Ingediende moties over het Europees Arrestatiebevel |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Heeft u de op 17 februari 2011 ingediende moties1 maar half gelezen of heeft u bewust woorden weggelaten om deze moties eenvoudiger te kunnen ontraden?2,3
Dat is niet het geval.
Bent u bereid alsnog inhoudelijk, maar dan zorgvuldig, te reageren op de ingediende moties 32 317, nrs. 38 en 39 over het Europees Arrestatiebevel? Zo nee, waarom niet?
Tengevolge van het door de Kamer gehanteerde kerstregime was de vragenstelster niet in de gelegenheid om een toelichting te geven op motie nr. 38. In mijn noodzakelijkerwijs korte reactie ben ik ingegaan op de wijze van toetsing door de rechtbank Amsterdam en heb ik aangegeven, dat voor zover met een inhoudelijke toetsing een onderzoek van de bewijsmiddelen werd bedoeld, ik mij daarvoor niet zal inzetten. De vragenstelster geeft in deze vraag aan wat naar haar mening met inhoudelijke toetsing is bedoeld, te weten een onderzoek naar de juistheid van de beschuldiging. Deze uitleg van inhoudelijke toetsing wijkt niet wezenlijk af van wat ik in mijn reactie op de motie een onderzoek van de bewijsmiddelen heb genoemd. Ik zie dan ook geen aanleiding mijn standpunt te wijzigen. Ik wijs er nog op dat in het Europese uitleveringsrecht reeds in 1957, bij de totstandkoming van het verdrag over uitlevering van de Raad van Europa, een dergelijke inhoudelijke toetsing is afgeschaft. De invoering van het Europees Arrestatiebevel (EAB) heeft op dit punt dus niet tot een wijziging geleid. Integendeel, het bevestigt een al meer dan 50 jaren bestaande praktijk.
Waar haalt u de stelling vandaan dat de rechter niet toetst2 terwijl de motie uitdrukkelijk spreekt over inhoudelijke toetsing, waarmee natuurlijk bedoeld wordt dat op grond van het Europees Arrestatiebevel Nederlanders kunnen worden overgeleverd aan een andere lidstaat zonder dat de Nederlandse rechter inhoudelijk een oordeel velt of standpunt inneemt over de juistheid van de beschuldiging?
Zie antwoord vraag 2.
Wat bedoelde u precies met uw uitspraak» de rechtbank Amsterdam toetst wel degelijk, en uitgebreid.»?2 Kunt u dit uitvoerig toelichten?
Ter nadere toelichting op mijn opmerking dat de rechtbank uitgebreid toetst, wijs ik op het feit dat de rechtbank bij elk EAB zorgvuldig onderzoekt of een van de weigeringsgronden van toepassing is. Uit de uitspraken van de rechtbank blijkt verder dat ook aan andere verweren aandacht wordt besteed, zelfs als deze zich buiten het wettelijk toetsingskader bewegen. Ik verwijs naar de gepubliceerde uitspraken van de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam. Ik noem daarvan bij wijze van voorbeeld, de uitspraak van 22 oktober 2010, LJN BO 1 448, waarin de rechtbank zeer uitvoerig motiveert waarom klachten over het Poolse gevangeniswezen niet een schending van artikel 3 EVRM opleveren (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BO1448). Eveneens verwijs ik naar de uitspraak van 17 september 2010 in de zaak waarvoor de vragenstelster eerder mijn aandacht heeft gevraagd, waarin de rechtbank zeer uitvoerig ingaat op de kwestie van de verjaring en op andere gevoerde verweren (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BN8264).
Waarom bent u niet ingegaan op het verzoek te zoeken naar mogelijkheden om ervoor te zorgen dat er een breder toetsingskader voor de Internationale Rechtshulpkamer komt voor EAB-verzoeken, waarmee bijvoorbeeld ook wordt gedoeld op detentieomstandigheden, ernst van het strafbare feit en mogelijke alternatieven (zoals videoverhoor) voor overlevering? Verandert deze toelichting uw oordeel over deze motie?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de in het antwoord op vraag 4 geciteerde uitspraken blijkt, worden door de rechtbank de detentieomstandigheden in ogenschouw genomen in het licht van een gevoerd (EVRM-)verweer en wordt door de rechtbank eveneens aandacht besteed aan verweren omtrent vermeende bagatelfeiten. Wat betreft het hanteren van mogelijke alternatieven voor een EAB, merk ik op dat een toetsing op dat punt niet door het kaderbesluit is voorzien en dientengevolge ook niet kan worden geïntroduceerd in de nationale wetgeving.
Dit laat evenwel onverlet dat ik oog heb voor de wenselijkheid om op Europees niveau verder te werken aan het ontwikkelen van andere vormen van samenwerking. Tegen deze achtergrond heb ik de met algemene stemmen aangenomen motie van het lid Recourt c.s. (32317, nr. 36 dan ook aangemerkt als ondersteuning van mijn beleid. Zoals ik eerder te kennen heb gegeven, wordt in het tussen de Nederlandse en de Poolse justitiële autoriteiten gevoerde en nog te voeren overleg ook gesproken over alternatieven voor een EAB. Bovendien vinden momenteel in Brussel onderhandelingen plaats over de ontwerprichtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel. In het BNC-fiche over deze richtlijn, dat aan de Kamer is overgelegd, wordt onder meer het volgende opgemerkt: «Ter stimulering van de strafrechtelijke samenwerking in Europa is het van belang dat wordt gezocht naar aanvulling van de bestaande vormen van samenwerking. Nederland heeft tijdens de evaluatie van de Nederlandse praktijk van behandeling van het Europees aanhoudingsbevel, aandacht gevraagd voor een betere regeling van het verhoor o.a. per videoconferentie van verdachten door de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat, als mogelijk alternatief voor hun overlevering.» (Kamerstukken II 2009–2010, 22 112, nr. 1044). Het bovenstaande noch de door vragenstelster gegeven toelichting geven mij aanleiding tot wijziging van mijn standpunt over de motie.
Bent u het eens met de tweede overweging van de motie met volgnummer 32 317, nr. 39 dat de zorgen van advocaten en stichtingen die zich bezighouden met het monitoren van het Europees Arrestatiebevel ten aanzien van een eerlijke rechtsgang en de omstandigheden van detentie in een aantal lidstaten serieus dienen te worden genomen? Zo nee, waarom niet? Wat bedoelde u met uw opmerking dat de aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met de werkelijkheid?3
De vragenstelster refereert in de tweede overweging, naar ik aanneem, aan onder meer de zorgen die worden verwoord in de brief van 14 februari 2011 van Euromos aan de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie. Ik heb in het algemeen overleg over de JBZ-raad van 17 februari 2011 al aangegeven dat de brief mij niet erg overtuigde. De toonzetting kan zeker als stellig worden gekwalificeerd, maar de feitelijke onderbouwing daarentegen als mager. Uit het antwoord op voorgaande vragen blijkt ook dat de opmerkingen in die brief over gebrek aan toetsing niet met de feiten overeenstemmen.
Hoe beoordeelt u het feit dat er ook bij de Europese commissie besef bestaat van de noodzaak tot verbetering van de praktijk van het Europees Arrestatiebevel, mede gelet op de uitlatingen van commissaris Reding in haar brief van 19 november 2010? Welke acties gaat u naar aanleiding hiervan ondernemen? Bent u bereid hierover contact op te nemen met deze Eurocommissaris of u anderszins op de hoogte te stellen van de zorgen die hierover ook bij de Europese Commissie leven en de mogelijkheden tot verbetering te bespreken?
Commissaris Reding schrijft haar brief van 19 november 2010 aan Fair Trials International, in antwoord op een aan haar gerichte eerdere brief van die organisatie. Commissaris Reding maakt daarin een aantal opmerkingen over het EAB, verwijst naar voorstellen over procedurele rechten van de Commissie en kondigt een evaluatierapport en een mededeling aan. Deze aangelegenheden vormden nog geen onderwerp van beraadslaging in de Raad. Het in haar brief aangekondigde rapport en de mededelingen van de Commissie zijn tot op heden niet verschenen. Ik zal bij gelegenheid van de volgende vergadering van de Raad bij Commissaris Reding navraag doen naar de stand van zaken.
Wanneer de overleveringsrechter besluit dat een persoon overgeleverd mag worden, zit er dan geen enkele marge in de termijn waarop de overlevering daadwerkelijk geëffectueerd zal worden, mede gelet op het feit dat de overleveringswet consequent spreekt over het al dan niet «toestaan» van de overlevering door de rechtbank? Brengt het gebruik van het woord «toestaan» niet met zich mee dat de overlevering niet direct de volgende dag uitgevoerd «moet» worden? Zo nee, bent u bereid de wet zodanig te wijzigen dat hier meer ruimte komt om overleveringen die mogelijk in strijd komen met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) tijdelijk niet met de grootste spoed te effectueren? Zo nee, waarom niet? Ik ontraad ook de aanneming van de tweede motie van mevrouw Gesthuizen, op stuk nr. 39. De regering kan geen rechterlijke beslissing opschorten. Zij is daartoe gewoon niet bevoegd. De wet kent deze opschortingsbevoegdheid niet en dus kan ook het Openbaar Ministerie dat niet doen. Subsidiair zeg ik dat er geen reden toe is. De aangevoerde omstandigheden komen niet overeen met de werkelijkheid.»
Zowel het kaderbesluit betreffende het EAB als (in navolging daarvan) de Overleveringswet stellen termijnen aan de feitelijke overlevering, nadat de rechtbank heeft beslist tot overlevering. Ik verwijs naar artikel 23 van het kaderbesluit en artikel 35 van de Overleveringswet. Daaruit blijkt dat de feitelijke overlevering niet later dan tien dagen na de uitspraak van de rechtbank dient plaats te vinden. In het tweede en derde lid zijn de zeer beperkte uitzonderingen op die regel verwoord.
Met betrekking tot overleveringen die mogelijk in strijd komen met het EVRM, merk ik op dat strijd met het EVRM in de regel al aan de orde zal worden gesteld bij de behandeling van het EAB door de rechtbank. De rechtbank zal het ter zake gevoerde verweer betrekken bij zijn beslissing. Staat de rechtbank de overlevering toe, dan is er geen reden tot uitstel van de feitelijke overlevering. Indien de opgeëiste persoon vervolgens een klacht indient bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), kan hij het Hof verzoeken om een interim maatregel te gelasten, waarna het Hof een beslissing neemt over het verzoek. In de zaak waarvoor de heer Van der Steur in zijn vragen van 24 december 2010, nr. 2010Z201060, aandacht vroeg, is een klacht tegen Nederland ingediend, maar heeft het EHRM het verzoek om een interim-maatregel afgewezen.
Carpoolplaatsen langs de A27 |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Is het waar dat de carpoolplaatsen Sleeuwijk Tol Oost, Sleeuwijk Tol West en Hank langs de rijksweg A27 elke dag al vroeg in de ochtendspits vol staan?
Ja. De carpoolplaatsen op Sleeuwijk Tol Oost, Sleeuwijk Tol West en Hank staan rond zes uur vol.
Deelt u de mening dat meer parkeerplaatsen op deze locaties kunnen bijdragen aan het verminderen van de filedruk op de brug bij Gorinchem en het stimuleren van het Openbaar Vervoer op de corridor Breda–Utrecht?
Ik ben verheugd dat er veel gebruik wordt gemaakt van de betreffende carpoolplaatsen. Echter, gezien het grote aantal voertuigen dat dagelijks in de spits op dit weggedeelte rijdt, zijn naast carpoolplaatsen ook andere maatregelen nodig om de filedruk te verminderen. Daarom wordt onderzocht of het mogelijk is het betreffende weggedeelte de komende jaren te verbreden.
Bent u bereid de capaciteit van deze carpoolplaatsen op korte termijn aan te passen aan de vraag?
Zie voor tijdelijke maatregelen het antwoord op vraag 4. Als structurele oplossing zet ik in op verbreding van de weg. Na openstelling van de weg kan ik bezien of extra permanente carpoolplaatsen nog nodig zijn.
Bent u bereid extra carpoolplaatsen te realiseren, gezien de jarenlange overlast die ontstaat door de werkzaamheden ter verbreding van de rijksweg A27?
De maatregelen die genomen worden om de overlast die ontstaat door de wegwerkzaamheden te beperken worden later bepaald. Voor- en nadelen van de mogelijk te nemen maatregelen worden in samenwerking met de lokale overheden afgewogen. In een integraal plan zullen de maatregelen worden vastgelegd, die de doorstroming op de A27 tijdens de werkzaamheden bevorderen. Tijdelijke carpoolplaatsen kunnen daar onderdeel van uitmaken.
Beschikt u over een overzicht van de bezettingsgraden van carpoolplaatsen langs de Nederlandse snelwegen? Zo ja, kunt u deze naar de Kamer sturen? Zo nee, bent u bereid een dergelijk overzicht te maken?
Het overgrote deel van de carpoolplaatsen is in beheer bij decentrale wegbeheerders. Ik beschik daarom niet over een dergelijk overzicht. Ik zal in een brief over het plan Beter Benutten nader terugkomen op het optimaal benutten van de weg, waaronder carpoolplaatsen.
