De voedseltekorten bij voedselbanken |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat steeds meer mensen in Nederland te weinig inkomen hebben waardoor zij moeten aankloppen bij de voedselbank voor een voedselpakket en er wachtlijsten zijn ontstaan? Zo nee, bent u bereid om met een nationaal actieplan armoedebestrijding te komen opdat voedselbanken overbodig worden en de armoede in Nederland wordt bestreden?1
Nederland heeft een dynamische arbeidsmarkt en een sociale zekerheid die een inkomen biedt in situaties waarin men tijdelijk niet zelf in de kosten van het levensonderhoud kan voorzien. Onderdeel van de sociale zekerheid is een degelijk vangnet: de bijstand. Met daarnaast regelingen als de bijzondere bijstand, die maatwerk bieden in bijzondere individuele situaties.
Het kabinet vindt het belangrijk dat mensen zelfstandig zijn en dat ze, als dat even niet lukt, hun positie zodanig verbeteren dat ze het worden. De beste remedie tegen armoede is een baan.
Voedselbanken zijn geen onderdeel van ons sociale zekerheidsstelsel maar een particulier initiatief. Tijdens het AO Armoede en Schuldhulpverlening op 3 november 2011 heb ik ook aangegeven dat dit een particulier initiatief moet blijven. Voedselpakketten zijn een pleister, geen oplossing. Mensen moeten daar niet afhankelijk van worden.
De bijstand en verwante regelingen worden door gemeenten ingezet. Doordat voedselbanken doorverwijzen naar gemeenten kan naar een structurele oplossing worden gezocht zodat mensen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. SZW stimuleert sinds jaar en dag dat voedselbanken doorverwijzen naar gemeenten. Een nationaal plan is overbodig. Het is van belang de onderliggende problematiek aan te pakken en niet enkel de symptomen te bestrijden.
Staat het kabinet nog steeds achter de uitspraak van minister-president Rutte dat voedselbanken een particulier initiatief zijn en hij derhalve niet in gesprek wenst te gaan met de voedselbanken om te zoeken naar mogelijkheden voor oplossing van het voedselprobleem in Nederland? Zo ja, waarom spreekt de minister-president dan wel met grote particuliere ondernemingen in Davos? Zo nee, gaat u nu dan ook in gesprek met de voedselbank Nederland om tot een nationaal actieplan voedselzekerheid te komen?2
Zie antwoord vraag 1.
Is de tijdelijke overgangsregeling 2012 en 2013 vanuit de Europese Commissie vastgesteld en heeft u conform de wens van een Kamermeerderheid ingespeeld op deze regeling? Zo nee, wanneer verwacht u dat deze regeling wordt vastgesteld en op welke wijze bent u voornemens aan de wens van de Kamer uitvoering te geven?3
De tijdelijke overgangsregeling is nog niet volledig vastgesteld. Het Europees Parlement dient nog in te stemmen. De regeling werkt terug tot en met 1 januari 2012.
Zoals aan u is meegedeeld bij brief ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 21 501-32, nr. 562) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gehoor gegeven aan de wens om in te spelen op een overgangsregeling en is in de Landbouw- en Visserijraad van 15 en 16 december 2011 door Nederland ingestemd met de overgangsregeling.
Nederland zal niet deelnemen aan de overgangsregeling, zoals aan u is bericht bij voornoemde brief. Op 1 februari jl. is de aanmeldingstermijn verstreken. De overgangsregeling is bedoeld om tegemoet te komen aan de verwachtingen in die lidstaten die al jarenlang deelnemen aan het minstbedeeldenprogramma. In Nederland kunnen dergelijke verwachtingen niet bestaan omdat het kabinet al ruim twintig jaar consistent heeft uitgedragen dat Nederland uit overwegingen van subsidiariteit niet deelneemt. Daar komt bij dat de minstbedeeldenregeling complex is en er hoge uitvoering- en controlelasten/-kosten aan verbonden zijn.
Hoeveel euro draagt Nederland bij aan het aangepaste voorstel van de Europese Commissie voor een tweejarige regeling voor de minst bedeelden voor 2012 en 2013?
Het budget is, net zoals in voorgaande jaren, gemaximeerd tot in totaal € 500 miljoen per budgetjaar. Het is niet exact vast te stellen welk aandeel hiervan voor rekening van Nederland komt omdat de middelen voor het programma uit de totale EU-begroting komen. De EU-begroting is samengesteld uit diverse bronnen, waaronder afdrachten van lidstaten, douaneheffingen en specifieke eigen middelen zoals bijvoorbeeld een suikerheffing.
De lange termijn voor het terugstorten van de borg op gratis schoolboeken |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of er een wettelijke termijn bestaat waarbinnen de borg op de gratis schoolboeken moet zijn teruggestort? Zo nee, waarom niet?
Er is in de onderwijswetgeving geen termijn opgenomen voor terugstorting van de borg. De afspraken over (termijnen van) de borg zijn primair een zaak tussen scholen en individuele ouders. In de meeste gevallen komen scholen met ouders overeen dat de borgovereenkomst ophoudt als de leerling van school af gaat.
Wel heeft OCW door de commotie rondom de borg eind 2010 met betrokken partijen een aantal voorwaarden geformuleerd voor een zorgvuldige omgang met de borg en een heldere communicatie naar ouders. Zo is instemming nodig van de oudergeleding in de medezeggenschapsraad voordat een school borg mag vragen en moeten ouders individueel en expliciet de keuze voor borg voorgelegd krijgen. De voorwaarden zijn te vinden op de website van de Rijksoverheid. Voorts kan de oudergeleding van de medezeggenschapsraad in de brochure «Uw bijdrage aan de schoolkosten» aandachtspunten vinden die kunnen helpen bij het beoordelen van een voorstel van de school voor borg. Deze brochure is in januari 2009 aan de oudergeledingen van medezeggenschapsraden van VO-scholen gezonden. De Kamer heeft ook een exemplaar ontvangen (Kamerstuk 31 325, nr. 31).
Kunt u aangeven hoe lang het gemiddeld duurt voordat ouders de borg op de gratis schoolboeken terug ontvangen na inlevering van de boeken?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoeveel middelen met de borg op de gratis schoolboeken zijn gemoeid?
Uit «de evaluatie 2011 Wet Gratis Schoolboeken» van Regioplan (Kamerstuk 33 088, nr. 1) kwam naar voren dat in 2010 ongeveer drie kwart van de scholen met een extern boekenfonds borg vroegen. Uit de enquête onder besturen bleek dat er bij besturen met interne boekenfondsen minder vaak borg werd gevraagd dan bij besturen met externe boekenfondsen. Als er een borg werd gevraagd, lag de hoogte daarvan meestal op 75 euro per leerling. Dit bedrag kwam zowel uit de informatie van distributeurs naar voren als uit de enquête onder besturen. Lagere en hogere borgbedragen kwamen voor, maar golden voor een kleine groep van alle leerlingen.
Het 600 banenplan van de gemeente Sittard-Geleen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de gemeente Sittard-Geleen niet participeert in de pilot loondispensatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarbij werkgevers mensen met een beperking onder het wettelijk minimumloon mogen betalen?1
Ja, de gemeente Sittard-Geleen neemt niet deel aan de pilot loondispensatie.
Is het waar dat het voor gemeenten die niet deelnemen aan de pilot loondispensatie van het ministerie, verboden is om voor de invoering van de Wet Werken naar Vermogen het instrument loondispensatie in te zetten, omdat dit in strijd is met de wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de gemeente zich wel aan de wet houdt?2
Het klopt dat alleen de 32 gemeenten die zijn geselecteerd voor de pilot loondispensatie het instrument loondispensatie mogen inzetten voor de in de Tijdelijke wet pilot loondispensatie genoemde doelgroep.
De gemeente Sittard-Geleen heeft mij laten weten dat geen loondispensatie wordt toegepast, maar een vorm van werken met behoud van uitkering.
Het schieten van dieren nabij ecoducten |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het doodschieten van dieren door jagers nabij een ecoduct?1
Ja.
Is het waar dat in de nabijheid van ecoducten door jagers geschoten mag worden op overstekende dieren? Zo ja, om welke ecoducten gaat het dan? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid?
Voor zover bij mij bekend, is dat niet het geval. Zie ook het antwoord op Kamervragen over schietkansels bij ecoducten Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2009–2010 nr. 1359. Er is voor zover ik ben geïnformeerd geen sprake van het plaatsen of inrichten van wildkansels en hoogzitten in de directe nabijheid van ecoducten. Het beleid van Staatsbosbeheer is er op gericht dat wildkansels op gepaste afstand (tenminste 500 meter) van de ecoducten worden geplaatst, opdat de functie van het ecoduct, namelijk vrije passage van dieren, behouden blijft. Daarbij is er een rustzone van 10–20 ha rond een ecoduct. Het Gelders Landschap heeft aangegeven dat er geen ecoducten op zijn terreinen zijn.
De provincie Gelderland heeft in haar faunabeheerplan opgenomen dat er geen afschot binnen een straal van minimaal 250 meter van het ecoduct mag plaatsvinden. Er is dus geen aanleiding voor een afschotverbod. Navraag bij deze organisaties leert dat de situatie niet veranderd is.
Kunt u aangeven bij welke ecoducten er een verbinding gecreëerd is tussen voedselarme gebieden (zoals de Veluwe) en voedselrijke landbouwgronden (zoals bij Hierden)? Kunt u aangeven welke maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat dieren die op zoek zijn naar voedsel geschoten worden?
Dat is niet bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bekend. Hier gaan de provincies over.
Kunt u in het geval van ecoduct bij Hierden aangeven of er afspraken zijn over het aantal edelherten en zwijnen dat gedoogd zal worden in het landbouwgebied en wat de plannen zijn met dieren die niet binnen dergelijke afspraken passen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ongepast is miljoenen euro’s te investeren in de aanleg van ecoducten om dieren een veilige oversteek te bieden, en die dieren vervolgens door jagers af te laten schieten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een landelijk afschotverbod in te stellen in een ruime zone rond ecoducten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 2.
De berichtgeving omtrent de grimmige sfeer op de inloopavond over plannen m.b.t. intensivering van het goederenvervoer in Bathmen |
|
Eddy van Hijum (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Inloopavond Bathmen ontaardt in chaos» en/of andere vergelijkbare berichten?1
Ja. Die berichten betreffen een inloopavond in Bathmen op 31 januari 2012 waar bewoners in de gelegenheid werden gesteld om hun vragen beantwoord te krijgen over het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). De inloopavond was door ProRail en IenM georganiseerd bij de start van het aan de Tweede Kamer toegezegde milieu-effecten-onderzoek (MER) van de goederenroutering in Oost Nederland. In dat milieu-effecten-onderzoek worden vier route-varianten onderzocht voor de route die extra goederentreinen tussen Zutphen en Hengelo moeten gaan volgen vanaf 2020.
Is het waar dat de avond in Bathmen chaotisch verliep en dat medewerkers van uw ministerie nauwelijks in staat waren vragen te beantwoorden van bezorgde Bathmenaren?
Bij de inloopavond in Bathmen op 31 januari 2012 waren 22 medewerkers van mijn ministerie en van ProRail aanwezig om vragen te beantwoorden over het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) in en langs Bathmen. Voor deze opzet met inloopavonden is gekozen om in gespreksvorm specifieke en soms persoonlijke vragen te kunnen beantwoorden van bewoners. Door de grote drukte aan het begin van de avond te Bathmen was het gedurende een beperkte tijd niet mogelijk om tegelijkertijd alle vragen van alle aanwezigen te beantwoorden, waarop een deel van de bewoners weer weg ging. Ik betreur het dat daardoor niet ieders vragen beantwoord konden worden. Naar schatting zijn gedurende de hele avond de vragen van ruim 400 van de circa 600 bezoekende bewoners beantwoord.
