De prijsstijgingen van kunstmest als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 5 april 2026, getiteld «Raakt Iran-oorlog ook productie kunstmest en ons voedsel? «Het kan nijpend worden»»?1
Bent u bekend met het artikel van RTV Noord van 17 april 2026, getiteld «Boeren voeren eigen mest af en kopen kunstmest: «Volslagen maf»»?2
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat de stijgende kunstmestprijzen zich vertalen in hogere voedselproductieprijzen en dalende rentabiliteit voor Nederlandse boeren?
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse boer die zijn gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt géén extra dierlijke mest meer mag uitrijden – ook niet als hij nog behoefte heeft aan extra stikstof – en daardoor wordt gedwongen kunstmest aan te kopen?
Acht u het wenselijk dat op dit moment grote hoeveelheden dierlijke mest uit Nederland wordt geëxporteerd, terwijl tegelijkertijd grote hoeveelheden kunstmest naar Nederland wordt geïmporteerd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het tegenstrijdig en onwenselijk is dat Nederlandse boeren worden gedwongen duurdere en steeds schaarser wordende kunstmest in te kopen terwijl in eigen land dierlijke mest beschikbaar is die deze kunstmest zou kunnen vervangen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel kilogram (stikstof en fosfaat uit) kunstmest zou op dit moment per jaar kunnen worden vervangen door het dierlijke mestoverschot volledig uit te rijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoeveel kosten zou de Nederlandse agrarische sector daarmee op dit moment per jaar kunnen besparen? Kunt u deze kosten uitsplitsen in afvoerkosten van het dierlijke mestoverschot en aanschafkosten van kunstmest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is het verschil tussen stikstof (en fosfaat) afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en andere bronnen zoals Renure, oftewel verwerkte dierlijke mest?
Erkent u dat enkel de geplande maatregelen om Renure te mogen gebruiken bovenop de bestaande gebruiksnorm voor dierlijke mest onnodige kosten met zich meebrengen, omdat dierlijke mest van zichzelf al gebruiksklaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen voor meststoffen per direct te verruimen naar het niveau van vóór afschaffing van de derogatie en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen te schrappen of tenminste te verhogen – al dan niet met goedkeuring van de Europese Unie – zodat Nederlandse boeren bij oplopende kunstmestschaarste niet zonder betaalbare bemesting komen te zitten, juist nu kunstmestprijzen in één maand met tientallen procenten zijn gestegen – en vervolgens niet zijn gedaald – en verdere schaarste dreigt door de oorlog in het Midden-Oosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zich zo spoedig mogelijk in Europees verband voor deze maatregelen in te zetten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zo spoedig mogelijk een tijdelijke ontheffing of verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke mest aan te vragen bij de Europese Commissie, zodat boeren minder afhankelijk worden van geïmporteerde kunstmest? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bovenstaande vragen zo snel mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De uitbraak van het Hantavirus |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus voor de volksgezondheid?
Het andesvirus, een hantavirus, kan ernstige ziekte veroorzaken, namelijk het Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS). In vergelijking met andere ziektebeelden veroorzaakt door hantavirussen die in Europa en Azië voorkomen, is HCPS een ernstiger ziektebeeld met hoge mortaliteit. Mensen kunnen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige long- en hartproblemen. Het risico voor de volksgezondheid hangt, naast de ernst van de ziekte, ook af van het risico op overdracht. Alhoewel het andesvirus het enige hantavirus is waarbij mens-op-mens overdracht is beschreven, komt infectie van mens op mens zeer weinig voor. Internationaal zijn slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens komt alleen voor als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben. Het risico voor de volksgezondheid wereldwijd wordt daarom door de World Health Organization (WHO) als «laag» ingeschat. Het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) schat het risico voor specifiek de EU in als «zeer laag». Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sluit zich voor Nederland bij deze internationale inschatting aan en stelt dat het risico dat het virus zich in Nederland zal verspreiden heel klein is.
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
De in Nederland voorkomende hantavirussen vallen onder de meldingsplicht groep C. Dit houdt in dat een patiënt gemeld moet worden aan de GGD. De GGD meldt dit aan het CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance. Bij elk bewezen autochtoon humaan geval wordt bronopsporing geadviseerd. Indien een bron gevonden is, kunnen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Het RIVM monitort via de meldingsplicht de aantallen ziektegevallen door orthohantavirussen in Nederland en brengt hierover onder andere jaarlijks verslag uit in de Staat van Zoönosen.Omdat het andesvirus alleen voorkomt bij een specifiek type rijstrat, een knaagdier dat alleen in Zuid-Amerika voorkomt, zijn er geen patiënten geweest die dit virus in Nederland hebben opgelopen. Het andesvirus is inmiddels aangewezen als meldingsplichtige infectieziekte groep A2, en moet bij vermoeden gemeld worden bij de GGD. Het RIVM houdt op deze wijze landelijk overzicht van eventuele verdere mens-op-mens verspreiding in Nederland.
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
De WHO en het ECDC hebben advies uitgebracht over het in kaart brengen van de besmettingen en de verspreiding van het andesvirus naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. In Nederland baseren we ons, voor het beleid ten aanzien van de contacten, op deze adviezen. Ook voor het in kaart brengen van andere hantavirussen, die alleen van dieren op mensen worden overgebracht, handelt Nederland in lijn met internationale richtlijnen.
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Andere landen passen dezelfde methodologieën toe om de besmettingen met en de verspreiding van het hantavirus te monitoren. Daarover is in de afgelopen periode zeer intensief overleg geweest binnen de daarvoor bestemde coördinatiestructuren op EU-niveau en met de WHO.
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Ja, er komen verschillende soorten hantavirussen voor in verschillende regio’s. Er zijn zo’n 60 verschillende hantavirussen bekend, waarvan er zo’n 30 kunnen worden overgedragen van knaagdier naar mens en ziekte kunnen veroorzaken.
In Nederland komen drie soorten hantavirussen voor die ziekte bij mensen kunnen veroorzaken. Deze worden door verschillende soorten knaagdieren overgedragen op mensen. Zo is het Puumalavirus afkomstig van rosse woelmuizen, het Seoulvirus van (tamme) ratten en het Tulavirus van veldmuizen. Van de drie in Nederland voorkomende hantavirussen worden de meeste mensen niet ziek. In 90% van de gevallen krijgt men hier geen klachten van. Als iemand wel ziek wordt, lijken de klachten vaak op griep. Hoe ernstig de klachten zijn, kan verschillen per virus en per individu.
In de rest van Europa komen ook andere hantavirussen voor. Deze geven in de meeste gevallen vergelijkbare klachten. Bij het dobravavirus, een variant die voorkomt in de Balkanlanden, wordt vaker het ernstigere ziekteverloop gezien. De sterfte aan de in Nederland voorkomende hantavirussen is erg laag, namelijk kleiner dan 1%.
Hantavirussen, zoals het andesvirus, die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, kunnen zorgen voor ernstigere ziekte. Hierbij kunnen mensen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige longproblemen en hartfalen. Er is sprake van hoge mortaliteit. Buiten Noord- en Zuid-Amerika komen deze hantavirussen niet voor, omdat de betreffende gastheerreservoirs alleen in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Het andesvirus is de enige variant van het hantavirus die van mens op mens overdraagbaar is. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens vindt alleen plaats als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben.
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren naar die ontbrekende kennis?
Voor de aanpak van deze uitbraak is de huidige kennis afdoende. Eerdere uitbraken in Zuid-Amerika hebben laten zien dat met case opsporing en contact tracing een uitbraak snel onder controle gebracht kan worden. Daarnaast zijn, toen het schip voor anker lag bij de Kaapverdische eilanden op 4 en 5 mei 2026, epidemiologen van de WHO en het ECDC aan boord gegaan om de uitbraak te onderzoeken en meer inzicht te verkrijgen. Via monitoring en onderzoek wordt aanvullende kennis opgebouwd.
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen werd met symptomen van het Hantavirus?1
Het mediabericht is bekend. Via officiële kanalen is hierover niets gemeld.
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Deze informatie is niet bekend. Uit het feit dat er in het overzicht van ECDC geen informatie is opgenomen over een persoon uit Italië kan worden opgemaakt dat deze persoon niet besmet was.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover meer kennis te vergaren?
Het andesvirus is het enige soort hantavirus, waarbij aanwijzingen zijn voor overdracht van mens op mens. Overdracht vindt waarschijnlijk plaats via direct speekselcontact, en mogelijk ook via druppels uit de neuskeelholte. De kans dat mensen elkaar besmetten, is klein. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van het andesvirus van mens op mens kan alleen gebeuren bij intensief en langdurig contact met een besmet persoon.
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke of bevestigde besmetting?
Er loopt bron- en contactopsporing in relatie tot de uitbraak op het schip m/v Hondius. Hiervoor heeft het RIVM een speciale richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Ja, het andesvirus beschikt niet over de eigenschappen die kunnen leiden tot grote uitbraken. Het andesvirus verspreidt alleen van mens tot mens bij intensief en langdurig contact. Uitbraken die bekend zijn, zijn klein in aantallen en altijd gelinkt aan een specifieke setting zoals huishouden, ziekenhuis, verjaardag of zoals nu een cruiseschip. Daarnaast zijn maatregelen uit voorzorg genomen naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. Alle opvarenden van de m/v Hondius zijn ofwel in isolatie in het ziekenhuis, ofwel in quarantaine op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, ofwel in thuisquarantaine. Zij worden strikt gemonitord: de GGD is in direct, dagelijks contact met deze personen.
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Als iemand besmet blijkt te zijn met het andesvirus en voor de infectie kenmerkende klachten ontwikkelt, wordt de desbetreffende persoon opgenomen in een academisch ziekenhuis. De GGD voert bron- en contactopsporing uit bij de besmette persoon en plaatst diens hoogrisicocontacten zo nodig uit voorzorg in thuisquarantaine. Diagnose van de besmette persoon wordt vastgesteld binnen een paar uur bij het RIVM dan wel het Erasmus MC. Bij bevestiging van de diagnose wordt de quarantaine tot zes weken na het laatste onbeschermde contact gecontinueerd.
Tijdens thuisquarantaine gaat iemand thuis (of ergens anders) in quarantaine: bij gezondheidsklachten moet men meteen de GGD bellen. De GGD begeleidt de personen in thuisquarantaine en geeft advies op maat. Het doel van thuisquarantaine is het bewaken van de gezondheid van de mensen in quarantaine en hun naasten, en het voorkomen van verspreiding van infectieziekten.
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Er is geen geregistreerde behandeling of (internationale) richtlijn voor andesvirus-infecties. Bij mensen die met ernstige ziekte door het andesvirus in het ziekenhuis worden opgenomen, is de behandeling vooral gericht op het ondersteunen van de ademhaling en het voorkomen van andere complicaties. Er zijn meerdere antivirale middelen die werkzaam zouden kunnen zijn. Voor sommige middelen zijn er data over in vitro gevoeligheid of uit dierproeven. Wat dat betekent voor behandeling van mensen is nog niet bekend. Er zijn echter zeer weinig data over het effect van antivirale middelen bij andesvirus-infecties bij mensen, omdat deze variant zelden voorkomt.
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Er zijn meerdere vaccins in ontwikkeling tegen hantavirussen. Deze vaccins zijn allemaal nog in een premature ontwikkelingsfase, zodat er geen vaccins zijn, behoudens vaccins in China en Zuid-Korea tegen de daar circulerende hantavirussen. Deze worden daar bij risicogroepen ingezet en werken niet tegen het andesvirus.