Bent u bereid in uw komende besluit over de verbreding van de brug bij Gorinchem een ruimtelijke reservering in de middenberm te maken voor een spoorlijn Breda-Utrecht, om zo in de toekomst honderden miljoenen te besparen op de eventuele aanleg van deze spoorlijn?
In het BO-MIRT in mei 2010 is de afspraak gemaakt, dat de provincie Noord-Brabant een ontwerpstudie naar het «niet onmogelijk maken» van een mogelijk toekomstige spoorlijn A27 Breda–Utrecht maakt. Hierbij wordt ook gekeken naar synergievoordelen bij de brug van Gorinchem. Dit onderzoek geeft invulling aan de motie, die in de Tweede Kamer over dit onderwerp is aangenomen. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af en zal dit meewegen in mijn besluit.
Het tekort aan technici met een lagere middelbare opleiding |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de kritiek van de technieksector op de aanpak van dit kabinet van het tekort aan lager- en middelbaar geschoolde technici?1
Ja, deze is ons bekend. Zij wordt echter niet door ons herkend.
De kritiek richt zich op de € 23 mln. die wij onlangs hebben geïnvesteerd in nieuwe samenwerkingsvormen tussen onderwijsinstellingen en bedrijven. Deze investeringen zouden alleen hoger geschoold technisch talent betreffen. Dit is niet correct. Het geld is gegaan naar zowel de Centres voor Expertise, op HBO-niveau, als naar de Centra voor Innovatief Vakmanschap. Deze laatste betreffen samenwerkingsvormen op MBO-niveau.
Wij verwachten dat deze centra, juist door de samenwerking met bedrijfsleven uit de topsectoren, een grote aantrekkingskracht zullen uitoefenen op excellente en gemotiveerde leerlingen in de techniek. Zij zullen door deze aantrekkingskracht, die naar wij hopen ook de doorstroom vanuit het VMBO zal bevorderen, een belangrijke rol vervullen in de aanpak van het tekort aan technisch opgeleide vakkrachten op lager en middelbaar technisch niveau.
Kloppen de berekeningen van TechniekTalent.nu dat er al in 2014 een tekort dreigt van 63 000 technici met een lagere of middelbare opleiding? Zo nee, wat zijn uw schattingen? Kunt u tevens toelichten hoe groot het tekort aan technici met een hogere opleiding zal worden?
De berekeningen van TechniekTalent.nu kloppen in grote lijnen, mits wordt uitgegaan van dezelfde vooronderstellingen. Genoemde berekeningen zijn gebaseerd op de arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) te Maastricht. In deze prognoses worden voorspellingen gedaan door de baanopeningen – de totale vraag op de arbeidsmarkt als resultaat van de uitbreidingsvraag (als gevolg van de verwachte economische groei) en de vervangingsvraag (als gevolg van de verwachte uitstroom aan personeel) – te stellen tegenover de arbeidsmarktinstroom (van schoolverlaters). Op deze wijze zijn de genoemde 63 300 technici berekend.
Dezelfde uitgangspunten hanterend ten aanzien van bijvoorbeeld de verwachte economische groei en het wel of niet rekening houden met het vervullen van de vraag door anderen dan louter schoolverlaters of met de vraag of de tekorten leiden tot loonmaatregelen van werkgevers, zouden wij op grond van de ROA-methode tot eenzelfde conclusie komen.
U vraagt naar de situatie in het hoger onderwijs. Op grond van genoemde ROA-prognoses wordt in de periode 2009–2014 een aanbodoverschot verwacht van 2 700 arbeidsplaatsen op HBO-niveau en 8 300 arbeidsplaatsen op WO-niveau.
Hoe verhouden de bezuinigingen van € 170 miljoen op het MBO voor mensen boven de
De bezuiniging op het MBO voor mensen boven de 30 jaar past bij de opvatting van het kabinet dat boven deze leeftijd de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers een hogere private bijdrage rechtvaardigt (zie Actieplan Focus op Vakmanschap 2011–2015). Dit staat los van de middelen die worden uitgegeven aan het Platform Bèta Techniek, omdat hier de (leer)loopbaan van de jongere centraal staat.
Alle belangen afwegend, heeft het kabinet besloten om met een alternatief arrangement ten opzichte van het Regeerakkoord te komen voor studenten ouder dan 30 jaar. In het alternatieve arrangement blijft publieke bekostiging van deze doelgroep voor een deel intact, maar wordt er ook een stevig beroep gedaan op werkgevers en werknemers. Het valt niet geheel uit te sluiten dat het aantal 30-plussers in de techniekopleidingen (in het studiejaar 2009–2010 ging het om 19 000 mensen) zal afnemen. Dat geldt overigens ook voor andere sectoren.
jaar zich tot de € 23 miljoen die u extra uitgeeft aan het Platform Bèta Techniek, dat zich voornamelijk richt op middelbaar- en hoger opgeleide technici? Kunt u bevestigen dat op dit moment bijna 20 000 mensen van 30 jaar of ouder een MBO opleiding volgen in de techniek? Kunt u tevens uiteenzetten hoeveel mensen met deze opleiding zullen stoppen door de bezuinigingen?
Het kabinet bezuinigt conform het regeerakkoord € 170 miljoen op het totale macrobudget voor het MBO. Voor het alternatieve 30+ arrangement komt er echter een aparte financieringsbox van € 130 miljoen. Het aantal publiek bekostigde leerplaatsen wordt begrensd tot 47 000 per jaar. Uitgangspunt is dat onderwijsinstellingen eenzelfde bijdrage ontvangen per BBL-deelnemer als in de huidige situatie. De overheid bekostigt een leerplaats voor maximaal twee jaar. Het alternatieve arrangement wordt in 2013 gestart en is vanaf 2015 operationeel. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben verheugd gereageerd op het alternatief.
Bent u bereid tegemoet te komen aan de hartenkreet van onder meer de heer Loek Hermans, die u heeft gevraagd alsnog af te zien van de bezuinigingen op het MBO voor 30-plussers omdat deze, in zijn woorden, «onverantwoord en onacceptabel» zijn en «de instroom in de arbeidsmarkt hard treffen en daarmee grote schade berokkenen aan onze Nederlandse economie?»2
Schaarste op de arbeidsmarkt kan niet alleen door de overheid worden opgelost. Bedrijven/ werkgevers in welke sector dan ook, dus ook de technieksector, hebben hierbij een minstens zo grote rol te spelen. Tegen deze achtergrond is het een verheugende zaak dat de technieksector dit probleem nu ook zelf oppakt.
Ook in gebaar ondersteunen wij ze hierin en verwijzen naar de investeringen die wij doen in de Centra voor Innovatief Vakmanschap op MBO-niveau. Samen met de Centres voor Expertise op HBO-niveau maken investeringen in deze Centra onderdeel uit van het door u in vraag 3 genoemde investeringsbedrag van € 23 mln.
Deze investeringen vormen het voorlopige eindpunt van de ontwikkeling die door eerdere investeringen, die vanuit het Deltaplan Bètatechniek door het Platform Bètatechniek in het MBO zijn gedaan, in gang is gezet.
Ook de introductie van Associate-degreeprogramma’s (Ad) levert een bijdrage aan vergroting van het aantal technisch geschoolden en een betere aansluiting op de veranderende behoeften van het werkveld. Het is inmiddels mogelijk om op 32 locaties een Ad in een technische richting te volgen.
Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van de technieksector om het door hen genomen initiatief om meer vakmensen op te leiden «in woord en gebaar te ondersteunen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u hier invulling aan zal geven?
Het schrappen van de vervoersvoorziening bij Pantar in Amsterdam |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) – namens de rijksoverheid – een «beschikking indicatie Wet Sociale werkvoorziening (WSW): doelgroep» afgeeft waarin is vastgelegd of de betreffende persoon behoort tot de doelgroep van de WSW, en mocht dat het geval zijn in welke arbeidshandicapcategorie de betreffende persoon valt?1
Ja.
Is het waar dat in de indicatie wordt vastgelegd welke aanpassingen noodzakelijk zijn voor de betreffende SW-geindiceerde om in de WSW te kunnen werken? Zo ja, bent u er van op de hoogte dat in deze indicatie de technische aanpassing «vervoersvoorziening» kan worden opgenomen als dit van toepassing is?
Ja, dit is vastgelegd in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken, artikel 4 lid 3. Hierin staat: «de indicatiebeschikking bevat bij een geïndiceerde tevens: a) een advies over de eventuele aanpassingen die in eerste aanleg noodzakelijk worden bevonden bij het verrichten van arbeid.» In artikel 1 onder g is opgenomen wat onder aanpassingen wordt verstaan. Een advies over een vervoersvoorziening kan daar inderdaad deel van uitmaken.
Is het juridisch juist om te stellen dat als de uitvoerende SW-organisatie een (hogere) subsidie ontvangt voor een SW-geindiceerde omdat deze werknemer is ingedeeld in een arbeidshandicapcategorie (bijvoorbeeld «ernstig») de overheid de gemaakt afspraken in de beschikking van de SW-geindiceerde verplicht is na te komen? Zo nee, waarom is dit juridisch gezien niet juist? Zo ja, is het waar dat als er een vervoersvoorziening in de beschikking is opgenomen het SW-bedrijf/overheid verplicht is deze vervoersvoorziening te bieden?
Nee, dit is juridisch niet juist. Zo gauw een Wsw-indicatie is afgegeven, en er een Wsw-plaats beschikbaar komt, dient de gemeente ervoor zorg te dragen dat de geïndiceerde onder aangepaste omstandigheden arbeid kan verrichten. De koppeling van de financiering van de Wsw aan arbeidshandicapcategoriën zorgt ervoor dat de gemeente over voldoende middelen beschikt om de benodigde aanpassingen te realiseren. De aanpassingen die genoemd worden in de Wsw-indicatie betreffen een advies. De uiteindelijk benodigde aanpassingen worden pas vastgesteld na een functiegericht onderzoek bij de feitelijke plaatsing.
Acht u het een wenselijke ontwikkeling dat 200 medewerkers niet meer kunnen werken bij Pantar in Amsterdam en werkloos thuis komen te zitten, omdat zij niet zelfstandig in staat zijn om zich naar Pantar te verplaatsen en ook nog eens 40 chauffeurs hun baan verliezen vanwege het schrappen van de vervoersvoorziening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Pantar, uitvoerende dienst van de Wet sociale werkvoorziening (en andere doelgroepen) van de gemeente Amsterdam, heeft besloten om het collectief georganiseerde woon-werkverkeer voor Wsw-werknemers te schrappen. De wet bevat geen verplichting tot het aanbieden van een dergelijke voorziening. In de Wsw-CAO is een bepaling opgenomen over een tegemoetkoming in het woon-werkverkeer. Het is aan de gemeenten hier invulling aan te geven. Daarbij heeft Pantar aangegeven zelf op individueel niveau te inventariseren welke alternatieven gepast zijn voor het vervoer voor de personen die nu nog gebruik maken van de collectieve vervoersvoorziening.
Kunt u garanderen dat Pantar in Amsterdam de € 31 000 die zij per medewerker onder de arbeidshandicapcategorie «ernstig» ontvangt daadwerkelijk hebben besteed aan de betreffende medewerkers? Zo ja, op grond van welke verantwoording?2
Nee. Rijksmiddelen voor de Wsw worden jaarlijks aan individuele gemeenten verstrekt. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw en leggen in de gemeentelijke jaarrekening verantwoording af over de besteding van de rijksmiddelen.
Is het waar dat er bij Pantar in Amsterdam in januari 2011 bonussen zijn uitgedeeld aan het management, terwijl er miljoenen moeten worden bezuinigd? Zo ja, hoeveel geld is er aan deze bonussen besteed?
De directie van Pantar heeft bij navraag aangegeven dat dit niet het geval is.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor het spoeddebat over de bezuinigingen op woon-werkverkeer bij de sociale werkvoorziening te Amsterdam?
Ja.
De verviervoudiging van het aantal overvallen in Zuid-Limburg |
|
Frans Timmermans (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Fors meer gewapende overvallen Zuid-Limburg» op de website van Dagblad de Limburger op 21 februari 2011?1
Ja.
Hoeveel van de overvallen die de laatste drie jaren zijn gepleegd, zijn opgelost? Welke dadergroepen waren verantwoordelijk voor deze criminaliteit?
De oplossingspercentages van overvallen in Limburg-Zuid zijn volgens het korps tot op heden: 17% in 2008, 25% in 2009 en 30% in 2010.
Op 9 februari 2011 heb ik het Actieprogramma Ketenaanpak Overvalcriminaliteit naar uw Kamer gestuurd. Als bijlage heb ik het onderzoek «Overvallen in Nederland» meegestuurd, waarin vele aspecten van de overvalproblematiek en de aanpak ervan de revue passeren (Kamerstukken II, 2010–2011, 28 684, nr. 305, bijlage 99524). Professor Fijnaut c.s. beschrijven in dit onderzoek ook de dadergroep en concluderen dat deze voor het overgrote deel bestaat uit mannen. De leeftijd van de helft van de overvallers wordt geschat tussen de 20 en 30 jaar, een kwart op 20 jaar of jonger, en circa 15% ouder dan 30 jaar. Verdachten van overvallen zijn doorgaans goede bekenden van de politie, het gaat vaak niet om een instapdelict. Ruim 80% heeft criminele antecedenten; in de meeste gevallen gaat het daarbij om vermogensdelicten.
