Het aanleggen van graanvoorraden in Nederland. |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Nederland moet graan hamsteren»1 en «Hamsteren graan werkt averechts»?2
Ja.
Wat is momenteel de situatie op de Nederlandse graanmarkt? Is er reeds sprake van krapte, waardoor afnemers van graan in de problemen komen? Hoe groot zijn de effecten van een hogere graanprijs voor de consument?
De situatie op de Europese graanmarkt is stabiel. Er is geen sprake van krapte op de markt, de verwerkende sectoren en handel zijn prima in staat om risico's in de tijd te spreiden en zelf voorraden aan te houden. De Europese Unie is een netto-exporteur van granen. Half augustus bedroeg de netto export 1 250 000 ton graan. De effecten van een hogere graanprijs voor de consument laten zich moeilijk concreet vertalen. Sinds 2007 zijn de prijzen voor voedingsmiddelen gestegen maar in verhouding niet meer dan de gemiddelde inflatie. Het aandeel van graan in de kostprijs van bijvoorbeeld brood is beperkt.
Wat is uw reactie op de oproep van LTO-voorzitter Albert-Jan Maat om in Nederland graanvoorraden aan te leggen om de graanprijzen te stabiliseren?
Deze vraag heb ik beantwoord in mijn brief van 15 augustus 2012 (onze referentie 288507).
Is het waar dat Duitsland een «geheime graanvoorraad» heeft voor een jaar? Zo ja, was dit u bekend, en wat is hierop uw reactie?
Het is mogelijk dat enkele lidstaten (meer in het bijzonder een aantal van de nieuw toegetreden lidstaten in Oost-Europa) al voor hun toetreding tot de Europese Unie een graanvoorraad hadden, die bedoeld is voor crisissituaties als bijvoorbeeld een oorlog of nucleaire ramp.
Dit betreft een voorraad welke los staat van het granenmarktordeningsbeleid binnen de Europese Unie. Het is aan de lidstaten zelf om te bepalen of zij een voorraad bedoeld voor voornoemd gebruik aanhouden.
Lidstaten zijn wel gehouden het beheer van deze voorraden zodanig vorm te geven dat dit geen verstorend effect heeft op de goede werking van het communautaire granenmarktordeningsbeleid binnen de Europese Unie. Maatregelen in het kader van wereldmarktprijsverstoring en gevaar voor de voorziening op de communautaire markt zijn daarmee aan de Commissie voorbehouden.
Op welke wijze wordt momenteel in Europees en internationaal verband actie ondernomen om de prijsstijgingen op de graanmarkt op te vangen, en wat is uw inzet in dit verband?
Zowel de Europese Commissie als de FAO volgen de ontwikkelingen op de graanmarkt nauwlettend. Dit heeft geen aanleiding gegeven tot het ondernemen van acties.
Bent u ervan op de hoogte dat in de VS de krapte op de graanmarkt voor een groot deel wordt veroorzaakt door het verplichte gebruik van maïs voor de productie van biodiesel? Wat zijn de effecten van het Europese biobrandstoffenbeleid op de Europese en Nederlandse graanmarkt?
De situatie op de graanmarkt in de Verenigde Staten wordt veroorzaakt door de verwachting dat een deel van de oogst lager zal uitvallen dan oorspronkelijk voorzien.
Het verbruik van graan voor de productie van biobrandstoffen in de EU voor het marktjaar 2012–2013 is door de Europese Commissie voorzien op 9,8 miljoen ton. Het totaal verbruik van graan in de Europese Unie is echter voor dezelfde periode voorzien op 274,3 miljoen ton. Het verbruik voor ethanol/biobrandstof maakt daarmee ongeveer 3% uit van het totaal van het Europees verbruik. Een deel van het verwerkte graan voor ethanol/biobrandstof wordt echter ook verwerkt als bestanddeel voor veevoedergrondstoffen.
Deelt u de mening dat de effecten van het biobrandstoffenbeleid op de voedselmarkten- en prijzen eerst duidelijk moeten zijn, voordat tot verhoging van het Europese bijmengpercentage kan worden overgegaan, zeker gezien de huidige structureel hoge graanprijzen?
De zorg over de mogelijke effecten van het biobrandstoffenbeleid op de voedselmarkten en prijzen wordt serieus genomen. De beschikbaarheid en prijs van voedsel wordt door diverse factoren bepaald. De productie van biobrandstoffen levert hieraan een beperkte bijdrage. Op dit moment is er geen sprake van een verhoging van het Europese bijmengpercentage. Wel is de Europese Commissie voornemens eind 2012 te rapporteren over de gevolgen van het Europese biobrandstoffenbeleid voor de sociale duurzaamheid. Ook de beschikbaarheid en prijzen van voedsel zullen in deze rapportage een rol spelen. In oktober 2012 zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de uitvoering van de motie Leegte, Jansen en Dikkers (TK 2011–2012, 30 872, nr. 120) en de consequenties hiervan op het nationale biobrandstoffenbeleid.
De bezuinigingen bij Fiom |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Fiom in Groningen na 40 jaar dicht door bezuinigingen»1 en «Forse subsidiekorting treft FIOM»?2
Ja.
Waarom wordt er op FIOM bezuinigd?
Het taboe op de verschillende onderwerpen (onbedoelde zwangerschap, abortus, ongewenste kinderloosheid, problemen na adoptie) is sterk verminderd. Verder is het aantal ongewenste zwangerschappen redelijk stabiel, net als het aantal adopties.
Voor mensen die te maken hebben met bijvoorbeeld onbedoelde zwangerschap, abortus, ongewenste kinderloosheid of vruchtbaarheidsproblemen kan vanuit de reguliere zorg hulp worden geboden. Zo heeft een aantal abortusklinieken zelf een opleiding psychosociale counseling ontwikkeld, die inmiddels ook aan huisartsen is aangeboden. Daarnaast is counseling een vast onderdeel van een vruchtbaarheidsbehandeling. Ook op lokaal niveau waar in het kader van de Wmo gemeenten ondersteuningstaken hebben kan een alternatief hulpaanbod worden geboden. Het gaat hier bijvoorbeeld om algemeen maatschappelijk werk en begeleiding en hulp voor (tiener)ouders.
Voor andere groepen met levensvragen of een hulpbehoefte bij moeilijke omstandigheden en gebeurtenissen worden ook geen vergelijkbare activiteiten vanuit de rijksoverheid gesubsidieerd. Mensen kunnen binnen de reguliere zorg hun eigen keuze maken voor het gebruik van psychosociale hulp en begeleiding. Bovendien is de reguliere zorg dicht bij huis en goed bereikbaar.
Gelet op de afname van het taboe, de beschikbaarheid van het aanbod binnen de reguliere voorzieningen en met het oog op de keuzevrijheid van de burger acht ik het niet langer opportuun om vanuit de rijksoverheid de specifieke activiteiten op het terrein van psychosociale hulpverlening van Fiom te subsidiëren.
Waarom heeft FIOM dit zo kort van te voren te horen gekregen? Deelt u de mening dat het onmogelijk is dat FIOM op zo’n korte termijn haar bedrijfsvoering op het besluit kan aanpassen? Waarom is er niet gekozen voor een overgangstermijn?
Fiom is een half jaar (medio 2012) voor ingang (1 januari 2013) van de afbouw van de instellingsubsidie geïnformeerd. Daarbij is voorzien in een ruime afbouwregeling. De instellingssubsidie voor Fiom wordt van € 5 253 296,- met ingang van 1 januari 2013 structureel verlaagd met € 3 253 296,- tot ten hoogste € 2 000 000,-. Daarnaast ontvangt Fiom voor de jaren 2013 en 2014 een afbouwsubsidie van totaal € 4 500 000,-. In 2013 gaat het hierbij om een bedrag van € 2 750 000,- en in 2014 € 1 750 000,-. Per saldo beschikt Fiom in 2013 dus nog over een bedrag € 4 750 000,- en in 2014 over € 3 750 000.
Hoe wordt de kwaliteit en expertise van de hulpverlening die FIOM biedt gewaarborgd na het opleggen van deze forse subsidiekorting? Wilt u dit specificeren in de verschillende doelgroepen waaraan FIOM hulp biedt?
Goede zorg en (psychosociale) hulpverlening voor vrouwen die onbedoeld zwanger zijn, aan (echt)paren die ongewenst kinderloos zijn en aan mensen met vragen op het terrein van adoptie is van groot belang. Binnen de reguliere zorg kan in een vergelijkbaar hulpaanbod als dat van Fiom worden voorzien. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld hulp door huisartsen, ggz en ziekenhuizen en op lokaal niveau door bijvoorbeeld algemeen maatschappelijk werken begeleiding en hulp voor (tiener)ouders.
In de voorgaande jaren heeft Fiom reeds ingezet op deskundigheidsbevordering bij onder meer professionals werkzaam in het algemeen maatschappelijk werk. Gelet op het belang dat ik hecht aan een goed hulpaanbod is de afbouwsubsidie van totaal € 4 500 000,- die Fiom in 2013 en 2014 ontvangt, nadrukkelijk bedoeld voor het overdragen van kennis en expertise aan organisaties in de reguliere zorg, alsmede voor de afbouw van de organisatie van Fiom met als doel de continuïteit van hulpverlening te borgen.
Met de resterende subsidie van € 2 000 000,- per jaar zal Fiom een kennisinfrastructuur inrichten en een aantal databanken beheren. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de door Fiom opgebouwde expertise en ervaring beschikbaar blijft voor hulpverleners in andere organisaties.
Deelt u de mening dat hulpverlening aan tienermoeders vraagt om specifieke expertise van hulpverleners? Is de opvang voor tienermoeders anders dan hulp aan slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
De hulpverleners binnen de reguliere zorg kunnen voorzien in dergelijke hulp. Zoals u in het antwoord op vraag 4 reeds kunt lezen, draagt Fiom kennis en expertise over aan de reguliere hulpverlening en zal Fiom een kennisinfrastructuur inrichten en een aantal databanken beheren. Daarmee wordt de specialistische kennis van Fiom ter beschikking gesteld aan de betreffende hulpverleners.
Bij tienermoeders is vaak geen sprake van een geweldssituatie. De opvang voor tienermoeders is bedoeld voor jonge (aanstaande) moeders met uiteenlopende combinaties van ernstige problemen zoals bijvoorbeeld psychische problemen, schulden en een gebrekkig netwerk. In haar brief van 14 december 2011 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 345, nr. 117) heeft de staatssecretaris van VWS aangegeven voornemens te zijn de opvang van tienermoeders te laten vallen onder de maatschappelijke opvang. Wanneer bij een tienermoeder wél sprake is van geweld, kan zij worden opgevangen in de vrouwenopvang.
Deelt u de mening dat de hulpverlening die FIOM biedt onmisbaar is bij hulp aan ongewenste zwangerschap, kinderwens, afstamming en adoptie?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en voor het behouden van kennis en expertise van Fiom het antwoord op vraag 4.
Waarom is het advies in het rapport «stelsel vrouwenopvang» Opvang 2.0 Naar een toekomstbestendig opvangstelsel» niet opgevolgd, namelijk dat tienermoeders een bijzondere doelgroep vormen en daarom apart beleid behoeven?
