet gereed is?
Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Alleen het verplichte contact tussen behandelend arts en gemeentelijk lijkschouwer is nieuw sinds 1 januari 2010, verder is de procedure niet anders dan voorheen. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer. Dat is een verbetering ten opzichte van de oude procedure, toen de arts nog geheel zelfstandig een verklaring van overlijden kon afgeven en gevallen van mogelijk niet-natuurlijk overlijden soms onopgemerkt konden blijven. Er is dan ook bewust gekozen om het verplichte contact al op 1 januari 2010 van kracht te laten worden. Als een niet-natuurlijke dood vervolgens ook door de gemeentelijk lijkschouwer niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld.
Klopt het dat, zonder de NODO-procedure, vaker dan nodig een door justitie gelast onderzoek volgt, en dat dit een extra belasting vormt voor ouders die niets valt te verwijten? Zo ja, wat is uw mening hierover, en per wanneer wordt dit opgelost? Hoeveel door justitie gelaste onderzoeken hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden en met welke uitkomst?
Het Openbaar Ministerie heeft geen cijfers over het aantal onderzoeken dat door de officier van justitie wordt gelast in gevallen waarin de gemeentelijk lijkschouwer geen verklaring van (natuurlijk) overlijden kan geven bij het onverklaard overlijden van minderjarigen. Als de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden na de schouw als «onverklaard» beoordeelt, zal hij, totdat de NODO-procedure (die niet onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie plaatsvindt) in werking is getreden, contact opnemen met de officier van justitie.
Als er een redelijk vermoeden bestaat dat sprake is van een strafbaar feit kan de officier van justitie een gerechtelijke sectie gelasten die erop is gericht vast te stellen of een strafbaar feit tot het overlijden heeft geleid.
Bent u van mening dat op dit moment, wanneer de NODO-procedure eindelijk in werking is getreden, voldoende waarborg bestaat om te voorkomen dat gevallen van verwaarlozing of mishandeling van minderjarigen onopgemerkt blijven? Zo ja, bent u derhalve van mening dat (huis)artsen en andere zorgverleners over voldoende kennis en ervaring beschikken om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling in alle gevallen te herkennen? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe is dit te rijmen met de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het rapport over jeugdzorg?
Met de verplichting voor de behandelend arts het overlijden van een minderjarige te melden bij de gemeentelijk lijkschouwer en zijn bevindingen te toetsen, het toerusten van gemeentelijk lijkschouwers op een goede beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen en het uitvoeren van de NODO-procedure zelf wordt de mogelijkheid om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling bij minderjarigen te herkennen mijn inziens voldoende gewaarborgd. Wat overigens geen garantie geeft voor het onopgemerkt blijven van genoemde gevallen in voorkomende situaties.
Zou het niet beschikbaar zijn van de NODO-procedure in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat behandelend arts en lijkschouwer eerder zullen overgaan tot het afgeven van een verklaring van natuurlijke dood, ook wanneer een niet-natuurlijke doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten? Zo nee waarom niet en hoe kunt u dit garanderen, gezien de huidige situatie? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Nee. Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer.
Als een natuurlijke dood vastgesteld wordt, wordt een verklaring van overlijden afgegeven. Als er geen twijfel bestaat aan de natuurlijke aard van het overlijden, maar de doodsoorzaak onbekend is, bestaat de mogelijkheid tot het verrichten van neutraal medisch onderzoek naar de doodsoorzaak (de zogenaamd klinische obductie) indien de betrokken arts en de ouders dat belangrijk vinden. Als een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens, bij het vermoeden van een strafbaar feit, een gerechtelijke sectie gelasten.
Door de invoering van de NODO-procedure zullen gevallen van onverklaard overlijden bij minderjarigen nader onderzocht worden en zal een beter onderscheid gemaakt kunnen worden tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Tot die tijd geldt de hierboven genoemde procedure.
Het rapport 'Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet' |
|
Arjan El Fassed (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen in het rapport «Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet» van de Campagne tegen Wapenhandel»?1
Ja.
Klopt het dat ongeveer 98 procent van de aangemelde doorvoer zonder controle door mag, omdat de oorsprong of bestemming van de strategische goederen een EU of NAVO-land is?
Nee. Er is in beginsel controle op alle doorvoer van militaire goederen, tenzij het om verplaatsingen van het eigen materieel van de NAVO-partners gaat. Voor handelstransacties via Nederlands grondgebied geldt altijd een vergunningplicht of een meldplicht. Een meldplicht is van toepassing als er sprake is van een doorvoer van of naar een bondgenoot, te weten andere EU-lidstaten, NAVO-partners of Zwitserland, Australië, Nieuw-Zeeland of Japan, en een vergunningplicht is van toepassing in alle andere gevallen. Doorvoer naar bondgenoten wordt vervolgens doorgelaten als er geen aanwijzingen zijn dat de goederen naar een andere bestemming worden verscheept, en bij doorvoer vanuit bondgenoten wordt gekeken of de betreffende bondgenoot een uitvoervergunning heeft afgegeven voor de bestemming van de goederen. Als dat laatste het geval is, toetst Nederland die doorvoertransactie niet nog eens zelf, maar wordt de toetsing door de betreffende bondgenoot gerespecteerd. Wel is het zo dat in de praktijk de overgrote meerderheid van de doorvoertransacties onder een uitvoervergunning van een bondgenoot plaatsvindt en dat dus meer dan 90% van de doorvoer van militaire goederen niet aan een eigen Nederlandse toetsing wordt onderworpen.
