Vergunningen voor wapenexport, wapendoorvoer en de export in componenten in wapensystemen naar Saudi Arabië |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Troops open fire as Saudis brace for «day of rage»»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van door Nederland verleende vergunningen voor wapenexport, wapendoorvoer en de export van componenten in wapensystemen met Saudi-Arabië als eindbestemming tussen 2007 en december 2010?
Ja, zie bijlage.2
Is het waar dat er een trendbreuk is tussen opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken en de beoordeling van de mensenrechtensituatie in Saudi-Arabië door het ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, betekent dit dat de mensenrechtensituatie in Saudi-Arabië hetzelfde is gebleven? Zo ja, op welke wijze is de mensenrechtensituatie verbeterd dan wel verslechterd?
Er is geen breuk in de waardering van de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië tussen de vorige minister en mijzelf. De mensenrechtensituatie was en is zorgwekkend. Koning Abdullah heeft echter voorzichtige stappen genomen die een positieve ontwikkeling in gang hebben gezet. In de laatste jaren is Saoedi-Arabië in toenemende mate bereid gebleken gesprekken aan te gaan over mensenrechtenonderwerpen. Het land is toegankelijker voor externe onderzoeken en consultaties, zoals het bezoek van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in 2010 toont. Desondanks blijft de mensenrechtensituatie reden tot zorg: vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst zijn beperkt, vrouwen en sjiieten worden gediscrimineerd, lijfstraffen en de doodstraf worden toegepast.
Klopt het dat Thales Nederland componenten, zoals het SOTAS intercom systeem, heeft geleverd voor door de VS aan Saudi-Arabië geleverde Abrams M1A2S tanks?
In 2007 is een vergunning verleend voor de leverantie van (delen van) communicatieapparatuur voor tanks en pantservoertuigen van de landmacht van Saoedi-Arabië, zoals eind 2008 is aangegeven in de beantwoording van een reeks vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken3. Het ging daarbij met name om communicatieapparatuur voor de bemanningen van de door de Verenigde Staten geleverde of toen nog te leveren Abrams tanks. De communicatieapparatuur zelf was niet militair in de zin van de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, maar omdat de levering ook een groot aantal aan de apparatuur te koppelen en wel als militair goed geclassificeerde helmsets omvatte, is de transactie toch beoordeeld als een leverantie van militaire communicatieapparatuur. Nadien zijn nog meermalen uitvoervergunningen voor delen of losse helmsets afgegeven.
Was de eindbestemming bekend van deze componenten en is hiervoor een exportvergunning aangevraagd en verleend?
De eindgebruiker was bekend. Na toetsing aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport is de vergunning toegekend.
Hoe beoordeelde u de mensenrechtensituatie op dat moment? En hoe hoog achtte u het risico dat tanks en gepantserde voertuigen zouden kunnen worden ingezet tegen mogelijke demonstraties en mensenrechtenschendingen?
Hoe hoog acht u dat risico op dit moment?
De beoordeling van risico’s bij wapenexport gebeurt aan de hand van de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt en hangt eveneens samen met de aard van de goederen uit de concrete aanvraag en met de eindgebruiker. Ik beoordeelde de mensenrechtensituatie als zorgwekkend. Echter, onder meer gezien het feit dat de te leveren goederen niet in verband konden worden gebracht met de in Saoedi-Arabië geconstateerde mensenrechtenschendingen, is de vergunning positief getoetst aan de criteria voor wapenexport in het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU.
Voor zover mij bekend zijn de bovengenoemde tanks niet ingezet tegen demonstranten; desalniettemin bestaat onder de huidige onrustige omstandigheden een groter risico dan voorheen dat dit toch gebeurt. Daarom zou op dit moment een dergelijke vergunningsaanvraag niet worden goedgekeurd.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden met het oog op het AO over Wapenexportbeleid van 16 maart a.s.?
Beantwoording voor het AO is helaas niet gelukt.
De ESA |
|
Afke Schaart (VVD), Gerda Verburg (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het werkbezoek van medio december 2010 aan het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), waarna u hebt gesteld dat Nederland een betrouwbare partner van European Space Agency (ESA) zal blijven?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe u dit betrouwbare partnerschap inhoud zult geven voor wat betreft de contributie?
De huidige contributie bestaat uit deelname aan verplichte en optionele programma's waarvoor Nederland tijdens de Ministeriële Conferentie 2008 en eerdere heeft ingeschreven. Naar verwachting eind 2012 vindt opnieuw deze periodieke Ministeriële Conferentie plaats, waar lidstaten besluiten over programma’s en nieuwe financiële verplichtingen vastleggen voor een nieuwe periode van 4 jaar. In aanloop naar deze Ministeriële Conferentie zal ik de Tweede Kamer tijdig informeren over de Nederlandse inzet en bijbehorende contributie aan ESA.
Klopt de stelling van SpaceNed – samen met onder meer de provincie Zuid-Holland en een aantal gemeenten – dat elke euro die door Nederland wordt geïnvesteerd in de contributie van de ESA € 3,40 oplevert voor de Nederlandse economie? Zo nee, wat is dan de opbrengst per geïnvesteerde euro en waarop baseert u dit?
ESA hanteert een geo-return systeem dat er over meerdere jaren voor zorgt dat de contributie van de lidstaten grotendeels in de vorm van ESA opdrachten aan industrie en kennisinstellingen terugvloeit naar de lidstaten. Als ondergrens hanteert ESA een returncoëfficiënt van 0,9. De Nederlandse return ligt al jarenlang boven de 1, wat een gevolg is van de inhuur van dienstenleveranciers door ESTEC. De return uit deze inhuur vormt een bonus die het belang van ESTEC voor Nederland onderstreept, naast het belang van ESTEC uit oogpunt van kennisuitwisseling en innovatie. Inclusief deze return uit inhuur bedroeg de totale return voor Nederland over de periode 2005–2009 ca. € 1 106 mln., ofwel gemiddeld ca. € 220 mln. per jaar. Dit is 2,5 keer zoveel als de gemiddelde jaarlijkse Nederlandse contributie aan ESA in deze periode. Hierbij is geen rekening gehouden met de bestedingen van ESTEC medewerkers en de vele bezoekers in de regio in de vorm van uitgaven, overnachtingen, etc. Een schatting van de omvang van deze bestedingen is wel verdisconteerd in de door SpaceNed genoemde multiplier.
Welke ambitie hebt u voor de toekomst als het gaat om ruimtevaart en de ESA?
In het Regeerakkoord spreekt dit Kabinet de ambitie uit om de overheidsfinanciën weer gezond te maken en dat gaat niet zonder forse bezuinigingen. In de financiële paragraaf hebben wij daarom ombuigingen voorgesteld o.a. op het vlak van innovatiebeleid. Daarbij is aangegeven dat ook het ruimtevaartbeleid daar een bijdrage aan zal moeten leveren. Zoals ik tijdens mijn bezoek aan ESTEC in december heb gezegd, Nederland wil wel een loyale partner binnen ESA en een goed gastheer voor ESTEC zijn en blijven. Het Kabinet zal de Nederlandse inzet in aanloop naar de Ministeriële Conferentie in 2012 bezien binnen het kader van de financiële mogelijkheden. Ik verwacht de Kamer daarover in de loop van 2012 te kunnen informeren.
Hoe dienen, mede in het licht van bovenstaande, de bijdragen van de Nederlandse overheid voor ondermeer het ESA-programma er de komende vijf jaar uit te zien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol is er volgens u weggelegd voor de ruimte- en luchtvaart in het nieuwe topsectorenbeleid?
Binnen de topsector High Tech Materialen en Systemen (HTSM) zijn terreinen als bijvoorbeeld nanotechnologie, sensoren, materialen en optica ook voor de lucht- en ruimtevaart belangrijk. Betrokkenheid bij de topsector HTSM kan zowel voor lucht- en ruimtevaartbedrijven als voor de bedrijven daarbuiten een belangrijke toegevoegde waarde hebben vanwege de wisselwerking tussen de technologiegebieden. Er is op de genoemde technologiegebieden ook geen duidelijke scheiding meer aan te gegeven tussen lucht/ruimtevaart en niet-lucht/ruimtevaart. Voor de doorontwikkeling van de lucht- en ruimtevaartindustrie is het van belang opgenomen te worden in de netwerken die er op deze terreinen buiten de lucht- en ruimtevaart (zijn) ontstaan.
Naast de «maak» kant is er ook de gebruikerskant. In het geval van luchtvaart is dit aspect onderdeel van de topsector Logistiek. Ruimtevaart is in toenemende mate een toeleverancier van gegevens aan socio-economische terreinen. Toepassingen van satellietdata kunnen van groot belang zijn voor Topsectoren als Water, Agrofood, Logistiek, Energie. Ruimtevaart kan zo een belangrijke verbindende factor zijn tussen de diverse topgebieden.
De topteams zullen in de periode tot medio juni de prioriteiten binnen de topsectoren bepalen. Het is nu aan de lucht- en ruimtevaartindustrie om aansluiting te vinden bij de topsectoren en actief kansen te benutten. Op basis van de adviezen van de topteams ga ik vervolgens de beleidsagenda’s bepalen en uitvoeren.
Bent u bereid deze vragen voor donderdag 17 maart 2011 te beantwoorden?
De deelname van Europese bedrijven aan een conferentie in Dubai over aftappen en filteren van telecommunicatie |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ISS World MEA Conference, een beurs die van 21 tot en met 23 februari jongstleden plaatsvond in Dubai?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat een groot aantal Europese bedrijven, waaronder enkele Nederlandse, tijdens deze conferentie haar technologie voor het aftappen, filteren en blokkeren van internet en telefonie – waaronder Deep Packet Inspection – onder de aandacht bracht van politie- en veiligheidsdiensten uit het Midden-Oosten en Afrika?
Het staat bedrijven vrij om deel te nemen aan internationale conferenties, waarmee zij menen nieuwe markten te kunnen aanboren voor hun producten, die een tweeledige toepassing kennen. Behalve het door u genoemde ongewenste gebruik kunnen deze producten worden ingezet voor bijvoorbeeld het bestrijden (blokkeren) van kinderporno uit het buitenland. Er is geen formeel verbod op deze specifieke handelsactiviteiten. Maar daarmee is niet gezegd dat het ook verantwoord of wenselijk is als ze plaatsvinden. Zoals de speciale vertegenwoordiger van de VN voor bedrijfsleven en mensenrechten, professor John Ruggie, helder stelt, zijn er geen mensenrechten die niet door bedrijfsactiviteiten kunnen worden geschonden, rechtstreeks of door betrokkenheid. Professor Ruggie stipuleert dat staten de plicht hebben om mensenrechten te beschermen, en dat bedrijven een verantwoordelijkheid hebben om mensenrechten te respecteren. De regering onderschrijft deze visie.
Ieder bedrijf dient zich te kunnen verantwoorden als zijn handelen kenbare mensenrechtenconsequenties heeft. Dit uitgangspunt wordt ook betrokken bij de update van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, die voor Nederlandse bedrijven als referentie voor hun buitenlandse activiteiten gelden. Daarin worden bedrijven onder meer opgeroepen om activiteiten op gebied van internetvrijheid en respect voor vrije meningsuiting te ondersteunen.