In haar brief van 14 december 2011 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 345, nr. 117) heeft de staatssecretaris van VWS aangegeven voornemens te zijn om de verantwoordelijkheid voor de opvang van specifieke groepen over te dragen naar centrumgemeenten. VNG en Federatie Opvang doen een voorstel over hoe de opvang van specifieke groepen zodanig te regelen dat de huidige groepen kunnen worden ingepast en in de toekomst ook nieuwe groepen kunnen worden opgevangen. Voor tienermoeders geldt dat ook, maar dan binnen de maatschappelijke opvang.
Deelt u de mening dat een forse subsidiekorting op de vroegtijdige hulp die FIOM biedt, de maatschappij uiteindelijk meer kost?
Nee. Ook de organisaties binnen de reguliere zorg en op lokaal niveau kunnen in een vroeg stadium goede hulp bieden, zodat psychosociale problematiek tijdig wordt behandeld.
Het artikel ‘Geld gratis onderwijs is ‘lening’ RdK’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Geld gratis onderwijs is «lening» RdK»?1
Is het waar dat Curaçao 17 258 610 Nederlands Antilliaanse Guldens (NAF) beschikbaar stelt aan gratis onderwijs via een «voorschot op toekomstige dividenduitkering» van een overheids-nv?
Deelt u de mening dat financiering gebaseerd op toekomstige dividenduitkeringen, zeker gezien de zorgelijke situatie van de Curaçaose overheidsfinanciën en de Curaçaose overheids-nv’s, geen verantwoorde basis vormt voor de financiering van gratis onderwijs op Curaçao? Hoe schat u de risico’s in dat dit geld moet worden opgeteld bij de steeds groter wordende financiële tekorten van Curaçao?
Deelt u de mening dat Curaçao eerst haar financiële huishouding op orde moet brengen, zodat de ruim € 1,5 miljard schuldsanering, betaald door de Nederlandse belastingbetaler, niet al binnen twee jaar sinds de verwerving van autonomie door Curaçao wordt vervangen door een opnieuw niet houdbaar tekort?
Bent u het eens dat, in lijn met de motie-Bosman (TK 33 000 IV, nr. 19), tekorten op de Curaçaose begroting de verantwoordelijkheid zijn van het autonome land Curaçao, en dat Nederland daarom in de toekomst geen directe begrotingssteun zal geven?
Kunt u aangeven of het College Financieel Toezicht (CFT) akkoord is gegaan met deze financiële constructie? Heeft het CFT inzicht in de jaarrapportages van deze overheids-nv ? Zo nee, kunt u aangeven welke actie gaat worden ondernomen om te voorkomen dat dit plan voor een nog groter tekort zorgt op de Curaçaose begroting?
De meldlijn zelfdoding |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichten «Wat wil de NVVE? Steun geven aan wie helpt bij zelfdoding, of actievoeren»1 en «Meldlijn voor hulp bij zelfdoding»?2
Ja.
Wat vindt u van de geopende meldlijn?
Zolang de NVVE niet pretendeert een hulplijn te zijn en zolang zij met de meldlijn binnen de grenzen van de wet opereert, zal ik hierop geen actie ondernemen.
Hoe verhoudt het publiceren van verhalen van hulp bij zelfdoding zich tot het verbod van artikel 294 Wetboek van Strafrecht op het opzettelijk aanzetten tot of behulpzaam zijn bij zelfdoding?
Ik verwijs u in dit verband naar de antwoorden op Kamervragen van u beiden over een handboek met methoden voor hulp bij zelfdoding (Kamerstukken II, 2009–2010 Aanhangsel, nr. 2100) en de uitgebreide uitleg van het wettelijk kader die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie, mede namens de Minister en de toenmalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heeft gegeven in antwoord op vragen van het lid Van der Staaij (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007 – 2008, Aanhangsel, nr. 2339).
Hierin staat dat bij de vraag of iemand behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft zoals bedoeld in artikel 294, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, het erom gaat of diegene het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt om zichzelf te doden. In het algemeen gesproken is het geven van informatie, het voeren van gesprekken en het bieden van morele steun niet strafbaar. Evenwel hangt de beantwoording van de vraag of het verzamelen en publiceren van ervaringen, zoals de NVVE thans doet, onder de reikwijdte van artikel 294 Wetboek van Strafrecht valt, af van de omstandigheden van het geval. De weging en waardering daarvan is uiteindelijk aan de rechter voorbehouden.
Hoe verhoudt de oprichting van de meldlijn voor hulp bij zelfdoding zich tot activiteiten op het gebied van suïcidepreventie (bijvoorbeeld het werk van 113Online)?
Anders dan het suïcidepreventiebeleid, wordt de meldlijn voor hulp bij zelfdoding vanuit de NVVE en niet vanuit de rijksoverheid geïnitieerd. Het suïcidepreventiebeleid is erop gericht suïcides en suïcidepogingen zo veel mogelijk te voorkomen. De meldlijn voor hulp bij zelfdoding is geen onderdeel van het suïcidepreventiebeleid van de rijksoverheid.
Wilt u het publiceren van verhalen van mensen die iemand geholpen hebben bij zelfdoding ontmoedigen?
Daar zie ik geen reden toe. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Wilt u in gesprek gaan met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) om te voorkomen dat de NVVE aanzet tot het overtreden van artikel 294 Wetboek van Strafrecht op het opzettelijk aanzetten tot of behulpzaam zijn bij zelfdoding?
Daar zie ik geen reden toe. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3.
De consequenties van een rechterlijke vrijspraak inzake een kind dat niet aan de leerplicht zou voldoen |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Welke consequenties verbindt u aan de uitspraken van de rechtbanken van Den Haag en Haarlem waarbij ouders werden vrijgesproken van absoluut schoolverzuim bij gebrek aan passend onderwijs voor een leerling met dyspraxie die al meer dan een jaar thuis zit?1
Ik heb kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 mei waarnaar in de voetnoot wordt verwezen (parketnummer 15/710458–11). Alleen het extract vonnis is openbaar. Hieruit blijkt dat het om een meisje gaat dat volgens een psychologisch rapport op vmbo-t niveau functioneert en waarvoor moeder geen geschikte school kan vinden. Uit dit vonnis is niet af te leiden wat de reden is dat er geen geschikte school is gevonden voor de leerling. Uit uw vraag 1 blijkt dat het om een leerling met dyspraxie gaat. Met deze summiere informatie is het voor mij niet goed mogelijk een oordeel te vormen over de situatie.
Acht u «schuld zonder strafoplegging» zoals volgens de Haarlemse officier van justitie de enige uitspraak was die de wetgeving toeliet, een bevredigende kwalificatie in een situatie waarin de moeder er alles aan heeft gedaan om haar kind wel naar een passende school te krijgen en op basis van een psychologische test met een duidelijk advies voor vmbo-t diverse aanmeldingen heeft gedaan bij de twee schoolbesturen die dat aanbieden in de regio, zonder dat de leerplichtambtenaar met een goed alternatief wist te komen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de kous niet af is met deze vrijspraak, maar dat deze leerplichtige jongere alsnog passend onderwijs moet worden geboden?
Ik deel uw mening dat iedere leerplichtige jongere passend onderwijs moet worden geboden en dus ook deze leerplichtige jongere. Mijn inzet is om onder andere door de inzet van onderwijsconsulenten voor iedere leerling een passende plaats te vinden bij een school. De onafhankelijke onderwijsconsulenten kunnen zowel ouders als school adviseren en begeleiden bij het vinden van een passende onderwijsplek. De leerling staat bij de onderwijsconsulent centraal. Met de invoering van passend onderwijs wordt de verantwoordelijkheid om een passende plaats te bieden duidelijker belegd. Door de invoering van de zorgplicht immers moet de school waar een leerling met een extra ondersteuningsvraag wordt aangemeld een passend onderwijsaanbod doen op de eigen of een andere school.
Welke machtsmiddelen staan u ter beschikking om passend onderwijs te bewerkstelligen voor zo’n leerling, in de huidige situatie waarbij de schoolbesturen in de regio niet op voorhand bereid zijn om de leerling te plaatsen?
Ik beschik niet over wettelijke middelen om een leerling op een school geplaatst te krijgen. Wel beschik ik over mogelijkheden om ondersteuning te bieden, waaronder de onderwijsconsulenten. Deze zijn doorgaans succesvol als het gaat om plaatsing van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte waarbij ouders en school het niet eens kunnen worden over de plaatsing en de extra ondersteuning die de school kan bieden. In heel complexe situaties kan ook van uit het ministerie ondersteuning geboden worden.
De beslissing van de EU om de Israëlische stad Modiin uit te sluiten van het EU Associatieakkoord |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU drops Modiin from «eligible imports» list»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze politieke beslissing van de EU contraproductief is, daar zij controverse en strijd oproept over onbetwiste gebieden die een integraal deel van Israël zijn? Zo niet, bent u bereid in te gaan op de uitnodiging van de burgemeester van Modiin om zelf de stad te bezoeken teneinde u ervan te verzekeren dat dit gebied net zozeer onder Israël’s autonomie valt als Tel Aviv?
Het EU-Israël Associatieakkoord (2000) biedt vrijstelling of verlaging van invoerrechten voor producten afkomstig uit Israël bij invoer in de EU. Producten uit de nederzettingen vallen buiten de territoriale werkingssfeer van het akkoord.
Die delen van Modiin die zich buiten de Groene lijn bevinden vallen buiten de werkingssfeer van het Associatieakkoord.
Is er naar uw mening sprake van contractbreuk aan de kant van de EU door een eenzijdige en niet overeengekomen interpretatie van de «Staat Israël» te hanteren? Zo nee, waarom niet?2
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid op alle niveau’s binnen de EU fel te ageren tegen deze beslissing, en uw EU collega’s daarnaast te wijzen op de destructieve houding van de Palestijnse Autoriteit, die door het boycotten van nederzettingenproducten het Parijse Protocol van 1994 schendt en de Palestijnse Arabieren in de handen van Hamas drijft?3
Nee.
Bent u het eens met de stelling dat het boycotten van Israëlische producten uit nederzettingen het vredesproces om zeep helpt, daar nederzettingen juist bijdragen aan vreedzame co-existentie en coöperatie tussen Joden en Palestijnse Arabieren?4 Zo ja, bent u bereid deze boodschap actief uit te dragen in zowel EU als VN verband, temeer daar landen navolging van het boycottende Denemarken overwegen?
Nee. Nederland is in algemene zin geen voorstander van handelssancties als middel om het Midden-Oosten Vredesproces te beïnvloeden.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval voor 3 september 2012 beantwoorden?
Dit is niet gelukt.
Problemen met stemmen voor blinden en slechtzienden |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de experimenten die diverse Nederlandse gemeenten hebben gedaan bij de Gemeenteraadsverkiezingen van 2010, waarbij een stembushulpstuk (een soort mal) voor blinden en slechtzienden getest werd?
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 is in een drietal gemeenten een mal gebruikt waarmee blinde en slechtziende kiezers zelfstandig hun stem konden uitbrengen.
Kunt u aangeven hoe deze experimenten zijn geëvalueerd, of deze experimenten bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2010 en de Provinciale Statenverkiezingen van 2011 zijn herhaald, en wat de bevindingen waren?