Spelen de grensligging van het gebied en de grensoverschrijdende drugshandel mee in de snelle toename van deze overvallen? Zo ja, wat betekent dit voor de politiesterkte die in deze regio nodig is? Zo nee, waarop baseert u die conclusie?
Het korps Limburg-Zuid heeft mij meegedeeld dat uit de onderzoeken naar de recente overvallen niet is gebleken dat de grensligging of grensoverschrijdende drugshandel daarin een rol speelden.
Wat zijn de gevolgen van de beoogde herverdeling van het politiebudget op de politiesterkte in Zuid-Limburg?
Ik neem binnenkort een besluit over het te herijken budgetverdeelsysteem, waarna verdere uitwerking zal plaatsvinden. Ik zal uw Kamer daarover informeren.
Bent u bereid om Zuid-Limburg extra ondersteuning te bieden bij het bestrijden van deze ernstige criminaliteit, zoals u ook de autoriteiten in Brabant ondersteunt? Zo ja, op welke wijze wilt u helpen? Zo nee, waarom niet?
De Task Force Brabant waar in de vraag op wordt gedoeld is opgericht omdat sprake bleek van een structurele en hardnekkige problematiek in de Brabantse regio op het gebied van de drugsgerelateerde georganiseerde criminaliteit. Het lokale bestuur heeft mij daarom verzocht de aanpak hiervan te ondersteunen.
De situatie ten aanzien van de overvallen in Limburg-Zuid is hiermee niet vergelijkbaar. De overvallenproblematiek laat fluctuaties zien, die niet altijd zijn toe te schrijven aan duidelijke oorzaken. Een toename die zich gedurende een aantal maanden voordoet, kan een paar maanden later weer ingezakt zijn. Dat neemt niet weg dat er ook ten aanzien van overvallen enkele regio’s te onderscheiden zijn waar de problematiek over een langere periode bezien ernstiger is. Deze krijgen dan ook extra aandacht in het kader van het eerdergenoemde Actieprogramma Ketenaanpak Overvalcriminaliteit. Limburg-Zuid behoort niet tot deze regio’s. Mocht de problematiek in Limburg-Zuid echter toch bestendig blijken, dan kan extra aandacht voor deze regio gerechtvaardigd zijn.
Zoals in het Actieprogramma is beschreven, komt er in ieder geval in elke regio een vast politieteam voor de aanpak van overvallen en ook het Openbaar Ministerie richt op de regioparketten speciale «high impact crime» teams in voor de aanpak van dit type delicten.
Welke overvalmethoden worden gebruikt? Speelt vervoer een belangrijke rol bij deze overvallen?
Uit het eerdergenoemde onderzoek van Fijnaut c.s. blijkt dat zo’n vier op de tien overvallen wordt gepleegd in de detailhandel, een kwart op particulieren, circa 14% in de horeca en 12% tijdens transport. In de afgelopen tien jaar is sprake van een stijging van overvallen op woningen.
Analyse van de beschikbare bronnen wijst uit dat het aandeel hit-and-run (impulsieve, weinig voorbereide) overvallen in de afgelopen tien jaar niet substantieel is veranderd.
Bij overvallen is per definitie sprake van het gebruik van geweld. In zo’n 55% van de gevallen gaat het om enige vorm van fysiek geweld. In 35% tot 45% betreft het verbale bedreiging van het slachtoffer. Vooral overvallen op woningen zijn erg gewelddadig: in 80% tot 85% van de gevallen wordt fysiek geweld gebruikt.
In bijna de helft van de overvallen wordt ten minste één (hand)vuurwapen gebruikt. In 20% tot 25% van de gevallen is er sprake van een slag- of steekwapen. Bij zo’n 15% – meestal bij overvallen op straat, gericht op taxichauffeurs, particuliere waardetransport en maaltijdbezorgers – wordt geen wapen gebruikt. Sinds 2006 is het aantal overvallen gepleegd met een vuurwapen sterk toegenomen (met 77%).
Volgens de «routine-activiteit-theorie» plegen mensen vooral delicten in de omgeving waar ze regelmatig verblijven, zoals in de eigen woonbuurt of in de buurt waar vrienden of kennissen wonen. Dat geldt ook voor veel overvallers: gemiddeld wordt 70% van de overvallen in de eigen regio gepleegd. Mobiliteit blijkt ook samen te hangen met de criminele carrière. Naarmate het aantal antecedenten toeneemt, groeit ook de kans dat een overval buiten de eigen regio wordt gepleegd. Grosso modo geldt dat overvallen die verder van huis zijn gepleegd, vaker professioneel van karakter zijn. Mobiliteit impliceert dat overvallers zich verplaatsen naar de plaats van de overval en na afloop vluchten, al dan niet gebruik makend van een vervoermiddel.
Deelt u de mening dat de daders van deze overvallen op een slimme, effectieve manier gestraft moeten worden? Zo ja, kan aan deze daders als aanvullende straf de rijbevoegdheid voor langere tijd, vijf of tien jaar, ontnomen worden waarna opnieuw rijexamen gedaan moet doen? Zo nee, wilt u dit mogelijk maken? Zo ja, wilt u het Openbaar Ministerie vragen een dergelijke aanvullende straf te eisen?
Overvalcriminaliteit moet stevig aangepakt worden. De pakkans moet omhoog en het aantal overvallen dat wordt gepleegd moet omlaag. Daarom heb ik de uitvoering van het Actieprogramma Ketenaanpak Overvalcriminaliteit tot een van mijn prioriteiten benoemd. Om grip te houden op recidiverende daders is verder in het Actieprogramma aangekondigd dat wordt bezien of andere vormen van toezicht en het vorderen van voorwaarden door het Openbaar Ministerie, zoals een locatieverbod in combinatie met elektronisch toezicht, nuttig kunnen zijn om herhaling te voorkomen.
De rechter kan een ontzegging van de rijbevoegdheid nu al opleggen bij delicten op basis van de Wegenverkeerswet. Voor het opleggen van een dergelijke bijkomende straf in andere gevallen is een afzonderlijke wettelijke basis nodig. Ik ben vooralsnog niet van plan om wetgeving te initiëren die dit mogelijk zou maken omdat ik twijfel aan de effectiviteit van een dergelijke maatregel. Bovendien moet een (bijkomende) straf relatie hebben met het delict. In dit geval zie ik die relatie niet.
Overigens is het zo dat voertuigen die overvallers of straatrovers (bij de voorbereiding) gebruiken in beslag kunnen worden genomen en door de rechter verbeurd kunnen worden verklaard.
Extra rechercheurs voor opsporing van kinderporno |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kinderporno overstelpt politie; Expertisecentrum pleit voor extra rechercheurs»?1
Ja.
Is het waar dat de capaciteit van de in de opsporing van kinderporno gespecialiseerde rechercheurs volledig gebruikt wordt? Zo ja, wat betekent dit voor nieuwe zaken van kinderporno en zaken die nog op de plank liggen? Zo nee, hoeveel capaciteit is er dan nog wel beschikbaar?
De capaciteit van de in de opsporing van kinderporno gespecialiseerde rechercheurs wordt volledig gebruikt. Ik verwijs naar mijn recente voorgangsbericht betreffende de aanpak van kinderporno aan de Tweede Kamer van 4 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 500 VI, nr. 86). Het terugdringen van de werkvoorraad heeft in de afgelopen twee jaar de hoogste prioriteit gekregen en er zijn diverse (tijdelijke) maatregelen in gang gezet om dat te bereiken. Desondanks blijft de werkvoorraad, mede door de niet te beïnvloeden instroom van zaken uit internationaal onderzoek, op een te hoog niveau. De politie en het OM zijn daarom momenteel een voorstel aan het uitwerken voor een nationale aanpak van kinderpornografie, met het doel om meer dan nu Nederlandse kindermisbruikers, vervaardigers en verspreiders van kinderporno aan te pakken. Dit voorstel zal tevens een raming van de totaal benodigde recherchecapaciteit voor de aanpak van kinderpornografie bevatten. In de eerstvolgende voortgangsbrief over de aanpak van kinderpornografie zal ik u nader informeren over de (in)richting van een nationale aanpak.
Deelt u de verwachting van de in het artikel aangehaalde persofficier van het Openbaar Ministerie dat op basis van cijfers uit voorgaande jaren er nog veel meer zaken aan het licht komen? Zo ja, deelt u dan ook de mening van deze persofficier dat de capaciteit voor recherche op het terrein van kinderporno moet worden uitgebreid? Zo nee, waarom niet?
In het voortgangsbericht over de aanpak van kinderporno van 16 juli 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 VI, nr. 120) heb ik uw kamer al bericht dat het OM in het jaarbericht over 2009 constateert dat als gevolg van de toegenomen inspanningen bij de politie bij het OM ten opzichte van 2007 ongeveer 10% meer zaken zijn ingediend (landelijk bezien gaat het om 443 zaken in 2009 tegen 387 in 2007). Het OM verwacht een verdere toename van de instroom. Voor wat betreft de vraag over capacitaire inzet verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat hoewel het landelijk expertisecentrum kinderpornografie en de technologie helpen bij het opsporen van kinderporno, dat «meer handen en voeten» ook nodig zijn? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is de situatie ten aanzien van de capaciteit voor de opsporing van kinderporno in andere politieregio’s dan de regio Rotterdam-Rijnmond? Hebt u meer signalen over een tekort aan capaciteit ontvangen? Zo ja, welke signalen zijn dat en tot welke conclusies heeft dit bij u geleid?
Landelijk bestaat het beeld dat recherchecapaciteit volledig wordt ingezet. Dat is mede de aanleiding voor de veranderde aanpak zoals verwoord in mijn voortgangsbericht.
Deelt u de urgentie die de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 2 december 2010 in een algemeen overleg uitsprak? Zo nee, waarom deelt u die urgentie niet? Bent u op de hoogte van zijn toezegging om met u te gaan spreken over de uitbreiding van de capaciteit voor de aanpak van kinderporno met 75 fte’s? Zo ja, wat is de actuele stand van zaken ten aanzien van de uitbreiding van het aantal fte’s?
Ik deel het gevoel van urgentie met de Staatssecretaris. Dat moge blijken uit mijn voortgangsbericht waarin ik extra inspanningen aankondig voor de komende periode. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke criteria worden er gehanteerd ten aanzien van de urgentie en wenselijkheid van politiecapaciteit die gericht wordt op het tegen gaan van dierenleed, te weten de zogenoemde «animal cops», en hoe zich dit verhoudt tot de urgentie en wenselijkheid van de uitbreiding van de capaciteit ten aanzien van de bestrijding van kinderporno?
De politietaak is veelomvattend. Onder strafrechtelijke handhaving, handhaving van de openbare orde en het verlenen van noodhulp valt naast tal van andere aandachtsgebieden ook het bestrijden van dierenmishandeling. Zoals u kunt lezen in mijn brief over de politieprioriteiten van 19 februari 2011 hebben zowel dierenpolitie als de aanpak van kinderporno prioriteit.
Het vrijlaten van een niet uitbehandelde ter beschikking gestelde |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het item uit de uitzending van PowNews waarin een ex-t.b.s.-patiënt uit Nijmegen aan het woord was?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is en gevaarlijk kan zijn dat een ex-tbs’er die volgens hem en de kliniek behandeling nodig heef om recidive te voorkomen, dit niet krijgt? Zo ja, hoe gaat u hem helpen om recidive te voorkomen? Hoe gaat u vergelijkbare situaties in de toekomst voorkomen?
Als de kans op recidive niet is teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau, is verdere begeleiding of behandeling noodzakelijk, al dan niet in een fpc. Op dit punt kan de tbs-maatregel naar mijn mening verder worden verbeterd. Recent heb ik daarom een wetswijziging ingediend, waarin ik voorstel dat de rechter de tbs-maatregel pas definitief beëindigt nadat de dwangverpleging minimaal één jaar voorwaardelijk is beëindigd (32 337).2 Tbs-gestelden kunnen in dat jaar op hun terugkeer in de maatschappij worden voorbereid. Daarnaast geef ik nadere uitvoering aan lopende verbeteringen, zoals de invoering en uitwerking van het forensische psychiatrische toezicht.
In het geval van de persoon in de uitzending van PowNews kan ik op grond van het strafrecht niets meer doen. De tbs-maatregel is beëindigd. Wel heeft de kliniek aan betrokkene aangeboden om nog een week vrijwillig in de kliniek opgenomen te blijven om zo zijn terugkeer in de maatschappij te regelen. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van dit aanbod. Het verbaast mij derhalve dat betrokkene zegt geen hulp te hebben gekregen.
Hoe kan het dat iemand die volgens behandelaren uit de tbs-kliniek en hemzelf hulp nodig heeft maar niet krijgt, terwijl er naast een dwingend juridisch kader ook een Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen is om zorg onder dwang en drang te geven ter bescherming van het individu en de samenleving?
De behandelaars in kwestie hebben een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) overwogen. Na overleg met de afdeling juridische zaken van de Pompekliniek en GGZ Nijmegen is van een voorwaardelijke machting afgezien. Uit het ambtsbericht van het OM blijkt dat de behandelaars meenden dat in deze casus alleen een voorwaardelijke machtiging kan worden aangevraagd, indien betrokkene schriftelijk toestemming geeft voor het verstrekken van de benodigde dossierinformatie. Omdat betrokkene geen medewerking heeft verleend, is uiteindelijk geen aanvraag gedaan.