Hoe gaat u zorgen voor een correcte inventarisatie, verzameling en beantwoording van de vragen en opmerkingen van de Bathmenaren?
Op maandag 12 maart 2012 wordt nog een extra informatie-avond gehouden in Bathmen. Voorts staan voor alle bewoners langs de spoorlijnen in Oost Nederland, waar het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) aan de orde is, de PHS-website van ProRail en de PHS-website van de Rijksoverheid ter beschikking om antwoord op vragen te vinden2. Tevens is daar het adres te vinden waarheen men zogenaamde «zienswijzen» (inspraak) kan insturen met opmerkingen inzake de aanpak van het MER-onderzoek, zoals gepubliceerd in de ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de MER.
Tijdens de inloopavond In Bathmen zijn de bewoners, die op het drukke moment aan het begin van de avond niet allemaal geholpen konden worden, op deze mogelijkheden gewezen. De bewoners hebben tijdens de inloopavond ook de gelegenheid gekregen om hun vragen schriftelijk achter te laten zodat deze later alsnog beantwoord konden worden.
Welke resterende alternatieve manieren ziet u als mogelijkheid voor Bathmenaren om zorgen kenbaar te maken?
Voorafgaand aan de inloopavond in Bathmen heeft overleg plaatsgevonden tussen het bestuur van de Belangenvereniging Bathmen en projectmedewerkers van IenM en ProRail; in dat overleg zijn de zorgen van de Bathmenaren uitgebreid besproken. De Belangenvereniging heeft op 6 maart 2012 een eigen informatieavond georganiseerd; van het aanbod van mijn medewerkers, om tijdens die bijeenkomst informatie te geven over het project, heeft de Belangenvereniging geen gebruik willen maken. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Het teruglopende aantal aanmeldingen voor pedagogische opleidingen |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de HBO-raad «Studentenaantallen HBO 2011–2012»?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het aantal studenten op pedagogische opleidingen in één jaar tijd met 7,8% is gedaald, mede in het licht van het verwachte tekort aan leraren vanaf 2017?1
De daling van de instroom in de pedagogische opleidingen wordt vooral veroorzaakt door een daling van de instroom in de lerarenopleiding basisonderwijs (pabo). Daar bedraagt de daling ruim 8 procent. Uit de cijfers van de HBO-Raad blijkt dat vooral de instroom vanuit het mbo naar de pabo flink is gedaald. Het aantal studenten met vwo als vooropleiding is ongeveer gelijk gebleven. Dat betekent dat het gemiddelde opleidingsniveau van startende studenten op de pabo omhoog is gegaan.
Overigens wil een daling van de instroom niet zeggen dat er over vier jaar ook veel minder studenten van de pabo komen. Onder de studenten die op basis van een mbo-getuigschrift tot de pabo zijn toegelaten, zijn relatief meer uitvallers dan onder de andere studenten. Zij behalen relatief minder vaak hun lesbevoegdheid dan studenten met een andere vooropleiding.
In het licht van de tekorten lijkt een daling van de instroom in de opleiding voor leraren basisonderwijs niet problematisch.
Welke initiatieven worden er ondernomen om de instroom op de PABO2 en lerarenopleidingen te verhogen?
Sinds enkele jaren is het voor studenten met een VWO vooropleiding mogelijk om tegelijk een WO-bachelor (veelal pedagogiek of onderwijskunde) en de opleiding voor leraren basisonderwijs te volgen. Universiteiten en hogescholen werken daarin samen.
Voor verhoging van de instroom in de pabo zijn verder geen specifieke maatregelen voorzien. Dergelijke maatregelen zijn voor de korte termijn ook niet nodig om te voorzien in voldoende leraren.
De afgelopen jaren zijn er steeds meer alternatieve opleidingsroutes gekomen om leraar te worden in het voortgezet onderwijs, zoals bijvoorbeeld de educatieve minor als onderdeel van een universitaire vakbachelor, het programma Eerst de Klas, de kopopleiding en het zij-instroomtraject. Met deze routes wordt het aantal potentiële leraren vergroot. Daarnaast is het voornemen om een educatieve minor in hbo-bacheloropleidingen te introduceren. Daartoe wordt de komende periode een aantal experimenten opgezet specifiek voor de sector Techniek.
Welk signaal is er uitgegaan van het feit dat de eerste bezuinigingsmaatregel van dit kabinet de nullijn voor lerarensalarissen was?
De nullijn voor overheid en onderwijs is een maatregel die is genomen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Het vorige kabinet heeft besloten tot een nullijn in 2010, het huidige kabinet besloot om ook in 2011 geen kabinetsbijdrage voor de loonontwikkeling uit te keren. Tegelijkertijd zijn in deze periode op basis van het Actieplan LeerKracht maatregelen van kracht die het carrièreperspectief van leraren verbeteren, zoals de inkorting van carrièrelijnen en het versterken van de functiemix. De keuze van jongeren voor een opleiding is afhankelijk van verschillende factoren en omstandigheden. Het is daarom lastig te voorspellen welke invloed deze maatregelen hebben op de besluitvorming van (potentiële) studenten om al dan niet aan een lerarenopleiding te beginnen.
Bent u bereid om de groeiende groep studenten aan lerarenopleidingen die al een opleiding in het hoger onderwijs achter de rug hebben, vrij te stellen van het veel hogere collegegeld voor een tweede studie?
Voor het volgen van een tweede studie zijn er verschillende mogelijkheden.
In het hoger onderwijs geldt dat iedereen recht heeft om tegen wettelijk collegegeld één bekostigde bachelor en één bekostigde master te volgen. Een student die een bacheloropleiding tot leraar heeft afgerond in het hbo kan dus tegen wettelijk collegegeld een masteropleiding volgen.
Een student die als tweede studie een opleiding volgt in de sector onderwijs of gezondheidszorg, en daar nog geen diploma in behaald heeft, betaalt ook het wettelijk collegegeld. Dit geldt voor een inschrijving voor een bacheloropleiding onderwijs als nog niet eerder een bachelor onderwijs of zorg behaald is en een inschrijving voor een masteropleiding als nog niet eerder een master onderwijs of zorg behaald is. Hierdoor zie ik geen aanleiding om studenten aan lerarenopleidingen vrij te stellen van het collegegeld voor een tweede studie.
Als een student al een opleiding in de sector onderwijs gevolgd heeft en een tweede studie gaat volgen, geldt het instellingscollegegeld. Het is aan elke instelling om gemotiveerd te bepalen welk instellingscollegegeld zij studenten in rekening brengt. De instelling kan daarbij differentiëren naar groepen van opleidingen en studenten. De medezeggenschap bij een instelling heeft adviesrecht inzake het instellingsbeleid op dit punt. Het instellingscollegegeld kan ook een laag bedrag zijn, met een minimum van de hoogte van het wettelijk collegegeld. De collegegeldsystematiek hoeft er niet toe te leiden dat een student op hoge kosten wordt gejaagd. Voor het instellingscollegegeld kan hij/zij een beroep doen op fiscale voorzieningen zoals de scholingsaftrek. Verder kunnen zittende leraren een beroep doen op de Lerarenbeurs als zij aan de voorwaarden voldoen.
Bent u bereid de groep studenten aan een pedagogische opleiding die ondertussen al werkzaam zijn, in het onderwijs of daarbuiten, vrij te stellen van de langstudeerdersboete?
Neen. De langstudeerdermaatregel geldt voor alle studenten in het hoger onderwijs.
Hoe gaat u, als u vasthoudt aan alle bezuinigingen en boetes, studenten motiveren tot een carrière in het onderwijs?
Naast de maatregelen uit het actieplan Leraar 2020 – een krachtig beroep! zet het kabinet de maatregelen voort uit het actieplan Leerkracht. De extra investeringen uit dit actieplan bedragen in 2012 770 miljoen euro, waarvan bijna 600 miljoen betrekking heeft op beloning. Met de extra middelen voor de versterking van de functiemix kunnen schoolbesturen meer leraren promoveren naar hogere leraarsfuncties met een bijbehorende beloning. Door het creëren van meer loopbaanmogelijkheden voor leraren wordt het beroep aantrekkelijker.
Vermindering van de uitgaven aan wetenschap |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kabinet kort 10 procent op wetenschappelijk onderzoek»?1
Ja.
Wat betekent het begrip «kenniseconomie» volgens u?
Van het begrip kenniseconomie zijn vele definities in omloop. Voor mij is vooral van belang dat kennis bijdraagt aan de versterking van onze economie en meer in het algemeen aan een bloeiende en welvarende samenleving. In een tijd als deze, waarin er een economische crisis heerst, betekent dit vooral de ambitie om met behulp van kennis sterker uit de crisis te komen.
Waarmee verdient Nederland volgens u over 20 of 30 jaar zijn geld? Is deze verdiencapaciteit afhankelijk van kennis en wetenschap?
Op dit moment is moeilijk te voorspellen waarmee Nederland over 20–30 jaar zijn geld verdient. Het is mijn overtuiging dat onze verdiencapaciteit dan in sterke mate afhankelijk zal zijn, net zoals nu overigens, van wetenschappelijke kennis en van het in economische waarde omzetten daarvan. De WRR bereidt momenteel een studie voor over precies deze vraag.
Waarom zou voor wetenschap niet de wetmatigheid «alle waar naar zijn geld» gelden?
Wetenschap biedt antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen (grand challenges), wetenschap is cruciaal voor het individuele welzijn en wetenschap is een belangrijke pijler voor de economie. Bovenal heeft wetenschap een intrinsieke waarde als onderdeel van onze westerse cultuur.
Hoe groot is de verwachte economische schade op lange termijn die voortvloeit uit deze korte termijn-bezuiniging?
Tegenover de teruglopende directe uitgaven van het Rijk voor R&D staat een toename van de indirecte uitgaven. Deze middelen dienen te worden meegewogen om een evenwichtig beeld te kunnen vormen van de intensivering en desintensiveringen van het kabinet op het terrein van kennis en innovatie. De Kamer ontvangt hierover een brief naar aanleiding van het ordedebat op 2 februari jongstleden.
Deelt u de mening dat bezuinigen op wetenschap niet rijmen met de ambities, noch met de economische verwachtingen («kenniseconomie») van ons land en derhalve buitengewoon onverstandig zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
De subsidiëring van onderzoek naar het eten van insecten |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Four legs good, six legs better? EU to spend 3 million Euros to promote eating insects «as alternative source of protein»?1
Ja.
Deelt u de mening van professor Marcel Dicke dat het eten van insecten vanaf 2020 onderdeel zal moeten zijn van een noodzakelijke eiwittransitie? Zo ja, waarom?
Er zijn diverse mogelijkheden om de huidige productie en consumptie van eiwitten te verduurzamen. Ik ondersteun dit onder andere met onderzoek en het wegnemen van belemmeringen. Het is aan het bedrijfsleven om te komen tot concrete innovaties op dit terrein. De consument kan daarna zelf beslissen wat hij eet.
Kunt u aangeven hoeveel geld de Nederlandse overheid in de afgelopen vijf jaar heeft besteed aan onderzoek en promotie van de consumptie van insecten? En kunt u ook aangeven hoeveel daarvoor voor het lopend jaar en het komend jaar gereserveerd is?
Begin 2010 is een kennisontwikkelingsproject naar productie en verwerking van eetbare insecten gestart, met een looptijd van 4 jaar en een budget van circa € 950 000,-. Wageningen UR voert dit onderzoek uit in nauwe samenwerking met de Vereniging Nederlandse Insectenkwekers (VENIK).