Overleg met de belangenorganisatie Viziris over de bevindingen heeft ertoe geleid dat het ministerie niet verder is gegaan met de ontwikkeling van een mal voor het huidige stembiljet, maar dat is besloten verder te gaan met het ontwikkelen van een eenvoudiger model stembiljet dat ook geschikt is voor gebruik door blinden en slechtzienden. De mal die in 2010 is ontwikkeld voor het huidige stembiljet is zodanig groot en complex dat veel personen uit de doelgroep daarmee niet goed overweg konden. Overigens is het aan de gemeenten die nog over de mal beschikken toegestaan deze beschikbaar te stellen in het stemlokaal. De gemeente moet bij het gebruik van de mal wel rekening houden met de opmaak van het stembiljet.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de 300 000 blinden en slechtzienden in Nederland zonder begeleiding in het stemhokje een stem kunnen uitbrengen, zodat de geheimhouding, waar kiezers recht op hebben, voor deze groep gewaarborgd is? Zo ja, vindt u de huidige regeling, waarbij het blinden en slechtzienden toegestaan is een begeleider mee te nemen in het stemhokje, onbevredigend?
De regeling dat het vanwege een lichamelijke beperking is toegestaan om hulp te krijgen in het stemhokje is in de Kieswet opgenomen omdat ondersteuning in het stemhokje in het algemeen in strijd is met het stemgeheim. Voor de groep mensen met een lichamelijke beperking is het echter met ondersteuning toch mogelijk om zelf te stemmen. Uiteraard is het wenselijk dat een ieder zoveel mogelijk zelfstandig zijn stem kan uitbrengen. Daarom werkt het kabinet aan de ontwikkeling van een nieuw model stembiljet waarmee blinden en slechtzienden zelfstandig, met behulp van een mal, hun stem kunnen uitbrengen. Dat laat overigens onverlet dat ik van mening ben dat het stemmen via een volmacht een volwaardige wijze van het uitbrengen van een stem vindt. De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen is een vangnet voor kiezers die ondanks alle voorzieningen toch niet zelf(standig) hun stem kunnen uitbrengen. Ook met een nieuwe model van het stembiljet zal het naar alle waarschijnlijkheid zo zijn dat er mensen kunnen zijn met een lichamelijke beperking die toch er niet in zullen slagen hun stem zonder hulp in het stemhokje uit te brengen. De mogelijkheid om ondersteuning te geven danwel bij volmacht te stemmen zal dus moeten blijven bestaan.
Deelt u de constatering dat stemmen een grondrecht is en dat de optie van machtiging voor blinden en slechtzienden in die zin nooit een volwaardige oplossing voor stemproblemen van deze groep kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat bij de komende verkiezingen alle stembureaus over ten minste één hulpstuk bij het stemmen voor blinden en slechtzienden beschikken, zodat deze mensen zelfstandig en geheim kunnen stemmen? Zo nee, waarom niet?
Bij de komende verkiezing kunnen blinden en slechtzienden bij het uitbrengen van hun stem als gebruikelijk ondersteuning krijgen in het stemhokje. Overigens is ook bij alle stembureaus voor slechtzienden een loep aanwezig. Zoals in het antwoord op vraag 3 en 4 is aangegeven, werkt het kabinet aan een nieuw model stembiljet waarmee blinden en slechtzienden zelfstandig kunnen stemmen. Over de voortgang van dit traject bent u nader geïnformeerd met mijn brief van 28 augustus 2012 (kenmerk 2012/52828).
Een fusie tussen de ziekenhuizen in Bergen op Zoom en Roosendaal en de concentratie van afdelingen |
|
Henk van Gerven (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de bij ons binnengekomen mail over een fusie tussen de ziekenhuizen in Bergen op Zoom en Roosendaal en de concentratie van afdelingen?1
Totdat het wetsvoorstel, waarmee de regels voor zorgspecifieke fusietoetsing worden aangescherpt, van kracht is, is het uitsluitend aan de NMa om fusies al dan niet tegen te houden. Omdat ik het belangrijk vind dat fusies zorgvuldig worden doordacht en dat alle stakeholders worden betrokken heb ik het wetsvoorstel bij uw Kamer ingediend. De concentratie van afdelingen, voor zover dit gaat over de interne organisatiestructuur, is een zaak van de zorginstellingen zelf.
Deelt u de mening dat de op handen zijnde fusie per direct gestaakt moet worden, gezien de uitspraak van de Tweede Kamer dat er een moratorium op fusies in de zorgsector ligt, tot de inspraak van patiënten en personeel voldoende is geregeld, en uit de mail blijkt dat dit niet zo is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Regelgeving die ertoe strekt een moratorium op fusies te realiseren is strijdig met de Europese regelgeving. Het in vraag 1 genoemde wetsvoorstel is momenteel bij uw Kamer in behandeling. Uw Kamer ontvangt zo snel mogelijk de nota naar aanleiding van het verslag, waarmee een reactie wordt gegeven op de inbreng die uw Kamer op het wetsvoorstel heeft geleverd. Totdat dit wetsvoorstel van kracht is, is het voorbehouden aan de NMa om fusies al dan niet tegen te houden.
De raden van Bestuur van beide ziekenhuizen hebben mij laten weten al wel in de geest van het wetsvoorstel te zullen handelen doordat zowel de cliëntenraden, de ondernemingsraden, de verenigingen medische staf en de verpleegkundige adviesraden, een formeel verzoek hebben ontvangen om voor 20 september 2012 advies uit te brengen over de fusie voornemens. Beide ziekenhuizen zijn met hun eigen adviesorganen in overleg. Het personeel is in augustus langs verschillende kanalen geïnformeerd en zal de komende maanden op de hoogte gehouden worden.
Wat zijn de redenen voor een fusie tussen beide ziekenhuizen en een concentratie van afdelingen, als u eind mei jongstleden in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Kooiman nog stelde dat de kwaliteit van de geboortezorg op beide locaties niet onder de maat is bevonden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg?3
De reden die de raden van bestuur voor de fusieplannen opgeven is het blijvend kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen en volumenormen die door de beroepsgroepen zijn opgesteld. Beide ziekenhuizen kunnen naar eigen zeggen, gezien hun relatief beperkte omvang, niet individueel aan deze toenemende eisen voldoen.
Welke concrete gevolgen heeft dit voor patiënten (cliëntenraden), personeel (OR) en de verschillende afdelingen? Wilt u in uw antwoord de meningen van de genoemde partijen van beide ziekenhuizen over de voorgenomen fusie verwerken?
De concrete gevolgen van concentratie van zorg worden per dossier verder uitgewerkt. De uitwerking van de dossiers aorta verwijding, longchirurgie en moeder-en-kindcentrum zijn gestart. De mening van de cliëntenraden en ondernemingsraden is door de raad van bestuur van beide ziekenhuizen gevraagd.
Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Welke financiële redenen en welke financiële gevolgen heeft de geplande fusie, gezien de sterke financiële positie van het ziekenhuis in Bergen op Zoom?4
De reden die de raden van bestuur voor de fusieplannen geven is het blijvend kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen en volumenormen om zodoende een breed pakket van zorg voor patiënten in de regio Roosendaal – Bergen op Zoom te behouden. Bij het uitwerken van de plannen voor concentratie van zorg wordt ook gelet op verhoging van de efficiency waar dat mogelijk is. De ziekenhuizen geven aan dat de financiële positie van beide ziekenhuizen solide is.
Is het waar dat de afdelingen verloskunde en de acute zorg, inclusief de intensive care, geconcentreerd worden in Bergen op Zoom, en dat deze verdwijnen uit Roosendaal? Kunt u uw antwoord toelichten?
Van de ziekenhuizen heb ik begrepen dat de concentratieplannen één nieuw moeder-en-kindcentrum omvatten voor alle ziekenhuisbevallingen, inclusief de ziekenhuisbevallingen begeleid door eerstelijns verloskundigen, en de zorg voor moeders en pasgeborenen. De poliklinische spreekuren blijven gehandhaafd op beide hoofdlocaties en in de buitenpoli’s van de ziekenhuizen in Steenbergen, Oudenbosch en Etten-Leur. De plannen voorzien niet in het concentreren van acute zorg en intensive care in Bergen op Zoom. Beide locaties houden een SEH/OK/IC-functie passend bij hun functieaanbod.
Aan welke randvoorwaarden moet de voorgenomen concentratie van verloskundige zorg voldoen, zoals u noemde in antwoord op eerdere schriftelijk vragen van het lid Kooiman?3
Het is aan de betrokken partijen om met een plan te komen waarmee de verloskundige zorg in de regio voldoende geborgd wordt, en hier een weloverwogen besluit over te nemen. De verloskundige zorg in de regio moet voldoen aan de normen voor bereikbaarheid en kwaliteit. Daarnaast is het van belang dat de samenwerking met de verloskundigen in de regio goed is georganiseerd. De IGZ toetst of aan de normen is voldaan.
Wat zijn de uitkomsten van de door u genoemde gesprekken met diverse stakeholders en wat is het oordeel van het College Perinatale Zorg (CPZ)?
Op dit moment hebben de ziekenhuizen hun voornemens voor reactie voorgelegd aan het College Perinatale Zorg en het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ). De reacties van het CPZ en het ROAZ zijn er nog niet.
Kunt u garanderen dat de wettelijke normen voor spoedeisende hulp gehaald worden wanneer de concentratie van ziekenhuisafdelingen in West-Brabant wordt doorgezet? Wat was de uitkomst van het overleg met de Regionale Ambulance Voorziening (RAV)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 7. Uit analyses van het RIVM blijkt dat het Franciscus Ziekenhuis in Roosendaal geen cruciaal ziekenhuis is voor de 45 minutennorm. Dat betekent dat concentratie van de verloskunde van Roosendaal naar Bergen op Zoom mogelijk is binnen de geldende bereikbaarheidsnormen. De ziekenhuizen hebben hun voornemens voor reactie voorgelegd aan de RAV.
Waar kunnen zwangere vrouwen uit Roosendaal en omgeving terecht als zij verloskundige hulp nodig hebben, en de afdeling verloskunde is verdwenen?
Zwangere vrouwen uit Roosendaal en omgeving kunnen ook in de toekomst terecht bij hun eigen eerstelijns verloskundige en met een medische indicatie bij de gynaecoloog van hun keuze. Indien zij kiezen voor een gynaecoloog in het Franciscus Ziekenhuis, dan zal deze arts hen poliklinisch begeleiden vanuit de polikliniek in het Franciscus Ziekenhuis. Pas als de bevalling aanstaande is zullen patiënten die onder behandeling zijn bij de gynaecoloog worden verwezen naar het nieuw te bouwen moeder-en-kindcentrum in Bergen op Zoom. Hier zullen alle ziekenhuisbevallingen gaan plaatsvinden. Patiënten onder behandeling bij de eerstelijns verloskundigen kunnen ook dan kiezen voor een thuisbevalling of een bevalling in het moeder-en-kindcentrum. Net als de beide ziekenhuizen nu doen, zal het moeder-en-kindcentrum de eerstelijns bevallingen faciliteren met ruimte en personeel.
Mogelijke fraude bij bouwconcern Ballast Nedam |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichtgeving over mogelijke fraude bij bouwconcern Ballast Nedam, onder meer bij de bouw van de Kromhoutkazerne?1
Ja.
Is het waar dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit een onderzoek gestart is naar de persoonlijke administratie van een oud-projectleider van Ballast Nedam?
Navraag bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) leert dat de NMa op dit moment formeel niet spreekt van een onderzoek. Zij verifieert op dit moment het waarheidsgehalte van de uitlatingen van de oud-projectleider van de Ballast Nedam.
Heeft u aanwijzingen dat er bij de bouw van de Kromhoutkazerne sprake is geweest van «mededingingsbeperkende gedragingen», als gevolg waarvan Defensie met hogere kosten werd geconfronteerd?