Deelt u de opvatting dat het bijzonder ongewenst is dat Nederlandse bedrijven dergelijke technologie (proberen te) verkopen aan regimes die deze inzetten voor onderdrukking van de eigen bevolking?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de betreffende bedrijven aan te spreken op hun gedrag en te weerhouden van de levering van internetfilters en vergelijkbare technologie aan repressieve regimes? Bent u bereid en in staat om vooruitlopend op Europese regelgeving deze handel te verbieden?
Dit kabinet hecht groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en wil met het bedrijfsleven samenwerken om gestalte te geven aan een gedeelde verantwoordelijkheid voor de bescherming van mensenrechten in het buitenland.
Ik zal op korte termijn de desbetreffende bedrijven op het ministerie uitnodigen om hen te wijzen op mogelijk misbruik van filtertechnologie voor anti-democratische en repressieve doeleinden. Daarbij zal ik hen verzoeken eventuele samenwerking op het gebied van de verspreiding en het toegankelijk maken van internetfiltertechnologie te staken zodra zij de indruk hebben dat er een dreiging is van misbruik. Tevens zal ik hen verzoeken over deze zaak in nauw contact te blijven met mijn ministerie.
Het belang van internetvrijheid – dat door recente ontwikkelingen in de Arabische wereld eens te meer is aangetoond – heeft al geruime tijd bijzondere aandacht van de regering. Het uitgangspunt van Nederland voor de bevordering van internetvrijheid is dat alle belanghebbende partijen – variërend van overheden en bedrijven, NGO’s en internationale organisaties – gezamenlijk een verantwoordelijkheid dragen om de vrije toegang tot internet en de vrijheid van meningsuiting op internet te garanderen. In dat kader heeft Nederland vorig jaar een expertmeeting over dit onderwerp georganiseerd, waar een diversiteit aan stakeholders aanwezig was. Een verslag hiervan ging uw Kamer reeds toe2.
Momenteel is Nederland in gesprek met Canada, het Verenigd Koninkrijk, de VS, Zweden en andere, ook niet-westerse landen, om aan dit initiatief op ministerieel niveau een vervolg te geven. Nadrukkelijk is het daarbij de ambitie om – net als bij de genoemde expertmeeting – vertegenwoordigers van telecombedrijven en search engines te betrekken. Wat Nederland betreft dragen bedrijven een bijzondere verantwoordelijkheid tot zelfrestrictie om te zorgen dat hun technologie niet in verkeerde handen valt.
In dat kader heeft de regering meermalen bedrijven opgeroepen een internationale gedragscode op het gebied van internetvrijheid te omarmen, zoals het reeds bestaande Global Network Initiative. Daarnaast moet wat Nederland betreft de discussie over de mogelijkheid van een restrictie op de export vanuit de EU van bepaalde filtertechnologie – waar Nederland in de EU ook eerder al voor pleitte – worden geïntensiveerd. Door het tweeledige karakter van deze technologie (het kan immers ook worden toegepast voor legitieme doeleinden als de bestrijding van kinderporno) is dit een complexe discussie. In dit kader verwijs ik ook naar de toespraak van minister Rosenthal over dit onderwerp, welke namens hem werd uitgesproken bij een bijeenkomst van het Aspen Institute op 24 maart jl. te Brussel3.
Kunt u een overzicht geven van recente en lopende contracten van Nederlandse bedrijven met overheden en telecombedrijven in het Midden-Oosten en Afrika omtrent de levering van technologie voor en expertise over het aftappen, filteren en blokkeren van telecommunicatie? Zo niet, bent u bereid een onderzoek te starten naar zulke contracten met repressieve regimes?
Een dergelijk overzicht heeft de Nederlandse overheid niet voorhanden. Zoals aangegeven bij vraag 4 ben ik bereid bedrijven aan te spreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid in dit verband.
Deelt u de mening dat het risico dat internetfilters gebruikt worden voor repressie ook voor democratische overheden een reden zou moeten zijn om af te zien van de invoering van filters?
Nee. Er is geen reden om te veronderstellen dat democratische overheden dergelijke instrumenten zullen inzetten voor andere dan legitieme doeleinden, zoals het bestrijden van kinderporno.
Het bericht 'Hogeschool besteedt geld aan volstrekt verkeerde zaken' |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hogeschool besteedt geld aan volstrekt verkeerde zaken»?1
Ja.
Deelt u de zorg naar aanleiding van het onderzoek van onder anderen de genoemde Tilburgse hoogleraar, waaruit blijkt dat bij een elftal hogescholen tussen de 21% en 25% van het budget daadwerkelijk besteed wordt aan onderwijs? Zo nee, waarom niet?
In 2007 is de rapportage van het in opdracht van de HBO-raad en VSNU uitgevoerde onderzoek «benchmark overhead universiteiten en hogescholen» aan de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden. De definitie voor overhead uit dit rapport is gebaseerd op het aantal fte’s in de primaire processen (onderwijs en onderzoek) en het aantal fte’s in overige functies en deze is in overleg tussen OCW en de ho-instellingen overeengekomen.
Voor het Ministerie van OCW is dit een duidelijke benadering die ook draagvlak heeft binnen het onderwijsveld. Uit de rapportage kwam naar voren dat in het hoger beroepsonderwijs het percentage aan zuivere overhead 24,5% was. De omvang van de zuivere overhead bij universiteiten bedroeg 25,3%.
Begin 2011 heeft de HBO-raad het onderzoek opnieuw laten uitvoeren op basis van de gegevens over 2009. De uitkomsten van de hbo-sector zijn vergeleken met andere publieke sectoren. Het percentage zuivere overhead is nu 25,8%. Ik wacht het rapport van de HBO-raad met belangstelling af. De VSNU is op dit moment bezig met de voorbereiding van een herhaling van de benchmark.
Er wordt van onderwijsinstellingen verwacht dat zij doelmatig omgaan met de beschikbare middelen voor het primaire proces, te weten het verzorgen van onderwijs. Ik vind een dergelijk overheadpercentage te hoog.
Met de ho-instellingen ga ik in het kader van de meerjarenafspraken afspraken maken over de wijze waarop een reductie van overhead gerealiseerd kan worden. De middelen die een reductie oplevert kunnen dan weer ingezet worden voor het primaire proces.
Wat is uw oordeel over het bericht dat de overheid vroeger 10% van het jaarlijkse hbo-budget voor huisvesting oormerkte en dat dit bedrag na de financiële verzelfstandiging is opgelopen tot 16–18%?
De instellingen zijn vanaf de decentralisatie van de hbo-huisvesting (Wet Huisvesting hoger beroepsonderwijs, 1 januari 1994) verantwoordelijk voor beslissingen over de investeringen in huisvesting en de exploitatie daarvan. OCW heeft geen zeggenschap meer over (de financiering van) het onroerend goed van de instellingen.
De door u genoemde percentages van 16–18% voor de huisvesting in de hbo-sector herken ik niet. De jaarrekeningen van de hbo-instellingen laten het volgende zien.
Uitgaande van de totale huisvestingslasten afgezet tegen de totale baten van de totale hbo-sector is het percentage huisvestingslasten vanaf 2005 (12%) gestaag gedaald naar 10% in 2009. Ik merk op, dat – naast de afschrijvingen en het saldo financieringskosten – onder de huisvestingslasten ook de huren, het onderhoud, de verzekeringen, de schoonmaakkosten en gas/licht/water vallen. De afschrijving op de inventaris heb ik niet meegenomen in mijn berekening; immers inventariskosten staan los van de investering in onroerend goed en deze worden altijd gemaakt ongeacht of er sprake is van nieuwe, oude of gehuurde gebouwen.
Deelt u de visie dat het erbarmelijk is dat hogescholen tegenwoordig honderden miljoenen uitgeven aan onderzoeksactiviteiten, waarvan de bekostiging wordt onttrokken aan het primaire proces? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze visie deel ik niet. Het doen van praktijkgericht onderzoek is een wettelijke taak van hogescholen en behoort daarmee tot het primaire proces. Het doen van praktijkgericht onderzoek door hogescholen bevordert de kwaliteit van het onderwijs. Het is van groot belang dat het onderwijs gebaseerd is op «state of the art» kennis uit het onderzoek. Ook de arbeidsmarkt vraagt meer en meer om hbo-professionals die beschikken over academische vaardigheden. Het integreren van onderzoeksvaardigheden in het curriculum komt de kwaliteit van het onderwijs en de waarde van de afgestudeerde op de arbeidsmarkt ten goede.
Dat het om honderden miljoenen euro’s gaat, kan ik niet bevestigen. Uit de brancherapportage onderzoek 2009/2010, die is uitgebracht door de HBO-raad, blijkt dat hogescholen in het jaar 2009 gezamenlijk ongeveer honderd miljoen euro tot hun beschikking hadden om praktijkgericht onderzoek uit te voeren. Driekwart daarvan bestaat uit publieke middelen die hogescholen ontvangen om hun wettelijke taak tot «het doen van praktijkgericht onderzoek» ook daadwerkelijk vorm te kunnen geven. Dit betreft de middelen uit het RAAK-programma en het ontwerp- en ontwikkelbudget binnen de lumpsum. Een kwart van de genoemde honderd miljoen euro is afkomstig van internationale, private en andere publieke bronnen. De middelen voor praktijkgericht onderzoek worden zoals uit de brancherapportage naar voren komt niet onttrokken aan het primaire proces en zorgen juist voor extra private investeringen die ten goede komen aan het primaire proces.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen van de auteurs met betrekking tot het inschakelen van de Algemene Rekenkamer, het inzetten van een verplichte matrix, transparantie in de jaarverslagen, landelijke examens en de versterking van de positie van de docent?
Tijdens het wetgevingsoverleg van 21 maart 2011 over het wetsvoorstel «Ruim baan voor talent» is motie 32 253, nr.15 ingediend waarmee de Tweede Kamer uitspreekt dat de Algemene Rekenkamer onafhankelijk onderzoek dient te doen naar overhead in het Nederlands hoger onderwijs. Deze motie is dinsdag 28 maart 2011 tot mijn genoegen door de Tweede Kamer aangenomen.
Een woordvoerder van de NMA die openlijk twijfelt aan het nut van een onderzoek |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel op www.autointernationaal.nl waarbij een woordvoerder van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) openlijk twijfelt aan het nut van een onderzoek naar de brandstofprijzen?1
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel.
Deelt u de mening dat dit een vooringenomen indruk maakt en dus wellicht een objectief onderzoek in de weg kan staan? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uit het door u aangehaalde artikel kan niet worden opgemaakt dat (de woordvoerder van) de NMa twijfelt aan het nut van een onderzoek naar de brandstofprijs. Volgens het artikel heeft de woordvoerder van de NMa slechts bevestigd dat haar eerdere onderzoeken geen aanleiding geven tot nader onderzoek naar mogelijke overtredingen van de Mededingingswet.
Bent u ook van mening dat het wellicht beter is om het onderzoek te laten uitvoeren door een instantie die zich niet laat leiden door resultaten uit een (ver) verleden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb besloten het onderzoek, in navolging van vergelijkbaar onderzoek uit 2009 naar de hoogte en totstandkoming van de benzineprijs, uit te laten voeren door een extern onderzoeksbureau. Ik heb overigens geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat sprake is van enige vooringenomenheid bij de NMa over een onderzoek naar de brandstofprijs.