Is het waar dat in de periode die beschreven wordt in het rapport, niet een keer een ad hoc vergunningsplicht is opgelegd? Zo nee, in welke geval, met welke type strategische goederen en voor welke bestemming en oorsprong was dat het geval?
Ja. De mogelijkheid om de ad hoc vergunningplicht op te leggen is bij het introduceren van de standaardvergunningplicht voor zendingen van niet-bondgenoten naar niet-bondgenoten in 2008 verbreed, om bij een doorvoerzending die afkomstig is van een bondgenoot in te kunnen grijpen als de exportcontrole van die bondgenoot ontlopen lijkt te worden. Dat kan het geval zijn als bij doorvoer blijkt dat er geen door de bondgenoot afgegeven uitvoervergunning getoond kan worden of als de bestemming van het uitgaande vervoersmiddel niet te rijmen is met de bestemming op zo’n uitvoervergunning. Dat heeft zich in de in het rapport beschreven periode niet voorgedaan.
Klopt het dat op 4 november 2008, in de Rotterdamse haven, een vracht van 20 000 Tjechische automatische geweren zijn aangemeld met bestemming Sri Lanka?
Ja.
Acht u de kans groot dat Nederland voor een zelfde vracht in dezelfde periode een exportvergunning zou hebben verleend? Kunt u dit toelichten?
Ik acht de kans niet groot, maar dit concrete geval heeft Nederland niet getoetst. Nederland was in die periode buitengewoon terughoudend in het toekennen van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka. Er was geen sprake van een wapenembargo. Derhalve werd elke aanvraag op eigen merites getoetst, onder andere met inachtneming van de eindgebruiker en het eindgebruik.
Waarom is gezien de situatie die wordt geschetst in uw antwoord op eerdere Kamervragen2 niet overwogen om contact op te nemen met de Tjechische autoriteiten of een ad hoc vergunningsplicht op te leggen, gezien de ernst van de interne situatie en het risico op schendingen van mensenrechten?
Bij doorvoerzendingen uit een andere EU-lidstaat, NAVO-partner of vergelijkbare bondgenoot, moet het bewijs worden geleverd dat de bondgenoot een vergunning heeft afgegeven. Als dat het geval is, wordt die uitvoervergunning gerespecteerd.
Indien de vergunning ontbreekt, of het vermoeden bestaat dat er een omleidingsrisico is en dat de goederen niet bij de vermelde eindgebruiker zullen terechtkomen, dan zal de Douane een melding doorgeven aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en zal aldaar in overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken besloten worden of een consultatie met de verschepende bondgenoot en/of een ad hoc vergunningplicht geboden is.
Is er in 2008, 2009 of 2010 contact geweest met de Tjechische autoriteiten over de doorvoer van wapens naar Sri Lanka? Zo ja, heeft u de Tjechische autoriteiten ofwel bilateraal ofwel in Europees verband aangesproken over deze doorvoer van wapens naar Sri Lanka?
Nee. Na 4 november 2008 heeft er ook geen doorvoer van militaire goederen vanuit Tsjechië naar Sri Lanka meer plaatsgevonden.
Hoe beoordeelt u «denials» voor exportvergunningen aan Suriname maar het gebrek aan beperkingen op doorvoer via Nederland naar Suriname? Kunt u dit toelichten?
In Nederland ligt het omleidingsrisico ten grondslag aan alle afgewezen exportvergunningen voor Suriname. De afgewezen aanvragen gaan immers altijd om de uitvoer van losse vuurwapens naar particulieren of naar wapenhandelaren in Suriname, waarbij Nederland kijkt naar de «bekendheid en goede naam» van de schietvereniging waar de betreffende ontvanger lid van is, of naar de «bekendheid en goede naam» van de betreffende handelaar. Als daar onduidelijkheid over bestaat, dan acht Nederland het omleidingsrisico te groot. Overigens komt het regelmatig voor dat informatie over de schietvereniging en/of de handelaar wel voldoet aan de Nederlandse eisen. Dan wordt er een vergunning afgeven, nadat een bewijs is ontvangen dat de Surinaamse autoriteiten geen bezwaar hebben tegen de invoer van het betreffende wapen.
In het geval van doorvoer naar Suriname geldt, zoals in alle doorvoergevallen, dat Nederland erop vertrouwt dat bondgenoten een volledige toetsing uitvoeren. Nederland wenst deze toetsing niet over te doen. Hierbij wordt benadrukt dat het omleidingsrisico een toetsingsgrond is voor al onze bondgenoten. Is het land van herkomst geen bondgenoot, dan geldt een Nederlandse vergunningplicht en toetst Nederland zelf.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen een «denial» voor wapendoorvoer naar Ecuador van Servië en het gebrek aan beperkingen voor Tjechische doorvoer naar Ecuador? Kunt u dit toelichten?
Servië is geen bondgenoot van Nederland en heeft zich – ondanks het Servische alignment met Gemeenschappelijk Standpunt – niet gecommitteerd aan de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Derhalve is bij doorvoer van militaire goederen vanuit Servië door Nederland sprake van een vergunningplicht van de Nederlandse autoriteiten. Als EU-lidstaat is Tsjechië juridisch gebonden aan de onvoorwaardelijke toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (in december 2008 aangenomen en voorheen een EU Gedragscode).