Dreigend woningtekort in Metropoolregio Amsterdam |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amsterdam vreest over dertig jaar voor groot woningtekort»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat uit de Quickscan Woningbouw blijkt dat de Metropoolregio Amsterdam mogelijk te maken krijgt met een vraag naar 270 000 extra woningen tot 2040 die niet kunnen worden gerealiseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
De behoefte aan extra woningen in de noordelijke Randstad tot 2040 is gemeten in het onderzoek «Houdbaarheid Woningbehoefte prognoses Noordvleugel». Dat onderzoek is op 18 oktober 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 089, nr. 88) aan uw Kamer aangeboden door de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en is met u besproken in het Algemeen Overleg Grootproject RRAAM van 21 december 2011.
De conclusie, dat die woningen niet kunnen worden gerealiseerd is prematuur.
De regio heeft in een quickscan aangegeven dat zij nu ruimte ziet voor 208 000 woningen en mogelijkheden voor 70 000 extra woningen bij knooppunten en kantoorlocaties. De conclusie van de regiobestuurders is, dat er daarmee geen aanleiding is om nu al naar nieuwe locaties te gaan zoeken. Daarnaast heeft de quickscan ook een aantal potentiële en toekomstige ruimtelijke beperkingen voor woningbouw geïdentificeerd waarmee mogelijk rekening moet worden gehouden. Dit zijn echter nog geen feiten of voldongen zaken, maar aandachtspunten bij het goed faciliteren van de woningbouwbehoefte in deze regio.
Aanbod van voldoende, goede en betaalbare woningen en een voldoende arbeidspotentieel maakt een belangrijk onderdeel uit van het vestigingsklimaat en is een voorwaarde voor een duurzame economische ontwikkeling. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft een inschatting gemaakt van de mogelijkheden om de regionale woningproductie verder op te schroeven.
Op basis van het huidige bouwtempo lijkt het realistisch om te veronderstellen dat tot 2020 het tekort aan woningen in de regio op zal gaan lopen. Ook die conclusie is overigens vermeld in het onderzoek «Houdbaarheid Woningbehoefte prognoses Noordvleugel».
Wat vindt u van de conclusie uit het rapport dat een inhaalslag waarbij de regionale woningbouwproductie groeit naar 12 500 woningen per jaar, voor praktisch onmogelijk wordt gehouden?
De conclusie dat het, gezien de huidige omstandigheden op de woningmarkt, moeilijk zal zijn op korte termijn dergelijke aantallen woningen te realiseren, kan ik onderschrijven. De regionale partijen stemmen woningbouwplannen ook onderling met elkaar af ten behoeve van de uitvoering en uitvoerbaarheid.
Het Rijk is graag bereid hierin mee te denken. In het Bestuurlijk Overleg MIRT van het najaar 2011 hebben wij de regio al uitgenodigd om concrete casuïstiek van knelpunten in wet- en regelgeving aan te geven. Duidelijk is wel dat er in deze regio nog een forse verstedelijkingsopgave in het verschiet ligt en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de beschikbare locaties en plancapaciteit.
Hoe verhoudt de conclusie uit het rapport dat studenten en kennismigranten Amsterdam vanwege het ontbreken van woonruimte zullen gaan mijden, zich tot de in december door u aangekondigde plannen voor 16 000 extra studentenwoningen bovenop de al geplande 16 000 in de vier grote steden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met het landelijk actieplan studentenhuisvesting is voor de periode 2011–2016 een proces ingegaan dat enerzijds gericht is op de realisatie van extra studentenhuisvesting, waarvoor Kences 16 000 extra nieuwe studentenwoningen op landelijk niveau heeft toegezegd. Anderzijds is op landelijk en lokaal niveau een proces in gang gezet, waarbij betrokken partijen directer met elkaar gaan samenwerken om tot een goede invulling van het tekort aan studentenhuisvesting te komen. In het Landelijk platform studentenhuisvesting, waarin alle ondertekenaars van het actieplan zijn vertegenwoordigd, wordt periodiek ondermeer de voortgang van de verschillende activiteiten besproken.
De gemeente Amsterdam heeft in het Collegeakkoord 2010–2014 het belang van studenten voor de stad en de hoger onderwijsinstellingen benoemd. De uitwerking hiervan vindt in Amsterdam plaats met het programma Studentenhuisvesting gericht op realisatie van 9 000 studenteneenheden. De resultaten worden jaarlijks gemonitord en laten zien dat in Amsterdam in 2011 2 952 woonplekken voor studenten gerealiseerd zijn, waarvan ruim 1 500 door productie (nieuwbouw en transformatie van kantoren/gebouwen) en ruim 1 400 in de bestaande woningvoorraad (labelen en tijdelijke verhuur). In 2011 omvat het aantal nieuwe studenteneenheden (productie met start bouw in 2011) de helft van de totale woningbouwproductie in Amsterdam.
De inzet in de gemeente Amsterdam voor de genoemde collegeperiode (2010–2014) maakt onderdeel uit van het landelijk actieplan en daarmee overlapt dit deels ook de 16 000 eenheden op landelijk niveau die door Kences in het actieplan zijn toegezegd. Niet alle studenteneenheden in Amsterdam worden door Kences gerealiseerd. Er zijn ook andere partijen, buiten Kences, die in Amsterdam studenteneenheden realiseren om de doelstelling van 9 000 te behalen.
De gemeente Amsterdam geeft aan dat met de concrete nieuwbouwplannen voor 2012–2014 samen met de woningen waarvan de bouw in 2011 is gestart, de teller nu in totaal op circa 5 500 nieuwe studenteneenheden staat. Amsterdam is dus hard op weg om de eigen doelstelling voor studentenhuisvesting te realiseren. Amsterdam loopt hiermee in de pas met de door de hoger onderwijsinstellingen geraamde behoefte.
Naast de behoefte aan studentenhuisvesting is er ook een gedifferentieerd aanbod nodig van voldoende, goede en betaalbare woningen om andere woningzoekenden te kunnen bedienen, waaronder ook expats en kenniswerkers uit andere landen die zich (tijdelijk) in deze regio willen vestigen. De Metropoolregio Amsterdam is één van de belangrijkste dragers van de Nederlandse economie. Voor (internationale) bedrijven wordt het vestigingsklimaat mede bepaald door de aanwezigheid van voldoende arbeidspotentieel.
Bent u het eens met de stelling in het rapport dat de prijs van bestaande woningen zodanig zal worden opgedreven dat starters hun woonwensen niet kunnen realiseren? Zo nee, waarom niet?
Ook die stelling vind ik prematuur. De prijs van woningen wordt door meer zaken bepaald dan alleen het aanbod ervan. Zo profiteren ook starters van de verlaagde overdrachtsbelasting van 6% naar 2% en het verruimde aanbod.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voldoende woonruimte komt in de Metropoolregio Amsterdam? Kunt u uw antwoord toelichten?
De realisatie van voldoende woonruimte is primair een zaak van de lokale en regionale partijen. Het nationale beleid voor ruimte en infrastructuur ondersteunt dat met de ruimte die het aan decentrale overheden geeft voor eigen afwegingen. Met oog op het onderkende nationale economische belang van de Amsterdamse regio, ben ik bereid en voornemens om samen met deze regio – en in nauwe afstemming met de gebiedsagenda die in het kader van het MIRT wordt geactualiseerd – een uitvoeringsagenda voor de verstedelijkingsopgaven op te stellen. Ik waarborg daarbij, in samenwerking met mijn collega’s van Infrastructuur en Milieu, dat er rekening wordt gehouden met de ruimtebehoefte voor functies van nationaal belang, zoals opgenomen in het nationaal beleid voor ruimte en infrastructuur. In de uitvoeringsagenda wil ik ook – samen met de regio – kritisch kijken naar mogelijke belemmeringen in wet- en regelgeving en in het bijzonder bij het binnenstedelijk bouwen.
Het Rijk is ook (in)direct betrokken bij de ontwikkeling van verschillende locaties, zoals bijvoorbeeld op de locaties in Almere of op de Zuidas. Verder stimuleert het Rijk particulier opdrachtgeverschap en de transformatie van kantoren met de daartoe ingestelde expertteams.
De financiële situatie van EuroPsyche |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de landelijk erkende instelling EuroPsyche al sinds januari 2012 niet betaald wordt doordat zorgverzekeraars betalingen opschorten vanwege bij hen ontstane twijfel over de werk- en declaratiewijze, onder andere gebaseerd op een artikel in de Volkskrant dat onjuiste informatie bevat?1
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat verzekeraars betalingen opschorten aan Europsyche vanwege bestaande twijfel over de werkwijze en de wijze waarop Europsyche declareert. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat op 2 mei jongstleden een kort geding heeft plaatsgevonden over deze casus.
Op basis van de thans beschikbare informatie, ben ik in zijn algemeenheid bezorgd over deze situatie. Ik wacht de uitspraak van het kort geding af.
Wat betekent het opschorten van betalingen voor de continuïteit van zorg voor de ruim 11 000 cliënten die door zorgverleners van EuroPsyche worden behandeld?
Door het onderzoek en de genomen tijdelijke maatregelen behoeden zorgverzekeraars cliënten voor mogelijk nadelige gevolgen van een behandeling die niet voldoet aan geldende (kwaliteits-)eisen en voorkomen ze mogelijke onterechte betalingen in de zorg. Van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heb ik begrepen dat tot nu toe zich geen verzekerden hebben gemeld bij de zorgverzekeraars met klachten over de continuïteit. Mocht dat wel gebeuren, dan overlegt de zorgverzekeraar met de verzekerde op welke wijze zorg op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) geregeld kan worden.
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars betalingen niet voor onbepaalde tijd kunnen opschorten, zonder dat er officieel is geconstateerd of de werk- en declaratiewijze akkoord is? Zo ja, wilt u met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ) over deze kwestie in gesprek gaan?
Er zijn signalen waardoor zorgverzekeraars twijfelen of de door Europsyche gedeclareerde zorg dient te leiden tot een vergoeding op basis van de Zvw. Om die reden hebben verzekeraars besloten per nota te toetsen of tot vergoeding kan worden overgegaan. Getoetst wordt onder andere of de gedeclareerde behandeling voldoet aan de spelregels DBC-registratie GGZ. De verzekeraars hebben met Europsyche afspraken gemaakt over de wijze waarop de controle kan plaatsvinden.
Ik ga binnenkort in gesprek met diverse partijen, waaronder ZN en de NZa over de ontstane situatie omdat ik op de hoogte wil blijven van de stand van zaken. Ik prijs overigens de inspanningen van de zorgverzekeraars om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van vergoeding van ingediende declaraties.
Op welke grond kunnen zorgverzekeraars betalingen opschorten? Is in dit geval van een van deze gronden sprake?
Zorgverzekeraars kunnen betalingen opschorten op grond van het Burgerlijk Wetboek (boek 7: Verzekeringsrecht). Verzekeraars mogen een onderzoek instellen bij twijfel over declaraties. Overigens moet een verzekeraar wel binnen een redelijke termijn hierop reageren en duidelijkheid verschaffen.
Deelt u de mening dat niet zorgverzekeraars, maar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) onderzoek zou moeten doen naar EuroPsyche en dat het onwenselijk is dat zeer privacygevoelige informatie van cliënten, zoals de diagnose, behandelplannen en sessieverslagen, nu worden ingezien door zorgverzekeraars?