Deelt u de mening dat er haast gemaakt dient te worden met het onderzoek, gezien de recordsnelheid waarmee de brandstofprijzen nu worden verhoogd door de oliemaatschappijen, ondanks de aanwezigheid van zeer grote (goedkopere) olievoorraden? Zo nee, waarom niet?
Beide onderzoeken naar de benzinemarkt zijn inmiddels uitgezet bij externe onderzoeksbureaus. Ik zal uw Kamer voor 1 juni 2011 informeren over de resultaten van het onderzoek naar de knelpunten bij het ontwikkelen van prijsvergelijkingsdiensten en streef ernaar uw Kamer kort na de zomer te informeren over de resultaten van het onderzoek naar de werking van de benzinemarkt en de opbouw van de brandstofprijs.
Het voornemen tot opheffing van de gemeente Millingen aan de Rijn |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen over het voornemen tot opheffing van de gemeente Millingen aan de Rijn?1
Ja.
Is het bericht waar?
Ja. Bij brief van 15 maart 2011 geeft het college van de gemeente Millingen aan de Rijn aan, dat voor «een structurele oplossing» voor de problematiek van deze gemeente «een gemeentelijke herindeling onvermijdelijk is».
Zo ja, kan de Kamer een afschrift van de brief van het gemeentebestuur van Millingen aan de Rijn ontvangen?
Ja, zie de bijlage.
Is het waar dat omliggende gemeenten als Ubbergen en Groesbeek een fusie hebben geweigerd?
Het college van Millingen aan de Rijn heeft de besturen van omliggende gemeenten gevraagd een reactie te geven op een eventuele gemeentelijke herindeling. Het college van de gemeente Groesbeek geeft bij brief van 4 maart 2011 aan dat er veel bestuurlijk draagvlak bestaat voor intensieve samenwerking met Millingen aan de Rijn, maar niet voor een samenvoeging van deze gemeenten. Het college van Millingen aan de Rijn heeft echter (nog) geen standpunt van het gemeentebestuur van Ubbergen ontvangen.
Wat heeft de provincie in haar rol van toezichthouder gedaan om de problemen van Millingen aan de Rijn op te lossen? Waarom is dat tot op heden niet gelukt?
De rol van de provincie Gelderland als toezichthouder op de gemeente Millingen aan de Rijn is, chronologisch, als volgt geweest.
Vanwege de zorgelijke financiële situatie in 2005 is Millingen aan de Rijn in dat jaar onder preventief toezicht geplaatst door gedeputeerde staten van Gelderland. In samenwerking met de toenmalige Inspectie Financiën Lokale en provinciale overheden (IFLO) is in 2005 door de provincie een begrotingsscan opgesteld. Mede dankzij het opvolgen van de aanbevelingen in deze scan, is Millingen aan de Rijn tussen 2006–2009 er weer in geslaagd om sluitende begrotingen vast te stellen. In 2007/2008 heeft het gemeentebestuur van Millingen aan de Rijn een bestuurskrachtmeting uitgevoerd, waarbij de provincie Gelderland ondersteuning heeft geboden. Als uitvloeisel van deze meting is onder andere de ambtelijke organisatie van de gemeente Millingen aan de Rijn in 2009 ondergebracht bij de gemeente Groesbeek. Met financiële steun van de provincie is dit tot stand gebracht. Toen in het voorjaar 2009 bleek dat de financiële perspectieven van Millingen aan de Rijn aanmerkelijk verslechterden, is door de provincie, in overleg met het gemeentebestuur, een stappenplan opgesteld over de financiële problematiek.
In 2010 is Millingen aan de Rijn voor de tweede keer onder preventief toezicht van de provincie geplaatst en is opnieuw een begrotingsscan uitgevoerd. De uitkomsten hiervan betekenden een beter inzicht in de financiële positie van de gemeente. De aanbevelingen uit de scan zijn zoveel mogelijk in de begroting 2011 verwerkt, maar leidden niet tot een verbetering van de financiële positie. Op basis van de uitkomsten van de begroting 2011 en meerjarenbegroting 2012–2014 heeft de gemeenteraad van Millingen aan de Rijn in november 2010 besloten voor het begrotingsjaar 2011 een aanvraag te doen voor een aanvullende uitkering uit het Gemeentefonds op grond van artikel 12 Financiële verhoudingswet.
De financiële problematiek van Millingen aan de Rijn is het gevolg van een combinatie van factoren. Mede als gevolg van de economische recessie wordt deze gemeente al enige jaren geconfronteerd met hogere uitgaven in het kader van de WMO en de WWB. Verder blijkt uit de begrotingsscan, dat het deze gemeente ontbeert aan mogelijkheden om extra inkomsten te genereren, bijvoorbeeld uit aandelen in nutsbedrijven en uit grondexploitatie. De aanbevelingen uit de scans en bestuurkrachtmeting zijn weliswaar opgevolgd maar hebben een beperkte positieve invloed gehad en zijn derhalve onvoldoende gebleken om de financiën van Millingen aan de Rijn duurzaam op orde te krijgen.
Bent u bereid om op de kortst mogelijke termijn maatregelen te nemen die een antwoord bieden op de problemen van de gemeente Millingen aan de Rijn en de Kamer daarover te rapporteren?
Zoals in de beantwoording van de vorige vraag is aangegeven, heeft Millingen aan de Rijn voor het begrotingsjaar 2011 een aanvraag gedaan voor aanvullende uitkering uit het Gemeentefonds op grond van artikel 12 Financiële verhoudingswet. De besluitvorming over deze aanvraag zal plaatsvinden op grond van de daarvoor geldende procedure en termijnen.
Het bevorderen van de oplossing van de problemen van de gemeente Millingen aan de Rijn is een eerste verantwoordelijkheid van het provinciebestuur van Gelderland. Ik ga er van uit, dat het provinciebestuur van Gelderland deze rol zal oppakken.
Het bericht dat de Pantar-busjes blijven rijden |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u – gezien de tegenstrijdige berichtgeving – uitsluitsel geven of de gemeente Amsterdam bezuinigt op het woonwerk-vervoer voor geindiceerden voor de Sociale Werkvoorziening (SW) op de sociale werkplaats Pantar in Amsterdam? Kunt u dit toelichten?12
Het is aan de gemeente Amsterdam om een keuze te maken op welke wijze zij haar beleid omtrent woon-werkverkeer van Wsw-werknemers vorm geeft.
De gemeente Amsterdam meldt in de rapportage «Naar een SW met toekomst», waaraan uw Kamer ook refereert, dat van de collectieve vervoersvoorziening wordt overgestapt op maatwerk. Uitgangspunt hierbij is dat niemand van de sw-medewerkers zijn werk verliest als gevolg van deze maatregel en waar nodig wordt de collectieve vervoersvoorziening in stand gehouden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Amsterdam in haar beleidsvoorstellen niet kan uitsluiten dat mensen met een SW-indicatie worden ontslagen? Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat uw toezegging – dat iedereen die nu in de Wsw zit zijn beschutte werkplek behoudt – gestand blijft?34
Allereerst maakt het bericht melding van bezuinigingen op het personeelsbestand van Pantar zelf en dus niet de Wsw-doelgroep. Zoals Amsterdam in haar rapport aangeeft, zal er bespaard moeten worden op de bedrijfsvoering van Pantar.
Voor zover er wordt bespaard in relatie tot de doelgroep, ziet dit op de kosten voor het woon-werkverkeer en kantinefaciliteiten. De beoogde bezuinigingen hebben als uitgangspunt dat niemand van de Wsw-ers zijn werk verliest, zoals bij het antwoord op vraag 1 al is opgemerkt.
In het spoeddebat inzake Pantar op 1 maart jl. heb ik gezegd dat er in de begroting voor het jaar 2011 een bezuiniging van € 120 mln. is opgenomen. Ik heb daarbij uitvoerig gemotiveerd waarom er ruimte moet zijn om de subsidie per Wsw-plek te verlagen. Tevens heb ik daarbij aangegeven dat het Rijk de taakstelling – voor wat betreft het aantal te realiseren Wsw-plekken – vaststelt en het daarbij behorende budget ter beschikking stelt. De gemeenten en sociale werkplaatsen kunnen op veel verschillende manieren invulling geven aan die bezuiniging. Gemeenten en de sociale werkbedrijven zijn het beste in staat om het nodige maatwerk te leveren. Aan de rechten en plichten van het huidige, zittende, Wsw-bestand met een indicatie verandert niets als gevolg van het Rijksbeleid.
Kunt u uiteenzetten hoeveel medewerkers van Pantar op basis van de plannen van de gemeente Amsterdam worden ontslagen (onderverdeeld in SW-medewerkers en niet-SW-medewerkers)?
In haar persbericht van 9 maart 2011 meldt de gemeente Amsterdam dat de besparingen op de Wsw onder andere worden gerealiseerd door te snijden in het personeelsbestand van Pantar zelf. Ik heb echter geen kennis van de invulling die de gemeente Amsterdam hieraan geeft en dit betreft ook een beleidsverantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam. In haar persbericht meldt de gemeente Amsterdam wel dat de invulling van de besparing niet leidt tot baanverlies van Wsw-werknemers.
Hoeveel tijdelijke medewerkers bij Pantar krijgen geen contractverlenging door deze bezuinigingen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben andere sociale werkplaatsen in Nederland ook plannen om mensen met een SW-indicatie te ontslaan? Zo ja, welke?
Ik heb geen kennis van plannen voor het ontslaan van werknemers met een Wsw-indicatie. Ik heb inmiddels kennis genomen van het voornemen van de Roteb in Rotterdam om 212 tijdelijke contracten voor mensen met een Wsw-indicatie niet te verlengen. De Roteb onderzoekt de mogelijkheden om deze mensen opnieuw aan het werk te helpen.
Bijstand bij sporenonderzoek |
|
André Bosman (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Militairen assisteren in sporenonderzoek op St. Maarten»?1
Ja.
Klopt het dat de minister van Defensie het verzoek voor zogenaamde «harde militaire bijstand» van bemanningsleden van Hr. Ms. Rotterdam aan Sint Maarten heeft goedgekeurd? Welke aanleiding was daartoe?
Begin maart heeft de Gouverneur van Sint Maarten de minister van Defensie verzocht om militaire bijstand ter ondersteuning van de politie van Sint Maarten. Naar aanleiding van dit verzoek zijn twintig militairen van het stationsschip Hr.Ms. Rotterdam ingezet ten behoeve van (sporen)onderzoek naar vier levensdelicten die kort na elkaar waren gepleegd. Bij dit type delict is het van groot belang om zo spoedig mogelijk sporen veilig te stellen. De inzet van de militairen heeft bijgedragen aan een succesvol verloop van het sporenonderzoek.
Op basis van welke regelgeving vindt deze bijstand plaats?
De militaire bijstand is verleend op grond van het Koninklijk besluit van 3 juli 1987 betreffende aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen en Aruba.
Hoe lang heeft deze bijstand geduurd?
De bijstand is verleend op 8 maart jl. van 08:00 uur tot 13:30 uur plaatselijke tijd.
