Het bericht dat de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de OPTA twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven?1
Het gaat hier om een discussie tussen OPTA als toezichthouder op de naleving van de eisen die de Postwet 2009 stelt aan de universele postdienst en TNT Post als leverancier van de universele dienst.
OPTA heeft niet gesteld dat zij twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT Post, maar dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat TNT aan de 95%-norm voldoet. OPTA heeft onder andere gevraagd om een uitsplitsing van de bezorgkwaliteit naar bezorgdagen. TNT geeft aan dat voor de losse post de norm van 95% is gehaald en zij een algeheel overzicht van de uitkomsten van de metingen heeft verstrekt en inzichtelijk heeft gemaakt hoe die uitkomsten zijn gewogen. Het is aan OPTA om te bepalen welke informatie zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taken.
Welke redenering hanteert TNT om de kwaliteit van de postbezorging te berekenen op basis van een gewogen gemiddelde, waarbij zij uitkomt op een kwaliteit van 95,2%? Welke wegingsfactoren worden gebruikt?
De kwaliteitsnorm voor de universele dienstpost is op 95% gesteld. Dat betekent dat gemiddeld per jaar 95% van de brieven die aan de gestelde eisen voldoen binnen 24 uur moeten worden bezorgd.
Het onderzoeksbureau Intomart GfK verstuurt in opdracht van TNT Post elke maand ca. 5 000 proefbrieven; jaarlijks ca. 60 000 brieven. Dit levert ongewogen gemiddelden op. Vervolgens worden de uitkomsten omgewerkt naar een gewogen gemiddelde aan de hand van de werkelijke aantallen brieven per maand, aan de hand van de volgende kenmerken: periodes van het jaar, wijze van adressering (machinegeschreven, handgeschreven) en gewichtsklassen. Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de hoeveelheid post die met overnight service wordt verzonden in de maand december, welk volume sterk afwijkt van de andere maanden van het jaar. Zo wordt het gewogen gemiddelde per jaar bepaald.
Waarom wil TNT volgens de OPTA niet inzichtelijk maken hoe ze de weging berekent, terwijl het berekende percentage cruciaal afhangt van de precieze weging, omdat het ongewogen gemiddelde op 94,8% uitkomt?
TNT heeft aan OPTA gerapporteerd hoe zij de weging bepaalt en de meetresultaten weegt. De daadwerkelijke wegingsinformatie heeft TNT volgens OPTA niet geleverd, hetgeen door TNT wordt betwist. TNT wijst daarbij naar eerdere afspraken daarover met OPTA en de controle door de accountant. De verklaring van de accountant, vergezeld van de controleplannen en het controleverslag, is bij de rapportage geleverd.
Met welk significantieniveau komt het door TNT bepaalde gewogen gemiddelde van 95,2% uit boven de limiet van 95%?
Het significantieniveau wordt niet benoemd in de wettelijke definities en de definities van de Europese normen als te rapporteren parameter. TNT Post heeft dan ook niet over het significantieniveau gerapporteerd. In de Europese norm staat vermeld dat een 95%-betrouwbaarheidsinterval dient te worden gegeven dat een nauwkeurigheid dient te hebben van maximaal 1% onder en 1% boven de gemeten waarde. De nauwkeurigheid van het door TNT Post gerapporteerde betrouwbaarheidsinterval bedraagt 0,21%, zodat de meting aanzienlijk nauwkeuriger is dan volgens de norm wordt vereist, volgens TNT.
TNT Post geeft aan dat het betrouwbaarheidsinterval voor de losse post ligt tussen 94,9% en 95,4%, hetgeen betekent dat de kans dat het gewogen gemiddelde daartussen ligt 95% bedraagt.
Op basis van dit betrouwbaarheidsinterval kan volgens OPTA worden geschat dat de standaarddeviatie 0,125 is. Verder ligt het door TNT Post aan OPTA gerapporteerde gewogen gemiddelde op 95,2%. Met deze gegevens, uitgaande van een normaalverdeling, kan volgens OPTA de kans dat het gemiddelde boven de 95% ligt worden geschat op 89%.
Deelt u de mening dat het bericht dat OPTA twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven het zoveelste bewijs is dat de concurrentie in de postsector is mislukt, na de eerdere berichten over de onderbezetting bij TNT, het sjoemelen met post door de leiding, de falende postbezorging, de verhoging van de prijs van de postzegel, werknemers die te maken krijgen met intimidatie op de werkvloer, 15 000 mensen die hun baan dreigen te verliezen en postwerkers die niet eens het minimumloon krijgen?
Neen, OPTA stelt dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat TNT aan de kwaliteitseis voldoet, omdat volgens OPTA op basis van de wettelijk voorgeschreven systematiek, in het bijzonder de te hanteren statistische definities, niet uit te sluiten valt dat de werkelijke uitkomst onder de 95% ligt.
Het gaat hier om het toezicht op de naleving van de eisen die worden gesteld aan de universele postdienst. Deze eisen golden ook de volledige openstelling van de postmarkt. Afgezien van het feit dat het hier om fractionele verschillen gaat, zie ik niet hoe daar de conclusie aan kan worden verbonden dat de concurrentie in de postsector is mislukt.
Het versturen en ontvangen van processtukken op de Antillen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat processtukken altijd moeten kunnen worden verstuurd en ontvangen, zeker binnen het Koninkrijk?
Het in dit verband relevante criterium voor het doorgang vinden van civiele zaken waarbij de gedaagde zich bevindt in Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba is niet of deze de stukken heeft ontvangen, maar of de stukken rechtsgeldig zijn betekend. Uit praktische overwegingen beperk ik mij bij mijn verdere beschrijving tot de werkwijze zoals die gold en nog steeds geldt ten aanzien van Curaçao.
De werkwijze is dat de procespartij die zich in Nederland bevindt en een stuk wenst te laten betekenen, daartoe een deurwaarder inschakelt. Betekening kan plaatsvinden op grond van artikel 55, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin is bepaald dat de deurwaarder een exploot betekent aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie (OM). Betekend dient te worden aan het parket bij het gerecht waar de zaak dient of moet dienen. Met de betekening aan het parket is de betekeningshandeling voltooid (Hoge Raad 30 december 1977, NJ 1978, 576). Om daarnaast te trachten de stukken daadwerkelijk te laten uitreiken aan degene voor wie ze zijn bestemd, is in hetzelfde artikel bepaald dat het parket een afschrift van het exploot naar het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van Curaçao (voor 10 oktober 2010: het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van de Nederlandse Antillen) stuurt. Het is gebruikelijk dat van daaruit de stukken worden doorgezonden naar het Parket van de Procureur-Generaal van Curaçao (voor 10 oktober 2010: het Parket van de Procureur-Generaal van de Nederlandse Antillen). Het laatstgenoemde parket tracht de stukken te laten uitreiken. Bovendien is in artikel 55, eerste lid, Rv bepaald dat de in Nederland ingeschakelde deurwaarder een tweede afschrift van het exploot per aangetekende brief aan de woonplaats of het werkelijk verblijf van de gedaagde op Curaçao stuurt. Ook als gedaagde na inzet van beide methoden de stukken niet ontvangt en/of niet verschijnt bij de behandeling van de civiele zaak, kan die in beginsel doorgang vinden, aangezien rechtsgeldig is betekend aan het parket in Nederland. De zaak kan dan bij verstek worden behandeld.
Welke mogelijkheden zijn er om af te dwingen dat processtukken op de Antillen worden uitgereikt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat de dagvaarding van het hoger beroep van mevrouw G. niet aankomt op de plaats van bestemming in Curaçao, met als gevolg dat het hoger beroep bij het Gerechtshof te Den Haag van de rol wordt gehaald?1
Zoals ik in antwoord op vragen 1, 2 en 7 heb aangegeven, is het criterium niet of gedaagde de stukken in handen krijgt, maar of er rechtsgeldig is betekend. Voor zover mij bekend is geworden, is in deze zaak de in dat antwoord geschetste werkwijze gevolgd. Het Parket van de Procureur-Generaal van Curaçao heeft mij meegedeeld dat in 2008 en 2010 geprobeerd is de stukken door middel van aangetekend versturen uit te reiken aan degene voor wie zij bestemd waren. Deze persoon heeft de stukken niet vrijwillig in ontvangst willen nemen. In de gevolgtrekking die het gerechtshof te Den Haag daaraan heeft verbonden kan ik niet treden.
Waarin zit volgens u de oorzaak van het niet uitreiken van de dagvaarding op Curaçao? Door wie wordt mevrouw G. gefrustreerd in haar pogingen in hoger beroep te komen tegen het vonnis van de rechtbank waar zij het mee oneens is?
Mij is geen informatie bekend geworden over de reden waarom gedaagde de stukken niet vrijwillig in ontvangst heeft willen nemen.
Heeft het niet uitreiken van de processtukken iets te maken kunnen hebben met het feit dat de geadresseerde op Curaçao, de gedaagde, relaties heeft met belangrijke figuren op Curaçao? Kunt u dit uitsluiten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het nooit zo kan zijn dat een rechtszaak wordt geblokkeerd omdat een invloedrijk persoon achter de schermen aan de touwtjes trekt?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de voorgaande vragen.
Welke oplossing kunt u bieden voor mevrouw G., en mogelijke anderen in een soortgelijke situatie? Hoe gaat u er voor zorgen dat processtukken ook op de Nederlandse Antillen altijd worden uitgereikt zodat rechtszaken niet geblokkeerd worden?
Zie antwoord vraag 1.
Het in bescherming nemen van een veroordeelde pedofiele priester |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat kardinaal Simonis in de periode dat hij aartsbisschop van Utrecht was een veroordeelde pedofiele priester heeft beschermd?1
Ja.
Heeft er vervolging plaatsgevonden in deze zaak? Zo ja, heeft dit uiteindelijk tot een veroordeling geleid? Zo nee, waarom niet?
In de periode dat de priester werkzaam was in het bisdom Utrecht zijn er twee aangiften tegen hem gedaan. In december 2007 is aangifte gedaan van ontuchtige handelingen. De zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Op 9 juli 2008 is opnieuw aangifte gedaan. Pas toen het dossier was ingezonden aan het OM werd duidelijk dat deze aangifte feiten bleek te bevatten waarvan het laatste gepleegde feit op 26 augustus verjaard was. Om die reden is ook deze zaak geseponeerd.