Neen die mening deel ik niet. Zowel zorgverzekeraars als de IGZ hebben hun eigenstandige verantwoordelijkheid om onderzoek te doen en eventueel op te treden.
De IGZ kan een inspectieonderzoek doen waarbij zij nagaat of voldaan is aan de randvoorwaarden voor het leveren van verantwoorde zorg. De IGZ toetst daarbij de praktijkvoering en het handelen van beroepsbeoefenaren aan wettelijke voorwaarden (waaronder tuchtnormen) en aan veldnormen en gedragscodes. Overigens heb ik de toezichthouders (IGZ en de NZa) op 7 februari 2012 verzocht nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin Europsyche en andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle geldende wettelijke kaders en mij daar over te informeren. Deze onderzoeken lopen nog.
Zorgverzekeraars zijn zelf verantwoordelijk voor controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van zorgdeclaraties. Controles worden uitgevoerd door medisch adviseurs, daartoe bevoegde medewerkers van zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben de wettelijke bevoegdheid via hun materiële controles dossiers in te zien. Dat is noodzakelijk voor een adequate controle, anders zouden verzekeraars immers geen misstanden op het spoor kunnen komen. Dit vind ik belangrijk omdat de betaalbaarheid van verzekerde zorg voor mij een relevant item is. Ik vind het van het grootste belang dat geld dat is bestemd voor zorg ook daadwerkelijk aan verzekerde zorg wordt besteed die kwalitatief goed en doelmatig is. Verzekeraars spelen een belangrijke rol bij het nagaan of dit zo is. Daartoe voeren zij formele en materië
Bent u van mening dat het selectief en willekeurig is dat alleen de vergoeding aan EuroPsyche is stopgezet en die van vergelijkbare organisaties niet? Kunt u aangeven waarom dat is?
Ik ben van mening dat als er vermoedens bestaan dat de werkwijzen en declaratiewijzen van andere instellingen niet overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving plaatsvinden, dat ook daar onderzoek moet plaatsvinden en eventueel maatregelen genomen moeten worden. Zoals ik hierboven aangaf, heb ik de toezichthouders (IGZ en NZa) gevraagd nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle geldende wettelijke kaders. Over de uitkomsten van dat onderzoek zal ik met verzekeraars en toezichthouders (IGZ en de NZa) in gesprek gaan.
Overigens wijs ik u erop dat het onderzoek naar Europsyche door zorgverzekeraars zeer arbeidsintensief is. Honderden dossiers worden gecontroleerd. Als uit dit onderzoek blijkt dat de behandelingen onrechtmatig zijn, zullen vergelijkbare andere organisaties zeker ook onderzocht gaan worden.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, het liefst binnen twee weken, omdat de situatie vanwege opgeschorte betalingen kritiek is geworden?
Ik heb geen signalen ontvangen dat er sprake is van een kritieke situatie, desalniettemin beantwoord ik uw vragen graag binnen de door u gevraagde termijn.
Groeiende invloed van de salafistische As-Soennah-moskee |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Moskee wint aan invloed»?1
Op welke specifieke wijze blijkt dat de invloed van de in het artikel genoemde moskee op andere moskeeën in de omgeving toeneemt? Welke andere moskeeën zijn dat?
Deelt u de mening dat alle moskeeën waar wordt opgeroepen tot geweld zo snel mogelijk moeten worden gesloten? Deelt u de mening dat tot geweld oproepende imams, eventueel na denaturalisatie, het land dienen te worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Directeur Wereldomroep krijgt miljoen euro bij vertrek' |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Directeur Wereldomroep krijgt miljoen euro bij vertrek»?1
Ja.
Klopt het bericht dat de vertrekkend directeur een miljoen euro meekrijgt bij zijn vertrek? Zo nee, hoeveel krijgt de directeur dan wel mee bij zijn vertrek?
Het is niet zeker of de directeur vertrekt en wanneer en hoeveel hij vervolgens meekrijgt bij vertrek. In het uiterste geval zou ruim 1 miljoen euro geclaimd kunnen worden krachtens zijn arbeidscontractuele afspraken. Ik begrijp de maatschappelijke kritiek die een dergelijke ontslagvergoeding teweegbrengt zeer goed. De Raad van Toezicht (hierna: RvT) gaat over de arbeidsvoorwaarden, waaronder mogelijke ontslagvergoeding en zal dan ook bepalen welk bedrag de algemeen directeur aangeboden krijgt. Ik heb er bij de RvT op aangedrongen om de ontslagvergoeding kritisch te beoordelen zodra deze aan de orde is. Ik heb daarbij aangegeven dat ik ervan uitga dat men de kantonrechterformule volgt.
Hoe verhoudt zijn ontslagvergoeding zich tot wat wettelijk is toegestaan in de publieke sector?
De RvT is gehouden aan de wettelijke kaders van de omroep CAO en contractuele afspraken. De berekening en uitkering van een ontslagvergoeding kan niet anders dan binnen deze kaders plaatsvinden.
Is het waar dat de ontslagvergoeding voor ongeveer 50% bestaat uit middelen die voortkomen uit het sociaal plan en voor 50% uit middelen die zijn overeengekomen in zijn arbeidsovereenkomst in 1995?
Ja dat klopt. Op basis van het sociaal plan van de Wereldomroep, dat overigens het sociaal plan van de publieke omroep volgt, ontstaat een ontslagvergoeding van 0,5 miljoen euro. Deze uitkomst is gebaseerd op de berekening volgens de kantonrechterformule. Als de RvT, na kritische beoordeling van de contractuele rechten, de maximaleaanspraak (dus ook het deel volgend uit de arbeidsovereenkomst in 1995) van 1,1 miljoen euro zou moeten uitkeren, kan de verhouding zelfs respectievelijk 40% en 60% worden.
Ziet u nog mogelijkheden om de ontslagvergoeding te versoberen, bijvoorbeeld door het sociaal plan aan te passen?
Het is een gegeven dat ik geen partij ben bij het tot stand gekomen sociaal plan. Eventuele versobering kan aan de orde zijn maar dat is voorbehouden aan de RvT.
Deelt u de mening dat dergelijke afspraken over ontslagvergoedingen bij de Publieke Omroep tot het verleden dienen te behoren? Zo ja, hoe kan dit in de toekomst voorkomen worden?
Ja.
Met het Wetsvoorstel Wet Normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) geeft het kabinet invulling aan het normeren dan wel maximeren van de inkomens van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. In aanvulling op de openbaarmaking van topinkomens, heeft uw Kamer uitgesproken dat een normering van salarisniveaus in de semipublieke sectoren gewenst is. Het wetsvoorstel ligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft advies gevraagd aan de Raad van State. De WNT stelt een maximum van 75 000 euro aan de hoogte van ontslagvergoedingen.
Deelt u de mening dat dergelijke afspraken ook bij de Wereldomroep, na de reorganisatie, tot het verleden dienen te behoren? Zo ja, hoe kan dit in de toekomst voorkomen worden?
De WNT biedt voldoende handvatten om inkomens en ontslagvergoedingen van topfunctionarissen te normeren. Bij het ministerie van Buitenlandse Zaken is het een standaard onderdeel van subsidietenders om bij de hoogte van salarissen een drempelcriterium toe te passen. Dit is ook al van toepassing verklaard op de Wereldomroep.
Beschietingen van roofvogels |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «nesten van buizerds beschoten»?1
Ja.
Hoe vaak is in de afgelopen 5 jaar proces verbaal opgemaakt voor het vernielen van roofvogelnesten? Zo ja, in welk deel van de gevallen was er sprake van het doorzeven van roofvogelnesten met hagel of kogels uit jachtgeweren? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over databases waarmee tot op het niveau van modus operandi en/of bedreigde soorten onderscheid gemaakt kan worden bij overtredingen van de Flora- en faunawet.
Roofvogelvervolging is een zaak die aandacht verdient. Ik moet hierbij echter opmerken dat daders van roofvogelvervolging veelal bijzonder moeilijk te traceren zijn.
De handelingen die onder de noemer roofvogelvervolging vallen, zoals het verstoren en kapotmaken van nesten, het doodschieten van roofvogels, het wegvangen in kraaienvangkooien en het vergiftigen door middel van uitleggen van vergiftigd aas, laten over het algemeen namelijk weinig sporen na. Strafbare feiten worden vooral gepleegd in het landelijk gebied, waar daders zich goed kunnen verbergen en opsporingsambtenaren snel opvallen. Dat leidt ertoe dat slechts in een relatief klein aantal gevallen tot het aanhouden van verdachten kan worden overgegaan. Niettemin zijn er bij concrete aanwijzingen wel degelijk recherchemogelijkheden om de vermoedelijke daders op te sporen.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de gevallen waarin sprake was van het vernielen en/of doorzeven van roofvogelnesten de daders gepakt zijn in deze periode? Zo ja, wat zegt dat over de kwaliteit en mogelijkheden van het toezicht in de natuur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u specificeren in hoeveel procent van de gevallen waarbij de daders van dergelijk wangedrag zijn getraceerd, de daders beschikten over een wapenvergunning en jachtakte? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het veldtoezicht te verscherpen rond roofvogelnesten en ook organisaties als Werkgroep Roofvogels Nederland subsidie te verlenen om hun vrijwilligerswerk ter bescherming van de roofvogels mogelijk te maken en uit te breiden?2 Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik meen dat het verstoren en vernietigen van roofvogelnesten streng bestraft moet worden.
Middels de Wet op de economische delicten kan voor het onrechtmatig versturen of vernietigen van nesten van beschermde vogelsoorten een geldboete opgelegd worden. Met betrekking tot de pakkans blijkt uit het antwoord op vraag 2, 3 en 4 dat de aard van het delict de opsporing van roofvogelvervolging vaak moeilijk maakt. Ingezet zal worden op het voorkomen van roofvogelvervolging door aanvullend beleid dat bestaat uit gerichte voorlichting naar mogelijke doelgroepen. Deze voorlichting heeft vooral ten doel de sociale controle binnen en rond (mogelijke) dadergroepen te versterken. Ten einde te komen tot een effectievere aanpak van het probleem van roofvogelvervolging heeft het OM enige jaren geleden, in samenwerking met de politie, de voormalige AID en het toenmalig ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een «Interventiestrategie Roofvogelvervolging» opgesteld. Hierin is een integraal pakket aan maatregelen opgenomen, waarin naast strafrechtelijk optreden een belangrijke rol is weggelegd voor bestuursrechtelijke handhaving, communicatie en voorlichting.
De Werkgroep Roofvogels Nederland ontvangt geen subsidie van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Zoals uit het bovenstaande blijkt is opsporing uitermate moeilijk. Subsidiëren van meer veldtoezicht zal naar verwachting niet meer resultaat opleveren.
Deelt u de mening dat het verstoren en vernielen van roofvogelnesten streng bestraft zou moeten worden en dat veroordeling voor deze feiten ten minste tot het permanent intrekken van de jachtakte voor de veroordeelde zou moeten leiden? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Open data en ontwikkelingssamenwerking |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van Civicus «2011 Status of Civil Society Rapport» en het commentaar van de directeur van Publish What You Fund, Karin Christiansen, over wat open data betekenen voor de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking?
Ja.