In hoeverre zijn de bemanningsleden van Hr. Ms. Rotterdam adequaat getraind en uitgerust om sporenonderzoek uit te voeren?
De militairen traden op onder leiding van de korpschef van het Politiekorps van Sint Maarten en onder gezag van de betrokken zaaksofficier van Justitie. Het zoeken naar bewijsmateriaal had plaats onder de directe leiding en met instructies van de politie. De instructies van de politie hadden onder meer betrekking op de herkenning en behandeling van bewijsmateriaal. Vanwege het karakter van de taakuitoefening zijn de militairen onbewapend en zonder geweldsinstructies ingezet.
Wie was de eindverantwoordelijke voor de bemanningsleden tijdens hun inzet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke «rules of engagement» waren er voor de bemanningsleden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe is de financiering van de kosten van deze inzet geregeld?
De additionele uitgaven van inzet van de krijgsmacht voor militaire bijstand en steunverlening worden ten laste gebracht van het fonds Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht (FNIK).
Hoe kan het tekort aan politieagenten voor een sporenonderzoek op Sint Maarten verklaard worden? Loopt het verbeterplan korps politie Sint Maarten op schema?
Door een toevallige samenloop van meerdere incidenten en publieksevenementen waarbij inzet van politie noodzakelijk was, ontstond op Sint Maarten een tekort aan politiecapaciteit. Er was niet alleen politiecapaciteit nodig voor de genoemde levensdelicten maar ook voor meerdere verkrachtingszaken. Daarnaast werden in deze periode het carnaval en de grootste manifestatie van Sint Maarten gehouden, de Heinekenregatta.
Vanwege onderbezetting bij de politie zijn, in het kader van het staatkundig proces, afspraken gemaakt over een minimale sterkte van het korps in 2011. In het plan van aanpak voor de politie is met die afspraken rekening gehouden. Het plan van aanpak korps politie is momenteel in uitvoering en over de voortgang wordt periodiek gerapporteerd door de voortgangscommissie. De eerste rapportage van de commissie wordt binnenkort verwacht. Over de voortgang van de uitvoering van de plannen van aanpak zal uw Kamer worden geïnformeerd.
In hoeverre is de politie van Sint Maarten op dit moment in staat haar politietaken adequaat uit te voeren, zodat de veiligheid van de bevolking niet in het geding komt?
Zie antwoord vraag 9.
Nieuwe maatregelen tegen vogels bij Schiphol |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat u voor de zomer maatregelen wilt nemen om een grotere zone rondom Schiphol onaantrekkelijk te maken voor vogels?1
Zoals u weet bevat het huidige Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol een zonegebied van 6 kilometer waarbinnen geen nieuwe vogelaantrekkende functies zijn toegestaan. Ik onderzoek de mogelijkheden om deze zone op te rekken naar minimaal 10 kilometer. Dit onderzoek is al gaande. Vanwege de zorgvuldigheid en de benodigde bestuurlijke afstemming kan ik niet garanderen dat de maatregelen voor de zomer al in werking treden.
Is het waar dat de provincie bevoegd gezag is? Zo ja, is er in dezen ook contact gezocht met de provincie en deelt de provincie deze aanpak?
Nee. Dergelijke maatregelen worden genomen op basis van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol onder de Wet luchtvaart en vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M). Vanzelfsprekend vindt er wel afstemming over de aanpak plaats tussen mijn ministerie en de andere departementen en de provincies. In de Regiegroep Vogelaanvaringen zijn o.a. het ministerie van I&M en de provincie Noord-Holland, mede namens de provincie Zuid-Holland en Utrecht, vertegenwoordigd.
Kunt u aangeven op welke manier u de natte natuur binnen de zone wilt weren?
Uitgangspunt is de huidige beperkingenzone zoals vastgelegd in het LIB Schihol uit te breiden. In deze zone gelden beperkingen voor vogelaantrekkende bestemmingen, zoals onder andere natte natuurgebieden.
Blijft de bestemming van de gronden die nu natte natuur zijn en binnen 13 kilometer van Schiphol liggen natuur? Zo nee, wat wordt de bestemming dan? Wordt het verlies van deze gronden ergens anders gecompenseerd?
De beperkingen gelden niet voor bestaande natte natuur. Voor bestaande bestemmingen stimuleer ik beheers- en inrichtingsmaatregelen die ervoor zorgen dat er minder vogels aangetrokken worden.
Deelt u de mening dat landbouw ook een vogelaantrekkelijke activiteit is? Zo ja, maakt landbouw of de teelt van bepaalde gewassen ook deel uit van de te weren activiteiten? Zo nee, op welke wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Ja, over het algemeen fungeren landbouwgronden als foerageergebieden voor een groot aantal vogelsoorten. Een verbod op landbouw in de vogelbeperkingenzone wordt door mij niet overwogen. Wel lopen er pilots naar de mogelijkheden om via aangepast oogsten invloed uit te oefenen op het foerageren van de vogelsoorten die een risico vormen voor de luchtvaart. Ook wordt een onderzoek gestart naar de mogelijkheden van teelt van andere gewassen.
Kunt u een overzicht geven van de vogelaantrekkelijke activiteiten die rondom Schiphol verboden worden?
Mijn intentie is om geen wijzigingen aan te brengen in de opsomming van grondgebruik en bestemmingen die in het huidige luchthavenindelingsbesluit niet zijn toegestaan. Dit zijn:
Zoals hiervoor aangegeven is uitgangspunt de werkingssfeer hiervan te vergroten.
Heeft de Regiegroep Vogelaanvaringen haar onderzoek inmiddels afgerond naar het vlieg- en foerageergedrag van ganzen en het verband met de agrarische gronden? Zo ja, wat zijn de resultaten van dit onderzoek? Zo nee, wanneer worden de resultaten van dit onderzoek bekend en worden deze betrokken bij het maatregelenpakket in de zomer?
De genoemde onderzoeken worden onder de regie van de Regiegroep Vogelaanvaringen uitgevoerd op verzoek van respectievelijk Luchthaven Schiphol/Provincie Noord-Holland en Luchthaven Schiphol/Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het onderzoek naar het vlieggedrag van ganzen bevindt zich in de afrondingsfase. Ik verwacht dat de resultaten nog meegenomen kunnen worden bij de besluitvorming over het maatregelpakket. Overwogen wordt om het onderzoek naar het foerageergedrag van ganzen door te trekken tot het komende najaar alvorens conclusies te trekken.
Is, nu de zone rondom Schiphol wordt vergroot, de inzet van de Regiegroep Vogelaanvaringen nog steeds om te kijken naar oplossingen zonder de bestemming van agrarische gronden te veranderen?2 Zo ja, waarom is dat zo? Denkt u niet dat bij wering van overige vogelaantrekkende activiteiten agrarische gronden een extra aantrekkingskracht zullen hebben? Zo nee, kunt u aangeven waarom de landbouwbestemming buiten schot dient te blijven anders dan de natuurbestemming?
Ja, onder regie van de Regiegroep worden diverse maatregelen nagegaan. Als de onderzoeken, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7, zijn afgerond kunnen de conclusies vertaald worden naar maatregelen. Ik wil daar nu nog niet op vooruit lopen.
Een beleidsadvies meer ruimte te creëren voor de islam |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Geen colleges meer tijdens vrijdaggebed»?1
Ja.
In hoeverre bent u van mening dat het advies van deze voormalige hoogleraar om o.a. geen colleges meer te geven tijdens het vrijdagmiddaggebed of het Offerfeest en meer gebedsruimtes in kazernes, gevangenissen en provinciehuizen te realiseren, een ronduit absurd advies is?
Ik zie geen aanleiding voor een reactie op dit advies, dat door de auteur op persoonlijke titel is geschreven voor een denktank van de Europese Volkspartij. In het algemeen kan gesteld worden dat het rekening houden met de diverse samenstelling van de bevolking door overheden, instellingen en bedrijven een uiting is van westerse waarden zoals geloofsvrijheid en tolerantie. Hoe men hier in Nederland mee omgaat is aan overheden, instellingen en bedrijven zelf, uiteraard binnen de algemeen geldende wettelijke kaders.
Bent u het eens met de stelling dat het meewerken aan het vergroten van de invloed van de islam op Nederland, zoals het advies luidt, de integratie eerder tegenwerkt dan bevordert? Zo nee, waarom niet?
Dit advies gaat niet over het vergroten van de invloed van de islam op Nederland. Het vraagt om rekening te houden met de gewoonten en overtuigingen van de bevolking opdat een ieder zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging in vrijheid kan uitoefenen.
Deelt u de visie dat er sprake is van een toename van de invloed van de islam op Nederland, de zogenaamde islamisering? Zo nee, hoe noemt u deze toenemende invloed van de islam op Nederland dan?
Nee, rekening houden met het toegenomen deel van de Nederlandse bevolking dat zich tot de islam rekent is zoals reeds gesteld in het antwoord op vraag 2, een uiting van westerse waarden van geloofsvrijheid en tolerantie.
Bent u bereid u helder en krachtig uit te spreken tegen dit, door een verschrikkelijk dhimmitude geïnspireerd, advies? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
De uitgaven aan de ontwikkeling van het Elektronisch Patiëntendossier (EPD) |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat een groot deel van de 300 miljoen euro die reeds is uitgegeven aan de ontwikkeling van het EPD is aangewend voor zaken als adviezen, pilots en communicatie? Zo ja, kunt u de uitgaven specificeren?1
Het genoemde bedrag spreidt zich uit over een periode van 10 jaar. Zoals aangegeven in diverse voortgangsrapportages is bij de ontwikkeling van het EPD gebruik gemaakt van adviezen, pilots en communicatie. Ik noem een aantal voorbeelden:
Voor nadere detaillering verwijs ik u naar de bijlage.2
Vallen de uitgaven binnen de begroting of dreigt er een tekort? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in het overzicht in de bijlage de kosten weergegeven. Dit overzicht valt uiteen in twee delen, een deel betreft externe adviseurs en managers voor de operatie van het UZI-register, het tweede deel betreft externe inhuur met betrekking tot projecttaken.
Gelet op de afwijzing van de EPD-wet door de Eerste Kamer is alle in de bijlage opgenomen externe inhuur actief op de lopende projecten per 31 maart jl. opgezegd. Gelet op de opzegtermijn van 1 maand zijn deze dus per 1 mei a.s. niet meer actief.
De inhuur van de flexibiele krachten door het CIBG is tot stand gekomen conform de inkoopvoorwaarden van de Rijksoverheid.
Hoeveel externe adviseurs en managers werken er bij het Unieke Zorgverlener Identificatie (UZI)-register? Wilt u voor elk van deze externe krachten de functieomschrijving en het uurloon specificeren? Wat zijn de totale uitgaven aan externen bij het UZI-register op jaarbasis?
Voorloper RAAC
(tot dec 2009)
RAAC
Realisatie
€ 0,18 miljoen
€ 1,4 miljoen
Beheer
€ 0,18 miljoen per jaar
€ 0,4 miljoen per jaar
Hosting
€ 0,13 miljoen per jaar
€ 0,58 miljoen per jaar
De doorontwikkeling van het registratiesysteem RAAC bij het CIBG bedroeg in 2010 € 0,4 miljoen.
