Kunt u de Kamer informeren over de inzet van de Nederlandse regering tijdens de vierde Review Conferentie van de «Convention on Certain Conventional Weapons» CCW), die plaatsvindt van 14 tot 25 november 2011 in Genève?
Nederland zal tijdens de Toetsingsconferentie van de CCW aandringen op universalisering van de Conventie en rapporteren over de nationale implementatie. Het belangrijkste onderwerp is het conceptprotocol VI inzake een deelverbod op clustermunitie. Nederland wil een Protocol VI met zo groot mogelijke reikwijdte, waarin een totaalverbod van clustermunitie expliciet als einddoel wordt opgenomen.
Deelt u de mening dat het draft Protocol VI, dat wordt besproken tijdens de Conferentie in Genève, geen antwoord biedt op het humanitaire leed dat clustermunitie veroorzaakt en urgentie mist vanwege het feit dat clustermunitie met een «failure rate» van 1% en clustermunitie geproduceerd na 1980 worden toegestaan, en er bovendien een transitieperiode van 12 jaar wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt clustermunitie als een wapen dat onaanvaardbaar humanitair leed veroorzaakt. Een Protocol inzake een deelverbod op clustermunitie kan de kans op humanitair leed verkleinen. Landen als Rusland, de VS, China, India en Pakistan bezitten wereldwijd het overgrote deel van de bestaande voorraden clustermunitie. Deze landen hebben aangegeven vooralsnog niet toe te zullen treden tot de Conventie inzake Clustermunitie (CCM) en voeren hier militair-strategische redenen voor aan. Juridische gebondenheid van deze landen aan een beperkende norm voor het gebruik van dit wapen is een stap vooruit ten opzichte van de huidige situatie.
Deelt u de mening dat Nederland als partij bij de Conventie van Cluster Munitie (CCM), geen steun kan verlenen aan een draft Protocol VI van de Convention on Certain Conventional Weapons (CCW) dat minder vergaand is dan de tekst van de CCM? Zo ja, kunt u toezeggen dergelijke tekst niet te zullen ondersteunen tijdens de aankomende Review Conferentie? Zo nee, waarom niet?
Protocol VI kan in de praktijk een positief effect hebben, ook al gaat de tekst van het Protocol minder ver dan de CCM.
Bent u bereid om de norm van de CCM te promoten en het gebruik van clustermunitie te ontmoedigen, zoals wordt verplicht onder artikel 21 van het CCM, en samen met andere CCM landen aldus tijdens de Review Conferentie van de CCW te pleiten voor nationale maatregelen om clustermunitie uit te bannen? Deelt u de mening dat dit meer in lijn ligt met de universalisatie verplichtingen onder de CCM dan de totstandkoming van een nieuwe en lagere internationale norm binnen het internationaal humanitair recht?
Nederland benadrukt de wenselijkheid van universalisering van de CCM in multilaterale fora en in bilaterale contacten met staten die nog geen partij zijn. Nederland zal zich inzetten voor een toevoeging in Protocol VI die de norm van een totaalverbod op clustermunitie onderschrijft.
Als tijdens de Review Conferentie blijkt dat er geen consensus binnen de CCW is over een draft Protocol VI, bent u dan bereid zich tijdens de Review Conferentie van de CCW in te zetten voor de totstandkoming van een politieke verklaring waarin de CCW lidstaten hun zorg uitspreken over clustermunitie die onaanvaardbaar leed te weeg brengt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze verklaring na afloop van de Review Conferentie met een appreciatie naar de Kamer sturen?
Nederland streeft ernaar de onderhandelingen over Protocol VI succesvol af te ronden. Indien dit niet lukt, zal Nederland een breed gedragen politieke verklaring overwegen.
Microplastics in consumentenproducten die het water vervuilen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inventarisatie van Stichting de Noordzee naar het voorkomen van plastic deeltjes, zogenaamde microplastics, in consumentenproducten?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het overgrote deel van scrubs en peelings dat momenteel op de markt te verkrijgen is microplastics bevat? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Ja, uit gegevens van de Nederlandse Cosmetica Vereniging blijkt dat in deze producten vaak gebruik gemaakt wordt van microplastics als scrubdeeltjes. Alle cosmeticaproducten die op de markt worden gebracht moeten aan de eisen uit de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG voldoen. De fabrikant is verplicht om het veilig gebruik van het product wetenschappelijk te onderbouwen. Wat de gevolgen zijn voor het (mariene) milieu is nochtans onduidelijk (zie vraag 3).
Kunt u aangeven wat het effect op mariene ecosystemen is van de ophoping van dit soort microplastics?
Onder de vlag van de OSPAR Regionale Zeeconventie wordt ruim 10 jaar aandacht besteed aan het monitoren en de aanpak van zwerfvuil op zee, recent ook aan de microplastics problematiek. Het internationale onderzoek naar microplastics in het zeemilieu en de mogelijke effecten daarvan bevindt zich nog in een pril stadium. De aanwezigheid van microplastics (< 5 mm) is aangetoond in sedimenten en water van de Noordzee en in het weefsel en organen van diverse soorten in het mariene milieu (plankton, kreeftachtigen, vissen en vogels), soms echter alleen op laboratorium schaal (mosselen). Microplastics zijn niet afbreekbaar en kunnen zich ophopen in organismen. De deeltjes kunnen doorgegeven worden via de voedselketen en zijn potentieel toxisch mede als gevolg van additieven en verontreinigende stoffen. Het is nog niet bekend op welke schaal deze problematiek zich op de Noordzee voordoet.
Deelt u de zorgen over de effecten hiervan op onder andere vissen, zeezoogdieren en uiteindelijk ook op de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
De risico’s voor de volksgezondheid en het milieu zijn in het algemeen moeilijk te bepalen. Er zijn studies gepubliceerd waarin mogelijke effecten worden verondersteld onder meer in relatie tot toxische effecten van fijne plastic deeltjes. De wetenschappelijke onderbouwing hiervan is echter nog beperkt.
Deelt u de mening dat het gebruik van microplastics bijdraagt aan het probleem van de plastic soep die zich ophoopt in onze oceanen? Zo ja, deelt u de mening dat het belangrijk is om het probleem bij de bron aan te pakken?
Ja, het introduceren in het zeemilieu van microplastics moet zoveel mogelijk worden voorkomen en daarvoor is een brongerichte aanpak gewenst. Daarbij moet bedacht worden dat alle plastic in zee uiteindelijk uiteenvalt in microplastic-deeltjes; het gaat dus niet alleen om geproduceerde microplastics.
In het kader van de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie laat ik op dit moment de huidige toestand van het zeemilieu en effecten van het vigerend beleid beoordelen. Op basis daarvan neemt het kabinet komend voorjaar een ontwerpbesluit over de goede milieutoestand van de Noordzee in 2020, en de daarbij behorende doelen en beleidsopgave. Het kabinetsbesluit over de Mariene Strategie zal onder meer ingaan op de problematiek rondom afval in zee, waaronder microplastics.
Ten behoeve van het kabinetsbesluit, heb ik door Deltares en het IVM een studie laten verrichten naar de laatste stand van kennis over microplastics en aanbevelingen gevraagd voor verdere kennisontwikkeling. Dit rapport wordt deze maand gepubliceerd.
Bent u bereid zich in te zetten voor een (Europees) verbod op de verkoop van cosmetica en verzorgingsproducten waarin microplastics zijn verwerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u zich hiervoor inzetten?
Eventuele beperkingen voor het op de markt brengen van cosmetische producten dienen op Europees niveau te worden afgesproken. Op Europees niveau zijn in de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG, regels gesteld voor cosmetische producten. Daaronder vallen onder meer eerdergenoemde scrubsen verzorgingsproducten. Uitgangspunt van de verordening is het garanderen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid. In de verordening zijn geen milieuaspecten meegenomen zodat effecten op het milieu geen grond kunnen zijn voor het opleggen van beperkingen. Ik ben evenwel bereid dit onderwerp bij de Europese Commissie aan de orde te stellen in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie met het doel na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor het terugdringen van de emissie van microplastics.
Bent u bereid de aanwezigheid van microplastics in consumentenproducten aan te kaarten in de verschillende internationale gremia die zich bezighouden met het probleem van de plastic soep, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, de Honolulu Strategie en de Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter? In hoeverre is er bij deze programma’s al aandacht besteed aan dit probleem?
Ja. Nederland heeft het probleem van plastic soep en microplastics reeds geagendeerd in Europees en mondiaal verband. Vanuit de Europese Commissie lopen diverse trajecten om plastic afval op zee aan te pakken. Onder de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie is het probleem van (plastic) afval meegenomen als één van de elf elementen waarvoor een beleidsopgave voor 2020 moet worden geformuleerd en geïmplementeerd. Ook de microplastics problematiek komt hierbij aan de orde. In het voorjaar van 2012 zal het kabinet hierover een ontwerpbesluit nemen. Zie tevens vraag 5.
In mondiaal kader heeft Nederland het onderwerp «plastic soep» geagendeerd bij het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP). Daarbij is aandacht gevraagd voor microplastics. UNEP heeft het onderwerp in het jaarboek 2011 als een van de belangrijkste «emerging issues» geïdentificeerd. In het kader van de VN-top over Duurzame Ontwikkeling (RIO + 20), die in juni 2012 in Rio de Janeiro wordt gehouden, is Nederland penvoerder voor de Europese inzet van één van de twee belangrijkste onderwerpen van de conferentie: groene economie. Het mariene milieu en afval in de oceanen is opgenomen in de EU reactie die op 1 november jongstleden bij de VN is ingediend.
In de Honolulu Strategie, die momenteel wordt uitgewerkt door experts uit bedrijfsleven, wetenschap, NGO’s en overheden, worden microplastics als aandachtspunt opgenomen en worden consumentenproducten genoemd als één van de oorzaken van vervuiling. De Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter is opgesteld door vertegenwoordigers van de plastic industrie. In de tekst wordt niet ingegaan op microplastics in consumentenproducten.
Het bericht ‘Succes Wallenaanpak onmogelijk te meten’ |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Succes Wallenaanpak onmogelijk te meten»?1
Ja.
Hoe kan het dat de gemeente Amsterdam werkt met methodes waarvan niet vast staat of die helpen en waarvan de resultaten niet te meten zijn?
Het Coalitieproject 1012 is een project van de gemeente Amsterdam. In het project werken het Stadsdeel Centrum en de centrale stad samen om de economische infrastructuur van het postcodegebied 1 012 te verbeteren. Dit gebeurt door concentraties van overlastgevende en criminogene bedrijfstakken in dit gebied aan te pakken. Bij deze aanpak wordt gebruik gemaakt van gemeentelijk instrumentarium zoals wijziging van bestemming van panden en herinrichtingsvoorstellen. Omdat het hier volledig om gemeentelijk beleid gaat, heb ik geen betrokkenheid bij het Coalitieproject 1012 gehad.
Worden de aanbevelingen en beloofde maatregelen die u bij de beantwoording van de mondelinge vragen op 30 mei 2011 beloofde al uitgevoerd? Gaat dit in samenwerking met de gemeente Amsterdam? Is het project 1012 daar een onderdeel van of lopen er nu meerdere trajecten langs elkaar?
Het project Emergo is een ander project dan het Coalitieproject 1012. Bij het project Emergo ben ik intensief betrokken geweest. Immers, in 2007 besloten de toenmalige Minister van Justitie en toenmalige burgemeester van Amsterdam tot het opzetten van dit project om de zware, georganiseerde misdaad in het Wallengebied in Amsterdam aan te pakken. In het project Emergo participeren meer instellingen en diensten dan de gemeente Amsterdam en het Stadsdeel Centrum zoals de politie Amsterdam-Amstelland, het Openbaar Ministerie (OM), het WODC en de Belastingdienst Amsterdam.
De doelstelling van het project Emergo en het Coalitieproject 1012 sluiten op elkaar aan, maar de focus van beide projecten en het instrumentarium dat wordt ingezet is geheel anders. In het project Emergo gaat het niet om de herinrichting van het stadshart van Amsterdam met behulp van gemeentelijk instrumentarium zoals in het Coalitieproject 1012, maar om geïnformeerde en geïntegreerde interventies in criminele machtposities en gelegenheidsstructuren in het centrum van de hoofdstad. In het project Emergo zijn straten, personen en branches grondig doorgelicht. Op grond van de bevindingen uit die doorlichtingen en uit de gezamenlijk opgebouwde informatiepositie zijn tientallen controle- en handhavinginterventies uitgevoerd en zijn er strafrechtelijke onderzoeken gestart.
Op 24 oktober jongstleden heb ik uw Kamer mijn reactie op het rapport Emergo en de aanbevelingen in dat rapport gezonden.
Wat bent u van plan om aan de huidige situatie te doen?
Ik zie vooralsnog geen aanleiding om me te mengen in het Coalitieproject 1012 van de gemeente Amsterdam. Hierbij merk ik nog op dat de samenwerking met onder andere de gemeente Amsterdam en het Stadsdeel Centrum zoals die plaatsvond binnen het project Emergo wordt voortgezet en structureel wordt gemaakt binnen het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) Noord-Holland.