Deelt u de mening dat, als belangrijke donoren gezamenlijk streven naar transparantie over ontwikkelingshulp, dit bijdraagt aan de effectiviteit?
Ja, het beschikbaar stellen en toegankelijk maken van actuele OS-gegevens stelt overheden in partnerlanden in staat om beter te plannen en te sturen. Hoe meer donoren hiertoe overgaan, hoe effectiever gestuurd kan worden door overheden van partnerlanden.
Wat is de voortgang op het gebied van de implementatie van de IATI standaard in Denemarken, Duitsland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk?1
Op basis van de laatste implementatieplannen van de verschillende organisaties die door IATI gepubliceerd worden ziet de voortgang voor de genoemde landen er als volgt uit: Denemarken zal in 2013 overgaan tot het publiceren van OS-gegevens binnen de IATI standaard, Duitsland heeft nog geen datum aangegeven; Spanje heeft in oktober 2011 data gepubliceerd en het Verenigd Koninkrijk in januari 2011. Eind mei wordt een actualisering van de verschillende implementatieplannen verwacht.
Deelt u mijn mening dat planning en sturing vanuit partnerlanden gebaat is wanneer zoveel mogelijk donoren, waaronder Europese donoren, ontwikkelingsdata openbaar maken en voldoen aan de IATI standaard?
Ja, zie verder antwoord vraag 2.
Is het waar dat een aantal landen die zich gecommitteerd hebben aan het «Framework for Implementation» stil staan en nog geen maatregelen hebben genomen?
Ja, dit is het geval voor o.a. Duitsland, Noorwegen en Nieuw Zeeland.
Is het waar dat bijvoorbeeld Duitsland IATI nog niet toepast? Zo ja, waarom niet. Zo neen, is Duitsland net zo ver op dit gebied als Nederland?
Het klopt dat Duitsland een van de ondertekenaars is van het IATI maar nog niet zover is dat ze de OS-data hebben gepubliceerd. Over de achterliggende redenen kan ik niet oordelen aangezien ik daar geen informatie over heb. Feit is wel dat de wijze waarop de Duitse ontwikkelingssamenwerking – in vergelijking met Nederland – georganiseerd is de uitrol van IATI bemoeilijkt.
Daar in 2011 Nederland en Duitsland zijn overeengekomen nauw samen te werken op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, welke maatregelen op het gebied van de toepassing van IATI standaarden zijn daarbij afgesproken?
Het toepassen van de IATI standaard is geen onderwerp van bilaterale afspraken tussen twee donoren maar is een internationale afspraak die gemaakt is tijdens de Accra High Level Forum on Aid Effectiveness (2008) en herbevestigd tijdens de 4th High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (2011). Op dit moment zijn er 29 organisaties die IATI onderschreven hebben, waarvan er 14 ook daadwerkelijk OS-gegevens in de standaard publiceren. Daarnaast zijn er 11 organisaties die IATI niet formeel onderschreven hebben maar wel in de standaard publiceren. De ondertekenaars vertegenwoordigen 75% van de gerapporteerde ODA aan de DAC, voor wat betreft de donoren die daadwerkelijk publiceren is dit 43% van de gerapporteerde ODA.
Bent u bereid op de volgende bijeenkomst van de IATI Steering Committee op 24 april 2012, deelnemende landen die achterblijven op het gebied van transparantie over ontwikkelingshulp en de toepassing van de IATI standaarden aan te spreken? Zo neen, waarom niet?
Bij ontvangst van deze kamervragen heeft genoemde bijeenkomst al plaatsgevonden. Echter, in zijn algemeenheid benadrukt Nederland het belang van toepassing van de IATI standaard en moedigt collega donoren daar ook toe aan.
Bent u bereid met deze landen nadere afspraken te maken over de implementatie en daarbij deadlines te stellen? Zo neen, waarom niet?
Nee, dit is niet noodzakelijk. Er zijn al duidelijke afspraken gemaakt over de vervolgstappen voor verdere implementatie van de IATI standaard, zowel binnen IATI zelf als in het Busan Partnership for Effective Development Co-operation. Eind mei 2012 zullen alle ondertekenaars van IATI een eerste of een geactualiseerd implementatieplan publiceren. Eind 2012 dienen alle ondertekenaars een eerste set aan OS-gegevens te publiceren. In december 2015 dienen alle ondertekenaars van het Busan Partnership document volledige uitvoering te geven aan de overeengekomen standaard.
Hoe heeft u tot nu toe uitvoering gegeven aan de motie-El Fassed/De Caluwé over het publiceren van actuele gegevens?2
Vanuit het perspectief van het vergroten van de effectiviteit en kwaliteit van de hulp staat ook bij verschillende Nederlandse NGO’s het openbaar maken van gegevens in de IATI standaard hoog op de agenda. Hierbij nemen deze organisaties meer en meer hun eigen verantwoordelijkheid. Begin maart 2012 publiceerde SPARK als eerste Nederlandse NGO haar gegevens binnen de IATI standaard. Ook andere NGO’s zijn bezig concrete stappen op dit terrein te zetten. Daar waar mogelijk stimuleert het Ministerie deze inspanningen o.a. door het delen van de eigen ervaringen met het implementeren van de standaard.
Deelt u de mening dat de implementatie van de IATI standaard op termijn kan leiden tot vermindering van administratieve lastendruk, zowel aan de kant van het ministerie van Buitenlandse Zaken als aan de kant van organisaties, bedrijven en kennisinstellingen die subsidies krijgen voor ontwikkelingssamenwerking door een afname van huidige rapportageverplichtingen? Zo neen, waarom niet?
Ja, het publiceren van gegevens binnen een gemeenschappelijke standaard kan de administratieve lastendruk voor alle betrokken partijen verminderen omdat iedereen op een eenduidige manier met elkaar communiceert en hergebruik van de gegevens wordt vereenvoudigd. Publicatie van gegevens in de IATI standaard kan ook een deel van de rapportagedruk verlichten.
Het bericht dat de Soedanese president Bashir zegt dat in Soedan de geest van de jihad is opgeleefd |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over het feit dat de Soedanese president Bashir zegt dat in Soedan de geest van de jihad is opgeleefd en dat hij de bevolking van Zuid-Soedan wil «bevrijden»?1
De desbetreffende uitspraak is een voorbeeld van escalerend taalgebruik.
Bent u ermee bekend wat een «bevrijding» onder de vlag van de jihad betekent? Erkent u dat de aanvallen van Soedan op Zuid-Soedan onderdeel zijn van de jihad? Zo nee, waarom niet?
De recente escalatie van geweld vindt zijn oorsprong in de onopgeloste kwesties van het Comprehensive Peace Agreement (CPA), zoals de betwiste gebieden en de verdeling van olie-inkomsten.
Onderschrijft u de mening dat de jihad vanuit Soedan in een breder perspectief geplaatst zou moeten worden en dat het grensgebied Soedan – Zuid-Soedan slechts een van de vele bloedige grenzen van de islamitische wereld is? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 2.
De voorgenomen sluiting van de afdeling acute verloskunde in Roosendaal |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op berichten dat de afdeling (acute) verloskunde van het Sint Franciscus Ziekenhuis in Roosendaal dreigt te worden gesloten? Heeft u reeds overlegd met de Raad van Bestuur? Zo nee, waarom niet?1
Ik heb mij door verschillende betrokken partijen laten informeren over de mogelijke concentratie van de acute verloskundige zorg van het Sint Franciscus Ziekenhuis in Roosendaal naar het Lievensberg Ziekenhuis in Bergen op Zoom. Naar ik heb begrepen wordt momenteel onderzocht wat de gevolgen zijn van een mogelijke concentratie en aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om concentratie op een verantwoorde wijze te laten plaatsvinden. Zo wordt er onder andere gekeken naar de bereikbaarheid van de acute verloskunde in de regio en worden gesprekken gevoerd met de diverse stakeholders. Pas nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal een besluit over concentratie van de acute verloskunde worden genomen. Het College Perinatale Zorg (CPZ) is reeds betrokken en monitort het proces.
Hoe is de kwaliteit van de geboortezorg in het ziekenhuis in Roosendaal? Indien deze onder de maat is, waarom heeft u dan niet ingegrepen om de kwaliteit te verbeteren en komt nu de optie van sluiting in beeld? Wilt u uw antwoord toelichten?
Van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heb ik begrepen dat de kwaliteit van zorg op geen van beide locaties onder de maat is bevonden.
Onderschrijft u de stelling in het artikel dat ten aanzien van verloskunde «één seconde soms al te laat kan zijn»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat een toename van de reistijd in de regio als gevolg van sluiting van de locatie Roosendaal niet acceptabel is, zeker gelet op onderzoeken waaruit blijkt dat een langere reistijd de sterftekans vergroot?2
Ten aanzien van de bereikbaarheid van de acute (verloskundige) zorg is de 45 minuten norm leidend. Zoals in mijn brief (Kamerstuk 29 247, nr. 171) d.d. 1 maart 2012, heb geschreven heb ik ervoor gekozen om de drie bevallingsnormen van de stuurgroep zwangerschap en geboorte, te weten de 15-minutennorm en begeleidings- en bewakingsnormen, niet onverkort in te voeren. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat de 45 minutennorm in sommige regio’s niet meer gehaald zou kunnen worden en dat vind ik zeer onwenselijk. Uit analyses van het RIVM blijkt overigens dat Roosendaal geen cruciaal ziekenhuis is voor de 45 minutennorm. Dat betekent dat concentratie van de verloskunde van Roosendaal naar Bergen op Zoom mogelijk is binnen de geldende bereikbaarheidsnormen. Ik heb begrepen dat wel wordt overlegd met de Regionale Ambulance Voorziening (RAV) over mogelijkheden tot het optimaliseren van de bereikbaarheid in geval van concentratie.
Wat is, in het licht van de situatie in Roosendaal, uw reactie op het rapport van de Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen (SAZ) waaruit blijkt dat concentratie van verloskundige zorg in minder ziekenhuizen niet leidt tot een betere kwaliteit van de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Concentratie van zorg kan grofweg twee effecten hebben: een mogelijke vermindering van de sterfte omdat de verloskundige zorg kwalitatief beter wordt aangeboden, maar ook een mogelijke vergroting van de sterfte omdat de reistijd groter wordt. De vraag is wat, in geval van concentratie, de balans van deze effecten precies is. In het rapport zijn twee concentratiescenario’s uitgewerkt die verschillende resultaten laten zien. Het ene scenario leidt tot een toename van de sterfte, het andere tot een afname. Het rapport stelt dat: «Deze uitkomsten zijn gevoelig voor de gebleken grote individuele verschillen tussen ziekenhuizen». Dit betekent dat het, in de besluitvorming rond concentratie van verloskundige zorg, voor de betrokken partijen van belang is om een goede afweging te maken tussen de genoemde effecten voor hun specifieke ziekenhuis en regio. Voor mogelijke concentratie van verloskundige zorg van Roosendaal naar Bergen op Zoom is dat niet anders.
Onderschrijft u de aanbevelingen uit het SAZ-rapport, namelijk verkleinen van de reistijd, minder doorverwijzingen tijdens bevallingen en het verbeteren van de bereikbaarheid van centra voor acute verloskunde? Zo nee, met welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwt u dit? Zo ja, deelt u de mening dat het sluiten van de afdeling acute verloskunde in Roosendaal haaks staat op deze aanbevelingen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 beschrijf is de duur van de reistijd slechts één van de factoren die de kwaliteit van zorg bepalen. Het is dan ook in ieder specifiek geval zaak om te zoeken naar de juiste balans tussen de het verkorten van de reistijd en het verbeteren van de kwaliteit door schaalvergroting.