In januari van dit jaar heb ik inhoudelijk bijgedragen aan een driedaagse expert meeting in Rome over insectenteelt ten behoeve van diervoeder en voedsel. Dit is georganiseerd door de FAO en de WUR. Mijn financiële bijdrage aan deze expert meeting bedroeg € 55 000,-.
Ten slotte heeft het Platform Verduurzaming Voedsel twee innovatieve pilots ondersteund: in 2010 een haalbaarheidsstudie naar verduurzaming van insectenproductie met een bedrag van € 36 175,- en in 2011 de ontwikkeling van een insectensnack in de catering met een bedrag van € 24 000,-. Aan beide projecten heeft het bedrijfsleven het dubbele bedrag bijgedragen.
Er zijn geen specifieke bedragen voor 2012 en verder gereserveerd. Veel hangt af van de concrete invulling van de innovatiecontracten die worden afgesloten met de topsectoren Agro & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.
Kunt u aangeven hoeveel in de afgelopen vijf jaar door de Nederlandse overheid is uitgegeven aan plantaardige eiwitconsumptie als alternatief voor dierlijke eiwitconsumptie? Kunt u ook aangeven hoeveel daarvoor voor het lopend jaar en het komend jaar gereserveerd is?
Vanaf 2009 loopt het Programma Innovaties in Eiwitketens (PIEK), waarvoor een budget van € 7 miljoen beschikbaar is. Voor de voortgang PIEK verwijs ik u naar de brief aan de TK van 21 oktober 2011 betreffende de «Beantwoording schriftelijke vragen inzake de begroting 2012, deel Economie en Innovatie» (TK 33 000 XIII, nr. 3).
Verder heb ik in 2010 en 2011 projecten ondersteund van Urgenda en de Stichting Natuur en Milieu gericht op een maatschappelijke dialoog over de consumptie van dierlijke eiwitten en de promotie van duurzame en gezonde vleesvervangers voor een bedrag van € 199 510,-. Beide projecten zijn uitgevoerd in samenwerking met voorlopers binnen het bedrijfsleven.
Het Platform Nieuwe Eiwitproducten (Het Planeet) heeft een eenmalige financiële bijdrage van € 22 265,- ontvangen voor het opstarten van gezamenlijke activiteiten.
Ten slotte heeft het Platform Verduurzaming Voedsel twee innovatieve pilots ondersteund: een project gericht op de introductie van vleesvervangers in de catering met een bedrag van € 52 489,- en een project gericht op de introductie van duurzame kant-en-klaar-maaltijden met een bedrag van € 66 800,-.
Er zijn geen specifieke bedragen voor 2012 en verder gereserveerd. Zie vraag 3.
Deelt u de mening dat binnen de noodzakelijke eiwittransitie plantaardige oplossingen de voorkeur verdienen boven dierlijke eiwitten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze komt die opvatting binnen uw beleid tot uitdrukking?
Nee, om onze voedselproductie en -consumptie te verduurzamen is op allerlei terreinen voortgang nodig: verduurzaming van de dierlijke eiwitproductie, de ontwikkeling van nieuwe (plantaardige) eiwitproducten, bioraffinage en de opwaardering van eiwitrijke reststromen.
Deelt u de mening dat de acceptatie bij consumenten van plantaardige vleesvervangers bij gelijkwaardige voedingswaarde en kwaliteit hoger zal liggen dan voor producten gemaakt van insecten? Zo nee, waarom niet?
Er is in Nederland nog nauwelijks sprake van consumptie van producten die zijn gemaakt van insecten. Er is dus ook nog niets te zeggen over de acceptatie in vergelijking tot plantaardige vleesvervangers. In andere, niet-westerse landen is de acceptatie van insecten hoog.
Bent u bereid vanuit de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie (EU) te pleiten voor meer middelen voor de ontwikkeling en promotie van plantaardige vleesvervangers en minder voor programma’s waarin insecten een rol spelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, zie vraag 5.
De bescherming van privacygevoelige gegevens van Nederlandse burgers tegenover de overheid van de Verenigde Staten |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat privacygevoelige informatie van Nederlandse burgers, waar u beiden van vindt dat die niet terecht zou mogen komen bij andere overheden, als gevolg van de Amerikaanse Patriot Act nog steeds in handen kan komen van de overheid van de Verenigde Staten?1
Zoals ik eerder heb geantwoord op vragen van het lid Schouw (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3514) kan niet worden uitgesloten dat Amerikaanse wetgeving een zodanige werking heeft dat bedrijven die een (hoofd)vestiging in de Verenigde Staten hebben door de rechter verplicht kunnen worden tot het verstrekken van gegevens die door hen worden verwerkt, of waarover zij anderszins de beschikking hebben, ongeacht waar die gegevens zich bevinden. Dat kan dus ook persoonsgegevens van Nederlandse burgers betreffen.
Is het waar dat aanbieders van clouddiensten, als gevolg van de nieuwe Data Protection Regulation, juridisch kunnen worden aangepakt door de Europese Commissie als zij privacygevoelige informatie van Nederlandse burgers doorspelen aan de Amerikaanse overheid, maar ook sancties kunnen verwachten van diezelfde Amerikaanse overheid als zij dat niet doen?
De Europese Commissie heeft op 25 januari 2012 een voorstel gedaan voor een Verordening op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, die de huidige Richtlijn moet vervangen. De besprekingen over deze ontwerpverordening in de Raad van Ministers en het Europees Parlement moeten nog aanvangen. Het voorstel houdt, blijkens een van de overwegingen, inderdaad rekening met de omstandigheid dat verplichtingen van buitenlands recht, in de vorm van wetgeving of rechterlijke beslissingen, kunnen leiden tot de verplichting om gegevens naar de overheid van een derde land door te geven. Het is echter nog niet geheel duidelijk welke rechtsgevolgen aan die situatie door de ontwerpverordening worden verbonden. Daarover zal in de onderhandelingen meer duidelijkheid moeten worden verschaft. Los van dit specifieke probleem, blijft het ook in de nieuwe verordening verboden gegevens zonder adequate rechtsgrondslag naar een derde land door te geven, waar geen passend niveau van gegevensbescherming bestaat. Bij overtreding van dat voorschrift is het niet de Europese Commissie maar het College bescherming persoonsgegevens dat handhavend kan optreden. Wie in de Verenigde Staten een rechterlijk bevel niet uitvoert of de wet niet naleeft, moet rekening houden met het opleggen van sancties.
Deelt u de opvatting dat aanbieders van clouddiensten, zoals Google, Microsoft en Oracle, hierdoor in een onmogelijke positie komen? Welke overwegingen spelen daarbij voor u een rol?
Het kan, onder omstandigheden, voorkomen dat een bedrijf gevestigd in een derde land krachtens de wet of krachtens een rechterlijke uitspraak verplicht wordt informatie, waaronder begrepen persoonsgegevens, waarover het de beschikking heeft aan de autoriteiten te verstrekken, ook als die gegevens zich in de Europese Unie bevinden, en dat bedrijf de beschikking over die gegevens heeft. Het betrokken bedrijf zal zich dan moeten afvragen of voor de doorgifte van de gegevens uit de Europese Unie een rechtsgrondslag valt aan te wijzen in de richtlijn 95/46/EG en de toepasselijke nationale wettelijke voorschriften. Het is niet per definitie zo dat een bedrijf in een onmogelijke positie komt te verkeren. Van geval tot geval zal moeten worden bezien welke rechtsgrondslag in het derde land wordt ingeroepen voor de vordering van de gegevens en welke rechtsgrondslag in het Europese en nationale recht kan worden ingeroepen om de doorgifte te rechtvaardigen. Het is dus inderdaad raadzaam dat een bedrijf goed analyseert of die rechtsgrondslag aanwezig is. Dat geldt overigens in zijn algemeenheid bij alle andere vormen van doorgifte van gegevens uit de Europese Unie naar een derde land.
Overigens ben ik van mening dat het probleem dat voor burgers en bedrijven voortvloeit uit conflicterende jurisdicties beter door middel van algemene regelingen kan worden opgelost dan met maatwerk in ieder afzonderlijk geval. Ik verwijs in dit verband ook naar het antwoord op vragen 6 en 7.
Wat is uw opvatting over de opmerking van de woordvoerder van Eurocommissaris Reding, dat het aan de bedrijven zelf is om de «juridische situatie te analyseren» en te besluiten hoe te reageren op een dergelijk Amerikaans verzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom laat u de bescherming van privacygevoelige informatie van Nederlandse burgers over aan commerciële aanbieders van clouddiensten, die binnen de huidige verhoudingen niet kunnen voldoen aan de eisen van zowel de Verenigde Staten als die van de Europese Unie?
Aanbieders van clouddiensten die gegevens verwerken in de Europese Unie zijn gebonden aan de voorschriften van richtlijn 95/46/EG en de ter uitvoering daarvan vastgestelde nationale wettelijke regelingen. Die regelingen bieden een behoorlijk niveau van gegevensbescherming, ook waar het gaat om de doorgifte van gegevens aan derde landen.
Deelt u de mening dat u uiteindelijk verantwoordelijk bent voor de bescherming van privacygevoelige informatie van Nederlandse burgers?
Zoals ik heb gemeld in antwoord op eerdere vragen van het lid Schouw (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3514) ligt het in de eerste plaats op de weg van de Europese Commissie om hier in overleg met de Amerikaanse autoriteiten een oplossing voor te vinden. De Europese Commissie heeft daartoe nu ook een voorstel gedaan. Ik zie uit naar de discussie daarover in de Raad en met de Commissie en het Europees Parlement.
Specifiek over de vraag welke consequenties de wetgeving van de Verenigde Staten heeft voor persoonsgegevens die aan de Staat toebehoren zal de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer over circa zes weken per brief nader informeren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat privacygevoelige informatie van Nederlandse burgers in handen van aanbieders van clouddiensten niet wordt doorgegeven aan andere overheden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Extra korting bedrijfstoeslag' |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Extra korting bedrijfstoeslag»?1
Ja.
Wanneer heeft u besloten om de waarde van de toeslagrechten in 2012 te korten met 2,5%? Welke afspraken heeft u met het veld hierover concreet gemaakt?
Wat is het totale kortingspercentage op de toeslagrechten inclusief de korting van 2,5%? Bent u voornemens om de toeslagrechten in de toekomst nog een keer te korten? Zo ja, waarom?
Waarom heeft u besloten om extra geld vrij te maken voor duurzame stallen, precisielandbouw en risicofondsen voor dierziekten en plantenziekten door middel van een korting op de hectaretoeslag en onbenutte middelen? Hoeveel geld moet er precies worden vrijgemaakt? Hoeveel wordt er gedekt vanuit de korting op de hectaretoeslag en hoeveel vanuit de onbenutte middelen?
Waarom heeft u niet gekozen voor een volledige dekking vanuit de onbenutte middelen of andere begrotingsposten? Hoe groot was de beschikbare ruimte van de post onbenutte middelen?
Welke sectoren maken aanspraak op de middelen voor duurzame stallen, precisielandbouw en risicofondsen voor dierziekten en plantenziekten? Hoe ziet de verdeling van de middelen per sector eruit?
Een geheim NAVO-rapport over samenwerking tussen Taliban en de Afghaanse politie |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het BBC-bericht «Pakistan helping Afghan Taliban – NATO»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding in het rapport dat de Taliban brede steun geniet onder de Afghaanse bevolking? Wat zegt deze bevinding volgens u over de haalbaarheid van huidige NAVO-strategie om de «hearts and minds» van de Afghanen te winnen? Deelt u de mening dat uit het rapport blijkt dat tot dusverre deze strategie faalt?
De regering doet conform regelgeving van de NAVO geen uitspraken over de inhoud van gerubriceerde NAVO documenten. Nederland spant zich samen met partners in voor een duurzaam veilig en stabiel Afghanistan.