In Nederland gelden algemene preventieve maatregelen tegen besmetting met de in Nederland voorkomende varianten van het hantavirus. Voor het andesvirus heeft het RIVM een richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Op EU-niveau wordt informatie uitgewisseld over welke medische tegenmaatregelen ingezet kunnen worden om de verspreiding van andesvirus tegen te gaan. Het gaat dan om onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen, in combinatie met protocollen rondom het gebruik ervan. Ook wordt geïnventariseerd welke geneesmiddelen eventueel van meerwaarde zouden kunnen zijn voor bijvoorbeeld de behandeling van symptomen. Er zijn nog geen concrete stappen gezet op het gebied van vaccinontwikkeling.
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde vaccins?
Op dit moment is er geen specifiek onderzoek geïdentificeerd naar vaccins tegen het andesvirus waar vanuit Nederland of op EU-niveau financiering voor beschikbaar gesteld kan worden.
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Nederland ondersteunt bij internationale uitbraken als die van het Hantavirus met het uitwisselen van kennis en informatie en het delen van ervaringen via de Health Security Committee, de ECDC en de WHO.
De bilaterale, Europese en internationale samenwerking is goed verlopen. Nederland is ook tevreden met de wijze waarop de WHO en de Europese Commissie de coördinatie hebben opgepakt. Nederland heeft via bilaterale samenwerking nauw samengewerkt met andere lidstaten, en dan met name Spanje. Dit gebeurde zowel via het postennetwerk als ook via het netwerk van het Health Security Committee (HSC). Op Europees niveau vonden bijna dagelijks bijeenkomsten plaats van dit comité onder voorzitterschap van de Europese Commissie. Ook zijn door de Europese Commissie bijeenkomsten georganiseerd met landen buiten de EU, die passagiers aan boord van de m/v Hondius hadden, om hen op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen en eventuele vragen te beantwoorden. Het Europese Uniemechanisme voor civiele bescherming, en in het bijzonder het Emergency Response Coordination Centre van de Europese Commissie, organiseerde daarnaast diverse overleggen om overzicht te creëren in de verschillende repatriëringsacties van de EU-lidstaten.
Daarnaast heeft het RIVM het Europese Unie referentielaboratorium voor de publieke gezondheid op het gebied van knaagdier-overdraagbare infectieziekten gesteund met adviezen en materialen, zodat zij centraal weer laboratoria in andere EU-landen kunnen steunen en heeft het RIVM laboratoria in andere landen voorzien van protocollen.
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige kabinet?
Het pandemieverdrag, waarover de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, kan een belangrijke bijdrage leveren ten aanzien van het voorkomen van, en het vergroten van de paraatheid ten aanzien van uitbraken, ook die van virussen zoals het andesvirus. Het verdrag richt zich onder meer op het sneller delen van virusmateriaal en informatie tussen landen wereldwijd. Bij een situatie zoals die zich voordeed op het m/v Hondius, waarbij meerdere landen in Afrika en Europa betrokken zijn, kan dat bijdragen aan een beter begrip van de situatie. De bevestiging dat het hier ging om de andesvariant van het hantavirus werd al snel geleverd via een Zuid-Afrikaans laboratorium.
Het kabinet is van mening dat het pandemieverdrag een zinvolle bijdrage kan leveren aan pandemische paraatheid en hoopt daarom dat de definitieve tekst van het verdrag spoedig wordt afgerond. Deze virusuitbraak toont aan dat pandemische paraatheid onverminderd aandacht blijft vereisen.
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
De internationale samenwerking rond surveillance is door de COVID-19-pandemie versneld en afspraken over het leveren van data hebben ook hier een meer verplichtend karakter gekregen. Nederland is nauw aangesloten op het internationale systeem van monitoring en surveillance van infectieziekten. Het RIVM is nationaal contactpunt voor het ECDC en neemt deel aan Europese surveillanceprogramma’s voor infectieziekten, zoals surveillance van antimicrobiële resistentie (EARS-Net), influenza (griep) en voedsel-gerelateerde infecties. Het RIVM staat, mede via de programma’s en systemen van het ECDC en de WHO, in nauw contact met volksgezondheidsinstituten in het buitenland. Bij het RIVM worden infectieziektesignalen uit binnen- en buitenland wekelijks besproken tijdens het Signaleringsoverleg, waaraan ook GGD’en deelnemen. De signalen vormen de basis van de opschalingsstructuur om waar nodig bestrijdingsmaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen.
Voor bepaalde ziekteverwekkers, die worden overgedragen door vectoren zoals teken, muggen, knutten en zandvliegen of via voedsel (zoals Salmonella), is het RIVM door de Europese Commissie benoemd tot Europees referentie laboratorium (EURL) voor publieke gezondheid. Binnen deze referentienetwerken vindt veel uitwisseling plaats van kennis en nieuwe ontwikkelingen.
Ook neemt het RIVM deel aan Europese projecten betreffende gezamenlijke versterking van diagnostiek, surveillance/uitbraakdetectie, het delen van data en pandemische paraatheid. Dit gebeurt vaak vanuit de One Health-benadering. De WHO heeft binnen het RIVM meerdere zogenaamde samenwerkingscentra (Collaborating Centres) aangewezen die verschillende WHO-activiteiten ondersteunen. Hierin werken internationale partijen samen op het gebied van onder meer pokken, ziekteverwekkers in voedsel, antimicrobiële resistentie en water. Daarnaast is het RIVM WHO Collaborating Centre op het gebied van «laboratory preparedness and response to high risk pathogens and biorisk» en heeft het in die hoedanigheid de benodigde netwerken voor laboratorium signalering, expertise uitwisseling en ondersteunt het bij internationale uitbraken, bijvoorbeeld door referentiebepalingen, confirmatie van diagnostiek of het aanleveren van monsters. Tevens ondersteunt het RIVM de WHO bij de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling (IHR).
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises. De kern daarvan is dat Nederland internationale samenwerking, surveillance, kennisuitwisseling en financiering inzet om gezondheidscrises beter te voorkomen en te beheersen. Nederland heeft een kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie vastgesteld waarin extra nadruk ligt op versterking van gezondheidssystemen wereldwijd en voorbereiding op toekomstige pandemieën. Er gaat extra aandacht naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering, omdat die nieuwe infectie- en gezondheidsrisico’s kunnen vergroten. Het RIVM is betrokken bij Europese partnerschapsprogramma's en internationale onderzoeksprojecten, dat zich richt op pandemische paraatheid, en faciliteert daarnaast ook onderzoek naar infectieziekten en deelt kennis met andere partijen om effectieve preventie en behandeling te waarborgen. Het RIVM verzamelt en deelt tevens data over infectieziekten om deel te nemen aan internationale «datasharing» initiatieven die ook voor onderzoeksdoeleinden gebruikt worden. Deze initiatieven zijn cruciaal voor het voorkomen van uitbraken en het verbeteren van de gezondheidssamenwerking wereldwijd.
Ook heeft Nederland in de afgelopen jaren financieel bijgedragen aan het internationale pandemiefonds, dat zich richt op het versterken van preventie en paraatheid in met name ontwikkelingslanden, en aan CEPI, het internationale onderzoekcollectief dat onder meer vaccinontwikkeling bevordert rondom ernstige infectieziekten.
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een versterking van de nationale en internationale surveillance en samenwerkingsstructuren, die ervoor moeten zorgen dat grootschalige uitbraken voorkomen worden, en als ze voorkomen, dat ze snel gesignaleerd worden en dat de wereld beter voorbereid is ze in gezamenlijkheid te bestrijden. Nederland heeft daarin een actieve rol en stelt expertise beschikbaar.
De EU heeft de afgelopen jaren in de wetgeving, samenwerkingsverbanden en coördinatie versterkt op het gebied van pandemische paraatheid en respons en er is meer samenwerking en informatie- en data-uitwisseling op het gebied van hoogrisicopathogenen en bioriskmanagement. Op WHO-niveau is in 2024 naar aanleiding van de COVID-19-pandemie de Internationale gezondheidsregeling gewijzigd, die binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Ook de onderhandelingen over een specifieke bijlage bij het WHO-pandemieverdrag bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Door deze versterkingen en initiatieven zijn de mondiale structuren op het vlak van pandemische paraatheid robuuster geworden. Dat neemt niet weg dat lidstaten individueel verantwoordelijk zijn en blijven voor het op peil houden van hun pandemische preventie, paraatheid en respons.
Met betrekking tot de pandemische paraatheid en de bestrijding van infectieziekten hebben in Caribisch Nederland de vier landen overeenstemming bereikt over de verdere ontwikkeling van de Dutch Caribbean Public Health Expertise Network (DuCaPHEN). Daarmee wordt de gezamenlijke inzet voor kennisuitwisseling en regionale coördinatie op het gebied van volksgezondheid versterkt. De landen hebben bovendien herbevestigd dat zij blijven streven naar geharmoniseerde wet- en regelgeving op het gebied van volksgezondheid in het Caribische deel van het Koninkrijk. De vier landen nemen stappen om de crisisparaatheid te verbeteren, wat cruciaal is om het Koninkrijk effectief en gecoördineerd op gezondheidscrises te laten reageren.
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
De regering zet zich onverminderd in voor het versterken van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid. Dit doet zij door een actieve opstelling in de onderhandelingen rondom het pandemieverdrag alsook door actief bij te dragen aan verdere versterking en verbetering van de EU-samenwerking op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Ook voert Nederland de Mondiale Gezondheidsstrategie uit, waar onder meer pandemische paraatheid en het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur kernthema’s zijn, en draagt zij in multilaterale fora actief bij aan de verbetering van de mondiale gezondheidsarchitectuur, waarbij de samenwerking tussen overheidsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties, fondsen en andere partners beter op elkaar afgestemd moet worden.
Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja, die mening deel ik. De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) doen onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
De aanpak van (online) seksueel misbruik heeft hoge prioriteit binnen de politie. De politie beschikt over gespecialiseerde zedenrechercheurs die zijn opgeleid om dergelijke signalen te herkennen en op een sensitieve manier in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik. Zij helpen bij het in kaart te brengen wat het slachtoffer is overkomen, geven een beeld van de strafbaarheid van de feiten en brengen de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer in kaart. Deze zedenrechercheurs staan in nauw contact met organisaties als Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits en zullen slachtoffers verwijzen indien bijvoorbeeld behoefte is aan herstelvoorzieningen.
De strafrechtelijke aanpak van online criminaliteit is complex door snelle technologische ontwikkelingen en het vaak grensoverschrijdende karakter van deze zaken. Omdat online criminaliteit niet ophoudt bij de landsgrenzen zit aan deze zaken vaak een internationale component. Deze complexe en tijdrovende onderzoeken vergen veel capaciteit van zowel politie als OM, terwijl die capaciteit schaars is. Politie en OM spannen zich ten uiterste in om deze vormen van criminaliteit aan te pakken.