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeentebesturen in deze regio zich ernstige zorgen maken over het mogelijke verdwijnen van de acute verloskunde uit Roosendaal? Wat gaat u doen om deze zorgen weg te nemen?
Ik heb hierover geen signalen ontvangen. Het is aan de ziekenhuizen om alle stakeholders goed te betrekken bij eventuele besluiten die worden genomen om de zorg te concentreren.
Deelt u de mening van de heer Pal, gynaecoloog, dat er te weinig gynaecologen in Nederland zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zorgt u voor een toereikend aantal gynaecologen en verloskundigen, zodat de kwaliteit van de verloskundige zorg niet in gevaar wordt gebracht door problemen in de personele bezetting?
De instroom gynaecologie zit op het maximum van het Capaciteitsadvies (66 opleidingsplaatsen in 2012). Dat komt overeen met de wens van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en dit aantal is tevens het maximum dat de opleiders aankunnen. Zoals ik in mijn brief (Kamerstuk nummer 29 247, nr. 171) d.d. 1 maart 2012, heb geschreven is het desondanks voor ziekenhuizen, met name in dunbevolkte gebieden, lastig om aan voldoende personeel te komen. Mede daarom heb ik ervoor gekozen om de drie bevallingsnormen, te weten de 15-minutennorm en begeleidings- en bewakingsnormen, niet onverkort in te voeren. Als gevolg daarvan kan ik melden dat er geen tekort aan gynaecologen wordt verwacht.
Bent u bereid zich in te zetten voor het behoud van een goede afdeling acute verloskunde in Roosendaal? Zo nee, waarom niet?
Nee, zo is de rolverdeling ook niet die we met elkaar hebben afgesproken. Het is aan de betrokken partijen om hier een weloverwogen besluit over te nemen binnen de randvoorwaarden die landelijk zijn gesteld met betrekking tot bereikbaarheid en kwaliteit.
De afhandeling van aangiften in Amsterdam |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de Amsterdamse cijfers, waaruit blijkt dat met ruim tweederde van alle aangiftes in Amsterdam niets wordt gedaan?1 Wat vindt u van het feit dat in 68% van de gevallen er geen onderzoek volgt op de aangifte?
Ik ken het uitvalpercentage van 68% (2011) van het korps Amsterdam-Amstelland. Bepalend voor de vraag of er grond is tot het instellen van een onderzoek is de Aanwijzing voor opsporing2 van het College van Procureurs Generaal. Er zijn in deze Aanwijzing twee criteria geformuleerd:
Een aanzienlijk deel van de meldingen en aangiften biedt in de praktijk geen aanknopingspunten voor nader onderzoek omdat er geen sporen of getuigen zijn. Het gaat daarbij vaak om zaken waarbij alleen sprake is van materiële schade zoals diefstal van een fiets en zakkenrollerij (2011: 95% uitval bij aangifte in korps Amsterdam-Amstelland). De vermogenscriminaliteit maakt een aanzienlijk deel uit van de aangiften van misdrijven; hierdoor wordt het gemiddelde uitvalpercentage (68% in 2011) sterk beïnvloed. Daarentegen wordt in gevallen van bijvoorbeeld aangifte van mishandeling in de regel een onderzoek ingesteld (2011: 27% uitval in korps Amsterdam-Amstelland). Van de afgeronde onderzoeken wordt ongeveer 70% door het korps afgerond met één of meerdere verdachten.
Ik ben van mening dat het noodzakelijk is om een selectie te maken uit alle meldingen en aangiften die binnen komen, en vertrouw erop dat indien wordt vastgesteld dat verder onderzoek niet aan de orde is, dit besluit gegrond is. Tegelijkertijd maak ik mij echter hard om landelijk de opsporingskans in de korpsen te vergroten. Om dit te realiseren verbeter ik, ook als onderdeel van het programma «Verbetering Prestaties in de Strafrechtketen» het aangifteproces (zie voor de maatregelen daartoe, het antwoord bij vraag 5). Ten eerste komen meer zaken sneller binnen door een grotere aangifte- en meldingsbereidheid en uitgebreidere aangiftemogelijkheden. Ten tweede worden aangiften (en meldingen) door een verbetering van het proces sneller behandeld. Daarnaast levert een kwalitatief betere aangifte meer daderinformatie en dus een meer succesvolle opsporing op.
Deelt u de mening dat dit een schrikbarend cijfer is en dat dit snel moet verbeteren? Hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de oorzaak van dit slechte cijfer? Waarom worden er zo weinig aangiftes daadwerkelijk opgepakt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van de burgemeester dat de geringe inzet na een aangifte mede te wijten is aan een tekort aan agenten? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De operationele sterkte afspraak met uw Kamer is nog nooit zo hoog geweest; namelijk 49 500 fte. Ieder korps deelt hierin volgens de afspraken die ik heb gemaakt met de korpsbeheerders in het kader van de invoering van het herijkte budgetverdeelsysteem (hBVS). Het bevoegd gezag bepaalt vervolgens de inzet van de operationele sterkte binnen een korps. Daarnaast wordt in korps Amsterdam-Amstelland op verschillende fronten gewerkt aan vernieuwing van de werkwijze bij de voorkoming en bestrijding van criminaliteit in de regio. In dit licht bezien wordt de beschikbare capaciteit zo goed en efficiënt mogelijk ingezet.
Deelt u de mening dat dit de aangiftebereidheid niet ten goede zal komen? Hoe denkt u dit tij te kunnen keren?
Het is van het grootste belang dat een burger aangifte doet: hoe sneller burgers aangifte doen en de politie hierop acteert, hoe groter de kans dat de dader wordt aangehouden. Als uitvloeisel van het Regeerakkoord zet ik in op verbetering van het aangifteproces. De inspanningen zijn erop gericht om het aantal aangiftes en de kwaliteit ervan te vergroten en onnodige uitstroom te beperken. Dit gebeurt door:
Wat betekent de teruglopende aangiftebereidheid en het blijven liggen van zeer veel zaken voor de misdaadcijfers?
De meest recente cijfers uit de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM) 2011, die op 1 maart 2012 door het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Ministerie van Veiligheid en Justitie is gepubliceerd en op die datum aan uw Kamer is aangeboden (266485), laten zien dat er geen sprake is van een significante daling en daarmee van een teruglopende aangiftebereidheid in Amsterdam. Uit de IVM 2011 blijkt dat het meest recente aangiftebereidheidcijfer Amsterdam Amstelland (in 2011) 30,6% bedraagt. Dat houdt in dat 3 van 10 ondervonden delicten worden gemeld bij de politie. In 2010 lag dit percentage op 34,1% en in 2009 op 30,6%. Het meest recente aangiftebereidheidcijfer landelijk laat een overeenkomstig beeld zien. In 2011: 34,5%, in 2010 34,8% en in 2009 35,1%.
Hoe staat het met het oplossingspercentage van aangiftes in de rest van Nederland? Bent u bereid dit per korps te (laten) onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
De cijfers waar u naar vraagt komen jaarlijks beschikbaar. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie (WODC) publiceren sinds 1999 gezamenlijk over de ontwikkelingen op het terrein van criminaliteit en rechtshandhaving in de uitgave «Criminaliteit en Rechtshandhaving». Het meest recente landelijke beeld, dat in november 2011 is uitgekomen (Criminaliteit en Rechtshandhaving 2010), laat zien dat ongeveer een kwart van de misdrijven wordt opgelost. Er zijn zeker wel verschillen tussen de regio’s, maar die zijn niet groot. Tevens verwijs ik u naar het Jaarverslag Nederlandse Politie 2011, waarin ik heb gemeld dat binnen de landelijke prioriteit «aanpak delicten met een hoge impact op het slachtoffer», in 2011 de pakkans voor high impact crimes zich positief heeft ontwikkeld.
Geregistreerde criminaliteit
Opgehelderde misdrijven
Ophelderingspercentage
(abs.)
(%)
2005
1 341 945
339 199
25,3
2006
1 304 325
332 490
25,5
2007
1 292 822
323 154
25,0
2008
1 266 163
309 563
24,4
2009
1 243 286
305 421
24,6
2010
1 184 738
287 487
24,3
Een lijst van 200 gebouwen waarin op grote schaal spuitasbest is verwerkt |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen1 over spuitasbest en een lijst van 200 meest risicovolle gebouwen die behandeld zijn met spuitasbest, waarbij u de grote risico’s van spuitasbest onderstreept2 heeft, maar waarbij u tevens verklaarde dat u en «niemand van ons» deze lijst kende?
Ja
Herinnert u zich de «Rapportage inventariserend onderzoek spuitasbest»3 van de Arbeidsinspectie (1997)4, waaruit bleek dat in 100 van de 198 onderzochte gebouwen de spuitasbest nog aanwezig was, bij 39 door de Arbeidsinspectie beoordeelde situaties twintig keer de spuitasbest beschadigd was en in 28 gevallen de spuitasbest niet dan wel slechts gedeeltelijk was afgeschermd?
Ja. Genoemd rapport is naar aanleiding van uw vraag onder mijn aandacht gebracht.
Zijn de volgende voornemens5 uit het rapport van de Arbeidsinspectie uitgevoerd? Zo ja, wat zijn de resultaten van deze acties? Benaderen van de gebouweigenaren van gebouwen met goed afgeschermde spuitasbest ivm het treffen van aanvullende maatregelen om te voorkomen dat werkzaamheden in de buurt van afscheidingen plaats vinden of de afscherming kan worden aangeraakt of beschadigd; Het opsporen van andere gebouwen (dan de 198 reeds bekende) waarin spuitasbest is toegepast; Het volgen en tenminste eenmaal per twee jaar inspecteren van alle locaties waar spuitasbest aanwezig is. Indien de voornemens niet, of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd: kan gemotiveerd worden waarom (gedeeltelijk) is afgeweken van de voorgenomen acties?
Het betreffende rapport dateert van 15 jaar geleden. De voornemens uit het rapport zijn opgenomen in de inspectieactiviteiten van de Arbeidsinspectie vanaf 1998. De betreffende acties zijn in de loop van 2001 afgerond. Uit de beschikbare verslagen van de Arbeidsinspectie blijkt dat gebouweigenaren zich bewust waren van mogelijk gevaarlijke situaties en maatregelen genomen hebben. Vanaf 2002 ligt de nadruk bij de Arbeidsinspectie voor asbest op inspectieprojecten gericht op saneringslocaties.
In hoeveel van genoemde gebouwen is anno 2012 nog steeds spuitasbest aanwezig? Is het waar dat een aantal van deze gebouwen een grootschalige publieksfunctie heeft? Kan een lijst van deze gebouwen aan de Kamer worden overlegd?
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Inmiddels is het asbestbeleid er op gericht dat gebouweigenaren volledig zelf de verantwoordelijkheid nemen voor de aanwezigheid van asbest in hun gebouwen. Alle gebouwen van vóór 1994 moeten als asbestverdacht beschouwd worden. Er is niet overgegaan tot (al dan niet verplichte) inventarisatie van asbest in gebouwen in niet-sloopsituaties zodat de gevraagde lijst niet kan worden overgelegd van gebouwen met een grootschalige publieksfunctie waarin asbest aanwezig. Wel is op de website Atlasleefomgeving (https://www.atlasleefomgeving.nl/) te zien welke schoolgebouwen asbestverdacht zijn.