In hoeverre en op welke manier gaat u samenwerken met de gemeente Amsterdam om dit te bereiken?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat Nederland een gezamenlijk EU-standpunt Midden-Oosten blokkeert |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland blokkeert gezamenlijk EU-standpunt Midden-Oosten»?1
Ja.
Is het overleg over het gezamenlijk EU-standpunt op 28 september jl. afgeproken?
Het overleg is op 26 september beëindigd, toen – na aanvang van de zitting van de Mensenrechtenraad over het desbetreffende agendapunt – bleek dat geen gemeenschappelijke EU-verklaring mogelijk was.
Is het overleg over het gezamenlijk EU-standpunt afgebroken omdat Nederland zich niet kon vinden in de tekst van de gezamenlijke verklaring? En zo nee, waarom dan wel?
Het overleg is beëindigd omdat de 27 lidstaten van de EU geen consensus konden bereiken over een gemeenschappelijke tekst.
Welke redenen zijn er voor Nederland om zich te verzetten tegen een gezamenlijke EU-verklaring?
De concepttekst van de EU-verklaring was niet evenwichtig en sloot niet aan op de inhoudelijke ontwikkelingen van het EU-overleg in New York tijdens de lopende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De concepttekst stond op gespannen voet met het doel om tot hervatting van deze onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen te komen.
Deelt u de mening dat het betreurenswaardig is dat er geen gezamenlijke EU-verklaring tot stand is gekomen?
Ja.
Kunt u achtereenvolgens aangeven wat de bezwaren zijn tegen het noemen van een «tweestatenoplossing», het veroordelen van de Israëlische blokkade van de Gazastrook, het veroordelen van de recente Palestijnse terreuracties tegen Israëliërs, het zich uitspreken tegen standrechtelijke executies door Hamas in de Gazastrook en het zich uitspreken tegen geweld van Israëlische kolonisten tegen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever in een mogelijke gezamenlijke EU-verklaring?
De tweestatenoplossing is staand Nederlands beleid. De concepttekst van de EU-verklaring was echter niet evenwichtig en sloot niet aan op de inhoudelijke ontwikkelingen van het EU-overleg in New York tijdens de lopende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De concepttekst stond op gespannen voet met het doel om tot hervatting van deze onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen te komen. Zoals bekend hecht de Nederlandse regering zeer aan het bereiken van de tweestatenoplossing door middel van onderhandelingen gebaseerd op de zgn EU-parameters:
Kunt u aangeven wat de bezwaren zijn tegen het melden van de arrestatie door Israël van vreedzaam demonstrerende mensenrechtenactivisten, alsmede het noemen van vernietiging van Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever in een mogelijke gezamenlijke EU-verklaring?
Nederland wilde deze kwesties via tekstsuggesties evenwichtiger tot uitdrukking gebracht zien. De wijze waarop de positie van mensenrechtenverdedigers in Israël en de Palestijnse Gebieden werd gepresenteerd, deed geen recht aan de mogelijkheden binnen het Israëlisch rechtsstelsel. Ook de verwoording van de onrechtmatige huizensloop op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem was onevenwichtig.
Nederland beschouwt de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem als illegaal. Op 28 september jl. heb ik een verklaring afgegeven waarin ik het besluit om 1 100 nieuwe wooneenheden in Oost-Jeruzalem te bouwen betreur, omdat het contraproductief is voor het vredesproces. Ik heb de Israëlische regering opgeroepen dit besluit terug te draaien.
Kunt u aangeven op welke wijze u zich inspant een hervatting van de gesprekken tussen de Israël en de Palestijnen te bevorderen?
Nederland spant zich multilateraal en bilateraal in. In VN-kader streeft Nederland naar afgewogen verklaringen, waarbij ik erop toezie dat deze bijdragen aan hervatting van de onderhandelingen en niet vooruitlopen op de uitkomst van de onderhandelingen. In EU-verband steunt Nederland de inspanningen van Hoge Vertegenwoordiger Ashton in de afgelopen periode en roept haar op deze voort te zetten.
De minister-president en ik hebben in de aanloop naar de AVVN nauw contact gehouden met Israëlische en Palestijnse bewindslieden. Deze inspanningen worden gecontinueerd.
Deelt u de mening van de Amerikaanse president Barack Obama de grenzen van Israël uit 1967 als basis te gebruiken voor de grenzen van een nieuwe Palestijnse staat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dat is immers een van de vier parameters voor de onderhandelingen, zoals hierboven in het antwoord op vraag 6 weergegeven.
Deelt u de mening dat het recht op demonstratie een onvervreemdbaar recht is? Deelt u de mening dat het recht op vrijheid van meningsuiting een onvervreemdbaar recht is? Welke acties onderneemt u om de naleving van deze mensenrechten te bevorderen?
Ja, dat zijn onvervreemdbare. De vrijheid van meningsuiting is ook een van de prioriteiten van de notitie «Verantwoordelijk voor Vrijheid». Voor de uitwerking daarvan verwijs ik u graag naar deze notitie.
De 'vrijwillige' bijdrage die ROC's vragen aan scholieren die volwassenonderwijs volgen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Onderschrijft u het oordeel van scholierenorganisatie het LAKS, dat Regionale Opleidingscentra (ROC)s zich willens en wetens niet aan de wet houden bij de «vrijwillige» bijdrage die deze vragen aan scholieren die volwassenenonderwijs volgen?1
Ik heb kennisgenomen van het persbericht van LAKS. In beginsel is het de scholen toegestaan een vrijwillige bijdrage te vragen van hun studenten. Studenten zijn echter nooit verplicht om akkoord te gaan met een vrijwillige bijdrage. De hoogte en de aanwending ervan mag de school zelf bepalen, met dien verstande, dat een besluit daarover de instemming behoeft van de deelnemersraad.
Roc’s mogen niet de toegang weigeren c.q. inschrijving weigeren op grond van het niet-betalen van een vrijwillige bijdrage. De wet stelt immers, dat de inschrijving voor een opleiding niet afhankelijk gesteld kan worden van andere geldelijke bijdragen dan het les- of cursusgeld. De inspectie heeft bij LAKS nadere informatie opgevraagd en zal na het verkrijgen van de informatie beoordelen of hier sprake is van niet-naleving van de wet. Ingeval van niet-naleving van de wet zal de inspectie het bevoegd gezag hierop aanspreken en maatregelen eisen.
In de onderwijspraktijk is echter een verwevenheid ontstaan van de vrijwillige bijdrage met leermiddelen die studenten noodzakelijkerwijs dienen aan te schaffen om de opleiding goed te kunnen afronden. In mijn antwoorden op de vragen van de leden Çelik, Smits en Beertema d.d. 24 juni (Kamervragen (aanhangsel) 2010–2011, 2962–2964) heb ik aangegeven, dat in de praktijk een grijs gebied is ontstaan, mede door de ontwikkelingen op ict-gebied, waardoor niet altijd duidelijk is welke schoolkosten voor rekening van de overheid/scholen is, welke schoolkosten voor noodzakelijke leermiddelen voor rekening van de student zijn en wat tot de vrijwillige bijdrage gerekend mag worden.
Naar aanleiding van de vele klachten en onduidelijkheden over schoolkosten en vrijwillige bijdragen in het mbo ben ik nu bezig met het opstellen van een richtlijn die helderheid gaat geven aan zowel de mbo-scholen als studenten en ouders over schoolkosten te betalen door de studenten, schoolkosten te betalen door de school/overheid en vrijwillige bijdragen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met JOB, MBO Raad en de inspectie. Deze richtlijn biedt de scholen, studenten en ouders straks meer helderheid over wat wel en wat niet mag en geeft de inspectie houvast in de beoordeling van extra schoolkosten en vrijwillige bijdragen die gevraagd worden aan studenten. Zonodig zal ook de wetgeving hierop aangepast worden. Ik beoog de scholen, studenten en ouders uiterlijk maart 2012 te informeren over de richtlijn «extra schoolkosten/vrijwillige bijdrage» opdat voor het volgende schooljaar hiermee rekening gehouden kan worden.
Klopt het dat de vrijwillige bijdrage die ROC’s vragen aan hun scholieren kan oplopen tot boven de 200 euro en dat dit bedrag in een aantal gevallen zelfs ter plekke bij de receptie van scholen dient te worden afgerekend?
De hoogte en de aanwending van de vrijwillige bijdrage mag de school zelf bepalen, met dien verstande dat een besluit daarover de instemming behoeft van de deelnemersraad. De inspectie gaat op basis van de informatie van LAKS na wat er aan de hand is in deze specifieke individuele situaties. Omdat het om een vrijwillige bijdrage gaat, kan dan ook niet geëist worden dat deze ter plekke betaald wordt.
Hoe beoordeelt u de melding van een scholier dat het ROC zijn inschrijving niet wilde voltooien als hij de vrijwillige bijdrage niet ter plekke zou betalen?
Dit mag niet. De school mag de inschrijving niet afhankelijk stellen van het betalen van de vrijwillige bijdrage. De inspectie zal nader onderzoek doen op basis van de informatie van LAKS. Als de inspectie constateert dat de instelling in strijd handelt met de wet kan in het uiterste geval een bekostigingssanctie worden opgelegd.
Gaat u stappen ondernemen tegen de betrokken ROC’s? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet? Hoe vaak moeten Kamerleden hierover vragen stellen zodat bij de ROC’s de ernst van de zaak doordringt en zij zich gaan houden aan de wet?
De inspectie gaat dit verder onderzoeken. Het hangt echter mede af van de concreetheid van de informatie die LAKS beschikbaar heeft of de inspectie nader onderzoek kan doen bij de betreffende Roc’s. Verder werk ik samen met JOB, MBO Raad en inspectie aan de richtlijn die voor de toekomst duidelijk maakt wie waarvoor financieel verantwoordelijk is.
Ondermaats onderwijs op particuliere vwo-scholen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat particuliere vwo-scholen vaak relatief simpele schoolexamens afnemen, waardoor leerlingen het centraal eindexamen met hoge cijfers ingaan? Klopt het dat deze leerlingen daar duidelijk lager scoren dan gemiddeld, waarbij hun cijfers worden gecompenseerd door de eerdere resultaten van de schoolexamens?1
Op 14 april 2009 (TK 2008–2009, 31 289, nr. 58) heb ik u geïnformeerd over de zogenoemde zelfstandige exameninstellingen. Aanleiding was een rapport van de Inspectie van het onderwijs over deze instellingen. Ik heb toen aangegeven dat de inspectie onder meer intensief toezicht zou blijven houden op het verschil tussen de eindcijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen. Het toezicht op de kwaliteit van de toetsing is geïntensiveerd en de instellingen hebben vervolgens aantoonbaar hun kwaliteitscontrole en borging van de toetsen verbeterd.
Tevens heb ik aangekondigd dat het gemiddeld verschil tussen de schoolexamencijfers en de cijfers van het centrale examen over drie examenjaren niet groter mag zijn dan 0,5. Dit is voor alle instellingen een extra stimulans om de gestarte verbeterslag voort te zetten. Bij de zelfstandige exameninstellingen die naar het oordeel van de Inspectie niet snel genoeg verbeteren, zal streng kunnen worden ingegrepen. Immers, na het van kracht worden van het betrokken wetsvoorstel (TK, 2010–2011, 32 558), kan een sanctie verbonden worden aan de overtreding op dit punt. De sanctie betreft het intrekken van de examenlicentie voor twee jaren. De examens worden in dat geval afgelegd als staatsexamen onder verantwoordelijkheid van het College voor Examens. De school betaalt de kosten daarvan.
Het gemiddelde cijfer voor het centraal eindexamen ligt in alle vakken momenteel onder het niveau van het bekostigd voortgezet onderwijs, maar boven het niveau van het bekostigd volwassenen onderwijs. Een groot deel betreft een specifieke groep leerlingen die, naar het zich laat aanzien, qua leerlingkenmerken overeenkomt met de populatie deelnemers van het bekostigd vavo. Zoals het Onderwijsverslag aangeeft zijn bovendien de gemiddelde cijfers voor het centraal eindexamen de laatste drie jaar enigszins toegenomen.
Het Onderwijsverslag laat tevens zien dat de laatste drie jaar de verschillen tussen het gemiddelde cijfer voor het schoolexamencijfer en het eindexamencijfer voor de schoolsoorten mavo en havo onder de norm van «groot verschil» zijn gekomen en daarmee voldoen aan de gestelde eisen. Voor de schoolsoort vwo is ook een verbetering waarneembaar, maar deze ontwikkeling verloopt langzamer dan voor het mavo en het havo. Het toezicht op de vwo schoolsoort is in de meeste instellingen derhalve geïntensiveerd.
Betekent dit dat diploma’s in feite te koop zijn?
Neen, zie mijn antwoord op vraag 1. Ook deze leerlingen moeten er voor werken om de school succesvol te doorlopen.
Vindt u het acceptabel dat de examenkandidaten bij deze scholen met de aldus opgekrikte hogere cijfers meer kans maken ingeloot te worden bij studies?
Neen, en ook voor de kandidaten is dit niet wenselijk, aangezien de kans op uitval groot is. Daarom heb ik de Inspectie gevraagd, intensief toezicht te houden. De instellingen weten dat ze het risico lopen de licentie voor het afnemen van examens te verliezen.
Ziet u het als een oplossing als de betrokken particuliere scholen niet langer meer zelf de (school)examens afnemen en de leerlingen alleen nog maar mogen voorbereiden op een staatsexamen?