Een concreet voorbeeld van een opsporingsonderzoek werd bekend op 4 juni jl. Nadat informatie was binnengekomen van overheidsdiensten uit Duitsland en Engeland is een onderzoek gestart door het Team Seksuele Misdrijven en de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Rotterdam. Uit informatie bleek dat mogelijk meerdere vrouwen in Nederland gedrogeerd waren door iemand uit hun directe omgeving. Vervolgens zijn er seksuele handelingen bij de slachtoffers verricht, terwijl zij werden gefilmd. Het gaat hier niet om de website Motherless, maar om besloten social media-groepen waar de verdachten zich in begaven, informatie werd gedeeld en tips werden gegeven over hoe je slachtoffers het beste kan drogeren. Ook werden er beelden van het misbruik uitgewisseld. Rechercheurs van de eenheid Rotterdam konden acht verdachten identificeren. Op woensdag 27 en donderdag 28 mei heeft de politie op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. De rechercheurs van Team Seksuele Misdrijven uit verschillende eenheden doen nu verder onderzoek naar de verdachten binnen hun eenheid.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Elke website heeft een plek nodig om die website te laten draaien: een server. Servers wordt verhuurd door hostingproviders. Het artikel beschrijft dat de website waarop het illegale materiaal is aangetroffen, «Motherless», wordt gehost door een Nederlandse hostingprovider.
Nederland beschikt over een van de sterkste digitale infrastructuren ter wereld, mede dankzij het internetknooppunt AMS-IX, snelle verbindingen en een groot aantal datacenters. Daardoor heeft de Nederlandse hostingsector internationaal een sterke positie opgebouwd. De voordelen hiervan zijn groot voor legale digitale dienstverlening en economische activiteiten. Het hosten van de website in Nederland betekent overigens niet automatisch dat de personen die het materiaal bekijken of verspreiden zich in Nederland bevinden. Gebruikers en verspreiders kunnen zich overal ter wereld bevinden.
De keerzijde van onze sterke digitale infrastructuur, is dat deze helaas ook kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, waaronder de verspreiding van illegale content, zoals materiaal van seksueel misbruik. Om deze reden heeft Nederland de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in een stevige infrastructuur voor meldingen, ondersteuning en bestrijding van online seksueel misbruik. Zo spelen organisaties als Offlimits en de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) een belangrijke rol bij het melden, laten verwijderen en tegengaan van illegaal online materiaal en het ondersteunen van slachtoffers.
Het kabinet acht het van groot belang om malafide hostingpraktijken en kwaadwillende klanten van hostingaanbieders effectief aan te pakken. Omdat digitale infrastructuur en online criminaliteit grensoverschrijdend zijn, is samenwerking op Europees en internationaal niveau daarbij essentieel. Mijn ministerie zet zich hier actief voor in. In het kader van de aanpak van zogenoemde «bad hosting» worden gesprekken gevoerd om de urgentie van een gezamenlijke Europese aanpak verder te vergroten. Daarnaast is in het recente non-paper over het Europese Tech Sovereignty Package aandacht gevraagd om misbruik van digitale infrastructuurdiensten tegen te gaan.
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de Digital Service Act (DSA) werkt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten. Verder zet de ACM als DSC zich in voor nationale samenwerking over toezichtsterreinen heen. Onder haar voorzitterschap is het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders (SDT) opgericht, waaraan twaalf organisaties deelnemen, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), het Openbaar Ministerie en de politie. Binnen het SDT is een DSA Kamer ingericht met als doel kennis en ervaring over toezicht en handhaving ten aanzien van online tussenhandelsdiensten te bundelen en uit te wisselen. Dit draagt bij aan versterking van verschillende vormen van handhaving, zoals bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Wanneer tussenhandeldiensten niet goed meewerken met autoriteiten die illegale inhoud bestrijden of onvoldoende bereikbaar zijn, overtreden zij daar mogelijk de DSA mee. De DSA bepaalt echter niet welke inhoud illegaal is. De ACM kan dan ook geen verwijdering van illegale inhoud vorderen. Bevoegde autoriteiten, zoals het Openbaar Ministerie en de ATKM, kunnen dat wel. De DSA draagt indirect wel bij aan het tegengaan van illegale inhoud. Diverse verplichtingen die gelden voor tussenhandeldiensten maken het voor autoriteiten, betrouwbare flaggers (zoals Offlimits), en personen namelijk makkelijker om illegale inhoud te melden en tegen te gaan.
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Ik deel de beoordeling. Afhankelijk van de specifieke gedragingen en de context waarin deze zijn begaan, en of sprake is van een meerderjarig of minderjarig persoon waarvan het materiaal is gemaakt, kan sprake zijn van verschillende strafbare feiten, waaronder aanranding (240, 241, 245, 247, 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), verkrachting (242, 243, 246, 248 en 250 Sr), misbruik van seksueel beeldmateriaal (254ba Sr) en seksueel kindermisbruik (252 Sr).
Zoals bij vraag 2 geantwoord, doen de politie en het OM onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen. Zie het antwoord bij vraag 8 over mogelijkheden tot aanpak in algemene zin.
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun, praktische hulp en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Centrum Seksueel Geweld, Fier, Offlimits en Fonds Slachtofferhulp vormen samen een consortium tegen online seksueel geweld. Dit consortium is opgericht in 2021 en heeft als doel online seksueel geweld te adresseren, te bestrijden en slachtoffers sneller en beter te kunnen helpen. Zo kunnen slachtoffers van (online) seksueel geweld bij het CSG terecht voor forensische, medische en psychische hulp. Fier is een ggz- en jeugdhulpinstelling en landelijk expert op het gebied van (seksueel) geweld, uitbuiting en eerkwesties. Offlimits biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik. Offlimits kan bijvoorbeeld helpen met het laten verwijderen van online illegaal materiaal.
De hulplijn van Offlimits heeft weinig meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
Bij het meldpunt van Offlimits – specifiek voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik – bestond een aanzienlijk deel van de meldingen over Motherless uit beeldmateriaal dat wordt gemeld, maar juridisch gezien niet direct als illegaal wordt gekwalificeerd, omdat het niet gaat om beeldmateriaal van seksueel kindermisbuik maar om seksueel beeldmateriaal van volwassenen, dat alleen illegaal is indien het zonder toestemming is gemaakt en verspreid.
Op grond van artikel 44 lid 4 van de Wet op rechtsbijstand heeft een slachtoffer van een ernstig seksueel misdrijf, zoals verkrachting, recht op kosteloze rechtsbijstand door een slachtofferadvocaat, indien het slachtoffer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven en er een verdachte is.
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
De politie geeft aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». De politie geeft daarbij aan meldingen te hebben ontvangen over beeldmateriaal waarbij het vermoeden is dat het slachtoffer is gedrogeerd en seksueel misbruikt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 heeft de politie op woensdag 27 en donderdag 28 mei op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. Op dit moment is nog niet duidelijk hoeveel slachtoffers er zijn. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig. Het OM voert het gezag over het strafrechtelijk onderzoek en maakt daarbij een afweging over de inzet van capaciteit en de prioriteit die aan het onderzoek wordt gegeven.
De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Ook internationaal (o.a. in Europol-verband en bilateraal) werkt de politie samen voor het uitwisselen van ervaring, kennis en expertise op dit gebied, en wordt gezamenlijk opgetrokken in strafrechtelijk onderzoeken.
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3, betekent het enkele feit dat bepaalde websites met kinderpornografisch materiaal in Nederland worden gehost, niet dat Nederland ook relatief veel vervaardigers of verspreiders van dergelijk materiaal kent. Hostinglocatie en daderschap zijn twee verschillende zaken; vervaardigers en uploaders kunnen zich wereldwijd bevinden.
Ik ben trots op de aanpak die in Nederland is ingericht om online seksueel misbruik en de verspreiding van illegaal materiaal tegen te gaan. Er staat een brede en goed functionerende keten, waarin onder meer Offlimits, de ATKM, de ACM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de politie en het OM nauw samenwerken, samen met de hostingsector in publiek-private samenwerking. Deze keten zorgt ervoor dat meldingen worden opgepakt, materiaal waar mogelijk snel wordt verwijderd en strafrechtelijk wordt opgetreden waar dat kan.
Tegelijkertijd is het van belang dat de beschikbaarheid van illegaal materiaal, via in Nederland gehoste infrastructuur, wordt tegengegaan. Dat vraagt voortdurende inzet, zie in dat kader onder andere ook het antwoord op vraag 12 met betrekking tot hostingdiensten.
Relevant in dit verband is dat de DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. De DSA zal in november 2027 door de Europese Commissie worden geëvalueerd, wat kan resulteren in een herziening. Dat biedt een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn, en of een onderwerp zoals een «know your customer» verplichting voor hostingdiensten, daarin kan worden meegenomen. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Op grond van de DSA gelden diverse zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de ACM aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Wanneer iemand aangifte of melding doet van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en politie een verzoek tot vrijwillige verwijdering doen, omdat dit het snelst resultaat biedt. De politie kan dit verzoek alleen doen als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd. Als dit niet het gewenste effect heeft, kan de Officier van Justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken. Een wettelijk verwijderbevel kan nodig zijn als de aanbieder niet bereid is om op basis van een vrijwillig verwijderverzoek de gegevens ontoegankelijk te maken.
Voor zover de genoemde platforms kunnen worden gekwalificeerd als aanbieder van communicatiediensten, en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen2. Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen. Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiserings-technieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, heeft de Officier van Justitie ook de mogelijkheid een doorzoeking te doen en gegevens in beslag nemen.
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
De ATKM werd in 2023 opgericht en bestrijdt de verspreiding van beeldmateriaal van kindermisbruik door actief onderzoek te doen en online content te beoordelen. Dit doet zij op basis van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, die de bevoegdheid geeft om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De AP is aangewezen als de toezichthoudende autoriteit op de toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Om dat te kunnen doen, heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, zoals in het geval van niet-consensuele uitkleedbeelden, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen. Het is de AP zelf die bepaalt of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken.
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
Ja die opvatting deel ik. Individuele gebruikers die naaktbeelden die zonder toestemming zijn gemaakt of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik plaatsen zijn strafbaar op grond van respectievelijk de artikelen 254ba en 252 Sr en dienen te worden opgespoord en vervolgd. Wel verdient het hierbij de opmerking dat opsporingscapaciteit bij politie en OM per definitie schaars is en dat soms de afweging gemaakt moet worden wat wel en niet verder onderzocht kan worden.
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
De Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, gaat uit van het uitgangspunt dat online en offline handelingen even strafwaardig zijn. Hierdoor zijn meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld en zijn straffen, onder andere voor seksueel misbruik van kinderen, verhoogd. Met deze verhoging van de strafmaxima wordt de ernst van deze vormen van misbruik benadrukt.
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Op 31 december 2025 was de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen zedenteams) 708fte en de bezetting was op dat moment 669 fte.
Een melding of aangifte komt in de meeste gevallen in eerste instantie binnen bij de gebiedsgebonden politie. De interne werkinstructie seksuele delicten3 schrijft voor dat alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies dienen worden voorgelegd aan de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies. In bepaalde situaties kan de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft, of in gevallen waar er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Door digitalisering, groeiend gebruik van online communicatiemiddelen en technologische ontwikkelingen (waaronder AI en end-to-end-encryptie) heeft de politie te maken met een enorme stijging van het aantal meldingen en is ook de complexiteit van zaken enorm toegenomen. Het aantal online seksuele misdrijven in 2025 met 46% gestegen is ten opzichte van het voorgaande jaar, naar ongeveer 3000 registraties. Ook benadrukt de politie dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan de inzet van (nieuwe) technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen. Daders die meerdere slachtoffers maken zullen hierdoor eerder in beeld komen en ook nieuwe fenomenen kunnen sneller worden herkent.