Is het waar dat de rechter tegen het advies van de behandelaars de tbs van de man heeft beëindigd? Zo ja, welke overwegingen voerde de rechter hiervoor aan? Zo nee, wat is dan wel de situatie? Kunt u de Kamer een afschrift van de uitspraak doen toekomen?
De tbs-maatregel van betrokkene is van rechtswege geëindigd als gevolg van het besluit van de officier van justitie om de eerder ingediende vordering tot verlenging van de maatregel in te trekken. Dit betekent dat er in deze zaak geen uitspraak is gedaan. Derhalve gold de laatste uitspraak van de rechter uit 2010, waarin de tbs-maatregel met een jaar werd verlengd. De officier van justitie besloot hiertoe op basis van de adviezen van een externe onafhankelijke psychiater en een externe onafhankelijke psycholoog.
Zou de bovenstaande vrijlating op deze manier nog mogelijk zijn geweest als het wetsvoorstel verruiming van de mogelijkheden onvrijwillige geneeskundige behandelingen te verrichten (32 337) al van kracht zou zijn geweest?
In de nota van wijziging bij het wetsvoorstel 32 337 wordt geregeld dat indien de officier van justitie een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging indient, de rechter, de dwangverpleging eerst voorwaardelijk beëindigt, alvorens deze definitief kan worden beeindigd. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie geen vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging ingediend.
Hoe vaak komt het voor dat een rechter contrair aan de vordering van de officier van justitie of contrair aan de adviserende instantie besluit een tbs-behandeling te beëindigen? Kunt u dit voor de afgelopen tien jaar per jaar aangeven, uitgesplitst naar besluiten die contrair zijn aan een vordering van het Openbaar Ministerie dan wel contrair aan de adviserende instantie?
Het WODC heeft in haar onderzoek «Contraire beëindiging van de tbs-maatregel» uit 2005 naar contraire beëindigingen in de periode 2001–2004 de volgende definitie gehanteerd:»een contraire beëindiging is het niet verlengen van de tbs-maatregel door de rechtbank of het gerechtshof, tegen het advies van de adviserende instantie in». Als de deskundigen het recidiverisico matig of hoog inschatten, wordt gesproken van een «harde» contraire beëindiging; als in de adviezen het recidiverisico laag wordt ingeschat, van een «zachte» contraire beëindiging.3 De Dienst Justitiële Inrichtingen heeft de volgende cijfers verstrekt over de afgelopen tien jaar4:
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Aantal beëindigingen
88
80
83
120
98
111
101
97
96
109
Waarvan contrair
25
38
26
35
33
27
36
24
30
32
Uit onderzoek van het WODC in 2005 blijkt dat in de onderzochte periode 2001–2004 er 75 beëindigingen contrair aan de vordering van het OM zijn geweest. Van die 75 waren er 45 contrair aan het advies van de deskundigen. Van de 38 zaken waarin het recidiverisico werd genoemd, waren er uiteindelijk twee waar het recidiverisico hoog werd ingeschat en vijf waar het recidiverisico matig of twijfelachtig werd ingeschat. In de overige zaken werd het recidiverisico niet genoemd. Bijna al deze contraire beëindigingen werden door de penitentiaire kamer uitgesproken, een kamer waarin naast de drie rechters ook twee gedragsdeskundigen zitting hebben.
Hoe vaak komt het voor dat rechters in verband met de inhoud, tempo of voortgang van de behandeling besluiten dat een tbs-behandelingcontrair moet worden beëindigd?
De inhoud, het tempo en de voortgang van de behandeling worden gewogen in relatie tot de afname van het recidiverisico, dat leidend is bij de vraag of de tbs-maatregel moet worden verlengd. De adviserende instanties als het behandelend fpc, de reclassering en de onafhankelijke rapporteurs maken deze afweging in hun advies aan de rechter. Uit het hiervoor genoemde onderzoek van het WODC blijkt dat in een gering aantal gevallen de rechter mede besloot de terbeschikkingstelling te beeindigen op grond van proportionaliteit van de duur van de tbs-maatregel of stagnerende begeleiding.
Deelt u de mening dat in de gevallen dat een rechter een contrair besluit neemt dat samenhangt met een tekortschietende behandeling, dat het probleem niet bij het besluit van de rechter ligt maar aan de behandeling zelf valt toe te dichten? Zo ja, wat gaat u doen om de behandeling in tbs-instellingen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Uit recidivecijfers van het WODC blijkt dat de tbs-behandeling in het algemeen zeer effectief is. Rechters maken hierin, zoals het een rechtsstaat betaamt, hun eigen afweging.
Niettemin ben ik van mening dat de tbs-maatregel op een aantal punten verder kan worden verbeterd. Mijn voorstellen heb ik onlangs per brief van 17 februari jl. aan uw Kamer meegedeeld. Hierover heb ik op 24 maart jl. met uw Kamer gedebatteerd in het Algemeen Overleg tbs-onderwerpen.
Deelt u de mening dat bezuinigingen op tbs niet passen bij een goede behandeling van de patiënten dus bescherming van de samenleving? Zo ja, welke conclusies ten aanzien van voorgenomen bezuinigingen trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Ombuigingen kunnen niet direct worden vertaald in kwaliteitsafname of risico-toename. In het regeerakkoord is een versobering van de tbs aangekondigd om onnodig gebruik van kostbare voorzieningen in de tbs tegen te gaan. Als risicotaxatie uitwijst dat een minder dure, transmurale voorziening aangewezen is, moeten tbs-gestelden niet onnodig dure intramurale plaatsen bezet houden. De sleutel voor een efficiënt gebruik van de capaciteit ligt in de verlofaanvragen. Zonder de risico’s voor de samenleving uit het oog te verliezen dienen fpc’s de verlofmachtigingen tijdig aan te vragen. Op deze wijze kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk op passend niveau worden behandeld, volgens het adagium «zo laag als kan, zo hoog als moet». Voor doorvoering van beleidsmaatregelen als deze is geen extra budget benodigd.
Klopt de conclusie dat na contraire beëindiging van de tbs-maatregel een groter percentage van de ex-tbs-gestelden (zeer ernstig) recidiveert danna andere wijzen van beëindiging van de maatregel uit een WODC-onderzoek uit 2005 nog steeds? Zo ja, hoe is het verband tussen contraire beëindiging en recidive? Zo nee, wat is er dan veranderd sinds 2005?
In de WODC-recidivemonitor zijn de recidivegegevens van uitstroomcohorten over de periode 1974–1998 onderzocht. Uit het laatste is gebleken dat na contraire beëindiging van de tbs-maatregel een groter percentage ex-tbs-gestelden recidiveert ten opzichte van ex-tbs-gestelden van wie de de maatregel op andere wijze is beëindigd. Op 16 februari jl. is de Recidivemeting tbs door het WODC geactualiseerd. Deze meting maakt geen onderscheid tussen contraire beëindigingen en andere wijzen waarop de tbs-maatregel eindigt. Op dit moment kan ik bevestigen noch weerleggen of de conclusies van WODC uit 2005 ook ten aanzien van latere uitstroomcohorten gelden.
De brand in het havengebied Amsterdam |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om de Kamer, voor zover mogelijk, vóór het algemeen overleg over externe veiligheid en gevaarlijke stoffen d.d. 9 maart 2011 te informeren over de afwikkeling van de brand bij Diergaarde Chemical Complex te Amsterdam?1
Helaas bleek het niet mogelijk vóór het AO externe veiligheid de vragen te beantwoorden omdat relevante informatie bij derden moest worden opgevraagd.
Bent u bereid daarbij in te gaan op de volgende punten?
Naar de mening van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland is de samenwerking tussen de regio's en de opschaling goed verlopen.
De informatie over het verloop van de brand, de brandbestrijding en de publieks- en perscommunicatie werd afgestemd met de veiligheidsregio's Kennemerland, Zaanstreek-Waterland en Noord-Holland Noord (het effectgebied). Hierbij bood het Nationaal Crisiscentrum ondersteuning. De afgestemde informatie werd bekend gemaakt op www.amsterdam.nl. Websites van andere gemeenten verwezen naar de Amsterdamse website. Daarnaast kreeg de bevolking informatie via RTV Noord-Holland (de rampenzender), via een publieksnummer en via Twitter. Telefonisten van gemeentehuizen werden hiervan op de hoogte gesteld. Gegeven de kenmerken van deze brand (een brand waarbij de opslag van gevaarlijke stoffen niet betrokken raakte) werd het niet nodig geacht aanvullende communicatie voor bijzondere doelgroepen te verzorgen.
Bij de brand is bluswater vrijgekomen. De Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft er op toegezien hoe Rijkswaterstaat en Waternet, in samenwerking met de gemeente Amsterdam, de waterverontreiniging door bluswater hebben aangepakt. Door het afsluiten van duikers en het indammen van sloten, het opzuigen van bluswater en afvoeren daarvan naar ATM Moerdijk is verdere verspreiding van de verontreiniging via het oppervlaktewater voorkomen.
Vergunningsituatie: het bedrijf beschikt sinds 1995 voor de op- en overslag van gevaarlijke en niet-gevaarlijke stoffen over vergunningen op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Hierin zijn onder meer eisen op basis van de zogenaamde CPR 15-2 richtlijn voor een opslagloods voor gevaarlijke stoffen opgenomen. Deze richtlijn is de voorloper van de richtlijn 15 uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS15).
Het bedrijf heeft op 22 september 2009 een aanvraag om een revisievergunning Wm ingediend. Bij deze aanvraag is tevens een kennisgeving op grond van het Brzo ingediend. De nieuwe Wm revisievergunning dateert van 2 december 2010. De gemeente Amsterdam heeft hierin voorgeschreven dat het bedrijf aan de richtlijn PGS15 met brandbeveiliging moet voldoen.
Naleving, toezicht en handhaving: tijdens een Wm-controle op 14 april 2009 heeft de gemeente Amsterdam geconstateerd dat, naast de vergunde gasflessen, ook gasflessen aanwezig waren waarvan de keuringsdatum verstreken was en dat niet alle voorschriften werden nageleefd. Op 28 mei 2009 heeft de gemeente het bedrijf een vooraankondiging met het voornemen tot het opleggen van een dwangsom gestuurd. Bij brief van 9 september 2009 heeft de gemeente het bedrijf gemeld dat zij op 5 augustus 2009 geconstateerd heeft dat de overtredingen zijn verholpen.
Brandblusinstallatie: op 5 mei 2009 heeft een geaccrediteerd bedrijf de blusschuim- en brandmeldinstallatie als niet goed beoordeeld. Op 29 april 2010 heeft dit bedrijf een nieuwe inspectie uitgevoerd en hieruit is gebleken dat brandmeld- en blusinstallatie inmiddels voldeed aan de normen.
Brzo: op 4 oktober 2010 hebben de gemeente Amsterdam, de brandweer Amsterdam-Amstelland en de Arbeidsinspectie een Brzo-inspectie uitgevoerd. Hierbij is vastgesteld dat het bedrijfsnoodplan onvoldoende was. Het college van B&W heeft het bedrijf op 6 januari 2011 per brief verzocht deze overtreding binnen een maand ongedaan te maken. Op 14 februari 2011 heeft het bedrijf de verbeterde versie van het bedrijfsnoodplan naar de brandweer Amsterdam-Amstelland gestuurd; de brandweer heeft op 15 februari 2011 een brief aan het college gestuurd met het advies om bestuursrechtelijk te handhaven omdat de overtreding niet ongedaan gemaakt was.
Na de brand heeft het bevoegd gezag opnieuw gecontroleerd. De resultaten zijn momenteel nog niet bekend en worden zo snel mogelijk toegestuurd aan de VROM-Inspectie.
De uitspraken van theoloog en dichter Huub Oosterhuis over de inhoud van de kersttoespraak van H.M. de Koningin |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten1 dat H.M. de Koningin naar zeggen van de theoloog en dichter Huub Oosterhuis in haar kersttoespraak van 2010 allerlei dingen niet heeft kunnen zeggen die ze wel had willen zeggen vanwege een interventie van de PVV en/of de heer Wilders? Zo ja, kloppen deze berichten?
Hoe groot is op dit moment volgens u de uitingsvrijheid van de koningin?
Zijn er na uw aantreden afspraken gemaakt tussen u en H.M. de Koningin over de mate van uitingsvrijheid van H.M. de Koningin, leden van het Koninklijk Huis en van de koninklijke familie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke ruimte gunt u H.M. de Koningin om in gevallen waarin uw staatsrechtelijke verantwoordelijkheden zich minder doen gelden, bijvoorbeeld in het geval van de persoonlijk getinte kersttoespraken, haar eigen opvattingen publiekelijk te formuleren?
In hoeverre bent u bereid H.M. de Koningin publiekelijke ruimte te bieden voor haar eigen opvattingen? Maakt het daarbij verschil of haar opvattingen al dan niet stroken met de uwe of die van de PVV? En hoe verhoudt zich dit tot de aan eenieder in de Grondwet en mensenrechtenverdragen toegekende uitingsvrijheden?