Hoe beoordeelt u de volgende bevindingen: dat in gebieden waar de ISAF zich uit teruggetrokken heeft de invloed van de Taliban terugkeert, vaak met weinig of geen verzet van de veiligheidsdiensten van de regering en in veel gevallen met de actieve hulp van de Afghaanse politie en militairen en dat er wijdverbreide samenwerking is tussen de opstandelingen enerzijds en de Afghaanse politie en militairen anderzijds? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke praktische gevolgen heeft deze samenwerking tussen de Afghaanse veiligheidsdiensten en de Taliban voor de huidige NAVO-strategie met betrekking tot het overdragen van de verantwoordelijkheid in Afghanistan aan de politie en het leger?
De Nederlandse regering steunt het transitieproces dat vorig jaar van start is gegaan. Het is belangrijk dat Afghanistan geleidelijk de verantwoordelijkheid voor de interne veiligheid en stabiliteit gaat dragen. Het land wordt hierbij gesteund door de internationale gemeenschap, zoals onlangs is bevestigd tijdens de Bonn conferentie (5 december 2011). Ook na 2014 zal de internationale gemeenschap Afghanistan blijven ondersteunen. Het transitieproces verloopt volgens plan. In de gebieden waar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid reeds is overgedragen aan de Afghaanse veiligheidsdiensten is het vigerende veiligheidsniveau gehandhaafd. Naar verwachting zal komend voorjaar de volgende tranche van het transitieproces worden aangekondigd.
Hoe beoordeelt u de bevinding in het rapport dat Afghaanse burgers frequent het bestuur van de Taliban prefereren boven het bestuur van de Afghaanse regering? Hoe verklaart u de voorkeur van de Afghaanse bevolking voor het bestuur van de Taliban?
Het is een eenzijdige opvatting dat Afghaanse burgers frequent het bestuur van de Taliban prefereren. In de transitiegebieden heeft de Afghaanse overheid aangetoond in staat te zijn om bestuurlijk gezag uit te oefenen en zorg te dragen voor de veiligheid. De steun onder de bevolking voor de regering heeft wel te lijden onder zwak Afghaans bestuur en corruptie. De komende periode zal de regering Karzai daarom nog meer daadkracht moeten tonen in het verbeteren van het openbaar bestuur om als legitieme en geloofwaardige overheid te kunnen blijven functioneren. In het algemeen heeft de bevolking geen enkele behoefte aan een terugkeer naar de terreur en het extremisme van het Taliban bewind van ruim tien jaar geleden. In dat licht hebben terroristische aanslagen van de Taliban waarbij onschuldige Afghaanse burgers om het leven zijn gekomen de reputatie van de Taliban niet verbeterd.2
Wanneer wordt in Kunduz de verantwoordelijkheid overgedragen van de ISAF naar de Afghaanse veiligheidsdiensten? Hoe groot schat u de kans dat dan de Taliban, met hulp van de lokale veiligheidsdiensten die nu mede door Nederland worden opgeleid, haar invloed in het gebied zal herwinnen?
Er is geen besluit genomen met betrekking tot het moment waarop in Kunduz de verantwoordelijkheid voor de veiligheid zal worden overgedragen. Deze beslissing wordt genomen door president Karzai, in overleg met de NAVO.
De Taliban is nog steeds een machtsfactor van belang. Nederland werkt samen met internationale partners aan de versterking van de capaciteit van de politie en de rechtsstaat.
Zijn de bevindingen in het NAVO-rapport volgens u representatief voor de situatie in en rondom Kunduz? Zo ja, welke praktische gevolgen heeft dit voor de Nederlandse trainingsmissie in Kunduz? Zo nee, wat is dan de situatie in Kunduz? Kunt u uw antwoord toelichten?
Reeds voor verschijning van dit rapport was de missie alert op de mogelijkheid dat opstandelingen proberen te infiltreren in de lokale veiligheidsdiensten.
De rekruten en agenten met wie wij werken worden allemaal onderworpen aan een Afghaans veiligheidsonderzoek voordat zij aan de basistraining mogen deelnemen.
Deelt u de conclusie in het rapport dat de Pakistaanse geheime dienst, de ISI, de Afghaanse Taliban direct steunt? Welke politieke consequenties verbindt u hieraan?
De regering deelt de zorgen van de VS en andere partners over mogelijke betrokkenheid van de Pakistaanse veiligheidsdiensten bij terroristische activiteiten in Afghanistan. Pakistan is een onmisbare schakel voor duurzame veiligheid en stabiliteit in Afghanistan. Nederland en de internationale gemeenschap blijven samenwerken met de Pakistaanse regering en aandringen op een daadkrachtige en effectieve aanpak van het terrorisme door Pakistan.
De business case van de Van Braam Houckgeestkazerne door de gemeente Doorn |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de op 18 januari jongstleden gepubliceerde business case van de Van Braam Houckgeestkazerne (VBHKAZ) door de gemeente Doorn?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling op pagina 7 uit de business case, dat «additionele en meer gedetailleerde informatie niet beschikbaar werd gesteld» door het ministerie van Defensie? Waarom heeft u daarvoor gekozen?
De motie van de leden Bosman en Knops (Kamerstuk 33 000, X, nr. 35) verzoekt de regering met betrekking tot de locaties Weert en Doorn «de lokale besturen de kans te geven om zo spoedig mogelijk met een gefundeerde onderbouwing te komen van hun initiatieven». In het overleg met de Kamer heb ik me bereid verklaard de daartoe benodigde informatie te verschaffen. Defensie heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug vervolgens alle informatie gegeven.
In de ambtelijke contacten met de gemeente is onderstreept dat Defensie zelf de vergelijking tussen beide locaties maakt, zodra de rapportages daarover beschikbaar zijn. Die vergelijking omvat overigens meer dan alleen het ruimtelijke aspect, maar gaat ook in op oefenmogelijkheden en uiteraard op de financiën. De uitkomst hiervan wordt aan de Kamer gepresenteerd.
Is het waar dat de investeringsramingen en exploitatielasten voor nieuwbouw in Zeeland niet beschikbaar werden gesteld? Zo ja, waarom heeft u daarvoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Worden er verschillende normbedragen gebruikt in het rapport over de nieuwe marinierskazerne in Zeeland ten opzichte van deze businesscase over een toekomstbestendige oplossing met gebruik van bestaande Defensie infrastructuur in Doorn?
Nee. Voor de marinierskazerne in Zeeland en voor de noodzakelijke nieuwbouw op de Van Braam Houckgeestkazerne worden dezelfde normbedragen gehanteerd.
Aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug zijn de invoergegevens beschikbaar gesteld die de werkgroep Marinierskazerne Zeeland heeft gebruikt. Dat betreft bijvoorbeeld:
Defensie heeft de behoeftestelling die voor Zeeland wordt gehanteerd gedeeld met de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De gemeente zelf heeft er vervolgens voor gekozen met betrekking tot de «boordplaatsers» op de Van Braam Houckgeestkazerne een lager percentage (35 procent) te gebruiken dan Defensie heeft opgegeven (45 procent).
Waarom heeft Defensie geen informatie over exploitatiekosten van Doorn beschikbaar gesteld, terwijl u in beantwoording van feitelijke vragen op 27 oktober jl. aangeeft dat de exploitatiekosten voor Doorn momenteel € 4,6 miljoen bedragen?2
Zoals uit het antwoord op de vragen 2 en 3 blijkt, heeft de gemeente alle informatie gekregen die ze nodig had voor een gefundeerde onderbouwing van haar initiatief. In de Kamerbrief Vervolg Herbeleggingsplan Vastgoed Defensievan 27 oktober 2011 en in de op 17 november 2011 aan de Kamer aangeboden antwoorden op de schriftelijke vragen zijn van alle af te stoten objecten alleen de totale exploitatiekosten gegeven.
Is het waar dat het noodzakelijke investeringsbedrag voor Vlissingen inmiddels is verlaagd, al dan niet van 250 miljoen euro tot 140 miljoen euro? Zo ja, op basis waarvan heeft u dit besluit genomen?
Er is nog geen noodzakelijk investeringsbedrag voor Vlissingen vastgesteld.
In welk stadium bevindt het onderzoek van de werkgroep Marinierskazerne Zeeland zich op dit moment?
Ik verwacht dat de werkgroep Marinierskazerne Zeeland op korte termijn haar rapport zal aanbieden. Dan zullen de beide business cases worden gevalideerd en met elkaar vergeleken.
Wanneer gaat u de business case voor een mogelijke marinierskazerne in Vlissingen vergelijken met de business case die Doorn heeft aangeleverd?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid voor de Kamer inzichtelijk te maken hoe de eenmalige en de structurele uitgaven en opbrengsten in meerjarige reeksen tussen Vlissingen en Doorn zich tot elkaar verhouden wanneer de business case van Vlissingen voltooid is?
Ja.
De berichtgeving dat mvo-beleid bij grootbanken te wensen overlaat |
|
Ronald Plasterk (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bankbeleid onder de loep. Eerlijke Bankwijzer lanceert app die «mvo-gehalte» bank laat zien»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) het verbetertempo bij sommige banken in het afgelopen jaar is afgezwakt?
In de afgelopen jaren is er een toenemende aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen door banken, zowel binnen de sector zelf als in de samenleving. Deze toegenomen aandacht heeft er toe geleid dat de trend naar een verbeterd maatschappelijk beleid is ingezet. Dit volgt o.a. uit de rapportages van Eerlijke Bankwijzer, de Monitoring Commissie Code Banken en de resultaten van de Transparantiebenchmark die ik u op 6 februari jl. heb toegestuurd2. Ook zijn er duidelijke verbeterpunten zichtbaar. Volgens de initiatiefnemers van de Eerlijke Bankwijzer hebben banken nog de nodige stappen te zetten op het vlak van MVO en met name op het vlak van transparantie over hun investeringsbeleid. In reactie hierop geven veel banken aan hard bezig te zijn met de verduurzaming van hun activiteiten en dat ze in 2012 meer openheid willen geven. Het is belangrijk dat banken doordrongen zijn van het belang van een transparant MVO-beleid, zowel ten aanzien van hun bedrijfsvoering als hun investeringsbeleid. Het is een goede zaak dat initiatieven als de Eerlijke Bankwijzer bijdragen aan bewustwording bij consumenten en gevoel van urgentie in de sector. Belangrijk is dat de verbeterslag in gang is gezet en wordt voorgezet.
Bent u, in relatie tot uw uitspraken in januari en maart 2011 over het belang van grote transparantie van financiële instellingen bij duurzaam ondernemen, en in het bijzonder van staatsbank ABN-Amro, nog steeds van mening dat grote transparantie van financiële instellingen, ook over hun MVO-beleid, van groot belang is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet verwacht van alle bedrijven, waaronder banken en andere financiële instellingen, dat zij hun maatschappelijke verantwoordelijkheid oppakken en transparant zijn over afwegingen en resultaten naar hun stakeholders. Door milieu-, sociale en governancefactoren mee te wegen in hun investeringsbeslissingen kunnen banken een sterke rol in de verduurzaming van het bedrijfsleven spelen. De vormgeving van het MVO-beleid is primair de verantwoordelijkheid van de onderneming zelf. Rekenschap geven van invulling van die rol is ook onderdeel van de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid van banken, waarop het kabinet hen regelmatig aanspreekt:
Zie verder het antwoord op vraag 8 en 9.
