Het bericht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) dat eenzame opsluiting in een isoleercel wel magals er een camera hangt |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Terugdringen separeren in GGZ stagneert»?1 Wat vindt u er van dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) schrijft dat zij wil dat de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)-sector per 2012 geen gebruik meer maakt van separeren in de vorm van eenzame opsluiting, maar dat met cameratoezicht er blijkbaar geen sprake is van eenzame opsluiting?
Ja, ik ben bekend met de conclusie van de IGZ in haar rapport naar het separeren in Nederland over de jaren 2008–2011. Ik onderschrijf de bevindingen die de IGZ in dit rapport doet en ondersteun haar in haar voornemens voor 2012. De IGZ pleit per 2012 voor separeervrije zorg, tenzij dit op individueel niveau (dus: een specifieke patiënt betreffende, met redenen voor deze situatie omkleed) aantoonbaar niet mogelijk is gebleken ondanks alle mogelijke inspanningen. Enerzijds moet er een volledig sluitende registratie van separaties zijn op basis van Argus. Anderzijds moet er sprake zijn geweest van in- en externe consultatie, op vier verschillende momenten in de tijd, in die gevallen waarin de separatie niet ten einde gebracht kon worden. En tenslotte verlangt de inspectie in geval van noodzakelijke separatie dat instellingen het motto «een zieke patiënt laat je niet alleen» in de praktijk brengen. Niet alleen door zo min mogelijk te separeren, maar ook door ervoor te zorgen dat een noodzakelijke separatie geen eenzame opsluiting inhoudt. GGZ Nederland onderschrijft dit uitgangspunt.
Het uitgangspunt is dat geen eenzame insluiting voorkomt en dat er sprake is van patiëntveilige zorg. Er moet persoonlijk contact met de patiënt zijn. Een camera vervangt het persoonlijk contact met de patiënt niet. Een camera dient te worden ingezet naast verplegend personeel, als een hulpmiddel bij toezicht door verplegend personeel. Een camera draagt bij aan de veiligheid van de patiënt en dient niet ter vervanging van de behandeling van een patiënt. Voor sommige psychiatrische patiënten kan er een contra-indicatie zijn voor het gebruik van een camera. Denk hier aan sommige patiënten met wanen. Het besluit tot gebruik van de camera als hulpmiddel moet uiteraard op maat worden genomen. Daarom is het aan de instelling zelf om te bepalen of het inzetten van een camera bij een patiënt bijdraagt aan de veiligheid van deze patiënt. Mocht besloten worden tot het inzetten van een camera, dan dient het veld hier goede afspraken over te maken.
GGZ Nederland heeft recentelijk al het initiatief genomen en een nieuwe ambitie geformuleerd2. Deze ambitie heeft als voornaamste speerpunten geen eenzame opsluiting, kennisontwikkeling en consultatie en meetbaar maken van resultaten. Meer specifiek stelt GGZN dat daar waar dwang wordt toegepast de cliënt tijdens de dwangtoepassing te allen tijde niet alleen gelaten zal worden en dat hij/zij altijd in de positie moet verkeren waar direct face tot face contact met een hulpverlener kan zijn.
Vindt u de stelling dat de IGZ wil dat geen gebruik meer wordt gemaakt van eenzame opsluiting misleidend, aangezien separatie in de vorm van eenzame opsluiting mét cameratoezicht volgens de IGZ nog wel mag? Wilt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre draagt een camera bij aan menswaardige zorg en herstel van eigen regie?
Zie antwoord vraag 1.
Denkt u dat een camera een patiënt kan behandelen? Wilt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke gezelligheid biedt een camera aan een patiënt in eenzame opsluiting? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke behandeling biedt een camera? Wilt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan iemand uit een psychose of ernstige verwarring worden gehaald door middel van een camera? Wilt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe denkt u dat iemand met een achtervolgingswaan reageert op een camera? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de mening dat een camera een vorm van beheersen op afstand is en geen menswaardige behandeling die eenzame opsluiting voorkomt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met instellingen die het aantal separaties in de vorm van eenzame opsluiting fors hebben teruggebracht tot (bijna) nul? Zo ja, bent u bekend met hun ervaringen dat het aantal separaties in de vorm van eenzame opsluiting alleen kan worden teruggebracht door een cultuuromslag die bestaat uit a) het vertrouwen dàt het aantal naar nul kan en b) goed opgeleid personeel? Zo ja, op welke manier zet u zich in dat deze cultuuromslag overal in het veld wordt doorgevoerd? Zo nee, bent u bereid om u hierin te verdiepen en het veld in die verdieping mee te nemen?
Het is mij bekend dat er instellingen zijn waar het separeren bijna niet meer voorkomt en het aantal separaties tot (bijna) nul hebben weten te terug te brengen. Dit hebben zij op basis van beleid op het gebied van dwang en drang weten te bereiken door enerzijds een cultuuromslag in gang te zetten («een zieke patiënt laat je niet alleen»), en anderzijds door het zoeken naar alternatieven voor het toepassen van dwang en drang. Deze alternatieven worden nu geïnventariseerd binnen het project «goede voorbeelden». Uiterlijk in januari 2012 zal ik u het eindrapport doen toekomen en daarbij aangeven wat er vanuit partijen wordt gedaan om deze kennis te verspreiden.
Bent u bekend met de toezeggingen uit het Kamerdebat van 2 oktober 2008 over Alex en over de situatie van vier jaar geleden waarin een GGZ-patiënt in de isoleercel overleed? Deelt u deze toezeggingen?
Ja, daar ben ik mee bekend. Mijn beleid is er nog steeds op gericht om samen met de veldpartijen deze toezeggingen tot concrete resultaten te laten leiden. Want als Minister van VWS kan ik nu eenmaal niet alleen een cultuuromslag in de GGZ bereiken. Daar moeten alle partijen aan meewerken en dat wil men ook.
Waarom komt de IGZ nu met de aankondiging dat eenzame opsluiting niet mag, tenzij er bijvoorbeeld een camera hangt? Wat heeft de IGZ dan al die jaren gedaan, aangezien drie jaar geleden immers al is toegezegd dat dit de regel is en strenger zou worden toegezien op het terugdringen van drang en dwang, zoals gebruik van een isoleercel?
Eenzame opsluiting is nooit een wenselijke situatie geweest en is nu ook als regel (norm) door de IGZ vastgesteld. Het beschrijven van regels (normen) is één kant van de kwaliteitsverbetering. Er is ook tijd nodig om deze regels te implementeren, daarvoor zijn de afgelopen jaren nodig geweest. Op basis van het zojuist uitgebrachte IGZ-rapport heeft de IGZ gemeend, dit als een concrete norm neer te zetten binnen haar handhavingskader. Ik vind dit een goede ontwikkeling. Instellingen hebben immers de tijd gehad om deze regel rondom eenzame opsluiting in hun beleidsplan rondom dwang en drang op te nemen.
Bent u ook zo teleurgesteld dat uit cijfers blijkt dat de GGZ haar eigen (lage) streefcijfers voor terugdringen van drang en dwang bij verre niet haalt? Kunt u dit toelichten?
Ik betreur het feit dat de afname van het aantal separaties stagneert en dat daarmee de ambitie van het veld nog niet is gehaald. Ik zie wel dat er verschillen zijn in de afname van het aantal separaties bij de GGZ-instellingen. Daarom ga ik samen met GGZ Nederland verkennen wat de mogelijkheden zijn om ook bij die instellingen een afname van het aantal separaties te bewerkstelligen.
Bent u ook teleurgesteld dat GGZ Nederland pas na een maand eenzame opsluiting expertise van buitenaf wil inroepen? Vind u dat ook veel te laat? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Eerder in dit jaar heeft GGZ Nederland nadere afspraken met het Centrum voor Consultatie en Expertise gemaakt over het inzetten van hun expertise in de GGZ. GGZ Nederland erkent daarmee het belang van externe consultatie. Externe consultatie dient zo effectief mogelijk te worden ingezet. Evenals de IGZ ben ik van mening dat in gevallen waarin de separatie niet ten einde gebracht kan worden, er een in- en externe consultatie dient plaats te vinden. Voor het lerend effect is het goed om dit trapsgewijs plaats te laten vinden. Daarom is het van belang in een eerste fase van de separatie eerst intern goed naar de zorg van een patiënt te kijken. Na vier weken separatie is echter externe consultatie verplicht.
Ik roep GGZ Nederland op de wijze waarop in- en/of externe consultatie qua inhoud en tijd wordt toegepast, medio 2013 te evalueren.
De Nederlandse voordracht van Ad Melkert bij de internationale arbeidsorganisatie ILO |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u bij nader inzien de mening dat Ad Melkert, die op 24 april 2002 zei: «Als je flirt met Fortuyn, dan gebeurt er in Nederland straks hetzelfde als in Frankrijk. Daar zijn ze wakker geworden met Le Pen, straks worden wij wakker met Fortuyn», wel de laatste is over wie gezegd kan worden dat «hij de sociale dialoog een warm hart toedraagt en in staat is bruggen te slaan»?1
De heer Melkert is een goede kandidaat voor de positie van Directeur-Generaal van de ILO. De sociale partners zijn nauw betrokken geweest bij de afweging om de heer Melkert te kandideren. Zij steunen de kandidaatstelling. De ILO is een belangrijke VN-organisatie, die ook relevant is voor Nederland.
Deelt u de mening dat er al veel te veel oud-politici van de Partij van de Arbeid aan lucratieve baantjes zijn geholpen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de kandidatuur van Ad Melkert voor de functie van directeur-generaal van de ILO vandaag nog in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het in Saoedi-Arabische schoolboeken zaaien van haat en aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, 'ongelovigen' en geloofsafvalligen |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het rapport van het Middle East Media Research Institute (MEMRI) getiteld «Saudi Textbook: The Enmity between the Muslims and the Jews Is Everlasting»1; het rapport van het Hudson Institute getiteld «Ten years on – Saudi Arabia’s Textbooks Still Promote Religious Violence»2; het hoofdstuk over Saoedi-Arabië in het laatste rapport (2011) van de United States Commission on International Religious Freedom3 en het nieuwsartikel «Saudis export anti-Christian and anti-Jewish textbooks across the world: report»?4
De publicaties bevestigen een zorgelijk beeld van godsdienstvrijheid in Saoedi-Arabië.
Op welke religieuze en/of ideologische uitgangspunten is het zaaien van haat en het aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, «ongelovigen» en geloofsafvalligen in Saoedi-Arabische schoolboeken gebaseerd en kunnen die uitgangspunten naar uw mening worden gedeactiveerd of weggenomen? Zo ja, hoe kan dat door u worden bevorderd?
In de boeken wordt verwezen naar enkele laat Middeleeuwse islamitische geleerden. Nederland wijst zowel bilateraal als middels de EU
Saoedi-Arabië bij herhaling op de door haar aangegane internationaalrechtelijke verplichtingen die haaks staan op deze uitgangspunten.
Is het Saoedische curriculum op enig punt strijdig met internationale verplichtingen van Saoedi-Arabië?
Mede naar aanleiding van internationale zorgen werkt de Saoedische overheid aan verbetering van het onderwijssysteem. Op aanwijzing van de koning wordt in Saoedi-Arabië de laatste jaren meer aandacht besteed aan tolerantie en interreligieuze dialoog binnen het onderwijs. In 2007 is de Saoedische regering gestart met een meerjarig project m.b.t. de revisie van leerboeken, curricula en onderwijsmethoden om tolerantie te bevorderen en beledigende inhoud t.a.v. andere religies te verwijderen. De implementatie hiervan is echter nog niet afgerond.