Nee. De offertes zijn zowel intern Defensie als extern door onafhankelijke partijen beoordeeld. Daaruit is niet gebleken dat Defensie is benadeeld in deze kwestie. De Kromhoutkazerne is tot stand gekomen via een PPS-constructie in de vorm van een DBFMO-overeenkomst (Design, Build, Finance, Maintain & Operate). Hierbij wordt er vooraf een vast bedrag afgesproken en daar heeft het consortium Komfort, waarvan Ballast deel uitmaakt, zich aan gehouden.
Heeft u zelf al actie ondernomen naar aanleiding van deze en eerdere berichtgeving over fraude?
Al voor de berichtgeving en de civiele procedure van Ballast tegen de bouwdirecteur van Komfort is Defensie geïnformeerd over de bestaande verdenkingen. Defensie heeft geen aanleiding gezien zelf actie te ondernemen.
Bent u desgewenst bereid medewerking te verlenen aan het NMA-onderzoek? Bent u bovendien bereid de eventuele schade die door Defensie geleden is te verhalen op de daarvoor verantwoordelijken?
Vanzelfsprekend zal Defensie desgevraagd medewerking verlenen aan het NMA-onderzoek. Als blijkt dat er mededingingsbeperkende gedragingen zijn geweest, zal Defensie bezien welke maatregelen moeten worden genomen
Grote zorgen bij de kleine binnenvaart |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de grote zorgen die de Algemeene Schippers Vereeniging heeft over de toekomst van de kleine binnenvaart, waarin een ijzig scenario wordt geschetst?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel in de Scheepvaartkrant van 8 augustus j.l. waarin beschreven wordt wat volgens de Algemeene Schippers Vereeniging de problemen zijn waar de kleine binnenvaart mee kampt.
De problematiek van de kleine binnenvaart is mij bekend. Deze stond ook centraal in het rapport «Plan van aanpak Klein Schip, een nieuw perspectief voor de FlexFleet», dat door de binnenvaartsector met financiële steun van mijn ministerie is opgesteld. Ik heb dit rapport op 16 november 2011 samen met mijn zienswijze naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 30 523, nr. 67). In mijn brief heb ik aangegeven dat het rapport van de sector terecht stelt dat marktpartijen zelf primair verantwoordelijk zijn voor het creëren van een levensvatbare toekomst voor het kleine schip. Ook heb ik aangegeven welke rol ik voor de rijksoverheid zie, namelijk het waar mogelijk wijzigen van regelgeving daar waar deze de rentabiliteit en exploitatie van het kleine schip onnodig negatief beïnvloedt. Concreet gaat het om bemannings- en technische regelgeving. Besluitvorming over deze onderwerpen heeft plaats in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, en dat betekent dat realisatie van aanpassingen afhankelijk is van internationale overeenstemming.
Kunt u ook ingaan op het item bij het NOS journaal over het failliet van de binnenvaartsector?2
Het item gaat niet over «het failliet» van de binnenvaartsector. In het item wordt een beeld geschetst van enerzijds de nog voortdurende zorgen in de binnenvaartsector, mede ingegeven door een groter aantal faillissementen in vergelijking met vorig jaar, en anderzijds de hoopvolle perspectieven voor de langere termijn. Dit beeld sluit aan bij het beeld dat eind 2010 reeds door de Binnenvaartambassadeur in zijn rapport geschetst werd. In zijn rapport gaf de Binnenvaartambassadeur aan geen mogelijkheden te zien voor korte termijn crisismaatregelen. In plaats daarvan presenteerde hij een tiental aanbevelingen voor structuurversterking van de binnenvaartsector, die er voor zorgen dat de sector minder kwetsbaar wordt voor economische tegenslag. Het door mij ingestelde, en door de drie grootste binnenvaartorganisaties gedragen Transitiecomité werkt aan het realiseren van deze aanbevelingen.
Hoe ver bent u met uw onderzoek naar bodemtarieven, zoals u eerder had toegezegd? Kunt u aangeven op welke termijn u de Kamer hier verder over zal informeren?
Tijdens het AO Scheepvaart/Binnenvaart van 19 januari 2012 heb ik toegezegd bij andere lidstaten te zullen informeren naar het hanteren van een bodemtarief. Zoals ik in april al schreef (Kamerstuk ah-tk-2011/2012–2133), in antwoord op uw eerdere Kamervragen over dit onderwerp, zal ik de Kamer, indien er sprake is van het hanteren van bodemtarieven door andere lidstaten, komend najaar bij de volgende voortgangsrapportage van het Transitiecomité hierover informeren.
Is het waar dat door het verdwijnen van schepen onder de 1000 ton vele bedrijven en plaatsen in Nederland niet meer bereikbaar zullen worden per binnenvaartschip? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dit voor de transportsector en wat is uw oordeel daarover? Zo nee, wat is dan uw analyse van de ontstane situatie?
In het door de binnenvaartsector opgestelde «Plan van aanpak Klein Schip» is aangegeven dat kleine schepen zowel betekenis hebben voor het bedienen van verladers aan de kleine vaarwegen, als voor het zorgdragen voor bevoorrading op maat. In het rapport wordt een onderzoek door de sector aangekondigd naar het minimum aantal kleine schepen dat nodig is om aan de huidige en toekomstige vraag naar lading te voldoen.
In het plan van aanpak is geconstateerd dat voor schepen kleiner dan 1 000 ton de toekomstkansen minder rooskleurig zijn dan voor de categorie 1000–1500 ton, en dat er voor de kleinste categorie alleen mogelijkheden zijn voor innovatieve concepten en voor schepen die zich toeleggen op niche markten. Om de ontwikkeling van innovatieve concepten te bevorderen is door mijn ministerie eerder € 1 mln. beschikbaar gesteld in het kader van een zgn. SBIR-regeling (Small Business Innovation Research). Een aantal innovatieve concepten bevinden zich thans in de fase van marktintroductie.
Overigens constateer ik dat het verladend bedrijfsleven, ook aan kleinere vaarwegen, een toenemende interesse heeft om van binnenvaart gebruik te maken. Zo heb ik 20 augustus jl. nog afspraken gemaakt met 16 bedrijven in Zuidoost-Brabant, die hebben toegezegd voortaan bijna 600 vrachtladingen per dag via de Brabantse kanalen te vervoeren in plaats van over de weg. Ik heb toegezegd de betreffende vaarwegen geschikt te zullen maken voor langere schepen. Ondanks krapper wordende budgetten en noodzakelijk geworden prioriteringen, blijf ik in de komende jaren flink investeren in het vaarwegennet, waaronder ook in kleinere vaarwegen. Ik wijs hierbij ook naar de investeringen in het kader van de 1e en 2e tranche quick wins binnenhavens, die in belangrijke mate bijdragen aan de bereikbaarheid van bedrijvigheid aan kleine vaarwegen.
Tot op heden vond u het niet noodzakelijk om crisismaatregelen te nemen voor de binnenvaart: bent u bereid dit nu alsnog te doen? Zo ja, welke maatregelen wilt u dan nemen? Zo nee, hoe moet de sector dan het hoofd boven water blijven houden in deze aanhoudende slechte economische omstandigheden?
Mijn ambtsvoorgangers en ikzelf hebben reeds vanaf 2009 initiatieven vanuit de sector ondersteund, dan wel zelf genomen om de binnenvaart sterker te maken en zo mogelijk de effecten van de crisis te verzachten. Na het niet doorgaan van de, door de sector zelf voorgestelde, »oplegregeling» om schepen tijdelijk aan de kant te leggen, en het niet honoreren door de Europese Commissie van het door Nederland gedane verzoek om »de crisis in de binnenvaart uit te roepen», heeft mijn ambtsvoorganger in 2010 een Binnenvaartambassadeur aangesteld. Deze kreeg als opdracht mee om enerzijds voorstellen te doen voor mogelijke korte termijn crisisarrangementen, en anderzijds structuurversterkende voorstellen te doen om voor de langere termijn de binnenvaartsector minder kwetsbaar te maken voor conjuncturele marktschommelingen. De Binnenvaartambassadeur concludeerde dat er geen maatregelen denkbaar zijn die op korte termijn effect hebben, op voldoende draagvlak kunnen rekenen en voldoen aan (nationale en Europese) mededingingsregels. Om te komen tot lange termijn structuurversterking van de binnenvaart deed de Binnenvaartambassadeur een groot aantal aanbevelingen. Ik heb het rapport van de ambassadeur onderschreven en heb, in samenspraak met de belangrijkste binnenvaartorganisaties, het door hem voorgestelde Transitiecomité ingesteld om invulling te geven aan deze aanbevelingen. Over de voortgang van het Transitiecomité zal ik uw Kamer in het najaar opnieuw rapporteren.
Deelt u de mening dat, wanneer er nu geen maatregelen worden genomen, de doelstelling, om tot een «model shift» te komen van 30% van het wegtransport naar water en spoor, voor 2030 onmogelijk gehaald kan worden? Zo nee, op welke wijze gaat u deze doelstelling dan alsnog bewerkstelligen?
Ik neem aan dat de heer Bashir refereert aan de doelstelling uit het Witboek Transport van de Europese Commissie. In het Witboek beschrijft de Commissie tien subdoelen om in de transportsector te komen tot een CO2-emissiereductie van 60% in het jaar 2050. Eén daarvan is dat 30% van het wegtransport over afstanden groter dan 300 km in het jaar 2 030 zou moeten verschuiven naar binnenvaart en spoor. In het jaar 2 050 zou dit zelfs 50% moeten zijn. Dit zijn overigens doelstellingen op EU-niveau. In Nederland is het marktaandeel van de binnenvaart al relatief hoog. In reactie op het Witboek heeft het kabinet aangegeven het streefdoel van 60% CO2-reductie in 2 050 ambitieus te vinden, en gezien de termijnen en onzekerheden geen voorstander te zijn van bindende doelstellingen voor sectoren. Dit laat onverlet dat ik het belangrijk vind dat de binnenvaart zich als sterke vervoersmodaliteit maximaal kan ontplooien. De structuurversterking die is ingezet naar aanleiding van het rapport van de Binnenvaartambassadeur strekt daar ook toe. Daarnaast blijf ik vanzelfsprekend volop investeren in de binnenvaart en het vaarwegennet, om een verdere groei van de binnenvaart mogelijk te maken.
“Europa moet van onze pensioenen afblijven” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het interview in Elsevier, «Europa moet van onze pensioenen afblijven», geautoriseerd?1
De bescherming van het Nederlandse pensioenstelsel is voor zowel het Kabinet als uw Kamer een belangrijke prioriteit. Met dit uitgangspunt in gedachten hebben wij vele malen in uw Kamer overleg gevoerd over de voornemens van de Europese Commissie met betrekking tot pensioenen. De laatste tijd was dit overleg gefocust op het in februari uitgebrachte Witboek Pensioenen. In de Kabinetsreactie hierop van 24 april 2012 heb ik meegedeeld dat de aanbevelingen in het Witboek, zoals die over het pensioenbeleid in den brede worden gedaan, in algemene zin door het Kabinet ondersteund worden. Voor veel lidstaten is het noodzakelijk dat zij het draagvlak van hun pensioenstelsels verbreden, meer mensen langer aan het werk houden en hun financiële situatie beter op orde brengen. Dit versterkt de economische groei en publieke financiën in Europa en daar heeft ook Nederland voordeel van.