Anders dan bij kinderporno zijn de juridische mogelijkheden voor opsporing van verdachten in dit soort zaken zonder dat een (volwassen) slachtoffer zich heeft gemeld of bekend is, zeer beperkt. Op basis van alleen het materiaal zelf is vaak moeilijk vast te stellen of die beelden onrechtmatig tot stand zijn gekomen.
De politie en het OM hebben in het kader van het «Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken» extra geld gekregen om, waar mogelijk, de capaciteit voor de behandeling van zedenzaken binnen de organisatie uit te breiden. Ook wordt gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden en het verbeteren en verder professionaliseren van de aanpak van zedenzaken. Het OM hanteert bij de behandeling van deze dossiers het bestaande wettelijk kader. Op elk arrondissementsparket is een coördinerend officier seksuele misdrijven aangesteld en zijn alle officieren van justitie, die belast zijn met de behandeling van zaken met betrekking tot seksuele misdrijven, gecertificeerd.
De ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden, zal in de uitwerking dan ook een bredere invulling krijgen. Er wordt een impuls gegeven aan de aanpak van online seksuele misdrijven om te komen tot een meer multidisciplinaire aanpak, met verschillende specialismen (o.a. digitale en tactische expertise, en op het gebied van zeden), meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. In de beleidsbrief van het Ministerie van JenV over de nadere uitwerking van het coalitieakkoord4 is de Kamer geïnformeerd over de investeringen in de aanpak van onder meer online seksueel misbruik. Bij de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) zal ik de Kamer informeren over hoe de middelen voor de politie precies worden besteed.
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Voor zover het hier gaat om online diensten die kwalificeren als hostingdiensten onder de DSA zijn deze in beginsel niet verantwoordelijk voor hetgeen door gebruikers op hun servers wordt geplaatst. Dat zijn in eerste instantie hun gebruikers of klanten zelf. De DSA bevat enerzijds een kader voor (de uitsluiting van) de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten, voor informatie die door hun gebruikers wordt verstrekt en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten. Het aansprakelijkheidskader voor tussenhandeldiensten harmoniseert binnen de Europese Unie de voorwaarden op grond waarvan deze aanbieders niet aansprakelijk zijn voor informatie van derden die zij opslaan of doorgeven. Om een beroep te kunnen doen op de aansprakelijkheidsvrijstelling voor hostingdiensten mag de aanbieder bijvoorbeeld niet daadwerkelijk kennis hebben van illegale inhoud die zijn klanten bij hem opslaan en moet hij, wanneer hij die kennis wel krijgt, prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Indien een hostingdienst hier niet aan voldoet, kan deze zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling.
Indien een strafbaar feit wordt begaan met gebruikmaking van een communicatiedienst, is strafrechtelijke vervolging van de tussenpersoon als zodanig uitgesloten indien hij voldoet aan een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 125p Sv of een beslissing tot verwijdering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verordening terroristische online-inhoud of een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Voldoet een tussenpersoon hier niet aan dan is aansprakelijkheid niet uitgesloten en kan vervolging mogelijk zijn.
In Nederland nemen veel hostingdiensten uit eigen beweging maatregelen om misbruik tegen te gaan op basis van de Gedragscode Abusebestrijding.5 Deze is enkele jaren geleden door de sector zelf opgesteld. Het zogeheten «Know your customer beleid» maakt onderdeel uit van de deze gedragscode. Hostingdiensten kunnen zich vrijwillig aan de code committeren.
De Kamer is eerder geïnformeerd over de aanpak van malafide hostingpartijen.6 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders, die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving, verkend. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Er wordt in Nederland ingezet op het zo snel mogelijk verwijderen van online illegale content, zoals materiaal van seksueel kindermisbruik en naaktbeelden zonder toestemming, om hernieuwde schade bij slachtoffers te voorkomen. Daarbij is een duidelijke taakverdeling ingericht tussen Offlimits en de ATKM.
Offlimits doet, vanuit haar rol als trusted flagger, verwijderverzoeken richting aanbieders van hostingdiensten. In Nederland is via de Gedragscode Notice-and-Take-Down met de hostingsector afgesproken dat meldingen van Offlimits in principe binnen 24 uur worden behandeld. In de praktijk werken vrijwel alle hostingpartijen hier goed aan mee en wordt illegaal materiaal snel offline gehaald. Hoewel die 24-uursnorm met name bij kleinere partijen niet altijd volledig wordt gehaald, is de respons over het algemeen adequaat en wordt illegaal materiaal doorgaans snel verwijderd. Wanneer een hostingpartij structureel niet of onvoldoende reageert, kan de ATKM, in het geval van materiaal van seksueel kindermisbruik, bestuursrechtelijk optreden tegen deze partijen en een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
Sinds 7 april 2025 kan de ATKM formele verwijderbevelen uitvaardigen. Op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet in zo’n bevel een concrete termijn worden opgenomen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt maximaal twaalf uur. Dit maakt het mogelijk om in hardnekkige gevallen snel en bindend in te grijpen.
Daarnaast geldt op grond van artikel 15 van de DSA dat aanbieders van online diensten jaarlijks transparantierapporten moeten publiceren over hun contentmoderatie. Daarin wordt onder meer inzicht gegeven in de mediane reactietijd op bevelen van autoriteiten en meldingen van trusted flaggers, waardoor de effectiviteit van de aanpak ook op systeemniveau inzichtelijk wordt gemaakt.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Zie hiertoe mijn antwoorden op vragen 7 en 12.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
Dit is helaas niet gelukt.
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het CPB-rapport «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens». Dit rapport geeft aan dat economische verschillen tussen huishoudens kunnen toenemen als inkomen uit vermogen verschillend wordt belast. Wanneer deze verschillen blijven toenemen, dan kan dat leiden tot minder kansengelijkheid en een afname van de toekomstige welvaart. Het CPB geeft daarbij aan dat het in die zin een aanknopingspunt kan zijn voor beleid en bijvoorbeeld mee worden gewogen bij keuzes voor het belastingstelsel. Deze boodschap van CPB zijn helder en relevant om ter harte te nemen. Tegelijkertijd is deze boodschap niet nieuw. In 2022 is het IBO Vermogensverdeling verschenen met dezelfde boodschap. De analyse van het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011–2019. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Verder is het maximum pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en gelijk aan het in 2024 geldende maximum van € 137.800 euro. In het coalitieakkoord is afgesproken dit maximum ook voor de komende 6 jaren geldt. Daardoor wordt de fiscale ondersteuning voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt. Ook werkt dit kabinet aan het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3, wat ook voor meer evenwicht gaat zorgen. Het wetsvoorstel daartoe ligt in de Eerste Kamer. Tot slot zet het kabinet stappen op andere aanbevelingen van het CPB, onder andere in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Het kabinet volgt de inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS die ook internationaal gangbaar zijn. De statistische definitie van vermogen van huishoudens luidt als volgt: Alle financiële en niet-financiële bezittingen van huishoudens (spaargelden, aandelen, deelnemingen in bedrijven, ondernemingsvermogen, de eigen woning, overig onroerend goed en overige bezittingen) minus de schulden en leningen. Het aanmerkelijk belang (deelneming in bedrijven) behoort dus tot het vermogen van huishoudens.
Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit vermogen in de inkomstenbelasting. Volgens de inkomensstatistieken van het CBS maken winsten van ondernemingen deel uit van het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders op het moment dat ze uitgekeerd worden. Dat is tevens het moment dat ze worden belast in box 2.
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken over het vermogen van huishoudens. De reden daarvan is dat mensen hun collectief opgebouwde pensioenvermogen niet direct in handen hebben en het ook niet aan iemand anders kunnen geven. Wordt het pensioenvermogen wel bij het vermogen van huishoudens meegeteld, dan maakt het 35% uit van het totale vermogen van huishoudens begin 2024. Het meetellen van collectief opgebouwde pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid. Verder geldt dat – net als het collectief opgebouwde pensioenvermogen – het pensioen eigen beheer (PEB) respectievelijk de oudedagsvoorziening (ODV) die in de bv zijn opgebouwd, ook niet zijn meegenomen in de vermogensstatistiek. Het PEB en ODV behoren niet tot het eigen vermogen van een bv (het betreft immers een pensioentoezegging) en daarmee niet tot het aanmerkelijk belang. Ten slotte zij voor de volledigheid vermeld dat ook individuele oudedagsvoorzieningen bij een bank, verzekeraar of beleggingsinstelling (het zogeheten derde pijler oudedagsvoorzieningen) niet worden meegenomen in de vermogensstatistiek.2
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Het CBS heeft voor de jaren 2006 tot en met 2021 ook de vermogensverschillen tussen huishoudens berekend waarbij het collectief opgebouwde pensioenvermogen is meegenomen.3 Het meenemen van het collectief opgebouwde pensioenvermogen verkleint de vermogensongelijkheid in termen van de Gini-coëfficiënt4 en het aandeel van de top 1% in de vermogensverdeling van huishoudens. Dit komt doordat huishoudens met weinig of geen vermogen vaak wel pensioenvermogen in de tweede pijler hebben. De meer vermogende huishoudens hebben uiteraard ook vaak pensioenvermogen in de tweede pijler, maar voor hen is het aandeel van pensioenvermogen in hun totale vermogen relatief kleiner. Daarom wordt het verschil tussen huishoudens aan de onderkant en de bovenkant in verhouding kleiner als het pensioenvermogen wordt meegenomen in de verdeling. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogende 59% van het totale vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. In 2021 was de Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioen 0,74. Inclusief pensioenvermogen is dat bijna 0,10 lager.
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang van huishoudens in Nederland volgens de vermogensstatistiek van het CBS.5 De toename van de waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg daarmee 44% in de periode 2019 -2024. Hierbij betreft 2024 nog een voorlopig cijfer. In de periode 2011–2019 steeg de totale waarde van het aanmerkelijk belang met 80%. In beide perioden was de gemiddelde groei per jaar vrijwel gelijk: 7,6% per jaar.
390
431
400
492
580
563
Wat het effect van de genoemde maatregelen op de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang is geweest in de periode na 2019 is niet bekend. Hiervoor moet het effect van de maatregelen worden gescheiden van effecten als gevolg van economische ontwikkelingen. De Wet excessief lenen die in 2023 van kracht is geworden wordt dit jaar geëvalueerd en de invoering van een tweede schijf in box 2 van de inkomstenbelasting per 2024 volgend jaar. Pas na verloop van tijd kunnen uitspraken worden gedaan over de structurele effecten van de opeenvolgende beleidsmaatregelen sinds 2019.
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Het doorsnee vermogen van huishoudens in de afgelopen decennia sterk is gestegen. Deze toename hangt samen met de stijging van de materiële welvaart in Nederland in het algemeen en met de stijgende huizenprijzen in het bijzonder. De vermogensontwikkeling wordt door twee trends gedreven. Deze trends zijn de sterk stijgende huizenprijzen die woningeigenaren ten goede zijn gekomen en die vooral in het midden en de top van de verdeling zitten, en daarnaast de toename van de aanmerkelijk-belangvermogens van de dga’s onder de meest vermogenden. De vermogensverschillen tussen eigenwoningbezitters en huurders en tussen dga’s en andere type werkenden zijn door deze twee trends groter geworden. Hierdoor zijn in absolute zin de vermogens van de meest vermogenden het sterkst gestegen en zijn de vermogens van de middengroepen in relatieve zin sterker gestegen.