Waterprivatisering door de Wereldbank |
|
Ewout Irrgang (SP) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Shutting the Spigot on Private Water: The case for the World Bank to divest» van de Amerikaanse niet-gouvernementele organisatie (NGO) Corporate Accountability International?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport. Nederland is echter niet betrokken bij de watervoorziening in Manilla. Ik neem het voorbeeld ter kennisgeving aan.
Kunt u aangeven of u het gegeven voorbeeld van de waterprivatisering in Manilla als een succesverhaal beschouwt? Zo ja, waarom? Zo neen, welke implicaties heeft dit voor uw beleid?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u ingaan op de kritiek die het rapport geeft op de benadering van de «operationele doelmatigheid» door de Wereldbank?
Over dit onderwerp heb ik een constructieve beleidsdialoog met de Bank, die ik niet terug zie in de conclusie en aanbevelingen.
In veel gevallen is gebleken dat de private sector beter geëquipeerd is dan de publieke sector om op een efficiënte en doelmatige wijze de drinkwatervoorziening te garanderen en daarmee bij te dragen aan financiële duurzaamheid en zelfredzaamheid. De rol van een onafhankelijke toezichthouder en van maatschappelijke organisaties is hierbij van groot belang met het oog op het vaststellen van minimaal kostendekkende tarieven en het veiligstellen van toegang voor de allerarmsten.
Een waterbedrijf moet zijn kosten kunnen dekken. Ik zie geen reden om huishoudens die zijn aangesloten op het waterleidingnet te subsidiëren, terwijl zij die niet zijn aangesloten wel de volledige kosten van hun «alternatieve» watervoorziening moeten betalen.
Ik ben geen voorstander van volledige privatisering van de drinkwatervoorziening, maar ieder land moet daarin zijn eigen keuzes maken. Nederland doet dat ook. Landen die geïnteresseerd zijn in het Nederlandse model waarbij het eigendom van het drinkwaterbedrijf in handen blijft van de overheid en het beheer wordt uitbesteed aan een private onderneming, zijn welkom om daar met ons over te praten.
Kunt u tevens ingaan op de kritiek die het rapport geeft op het gebrek aan investeringen in en uitbreiding van de infrastructuur door de private sector?
Investeringen en uitbreiding van de infrastructuur is vaak de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het netwerk, in veel gevallen de overheid. Afhankelijk van de contractvoorwaarden kan de private partij hierin participeren. Omdat het risico niet in verhouding staat tot het rendement vindt dit echter zelden plaats.
Kunt u ingaan op de theoretische inzichten over waterprivatisering zoals verwoord op pagina 16 en verder van het rapport? Welke lessen trekt u hieruit voor uw toekomstige beleid inzake water en private sectorontwikkeling?
Volledige privatisering van de drinkwatervoorziening heeft niet mijn steun. Het Nederlandse beleid zet daar dan ook niet op in.
Wat is uw reactie op de kritiek van het rapport met betrekking tot de ongewenste belangenverstrengeling van de Wereldbank in haar rol als mede-eigenaar van waterbedrijven en tevens onpartijdig adviseur en expert? Bent u het eens met deze kritiek?
De Wereldbank verschaft leningen aan overheden en publieke instellingen. IFC, onderdeel van de Wereldbank Groep, verschaft leningen en eigen vermogen aan private bedrijven. Het rapport spreekt van de Wereldbank terwijl het in dit geval over de Wereldbank Groep gaat. Ik kan mij voorstellen dat het beeld ontstaat dat er in specifieke gevallen sprake is van een te grote concentratie van verantwoordelijkheden vanuit verschillende delen van de Wereldbank Groep. Op groepsniveau zijn er echter voldoende waarborgen ingebouwd om belangenverstrengeling te voorkomen. Ik zal nogmaals onder de aandacht van de Wereldbank Groep brengen dat het van belang is verkeerde beeldvorming op dit punt tegen te gaan.
Kunt u zich vinden in de conclusie en de aanbevelingen in het rapport? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hiermee doen?
Ik vind de conclusie en aanbevelingen van het rapport ongenuanceerd. De private sector kan een effectieve rol vervullen in de drinkwatervoorziening zonder dat het om volledige privatisering gaat. Dit komt in het rapport en in de aanbevelingen niet goed tot uitdrukking. In mijn beleidsdialoog met de Wereldbank merk ik groeiende interesse voor het Nederlandse model van waterbedrijven die publiek eigendom zijn en blijven, maar die als een bedrijf worden gerund, «not for profit-not for loss». De komende tijd zal via evaluaties kritisch gekeken worden naar de effectiviteit van programma’s in de watersector waar het bedrijfsleven bij betrokken is.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van het amendement Irrgang inhoudende het schrappen van de Nederlandse bijdrage van 1,2 miljoen euro aan het Public-Private Infrastructure Advisory Facility (PPIAF) in 2012 ten behoeve van technische assistentie bij het privatiseren van de watervoorziening?2
Conform het amendement Irrgang (Kamerstuk 33 000 V, nr. 112) is de Nederlandse bijdrage aan PPIAF in 2012 met Euro 1,2 mln. gekort. Het contract met de Wereldbank is aangepast.
Na aanpassing van het contract bedraagt de resterende contractuele verplichting met PPIAF in 2012 USD 286 000 en blijft een contractuele verplichting bestaan in 2013 van USD 2 mln.
Kunt u tevens een nadere toelichting geven op eventuele contractuele verplichtingen met het PPIAF tot 2013?
Zie antwoord vraag 8.
Vormt bovengenoemd rapport voor u voldoende aanleiding om uw steun aan het PPIAF definitief te beëindigen? Zo neen, waarom niet?
Nee. Steun aan overheden in ontwikkelingslanden op het gebied van publiek-private samenwerking bij de ontwikkeling van infrastructuur is onderdeel van mijn beleid. Infrastructuur is een noodzakelijke voorwaarde voor economische groei en de ontwikkeling van de private sector. De behoefte aan infrastructuur in ontwikkelingslanden is enorm. Via publiek-private samenwerking kunnen kennis, kunde, innovatiekracht en kapitaal vanuit de private sector ingezet worden om infrastructuur te realiseren. PPIAF levert vraag-gestuurd advies aan overheden in ontwikkelingslanden op het terrein van publiek-private samenwerking bij de ontwikkeling van infrastructuur in verschillende sectoren, waaronder elektriciteit, transport, telecommunicatie, irrigatie en water. Thema’s als verbeterde toegang, prijsstelling, evenals efficiëntie en kwaliteit van de dienstverlening zijn onderdeel van de adviesverlening. Uiteindelijk bepaalt een ontwikkelingsland zelf of en hoe de private sector wordt ingeschakeld, in welke sector dit gebeurd en via welke vorm van publiek-private samenwerking. Nederland is één van de 11 donoren van PPIAF en is sinds 2001 donor.
Bovengenoemd rapport geeft aanleiding om in de beleidsdiscussie tussen donoren en de Program Management Unit van PPIAF over de adviesverlening in de drinkwatersector het belang van armoedefocus en universele toegang tot water nogmaals te onderstrepen. Na het aflopen van de contractuele verplichting met PPIAF in 2013, en op basis van een evaluatie van het programma, zal worden besloten of Nederland PPIAF na 2013 blijft ondersteunen.
Vormt bovenstaand rapport voor u voldoende aanleiding om geen steun meer te verlenen aan beleid dat is gericht op waterprivatisering in ontwikkelingslanden?
Volledige privatisering van de drinkwatervoorziening heeft niet mijn steun. Het Nederlandse model, of een variant hierop, van een publiek-privaat partnerschap waarbij het eigendom van de drinkwatervoorziening in publieke handen is en het beheer en management wordt uitbesteed (via een concessie en/of management contract) aan een private partij, heeft mijn voorkeur. Dit model biedt goede kansen op financiële duurzaamheid van de watervoorziening – en daarmee op zelfredzaamheid van het betreffende land. Er moet wel oog zijn voor de minder draagkrachtigen in een dergelijke aanpak. Daarom ondersteun ik maatschappelijke organisaties in hun werk bij het aanleggen van speciale voorzieningen, zoals gemeenschappelijke waterpunten.
De handdruk van de directeur van de Wereldomroep |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat de algemeen directeur van de Wereldomroep meer dan 1 miljoen euro meekrijgt bij zijn vertrek? Welk bedrag is het exact?1
Het is niet zeker of de directeur vertrekt en wanneer en hoeveel hij vervolgens meekrijgt bij vertrek. In het uiterste geval zou ruim 1 miljoen euro geclaimd kunnen worden krachtens zijn arbeidscontractuele afspraken. Ik begrijp de maatschappelijke kritiek die een dergelijke ontslagvergoeding teweegbrengt zeer goed. De Raad van Toezicht (hierna: RvT) gaat over de arbeidsvoorwaarden, waaronder mogelijke ontslagvergoeding en zal dan ook bepalen welk bedrag de algemeen directeur aangeboden krijgt. Ik heb er bij de RvT op aangedrongen om de ontslagvergoeding kritisch te beoordelen. Ik heb daarbij aangegeven dat ik ervan uitga dat men de kantonrechterformule volgt.
Als het vertrekbedrag inderdaad zo aanzienlijk is, deelt u dan de mening dat dergelijke bedragen ongewenst zijn en in toekomstige afspraken niet meer mogen voorkomen?
Ja.
Is het u bekend of de directeur vrijwillig akkoord zou kunnen gaan met een lager bedrag?
De RvT en ook de algemeen directeur hebben gemeld bereid te zijn om hierover van gedachten te wisselen.
De reële enn politieke planning voor de Omgevingswet |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u motiveren waarom u de uitspraak1 van de ambtelijk coördinator wetgeving van de projectdirectie Eenvoudig Beter, dat de politieke planning voor de Omgevingswet niet de reële planning is, niet onderschrijft? Kunt u in het bijzonder toelichten waarom de volgende analyse van de ambtelijk coördinator naar uw mening geen hout snijdt: «Dat is de politieke, niet de reële planning. De komst van de Omgevingswet zal immers met de standaard bijkomstige documenten gepaard moeten gaan, zoals een invoeringswet, een omgevingsbesluit en onderliggende ministeriële regelingen, en dat vergt veel tijd (...). 2018 lijkt me een redelijker verwachting voor de Omgevingswet.»?2
De herziening van het omgevingsrecht is een omvangrijke wetgevingsoperatie met verschillende mijlpalen, zoals de betrokken ambtenaar heeft trachten duidelijk te maken. De belangrijkste mijlpaal is het opstellen van een voorstel voor een integrale Omgevingswet waarvoor de planning is opgenomen in de kabinetsnotitie Stelselwijziging Omgevingsrecht van 9 maart 2012 (Kamerstukken II 33 118, nr. 3, p. 24) .
Naast de Omgevingswet zelf is een Invoeringswet nodig, zoals ook aangegeven in de kabinetsnotitie. Een dergelijk grote herziening vereist immers een zorgvuldige invoering met een voor de praktijk hanteerbare invoeringstermijn en overgangsrecht. Een exacte invoeringstermijn en mogelijke fasering daarbinnen zal in samenspraak met de uitvoeringspraktijk worden bepaald als de belangrijkste omgevingswetgeving is afgerond. Om die reden is in de kabinetsnotitie daarover geen datum opgenomen.