Bent u van mening dat alle banken, en in het bijzonder door de staat gesteunde banken, MVO-beleid horen te voeren en daar transparant over moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u, gegeven de uitkomsten van de Eerlijke Bankenwijzer2 over banken die nog altijd onvoldoendes halen voor transparantie, omdat zij geen maatschappelijk jaarverslag volgens de internationale richtlijnen publiceren en/of weigeren hun MVO-beleid te publiceren, bereid om de banksector nogmaals op te roepen tot grotere transparantie over hun MVO-beleid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen treft u om de banken te overtuigen van de noodzaak tot openheid over de bedrijven en overheden waarin zij investeren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe is uw onderzoek gevorderd om transparantie over investeringen van bankgroepen op enigerlei wijze mee te laten wegen in een toekomstige update van de Transparantiebenchmark, zoals u heeft toegezegd tijdens het algemeen overleg van 17 november 2011?
Momenteel loopt de aanbesteding voor de uitvoering van de Transparantiebenchmark 2012 en 2013. De criteria zullen eind dit jaar in overleg met het panel van deskundigen worden herzien. Daarin zal expliciet de vraag worden meegenomen of, en zo ja, welke sectorspecifieke criteria, in het bijzonder voor de financiële sector, zullen worden opgenomen in de Transparantiebenchmark.
Wat is uw mening over de suggesties van de Eerlijke Bankwijzer om banken tenminste een sectorverdeling van het totaalpakket van bedrijven waarin wordt geïnvesteerd te laten publiceren, te eisen dat banken voldoen aan internationale transparantierichtlijnen (GRI) en te eisen dat gepubliceerd wordt over het aantal zakelijke klanten dat ze aanspreken op sociale en milieu-issues?
Volgens art. 2:391 lid 1 BW zijn grote ondernemingen, waaronder banken, verplicht te rapporteren over niet-financiële aspecten van ondernemen, met inbegrip van milieu en personeelsaangelegenheden, voor zover deze relevant zijn voor de interpretatie van de financiële informatie en de positie van de onderneming. De vorm waarin ondernemingen uitvoering geven aan en rekenschap van het gevoerde MVO-beleid is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de onderneming zelf. De richtlijn 400 biedt hiertoe een handvat en ook de internationale richtlijnen van GRI kunnen daarbij nuttig zijn. Veel banken maken daar ook al gebruik van. De resultaten van de Transparantiebenchmark tonen aan dat banken hier goede stappen in zetten: «De sector banken en verzekeraars, waaronder 28 ondernemingen binnen de onderzoeksgroep van de Transparantiebenchmark vallen, scoort bovengemiddeld met een gemiddelde score van 106 punten (vorig jaar 86)».
In de recente mededeling van de Europese Commissie over een nieuwe EU-strategie voor MVO tot 20146 staat dat de Commissie zich buigt over verdere regelgeving op het gebied van transparantie. Daarbij heeft de Commissie aangegeven dit jaar met een wetgevend voorstel te willen komen voor het verbeteren van transparantie van sociale en milieu-informatie van bedrijven in alle sectoren7. De voorbereiding hiervan binnen de Commissie wordt naar verwachting voor de zomer afgerond. Daarnaast heeft de Commissie aangegeven voornemens te zijn om te overwegen «om alle investeringsfondsen en financiële instellingen te verplichten al hun klanten (burgers, bedrijven, overheden enzovoort) te informeren over de eventuele ethische of maatschappelijk verantwoorde investeringscriteria die ze hanteren, of over de eventuele normen en codes waaraan ze zich houden»8. Ik zal uw Kamer informeren over de implicaties voor het Nederlandse MVO-beleid. Mede gelet op het vorenstaande ziet het kabinet geen aanleiding om de bestaande transparantievereisten, zoals publicatie van het jaarverslag en de prospectusplicht, aan te passen.
Bent u bereid om, in samenspraak met de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de mogelijkheden te onderzoeken om naar Amerikaans voorbeeld van alle bedrijven die aan de Nederlandse beurs genoteerd zijn te verlangen dat zij hun kredietovereenkomsten met banken integraal publiceren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Beroepsvissers die van provincie Flevoland toestemming krijgen om te vissen met ‘staand want’ waarbij tienduizenden beschermde watervogels per jaar de dood vinden |
|
Anja Hazekamp (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de toestemming die de provincie Flevoland heeft verleend aan beroepsvissers om ’s winters te mogen vissen met «staandwant» in het Markermeer, terwijl jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid watervogels bij deze vorm van visserij de dood vindt?1 Hoe beoordeelt u dit?
Ik ben op de hoogte van de inhoud van de vergunning die de gedeputeerde staten van Flevoland op 25 januari 2012 op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) hebben verleend voor de beroepsvisserij in het Markermeer-IJmeer. Provincie Flevoland is hiervoor het bevoegde gezag en dient op grond van de Nbwet te bepalen in hoeverre door de vergunningaanvragers voldoende is onderbouwd dat er geen (significant) negatieve effecten optreden ten aanzien van de beschermde vogelsoorten.
Kunt u bevestigen dat uit onderzoek van de overheid is gebleken dat naar schatting 15 000 beschermde watervogels de dood vonden in 2003 in het Markermeer en het IJsselmeer tezamen door het toepassen van de visserijtechniek «staandwant»? Kunt u ook bevestigen dat dit er zelfs 50 000 betroffen in 1999 in hetzelfde gebied veroorzaakt door dezelfde visserijtechniek?
Er is in 1999 gerapporteerd door het RIZA (in opdracht van Rijkswaterstaat). De genoemde 50 000 betreft echter een schatting van de vogelsterfte in 1989. In 2003 is onderzoek gedaan door een onafhankelijk adviesbureau (in opdracht van het toenmalige Ministerie van LNV). Dit bureau heeft tevens de mogelijke maatregelen onderzocht die de bijvangst van watervogels verminderen. Zo bleek het plaatsen van jonen (drijvende bakens) met reflecterende strippen op de netten de bijvangst met 70% te reduceren.
Is het waar dat onder meer soorten als de tafeleend, de grote zaagbek en de toppereend slachtoffer worden van deze vistechniek? Kunt u bevestigen dat deze soorten een landelijke zeer ongunstige staat van instandhouding kennen?
De bijvangst betreft watervogels die hun prooi achtervolgen in het water of op de bodem naar voedsel zoeken, zoals bovenstaande soorten. De in de vraag genoemde soorten kennen een landelijke zeer ongunstige staat van instandhouding.
Deelt u de mening dat het doden van zoveel beschermde vogels niet is toegestaan en zeker niet in een Natura 2000-gebied dat juist is aangewezen ter bescherming van deze vogelsoorten?
De visserij met staand want is toegestaan als er kan worden onderbouwd dat er geen (significant) negatieve effecten optreden ten aanzien van de beschermde vogelsoorten. Door het opnemen van bepaalde vergunningsvoorwaarden (ondermeer het plaatsen van jonen en op belangrijke locaties een verbod op staand want), worden de (significant) negatieve effecten gemitigeerd. De provincie Flevoland heeft geoordeeld dat voldoende is onderbouwd dat er geen (significant) negatieve effecten optreden ten aanzien van de beschermde vogelsoorten.
Onderschrijft u dat de provincie Flevoland het natuurlijk gedrag van watervogels niet goed heeft beoordeeld wanneer zij aangeeft dat vogels zich kunnen bevrijden uit netten met een maaswijdte van boven de 14 centimeter, aangezien de watervogels onder water jagen met uitgeslagen vleugels? Zo nee, op basis van welk wetenschappelijk onderzoek ontleent u die zekerheid?
De provincie Flevoland beoordeelt of en onder welke voorwaarden kan worden gevist met staand want.
Deelt u de mening dat het vissen met «staandwant» in het Natura 2000-gebied Markermeer indruist tegen de nationale en internationale regelgeving? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid?
Zie antwoord op vraag 4.
Onderschrijft u dat u verantwoordelijk bent voor de correcte uitvoering en naleving van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en de Flora- en faunawet? Zo ja, wanneer en op welke wijze gaat u maatregelen treffen tegen de toestemming van de provincie Flevoland?
Ja, ik ben voor het gestelde verantwoordelijk. Ik zie echter geen aanleiding gebruik te maken van mijn bevoegdheid een aanwijzing te geven ter zake van de door Flevoland verleende vergunning. Er is mij op geen enkele wijze gebleken dat de vergunning niet weloverwogen is verleend. Eventuele bezwaren tegen de vergunning kunnen door partijen worden ingediend op de daarvoor geëigende wijze.
De samenwerking tussen Afghaanse politiemensen en militairen met de Taliban |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Afghaanse politiemensen en militairen werken samen met de Taliban»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over het rapport, waarin duidelijk naar voren komt dat de Taliban actieve steun van het Afghaanse leger en de politie krijgt?
De regering heeft kennis genomen van het confidentiële document van de NAVO waarover is bericht in de media. De regering doet conform regelgeving van de NAVO geen uitspraken over de inhoud van gerubriceerde NAVO documenten. Het document bevat geen politieke analyse van de NAVO, maar slechts uitspraken van Taliban gevangenen.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is te moeten constateren dat de groeiende invloed van de Taliban voornamelijk in regio’s plaatsvindt wanneer militairen van de NAVO-vredesmacht ISAF vertrekken?
Het beeld dat de steun voor de Taliban toeneemt in gebieden waar de Afghaanse veiligheidsdiensten de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van ISAF hebben overgenomen wordt niet herkend. In de transitiegebieden heeft de Afghaanse overheid aangetoond in staat te zijn zorg te dragen voor de veiligheid. De steun onder de bevolking voor de regering heeft wel te lijden onder zwak Afghaans bestuur en corruptie. De komende periode zal de regering Karzai daarom nog meer daadkracht moeten tonen in het verbeteren van het openbaar bestuur om als legitieme en geloofwaardige overheid te kunnen blijven functioneren. In het algemeen heeft de bevolking geen enkele behoefte aan een terugkeer naar de terreur en het extremisme van het Taliban bewind van ruim tien jaar geleden. In dat licht hebben terroristische aanslagen van de Taliban waarbij onschuldige Afghaanse burgers om het leven zijn gekomen de reputatie van de Taliban niet verbeterd.
Kunt u aangeven of er sprake is van een groeiende invloed van de Taliban in de provincie Kunduz? Indien nee, bent u bereid om dit te monitoren en in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
Uit de beschikbare inlichtingen blijkt geen toename van de invloed van de Taliban in de provincie Kunduz. De Nederlandse geïntegreerde politietrainingsmissie blijft uiteraard waakzaam.
Is er sprake van samenwerking tussen Afghaanse politiemensen en militairen die door Nederlanders zijn/worden opgeleid en de Taliban in de provincie Kunduz?
Er is geen informatie bekend waaruit blijkt dat Taliban eenheden zijn geïnfiltreerd in de onderdelen van de Afghaanse veiligheidsdiensten met wie Nederland werkt of gewerkt heeft.
Klopt het dat de Pakistaanse geheime dienst (ISI) nauw samenwerkt met de Taliban? Indien ja, wat is uw opvatting over deze constatering?
De regering deelt de zorgen van de VS en andere partners over mogelijke betrokkenheid van de Pakistaanse veiligheidsdiensten bij terroristische activiteiten in Afghanistan. Pakistan is een onmisbare schakel voor duurzame veiligheid en stabiliteit in Afghanistan. Nederland en de internationale gemeenschap blijven samenwerken met de Pakistaanse regering en aandringen op een harde daadkrachtige en effectieve aanpak van het terrorisme door Pakistan.
De vergoeding van het middel Caphosol en speelselsubstituten/mondspoelmiddelen aan onder andere kinderen met kanker |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op grond waarvan heeft u de familie van een meisje met botkanker laten weten dat het geneesmiddel dat wordt aangewend om zweren in de mond, als gevolg van chemo- of radiotherapie te behandelen (Caphosol) tot de zelfzorgmiddelen behoort, en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt? Wilt u uw antwoord toelichten?1
Ik realiseer me dat het hier gaat om een lastige situatie voor het meisje en haar familie. In de brief heb ik aan de familie toegelicht waarom Caphosol niet voor vergoeding in aanmerking komt.2 Hieronder vindt u deze toelichting.
Caphosol is net als alle andere speekselsubstituten/mondspoelingen (behalve Salvia Orthana) geen geregistreerd geneesmiddel, maar een hulpmiddel.
Caphosol noch een ander speekselsubstituut/mondspoeling is vermeld op de hulpmiddelenlijst, artikel 2.6 van de Regeling zorgverzekering. Gelet op de huidige wet- en regelgeving kunnen speekselsubstituten/mondspoelingen niet worden aangemerkt als een te verzekeren prestatie en daarom niet ten laste van de basisverzekering worden gebracht.
Om op de hulpmiddelenlijst te komen moet voldaan zijn aan de pakketcriteria. Bij toetsing aan deze criteria wordt onder andere beoordeeld of het middel tot noodzakelijk te verzekeren zorg behoort. Daarbij wordt ook bezien of de kosten voor eigen rekening behoren te komen.
De kosten per speekselsubstituut/mondspoeling verschillen. Uit onderzoek blijkt geen verschil in effectiviteit tussen goedkope en dure/duurdere speekselsubstituten/mondspoelingen. Het is niet medisch noodzakelijk een duurder middel of specialité te gebruiken. Uitgaande van het gemiddelde van de door Zorgverzekeraars Nederland genoemde kosten voor speekselsubstituten/mondspoelingen (€ 112 per jaar) ben ik, in overeenstemming met het advies van het College voor zorgverzekeringen (CVZ), van mening dat de kosten van deze interventie voor eigen rekening van de verzekerde zouden kunnen komen.
Verder zijn speekselsubstituten/mondspoelingen vrij verkrijgbaar bij
drogist en apotheek en er is geen medische begeleiding nodig bij het gebruik ervan. Het zijn zelfzorgmiddelen en deze behoren in de regel niet te worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Bent u van mening dat het inkomen van de ouders geen verschil hoort te maken voor de mate waarin een kind noodzakelijke zorg ontvangt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De noodzakelijk te verzekeren zorg zit in het basispakket. Iedereen heeft recht op (de vergoeding van) verstrekkingen uit het basispakket, ongeacht het inkomen.
Voor het overige moge ik verwijzen naar de beantwoording van vraag één en vier waar is toegelicht waarom Caphosol niet tot de noodzakelijk te verzekeren zorg behoort.
Deelt u de mening dat het bestrijden van mondzweren als gevolg van chemo- of radiotherapie een essentieel onderdeel vormt van een kankerbehandeling, aangezien goed eten onmisbaar is voor de strijd tegen de ziekte en het herstel na behandelingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u verklaren waarom een geneesmiddel dat wordt aangewend om zweren in de mond als gevolg van chemo- of radiotherapie te behandelen, wordt beschouwd als «zelfzorgmiddel»? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Caphosol dient te worden vergoed aan kankerpatiënten, zeker als er volgens artsen geen alternatief is om de mondzweren tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording van vraag één en vier is toegelicht waarom Caphosol en andere speekselsubstituten/mondzorgmiddelen niet tot de noodzakelijk te verzekeren zorg behoren. Ik verwijs daarom naar dit antwoord.
Is het waar dat zorgverzekeraar OHRA, na dreiging met een rechtszaak door de Stichting Eerlijke Geneesmiddelenvoorziening (EGV), vorig jaar heeft besloten Caphosol voor een patiënte te vergoeden? Zo ja, wat is hierover uw oordeel en welke consequenties verbindt u hieraan voor de vergoeding van het middel aan andere kinderen met kanker?2
Zoals hiervoor is aangegeven, wordt Caphosol niet vergoed vanuit de Zvw. Vergoeding voor speekselsubstituten/mondspoelingen kan eventueel wel plaatsvinden op basis van het coulancebeleid van zorgverzekeraars. De CZ-groep heeft aangegeven dat Caphosol hier niet onder valt, vanwege de niet aangetoonde meerwaarde en aanwezige goedkopere alternatieven. De CZ-groep heeft meerdere malen aangegeven dat een uitzondering op dit coulancebeleid hoogst onwaarschijnlijk is.
Mocht Ohra toch een uitzondering hebben gemaakt dan heeft vergoeding plaatsgevonden vanuit de eigen coulancemiddelen.
Bent u van mening dat, juist wanneer kinderen behandeld worden aan ernstige ziekten het dan onethisch is om hen noodzakelijke zorg te onthouden met een beroep op het basispakket? Zo neen, kunt u aangeven welk nut het dient om een kind zorg te onthouden? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat kinderen (en hun ouders) tijdens een ziekbed geen strijd hoeven te voeren voor de vergoeding van medicatie die volgens artsen onderdeel vormen van de behandeling?
Ja, ik ben van mening dat het onethisch is om kinderen die behandeld worden aan een ernstige ziekte noodzakelijke zorg te onthouden. Daarom wordt de noodzakelijk te verzekeren zorg vergoed vanuit de Zvw. Bij de beantwoording van vraag één en vier is toegelicht waarom Caphosol niet tot de noodzakelijk te verzekeren zorg behoort.
Bent u bereid, in lijn met het advies van diverse specialisten als patiëntenorganisaties SPDV, HOVON, NMT, NVRO, NVSP, CG-Raad, NFK en NPCF, om speekselsubstituten/mondspoelmiddelen, waaronder Caphosol, te vergoeden aan patiënten wanneer artsen dit noodzakelijk achten bij de volgende indicaties:
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hiertoe bereid, te meer daar de Adviescommissie Pakket bij de advisering van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) over het al dan niet vergoeden van speekselsubstituten/mondzorgmiddelen hierover een verdeeld standpunt heeft ingenomen, aangezien het een kleine groep patiënten betreft die al zeer zwaar worden getroffen, waarbij de kosten van 251 euro per maand voor Caphosol daar nog eens bij komen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De rechtszaak tegen Erwin Vermeulen in Japan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u tegen het ANP gezegd dat sinds kort familiebezoek is toegestaan voor Erwin Vermeulen, maar dat de familie daarvan zou hebben afgezien? Zo nee, waarom heeft u geen zichtbare poging gedaan om het kennelijk foutieve bericht te rectificeren?1
Ja. Op 17 januari heeft het Consulaat-Generaal in Osaka van de advocaat vernomen dat de openbaar aanklager akkoord ging met een bezoek van de ouders aan Erwin. Dit op voorwaarde dat (1) de familie niet gelieerd zou zijn aan de Sea Shepherd Conservation Society, en(2) een diplomatieke nota zou worden overlegd met vermelding van de persoonlijke gegevens, inclusief kopieën van de paspoorten. De ouders van Erwin zijn hierover op dezelfde dag telefonisch ingelicht. Daarbij is assistentie aangeboden bij het aanvragen van een bezoek. De familie heeft laten weten om haar moverende redenen geen bezoek te willen aanvragen. Die afweging respecteer ik.
Kunt u bevestigen dat de enige informatie die de familie van Erwin Vermeulen via uw ministerie heeft bereikt over de mogelijkheden tot bezoek luidde: «Indien de ouders besluiten naar het proces te komen, zal de aanklager in overweging nemen hen speciaal toestemming te verlenen met het recht tot bezoek op voorwaarde dat de ouders niets te maken hebben met Sea Shepherd»? Bent u bereid te erkennen dat deze informatie betekent dat er in het geheel geen zekerheid was en is dat de ouders van Erwin hem daadwerkelijk zouden kunnen bezoeken als ze zouden afreizen naar Japan?2
Door het ministerie is consequent gesteld dat de finale beslissing om een verzoek te honoreren in alle gevallen bij de Japanse autoriteiten lag. Daarbij is ook steeds melding gemaakt van de bereidheid van het ministerie om te assisteren bij een aanvraag.
Waarom heeft u in de media een onjuist beeld geschetst over de bezoekmogelijkheden en daarbij de suggestie gewekt dat de ouders niet bereid waren hun zoon op te zoeken in de Japanse gevangenis? Kunt u zich voorstellen dat het voor de familie van Erwin bijzonder pijnlijk was om zoiets te moeten lezen in de krant?
Ik ben me er ten volle van bewust dat de familie een heel moeilijke periode heeft doorgemaakt. Vanaf het begin is alles in het werk gesteld om de familie zo goed mogelijk van alle ontwikkelingen op de hoogte te houden, inclusief van de Japanse procedures en voorwaarden. Er is naar mijn oordeel correcte informatie verstrekt.
Is het waar dat u tot nu toe nog geen enkele keer persoonlijk contact hebt opgenomen met de familie van Erwin Vermeulen?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt vanaf het moment van de aanhouding van Erwin Vermeulen op 16 december 2011 contact met zijn familie en in het bijzonder met de door hem aangewezen contactpersoon. Deze contacten vinden plaats met ambtenaren die zijn gespecialiseerd in consulaire zaken.
Kunt u bevestigen dat Erwin Vermeulen in de 46 dagen die hij nu gevangen zit weinig gelegenheid lijkt te hebben gekregen voor persoonlijke verzorging, dat hij in een onverwarmde cel zit in een omgeving waar het in januari behoorlijk koud is, dat hij een eenzijdig dieet krijgt, dat hij duidelijk is afgevallen en dat hij geketend is voorgeleid in de rechtszaal? Vindt u dat een dergelijke behandeling gepast is in een «ordentelijke democratische rechtsstaat» voor een vermeende duw?
Ik realiseer me dat de behandeling en detentieomstandigheden in Japan strenger zijn dan in Nederland, maar daaruit kan in genen dele geconcludeerd worden dat Japan geen ordentelijke democratische rechtsstaat is. De behandeling die Erwin Vermeulen heeft ondergaan, week niet af van de wijze waarop in vergelijkbare gevallen (zowel Japanse als buitenlandse) gedetineerden worden behandeld tijdens hun voorarrest en voldeed aan de Japanse wetten en regels. Het consulaat-generaal heeft hierop steeds toegezien.
Denkt u nog steeds dat het «prima» gaat met Erwin Vermeulen, dat hij «het goed maakt en dat hij zijn veganistische dieet uitstekend kan nuttigen in detentie»?3 Zo ja, waar baseert u uw oordeel op en hoe verklaart u dat mensen die Erwin hebben gezien in de rechtszaal met heel andere berichten komen?
Erwin Vermeulen is sinds zijn aanhouding op 16 december vier maal bezocht door medewerkers van het Consulaat Generaal te Osaka. Tevens heeft het Consulaat Generaal contact met de advocaten van betrokkene. Een oordeel over de behandeling van Erwin Vermeulen was mede gebaseerd op deze gesprekken. Hij had daarin tegenover het Consulaat-Generaal aangegeven dat het naar omstandigheden goed met hem ging. Op basis van signalen van Erwin Vermeulen is tweemaal bij de Japanse autoriteiten aangedrongen op aanpassing van het dieet.
Kunt u bevestigen dat de rechtszaak verder gaat op 1 februari en dat er op 22 februari uitspraak zal volgen? Kunt u bevestigen dat Erwin Vermeulen in dat geval bijna 2½ maand gevangen is gehouden voor een vermeende duw? Acht u ruim twee maanden detentie, onder de genoemde omstandigheden, voor een vermeende duw, passend in een «ordentelijke democratische rechtsstaat»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bekend is Erwin Vermeulen op 22 februari vrijgesproken. Ik hoop dat voor de familie hiermee een einde is gekomen aan een moeilijke periode. Ik stel verder vast dat een voorarrest van twee à drie maanden naar Japanse maatstaven niet uitzonderlijk is.