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Ja.
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Er vindt via de collectieve uitgaven (waaronder toeslagen) en overdrachten in geld en natura een grote herverdeling plaats van hogere inkomens naar lagere inkomens. Het CPB heeft in zijn rapport gekeken naar de rol van het belastingstelsel in de verdeling van vermogen van huishoudens en stelt dat het belastingstelsel bestaande inkomens- en vermogensverschillen tussen huishoudens eerder vergroot dan verkleind. Belastingkortingen maken deel uit van het belastingstelsel. Toeslagen betreffen uitgavensubsidies en verhogen inkomens van huishoudens. Het betoog van het CPB is dat de overheid nauwelijks herverdeelt via belastingen maar vooral door middel van collectieve uitgaven en overdrachten in geld (waaronder toeslagen) en in natura. Het CPB heeft dit geanalyseerd voor het jaar 2016 en hierover in de CPB Policy Brief «Inkomens en herverdeling» uit 2022 gepubliceerd.6 Onderstaande figuren uit het CPB rapport uit 2022 tonen respectievelijk de betaalde belastingen en sociale premies als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep respectievelijk de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep in 2016.
Overheidsuitgaven per type (als% inkomen), 2016 aandeel%
Onderstaande infographic uit het CPB-rapport uit 2022 illustreert de herverdeling via belastingen versus overheidsuitgaven per inkomensgroep op een wat andere manier. Deze infographic laat zien dat in 2016 50% van de mensen een aandeel had van 19% van het totale inkomen in Nederland en daarmee een gemiddeld bruto jaarinkomen had van € 17.524 en daarover 55% aan belastingen betaalde en een bedrag aan overheidsuitgaven kreeg toebedeeld gelijk aan 129% van hun inkomen. Verder had 40% van de mensen in 2016 een aandeel 49% van het totale inkomen in Nederland, had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 54.865 en betaalde daarover 40% aan belastingen en kreeg een bedrag aan overheidsuitgaven toebedeeld van omgerekend gemiddeld 24% van hun bruto inkomen. En ten slotte ontving 10% van de mensen in 2016 32% van het totale inkomen in Nederland, en had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 142.584, betaalde daarover 36% aan belastingen en kreeg omgerekend 8% van hun gemiddeld inkomen aan overheidsuitgaven toebedeeld.
Verdeling: wie verdient welk deel van de taart
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Dat betekent dat huishoudens met de hoogste inkomens gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan huishoudens in de middenklasse. En dat huishoudens in de middenklasse gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan inkomens in de lagere klassen van het inkomensgebouw. Het CPB laat dat ook zien, zie onderstaande figuur uit het CPB-rapport. Het CPB neemt daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is, doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben, maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest. Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders. Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor de top 1%.
Gemiddeld genomen hebben huishoudens uit de middenklasse een hogere belastingdruk dan huishoudens uit de lagere inkomensklassen. Als gevolg van de gunstige fiscale behandeling van de eigenwoning en collectieve pensioenopbouw kunnen echter grote verschillen in belastingdruk ontstaan bij huishoudens met een gelijk bruto-inkomen. Met andere woorden, een deel van de huishoudens in de middenklasse (die met een eigen woning vaak gepaard met een relatief groot collectief pensioenvermogen) kent een lagere belastingdruk dan een ander deel van de huishoudens in die klasse (die met een huurwoning gepaard met een laag tot geen pensioenvermogen).
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Het kabinet deelt de constatering van het CPB dat als economische welvaartsgroei zich sterk concentreert bij een beperkt aantal huishoudens, dit op termijn kan leiden tot een afname van de toekomstige welvaart en daarmee tot negatieve effecten voor de samenleving als geheel.
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Wat als een redelijke verdeling van inkomen en vermogen kan worden gezien, is deels een kwestie van voorkeuren. Een relatief lage inkomensongelijkheid en een goed functionerend vangnet en een toegankelijk zorgstelsel zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen. Mede door directe inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen en uitkeringen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en de AOW behoort Nederland al decennia samen met Zweden, Denemarken en België tot de landen met de meest gelijk verdeelde inkomens binnen de EU. Nederland kent met de AOW en de mogelijkheid om via de werkgever dan wel via een bank- of verzekeraar fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen een van de beste pensioenstelsels ter wereld. Ook dat is cruciaal voor het welbevinden van mensen. Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en Finland. Het kabinet heeft daarmee geen reden aan te nemen dat de inkomens- en vermogensverdeling in Nederland op dit moment te scheef is. De inkomens- en vermogensverdeling blijken ook vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Het kabinet is van mening dat het verstandig is om activiteiten met positieve externe effecten te stimuleren. Denk daarbij aan innovaties, investeringen en werkgelegenheid. Dit kabinet zet met het Coalitieakkoord stevig in om investeringen te stimuleren en het vestigingsklimaat en de financieringsketen te versterken. Dit wil het kabinet onder andere doen door bedrijven te ondersteunen in investeringen die passen bij onze economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie en behoud van de Innovatiebox. Daarbij wil het kabinet de fiscale energie-aftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling die het mogelijk maakt milieu-investeringen willekeurig af te schrijven (VAMIL) waar mogelijk samenvoegen tot één robuuste investeringsregeling. Het kabinet is hier hard mee bezig.
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Het CPB geeft onder andere een beleidsrichting aan die zorgt voor minder economische verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt. Het CPB geeft hierbij als beleidsoptie dat fiscale regelingen die niet doelmatig of doeltreffend zijn, worden afgeschaft of vervangen door regelingen die beter bijdragen aan het nagestreefde beleidsdoel. Dit sluit ook aan bij de ambitie van het kabinet om fiscale regelingen die ingewikkeld zijn en hun doel niet of nauwelijks bereiken en het stelsel nodeloos complex maken, te schrappen en op die manier het stelsel eenvoudiger en voorspelbaarder maken. Daarnaast geeft het CPB aan dat fiscale prikkels beter gericht worden op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het CPB benoemt hier het scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie.
Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig te scheiden zijn, en dat het daarom kansrijker is om in te zetten op het tegengaan van fiscaal gedreven gedrag door ondoelmatige of ondoeltreffend fiscale regelingen te versoberen, af te schaffen en de opbrengsten daarvan gericht te gebruiken voor het stimuleren van innovaties. Dit strookt met de ambities van het kabinet. Het kabinet deelt de opvatting van het CPB dat het in praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met CPB van mening dat het dan kansrijker is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties. Dit beschouw als aan van mijn belangrijkste taken deze kabinetsperiode.
Een tweede beleidsrichting van het CPB is om belastingen meer naar draagkracht te heffen, door het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn er diverse maatregelen genomen om daarin meer evenwicht aan te brengen. Denk aan het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% in 2023, de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in 2023 en het invoeren van een tweede schijf in box 2 in 2024. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het nieuwe box 3 stelsel op werkelijk rendement wordt daarna doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek.
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage neemt hierdoor in algemene zin af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement. Als box 3 wordt doorontwikkeld tot een volledige vermogenswinstbelasting, dan nemen de verschillen met box 2 verder af.
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
De betreffende percentages die in het onderhavige CPB-rapport worden vermeld zijn door CPB berekend over het jaar 2015. Het CPB heeft daarover in 2019 gepubliceerd.7 Op het titelblad van dit rapport benoemt het CPB dat in 2015 de gemiddelde belastingdruk voor erfenissen en schenkingen waarover belastingaangifte is gedaan 12% voor erfenissen bedroeg en 6% voor schenkingen. Dat de effectieve tarieven voor de schenk- en erfbelasting lager uitkomen dan de statutaire progressieve tarieven komt allereerst door diverse vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. Door het verlagen van deze vrijstellingen kunnen de effectieve tarieven meer in de buurt worden gebracht van de statutaire progressieve tarieven. Onderstaande tabellen tonen de actuele tarieven en vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. De schenk- en erfbelasting kennen een progressieve tariefstructuur met een tarief eerste schijf en een tarief tweede schijf, waarbij de progressieve tarieven afhankelijk zijn van de relatie met de verkrijger. Daarnaast kent de schenk- en erfbelasting verschillende vrijstellingen afhankelijk van de relatie met de verkrijger.
10%
18%
30%
20%
36%
40%
€ 828.035
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 26.230
€ 6.908 (jaarlijks)
€ 33.129 (eenmalig)
€ 69.009 (eenmalig voor dure studie)
€ 78.671
€ 62.110
€ 26.230
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 2.769
€ 2.769 (jaarlijks)
Het partnerbegrip is voor ongehuwden anders dan voor andere belastingen. Belangrijke voorwaarden zijn een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting of ten minste 5 jaar samenwonend.
De jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling (€ 6.908 in 2026) is recent geëvalueerd en op 2 maart jl. naar uw Kamer verzonden.8 Een kabinetsreactie volgt later dit jaar. Verder zijn in 2024 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstellingen voor een dure studie en de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor een vrij te besteden doel geëvalueerd en naar de Tweede Kamer verzonden.9 Naast deze vrijstellingen kent de schenk- en erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De BOR bestaat uit een algehele vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemingsvermogen tot circa € 1,5 miljoen en een vrijstelling van 75% over het bedrag daarboven. In 2022 is de BOR geëvalueerd.10 Daaruit blijkt dat erfenissen en schenkingen onder de BOR relatief groot zijn ten opzichte van de gemiddelde schenking en erfenis en een veel lagere belastingdruk kennen. Uit de evaluatie blijkt dat het bij de BOR in de periode 2010–2017 gemiddeld genomen om een erfenis of schenking ging van € 1,3 miljoen euro aan ondernemingsvermogen, waarover 2% belasting bij een schenking en 5% bij een erfenis werd betaald. Naar aanleiding van de evaluatie is de BOR op verschillende aspecten aangepast en robuuster gemaakt tegen oneigenlijk gebruik. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de BOR niet verder te versoberen.
Verder kunnen papieren schenkingen de effectieve belastingdruk verlagen. Papieren schenkingen zorgen voor een lagere grondslag van de (toekomstige) erfbelasting. Een papieren schenking kan eenmalig worden gedaan, maar ook meerdere jaren of jaarlijks. De schenker betaalt jaarlijks 6% rente aan de betreffende begiftigden over het totaal van het aan die persoon op papier geschonken bedrag. De rentevergoeding is fiscaal gezien geen schenking en betekent daarom een voor de schenkbelasting onbelaste vermogensoverdracht. In bijlage 7 van de Voorjaarsnota zijn beleidsopties beschreven om papieren schenkingen tegen te gaan.11 Met de beschrijving van deze opties is invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan.12
Ten slotte zorgen verouderde forfaits in schenk- en erfbelasting voor een lagere effectieve belastingdruk. Sinds 1979 geldt er een rekenrente (forfait) van 6% in de schenk- en erfbelasting. De rekenrente wordt het meest toegepast bij onderbedelingsvorderingen die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Rentedragende onderbedelingsvorderingen zijn een manier om de nalatenschap van de langstlevende in de toekomst voor de kinderen te verkleinen aangezien de rente die niet tijdens het leven door de langstlevende ouder is betaald, een schuld in diens nalatenschap vormt en op die manier de erfbelasting van de kinderen drukt. Hoe hoger de rekenrente des te groter het drukkend effect. In januari jl. is een ambtelijke uitwerking van een actualisatie van de forfaits in de schenk- en erfbelasting naar de Tweede Kamer gestuurd op basis van de huidige marktrentes en de huidige levensverwachting.13 Over de modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting heeft geen besluitvorming plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Een van de ambities uit het coalitieakkoord van dit kabinet is dat het moet lonen om meer uren te werken. Nu loont dat soms te weinig. Onderzoek naar het omzetten van de huidige arbeidskorting in een arbeidskorting per gewerkt uur is een van de onorthodoxe maatregelen die het kabinet daartoe wil onderzoeken. Het inkomensonafhankelijk maken van de arbeidskorting maakt ook nadrukkelijk deel uit van de agenda uit het coalitieakkoord om het belasting- en toeslagenstelsel te hervormen en te vereenvoudigen. Dit kan het voor mensen inzichtelijker maken hoeveel meer uren werken daadwerkelijk loont.