Voor de ontwikkeling, beheer en hosting van webformulieren is in de periode 2008 – 2010 een bedrag van € 0,25 miljoen besteed.
De productie van UZI-passen is uitbesteed aan een externe partij en voor het beheer, onderhoud en hosting geldt een verplichting van € 1,3 miljoen voor 2011.
Kunt u de chronologische en kostenontwikkeling van de verschillende ICT-systemen, waaronder RAAC en zijn voorloper, webformulieren ed., uiteenzetten en de actuele stand van zaken omschrijven?
Het proces van een UZI-pas aanvraag van het CIBG bestaat uit 3 stappen.
Deze processen van het UZI-register zijn gecertificeerd op basis van ETSI TS 101 456 en NEN-EN-ISO 9001:2008. Een onafhankelijke auditor toetst jaarlijks of aan de gestelde normen en standaarden wordt voldaan.
Bij de aanvraag voor een eerste pas stuurt de pashouder een uitgeprint aanvraagformulier voorzien van een handtekening met een kopie WID en pasfoto toe. Het UZI-register neemt om uiterste zorgvuldigheid te betrachten de exacte persoonsgegevens van het kopie WID over in het registratiesysteem. Wanneer na 3 jaar een nieuwe pas wordt aangevraagd, wordt gebruik gemaakt van de reeds beschikbare gegevens in het systeem.
Het aantal aanvragen bij het UZI-register verschilt per maand. Om de pieken en dalen efficiënt op te vangen wordt, naast een vaste kern medewerkers, gebruik gemaakt van inzet van uitzendkrachten. Deze inzet is flexibel en het aantal fte wordt aangepast aan het aantal aanvragen dat wordt ontvangen.
Het CIBG heeft momenteel (maart 2011) een inzet van 24 fte aan uitzendkrachten. Hiermee is jaarlijks € 1,5 miljoen gemoeid. Het is de intentie deze inzet te minimaliseren door verdere automatisering.
Kunt u omschrijven op welke wijze de aanvragen voor een UZI-pas worden verwerkt? Is het waar dat de op de website ingevulde formulieren handmatig moeten worden overgetypt door uitzendkrachten? Om hoeveel uitzendkrachten gaat het, wat zijn de kosten en hoe verhoudt deze inzet van uitzendkrachten zich tot de beoogde automatisering?
Het CIBG geeft aan dat er met de distributie van de passen, waaronder ook de verzending aan de postkantoren en de postagentschappen in 2010 een bedrag is gemoeid van € 0,42 miljoen.
Wat zijn de kosten van de distributie, onder meer van de verzending naar postagentschappen?
Het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz) heeft op basis van beleidsmatige en technische impactanalyses de uitvoerbaarheid onderzocht. De uitkomst van deze impactanalyses is dat de realisatie van gedifferentieerd bezwaar uitvoerbaar is en in het tweede kwartaal van 2011 gereed kan zijn. De beleidsmatige impactanalyse is reeds in bezit van de Kamer. De kosten van de impactanalyses bedragen
€ 62 379.
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. Verdere realisatie zal niet meer door mij kunnen worden ondersteund conform motie X. Verder initiatief is derhalve aan Nictiz en het zorgveld.
Wat is de status van de mogelijkheid voor de patiënt om gedifferentieerd bezwaar te maken? Op welke wijze en tegen welke kosten is de uitvoerbaarheid onderzocht en wat is de uitkomst van dat onderzoek?
Mede op basis van input uit het zorgveld is door het UZI-register een voorstel gedaan voor de mogelijke oplossingsrichtingen voor een UZI-reservepas. Op deze mogelijke oplossingsrichtingen heeft een externe review aangevuld met aanvullend onderzoek plaatsgevonden. De kosten hiervoor bedragen € 9 105. + € 25 000 = € 34 105.
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. De behoefte voor een reservepas is voortgekomen uit continuïteitsoverwegingen ten behoeve van de beschikbaarheid van de LSP-dienstverlening. Derhalve heroverweeg ik de realisatie van de reservepas.
Wat is de status van de ontwikkeling van UZI-reservepassen? Op welke wijze en tegen welke kosten is hiernaar onderzoek gedaan en wat is de uitkomst van dit onderzoek?
De productie van UZI-passen is uitbesteed aan Getronics, en de contractomvang bedraagt € 1,3 miljoen voor 2011.
De productie van één UZI-pas is € 10,25. De kostprijs van één UZI-pas bedroeg in 2010 € 356.
Aan welk bedrijf is de daadwerkelijke productie van de UZI-passen uitbesteed en wat is de omvang van het contract?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel kost de productie van één UZI-pas in totaal en wat is hierover uw opvatting?
De UZI-pas kan generiek worden gebruikt waardoor niet is te zeggen welk deel van de totale kosten van de UZI-pas voor rekening van het EPD komt.
Welk deel van de totale kosten van de UZI-pas komt voor rekening van het EPD?
Ja, de verantwoordelijkheid voor dit beleidsdossier is belegd bij de directie MEVA, met inzet van medewerkers vanuit het reguliere personeelsbudget.
Is uw Directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsvoorwaardenbeleid (MEVA) betrokken bij de ontwikkeling van het EPD en projecten die daarmee samenhangen? Zo ja, op welke wijze precies en tegen welke kosten?
Op grond van welke criteria wordt bepaald welke taken door het Centraal Informatie punt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) worden uitgevoerd en welke door Nictiz?
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. Dit betekent dat er van structurele financiële betrokkenheid geen sprake meer zal zijn.
Vallen de totale kosten van het EPD-project binnen het structurele VWS-budget voor ICT in de zorg, of moeten incidentele middelen worden toegevoegd? Wilt u uw antwoord toelichten en specificeren?
Het onderdeel over de invoering van de landelijke infrastructuur in de rapportage grote ICT-projecten zal aansluiten op de eerdere rapportages. De CIO Rijk zal de rapportage over 2010 op 18 mei a.s. aan uw Kamer doen toekomen.
Welke onderdelen van het EPD-project zullen worden toegevoegd aan de volgende rapportage grote ICT-projecten van de rijksoverheid? Wanneer zal de nieuwe rapportage door uw collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Kamer worden gestuurd?
Wietteelt in woningen |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Ger Koopmans (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter inzake het niet sluiten van een woonhuis waar hennepplanten zijn aangetroffen1 en van het artikel «Venlo mag «hasjpand» niet sluiten»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de vraag of artikel 13b van de Opiumwet gebruikt kan worden voor het aanpakken van illegale wietteelt in woningen?
Het telen van hennep is een strafbaar feit. Voor de bestrijding van deze vorm van criminaliteit biedt de Opiumwet een ruim strafrechtelijk instrumentarium. Artikel 13b van de Opiumwet is als bestuursrechtelijk instrument in de wet opgenomen om te kunnen optreden tegen ongewenste situaties die met inzet van het strafrecht niet duurzaam konden worden beëindigd. Dit betreft situaties waarbij het strafrechtelijk optreden, dat per definitie is gericht tegen de dader, niet kan verhinderen dat zijn plaats onmiddellijk wordt ingenomen door een derde die de criminele activiteiten voortzet. Dat is ook de reden dat artikel 13b is beperkt tot het verkopen, afleveren en verstrekken van drugs.
Het telen van hennep in woningen kan adequaat worden beëindigd met behulp van artikelen 3 jo 11 van de Opiumwet. Daarbij wordt de hele kweekinstallatie ontmanteld en worden de planten en al het materiaal dat voor het telen is gebruikt in beslag genomen. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de verboden activiteit wordt voortgezet door een derde.
Voor de goede orde wijs ik overigens op een ontwikkeling in de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld LJN: BN8193 en LJN: BO4798) waarin wordt geoordeeld dat artikel 13b van de Opiumwet kan worden toegepast ten aanzien van een woning in geval van hennepteelt, als aannemelijk is dat de in die woning aangetroffen hennepplanten een handelshoeveelheid betreffen. Tenslotte vermeld ik nog dat de burgemeester met toepassing van bestuursdwang kan overgaan tot het sluiten van een woning op grond van artikel 17 van de Woningwet (artikel 97 van de Woningwet oud), als bij het telen van hennep in die woning sprake is van gevaarzetting en een klaarblijkelijk gevaar op herhaling van de overtreding bestaat.
Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet te wijzigen.
Deelt u de opvatting dat, als het kunnen gebruiken van artikel 13b van de Opiumwet niet aan de orde is, het noodzakelijk is om met een wetswijziging te komen die het mogelijk maakt om in het geval van (bedrijfsmatige) teelt van verdovende middelen in een woning het pand door de gemeente (tijdelijk) te laten sluiten?
Zie antwoord vraag 2.
De BAPO-regeling |
|
|
|
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Waren de cijfers van de VO-raad, waaruit blijkt dat de kosten voor de BAPO-regeling1 in het voortgezet onderwijs van € 100 miljoen in 2000 zijn gestegen naar € 220 miljoen in 2010, bij u bekend vóór RTL-Nieuws deze naar buiten bracht?2 Zo ja, hoe lang reeds? Zo nee, waarom niet?
Deze cijfers waren mij niet bekend, wel bereiken mij soms signalen over een stijging van de kosten die met de BAPO-regeling gemoeid zijn. De verantwoordelijkheid voor de loonkostenontwikkeling, waaronder de kosten van de BAPO-regeling, ligt echter bij de (door onderwijswerkgevers gemandateerde) VO-raad die via het arbeidsvoorwaardenoverleg sturing kan geven aan de loonkostenontwikkeling.
Kunt u aangeven of meer berichten u hebben bereikt over de stijgende BAPO-kosten in het voortgezet onderwijs?
Ja, zie ook antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de VO-raad, als werkgeversorganisatie, zelf betrokken is geweest bij de invulling van de BAPO-regeling door schoolbesturen? Deelt u de mening dat diezelfde VO-raad op basis van het feit dat er steeds meer oudere leraren zijn en de pensioenskosten flink zijn gestegen, deze kostenstijging had moeten voorzien?
De VO-raad is inderdaad als werkgeversvertegenwoordiging in het arbeidsvoorwaardenoverleg samen met de vakbonden verantwoordelijk voor de inhoud van de BAPO-regeling. Een stijging van de BAPO-kosten als gevolg van de vergrijzing en het afschaffen van VUT-regelingen, waardoor meer en langer aanspraak op de BAPO-regeling zal worden gemaakt, was te voorzien. Ook de VO-raad is zich hiervan bewust geweest, gezien hun inzet om in het overleg over de nieuwe cao VO te willen praten over een bezinning op de toekomst van de BAPO-regeling.
Deelt u de mening dat door deze kostenstijging de vrees bestaat dat er te weinig geld overblijft voor de instroom van jonge, enthousiaste docenten?
Er is geen directe relatie tussen de BAPO-lasten en de mogelijkheid tot het aantrekken van jonge docenten. Evenmin overigens als tussen de leeftijd van een docent en zijn of haar enthousiasme.
Hoe ziet u de toekomst van deze regeling?
De VO-raad is hier aan zet samen met de vakbonden in het voortgezet onderwijs. Ik hoop dat het overleg tussen deze partijen leidt tot een regeling die zich meer richt op een levensfasebewust personeelsbeleid.