Naar steeds is gebleken worden deze Europese prioriteiten breed door uw Kamer gedeeld. Dit is laatstelijk nog aangegeven tijdens een Algemeen Overleg op 27 juni 2012 in uw Kamer en ook de standpuntennotitie van uw Kamer is in lijn daarmee. Uw Kamer geeft in de standpuntennotitie aan een aantal voorstellen uit het Witboek Pensioenen passend te vinden. Allereerst omdat deze zich richten op de houdbaarheid van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel. En daarnaast omdat ze sturen op bescherming van opgebouwde rechten van werknemers en het gemakkelijk verkrijgen van overzicht van alle opgebouwde rechten.
Waar het Kabinet en uw Kamer het ook volledig over eens zijn, zijn onze grote zorgen over de voorgenomen herziening IORP-Richtlijn. Het onder één toezichtsregime brengen van verzekeraars en pensioenfondsen, zou leiden tot een sterke kostenstijging voor de pensioenfondsen. Pensioenfondsen leveren een ander pensioenproduct dan verzekeraars. Verzekeraars komen met hun cliënten een vaste premie en een vaste uitkering overeen. Pensioenfondsen beheren zo goed mogelijk de premies die werkgevers en werknemers betalen en keren vervolgens een zo goed mogelijk pensioen uit. Pensioenfondsen hebben daarbij de mogelijkheid de premies aan te passen en indien nodig te korten op de indexatie en/of de uitkeringen. Wanneer pensioenfondsen onnodig hoge buffers moeten aanhouden om te voldoen aan de hogere zekerheidseisen voor verzekeraars, dan zullen deze buffers met circa 80 miljard Euro moeten toenemen. Zeker waar verzekeraars en pensioenfondsen wezenlijk verschillende producten leveren, is er geen enkele reden om tot een dergelijke gelijkstelling over te gaan.
In de Kabinetsreactie op het Witboek Pensioenen heb ik aangegeven dat het grote belang dat Nederland heeft bij de herziening van de IORP-richtlijn vanzelfsprekend een substantiële inzet in Brussel vergt. Daarom is al vanaf de eerste signalen in 2009 dat de Commissie bezig was met de voorbereiding van de herziening van de IORP-Richtlijn, vanuit Nederland gecoördineerd actie ondernomen. Zo is door mijn voorganger al vanaf het begin in 2009 duidelijk aan Brussel aangegeven dat wij het niet eens zijn met de voorgenomen plannen voor een herziene IORP-Richtlijn. Dit is onder andere kenbaar gemaakt in de Kabinetsreactie op het Groenboek Pensioenen van 11 oktober 2010. Centraal bij alle activiteiten richting Brussel staat steeds te voorkomen dat Nederland door herziening van de IORP-Richtlijn schade zou kunnen ondervinden. Vanuit SZW wordt het optreden richting Brussel van de verschillende Nederlandse actoren in het pensioendebat, zoals DNB en de pensioensector, op elkaar afgestemd. Deze gecoördineerde acties worden thans onverminderd doorgezet.
Ook ikzelf zet mij, als politiek verantwoordelijke voor het Nederlandse pensioenstelsel, op allerlei manieren en langs diverse wegen in om de aandacht te vestigen op de negatieve gevolgen voor Nederland van de voorgenomen IORP-herziening. Mijn uitspraken in Elsevier sluiten daar logischerwijs op aan.
Bent u zich ervan bewust dat u op 24 april 2012 aan de Kamer schreef dat het kabinet «in den brede» achter de plannen van het Witboek pensioenen staat? Bent u ervan op de hoogte dat de Kamer juist afstand heeft genomen van de plannen uit het Witboek pensioenen en dit ook in een standpuntennotitie heeft vastgelegd (verschenen op 28 juni 2012)? Onderschrijft u de mening van de Kamer in zijn geheel?
Zie antwoord vraag 1.
Van welke plannen van de Europese Commissie neemt u nu precies afstand? Op welke wijze heeft u de Europese Commissie daarvan op de hoogte gebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om nog deze week het voorbeeld van de Kamer te volgen en per brief het in het interview in Elsevier uitgedragen standpunt aan de Europese Commissie kenbaar te maken en een afschrift van die brief aan de Kamer toe te sturen?
Zoals ik in het Elsevier interview heb aangegeven, zijn mijn inspanningen richting Europa in de eerste plaats gericht op het bereiken van overeenstemming met de Europese Commissie, zodat de Commissie afziet van een IORP-herziening die schadelijke effecten heeft voor het Nederlandse pensioenstelsel. Daartoe vinden frequente contacten plaats met de Commissie die in het licht van de effectieve beïnvloedingsstrategie nauwkeurig worden gekozen.
Daarbij werk ik nauw samen met aantal andere lidstaten (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland) die ook grote bezwaren hebben tegen de voorgenomen herziening. We hebben al gezamenlijk actie ondernomen richting de Commissie en zullen dat – op daarvoor geëigende tijdstippen – de komende tijd blijven doen. De vier landen vormen echter geen blokkerende minderheid.
Een aantal lidstaten is zich aan het beraden op hun standpunt, andere landen wachten eerst het Commissievoorstel af. Ook met diverse van deze andere lidstaten onderhoud ik nauwe contacten over dit onderwerp, zij zijn op de hoogte van de Nederlandse zorgen en bezwaren bij een herziene IORP-Richtlijn. Dit biedt een goede basis om in een later stadium, indien nodig, te werken aan het bereiken van een blokkerende minderheid.
Heeft u genoeg steun voor een blokkerende minderheid van EU-lidstaten? Welke landen steunen Nederland en welke stappen heeft u ondernomen om andere landen te overtuigen van uw standpunt?
Zie antwoord vraag 4.
Een landelijke norm voor het aandeel groen in steden en dorpen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de «groennorm» van de Verenigde Naties in Nederland bij lange na niet wordt gehaald1? Kunt u uiteenzetten hoeveel vierkante meter groen er in Nederlandse steden en dorpen gemiddeld wél beschikbaar is per bewoner, welke gebieden goed scoren en welke slecht? Zo nee, waarom heeft u hier geen zicht op?
Zowel in 2002, als in 2004 en 2009 is een analyse gemaakt van het stedelijk groen in de grote steden van Nederland (Alterra, Groene meters deel I, II en III2). Uit de laatste analyse blijkt dat iets meer dan de helft van de 31 grootste gemeenten (G31) boven het kengetal van 75m2 groen per woning zit. De steden met minder dan 75m2 groen per woning zijn geconcentreerd in de Randstad, Limburg en delen van Brabant. Vergeleken met de analyse van 2002 is de gemiddelde hoeveelheid groen per woning met 3,5 m2 gestegen tot 85,1 m2. De Verenigde Naties gaan uit van 48 m2 groen per bewoner. Er zijn geen analyses beschikbaar van vierkante meters groen per bewoner in Nederland.
Onderschrijft u de conclusies van verschillende onderzoeken die uitwijzen dat groen in steden en dorpen bijdraagt aan het temperen van de hitte op warme zomerdagen en dat dit het welzijn mensen in steden en dorpen bevordert2? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf dat groen en blauw in steden en dorpen een bijdrage kan leveren aan het temperen van hitte, de reductie van kosten voor afvoer en zuivering van regenwater en aan biodiversiteit. Ook levert dit een bijdrage aan het welzijn en de gezondheid van stads- en dorpsbewoners en heeft het daarmee een positief effect op de reductie van zorgkosten. De precieze effecten laten zich moeilijk kwantificeren.
Deelt u de mening dat groen in steden en dorpen van groot belang is voor de gezondheid en het welzijn van mensen en op deze manier een besparing van miljarden euro’s per jaar in zorgkosten tot gevolg kan hebben3? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat groen in steden en dorpen bovendien kan leiden tot een besparing van miljoenen euro’s per jaar in kosten voor afvoer en zuivering van regenwater3? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat groen in steden en dorpen tot meer biodiversiteit leidt en zo een bijdrage kan leveren aan het behalen van de biodiversiteitsdoelstellingen voor 20201? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel biodiversiteitswinst vergroening van steden en dorpen kan opleveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het om al deze redenen (aangenamer woonklimaat, volksgezondheid en welbevinden, betere afvoer van regenwater en biodiversiteit) zeer wenselijk is om de aanwezigheid van groen in steden en dorpen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heb ik aangegeven dat natuur, hoogwaardige landschappen en recreatieve voorzieningen een bijdrage leveren aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat in stedelijke regio’s. Ook heb ik aangegeven dat een gezonde en veilige leefomgeving van belang is en daarmee een goede milieukwaliteit, waterveiligheid en voldoende zoet water, bescherming van cultureel erfgoed en unieke natuurlijke waarden.
Verder heb ik in de SVIR aangegeven welke onderwerpen van nationaal belang zijn en waar het primaat bij de mede overheden ligt. Groen in de stad valt onder de verantwoordelijkheid van decentrale overheden.
Ik heb samen met de staatssecretaris van EL&I diverse acties in gang gezet om de decentrale overheden te ondersteunen in hun zorg voor voldoende groen in steden en dorpen.
Bent u bereid om in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om te komen tot een gezamenlijk actieplan voor de letterlijke vergroening van steden en dorpen in Nederland, waarin aandacht is voor openbaar groen, groene gevels en daken, speelnatuur en de stimulering van groene(re) tuinen van particulieren? Zo ja, op welke termijn kunnen we een dergelijk overleg verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al heb aangegeven, ligt de verantwoordelijkheid voor groen en blauw in steden en dorpen bij decentrale overheden. Bij vraag 6 heb ik aangegeven dat het Rijk decentrale overheden ondersteunt bij de invulling van hun verantwoordelijkheid. De staatssecretaris van EL&I heeft afgelopen november een intentieverklaring «Behoud en ontwikkeling van groen in een stedelijke omgeving» ondertekend samen met de VNG, het Nicis Instituut (nu Platform31) en de Stichting Entente Florale waarin het Rijk zich committeert aan een driejarig programma over dit onderwerp. Dit programma heeft vooral een agenderende rol, bijvoorbeeld door de gezamenlijke organisatie van de «Nationale Groendag» die dit jaar op 26 september in Ermelo wordt gehouden en waar groen en de stad het centrale thema is.
De peildatum voor de langstudeerboete |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wie een jaar te lang studeert, betaalt 3000 euro boete»?1
Ja.
Waarom is ervoor gekozen om de peildatum op 1 november te stellen, waardoor veel studenten ongemerkt, via de zogenaamde 1 februariregeling, hun uitloopjaar al opgesoupeerd hebben?
De peildatum van langstudeerdersmaatregel is 30 september en niet 1 november. Als de student op deze datum is ingeschreven, telt dit inschrijvingsjaar mee voor de langstudeerdersmaatregel. De student moet dus niet vóór 1 november maar voor 30 september zijn uitgeschreven.
Het recht op studiefinanciering en meer specifiek de mogelijkheid om per 1 februari van het eerste jaar van de inschrijving de opleiding te stoppen en daarvoor de prestatiebeurs niet als lening te houden, staat los van de langstudeerdersmaatregel. Als de student van de 1 februari-regeling gebruikt maakt, heeft hij dus dit inschrijvingsjaar verbruikt omdat hij in de maand september ingeschreven is geweest in het hoger onderwijs.
Er is in de wet gekozen voor één peilmoment om de administratieve lasten voor de instellingen te beperken en te zorgen voor een zo transparant mogelijk systeem voor studenten.