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet verder stappen op de aanbevelingen van het CPB over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen én in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
De evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire ondersteuning moet bieden aan Gazanen met een geldige Nederlandse verblijfsvergunning bij hun vertrek uit Gaza?1
Het kabinet is bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand moet bieden aan betrokkenen, die een positief besluit op hun machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-aanvraag hebben ontvangen.
Klopt het dat het gaat om tientallen Palestijnen uit Gaza die beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor studie en werk in Nederland?
Het gaat om een groep personen in het bezit van een inwilliging voor een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van verschillende verblijfsdoelen, waaronder studie en wetenschappelijk onderzoek. De feitelijke afgifte van de mvv kan pas plaatsvinden na biometrie-afname en vaststelling van de identiteit bij een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich momenteel beperkt tot het versturen van een zogenaamde Note Verbale, terwijl bekend zou zijn dat dit op zichzelf onvoldoende is om evacuatie daadwerkelijk mogelijk te maken?
Nee. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken geeft conform de uitspraak uitvoering aan de opgelegde voorlopige voorziening, zodat betrokkenen Gaza op korte termijn kunnen verlaten.
In dat kader zijn de Israëlische autoriteiten al eerder verzocht toestemming te verlenen voor de uitreis van betrokkenen uit de Gazastrook. Voor twee personen werd de toestemming voorafgaand aan de organisatie van een transport door een ander land ontvangen. Zij hebben Gaza op 1 juni via dit transport verlaten. Voor een gedeelte van de resterende groep werd toestemming na de coördinatie van dit transport ontvangen. Over die personen staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten.
COGAT heeft tegenover de NOS verklaard dat Nederland de betreffende personen niet heeft aangemeld voor evacuatie, terwijl daar volgens COGAT wel de mogelijkheid toe bestaat.2 Hoe moet dit beoordeeld worden in het licht van uw inzet om aan de verplichting als opgelegd door de voorzieningenrechter te voldoen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bij de Israëlische autoriteiten, waaronder COGAT, een verzoek ingediend voor de uitreis van de betrokkenen. Voor een gedeelte van de groep is inmiddels toestemming ontvangen. Twee van hen hebben inmiddels Gaza verlaten. Over de rest van de groep staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten. Daarmee wordt voldaan aan de inspanningsverplichting die door de voorzieningenrechter is opgelegd.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds de uitspraken de namen van MVV-houders actief doorgegeven aan de Israëlische autoriteiten of andere betrokken instanties ten behoeve van evacuatie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke contacten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds maart 2026 onderhouden met Jordaanse autoriteiten, COGAT, internationale organisaties of andere landen over de praktische uitvoering van evacuatie van deze MVV-houders?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op verschillende momenten contact gehad met de relevante autoriteiten over deze groep. Over de exacte inhoud van diplomatieke contacten doen wij in het openbaar terughoudend mededelingen om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van diplomatieke contacten te waarborgen.
Hoe verhoudt deze beperkte inzet zich volgens u tot de rechterlijke uitspraken waarin is geoordeeld dat Nederland consulaire hulp moet verlenen?
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is bepaald dat de Minister zich diplomatiek moet inspannen zodat de verzoekers Gaza kunnen verlaten. De opgelegde inspanningsverplichting wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat het bieden van uitsluitend minimale administratieve ondersteuning, terwijl bekend is dat dit feitelijk niet leidt tot evacuatie, onvoldoende uitvoering geeft aan de zorgplicht van de Nederlandse staat?
In de uitspraak is nadrukkelijk overwogen dat de opgelegde inspanningsverplichting uitsluitend ziet op een diplomatieke inspanning. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit daarmee voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Overigens ligt er in deze gevallen geen (juridische) zorgplicht bij de Nederlandse staat.
Kunt u uiteenzetten welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet om de betrokken personen daadwerkelijk uit Gaza te laten vertrekken, en welke diplomatieke inspanningen worden verricht om deze belemmeringen weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 5.
In de NOS-rapportage werd melding gemaakt van het feit dat u heeft aangegeven dat er sprake is van een situatie die nog «onder de rechter is»3; bent u er zich van bewust dat er tegen de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd, op basis waarvan u dient te doen wat nodig is om evacuatie te realiseren, geen beroep aangetekend kan worden en deze per direct uitgevoerd dienen te worden?
Ja. Aan de voorlopige voorzieningen wordt dan ook uitvoering gegeven. Desalniettemin heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend in de bodemprocedure, waar de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
In hoeverre onderscheidt het bewust uitvoeren van een rechterlijke opdracht op een wijze die bij voorbaat ineffectief is zich volgens u van het feitelijk niet uitvoeren van die opdracht?
De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om, mede gezien de humanitaire situatie in Gaza en de uitspraken van de rechter, per direct intensievere consulaire en diplomatieke inspanningen te leveren om deze mensen veilig uit Gaza te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie zal zich conform de uitspraak van de voorzieningenrechter blijven inspannen zodat deze groep Gaza op korte termijn kan verlaten om de mvv op te halen.
Zoals aan uw Kamer gecommuniceerd op 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken per 1 december jl. teruggekeerd naar de reguliere consulaire bijstandverlening in Gaza, waarmee de ondersteuning bij vertrek uit Gaza in het geheel is beëindigd. Wel zal het ministerie blijven voorzien in de reguliere consulaire dienstverlening aan houders van een mvv-inwilliging uit Gaza, in de vorm van visumafgifte en in voorkomend geval (nood-)reisdocumentenafgifte.
Kunt u deze vragen met spoed binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Een dreigend tekort aan benzine en kerosine |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de Rabobank?1
Ja.
In hoeverre rijmt de uitkomst van dit onderzoek van de Rabobank met uw woorden van 18 april 2026, waarin u aangeeft dat er voldoende voorraad kerosine is?2
De uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de kerosinevoorraad tijdens het Vragenuur van 18 april zijn in overeenstemming met de uitkomst van het Rabobank-onderzoek. Beiden hebben betrekking op verschillende scenario’s en op de korte respectievelijk langere termijn.
Zoals eerder aangegeven beschikken Nederland en Europa op dit moment over voldoende voorraden kerosine. Er is momenteel dus geen sprake van acute tekorten. Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat wij ons voorbereiden op scenario’s voor het geval de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert of langdurig aanhoudt.
Het onderzoek van Rabobank kan gezien worden als een analyse van juist dat langdurige scenario. De bank wijst op het risico dat de beschikbaarheid van kerosine na verloop van tijd onder druk kan komen te staan wanneer de verstoring van aanvoer via de Straat van Hormuz langere tijd aanhoudt bij een vergelijkbaar blijvende vraag.
Hoe lang is de huidige Europese olievoorraad nog toereikend? Kunt u daarbij het meest negatieve en meest positieve scenario ook uitlichten? Kunt u ook toelichten hoe lang Nederland zelfstandig kan functioneren met die voorraad?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote olievoorraden die voor vijf maanden toereikend zijn. De daadwerkelijke duur waarvoor deze voorraden volstaan, hangt sterk af van de ontwikkeling van de verstoring, de mate waarin handelsstromen zich aanpassen, de vraagontwikkeling en de inzet van raffinaderijen. Een vaste termijn is daarom niet goed te geven. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet in op zoveel mogelijk energiebesparing door de energie-efficiëntie in de luchtvaart verder te verbeteren. Leveringen ruwe olie gaan door en de vraag kan worden bediend. We zien dat handelsstromen en raffinaderijen zich aanpassen op de ontwikkelingen in de oliemarkt. Er komt op dit moment meer import uit landen als de Verenigde Staten en Nigeria en de raffinagesector schaalt productie op naar waar de vraag het grootst is; op dit moment kerosine en diesel. Tegelijkertijd zien we wel dat er krapte ontstaat in de markt en dat prijzen stijgen en volatiel blijven. De markt staat dus onder druk, maar er is in Nederland op dit moment geen sprake van tekorten.
In Nederland en Noordwest-Europa is op dit moment voldoende voorraad beschikbaar. De beschikbare dekking verschilt per product: voor kerosine is deze beperkter dan voor diesel en benzine, maar ook daar is nog voorraad beschikbaar. Voor diesel en benzine is de dekking ruimer en gaat het eerder om maanden dan om weken, afhankelijk van handelsstromen, raffinage-inzet en vraagontwikkeling.
Bent u van mening dat de Nederlander niet nóg meer de dupe mag worden van de situatie rondom de Straat van Hormuz en bent u bereid maatregelen te nemen ten voordele van de Nederlander? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen? Zo nee, waarom niet?
De situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Ook in Nederland zijn de economische gevolgen merkbaar. Dit leidt bij mensen tot begrijpelijke zorgen over prijzen, energie en bestaanszekerheid. Het kabinet heeft daarom op 20 april een pakket aan maatregelen gepresenteerd.3 Met dat pakket wordt ondersteuning geboden aan huishoudens en bedrijven die door de hogere energieprijzen acuut in de problemen kunnen komen. Zo is de maximale onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd, en krijgen bedrijven meer toegang tot financiering en liquiditeit via een uitbreiding van de toegang tot garantieregelingen. Bovendien zet het kabinet in op verhoging van de weerbaarheid, door de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Huishoudens worden geholpen met energiebesparing en isolatie, voor bedrijven worden verduurzamingsmaatregelen aantrekkelijker door de verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) en het wegvervoer wordt tijdelijk ondersteund door een verlaging van de vrachtwagenheffing.
Het kabinet heeft in de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok verschillende scenario's geschetst voor het geval dat de situatie rondom de Straat van Hormuz zou verslechteren. Een mogelijke inzet van nieuwe maatregelen vraagt om een zorgvuldige weging. De realiteit is ook dat de economische effecten niet altijd weg te nemen zijn door te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen, hebben immers als direct effect dat de vraag toeneemt en de schaarste toeneemt.
Bent u concreet bezien bereid de accijns op benzine te schrappen, al dan niet te verlagen, als er fysieke brandstoftekorten dreigen te ontstaan? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok4 van 20 april jl. heeft het kabinet een aantal concrete maatregelen aangekondigd en uiteengezet welk type maatregel kan worden overwogen in scenario’s waarin de situatie verder verslechtert. Denk aan situaties waarin de Straat van Hormuz langdurig blijft gesloten of als er sprake is van een fysiek brandstoftekort. Dit vraagt op dat moment een zorgvuldige weging, waar het kabinet nu niet op gaat vooruitlopen.