Het recente geweld tegen Koptische christenen in Egypte |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over recent geweld tussen moslims en Kopten in Egypte?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de aanleiding voor de gewelddadige clash tussen moslims en Kopten op 8 maart 2011, met 13 doden en meer dan 140 gewonden, lag in het feit dat moslims in Helwan een kerk hebben platgebrand en, om zout in de wonden te strooien, vervolgens dinsdag terugkwamen op diezelfde plek om massaal te bidden?
Op 8 maart jl. heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen moslims en christenen in de wijk Mokattam in Cairo. De aanleiding voor dit geweld was de vernieling van een kerk in Sol (Helwan). Deze is vernield en in brand gestoken na een uit de hand gelopen ruzie over een relatie tussen een koptische man en een islamitische vrouw waarbij familieleden van beide betrokkenen zijn omgekomen. De kerk wordt weer door de Egyptische strijdkrachten opgebouwd.
De door u genoemde aantallen aanwezige moslims en christenen kan ik niet bevestigen. Volgens de Egyptische autoriteiten zijn bij de gevechten vijftien doden gevallen, waarvan in elk geval tien kopten. Ook waren er meer dan honderd gewonden. Volgens koptische ooggetuigen zouden er zowel door het Egyptische leger als door burgers schoten zijn gelost. Het leger zegt slechts in de lucht te hebben gevuurd om de menigte uiteen te drijven.
Naar aanleiding van de confrontaties tussen moslims en kopten in Sol en Mokattam heeft de Nederlandse ambassade op 10 maart jl. een bezoek gebracht aan Mokattam. Hier is met een aantal koptische geestelijken gesproken. Zij benadrukten dat de verhouding tussen de christenen en de moslims in de wijk gewoonlijk goed is.
Op 12 maart jl. is door de Nederlandse ambassade eveneens een bezoek gebracht aan Sol. Uit gesprekken met christelijke inwoners werd duidelijk dat ook het conflict in Sol niet representatief is voor het dagelijks leven aldaar. Volgens de inwoners leven moslims en christenen daar gewoonlijk vreedzaam naast elkaar. Vooraanstaande geestelijken van beide zijden hebben Sol inmiddels ook bezocht en pleiten voor verdraagzaamheid.
Is het waar dat 1000 Kopten die demonstreerden tegen het platbranden van die kerk, werden beschoten door moslims? Worden in die omgeving christelijke huizen en werkplaatsen regelmatig onder vuur genomen en demonstrerende christenen gestenigd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat in de buitenwijk Mokattam van Cairo een menigte van 15 000 moslims een groep van 500 demonstrerende Kopten aanviel met stenen en een Koptisch klooster bekogelde met molotov-cocktails? Heeft vervolgens het Egyptisch leger, tezamen met de moslims, met scherp geschoten op de Kopten waarbij 9 van hen om het leven kwamen en 150 van hen werden gewond?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gedurende de 18-daagse Egyptische revolutie in januari 2011 christenen (gemeld wordt: 24 personen) afgeslacht door moslims de hun kans schoon zagen?
Tijdens de revolutie zijn in Sharona (Opper-Egypte) op 30 januari jl. acht christenen en een moslim gedood. Het ging hierbij om een familievete naar aanleiding van een interreligieuze relatie. Er zijn daarnaast gedurende de revolutie meer dan 350 mensen omgekomen, ook christenen, maar zij kwamen niet om door sektarisch geweld.
Indien de berichtgeving waar is, deelt u dan de mening dat invloed van de Moslimbroederschap op het bestuur van Egypte ertoe kan leiden dat de situatie van de Kopten nog verder zal verslechteren? Wilt u de Egyptische regering duidelijk maken dat in dat geval Nederland de associatieovereenkomst van de EU met Egypte op zal zeggen? Zo nee, waarom niet?
Het is de verantwoordelijkheid van de autoriteiten om de positie van kopten en andere religieuze minderheden te beschermen, ongeacht welke partijen deel van de regering uitmaken. De positie van koptische christenen en andere religieuze minderheden in Egypte en de regio vormen regelmatig onderwerp van gesprek in de EU Raad Buitenlandse Zaken. Nederland pleit in EU-verband voor snelle uitvoering van concrete maatregelen naar aanleiding van de raadsconclusies over godsdienstvrijheid van de Raad van februari jl. Mocht de situatie van religieuze minderheden verslechteren, dan moet in EU verband bekeken worden welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid de islamitische agressie tegen Koptische christenen in Egypte aan de orde te stellen in de 16e vergadering van de VN-Mensenrechtenraad en daar adequate maatregelen te verlangen? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft het recente interreligieuze geweld in o.a. Egypte opgebracht tijdens de 16e vergadering van de VN Mensenrechtenraad. Mede op aandringen van Nederland organiseerde de EU tijdens deze Raad bovendien een side-event over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en geweld tegen religieuze minderheden.
Wilt u bij de Egyptische regering aandringen op doeltreffende bescherming van mensen tegen agressie door islamieten en het Egyptisch leger? Zo nee, waarom niet?
De Egyptische ambassadeur in Den Haag is reeds op 11 maart jl. door het ministerie van Buitenlandse Zaken aangesproken op het recente geweld en gewezen op de verantwoordelijkheid van de Egyptische autoriteiten voor de bescherming van religieuze minderheden en respect voor hun fundamentele vrijheden. De Nederlandse ambassade in Cairo brengt dit eveneens in reguliere gesprekken met de Egyptische regering op.
De handhaving van de 15-minutennorm met betrekking tot de ambulancezorg op het eiland Goeree-Overflakkee |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat slechts 49% van de ambulances in de gemeente Goedereede bij hoogste prioriteit de 15-minutennorm haalt, waarvan in de woonkern Ouddorp slechts 32,7%? Klopt het dat 56,5% van de spoedritten binnen de norm wordt behaald in de gemeente Oostflakkee, waarvan in de woonkern Ooltgensplaat slechts 5%?
Ja, bij navraag bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) blijken de genoemde overschrijdingspercentages te kloppen. Dit wordt mede veroorzaakt door de specifieke geografische omstandigheden. Deze gebieden zijn dusdanig dunbevolkt dat er maar een zeer klein gedeelte van de ambulanceritten ingezet hoeft te worden. Vanaf de dichtstbijzijnde ambulancestandplaats is de gemiddelde aanrijdtijd naar de randen van de regio tussen de 16 en 23 minuten op Goeree-Overflakkee.
Kunt u vanuit uw verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van de zorg uiteenzetten wat de oorzaken ervan zijn dat de 15-minutennorm in deze gemeenten zo slecht behaald wordt, terwijl de prestatie voor de hele Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) gemiddeld 92,2% is?
De regionale ambulancevoorziening (RAV) is verantwoordelijk voor de invulling van het Referentiekader Spreiding & Beschikbaarheid, opgesteld door het RIVM. Dit kader wordt gevolgd als richtlijn voor het realiseren van een dusdanige dekking van het gebied dat 97% van de bevolking in 95% van de gevallen binnen 15 minuten aanrijdtijd bereikt kan worden.
De VRR kenmerkt zich enerzijds door een sterk verstedelijkt gebied en anderzijds door een zeer landelijk gebied dat deels door water doorsneden wordt. Het overgrote deel van de ambulanceritten vindt plaats in het verstedelijkte gebied van de regio.
Aan de randen van de regio is de dekkingsgraad lager. De overschrijdingspercentages moeten binnen deze context worden gezien. Ter illustratie: Van het totaal aantal ambulanceritten dat in de gehele VRR wordt verreden, wordt 0,7% verreden in de gemeente Goedereede en 0,5% in de woonkern Ouddorp. In de gemeente Oostflakkee gaat het om 0,5% van het totaal aantal ritten en 0,1% in de woonkern Ooltgensplaat.
Dat er in de gehele regio gemiddeld 92,2% van de A1-ritten op tijd arriveert, geeft aan dat de algehele dekking redelijk is en de streefnorm van 95% benaderd wordt. Wanneer meer ambulances naar de randen van de regio zouden worden verplaatst, brengt dit een stijging van de gemiddelde aanrijdtijd voor de hele regio met zich mee en een daling van het percentage A1-ritten dat binnen de 15 minuten blijft.
Welke concrete stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat de 15-minutennorm op het eiland Goeree-Overflakkee gegarandeerd wordt?
Er wordt door de VRR onderzocht hoe de prestaties in randen van de regio kunnen worden geoptimaliseerd, zonder dat dit ten koste gaat van het overgrote deel van de inwoners dat in het verstedelijkt gebied woont. Onder andere wordt gekeken of productdifferentiatie verder kan worden doorgevoerd en Rapid Responders (zoals bijvoorbeeld de motorambulance) kunnen worden ingezet als vooruitgestuurd voertuig, waardoor medische zorg eerder ter plaatse is.
Het niet vergoeden van het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen |
|
Pia Dijkstra (D66), Renske Leijten (SP), Linda Voortman (GL), Jetta Klijnsma (PvdA), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het aannemelijk dat een doof kind met twee cochleaire implantaten beter hoort dan met een implantaat?
Het is niet aan mij om hierover uitspraken te doen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Acht u het aannemelijk dat kinderen met twee implantaten minder kans hebben op het oplopen van een taalachterstand?
Zie antwoord vraag 1.
Welke extra kosten moeten er gemaakt worden om dove kinderen van een tweede cochleaire implantaat te voorzien? Hoe weegt u deze kosten ten opzichte van de voordelen die een tweede chochelaire implantaat met zich meebrengen? Waarom wordt er uitgegaan van dubbele kosten (twee DBC’s)1 terwijl een aantal kosten als revalidatiekosten en bijvoorbeeld het verplegen van de patiënt en het gebruik van de operatiekamer enkele kosten zijn bij gelijktijdig implanteren?
De kosten van implantatie van één cochleair implantaat (DBC code 140034) bedragen € 42 527 en de kosten van de nazorg bij een cochleair implantaat (DBC code 140035) bedragen € 4722. Echter, voorliggend aan de vraag welke kosten een tweede implantaat met zich meebrengt, is de vraag of het resultaat van een dubbelzijdig cochleair implantaat aantoonbaar beter is als van een enkelzijdig implantaat. Het is aan het College voor zorgverzekeringen (CVZ) om die vraag te beantwoorden binnen de context van zijn rol als pakketbeheerder met toepassing van de geldende pakketcriteria en de waardering van genoemde kosten.
Bent u op de hoogte van het feit dat het College voor zorgverzekeringen (CVZ) zijn herbeoordeling over de vergoeding van het tweede implantaat uitstelt tot er meer wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is en dat het daarbij wijst op onderzoek dat in Nijmegen wordt verricht? Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek verwacht? Zijn er al tussentijdse resultaten van het onderzoek beschikbaar? Zo ja, hoe beoordeelt u deze tussentijdse resultaten?
Ja, dat is mij bekend. De reden hiervoor is dat de wetenschappelijke bewijslast voor de meerwaarde van een tweede cochleair implantaat onvoldoende is. Het CVZ heeft mij recent bericht dat het onzeker is of de onderzoekers hun gegevens zullen publiceren. Dit heeft zowel het CVZ als mij bevreemd en het CVZ zal daarom contact opnemen met de onderzoekers. Als de achterliggende reden is dat uit het onderzoek geen valide conclusies zijn te trekken betreur ik dat.