Er is dus een onderscheid tussen het aanleveren van de Omgevingswet bij de Kamer en de daarop volgende Invoeringswet. Mijn ambtenaar heeft hierop gedoeld en op de uitvoeringsregelgeving. De inwerkingtreding van de Omgevingswet vraagt immers ook om een Omgevingsbesluit en bijbehorende ministeriële regeling. Daarnaast zal alle relevante uitvoeringsregelgeving moeten worden aangepast aan de Omgevingswet. Zoals de kabinetsnotitie aangeeft, hebben circa 150 besluiten en honderden regelingen (deels) betrekking op de leefomgeving. Dit zeer omvangrijke pakket regels kan alleen worden gerealiseerd door prioritering in de tijd en een modulaire aanpak gedurende de komende jaren. Ook hier geldt dat op dit moment het geven van een exacte planning niet mogelijk is.
Kunt u uitleggen hoe de Omgevingswet, qua omvang een stuk groter dan de eerder uitgevoerde herziening van de Wet ruimtelijke ordening, in de helft van de tijd van deze herziening kan worden ingevoerd?3
De planning van de Omgevingswet is ambitieus, er is bij de voorbereidingen dan ook een straf tempo ingezet. Zoals ik op vraag 1 heb geantwoord is voor de datum van invoering op dit moment nog geen planning vastgesteld. Deze datum is afhankelijk van de totstandkoming van in- en uitvoeringsregelgeving en overleg daarover met de uitvoeringspraktijk.
Zou u alsnog antwoord willen geven op vraag 2 van eerdere schriftelijke vragen van 21 maart 20124: «Was u op de hoogte van de reële planning van de ambtelijk coördinator wetgeving voor u de Kamer informeerde over uw politieke planning voor de Omgevingswet?» Indien u niet op de hoogte was, was de leiding van uw ministerie wel op de hoogte van de visie van de ambtelijk coördinator, dat een reële planning uit moet gaan van 2018 als datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet? Als de dienstleiding daarvan op de hoogte was, hoe is het dan mogelijk dat u niet beschikte over deze essentiële informatie? Als u wel op de hoogte was, onderschrijft u dan dat u deze informatie met de Kamer had moeten delen en dus de Kamer in uw brief5 van 9 maart 2012 onvolledig en daarmee onjuist geïnformeerd heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik u bij vraag 1 heb aangegeven geeft mijn brief van 9 maart 2012 de planning weer van de totstandkoming van de Omgevingswet, zo volledig en juist als deze op dat moment te maken was. Ik heb binnen mijn ministerie en met participerende maatschappelijke organisaties gesproken over de krappe doorlooptijd in de planning en heb naar aanleiding daarvan juist extra ruimte ingebouwd. Op basis hiervan is de planning ontstaan, waarover ik u in mijn brief heb geïnformeerd. De planning blijft ambitieus, maar is haalbaar.
Onderschrijft u de volgende beginselen van behoorlijk bestuur: Indien u deze twee uitgangspunten niet (volledig) onderschrijft: kunt u dan uw standpunt motiveren?
Ik onderschrijf sterk de waarde van een open en onbevoordeelde houding van het ambtelijk apparaat. Die draagt bij aan een goede advisering voor het nemen van politieke beslissingen. Ik ben vervolgens als Minister verantwoordelijk om het parlement volledig en juist te informeren, zowel mondeling als schriftelijk.
Ik heb in deze zaak juist mede op basis van ambtelijk advies de termijnen verruimd. De verwarring bestaat waarschijnlijk, zoals ik al in vraag 1 heb geprobeerd aan te geven, in het verschil tussen politieke aanlevering van de Omgevingswet en de daarbij op te stellen Invoeringswet en uitvoeringsregelgeving.
Het invoeren van een meldingsplicht voor buitenlandse vrachtwagenchaufeeurs om de naleving van de cabotageregels makkelijker te kunnen controleren |
|
Paul Ulenbelt (SP), Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over het voorstel van de brancheorganisatie in het wegtransport VERN om buitenlandse vrachtwagenchauffeurs te laten registreren als ze ritten in Nederland rijden?1
Met het voorstel beoogt de VERN de regels omtrent cabotage makkelijker controleerbaar te maken. De regels met betrekking tot cabotage zijn opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet wegvervoer goederen (WWG) ter implementatie van verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 (Voorstel van Wet, Kamerstukken II, 2011/2012, 33 184, nr. 2), dat nu ter goedkeuring bij de Tweede Kamer voorligt. In dit voorstel is ook de mogelijkheid tot sanctionering van overtreding van de regels opgenomen. Het is op dit moment nog niet mogelijk uitspraken te doen of een registratieplicht aan een goede controle van cabotageregels kan bijdragen. Zodra de regels omtrent cabotage in werking zijn getreden, voert de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een inventariserend onderzoek uit naar cabotagevervoer in Nederland en overtreding van de voorschriften op dit terrein. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt het handhavingsbeleid van de ILT ten aanzien van cabotage bepaald.
Met het onderzoek van de ILT wordt tevens invulling gegeven aan de motie van het lid De Jong van 23 november 2011, waarin de regering verzocht wordt binnen het huidige budget prioriteit te laten stellen in de handhaving op de cabotageregeling.
Deelt u de mening dat een registratie van buitenlandse vrachtwagenchauffeurs het makkelijker maakt om de cabotageregels te controleren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is buitenlandse chauffeurs te registeren door middel van een meldingsplicht? Zo ja, op welke termijn gaat u de Kamer informeren over de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Na afronding van het onderzoek van de ILT, genoemd in het antwoord op vraag 1, zal ik bezien of een onderzoek naar de mogelijkheden van een registratieplicht wenselijk is. De termijn waarop dit kan is afhankelijk van het in werking treden van de wijziging van de WWG (zie het antwoord op vraag 1).
Is het waar dat de Belgische staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, de heer Crombez, een groot voorstander is van de meldplicht?
In het Belgisch recht bestaat al een algemene meldingsplicht wanneer buitenlandse werknemers of zelfstandigen tijdelijk arbeidsprestaties komen leveren op het Belgisch grondgebied, de zogenaamde LIMOSA-melding. Ook een buitenlandse vervoersonderneming die in België een binnenlandse rit laat verrichten (cabotagerit) dient vanaf de eerste rit een melding te doen van de werknemer en alle gegevens betreffende de plaats en duur van de tewerkstelling van de betrokken werknemer. De meldplicht geldt voor cabotage, maar niet voor het internationaal transport van goederen. Op dit moment is een zaak hangende voor het Europese Hof van Justitie over de vraag of de LIMOSA-melding voor wat betreft zelfstandigen in overeenstemming is met het vrij verkeer van diensten.
Volgens de Belgische overheid kan een meldingsplicht een goed instrument zijn om de naleving van het Belgisch arbeidsrecht bij internationaal transport en cabotage te kunnen controleren, maar is dit niet het enige instrument dat mogelijk is. Zo kan volgens de Belgische overheid een koppeling van de tachograaf aan de GPS wellicht ook een doeltreffend controle-instrument worden. Over deze koppeling wordt in Europees verband nog gesproken.
Is het waar dat de Nederlandse belastingdienst miljoenen euro's per jaar misloopt door ontduiking van de EU-regels voor internationaal transport? Zo ja, in hoeverre is dit volgens u te ondervangen door het invoeren van een meldplicht voor buitenlandse chauffeurs?
Op dit moment is niet bekend in hoeverre er overtreding plaatsvindt van regels omtrent cabotage. Hierover ontstaat meer duidelijkheid, als de ILT het inventariserend onderzoek heeft uitgevoerd. Het is daarom niet te zeggen hoeveel de Nederlandse Belastingdienst aan inkomsten misloopt en in hoeverre een meldplicht van chauffeurs dit zou kunnen ondervangen.
Het advies van het CVZ over psychische klachten |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht over het advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) dat therapie voor psychische klachten voor eigen rekening moet zijn?1
Ik vind het goed dat het CVZ een nadere invulling geeft aan de huidige aanspraken in de GGZ en daarbij ook gebruik maakt van het principe van stepped care. Het CVZ maakt in zijn advies onderscheid tussen psychische klachten en stoornissen. Psychische stoornissen vragen om geneeskundige GGZ, terwijl bij psychische klachten de huisarts het eerst aan zet is. Op basis van de Zvw valt de hulp op het gebied van psychische klachten niet onder de eerstelijns psychologische zorg en de specialistische geneeskundige GGZ. Zo wordt ondoelmatige zorg in de geneeskundige GGZ voorkomen.
Wat is de achtergrond van dit CVZ-advies; een bezuinigingsopdracht of is het een eigen initiatief?
Het is van belang dat de GGZ ook in de toekomst houdbaar blijft. Daarom moet onderscheid gemaakt worden tussen onbetwistbare curatieve GGZ en niet-noodzakelijke vormen van GGZ-zorg. Specifiek is aan het CVZ als pakketbeheerder gevraagd om een drietal oplossingsrichtingen in het advies te betrekken, namelijk:
Het GGZ advies deel 1 gaat in op het eerste punt. Het GGZ advies deel 2, dat aan het eind van dit jaar zal verschijnen, zal ingaan op de punten 2 en 3.
Welke «sterke aanwijzingen» zijn er die erop kunnen wijzen dat zorgverzekeraars nu meer vergoeden dan enkel de verzekerde zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het CVZ stelt in zijn recente advies dat het voor huisartsen van belang is om als poortwachter een onderscheid te maken tussen psychische klachten en (het vermoeden van) een psychische ziekte. Alleen in dit laatste geval kan een huisarts voor nadere diagnose en behandeling verwijzen naar eerstelijns psychologische zorg of tweedelijns specialistische GGZ.
Op basis van het interdepartementale beleidsonderzoek uit 2010 is bekend dat 30% van de patiënten met lichte problematiek tweedelijns specialistische zorg ontvangt.2 Bij de eerstelijns psycholoog krijgt 30% van de patiënten geen DSM-classificatie. Dit maakt het noodzakelijk om meer helderheid te scheppen over de reikwijdte van het basispakket. De eerste stap hiertoe is gezet door middel van het GGZ rapport deel 1. Het CVZ zal hier ook verder op ingaan in het voor eind 2012 geplande GGZ rapport deel 2.
Hoe vaak worden dan zogenaamde verkeerde diagnoses gesteld, en waar blijkt dat uit? Wordt er inderdaad bij «een klacht» zorg geïndiceerd?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel mensen krijgen nu geestelijke gezondheidszorg voor aandoeningen die volgens de redenering van het CVZ niet behoren te worden vergoed? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, wanneer er enkel een theoretische scheiding gemaakt wordt tussen een klacht en een ziekte, de kans toeneemt dat er zwaardere diagnoses worden gesteld?
Beroepsbeoefenaren in de GGZ moeten zelf scherp toezien op adequate triage. Het kan niet zo zijn dat patiënten die niet voldoen aan de criteria voor een bepaalde stoornis toch een diagnose voor zo’n stoornis krijgen. Daarnaast is het een taak van zorgverzekeraars als inkoper van zorg om, op basis van formele en materiële controle, in te grijpen als er sprake is van onrechtmatig declareren. In dat geval is er namelijk sprake van een economisch delict. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft hierin ook een rol als toezichthouder. Ik onderschrijf het pleidooi van het CVZ om langs verschillende lijnen gepast zorggebruik te stimuleren.