Indien er sprake was van een veroordeling, welke straf is deze priester opgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het feit dat de betreffende priester pas vorig jaar disciplinair is gestraft en dat oud-kardinaal Simonis eerder deze sanctie had geweigerd, als een signaal kan worden opgevat dat sancties vanuit de kerk opgelegd niet of in ieder geval niet altijd, effectief en passend zijn? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Het behoort niet tot mijn verantwoordelijkheid om een oordeel te vellen over feiten en maatregelen in arbeidssituaties buiten die welke onder mijn directe verantwoordelijkheid als overheidswerkgever vallen.
Is het misbruik door deze priester meegenomen in het onderzoek van de commissies Deetman en Samson? Zo nee, waarom niet? Wat zegt dat volgens u over de volledigheid van de onderzoeken?
De commissies Deetman en Samson doen geen mededelingen over individuele gevallen en deswege heb ik geen informatie over de feiten die de commissie Deetman onderzoekt. Ik wacht de rapporten af. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat deze onderzoeken niet volledig zouden zijn.
Welke mogelijkheden zijn er om iemand die plegers van misbruik in bescherming neemt of in gelegenheid stelt om opnieuw kinderen te misbruiken, in juridische zin aan te pakken?
Het in bescherming nemen van plegers van misbruik is als zodanig niet strafbaar gesteld. Het gelegenheid bieden aan het plegen van bepaalde strafbare feiten kan in bepaalde gevallen strafbaar zijn. Het is echter aan de strafrechter om te bepalen of daarvan in individuele gevallen sprake is.
Deelt u de mening dat voor de beroepsgroep van priesters met pastorale taken of vergelijkbare beroepsgroepen bij andere religies, een verklaring omtrent gedrag verplicht zou moeten worden? Zo ja, op welke wijze gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie vooralsnog geen reden voor een wettelijke verplichting. Met een dergelijke wettelijke maatregel zou de verantwoordelijkheid in volle omvang verschuiven naar de overheid, terwijl die juist primair thuishoort bij de organisaties waarbinnen deze mensen werkzaam zijn. Evenwel kan het overleggen van een verklaring omtrent gedrag onderdeel zijn van de screening door werkgevers.
Indien uitkomsten van het onderzoek van de commissie Deetman hiertoe aanleiding geven, zal ik de noodzaak van aanvullend beleid opnieuw bezien.
Bent u van mening dat het opleggen en handhaven van een strafrechtelijk beroepsverbod een adequate straf kan zijn om hernieuwd misbruik te voorkomen? Zo ja, gaat u zorgen dat dit middel vaker wordt gebruikt bijvoorbeeld door met het Openbaar Ministerie een richtlijn ten aanzien van de strafeis in dergelijke zaken te formuleren? Zo nee, waarom niet?
Een beroepsverbod kan worden opgelegd als iemand in het kader van zijn beroep of ambt een strafbaar feit pleegt. Deze persoon mag dan voor een bepaalde tijd dat beroep of ambt niet uitoefenen. Dit heet «ontzetting uit beroep of ambt». Preventie en bescherming staan voorop bij rechters die een beroepsverbod opleggen.
Indien uitkomsten van het onderzoek van de commissie Deetman hiertoe aanleiding geven, zal ik de noodzaak van aanvullend beleid opnieuw bezien.
Heeft kardinaal Simonis, al dan niet onder ede, ontkent kennis te hebben genomen van misbruik binnen de katholieke kerk? Zo ja, hoe oordeelt u over die uitspraken in het licht van bovenstaande zaak?
Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de uitspraken van kardinaal Simonis.
Deelt u de mening dat in het kader van deze zaak de uitspraak «Wir haben es nicht gewusst», door kardinaal Simonis in het tv-programma Pauw en Witteman gedaan extra ongepast is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat over de oprechtheid van de uitspraak «ik ben ontdaan en beschaamd» van kardinaal Simonis in hetzelfde programma in het licht van het bovenstaande tenminste twijfel kan bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
"Oermoeras" |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Groninger Internet Courant?1
Ja.
Vindt u het ook niet absurd dat 600 hectare goede landbouwgrond onder water wordt gezet om een «oermoeras» te creëren, terwijl Nederland geld verdient aan de landbouwexport? Zo nee, waarom niet?
In het Strategisch Groenproject Midden Groningen zijn in 1990 met het gebied en de landbouw afspraken gemaakt om een deel van het gebied na vrijwillige verwerving in te richten als moeras.
In het deelproject Dannemeer worden 3 doelen in samenhang nagestreefd. Aanleg van 600 ha natuur in de begrensde EHS, verbetering van het watersysteem en verbetering van de landbouwstructuur op 3000 ha.
Na afrondingsaankopen is in opdracht van de provincie met de laatste 2 fasen van de inrichting van het gebied Dannemeer begonnen. Van het project Dannemeer is ca 1/3 deel nu aanbesteed. Het project Dannemeer wordt gefinancierd uit de ILG-afspraken van Rijk en provincies.
In het kader van het regeerakkoord heb ik besloten tot een herijking van de EHS. Ik heb de provincies gevraagd om op basis van de door mij aangereikte kaders, te komen met voorstellen voor de herijking.
Het is aan de provincie Groningen om op basis van de aangereikte criteria te bepalen of de afronding van het project Dannemeer deel uitmaakt van de herijkte EHS. Ik wacht de voorstellen van de provincie af en zal deze beoordelen binnen de genoemde kaders.
Bent u ook van mening dat het gewoon onder water zetten van een gebied om een «oermoeras» te scheppen niets met natuur te maken heeft en dat het geld voor dit project beter aan zinnige dingen kan worden uitgegeven, zoals het stimuleren van het ondernemersklimaat in de provincie Groningen? Zo nee, waarom niet?
In het regeerakkoord is aangegeven dat de kerntaken van de provincie liggen op de gebieden ruimte, economie en natuur. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven is het op deze terreinen – binnen de door het rijk meegegeven kaders – aan de provincie om te bepalen waaraan prioriteit wordt gegeven.
Vindt u ook dat er in Nederland al genoeg watergerelateerde natuur aanwezig is en dat dit soort projecten er alleen voor zorgt dat goede grond niet meer kan worden gebruikt om te wonen en werken, zaken waar in een klein land als Nederland veel behoefte aan is? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 2 en 3.
De misstanden in de voetbalspelersmakelaarswereld |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «De sluiproute van de spelersmarkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het vermoeden dat clubs zwijggeld incasseren? Is het mogelijk dat clubs grote sommen zwijggeld incasseren zonder dat er vragen gesteld worden over de herkomst van deze transacties? Zo ja, om hoeveel transacties per jaar gaat het?
Ik kan alleen feiten beoordelen.
Als een jeugdspeler een contract tekent bij een buitenlandse club, heeft de club die deze speler heeft opgeleid volgens de regels van de FIFA recht op een opleidings-vergoeding. Alle internationale transfers van spelers onder de 18 jaar worden door een speciale commissie van de FIFA getoetst op de van toepassing zijnde reglementaire bepalingen. Transfervergoedingen kunnen niet geclassificeerd worden als zwijgrecht.
De KNVB heeft oog voor illegale praktijken maar heeft geen specifieke toets voor zwijggeldtransacties binnen het tuchtrecht en licentiesysteem. Vorig jaar heeft de KNVB een integriteitseenheid ingesteld. Deze onafhankelijke commissie is bevoegd om een vooronderzoek in te stellen bij onder andere de handel in minderjarigen en dubieuze handelingen van spelersmakelaars. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar twee spelersmakelaars die spelers onder de 16 jaar zouden hebben begeleid.
Clubs, spelersmakelaars en ouders van minderjarige spelers zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor het naleven van wet- en (sport)regelgeving. Nederland heeft geen specifieke wettelijke regels die verbieden dat spelers jonger dan zestien bij een andere Nederlandse of buitenlandse club gaan spelen maar wel reguliere wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen, belastingontduiking, fraude, arbeidsrecht etc. Deze wetten en regels worden streng gehandhaafd door de Nederlandse overheid.
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Jeugdtransfers rieken naar kinderhandel»?2
Ja.
Is het waar dat er jaarlijks 100 000 internationale jeugdtransfers plaatsvinden? Om hoeveel transfers vanuit Nederland en naar Nederland gaat het jaarlijks?
Uit navraag bij de KNVB blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot nu 122 spelers jonger dan 18 jaar vanuit het buitenland naar Nederland gekomen zijn en dat 135 spelers jonger dan 18 jaar vanuit Nederland naar het buitenland gegaan zijn.
De KNVB heeft niet de beschikking over de internationale cijfers inzake jeugdtransfers.
Deelt u de mening dat er naast adequate Nederlandse regelgeving ook in Europees verband sluitende afspraken gemaakt moeten worden om onoorbare en ongewenste activiteiten van spelersmakelaars tegen te houden? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de acties die u gaat ondernemen/onderneemt om de handel in jeugdige spelers in Europees verband tegen te gaan?
November 2009 heeft de Europese Commissie een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren naar het nut en de noodzaak van Europese regelgeving om misstanden met spelersmakelaars tegen te gaan. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de problemen met betrekking tot spelersmakelaars niet voortkomen uit specifieke regelgeving of het ontbreken daarvan. Europese wet- en regelgeving ten aanzien van spelersmakelaars ligt daarom niet voor de hand, zelfregulering des te meer.
Uit deze studie kwam ook naar voren dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om de bestaande nationale arbeids-, belasting- en strafwetgeving te handhaven en dat de Europese Commissie de verantwoordelijkheid op zich kan nemen om de dialoog over spelersmakelaars met en in de sportsector te bevorderen.
In de mededeling over sport (2011) uit de Commissie het voornemen om een conferentie te organiseren om na te gaan hoe de EU-instellingen en de vertegenwoordigers van de sportbeweging (bonden, liga’s, clubs, spelers en makelaars) de situatie ten aanzien van de activiteiten van spelersmakelaars kunnen verbeteren. Deze conferentie zal eind 2011 plaatsvinden.