Er zijn overigens wel signalen dat verschillende implanterende centra in Nederland de handen ineen willen slaan om door middel van een vergelijkend onderzoek de zo broodnodige wetenschappelijke feiten alsnog boven tafel te krijgen zodat een gefundeerde pakketbeslissing mogelijk wordt. Ik juich dat toe.
Herinnert u zich de motie-Schippers/Agema waarin de regering werd verzocht om tijdelijke toelating tot het collectief verzekerde pakket van innovatieve hulpmiddelen?2 Deelt u de mening dat het tijdelijk toelaten van het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen bij uitstek valt onder het bereik van deze motie? Deelt u de mening dat het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen tijdelijk tot het collectief verzekerde pakket van innovatieve hulpmiddelen zou moeten worden toegelaten? Is hier «coverage with evidence developement» mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Ik herinner me die motie. Mijn beleid is erop gericht om een tijdelijke toelating tot het pakket mogelijk te maken. Tijdens deze tijdelijke toelating zal de therapeutische meerwaarde en de kosteneffectiviteit moeten worden aangetoond. De voorwaarden van een tijdelijke toelating moeten glashelder zijn, evenals verwijdering uit het pakket als het geen therapeutische meerwaarde of kosteneffectiviteit heeft. Aangezien uitgangspunt is dat enkel effectieve zorg in het collectief verzekerde pakket wordt opgenomen, is het essentieel dat de meerwaarde van een tweede cochleair implantaat wordt aangetoond. Hiertoe kan het vergelijkende onderzoek dienen waarnaar ik bij mijn antwoord op vraag 4 verwees. Het CVZ heeft onlangs in zijn pakketadvies voorgesteld om dit vergelijkende onderzoek door voorwaardelijke financiering mogelijk te maken. Ik sta in principe positief tegenover zo’n voorstel en zal nagaan of dit haalbaar is. Hierbij speelt onder meer dat bij een dergelijk vergelijkend onderzoek niet alle kinderen die daaraan deelnemen, een tweede cochleair implantaat krijgen. Ook is de uitvoering afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen die vooral de meerkosten betreffen van implantatie van het tweede implantaat ten bedrage van € 42 527. Met voorwaardelijke financiering wordt beoogd om de wetenschappelijke fact finding door het vergelijkende onderzoek mogelijk te maken. Daarbij krijgen dus niet alle kinderen een tweede cochleair implantaat. Dit is een verschil met «coverage with evidence development».
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de bespreking van het pakketadvies in april?
Ja.
De toegankelijkheid van de schuldhulpverlening |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat de gemeente Alkmaar zonder opgaaf van reden een persoon uitschrijft uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), omdat de termijn van 6 maanden is verstreken? Zijn er meer gemeenten in Nederland die dergelijk beleid hebben opgesteld?1
Ik treed vanuit het Rijk niet in individuele gevallen rond de uitvoering van wetgeving door gemeenten. De bestaande procedures van bezwaar en beroep zijn bij uitstek bedoeld voor de betrokken burger en gemeente. Ik doe dan ook geen uitspraak over de wenselijkheid, zeker niet in individuele gevallen.
Acht u het wenselijk dat de gemeente Alkmaar vanwege de uitschrijving uit het GBA de aanvraag voor schuldhulpverlening niet verder wil behandelen, waardoor het traject tot het aflossen van schulden komt te stagneren cq stopt? Zijn er mogelijkheden om een separate inschrijving in de GBA te vertrekken zodat het schuldhulpverleningstraject doorgang kan vinden?
Schuldhulpverlening is op dit moment geen wettelijke taak van de gemeente. Dit heeft tot gevolg dat gemeenten vrij zijn om een persoon die daarom vraagt wel of geen schuldhulpverlening te verstrekken. De gemeente kan de verstrekking van schuldhulpverlening desgewenst mede afhankelijk maken van een inschrijving in de GBA.
Indien het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening tot wet wordt verheven, wordt schuldhulpverlening een wettelijke taak van gemeenten. Gemeenten zijn dan verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan hun in de GBA ingeschreven inwoners. Als iemand niet is ingeschreven in de GBA, bijvoorbeeld omdat hij dakloos is, dan is de centrumgemeente verantwoordelijk die in dit soort gevallen ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WWB.
Acht u het wenselijk dat een gemeente de schuldhulpverlening beëindigt om dat het inkomen structureel te laag is en er hierdoor nieuwe schulden en achterstanden ontstaan? Zo ja, is het niet logisch dat bij mensen die een beroep doen op de schuldhulpverlening het inkomen structureel te laag is? Welke mogelijkheden heeft iemand om toch te kunnen blijven deelnemen aan het schuldhulpverleningstraject? Kunt u dit toelichten?
De gemeente beoordeelt of iemand in aanmerking komt of blijft komen voor schuldhulpverlening. Gemeenten kunnen daarvoor zelf criteria vaststellen. Een criterium kan zijn dat iemand een bepaalde afloscapaciteit moet hebben.
Indien het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening tot wet wordt verheven is schuldhulpverlening een wettelijke taak van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt is dat de gemeentelijke schuldhulpverlening breed toegankelijk moet zijn. Deze brede toegankelijkheid geldt tenzij de wet eisen stelt aan de toegankelijkheid. Een voorbeeld hiervan is de eis dat een persoon in Nederland woont.
Acht u het wenselijk dat in bovengenoemde situatie de gemeente niet wil helpen met het oplossen van de schuldenproblematiek, waardoor de problematiek blijft bestaan en zal verergeren? Kunt u dit toelichten?
Op basis van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en Rijk op het terrein van de gemeentelijke schuldhulpverlening ga ik niet in op de afwegingen die een gemeente maakt bij het toelaten van personen tot de gemeentelijke schuldhulpverlening.
Acht u het wenselijk dat de gemeente Alkmaar de inschrijving in het GBA slechts voor bepaalde tijd (maximaal 6 maanden) toestaat en daarna zonder aankondiging de betreffende persoon uitschrijft zonder dat er wordt bekeken hoe de status van de schuldhulpverlening is? Kunt u dit toelichten?
Ik treed vanuit het Rijk niet in individuele gevallen rond de uitvoering van wetgeving door gemeenten. Voor de relatie met het traject van schuldhulpverlening verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het minnelijke traject van de schuldhulpverlening in optimum situaties zeker ten minste zes maanden zal duren? Zo ja, deelt u dan de mening dat een uitschrijving uit het GBA binnen zes maanden de schuldhulpverlening frustreert omdat deze niet kan worden afgemaakt of worden doorgezet? Kunt u dit toelichten?
Gemeentelijke schuldhulpverlening is maatwerk. De tijd die het kost om minnelijke schuldhulpverlening te verlenen verschilt van geval tot geval. In de praktijk duurt dit vaak langer dan 6 maanden. De gemeente is bevoegd criteria vast te stellen waaraan een persoon moet voldoen om voor schuldhulpverlening in aanmerking te komen. Een criterium kan zijn dat een persoon is ingeschreven in de GBA.
Indien het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening tot wet is verheven is de gemeente uiteraard gehouden de wet toe te passen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Ik treed niet in de afwegingen die een gemeente maakt.
Klopt het dat een wettelijke traject – de wet Schuldsanering Noordelijke Personen (WSNP) – ook in optimum situaties tenminste 6 maanden duurt en dit traject ook zal worden gefrustreerd wanneer iemand binnen zes maanden uit de GBA wordt uitgeschreven? Zo ja, welke mogelijkheden heeft een persoon in bovenstaande situaties nog om een schuldhulpverleningstraject in te gaan?
De procedure van de Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen) duurt in de regel drie jaren. Een uitschrijving uit de GBA is geen reden om iemand tussentijds uit de schuldsaneringprocedure te verwijderen.
Ziet u mogelijkheden om ervoor te zorgen dat personen in betreffende situatie een inschrijving krijgen in de GBA waardoor de schuldhulpverlening kan worden aangevangen, doorgezet en worden afgerond zonder tijdsdruk? Kunt u dit toelichten?
Een burger is verplicht zich te laten inschrijven in de GBA bij de gemeente waar hij woont. De gemeente beoordeelt dan de aangifte, doet zo nodig nader onderzoek en kan dan overgaan tot inschrijving. Indien een burger geen aangifte doet, kan de gemeente ambtshalve tot inschrijving in de GBA overgaan. Het is de gemeente die beoordeelt of tot inschrijving moet worden overgegaan; het Rijk kan niet treden in die verantwoordelijkheid of beoordeling.
Wat de gevolgen zijn van inschrijving in de GBA voor ziektekostenverzekeringen e.d. volgt niet uit de regelgeving rond de GBA, maar uit de regelgeving rond dat specifieke onderwerp.
Welke mogelijkheden heeft iemand om ingeschreven te blijven in de GBA, zodat naast de aanvraag van de schuldhulpverlening, ook een ziektekosten verzekering, paspoort etc., kunnen worden geregeld? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Zijn er mogelijkheden voor personen met schulden zonder uitzicht op een inkomen uit werk of een uitkering op basis van een gift van derden (ad € 5 000,00 per jaar, waarmee een bedrag ad € 46,00 per maand gedurende 3 jaar kan worden afgelost, conform de eis van het minimumbedrag voor een WWB-gerechtigde) het schuldhulpverleningstraject kan worden ingezet ondanks dat betreffende persoon structureel een te laag inkomen heeft? Kunt u dit toelichten?
De vraag of in een concreet geval een schuldhulpverleningstraject mogelijk is, is van een aantal zaken afhankelijk, zoals de beslissing van een gemeente om een persoon al dan niet tot de schuldhulpverlening toe te laten en de bereidheid van schuldeisers om in te stemmen met een schuldregeling. Op beide heb ik geen invloed. Ik acht het dan ook niet zinvol om concreet in te gaan op de in de vraag geschetste theoretische casus.
De wervingscampagne voor pleegouders |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe campagne van Pleegzorg Nederland om nieuwe pleegouders te werven?
Ja.
Begrijpt u dat deze campagne bestaande pleegouders een zure smaak in de mond geeft, gezien het feit dat pleegouders soms heel lang onnodig moeten wachten op een plaatsing?
Centraal staat dat er voor een kind dat zorg nodig heeft wordt gezocht naar een geschikt pleeggezin. Voor een goede match van een pleegkind met een pleeggezin zijn drie tot vijf pleeggezinnen nodig. Dit betekent dat het aanbod van pleegouders groter moet zijn om de vraag naar pleegzorg op passende wijze tegemoet te komen. De keerzijde is dan ook dat de mogelijkheid bestaat dat er voor een pleeggezin geen match wordt gevonden en dat zij uiteindelijk geen pleegkind toegewezen krijgen. Pleegouders hebben geen «recht» op een pleegkind. Het belang van het kind en dus een goede matching voor het kind staat voorop. Uiteraard dienen pleegzorgaanbieders over dit uitgangspunt goede voorlichting te geven. Dan zal de verwachting van pleegouders daar ook bij passen.
Is het waar dat deze lange wachttijden voortkomen uit geldgebrek, dat er wel kinderen en pleegouders zijn, maar geen geld?