Bent u van mening dat een louter ceremonieel koningschap welbeschouwd een betere oplossing is, omdat het staatshoofd dan op eigen gezag zijn of haar toespraken kan vormgeven zonder dat uw ministeriële verantwoordelijkheden direct geactiveerd zullen worden?
Vergoedingen in de kinderopvangsector |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hermans krijgt twee ton van Kanteel»?1, waaruit blijkt dat een – naar de mening van de rechter op legitieme gronden – ontslagen directrice van een kinderopvangorganisatie in totaal 2,5 ton krijgt uitgekeerd?
Wat is uw oordeel over het feit dat er in de (indirect gesubsidieerde) kinderopvangsector dit soort vergoedingen bij een legitiem ontslag wordt uitbetaald, terwijl de betrokken ouders in de afgelopen jaren steeds zijn geconfronteerd met prijsverhogingen?
Bent u van mening dat de Raad van Commissarissen en het bestuur van de stichting waaronder Kanteel Kinderopvang valt, in deze kwestie juist hebben gehandeld door een dergelijk bedrag uit te keren? Bestond daartoe een contractuele verplichting?
Op welke wijze kunnen verontruste en boze ouders de betrokken bestuurders aanspreken op hun handelen in deze kwestie? Bent u van mening dat oudercommissies voldoende zijn uitgerust om hun controlerende taak richting bestuurders uit te oefenen?
Bent u in het algemeen van oordeel dat er voldoende transparantie in de markt voor kinderopvang is, bijvoorbeeld als het gaat om prijs en kwaliteit in relatie tot het behaalde financiële rendement van een instelling, zodat ouders zich een oordeel kunnen vellen over de noodzaak van prijsstijgingen?
Bent u bereid om de Kamer nader te informeren over de schaalvergroting, concentraties en overnames door investeringsmaatschappijen die momenteel in de sector plaatsvinden? Wat is uw oordeel over het feit dat betrokken ouders van bestuurders steeds minder inzicht lijken te krijgen in de kosten voor kinderopvang in relatie tot de prijs, met het argument dat het bedrijfsgeheimen betreft? Wat betekent dit naar uw mening voor de keuzevrijheid van ouders en de mogelijkheden om (via ouderraden) invloed uit te oefenen op prijs en kwaliteit?
Bent u van mening dat marktwerking in de kinderopvang zonder echt keuzevrijheid ouders te zeer in een afhankelijkheidspositie plaatst, en dat de positie van ouders versterkt dient te worden om invloed te kunnen uitoefenen? Op welke wijze bent u van plan de positie van ouders te versterken?
Niet bestrafte fraudegevallen aan de Universiteit Maastricht |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving over fraude aan de Rechtenfaculteit van de Universiteit Maastricht die wel vastgesteld is maar niet bestraft?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze situatie waarbij besloten is studenten, die betrapt zijn op fraude bij een tentamen, om «interne redenen» niet te bestraffen en hen ook niet uit te sluiten van het tentamen?
De Inspectie van het Onderwijs heeft vanuit haar wettelijke toezichttaak het signaal opgepakt en een onderzoek verricht. Zij concludeert op basis hiervan, dat voor de opleiding als geheel op dit moment de garantie van het niveau niet in het geding is. Daarbij is het van belang dat het om één van de deelopdrachten van het eerstejaars 4 ECTS-vak «Vaardigheden voor juristen A» gaat. Voor het vak als geheel kan een voldoende of een onvoldoende worden behaald. Een student scoort een voldoende voor het vak als hij minimaal 21 van de 38 te verdienen deelpunten behaalt. Dan is het vak pas succesvol afgerond. Voor deze deelopdracht (het paper) geldt dat de student een maximaal aantal van 82 van de 38 deelpunten kon behalen. Bij controle van deze deelopdracht is bij 17 van de 276 studenten geconstateerd dat er vergelijkbare passages in de opdrachten waren opgenomen. Deze constatering is aangekaart bij de betreffende examencommissie. De examencommissie heeft besloten dat de hierbij betrokken studenten bestraft worden met een berisping die vervolgens wordt opgenomen in het dossier van de betrokken student. Deze berisping wordt zwaar meegewogen bij een eventueel volgende overtreding.
Verder is het zo dat de in deze opdracht te demonstreren vaardigheid nog ruim aan bod komt in het vervolg van het onderwijsprogramma namelijk o.a. «Vaardigheden voor juristen B» en later in de scriptie. Daarom concludeert de Inspectie dat de garantie van het niveau van de opleiding niet in het geding is.
deelt u de mening dat dit een onverstandige en ergernis oproepende handeling van de examencommissie van de faculteit is, aangezien zij onduidelijkheid laat bestaan over de achtergronden van haar besluit, maar hiermee wel het vertrouwen in de examenkwaliteit onder druk zet?
Ja, het is onverstandig dat de examencommissie onvoldoende heeft toegelicht wat de achtergrond van haar besluit is geweest en dat er vervolgens onvoldoende is gecommuniceerd over de uitvoering van dit besluit tussen de examencommissie en de docent.
Hoe beoordeelt u verder de uitermate vreemde reactie van de faculteit op de actie van de universitair hoofddocent die deze situatie aanhangig heeft gemaakt en die als signaal alle studenten nu een ruime voldoende heeft gegeven? Vindt u dit ook een vorm van druk zetten op personeel wat opkomt voor onderwijskwaliteit en transparantie rond fraudegevallen die het vertrouwen schaden?
Het valt zowel de examencommissie, de faculteit als de docent te verwijten dat onvoldoende is gecommuniceerd over het besluit van de examencommissie en de uitvoering hiervan. Het kan niet zo zijn dat een docent op eigen houtje elke student een voldoende geeft voor een deelopdracht. Overigens, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is geen sprake geweest van een ruime voldoende. Het staat een docent vrij om met deze kwestie naar buiten te treden, maar het had mijn voorkeur gehad als het gesprek intern adequaat was gevoerd. Daarnaast zijn er verschillende interne procedures beschikbaar om een dergelijke kwestie aanhangig te maken. Ik heb geen aanwijzingen, dat in dit geval sprake is van onoorbare druk op het personeel. Op dit moment zijn er gesprekken gaande tussen de faculteit, de docenten en de examencommissie over hoe men moet omgaan met dergelijke situaties.
Welke mogelijkheden en bereidheid heeft u om duidelijk te maken aan de betreffende universitaire faculteit dat hier minstens duidelijkheid over de beweegredenen moet worden gegeven en dat aangetoonde fraude consequent en duidelijk bestraft moet worden?
Zie het antwoord op 4.
Verder wijs ik erop dat de wetgever bij gelegenheid van de wijziging van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (wet versterking besturing, Stb. 2010, 119) de positie van de examencommissie heeft versterkt. De examencommissie heeft een eigen verantwoordelijkheid om ten behoeve van de kwaliteit van de examinering regels vast te stellen die een goede gang van zaken rond de toetsen waarborgen.
Op basis van het onderzoek heeft de inspectie zich ervan vergewist dat het niveau van de opleiding niet in het geding is. Het is niettemin van het grootste belang dat in het gesprek tussen de inspectie en de instelling expliciet aan de orde is op welke wijze de examencommissie in de toekomst beter is voorbereid op dergelijke voorvallen. Hierover zal op korte termijn een overleg plaatsvinden. Hiermee heeft de inspectie al haar wettelijke mogelijkheden benut. Ik zie geen mogelijkheid om verder in te grijpen.
Het bericht 'Ajaxfan hoeft zich niet te melden' |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ajaxfan hoeft zich niet te melden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat hooligans die herhaaldelijk het plezier voor vele duizenden voetbalsupporters in en rondom stadions verzieken moeten worden onderworpen aan één van de zwaarste ordemaatregelen; een meldplicht op het politiebureau? Zo ja, snapt u de teleurstelling van de Amsterdamse burgervader dat de rechtbank heeft besloten zo'n meldplicht te schorsen?
De burgemeester en de officier van justitie kunnen op grond van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast maatregelen opleggen. Ik ondersteun volledig het doel van deze maatregelen, namelijk het vroegtijdig en voor lange duur aanpakken van dergelijke ordeverstorende c.q. strafbare gedragingen.
In het onderhavige geval bestond de door de burgemeester opgelegde maatregel uit een groepsverbod en een meldplicht voor de duur van drie maanden. Dit bevel is door de voorzieningenrechter geschorst omdat het aan het besluit ten grondslag gelegde politierapport onvoldoende was om ter onderbouwing te kunnen dienen. Daarnaast was volgens de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd waarom voor deze maatregel was gekozen. Het betrof namelijk een groepsverbod voor een relatief groot gebied, met daaraan gekoppeld een meldplicht voor de wedstrijddagen. De proportionaliteit en subsidiariteit van deze maatregel stonden voor de voorzieningenrechter onvoldoende vast.
De burgemeester zal in heroverweging een beslissing op bezwaar nemen, waarbij hij op al deze punten zal dienen in te gaan.
Deelt u de mening dat de Voetbalwet zo snel mogelijk waterdicht moet zijn om hooliganisme in Nederland volledig uit te bannen, zodat de clubcard en de combiregelingen zo snel mogelijk tot het verleden behoren? Zo ja, wilt u uitzoeken waarom hooligans toch wegkomen van een meldplicht en de Kamer daarover berichten?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast richt zich op de aanpak van een aanwijsbaar en beperkt aantal personen, dat individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol heeft gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere verstoring bestaat. Een combiregeling daarentegen wordt bij bepaalde risicowedstrijden opgelegd aan alle bezoekende supporters van de uitspelende club, op basis van een inschatting van de veiligheidsrisico’s rondom een wedstrijd. Beide maatregelen kunnen afhankelijk van de situatie hun nut hebben, maar elkaar niet vervangen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat burgemeesters de Voetbalwet zo optimaal mogelijk kunnen inzetten tegen hooligans?
In afwachting van de evaluatie van de werking van de wet wordt de toepassing van de wet door bestuur en Openbaar Ministerie tussentijds gemonitord door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid. De resultaten van de eerste monitor, die voor de zomer aan mij wordt uitgebracht, worden ook met de burgemeesters gedeeld. Voorts is door mijn ministerie expertise en capaciteit beschikbaar gesteld met het oog op een goede en zorgvuldige toepassing van de wet door gemeenten. Ten slotte worden kennis en ervaringen van gemeenten gewisseld via de website van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). In augustus 2010 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reeds een handreiking en een circulaire uitgebracht en tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel zijn regionale voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor medewerkers van bestuur, Openbaar Ministerie en politie. Relevante documenten zoals voorbeeldbesluiten zijn op de internetsite van het CCV geplaatst en op deze wijze beschikbaar voor betrokken partners.
Heeft u de bereidheid om de Nederlandse Voetbalwet net zo streng te maken als de Engelse «Hooligan Act», waarbij zelfs paspoorten van hooligans afgepakt kunnen worden om hen het reizen onmogelijk te maken, waardoor zij zich wel tweemaal zullen bedenken voor ze over de schreef gaan?
De ervaringen met de Engelse voetbalwet worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, zoals toegezegd bij de aanvaarding van de daartoe strekkende motie Dölle c.s. (Kamerstukken I, vergaderjaar 2009–2010, 31 467, I).
Het lek van de website van de Postcodeloterij |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat de website van de Postcodeloterij al dagenlang lek is, waardoor iedereen persoonsgegevens van deelnemers van de Postcodeloterij heeft kunnen inzien?1
Ja.
Is het u ook opgevallen dat de woordvoerder van de Postcodeloterij in het artikel vertelt dat de organisatie willens en wetens de site heeft aangepast op een manier waarvan men wist dat derden gegevens van deelnemers zouden kunnen inzien?
Over de bedoelde reclameactie heb ik informatie ingewonnen bij de Nationale Postcode Loterij (NPL). Volgens NPL was de actie als volgt opgezet: consumenten kregen een achtcijferige «gelukscode» thuisgestuurd, waarmee via internet aan de actie kon worden deelgenomen en waarbij vervolgens prijzen onder de deelnemers werden verloot. Na het invullen van de unieke code verschenen naam en adresgegevens van de consument in beeld, die desgewenst door de desbetreffende consument konden worden gecorrigeerd. Bij vaste deelnemers van de NPL waren deze gegevens na het invullen van de gelukscode overigens niet zichtbaar, omdat deze al in het bezit zijn van NPL.
Blijkens het artikel in de Volkskrant heeft een van de deelnemers aan de actie op een gegeven moment drie «gelukscodes» met de daarbij bijbehorende adresgegevens (in geanonimiseerde vorm) op een weblog op het internet gepubliceerd en daarbij vermeld dat de website van NPL, nu deze adresgegevens na het intoetsen van de code zichtbaar werden, onvoldoende is beveiligd. NPL heeft niet kunnen achterhalen hoe deze consument in het bezit van deze codes is gekomen. Na deze publicatie heeft NPL meteen maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze adresgegevens zichtbaar worden of blijven voor derden. Overigens heeft NPL kunnen vaststellen dat pogingen zijn gedaan via willekeurige codes adresgegevens te genereren. Eén van die pogingen, waarbij gebruik is gemaakt van 80 000 automatisch gegenereerde codes, heeft slechts 8 werkende codes opgeleverd. In deze gevallen waren de adresgegevens vervolgens niet zichtbaar via de site, omdat het codes behorende bij reeds bestaande deelnemers van NPL betrof.
NPL heeft mij meegedeeld door het incident te hebben moeten vaststellen dat deze achtcijferige code onvoldoende beveiliging bood. NPL heeft mij verzekerd in de toekomst bij dergelijke acties te zorgen voor een betere beveiliging. Op grond van het voorgaande meen ik dat van het willens en wetens zichtbaar maken of onbeschermd plaatsen van persoonsgegevens op de site geen sprake is.
Vindt u het ook onbegrijpelijk en onvoorstelbaar onverantwoordelijk van de Postcodeloterij om bewust persoonsgegevens onbeschermd op de website te plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het de PvdA-fractie eens dat de vergelijking van de woordvoerder van de Postcodeloterij met de Telefoongids onzin is, aangezien mensen voor opname in de bestanden van de Telefoongids zelf toestemming kunnen verlenen of onthouden, wat bij deze onbezonnen actie van de Postcodeloterij niet het geval was? Wat vindt u ervan dat de Postcodeloterij op deze manier deze grove fout probeert goed te praten?
NPL heeft mij desgevraagd laten weten niet gelukkig te zijn met de wijze waarop haar reactie in de krant is weergegeven. Zij heeft mij meegedeeld de gang van zaken zeer te betreuren en zo snel mogelijk actie te hebben ondernomen om de onverhoopte openbaarmaking van persoonsgegevens te beëindigen. Voorts hecht NPL eraan op te merken dat persoonlijke gegevens zoals geboortedata en bankgegevens nooit zichtbaar zijn geweest.
Is het waar dat de Postcodeloterij hiermee de voorschriften uit de wet Bescherming Persoonsgegevens heeft overtreden, denk daarbij bijvoorbeeld aan artikel 13 dat verwerkers van persoonsgegevens verplicht zijn deze te beschermen tegen verlies en enige vorm van onrechtmatige verwerking?
Het ligt niet op mijn weg om een oordeel te geven over de vraag of NPL in dit concrete geval de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft overtreden, dan wel over de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van NPL. Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) is belast met het toezicht op de naleving van de Wbp en kan zonodig handhavend optreden. Het is aan de rechter om te beoordelen of klanten van NPL een eventueel recht op schadevergoeding toekomt.
Klopt het dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens voor deze overtreding geen andere sanctie kent dan de last onder dwangsom, die het College Bescherming Persoonsgegevens slechts op kan leggen om de overtreding te laten beëindigen en er dus geen straf mogelijk is voor deze begane overtreding?
Het Cbp is belast met het toezicht op de naleving en de bestuursrechtelijke handhaving van de Wbp. Het Cbp is ingevolge de artikelen 65 en 66 van de Wbp uitgerust met de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang, en daaraan gekoppeld het opleggen van een last onder dwangsom, alsmede, bij het niet naleven van een aantal formele verplichtingen uit de Wbp, zoals de meldplicht, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Op dit moment wordt de effectiviteit van het sanctie-instrumentarium van de Wbp en de wenselijkheid tot uitbreiding daarvan binnen mijn ministerie nader bestudeerd. Ik bericht u graag nader over de uitkomsten hiervan in een – reeds door mij toegezegde – brief over het privacybeleid. Ik ben voornemens om deze brief op korte termijn aan uw Kamer te doen toekomen.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een sanctie als straf voor het bewust openbaar maken van persoonsgegevens in deze tijd niet meer te verdedigen valt?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u ook niet dat het op straat gooien van persoonlijke gegevens mensen kwetsbaar maakt voor identiteitsdiefstal en een inbreuk is op de privacy en alleen om die redenen al straf verdient? Zo ja, bent u bereid een wijziging van de Wet Bescherming Persoonsgegevens voor te bereiden om overtreding van de voorschriften uit de Wet die nu niet te bestraffen zijn, te kunnen laten bestraffen met een bestuurlijke boete of in zeer uitzonderlijke gevallen via het strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is er een juridische grond voor klanten van de Postcodeloterij om de organisatie civielrechtelijk aan te spreken en een schadevergoeding te eisen voor het openbaar maken van persoonsgegevens?
Zie antwoord vraag 5.
Infiltratie binnen de milieubeweging |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Roel van Duijn wint zaak tegen AIVD»?1
Ja.
Is het waar dat de in het bericht genoemde oud-politicus gedurende lange tijd door de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) geschaduwd is? Zo ja, gedurende welke periode?
De heer van Duijn heeft met name in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw de aandacht gehad van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), de voorganger van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Deze aandacht paste in een beleid waarbij organisaties met een buitenparlementaire opstelling – zoals Provo – de interesse van de BVD hadden. Overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2002 kan ik niet nader ingaan op de vraag waaruit deze aandacht voor de heer Van Duijn bestond. Ik kan wel aangeven dat de BVD heeft gehandeld op basis van zijn wettelijke taken en dat rehabilitatie daarom niet aan de orde is.
Kunt u uiteenzetten of voor het schaduwen van deze oud-politicus uitdrukkelijke toestemming door het College van procureurs-generaal is gegeven? Zo ja, wanneer, voor welke periode en op welke gronden? Zo nee, hoe valt dit te rijmen met uw antwoorden van 5 februari 2011?2
Er bestaat een onderscheid tussen activiteiten van de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste instellingen enerzijds en de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten anderzijds. Per abuis is in de antwoorden op vragen van het lid Thieme (kenmerk 2011Z00976, beantwoord op 15 februari 2011) niet helder naar voren gekomen dat de uitdrukkelijke toestemming die het College van procureurs-generaal (het College) moet geven alleen betrekking heeft op de inzet van het opsporingsmiddel infiltratie door het Openbaar Ministerie (OM). De inzet van dit opsporingsmiddel is alleen mogelijk als het OM een redelijk vermoeden heeft van een strafbaar feit. Zoals ik in de eerdergenoemde antwoorden heb aangegeven, kunnen ten aanzien van de inzet van het opsporingsmiddel infiltratie op voorhand geen maatschappelijke sectoren of organisaties worden uitgesloten.
De toestemming van het College is niet vereist voor de inzet van de bijzondere bevoegdheid door de AIVD om gebruik te maken van natuurlijke personen die onder verantwoordelijkheid en instructie van de AIVD zijn belast met het gericht verzamelen van gegevens omtrent personen of organisaties die voor de taakuitvoering van de dienst van belang zijn. Voor een uiteenzetting van de vereisten waaraan voldaan moet zijn wanneer de AIVD de bevoegdheid wil inzetten om gebruik te maken van natuurlijke personen voor het gericht verzamelen van gegevens omtrent personen of organisaties, verwijs ik naar de eerdergenoemde antwoorden.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze inzet van het bijzondere inlichtingenmiddel gegrond was op basis van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit? In hoeverre was sprake van organisaties en/of personen die, door de doelen die zij nastreefden, dan wel door hun activiteiten, aanleiding gaven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat?
Zie antwoord vraag 2.
Is over het schaduwen op enig moment de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten geïnformeerd zoals noodzakelijk in voorkomende gevallen? Zo ja, wanneer is deze informatie verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Met de inwerkingtreding van de WIV 2002 is ook de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) ingesteld. In de periode dat de BVD aandacht had voor de heer Van Duijn bestond een dergelijke commissie niet.
Deelt u de mening dat het langdurig schaduwen niet gebaseerd was op een redelijk vermoeden van gevaar voor de democratische rechtsorde dan wel voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat? Zo ja, bent u bereid de oud-politicus te rehabiliteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat politici/vertegenwoordigers van politieke partijen gevrijwaard zouden moeten worden van infiltratie, telefoon- en internettaps en schaduwen wanneer het College van procureurs generaal geen redelijk vermoeden van strafbare feiten heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Een vanuit de AWBZ bekostigde luxe studiereis voor zorgbestuurders |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Luxe studiereis in de zorg op kosten van de AWBZ»?1
Ja.
Is het waar dat de kosten voor deze reis deels (100 000 euro) betaald is uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en deels (44 744 euro) door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Zo ja, hoe is het mogelijk dat dit geld voor een luxe studiereis wordt ingezet in plaats van voor zorg voor ouderen en gehandicapten?
De opgaven waar de langdurige zorg voor staat zijn groot, en de overheid kan daaraan niet alleen het hoofd bieden. Daarvoor is betrokkenheid met het veld van de langdurige zorg noodzakelijk.
Veel uitdagingen in de westerse wereld zijn hetzelfde. Kijken in de keuken bij anderen, geeft een beeld van verschillende oplossingsmogelijkheden. Hiervoor komen mensen bij ons op bezoek en gaan wij op bezoek bij anderen. Het bijzondere van deze reis is dat hierbij zowel werkbezoeken aan de overheid, als aan het veld zijn gemaakt. Hierdoor gaat het een slag dieper.
De reis van de deelnemers (reis- en verblijfkosten) is niet betaald door VWS maar door de deelnemers ( totaal € 1 535,= per persoon voor de gehele reis). De factuur is door de organisator verzonden aan de organisatie waar de deelnemer werkt. Het is aan deze organisatie of en in welke mate de deelnemer zelf meebetaalt aan de reis. VWS heeft de organisatie en logistieke kosten betaald ten laste van de VWS begroting.
Bij mijn aantreden was een aantal geplande bezoeken, zoals deze, qua organisatie al in een vergevorderd stadium. Het aanbestedingstraject was vergevorderd en deelnemers waren geattendeerd. Voor annuleren bestond geen aanleiding omdat voor het meest kosteneffectieve aanbod is gekozen. Met het oog op de financiële situatie van de Rijksoverheid op dit moment, zal in het algemeen waar mogelijk nog meer soberheid worden betracht. In die geest zullen de afwegingen per keer worden gemaakt.
Is het waar dat deze luxe reis voor zorgbestuurders het initiatief is van het ministerie van VWS? Zo ja, waarom? Waarom heeft u na uw aantreden deze reis niet geannuleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom konden deze topbestuurders deze reis niet betalen van hun riante salaris?
Het is aan de zorginstellingen of en in welke mate de deelnemer zelf meebetaalt aan de reis.
Staan er meer van dit soort geldverspillende snoepreisjes gepland en bent u voornemens deze te annuleren?
Door VWS worden geen «snoepreisjes» gemaakt omdat in dat de geval de baten niet opwegen tegen de kosten. Derhalve deel ik uw kwalificatie niet. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Opsporingsproblemen bij politie |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Zembla «Opsporing verzocht» waarin een zeer verontrustend beeld wordt geschetst van de opsporing van misdrijven door de politie?1
Ja.
Wat is uw reactie op de problemen die in de uitzending van Zembla zijn aangekaart waaronder het beperkt invoeren van informatie in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) en de Basisvoorziening Opsporing (BVO), de gebrekkige heterdaadkracht door een tekort aan politiemensen en de lage pakkans?
De Inspectie OOV heeft begin 2010 in het onderzoek naar de stand van zaken van de uitvoering van de Samenwerkingsafspraken 2008 geconstateerd dat medewerkers soms informatie niet invoeren in de BVH en BVO, of informatie in andere systemen invoeren. Beperkte invoer in de BVH en BVO is onwenselijk, omdat hierdoor informatie-uitwisseling tussen korpsen en medewerkers wordt belemmerd. De gebruiksvriendelijkheid en betrouwbaarheid van de BVH en BVO wordt op de korte termijn verbeterd. Na afronding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer zal ik een besluit nemen over de verdere verbetering dan wel vervanging van beide systemen.
Klopt het dat niet alle relevante informatie wordt ingevoerd in de BVH en in de BVO? Zo ja, wat wordt er ondernomen om dit te ondervangen? Zo nee, wat is uw reactie op de bewering dat niet alle relevante informatie in het systeem wordt opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de BVH en de BVO niet of slechts in beperkte mate op elkaar zijn aangesloten en informatie die verzameld wordt op straat niet bij rechercheurs terecht komt? Zo ja, hoe kan het dat beide relatief nieuw ontwikkelde systemen niet op elkaar zijn aangesloten? Zo nee, wat is uw reactie op de bewering dat de systemen niet op elkaar aansluiten en op basis waarvan kan worden gesteld dat niet klopt?
De Inspectie OOV heeft in het bovengenoemde onderzoek geconstateerd dat de BVH en de BVO niet zijn gekoppeld. De korpsbeheerders hebben er destijds voor gekozen om de BVH en BVO te realiseren op basis van de bestaande systemen, waarbij de opzet was om de systemen van de korpsen voor handhaving en opsporing te uniformeren, maar niet om de systemen te vernieuwen. Het op elkaar aansluiten van beide systemen zou een aanzienlijke verzwaring van de realisatie van de basisvoorzieningen Handhaving en Opsporing zijn geweest en niet hebben gepast binnen de bovenstaande opzet van de ontwikkeling van de basisvoorzieningen. Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer zal meer helderheid verschaffen over de besluitvorming over de totstandkoming van de basisvoorzieningen.
Klopt het dat door de problemen met de BVH en de BVO minder zaken zijn opgelost en zo’n 20 000 minder zaken zijn aangeleverd bij het Openbaar Ministerie (OM)? Zo ja, hoe komt dit? Zo nee, waarom klopt dit niet?