Kunt u garanderen dat een verhoging van de brandstofaccijns in elk geval van tafel is, zolang de blokkade van de Straat van Hormuz nog aan de orde is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke alternatieven worden door het kabinet onderzocht voor het geval de straat van Hormuz dicht zal blijven en de aanvoer van energie via die weg onbetaalbaar zal worden?
Het kabinet bereidt zich voor op alle mogelijke scenario's. We houden rekening met mogelijk langdurige verstoringen en potentieel grote economische gevolgen. Hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en leveringszekerheid. Het kabinet is opgeschaald naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie waarin de situatie intensief wordt gemonitord om tijdig voorbereid te zijn op mogelijke verdere verslechtering.
Zoals genoemd zien we op dit moment dat de wereldwijde oliemarkt zich aanpast en effectief is in het opvangen van de aanbodverstoring. De oliemarkt is wereldwijd en ongereguleerd. Dit betekent dat marktpartijen kunnen importeren uit andere delen van de wereld en handelsstromen kunnen verplaatsen, hetzij tegen een hogere prijs als gevolg van concurrentie.
Er is op dit moment geen sprake van fysieke tekorten en Nederland en Europa beschikken over relatief grote voorraden, waarmee bij een aanhoudende aanbodverstoring maanden vooruit kan. Voor het mogelijk inzetten van de strategische voorraden zijn we in continu contact met het IEA, de Europese Commissie, andere lidstaten en marktpartijen. Om die zo effectief mogelijk te laten zijn en weglekeffecten te voorkomen is het belang ze op strategische en gecoördineerde wijze in te zetten. Het kabinet is voorbereid om de strategische voorraden in te zetten wanneer signalen rond de leveringszekerheid daartoe aanleiding geven.
Bent u van mening dat bestaanszekerheid, energiezekerheid en betaalbaarheid prioriteit moeten genieten boven (ideologisch) klimaatbeleid en dat dus maatregelen ten voordele van de portemonnee van de Nederlander altijd de voorkeur moeten genieten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De crisis in het Midden-Oosten onderstreept het belang om de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen, zoals olie en gas, te verminderen. Dit vergroot de leveringszekerheid en leidt tot stabielere energieprijzen voor burgers en bedrijven. Het toewerken naar meer hernieuwbare energie van eigen bodem en het halen van de klimaatdoelen gaan dus hand in hand.
In hoeverre overweegt het kabinet de snelheid waarmee Nederland afstand neemt van de eigen gasproductie en fossiele levenszekerheid, nu internationale energieaanvoerlijnen steeds instabieler lijken? En waarom?
Gezien de huidige geopolitieke situatie zet het kabinet in op verdere vraagbeperking en het zo veel mogelijk beperken van de importafhankelijkheid van gas. In het kader van de importafhankelijkheid blijft gaswinning op de Noordzee en land van belang, mits dat veilig en verantwoord gewonnen kan worden en met oog voor de omgeving. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie.
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Ja.
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Het kabinet ziet de impact van hogere energieprijzen op huishoudens. Vanwege de actuele energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten heeft het kabinet het Actieplan Weerbaarheid Energieschok aangekondigd.
De actuele hoge prijzen bevestigen deels de kwetsbare positie van Nederland als gevolg van de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen. Om minder afhankelijk en kwetsbaar te worden moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven.
Het ETS-2 geeft vanaf 2028 een extra prikkel voor het overschakelen naar duurzame energiedragers. Daarbij hebben huishoudens hulp nodig, die het kabinet biedt door middel van het Actieplan Weerbaarheid, het Warmtefonds, het Noodfonds Energie en het Sociaal Klimaatfonds. Met het omschakelen naar duurzame energiebronnen versterken we de weerbaarheid van Nederland.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
De € 720 mln. die Europees beschikbaar wordt gesteld, wordt conform verplichting door Nederland aangevuld tot ongeveer € 1 mld. Deze middelen kunnen worden gebruikt om kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers te ondersteunen bij verduurzaming.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over de besteding van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Voor een huishouden met een gemiddeld jaarverbruik (gas en elektriciteit) bestaat de rekening voor ongeveer 10% uit energiebelasting; dit lagere percentage komt o.a. door de korting op de energiebelasting met een vast bedrag, een belastingvermindering die de afgelopen jaren bovendien verhoogd is.2 Ik ben bekend met de relatieve hoogte van de Nederlandse benzineprijzen. Generieke verlaging van de prijs aan de pomp is echter een maatregel die veel geld kost: de Minister van Financiën heeft dit in debat over het Actieplan Weerbaarheid aan de Kamer toegelicht.3 Een lagere energiebelasting of brandstofaccijns zou betekenen dat er alternatief beleid nodig is om de klimaatdoelen te halen en om de budgettaire derving op te vangen.
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het PBL noemt als mogelijkheid het instellen van een prijsplafond in het ETS-2. In het ETS-2 is tenminste tot 2030 een prijsbeheersingsmechanisme ingebouwd, waardoor de prijs niet hoger zal oplopen dan € 45/ton CO2 (in 2020-prijzen). Bij de uitwerking van de Europese klimaatarchitectuur voor na 2030 zal opnieuw het gesprek gevoerd worden over welk prijsniveau acceptabel wordt geacht.
Daarnaast beveelt het PBL aan om naast het ETS-2 aanvullend nationaal klimaatbeleid te voeren in ETS-2 sectoren, om te voorkomen dat omwille van doelbereik de prijs tot maatschappelijk onacceptabele hoogte moet stijgen. Het kabinet betrekt deze aanbeveling in de klimaatbesluitvorming.
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
Visa voor Russische staatsburgers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND vernedert Buitenlandse Zaken» in de NRC, d.d. 29 april 2026?1
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 aan duizenden Russische zeelieden visa heeft verstrekt? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op de Russische schaduwvloot? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, zoals het schip Sergey Bodrov, dat met de export van nikkel een belangrijke bijdrage levert aan de Russische oorlogskas?
Nederland weigert op grond van de Europese sanctiepakketten de toegang tot havens en sluizen aan Russisch gevlagde schepen, aan EU-gesanctioneerde schepen en aan schepen die gelieerd zijn aan gesanctioneerde personen of entiteiten. Zeevarenden op deze schepen kunnen daarom niet aan- en afmonsteren in Nederlandse havens. Er worden dan ook geen visa uitgegeven voor deze doeleinden. Nederland verstrekt visa conform de geldende Europese regelgeving, waaronder de Europese Visumcode en de Europese richtsnoeren inzake de afgifte van visa met betrekking tot Russische aanvragers. Deze richtsnoeren leggen geen extra beperkingen op voor zeevarenden. Russische zeevarenden kunnen in lijn met EU regelgeving derhalve een Schengenvisum krijgen. Het klopt dat in 2025 een groot aantal visa is verstrekt aan Russische zeevarenden die in Nederland moeten aan- of afmonsteren. Op Nederlands gevlagde schepen werken ook Russische zeevarenden. Het beleid ten aanzien van Russische zeevarenden is op 1 september 2025 echter aangescherpt. Uitsluitend Russische zeevarenden die varen voor bij de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Rederijen (KVNR) aangesloten rederijen mogen gebruikmaken van de versnelde Blue Carpet-procedure. Overige zeevarenden moeten de reguliere procedure doorlopen, waarvoor een beperkt aantal slots beschikbaar is. In alle gevallen is een officiële uitnodiging van de rederij vereist. Uitnodigingen van tussenpersonen/uitzendbureaus worden niet meer geaccepteerd. Sinds 1 september 2025 is de geldigheidsduur beperkt tot negen maanden (multiple entry) met een maximale verblijfsduur van 15 dagen, sindsdien is een dalende trend zichtbaar in het aantal afgegeven visa.
Het is niet bekend hoeveel Russische zeevarenden werkzaam zijn op de Russische schaduwvloot of op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, omdat deze schepen onder een buitenlandse vlag varen of soms zelfs onder een valse vlag.
Hoe rechtvaardigt u dat Russische zeelieden dankzij de visumverlening van Nederland activiteiten kunnen ontplooien die de Russische staatskas spekken, terwijl onafhankelijke Russische journalisten, fotografen en kunstenaars zonder «vestigingsgevaar» de toegang tot Nederland wordt geweigerd?
Russische zeevarenden en Russische journalisten, fotografen en onafhankelijke kunstenaars kunnen gebruikmaken van de reguliere aanvraagprocedures.
Binnen de ruimte die de Europese regelgeving biedt, zet Nederland zich in voor een zorgvuldige en integrale beoordeling van aanvragen van Russische journalisten en mensenrechtenverdedigers mede gelet op het belang dat het kabinet hecht aan persvrijheid, culturele uitwisseling en de bescherming van mensenrechten. Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten maakten op basis van motie Dobbe (kamerstuk: 32 735, nr. 386) eerder aanspraak op multiple entry visa.2
Visumaanvragen worden in alle gevallen conform de Europese Visumcode individueel beoordeeld. Van de voorwaarde dat het voornemen moet bestaan om het grondgebied van de Lidstaten tijdig te verlaten, kan niet worden afgeweken.
Op individuele visumaanvragen kan het kabinet niet ingaan.
Bent u bekend met de motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 32 623-346) over het verschaffen van een veilige multi-entry toegang voor mensenrechtenactivisten en journalisten voor het geval zij gevaar lopen in Syrië, die destijds van Minister Veldkamp de appreciatie «oordeel Kamer» kreeg en met een brede meerderheid door de Tweede Kamer is aangenomen?
Ja.
Bent u bereid om, in de geest van deze motie, Russische mensenrechtenactivisten, journalisten en kunstenaars een multi-entry visum te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Als het gaat om Schengenvisa (visa voor kort verblijf) kunnen mensenrechtenverdedigers en journalisten gebruik maken van de reguliere aanvraagprocedure, hierbij wordt getoetst op de voorwaarden zoals vastgelegd in de EU Visumcode, o.a. ten aanzien van tijdige terugkeer.
In Rusland maken familieleden, mensenrechtenverdedigers en journalisten aanspraak op kort verblijf visa met een langere geldigheidsduur.
Naar de letter van motie Dobbe c.s. (kamerstuk: 32 735, nr. 386) over multiple-entry Schengenvisa aan Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten kan er voor deze groep ook bij een eerste aanvraag een meerjarig visum worden afgegeven. Aan deze motie is het afgelopen jaar in een aantal specifieke gevallen uitvoering gegeven. In het belang van betrokkenen kan over deze gevallen geen publieke informatie worden verstrekt.
Waarom begint de bezwaartermijn bij een visumbesluit al voordat de aanvrager zijn paspoort heeft opgehaald en te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen?
Als een visumaanvraag door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8 van de Awb aan op de dag nadat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Van bekendmaking is sprake indien het besluit aan de aanvrager of zijn gemachtigde is toegezonden of uitgereikt. De bezwaartermijn vangt dus pas aan nadat een aanvrager of zijn gemachtigde te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen. In algemene zin kan worden gesteld dat als de Immigratie- en Naturalisatiedienst in een individuele zaak constateert dat de geregistreerde uitreikingsdatum niet overeenkomt met de daadwerkelijke uitreikingsdatum, aan de hand van de daadwerkelijke uitreikingsdatum wordt beoordeeld of het bezwaar tijdig is ingediend.