Bent u op de hoogte van de uitspraken van VN-mensenrechtencommissaris en de VN-werkgroep inzake Willekeurige Detentie inzake de veroordeling van twee Japanse Greenpeace-medewerkers in 2010? Is het u bekend dat de VN-mensenrechtencommissaris haar zorgen heeft uitgesproken over het proces tegen Junichi Sato en Toru Suzuki, die zijn gearresteerd na hun onderzoek naar de corrupte handel in walvisvlees? Is het u bekend dat de VN-werkgroep inzake Willekeurige Detentie oordeelde dat Japan in deze zaak de mensenrechten heeft geschonden en dat de voorwaardelijke opsluiting van de Greenpeace-medewerkers politiek gemotiveerd was?
Ik ben bekend met het oordeel van de VN-werkgroep inzake Arbitraire Detentie dat tijdens de inhechtenisneming en detentie van de heren Sato en Suzuki een aantal artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geschonden zijn. De VN-werkgroep inzake Arbitraire Detentie verbond geen waardeoordeel aan deze mening.
Bent u, gelet op het bovenstaande, bereid de mogelijkheid te erkennen dat er ook in het proces rond Erwin Vermeulen sprake zou kunnen zijn van politieke redenen om hem te arresteren en aan te klagen?
Erwin Vermeulen was aangehouden op grond van verdenking van geweldpleging. Ik heb geen aanwijzing dat de arrestatie plaats had om politieke redenen.
Bent u alsnog bereid Japan aan te spreken op de arrestatie, langdurige detentie en behandeling van Erwin Vermeulen?
De zaak van Erwin Vermeulen is verschillende malen onderwerp van gesprek geweest in contacten met de Japanse autoriteiten. Daarbij is terughoudendheid betracht in het oordelen over en treden in de zaak zolang die onder de rechter was. Wel heb ik mijn bezorgdheid geuit en aandacht gevraagd voor het gevoel van onzekerheid en machteloosheid waar de familie en vrienden van Erwin Vermeulen lange tijd mee hebben moeten leven. Ik heb de Japanse autoriteiten tevens dringend in overweging gegeven contact tussen familie en Erwin Vermeulen toe te staan.
Christelijke homotherapie |
|
Ineke van Gent (GL), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u precies aangeven op welke wijze de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) het onderzoek gericht op het onderdrukken van de homoseksuele geaardheid heeft uitgevoerd?
Het bezoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan zorgorganisatie Different maakte onderdeel uit van het toezicht op nieuwe toetreders in de zorg die vallen onder de Kwaliteitswet zorginstellingen. Aangezien nieuwe zorgaanbieders en/of nieuwe zorgbehandelingen risico’s met zich mee kunnen brengen, geeft de IGZ hieraan prioriteit en komt direct in actie wanneer er meldingen bij de IGZ binnenkomen of wanneer de IGZ onderzoekswaardige signalen over nieuwe zorgaanbieders opvangt zoals in het geval van zorgorganisatie Different. De IGZ heeft, mede op mijn verzoek, dan ook snel onderzoek verricht: naar aanleiding van het betreffende bericht in Trouw op 17 januari heeft de inspectie op 19 januari een inspectiebezoek aan zorgorganisatie Different gebracht en hierover een rapport uitgebracht (zie www.igz.nl).
Het doel van de inspectie was om enerzijds na te gaan of er bij Different daadwerkelijk sprake is van de door de media genoemde «homotherapie» (behandeling gericht op het «genezen» van homoseksualiteit) en anderzijds of er bij Different sprake is van (voorwaarden voor) het bieden van verantwoorde zorg. Het onderzoek bestond uit een aantal onderdelen:
Dit onderzoek van de IGZ krijgt een vervolg aangezien de inspectie kritiek heeft op vooral de diagnosestelling van Different (en de rol van Europsyche hierbij). De inspectie zal tussen nu en 15 maart opnieuw een (onaangekondigd) inspectiebezoek aan Different brengen.
Klopt het dat de IGZ uitsluitend met de betreffende instelling (Different) heeft gesproken? Zo ja, bent u in dat geval van mening dat het om een grondig onderzoek gaat?
Nee, zie ook mijn antwoord op vraag 1. Voorts is hier van belang dat de IGZ via een nieuwsbericht en via een radiointerview heeft laten weten dat wanneer de IGZ alsnog meldingen van (ex-) clienten zou ontvangen die er op wijzen dat de behandeling van Different zich toch (deels) zou richten op het «genezen» van homoseksualtiteit, de IGZ deze meldingen direct zal onderzoeken en zo nodig maatregelen zal treffen. Ik heb dat in antwoorden op eerdere Kamervragen ook nog eens onder de aandacht gebracht. Een belangrijk gegeven hierbij is dat de ex-cliënten die zich tot nu toe hebben gemeld, langer dan 5 jaar geleden cliënt van Different waren. Op dat moment was er sprake van pastorale zorg en niet van zorg gefinancierd door de zorgverzekeringswet. Binnen de zorgorganisatie Different is een aantal zaken herijkt, zie mijn antwoord op vraag 3.
Heeft de IGZ gesprekken gevoerd met meerdere ex-cliënten/spijtoptanten van de betreffende instelling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u precies aangeven op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de therapieën inderdaad niet zijn gericht op het onderdrukken van de homoseksuele geaardheid, dan wel verandering van de seksuele voorkeur?
Zie mijn antwoord op de vragen 1 en 2. Hieraan voeg ik toe dat een zevental cliënten van Different aan de IGZ bevestigen dat de behandeling gericht is op ondersteuning en begeleiding van cliënten die worstelen met hun homoseksuele gevoelens in relatie tot hun geloof. De behandeling is niet gericht op het onderdrukken of genezen van de homoseksualiteit maar op het aanvaarden van wie je bent, het beleven van gevoelens en daarbij eigen overwegingen te maken om wel of niet een homoseksuele relatie aan te gaan, zo heeft de IGZ mij laten weten.
Eén cliënt, die negen jaar geleden in begeleiding was bij Different, geeft aan dat hij lange tijd erg heeft vastgehouden aan de «succesverhalen» van degenen die er in slaagden hun homoseksualiteit niet langer te beleven. Deze cliënt vraagt zich af of het reëel is om (op de langere termijn) vermindering van psychisch lijden van homoseksuele christenen te verwachten in een klimaat waarbinnen homoseksualiteit wordt geproblematiseerd. Hij geeft aan dat het erg belangrijk is dat Different eerlijk is over haar zorgaanbod en de behaalde resultaten op langere termijn.
Heeft de IGZ zich tijdens het onderzoek tevens gewend tot andere organisaties (bijvoorbeeld homo-organisaties), waar (ex-)cliënten van de betreffende instelling zich gemeld hebben (en nog altijd melden)? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Heeft de IGZ de verhalen/klachten van (ex-)cliënten van de betreffende instelling, zoals bijvoorbeeld de afgelopen weken verschenen in de media, onderzocht? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 3. Ook de verhalen/klachten van (ex-)clienten die zich tot de media hebben gewend, zijn onderzocht voor zover zij bereid waren in contact te treden met de inspectie.
Heeft de IGZ onderzoek gedaan naar opvattingen over homoseksualiteit, zoals waargenomen bij en uitgedragen door betrokkenen van de Stichting tot Heil des Volks waar Different een onderdeel van is?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn deze opvattingen ook daadwerkelijk bij het onderzoek betrokken?
De IGZ heeft aan Different het volgende te kennen gegeven: homoseksualiteit is een geaardheid en geen ziekte. Behandeling gericht op (pogingen tot) het «genezen» (of onderdrukken) van homoseksualiteit kan derhalve nooit conform de vigerende richtlijnen zijn. De Raad van Bestuur onderschrijft deze zienswijze en stelt dat in de pers helaas een verkeerde voorstelling van zaken is ontstaan.
Kunt u concreet en uitgebreid aangeven wat precies moet worden verstaan onder een behandeling die gericht is op cliënten met homoseksuele gevoelens, en «op het aanvaarden van wie men is en daarin een keuze maken voor het wel of niet aangaan van een homoseksuele relatie»? Zo nee, waarom niet?
In de behandeling ligt de nadruk op het psychisch lijden en het ondersteunen en begeleiden van de cliënt met het omgaan met zijn homoseksuele gevoelens in relatie tot zijn geloof . Patiënten melden zich aan bij Different en de psychiater van Different doet een deel van de intake en stelt een diagnose en behandelplan op. De begeleiding van Different wordt veelal ingezet op geleide van gesignaleerde ambivalente gevoelens als gevolg van homoseksualiteit/seksuele problematiek. In een aantal gevallen is sprake van (gediagnosticeerde) depressieve gevoelens als gevolg van genoemde ambivalentie. De ambulante behandeling wordt uitgevoerd door een maatschappelijk werker en een verpleegkundige.
Met verwijzing naar mijn antwoord op vraag 1 ten aanzien van het vervolgonderzoek van de inspectie merk ik ten aanzien van de diagnostiek en behandeling het volgende op. De IGZ constateerde op 19 januari jl. dat Different in veel gevallen geen gedegen diagnose stelt. De inspectie verwacht directe maatregelen om voor de cliënten van Different deugdelijke diagnoses te stellen en de psychiatrische behandeling, indien geïndiceerd, te laten voldoen aan de standaarden en richtlijnen voor psychiaters van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (richtlijnconforme behandeling). Ook verwacht de IGZ eerlijke voorlichting van Different over haar zorgaanbod en de (langere termijn) resultaten. Tenslotte verwacht de inspectie een uitgebreidere gedragscode waarin de bejegening ten aanzien van cliënten die worstelen met hun homoseksuele identiteit en het christen-zijn wordt geëxpliciteerd. De IGZ monitort deze verbetermaatregelen de komende periode en zal binnen 2 maanden een nieuwe toets uitvoeren, gericht op deugdelijke diagnosestelling, voorlichting en gedragscodering.
Snoepautomaten in Connexxion bussen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het nuttigen van een zelf meegenomen banaan, appel of broodje kaas sinds kort niet meer toegestaan is in een aantal bussen van Connexxion die uitgerust zijn met snoepautomaten?1
Volgens de vervoersvoorwaarden was het niet toegestaan om in de bus te eten en drinken, maar dat gold eigenlijk alleen voor geurend, vlekkend voedsel en hete dranken. Het eten van fruit werd oogluikend toegestaan. Connexxion houdt momenteel in elf bussen in de concessie Amstelland-Meerlanden een proef met zogenaamde servicemachines. De proef zal de komende weken worden uitgebreid met fruit. Connexxion heeft voor de proef de vervoersvoorwaarden, de regels die onder andere bepalen dat er in de bussen geen etenswaren mogen worden genuttigd, aangepast. Tijdens de proef beziet Connexxion de mogelijkheden om via een servicemachine de reiziger diverse zaken te kunnen leveren: Connexxion denkt daarbij niet alleen aan fruit, maar ook aan toiletartikelen, vouchers en snoep. De servicemachines maken deel uit van een groter plan waarbij Connexxion meer service wil bieden aan de klanten.
Vindt u het ook absurd dat reizigers wel snoep uit de snoepautomaat mogen nuttigen maar niet hun zelf meegenomen (gezonde) eten? Deelt u de mening dat hiermee ook ongezond eten wordt gestimuleerd, omdat reizigers hun trek alleen mogen stillen met koekjes en chocoladereepjes van Connexxion en niet met een appel of een banaan?
Dit is niet aan de orde; Connexxion staat het eten van een appel of banaan al oogluikend toe. Het nuttigen van geurend, vlekkend voedsel en hete dranken is echter niet toegestaan. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger wat, wanneer en waar hij iets nuttigt met inachtneming van de regels, zoals de vervoersvoorwaarden. De rijksoverheid pleit ervoor om de gezonde keuze, de makkelijke keuze te maken. Vanuit bedrijven ontstaat hiervoor in toenemende mate aandacht. Het Voedingscentrum heeft op haar site aandacht gevraagd voor ongezonde aspecten van producten in automaten. Ook in algemene zin geeft het Voedingscentrum in opdracht van het Ministerie van VWS tips voor het maken van de gezonde keuze.