Het bericht 'De totale oorlog tegen de elite van 't volk' |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De totale oorlog van de elite tegen ’t volk?»1
Ja.
Wat is uw eerste reactie bij het horen van de uitspraken van uw gedoogpartner tijdens de regiezitting te Amsterdam van zeven februari 2011? Deelt u de mening dat «door heel Europa, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa de multiculturalistische elites een totale oorlog uitvechten tegen hun bevolkingen, met als inzet de voortzetting van de massa-immigratie en de islamisering, uiteindelijk resulterend in een islamitisch Europa – een Europa zonder vrijheid: Eurabië?» Zo nee, waarom niet?
Zo min als parlementsleden in rechte ter verantwoording kunnen worden geroepen voor wat zij in het parlementaire debat zeggen, kunnen zij of de regering politiek verantwoordelijk gehouden worden voor wat zij voor de rechter zeggen. Zulks lijkt mij uit de scheiding der machten voort te vloeien.
Wat het beleid van de regering betreft bestaat er geen misverstand over dat de inzet een samenleving is waaraan alle burgers in Nederland deelnemen, ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging. De regering gaat daarbij niet uit van de gedachte dat de geschiedenis zich herhaalt. Of Nederlandse moslims een ontwikkeling zullen doormaken vergelijkbaar met de secularisering van Nederlandse christenen zal de toekomst uitwijzen.
Overigens wijs ik er op dat niet het christelijk geloof is geseculariseerd, maar dat in Europa de samenleving is geseculariseerd. Ik heb niet de indruk dat zulks verandert door de komst van moslims naar Nederland. Dat laat onverlet dat er rekening moet worden gehouden met fundamentalisten die zulks nastreven. En dat de samenleving daartegen moet worden beschermd.
Hoe oordeelt u over dit type oorlogsretoriek en angstpolitiek van uw gedoogpartner? Deelt u de mening dat deze manier van de stuipen op het lijf jagen van Nederlanders op geen enkele wijze bijdraagt aan het oplossen van reële problemen die gepaard gaan met immigratie en de permanente vestiging van moslims in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welk toekomstperspectief heeft u voor ogen als het gaat om de positie van moslims in Nederland? Deelt u de inschatting dat door de voortvarende secularisering Nederlandse moslims een soortgelijke ontwikkeling zullen meemaken als voorheen christenen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is er volgens u sprake van de zogeheten «islamisering»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat verstaat u onder «islamisering»?
Zie antwoord vraag 2.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die zich zorgen maken om de invloed van de immigratie en de invloed van de islam op Nederland en op de verworven vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkheid van man en vrouw? Welke boodschap heeft u voor Nederlandse moslims die zich zorgen maken over hun toekomst in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid binnen afzienbare tijd uw toekomstvisie op de integratie te schetsen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze visie tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet staat garant voor een rechtsstaat die beschermt en eisen stelt aan alle Nederlanders in gelijke mate. Aan verschillen wordt ruimte gegeven, maar noodzakelijkerwijs ook grenzen gesteld. Aan de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat, en gelijkheid van de sexen wordt niet getornd. De rechtsstaat geeft burgers de vrijheid om hun mening te uiten en hun geloof te beleven, maar stelt grenzen als het gaat om discriminatie, criminaliteit of geweld. Met een beleid gericht op kwalificatie en participatie biedt het kabinet kansen aan alle burgers in Nederland op volwaardige participatie. Religieuze denominatie speelt daarbij geen enkele rol.
De onafhankelijke benoeming van de voorzitter van de Onderzoeksraad |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waarin de voormalig voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid kritiek heeft op de benoemingswijze van zijn opvolger?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe het profiel hiervoor is vastgesteld? Wie heeft het profiel vastgesteld en wie heeft hierover kunnen adviseren?
Het functieprofiel voor de nieuwe voorzitter is vastgesteld door de destijds meest betrokken ministers: de ministers van BZK, Verkeer en Waterstaat en Defensie. Over het functieprofiel heeft de Onderzoeksraad geadviseerd.
In welke media en op welke momenten is er geadverteerd voor deze functie?
De advertentietekst met de vacature voor voorzitter en lid van de Onderzoekraad is op 19 juni geplaatst in het NRC en de Volkskrant. Daarnaast heeft een wervings- en selectiebureau actief potentieel geschikte kandidaten benaderd.
Hoe was de sollicitatiecommissie samengesteld? Uit welke gelederen waren deze commissieleden afkomstig?
In opdracht van de drie meest betrokken ministers, de minister van BZK, de minister van Defensie en de minster van Verkeer en Waterstaat, is een ambtelijke selectiecommissie ingesteld op het niveau secretaris-generaal/directeur-generaal. De selectiecommissie werd ondersteund door een wervings- en selectiebureau. De keuze voor dit bureau is afgestemd met – en werd gesteund door – de Onderzoeksraad.
Hoeveel personen hebben er in totaal gesolliciteerd? Hoeveel personen zijn uitgenodigd voor een gesprek met de commissie?
Op de functie hebben tientallen mensen gesolliciteerd. Het wervings- en selectiebureau heeft met circa 35 personen een oriënterend gesprek gevoerd. Na een voorselectie door de selectiecommissie, in afstemming met de eerder genoemde bewindspersonen, heeft de selectiecommissie met zes kandidaten gesproken. De raad is gedurende dit proces van voorselectie en selectie geïnformeerd.
Is voorafgaande de procedure of tijdens de procedure de omvang van de formatieve aanstelling gewijzigd? Zo ja, waarom?
Mijn ambtsvoorganger was van mening dat een 60%-invulling van de functie toereikend is. Die opvatting deel ik. In eerste instantie is de wijze van invulling open gelaten, zodat gedurende het selectieproces nog ruimte bestond om voor een 60% respectievelijk 100%-invulling te kiezen.
Op welke wijze is de Onderzoeksraad voor veiligheid van «begin tot eind» betrokken geweest bij de procedure?
De benoemingsprocedure staat beschreven in de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid (artikel 7). Deze procedure is gevolgd. Leden van de Raad worden bij Koninklijk Besluit benoemd, op voordracht van de minister van Veiligheid en Justitie (voorheen BZK) en in afstemming met de meest betrokken ministers (Defensie en Infrastructuur en Milieu, voorheen Verkeer en Waterstaat), gehoord de Raad. De raad is conform de wet gehoord alvorens de voordracht via de ministerraad aan Hare Majesteit is doorgeleid. De Onderzoeksraad is van het begin tot het einde betrokken geweest bij de totstandkoming van het functieprofiel, de keuze voor een wervings- en selectiebureau en de totstandkoming van de vacaturetekst. Ook is de Raad gedurende het gehele proces in de gelegenheid gesteld om kandidaten aan te dragen, en heeft afstemming plaatsgevonden met de Raad rondom belangrijke selectiemomenten.
Hoeveel benoembare kandidaten zijn er voorgedragen? Aan welke ministers zijn die voorgedragen?
Conform de wettelijke procedure is één kandidaat via de ministerraad aan Hare Majesteit voorgedragen.
Hoe beoordeelt u achteraf gezien (de zorgvuldigheid van) deze procedure?
De procedure heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Bent u bekend met de uitspraak van de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad de heer Joustra «Ik heb met het departement afgesproken dat de Raad voortaan een voordracht zal doen.»?2
De Rijkswet waarborgt volledige onafhankelijkheid van de Raad. Dit geldt voor de onderzoeken, de methodiek en de aanbevelingen. De borging van de onafhankelijkheid van de raad ligt mijns inziens niet zo zeer in de wijze van benoeming van de voorzitter, als wel in de borging van de onafhankelijkheid.
De Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid is in 2008 geëvalueerd. Uit dat onderzoek kwam de benoemingsprocedure niet als aandachtspunt naar voren. Desalniettemin is met de nieuwe voorzitter afgesproken de procedure zowel ten aanzien van de leden als van de voorzitter op mogelijke onvolkomenheden te bezien,
Kunt u het bestaan van deze afspraak bevestigen? Zo nee, kunt u toelichten welke afspraak u wel heeft gemaakt met de nieuwe voorzitter omtrent benoemingen?
Zie antwoord vraag 10.
Zo ja, bent u bereid de tekst van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (m.n. artikel 7, lid 1) te wijzigen zodat deze in overeenstemming wordt gebracht met deze nieuwe praktijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat de huidige benoemingsprocedure van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid in zijn geheel nog eens tegen het licht gehouden moet worden vanuit het perspectief van onbevreesde onafhankelijkheid van de raad?
Zie antwoord vraag 10.
Welke feitelijke mogelijkheden ziet u om de benoeming van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid geen «politieke benoeming» meer te laten zijn, zoals de oud-voorzitter heeft aangegeven wenselijk te vinden?
Zie het antwoord op de vragen 10, 11, 12 en 13.
Deelt u de mening dat vanuit het principe van onafhankelijkheid een benoeming door de Kamer – al dan niet na een voordracht van een nader samen te stellen commissie of de Onderzoeksraad voor veiligheid zelf – van de voorzitter meer voor de hand ligt? Zo nee, welke bezwaren heeft u tegen een dergelijke benoemingswijze?
De onafhankelijkheid van de Raad is wat mij betreft voldoende geborgd in de Rijkswet. Bij de volgende evaluatie van de Rijkswet kan een eventuele versterking van de rol van de Kamer desgewenst worden betrokken.
De doodstraf opgelegd aan een Afghaanse christen |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat de heer Said Musa, een tot het christendom bekeerde Afghaan, ieder moment ter dood kan worden veroordeeld?1
Nee. De heer Musa is vrijgelaten en bevindt zich inmiddels buiten Afghanistan.
Kunt u ook aangeven wat de stand van zaken is betreffende de heer Shoib Assadulah, die eveneens wordt aangeklaagd voor afvalligheid en kennelijk ook terdood kan worden veroordeeld?
De heer Sayed Shaoib Mosawi (ook bekend als Assadullah) zit in detentie in Mazar-e Sharif. Er bestaat momenteel geen formele aanklacht tegen hem en zijn zaak is (nog) niet voorgekomen.
Is de Nederlandse regering bereid zich op alle niveaus in te zetten om uitvoering van een eventuele doodstraf voor afvalligheid te voorkomen?