Daarom zal ik met betrokken partijen mijn verwachtingen bespreken wat betreft het toezicht op het juist declareren inzake verzekerde aanspraken in de GGZ.
Deelt u de mening van het CVZ dat behandelaars op hun declaraties het soort diagnose moeten zetten, ook wanneer dit in tegenspraak is met privacybescherming en uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)?2
De wettelijke verplichting om diagnose-informatie op de declaratie te zetten bestaat al. Het CBb heeft in zijn uitspraak van 8 maart 2012 (LJN: BV8297, College van Beroep voor het bedrijfsleven, AWB 11/317, 11/358 en 11/372) geoordeeld dat de verplichting om diagnose-informatie op de declaratie te vermelden in de DBC-systematiek voor de GGZ niet onrechtmatig behoeft te zijn, mits daarbij uitzonderingsmogelijkheden zijn ingebouwd. Die uitzonderingsmogelijkheden kunnen bepaalde groepen gevallen dan wel bepaalde cliënten betreffen, al dan niet beperkt tot gevallen waarin cliënten daarom verzoeken. De NZa beziet momenteel hoe deze uitzonderingsmogelijkheid wordt vormgegeven.
Kunt u uitleggen waarom de vermeende medische onherkenbaarheid van GGZ DBC’s (Diagnose Behandeling Combinaties voor de geestelijke gezondheidszorg) de oorzaak zou zijn van fraude? Is uw oordeel dat de zorgverzekeraar moet beoordelen of zorg noodzakelijk is of een arts/poortwachter? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het zijn in de praktijk allereerst de professionals die, op basis van hun zorginhoudelijke kennis en kunde, bepalen in hoeverre er sprake is van een psychische stoornis en of dit vraagt om een behandeling of niet.
Die medische herkenbaarheid bij de declaratie is van belang voor de zorgverzekeraar, als inkoper van zorg. Hoe duidelijker dit staat vermeld, hoe minder discussie er kan ontstaan over de rechtmatigheid van een declaratie. Dit natuurlijk binnen de grenzen die het CBb in haar uitspraak heeft vastgesteld.
Daarnaast wordt voor 2013 de productstructuur zodanig aangepast, dat het onderscheid tussen al dan niet verzekerde zorg beter zichtbaar wordt. Dat betekent dat bij invoering van prestatiebekostiging er een kleuring in rode (onverzekerde) en groene (verzekerde) producten mogelijk wordt. Dit helpt zorgverzekeraars om, als zorginkoper, te sturen op het inkopen van de juiste zorg voor hun polishouders.
De beheersing van het budget voor huisartsenzorg |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat moet worden voorkomen dat de macrokaders huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening dit jaar wederom worden overschreden? Zo ja, welke taak ziet u voor uzelf weggelegd bij het bewaken van deze budgetten?
Als minister ben ik eindverantwoordelijke voor de collectieve uitgaven in de zorg. Bij overschrijdingen van het budgettair kader zorg (BKZ) ben ik genoodzaakt maatregelen te nemen. De afrekening over 2012 vindt plaats in het daaropvolgende jaar (2013). In het voorjaar van 2013 zijn er betrouwbare gegevens beschikbaar over de uitgaven binnen het BKZ over geheel 2012.
Ik ben van mening dat de totale zorguitgaven dienen te vallen binnen de kaders die er zijn gesteld. Indien er een overschrijding is in een sector (bijvoorbeeld in de huisartsenzorg of multidisciplinaire zorg), dan dient dat in eerste instantie opgevangen te worden in de desbetreffende sector zelf. Daarnaast kan ook gezocht worden naar dekking binnen het totale BKZ.
Bent u van mening dat zorgverzekeraars de uitgaven van hun zorginkoop dienen af te stemmen op de ruimte die het macrokader huisartsenzorg en het macrokader multidisciplinaire zorgverlening bieden om te bevorderen dat die kaders niet worden overschreden? Zo ja, betekent dit dat zij (mede)verantwoordelijk zijn voor overschrijdingen en terughoudendheid moeten betrachten als duidelijk wordt dat het budgettaire kader overschreden wordt?
Zorgverzekeraars zijn vrij om hun zorginkoop zelfstandig vorm te geven. Daarbij hoort dus ook de ruimte voor de zorgverzekeraar om af te wijken van de verhouding tussen de uitgaven per sector zoals is vastgelegd in het BKZ. Zo kan een zorgverzekeraar ervoor kiezen om minder zorg in te kopen in het ziekenhuis en dit te verplaatsen naar de eerste lijn. Deze verschuiving op lokaal niveau moet uiteindelijk ook zichtbaar worden in de totale (landelijke) uitgaven aan zorg. Op het moment dat dit zichtbaar wordt, is het mogelijk om een overschrijding in de eerste lijn te dekken met een onderuitputting in de tweede lijn. Het is de taak van zorgverzekeraars om de zorg zo doelmatig mogelijk in te kopen en op deze wijze bij te dragen aan een gematigde groei van de totale zorguitgaven. Verzekeraars zijn niet alleen verantwoordelijk voor de prijs en kwaliteit, maar ook voor het volume. Kopen ze meer in dan nodig, dan is dat op macroniveau zichtbaar in een overschrijding van het BKZ.
Deelt u de waarneming dat zorgverzekeraars vooraf kunnen inschatten hoeveel ketenzorg zij moeten inkopen, aangezien in een gebied het aantal chronisch zieken bekend is en dus het waarschijnlijke aantal patiënten dat onder de keten komt te vallen? Zo ja, vindt u dat een zorgverzekeraar rekening dient te houden met zijn aandeel in het budgettaire kader multidisciplinaire zorgverlening, dat naar rato van zijn marktaandeel op hem van toepassing is? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is het waar dat u met huisartsen en zorgverzekeraars afspraken heeft gemaakt om de kosten van huisartsenzorg direct na afloop van elk kwartaal van 2012 te monitoren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van het eerste kwartaal 2012? Zo nee, is er een ander bewakingssysteem dat gedurende een budgetjaar zicht geeft op overschrijdingen van de zorginkoop?
Met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) is afgesproken om de kwartaalcijfers over de huisartsenzorg, zoals aangeleverd door de verzekeraars bij Vektis, te monitoren. Hierbij zijn in eerste instantie de LHV en ZN aan zet om met Vektis goede afspraken te maken over het opleveren van de cijfers en op welke wijze deze gepresenteerd worden. Deze gegevens kunnen worden gebruikt om gedurende het lopende jaar inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de uitgaven. Naar ik heb begrepen zijn de gegevens over het eerste kwartaal 2012 in juni beschikbaar. Begin juni zal met ZN en de LHV de voortgang van de monitoring worden besproken.
De op handenzijnde uitzetting van een Kosovaarse familie die al 18 jaar in Groesbeek woont |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Leers |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat het echtpaar Xhafa en hun vier in Nederland geboren kinderen na een verblijf van 18 jaar in Groesbeek volgende week zullen worden uitgezet naar Kosovo? Zo ja, klopt dit bericht?
Is het waar dat de heer Sejdi Xhafa in 2002 lopende zijn asielprocedure tevergeefs is uitgezet naar Kosovo? Zo ja, waarom is hij destijds uitgezet? Waarom wordt het verblijf van de heer Xhafa in Luxemburg aan het gehele gezin tegengeworpen bij de toepassing van het generaal pardon?
Wat vindt u van het bericht2 dat uit een recente UNICEF-publicatie blijkt dat de uitzetting van minderjarigen naar Kosovo ernstige risico’s op lichamelijke en psychische gezondheidsschade oplevert?
Deelt u de mening dat er in dit geval, gezien het langdurige verblijf van de familie in Nederland en de mate van inburgering in de Groesbeekse samenleving, voldoende argumenten bestaan om te berusten in het definitieve verblijf van deze familie in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om af te zien van onomkeerbare stappen rond de uitzetting totdat deze vragen zijn beantwoord?
Het bericht dat de wachtlijsten voor donororganen explosief zijn gestegen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wachtlijst donororganen explosief gestegen»?1
Ik heb kennis genomen van dit persbericht van de stichting 2 Miljoen Handtekeningen en ik heb geconstateerd dat het tendentieus is en onjuistheden bevat. Ik heb in de antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Dijkstra niet gezegd dat er «licht positieve resultaten waarneembaar zijn in de grafieken», waarmee ik zou hebben gedoeld op het aantal donaties. Ik heb geantwoord dat het aantal transplantaties in de afgelopen jaren licht is gestegen. Daarnaast stelt het persbericht dat een van de doelstellingen van het Masterplan Orgaandonatie 25 tot 50% meer donaties was ten opzichte van het gemiddelde van 2005–2007, ook hier ging het echter om transplantaties. Tenslotte stelt het persbericht dat ik ben vergeten te vermelden dat de lichte toename van het aantal donaties wordt veroorzaakt door donaties bij leven. Dat is onjuist, cijfers over donatie bij leven worden nooit meegenomen in de cijfers die betrekking hebben op postmortale orgaandonaties.
Is het waar dat het aantal transplantabele wachtenden dat op een wachtlijst staat om een orgaan te ontvangen met circa negentig tot honderd personen is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Het klopt dat het aantal patiënten op de wachtlijst momenteel 1405 bedraagt ten opzichte van 1288 patiënten in april 2011. Voor mijn oordeel over ontwikkelingen op de wachtlijst verwijs ik naar mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT).
Is het waar dat u de lijst van geregistreerde wachtenden die tijdelijk niet transplantabel zijn niet meeneemt in uw berekeningen over het aantal wachtenden, en dat de totale groep geregistreerde wachtenden daarmee uit ruim 3 200 personen bestaat?2 Zo ja, denkt u niet dat het zinvol is dit ook te vermelden, zodat er een compleet beeld ontstaat van de problematiek?
Die berekeningen worden niet door mij gemaakt, het beheer van de wachtlijst is een taak van de Nederlandse Transplantatie Stichting, een zelfstandig bestuursorgaan. Zij plaatsen die mensen op de wachtlijst die aan de hand van door de transplantatiecentra opgestelde objectieve criteria als transplantabel kunnen worden aangemerkt en dus ook daadwerkelijk getransplanteerd kunnen worden. Ik vind het weinig zinvol om patiënten als wachtenden aan te merken als zij dat feitelijk niet zijn omdat ze geen transplantatie kunnen ondergaan.
Kunt u onderbouwen of uw beredenering ten aanzien van hoornvliestransplantaties, dat het aantal wachtenden op een donororgaan geen goede graadmeter is voor het aantal transplantaties, omdat een persoon gemakkelijker op een wachtlijst wordt geplaatst als de mogelijkheden voor transplantatie toenemen, ook van toepassing is op nier-, long- en levertransplantaties?
In mijn antwoorden op de eerder genoemde Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT) heb ik proberen aan te geven dat er geen één op één relatie is tussen het aantal patiënten op de wachtlijst en het aantal transplantaties. Als dat zo zou zijn, zou het aantal patiënten op de wachtlijst moeten afnemen, het aantal transplantaties is in 2011 immers gestegen. De huidige toename op de wachtlijst moet dus een andere oorzaak hebben, die gelegen kan zijn in een toename van het aantal patiënten met orgaanfalen, maar ook in een versoepeling van de wachtlijstcriteria.
Wat is volgens u de reden dat het aantal transplantaties ondanks een lichte stijging nog steeds onder het aantal transplantaties uit 2007 ligt en de behaalde resultaten daarmee achterblijven bij de geformuleerde doelstellingen uit het Masterplan Orgaandonatie?
2007 Was een uitzonderlijk goed jaar, het is niet realistisch om dat jaar als uitgangspunt te nemen. Daarom ging de doelstelling van 25% meer transplantaties in 2013 uit het Masterplan ook uit van het gemiddelde van de jaren 2005–2007. Die doelstelling is nog niet gehaald, de stijging van het aantal percentages bedraagt momenteel 5,5%. De reden daarvoor is dat het aantal donaties niet is gestegen. Ik heb u in mijn brieven van 31 augustus 2011 (GMT/IB/3073386) en 21 december 2011 (GMT/IB 3095531) en de bijbehorende bijlagen aangegeven welke stappen ik ga nemen om het aantal transplantaties te laten toenemen.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de wachtlijsten terug te dringen en het aantal transplantaties te bevorderen? Bent u bereid hier een stappenplan met concrete doelstellingen en meetmomenten aan te verbinden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u op basis van de teleurstellende resultaten bereid het zwaarwegende advies uit het masterplan, het invoeren van een Actief Donor Registratiesysteem, te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. De redenen daarvoor heb ik u in mijn brief van 8 februari 2011 (GMT/IB 3036648) uiteengezet.
Het concept VNG-model algemene inkoopvoorwaarden voor de levering van diensten |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de brief van NLingenieurs aan het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met de titel «Brandbrief i.v.m. VNG model inkoopvoorwaarden voor levering en diensten»?1
Ja.
Is het waar dat het betreffende conceptmodel inkoopvoorwaarden voor levering en diensten uniforme algemene voorwaarden omvat voor de gehele contractuele relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer ten behoeve van integrale projecten?
Het inmiddels door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) vastgestelde Model Algemene Inkoopvoorwaarden (AIv) bevat algemene voorwaarden die gemeenten bij het sluiten van een overeenkomst kunnen hanteren. Het Model is alleen van toepassing op opdrachten voor diensten en leveringen en is niet van toepassing op opdrachten voor werken. In de toelichting bij het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is opgenomen dat het Model minder geschikt is voor leveringen of diensten met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie, het verrichten van verzekeringsdiensten en het verrichten van accountancydiensten.
Afwijking van de algemene inkoopvoorwaarden voor de punten die niet passend zijn voor dergelijke (of andere) opdrachten is mogelijk op basis van artikel 2.2.
Is het waar dat in het VNG-model van algemene voorwaarden ook voorwaarden staan die ingaan op aansprakelijkheid van de opdrachtnemer? Zo ja, kunt u aangeven hoe deze voorwaarden zich gaan verhouden tot de proportionaliteitsgids waar op dit moment door uw ministerie aan gewerkt wordt?
Het Model sluit aan bij het aansprakelijkheidsregime uit het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan schade als gevolg van een toerekenbare onrechtmatige daad moet worden vergoed. Het Burgerlijk Wetboek kent een aantal bepalingen over matiging van de omvang van het recht op schadevergoeding voor het geval specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven.
In de toelichting op het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is opgenomen dat het in bepaalde gevallen aanbevelenswaardig kan zijn om de aansprakelijkheid verder te beperken, waarbij wordt verwezen naar de Gids proportionaliteit. De toelichting op het Model bevat ook twee voorbeeldartikelen van de wijze waarop partijen in de overeenkomst het recht op schadevergoeding verder kunnen beperken.
Is het waar dat het in de meeste standaardvoorwaarden in de bouw gebruikelijk is om juist een evenwichtige risicoverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te creëren? Zo ja, kunt u aangeven hoe het VNG-model van algemene voorwaarden zich hiermee verhoudt?
Het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is expliciet niet van toepassing op de aanbesteding van opdrachten voor werken.
Is het waar dat het VNG-model van algemene voorwaarden uitgaat van overdracht van intellectueel eigendom naar de opdrachtgever? Zo ja, betekent dit dat partijen niet langer kunnen beschikken over het intellectuele eigendom en zij hun innovatie niet meer kunnen vermarkten?
Het Model Algemene Inkoopvoorwaarden hanteert als uitgangspunt dat intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit de overeenkomst berusten bij de opdrachtgever. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kunnen partijen van de algemene inkoopvoorwaarden afwijken. De toelichting op het Model Algemene Inkoopvoorwaarden bevat een voorbeeldclausule die partijen hiertoe kunnen opnemen in de overeenkomst.
Is het waar dat opdrachtgevers ook gebruik kunnen maken van een licentiemodel in plaats van overdracht van het intellectueel eigendom? Zo nee, wat zijn de mogelijke problemen die kunnen voorkomen bij het gebruik van een licentiemodel?
Ja.
Deelt u de mening dat het VNG-model van inkoopvoorwaarden niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit zoals uitgewerkt in de Proportionaliteitsgids?
Het is mogelijk dat de inkoopvoorwaarden niet voor iedere specifieke opdracht in lijn zijn met de voorschriften in de Gids Proportionaliteit. Dat dit ook is onderkend, blijkt uit de toelichting bij het Model Algemene Inkoopvoorwaarden, waarin is opgenomen dat het Model minder geschikt is voor leveringen of diensten met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie, het verrichten van verzekeringsdiensten en het verrichten van accountancydiensten. Dat is ook de reden dat het op grond van artikel 2.2 van de Inkoopvoorwaarden mogelijk is om voor dergelijke (of andere) opdrachten van de Inkoopvoorwaarden af te wijken. Hierdoor is het mogelijk dat een aanbestedende dienst iedere opdracht in lijn met de voorschriften in de Gids Proportionaliteit in de markt kan zetten.
Deelt u de mening dat u in lijn met de motie van het lid Ziengs c.s. over op te stellen contractvoorwaarden2 ervoor moet zorgen dat op te stellen contractvoorwaarden ook worden opgesteld aan de hand van de Proportionaliteitsgids? Zo ja, kunt u aangeven hoe u ervoor kunt zorgen dat onevenwichtige eisen en disproportionele contractvoorwaarden bij aanbestedende diensten worden voorkomen in de toekomst?
De Gids proportionaliteit zal bij inwerkingtreding van het voorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet bij AMvB worden aangewezen als richtsnoer. Aanbestedende diensten zullen de Gids Proportionaliteit in acht moeten nemen. Indien een aanbestedende dienst van een specifiek voorschrift in de Gids af wil wijken, dient de aanbestedende dienst deze afwijking te motiveren.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Somaliërs kunnen voorlopig blijven en krijgen schadevergoeding»?1
Ja.
Is het waar dat u de hoger beroepszaken van zestien Somalische afgewezen asielzoekers heeft stopgezet omdat uitzetting praktisch moeilijk realiseerbaar is? Kunt u nader toelichten waarom daarvan sprake is?
Vreemdelingen afkomstig uit Somalië die niet in aanmerking komen voor een asielvergunning kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, en dit wordt ook van hen verwacht. Voordat de verplichting wordt opgelegd om Nederland te verlaten wordt op zorgvuldige wijze getoetst of iemand bescherming behoeft en of iemand risico loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Vreemdelingen uit Mogadishu en overige delen van Zuid- en Centraal-Somalië zullen in veel gevallen in aanmerking komen voor bescherming.
Vreemdelingen afkomstig uit Zuid en Centraal-Somalië die niet in aanmerking komen voor bescherming, kunnen terugkeren via de internationale luchthaven van Mogadishu. Vanaf daar kan verder gereisd worden over land. Diverse luchtvaartmaatschappijen onderhouden vluchten op de luchthaven van Mogadishu, welke overigens buiten de stad Mogadishu ligt. Onlangs heeft zich Turkish Airlines daarbij gevoegd met een regelmatige verbinding en van deze mogelijkheden wordt ook in de praktijk gebruik gemaakt.
Terugkeer naar Noord-Somalië is eveneens mogelijk. Vanaf de luchthaven in Mogadishu kan worden doorgevlogen naar een luchthaven in Noord-Somalië. Door tussenkomst van de DT&V zijn al eerder enkele vreemdelingen op vrijwillige basis teruggekeerd naar Noord-Somalië, inclusief Puntland. Zoals gezegd is er een zeer regelmatige reizigersstroom en terugkeer is derhalve wel degelijk mogelijk.
Bij de voorbereiding van de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen die niet zelfstandig zijn vertrokken, heb ik geoordeeld dat het op dit moment niet mogelijk is om te komen tot een wijze van gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië die ik verantwoord acht. Daarom zijn de hoger beroepen ingetrokken.
Volgde niet al automatisch uit uw beleid dat de uitzettingen van Somaliërs amper realiseerbaar waren, aangezien de hoofdstad Mogadishu, waar het enige vliegveld is gelegen, een oorlogsgebied is en slechts enkele gedeelten van Somalië nog als enigszins veilig kunnen worden beschouwd? Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er? Op welke veilige wijze over land of via de lucht kan volgens u via Mogadishu het relatief veilige Zuid- en Centraal Somalië worden bereikt?
Zie antwoord vraag 2.
Kan uit uw intrekkingen van de hoger beroepszaken worden opgemaakt dat u de uitzettingen van alle Somaliërs opschort totdat de veiligheidssituatie in het land is verbeterd?
Neen. Die conclusie is onjuist. Zoals aangegeven verzet de algehele veiligheidssituatie zich niet tegen de terugkeer van vreemdelingen naar Noord-Somalië en de reden van het intrekken van de beroepen is dan ook niet hierin gelegen. De inzet blijft dan ook gericht op het zoeken naar verantwoorde mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië.
Welke gevolgen heeft dit voor de Somaliërs die momenteel in vreemdelingenbewaring zitten?
De vreemdelingenbewaring van Somaliërs die in vreemdelingenbewaring zaten met het oog op terugkeer naar Noord-Somalië, is opgeheven.
Op welke wijze wordt voor afgewezen Somalische asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden, in onderdak voorzien?
Vreemdelingen die kunnen terugkeren maar dat niet doen, krijgen geen door de Staat bekostigde opvang, behalve de gebruikelijke uitzonderingssituaties: alleenstaande minderjarige vreemdelingen, gezinnen met minderjarige kinderen. Indien zij niet zelfstandig terugkeren, hoewel dat wel mogelijk is, eventueel met ondersteuning van de overheid, bestaat in beginsel geen verplichting tot, noch ben ik bereid om in onderdak te voorzien.
Bent u bereid om in elk geval ten aanzien van de Somalische gezinnen met minderjarige kinderen ruimhartig te bezien of aan hen alsnog asiel verleend kan worden, met het oog op de nog immer slechte veiligheidssituatie in Somalië en de mogelijke worteling van de kinderen in Nederland?
In het staande beleid wordt rekening gehouden met de bijzonder precaire veiligheidssituatie in met name Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu. Dit beleid is nog recent gewijzigd aan de hand van de situatie aldaar. Ik houd dan ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder uiteraard ook zijn gezinssituatie valt.