Vindt u niet dat het rechtvaardig zou zijn om, wanneer het voor de aanvrager praktisch onmogelijk is om binnen vier weken na het visumbesluit zijn paspoort op te halen, de bezwaartermijn pas na ophalen van het paspoort te laten aanvangen? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 vangt de bezwaartermijn pas aan nadat het besluit bekend is gemaakt. Als de bezwaartermijn wordt overschreden beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst bovendien op grond van artikel 6:11 van de Awb of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval. De aanvrager kan zich ook laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die bevoegd is het visum namens hem of haar op te halen.
Het bericht 'UWV ruilt Mistral Le Chat in voor Microsoft Copilot Chat' |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het UWV vanaf half mei een pilot start met Microsoft Copilot en daarmee stopt met het gebruik van het Europese alternatief Le Chat?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het UWV om een Europees AI-alternatief in te ruilen voor een Amerikaanse toepassing, mede in het licht van de kabinetsambities op het gebied van digitale soevereiniteit en het verminderen van afhankelijkheden van niet-Europese technologiebedrijven?
Deelt u de opvatting dat publieke organisaties, zeker wanneer zij werken met grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens, bij de inzet van generatieve AI, rekening zouden moeten houden met Europese datasoevereiniteit en strategische autonomie? Zo nee, waarom niet?
Welke risico’s ziet u in de keuze die het UWV heeft gemaakt om co-pilot in te gebruiken, in het bijzonder waar het gaat om toegang tot persoonsgegevens, vendor lock-in en geopolitieke afhankelijkheden?
Kunt u aangeven op welke wijze is beoordeeld of Microsoft Copilot voldoet aan de eisen rondom privacy, gegevensbescherming en gegevenssoevereiniteit en kunt u aangeven welke persoonsgegevens of interne gegevens van het UWV binnen deze pilot verwerkt kunnen worden?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot eerdere signalen vanuit Europese landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, waarin juist gezocht wordt naar alternatieven voor afhankelijkheid van Microsoft?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid El Boujdaini c.s. over het principe «Europees tenzij» te hanteren en digitale soevereiniteit en digitale autonomie als expliciet criterium op te nemen in aanbestedingen, wat is de status van de uitvoering van die motie?2
Kunt u aangeven wat er momenteel al gebeurt om Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid te stimuleren? En bent u bereid om samen met uitvoeringsorganisaties en andere overheidsinstanties te werken aan het breder implementeren van Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Eind 2026 worden de uitkomsten van de pilot met Microsoft Copilot geëvalueerd, kunt u toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot?
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Het artikel dat jongeren vaker betrokken zijn bij gevaarlijke situaties rond spoorwegovergangen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van dit artikel?1
Ja, ik ben bekend met de inhoud van dit artikel en met de campagne die ProRail voert om jongeren bewust te maken van overwegenrisico’s.
Denkt u dat deze campagne wél effect heeft nu blijkt dat, ondanks meerdere campagnes van ProRail in het verleden, het aantal gevaarlijke situaties met jongeren zelfs is toegenomen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Weggebruikers bewust maken van de risico’s van onoplettendheid bij overwegen draagt bij aan de veiligheid van overwegen. Risicogedrag of onoplettendheid op overwegen zijn vaak de oorzaak van overwegongelukken: in de afgelopen vijf jaar waren circa de helft van de ongelukken daaraan te wijten. Deze campagnes hebben als doel om het gedrag van weggebruikers op overwegen positief te beïnvloeden.
ProRail richt deze campagne op jongeren omdat ze zien dat het aandeel jongeren in ongelukken op overwegen stijgt. In absolute zin is het aantal incidenten met jongeren de afgelopen 20 jaar overigens sterk gedaald, net als bij andere leeftijdscategorieën.
Wat zijn de totale kosten voor de aanstaande campagne van ProRail en hoe worden deze bekostigd?
Deze campagne is bekostigd vanuit het communicatiebudget van ProRail, onderdeel van de apparaatskosten. ProRail geeft aan dat deze campagne in totaal ca. € 150.000 kost.
Hoe duur waren de campagnes van ProRail ten aanzien van dit probleem in de afgelopen tien jaar? Kunt u per campagne een kostenplaatje overleggen? Zo nee, waarom niet?
ProRail voert periodiek campagnes om weggebruikers te attenderen op overwegenrisico’s. Sinds 2018 heeft ProRail de volgende campagnes gerealiseerd:
2018 Veiligheidscampagne gericht op senioren: Doelgroep informeren over hoe ze zich veilig moeten gedragen op en rond de overweg en op transferplaatsen op en rond het station.
2018 Meldpunt gevaarlijke situaties rondom het spoor: Oproep om melding te maken van gevaarlijke situaties rondom overwegen.
2019 Jongerencampagne Victim Fashion by accident: jongeren bewust maken van gevaarlijk gedrag en de gevolgen op en rond het spoor.
2020 Spoorlopers campagne: jongeren bewust maken van gevaarlijk gedrag op en rond het spoor.
2021 Jongerencampagne: Oppassen rond het spoor is van levensbelang.
2022 Jongerencampagne: Niets is gevaarlijker dan het spoor.
2023 Beroepschauffeurs, schat de situatie niet verkeerd in: stop altijd voor rood licht, vermijd stilstaan en voorkom filevorming.
2024 Overwegcampagne langzaam wegverkeer: risicogedrag bij overwegen.
2026 Jongerencampagne: risico’s van onoplettendheid bij overwegen.
ProRail geeft aan dat elk van deze campagnes gemiddeld ca. € 150.000 heeft gekost.
Hoeveel onbewaakte spoorwegovergangen (Niet Actief Beveiligde Overweg, hierna: NABO) zijn er nog in Nederland en kan de Staatssecretaris bevestigen dat in verhouding hier de meeste onveilige situaties plaatsvinden?
Elke overweg heeft een intrinsiek risico. Op onbeveiligde overwegen wordt veel van de weggebruiker verwacht: die moet zich vergewissen dat er geen trein nadert. Bij openbare wegen is de weggebruiker niet altijd hier goed van op de hoogte. Met het in 2018 gestarte NABO-programma wordt gewerkt aan het opheffen of beveiligen van de 180 onbeveiligde openbaar toegankelijke overwegen op het gemengde net.2 Per 1 januari 2026 resteren er 9. Over de voortgang van het NABO-programma heeft mijn voorganger de Tweede Kamer in december geïnformeerd.3
Naast openbaar toegankelijke onbeveiligde overwegen, resteren er 391 onbeveiligde overwegen op haven- en industrielijnen en 63 particuliere onbeveiligde overwegen op het gemengde net. Ook deze overwegen hebben risico’s, maar deze zijn relatief lager bijvoorbeeld omdat de snelheden lager zijn of omdat enkel rechthebbenden van die overweg gebruik mogen maken.
Op de circa 1700 beveiligde overwegen op het gemengde net vinden inmiddels naar verhouding de meeste impactvolle incidenten plaats.
Hoeveel van de twaalf omgekomen jongeren, tussen 2021 en 2025, zijn om het leven gekomen bij een onbewaakte overgang (een NABO)?
Van de twaalf omgekomen jonge overweggebruikers tussen 2021 en 2025, kwam er één om op een onbeveiligde overweg. Dit betrof een ongeluk in maart 2021 op een inmiddels door het NABO-programma opgeheven openbaar toegankelijke overweg.
Kunt toelichten hoeveel van de geregistreerde onveilige situaties met jongeren zich hebben afgespeeld bij een onbewaakte overgang (een NABO)?
Van onveilige situaties heeft ProRail geen betrouwbare gegevens over de leeftijd, omdat de leeftijd niet altijd goed ingeschat kan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 resteren er weinig openbaar toegankelijke onbeveiligde overwegen op het gemengde net. De huidige nog resterende onbeveiligde overwegen op het reizigersnet worden voornamelijk gebruikt door agrariërs en niet door studenten of schoolgaande jeugd. Het merendeel van de onveilige situaties doet zich dan ook voor op beveiligde overwegen.
Welke concrete maatregelen zijn er genomen en/of worden er op korte termijn genomen om te voorkomen dat jongeren in gevaarlijke situaties bij spoorwegovergangen terechtkomen?
Het aantal ongelukken op overwegen is relatief laag, dankzij de aanwezigheid van slagbomen, bellen en lichten op de meeste overwegen. Met deze campagne wil ProRail een grote groep jongeren bereiken en attenderen op hun verantwoordelijkheid om veilig over te steken, bijvoorbeeld pas als de rode lichten niet meer knipperen.
Specifiek voor scholieren heeft ProRail een lesprogramma waarmee op scholen voorlichting gegeven wordt over de risico’s op het spoor en rondom overwegen. Deze wordt door ProRail aan scholen aangeboden.4
Kun u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Spoorveiligheid en ERTMS op woensdag 27 mei 2026?
Ja.
Het afgelaste optreden van Lenny Kuhr als gevolg van toenemende antisemitische intimidatie |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een optreden van Lenny Kuhr in een zorginstelling is geschrapt omdat de instelling het optreden, na eerdere protesten van intimiderende antisemitische demonstranten bij haar optredens, niet meer aandurfde?1
Tijdens eerdere debatten over antisemitisme stelde het kabinet dat Joden in Nederland vrij en veilig zichtbaar moeten kunnen zijn; hoe rijmt u die uitspraak met het feit dat opnieuw een optreden van Lenny Kuhr wordt geschrapt vanwege angst voor antisemitische intimidatie en protesten?2
Erkent u dat hiermee opnieuw het signaal wordt afgegeven dat antisemitische druk en intimidatie in Nederland effect hebben en dat zichtbaar Joods leven daardoor steeds verder uit het openbare leven verdwijnt?
Deelt u de mening dat Nederland nooit mag buigen voor antisemitische dreiging, intimidatie of geweld, en dat demonstranten nooit mogen bepalen welke Joodse artiesten ergens nog welkom zijn? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om te voorkomen dat Joodse artiesten, Joodse instellingen en pro-Israëlische Nederlanders in de toekomst opnieuw moeten wijken voor antisemitische intimidatie, dreiging of protesten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met de betreffende zorginstelling om ervoor te zorgen dat het optreden van Lenny Kuhr alsnog doorgang kan vinden en duidelijk te maken dat het toegeven aan antisemitische intimidatie en protesten een verkeerd en gevaarlijk signaal afgeeft? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt»?1
Wanneer ontving u de eerste signalen dat na het faillissement van De Hoop ook Coldenhove failliet dreigde te gaan?
Welke stappen heeft u na deze signalen genomen? Indien u geen stappen heeft ondernomen, waarom niet?
Welke stappen hebben u of uw voorganger genomen om een faillissement zoals bij Coldenhove te voorkomen, na het plenaire Kamerdebat op 20 maart 2024 over problemen in de papier- en kartonindustrie in Nederland als gevolg van de hoge energieprijzen?2
Hoeveel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie dreigen door de opnieuw stijgende energieprijzen binnen het komende jaar ook failliet te gaan?
Wat doet u om dit te voorkomen?
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse maakindustrie, waaronder de papier- en kartonproductie, essentieel is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke stappen neemt u om de ontslagen medewerkers van Coldenhove zo snel mogelijk aan nieuw werk te helpen?
Bent u het ermee eens dat een eventuele doorstart voor de medewerkers van Coldenhove een oplossing zou kunnen zijn? Zo ja, welke stappen neemt u om een eventuele doorstart van Coldenhove mogelijk te maken?
Gaat u in gesprek met de provincie Gelderland om eventuele obstakels voor een doorstart van de papier- en kartonindustrie in Eerbeek weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?