De invoering van de systemen BVH en BVO heeft tijdelijk veel capaciteit gekost om medewerkers vertrouwd te maken met deze nieuwe systemen. Vertraging in de registratie van zaken is daarvan een van de gevolgen geweest. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat de criminaliteit is afgenomen in 2010, zoals ook blijkt uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2010. Ook dat kan een verklaring zijn voor een verminderd aanbod van zaken. Exacte informatie over het aantal verdachten OM over 2010 komt binnenkort beschikbaar.
Klopt het dat nog geen 3% van in totaal 8,5 miljoen misdrijven wordt opgelost? Zo ja, hoe komt het dat dit percentage zo laag is? Wat is het streefpercentage van dit kabinet? Wat gaat u concreet doen om dit percentage omhoog te krijgen? Zo nee, wat is dan wel het oplospercentage en hoe is dat gemeten?
Het aantal van 8,5 miljoen misdrijven is een schatting van het totaal aantal veel voorkomende misdrijven. Dit geschatte aantal is gebaseerd op de uitkomsten van twee enquêtes. De eerste is een jaarlijkse slachtofferenquête, de Integrale Veiligheidsmonitor, die onder een steekproef uit de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder wordt afgenomen. De tweede is een jaarlijkse slachtofferenquête die onder het bedrijfsleven wordt uitgevoerd, de zogenaamde Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven. Van deze geschatte 8,5 miljoen veel voorkomende misdrijven wordt lang niet altijd aangifte bij de politie gedaan, in 2009 registreerde de politie ruim 1,2 miljoen misdrijven. Over dit aantal geregistreerde misdrijven wordt het ophelderingspercentage berekend. Het ophelderingspercentage verschilt sterk per type misdrijf. Voor de geweldsmisdrijven bedroeg dit in 2007 bijvoorbeeld 59%, terwijl voor alle misdrijven samen het percentage in dat jaar uit kwam op 23%. Dit kabinet wil het ophelderingspercentage van zware misdrijven met een kwart verhogen. Daartoe gaat met name het ophelderingspercentage van gewelddadige vermogenscriminaliteit omhoog van 23% naar 40% in 2015.
Klopt het dat jaarlijks zo’n 150 000 zaken op de plank blijven liggen en dat zaken worden weggegooid? Zo ja, om wat voor zaken gaat het? Hoe lang blijven deze zaken gemiddeld op de plank liggen? Wat gebeurt er uiteindelijk met deze zaken? Wat wordt concreet door u ondernomen om dit aantal te verlagen? Zo nee, hoeveel zaken blijven er volgens u op de plank liggen? Om wat voor zaken gaat het? Hoe lang blijven deze zaken op de plan liggen? Wat gebeurt er uiteindelijk met deze zaken? Wat wordt concreet door u ondernomen om dit aantal te verlagen?
Er bestaat geen landelijk overzicht van plankzaken. Het aantal van 150 000 kan ik daarom niet bevestigen, maar als dergelijke aantallen worden genoemd vat ik dat vanzelfsprekend op als een serieus signaal. Om meer zicht te krijgen op instroom, werkvoorraden en afdoening van zaken werk ik op dit moment aan de oprichting van de Nationale Politie. Daarnaast moet de invoering van een landelijk systeem: Betere Opsporing door Sturing op Zaken (BOSZ) bijdragen aan een beter zicht op het verloop van opsporingsproces. BOSZ is een «zicht op zaken» applicatie en heeft betrekking op de stuurmomenten in het opsporingsproces. Door de invoering BOSZ ontstaat een permanent en actueel zicht op aantallen, doorlooptijden, werkvoorraden, rendement, zaakstatus en interventies. Met behulp van de invoering van BOSZ, in combinatie met de vorming van de Nationale Politie, wordt het mogelijk om een beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de zaken die blijven liggen en wordt tegelijkertijd een betere sturing op de opsporing mogelijk. De Raad van Korpschefs heeft inmiddels besloten om BOSZ landelijk in te voeren. Uitrol van BOSZ wordt meegenomen in de landelijke invoering van Basisvoorziening Informatie (BVI).
Klopt het dat bij de 250 000 zaken die jaarlijks bij het OM moeten worden aangeleverd geen selectie plaatsvindt op de ernst van de zaak en dat dit tot gevolg heeft dat met name de makkelijk oplosbare zaken worden aangeleverd? Zo ja, wat vindt u van deze praktijk? Zo nee, kunt u inzichtelijk maken op basis waarvan deze bewering niet zou kloppen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 10 van de Kamervragen gesteld door het lid Marcouch (vraagnummer 2011Z03675).
Erkent u dat de politie te maken heeft met een onderbezette slagkracht in verhouding tot het aantal misdrijven dat jaarlijks wordt gepleegd?
Ik ben niet van mening dat er sprake is van onderbezetting bij de politie. De operationele sterkte van de politie is niet eerder zo groot geweest. Politiecapaciteit is per definitie schaars. Er zullen dus altijd keuzes moeten worden gemaakt.
Komt u nog voor de zomer met een aanvalsplan om de problemen met de BVH en de BVO aan te pakken?
Voor de maatregelen die ik op korte termijn zal nemen voor de genoemde systemen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4 van het lid Marcouch (vraagnummer 2011Z03675). Verder zal ik na de zomer komen met een plan van aanpak voor de problemen van de BVH en BVO mede op basis van de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de ICT bij de politie.
Liberalisering Europese goederenvervoer |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
|
|
|
Wat uw reactie op de uitzending van Argos over de gevolgen van de liberalisering van het goederenvervoer in Europa?1
Ik heb kennis genomen van deze uitzending.
Bent u bekend dat er Oost- Europese chauffeurs met buitenlands gekentekende voertuigen in Nederland actief zijn in binnenlands vervoer? Zo ja, is het ook bekend dat er ver beneden het minimumloon uitbetaald worden? Zo nee waarom niet?
Op grond van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (de zogenaamde Rome I-verordening), zijn ook op chauffeurs met buitenlands gekentekende voertuigen die in Nederland actief zijn in binnenlands vervoer, de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag van toepassing.
Een stelselmatige overtreding van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag is mij niet bekend. Wel wordt op dit moment door de inspectiediensten naar aanleiding van een recente controle in de Waalhaven onderzocht in hoeverre er sprake is van onjuiste toepassing van de regels met betrekking tot internationaal transport. Hierbij is mogelijk ook sprake van overtredingen door Nederlandse bedrijven die buitenlandse chauffeurs gebruiken voor uitsluitend vervoer binnen Nederland.
Is het waar dat naleving van de cabotagerichtlijn in Nederland niet gecontroleerd wordt? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Zie antwoord vraag 6.
Is het waar dat het niet bestraffen op overtreding van de richtlijn in de praktijk betekend dat de omstreden oorspronkelijke versie van de dienstenrichtlijn voor het beroepsgoederenvervoer in Nederland is ingevoerd?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft de controle op naleving van de cabotagerichtlijn prioriteit bij de inspectiediensten? Ze nee, waarom niet? Zo ja, waar blijkt dat uit? Hoeveel sancties zijn er op overtredingen opgelegd? Hebben de inspectiediensten voldoende capaciteit om effectief de naleving van de cabotage richtlijn te controleren? Zo ja, wat zijn de inspectieresultaten?
Zie antwoord vraag 6.
Bied de wet voldoende mogelijkheden of effectief te controleren op cabotage? Zo nee, bent u bereid om de wet aan te passen?
Het is inderdaad nodig om de wetgeving aan te passen. Het wetsvoorstel wordt in de tweede helft van 2011 ingediend.
Wellicht ten overvloede kan ik opmerken dat de dienstenrichtlijn niet van toepassing is op vervoer.
Op welke wijze dient de cabotage richtlijn 1072/2009 in Nederland geïnterpreteerd te worden t.a.v. de drie ritten in zeven dagen, na zeven dagen terug naar land van herkomst, of enkel de grens over en Nederlands dan weer beladen binnenrijden?
De EU-Verordening 1072/2009 heeft betrekking op vervoerders die in de EU of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn. De verordening schrijft inderdaad voor dat voor voertuigen van deze vervoerders de lidstaat na 3 cabotageritten na eerste lossing weer moeten verlaten ofwel moeten deze voertuigen de lidstaat binnen zeven dagen na de eerste lossing weer verlaten hebben. Het voertuig behoeft niet te terug te keren naar zijn vestigingsstaat en kan na het verlaten van Nederland op basis van zijn communautaire vergunning weer goederen naar Nederland vervoeren. De termijn van zeven dagen begint dan weer te lopen na de eerste lossing.
Wordt er door de inspectiediensten gecontroleerd op de verklaring van dienstbetrekking / verklaring van terbeschikkingstelling? Zo ja, hoe vaak hebben deze controles plaatsgevonden in 2010? Zo nee, waarom niet?
De verklaring van dienstbetrekking heeft alleen betrekking op Nederlandse vervoerders.
Chauffeurs van buiten de Europese Unie in dienst van EU vervoerders dienen te beschikken over een bestuurdersattest. Controle hierop maakt deel uit van reguliere inspecties.
De Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft 2010 16 000 wegcontroles uitgevoerd waarbij er 97 overtredingen betrekking hadden op de dienstbetrekking. Verder zijn in 2010 zijn ruim 700 bedrijfsinspecties gehouden, waarbij in 3 gevallen is vastgesteld dat de eis van dienstbetrekking werd overtreden.
Heeft de controle op de verklaringen ter beschikkingstelling prioriteit bij de inspectiediensten en hebben de inspectiediensten voldoende mankracht om hierop te controleren?
Dergelijke controles hebben geen bijzondere prioriteit en worden meegenomen in de reguliere inspecties.
Controleert de inspectie bij bedrijfscontroles op de eis van dienstbetrekking in samenwerking met de tachograafschrijven en arbeidscontracten? Wat zijn de resultaten? Zo nee waarom niet?
Ja. Zie antwoord op vraag 8.
Is het waar dat overtreding van de eis van dienstbetrekking / terbeschikkingstelling niet gesanctioneerd is? Zo ja wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
De Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij overtreding van de eis van dienstbetrekking een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom opleggen. Ik verwijs in dit verband naar artikel 5.2, eerste lid, van de Wet wegvervoer goederen. De overtreding van de eis van dienstbetrekking kan niet strafrechtelijk worden gehandhaafd. Het aangenomen amendement van het kamerlid Roefs, tot handhaving van de eis van dienstbetrekking (Kamerstukken II 2007/08, 30 896, nr. 15), bevat namelijk geen strafbaarstelling via de Wet op de economische delicten.
Hoe moet «het niet meer betrouwbaar zijn» uit art. 2. 11 sub 6 van de Wet wegvervoer goederen (Wwg) geïnterpreteerd worden? Betekend overtreding van de eis van dienstbetrekking ook intrekking van de vergunningen, dit gezien het feit dat het betrouwbaar zijn een van de drie pijlers is met betrekking tot de intrekking van de vergunningen?
Het aangenomen amendement van het kamerlid Roefs heeft ertoe geleid dat de nadere uitwerking van de eis van betrouwbaarheid niet alleen via de door het Ministerie van Veiligheid en Justitie afgegeven Verklaring, bedoeld in artikel 2.10, maar ook via artikel 2.11 van de Wet wegvervoer goederen plaatsvindt. Een vervoerder verliest bij een onherroepelijk geworden veroordeling of sanctie wegens overtreding van de eis van dienstbetrekking zijn betrouwbaarheid hetgeen de intrekking van de communautaire vergunning tot gevolg heeft.
Is het waar dat de Kiwa de verklaringen van terbeschikkingstelling verstrekt zonder daarop het terbeschikkingstellingnummer te vermelden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ja, de afhandeling van de aanvragen van de verklaringen van ter beschikkingstelling gebeurt elektronisch. De verklaringen ter beschikkingstelling worden per mail verstuurd aan de instelling die een beschikking terbeschikkingstelling heeft ontvangen. Om in de toekomst mogelijk misbruik van deze formulieren te voorkomen, worden voor 1 juli 2011 de bedrijfsgegevens van de onderneming die de beschikking krijgt, met het beschikkingsnummer op het formulier vermeld.
Is het waar dat er in het goederenvervoer gewerkt wordt met valselijk opgemaakte verklaringen dienstbetrekking / ter beschikkingstelling en dat dit met zich mee brengt dat er in Nederland Oost- Europese chauffeurs worden uitgebuit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om paal en perk te stellen aan deze uitbuiting?
Hiervoor heb ik geen concrete aanwijzingen ontvangen.
Bent u van mening dat het doel van de verklaring dienstbetrekking / terbeschikkingstelling, het beschermen van de rechtspositie van de chauffeurs, op deze wijze effectief is? Zo nee, wat bent u van plan om daaraan te doen?
Bij de Kamerbehandeling van het wetsontwerp Wet wegvervoer goederen is aan de Kamer toegezegd dat deze zomer de Wet wegvervoer goederen op dit punt zal worden geëvalueerd en dat op basis daarvan de noodzaak en de effectiviteit van de verklaring dienstbetrekking / terbeschikkingstelling zal worden beoordeeld.
Aan welke opleidingseisen dient een buitenlandse vrachtwagenchauffeurs te voldoen indien er gereden wordt met een Nederlands gekentekend voertuig?
Zie antwoord op vraag 17.
Aan welke opleidingseisen dient een vrachtwagenchauffeur te voldoen indien er met een buitenlands gekentekend voertuig vervoer wordt verricht op de binnenlandse markt?
Chauffeurs uit een EU lidstaat of onderdanen die in dienst zijn van een in de EU gevestigde onderneming dienen onafhankelijk van hun nationaliteit conform de Europese Richtlijn 2003/59 (vakbekwaamheid van beroepsbestuurders) opgeleid te zijn.
Chauffeurs uit niet EU lidstaten die in dienst zijn van een in de EU gevestigde onderneming dienen conform de EU-Verordening 1072/2009 in het bezit te zijn van een attest waarmee wordt aangetoond dat deze chauffeurs op wettige wijze ingezet worden met inachtneming van de arbeidsvoorwaarden en voorwaarden inzake beroepsopleiding voor bestuurders die in deze lidstaat zijn vastgesteld.
Het aanstaande bankroet van de Hoge Selheidslijn (HSL) en de gevolgen hiervan voor de staatskas |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bankroet HSL nabij»?1
Ja.
Bent u het eens met de in het artikel geuite stelling dat een vervoerder nooit meer zo een hoge gebruiksvergoeding zal betalen voor exploitatie van de HSL-Zuid?
Zoals blijkt uit mijn brief aan uw Kamer van 31 januari 2011 (Kamerstuk 22 026 nr. 327) bekijk ik momenteel alle mogelijke oplossingsrichtingen. Ik kan deze vraag nu dus nog niet beantwoorden.
Kunt u aangeven op welke posten van de begroting de concessieopbrengsten van de HSL-Zuid nu staan ingeboekt en welke projecten hiermee in gevaar zullen komen?
Nee. De concessieopbrengsten van de HSL-Zuid (i.c. de HSL-heffing) gelden als inkomsten voor het Infrafonds en worden verantwoord op artikel 13.09 (Ontvangsten op het gebied van Spoorwegen). De concessieopbrengsten zijn niet één op één gekoppeld aan de uitgaven aan specifieke projecten.
Kunt u aangeven welke van deze projecten voor u dusdanige prioriteit hebben, dat u alvast kunt aangeven dat de uitvoering van deze projecten niet in gevaar zal komen?
Nee. Dit kan ik nog niet aangeven. Zie de beantwoording van vraag 3.
Uitzendbureaus die knoeien met buitenlandse arbeidskrachten |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noodklok illegale arbeid»?
Ja.
Is het u bekend dat de Arbeidsinspectie bij controles zelfs illegale arbeiders aantreft die werken via gecertificeerde arbeidsbureaus? Op welke schaal komt dit voor?
Ja. Het is mij bekend dat ook gecertificeerde ondernemingen zich niet altijd aan de regels houden. De Arbeidsinspectie heeft in 2009 in totaal 1535 uitzendbureaus gecontroleerd. Hiervan waren er 687 gecertificeerd. Tegen deze gecontroleerde gecertificeerde uitzendbureaus zijn 49 boeterapporten opgemaakt voor illegale tewerkstelling. In 43 gevallen is een boeterapport opgemaakt tegen een gecertificeerd uitzendbureau voor een andere overtreding, zoals onderbetaling of het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het percentage overtredingen Wav en Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) bedraagt bij de gecontroleerde gecertificeerde uitzendbureaus 13%. Deze resultaten hebben uitsluitend betrekking op de door de Arbeidsinspectie geïnspecteerde ondernemingen. Zij geven geen representatief beeld van de sector of van de gecertificeerde ondernemingen als geheel.
Wat gaat u eraan doen zodat het certificaat van uitzendbureaus betrouwbaar is?
In een overleg met de Uitzendbranche heb ik mijn zorg hierover uitgesproken en verzocht om concrete maatregelen te nemen. Daarnaast vinden op ambtelijk niveau periodiek gesprekken plaats met de branche over de verbetering van de kwaliteit van het certificaat. De branche heeft aangegeven dat de controlesystematiek zal worden verbeterd. Ik bereid, in samenwerking met mijn collega van Financiën, een wetsvoorstel voor waarin wordt geregeld dat Arbeidsinspectie en Belastingdienst de namen van bedrijven die in overtreding zijn gaan doorgegeven aan de Stichting Normering Arbeid die het register beheert van gecertificeerde bedrijven. Hierdoor kunnen overtredende bedrijven uit het register worden geweerd.
Is het u bekend dat Bulgaarse zzp’ers werken voor veel te lage tarieven? Zo ja, op welke schaal komt dit voor? Zo ja, hoe vaak wordt informatie opgevraagd in de lidstaat van vestiging? Hoe lang duurt het, voordat deze informatie boven tafel is?
Voor zelfstandig werkende ondernemers, en overigens ook voor onderdanen uit de EU-landen, gelden geen minimumtarieven. Het Kabinet is niet voornemens minimumtarieven voor zelfstandigen in te voeren. Kortheidshalve verwijs ik u hiervoor naar de Kabinetsreactie «SER-advies «zzp’ers in beeld» die op 4 maart 2011 aan uw Kamer is verzonden.
Is het u bekend dat de Wet Arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende arbeid (WAGA) niet wordt nageleefd door bedrijven die in Nederland opdrachten aannemen? Zo ja, hoe pakt u deze problematiek aan? Hoe vaak wordt door de Arbeidsinspectie informatie opgevraagd in de lidstaat van vestiging? Hoe lang duurt dit, voordat deze informatie boven tafel is?
De tijdelijk in Nederland gedetacheerde werknemers hebben op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid recht op de «harde kern» van arbeidsvoorwaarden, volgens de algemeen verbindend verklaarde cao in de betreffende sector: cao-loon (betaald door de dienstverlener), vakantiedagen, rusttijden, maximale werktijden, regels en voorwaarden voor uitzendwerk, veiligheidsmaatregelen en gelijke behandeling.
De Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de wettelijke arbeidsvoorwaarden (i.c. wettelijk minimumloon) en voert jaarlijks circa 30 000 inspecties uit. Werkgevers worden gecontroleerd op illegale tewerkstelling, arbeidsomstandigheden, werktijden en onderbetaling.
In de detacheringsrichtlijn (richtlijn 96/71/EG) is geregeld dat de Europese lidstaten een verbindingsbureau oprichten voor samenwerking en informatie-uitwisseling over grensoverschrijdende detachering van werknemers. In Nederland is dit bureau ondergebracht bij de Arbeidsinspectie. Als tijdens inspecties sprake is van grensoverschrijdende arbeid, kan de Arbeidsinspectie via de verbindingsbureaus informatie opvragen over de aangetroffen bedrijven en werknemers. In 2010 heeft de Arbeidsinspectie 55 verzoeken om informatie gedaan bij de verbindingsbureaus in 12 verschillende lidstaten. De gemiddelde behandeltijd van deze vragen bedroeg circa anderhalve maand.
Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de cao’s. Voor meer informatie over de handhaving van cao’s verwijs ik naar de Kamerbrieven over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544 en 32 123 XV, nr. 219).
Deelt u de mening dat de informatie uitwisseling tussen de lidstaten de problemen van illegale arbeid onvoldoende is om illegale arbeid te bestrijden? Zo ja, wat voor verdere stappen wilt u nemen?
Nee, de ervaring van de Arbeidsinspectie is dat de informatie-uitwisseling met de buitenlandse liaisonbureaus goed verloopt. Dit betreft zowel de kwaliteit als de termijn van beantwoording. Vanuit de Europese Commissie zijn recentelijk voorstellen gedaan voor een elektronisch systeem voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten. Naar verwachting wordt de internationale gegevensuitwisseling tussen verbindingsbureaus hierdoor versneld. Ik zie dan ook geen aanleiding voor verdere stappen op dit punt.
Deelt u de mening dat er met meer daadkracht tegen illegale arbeid en onderbetaling en uitbuiting moet worden opgetreden? Deelt u tevens de mening dat het eigenlijk te gek voor woorden is dat Nederlandse bedrijven die in Nederland werkzaam zijn zich blijkbaar genoodzaakt voelen een fair trade sticker in het leven te roepen, zoals in de champignonsector gebeurt?
Ik deel de mening dat illegale tewerkstelling krachtig bestreden moet worden. Op 10 maart jl. heb ik uw Kamer dan ook geïnformeerd over de voornemens voor een intensivering van de fraudeaanpak. In de uitwerking van deze voorstellen wordt bezien hoe notoire overtreders van wetgeving hard kunnen worden aangepakt, onder meer door verhoging van de boetes (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 17 050, nr. 403). Verder staat het ieder bedrijf vrij zich op de markt te onderscheiden, bijvoorbeeld door het voeren van een keurmerk.
Deelt u de mening dat de omvang van de geconstateerde problemen duidt op een structurele ondercapaciteit bij de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt deze capaciteit uitgebreid?
Nee, die mening deel ik niet. De meer gerichte inzet van de Arbeidsinspectie heeft juist geleid tot een toename van het aantal geconstateerde overtredingen. In antwoord op de vraag over uitbreiding van de inspectiecapaciteit verwijs ik u kortheidshalve naar mijn brief aan uw Kamer van 22 maart j.l inzake de amendementen Spekman c.s ingediend bij de begroting SZW 2010.
Kunstbeurzen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Marieke van der Werf (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat voor het culturele vestigingsklimaat en de economische bedrijvigheid, kunstbeurzen zoals de The European Fine Art Foundation (TEFAF) en de Pictura Antiquairs Nationaal (PAN) van groot belang zijn voor Nederland?
Ja
Kunt u bevestigen dat de borgstelling voor invoerrechten dit jaar is verdrievoudigd? Bent u ervan op de hoogte dat, mede door het moeilijke financieel-economische klimaat en borgstellingen, enkele beursexpediteurs grote moeite hebben om de borgstelling rond te krijgen?
Neen, de borgstelling voor invoerrechten is niet verhoogd. Het percentage rechten bij invoer op vrijwel alle producten die voor de beurs zijn bestemd is 0%.
Naast douanerechten is bij invoer BTW verschuldigd. Op 1 januari 2011 is de BTW op kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten onder het voor de btw algemene tarief van 19% gebracht. Dit geldt zowel voor de BTW bij leveringen als bij invoer. De toepassing van het algemene btw-tarief op onderhavige goederen per 1 januari 2011 leidt tot een verhoogde zekerheidstelling.
Is er ooit beroep gedaan op de garantstelling van beursexpediteurs?
Van het inroepen van zekerheidstellingen worden geen registers per evenement bijgehouden door de Douane, maar voor zover is na te gaan, is er nimmer aanspraak gemaakt op een zekerheidstelling die was gesteld in verband met de TEFAF. Wel is er een enkele maal een douaneschuld van rechten bij invoer en BTW bij invoer ontstaan wegens vermis tijdens transport naar of van de beurs, maar deze douane- en BTW-schuld is voldaan door de schuldenaar.
Klopt het dat douaneambtenaren continu aanwezig zijn op de beurs en dat, mede door de beveiligingsmaatregelen het risico voor de staat van ongecontroleerde invoer nagenoeg nihil is en dus ook een lage ?
Ja, de Douane is in het kader van de dienstverlening aanwezig voor, tijdens en na de beurs, in 2011 van dinsdag 15 maart 2011, 09.00 uur (eerste keuringsdag door keuringscommissies) tot en met zondag 27 maart 2011, 18.00 uur (de laatste dag dat de beurs geopend is voor publiek).
Daarnaast zijn de betrokken logistieke dienstverleners en douanedeclaranten via de beursorganisatie TEFAF geïnformeerd, dat de Douane ook voorafgaand en na afloop van de beurs bereikbaar is voor vragen.
Mij is bekend dat de TEFAF-organisatie beveiligingsmedewerkers heeft ingehuurd, die de fysieke in- en uitgangscontrole verzorgen tijdens de opbouw, de vettingdagen, de beursdagen en de afbouwperiode van de beurs. Tijdens de vettingdagen en de beursdagen wordt gewerkt met detectiepoortjes en fysieke controle van handbagage van bezoekers, die in- en uitlopen.
Ondanks deze beveiligingen hebben in het verleden diefstallen plaatsgevonden tijdens de beurs. Deze zijn, in het licht van de totale waarde van op de beurs uitgestalde producten, echter minimaal. De Douane merkt daarbij echter op, dat de zekerheidstelling die wordt geëist, niet enkel dient voor de periode dat de goederen tentoongesteld worden c.q. in het expositiegebouw verblijven, maar ook voor een deel van het transporttraject naar en van de beurs.
Kunt u aangeven waarom u de TEFAF-ruling, die gebaseerd is op het besluit over de margeregeling, heeft ingetrokken?1 Bent u bereid om op in korte termijn in overleg te treden met de beursexpediteurs om een gemakkelijke en wellicht tijdelijke oplossing voor de garantstelling op de beurzen te faciliteren en hen te ondersteunen bij het verwerven van de AEO-status?2
De desbetreffende praktische afspraak kon komen te vervallen door de recente btw-tariefswijziging voor kunst.
Vanwege de hoge beveiligingsmaatregelen en het als gevolg daarvan geringere fiscale risico, kan in ieder geval voor dit jaar genoegen worden genomen met een zekerheid die qua hoogte vergelijkbaar is met de jaren voor 2011.
De Douane is graag bereid met de beursorganisatie en betrokken expediteurs in overleg te treden, om in gezamenlijkheid een integrale oplossing voor dit vraagstuk voor volgende jaren te zoeken.