Welke maatregelen worden er genomen om te voorkomen dat haat en geweld predikende onderdelen van het Saoedische curriculum naar mohammedaanse gemeenschappen in Nederland worden geëxporteerd?
Nederlandse kinderen volgen onderwijs binnen het Nederlandse onderwijsstelsel.
Wat heeft Nederland tot nu toe in bilateraal opzicht en in internationale organisaties ondernomen en wat gaat u thans ondernemen om de Saoedische regering ertoe te bewegen het curriculum te laten zuiveren van het zaaien van haat en het aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, «ongelovigen» en geloofsafvalligen? En wat was het resultaat van eventuele eerdere demarches van uw kant?
Nederland roept de Saoedische overheid bilateraal, in EU- en in VN-verband op tot het respecteren van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Verder heeft Nederland in het verleden een constructieve bijdrage geleverd aan de VN «Universal Periodic Review» van Saoedi-Arabië, waarin onder andere de discriminatie van religieuze minderheden aan de orde is gesteld. Ook is een bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Saoedi-Arabië gepland voor februari 2012 met als doel het voortzetten van de dialoog op het gebied van mensenrechten. Tijdens zijn bezoek zal de mensenrechtenambassadeur aandacht vragen voor godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting.
Wilt u deze vragen voor de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er zeer hoge risico's bij thuiszorgorganisatie Parnassus zijn geconstateerd |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zeer hoge risico's bij thuiszorgorganisatie»?1
Ja.
Betreft het hier één locatie van de organisatie of de gehele organisatie?
Parnassus werkt vanuit één locatie.
Zijn er patiënten die schade hebben ondervonden of nog ondervinden van het ongeoorloofd veranderen van medicatie door medewerkers zonder hiervoor een arts te raadplegen?
Het is mij niet bekend of er bij de betreffende thuiszorginstelling cliënten schade hebben ondervonden als gevolg van ongeoorloofd veranderen van medicatie door medewerkers, zonder hiervoor een arts te hebben geraadpleegd. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (verder: inspectie) heeft geen meldingen ontvangen over schade bij patiënten als gevolg van het veranderen van de medicatie zonder het raadplegen van een arts. De inspectie heeft wel een melding ontvangen over het onjuist gebruik van medicatie en het niet houden aan een richtlijn bij Parnassus. In deze gevallen is geen sprake geweest van schade voor de patiënt, wel van onverantwoorde zorg.
Kunt u verklaren waarom bijscholing dan wel voldoende scholing ontbreekt bij Parnassus en komt dit probleem ook bij andere thuiszorgorganisaties voor?
Het ontbrak bij Parnassus aan een scholingsplan en scholingsbeleid. Het aanbod van scholing aan medewerkers is een verantwoordelijkheid van de organisatie zelf. De inspectie heeft geconstateerd dat het huidige aanbod onvoldoende is. Dit probleem komt ook bij andere thuiszorgorganisaties voor, zo blijkt uit het rapport «Medicatieveiligheid voor kwetsbare groepen in de langdurige zorg en zorg thuis onvoldoende» van de inspectie, d.d. september 2010.
Deelt u de mening, dat dit geen probleem van de afgelopen periode is?
Ik ben het met u eens dat dit probleem al langer bestaat. Dit blijkt ook uit het rapport dat ik noemde in het antwoord op vraag 4. In het follow-up rapport van september 2011 constateerde de inspectie dat veel verbetering zichtbaar is in de sector «zorg thuis».
Deelt u de mening dat de onregelmatigheden bij Parnassus eerder door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) opgemerkt hadden moeten worden? zo neen, waarom niet?
Neen. De inspectie houdt binnen de beschikbare middelen toezicht op de risico’s omtrent medicatieveiligheid. De inspectie besteedt sinds 2009 meer aandacht aan dit specifieke risico door onder meer een thematisch toezicht. Dit heeft geleid tot het genoemde rapport uit 2010 en de follow-up daarvan in 2011. Daarnaast betrekt de inspectie dit risico expliciet bij het bepalen van inspectiebezoeken. Ten slotte maakt de inspectie gebruik van meldingen voor haar toezicht. In deze casus heeft de inspectie gehandeld naar aanleiding van de eerder genoemde melding over medicatieveiligheid. De inspectie heeft bij deze melding direct besloten om de medicatieveiligheid bij Parnassus te toetsen.
Deelt u de mening dat de werkwijze van Parnassus, gezien het IGZ-onderzoek, onverantwoord is en per direct aangepast dient te worden om zo de veiligheid van patiënten te waarborgen?
Ja. Naar aanleiding van het inspectierapport zijn de instelling direct maatregelen opgelegd.
Deelt u de mening, dat het huidige bestuur haar functie moet neerleggen gezien het feit dat het bestuur niets heeft ondernomen om de negatieve tendens te doorbreken en hiermee de veiligheid van patiënten langdurig in gevaar heeft gebracht? Zo neen, waarom niet?
De bestuurder wordt conform het landelijk handhavingskader medicatieveiligheid in de gelegenheid gesteld om de risico’s op korte termijn te reduceren. De inspectie volgt dit nauwlettend. Indien dit tot onvoldoende resultaat leidt, worden andere handhavingsmaatregelen niet uitgesloten. Het is aan de Raad van Toezicht om te bepalen of bestuurders hun functie kunnen behouden of zouden moeten neerleggen.
De toegankelijkheid van overheidsdata en buienradar |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weergegevens Buienradar mogen niet meer gratis in apps»?1
Ja.
Klopt het dat de nieuwe eigenaar van Buienradar heeft besloten dat ontwikkelaars weerdata van buienradar niet mogen gebruiken voor applicaties?
Buienradar geeft aan dat ontwikkelaars weerdata wel mogen blijven gebruiken, zij het dat daarvoor nu toestemming van Buienradar nodig is. Buienradar meldt daartoe te hebben besloten om te voorkomen dat data verkeerd worden toegepast of onjuist worden weergegeven.
Klopt het dat buienradar, dat gebruik maakt van door de KNMI beschikbare gegevens, data altijd gratis en vrijelijk beschikbaar heeft gesteld voor ontwikkelaars?
Buienradar heeft dit bevestigd. Wel is het zo dat Buienradar een compensatie vraagt als een ontwikkelaar een commercieel verdienmodel heeft gekoppeld aan de gratis weerdata.
Hoe beoordeelt u bedrijven die gebruik maken van overheidsdata en die de toegankelijkheid van die data beperken?
Een beperking van de toegankelijkheid van overheidsdata is niet aan de orde want ze blijven beschikbaar bij de overheid. Zo hoeven ontwikkelaars van weer-apps voor overheidsdata niet bij Buienradar terecht, maar kunnen die bij het KNMI verkrijgen. Iets anders is als bedrijven met overheidsdata toepassingen ontwikkelen of overheidsdata zodanig bewerken deze voor specifieke doeleinden bruikbaar worden. Het vormt geen probleem als bedrijven de toegankelijkheid tot deze toepassingen beperken, zolang overheden de data waarop toepassingen van bedrijven zijn gebaseerd aan iedereen beschikbaar stellen.
Deelt u de mening dat in het kader van het opendatabeleid van de overheid, ontwikkelaars van applicaties data moeten kunnen afnemen tegen dezelfde daarvoor geldende verstrekkingskosten bij desbetreffende (semi-)overheidsinstanties?
Het hoofdstuk hergebruik van overheidsinformatie in de Wob is van toepassing op overheidsorganen als gedefinieerd in de Wob. Het is de bedoeling om openbare overheidsinformatie van de overheidsorganen zonder voorwaarden, tegen een geringe vergoeding, aan iedereen beschikbaar te stellen. De feitelijke hoogte van vergoeding hangt af van de verstrekking (bijvoorbeeld, 1 kopie of 100 kopieën).
Deelt u de mening dat overheidsdata simpel, snel en gratis of tegen geringe kosten beschikbaar zouden moeten zijn en dat het van groot belang is dat die data toegankelijk zijn?
Ja. De beleidsuitgangspunten zijn op 30 mei 2011 in een brief over hergebruik en open data aan de Tweede Kamer gecommuniceerd2. Afhankelijk van het service niveau kan wel sprake zijn van een te betalen vergoeding, maar het uitgangspunt moet zijn dat overheidsdata zonder drempels of tegen geringe of geen kosten via algemeen gangbare methoden van beschikbaarstelling beschikbaar voor hergebruik zijn.
Het recordaantal dakloze jongeren |
|
Sadet Karabulut (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een recordaantal jongeren in opvangcentra zitten?1
Afgelopen zomer heb ik u in mijn brief Beleidsvoornemens maatschappelijke opvang en zwerfjongeren (TK 2010–2011, 32 620, nr. 21) geïnformeerd over een telonderzoek naar zwerfjongeren dat ik eind 2010 zelf heb laten uitvoeren. De door de Federatie Opvang gepresenteerde cijfers verrassen mij dus niet, maar ik vind het wel erg. Ik heb in die brief ook aangegeven het aantal zwerfjongeren zorgwekkend te vinden en samen met gemeenten stap voor stap naar verbeteringen te willen toewerken.
Overigens merk ik op dat de Federatie Opvang in haar brancherapport niet de (toelichting op) de definitie van zwerfjongeren gebruikt zoals door het kabinet vastgesteld en gecommuniceerd (TK 2009–2010, 32 267, nr. 5). In genoemde brief is bijvoorbeeld toegelicht dat een inschrijving bij begeleid wonen niet onder de definitie valt, ook niet wanneer deze voorziening is ondergebracht bij een opvanginstelling. Reden is hiervoor dat wonen in een begeleide woonvorm aan jongeren een stabiele basis biedt.
Wat is er de oorzaak van dat het aantal daklozen jongeren tussen de 18 en 22 jaar in twee jaar tijd is gestegen met 16%, namelijk van 6275 naar 7196 jongeren?
Een sluitende verklaring voor de stijging van het aantal jongeren dat in contact komt met de instellingen die zijn aangesloten bij de Federatie Opvang heb ik (nog) niet. Verschillende oorzaken zijn denkbaar, zowel aan de vraagkant als aan de aanbodkant. Ik wil de Federatie Opvang vragen een uitsplitsing van de cijfers te maken naar centrumgemeente, om te zien of er lokale verschillen zichtbaar zijn. Die brengen mogelijk een verklaring dichterbij.
Wat is de oorzaak van de stijging van het aantal minderjarige daklozen kinderen en jongeren, gezien het feit dat in 2010 bijna 1600 minderjarigen tussen de 12 en 17 jaar zich hebben aangemeld voor een plaats in een opvangcentrum?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om die explosieve groei van aanmeldingen van kinderen en jongeren bij de maatschappelijke opvang tegen te gaan en zoveel mogelijk te voorkomen?
Ik vind het aantal kinderen en jongeren in de maatschappelijke opvang zorgwekkend en leg me daar dan ook niet bij neer. Het is mijn inzet de positie van zwerfjongeren de komende jaren te verbeteren.
Gemeenten hebben daarbij de regie. Met de decentralisatie van de AWBZ-begeleiding en de jeugdzorg naar gemeenten en de komst van de Wet werken naar vermogen wordt die regierol versterkt. De rol van het Rijk is hierbij faciliterend. Ik geef daar invulling aan door bijvoorbeeld handreikingen beschikbaar te stellen. Zo heb ik gemeenten recent de brochure «Zwerfjongeren. Aanpak en achtergrond van beleid» en de «Handreiking voor tel- en profielonderzoek zwerfjongeren» aangeboden3.
Inmiddels is ook het door mij geïnitieerde ondersteuningsprogramma, de «Tour zwerfjongeren», van start gegaan. Inzet daarvan is om in elke centrumgemeente minimaal één stap vooruit te zetten in het zwerfjongerenbeleid. Gemeenten krijgen daarbij ondersteuning in de vorm van expertise en ervaring van buitenaf. De voortgang van deze tour is te volgen op www.1stapvooruit.nl .
Daarnaast ga ik met de VNG het gesprek aan om te bezien op welke wijze ik gemeenten verder kan ondersteunen.
Vindt u het aanvaardbaar dat kinderen op zo’n jonge leeftijd al gebruik moeten maken van maatschappelijke opvang? Zo nee, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Kinderen horen niet in de opvang. In de praktijk blijkt echter dat er soms situaties zijn dat jongeren toch een beroep op opvang doen. Dit kan het geval zijn als jongeren weglopen uit jeugdzorg en ook geen familie hebben waar ze op terug kunnen vallen. Het is van belang dat gemeenten afspraken maken met jeugdzorg (provincies) om elkaar in zulke gevallen op de hoogte te stellen. In zijn algemeenheid kunnen ook afspraken worden gemaakt over het screenen door jeugdzorg van jongeren onder de 18 jaar die zich melden bij de opvang, om te bezien of een (nieuwe) indicatie voor jeugdzorg mogelijk en wenselijk is.
Aspecten van overdracht tussen provincies en gemeenten komen onder meer aan de orde in de eerder genoemde handreiking «Zwerfjongeren. Aanpak en achtergrond van beleid» die ik eind 2011 heb laten opstellen en aan alle gemeenten beschikbaar heb gesteld.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat jongeren schulden krijgen, aangezien juist deze groep dakloze jongeren te kampen heeft met financiële problemen en schulden?
Het voorkomen van problematische schulden speciaal bij jongeren is van groot belang. De toenemende schulden bij jongeren zijn verontrustend.
Er gebeurt echter veel om schulden bij jongeren te voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn de activiteiten die plaatsvinden in het kader van het platform Wijzer in Geldzaken, zoals de «week van het geld», de activiteiten van het Nibud, zoals het ontwikkelen van lespakketten en tal van initiatieven door gemeenten, zoals activiteiten op roc’s om problematische schulden bij jongeren te voorkomen en of op te lossen.
Op de website SchuldPreventiewijzer (www.schuldpreventiewijzer.nl), die gemeenten ondersteunt bij de lokale invulling van schuldpreventie, staat een aantal voorbeelden van activiteiten die gemeenten op dit terrein ontwikkelen.
Vanwege het belang van preventie is in het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening, dat recent door de Eerste Kamer is aanvaard, opgenomen dat de gemeenteraad een plan moet vaststellen dat de hoofdzaken bevat van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat personen schulden aangaan die ze niet kunnen betalen. De inhoud van de wet zal er naar verwachting toe leiden dat de aandacht van gemeenten voor het voorkomen van schulden zal toenemen.
Naast de hiervoor beschreven activiteiten zijn in andere wet- en regelgeving ook bepalingen opgenomen om financiële problemen bij jongeren te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn maatregelen gericht op het tegengaan van overkreditering en de aanscherping van de regels voor kredietreclame.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat daklozen jongeren de kansen en mogelijkheden krijgen om sneller een opleiding en/of baan te krijgen, zodat zij weer kunnen meedoen in de maatschappij?
Dit kabinet neemt diverse maatregelen om jongeren te stimuleren hun eigen verantwoordelijkheid te nemen bij het vinden van werk en/of een opleiding. Dit begint bij een goede zorg in en om de school. Docenten en mentoren signaleren als eerste problemen van leerlingen en kunnen daarbij de juiste hulp inschakelen. Als er problemen zijn die leerling en docent niet samen kunnen oplossen wordt het zorg- en adviesteam (ZAT) ingeschakeld. Hier zitten, naast onderwijs en de gemeente (leerplicht/RMC), verschillende hulpverlenende instanties aan tafel. Daarnaast zijn er plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren. Dit zijn jongeren die cognitief in staat zijn om een startkwalificatie te halen, maar door een opeenstapeling van problemen (onder andere huisvestingsproblematiek) niet meer aan regulier onderwijs toekomen en daardoor het onderwijs dreigen te verlaten. Door een gecombineerd aanbod van regulier onderwijs, zorg en hulpverlening kunnen deze leerlingen zich weer richten op het onderwijs waardoor uitval wordt voorkomen. Overigens is de zorg voor deze groep jongeren daarmee niet de verantwoordelijkheid van het onderwijs alleen. Gemeenten vervullen een regierol.
Met de aanstaande decentralisaties van de jeugdzorg en AWBZ begeleiding en de Wet Werken naar Vermogen komt er meer regie bij gemeenten, waardoor gemeenten beter in staat zijn om maatwerk te bieden en ondersteuning te bieden om ook dakloze jongeren te helpen weer een normaal bestaan te krijgen met kansen op werk, betere scholing en andere maatschappelijke activiteiten. Daarvoor is nodig dat lokaal en in de regio onderwijs, hulpverlening, werkgevers en gemeente, ieder op basis van hun eigen verantwoordelijkheid, samenwerken om een integrale benadering van de problematiek mogelijk te maken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dakloze jongeren financieel rond kunnen komen, gezien het feit dat dit nu niet lukt met een bedrag van 228 euro per maand?
Indien met het genoemde bedrag wordt gedoeld op de huidige bijstandsnorm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar (inmiddels € 230,91 per maand), kan ik het volgende opmerken. Naar de mening van het kabinet voldoet de huidige bijstandsnorm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar. Jongeren tot 21 jaar kunnen een beroep doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Gezien het vangnetkarakter van de bijstand is het gerechtvaardigd hiermee rekening te houden bij de verlening van bijstand. Als de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de norm en de jongere voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders (als de ouders onvoldoende middelen hebben of als de relatie verstoord is), kan de jongere om bijzondere bijstand vragen.
Wat gaat u doen aan het probleem dat jongeren die in de bijstand komen vanaf 1 januari 2012 ook nog eens vier weken wachten voordat zij een uitkering mogen aanvragen, maar dat dit voor jongeren die uit de jeugdzorg of (jeugd)gevangenis komen en geen ouders hebben om op terug te vallen, een onoverbrugbaar en groot probleem is?
Met de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de WWB en samenvoeging van die wet met de WIJ (Stb. 650) is per 1 januari 2012 een zoektijd van vier weken voor jongeren van 18 tot 27 jaar in de bijstand geïntroduceerd. De periode van vier weken is nadrukkelijk géén wachttijd, maar een zoektijd. Hiermee benadrukt de regering specifiek de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voor hun toekomst. Zij moeten zich al vroeg realiseren dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor werk en inkomen opdat zij zelf in hun kosten van levensonderhoud kunnen voorzien.
Alle jongeren die zich bij het UWV Werkbedrijf melden, zijn verplicht om eerst zelf gedurende vier weken te zoeken naar werk en scholing. Dit betekent dat als de jongere zich nadat hij een jeugdzorginstelling of penitentiaire inrichting heeft verlaten, meldt bij het UWV, het UWV hem op zijn verplichtingen tijdens de vier weken zoektijd wijst, zoals het zoeken en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, het zoeken naar scholing en beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Na de zoektijd van vier weken kan de jongere, als dat dan nog nodig is, een bijstandsuitkering aanvragen. Het college beoordeelt of de jongere voldoende inspanningen heeft verricht in verband met zijn verplichtingen. De bijstand kan ingaan vanaf de dag van melding, mits daarop recht bestaat.
Als een jongere in de instelling of inrichting waar hij verblijft de mogelijkheid wordt geboden om zich vier weken voor het verlaten van de instelling of inrichting bij het UWV te melden, dan zou de zoektijd in het kader van de WWB in individuele gevallen tijdens dat verblijf kunnen ingaan. De jongere moet in die zoektijd wel feitelijk invulling kunnen geven aan genoemde verplichtingen.
Het is na afloop van die vier weken ter beoordeling aan het college of in het individuele geval de jongere tijdens die vier weken voldoende inspanningen in verband met zijn verplichtingen heeft verricht. Dit zal afhankelijk zijn van de mogelijkheden die de jongere daarvoor tijdens zijn verblijf in de instelling of inrichting heeft.
Welke gevolgen zullen de bezuinigingen op jeugd, de eigen bijdragen en de versobering van voorzieningen hebben op de groei van dakloosheid in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Door de gemeentelijke regierol te versterken beoogt het kabinet de hulp en ondersteuning aan burgers effectiever en efficiënter te organiseren. Veel overige kabinetsmaatregelen staan daarnaast in het teken van het aanspreken van eigen kracht en verantwoordelijkheid van mensen en het stimuleren om te participeren op de arbeidsmarkt. De precieze effecten van het kabinetsbeleid op het aantal daklozen in Nederland zijn nog niet bekend. Het kabinet houdt deze ontwikkeling echter nauwlettend in de gaten, onder meer via de jaarlijkse monitors «Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang Rijk/G4» en «Stedelijke Kompas».
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de samenwerking tussen gemeenten, jeugdzorg (jeugd)gevangenissen en de maatschappelijke opvang in het belang van deze dakloze jongeren verbetert?
Zoals eerder opgemerkt hebben gemeenten de regie en is de rol van het Rijk faciliterend. De eerder genoemde «Tour Zwerfjongeren» zal goede voorbeelden opleveren van samenwerking en ook signalen genereren van knelpunten die de samenwerking eventueel in de weg staan. Knelpunten die op landelijk niveau liggen zullen door de betrokken bewindspersonen in samenhang worden bezien.
Bent u voornemens gesprekken aan te gaan met gemeenten en de Federatie Opvang en te komen met een actieplan met structurele oplossing voor jongeren om dak- en thuisloosheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen plannen tegemoet worden gezien?
Het kabinet heeft de VNG, Federatie Opvang en Stichting Zwerfjongeren Nederland laten weten open te staan voor bestuurlijk overleg, waarin eventuele knelpunten die op landelijk niveau moeten worden opgelost aan de orde kunnen komen. Daarnaast wil ik het gesprek met zwerfjongeren zelf aangaan, zodat niet alleen over hen maar ook met hen wordt gesproken.
Het kabinet heeft geen voornemens om een nieuw actieplan op te stellen. De verantwoordelijkheid voor het beleid rondom zwerfjongeren ligt bij de centrumgemeenten. Zij zijn nu aan zet om verbeteringen te bereiken. Het kabinet faciliteert dat met bijvoorbeeld het eerder genoemde ondersteuningsprogramma en handreikingen.
Misbruik van pgb's via internetaanvragen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Op grond van welke informatie hebt u de indruk dat mensen hun beperking via internet construeerden om daarmee vervolgens via een Persoons Gebonden Budget (PGB) 2000 euro te, verkrijgen? Over welke diagnoses of beperkingen heeft u het precies?1
Ik wijs op de aanzuigende werking van de huidige pgb-regeling. Uit onderzoek blijkt dat met de huidige pgb-regeling een nieuwe groep zorgvragers zich tot de AWBZ heeft gewend die dit anders (nog) niet zou hebben gedaan.
Ik heb in het artikel aangegeven af te willen van deze aanzuigende werking. Deze aanzuigende werking is in een aantal rapporten beschreven. Deze rapporten heb ik bij de brief van 1 juni jl. aan de Tweede Kamer gestuurd.
Kent u indicatiestellingen waarvoor geen indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) nodig is? Of misschien indicatiestellingen die achteraf niet door het CIZ zijn getoetst? Schuift u met deze uitspraak de rol van een neutrale en onafhankelijke indicatiestelling door het CIZ aan de kant? Suggereert u met uw uitspraak over de internet-aandoening, dat een derde van de mensen met een pgb dit hebben verkregen zonder een neutrale indicatiestelling, zonder een goede diagnose en zonder onderliggende problematiek?
Om een pgb aan te kunnen vragen, is in alle gevallen een objectieve indicatie van het CIZ of BJZ vereist. Zonder een dergelijke indicatie wordt door het zorgkantoor geen pgb verstrekt. Een neutrale onafhankelijke indicatie is en blijft daarmee van cruciaal belang.
Er is geen vraag onder 3 opgenomen in de vraagstelling.
Kan de Kamer het onderzoek, waaruit blijkt dat er kennelijk geen sprake is geweest van onafhankelijke en geobjectiveerde indicatiestelling op grond waarvan u deze uitspraken doet, nog voor het Kerstreces ontvangen?
Deelt u de mening dat door dit type populistische uitspraken de mensen met een pgb opnieuw door u in een vals daglicht worden gesteld?
Zie mijn antwoord op de vraag 1.
Het artikel 'Vier ton voor Angels' |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Vier ton voor Angels»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente eigenaar is van de grond? Zo ja, is er sprake van een huurovereenkomst? Zo ja, hoeveel bedroeg deze huur?
Uit van de gemeente Amsterdam verkregen informatie blijkt dat de gemeente eigenaar is van de grond, maar dat de Stichting Hells Angels het recht van opstal heeft. Er is dus geen sprake van een opzegbare huurovereenkomst.
De grond met opstal is in 1974 in gebruik gegeven aan de jongerengroep Kreidler Groep Oost. Deze groep heeft zich in 1984 aangesloten bij de Hells Angels. In een kort geding had de rechter in 1997 geoordeeld dat het clubhuis onroerend goed betrof en er dus sprake was van opstalrecht. Een opstalrecht is een zakelijk, van eigendom afgeleid, recht. De enige manier om dit recht van gemeentewege onvrijwillig te doen beëindigen is een onteigeningsprocedure. Daartoe heeft de gemeente Amsterdam de procedures in gang gezet.
Kunt u aangeven waarom van een persoon die in zijn woning een wietplantage heeft verbouwd, of bijvoorbeeld vanuit een horecagelegenheid zich schuldig heeft gemaakt aan wapen- of drugshandel, wel de huurovereenkomst kan worden opgezegd, maar kennelijk de gemeente Amsterdam dit nooit heeft gedaan bij deze criminele brommerbende?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de gemeente Amsterdam deze deal heeft gesloten met deze criminelen, omdat zij escalatie verwacht bij een mogelijke ontruiming? Bent u van mening dat hiermee het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college) zwicht voor crimineel gedrag?
Om van gemeentewege een opstalrecht te kunnen beëindigen is, indien de rechthebbende hier niet vrijwillig afstand van doet, een onteigeningsprocedure noodzakelijk. De Onteigeningswet bepaalt dat een ieder die onteigend wordt, recht heeft op volledige schadeloosstelling. Voorts bepaalt artikel 17 van de Onteigeningswet dat de gemeente verplicht is te trachten tot minnelijke overeenstemming te komen. De gemeente heeft een bod van € 400 000 uitgebracht gebaseerd op een taxatie van een onafhankelijk taxateur. Nu de Stichting Hells Angels dit bod accepteerde was er sprake van een minnelijke overeenstemming. De gemeente heeft hiermee de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd.
Staat de houding van het college in deze zaak niet haaks op de uitstraling van dit kabinet om in dit soort situaties door te pakken? Bent u bereid contact op te nemen met het college teneinde deze laffe regeling te beëindigen en juridische en operationele stappen te ondernemen om dit groepje criminele pubers van dit terrein te jagen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Olietanks slecht beveiligd' |
|
Richard de Mos (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Olietanks slecht beveiligd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat niet-bevoegde mensen zo dicht bij olietanks kunnen komen, met alle rampzalige gevolgen voor mens, milieu en economie van dien? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat het onaanvaardbaar is, dat niet-bevoegde mensen dicht bij olieopslagtanks kunnen komen.
Hoe staat het met de beveiliging van andere olieopslagplaatsen in Nederland, zoals de Rotterdamse haven?
Grote olieterminals in Nederland vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO) en dienen op grond hiervan zowel over een omgevingsvergunning als een goedgekeurd Veiligheidsrapport (VR) te beschikken. Op grond hiervan worden in eerste instantie eisen gesteld aan het veilig functioneren van de installaties. Echter in een omgevingsvergunning kunnen tevens voorschriften worden opgenomen ten aanzien van onder meer het houden van toezicht, bekwaamheidseisen van personeel en de afsluiting van terreinen door middel van hekwerken.
In Nederland is tussen de Rijksoverheid en het bedrijfsleven een convenant afgesloten met betrekking tot bedrijven uit de olie- en petrochemische sector.
De focus ligt hierbij op security (met name op de terroristische dreiging). Het bedrijfsleven implementeert momenteel een securitymanagementsysteem met als doel het weerstandsvermogen tegen een kwaadwillende actie te verhogen om zodoende de kans op ongewenste gevolgen sterk te verminderen. Het onbevoegd betreden van een terrein van een bedrijf past binnen de vastgestelde standaard dreigingscenario’s die zijn meegenomen in een securitymanagementsysteem van een bedrijf dat is aangesloten bij het convenant met de olie- en petrochemische sector. Het convenant voorziet in het onderhouden en verbeteren van het securitymanagementsysteem.
Voorts zijn in Nederland de EU-verordening 725/2004 en de Havenbeveiligingswet van toepassing in verband met de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (weerstandsverhoging tegen bijvoorbeeld een terroristische aanslag). Deze wet bepaalt dat alle zeehaventerreinen in Nederland, inclusief die met olietanks, waar vrachtschepen boven 500 ton in het internationale verkeer laden en lossen, moeten beschikken over een door de Burgemeester van de betreffende havengemeente goedgekeurd beveiligingsplan. Het rechtstreekse toezicht hierop berust eveneens bij de Burgemeester van een betreffende havengemeente. De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) verzorgt het tweedelijns toezicht. De ILT heeft geen aanwijzingen dat gemeenten deze taak niet naar behoren vervullen.
Op basis van het bovenstaande ben ik van mening dat de wet- en regelgeving ten aanzien van dit soort bedrijven voldoende is om de kans op een terroristische aanslag of een actie van een anderszins kwaadwillende, zoveel als mogelijk te verkleinen c.q. te verhinderen. Garantie dat een voorval zoals in het artikel aangehaald nooit meer zal optreden, kan niet worden gegeven.
Het bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning en een veiligheidsrapport. Verder heeft het betreffende bedrijf op basis van de EU-verordening een «Port Facility Security Plan» gemaakt. Hiervoor is op 6 juli 2011 het «Havenbeveiligingscertificaat» afgegeven door de Directie Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Amsterdam. Voorts isde gemeente Amsterdam in gesprek met het bedrijf over het voorval.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort taferelen nooit en te nimmer meer kunnen voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Grootschalige fraude met uitkeringsgeld jonggehandicapten |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op de site van RTL nieuws «Grootschalige fraude met uitkeringsgeld jonggehandicapten»?1
Ja.
Wat is er van waar dat in ieder geval voor tonnen is gefraudeerd zoals het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) heeft bevestigd tegenover RTL Nieuws? Om hoeveel bedrijven gaat het hier? En om hoeveel zaken? Voor welk bedrag zou er gefraudeerd zijn door de onderzochte jobcoach-bedrijven?
UWV heeft in het bedoelde onderzoek mogelijke fraude opgespoord van ten minste 200 000 euro. Het betreft hier de jobcoachdeclaraties van één bedrijf. Tot op heden zijn 51 dossiers van het betrokken bedrijf onderzocht, in ruim de helft van de gevallen zijn tot nu toe onregelmatigheden geconstateerd. In totaal zijn ruim 200 Wajongers verbonden aan de betrokken organisatie. De totale omvang van de fraude is nog onbekend.
Klopt het bericht dat het UWV niet heeft ingegrepen? Kunt u aangeven of het inderdaad waar is dat er al in 2006 interne signalen zijn afgegeven dat er werd gefraudeerd? Zo ja, waarom werd er toen niet ingegrepen door het UWV?
De Raad van Bestuur van UWV heeft in augustus 2011 een melding ontvangen over mogelijke fraude bij het gebruik van de jobcoachvoorziening door een jobcoachorganisatie uit Rotterdam. Dit signaal was eerder dit jaar lokaal aangeleverd en geregistreerd, maar leidde niet onmiddellijk tot een onderzoek. Na ontvangst van bovengenoemde brief heeft het UWV de validiteit van het signaal onderkend en is het gestart met het onderzoek.
UWV heeft mij gemeld dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn van eerdere meldingen in 2006 van fraude bij jobcoachorganisaties waar niet op is gereageerd. UWV heeft, om uit te sluiten dat er nog oude signalen van fraude zijn die niet tot de gewenste actie hebben geleid, zowel intern als extern opgeroepen om fraudesignalen te melden. Mochten er nog signalen binnenkomen worden deze meegenomen in vervolgonderzoek.
Hoe verloopt de controle op de gedeclareerde uren van de jobcoach-bedrijven? Aan welke voorwaarden moeten de jobcoach-bedrijven voldoen?
Een jobcoach wordt ingezet om jonggehandicapten ondersteuning en begeleiding te bieden bij het verrichten van regulier werk. Het gaat hierbij om het aanleren van zowel sociale als werkgerelateerde vaardigheden. De jobcoach heeft ook een taak bij de begeleiding van de werkgever in zijn omgang met de Wajonger. Het doel is dat de Wajonger zelfstandig en zonder begeleiding bij de werkgever aan de slag kan.
Om de kwaliteit van de jobcoachorganisaties te borgen stelt UWV eisen aan de organisaties die de jobcoachregeling uitvoeren. Alleen bedrijven die door UWV erkend zijn worden ingezet. Bedrijven worden pas erkend wanneer ze aan een aantal opleidingscriteria voldoen, een keurmerk hebben en een goede beschrijving geven van hun jobcoachaanpak.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat in de toekomst jobcaoch-bedrijven kunnen frauderen met gedeclareerde uren ten koste van de kwetsbaren in onze samenleving? Hoe wordt de controle aangescherpt? Welke stappen worden ondernomen tegen de bedrijven die hebben gefraudeerd? Deelt u de mening dat elke gefraudeerde euro teruggevorderd dient te worden?
Voorop staat dat fraude niet mag lonen en dat dit hard wordt aangepakt. Daarom zal het UWV alles in het werk stellen om al het geld waarmee gefraudeerd is terug te halen. Dit geldt uiteraard ook voor mogelijk toekomstige gevallen.
Voor de acties die zijn genomen jegens het betrokken bedrijf en de vervolgacties die genomen zijn en worden ter bestrijding en voorkoming van soortgelijke fraude verwijs ik u naar de brief die ik uw Kamer over deze kwestie heb doen toekomen.
Het bericht dat gemeenten opvang bieden aan illegalen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage van het EO-programma «Dit is de dag» van 6 december 2011 waarin gemeld wordt dat 13 gemeenten in Nederland ruim drie miljoen uitgeven aan de opvang van illegalen?1
Ja.
Was u al op de hoogte van het feit dat een aantal gemeenten tegen de afspraken in illegalen blijft opvangen, kloppen bovenstaande bevindingen, en zijn er eventueel nog meer gemeenten bekend die de afspraken schenden?
Ik ben ermee bekend dat enkele gemeenten expliciet in hun collegeprogramma hebben opgenomen dat de noodopvang wordt gecontinueerd. Ik voer periodiek Bestuurlijk Overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarbij ook het onderwerp noodopvang regelmatig op de agenda staat. Ook onderhoudt de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) intensief contact met individuele gemeenten.
Ik blijf van mening dat het bieden van structurele noodopvang door gemeenten of maatschappelijke organisaties onwenselijk en onnodig is. Door het Rijk zijn in de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om te voorkomen dat (afgewezen) asielzoekers op straat terecht komen, waaronder plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie van afgewezen asielzoekers die na de vertrektermijn van 28 dagen het land nog niet hebben verlaten, het onder voorwaarden verlenen van opvang aan mensen met een medische aanvraag en het realiseren van onderdak in gezinslocaties voor gezinnen met minderjarige kinderen.
Ik heb gemeenten en de VNG duidelijk gemaakt dat indien gemeenten desondanks geconfronteerd worden met vreemdelingen die op straat staan, en die een asielverleden hebben, dan wel van wie de achtergronden niet direct bekend zijn, zij deze zaken kunnen aanmelden bij de DT&V zodat kan worden gezocht naar een oplossing op maat. In de praktijk treden gemeenten ook daadwerkelijk in contact met de DT&V en waar nodig neemt de DT&V hiertoe initiatief.
Op welke wijze wordt het nakomen van de afspraak die de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Justitie op 25 mei 2007 hebben gemaakt, dat gemeenten de noodopvang voor illegalen per 1 januari 2010 moesten beëindigen, gemonitord en gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de overheid/maatschappelijke organisaties geen opvang dienen te verlenen aan uitgeprocedeerde asielzoekers en andere illegalen die niet meewerken aan hun vertrek?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat door het toch onderdak bieden aan illegalen het terugkeerbeleid wordt gefrustreerd en betrokkenen valse hoop wordt geboden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen hebt u ondernomen en/of gaat u ondernemen tegen genoemde gemeenten uit de steekproef van de EO?
Zie antwoord vraag 2.
Ontwikkelingshulp aan de Islamitische Republiek Afghanistan |
|
Louis Bontes (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verslag over de begrotingscontrole op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistanvan het Europees Parlement?1 Hoe beoordeelt u dit verslag? Hoe beoordeelt u de vaststelling dat volgens de organisatie Integrity Watch in Afghanistan in 2009 voor meer dan een miljard dollar aan smeergeld is betaald?
Ja, ik ben bekend met het verslag van het Europees Parlement. Corruptie is in Afghanistan een serieus probleem dat veel aandacht vergt. Voor de Nederlandse regering vormt het bevorderen van effectieve corruptiebestrijding een belangrijk onderdeel van de inzet in Afghanistan. Nederland dringt al langere tijd aan op een steviger anti-corruptiebeleid en ziet zich hierin gesteund door het verslag van het Europees Parlement.
Effectieve corruptiebestrijding maakt onderdeel uit van de maatregelen die de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap onder andere tijdens de internationale Afghanistanconferentie in Kabul op 20 juli 2010 en in Bonn op 5 december jl. zijn overeengekomen. Afghanistan neemt ook zelf maatregelen ter bestrijding van corruptie, onder meer door herziening van de bankwetgeving, handhaving en een anti-witwas raamwerk, alsook effectievere vervolging van betrokkenen van economische delicten. Eveneens wordt voortgang geboekt met public finance management, onder meer door het opstellen van een audit law. In november is door het bestuur van het IMF ingestemd met een nieuw driejarig krediet programma voor Afghanistan. Zie voorts de antwoorden van minister Hillen (Defensie) op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie naar aanleiding van het openbaar jaarverslag 2010 van de MIVD van 2 september 2011 (kamerstuk 29 924, nr. 68).
Bent u ermee bekend dat Afghanistan één der corruptste staten ter wereld is, beloond met plaats 180 op de corruptie index van Transparency International? Deelt u de mening dat Afghanistan getypeerd kan worden als door en door corrupt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat zij die op 5 december jl. tijdens de Afghanistan-conferentie in Bonn overeenkwamen ook na 2014 hulpgelden in Afghanistan te blijven pompen gekwalificeerd kunnen worden als naïeve Hulpsinterklazen?
De Nederlandse regering heeft de overtuiging dat stabiliteit in Afghanistan nodig is om vreedzame ontwikkeling te stimuleren. Daarmee wordt ook het Nederlands belang gediend. Het Nederlandse Rechtsstaatprogramma in het kader van de Geïntegreerde Politietrainingsmissie in Kunduz zet in op stabiliteit en ontwikkeling. De focus ligt hierbij op:
De Nederlandse inzet richt zich dus niet uitsluitend op de overheid, maar probeert daarnaast ook de bevolking weerbaarder te maken en instrumenten te verschaffen die het mogelijk maken om overheden ter verantwoording te roepen.
Het bevorderen van stabiliteit in een door conflict getroffen land als Afghanistan vereist lange termijn betrokkenheid. Nederland heeft tijdens de Afghanistan-conferentie in Bonn op 5 december jl. aangekondigd ook na 2014 betrokken te willen blijven bij Afghanistan. Nederlandse steun is echter niet onvoorwaardelijk. De Nederlandse regering verwacht volledige toewijding van de Afghaanse overheid om ontwikkeling te stimuleren, hervormingen door te voeren en stabiliteit te realiseren. Conform de oproep van het Europees Parlement blijft Nederland bij het verlenen van hulp bijzondere aandacht schenken aan de bestrijding van corruptie.
Bent u bereid, behoudens bilaterale noodhulp, alle Nederlandse hulp – zowel de bilaterale als de multilaterale – bestemd voor de Islamitische Republiek Afghanistan per direct te beëindigen?
Zie antwoord vraag 3.
De behandeling van slachtoffers van zedenmisdrijven |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Justitie slordig bij zedenzaken»?1
Ja.
Erkent u de problemen die het Landelijke Advocaten Netwerk voor Zeden Slachtoffers naar voren brengt in hun zwartboek?
De positie van slachtoffers van strafbare feiten is de laatste jaren op belangrijke punten verbeterd. Op 1 januari 2011 is de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (wet VPS) in werking getreden. In deze wet zijn diverse rechten opgenomen voor slachtoffers van strafbare feiten.
Ik beschouw de lijst met knelpunten van het Landelijk Advocaten Netwerk voor Zeden Slachtoffers (hierna: LANZS) als een belangrijk signaal over de wijze waarop de wet VPS en de rechten voor slachtoffers in die wet in de praktijk tot uitvoering komt. De lijst is opgesteld op mijn verzoek en dat van het Openbaar Ministerie (OM), de Raad voor de rechtspraak en de politie. Aanleiding hiervoor was een overleg in augustus 2011 waarin door het LANZS een aantal knelpunten aan de orde werd gesteld. Aan het LANZS is gevraagd de knelpunten te concretiseren door een aantal praktijkgevallen te benoemen die de ervaren knelpunten illustreren. Deze concretisering heeft uitgemond in de door LANZS opgetekende knelpunten.
Wat gaat u hieraan doen?
Sinds de melding van de knelpunten is door de verschillende betrokken partijen (OM, Rvdr, LANZS, NOvA en mijn ministerie) overleg gevoerd over de aanpak ervan. Zowel het OM als de Rvdr hebben, conform de afspraak zoals gemeld in mijn brief aan de Tweede Kamer van 23 december 2011, de knelpunten op de lijst geanalyseerd en aangegeven hoe de verschillende gesignaleerde problemen worden opgepakt. Komend najaar vindt op mijn ministerie vervolgoverleg plaats met de betrokken partijen om het resultaat van de gekozen oplossingen te evalueren. Ik zal aan de vanuit de advocatuur betrokken partijen vragen om opnieuw verslag te doen van de ervaringen met de wet VPS in de praktijk.
Heeft het justitiële apparaat, gezien de bezuinigingen en de toenemende werkdruk, voldoende capaciteit en middelen om in strafrechtelijke procedures aandacht te besteden aan het slachtoffer?
Ten behoeve van de implementatie van de wet VPS zijn middelen beschikbaar gesteld aan de ketenpartners om hun taken uit te voeren. Overigens hoeft aandacht voor het slachtoffer niet per definitie te leiden tot extra kosten, bijvoorbeeld als het gaat om een correcte bejegening en het wijzen op rechten.
Het bericht dat Japan ongeveer 28,5 miljoen dollar uit het noodfonds besteedt aan subsidiëring van de Japanse walvisvloot |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat Japan ongeveer 28,5 miljoen dollar uit het noodfonds, bedoeld voor de slachtoffers van de aardbeving, tsunami en nucleaire crisis, besteedt aan subsidiëring van de Japanse walvisvloot?1
Het Japanse parlement heeft de afgelopen tijd een aantal nationale noodhulp- en wederopbouwbudgetten aangenomen voor de door de drievoudige ramp van 11 maart jl. getroffen gebieden. Een klein deel van dit budget wordt naar verluidt aangewend ter ondersteuning van de walvisvangst voor wetenschappelijke doeleinden. Verder wordt bijvoorbeeld de kust hersteld, waaraan vissershavens zijn gelegen waar ook walvis wordt aangevoerd en verwerkt.
Kunt u aangeven in hoeverre deze gelden door buitenlandse donoren, waaronder Nederland, zijn opgebracht en/of Japan door besteding van buitenlandse gelden in de door de aardbeving getroffen gebieden de walvisvloot kon subsidiëren?
Deze budgetten zijn uitsluitend gebaseerd op Japanse overheidsfondsen, niet op donaties van andere landen of internationale instellingen.
Hoe beoordeelt u deze keuze van de Japanse overheid, mede gezien de geïsoleerde positie die Japan internationaal inneemt ten aanzien van de walvisvaart?
Ik dring er bij Japan steeds op aan zich aan te sluiten bij die landen die de walvisvangst hebben afgezworen. De internationale gemeenschap is hierover verdeeld, hetgeen in de jaarlijkse bijeenkomsten van de Internationale Walvis Commissie tot uitdrukking komt. Binnen die organisatie moet naar een oplossing worden gezocht waarvoor Nederland zich al sinds jaar en dag constructief inzet.
Bent u bereid, zowel bilateraal als in EU-verband, een krachtig protest te laten horen tegen deze beslissing en Japan te bewegen om deze hulpgelden in te zetten voor een duurzame vorm van levensonderhoud voor de getroffen bevolking?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
De 28 in beslag genomen pony's in Elkenrade |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over de 28 pony’s die op 9 november jl. in Elkenrade in beslag zijn genomen?1 Kunt u uiteenzetten welke rol politie, Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), Algemene Inspectiedienst (AID) en Dienst Regelingen gespeeld hebben en wie nu eigenaar is van deze dieren?
Ja.
Na een melding bij de regiopolitie Limburg-zuid over paarden die onder slechte omstandigheden gehouden werden in Elkenrade, is de regiopolitie op 9 november 2011 daarheen gegaan. Zij trof daar 31 (in plaats van de genoemde 28 pony’s en paarden aan die in zeer slechte omstandigheden werden gehouden. Nadat de situatie ter plaatse was beoordeeld door een dierenarts, werden de 31 dieren, in opdracht van de officier van justitie, in beslag genomen en werd de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) in kennis gesteld. De nVWA is met twee medewerkers, waaronder een dierenarts, aanwezig geweest. De aanwezige personen hebben hierbij informatie geleverd op basis van hun expertise. De LID was daarbij niet aanwezig.
Dienst Regelingen (DR) is de wettelijk aangewezen bewaarder van dieren en planten die strafrechtelijk in beslag worden genomen door het Openbaar Ministerie (OM) of bestuursrechtelijk in bewaring worden genomen door DR. DR brengt dieren onder bij opslaghouders waarmee een contract is afgesloten. DR heeft 31 pony’s en paarden uit Elkenrade, in verband met de inbeslagname, opgevangen en naar een gecontracteerd opvangadres overgebracht. Bij het opvangadres zijn de dieren direct door een dierenarts onderworpen aan een eerste medische inspectie.
De pony’s en paarden worden hier verzorgd totdat het OM een beslissing in de zaak neemt over de uiteindelijke bestemming van de dieren.
De eigenaresse van de paarden heeft – in tegenstelling tot de berichtgeving in de media – geen afstand gedaan van de paarden. Het feit dat de paarden in beslag zijn genomen en de officier van justitie een machtiging tot vervreemden heeft gegeven, heeft nog geen gevolgen voor het eigendomsvraagstuk. De paarden zijn formeel nog steeds eigendom van de oorspronkelijke eigenaresse van de paarden.
Kunt u uiteenzetten welke acties tegen de eigenaresse van de pony’s zijn of worden ondernomen? Zo nee, waarom niet?
De 31 paarden zijn in beslag genomen en ter vervreemding overgedragen aan Dienst Regelingen.
Door de regiopolitie Limburg-zuid is een uitgebreid onderzoek ingesteld en men is nu bezig met het completeren van het proces-verbaal. Aangezien het onderzoek nog loopt kan ik daar verder geen uitspraken over doen.
Deelt u de mening dat aan eigenaren die hun dieren ernstig verwaarlozen een verbod op het houden van dieren opgelegd moet kunnen worden om een vergelijkbare situatie in de toekomst te voorkomen? Zo nee, kunt u uitleggen hoe u herhaling van zulke ernstige verwaarlozing in de toekomst wel gaat voorkomen?
De huidige wetgeving biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een houdverbod op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling voor maximaal 2 jaar. Het is aan de strafrechter om te beslissen of een dergelijk houdverbod wordt opgelegd. Overigens kan de proeftijd waarvoor het houdverbod kan worden opgelegd met een jaar worden verlengd tot maximaal 3 jaar. Dat vergt een nadere beslissing van de rechter.
Momenteel is in de Eerste Kamer het initiatief wetsvoorstel van de leden Jacobi en Ormel in behandeling (Kamerstukken I, 30 511, A). Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen wordt onder andere de maximale duur van het op te leggen houdverbod verhoogd naar 10 jaar.
Kunt u uiteenzetten of, en zo ja, hoeveel (extra) opvangplaatsen door het kabinet geregeld zijn voor pony’s en andere dieren, mede in het licht van «144 Red een Dier» waardoor naar verwachting vaker dieren in beslag genomen zullen worden?
Er zijn 3 opvangadressen aangewezen voor de opvang van paarden en landbouwhuisdieren. Daarnaast zijn er 7 opvangadressen aangewezen voor de opvang van gezelschapsdieren en 8 opvangadressen voor in- en uitheemse (beschermde) dieren. De opvangadressen zijn aangewezen via een Europese aanbesteding.
Er zijn op dit moment voldoende opvangadressen om alle in beslag/bewaring genomen dieren op te vangen.
Mocht het, in verband met een hoger aantal inbeslagnames, nodig zijn, dan worden extra opvangadressen gezocht.
Kunt u tevens uitleggen hoe met de pony’s wordt omgegaan in het licht van de aangenomen motie Ouwehand2 waarin de regering gevraagd wordt verbetervoorstellen te doen voor de opslag van in beslag genomen dieren? Kunt u een gedetailleerde uiteenzetting geven van de stand van zaken van deze verbetervoorstellen?
Zodra de in beslag genomen dieren zijn vrijgegeven en herplaatsing van dieren bij een nieuwe eigenaar mogelijk is, worden de werkzaamheden in gang gezet om de herplaatsing te realiseren. Het is niet altijd eenvoudig om voor de door DR op te vangen dieren een nieuwe plek te vinden, onder andere in verband met hun vaak lastige achtergrond. Voor de herplaatsing van landbouwhuisdieren en paarden worden meestal vaste handelaren ingeschakeld.
In dit specifieke geval gaan enkele pony’s naar voormalige eigenaren, die de pony’s in bezit hadden voordat ze in bezit kwamen van de eigenaresse bij we ze in beslag zijn genomen. De overige pony’s en paarden worden verkocht aan een handelaar waar DR goede ervaringen mee heeft. Door de grote media-aandacht hebben particulieren zich gemeld bij politie en DR om een dier over te nemen. Door middel van de door DR meegeleverde lijst met geïnteresseerde particulieren, worden handelaar en particulier met elkaar in contact gebracht. Om veiligheidsredenen voor de opslaghouders is ervoor gekozen dat opslaghouders niet altijd zelf dieren bemiddelen naar een nieuwe eigenaar.
Voor de stand van zaken met betrekking tot de verbetervoorstellen in het licht van de motie Ouwehand (Kamerstuk 28 973, nr. 72) verwijs ik u naar mijn brief van 23 december 2011 (Kamerstuk 28 286, nr. 540).
Kunt u uiteenzetten in welke omstandigheden de pony’s nu gehouden worden en kunt u garanderen dat de dieren goed verzorgd worden? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, wat bent u voornemens hieraan te doen?
De pony’s worden opgevangen door een opslaghouder van DR. Naast de wettelijke eisen moeten dergelijke opslaghouders ook aan extra dierenwelzijnseisen voldoen.
De pony’s en paarden staan in ruime loopstallen met veel licht en frisse lucht. Er is een mogelijkheid tot uitloop naar buiten. De dieren staan in een dikke laag strooisel en hebben voldoende voedsel en drinkwater tot hun beschikking. Dit heeft DR kunnen constateren door middel van bedrijfsbezoeken.
De dieren worden goed verzorgd. De dieren zijn onderzocht door een dierenarts en waar nodig zijn een tandarts en hoefsmid ingeschakeld.
Bent u bekend met het feit dat de stichting Paard in Nood direct na de inbeslagname geschikte opvangplaatsen geregeld heeft voor de pony’s? Zo ja, kunt u uiteenzetten waarom toch gekozen is voor een andere oplossing?
Ja.
De stichting Paard in Nood heeft zich ter plaatse gemeld bij de politie en heeft aangegeven bereid te zijn om de in beslag genomen paarden en pony’s op te vangen. De stichting bleek op dat moment echter niet te beschikken over voldoende opvangmogelijkheden en voedsel voor de 31 dieren.
Omdat de onmiddellijke opvang van de paarden en pony’s noodzakelijk was, is in overleg met Dienst Regelingen gekozen voor een opvangadres waar voor de dieren wel de noodzakelijke opvang en verzorging voorhanden was.
Kent u de berichtgeving waarin de politie aangeeft dringend op zoek te zijn naar verzorgers voor de pony’s?3 Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe dit in verhouding staat tot de aanbieding van de stichting Paard in Nood om de zorg voor de pony’s op zich te nemen?
Ik ben bekend met deze berichtgeving. De uitspraak van de woordvoerder van de regiopolitie moet als ongelukkig worden betiteld. Dienst Regelingen heeft op dit moment voldoende opvangadressen beschikbaar. De paarden zijn in opdracht van de officier van justitie in beslag genomen en ter vervreemding overgedragen aan de Dienst Regelingen, onder de voorwaarde dat voor de paarden een verantwoorde bestemming werd gezocht. De contactpersoon Dierenwelzijn van de regiopolitie Limburg-zuid heeft met de Dienst Regelingen afspraken gemaakt betreffende het herplaatsen van de paarden en heeft geholpen bij het vinden van serieuze kandidaten voor het herplaatsen van de paarden.
Deelt u de mening dat alleen een dierenarts kan en mag bepalen of het noodzakelijk is om een verwaarloosd dier in te laten slapen, en dat in beslag genomen dieren niet om andere dan medische redenen mogen worden afgemaakt? Zo ja, kunt u garanderen dat in beslag genomen dieren, zoals deze pony’s, niet in de slachterij belanden? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de bewaringsperiode worden dieren alleen maar ingeslapen als hiervoor een medische indicatie bestaat. Hierbij is altijd een dierenarts betrokken.
Wanneer een dier in beslag wordt genomen, doet DR haar best om een goede nieuwe plek te vinden (zie ook mijn antwoord op vraag 5. Desondanks kan het helaas voorkomen dat een dier, na de verkoop, toch wordt verkocht aan een slachthuis. Ik kan daarom niet garanderen dat in beslag genomen dieren niet in een slachthuis belanden.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om voor deze dieren een goed onderkomen te vinden en voor een goede afloop te zorgen? Zo ja, hoe gaat u daar vorm aan geven? Zo nee, waarom niet?
Voor de in beslag genomen pony’s wordt door DR, op de manier zoals beschreven onder vraag 5, haar best gedaan om een nieuwe eigenaar te vinden.
Het feit dat het ABP betrokken is bij landroof in Mozambique |
|
Kathleen Ferrier (CDA), Roos Vermeij (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ethisch project ABP loopt uit op landroof»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over de rapporten van landbouworganisaties, ngo’s en de Mozambikaanse overheid waaruit blijkt dat ABP’s investering van 47 miljoen euro het tegendeel heeft bereikt van de ethische ambities die het pensioenfonds in 2007 grootst heeft aangekondigd?
Het is spijtig dat de investering van het Global Solidarity Forest Fund (GSFF), die is ontworpen met ethische- en duurzaamheidsambities in gedachte, deze doelstellingen niet heeft kunnen realiseren. Het is belangrijk dat in overleg met lokale partners wordt bezien hoe deze doelstellingen alsnog kunnen worden gerealiseerd. Om deze verandering teweeg te brengen is, mede naar aanleiding van interventie van het ABP, enkele maanden geleden door het GSFF nieuw management benoemd.
Bent u bereid het ABP, aan wie de rijksoverheid de grootste premiebetaler is, als meerderheidsbelanghebbende in de investering van het Global Solidarity Forest Fund (GSFF) in Mozambique, aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden en zorgplicht omtrent eerlijke consultatie en compensatie van en de negatieve gevolgen voor lokale boeren? Indien nee, waarom niet?
ABP is een geprivatiseerd fonds en staat daarmee net als andere pensioenfondsen in Nederland op afstand van het kabinet. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties heeft als sectorwerkgever Rijk, naast andere overheids- en onderwijswerkgevers, wel een zetel in de Werkgeversraad en het Verantwoordingsorgaan van ABP. In deze organen wordt regelmatig met het ABP-bestuur gesproken over de vraag of de beleggingen voldoen aan haar eigen ESG-criteria, waarbij ESG staat voor environment, social en governance. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zal in de Werkgeversraad dan wel het Verantwoordingsorgaan deze concrete investering van GSFF in Mozambique agenderen.
Bent u bereid het ABP actief aan te sporen om zich te houden aan de herziene OESO-richtlijn voor Multinationale Ondernemingen? Indien ja, op welke wijze en op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Verantwoorde landbouw en bosbouw zijn van groot belang voor de ontwikkeling van het land en met name voor de provincie Niassa. Om deze ontwikkeling te realiseren zijn investeerders nodig. Het is daarbij essentieel dat investeerders en lokale gemeenschappen goed communiceren en overeenkomsten sluiten die duurzaamheid garanderen en voor beide partijen gunstig zijn. Voorts dient de nationale en lokale overheid er op te kunnen toezien dat de wet- en regelgeving wordt uitgevoerd. De Nederlandse overheid draagt in Mozambique bij aan deze zaken.
Hoe beoordeelt u de petitie van de lokale boerenorganisatie União Provincial de Camponeses de Niassa, die een dringend beroep doet op westerse investeerders om te stoppen met financieren van plantages in Mozambique? Bent u bereid een dergelijk initiatief te ondersteunen? Zo ja, hoe nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of de Nederlandse ambassade in Mozambique reeds op de hoogte was van de investering van GSFF in Mozambique en de gevolgen hiervan?
De ambassade was niet op de hoogte van deze specifieke investeringen van GSFF in de provincie Niassa. De ambassade was wel op de hoogte van een programma in Niassa, gefinancierd door de Zweedse overheid, ter ondersteuning van de private sector, onder meer in de bosbouw. De ambassade was ook op de hoogte van de conflicten die zich in Niassa hebben voorgedaan tussen investeerders en lokale gemeenschappen.
Op welke wijze draagt de Nederlandse ambassade in Mozambique bij aan het tot stand komen en uitvoeren van wet- en regelgeving rond land? Hoe wordt in Mozambique het opleiden van zogenaamde paralegals, (districts)magistraten, aanklagers, burgemeesters, politiefunctionarissen, NGO staf en / of vrouwen- en boerenorganisaties ondersteund om «landgrabbing» te voorkomen?
De Nederlandse ambassade, de FAO, de Mozambikaanse regering en het Centre for Legal and Judicial Training werken sinds eind jaren 90 aan verbetering van de uitvoering van de Mozambikaanse wetgeving op het gebied van landrechten. Het betreft bewustwording en training van juridische medewerkers (paralegals), lokale overheidsvertegenwoordigers en boerenorganisaties (mannen en vrouwen). Daarnaast ondersteunen de ambassade en FAO een initiatief van de overheid om samen met de investeerders en de lokale gemeenschappen te komen tot concrete en bindende afspraken over de investeringen. Belangrijk is dat de afspraken acceptabel zijn voor de gemeenschappen en dat deze beantwoorden aan hun rechten op landgebruik.
Deelt u de mening dat het verbazingwekkend is dat zelfs de deelnemers in het ABP niet op de hoogte (kunnen) zijn van de investeringen van hun pensioenfonds, terwijl dit wel hun grootste spaarpot is?
Het is van belang dat deelnemers hun fonds kunnen aanspreken op het beleggingsbeleid. Daarvoor is nodig dat de deelnemer inzicht heeft in het beleggingsbeleid. Bij het ABP kunnen deelnemers dit inzicht eenvoudig verkrijgen. In het via internet beschikbare «verslag verantwoord beleggen» laat het ABP zien wat zijn keuzes zijn met betrekking tot beleggingen.
Bent u bereid om bij het verdere overleg over het pensioenakkoord aan de sociale partners te vragen om met een voorstel te komen waarbij de beleggingen van pensioenfondsen transparant worden, bijvoorbeeld door een keer per kwartaal een lijst te publiceren, zodat deelnemers een mening kunnen vormen over de wijze waarop hun geld belegd wordt?
Het kabinet is voornemens in het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen op te nemen dat een pensioenfonds in zijn jaarverslag vermeldt op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. Dat stelt partijen in staat eenvoudiger te achterhalen wat het beleggingsbeleid is van fondsen, en hen mogelijkerwijs daar op aan te spreken. Uw Kamer ontvangt dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk na ommekomst van het advies van de Raad van State.
Een lading Amerikaans traangas in de Suezhaven |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Is het waar dat een lading van 7,5 ton traangas uit de VS in de Suezhaven vlakbij Cairo is aangekomen? Klopt het dat een lading van 14 ton nog verwacht wordt?
Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verklaard dat twee leveringen, waarvoor in juli van dit jaar vergunningen zijn afgegeven, op 25 november 2011 Egypte zijn binnengekomen met het Egyptische ministerie van Binnenlandse Zaken als eindgebruiker. De VS geeft aan dat sinds dat moment geen aanvullende leveringen zijn aangevraagd of onderweg zijn.
Klopt het dat de vaten traangas uit de VS bestemd waren voor het Egyptische ministerie van Binnenlandse Zaken?
Zie antwoord vraag 1.
Is de lading uiteindelijk Egypte binnengekomen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verklaart u de traangaszending van de VS aan Egypte terwijl tegelijkertijd de VS het verzet tegen het militaire regime steunen? Hebben de Amerikaanse autoriteiten een verklaring afgelegd waarom deze zending aan Egypte is goedgekeurd? Zo ja hoe luidt deze? Zo nee, bent u bereid hierover contact te zoeken met de Amerikaanse autoriteiten?
Naar aanleiding van een bericht van Amnesty International over de traangaszending gaf het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken aan te zullen onderzoeken of er misbruik is geweest van traangas. Indien misbruik wordt vastgesteld zal de Amerikaanse regering dergelijke transacties tegenhouden. Vooralsnog is er volgens de VS geen directe aanleiding om de uitvoer van deze goederen naar Egypte tegen te houden.
Bent u bereid zowel rechtstreeks als met de EU gezamenlijk deze Amerikaanse traangaszending aan Egypte scherp te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de correcte manier waarop de VS uitvoering geeft aan zijn wapenexportbeleid.
Welke landen leveren op dit moment «anti riot en crowd control materieel (zoals non-military firearms, including riot guns, crowd control vehicles, shotgun ammunition and «tear gas») aan Egypte? Hoe beoordeelt u deze exporten, die buitenproportioneel en gewelddadig ingezet worden tegen de betogers? Bent u voornemens de landen die «anti riot en crowd control» materieel leveren aan Egypte hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Het is de regering niet bekend of, en zo ja welke, landen genoemde producten exporteren naar Egypte. Binnen de EU worden vergunningaanvragen getoetst aan onder meer criteria 2 en 3 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt (mensenrechten en interne situatie). Met andere EU lidstaten wordt in de desbetreffende Brusselse Raadswerkgroep gesproken over het wapenexportbeleid naar de regio, met inbegrip van de wijze waarop te exporteren wapens aangewend worden.
Kunt u uitsluiten dat «anti riot» en crowd control» materieel via Nederland wordt doorgevoerd naar Egypte?
Indien militaire goederen zoals «anti riot en crowd control» materieel in Egypte mogelijk zouden worden ingezet voor mensenrechtenschendingen, zal Nederland geen vergunning geven voor de doorvoer van dergelijk materieel. Indien geen vergunningplicht voor doorvoer geldt, omdat de zending voorzien is van een uitvoervergunning van een bondgenoot, zal Nederland zonodig in contact treden met de betrokken bondgenoot om de doorvoer via Nederland te ontmoedigen.
De uitspraken van admiraal Venlet over de Joint Strike Fighter |
|
Jasper van Dijk (SP), Angelien Eijsink (PvdA), Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van de admiraal Venlet over de problemen met de JSF in het artikel «JSF’s build and test was «Miscalculation» Adm. Venlet says: production must slow»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat de mate van overlap tussen ontwikkelen, bouwen, testen en productie bij nader inzien een misrekening is geweest?
Bij de aanvang van het F-35 programma werd gedacht dat door de grootschalige toepassing van computersimulaties de ontwikkeling van de F-35 anders zou verlopen dan eerdere ontwikkelingstrajecten. Op grond daarvan is besloten relatief vroeg in het programma al grotere aantallen toestellen te produceren. Vice-admiraal Venlet zet in het interview uiteen dat deze benadering blijkt te leiden tot meer kosten dan oorspronkelijk verwacht. Om die reden heeft minister Panetta op 26 januari jl. aangekondigd dat de Verenigde Staten de komende jaren minder toestellen zullen afnemen teneinde de aanpassingskosten van de toestellen na aflevering te beperken.
Op grond van de beschikbare informatie heeft Defensie steeds het standpunt van het Pentagon gedeeld. Tijdens de hoorzitting van april 2009 zijn ervaringen besproken met eerdere ontwikkelingstrajecten van wapensystemen. Op dat moment was er nog geen reden aan te nemen dat de programmaopzet gewijzigd moest worden.
Is het u bekend dat de Amerikaanse rekenkamer U.S. Government Accountability Office (GAO) al enige jaren waarschuwt dat er in een JSF project een risico wordt genomen met het overlappen van ontwikkelen, bouwen, testen en productie? In welke mate zijn deze zorgen van GAO binnen het JSF Program office (JPO) besproken?
Het GAO heeft de afgelopen jaren gewezen op risico’s als gevolg van de overlap van ontwikkeling, bouw, testen en productie. Deze waarschuwing komt terug in de Monitor over het project vervanging F-16 van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 (Kamerstuk 31 200, nr. 14). In de bestuurlijke reactie op deze GAO-rapporten heeft het Amerikaanse Ministerie van Defensie (waar het JPO deel van uitmaakt), zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 en 6, steeds gesteld dat de ontwikkeling van de F-35 vooral door de grootschalige toepassing van computersimulaties anders zou verlopen dan eerdere ontwikkelingstrajecten. In de reactie op het GAO rapport van 12 mei 2011 (Kamerstuk 26 488, nr. 269) wordt daarnaar verwezen. Defensie heeft op grond van de beschikbare informatie steeds het standpunt van het Pentagon gedeeld. Naar de huidige inzichten, op grond van de uitvoering van ongeveer 20 procent van het testprogramma, blijkt dat de ontwikkeling van de F-35 minder afwijkt van eerdere progamma’s dan verwacht.
Welke conclusies zijn er door u binnen het JPO getrokken op basis van de waarschuwingen van de Amerikaanse rekenkamer?
Zie antwoord vraag 3.
Welke conclusies zijn er door u getrokken uit de eveneens door de Nederlandse Algemene Rekenkamer (ARK) gedane waarschuwingen over de risico’s die genomen worden met het overlappen van ontwikkelen, bouwen, testen en productie?
Zie antwoord vraag 3.
Welke rol hebben de waarschuwingen van de deskundigen over het risico van de overlap tussen ontwikkelen, testen en produceren, geuit tijdens de hoorzitting van april 2009, gespeeld in het verdere besluitvormingsproces met betrekking tot de Nederlandse deelname in de JSF ontwikkeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de extra bijkomende kosten voorkomend uit de nu geconstateerde gebreken voor het in aanbouw zijnde eerste Nederlandse testtoestel dat volgens planning in augustus 2012 geleverd gaat worden?
Voor wiens rekening zullen extra bijkomende kosten voor het in aanbouw zijnde eerste Nederlandse testtoestel komen?
Wat zijn de extra bijkomende kosten voorkomend uit de nu geconstateerde gebreken voor het tweede Nederlandse testtoestel dat volgens planning in maart 2013 geleverd gaat worden?
Voor wiens rekening zullen extra bijkomende kosten voor het tweede Nederlandse testtoestel komen?
Wat zijn de gevolgen van de benodigde aanpassingen voor de totale aanschafprijs van het eerste Nederlandse testtoestel?
Wat zijn de gevolgen van de benodigde aanpassingen voor de totale aanschafprijs van het tweede Nederlandse testtoestel?
Is het u al bekend wat de gevolgen van de huidige problemen zullen zijn voor de wijze waarop het JSF programma zal worden aangepast? Zo nee, op welke termijn verwacht u duidelijkheid over de verdere planning in het JSF project?
Zoals toegezegd in de brief van 1 juli 2011 (Kamerstuk 26 488, nr. 275) zal ik u informeren over de Amerikaanse besluitvorming zodra die gereed is. Naar verwachting zal begin februari duidelijkheid ontstaan over de Amerikaanse productieaantallen in de komende jaren. Over de planning van de ontwikkelingsfase zal naar verwachting in de weken daarna een besluit vallen. De Verenigde Staten zullen de partners informeren over de voortgang daarvan. Minister Panetta heeft op 26 januari jl. reeds aangekondigd dat de Verenigde Staten de komende jaren minder toestellen zullen afnemen teneinde de aanpassingskosten van de toestellen na aflevering te beperken.
Een Nederlands besluit over de vervanging van de F-16 wordt overgelaten aan een volgend kabinet. Naar verwachting zullen de eerste productietoestellen niet voor 2019 bij het Commando luchtstrijdkrachten instromen. Risico’s veroorzaakt door de gelijktijdige ontwikkeling en productie van de F-35 zullen tegen die tijd (2019) aanzienlijk zijn afgenomen omdat de ontwikkeling dan nagenoeg zal zijn voltooid.
Is binnen het JPO al gesproken over een aanpassing van de planning in het JSF project?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke wijze zult u de Kamer informeren over de gewijzigde planning in het JSF project?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u een geactualiseerd overzicht geven van de door de partnerlanden geplande aantallen toestellen? Kunt u een geactualiseerd overzicht geven van de door de partnerlanden geplande bestellingen?
Jaarlijks geven de partnerlanden in het najaar hun aangepaste planningsreeksen door aan het JPO. Deze reeksen worden gebruikt voor de herijking van de financiële reeksen die ten grondslag liggen aan de onder meer door Nederland ontvangen financiële informatie ten behoeve van de jaarrapportage. Zoals uiteengezet bij de beantwoording van vraag 13, 14 en 15 zal pas begin februari duidelijkheid ontstaan over de Amerikaanse planning. In Italië worden op dit moment bezuinigingsmaatregelen uitgewerkt. Daarbij wordt ook het aantal aan te schaffen F-35 toestellen opnieuw vastgesteld. In de jaarrapportage wordt het actuele overzicht van de planningreeksen opgenomen.
Op dit moment zijn de volgende aantallen toestellen besteld:
Turkije heeft onlangs besloten twee toestellen aan te schaffen in de LRIP-7 productieserie. Noorwegen heeft besloten vier toestellen in de LRIP-8 productieserie te bestellen. Verder zijn er twee niet-partnerlanden die concrete stappen hebben gezet; Israel heeft een eerste bestelling van negentien toestellen gedaan en de Japanse regering heeft besloten een eerste serie van 42 toestellen te bestellen.
Een brief naar aanleiding van een noodoproep in verband met de dengue-epidemie op Bonaire |
|
Pia Dijkstra (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel geld investeert u in het project voor de versterking van de openbare gezondheidszorg op Bonaire, en welk percentage daarvan is bestemd voor de bestrijding van infectieziekten, als dengue?1
De bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustasius en Saba (de BES-eilanden) zijn net als gemeentebesturen in Nederland, zelf verantwoordelijk voor de publieke gezondheidszorg, waaronder infectieziektebestrijding. Als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heb ik een inhoudelijk ondersteunende rol bij het versterken hiervan. Ik ondersteun daarvoor de BES-eilanden met financiële middelen en met de inzet van experts van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD).
De inhoudelijke en budgettaire invulling van het RIVM-project «implementatie Wet Publieke Gezondheid (WPG) en International Health Regulations (IHR)» loopt sinds september 2010 en is nog gaande. Hiervoor heb ik jaarlijks maximaal 0,7 miljoen euro beschikbaar. Het RIVM adviseert verder waar nodig lokale experts en onderhoudt contact met de kwartiermakers van de GGD.
De GGD detacheert op verzoek van mijn ministerie vanaf begin 2012 twee medewerkers naar de BES-eilanden. Tot medio 2013 is voor het totale project van de GGD op mijn begroting ruim 1 miljoen euro beschikbaar. Dit bedrag is bestemd voor de ondersteuning van de eilandbesturen voor het geheel van de eilandstaken op het terrein van publieke gezondheidszorg en is niet gespecificeerd naar taak.
Daarnaast wordt met de wijziging van de Nederlandse WPG structureel jaarlijks voor de 3 eilanden samen nog 0,5 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de publieke gezondheidszorgtaken. Dit wetsvoorstel is inmiddels naar uw Kamer gezonden. Ook hier bepaalt het eilandbestuur waaraan het geld besteed wordt.
Welke inzet plegen de experts van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) Den Haag in het tegengaan van dengue op Bonaire en welke activiteiten verricht het Caribbean Epidemiology Centre (CAREC) op dit gebied?
Het RIVM vervult voor mij de inhoudelijk ondersteunende rol op het gebied van infectieziektebestrijding. Op de BES-eilanden kijkt het RIVM naar ondersteuning en aanpassingen die lokaal nodig zijn om een niveau van de infectieziektebestrijding conform de Nederlandse standaard zoveel mogelijk te bereiken. Het RIVM heeft plaatselijke professionals bijgeschoold over de regelgeving en praktijk van meldingsplicht, surveillance en epidemiologie en de organisatie van de (grootschalige) bestrijding.
Vanaf begin 2012 worden vanuit de GGD experts gedetacheerd op de eilanden om bij de praktische invulling van publieke gezondheidszorgtaken te assisteren. Hieronder vallen ook surveillance en registratie van infectieziekten. Deze kwartiermakers zullen in samenwerking met het RIVM de taken inventariseren en afstemmen, waarbij uiteraard ook aandacht wordt geschonken aan de preventie van ziekten als dengue en aan een goede organisatie en goede scholing rond vectoroverdraagbare aandoeningen en een hygiënische dienst.
CAREC is onderdeel van de Latijns Amerikaanse afdeling van de Wereldgezondheidsorganisatie (PAHO). Zij publiceren bijvoorbeeld dengue guidelines, meldingen, epidemiologische informatie en voorlichtingsmateriaal. De PAHO geeft ook technisch advies bij het opstellen van langere termijn planning om dengue te bestrijden.
Wat is het precieze doel van de activiteiten van het RIVM, de GGD en CAREC?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zorgt u ervoor dat de kennis en expertise van het RIVM, de GGD en CAREC wordt vertaald naar effectief lokaal preventiebeleid en dat dit beleid gecontinueerd en systematisch geëvalueerd wordt in de gemeente Bonaire?
De eilandbesturen zijn zoals ook gemeentebesturen in Nederland verantwoordelijk voor de publieke gezondheidszorg. Het project dat de GGD op mijn verzoek uitvoert is bedoeld de eilandbesturen te helpen die verantwoordelijkheid te kunnen invullen. De kwartiermakers van de GGD bieden zowel zorginhoudelijke als bestuurlijke ondersteuning aan de BES-eilanden. De lokale situatie dient hierbij als uitgangspunt en zij gaan uit van een nauwe samenwerking met lokale experts (waaronder PAHO/CAREC). GGD en RIVM zetten expliciet in op de bijscholing van lokale professionals wanneer het gaat om de infectieziektebestrijding. Het doel is dat het huidige ondersteuningsproject van de GGD na afloop van deze periode zal resulteren in een structureel samenwerkingsverband. Lokale beleidsontwikkeling en ook evaluatie en de borging daarvan is de verantwoordelijkheid van het eilandbestuur zelf. Uiteraard kan het eilandbestuur, indien zij dit nodig acht, hiervoor een verzoek tot hulp doen.
Hoe verhouden de (extra) kosten van preventieve maatregelen tegen dengue zich tot het inkomen van de inwoners van Bonaire?
Deze vraag is op dit moment niet concreet te beantwoorden. Het succes van bestrijden van infectieziekten hangt af van veel verschillende factoren, denk bijvoorbeeld aan hygiëne en handhaving. De aanwezigheid van een vector (in dit geval een mug) die de infectieziekte kan overdragen is voor dengue een bepalende factor. Er zijn verschillende preventieve maatregelen die kunnen worden genomen om de ziektelast van dengue te verminderen. Elke mogelijke maatregel heeft voor- en nadelen (inclusief kosten) die gewogen moeten worden. Deze afweging is aan het eilandsbestuur. De verdeling van de kosten van infectieziektebestrijding gaat op een zelfde manier als dit bij elke gemeente in Nederland gaat. De gedeputeerde van Bonaire heeft mij verzocht om haar te ondersteunen bij de bestrijding van dengue. Ik heb daarom het RIVM om advies gevraagd over de aard en omvang van het probleem en mogelijke oplossingsrichtingen. Ik hecht veel waarde aan goede samenwerking met het eilandbestuur en de juiste inhoudelijke ondersteuning, zodat er straks zinvolle activiteiten en bijbehorende uitgaven plaatsvinden.
Het bericht dat het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) van de politie dreigt uiteen te vallen door ruzies en machtsmisbruik |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) van de politie dreigt uiteen te vallen door ruzies en machtsmisbruik?1
De Politieacademie laat een onafhankelijk onderzoek verrichten naar de situatie waarover het programma Nieuwsuur heeft bericht. Ik zal u informeren over de uitkomsten van dit onderzoek, dat naar verwachting uiterlijk 1 maart 2012 zal zijn afgerond, alsmede over naar aanleiding daarvan eventueel te treffen maatregelen. Het onderzoek staat onder leiding van dhr Marijnen, oud-burgemeester van Bergen op Zoom.
Klopt het dat het LECD zelf ook niet lukt om voldoende allochtone werknemers aan te nemen, gezien het feit dat er maar één allochtoon in dienst is bij het LECD? Heeft het LECD naar uw mening voldoende kennis en expertise in huis om te doen waarvoor het is opgericht? Zo nee, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat er momenteel mis bij het LECD dat tien medewerkers zich blijkbaar genoodzaakt voelden hun beklag te doen bij de vertrouwenspersoon over de huidige baas van het LECD? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre is er sprake van machtsmisbruik en manipulatie bij het LECD?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek en de uitkomsten daarvan verwachten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u de geconstateerde problemen oplossen en orde op zaken stellen?
Zie antwoord vraag 1.