Bent u bereid om de regels betreffende de peildatum voor de langstudeerregeling, voor zover deze nog gaat gelden, aan te passen zodat studenten hun uitloopjaar niet meer ongemerkt verbruiken? Zo nee, waarom niet?
Nee, de peildatum voor de langstudeerdersmaatregel is bij wet geregeld. Deze peildatum is dezelfde als voor de bekostiging, namelijk 30 september.
Het bericht dat studenten die door ziekte studievertraging hebben opgelopen een langstudeerboete krijgen opgelegd |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zieke student toch beboet»?1
Ja.
Klopt het bericht dat studenten die door ziekte studievertraging hebben opgelopen toch verhoogd collegegeld moeten betalen, ondanks het feit dat voor (chronisch) zieken een uitzondering geldt op de langstudeermaatregel, zoals is vastgelegd in de wet en door u is toegezegd?
In de wet was al geregeld dat gehandicapte of chronisch zieke studenten met studiefinanciering een extra uitloopjaar krijgen voordat de langstudeerdersmaatregel op hen van toepassing is. De wet is op 31 juli jl. begunstigend gewijzigd (Stb. 2012, nr. 360) voor chronisch zieke en gehandicapte studenten die geen studiefinanciering krijgen, zoals deeltijdstudenten. Zij hebben nu ook recht op een extra uitloopjaar. Tevens is geregeld dat voor studenten die vanwege een tijdens de bachelor- of masteropleiding ontstane handicap of chronische ziekte niet in staat zijn die opleiding met goed gevolg af te sluiten en een nieuwe, passende opleiding zijn gaan volgen, de teller van de langstudeerdersmaatregel weer op nul gaat. Dit had ik toegezegd aan de Kamer.
De studenten die onder deze regelingen vallen, hoeven niet het hogere collegegeld te betalen gedurende het extra uitloopjaar.
Daarnaast kent de wet de mogelijkheid om in bijzondere gevallen zoals ziekte een beroep te doen op het profileringsfonds van de instelling. De studenten betalen dan betalen wel het hogere collegegeld, maar kunnen daar (gedeeltelijk) compensatie voor krijgen. De instelling beslist hierover.
DUO doet er alles aan om de studenten zo goed mogelijk te informeren, maar omdat er op korte termijn veel wijzigingen in de langstudeerdersmaatregel zijn geweest, is het mogelijk dat de informatievoorziening door DUO gedurende enkele dagen niet helemaal volledig of niet juist is geweest.
Voldoen alle instellingen aan de eis in de wet dat zij regels moeten opstellen voor uitzonderingsgevallen, zoals studenten met een handicap of ziekte? Kunnen studenten die door ziekte studievertraging oplopen niet altijd een beroep doen op het profileringsfonds?
Ik ga er vanuit dat instellingen zich aan de wet houden. Studenten kunnen wegens bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen, bijvoorbeeld door zwangerschap, ziekte of anderszins, een beroep doen op het profileringsfonds (artikel 7.51 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek). Het is aan de instelling deze aanvraag te beoordelen.
Bent u bereid zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor de groep gedupeerde studenten?
Voor zover er sprake is van gedupeerde studenten, is dit inmiddels gebeurd.
De fusie tussen Thuiszorg Rotterdam en Espria en ADG |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten dat Thuiszorg Rotterdam op zoek is naar een fusiepartner, eerst Aafje en nu Espria en ADG?1,2
Op dit moment is sprake van een intentieverklaring van partijen om de mogelijkheden van een strategische verbinding te verkennen. Er is dus (nog) geen sprake van een fusie. De NMa heeft dan ook nog geen fusiemelding ontvangen.
Is de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en via haar de Nederlandse Zorgautoriteit om een advies over de laatste fusie gevraagd? Zo ja, hoe luidt dit advies? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welk aandeel in de markt voor huishoudelijke zorg heeft ADG momenteel en via welke activiteiten?
Ik beschik niet over deze informatie. Dit is bedrijfsgevoelige informatie van de instellingen zelf.
Krijgt ADG door deze fusie niet een te dominante positie op de markt voor huishoudelijke zorg in Rotterdam en ook, indien de huishoudelijke verzorging onder Espria gaat vallen, krijgt de gehele fusiecombinatie dan niet een te dominante positie? Zo ja, gaat de NMa de fusie tegenhouden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 en 2 heb geschreven, is er op dit moment geen sprake van een fusie. Ik wil dan ook niet op de feiten vooruit lopen.
Gaat thuiszorg Rotterdam, vooruitlopend op de aanscherping van de zorgspecifieke fusietoets, hier naar handelen en gaat of heeft ze personeel en cliënten voldoende raadplegen/geraadpleegd?
Vanuit Thuiszorg Rotterdam is aangegeven dat zowel de cliëntenraad als de ondernemingsraad een actieve rol hebben en zorgvuldig zijn betrokken bij de verkenning. Van een officiële adviesaanvraag is nog geen sprake. Een adviesaanvraag aan de cliëntenraad en de ondernemingsraad volgt eerst als er meer duidelijkheid is over de plannen.
Is aan de cliëntenraad en de ondernemingsraad advies gevraagd over de fusie? Zo ja, hoe luidt dat advies en hadden zij nog vragen aangaande de fusie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de ervaringen met personeelsbeleid en kwaliteit van de zorg, nadat TSN, onderdeel van ADG,, in 2011 Thuiszorg Groningen heeft overgenomen3?
Van ADG heb ik vernomen dat zij na de overname van Thuiszorg Groningen uiterst zorgvuldig met het personeelsbeleid en het kwaliteitsbeleid zijn omgegaan en dat zij in nauw overleg met het personeel, de ondernemingsraad, de bonden en cliënten tot het huidige personeels- en kwaliteitsbeleid zijn gekomen. Inmiddels zijn de randvoorwaarden voor het huidige personeels- en kwaliteitsbeleid volgens ADG goed geborgd. ADG gaat zich nu beraden op de verdere toekomst en heeft aangegeven dit in nauw overleg met stakeholders te zullen doen.
Wat zijn de doelstellingen en redenen voor de fusie en de structuur van de nieuwe organisatie, en wat zijn de verwachte financiële gevolgen en de gevolgen voor personeel en cliënten?
Thuiszorg Rotterdam heeft aangegeven dat samenwerking voor de toekomstbestendigheid van de organisatie een noodzakelijke stap is. Op dit moment worden door partijen de mogelijkheden van een samenwerking onderzocht. Thuiszorg Rotterdam heeft aangegeven dat deze vorm van samenwerking op zichzelf geen gevolgen zal hebben voor cliënten en zorgpersoneel.
Wat gaat Thuiszorg Rotterdam doen om verder verlies te voorkomen2 en is daar wel een fusie voor nodig?
Het is niet aan mij om te bepalen hoe een zorgorganisatie de financiën op orde moet hebben en houden. Evenmin is het aan mij om te bepalen of er een fusie nodig is.
Zal een eventuele fusie leiden tot meer managers in de top, en hoe gaat u er voor zorgen dat – mocht de fusie doorgaan – de bestuurders van de nieuwe organisatie onder de Wet normering topinkomens (WNT) komen te vallen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van uw vraag heeft Thuiszorg Rotterdam mij aangegeven dat de samenwerking niet zal leiden tot meer managers in de top.
De nieuwe organisatie, zoals Thuiszorg Rotterdam zich die voorstelt, zal onder de werkingssfeer van de toekomstige WNT gaan vallen. De WNT is echter nog in behandeling bij de Eerste Kamer en dus nog geen wet.
Zijn er personele consequenties als de fusie doorgaat? Zo ja, welke?
Zie antwoord op vraag 8.
De slechte rechtspositie van werksters in Nederland |
|
Sadet Karabulut (SP), Mariëtte Hamer (PvdA), Ineke van Gent (GL) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht over de slechte rechtspositie van werksters in Nederland ten opzichte van andere Europese landen, waardoor Nederlandse werksters geen toegang hebben tot de sociale zekerheid, er geen collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) is waarin de werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden staan omschreven en waarbij het onduidelijk is of werksters het wettelijk minimumloon verdienen?1
Hoe verklaart u deze slechte positie van werksters in Nederland?
Hoeveel werksters zijn in Nederland werkzaam volgens de regeling dienstverlening aan huis?
Op welke wijze controleert u of de regeling dienstverlening aan huis wordt nageleefd in de praktijk?
Deelt u de mening dat veel opdrachtgevers niet op de hoogte zijn van deze regeling?
Kunt u uw uitspraak dat «op deze manier (met de regeling dienstverlening aan huis) het zwarte circuit is gelegaliseerd» met cijfers feitelijk onderbouwen?2
Hoe groot schat u het aantal werksters in Nederland, dat in het informele (zwarte) circuit wordt ingehuurd door particulieren?
Bent u bereid om onderzoek te doen naar het aantal werksters in Nederland en hun arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de rechtspositie van werksters in Nederland te verbeteren door deze gelijk te trekken met andere werknemers en deze rechtspositie wettelijk vast te leggen, zodat werksters verzekerd zijn van sociale zekerheid bij arbeidsongeschiktheid of ziekte en er een CAO komt?
Deelt u de mening dat de invoering van een zogenoemde «dienstencheque» (zoals in België en Frankrijk), een wettelijke regeling (zoals in Spanje) of een regeling, waarbij de kosten van een werkster fiscaal aftrekbaar zijn (zoals in Zweden en Duitsland), het zwarte circuit fors vermindert, de rechtspositie van werksters verbetert, het aantal werkloosheidsuitkeringen vermindert en eerlijke banen schept? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse regeling te verbeteren?
Bent u alsnog van plan om het verdrag dat op 7 juni 2011 tijdens de ILO-conferentie in Genève is ondertekend en waarin staat dat werksters gelijke werknemersrechten moeten krijgen, zo snel mogelijk te ratificeren? Zo nee, waarom niet?3
Staat u nog steeds achter uw uitspraak dat de regeling dienstverlening aan huis «een keurige regeling is in een keurig land waar goed over nagedacht is en waarmee wordt bereikt dat werk dat anders niet of zwart gedaan zou worden, nu gebeurt op een witte manier, waarvan ook degenen, die dat werk verrichten, profiteren»? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Straffeloosheid bij moorden op Somalische journalisten |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Somalia must end impunity for killing of media workers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Somalia Transitional Federal Governement (TFG) een vergaand onafhankelijk onderzoek moet instellen naar de recente moorden op Somalische journalisten? Indien nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de oproep van Amnesty International die pleit voor het aanstellen van een onafhankelijke onderzoekscommissie die alle misdaden die onder het internationaal recht hebben plaatsgevonden registreert en vergaand onderzoek verricht naar deze misdaden? Indien ja, bent u bereid om dit voorstel onder de aandacht van de Somalische autoriteiten te brengen? Indien nee, waarom niet?
De Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van de VN, Augustine Mahiga, heeft de recente moorden op journalisten sterk veroordeeld en opgeroepen de huidige cultuur van straffeloosheid te doorbreken.
De omstandigheden voor het doen van onafhankelijk onderzoek in Somalië zijn echter nog steeds moeilijk.
Indien de veiligheid in Mogadishu en de rest van Somalië verder verbetert, zullen er naar verwachting meer mogelijkheden zijn voor onafhankelijk onderzoek op het gebied van mensenrechten. Mede in het licht van de motie Hachchi (22 831, nr. 71) dringt Nederland hierop aan.