In het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 dat provincies en stadsregio’s met het Rijk zijn overeengekomen is opgenomen dat met het beschikbare budget aan alle kinderen de zorg wordt geboden die nodig is. Het IPO heeft op 17 februari 2011 in een bestuurlijk overleg deze afspraak nog eens bevestigd. Provincies en instellingen spannen zich in om meer omschakeling van (dure) residentiële zorg naar pleegzorg en gezinshuizen mogelijk te maken. Om deze omschakeling te bevorderen is in het Afsprakenkader jeugdzorg verder afgesproken dat er een campagne komt om meer pleegouders te werven. Zoals ik in antwoord 2 heb aangegeven blijft het uitgangspunt, dat voor elk kind dat zorg nodig heeft een geschikt pleeggezin wordt gezocht, zonder dat gegarandeerd kan worden dat iedere pleegouder (direct) een pleegkind krijgt toegewezen.
Is het waar dat er bij de William Schrikkergroep sprake is van een plaatsingsstop?
Zoals ik in vraag 2 heb aangegeven hebben pleegouders geen recht op een pleegkind. De mogelijkheid bestaat dat pleegouders ingeschreven staan bij een pleegzorgaanbieder zonder dat aan hen een pleegkind is toegewezen. Dit hangt samen met de vraag. Soms is er meer vraag naar pleeggezinnen voor jonge kinderen. Maar niet elk aspirant-pleeggezin is geschikt voor deze doelgroep. Het kan ook zijn dat er vraag is naar gezinnen voor pubers. Daarvoor zijn pleegouders vereist die weten om te gaan met deze leeftijdsgroep. Deze factoren beïnvloeden de tijd die nodig is om tot een passende match te komen. Voor provincies en zorgaanbieders blijft het uitgangspunt dat er voor een kind dat zorg nodig heeft gezocht wordt naar een geschikt pleeggezin.
Hoe lang staan pleegouders al ingeschreven bij de Schrikkergroep zonder dat een pleegkind aan hen is toegewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat in Zeeland Juvent (vroegere AZZ) al geruime tijd een plaatsingsstop heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat pleegouders bij Juvent als sinds 2009 geen plaatsing meer hebben gehad?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de beloofde verhoging van de vergoedingen voor pleegzorg? Is de vergoeding in 2011 verhoogd?
In de brief van 9 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 31 279, nr. 9) is aangegeven dat de pleegvergoeding gefaseerd verhoogd gaat worden. Dit leidde tot een eerste verhoging op jaarbasis van € 200 per 1 januari 2010. Het bedrag van € 200 komt uit de compensatie algemene heffingskorting voor alleenverdienende ouders met een pleegkind. Hiervoor is door het vorige kabinet een bedrag van € 3 miljoen ingezet. De volgende verhoging van de pleegvergoeding houdt verband met de invoering van het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders. Momenteel ligt de nota naar aanleiding van het verslag in verband met dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Zodra dit wetsvoorstel in werking treedt zal de pleegvergoeding verhoogd worden. Voor het jaar 2011 is de vergoeding alleen geïndexeerd.
Waarom wordt een wervingscampagne gestart zolang bestaande pleegouders lange tijd geen kind krijgen vanwege geldgebrek? Wat gaat u doen om deze wachttijden aan te pakken?
Zie antwoord 3.
Het terugplaatsen van orka Morgan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog een inhoudelijke reactie geven op het plan van de organisatie «Free Morgan»1, waarin wordt aangegeven hoe Morgan in het wild kan worden teruggeplaatst? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs voor een antwoord op deze vragen naar mijn brief van 25 maart jl. waarin ik reageer op het wetenschappelijk rapport over de orka Morgan (Kamerstuk 28 286, nr. 496).
Aan welke criteria hebt u het besluit van het Dolfinarium, om Morgan niet terug te plaatsen in het wild, getoetst?2 Kunt u uiteenzetten of, en zo ja op welke wijze en met welk resultaat het plan tot het terugplaatsen van de orka in deze toets serieus is betrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het welzijn van orka’s in gevangenschap en in amusementsparken en op basis van welke (wetenschappelijke) inzichten komt u tot dit oordeel? Hoe verhoudt uw oordeel zich tot de gevangenschap van Morgan in het Dolfinarium?
Het Dolfinarium in Harderwijk is de enige organisatie in Nederland die orka’s tijdelijk mag houden of opvangen. Daarvoor moet het Dolfinarium voldoen aan vereisten uit de Flora en faunawet en Diergezondheids- en welzijnswet. Met die vereisten wordt dus ook invulling gegeven aan welzijnseisen, ongeacht of de orka voor wetenschappelijke of educatieve doeleinden wordt gehouden of opgevangen.
Het Dolfinarium heeft met veel zorg en veterinaire deskundigheid de orka Morgan opgevangen. Het herstel van de orka verloopt voorspoedig en het dier oogt gezond. De faciliteiten van het Dolfinarium zijn echter onvoldoende voor een permanent verblijf van de orka Morgan. Om die reden is het Dolfinarium op zoek naar een verblijf dat wel de geschikte faciliteiten heeft en dat vervolgens invulling kan geven aan een wetenschappelijke en educatieve rol voor de orka.
Voor verplaatsing van de orka Morgan naar het buitenland is een CITES-vergunning of EG-certificaat vereist. Beide documenten worden gebaseerd op het advies van de bevoegde onafhankelijke wetenschappelijke autoriteit, zoals voorgeschreven door het CITES-verdrag en de relevante Europese verordeningen. De aanvrager dient bij vervoer aan de internationale wetgeving voldoen. Ingeval bij vervoer door de lucht dient aan de vervoerseisen uit de IATA-richtlijn te worden voldaan. Verder dient het dier rechtmatig verkregen te zijn.
Ik acht het niet nodig dat de Tweede Kamer zich uitspreekt over voornemens tot verplaatsing en vertrouw op het oordeel van de CITES autoriteiten. Uiteraard zal ik uw Kamer wel informeren.
Klopt het dat volgens het huidige protocol «Opvang en rehabilitatie op het Dolfinarium, doel, beleid en knelpunten» uit 2002 het Dolfinarium Morgan alleen mag verplaatsen voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden? Zo ja, wat wordt er precies en concreet verstaan onder educatief?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u een amusementspark als het Dolfinarium Harderwijk of Sea World in Californië ook onder wetenschappelijke doeleinden vallen? Zo ja, wat is het wetenschappelijke aspect hiervan?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u een amusementspark als het dolfinarium Harderwijk of Sea World in Californie ook onder educatieve doeleinden vallen? Zo ja, wat is het educatieve aspect hiervan? Klopt het dat voor verplaatsing van Morgan naar het buitenland een ontheffing inzake de Convention on International Trade in Endangered Species(CITES) is vereist? Zo ja, wat zijn de criteria om voor zo'n ontheffing in aanmerking te komen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat u geen ontheffing zult verlenen voor verplaatsing van Morgan naar het buitenland, in elk geval niet voordat de Kamer in de gelegenheid is gesteld zich uit te spreken over eventuele voornemens daartoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het rapport naar aanleiding van het artikel 'Order fregatten achter bezoek Beatrix aan Oman' |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Order fregatten achter bezoek Beatrix aan Oman»?1
Ja.
Is er reeds een vergunning aangevraagd voor de mogelijke levering van de in het artikel genoemde fregatten? Zo ja, is reeds gestart met onderzoek naar een exportvergunning voor de mogelijke levering van deze fregatten en bent u bereid dit zo spoedig mogelijk te delen met de Kamer? Zo nee, heeft de regering reeds een inschatting wanneer dit verzoek zal komen en is hij bereid hierover navraag te doen bij de leverancier Damen/De Schelde en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee. Er is geen formele vergunning aangevraagd. Een formele aanvraag voor een uitvoervergunning moet onder meer vergezeld gaan van een getekend contract en dat is voor de geschetste transactie nog niet beschikbaar. Wel is in 2010 een sondage ingediend naar de mogelijke verkoop van vier korvetten aan Oman. Een sondage is een proefaanvraag, waarmee een bedrijf kan onderzoeken of er onder de op dat moment geldende omstandigheden een vergunning vertrekt zou worden of niet. De sondage doorloopt daarvoor het hele beoordelingstraject, inclusief de toetsing aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, maar de uitkomst is niet een verklaring van geen bezwaar of een garantie dat in de toekomst een vergunning zal worden afgegeven. De uitkomst zegt iets over dat moment en bevat altijd het voorbehoud dat een formele aanvraag opnieuw getoetst zal worden met inachtneming van de dan geldende omstandigheden. In het onderhavige geval was de uitkomst van de sondage overigens positief omdat er geen reden was om te vrezen dat de goederen zouden worden ingezet bij mensenrechtenschendingen of bij acties die eventueel tot interne of regionale destabilisatie zouden kunnen leiden.
Wanneer u de beoordeling van dit verzoek aan de Kamer stuurt, bent u dan bereid aan te geven hoe in dat verband is getoetst aan de wapenexportcriteria, meer in het bijzonder een uitsplitsing naar de criteria 2 (mensenrechten), 3 (interne situatie) en 4 (regionale spanningen)?
De regering is transparant in de rapportage over wapenexportvergunningen. Indien een aanvraag voor een exportvergunning voor deze korvetten wordt ingediend, is de regering, zoals gebruikelijk, bereid om het besluit daarover toe te lichten in de Kamer.
Kunt u aangeven op welke manier Oman momenteel bestrokken is bij antipiraterij activiteiten, dan wel concrete plannen heeft in die richting?
Tot op heden heeft Oman een bescheiden maar constructieve rol gespeeld op het terrein van piraterijbestrijding. Aangezien het risicogebied voor piraterij zich heeft uitgebreid, en piraten steeds vaker schepen aanvallen in de Arabische Zee, is het waarschijnlijk dat de betrokkenheid van Oman bij piraterijbestrijding verder zal toenemen.
Deelt u de mening dat de bewuste marineschepen niet alleen tegen piraterij maar evengoed ook meer offensieve taken vervullen en onderdeel zijn van een streven van Oman naar een stevige maritieme macht?
De betreffende korvetten zullen naar verwachting worden ingezet ter bescherming van de territoriale wateren van Oman en bij de bestrijding van piraterij. Deze schepen lenen zich minder voor offensieve acties of vervoer van troepen en materieel. Oman voert geen offensief buitenlands beleid. De inzet van de schepen bij de bestrijding van piraterij in de regio dient tevens een internationaal belang. Het draagt bij aan toename van de stabiliteit rond het Arabische schiereiland en in de Straat van Ormuz.
Deelt u de mening dat in het licht van de huidige ontwikkelingen, zowel in Oman, als in de wijdere Arabische wereld, het onverstandig is een positief oordeel te vellen over een eventuele order? Bent u bereid een eventueel het positief advies te heroverwegen?
De regering betracht de grootst mogelijke nauwkeurigheid bij de behandeling van wapenexportaanvragen. De daadwerkelijke vergunningaanvraag voor de onderhavige transactie zal, zoals gebruikelijk, aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt worden getoetst. Hierbij zal zorgvuldig rekening worden gehouden met de situatie zoals die op dat moment in de regio geldt.