Als de scholen en instellingen die zelfstandig examen mogen afnemen en diploma’s uitreiken voldoende kwaliteit leveren en geen groot verschil hebben tussen het schoolexamen en centraal examencijfer, dan zie ik deze vorm van particulier onderwijs als een welkome aanvulling op het bestaande onderwijsaanbod.
Bent u van oordeel dat de LUZAC-colleges de problematiek van het grote gemiddelde verschil tussen schoolexamencijfers en centraal examencijfers al adequaat hebben verholpen? Zo nee, op welke punten laat hun aanpak nog te wensen over?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
De brief van de directeur-generaal Cultuur en Media gericht aan culturele instellingen van 16 september jl. |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief betreffende het «voornemen beëindiging subsidie per 1 januari 2013», welke op 16 september jl. is verstuurd door uw directeur-generaal Cultuur en Media aan diverse culturele instellingen in de basisinfrastructuur (BIS)?
Ja.
Klopt het dat de aangeschreven instellingen volgens dit schrijven tot vier weken na dagtekening van de brief de tijd hebben om een verzoek in te dienen tot wijziging van de aanwending van subsidie voor 2012?
Ja.
Deelt u de mening dat niet zomaar andere bestedingsdoelen voor de subsidies 2009–2012 kunnen worden bedacht, zonder dat de Kamer daarover heeft gesproken? Zo nee, waarom niet?
De brief biedt instellingen de mogelijkheid tot afspraken te komen om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zoveel mogelijk worden beperkt. De Kamer is hier over geïnformeerd in de brief Meer dan kwaliteit (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 1), die op 27 juni met uw Kamer is besproken: «Overigens kan met deze instellingen desgewenst ook worden gekomen tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zo veel mogelijk worden beperkt.» Ook in mijn brief van 25 augustus (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 42) heb ik uw Kamer meegedeeld dat deze instellingen in september worden bericht.
Heeft u over dit voornemen contact gehad met de medeoverheden? Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te nemen tot beantwoording van deze schriftelijke vragen?
Dit voornemen heb ik aangekondigd in de brief Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid(Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, p. 40). Over deze brief heb ik overleg gevoerd met de andere overheden. Voor 1 november ontvangt uw Kamer de beleidsregel frictiekosten. Op Prinsjesdag 2012 maakt het kabinet de individuele subsidiebesluiten bekend. De nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2013.
Het dreigende ontslag van een homoseksuele docent op een gereformeerde school |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over het dreigende ontslag van een homoseksuele docent op een gereformeerde school?1
Ja.
Is het waar dat deze docent geschorst is en ontslagen dreigt te worden vanwege zijn relatie met iemand van hetzelfde geslacht? Zo ja, wat is uw mening daarover? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het is waar dat deze leerkracht door het schoolbestuur is geschorst. Voor het overige kan ik hierover geen uitspraken doen omdat dit aan de rechter is.
Deelt u de mening dat mensen homoseksueel mogen «zijn» en mogen «doen»? Zo ja, hoe legt u dit uitgangspunt uit ten aanzien van de schorsing en het dreigende ontslag van een homodocent op een gereformeerde school?
Ja, die mening deel ik. Wat betreft uw tweede vraag merk ik op dat ik hierover geen uitspraak kan doen, aangezien het aan de rechter is om te oordelen over het besluit tot schorsing.
Is het voor u ook niet een doorn in het oog dat bijzondere scholen homoseksuelen mogen weigeren of ontslaan, terwijl iedereen gelijk behandeld dient te worden krachtens art.1 van de Grondwet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Er is sprake van een hardnekkig misverstand aangezien noch op een openbare school noch op een bijzondere school leraren of ander personeel geweerd of ontslagen mogen worden vanwege homoseksuele geaardheid of een homoseksuele relatie. Artikel 1 van de Grondwet is onder andere uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). De in artikel 5, tweede lid, onder c, van de Awgb opgenomen uitzondering laat niet toe dat onderscheid wordt gemaakt op grond van het «enkele feit» van homoseksueel zijn. Daaronder valt ook het hebben van een homoseksuele relatie en het samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht.
Deelt u de mening dat van het ontslaan van een homodocent vanwege zijn homoseksuele geaardheid en relatie ook een verkeerd signaal uitgaat voor leerlingen die nog uit de kast moeten komen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat op elke school in Nederland leerlingen uit de kast moeten kunnen komen en zichzelf moeten kunnen zijn. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat het ingevolge de Awgb niet is toegestaan aan scholen om een homoseksuele leerkracht of leerling te weren vanwege het enkele feit van zijn homoseksuele geaardheid of het hebben van een homoseksuele relatie. Minstens even belangrijk is dat pesten en discriminatie van leerlingen op welke grond dan ook onacceptabel is en dat geldt ook voor leerlingen die lesbisch, homoseksueel, biseksueel of transgender zijn (LHBT-leerlingen). Om die reden investeert het ministerie van OCW stevig in de sociale veiligheid op scholen, zoals beschreven in de brief «Veiligheid in en rond het onderwijs» van 28 februari 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 29 240, nr. 44).
Deelt u de mening dat gezien de hoge suïcidecijfers onder homojongeren (die vijf keer hoger liggen dan de cijfers van heterojongeren) het onwenselijk is dat er signalen worden afgegeven waaruit blijkt dat men beter niet voor zijn homoseksuele geaardheid kan uitkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat suïcide onder homojongeren een serieus probleem is, dat de volle aandacht verdient van dit kabinet. Vanuit VWS is er vanuit de beleidsverantwoordelijkheid voor het bevorderen van de seksuele gezondheid veel aandacht voor seksuele weerbaarheid, zeker waar het gaat om jongeren. Doel hiervan is onder andere dat jongeren hun wensen en grenzen op het terrein van seksualiteit durven aangeven – dat gaat dus ook om het uitkomen voor bijvoorbeeld homoseksualiteit – en dat anderen dat respecteren. Het ministerie van VWS voert daarnaast suïcidepreventiebeleid uit en brengt jaarlijks verslag uit aan de Tweede Kamer over de uitvoering van dit beleid door middel van de zogeheten Jaarrapportage Vermindering suïcidaliteit. In aanvulling op dit beleid van VWSheb ik recent besloten om een subsidie te verlenen aan Movisie, het COC en Schorer om de weerbaarheid van LHBT-jongeren te vergroten en zo suïcidaal gedrag te voorkomen.
Deelt u de mening dat het ontslaan van een homodocent op basis van seksuele geaardheid een verkeerd signaal is naar homoseksuele leerlingen die acceptatie zoeken in hun omgeving en met name op school? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe veilig zullen homojongeren zich op school voelen, indien homoseksuele docenten niet worden geaccepteerd op bijzondere scholen?
Uiteraard is het belangrijk dat ook homoseksuele jongeren het gevoel hebben dat zij zichzelf kunnen zijn. In dat licht bezien biedt de enkele feit-constructie ook hen rechtsbescherming. Daarnaast vind ik het belangrijk dat schoolbesturen ook actief uitdragen en bevorderen dat docenten veilig hun werk kunnen doen en niet gepest of geïntimideerd worden op welke grond dan ook. Dit geldt zeker ook voor LHBT-docenten en jongeren. Zie in dat kader ook het antwoord op vraag 5.
Gaat het kabinet prioriteit geven aan de acceptatie en veiligheid van homoseksuelen of aan het tegengaan van de mogelijkheid van het bijzonder onderwijs om homodocenten te discrimineren?
Ook in het bijzonder onderwijs mogen homoseksuele leerkrachten niet gediscrimineerd worden. Zie ook het antwoord op vraag 4. Het kabinet heeft in het regeerakkoord opgenomen dat het de emancipatie van LHBT-ers wil bevorderen en daartoe concreet beleid zal ontwikkelen. Dat geldt niet alleen voor de acceptatie en veiligheid van LHBT-ers op scholen, maar ook voor die van LHBT-ers op straat en in wijken. In de hoofdlijnenbrief emancipatie (Kamerstukken II, 2010/11, 27 017, nr. 74) staan de beleidsintenties op dit punt helder beschreven. Binnenkort zal ik u via de toegezegde voortgangsrapportage emancipatie nader informeren over de uitvoering daarvan.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van de enkel-feitconstructie? Wanneer kunnen we dit standpunt verwachten?
Tijdens de behandeling van wetsvoorstel 31 832 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens mij aangegeven dat het kabinet met een standpunt komt over de enkele feit-constructie, uiterlijk in het kader van de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel dat ertoe strekt, de enkele feit-constructie uit de Awgb te schrappen (wetsvoorstel 32 476 van Van der Ham c.s. ingediend op 7 september 2010). Daarbij zullen ook het tekstvoorstel van het vorige kabinet en de uitkomst van de internetconsultatie over het concept-wetsvoorstel Integratiewet Awgb worden betrokken.
Het bericht dat tweeverdieners veel minder hypotheek krijgen |
|
Eric Lucassen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Roep om meer hypotheek, jonge tweeverdieners dupe strengere regels»?1
Ja.
Is het waar dat jonge tweeverdieners veel minder hypotheek kunnen krijgen dan een eenverdiener met eenzelfde inkomen? Acht u dit wenselijk?
Uit de huidige Nibud methodiek volgt dat bij een hoger inkomen een hoger percentage van het inkomen mag worden uitgegeven aan woonlasten, dat percentage wordt het financieringslastenpercentage genoemd. In de Nibud methodiek wordt voor tweeverdieners het financieringslastenpercentage van het hoogste bruto inkomen genomen en vervolgens toegepast op het gezamenlijke bruto inkomen. Dat leidt ertoe dat tweeverdieners in absolute zin doorgaans een lagere leencapaciteit hebben dan een eenverdiener met eenzelfde inkomen. Het Nibud heeft hiertoe in het verleden besloten omdat bij tweeverdieners een groot deel van de verdiencapaciteit van het huishouden wordt verbruikt. Bij eenverdieners heeft de partner over het algemeen immers nog de mogelijkheid om extra inkomen te verwerven. Daarmee is voor die groep de mogelijkheid beperkt om een inkomensdaling of uitgavenstijging op te vangen door meer arbeid te verrichten. Bovendien bestaat bij tweeverdieners bijvoorbeeld ook het risico dat een stel uit elkaar gaat. Het inbouwen van een extra buffer bij tweeverdieners is dan ook wenselijk.
Daarbij ben ik wel van mening dat de buffer in verhouding moet staan tot de risico’s. Over een verantwoorde verruiming op dit punt zijn wij momenteel in gesprek met het Waarborgfonds Eigen Woningen en het Nibud. Wij zullen de Tweede Kamer hierover op korte termijn nader informeren.
Is dit het gevolg van strengere regels voor hypotheekverstrekking? Zijn hier afspraken over gemaakt tussen de verschillende hypotheekverstrekkers?
Indien u doelt op de nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen kan ik u mededelen dat de methodiek op dit punt niet is aangepast. Ook bij de oude Gedragscode Hypothecaire Financieringen werd op deze manier omgegaan met tweeverdieners.
Ziet u kans deze vragen te beantwoorden voor aanvang van de Algemene Financiële Beschouwingen?
Ja.
Spoorverbindingen vanuit Brabant richting Antwerpen |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geen treinverbinding meer vanuit Brabant naar België in 2012»?1 Klopt het dat met ingang van 11 december 2011 er geen directe intercity of HSL-verbinding meer is vanuit Noord-Brabant met België?
Ik ken de berichtgeving waar u naar verwijst. De stelling dat er geen intercity of HSL-verbinding zal zijn vanuit Noord-Brabant per 11 december 2011 is niet juist. De Beneluxtrein zal blijven rijden totdat de Fyra-dienst Amsterdam – Brussel 16 keer per dag per richting rijdt. Dit betekent dat de Beneluxtrein in ieder geval tot de zomer van 2012 blijft rijden.
Hoe rijmt u dit met de toezegging van uw voorganger dat de Beneluxtrein zal blijven rijden zolang er nog geen alternatief is over de HSL-Zuid?
De Beneluxtrein zal blijven rijden totdat de Fyra Amsterdam – Brussel 16 keer per dag per richting over de HSL-Zuid rijdt. Daarnaast zet ik mij, zoals eerder aan uw Kamer gemeld, in om een nieuwe verbinding tussen Noord-Brabant en België te realiseren wanneer NS en NMBS stoppen met de Beneluxtrein.
Deelt u de mening dat de Beneluxtrein niet mag verdwijnen voordat er een HSL-verbinding vanuit Breda aangeboden wordt aan de reiziger en dat alleen het alternatief van een stoptreinverbinding vanuit Roosendaal onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de Beneluxtrein rijdt op basis van een samenwerkingsverband tussen NMBS en NS, heb ik formeel geen bevoegdheid over deze treinverbinding. Hierdoor kan ik de vervoerders moeilijk dwingen om de Beneluxtrein te behouden. Ik zet mij in de gesprekken met de betrokken partijen (NMBS, NS en Belgische Staat) in om op korte termijn een snelle treinverbinding tussen Noord-Brabant en België te realiseren.