Deelt u de mening dat hier sprake is van gedwongen winkelnering en dat dit niet past bij het openbare karakter van het Openbaar Vervoer?
Er is geen sprake van gedwongen winkelnering, omdat de reiziger de vrije keuze heeft om iets dan wel niets uit de servicemachine in de bus te kopen.
Bent u bereid om Connexxion tot de orde te roepen en er voor te zorgen dat reizigers in een Connexxion-bus ook hun eigen eten kunnen nuttigen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan de mij om Connexxion aan te spreken op zijn producten. De decentrale overheid kan in de concessies met de vervoerder afspraken maken en regels stellen, die de provinciale staten en regioraad van de stadsregio’s goedkeuren. De Stadsregio Amsterdam is op de hoogte van de pilot. Het concessiebesluit bevat geen beperkende voorwaarden die plaatsing van automaten door de vervoerder verbiedt of dwingt toestemming te vragen aan de concessieverlener. De resultaten van de pilot en eventuele plaatsing van de servicemachines in meer bussen zal Connexxion met de Stadsregio Amsterdam bespreken.
Concentratie van verloskundige zorg |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de verschillende berichten over sluiten van de afdeling acute verloskunde van het Diaconessenhuis in Meppel en het definitieve vertrek naar Zwolle?1
Meerdere partijen hebben mij brieven gestuurd over de mogelijke concentratie van acute verloskunde in de regio Meppel/Zwolle. De lokale ziekenhuizen hebben een voorgenomen besluit tot verplaatsing van klinische bevallingen naar Zwolle gecommuniceerd. De ziekenhuizen hebben bij mij aangegeven dat het besluit nog niet definitief is en pas genomen wordt wanneer er is geregeld dat de bereikbaarheid in de regio niet verslechtert, of mogelijk zelfs verbetert. Hierover wordt met de Regionale Ambulance Voorziening overlegd. Daarnaast hebben de ziekenhuizen aangegeven dat ze in overleg zijn met de verloskundigen. Ik heb benadrukt dat het essentieel is dat er goede afspraken gemaakt worden met verloskundigen en andere beroepsgroepen in de regio. Samenwerking met de verloskundigen in de regio moet altijd goed zijn georganiseerd. Ik vind het daarom van groot belang dat alle relevante partijen betrokken worden bij besluitvorming over verloskundige zorg in de regio. De uitkomst van overleg moet zijn dat er voor de patiënt en de regio de beste situatie ontstaat. Dit is alleen mogelijk als de kwaliteit en toegankelijkheid van de gehele keten van verloskundige zorg is geborgd.
Ik heb betrokken partijen steeds opgeroepen om geen definitieve stappen te zetten voordat aan de eisen voor kwaliteit en bereikbaarheid is voldaan en hier wordt nu dus aan gewerkt.
Welke aanpassingen in de ambulancedienstenstructuur zijn noodzakelijk om de bereikbaarheid te waarborgen, en per welke datum worden deze ingevoerd? Welke afspraken zijn gemaakt met de verloskundigen om een sluitende zorgketen te realiseren?
Zoals ik bij vraag 1 aangeef wordt hierover met de Regionale Ambulance Voorziening overlegd. Er wordt gedacht aan het verplaatsen van een ambulancepost en het neerzetten van een extra ambulance. Momenteel wordt met de RAV Groningen bekeken hoe de bereikbaarheid kan worden verbeterd.
Het sluitend krijgen van de keten van acute zorg is een voorwaarde voor effectuering van de plannen. Samenwerking met de verloskundigen in de regio, ook na concentratie, moet goed zijn georganiseerd. Ik vind het van groot belang dat alle relevante partijen betrokken worden bij besluitvorming over verloskunde in de regio. De uitkomst van overleg moet zijn dat er voor de patiënt en de regio de beste situatie ontstaat. Het is de verantwoordelijkheid van zowel de verloskundigen, de ziekenhuizen en de verzekeraars om verantwoorde en bereikbare zorg in de regio te garanderen.
Is het waar dat u in een brief aan mensen in Meppel, van 1 december 2011 heeft geschreven «dat de betrokkenen bij het opstellen van de regiovisie u hebben verzekerd, dat geen stappen worden genomen voordat de kwaliteit en toegankelijkheid van de acute verloskundige zorg is verzekerd»? In hoeverre komt dit overeen met de huidige gang van zaken?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
In hoeverre heeft het College Perinatale Zorg (CPZ) toegezien op het naleven van lokale protocollen, zoals de voorzitter van het CPZ aankondigde?2 In hoeverre is dit bijvoorbeeld in Meppel gebeurd? In hoeverre is het CPZ betrokken geweest bij de situatie in Meppel?
Na het opzetten van het plan van aanpak is het CPZ momenteel bezig met het instellen van de commissies, waaronder een commissie die zich gaat bezighouden met inventarisatie van de regionale ketens en samenwerking in de Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV’s). Deze commissie Implementatie en Organisatie zal in de tweede helft van 2012, als de initiatieven lokaal aan de slag zijn gegaan, op de plannen toezien. Bij individuele casussen als Meppel heeft het CPZ contact gehad met de lokale initiatieven. Het College Perinatale Zorg (CPZ) heeft gesproken met een afvaardiging van de verloskundigen kring Meppel. Daarnaast is er contact geweest met het bestuur van het Diaconessenhuis Meppel. Het advies van het CPZ luidt dat er net als overal in Nederland beschreven moet zijn hoe in een samenwerkingsverband tussen alle partijen en professionals gegarandeerd wordt dat 24/7 kwalitatief de juiste zorg voor moeder en kind in de netwerkaanpak geleverd wordt.
Kan een overzicht gegeven worden van initiatieven tot concentratie van verloskundige zorg in Nederland? Bij welke ziekenhuizen is hiervan sprake? Welke afdelingen dreigen gesloten te worden of zijn reeds gesloten? Hoe wordt de bereikbaarheid van de acute verloskundige zorg gegarandeerd? In hoeverre ligt hier een landelijke visie aan ten grondslag?
Ik kan u op dit moment geen overzicht geven van de initiatieven tot concentratie van verloskundige zorg in Nederland. De IGZ legt momenteel de laatste hand aan een inventarisatie bij alle ziekenhuizen van de mate waarin reeds aan de normen van de stuurgroep zwangerschap en geboorte wordt voldaan en wat ziekenhuizen nodig hebben om aan de normen te voldoen. Deze inventarisatie geeft een geaggregeerd beeld van de plannen van de ziekenhuizen. De belangrijkste resultaten van de inventarisatie zijn medio februari beschikbaar en ik zal u deze, voorzien van mijn beleidsreactie, zo spoedig mogelijk doen toekomen. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) doen daarnaast momenteel onderzoek naar wat op landelijk niveau nodig is om aan alle normen te kunnen voldoen. Dit onderzoek moet leiden tot een implementatieplan, inclusief een zorgvuldig gekozen tijdspad. De uitkomsten van dit onderzoek zullen naar verwachting eveneens medio februari gereed zijn, waarna ik ze aan uw Kamer zal toezenden.
Ten aanzien van de kwaliteit en bereikbaarheid van klinische verloskunde zijn landelijke criteria vastgelegd. Zo zijn in de Kwaliteitswet Zorginstellingen en in richtlijnen van de beroepsgroep eisen ten aanzien van kwaliteit geformuleerd. Hier valt ook al een deel van de normen van de stuurgroep zwangerschap en geboorte onder. In de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) zijn eisen met betrekking tot de toegankelijkheid van acute zorg (de 45-minutennorm) en eisen aan het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) vastgelegd. In alle concentratievraagstukken houd ik betrokken partijen onverkort aan deze criteria.
Herinnert u zich uw brief van 30 juni 2011 inzake de voortgang van het College Perinatale Zorg?3 Waarom is de startdatum van het CPZ vertraagd van april naar juni? Kan van ieder van de zeven commissies precies aangegeven worden wat de stand van zaken is ten aanzien van de beleidsonderwerpen? Op welke wijze is de communicatie met de regio’s vormgegeven? Wat is de stand van zaken ten aanzien van de interactieve website? Wat is de stand van zaken ten aanzien van de vertaling van landelijke richtlijnen in plaatselijke protocollen, de toetsing of de plaatselijke protocollen aan de landelijke normen voldoen, het delen van best practices etc.?
Om praktische redenen is het college in juni gestart. Informeel is de voorzitter al aan de slag gegaan in april.
Er zijn zes commissies in oprichting; kwaliteit, implementatie en organisatie, onderzoek, voorlichting en preconceptiezorg, ICT platform en onderwijs. Ik verwacht in juli van het CPZ een tussentijdse rapportage over de activiteiten van deze commissies. De voorzitters van de commissies zijn benoemd. De commissies bestaan uit gemiddeld 20 deskundigen afkomstig uit 40 organisaties uit het veld. De commissies gaan volgende maand aan de slag met hun taken. U kunt het plan van aanpak vinden op de interactieve websites (www.collegepz.nl en www.goedgeboren.nl). De communicatie met de regio vindt plaats via deze websites die elke week worden bijgehouden en gevuld.
Het CPZ werkt aan het integreren van de visies van de beroepsgroepen en bestaande richtlijnen tot een landelijke integrale netwerkrichtlijn geboortezorg. De eerste samenwerkingschecklist is gemaakt door de regio Friesland en wordt verspreid via de website van het CPZ. De toetsing vindt plaats in de commissie Implementatie en Organisatie.
Heeft u nog steeds vertrouwen in de betrokkenheid en daadkracht van partijen binnen het CPZ? Zo ja, waarop is dit gebaseerd? Waaruit blijkt de»doelgerichte en pragmatische aanpak» waarop uw vertrouwen berustte?
Ja, het college wordt steeds meer zichtbaar en merkbaar, zowel landelijk als regionaal. In het totaal hebben 40 partijen leden aangeleverd voor de commissies, dit maakt het een sterk college waarin het gehele veld is vertegenwoordigd. Het baart mij wel zorgen dat partijen nog steeds afzonderlijk berichten naar buiten brengen zonder afstemming in het CPZ. Ik verwacht van de partijen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt. Ik roep het CPZ op om hierin regie te nemen.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het verband tussen reistijd en babysterfte?4 Hebben alle ziekenhuizen vóór de zomer van 2011 een plan van aanpak betreffende de acute verloskundige zorg aangeleverd aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)? Heeft overleg plaatsgevonden met de veldpartijen om duidelijkheid te krijgen over de definitie van de 15 minuten norm, en de overige normen uit het advies met betrekking tot de optimalisering van de verloskundige keten uit het advies van de Stuurgroep? Met welk resultaat?
De IGZ heeft een inventarisatie bij alle ziekenhuizen uitgevoerd naar de stand van zaken van de implementatie van de aanbevelingen uit het advies van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte. Zie ook het antwoord op vraag 5. Alle ziekenhuizen die verloskundige zorg leveren hebben informatie aangeleverd bij de IGZ.
In mijn brief van 16 januari heb ik u geïnformeerd dat een aantal van de normen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte nader is gedefinieerd5.
Bent u bereid ruim vóór het op 7 maart 2012 geagendeerde algemeen overleg over Zwangerschap en geboorte, uw visie te sturen inzake de concentratie van verloskundige zorg, en daarbij de verschillende rapporten te betrekken die hierover zijn uitgebracht en daarbij tevens de uitkomsten te betrekken van het onderzoek van de IGZ?5
Ja.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden ruim vóór het op 7 maart 2012 geagendeerde algemeen overleg over Zwangerschap en Geboorte?
Ja.