Bent u bereid zowel in bilaterale contacten, als via de Europese Unie en de relevante VN- instrumenten, de Somalische autoriteiten blijvend aan te spreken op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het gebied van het eerbiedigen van mensenrechten? Indien nee, waarom niet?
Ja.
De oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden op de bouwplaatsen in de Eemshaven. |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het bedrijf Forklift haar Roemeense werknemers 8,84 euro per uur betaalt bij bouwwerkzaamheden in de Eemshaven?
Naar aanleiding van signalen van de FNV heeft de Inspectie SZW eind mei 2012 een onderzoek ingesteld bij Forklift. Daarbij zijn overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) geconstateerd. Tegen de werkgever wordt een boeterapport opgemaakt. In de brief van 10 augustus 2010 (Kamerstukken II 2009–2010, nr. 3056) is aangegeven dat de Inspectie SZW al langere tijd actief is in de Eemshaven. Dit is nog steeds zo. Het betreft hier toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en de Wml. Als er aanleiding toe is, wordt eventueel samen met de Belastingdienst handhavend opgetreden.
Bent u op de hoogte van het feit dat het loon op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) in de CAO bouwnijverheid een stuk hoger ligt?
Het is mij bekend dat de beloning voor een ervaren bouwplaatsmedewerker (ouder dan 22 jaar) op basis van de CAO Bouwnijverheid 12,19 euro bedraagt. Daarmee wil ik niet zeggen dat de betreffende Roemeense werknemers onder de werkingssfeer vallen van de CAO Bouwnijverheid. Wie onder de werkingssfeer van de cao valt is een zaak van cao-partijen. Een cao is immers een private overeenkomst.
Is het waar dat het de Inspectie SZW niet wordt toegestaan op het CAO-loon te controleren en te sanctioneren wegens een ministeriële richtlijn? Zo ja, wat is hiervoor de reden?
De handhaving van cao’s valt – net als de totstandkoming, de inhoud en naleving van cao’s – primair onder de verantwoordelijkheid van cao-partijen. Wel kunnen cao-partijen op basis van artikel 10 van de Wet AVV (bij een gegrond vermoeden en met het oog op het instellen van een rechtsvordering) de Inspectie SZW vragen om een onderzoek in te stellen naar de naleving van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen.
Bent u ervan op de hoogte dat, hoewel de opdrachtgever en hoofdaannemer bekend zijn met het feit dat de lonen ver beneden het CAO-loon worden uitbetaald, de opdrachtgever en hoofdaannemer niet hebben ingegrepen?
De Inspectie SZW en de Belastingdienst voeren periodiek gesprekken met de grote opdrachtgevers in de Eemshaven over de naleving van wet- en regelgeving. Daarbij wordt informatie uitgewisseld over geconstateerde misstanden en overtredingen. Dat is ook gebeurd naar aanleiding van het in het antwoord op vraag 1 genoemde onderzoek. Het is mij niet bekend welke acties de opdrachtgever of de hoofdaannemer naar aanleiding hiervan hebben ondernomen.
Bent u bekend met de schatting van de FNV dat bij circa 70% van de werknemers, die werken op de beide bouwplaatsen in de Eemshaven, de CAO op het punt van de beloning niet wordt nageleefd?
In de berichtgeving (Telegraaf, 28 augustus 2012) staat dat FNV Bondgenoten vermoedt dat in de Eemshaven 80% van de werknemers wordt onderbetaald.
Bent u bekend met het gegeven dat door deze oneerlijke concurrentie er vrijwel geen Nederlandse werknemers ingezet worden op arbeidsintensieve klussen?
Als buitenlandse werknemers tijdelijk in Nederland komen werken, dan gelden op basis van de Wet Arbeidsvoorwaarden Grensoverschrijdende Arbeid (WAGA) de Nederlandse wet- en regelgeving en de kernbepalingen van een van toepassing zijnde algemeen verbindend verklaarde cao op de volgende terreinen: de minimumbeloning, werk- en rusttijden, het aantal vakantiedagen, voorwaarden voor uitzendwerk, over veilig en gezond werken, maatregelen voor jongeren en zwangere werknemers en gelijke behandeling. Dit is een belangrijke voorwaarde om er voor te zorgen dat oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt tegengegaan.
Deelt u de mening dat dergelijke grootschalige onderbetaling ongewenst is? Indien dat niet het geval is, waarom niet?
Alle onderbetaling beneden het wettelijke minimumloon of het geldende cao-loon is ongewenst en moet worden aangepakt.
Deelt u de mening dat deze onderbetaling hard moet worden aangepakt, omdat onderbetaling van (buitenlandse) werknemers ongewenst is en omdat de verdringingseffecten van onderbetaling ongewenst zijn?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat voor het aanpakken van deze onderbetaling controle en sanctionering op het CAO-loon noodzakelijk is? Indien dat niet het geval is, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat controle en sanctionering op het cao-loon noodzakelijk is. Het is van belang dat cao-partijen de naleving en handhaving van de cao goed regelen en actief uitvoeren.
Bent u bekend met het feit dat FNV Bondgenoten het afgelopen anderhalf jaar een viertal juridische nalevingsprocedures heeft gestart, waarbij circa 1 050 werknemers betrokken zijn geweest?
Niet alle civielrechtelijke nalevingsprocedures van cao-partijen zijn mij bekend. Het is een goede zaak dat cao-partijen actief werk maken van de naleving en handhaving van de cao.
Bent u ervan op de hoogte dat de paritaire nalevingingstanties (SNCU, TBB) op basis van signalen van FNV Eemshaven een tweetal nalevingonderzoeken (waarbij circa 1 000 werknemers zijn betrokken) heeft uitgevoerd en afgerond in een aansprakelijkstelling van de betrokken werkgevers?
In de periodieke contacten tussen bijvoorbeeld de Inspectie SZW en de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) wordt (binnen de wettelijke kaders) informatie uitgewisseld. Ook plaatst de SNCU vonnissen over zaken op haar website.
Ben u bekend met het feit, dat in een zevental door FNV Eemshaven aangebrachte cases, waarbij enige honderden werknemers zijn betrokken, dit heeft geleid tot het vaststellen van een gegrond vermoeden van niet-naleving van de CAO?
Zie het antwoord op de vragen 10 en 11.
Bent u tevens ervan op de hoogte dat in geen van de hierboven benoemde cases een rechterlijk oordeel is geveld?
Zie het antwoord op de vragen 10 en 11.
Bent u voorts ervan op de hoogte dat gezien de lengte van de juridische procedures de uiteindelijke uitspraak meestal pas zal binnenkomen nadat de werknemers en het betrokken bedrijf weer van de bouwplaats zijn vertrokken?
Juridische procedures kunnen snel tot resultaat leiden, ook voordat de werknemers weer van de bouwplaats vertrokken zijn. Een voorbeeld volgt uit de berichtgeving op 28 augustus jl. over een kort geding tussen FNV Bondgenoten en Remak. De betrokken partijen hebben afspraken gemaakt over de betaling van 800 Polen op het niveau van de cao.
Deelt u de mening dat er ook een bestuurlijke aanpak (Inspectie SZW) op CAO-niveau gewenst is om de nalevingsbereidheid te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat een bestuurlijke aanpak de nalevingsbereidheid kan bevorderen. Cao-partijen kunnen bij vermoedens van niet naleving van de cao een civiele procedure starten tegen een onderneming. Daarbij bestaat, zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, de mogelijkheid van een verzoek aan de Inspectie SZW op grond van artikel 10 Wet AVV.
Bent u bekend met de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen, waarin opdrachtgevers verantwoordelijk worden gehouden voor het gedrag van hun toeleveranciers (onderaannemers en toeleverende uitzendbureaus)?
Ja. Volgens de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen kunnen er omstandigheden zijn waarin internationaal opererende bedrijven verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van het gedrag van hun toeleveranciers.
Deelt u de mening dat als gevolg van deze OESO-richtlijnen opdrachtgevers moeten toezien op «het niet hanteren van minder gunstige lonen en arbeidsvoorwaarden door toeleveranciers dan van toepassing op vergelijkbare werkgevers in het gastland»?
In alle landen die de OESO Richtlijnen onderschrijven zijn door de overheid Nationale Contactpunten (NCP's) opgericht om de toepassing van de OESO Richtlijnen te bevorderen. Eén van de taken van die NCP's betreft de duiding van de richtlijnen in specifieke aan hen voorgelegde gevallen. In Nederland is het NCP inhoudelijk onafhankelijk van de overheid.
De kwestie van de buitenlandse werknemers werkzaam in de Eemshaven is door FNV Eemshaven voorgelegd aan het Nederlandse NCP. Als het NCP deze kwestie in behandeling neemt, zal het langs de weg van bemiddeling met de betrokken partijen trachten te komen tot een constructieve toekomstgerichte oplossing.
Deelt u de mening dat de genoemde OESO-richtlijnen een pro-actieve houding van betrokken opdrachtgevers in het kader van het toezien op het naleven van wet- en regelgeving voorschrijven. Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u ervan op de hoogte, dat de OESO-richtlijnen de lidstaten van de OESO zo nodig naleving van de richtlijnen kunnen afdwingen?
Voor alle landen die de OESO Richtlijnen onderschrijven bestaat de verplichting om de naleving van de richtlijnen te bevorderen. Buiten contractuele relaties van bedrijven met de overheid is de naleving van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen niet juridisch afdwingbaar.
Deelt u de mening dat de opdrachtgevers zich weinig gelegen laten liggen aan de implicaties van deze OESO-richtlijnen en dat betrokken werkgevers de voor hen bedoelde verantwoordelijkheden in het kader van de CAO-naleving naast zich neerleggen en dat u aanvullende maatregelen dient te nemen om de verantwoordelijkheid van betrokken werkgevers in hun bouwketen te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op de vragen 17 en 19.
Voor wat betreft aanvullende maatregelen op het terrein van de verantwoordelijkheid van partijen in de bouwketen wijs ik u op de door de Europese Commissie voorgestelde Handhavingsrichtlijn bij de Detacheringsrichtlijn. Daarin wordt voorgesteld om ketenaansprakelijkheid voor loon in te voeren. Hierbij wordt het mogelijk een Nederlands bedrijf aan te spreken voor betaling van het loon van personeel dat hier gedetacheerd is vanuit een buitenlandse dienstverrichter. In het voorstel wordt ervan uitgegaan dat alleen de eerstvolgende schakel in de keten kan worden aangesproken (de inlener). In het voorstel beperkt de ketenaansprakelijkheid zich tot de bouwsector omdat naar de mening van de commissie daar de grootste problemen zijn. Zoals u bekend sta ik positief tegenover dit voorstel van de Europese Commissie.
Bent u voornemens om deze verantwoordelijkheid in te vullen met nadere maatregelen? Zo ja op welke wijze?
Zie de antwoorden op de vragen 17 en 19.
Het bericht dat het Eritrees consulaat Eritrese Nederlanders afperst |
|
Sadet Karabulut (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Leers , Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat het Eritrese consulaat al jarenlang Eritrese Nederlanders afperst door maandelijks twee procent van hun inkomsten te innen waarbij weigeraars worden bedreigd, geïntimideerd en noodzakelijke consulaire diensten worden onthouden? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te verrichten, per direct een einde te maken aan afpersingspraktijken en slachtoffers bescherming te bieden?1 2
De Eritrese overheid int sinds 1994 via de ambassades en consulaten een 2% «Development and Rehabilitation» inkomensbelasting onder Eritrese burgers in het buitenland. Het heffen van een dergelijke belasting is in Nederland niet illegaal, evenmin het onthouden van overheidsdiensten bij weigering om te betalen. Volgens een rapport van 13 juli jl. van de VN Monitoring Group on Somalia and Eritrea zou dergelijke belastingheffing door ambassades en consulaten gepaard gaan met intimidatie, bedreiging en dwang.