De kwestie van bekeerde Afghanen heeft al langere tijd de aandacht van de Nederlandse regering. De regering zet zich zowel bilateraal als in samenwerking met de internationale partners zo effectief mogelijk in om verdere vervolging en oplegging van de doodstraf te voorkomen. Ik heb hierover rechtstreeks contact gehad met de Afghaanse autoriteiten, de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Clinton, de Hoge Vertegenwoordiger Ashton en haar EU-Vertegenwoordiger in Afghanistan. De Nederlandse ambassade, de EU-delegatie en ook andere ambassades, blijven de situatie nauwlettend volgen en stellen de kwestie tot op het hoogste niveau aan de orde. Gezien de gevoeligheid van het onderwerp «bekering» binnen de Afghaanse samenleving is het echter van het grootste belang dat de internationale inspanning discreet plaatsvinden. Ruchtbaarheid in de (lokale) media zou een gunstige afloop van deze zaak kunnen belemmeren.
Op basis van welke wetgeving kan de doodstraf aan de heer Said Musa worden opgelegd?
Zie antwoord op vraag 1.
In algemene zin kan het volgende gezegd worden over de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in Afghanistan. Het Wetboek van Strafrecht kent geen bepaling over bekering van de islam tot een ander geloof. Rechtbanken baseren zich, zoals de Afghaanse grondwet voorschrijft in gevallen waar de Grondwet en het Wetboek van Strafrecht geen bepaling kennen, op de Hanafi jurisprudentie. Volgens sommige interpretaties van het islamitisch recht staat bekering gelijk aan afvalligheid waarop de doodstraf staat. Dit is strijdig met zowel de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), welke Afghanistan beiden heeft getekend.
Klopt het bericht dat deze Afghaanse burger alleen door advocaten zal worden bijgestaan als hij zich weer tot de islam bekeert? Op welke manier wordt bevorderd dat de heer Musa de beschikking krijgt over alle hulp die hem op basis van internationale verdragen toekomt?
Zie antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de bescherming van mensenrechten op het gebied van de vrijheid van godsdienst, waaronder ook de vrijheid om zich te bekeren tot een ander godsdienst, een lakmoesproef is voor een betrouwbare Afghaanse overheid, zoals Nederland en haar bondgenoten die nastreeft? Zo ja, op welke manier wordt bevorderd dat bekeerde christenen in de toekomst niet hoeven te vrezen voor hun leven?
Afvalligheid en bekering zijn gevoelige onderwerpen in delen van de Afghaanse samenleving. Met de Afghaanse autoriteiten is een voortdurende dialoog over dit soort onderwerpen gaande. Ik kan u verzekeren dat Nederland en zijn internationale partners regelmatig en op alle niveaus aandacht blijven vragen voor vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en dus ook de vrijheid om van geloof te veranderen en voor de noodzaak kwetsbare groepen als religieuze minderheden de maximaal mogelijke bescherming te bieden. Ten aanzien van de doodstraf wordt door Nederland en de andere EU-partners een voortdurend appèl gedaan op de Afghaanse autoriteiten om als eerste stap naar afschaffing van de doodstraf een moratorium op de uitvoering daarvan in te stellen.
Deelt u de mening dat de training van politiemensen in Kunduz op geen enkele manier mag bijdragen aan een verslechtering van de positie van christenen in Afghanistan? Zo ja, welke afspraken zijn hierover met de Afghaanse overheid gemaakt?
Ja. De Nederlandse politietrainingsmissie is erop gericht een bijdrage te leveren aan het versterken van de rechtsstaat en daarmee aan een verbetering van de mensenrechtensituatie in Kunduz. De regering vindt het van essentieel belang dat de Afghaanse overheid, waaronder uitvoerende instanties als de politie, kwetsbare groepen en minderheden beschermt. De Afghaanse regering wordt hierop bij voortduring aangesproken, zowel bilateraal als in EU-verband.
De telefoontaps in de zaak Baybasin |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente berichtgeving over de telefoontaps in de zaak Baybasin?1
Ja.
Is het waar dat de telefoontaps voor onderzoek naar Israël en de Verenigde Staten (VS) zijn gestuurd? Zo ja, wat was de onderzoeksvraag van het OM aan de onderzoekers?
Het onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Toegangscommissie (TC) van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. (Digitale) kopieën van acht gesprekken zijn naar onderzoekers in Israël en de Verenigde Staten gestuurd. De TC heeft de onderzoekers gevraagd om de gesprekken op basis van signaalanalyse en telecomanalyse te bezien op mogelijke tekenen van manipulatie.
Is het gebruikelijk om onderzoekers in andere landen te vragen banden met telefoontaps of andere audiomateriaal te onderzoeken op mogelijke manipulatie? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit en in welke zaken wordt en dergelijk onderzoek verzocht?
Wanneer specifieke deskundigheid is vereist die in Nederland niet of onvoldoende aanwezig is, is het niet ongebruikelijk om forensisch onderzoek uit te besteden aan buitenlandse instanties. Dat geldt voor alle soorten forensisch onderzoek. Hoe vaak specifiek audio-onderzoek in het buitenland verricht wordt, is mij niet bekend.
Waarom is het materiaal in deze zaak juist naar deze twee landen gestuurd?
De Israëlische deskundige is aangezocht op verzoek van de raadsvrouw van Baybasin. De Amerikaanse deskundigen zijn benaderd op verzoek van het Openbaar Ministerie. De deskundigen zijn door de verzoekers geselecteerd op basis van hun specifieke kennis van het vakgebied.
Is het waar dat de onderzoekers in Israël en de VS in deze zaak verschillende banden hebben gekregen? Zo ja, wat is de waarde van de uitkomst van het onderzoek, als de landen verschillend materiaal voor onderzoek aangeboden krijgen? Is het gebruikelijk dat meerdere onderzoekers worden gevraagd de banden te bekijken op eventuele vervalsing of manipulatie en waarop vervolgens verschillend materiaal wordt verstuurd?
De onderzoekers beschikten in eerste instantie over hetzelfde onderzoeksmateriaal. Een deel van dat verstrekte materiaal was digitaal vertraagd om het op een beluisterbare snelheid te brengen. De Israëlische deskundige heeft gevraagd om de niet-vertraagde opnamen. Die heeft hij gekregen en ze vervolgens zelf weer vertraagd.
De Amerikaanse onderzoekers is aangeboden om dezelfde opnamen te ontvangen. Zij achtten dat niet nodig.
Welke audiobanden hebben de onderzoekers gekregen en waarom hebben zij niet het origineel of een kloon gekregen? Zijn de banden die de onderzoekers hebben gekregen bewerkt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom is er dan niet een kloon van de originele tapes gestuurd?
Het oorspronkelijke materiaal bestaat uit optical discs en audiobanden waarop vele duizenden getapte telefoongesprekken staan. Dit oorspronkelijke bewijsmateriaal wordt in beginsel nooit uit handen gegeven. De onderzoekers beschikten over digitale kopieën van acht gesprekken. Het materiaal dat op de audiobanden stond, is vanwege de verstaanbaarheid vertraagd. Zie daaromtrent het antwoord op vraag 5.
Bent u van mening dat het Openbaar Ministerie (OM) beter exact dezelfde klonen had kunnen gebruiken om te laten onderzoeken in Israël en de VS? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen om te bereiken dat alsnog deugdelijk onderzoek wordt gedaan? Zo nee, waarom is dit niet belangrijk? Wat vindt u van de opmerking van de Amerikaanse onderzoekers die zeggen dat authenticiteitanalyses alleen kunnen worden uitgevoerd met de originele opnamen, of klonen daarvan?
De Amerikaanse onderzoekers hebben aangegeven dat ze bij gebruik van het oorspronkelijke materiaal wellicht stelliger uitspraken zouden kunnen doen. Zoals in het antwoord bij vraag 6 is aangegeven, wordt dergelijk belangrijk oorspronkelijk bewijsmateriaal niet uit handen gegeven. Nu dat zo is, hebben de Amerikaanse onderzoekers desgevraagd laten weten, geen behoefte te hebben aan de niet-vertraagde opnamen die de Israëlische deskundige op eigen verzoek ontvangen heeft.
Zijn er regels waarin staat hoe er moet worden omgegaan met tapes met audiomateriaal en wat ter onderzoek gestuurd moet worden om te komen te een deugdelijk onderzoek? Zo ja, welke regels zijn dat?
Ja, er bestaat een FT-norm (forensisch-technische norm) voor «het aanleveren van audiomateriaal voor integriteits-, authenticiteits- en originaliteitsonderzoek». Volgens deze norm is een groot aantal tapgesprekken reeds eerder onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut.
Hoe beoordeelt u de opmerking van de onderzoekers in de VS die zeggen dat heel veel kleine «smoking guns» nog belangrijker zijn dan de paar aanwezige «smoking cannons»? Baart deze opmerking u geen zorgen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het aangeleverde materiaal?
Deze opmerking is gemaakt door de Israëlische onderzoeker.
De conclusies van de onderzoekers verschillen aanzienlijk, ook bij dat gedeelte van het materiaal dat voor beide partijen gelijk was (namelijk de gegevens van de optical discs). De Israëlische onderzoeker ziet ook daarin veel meer «smoking guns» dan de Amerikaanse onderzoekers. De geciteerde opmerking zegt niet zozeer iets over de betrouwbaarheid van het aangeleverde materiaal, maar over de geringe «hardheid» van het type analyses dat verricht is. Hetzelfde fragment wordt klaarblijkelijk door de een heel anders geïnterpreteerd dan door de ander.
Wat is er met de analyses van de Israëlische en Amerikaanse onderzoekers gedaan?
Nadat de onderzoekers over en weer op elkaars bevindingen hebben kunnen reageren, zijn de rapportages door een Nederlandse hoogleraar beschreven in een samenvattend document. Naar aanleiding daarvan heeft de TC nog nader onderzoek verricht en laten verrichten. Dit alles is gebruikt ten behoeve van een advies aan het College van procureurs-generaal. Bij dit advies zijn alle technische rapportages gevoegd. Deze zijn door het College eveneens ter beschikking gesteld aan de advocate van Baybasin.
Het bericht 'Slachtoffers in de kou' |
|
Lilian Helder (PVV), Hero Brinkman (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht: «Slachtoffers in de kou»?1
Ja.
Klopt het dat ruim 15 000 slachtoffers jaarlijks hulp mislopen omdat het nieuwe computersysteem (BVH) van de politie slecht functioneert?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd. Het invullen van deze vraag wordt in de praktijk niet altijd gedaan.
is het waar dat slachtoffers op het politiebureau de keuze voorgelegd horen te krijgen of hun gegevens mogen worden doorgespeeld aan Slachtofferhulp, die psychische, praktische en juridische hulp kan geven? Klopt het dat die hulpvraag standaard op «nee» staat en dat er geen automatische melding is waardoor agenten soms in aangiften vergeten op te nemen of mensen slachtofferhulp willen? Zo nee, wat is dan de reden dat slachtoffers hulp mislopen?
Slachtoffers krijgen de keuze voorgelegd of hun gegevens mogen worden doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland. Het antwoord op die vraag staat niet standaard op «nee». Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat slachtoffers die aangifte doen van bijvoorbeeld beroving, inbraak of geweld, altijd de keuze wel of geen slachtofferhulp krijgen voorgelegd?
Om ervoor te zorgen dat slachtoffers voortaan consequent slachtofferhulp krijgen aangeboden is het nodig dat standaard de gegevens van slachtoffers naar Slachtofferhulp Nederland worden doorgestuurd. Om te bezien of het standaard automatisch doorsturen van slachtoffergegevens naar Slachtofferhulp Nederland juridisch mogelijk is, heb ik laten onderzoeken of de Wet politiegegevens hieraan in de weg staat. Uit deze juridische analyse blijkt dat de Wet politiegegevens geen belemmeringen kent voor automatische doorverwijzing van alle slachtoffers aan Slachtofferhulp Nederland. De gegevens mogen ook worden doorgestuurd wanneer niet aan het slachtoffer is gevraagd of zijn gegevens mogen worden doorgegeven. Ik heb daarom aan de politie gevraagd om op zo kort mogelijke termijn een dergelijke 100%-doorverwijzing in het systeem in te voeren. De politieagent hoeft dan niet meer zelf in het systeem gegevens over het doorverwijzen in te voeren. Slachtoffers die geen prijs stellen op slachtofferhulp kunnen dat bij het eerste contact met Slachtofferhulp Nederland aangeven. Overigens behoudt de politie de ruimte om in individuele gevallen, bijvoorbeeld in geval van anonieme aangifte, de afweging te maken om slachtoffergegevens niet automatisch naar Slachtofferhulp Nederland door te laten sturen.
Daarnaast zijn er personen die niet zelf rechtstreeks slachtoffer zijn maar wel voor slachtofferhulp in aanmerking komen (bv. omstanders). De politieagent dient dit expliciet in het systeem aan te geven. Ik heb daarom aan de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn en in alle korpsen.
Bestrijding van antisemitische uitingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het item gezien in het programma Pownews van 9 februari 2011, waarin een jongen een Hitlergroet uitbracht jegens een gezelschap van rabbijnen, imams en dominees?
Ja.
Is er aangifte gedaan van dit voorval? Zo nee, wilt u de betrokkenen daar actief toe uitnodigen?
Naar aanleiding van de televisie-uitzending op 9 februari heeft het korps Amsterdam-Amstelland rabbijn Evers benaderd en hem gevraagd om aangifte te doen. De rabbijn heeft op 11 februari 2011 aangifte gedaan ter zake van belediging.
Is de jongen die op camera herkenbaar de Hitlergroet brengt en «kankerjoden» roept opgepakt of loopt er politieonderzoek naar deze antisemitische uitingen? Zo ja, op welk moment en op welke basis heeft de politie besloten om actie te ondernemen? Zo nee, bent u van mening dat dit soort gedragingen ambtshalve onderzocht en vervolgd moeten worden?
Naar aanleiding van de aangifte is er een opsporingsonderzoek gestart, waarbij onder meer de foto van verdachte is getoond in het televisieprogramma «Ter plaatse» van RTV Noord-Holland. Daarnaast is de foto geplaatst op de website www.depolitiezoekt.nl. Aangezien het onderzoek nog loopt, kan ik geen verdere mededelingen doen.
De politie kan ook zonder aangifte proces-verbaal van strafbare feiten opmaken en inzenden naar het openbaar ministerie. De officier van justitie beoordeelt de zaak en beslist of tot vervolging wordt overgegaan. Ingevolge de Aanwijzing discriminatie (2007A010) van het College van Procureurs-generaal is daarbij de hoofdregel dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt.
Werd de interreligieuze wandeling begeleid door politieagenten? Zo ja, hoe hebben zij gereageerd op de uitingen van deze jongen?
Nee. De politie werd pas kort tevoren op de hoogte gesteld over de wandeling.
Deelt u de observatie dat uit dit filmpje opnieuw blijkt dat mensen die door hun kleding als Joods herkend zouden kunnen worden in de praktijk met antisemitisch gedrag geconfronteerd worden? Vindt u het ook ontoelaatbaar dat Joodse mensen hiermee rekening moeten houden en zich in sommige gevallen genoodzaakt voelen om hun gedrag en voorkomen aan te passen?
Het filmpje bevestigt dat antisemitisch gedrag voorkomt. Antisemitisch en ander discriminerend gedrag is onacceptabel. Niemand in Nederland zou zich door zulk gedrag genoodzaakt moeten voelen om zijn gedrag en voorkomen aan te passen.
Bent u van mening dat de pakkans voor antisemitisme verhoogd moet worden door bijvoorbeeld de gerichte inzet van opsporingsambtenaren die zich op traditioneel Joodse wijze kleden? Zo ja, hoe wilt u bevorderen dat deze lokagenten gericht ingezet worden zodat Joodse mensen weer zonder angst herkenbaar over straat kunnen lopen? Zo nee, waarom niet?
De keuze voor de inzet van gerichte opsporingsmiddelen wordt op lokaal niveau gemaakt, op basis van de lokale kennis. De Regionale Discriminatieoverleggen (RDO’s) spelen hierin een belangrijke rol. De inzet van alternatieve opsporingsmethoden is ook een lokale aangelegenheid, mits deze vallen binnen de wettelijke mogelijkheden. Hoewel daarvoor een wettelijke basis bestaat, ligt de inzet van lokagenten bij antisemitisme, niet voor de hand vanuit overwegingen van subsidiariteit (als andere opsporingsmiddelen niet tot het gewenste resultaat leiden). Ook deze afweging dient echter lokaal te worden gemaakt.
Hoeveel aanhoudingen zijn afgelopen jaar verricht vanwege antisemitisme?
Voor de zomer zullen wij een aanscherping van het actieprogramma ter bestrijding van discriminatie naar de Tweede Kamer sturen. Hierbij sturen wij ook de landelijke cijfers van de politie en het Openbaar Ministerie ten aanzien van antisemitisme in 2010 mee.
Voortdurende dolfijnenslachtingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat sinds september weer honderden dolfijnen op gruwelijke wijze zijn gedood in Taiji?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke actie u de afgelopen maanden heeft ondernomen om Japan ervan te overtuigen dat deze wrede dolfijnenslachtingen zo snel mogelijk moeten worden beëindigd? Heeft u daarbij steun gezocht en gemobiliseerd in andere landen? Zo ja, wat was het resultaat van deze inspanningen? Zo nee, waarom niet?
De mondiale verontwaardiging over deze praktijken hebben bij de genoemde landen vooralsnog niet geleid tot een verandering van hun gedrag. Ik zal het standpunt van Nederland hieromtrent op gepaste momenten uitdragen. Verder verwijs ik naar beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp (Kamervragen 2009–2010, nr. 2319 en het antwoord op Kamervragen van het lid Ouwehand over de jaarlijkse slachting van dolfijnen op de Faröereilanden met kenmerk NLP2010-2579, d.d. 08-09-2010).
Deelt u de mening dat er grotere druk moet worden uitgeoefend op landen als Japan en de Faeröer eilanden om te stoppen met de jaarlijkse slachtpartijen omdat de inspanningen tot nu toe nog niets hebben opgeleverd voor de dolfijnen? Zo ja, welke extra inzet gaat u hiervoor leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u nog steeds de mening dat dolfijnen in ieder geval beschermd zouden moeten worden door de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC)?
Nederland heeft tijdens de laatste jaarvergadering van de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC62 in Agadir, juni 2010) gepleit voor het onder de IWC brengen van de kleine zeezoogdieren, zoals dolfijnen. Een door België ingediende en mede door Nederland gesteunde motie om dit mogelijk te maken, behaalde evenwel geen meerderheid. Een blokkerende meerderheid van landen binnen de IWC is tegen opname van nieuwe walvissoorten, mede vanwege de impasse waarin de IWC zich thans bevindt.
Ik zal mij in het kader van de IWC, en in samenwerking met andere landen binnen en buiten de EU, blijven inzetten voor een verbreding van de IWC naar de kleine zeezoogdieren. Een belangrijke stap daartoe, is dat een oplossing wordt gevonden voor de huidige tegenstellingen binnen de IWC. Het opnemen van de kleine zeezoogdieren zou een onderdeel kunnen vormen van een nieuw pakket van taken.
Wat is de stand van zaken rond het voorstel dat België in voorbereiding heeft om de beschermingssfeer van de IWC uit te bereiden tot dolfijnen en andere walvisachtigen? Heeft u hierover contact gezocht met België, conform de toezegging van de voormalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 21 april 2010? Op welke wijze is Nederland betrokken bij de uitwerking en indiening van dit voorstel bij de IWC?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u garanderen dat op de eerstvolgende IWC-conferentie van Belgische en/of Nederlandse hand een voorstel ligt voor de bescherming van dolfijnen en andere walvisachtigen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hier kennis van nemen en welke actie gaat u verder ondernemen om steun te verwerven voor dit voorstel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Eventuele prijsverhoging naar aanleiding van surfgedrag op internet |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op conclusies die zijn getrokken tijdens een recent congres over «Bahavioural targeting and profiling», waarin onder andere wordt gewaarschuwd voor de praktijk van prijsdiscriminatie aan de hand van surfgedrag? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot prijsverhogingen gebaseerd op persoonlijk surfgedrag zoals bijvoorbeeld een herhaald bezoek aan dezelfde webwinkel?1
Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) heeft mij het volgende meegedeeld. Technisch bezien is het mogelijk om aan de hand van internetgedrag marketingtools in te zetten met het doel de eindgebruiker gericht te bedienen door het tonen van (advertenties van) producten en diensten die aansluiten bij zijn behoefte, en daarbij prijzen te variëren. Er zijn geen klachten bekend over prijsverhogingen naar aanleiding van een herhaald bezoek aan dezelfde webwinkel. De brancheorganisatie Thuiswinkel.org, de belangenvereniging voor ondernemers die producten en diensten via internet verkopen aan consumenten, heeft juist te kennen gegeven dat hun leden de prijzen verlagen bij herhaald bezoek om te voorkomen dat het vertrouwen van klanten zou worden geschaad. Overigens is prijsdiscriminatie niet verboden, tenzij sprake is van misbruik van een economische machtspositie.
Bent u bereid om te laten onderzoeken wat Nederlandse internetbedrijven doen met de gegevens die mensen al dan niet bewust beschikbaar stellen via hun IP-adres, surfgedrag en netwerk-pagina’s?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 5. Verder zie ik geen aanleiding voor een onderzoek onder alle Nederlandse internetbedrijven met een dergelijke brede vraagstelling.
Hoe dienen uw antwoorden op eerdere vragen te worden geïnterpreteerd?2 Hier stelt u aan de ene kant dat «Device fingerprinting geen gevolgen heeft voor de veiligheid van het internetgebruik of de internetgebruiker» en tegelijkertijd dat het «het onderwerp profiling hoog op de agenda staat van het college bescherming persoonsgegevens (CBP)». Kan er worden geconcludeerd dat u stelt dat er geen gevolgen zijn voor de veiligheid, terwijl de resultaten van een mogelijk onderzoek door het CBP nog bekend moeten worden? Op basis waarvan kunt uitsluiten dat er gevolgen zijn voor de veiligheid?
Ik heb in mijn antwoorden op vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen 987) onderscheid gemaakt tussen een aantasting van de veiligheid en een aantasting van de privacy. Van een aantasting van de veiligheid in dit kader is sprake als inbreuk zou worden gemaakt op de goede en integere werking van een computer van een individuele gebruiker. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft mij echter meegedeeld dat device fingerprinting geen consequenties heeft voor de werking van een computersysteem. Om die reden heb ik aangegeven dat er voor GOVCERT.NL vanuit zijn taakopdracht geen aanleiding bestaat onderzoek te verrichten naar dit verschijnsel.
Als bij device fingerprinting sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, kan sprake zijn van een aantasting van de privacy als daarbij de Wet bescherming persoonsgegevens niet zou worden nageleefd. Om die reden staat profiling hoog op de agenda van het College bescherming persoonsgegevens.
Klopt in juridische zin de constatering van één van de congresgangers dat wanneer een consument toestemming geeft voor het verzamelen van bepaalde informatie, hij/zij daarmee nog geen toestemming geeft voor het verzamelen van meerdere data in geaggregeerde databases en profiles?
Volgens de Wet bescherming persoonsgegevens wordt onder toestemming van de betrokkene verstaan: elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. In deze context is van belang dat de informatievoorziening die de betrokkene ontvangt, voorafgaand aan het geven van zijn toestemming, hem een voldoende duidelijk beeld verschaft van hetgeen de verantwoordelijke van plan is met zijn persoonsgegevens te gaan doen. Als de verantwoordelijke beoogt de verzamelde persoonsgegevens ook te gaan verwerken bij wijze van «profiling», brengt zijn informatieverplichting met zich mee dat hij de betrokkene daarover duidelijk inlicht.
Wilt u een onderzoek laten doen naar de juridische context van profiling en behavioural targeting, en daarbij ook de techniek van device fingerprinting betrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 3, 4 en 7 op de eerdergenoemde vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer voor de aandacht die al in Nederland en op Europees niveau wordt geschonken aan de (juridische aspecten van) dergelijke onderwerpen. Ik zie verder geen aanleiding voor het laten verrichten van onderzoek.
Overigens wordt bij behavioral targetting soms ook gebruik gemaakt van zogenoemde cookies. Het Ministerie van ELI heeft mij meegedeeld dat ter voorbereiding van de uitvoering van de nieuwe bepalingen in de Telecommunicatiewet inzake «het vertrouwelijke karakter van communicatie», de zogenoemde Cookiewetgeving (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 549, nrs. 2 en 3), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit opdracht heeft gegeven aan IVIR/TNO om onderzoek te doen naar de stand van zaken rondom het plaatsen en het gebruik van cookies. Het onderzoeksrapport zal binnenkort gepubliceerd worden.
Het openstellen van data |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onlangs openstellen van data door het Britse DFID (Department for International Development) volgens de standaard van het International Aid Transparency Initiative (IATA)?1
Ja
Klopt het dat Nederland lid is van de stuurgroep van IATA en dat de stuurgroep op 9 februari 2011 afspraken heeft gemaakt over de implementatie van deze standaard voor het openstellen van data?
Ja
Hoe beoordeelt Nederland de standaard zoals die is gebruikt door het DFID?
Nederland beoordeelt deze internationaal overeengekomen standaard positief. Het beschikbaar stellen en toegankelijk maken van OS-gegevens stelt overheden in partnerlanden in staat om beter te plannen en te sturen. Ook stelt het de bevolking in ontwikkelingslanden in staat kennis te nemen van de ontvangen hulp zodat de eigen regering hierop aangesproken kan worden. In donorlanden kan het publiek zicht krijgen op de besteding van de gelden. Transparantie komt de effectiviteit en kwaliteit van onze inspanningen ten goede. Zoals ook door uw Kamer tijdens het wetgevingsoverleg en de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken in december 2010 is benadrukt, hecht ik hieraan bij de uitvoering van mijn beleid.
Wanneer kan Nederland een serieuze start maken met de implementatie van de IATA standaard voor het openstellen van ontwikkelingsdata?
Feitelijk heeft Nederland reeds een eerste stap gezet in de implementatie van de IATI standaard. De internationale onderhandelingen over de te hanteren standaard zijn afgerond. We kunnen nu een start maken met de implementatie van de IATI standaard. Hiertoe zullen allereerst de technische en organisatorische consequenties van de IATI standaard in kaart worden gebracht.
Op welke termijn is Nederland voor wat betreft het openstellen van data op het gebied van ontwikkelingssamenwerking op een vergelijkbaar niveau als het DFID?
Zo snel mogelijk. Dit is afhankelijk van bovengenoemde technische en organisatorische consequenties. Hierover zal ik u meer helderheid verschaffen in de Voorjaarsnota.
Bent u in staat om deze data volgens de IATA standaard open te stellen voorafgaand aan het Fourth High Level Forum in Busan van 29 november 2011? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal alles in het werk stellen om voor de 4e High Level Forum in Busan van 29 november 2011 een substantieel deel van onze OS-gegevens open te stellen.
De gebrekkige aansluiting tussen MBO-opleidingen en het werken in de haven |
|
Metin Çelik (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Havenondernemers: ROC’s onder de maat»?1
Ja.
In welke opzichten schieten de ROC’s tekort? Is ook een deel van de mismatch de ondernemers aan te rekenen?2
Wanneer er sprake is van een mismatch op de arbeidsmarkt kan doorgaans niet worden gesproken van een tekortschieten van mbo-instellingen of werkgevers. Jongeren zijn vrij in hun keuze voor een beroep en beroepsopleiding. Door de vergrijzing is er de komende jaren op de arbeidsmarkt al sprake van een iets grotere uitstroom van ouderen dan instroom van nieuwe schoolverlaters3. Daardoor kan zich schaarste aan vakbekwaam personeel voordoen. Dat zal per branche verschillen. Werkgevers zijn zelf primair verantwoordelijk voor hun personeelsvoorziening. Zij kunnen hierin voorzien door bijvoorbeeld de instroom van schoolverlaters te bevorderen, maar ook door het eigen personeel verder op te leiden of langer te laten doorwerken of door het werven van werkzoekenden of van werkenden uit andere branches.
Als werkgevers van mening zijn dat de toestroom van jongeren onvoldoende is, ligt het in de rede dat zij samenwerken met mbo-instellingen en nadere afspraken maken. Zij kunnen samenwerken om meer jongeren voor het vakgebied te interesseren door bijvoorbeeld interessante stages te organiseren, een baangarantie te geven en open dagen te verzorgen. Overigens worden de meeste opleidingen voor functies in de Rotterdamse haven niet aangeboden door de Rotterdams roc’s, maar door het Scheepvaart en Transport College (STC) in Rotterdam.
Ter illustratie wordt de situatie in Rotterdam geschetst. In die stad zijn de roc’s Albeda en Zadkine, samen met het Scheepvaart en Transport College, Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam en Deltalinqs sinds een half jaar in gesprek om tot oplossingen te komen. Zo is kennisinfrastructuur Mainport met roc’s en met de deelnemers in gesprek om te bezien of er een groep ambassadeurs van deelnemers kan worden gevormd die vanuit de belevingswereld van jongeren meedenkt over de wijze waarop vacatures in haven en industrie beter kunnen worden vervuld en hoe de opleidingen aantrekkelijker kunnen worden gemaakt.
Sinds 2008 bestaat er overigens een wettelijke zorgplicht arbeidsmarktperspectief, die inhoudt dat mbo-instellingen bij de start, continuering en beëindiging van opleidingen rekening moeten houden met het arbeidsmarktperspectief.
Wat is uw opvatting over het feit dat een hele sector om goede mensen verlegen zit terwijl de werkloosheid in Nederland nog relatief hoog is?
Op het eerste gezicht lijkt het misschien paradoxaal dat er op het zelfde moment werkgevers zijn die onvoldoende geschikt personeel kunnen vinden en werklozen die geen werk kunnen vinden. Toch is dit wel te begrijpen. Waar een sector om verlegen zit hoeft immers niet hetzelfde te zijn als wat werklozen aanbieden. Het kan bijvoorbeeld goed zijn dat de havenondernemers op zoek zijn naar personeel met bepaalde diploma’s of vaardigheden en dat de mensen die op dat moment werkloos zijn die specifieke vaardigheden niet bezitten. Kortom, werkloosheid en schaarste van een specifieke groep kunnen tegelijkertijd bestaan.
Algemeen geldt dat werkgevers zich in zullen moeten spannen om voldoende personeel te aan te trekken. Eveneens geldt dat werklozen zich in zullen moeten spannen om werk te vinden. Dat kost doorgaans tijd en daar kan bij- of omscholing voor nodig zijn.
Bent u bereid samen met de ROC’s en de havenondernemers om de tafel te gaan zitten om snel met een gezamenlijke oplossing voor dit probleem te komen? Zo nee, waarom niet?
Neen, gelet op wettelijke verantwoordelijkheden is dit een zaak van roc’s en havenondernemers zelf. Zij werken ook al samen. Zie voorts het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid een overzicht op te stellen van alle sectoren waar een vergelijkbare problematische kloof is tussen (middelbare beroeps-)opleidingen en de werkvloer? Zo nee, waarom niet?
Neen, werkgevers kunnen zelf het beste inschatten wat hun (toekomstige) personeelsbehoefte is en daarop anticiperen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn er diverse oorzaken en oplossingsrichtingen voor personeelstekorten in branches.
Werkgevers kunnen daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen die reeds digitaal beschikbaar zijn. Zo heeft het UWV een set van regionale arbeidsmarktinformatie ontwikkeld en (digitaal) beschikbaar gesteld op www.werk.nl. Het UWV werkt hierbij nauw samen met partijen als Colo, Dienst Uitvoering Onderwijs en het CBS. Ook de Stichting van de Arbeid werkt samen met de Raad voor Werk en Inkomen eraan om de ontwikkelingen binnen sectoren en de regionale arbeidsmarkt in beeld te brengen.
De afgelopen jaren is tevens vanuit het middelbaar beroepsonderwijs gewerkt aan het transparant maken van vraag en aanbod aan stageplaatsen (www.stagemarkt.nl) en de kans op werk die een opleiding biedt (www.kansopwerk.nl). Dit per branche, regio en niveau. In opdracht van de gemeente Rotterdam heeft Colo voor examenleerlingen in het voortgezet onderwijs een «arbeidsmarktbijsluiter» ontwikkeld die de kans op werk met specifieke vervolgopleidingen en het bijbehorende salaris inzichtelijk maakt. Dit levert een bijdrage aan een gerichte loopbaanoriëntatie en beroepskeuze (lob) door jongeren.
De toenemende aanvallen op christenen in Indonesië |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kerken in Indonesië aangevallen»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat het tegen internationale mensenrechtenverdragen indruist dat Antonius Bawengan wegens godslastering/belediging van de islam voor vijf jaar wordt veroordeeld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid bij de Indonesische autoriteiten aan te dringen op de directe vrijlating van deze man?
Dhr. Bawengan is veroordeeld op basis artikel 155a en 156 van het wetboek van strafrecht. Artikel 156 is gelieerd aan de oorspronkelijk uit 1965 stammende anti-blasfemiewet, welke in 2010 nog door het Indonesische Constitutionele Hof werd bekrachtigd. De wet heeft tot doel om heiligschennis en belediging van de zes officieel toegestane religies in Indonesië (islam, katholicisme, protestantisme, hindoeïsme, boeddhisme en het confucianisme) tegen te gaan. Vijf jaar is volgens artikel 156 van het Indonesische Wetboek voor Strafrecht de maximale straf hiervoor. Deze wetgeving staat op onderdelen op gespannen voet met de artikelen 7, 10 en 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke door Indonesië is ondertekend. Ik zal erop aandringen dat deze kwestie aan de orde wordt gesteld tijdens de in maart 2011 geplande EU-Indonesië mensenrechten-dialoog.
Bent u tevens bereid aan te dringen op een snelle berechting van degenen die verantwoordelijk zijn voor de aanvallen op de St. Petrus en Paulus kerk, de Bethelkerk, een niet nader genoemde pinkstergemeente, een niet nader genoemde protestantse gemeente, een christelijk weeshuis en een kliniek?
De Indonesische overheid heeft de door u genoemde beschadiging van kerken en gebouwen veroordeeld en de politie opgedragen om de daders te vervolgen. Ook wordt bekeken in hoeverre groepen aangepakt kunnen worden die zich schuldig maken aan intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Ik vind dit een belangrijk signaal. Mijn ministerie zal de verdere ontwikkelingen op de voet volgen.
Deelt u de analyse van het Setara Instituut voor Democratie en Vrede dat aanvallen op christenen sterk toenemen en dat de politie niet ingrijpt of soms zelfs actief deelneemt aan dergelijke aanvallen? Onderschrijft u de conclusie dat de Indonesische autoriteiten momenteel niet aan hun nationale en internationale verplichtingen voldoen aangaande de bescherming van hun religieuze minderheden? Zo ja, bent u bereid om zowel in bilateraal als in EU-verband er bij Indonesië op aan te dringen aan deze verplichtingen te voldoen?
Indonesië is een seculiere staat, waar de verhouding tussen de verschillende religieuze groepen in de samenleving over het algemeen wordt gekenmerkt door onderlinge verdraagzaamheid. Er is geen sprake van systematische terreur tegen religieuze minderheden. Wel vindt er de afgelopen jaren een toenemend aantal incidenten plaats, met name in twee van de 33 provincies (te weten West-Java en Oost-Java), gericht tegen sommige christelijke kerkgemeenschappen, de Ahmadiyah, en van tijd tot tijd ook tussen soennieten en shiieten. Waar christelijke groepen betrokken zijn, gaat het vaak om gevallen waarbij lokale overheden, mede onder druk van islamitische groeperingen, geen bouwvergunningen verstrekken voor nieuwe kerken. Een enkele maal is overgegaan tot het sluiten van kerkgebouwen. Deze problematiek lijkt mede het gevolg te zijn van een in 2006 uitgevaardigd interministerieel decreet, dat voorschrijft dat de bouw van gebedshuizen voldoende ondersteund moet worden door de omwonenden. In sommige gevallen is sprake van intimidatie of verstoring van religieuze bijeenkomsten door radicale groeperingen. Het is aan de Indonesische autoriteiten om hier tegen op te treden en de vrijheid van religie te waarborgen. In de praktijk blijken met name de lokale autoriteiten en politie dit niet altijd voldoende te doen. De Indonesische regering heeft in toenemende mate oog voor deze problematiek.
Ik vind het belangrijk om, zoals al regelmatig gebeurt, met de Indonesische autoriteiten in gesprek te blijven over de positie van religieuze minderheden. Ook tijdens de tweede EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die wordt gehouden op 9 maart in Brussel, zal deze materie aan de orde worden gesteld.
Bedreigingen door jagers |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jacht op zwaan escaleert totaal»?1
Ja.
Klopt het dat de politie in eerste instantie weigerde te komen terwijl een burger zich bedreigd voelde en om die reden de politie belde? Hoe beoordeelt u dit?
Het regiokorps Gelderland-Zuid heeft mij meegedeeld dat de communicatie tussen de melder en de politie aanvankelijk niet goed is verlopen. Hierdoor ontstond onduidelijkheid over de plaats waar de gebeurtenis zich afspeelde en wat er zich afspeelde. Er is geen sprake geweest van een aanvankelijke weigering om ter plaatse te komen, maar van onduidelijkheid. Dat de melder hierdoor mogelijk het gevoel heeft gekregen dat de politie niet wenste te komen betreurt de politie en ik sluit mij daarbij aan. Ik verwijs verder naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Bent u ervan op de hoogte dat onder andere in Noord-Holland en Brabant ook recent burgers verbaal en fysiek zijn bedreigd door jagers, waaronder door leden van de Wildbeheereenheid?
In de in het antwoord op vraag 2 genoemde zaak heeft het regiokorps Gelderland-Zuid mij meegedeeld dat de politie later op de dag waarop het voorval plaatsvond op locatie de aangiften van beide aangeefsters heeft opgenomen. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Verder heeft de politie over de periode vanaf 1 maart 2006 tot 1 maart 2011 gegevens kunnen achterhalen over zes gevallen waarin het volgens een politiemutatie of proces-verbaal ging om – vermeende – bedreigingen van passanten door jagers tijdens het jagen. Ik kan niet garanderen dat dit overzicht volledig is, aangezien voorvallen in aangiftes of politiemutaties anders omschreven kunnen zijn en daardoor bij de zoekslag niet gevonden kunnen zijn.
Vijf voorvallen hebben, vanwege verschillende gronden, niet geleid tot een strafrechtelijk vervolg. Een voorval is wel vervolgd maar heeft geleid tot een vrijspraak.
Heeft u zicht op het aantal incidenten de laatste vijf jaar waarbij jagers burgers bedreigden? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel gevallen dit ging en wat de strafrechtelijke gevolgen hiervan waren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze aanvallen en bedreigingen een aantasting vormen van de openbare veiligheid en dat hier streng tegen op getreden dient te worden? Zo ja, op welke wijze kan en wilt u hieraan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de mij ter beschikking staande gegevens kan ik niet opmaken dat er daadwerkelijk sprake is geweest van aanvallen en bedreigingen (ik verwijs naar het antwoord op vraag 4). Wel deel ik vanzelfsprekend de mening dat bedreigingen niet acceptabel zijn en een aantasting vormen van de veiligheid. De politie en het Openbaar Ministerie hebben voldoende handvatten om dergelijke zaken op te pakken.
Deelt u de mening dat jagers die zich niet aan de gedragsnormen houden niet het faunabeleid van overheden dienen uit te voeren? Zo ja, bent u bereid hiertoe regels of aanbevelingen aan de provincies te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
De gedragsnormen hebben de jagers onderling afgesproken en zijn niet bepalend voor het beleid van overheden. In deze gedragsnormen staat hoe een jager zich dient te gedragen in het veld. De gedrags- en weidelijkheidsregels van Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging zijn hiervan een voorbeeld. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 en het antwoord van de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op vragen van het lid Thieme van uw Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, Aanhangsel Handelingen, nr. 2448).
Deelt u de mening dat jagers die de gedragsregels overtreden een levenslang jachtverbod zouden moeten krijgen, gelet op het feit dat voor vuurwapengebruik onbesproken gedrag een voorwaarde is? Zo ja, bent u bereid dit nadrukkelijk in regels vast te leggen? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de wens van het kabinet om te komen tot een lik-op-stuk beleid?
Ik vind dat de bestaande wet- en regelgeving voldoende mogelijkheden biedt voor een adequate en tijdige reactie. In de Flora- en faunawet zijn meerdere gronden opgenomen waarop de korpschef een jachtakte kan weigeren of intrekken, zoals in geval van (vrees voor) misbruik van vuurwapens of munitie. (artikel 39, eerste lid onder e en artikel 41, eerste lid onder c).
Ook op basis van de Circulaire Wapens en munitie 2005 wordt misbruik in het verleden door de korpschef betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor een wapenvergunning, zoals in casu een jachtakte. Bij veroordelingen kunnen personen namelijk gedurende een bepaalde periode voor nieuwe aanvragen worden uitgesloten. De in mijn antwoord op vraag 6 genoemde gedragsnormen zijn in dit kader niet relevant.
Een geheim plan voor huizen in de natuur |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Geheim plan voor huizen in de natuur» van 3 februari in de Gooi en Eemlander?
Ja.
Was u bekend met het voornemen van de regionale commissie Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) om af te willen wijken van het natuurbeleid en het beleid voor ruimtelijke ordening? Zo ja, waarom heeft u hierover de Kamer niet geïnformeerd? Zo nee, wat is uw mening over dit voornemen dat niet in lijn is met het beleid?
Nee, ik was hiermee niet bekend.
Naar ik heb begrepen is de ILG gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vechtstreek ook niet voornemens af te wijken van het beleid. De commissie voert momenteel een verkenning uit die zich richt op de vraag of er in het Groene Uitweggebied kansen zijn om verrommelde, bebouwde locaties op te ruimen, met als doel de ruimtelijke kwaliteit in het gebied te verbeteren en (met de meeropbrengsten) de groene ambities te realiseren. Deze verkenning sluit aan bij regelingen als «ruimte voor ruimte» en «rood voor groen» welke passen binnen het ruimtelijk rijksbeleid.
Voor aanvullende informatie verwijs ik u naar de antwoorden van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op recente vragen van Provinciale Staten over dit onderwerp (d.d. 15 februari 2011).
Wie zijn de deelnemers in deze Commissie Investeringsbudget Landelijk Gebied? Zijn hier ambtenaren bij die onder uw verantwoordelijkheid vallen?
Het krantenbericht doelt op de ILG gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vechtstreek. De commissieleden zijn bestuurlijke vertegenwoordigers van gemeenten, waterschap, natuurbeheerders, landbouworganisaties e.d. Op de website van de provincie Noord-Holland is een lijst met namen te vinden. Het betreft geen ambtenaren die onder de verantwoordelijkheid van de minister van I&M of mij vallen.
Zijn er uitkomsten van dit onderzoek naar nieuwe locaties voor duizend woningen in het Gooi? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer zenden?
De uitkomsten van een dergelijk onderzoek zijn mij niet bekend. Ik verwijs u hiervoor naar de provincie Noord-Holland.
Kunt u aangeven welke delen van de Ecologisch Hoofdstructuur-gronden (EHS) in eigendom of optie zijn van bouwbedrijf AM vastgoed?
Uit navraag bij de provincie Noord-Holland blijkt dat er in dit gebied geen EHS-gronden in eigendom of optie van bouwbedrijf AM vastgoed zijn.
Kunt u uitsluiten dat in andere delen van het land dergelijke onderzoeken zijn of worden uitgevoerd?
Nee, zolang provincies zich aan de afspraken en algemene kaders houden, kunnen dergelijke onderzoeken elders in het land ook worden uitgevoerd.
Het bericht dat scholieren nog steeds zonder les of begeleiding worden opgehokt in studielokalen om het verplicht aantal lesuren te halen |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scholieren nog steeds opgehokt»?123
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat middelbare scholieren zinloze uren op school uitzitten, omdat schooldirecties niet alle verplichte uren kunnen invullen? Zo neen, waarom niet?
Dat leerlingen «zinloze uren op school moeten uitzitten» is uiteraard onwenselijk. Daarom is het van belang dat leerlingen (en ouders) inspraak hebben bij de manier waarop de school de onderwijstijd inricht, zodat zij de school daarop kunnen aanspreken. Met het thans aanhangige Wetsvoorstel onderwijstijd VO worden leerlingen en hun ouders hiervoor in positie gebracht.
Deelt u de mening dat scholen hun verantwoordelijkheid beter moeten oppakken en dat de inspectie actiever moet controleren? Zo neen, waarom niet?
De kerntaak van scholen is het verzorgen van goed onderwijs. Daarvoor zijn voldoende contacturen, zinvolle invulling van de onderwijstijd, goede roosters en het bieden van een goed alternatief bij lesuitval essentieel. Dus ja, scholen moeten hun verantwoordelijkheid nemen, en doorgaans doen zij dit ook. Het Wetsvoorstel onderwijstijd VO biedt leerlingen (en hun ouders) handvatten om de school «bij de les te houden».
Deelt u de mening van het Landelijk Actiekomitee Scholieren (LAKS) eens dat er een hardere definitie moet komen voor het begrip «les»? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Ik vind het van belang dat de school samen met ouders en leerlingen bepaalt wat een inspirerende, uitdagende en zinvolle invulling van de onderwijstijd is. Uit het Beoordelingskader onderwijstijd dat de Inspectie gebruikt bij het onderzoek naar de onderwijstijd blijkt heel helder wat in ieder geval onder de definitie van onderwijstijd kan worden geschaard.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen het aantal ophokuren terug te brengen en wat vindt de minister van de oproep van het LAKS aan leerlingen om zinloze uren bij het LAKS te melden?
Bij scholen die niet aan de urennorm voldoen zal de inspectie vanzelfsprekend handhavend optreden. Daarnaast biedt het Wetsvoorstel onderwijstijd VO de ruimte en waarborgen om op schoolniveau een goede invulling te geven van de onderwijstijd en brengt leerlingen (en ouders en leraren) in positie om – bijvoorbeeld – het aantal ophokuren terug te brengen.
Leerlingen kunnen «zinloze» uren uiteraard bij het LAKS melden, maar het is zeker zo zinvol om dit aan te kaarten bij de eigen school. Door betrokken te zijn bij de invulling van de onderwijstijd op schoolniveau, kunnen leerlingen de school op dit punt «bij de les houden» en direct een bijdrage leveren aan kwalitatief goed onderwijs.
De hoogte van verkeersboetes in relatie tot andere boetes |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat agenten verkeersboetes te hoog vinden in verhouding tot andere boetes?1 Wat is uw reactie op deze gevoelens?
Ja. Ik kan mij indenken dat in bepaalde specifieke omstandigheden de voorgeschreven boetes als hoog worden ervaren. In het sanctiestelsel moet echter een afweging worden gemaakt tussen het rekening houden met de omstandigheden van het geval, de consistentie in de opgelegde sancties, en de administratieve hanteerbaarheid. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 3 tot en met 5. Mijn inzet is om ervoor te zorgen dat «hufterigheid» in het verkeer zwaarder bestraft wordt.
Is het waar dat voor winkeldiefstal soms boetes uitgedeeld worden van 50 euro? In wat voor soort situaties gebeurt dit? Wat is de beleidslijn voor de hoogte van boetes in dit soort situaties?
De beleidslijn van het Openbaar Ministerie inzake diefstal van winkelgoederen met een waarde tot en met 50 euro is dat er een boete van 170 euro wordt opgelegd. Bij diefstal van winkelgoederen met een waarde tussen de 50 en 120 euro bedraagt de boete 290 euro. De zwaarte van de straf neemt nog verder toe bij hogere waardes van goederen. Van deze beleidslijn kan de officier van justitie slechts gemotiveerd afwijken, bijvoorbeeld indien sprake is van een bijzondere verschijningsvorm van het delict of naar aanleiding van de persoon van de dader. Indien de diefstal leidt tot een rechtszaak dan kan vanzelfsprekend ook de rechter tot een andere strafmaat besluiten, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.
Op welke manier wordt gewogen hoe de verhouding is tussen de hoogte van de boete en de zwaarte van de overtreding?
De Aanwijzing kader voor strafvordering van het College van procureurs-generaal beschrijft de systematiek van het stelsel van richtlijnen voor strafvordering. De richtlijnen vormen één samenhangend geheel, hetgeen gerealiseerd is door enerzijds de ernst van de verschillende delicten ten opzichte van elkaar te positioneren, anderzijds door de factoren die een rol spelen bij de beoordeling telkens op eenzelfde wijze te hanteren. Bij vermogensdelicten, zoals winkeldiefstal, wordt de hoogte van de straf bepaald door een aantal factoren. Naast de waarde van de gestolen goederen gaat het erom of sprake is van medeplegen, medeplichtigheid, een poging, recidive, en de eventuele schade. Voor ieder van deze factoren wordt een vaststaande verzwaring of verlichting van de straf toegepast.
Wanneer krijgt de Kamer het naar aanleiding van de motie-Van der Staaij c.s.2 toegezegde onderzoek naar aanpassing van de verkeersboetes toegestuurd?3 Zou met het onderzoek naar aanpassing van de verkeersboetes naar aanleiding van deze motie niet in belangrijke mate tegemoetgekomen kunnen worden aan de kritiek op de verhouding tussen de verschillende boetes?
Ik zal de Kamer medio 2011 berichten over de manier waarop ik invulling wil geven aan de motie. Mijn voorstel zal inderdaad ingrijpen op de verhouding tussen de verschillende boetes, waarbij ook andere boetes dan verkeersboetes zullen worden betrokken.
Bent u bereid om in uw standpunt over de voorstellen van het Openbaar Ministerie voor aanpassing van de boetes ook een vergelijking te maken met de hoogte van andere boetes dan verkeersboetes, zodat een evenwichtige afweging van de hoogte van de boetes mogelijk is?
Zie antwoord vraag 4.