Bent u bereid in overleg te gaan met NS om de Beneluxtrein per 11 december 2011 in ieder geval voor het zuidelijke deel van het traject tussen Noord-Brabant en België te behouden zolang er geen goede oplossing is gevonden?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Wat is de stand van zaken van uw overleg met de Belgische autoriteiten en de Belgische spoorwegen (NMBS) over de realisatie van de verbinding Den Haag-Breda-Brussel?
Ik zal eind dit jaar opnieuw overleg voeren met mijn Belgische collega waar ik ook duidelijkheid wil krijgen over deze verbinding. Zoals ook in het Algemeen Overleg van 11 oktober jl. toegezegd, zal ik u daarna schriftelijk informeren over deze verbinding.
Het bericht dat Nederland een gezamenlijk EU-standpunt over het Midden-Oosten blokkeert |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nederland blokkeert gezamenlijk EU-standpunt Midden-Oosten»?1
Ik heb er kennis van genomen.
Klopt het dat het overleg over het gezamenlijke standpunt werd afgebroken omdat vooral Nederland dwars zou liggen?
Net als een aantal andere EU-lidstaten heeft Nederland meerdere keren concrete tekstvoorstellen gedaan voor een evenwichtige EU-verklaring. Op het moment dat de verklaring zou worden afgegeven was er nog geen consensus over deze voorstellen, waardoor de EU niet tot een gemeenschappelijke verklaring kon komen.
Klopt het dat de Nederlandse afgevaardigde persoonlijk door u werd geïnstrueerd om de verklaring niet te steunen?
Nee, instructieverlening vond plaats langs reguliere ambtelijke lijnen.
Klopt het dat de Nederlandse afgevaardigde een uur voordat het formele debat in Geneve begon aangaf dat Nederland de Europese verklaring niet kon steunen?
Nee, het formele debat was al begonnen toen definitief bleek dat EU-consensus niet mogelijk was.
Klopt het dat Nederland niet gelukkig was met «bepaalde formuleringen uit de verklaring, zoals het veelvuldig noemen van de «tweestatenoplossing»? Zo ja, waarom vond u dit onwenselijk?
De tweestatenoplossing is staand Nederlands beleid. De concepttekst van de EU-verklaring was echter niet evenwichtig en sloot niet aan op de inhoudelijke ontwikkelingen van het EU-overleg in New York tijdens de lopende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De concepttekst stond op gespannen voet met het doel om tot hervatting van deze onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen te komen.
Zoals bekend hecht de Nederlandse regering zeer aan het bereiken van de tweestatenoplossing door middel van onderhandelingen gebaseerd op de zgn EU-parameters:
Klopt het dat u het onwenselijk vond dat de verklaring melding maakte van de arrestatie door Israël van demonstrerende mensenrechtenactivisten?
Nederland wilde deze kwesties via tekstsuggesties evenwichtiger tot uitdrukking gebracht zien. De wijze waarop de positie van mensenrechtenverdedigers in Israël en de Palestijnse Gebieden werd gepresenteerd, deed geen recht aan de mogelijkheden binnen het Israëlisch rechtsstelsel. Ook de verwoording van de onrechtmatige huizensloop op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem was onevenwichtig.
Nederland beschouwt de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem als illegaal. Op 28 september jl. heb ik een verklaring afgegeven waarin ik het besluit om 1 100 nieuwe wooneenheden in Oost-Jeruzalem te bouwen betreur, omdat het contraproductief is voor het vredesproces. Ik heb de Israëlische regering opgeroepen dit besluit terug te draaien.
Klopt het dat u de afbraak van Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever niet in de verklaring wilde hebben?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u het optreden van Nederland in dit besluitvormingsproces constructief? Zo ja, kunt u uiteenzetten waarom?
Ja. De Nederlandse tekstsuggesties werden door een aantal EU-lidstaten gesteund. Nederland houdt onverkort vast aan de noodzaak van hervatting van de onderhandelingen gericht op een tweestatenoplossing op basis van de bovenstaande EU-parameters. Zoals ik in mijn toespraak voor de AVVN heb gezegd en ook in rechtstreekse gesprekken met premier Netanyahu en president Abbas heb benadrukt, moet het devies zijn: onderhandelen, onderhandelen, onderhandelen.
Bent u, vanwege de urgentie van de vragen en de dynamiek van dit EU-overleg en de dynamiek van de vredesproces, bereid deze vragen binnen 48 uur te beantwoorden?
Ja.
De abortuspil |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Abortuspil wel degelijk veilig»1 en «Minister van VWS geeft onjuiste informatie over veiligheid gebruik abortuspil»?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat uit deze artikelen blijkt dat de organisatie Women on Waves het niet eens is met het standpunt van aangehaalde gynaecologen en van u, dat de via internet aan te schaffen abortuspil onveilig is? Kunt u toelichten wat de onderbouwing is van uw standpunt dat gebruik van de abortuspil bij ondeskundig gebruik zonder medische begeleiding zeer gevaarlijk is? Ligt hier wetenschappelijk onderzoek aan ten grondslag?
In het artikel «Abortuspil wel degelijk veilig» van nu.nl reageert de organisatie Women on Waves op de woorden van voorzitter Gabie Raven, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA), dat vrouwen die de abortuspil zonder begeleiding van een arts via internet bestellen een risico lopen op complicaties.
Ik vind het onwenselijk dat vrouwen die ongewenst zwanger zijn een abortuspil via internet aanschaffen zonder een professional geraadpleegd te hebben. Bij professionele begeleiding krijgen vrouwen immers gedegen voorlichting bij de beslissing om al dan niet voor een abortus te kiezen. Indien een vrouw besluit tot afbreking van de zwangerschap, wordt met een echo de zwangerschapsduur bepaald. Vervolgens kan de vrouw de abortuspil verkrijgen en deze thuis gebruiken. Bij eventuele complicaties zoals hevig bloedverlies kan zij terugvallen op professionele hulpverlening. Tot slot kan worden gecontroleerd of de abortus ook werkelijk is bewerkstelligd.
Het NGvA en de farmaceutische fabrikanten geven aan dat deze abortuspillen alleen mogen worden ingenomen om zwangerschappen tot de negende week af te breken, omdat daarna het risico op complicaties toeneemt. Omdat bij thuisgebruik van de via internet aangeschafte abortuspillen geen echo wordt gemaakt, kan de vrouw niet precies weten hoeveel weken ze zwanger is. Hoe later de pillen worden ingenomen hoe groter de kans op ernstige bloedingen en dat de zwangerschap niet werkelijk is afgebroken. Als blijkt dat de zwangerschap toch is doorgegaan, zijn er aanwijzingen dat er een verhoogd risico op afwijkingen bij het kind bestaat.
Bij het bestellen van medicijnen via internet loopt men bovendien het gevaar medicijnen aan te schaffen, die in werkelijkheid andere stoffen bevatten dan is voorgesteld en daarmee gezondheidsrisico’s met zich mee brengen.
Het ministerie van VWS voert daarom beleid om mensen te informeren en bewust te maken van risico’s van het bestellen van medicijnen via internet. Op de website internetpillen.nl van het ministerie is een waarschuwing geplaatst over de risico’s van het via internet bestellen van abortuspillen en wordt gewezen op de bestaande laagdrempelig toegankelijke abortushulpverlening in Nederland.
Heeft u gelezen dat de organisatie Women on Waves het volgende stelt: «Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat medicamenteuze abortus in de thuissituatie veilig is, ook als deze via het internet is verschaft»? Heeft u het aangehaalde wetenschappelijk onderzoek betrokken bij uw standpuntbepaling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom komt u dan toch tot de conclusie dat gebruik in de thuissituatie onveilig is?
Ik stel het wetenschappelijk onderzoek dat heeft bewezen dat medicamenteuze abortus in de thuissituatie veilig is niet ter discussie. Binnen het kader van de Nederlandse abortushulpverlening wordt gebruik van de abortuspil in de thuissituatie immers ook toegepast. De abortuspil op zich hoeft dus niet onveilig te zijn, maar gebruik ervan zonder professionele begeleiding brengt risico’s met zich mee. Voor mij staat veilige abortushulpverlening aan de vrouw voorop en deze kan niet worden gegarandeerd bij gebruik van abortuspillen besteld via internet.
Bent u in het licht van de tegenstelling tussen het standpunt van Women on Waves en Nederlandse gynaecologen bereid te onderzoeken wat de voor- en nadelen zijn van medicamenteuze abortus bij gebruik in de thuissituatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid daarbij gebruik te maken van reeds bestaand wetenschappelijk onderzoek en kennis bij verschillende partijen in het veld?
Ik zie geen noodzaak voor een onderzoek naar de voor- en nadelen van medicamenteuze abortus bij gebruik in de thuissituatie, omdat hier al uitgebreid onderzoek naar gedaan is. Van belang is dat het niet wenselijk is dat vrouwen de abortuspil gebruiken zonder professionele begeleiding (zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 2). In de Wet afbreking zwangerschap staan voorschriften die de kwaliteit van de medische behandeling en zorgvuldige besluitvorming moeten waarborgen.
De IGZ houdt toezicht op het uitvoeren van abortussen door abortusklinieken en de ziekenhuizen met een WAZ-vergunning. Medicamenteuze abortus in de thuissituatie zonder professionele begeleiding biedt de vrouw onvoldoende garantie voor een zorgvuldige behandeling en brengt derhalve reële gezondheidsrisico's met zich mee.
De praktijken van privékliniek Geertgen uit Elsendorp |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over de privékliniek Geertgen, die mensen die zwanger willen worden of een kind willen, aanzet tot donorschap?1
De kliniek Geertgen past aldus de website waarnaar deze vraag verwijst, een systeem van coöperatieve wederkerigheid toe.
Onlangs heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) haar standpunt «Gameetdonatie in een systeem van faire wederkerigheid» uitgebracht. In dit standpunt geeft de NVOG in haar conclusie aan (zie hiervoor ook www.nvog.nl) dat terughoudendheid is geboden omdat het een kwetsbare patiëntengroep betreft, deze stellen zich in een afhankelijkheidspositie bevinden en daarmee de vraag rijst of zij wel in volledige vrijheid een beslissing kunnen nemen over eventuele gameetdonatie. De NVOG is daarom van mening dat er procedurele waarborgen moeten komen om deze vrijheid te garanderen. Zolang deze waarborgen ontbreken meent de NVOG dat medewerking aan spiegeldonatie van gameten in een systeem van faire wederkerigheid onzorgvuldig en derhalve ongewenst is.
Ik waardeer het initiatief van de NVOG tot het opstellen van een standpunt over een dergelijk gevoelig onderwerp. Het standpunt roept echter, juist waar het gaat over de vraag in hoeverre mensen in deze situatie in vrijheid kunnen beslissen, nog veel vragen op. Tegelijkertijd zien we dat de problemen door draagmoederschap in het buitenland, waarnaar steeds meer Nederlandse stellen hun toevlucht zoeken, toenemen. Daarom wil ik mij beraden op deze problematiek. Ik zal de Kamer in het eerste kwartaal van 2012 een bredere analyse schetsen en mijn standpunt hierover doen toekomen. Deze tijd neem ik omdat grote zorgvuldigheid op dit onderwerp is vereist, mede gezien de samenhang met andere vraagstukken rondom donatie.
Vindt u het geoorloofd dat mensen, waarbij een grote kinderwens bestaat, zo tot een handelwijze worden gedwongen waar de privékliniek voordeel aan heeft doordat deze kliniek extra behandelingen kan verrichten? Is dit geen misbruik maken van de moeilijke situatie waarin deze mensen verkeren?
Zie antwoord vraag 1.
Wat uw oordeel over het volgende geval waarbij een patiënt door Geertgen een medisch zwaardere behandeling krijgt aangeboden als zij eicellen doneert terwijl een lichtere ingreep op medische gronden is geïndiceerd?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de financiële voordelen voor deze privékliniek bij deze handelwijze?
Meer behandelingen zal leiden tot een hoger omzet voor de kliniek. Ik heb er geen zicht op of en in hoeverre dat leidt tot financieel voordeel.
Past deze handelwijze binnen de Nederlandse wetgeving, zeker ook gezien het feit dat deze kliniek geen vergunning heeft voor In Vitrofertili-satie (IVF) behandelingen?3 Zo neen, wat gaat u daartegen ondernemen?
De ivf-vergunning regelt niets over eiceldonatie. De vraag of de handelswijze van Geertgen past binnen de Nederlandse wetgeving en in het bijzonder binnen artikel 5 Embryowet, maakt onderdeel uit van mijn beraad.
Is de handelwijze van Geertgen niet in strijd met artikel vijf van de Embryowet?3
Zie antwoord vraag 5.
Wat voor personeelsleden werken bij Geertgen? Zijn zij bevoegd? Is er sprake van dat zij ooit te maken hebben gekregen met een of andere tuchtmaatregel als waarschuwing, berisping, boete, schorsing of doorhaling?
Op de website van de kliniek Geertgen wordt aangegeven dat er verschillende disciplines in het centrum werken, waaronder gynaecologen, een embryoloog en verpleegkundigen. Voor alle artsen van Geertgen is nagegaan of zij een BIG-registratie hebben dan wel of er een doorhaling is opgelegd door een tuchtcollege voor de gezondheidszorg. Bovendien is nagegaan of deze personeelsleden beperkingen zijn opgelegd in de zin van schorsing, opleggen van voorwaarden of gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid. Hieruit is gebleken dat de artsen werkzaam bij de kliniek Geertgen over een BIG-registratie beschikken. Aan geen van hen is een beperking opgelegd. De persoonsgegevens van de verpleegkundigen op de website zijn te beperkt om gegevens in het BIG-register te kunnen vinden. Ik zie geen aanleiding nadere onderzoekingen te doen om die gegevens alsnog te achterhalen.
Is het waar dat Geertgen bepaalde behandelingen in het buitenland (België) laat doen om de Nederlandse wetgeving te ontduiken? Zo ja, om welke behandelingen gaat het dan en wat is daarover uw oordeel?
Op grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (WBMV) is het buiten het menselijk lichaam tot stand brengen van embryo’s vergunningplichtig. Dit is de verrichting die Geertgen in Düsseldorf laat uitvoeren, omdat de kliniek zelf geen vergunning heeft voor het verrichten van deze handeling.
Geertgen overtreedt daarmee niet de WBMV.
Klopt het dat het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven de samenwerking met Geertgen heeft opgezegd? Zo ja, wat was daarvan de reden?
Ik heb niet bij Geertgen navraag gedaan naar de redenen voor het beëindigen van de samenwerking met het Catharina ziekenhuis en vind dat ook niet op mijn weg liggen.
Wat is het oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg ten aanzien van zowel kwalitatieve als ethische aspecten van de behandelingen van Geertgen?
De IGZ volgt de kliniek Geertgen al vele jaren, daarbij uiteraard toetsend aan alle relevante wetgeving. Recent contact met Geertgen heeft ertoe geleid dat de IGZ Geertgen heeft aangesproken op het ontbreken van externe kwaliteitstoetsing. Geertgen heeft tot december 2011 de tijd gekregen om dit op orde te brengen. Buiten dit heeft de IGZ geen andere feiten geconstateerd die aanleiding gaven tot maatregelen. Vanzelfsprekend blijft de IGZ de betreffende kliniek in de gaten houden, net als zij dat bij andere zorginstellingen doet.
Wat is het standpunt van de beroepsvereniging, de Nederlandse Vereniging van Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), in deze?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3.
Deelt u de mening, dat wanneer het gaat om verzekerde zorg, slechts medische redenen doorslaggevend mogen zijn bij de behandeling van patiënten en dat iedereen op zijn of haar beurt moet wachten tenzij er sprake is van een medische noodsituatie, dus dat voorkruipzorg uit den boze is? Wilt u uw standpunt toelichten?
Ik sta op het standpunt dat medische criteria leidend moeten zijn bij het bepalen van de behandelvolgorde in geval van begrensde behandelmogelijkheden. Dit vloeit ook voort uit de Kwaliteitswet zorginstellingen die bepaalt dat aanbieders gehouden zijn verantwoorde zorg te leveren. Op de vraag in hoeverre dit standpunt voor de vragen over Geertgen relevant is kom ik terug in mijn hierboven toegezegde standpunt.
Ook de in de vraag gebruikte term voorkruipzorg lijkt niet erg van toepassing. Die term is enige jaren geleden ontstaan vanuit situaties waarin verzekeraars met ziekenhuizen afspraken hadden gemaakt over een snelle behandeling voor de eigen verzekerden en situaties met bedrijvenpoli die een snelle behandeling van werknemers in het vooruitzicht hadden gesteld.
Mogelijk zijn wel bepaalde elementen uit de discussies over voorkruipzorg bij het systeem dat Geertgen hanteert aan de orde. Ik zal hierop terugkomen in mijn standpunt.
Bent u bereid in te grijpen bij Geertgen? Zo neen, waarom niet? «Een maatschappelijk vernieuwend beleid door coöperatieve wederkerigheid tussen Behandelcentrum Geertgen en de patiënt in donatie van geslachtscellen»
De beoordeling of er reden is in te grijpen bij Geertgen laat ik aan de IGZ over. Het antwoord op vraag 10 geeft wat dit betreft de stand van zaken weer.
«Een maatschappelijk vernieuwend beleid door coöperatieve wederkerigheid tussen Behandelcentrum Geertgen en de patiënt in donatie van geslachtscellen»
Een paar met een onvervulde kinderwens, veroorzaakt door een ernstige oligozoöspermie, bezoekt het spreekuur van een fertiliteitscentrum. Ze willen gaan voor donorinseminatie met onbekende donor en niet voor ICSI, een variant van IVF.
Het IVF centrum heeft geen donorbank en daarom maken zij een afspraak in Geertgen. Zij willen gaan voor inseminatie met donorzaad, maar krijgen daar te horen dat ze eerder behandeld kunnen worden zonder wachtlijst, als zij bereid is ook eicellen af te staan. Het afstaan van eicellen kan niet tijdens een inseminatie behandeling en daarom wordt IVF aangeraden. Daarbij kun je de helft van de eicellen gebruiken voor eigen voortplanting met donorzaad en kun je de andere helft doneren. Het paar wil graag snel door met de behandeling en kiest daarom voor de optie van IVF met donorzaad, waarbij de vrouw een deel van de eicellen doneert aan derden. Daartoe moet ze dus wel IVF ondergaan en niet de eenvoudigere behandeling «inseminatie». Eigenlijk ondergaat ze dus een zwaardere en duurdere behandeling (IVF) terwijl medisch gezien er slechts een indicatie bestaat voor de goedkopere en minder belastende behandeling (IUI). Dat vooral dus omdat ze daarmee de wachtlijst ontloopt.
Het opzeggen van pachtcontract door Staatsbosbeheer |
|
Paulus Jansen , Henk van Gerven |
|
Klopt het dat Gijs en Ans Evers uit Baarn gedwongen hun boerderij dreigen te moeten verlaten omdat Staatsbosbeheer hen wil ontpachten wegens het laten grazen van IJslandse paarden?
Landgoed Groeneveld is een rijksmonument met een uniek voorbeeld van Engelse landschapsstijl in Nederland. Deze landschapsstijl vereist dat een landschap van bos, weide en waterpartijen als symbool voor de band tussen mens en natuur kan worden beleefd. Daar hoort ook bij dat er zo min mogelijk hekken en zo min mogelijk verstoring plaats vindt om de vredige beelden (grazers, dichte bosranden, verstilde vijvers e.d.) te kunnen beleven.
Het houden van paarden leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, een toename van het aantal hekken op het landgoed, beschadiging van de graszode door zeer intensieve betreding door de paarden en tot beschadiging van solitaire bomen. Staatsbosbeheer is van mening dat met het houden van paarden de essentie van het gecreëerde landschap en daarmee het rijksmonument wordt ondermijnd. De karakteristieke eigenschappen van het landgoed Groeneveld zijn ook vastgelegd in het bestemmingsplan van de gemeente Baarn
De heer Evers pacht gronden van Staatsbosbeheer op landgoed Groeneveld. Hij heeft in 2004 de wens te kennen gegeven bij derden in eigendom zijnde IJslandse paarden op zijn gepachte gronden te stallen.
Staatsbosbeheer heeft toen geen toestemming gegeven voor het houden van paarden. Bovendien was en is het houden van paarden in strijd met het bestemmingsplan van de gemeente Baarn.
Ondanks dat de heer Evers geen toestemming heeft gekregen van Staatsbosbeheer en handelde in strijd met het bestemmingsplan is de heer Evers wel paarden gaan houden. Er is sindsdien veelvuldig gecommuniceerd met de heer Evers en gezocht naar alternatieven om de heer Evers zijn bedrijf continuïteit te geven. De heer Evers hield vast aan de paarden en heeft het aantal zelfs uitgebreid. Bovendien is er een groot stuk grond verhard, staan er vele trailers, is er een toename van het aantal over het landgoed ongewenste verkeersbewegingen en is er illegaal een uitrijbak aangelegd. Al deze paardenactiviteiten zijn in strijd met de pachtovereenkomst tussen Staatsbosbeheer en de heer Evers.
De gemeente Baarn heeft op 2 maart 2011 een handhavingsbesluit (last onder dwangsom) genomen, wegens voornoemde strijdigheid met het bestemmingsplan. De heer Evers dient op grond van dat besluit de paarden uiterlijk 1 januari 2012 te hebben verwijderd. Tegen dit besluit heeft de heer Evers beroep aangetekend
De rechtbank van Utrecht (pachtkamer) heeft op 22 juni 2011 uitspraak gedaan: pachtontbinding. De rechtbank heeft de heer Evers veroordeeld alle onroerende zaken uiterlijk 1 januari 2012 te ontruimen en te verlaten. Eveneens moet het gepachte weer in goede staat worden hersteld. Tegen dit vonnis heeft de heer Evers ook hoger beroep ingesteld. Staatsbosbeheer heeft met familie Evers afgesproken dat zij hangende het hoger beroep de boerderij nog niet hoeft te ontruimen per 1 januari 2012, maar dat de paarden wel per die datum weg moeten zijn, want Staatsbosbeheer kan de datum in het handhavingsbesluit van 2 maart 2011 niet veranderen.
Welke criteria worden er gehanteerd alvorens over te gaan tot ontpachten? Hoe zijn deze regels in dit geval toegepast? Welke landschappelijke en natuurbelangen zijn er in welke mate in het geding en welke negatieve gevolgen zijn er nu al aanwijsbaar?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het opzeggen van het pachtcontract een proportionele maatregel in dergelijke gevallen? Wat is uw beleid in zake ontpachten? Bent u het ermee eens dat het opzeggen van het pachtcontract een uiterste maatregel is die alleen in extreme gevallen moet worden ingeroepen?
Als gezamenlijk overeengekomen afspraken uit een pachtovereenkomst stelselmatig niet worden nagekomen en ook na aandringen er geen verbetering op treedt, dan kan Staatsbosbeheer als uiterste maatregel bij de rechter vragen om een pachtovereenkomst te ontbinden. Naar mijn mening was daar in dit geval sprake van. Staatsbosbeheer is daarbij zorgvuldig te werk gegaan. Dit is iets waar overigens ook de pachtrechter naar heeft gekeken.
Is er serieus werk gemaakt van de mogelijkheid om via bemiddeling tot een constructieve oplossing te komen voor de betreffende pachter en voor Staatsbosbeheer?
Staatsbosbeheer heeft van het begin af aan aangegeven dat het houden van paarden geen optie is. Er is uitgebreid contact geweest tussen Staatsbosbeheer en de heer Evers over andere mogelijkheden om op het landgoed een levensvatbaar bedrijf te ontwikkelen, dat niet ten koste van het landgoed zou gaan. De heer Evers zelf heeft de gesprekken beëindigd. Staatsbosbeheer heeft geen ander voorstel van de heer Evers ontvangen dan toch door te gaan met paarden of het om niet krijgen van veel melkrechten.
Wordt er bij dergelijke beslissingen rekening gehouden met individuele omstandigheden, zoals in dit geval het feit dat het bedrijf niet levensvatbaar kan zijn met alleen 23 koeien en dat uitbreiding met koeien niet wordt toegestaan? Klopt het dat de stalling van IJslandse paarden overgenomen is van de buurman en dat er netto dus weinig veranderd is qua paardenactiviteit in het gebied?
Ja, bij dergelijke beslissingen wordt naast de overeengekomen afspraken in het pachtcontract rekening gehouden met individuele omstandigheden. Om die reden heeft Staatsbosbeheer meegedacht over mogelijkheden om op het landgoed een levensvatbaar bedrijf te ontwikkelen.
Het klopt dat een deel van de IJslandse paarden, zij het veel geringer in aantal, is overgenomen van de buurman. Dat de buurman tijdelijk paarden hield (in de periode 2000–2005) werd gedoogd, gezien de gezondheidsomstandigheden van de buurman, waarbij ook meespeelde dat het vlak voor de pensionering en het vertrek van het landgoed was van de buurman. Bekend was – ook bij de heer Evers – dat het houden van paarden daarna afgelopen zou zijn op het landgoed. Er was geen sprake van een gelijk geval dat gelijk behandeld zou moeten worden. Zo oordeelde ook de rechter in het vonnis van 22 juni 2011.
Bent u van mening dat het in zijn algemeenheid gewenst is dat in de ambtenarij, de uitvoerende organisaties en de zelfstandige bestuursorganen een mensgerichte cultuur wordt gecultiveerd en geen regeltjescultuur? Wat doet u om klantgerichtheid te bevorderen bij de uitvoeringsorganisaties?
Ja. Ik vind het van belang dat bij besluiten een goede afweging wordt gemaakt tussen de vaak tegenstrijdige belangen. Daarbij behoort natuurlijk de menselijke maat gehanteerd te worden. Ik ben van mening dat dit bij de heer Evers is gebeurd. Er kan naar mijn mening niet worden gesteld dat er in algemene zin iets mis is met de klantgerichtheid van Staatsbosbeheer.
Wat doet Staatsbosbeheer aan klanttevredenheidsonderzoek en klanttevredenheidsbevordering?
Staatsbosbeheer onderzoekt steekproefsgewijs de tevredenheid van stakeholders. De resultaten daarvan worden gebruikt om verbeteringen in de dienstverlening door te voeren.
Het bericht ‘Medicijnkastjes ouderen jaarlijks doorgelicht’ |
|
Fleur Agema (PVV), Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medicijnkastjes ouderen jaarlijks doorgelicht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de resultaten van het onderzoek dat uitgevoerd is in Groningen? Klopt het dat ouderen onnodig medicijnen voorgeschreven kregen?
Ik heb uit dit onderzoek opgemaakt dat de resultaten van een betere monitoring van deze patiëntengroep zowel positief kunnen worden beoordeeld uit het oogpunt van doelmatigheid als van medicatieveiligheid. Dergelijke goede uitkomsten waren er ook al eerder. Zij zijn voor mijn ambtsvoorganger in 2007 aanleiding geweest om de uitvoering van een periodieke medicatiebeoordeling (medication review) onder verzorgingshuisbewoners te stimuleren.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de landelijke gegevens? Als deze u niet bekend zijn, bent u dan bereid dit onderzoek landelijk uit te laten voeren? Zo nee, kunt u toelichten waarom u hier niet toe bereid bent?
Ik beschik niet over dergelijke specifieke onderzoeksresultaten op landelijk niveau. Ik zie echter geen reden om aan te nemen dat een dergelijk resultaat in een andere regio niet te verwachten is. Ik beschik wel over landelijke resultaten op het terrein van (potentieel) vermijdbare ziekenhuisopnames, veroorzaakt door verkeerd geneesmiddelengebruik (Hospital Admissions Related to Medication, verder te noemen HARM-studie). Dit onderzoek gaf inzicht in de grootste risicofactoren die kunnen leiden tot ziekenhuisopnames. Als belangrijke risicofactoren kwamen hier onder andere naar voren polyfarmacie, een leeftijd boven de 65 jaar en het niet zelfstandig wonen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft mijn ambtsvoorganger verbeteringen gestimuleerd. Dit onderzoek naar vermijdbare ziekenhuisopnames wordt herhaald. De uitkomsten daarvan verwacht ik begin 2012. Ik zal de Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat het onnodig voorschrijven van medicijnen grote gezondheidsrisico’s voor de patiënt met zich meedraagt? Welke gevolgen kan het onnodig gebruik van medicijnen hebben voor oudere patiënten?
Ik onderschrijf de opvatting dat het onnodig voorschrijven van medicijnen grote gezondheidsrisico’s voor de patiënt met zich mee kan brengen, zeker ook bij ouderen. Tegelijkertijd moet niet onderschat worden dat ook onderbehandeling grote risico’s met zich mee kan brengen. Ik verwacht dat de multidisciplinaire richtlijn «Polyfarmacie bij ouderen: naar een beter medicatiebeleid» (die ontwikkeld wordt door het NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) in samenwerking met de NVKG (Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie), de OMS (Orde van Medisch Specialisten), Verenso (Beroepsvereniging van Verpleeghuisartsen en Sociaal Geriaters), LEVV (Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging), IVM (Nederlands Instituut Voor Verantwoord Medicijngebruik) en KNMP (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie) zal bijdragen aan een betere en gerichtere afweging door de betrokken beroepsgroepen in hun voorschrijfgedrag.
Het doel van deze richtlijn is te komen tot een eenduidig begrippenkader, tot gezondheidszorgbrede afspraken over communicatie en regie bij de behandeling en begeleiding van ouderen met polyfarmacie en afspraken over de indicatiestelling voor en de inhoud van de medicatiebeoordeling. Deze richtlijn zal bijdragen aan het veiliger en doelmatiger inzetten van medicatie bij ouderen met complexe problematiek en zal daarmee de risico’s van onbedoelde schade door polyfarmacie reduceren. De totstandkoming van deze richtlijn verwacht ik nog in 2011.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat huisartsen het medicijngebruik van hun oudere patiënten niet goed controleren?
Het is ondenkbaar dat een arts zou kunnen volstaan met het slechts een keer per jaar controleren van het medicijngebruik van hun oudere patiënten. In elk geval bij elk moment van voorschrijven van medicatie dient de (huis)arts zich ervan te vergewissen dat het voor te schrijven geneesmiddel verantwoord is, gezien de individuele situatie van de patiënt en de mogelijk andere voorgeschreven geneesmiddelen. Daarbij zal ook nagegaan moeten worden of de patiënt nog andere geneesmiddelen slikt (bijvoorbeeld zelfzorggeneesmiddelen) en zal nagevraagd moeten worden of deze middelen ook daadwerkelijk door de patiënt worden gebruikt. De arts zal voor een goede beoordeling moeten beschikken over een actueel medicatieoverzicht, aanvullende informatie vanuit de patiënt is daarbij onmisbaar. Een uitgebreide beoordeling van de medicatie (en mogelijke bijwerkingen van deze middelen) is aangewezen bij oudere patiënten die meer dan vijf geneesmiddelen gebruiken. Dit zou een keer per jaar moeten plaatsvinden. Bespreking met de patiënt van de resultaten is aangewezen. Het verdient aanbeveling dat artsen bij een dergelijke beoordeling gebruik maken van de expertise en deskundigheid van de apotheker. Met de ontwikkeling van de aangegeven richtlijn wordt het belang erkend van een dergelijk beoordelingsmoment. Het is aan verzekeraars om resultaatsafspraken te maken met de apothekers en de huisartsen op dit terrein. Van de inzet van extra middelen kan geen sprake zijn.
Deelt u de mening dat jaarlijks controleren van het medicijngebruik door de huisarts niet vaak genoeg is? Zo ja, wat gaat u eraan doen zodat huisartsen vaker het medicijngebruik van hun oudere patiënten controleren? Zo nee, hoe vaak denkt u dat een huisarts het medicijngebruik van zijn oudere patiënten moet controleren?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) om extra geld te vragen, zodat huisartsen hun gebruikelijke taken uit kunnen voeren? Deelt u de mening dat het schandalig is dat huisartsen die hun taken niet goed uitvoeren hiervoor beloond willen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Berichten dat melk lang niet goed is voor elk |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wageningen Universiteit verdraaide onderzoek over melk»?1
Ja.
Kent u het bericht «Wageningen past lovend persbericht over melk aan»?2
Ja.
Kent u het bericht «Wakker Dier: Melkonderzoek WU is reclame»?3
Ja.
Wat vindt u, als verantwoordelijk bewindspersoon voor de Universiteit Wageningen, van het feit dat professor Willett van de Harvard University stelt dat de Universiteit Wageningen in een persbericht de onderzoeksresultaten extreem heeft verdraaid?
Hoewel een persbericht geen wetenschappelijke verantwoording is moeten ook hierin de onderzoeksresultaten goed verwoord worden. Met betrekking tot dit persbericht blijkt dit ook het geval te zijn. In een gezamenlijke verklaring hebben Wageningen UR (University & Research centre) en professor Willett hierover uitleg gegeven (zie bijlage).4
Is het waar dat er nauwe banden bestaan tussen Wageningen Universiteit en de zuivelindustrie, zoals de woordvoerder van de universiteit aangeeft? Zo ja, kunt u aangeven waaruit deze nauwe banden bestaan en of ze de onafhankelijke meningsvorming van de universiteit in de weg zouden kunnen staan?
Het klopt dat Wageningen UR banden heeft met bedrijven, waaronder de zuivelketen. Het kabinet juicht het ook toe dat bedrijven en kennisinstellingen met elkaar samenwerken. De samenwerking wordt onder andere vormgegeven in gezamenlijke publiekprivate onderzoeksprogramma’s en in de vorm van leerstoelen voor bijzondere hoogleraren. Beide samenwerkingsvormen dragen bij aan innovatie, valorisatie van kennis en aan de maatschappelijke oriëntatie in het universitaire onderwijs. Daarnaast draagt de samenwerking bij aan het streven van dit kabinet dat bedrijven meer investeren in R&D, zoals verwoord in het bedrijfslevenbeleid en het beleid voor de topsectoren.
Belangrijk bij de samenwerking is dat dit de transparantie en onafhankelijke meningsvorming niet in de weg staat. Voor dit doel heeft de VSNU de Gedragscode voor Wetenschapsbeoefening ontwikkeld. Alle onderzoekers en wetenschappers behoren zich hieraan te houden.
Klopt het dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat veel melk drinken mogelijk een verhoogd risico veroorzaakt voor het krijgen van bepaalde vormen van kanker? Zo nee, waarop baseert u dit?
Onderzoek naar de relatie tussen zuivel (melk, calcium) en kanker toont verschillende effecten op verschillende soorten van kanker. Vooralsnog spreken de onderzoeksresultaten in relatie tot kanker eerder voor dan tegen zuivelconsumptie. Op basis van voortschrijdend inzicht kan het zijn dat de wetenschappelijke consensus verandert. Dit zal dan in volgende consensusrapporten van instanties als Gezondheidsraad, EFSA (European Food Safety Authority) en WCRF (World Cancer Research Fund) worden meegenomen. Het Voedingscentrum baseert haar Richtlijnen Voedselkeuze op de aanbevelingen uit dergelijke consensusrapporten.
Kent u het bericht dat het Voedingscentrum heeft uitgebracht dat ze haar zuivelaanbeveling handhaaft, welk bericht werd uitgegeven nog voordat prof. Willett zijn aangekondigde voordracht hield in Nederland, en waarin deze gerenommeerde wetenschapper wordt beticht van het doen van «onware beweringen»?4 Deelt u de mening van professor Willett dat voedingsadviesorganisaties voorzichtiger moeten zijn met het aanraden van grote hoeveelheden melkproducten? Zo ja, bent u bereid het Voedingscentrum hierop aan te spreken? Zo neen, waarom niet?
Ja, dit bericht ken ik. Het Voedingscentrum is al voor de voordracht van professor Willett door journalisten benaderd voor een reactie op mediaberichten over de inhoud van deze voordracht. Het past bij de taak van het Voedingscentrum om te reageren op dergelijke vragen of discussies. De voorlichting door het Voedingscentrum is, zoals aangegeven bij antwoord 6, gebaseerd op een afgewogen wetenschappelijk oordeel en bovendien toegepast op het Nederlandse voedingspatroon. Ik zie geen reden hen hierop aan te spreken.
Bent u bereid om samen met het Voedingscentrum te kijken naar mogelijkheden om de consument te informeren over de risico’s van hoge zuivelconsumptie? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie antwoord 6 en 7.
Is het waar dat een woordvoerder van Wageningen Universiteit de aantijgingen van Wakker Dier als «een beetje zot» heeft aangeduid? Zo ja, hoe beoordeelt u deze kwalificatie in relatie tot het feit dat Wageningen zich wel degelijk genoodzaakt heeft gevoeld haar persverklaring aan te passen?
Uitspraken van de persvoorlichter van Wageningen UR zijn voor zijn rekening. Het is aan de Raad van Bestuur van Wageningen UR om hierover te oordelen.
Hoe ziet u de voortschrijdende inzichten ten aanzien van mogelijke risico’s van hoge melkconsumptie in relatie tot de rol van de Nederlandse sector en kennisinstellingen ter bevordering van de consumptie van dierlijke eiwitten in Azië, zoals u in antwoord op eerdere vragen over de handelsmissies naar Azië en de lactose-intolerantie bij Aziaten heeft aangegeven?5
Deelt u de mening van prof. van Hooijdonk6, hoogleraar zuivelkunde en verbonden aan Campina, dat hoge consumptie van zuivel geen verhoogd risico op hart-en vaatziekten geeft? Hoe verhoudt zich deze conclusie tot het rapport van de Wereld Gezondheids-organisatie (WHO)7 waaruit duidelijk werd dat hoge inname van zuivel in relatie tot het EU-stimuleringsbeleid leidt tot vele duizenden extra doden per jaar als gevolg van hart- en vaatziekten en in relatie tot de opvatting van prof M. Katan8 dat verzadigd melkvet wel degelijk ongezond is?
Het WHO rapport gaat over de effecten van verzadigd vet op sterfte als gevolg van hart- en vaatziekten. Op basis van dit effect geldt een aanbevolen maximum voor consumptie van verzadigd vet. Het Voedingscentrum adviseert naar aanleiding hiervan onder andere om te kiezen voor magere of halfvolle varianten van zuivel. Zo kan de consumptie van verzadigd vet via zuivel worden beperkt.
Kent u de uitspraak van de Chinese premier Wen Jiabao «I have a dream to provide every Chinese, especially children, sufficient milk each day»?6 Kunt u aangeven of Nederland op enigerleiwijze bij de totstandkoming van deze droom, bij de totstandkoming van het zuivelmuseum in Shanghai of bij de promotie van zuivel in China betrokken is? Kunt u specifiek zijn in uw antwoord en aangeven of Nederland zich geroepen voelt in het kader van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht actief bij te dragen aan kennisverspreiding in China om te voorkomen dat de droom van Wen Jiabao zich ontwikkelt tot een nachtmerrie?
Nederland en China werken op het niveau van de overheid en het bedrijfsleven samen om een effectieve en efficiënte bijdrage te leveren aan de modernisering van de Chinese zuivelsector. De behoefte vanuit China is daarbij leidend. Deze samenwerking biedt interessante kansen voor ons land.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een hoogleraar in dienst van Campina zuivel «gezond noemt», en dat Wageningen Universiteit dat onder u ressorteert, ongefundeerd promotie maakt voor zuivelproducten op onwetenschappelijke basis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u voorkomen dat dergelijke promotie van zuivel via een wetenschappelijke instelling opnieuw kan plaatsvinden?
Zie antwoord 4, 5, 6 en 11.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar verweving van onderzoek, promotie en bedrijfsbelangen bij Wageningen Universiteit op basis van het uitgestuurde persbericht «Joris Driepinter had toch gelijk»?9 Zo neen, waarom niet? Deelt u de mening dat het actief bevestigen van commerciële voorlichting vanuit het bedrijfsleven niet tot de taken van de universiteit zou moeten behoren en de geloofwaardigheid van de universiteit aantast als zij dit wel doet? Zo ja, bent u bereid de universiteit hierop aan te spreken? Zo neen, waarom niet?
Nee, er zal geen onderzoek worden ingesteld naar aanleiding van het persbericht van Wageningen UR. De motivatie hiervoor staat in antwoord 5. U geeft terecht aan dat commerciële voorlichting niet behoort tot de taak van universiteiten. De Reclame Code Commissie zal een oordeel uitspreken over de klacht die hierover is ingediend door Wakker Dier.
Wat is uw mening over het feit dat een belangrijk co-auteur van het onderzoek waarop Wageningen Universiteit zich baseerde toen zij stelde dat «Joris Driepinter toch gelijk zou hebben», spreekt over «verdraaide feiten» en eist dat het persbericht geheel wordt ingetrokken? Bent u bereid te bevorderen dat de universiteit een intern onderzoek instelt naar de totstandkoming van het bewuste persbericht, het persbeleid ter zake en waarborgen om de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het kennisinstituut te garanderen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Er is geen aanleiding om een intern onderzoek te vragen, zie ook antwoord 4.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Een klap voor de Britse luchtvaart, massa-ontslag bij BAE Systems te wijten aan problemen Eurofighter en JSF»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de toekomst van de Britse luchtvaartindustrie gekoppeld is aan het aantal te produceren JSF toestellen?
Ik kan geen uitspraken doen over de toekomstverwachtingen van de Britse Luchtvaartindustrie.
Bent u bekend met de relatie tussen het aantal door de Britse overheid te bestellen JSF toestellen en de hoeveelheid werk die BAE in het JSF project zou mogen uitvoeren?
Ik beschik niet over informatie over de in vraag 3 genoemde relatie en ik kan geen vergelijking maken van de situatie in het Verenigd Koninkrijk met die in Nederland. Over de potentiële productieomzet van de Nederlandse industrie zijn in 2006 afspraken gemaakt met Lockheed Martin en de motorenleveranciers. In het antwoord op de vragen 10, 11, 12 en 13 wordt daar verder op ingegaan.
Deelt u de mening dat Nederland in een vergelijkbare positie verkeert en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe oordeelt u over het feit dat de productie van de JSF toestellen nog altijd niet op gang is gekomen als gevolg van de enorme vertragingen en kostenoverschrijdingen? Wat voor gevolgen heeft dit voor de Nederlandse spelers in dit dossier?
De productie van F-35-toestellen is al enkele jaren geleden begonnen in de vorm van de Low Rate Initial Production (LRIP). De productieserie LRIP 1 (twee toestellen) is gereed, de productieserie LRIP 2 (twaalf toestellen) is grotendeels voltooid en de toestellen van de productieseries LRIP 3 en 4 (respectievelijk zeventien en 32 toestellen, waaronder de twee Nederlandse) bevinden zich op dit moment in verschillende stadia van het productieproces. Wel heeft de F-35 productie in de afgelopen tijd te maken gehad met vertragingen en is inmiddels het aantal te produceren toestellen in de eerstkomende jaren verlaagd. Hierover is de Kamer geïnformeerd met onder andere de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 258 van 17 maart jl.). Voor de Nederlandse industrie heeft een vertraging tot gevolg dat productieomzet later zal worden behaald. Zie ook het antwoord op de vragen 6, 7 en 8.
Wanneer bent u door het Pentagon geïnformeerd over het tot nader order uitstellen door de VS van de productie van 224 JSF’s? Wanneer ben u geïnformeerd over de achterliggende reden van het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s? Wanneer is het JPO geïnformeerd over het tot nader order uitstellen door de VS van de productie van 224 JSF’s?
Net als andere internationale partners heeft de Amerikaanse overheid de bestelreeksen voor F-35 toestellen in het verleden aangepast.
De Amerikaanse minister van Defensie Gates heeft op 1 februari 2010 aangekondigd dat de productie van 121 toestellen naar latere jaren wordt verschoven. Dit werd op 6 januari 2011 gevolgd door een soortgelijke aankondiging voor nog eens 124 toestellen. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brieven van 16 februari 2010 en 7 januari 2011 (Kamerstukken 26 488, nrs. 217 en 252). De herkomst van het in mediaberichten genoemde aantal van 224 vertraagde toestellen is mij niet bekend.
De verplaatsing van productieaantallen naar latere jaren heeft voor de industrie, en dus ook voor de Nederlandse industrie, tot gevolg dat productieomzet later wordt behaald. Er is geen rechtstreeks verband tussen bestelreeksen van partnerlanden en de business case. De afdracht van de Nederlandse industrie aan de Staat betreft de omzet niet alleen voor toestellen van partnerlanden maar ook voor die van derde landen. Verder is begin 2010 met de industrie overeengekomen dat de business case niet meer zal worden herijkt. Wel is er sprake van boekhoudkundige meetmomenten in 2020 en in 2030. De brief van 17 januari jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 253, antwoord op vraag 47) gaat hier nader op in.
Het Amerikaanse ministerie van Defensie zal naar verwachting moeten bezuinigen op de begroting voor 2013. Op dit moment is het nog onbekend of, en zo ja, in hoeverre het Amerikaanse F-35 project door deze bezuinigingen zal worden getroffen. Het is daarom ook niet mogelijk uitspraken te doen over eventuele effecten voor de Nederlandse werkgelegenheid in de vliegtuigindustrie.
Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s voor de huidige en de te verwachten werkgelegenheid in de Nederlandse vliegtuigindustrie? Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s voor de Nederlandse businesscase? Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s in het bijzonder voor Fokker?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer bent u geïnformeerd over de nieuwe reducties die mogelijk in de lucht hangen? Kunt u uiteenzetten welke gevolgen dit kan hebben voor de (te verwachten) werkgelegenheid in deNederlandse vliegtuigindustrie? Kunt u aangeven welke gevolgen dit kan hebben voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wanneer het officiële SAR-2010 rapport zal verschijnen waarin de aangepaste planning is verwerkt?
In de brief van 1 juli jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 275) heb ik gemeld dat een aangepast Selected Acquistion Report (SAR) 2010 over de F-35 zeker niet voor de herfst van dit jaar aan de orde zou zijn. Inmiddels is duidelijk dat het Pentagon vanwege de mogelijke bezuinigingen op de Amerikaanse defensiebegroting geen aangepast SAR 2010-rapport meer zal aanbieden aan het Congres. Naar verwachting zal een nieuw SAR-rapport (SAR 2011) pas in het voorjaar van 2012 het licht zien.
Welke gevolgen heeft het mogelijk schrappen van de B-versie van de JSF voor de werkgelegenheid in de Nederlandse vliegtuigindustrie? Welke gevolgen heeft het mogelijke schrappen van de B-versie van de JSF voor de Nederlandse businesscase?
Zoals uiteengezet in de brieven van 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223) en van 17 januari jl. is in 2020 geen herijking van de business case aan de orde zoals dit begrip wordt gehanteerd in de Medefinancieringsovereenkomst. In 2020, en ook in 2 030, zal sprake zijn van een boekhoudkundig meetmoment waarbij de stand wordt opgemaakt van de gerealiseerde afdrachten door de industrie en van de verkregen royalty’s over de verkoop van de F-35 aan derde landen.
Zoals gemeld in de jaarrapportage Vervanging F-16 over 2010 (Kamerstuk 26 448, nr. 258) zijn in 2006 afspraken gemaakt met Lockheed Martin over de potentiële productieomzet. Met de motorenproducenten zijn vergelijkbare afspraken gemaakt. In de afspraken is vastgelegd hoe de Nederlandse industrie op basis van best value kan worden ingeschakeld bij de productie voor het programma. De bijbehorende Industrial Participation Plans (IP-plannen) worden halfjaarlijks door Lockheed Martin in overleg met het ministerie van EL&I geactualiseerd. Daarbij worden onder andere veranderingen in de IP-plannen verwerkt die het gevolg zijn van een andere verdeling tussen de verschillende varianten van de F-35. Met een andere verdeling tussen de F-35 varianten zal het aantal en de soort componenten waarvoor de Nederlandse industrie een offerte kan uitbrengen mogelijk in zeer beperkte mate wijzigen. Het besluit van de Britse regering wordt in de eerstvolgende cyclus verwerkt waarna eventuele effecten in kaart kunnen worden gebracht. De Britse aanschaf van de F-35 C variant in plaats van de F-35 B heeft geen significante gevolgen voor de ramingen van de Nederlandse productieomzet omdat een en ander binnen de gehanteerde marges zal blijven. Zie ook het antwoord op de vragen 6, 7 en 8.
De ramingen van de werkgelegenheid die samenhangt met het JSF-programma zoals uiteengezet in de brief van 2 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 163) berusten op de gehele periode van de productie- en instandhoudingfase tot en met 2052. De verwachting ten aanzien van de totale werkgelegenheid in die periode berust op een schatting van 4 500 te produceren toestellen voor partnerlanden en derde landen samen. Deze schatting is tot op heden niet gewijzigd. Ramingen voor afzonderlijke jaren zijn daarbij niet zinvol omdat er altijd sprake kan en zal zijn van verschuivingen tussen de jaren binnen die periode. In de komende jaarrapportages zal aandacht worden besteed aan de verwachtingen voor de betrokkenheid van de Nederlandse industrie als die in belangrijke mate wijzigen.
Welke gevolgen heeft het besluit van de Britse regering om de bestelling van 138 F-35 B’s om te zetten in goedkopere F-35 C’s voor de huidige en de te verwachten werkgelegenheid in de Nederlandse luchtvaartindustrie? Welke financiële gevolgen heeft dit voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u uiteenzetten hoeveel banen er in het jaar 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 – waarin herijking van de Nederlandse businesscase zal plaatsvinden – voor de Nederlandse industrie op basis van het «JSF-werk» bijkomen, nu bekend is dat er bij BAE-systems nauwelijks of geen «JSF-werk» zal binnenkomen?
Zie antwoord vraag 10.
Wanneer ontvangt de Kamer een update over de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie voor de JSF voor de Nederlandse vliegtuigindustrie? Wanneer ontvangt de Kamer een update over de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie voor de JSF voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 10.
Wat zijn de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie van de JSF voor de Nederlandse testtoestellen?
De productie van de twee Nederlandse toestellen verloopt nog steeds volgens het schema dat is vermeld in de jaarrapportage over 2010. De aflevering van het eerste toestel is voorzien voor augustus 2012 en het tweede toestel voor maart 2013.
Welke gevolgen heeft de vertraging bij de productie van de JSF voor het langer doorvliegen met de F-16»s?
Zoals vermeld in de beleidsbrief Defensie na de kredietcrisis (Kamerstuk 32 733, nr. 1) zal het kabinet geen verplichtingen aangaan voor andere toestellen dan de testtoestellen. Dit heeft tot gevolg dat de beoogde opvolger niet eerder dan 2019 bij de luchtstrijdkrachten zal instromen. De maatregelen die Defensie neemt met betrekking tot het langer doorvliegen met de F-16 zijn dan ook ingegeven door dit besluit, en houden geen verband met de vertragingen bij de productie van de F-35.
Kunt u deze vragen ruim voor het wetgevingsoverleg Materieel Defensie van 7 november 2011 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Nederland op de ranglijst van sterkste IT-landen sterk gedaald is naar de 10e plaats wereldwijd |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland zakt op ranglijst sterkste IT-landen» op nu.nl van 27 september 2011?
Ja.
Deelt u de mening dat het een zeer onwenselijke situatie is dat Nederland maar liefst 5 plekken gedaald is op de IT Industry Competitiveness Index en daarmee bijna uit de top 10 van sterke IT-landen is verdwenen?
Dit zou zeer onwenselijk zijn indien deze concurrentie-index voor de ICT-productiesector een reflectie zou zijn van het bredere beeld van scores van Nederland op ICT-terrein. Dit is echter niet geheel het geval. Deze index is een van vele indices die jaarlijks worden gepubliceerd, elk met zijn eigen aandachtspunten en wijze van berekenen. Op vele andere indices scoort Nederland op het terrein van ICT juist goed.
In de laatste Digitale Agenda scoreboard van de Europese Commissie, gepubliceerd op 31 mei 2011, scoort Nederland als een van de beste EU-lidstaten op het terrein van ICT. In Nederland heeft 91% van de huishoudens toegang tot breedband en daardoor tot snel internet. Van de Nederlandse huishoudens is 88% wekelijks online en Nederland loopt ook wereldwijd voorop in het online kopen van producten en het afnemen van diensten.
Klopt het dat Nederland met een verlies aan score van 4,9 punten ten opzichte van vorig jaar de grootste daler in de lijst is? Wat is de oorzaak hiervan en hoe gaat u dit in de toekomst voorkomen?
De vorige meting heeft plaatsgevonden in 2009. Nederland en Estland zijn de sterkste dalers qua aantal punten. De score van Nederland daalt met 4,9 punten, de score van Estland 10,6 punten. Dalingen van de posities van Nederland blijken zich voor te doen bij de onderdelen menselijk kapitaal, R&D-klimaat en ondersteuning voor ontwikkeling van ICT-bedrijvigheid. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Klopt het dat Nederland met name slecht scoort op het gebied van ondersteuning voor ICT-ontwikkeling in het bedrijfsleven, human capital en het R&D-klimaat? Wat zijn daar volgens u de oorzaken van en wat gaat u hieraan doen?
Nederland scoort op die drie onderdelen het laagst in vergelijking met andere landen. Het onderzoek biedt echter geen heldere vergelijkingen van de posities van landen op de achterliggende indicatoren. Op de website over het onderzoek is een wereldkaart beschikbaar waar voor elk land afzonderlijk de score per indicator kan worden nagegaan, zonder dat direct de positie van dat land binnen het totaal van 66 landen duidelijk is. Opvallend is verder dat onder menselijk kapitaal bij de indicatoren «Enrolment in science» en «Employment in IT» naar absolute aantallen personen lijkt te zijn gekeken, in plaats van personen in verhouding tot bijvoorbeeld de bevolking van een land. De lage positie die Nederland krijgt toebedeeld op het terrein van menselijk kapitaal, komt niet goed overeen met informatie uit andere bronnen. Het nieuwe bedrijfslevenbeleid is gericht op een sterk bedrijfsleven. R&D en innovatie, menselijk kapitaal en ICT zijn daarbij belangrijke factoren. Op het terrein van R&D en innovatie is nog veel verbetering te wensen, maar ook menselijk kapitaal en ICT krijgen grote aandacht in het beleid.
Deelt u de mening dat ICT in Nederland meer aandacht verdient dan nu het geval is omdat ICT gerelateerde activiteiten in Nederland zorgen voor 60 procent van de economische groei, zoals uzelf eerder heeft aangegeven?
Ja. Het belang van ICT voor economie en samenleving onderstreep ik en dit is een belangrijk doorsnijdend thema voor innovatie in alle topsectoren.
Nu ICT niet als topsector is benoemd in de bedrijfslevennotitie van het kabinet, hoe denkt u er dan toch voor te zorgen dat deze sector voldoende aandacht krijgt en we volgend jaar weer stijgen in de IT Industry Competitiveness Index?
De ICT-sector is een belangrijke sector voor het kabinet. Om ICT optimaal te benutten wordt in het nieuwe bedrijfslevenbeleid ICT daarom ook meegenomen in alle topsectoren. Daarnaast komen een groot aantal ICT acties – gericht op alle ondernemers – terug in de Digitale implementatie agenda 2012–2015, die ik dit najaar aan uw Kamer zal sturen.
Het feit dat Brandon vanaf zijn vertrek uit ’s Heerenloo niet meer vast hoeft te zitten |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het erg goed gaat met Brandon? Weet u dat hij vanaf het moment dat hij in zijn nieuwe instelling woont, niet meer gesepareerd hoeft te worden en er geen vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast?
Ja. Op 10 augustus jl. heeft mijn Inspectie voor de Gezondheidszorg een toezichtbezoek gebracht aan Brandon en mij over haar bevindingen geïnformeerd. Ik ben verheugd te vernemen dat het goed met hem gaat. Hij wordt niet gesepareerd. Dat er helemaal geen vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast, kan ik niet onderschrijven. Iedere beperking van de bewegingsvrijheid, ook het tijdelijk vasthouden of in bedwang houden van een cliënt die een woede-uitbarsting heeft, is een vorm van onvrijwillige zorg. De instelling waar hij nu verblijft kiest voor een vorm van onvrijwillige zorg, waarbij de zorg en begeleiding altijd gericht is op herstel van het normale dagritme.
Bent u van mening dat een goed werkende, niet vrijheidsbeperkende aanpak navolging verdient door instellingen die wel de vrijheid van hun bewoners beperken?
Ja, daarom ga ik ook duidelijke normen stellen. In het wetsvoorstel Zorg en dwang, dat ter benandeling in uw Kamer ligt, is het uitgangspunt dat zorg op basis van vrijwilligheid, met instemming van de cliënt, wordt verleend. In het wetsvoorstel is bovendien opgenomen dat een vrijheidsbeperkende maatregel niet is toegestaan als een minder ingrijpend alternatief mogelijk is. Daarmee wordt bijvoorbeeld fixatie middels een Zweedse band zo goed als uitgebannen, want daarvoor zijn vaak goede alternatieven. Het verspreiden van goede voorbeelden heeft plaatsgevonden via het programma Zorg voor Beter. Daaraan hebben de afgelopen jaren veel instellingen deelgenomen.
Bent u bereid hier de nodige inspanning voor te verrichten? Hoe gaat u dat doen?
Naast de onder 2. beschreven maatregelen, heb ik voor complexe zorgsituaties op 17 maart 2011 de Denktank Complexe Zorg geïnstalleerd. Voor mensen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren als Brandon, is de denktank op zoek naar de beste oplossingen die in Nederland en internationaal beschikbaar zijn. Voorts licht de denktank alle fasen van het zorgverleningsproces kritisch door op kwetsbare punten. Bij de gevonden kwetsbare punten zal de denktank voorstellen doen over hoe deze te vermijden zijn.
Herinnert u zich dat het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) u in mei jl. aanraadde, om instellingen die vrijheidsbeperkende maatregelen bij een bewoner toepassen, te verplichten deskundig advies in te winnen? Wat hebt u met dit advies gedaan?
Ja, ik heb van het CCE een brief met die strekking ontvangen en deze ter hand gesteld aan de voorzitter van de Denktank. Immers, de Denktank heeft als opdracht met concrete verbetervoorstellen te komen. De CCE is vertegenwoordigd in deze tanktank. Ik hecht bij het opstellen van concrete verbetervoorstellen sterk aan integraliteit.
Wanneer is de door u sinds februari/maart jl. ingestelde denktank gereed met zijn rapport?
De denktank is voor twee jaar ingesteld. Binnen drie maanden na afloop van zijn werkzaamheden zal de denktank aan mij rapporteren. Een jaar na installatie, komend voorjaar derhalve, wordt een tussenrapportage verwacht.
Kunt u de resultaten die de werkgroep tot nu toe heeft geboekt aan de Kamer zenden?
Zie antwoord vraag 5.
Wilt u dat doen vóór het debat over het wetsvoorstel Zorg en dwang psychogeriatische en verstandelijk gehandicapte cliënten in de Kamer plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Verpleegkundigen doen zelden aangifte van geweld’ |
|
Fleur Agema (PVV), Karen Gerbrands (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verpleegkundigen doen zelden aangifte van geweld»?1
Ja.
Klopt het dat verpleegkundigen in het Albert Schweizer Ziekenhuis gemiddeld drie maal per week te maken krijgen met geweld? Hoe verhoudt zich dit tot het landelijk gemiddelde?
Uit navraag blijkt dat in het Albert Schweitzer Ziekenhuis gemiddeld inderdaad ongeveer drie incidenten per week plaatsvinden waarbij verpleegkundigen te maken hebben met geweld. Volgens voorlopige cijfers heeft 2% van het verplegend, verzorgend en sociaal-agogisch personeel in 2011 aangegeven vaak te maken te hebben met fysieke agressie van een patiënt (duwen, slaan, schoppen en dergelijke)2. Bij 14% komt dit een enkele keer voor. 84% van de medewerkers geeft aan nooit te maken hebben met fysieke agressie van een patiënt. In het najaar zijn de definitieve cijfers beschikbaar en wordt een uitsplitsing gemaakt naar andere vormen van agressie en geweld.
Deelt u de mening dat het belachelijk is dat ziekenhuizen hun eerste-hulp-afdeling moeten beveiligen met kogelvrijglas en bewakers moeten uitrusten met kogelvrije vesten en politiehonden?
Geweld tegen zorgverleners is ontoelaatbaar. Zorgverleners verdienen extra bescherming en steun om ervoor te zorgen dat zij hun belangrijke werk voor onze samenleving ongehinderd kunnen uitvoeren. Ik heb begrepen dat bepaalde ziekenhuizen hun eerste-hulp afdeling daarom beveiligen met kogelvrij glas en dat één ziekenhuis tijdens evenementen bewakers uitrust met kogelvrije vesten en politiehonden. Ik betreur het dat dergelijke maatregelen nodig zijn. Mede daarom heb ik onlangs in de Arbeidsmarktbrief diverse maatregelen uiteengezet om geweld in de zorg terug te dringen3.
Komen geweldsincidenten tegen verpleegkundigen net zo vaak voor in verzorgingshuizen en verpleeghuizen? Zo nee, hoe vaak krijgen verpleegkundigen die werkzaam zijn in de ouderenzorg te maken met geweld?
Uit voorlopige cijfers blijkt dat 17% van het verzorgend, verplegend en sociaal-agogisch personeel in 2011 te maken heeft met fysieke agressie van cliënten2. Bij 40% komt dit een enkele keer voor. 43% van de medewerkers geeft aan nooit te maken hebben met fysieke agressie van een cliënt.
Deelt u de mening dat, wanneer iemand geweld gebruikt tegen zorgpersoneel, hij/zij te allen tijde zelf de zorg dient te betalen, en dit dus niet gedeclareerd mag worden bij de zorgverzekeraar?
De aard en omvang van geweld verschillen per zorgbranche. Volgens voorlopige cijfers komt fysieke agressie van cliënten met name voor in de geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg en verpleeg- en verzorgingshuizen2. Geweld van cliënten in deze branches is direct of indirect gerelateerd aan het ziektebeeld of de beperking van cliënten. In deze gevallen acht ik het onwenselijk dat iemand die geweld gebruikt tegen zorgpersoneel zelf de zorg dient te betalen.
Met name in ziekenhuizen wordt fysieke agressie veroorzaakt door direct betrokkenen bij de cliënt, zoals familie en vrienden. Ik onderstreep daarbij het belang om schade en letsel op de dader te verhalen. Onlangs hebben de Minister van Veiligheid en Justitie (V&J) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) maatregelen uiteengezet om het verhalen van schade verder te bevorderen4. Ik zal me inzetten om de uitvoering van deze maatregelen te stimuleren in de zorg.
Klopt het dat cultuurverschillen vaak de aanleiding zijn voor geweldsincidenten? Wat gaat u eraan doen om zorgpersoneel te beschermen tegen allochtonen die lak hebben aan onze normen en waarden?
Zoals ik heb aangegeven bij mijn antwoord op vraag 5 is geweld tegen zorgverleners veelal direct of indirect gerelateerd aan het ziektebeeld of de beperking van cliënten. Dat laat onverlet dat de Minister van V&J, de Minister van BZK en ik nadrukkelijk aandacht hebben voor de juridische bescherming van slachtoffers van agressie-incidenten. Voor de invulling van dit beleid verwijs ik u naar hun recente brief hierover4. Het is aan het Openbaar Ministerie om daders al dan niet te vervolgen. Het is vervolgens aan rechters om tot een eventuele strafbepaling te komen waarbij de persoonlijke omstandigheden van de dader, inclusief eventuele culturele verschillen, worden meegewogen.
Wat vindt u ervan dat verpleegkundigen uit angst voor represailles zelden aangifte doen wanneer een geweldsincident plaatsgevonden heeft,? Deelt u de mening dat in het belang van het zorgpersoneel aangifte namens de zorginstelling gedaan moet kunnen worden? Welke regel(s) en/of wet(ten) zou(den) hiervoor aangepast moeten worden? Bent u bereid deze aanpassing(en) door te voeren?
De aangiftebereidheid neemt toe. Van tweederde van alle incidenten van agressie tegen zorgverleners in ziekenhuizen wordt inmiddels aangifte gedaan5. De Minister van V&J, de Minister van BZK en ik vinden het belangrijk om de aangiftebereidheid verder te stimuleren in met name de curatieve zorg. Daarbij is het van belang de bereidheid te vergroten van werknemers om incidenten te melden bij hun werkgever en van werkgevers om aangifte te doen en schade te verhalen. De werkgever is immers al bevoegd tot het doen van aangifte op grond van artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering.
Deelt u de mening dat het aanbieden van zelfverdedigingcursussen geen bijdrage levert aan een oplossing van het probleem? Welke maatregelen gaat u treffen om geweld tegen zorgpersoneel uit te bannen, zodat zelfverdediging niet nodig is?
Het is belangrijk om geweld in de zorg terug te dringen. Een zelfverdedigingscursus draagt daar in het algemeen niet aan bij. In de Arbeidsmarktbrief heb ik onlangs diverse maatregelen uiteengezet om geweld in de zorg terug te dringen3.
Deelt u de mening dat dergelijke berichten niet bijdragen aan het aantrekkelijk maken van werken in zorg? Welke maatregelen gaat u treffen om werken in de zorg aantrekkelijk te maken?
Ruim 80% van de mensen die in de zorg werken, is (zeer) tevreden over hun baan6. Evenwel zijn er aandachtspunten, zoals geweld en dragen berichten in de media daaromtrent niet bij aan het imago van werken in de zorg. In de Arbeidsmarktbrief heb ik onlangs aangegeven hoe ik zowel de instroom als het behoud van zorgverleners wil stimuleren3.