Het organiseren van culturele festivals en het werven van fondsen tijdens dergelijke festivals is niet illegaal. Indien dit gepaard gaat met intimidatie, bedreiging of fraude is dat uiteraard in strijd met de wet.
Voor het vaststellen of misdrijven als afpersing en soortgelijke delicten aan de orde zijn, zijn politie en het openbaar ministerie (OM) in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Lopende een onderzoek worden geen mededelingen daarover gedaan.
Is het u bekend dat het Eritrese regime festivals en bijeenkomsten organiseert – zoals de geplande bijeenkomst in Zaandam en de bijeenkomsten in Amsterdam en Rotterdam van afgelopen weekend – via het consulaat en/of door het consulaat gecontroleerde groepen waar topfunctionarissen van het regime aanwezig zouden zijn en waar volgens betrokkenen enorm veel druk wordt uitgeoefend om geld te geven aan het regime? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te verrichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gebeurt er met de door de Eritrese autoriteiten geïnde middelen? Wordt met deze middelen een zeer repressief regime zoals staat beschreven in diverse internationale rapporten indirect gefinancierd? Klopt het bericht dat via Nederland en andere landen geïnde middelen zouden kunnen worden ingezet voor gewapende troepen in de Hoorn van Afrika zoals Al Shabab?
De geïnde middelen komen ten goede aan de Eritrese staat. De VNMonitoring Groupvindt in haar rapport van 13 juli jl. geen bewijs van steun door Eritrea aan Al-Shabaab.
Is het wettelijk toegestaan dat Eritrese autoriteiten in Nederland belastingen en andere gelden innen van Eritrese Nederlanders? Deelt u de mening dat dit soort praktijken ontoelaatbaar zijn? Zo ja, wat gaat u doen om hieraan een einde te maken? Zo nee, waarom niet?
Het heffen van een dergelijke belasting in Nederland en fondsenwerving via festivals en evenementen zijn niet illegaal. Indien bij enige vorm van fondsenwerving strafbare feiten worden geconstateerd, dan is dat ontoelaatbaar en zullen politie en het openbaar ministerie daar onderzoek naar doen.
Klopt het bericht dat naast de twee procent verplichte afdracht en geldinzameling via festivals en evenementen, het Eritrees consulaat ook geheime bankrekeningen regelt voor zwartwerkers opdat zij vervolgens de op deze rekeningen gestorte gelden kan incasseren?
Zie antwoord vraag 4.
Is het u bekend dat het regime via het Eritrese consulaat de integratie van Eritreërs in de Nederlandse samenleving zou dwarsbomen door de vorming van een onafhankelijk Eritrese maatschappelijke organisatie in Nederland te belemmeren? Klopt het bericht dat door directe en indirecte inmenging van het consulaat, maatschappelijke activiteiten van verontruste Eritrese Nederlanders in Amersfoort onmogelijk worden gemaakt en zij een brief hebben overhandigd aan de burgemeester van Amersfoort, waarin ze bescherming en hulp vragen? Zo ja, speelt dit ook elders in Nederland en op welke wijze wordt deze ongewenste beïnvloeding en intimidatie tegengegaan?
Eritrese Nederlanders wonend in en rond Amersfoort hebben een brief over dit onderwerp geschreven aan burgemeester Bolsius van Amersfoort. In deze brief maken zij melding van incidenten tussen Eritrees-Nederlandse aanhangers van het Eritrese regime, en personen die een onafhankelijke organisatie voor Eritrese Nederlanders willen oprichten. Naast deze brief zijn er signalen dat activiteiten die indruisen tegen de wensen van het Eritrese regime worden gedwarsboomd door pro-regimeaanhangers in Nederland.
Het kabinet is van mening dat het ieder land vrij staat om relaties met (voormalige) onderdanen in den vreemde te onderhouden. Het kabinet stelt zich hierbij wel op het standpunt dat de contacten tussen een vreemde mogendheid en haar (voormalige) onderdanen in Nederland louter op basis van vrijwilligheid mogen plaatsvinden, binnen de grenzen die de wet hiervoor stelt. Ook mogen deze contacten de integratie in Nederland niet belemmeren.
Ongewenste beïnvloeding en intimidatie zullen vanuit het strafrechtelijk perspectief en op basis van individuele aangiften behandeld worden.
Is het u bekend dat de Eritrese diaspora in onder meer Canada, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ook te maken hebben met heffingen van de Eritrese autoriteiten? Bent u bereid om ook in internationaal verband actie te ondernemen tegen deze ongewenste praktijken van de Eritrese autoriteiten? Zo nee, waarom niet? 2)
Ja. Nederland overlegt met onder andere Canada, VK en Duitsland en zet deze kwestie in EU-verband op de agenda.
Zijn er Nederlandse bedrijven die handel bedrijven met Eritrea? Zo ja, welke?
Hierover zijn geen gegevens beschikbaar. De bilaterale economische betrekkingen tussen Nederland en Eritrea zijn beperkt.
Een tekort aan stageplaatsen in het middelbaar onderwijs (mbo) |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Een op de vijf mbo’ers vindt geen stageplek»?1
In het betreffende artikel wordt gesteld dat op basis van de gegevens van de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) de conclusie getrokken kan worden dat een op de vijf mbo-studenten geen stage kan vinden. Dit is onjuist en niet gebaseerd op de beschikbare feiten van de SBB. In schooljaar 2011–2012 startten 400 000 nieuwe stage- en leerbanen. Daarnaast kunnen leerbanen uit voorgaande jaren nog doorlopen. Er zijn meer dan 500 000 mbo-studenten, maar deze studenten hoeven echter niet allemaal in het schooljaar 2011–2012 op stage. De stage kan verspreid worden over de totale opleidingsduur. Sommige studenten gaan pas vanaf het tweede leerjaar op stage. De suggestie van de kop dat circa 100 000 mbo-studenten stagebehoevend zijn, is daarmee onjuist.
Is het waar dat 100 000 mbo’ers het afgelopen jaar geen stageplek konden vinden? Zo neen, wat is volgens u het juiste cijfer?
De SBB Barometer van juni 2012 geeft een actueel overzicht van de vraag naar en aanbod van stageplaatsen en leerbanen per branche en per regio. Op basis van deze meting concludeert de SBB dat er buiten de conjunctuurgevoelige sectoren als bouw en infra, schilderen, hout en meubel, mobiliteit en transport en overheidsgerelateerde sectoren nog geen grote problemen zijn. Het aantal leerbedrijven blijft vooralsnog op peil, maar per leerbedrijf kan het aantal beschikbaar gestelde stageplaatsen nog dalen. In september ontstaat meer duidelijkheid over eventuele tekorten als het nieuwe schooljaar start en mbo-studenten weer een opleidingskeuze maken en een stageplaats gaan zoeken. Begin oktober geeft de SBB een nieuw overzicht uit van de vraag en aanbod van stageplaatsen en leerbanen per branche en per regio.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is als een student van de opleiding wordt verwijderd omdat er geen stageplek voorhanden is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat onderneemt u indien dit toch gebeurt?
De stage is een cruciaal element van een beroepsopleiding en is daarom een verplicht onderdeel van elke mbo-opleiding. De toestand van de economie zorgt er voor dat het aanbod van stages in sommige sectoren of regio's onder druk staat. Een mbo-instelling mag verwachten dat een student zich ervoor inspant een stageplaats te vinden. In het geval dat de student er zelf niet in slaagt of zijn bestaande stageplaats tussentijds wordt beëindigd, is het de bedoeling dat de mbo-instelling zich samen met het relevante kenniscentrum ervoor inspant om alsnog een passende stageplaats te vinden.
Een gebrek aan stageplaatsen kan echter ook veroorzaakt worden doordat studenten kiezen voor een beroepsopleiding met beperkt arbeidsmarktperspectief. Het kabinet wil studenten daarom vooraf een goede keuze voor een beroepsopleiding laten maken.
Deze keuze moet gebaseerd zijn op goede arbeidsmarktinformatie, zoals de latere kans op een baan. Op mijn verzoek wordt in het kader van loopbaanoriëntatie een studiebijsluiter ontwikkeld voor studenten en ouders die zo mogelijk per opleiding of soortgelijke opleidingen zicht geeft op relevante informatie waaronder het (regionaal) arbeidsmarktperspectief. Voorts ziet de inspectie sinds mei 2012 toe op het naleven van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief.
Onderschrijft u de stelling van FNV-jong dat het tekort veroorzaakt wordt door bezuinigingen van bedrijven die vrezen vast personeel te moeten ontslaan? Zo neen, wat is dan de reden?
Deze stelling zal zeker een van de oorzaken zijn van tekorten in sommige sectoren in sommige regio’s. Als gevolg van de economische crisis zijn er in bedrijven in deze sectoren minder nieuwe medewerkers nodig en zetten zij vooral in op het in dienst houden van eigen personeel. Daarnaast hebben de overheidsgerelateerde sectoren (met name kinderopvang, kunst- en cultuursector) volgens de SBB laten weten dat de kabinetsbezuinigingen gevolgen zullen hebben voor het aantal stageplaatsen en leerbanen dat ze kunnen realiseren.
Wat gaat u ondernemen om het aantal stageplaatsen en leerbanen te vergroten, zodat elke mbo’er die ingeschreven staat, ook voldoende stage kan volgen?
Voor de zomer heb ik de sociale partners al opgeroepen om stages en leerbanen beschikbaar te stellen. Voor het op peil houden van het aanbod van leerbedrijven in de conjunctuurgevoelige sectoren is het van belang dat sociale partners bereid blijven om te investeren in beroepsopleidingen om de aanwas aan jonge vakmensen zoveel mogelijk op peil te houden. In de toekomst zullen ook deze sectoren voldoende goed geschoolde vakmensen nodig hebben.
Naast het werven van nieuwe stageplaatsen bij leerbedrijven kan ook beter gebruik worden gemaakt van bestaande stageplaatsen en leerbanen. Door stageperiodes beter te spreiden over het schooljaar kunnen meer studenten van dezelfde stageplaats gebruik maken.
Tot slot spelen de studenten zelf ook een belangrijke rol bij het vinden van een stageplaats. Door op tijd te starten met het zoeken vergroten zij de kans om tijdig een geschikte stageplaats te vinden. De stageplaatsen en leerbanen bij erkende leerbedrijven zijn voor studenten te vinden via de website Stagemarkt.nl van de samenwerkende kenniscentra.
Kunt u een update geven van de plannen om te komen tot een betere afstemming tussen het aantal aangeboden opleidingen en het arbeidsperspectief, door sommige opleidingen te schrappen, samen te voegen of aan te bieden door een beperkt aantal scholen?
In mijn brief «Aanbod van mbo-opleidingen» (vergaderjaar 2011–2012, 31 524, nr. 129) heb ik aangegeven welke acties in gang zijn gezet om tot een doelmatig opleidingenaanbod te komen2. Het gaat onder meer om de volgende maatregelen: