Het Turks NAVO-lidmaatschap |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkey vetoes Israel’s latest NATO partnership bid, despite criticisms?»1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de lange tenen van Turkije een gezonde samenwerking van de NAVO met Israël verhinderen?
Bondgenoten, inclusief Turkije, kwamen tijdens de top in Lissabon in 2010 en de bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken in Berlijn in 2011 unaniem overeen nauwere praktische samenwerking en politieke dialoog met alle NAVO-partners aan te gaan, waaronder Israël.
Naar aanleiding van het Mavi Marmara incident tussen Turkije en Israël heeft Turkije een aantal samenwerkingsprojecten van de NAVO met partners tegengehouden. Het betreft een beperkt aantal projecten waar Israël aan deelneemt. Overigens zijn niet alle samenwerkingsprojecten van de NAVO met Israël geblokkeerd.
Verschillende NAVO-bondgenoten, waaronder Nederland, hebben aangegeven te betreuren dat dit bilaterale geschilpunt gevolgen heeft voor NAVO-aangelegenheden en hebben het principe van non-discriminatie ten aanzien van partners onderstreept. De leidraad is partners gelijk te laten optrekken in het intensiveringsproces, conform besluit in Lissabon en Berlijn.
Nederland ondertekende met veertien bondgenoten een brief met de oproep aan Turkije de kwestie zo snel mogelijk op te lossen en verdere ontwikkeling van de partnerschapsprogramma’s voort te zetten. Daarnaast heeft Nederland met Turkije diverse malen erover gesproken zijn relaties met Israël te verbeteren. De bondgenoten, waaronder Nederland, zoeken in onderling overleg naar een spoedige oplossing voor de kwestie.
Heeft Turkije samenwerking van de NAVO met Israël ook gesaboteerd door Israël’s deelname aan de tegen islamitisch terrorisme lopende operatie «Active Endeavor» te blokkeren?
Israël neemt sinds 2006 deel aan NAVO Operatie Active Endeavour. Israël heeft een aanbod gedaan om de bijdrage uit te breiden. Dit aanbod heeft de NAVO in overweging.
Is het waar dat een aantal NAVO-leden tegen intensievere samenwerking met Israël is, omdat zij bang zijn dat dit de relatie van de NAVO met islamitische landen zou schaden? Zo ja, welke NAVO-leden zijn dat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de NAVO buigt voor de islam en dat Turkije een islamitisch trojaans paard is in het bondgenootschap?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om deze ontwikkelingen te keren?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg op 15 mei over de NAVO Top in Chicago?
Ja.
Het vervroegde verlof van Volkert van der Graaf |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Volkert van der Graaf verlof op 6 november»?1
Ja.
Klopt dit bericht? Zo ja, waarom mag Volkert van der Graaf achttien maanden voor zijn vrijlating al met proefverlof?
Nee, dit klopt niet. Volkert van der Graaf is door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. Zoals alle veroordeelden tot een gevangenisstraf van meer dan één jaar komt Van der Graaf in beginsel in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). De v.i. van Van der Graaf is aan de orde op het moment dat hij tweederde gedeelte van zijn straf heeft uitgezeten, dat wil zeggen in mei 2014. Vanaf dat moment begint de proeftijd te lopen die duurt tot mei 2020.
Gedetineerden kunnen op dit moment achttien maanden voorafgaand aan de v.i.-datum in aanmerking komen voor detentiefasering. Als Volkert van der Graaf een verzoek voor detentiefasering indient wordt op grond van de bestaande regelgeving een besluit genomen. De beslissing of iemand voor detentiefasering in aanmerking komt wordt genomen door de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit wordt onder meer op basis van adviezen van de reclassering en het OM genomen. Een groot aantal factoren speelt een rol bij het al dan niet toekennen van verlof. De weigeringsgronden staan genoemd in artikel 4 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Hierbij wordt in ieder geval het risico van maatschappelijke onrust en het risico van ongewenste confrontatie met slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door de gedetineerde gepleegde misdrijf meegewogen, zoals in de leden g. en i. verwoord.
Op 8 november 2011 (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 270, nr. 61) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wijzigingen die ik in het systeem van detentiefasering door wil voeren. Ik ben van mening dat detentiefasering momenteel teveel als recht wordt gezien, terwijl hier wettelijk gezien geen sprake van is. Daarom wil ik de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde centraal stellen en zijn gedrag en motivatie bepalend laten zijn voor het toekennen van detentiefasering. Tevens heb ik voorgesteld de periode waarin een gedetineerde in aanmerking kan komen voor externe vrijheden, te beperken van 18 maanden voor de v.i.-datum naar 12 maanden. Hiervoor is aanpassing van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden noodzakelijk. Het nieuwe systeem van detentiefasering zal in de zomer van 2013 worden ingevoerd.
Deelt u de mening dat de kans op herhaling zeer groot is als Volkert van der Graaf weer op vrije voeten komt, aangezien hij eerder heeft aangegeven geen spijt te hebben van zijn moord?
Het recidiverisico zal worden betrokken bij de beslissingen omtrent de detentiefasering en wordt door het openbaar ministerie betrokken bij het al dan niet indienen van een vordering tot uitstel of afstel van de v.i.. De vaststelling van het recidiverisico geschiedt aan de hand van op wetenschappelijke basis geschoeide instrumenten, waarbij uiteraard ook de opvattingen van de veroordeelde ten aanzien van het door hem gepleegde misdrijf relevant zijn.
Kent u de petitie tegen de vrijlating van Volkert van der Graaf?2 Zo ja, wat gaat u hiermee doen?
Ik ben bekend met de petitie tegen de vrijlating van Volkert van der Graaf. Op vrijdag 25 mei jl. heeft de heer Smolders mij deze petitie overhandigd. Ik heb daarbij aangegeven dat het feit dat zoveel mensen de petitie hebben ondertekend een signaal is dat zal worden betrokken bij de verdere besluitvorming rondom verlof en invrijheidstelling van Volkert van der Graaf. Deze zaak heeft dan ook mijn bijzondere aandacht.
Deelt u de mening dat de moordenaar van Pim Fortuyn gewoon zijn straf zou moeten uitzitten onder de nieuwe regeling en dat vrijlating überhaupt niet is uit te leggen omdat het hier ging om een politieke moord?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid er alles aan te doen om Volkert van der Graaf onder de nieuwe regeling te laten vallen zodat zijn vervroegd verlof kan worden tegengegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het zwarte gat na een melding van kindermishandeling |
|
Nine Kooiman |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
Wat is uw reactie op de enquête en het bericht «Het zwarte gat na een melding»?1 en het bericht «Alerter op Kindermishandeling»2 die beide wijzen op het feit dat er nog veel te verbeteren valt in de aanpak van kindermishandeling?
Kinderen zijn kwetsbaar en vereisen onze specifieke aandacht. Met de uitvoering van het actieplan Kinderen Veilig (2012–2016) wil ik met mijn collega-bewindslieden van Veiligheid en Justitie kindermishandeling krachtig bestrijden. Samen met ouders, omstanders, professionals, mede-overheden en uitvoeringsorganisaties. Na de zomer zal de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik worden geïnstalleerd om toe te zien op de uitvoering van de acties in het actieplan en deze aan te jagen. Met deze Taskforce zal de aanpak van kindermishandeling verder worden verstevigd.
Deelt u de mening dat het gebrek aan terugkoppeling contraproductief is voor de meldingsbereidheid van professionals die kindermishandeling signaleren? Wat gaat u doen om dit te verbeteren? Hoe gaat u daarnaast ervoor zorgen dat de terugkoppeling aan melders door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) verbetert?
Binnen organisaties moeten professionals heldere afspraken maken over hoe om te gaan met signalen van kindermishandeling, het bespreekbaar maken ervan en het organiseren van hulp danwel het doen van een melding. Het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, dat bij uw Kamer in behandeling is, biedt hiervoor kaders, zoals het stappenplan. Het is aan organisaties om deze stappen concreet in te vullen, zodat het aansluit bij de werkwijze van de organisatie. Het maken van afspraken over het doen of overdragen van meldingen, kunnen hier ook in worden opgenomen.
Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) is er voor professionals (en anderen) die een advies of consult inzake (een vermoeden van) kindermishandeling vragen en voor professionals die een melding van (een vermoeden van) kindermishandeling willen doen.
Overigens blijkt uit de TKM-enquête dat slechts 16% van de professionals die de enquête hebben ingevuld daadwerkelijk een melding hebben gedaan bij het AMK.
Terugkoppeling is belangrijk voor de bereidheid van professionals om een melding te doen. In het protocol van handelen dat het AMK gebruikt voor hun werkwijze staat de afspraak dat terugkoppeling altijd plaatsvindt bij een in ontvangst genomen melding. Bij een advies of consult is feedback vaak niet nodig en in die gevallen wordt terugkoppeling ook niet afgesproken. In de praktijk komt de afspraak over terugkoppeling wel eens onder druk te staan. Jeugdzorg Nederland vindt het een zorgelijke situatie dat er niet altijd terugkoppeling plaats vindt. Jeugdzorg Nederland en ik hebben afgesproken dat Jeugdzorg Nederland de terugmelding naar de professional zoals die is opgenomen in het protocol van handelen nog eens expliciet onder de aandacht brengen van de AMK’s.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat ruim 43% van de hulpverleners ontevreden is over de snelheid waarmee onderzoek en hulp tot stand komt na een melding van kindermishandeling? Is het waar dat het formeel maar 27 weken mag duren voordat een casus bij het AMK is onderzocht en vrijwillige hulpverlening is opgestart en dat het maar liefst 40 weken mag duren als er na het AMK-onderzoek ook een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is opgestart? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze doorlooptijden ook worden gehaald?
Ik vind het van het grootste belang dat onderzoek en hulpverlening aan een kind na een melding snel tot stand komt. Ik begrijp dat veel hulpverleners vinden dat de snelheid van onderzoek omhoog moet, dat is een teken van hun betrokkenheid bij het kind. Daarom zijn afspraken gemaakt om de doorlooptijden te verkorten. De termijnen zijn de laatste jaren aanzienlijk verkort. Ik herken echter niet de termijnen die u noemt in uw vraag. Hieronder geef ik aan wat wel de termijnen zijn die worden toegepast waarbij ik een onderscheid maak tussen acute en minder acute situaties waarin een kind zich bevindt.
Als een melding bij het AMK wordt gedaan, geldt een wettelijke termijn van vijf dagen voor de beoordeling of de melding aanleiding geeft tot onderzoek. Vervolgens heeft het AMK een wettelijke termijn van 13 weken om te beoordelen of de melding aanleiding geeft tot stappen. Bij acuut gevaar voor het kind of bij een crisis start het AMK direct de doorgeleiding naar de Raad voor de Kinderbescherming. Bij dergelijke zaken kan binnen enkele dagen een rechterlijke beslissing worden genomen tot een kinderbeschermingsmaatregel. Bij crisis wordt indien nodig direct hulpverlening ingezet.
Als er geen sprake is van acuut gevaar of crisis maar hulp in het vrijwillig kader geen optie (meer) is vanwege onmacht of onwil bij de ouders, dan neemt het BJZ/AMK een spoorbesluit bescherming. Dat wil zeggen dat de melding binnen een week met de Raad voor de Kinderbescherming wordt besproken in het casusoverleg bescherming. De Raad onderzoekt of er gronden zijn voor een kinderbeschermingsmaatregel en heeft de doorlooptijd voor onderzoek teruggebracht van ca 10 maanden naar 2 maanden.
De provincies hebben onderling afspraken gemaakt voor de doorlooptijd tussen aanmelding voor hulpverlening en het indicatiebesluit voor het vrijwillig kader (teruggebracht tot 8 weken). Verder hebben de provincies afspraken over de doorlooptijd naar de start van de hulpverlening ( 9 weken). Mijn ambitie is dat alle kinderen tijdig de noodzakelijke zorg krijgen. Ook de provincies trachten de wachtlijst zo beperkt mogelijk te houden. Bij crisis wordt indien nodig direct hulp ingezet.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat hulpverleners weinig zicht hebben op de hulp die een kind krijgt? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u een cijfermatig overzicht geven van de hulpsoorten die zijn opgestart voor de ouders van de ruim twintigduizend kinderen waarbij het AMK in 2010/2011 kindermishandeling vaststelde? Zo nee, waarom niet en bent u anders bereid dit te onderzoeken? In hoeverre komt dit volgens u overeen met de zorg voor mishandelde kinderen en hun ouders zoals de Gezondheidsraad deze in haar rapport van 2011 heeft geadviseerd?
In de beleidsinformatie jeugd wordt niet bijgehouden bij welke hulpsoorten ouders terecht komen nadat er kindermishandeling is geconstateerd. Het is daarom niet mogelijk om een cijfermatig overzicht te geven. Ik wil de administratieve lasten voor professionals niet vergroten. Er zijn daarom geen plannen om hier onderzoek naar te verrichten.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat, ondanks de al door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingezette publieksvoorlichting, 60% van de professionals geen idee heeft welke gevolgen de verplichte meldcode Kindermishandeling zal hebben voor hun werk? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit verbetert, gezien het feit dat de wet slechts een sluitstuk moet zijn van de praktijk?
Gezien het feit dat de wet verplichte meldcode nog niet van kracht is, verbaast het mij niet dat nog niet alle professionals een beeld hebben van de gevolgen van de voorgenomen wet verplichte meldcode voor hun dagelijkse werkzaamheden. De communicatie heeft zich tot nu toe vooral gericht op het informeren van professionals over de komst van de wet verplichte meldcode en het aanzetten van organisaties om een meldcode te ontwikkelen. Het is aan organisaties zelf om hun professionals op basis van de door hen ontwikkelde meldcode voor te bereiden op de komst van de wet. Om organisaties hierbij te ondersteunen heb ik dit voorjaar een checklist voor de implementatie beschikbaar gesteld via www.meldcode.nl. Verder zal ik vóór de inwerkingtreding van de wet meldcode wederom een communicatiecampagne starten. Deze campagne moet organisaties stimuleren om een eigen meldcode te implementeren. Belangrijk onderdeel van de implementatie is het voorbereiden van de eigen professionals op de komst van de wet.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat in het onderwijs vermoedens van kindermishandeling beter worden vastgelegd, aangezien 49% aangeeft nooit of soms een vermoeden schriftelijk vast te leggen?
Zodra de wet verplichte meldcode van kracht is, worden besturen van onderwijsinstellingen verantwoordelijk voor het hebben en gebruiken van een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij zullen er zorg voor moeten dragen dat onderwijsprofessionals bekend zijn met de stappen die genomen kunnen worden bij signalen van geweld buiten de schoolorganisatie. Het vastleggen van die signalen is een eerste stap in de meldcode.
De stappen van de meldcode worden grotendeels geïntegreerd in de onderwijsondersteuningsstructuur in en om de school. Door het Nederlands Jeugdinstituut zijn handreikingen voor leerkrachten en intern begeleiders ontwikkeld die ondersteuning bieden bij het optimaliseren van deze structuur. Ook zijn ter voorbereiding van de implementatie van de meldcode trainingsmodulen ontwikkeld en trainers opgeleid. Via de websites www.meldcode.nl en www.zat.nl wordt informatie voor het onderwijsveld beschikbaar gesteld.
Klopt het dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) al is begonnen met het uitvoeren van toezicht op de implementatie van de wet Meldcode Kindermishandeling? Wanneer start de Onderwijsinspectie met de uitvoering van toezicht op de implementatie van de wet Meldcode Kindermishandeling? Op welke manier wordt het toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Onderwijsinspectie op de invoering van de wet Meldcode Kindermishandeling vormgegeven?
Voor instellingen en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg valt het werken met meldcodes al onder het leveren van verantwoorde zorg conform de kwaliteitswet en de wet BIG.
De IGZ zal dit onderzoek voor het grootste deel in 2012 uitvoeren en rapporteert daarover naar mij door middel van sectorspecifieke brieven. Op het einde van het project zal de IGZ mij een totaalrapport aanleveren over de implementatie van de meldcode in de gezondheidszorg.
De Inspectie van het Onderwijs is nog niet gestart met het toezicht op de implementatie van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in scholen en instellingen, omdat de wet nog niet van kracht is. De Inspectie van het Onderwijs is bezig haar handhavingstrategie te formuleren en vast te leggen. Uiteraard informeert de Inspectie van het Onderwijs tijdig de betrokken doelgroepen over de wijze waarop zij de naleving van de meldcode zal gaan handhaven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat professionals voldoende geschoold worden in vaardigheden waarvan zij zelf aangeven er behoefte aan te hebben: praten met kinderen (63%), praten met ouders (65%) en het inschatten van veiligheidsrisico’s voor een kind (64%)? Bent u bereid uw eerdere schatting dat twee uur scholing voldoende moet zijn ten behoeve van de wet Meldcode Kindermishandeling te herzien, gezien het bereik van nascholing tot nu toe? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hulpverlenende organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de scholing van hun professionals. Om organisaties te ondersteunen heb ik een trainingsmodule «Werken met een meldcode» en e-learning modulen laten ontwikkelen. Deze en andere modulen zijn via www.meldcode.nl te vinden in de databank bij- en nascholing meldcode. De toezichthouders van de betreffende sectoren zullen er op toezien dat organisaties hun medewerkers daadwerkelijk scholen.
Verwacht mag worden dat alle organisaties in de sectoren van de meldcode hun professionals trainen in het signaleren van en handelen bij kindermishandeling. De schatting van twee uur scholing gaat dan ook uitsluitend over de extra tijd die nodig is om zich het werken met de meldcode eigen te maken. Zodoende is het realistisch om uit te gaan van een investering van twee uur om zich het werken met de meldcode eigen te maken.
Voor aankomende professionals is het belangrijk dat de opleidingen zelf voldoende aandacht besteden aan het signaleren van en handelen bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Zie hiervoor het antwoord op vraag 13.
Deelt u de mening dat met het steunen van twee pilots (de multidisciplinaire centra in Haarlem en Leeuwarden) en onderzoek van ZonMw, het advies van de Gezondheidsraad onvoldoende wordt opgevolgd, gezien de huidige landelijke stand van zaken wat betreft de multidisciplinaire aanpak3? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de wens van veel professionals ten aanzien van verbeterde hulp voor kinderen en het advies van de Gezondheidsraad landelijk geïmplementeerd worden: een multidisciplinaire aanpak en behandeling voor elk mishandeld kind?
Zoals ook uit het door u genoemde artikel blijkt zijn er meerdere initiatieven waar multidisciplinair wordt samengewerkt en waar goede ketenafspraken worden gemaakt. In het actieplan Kinderen Veilig en in mijn beantwoording van eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2139) heb ik aangegeven een aantal regionale initiatieven tot een multidisciplinaire aanpak van kindermishandeling in Nederland eerst te gaan toetsen. Naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad worden in ieder geval de initiatieven van het Kinder- en Jeugd Traumacentrum in Haarlem en het multidisciplinair centrum kindermishandeling Leeuwarden hierin betrokken. De Gezondheidsraad beveelt deze initiatieven aan om als proeftuin te dienen voor een integrale, multidisciplinaire benadering. Deze evaluatie wordt begeleid door ZonMW. Naar verwachting is rond de zomer bekend welke initiatieven gevolgd en ondersteund gaan worden. Na de evaluatie bekijkt het Kabinet met gemeenten of deze nieuwe aanpak brede inzet verdient in Nederland en op welke wijze dat vorm moet krijgen in het nieuwe stelsel van zorg voor jeugd.
Bent u bereid het advies van de Gezondheidsraad om te laten zetten naar een richtlijn? Zo nee, waarom niet?
De Gezondheidsraad beveelt aan dat, waar zij nog ontbreken, evidence-based richtlijnen worden ontwikkeld, rekening houdend met de consequenties van (een verleden van) kindermishandeling voor diagnostiek en behandeling. Ik leg dit voor aan de commissie Richtlijnadviescommissie Jeugdzorg met het oog op een te ontwikkelen richtlijn.
Waarom wilt u nog onderzoeken of een multidisciplinaire aanpak «brede inzet verdient» , zoals u in antwoord op eerdere vragen aangeeft, als de Gezondheidsraad al stelt dat een multidisciplinaire aanpak sowieso noodzakelijk is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Waarom geeft u in diezelfde antwoorden op eerdere vragen aan dat u de aandacht voor kindermishandeling in beroepsopleidingen opnieuw wil inventariseren en dan waar nodig mondeling wil stimuleren, als dit mondeling stimuleren ook al door voormalig minister Rouvoet is gedaan en tot op heden een weinig effectieve en daadkrachtige maatregel is gebleken? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er weinig tijd verloren gaat en er afspraken worden gemaakt met de beroepsopleidingen hoe zij het signaleren en bespreek maar maken van kindermishandeling ook onderdeel maken van de opleiding?
Zoals ik heb aangegeven in de Nota naar aanleiding van het verslag betreffende het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ( TK 2011–2012, 33 062, nr. 7) richt ik mij in eerste instantie op de opleidingen tot basisarts, huisarts, jeugdarts en kinderarts. Het Nederland Jeugdinstituut heeft geïnventariseerd in hoeverre kindermishandeling en huiselijk geweld in de curricula van de betreffende opleidingen zit. Uit deze inventarisatie komt naar voren dat in de opleidingen de aandacht voor kindermishandeling en huiselijk geweld tussen 2007 en 2011 is toegenomen.
In de expertmeeting die ik samen met de KNMG in april heb georganiseerd bleek de inventarisatie een goede basis om te bespreken op welke wijze de aandacht in de verschillende opleidingen verder versterkt kan worden. De expertmeeting bevestigde het beeld dat er veel onderwerpen zijn waar in de opleidingen in samenhang aandacht aan besteed moet worden. Momenteel werkt een aantal deelnemers aan de expertmeeting dit uit. In het najaar organiseren de KNMG en ik een tweede expertmeeting om deze uitwerking te bespreken. Uiteraard zal ik de Kamer te zijner tijd over de uitkomsten informeren.
Vervolgens zal ook bij andere opleidingen een inventarisatie plaatsvinden, zoals die tot maatschappelijk werker en docent basisonderwijs. Mocht het nodig zijn, zal ik ook deze opleidingen stimuleren om meer aandacht te besteden aan kindermishandeling en huiselijk geweld.
Het bericht 'Coke-advocaat vrij door tijdgebrek' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Coke-advocaat vrij door tijdgebrek»?1
Ja.
Is het waar dat de rechtbank in Rotterdam wegens tijdgebrek de voorlopige hechtenis schorst van enkele verdachten in een drugsonderzoek omdat het proces pas in het najaar kan plaatsvinden?
De rechtbank heeft in deze zaak om twee redenen beslist om de voorlopige hechtenis onder voorwaarden te schorsen. Ten eerste omdat er sprake was van een ongebruikelijke lange duur van de voorlopige hechtenis en ten tweede omdat er nog geen zicht was op een concrete datum voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Deelt u de mening dat het niet is uit te leggen aan de samenleving dat, ondanks dat het Openbaar Ministerie het onderzoek heeft afgerond, de verdachten hun proces in vrijheid mogen afwachten omdat de rechtbank pas eind oktober tijd en een locatie voor dat proces heeft? Zo nee, waarom niet?
In verband met de rechterlijke onafhankelijkheid past mij terughoudendheid bij het geven van een oordeel over een dergelijke beslissing in een individuele strafzaak. Dit geldt in het bijzonder nu de zaak nog onder de rechter is en daarover nog niet tot in hoogste instantie is beslist.
Deelt u de mening dat verdachten niet voor niets in voorlopige hechtenis worden genomen, dat het hier gaat om een delict waar een gevangenisstraf van vier jaar of meer op staat, er sprake is van vluchtgevaar of van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert en dat deze verdachten dus absoluut niet (zeker niet om deze reden) vrij mogen komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat per direct een locatie wordt gevonden en tijd wordt gemaakt om het proces eerder te kunnen laten plaatsvinden zodat de verdachten achter slot en grendel kunnen blijven?
Gezien het feit dat de verdachten inmiddels in vrijheid zijn gesteld, is deze vraag niet meer aan de orde.
Is het niet mogelijk om het proces in een weekend te plannen of in de avonduren? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog mogelijk te maken?
Er wordt door gerechten geëxperimenteerd met avondopenstelling. Onlangs heeft een dergelijke proef bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch plaatsgevonden. Een dergelijke openstelling heeft de nodige gevolgen, bijvoorbeeld voor advocaten, en er dient dan ook voldoende draagvlak te zijn bij alle betrokkenen. Voor de zaak die hier aan de orde is, die een groot aantal zittingsdagen in beslag zal nemen, zou een ruimere openstelling overigens maar in beperkte mate soelaas kunnen bieden.
Komt het vaker voor dat zittingen door gebrek aan tijd en locatie dusdanig laat plaatsvinden dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst? Zo ja, hoe vaak en bij welke arrondissementen? Welke maatregelen gaat u nemen om structurele capaciteitsproblemen te verhelpen?
Schorsingen van de voorlopige hechtenis komen vaker voor. Bij de afweging tot een dergelijke beslissing spelen onder meer de ernst van de verdenking, het belang van het onderzoek, eventueel vluchtgevaar, de persoonlijke belangen van de verdachte en de duur van de voorlopige hechtenis een rol. Beschikbaarheid van zittingsruimte is eveneens een factor die in de afweging betrokken wordt. Aangezien er meerdere factoren van verschillende aard een rol spelen, kan niet worden vastgesteld in hoe veel gevallen de zittingscapaciteit doorslaggevend is geweest.
De Rechtspraak neemt deel aan diverse programma’s en projecten die onder de gemeenschappelijke noemer Versterking Prestaties Strafrecht keten (mede) gericht zijn op het verkorten van de doorlooptijden in strafprocessen. Voorbeelden hiervan zijn het programma herontwerp keten strafrechtelijke handhaving en het programma ZSM. Kortere doorlooptijden leiden tot een efficiënter gebruik van zittingscapaciteit. Naast deze programma’s werken Rechtspraak en Openbaar Ministerie ook aan betere zittingsplanning.
Het artikel 'Gif in kleding is verboden, maar komt toch in grondwater terecht' en van de daarin genoemde rapporten van Greenpeace en RIKILT |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gif in kleding is verboden, maar komt toch in grondwater terecht»1 en van de daarin genoemde rapporten van Greenpeace2 en RIKILT?3
Ja.
Klopt de stelling van Greenpeace dat via de import en het wassen van kleding met nonylfenolethoxylaten (NFE), de schadelijke stof nonylfenol (NF) vrijkomt in het oppervlakte- en drinkwater? Is bekend l in welke mate dit in Nederland voorkomt?
Ja, de stelling klopt. Het is echter niet bekend in welke mate NF via import en het wassen van kleding NFE vrijkomt in het oppervlakte- en drinkwater. Er zijn namelijk mogelijk ook andere bronnen van waaruit NF het oppervlaktewater kan bereiken.
NF is vanwege de schadelijke eigenschappen aangewezen als prioritair gevaarlijke stof onder de Kader Richtlijn Water (KRW). Volgens Richtlijn 2008/105/EC is de veilige concentratie voor het ecosysteem 0,3 microgram per liter, gebaseerd op de jaargemiddelde concentratie. De maximaal aanvaardbare piekconcentratie is 2,0 microgram per liter. Zolang deze normen niet worden overschreden, worden geen onaanvaardbare effecten voor mens of milieu verwacht. De betreffende waterkwaliteitsnorm is in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd via het Besluit kwaliteitsdoelstellingen en monitoring water (Bkmw 2009).
In vervolg op projectmatig onderzoek in 2002 naar de aanwezigheid van nonylfenol(ethoxylaten) in effluenten van rioolwaterzuiveringen, in oppervlaktewater, sediment en biota, hebben waterschappen met enige regelmaat onderzoek gedaan naar het voorkomen van NF(E) in effluenten van rioolwaterzuiveringen en oppervlaktewater. Daarnaast analyseert de vereniging van rivierwaterbedrijven (RIWA) oppervlaktewater in het Maas- en Rijnstroomgebied op de aanwezigheid van deze stoffen.
Recente meetgegevens laten zien dat nonylfenol wordt aangetroffen in effluenten van rwzi’s in concentraties in de range van 0 tot maximaal 1,2 ug/l. In 2010 is op KRW-meetpunten in het oppervlaktewater van rijkswateren op één locatie nonylfenol aangetroffen boven de norm, op alle andere locaties onder de norm.
Kunt u bevestigen dat NF een hormoonverstorende werking heeft die kan leiden tot gewijzigde seksuele ontwikkeling van vissen en knaagdieren? Ziet u het vrijkomen van deze stof als een bedreiging voor de gezondheid en het voortbestaan van visbestanden in de Europese wateren?
NF kan een hormoonverstorende werking hebben en kan, afhankelijk van de concentratie, een bedreiging zijn voor de gezondheid en voor de visbestanden. Het is niet bekend in welke mate er momenteel sprake is van een bedreiging voor de gezondheid en het voortbestaan van visbestanden in Europese wateren.
In 2007 is NF gemeten in meer dan 100 rivieren in 27 Europese landen. NF werd in 29% van de monsters aangetroffen waarvan 10% boven de Europese jaargemiddelde norm van 0,3 microgram per liter4. In een recente publicatie zijn meetgegevens van de Elbe en Schelde vanaf 2004 gebruikt voor het identificeren van mogelijke probleemstoffen5. In 95% van de monsters was de gemeten concentratie hoger dan 0,14 microgram per liter, dit betrof 15% van de meetlocaties.
In deze studies worden echter geen Europese jaargemiddelde concentraties gerapporteerd. Het is dus niet bekend of de concentraties langere tijd boven de norm zijn geweest. Gezien de hoeveelheid monsters waarin de stof wordt aangetroffen is dat niet uit te sluiten en is dus niet uit te sluiten dat het een bedreiging is voor sommige ecosystemen in Europese wateren.
Is het waar dat zowel Richtlijn 2003/53/EG4 als de Europese chemicaliënwetgeving REACH het in de handel brengen en gebruiken van NF en NFE verbieden voor onder andere toepassing op textiel, maar niets regelen voor de import van textielproducten met NFE?
Richtlijn 2003/53/EG is inmiddels integraal opgenomen in bijlage XVII van de REACH wetgeving. In rubriek 46 van deze bijlage is een aantal beperkingen opgenomen ten aanzien van het op de markt brengen van NF en NFE in onder andere reinigingssystemen en textiel -en leerbewerking. Op dit moment gelden er echter geen beperkingen voor de import van textielproducten met NFE.
Bent u van mening dat de import van zulke textielproducten moet worden beperkt, en dat hiervoor een aanvulling op het bestaande REACH programma nodig is?
Binnen de REACH wetgeving is het mogelijk om via opname in bijlage XVII beperkingen te stellen aan bijvoorbeeld de import van producten met NFE. REACH kent een procedure om tot een dergelijke beperking te komen. REACH voorziet dus al in de mogelijkheid om het op de import te beperken. Zie ook het antwoord op de volgende vraag.
Kunt u zich vinden in het door Zweden ingediende wetsvoorstel voor een Europees verbod op de import van producten die NFE bevatten? Zo ja, bent u van plan in aankomende Europese ministerraden hiervoor uw steun uit te spreken?
Op dit moment bestaat er nog geen voorstel. Zweden heeft aangekondigd voor dit onderwerp een dossier te willen maken dat naar verwachting in augustus zal worden ingediend. Naar verwachting zal dit niet eerder dan eind 2013 leiden tot een voorstel voor wetgeving. Gezien het belang van goede waterkwaliteit volg ik dit dossier al nauwlettend en zal dat blijven doen en daarbij specifiek aandacht vragen voor in Nederland waargenomen bronnen en concentraties. Ik zal het voorstel te zijner tijd welwillend bekijken maar kan zolang er nog geen definitief voorstel ligt, nog niet op een mogelijke uitkomst vooruitlopen.
Bent u bekend met de potentieel negatieve effecten van nanozilver op micro-organismen in het milieu, en daarmee bijvoorbeeld op schimmels en algen die onmisbaar zijn voor het ecosysteem?
Het RIVM houdt namens de betrokken departementen de wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van risico’s van nanomaterialen voor de overheid bij via het Kennis- en Informatiepunt Risico’s Nanotechnologie (KIR-nano). In april jl. is in de openbaar beschikbare signaleringsbrief die het RIVM drie maal per jaar opstelt voor de overheid, professionals en andere geïnteresseerden, specifiek aandacht besteed aan de risico’s van het gebruik van nanozilver voor het milieu.
Van zilver is bekend dat het bacteriën kan doden en dat een aantal waterorganismen gevoelig is voor zilver. Of het vrijkomen van nanozilver uit bijvoorbeeld textiel daadwerkelijk tot schadelijke effecten leidt in het milieu, zoals verstoring van het bestaande biologische evenwicht tussen soorten in oppervlaktewater, is afhankelijk van de hoeveelheid die in het milieu terechtkomt. De emissie naar het milieu hangt samen met de hoeveelheid nanozilver die in textiel wordt gebruikt, de omvang van dit gebruik en of het nanozilver vrijkomt bij het wassen (dit hangt af van de manier waarop het nanozilver in het textiel is verwerkt). Deze gegevens zijn mij onbekend.
Meetgegevens oppervlaktewater (rijkswateren) laten zien dat de zilverconcentraties overal onder de bepalingsgrens (0,1 – 1 ng/l) liggen en de huidige zilvernorm niet overschrijden. De huidige waterkwaliteitsnorm is voor zilver is echter niet conform de eisen in de Kaderrichtlijn water vastgesteld en wordt binnenkort herzien. Deze nieuwe norm zal in 2015 van toepassing worden.
Onderstaand treft u de link aan naar de volledige tekst van bovengenoemde signaleringsbrief.
http://www.rivm.nl/Bibliotheek/Algemeen_Actueel/Uitgaven/Milieu_Leefomgeving/Signaleringsbrief_KIR_nano/Signaleringsbrief_KIR_nano_2012_nummer_1_april
Deelt u de door RIKILT geuite zorg over het toenemende gebruik van nanozilver in sportkleding en het vrijkomen van dit materiaal bij wasbeurten? Heeft u enig zicht op de omvang van dit probleem en de mate waarin nanozilver gebruikt wordt in – en vrijkomt uit andere producten?
Zie mijn antwoord onder 7. Overigens hecht ik eraan op te merken dat bedrijven die nanozilverhoudende producten en artikelen op de markt zetten, verantwoordelijk zijn voor het veilig gebruik van deze producten (zowel in het kader van REACH, de Biocideregelgeving als de Warenwet). Zij zijn daartoe verantwoordelijk voor het verzamelen en leveren van benodigde informatie. Gezien de zorgen over deze stof zal Nederland in 2013 nanozilver evalueren in het kader van REACH en zal, indien nodig, voorstellen opstellen voor het door het bedrijfsleven verplicht aanleveren van additionele informatie om meer zekerheid te krijgen dat gebruik van nanozilver veilig is voor mens en milieu.
Kunt u bevestigen dat het huidige EU milieubeleid, vastgelegd in onder andere REACH en het 6e Milieu Actie Programma (MAP), niet of nauwelijks rekening houdt met nanomaterialen en de bijzondere eigenschappen die deze deeltjes onderscheiden van grotere materialen? Deelt u de mening dat deze EU- regelgeving bruikbaarder moet worden gemaakt voor het vergaren van kennis over nanomaterialen en het reguleren van hun potentiële risico’s?
In 2010 is in opdracht van de overheid onderzocht welke mogelijkheden en knelpunten de vigerende nationale en Europese wet- en regelgeving leveren om eventuele risico’s van nanomaterialen te beheersen. Een conclusie van dit rapport is dat met name de stoffen- en milieuregelgeving lacunes bevat vanwege het niet toegespitst zijn van regelgevingsinstrumenten op nanospecifieke kenmerken. Zie ook voor meer informatie: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nanotechnologie/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/11/30/regulering-van-onzekere-risico-s-van-nanomaterialen.html
In de brief die ik de Kamer zond op 25 mei 2011(KST 2011, 29 338, nr. 105) heb ik aangegeven op welke wijze ik druk uitoefen in Europa om Europese regelgeving beter geschikt te maken voor nanomaterialen. Over de voortgang van de acties die ten behoeve daarvan in gang gezet zijn ontvangt u op korte termijn een brief.
Zouden de normstellingen en maateenheden voor gegevenslevering van de REACH-verordening meer moeten worden toegespitst op de bijzondere kenmerken van nanomaterialen? Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de aanpassingen van REACH op dit gebied?
Ja. Zoals is gebleken uit bovenstaand rapport is de informatie over nanomaterialen die nu door producenten of importeurs moet worden verschaft, niet toegespitst op specifieke eigenschappen van nanomaterialen. Ook de tonnagegrenzen die in REACH bepalen of en welke informatie over chemicaliën moet worden overlegd, zijn mogelijk niet geschikt voor nanomaterialen.
Op dit moment is er nog geen initiatief voorzien van de Europese Commissie om REACH aan te passen. Voor medio dit jaar voorziet REACH weliswaar in een evaluatie maar deze heeft alleen betrekking op het functioneren van het Agentschap (art. 75) en op het toepassingsgebied waarbij het gaat om overlap met andere toepasselijke communautaire bepalingen te vermijden (art 136). De kans dat deze evaluatie leidt tot een aanpassing van REACH in de door u gevraagde zin is klein.
Overweegt u, gelet op de vertraging die opgelopen zou worden indien gewacht wordt met nemen van verbeterstappen tot de invoering van het 7e MAP5, in de tussentijd – bij de herziening van de Richtlijn prioritaire stoffen – nanozilver reeds in de geplande toezichtlijst op te nemen?
Ongeacht wat hierover gaat worden opgenomen in het 7e MAP zijn verbeterstappen nodig voordat het 7e MAP in werking zal treden. In de onder 9. genoemde voortgangsbrief zal ik u binnenkort verder informeren over mijn inzet om snellere actie te stimuleren
Het bericht 'Overheid verplicht Uitzending Gemist tot tijdslot' |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de maatregel om programma's voor boven de zestien jaar niet voor 22.00 uur te tonen bij «Uitzending gemist» effectief is in het beïnvloeden van het kijkgedrag van jongeren, gelet op het feit dat andere diensten op internet, zoals YouTube en de commerciële omroepen, zonder dergelijk tijdslot functioneren?
Ik vind het van groot belang dat minderjarigen worden beschermd tegen audiovisueel beeldmateriaal dat mogelijk schadelijk voor hen is. Dit is een gedeelde taak die ligt bij de overheid, de mediapartijen en bij de ouders zelf. De overheid geeft invulling aan haar aandeel in deze taak door dit in de Mediawet vast te leggen. Voor de publieke omroep heeft de wetgever ervoor gekozen om in de Mediawet (art. 4.6) deze beschermingstaak niet alleen van toepassing te laten zijn op zijn programma-aanbod op televisie maar eveneens op de uitzendingen op internet. Ik realiseer me dat dit geen waterdicht systeem oplevert. De reden om deze extra maatregel alleen op de publieke omroep van toepassing te laten zijn is dat dit past bij de taak en de voortrekkersrol die de publieke omroep heeft. Ik teken daarbij aan dat het momenteel slechts gaat om twee programma’s die nu als gevolg van deze maatregel vanaf 22.00 uur op Uitzending Gemist bekeken kunnen worden. Ouders van jonge kinderen wordt op deze manier een veilige haven geboden op het internetplatform van de publieke omroep. Overigens wijs ik erop dat de programma’s van de commerciële omroepen met een 16 jaar classificatie doorgaans buitenlandse films en series betreffen, welke – i.v.m. de auteursrechtelijke bescherming – niet gratis op hun internetplatform terug te zien zijn.
Wat is uw reactie op het feit dat deze maatregel de toegang tot programma’s voor boven de zestien jaar ook ernstig beperkt voor personen ouder dan zestien?
Ik realiseer mij dat deze maatregel ook personen boven de 16 jaar raakt. Echter, ook voor televisie geldt dat programma’s met een 16 jaar classificatie pas na 22.00 uur te zien zijn. Daarnaast wil ik erop wijzen dat er bewust voor gekozen is om de maatregel alleen toe te passen op de programma’s met een 16 jaar classificatie. Zo wordt onverhoedse confrontatie door minderjarigen met in ieder geval de meest mogelijk schadelijke programma’s op het publieke internetplatform zo veel mogelijk vermeden en is getracht om de overige kijkers zo min mogelijk «te treffen».
Bent u bereid met de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) in overleg te treden over meer gerichte vormen ter uitvoering van de minimumleeftijdseisen, zoals een open familieslot of leeftijdsverificatie?
Deze maatregel is in goed overleg met de NPO tot stand gekomen. Hiermee wordt zoveel mogelijk de Mediawet nageleefd. In dit overleg heb ik de NPO te kennen gegeven dat een open familieslot niet de voorkeur verdient omdat hiermee de beschermingstaak volledig en alleen bij de ouders wordt neergelegd. Het beschermen van minderjarigen tegen mogelijk schadelijk beeldmateriaal is mijn inziens een gedeelde verantwoordelijkheid, ongeacht het platform.
De koppeling van programma-aanbod op het internet aan een tijdslot zie ik niet als een ultieme oplossing om minderjarigen tegen mogelijk schadelijk beeldmateriaal te beschermen. Een adequatere technische oplossing in de vorm van een leeftijdsverificatie-systeem dat minimaal hetzelfde beschermingsniveau heeft van een tijdslot heeft ook mijn voorkeur. Een dergelijk systeem is echter vooralsnog niet voorhanden. Daarom is met de NPO afgesproken om tot die tijd voor het tijdslot te kiezen. Het spreekt voor zich dat wanneer er een adequatere technische oplossing komt, het de NPO vrijstaat om hiervoor alsnog te kiezen.
Overigens, het beschermen van minderjarigen tegen mogelijk schadelijke content alléén volstaat niet langer tegenwoordig. Minstens zo belangrijk is dat minderjarigen de benodigde vaardigheden aanleren om ook zichzelf te kunnen beschermen en hen bewust te maken van wat ze online doen. Daarom zet ik ook in op het bevorderen van mediawijsheid. Ook daarbij wordt de NPO betrokken.
Kortom: met mijn beleid probeer ik zoveel mogelijk te beschermen waar nodig en weerbaar te maken waar mogelijk.
De radio-ontvangst in delen van Noord-Holland |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA), Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
U geeft in antwoorden op eerdere vragen aan dat de vermogensverhoging van Lopik «in de zomer van 2012» en «zo snel als technisch mogelijk» zal plaatsvinden, maar waar hangt dit precies vanaf, waar is het wachten op?1
Het vermogen van de zenders op Lopik is per 11 april 2012 teruggebracht naar het vermogen van voor de brand van 15 juli 2011. Daarmee is het bereik ook weer op het niveau van voor de brand.
Wordt het publiek geïnformeerd als de vermogensverhoging van Lopik is afgerond? Zo ja, hoe? Wordt er dan ook meteen een oproep gedaan aan de radioluisteraars om hun feedback te geven op basis van de nieuwe situatie?
Het publiek is via diverse media (waaronder internetsites) geïnformeerd over het herstel van het oorspronkelijke vermogen en daarmee het herstel van het oorspronkelijke bereik.
Door Agentschap Telecom wordt geen feedback aan de radioluisteraar gevraagd. Agentschap Telecom vertrouwt er op dat omroepen zelf de ontvangst bij de luisteraars in de gaten houden. Overigens zijn er ook geen nieuwe klachten ontvangen.
Gaat er in de praktijk daadwerkelijk getoetst worden of de vermogensverhoging tot de gewenste verbetering heeft geleid of dat er wellicht aanvullende maatregelen nodig zijn, bij voorbeeld door gebruik te maken van steunzenders in Noord-Holland? In Alkmaar is 104.7 FM al jaren beschikbaar, maar wordt niet gebruikt, waarom niet?
Rond de zendmast Lopik speelt een aantal zaken die los van elkaar staan. Op de eerste plaats is dat de tijdelijke vermogensverlaging van een aantal radiozenders, waaronder ook Radio 1 tot en met Radio 4, te Lopik als gevolg van de brand in de mast van Lopik op 15 juli 2011. Die is inmiddels weer hersteld (zie het antwoord op Vraag 1).
Daarnaast spelen de ontvangstproblemen in Noord-Holland en de vermogensverhogingen voor de zenders van Radio 1, Radio 2, Radio 3 en Radio 4 te Lopik van voor de brand. Om deze ontvangstproblemen op te lossen heb ik een vermogensverhoging toegestaan aan de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) voor Radio 1, Radio 2 en Radio 3. Het is aan de NPO om de vermogensverhoging ook daadwerkelijk door te voeren. De NPO is voornemens de vermogensverhoging nu door te zetten in de richting van Noord-Holland.
Een verdere vermogensverhoging voor Radio 4 is niet mogelijk omdat deze te veel storing veroorzaakt op Belgische frequentierechten. Mijn coördinatieverzoek ter zake is afgewezen door de Belgische Administratie.
De steunzender Alkmaar 104,7 MHz wordt op dit moment niet voor Radio 4 ingezet omdat deze steunzender geen afdoende oplossing is voor de ontvangstproblemen van Radio 4 in Noord-Holland.
Als de vermogensverhoging voor Radio 4 op problemen stuit, waarom wordt er dan niet nagedacht over alternatieve oplossingen (zoals het gebruik van steunzenders)?
Er zijn op dit moment geen goede alternatieven voorhanden die een afdoende oplossing voor de ontvangstproblematiek van Radio 4 bieden. Ik blijf natuurlijk wel nadenken om tot een oplossing te komen. Overigens is daarbij de verwachting dat met de uitrol van digitale radio de ontvangstmogelijkheden van radio via de ether in Nederland verder worden verbeterd.
Welke maatregelen worden er genomen ten aanzien van de verbetering van de ontvangst van een andere publieke zender, RTV Noord-Holland, de officiële calamiteitenzender (ook wel rampenzender genoemd) voor de provincie Noord-Holland?
Agentschap Telecom heeft sinds 2010 in overleg met de koepelorganisatie van de regionale publieke omroepen ROOS naar oplossingen gezocht voor bestaande ontvangstklachten. In het overleg tussen Agentschap Telecom, de ROOS en vertegenwoordigers van regionale publieke omroepen op 24 november 2011 zijn alle nog openstaande ontvangstklachten van de regionale publieke omroepen besproken. De regionale publieke omroep RTV Noord-Holland heeft tijdens dit overleg geen melding gemaakt van ontvangstproblemen.
Welke maatregelen worden er in het licht van het bovenstaande genomen om de ontvangst in de regio Nijmegen te verbeteren?
Geen. Het vermogen van alle zenders op Lopik is per 11 april 2012 verhoogd tot het vermogen van voor de brand. Daarmee is het bereik ook weer op het niveau van voor de brand.
Het bericht dat prijzen van Nederlandse verblijfsvergunningen te hoog zijn |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Leers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Nederland te veel geld vraagt voor het afgeven van een verblijfsvergunning aan derdelanders?1
Welke consequenties heeft de uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor de hoogte van de leges die Nederland vraagt voor verblijfsvergunningen afgegeven op grond van richtlijn 2003/109?2
Wat is uw reactie op de conclusie van het Hof dat de hoge leges die door Nederland aan derdelanders worden gevraagd een belemmering kunnen vormen voor de uitoefening van de door richtlijn 2003/109 toegekende rechten, de Nederlandse regeling het door die richtlijn nagestreefde doel ondermijnt en dat Nederland die richtlijn haar nuttig effect ontneemt? Deelt u de mening dat de gevraagde leges op zichzelf onevenredig zijn?
Bent u bereid om de hoogte van de leges van betreffende verblijfsvergunningen vóór 1 juli 2012 aan te passen en de Kamer daarover te berichten?
DNA-afname bij jongeren |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het jaarverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)?1 Herinnert u zich nog uw antwoorden op eerdere vragen over afname van DNA-materiaal bij jeugdigen?2
Ja.
Herinnert u zich uw toezegging dat u zal onderzoeken of, als gevolg van de wet DNA-onderzoek, vaker DNA wordt afgenomen bij minderjarigen dan bij meerderjarigen omdat minderjarigen vaker een (pedagogische) taakstraf krijgen?
Ja.
Is het onderzoek af en bent u bereid dit onderzoek, met uw commentaar, naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u het op korte termijn naar de Kamer sturen?
De besluitvorming ten aanzien van het onderzoek is nog niet afgerond. De Tweede Kamer zal hierover voor het zomerreces nader geïnformeerd worden.
Als u nog steeds met het onderzoek bezig bent, wanneer verwacht u dat het afgerond is? Wanneer kan de Kamer de uitkomst van het onderzoek en uw commentaar daarop verwachten?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van het jaarverslag van het NFI, waaruit blijkt dat het aantal minderjarigen in de DNA-databank is toegenomen met 2 513 personen? Wat is uw oordeel hierover?
Ja.
De toename met 2 513 minderjarigen laat zien, dat het percentage minderjarigen van wie het profiel is opgenomen in de DNA-databank stabiel is, namelijk rond de 13% van het totaal aantal DNA-profielen. De toename van het aantal minderjarigen in de DNA databank sluit aan bij de groei van de DNA-databank als geheel. Die groei van de DNA-databank is in het jaar 2011 vooral veroorzaakt, doordat op 1 mei 2010 de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in werking is getreden ten aanzien van alle personen die veroordeeld zijn voor een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is en onder de reikwijdte van die wet vallen en niet langer beperkt is tot de personen die veroordeeld zijn voor de ernstige gewelds- en zedenmisdrijven.
Het bericht 'Gehandicaptenzorg is nog te wit' |
|
Willie Dille (PVV) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicaptenzorg is nog te «wit»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het beschamend is dat allochtonen weigeren te integreren en vervolgens cultureel bepaalde eisen stellen aan de gehandicaptenzorg? Zo nee, waarom niet?
Mensen mogen een voorkeur hebben voor een zorginstelling met een bepaalde culturele achtergrond. Eenieder die in een Nederlandse zorginstelling verblijft, heeft recht op verzorging die zo goed mogelijk rekening houdt met zijn of haar voorkeuren, waaronder culturele achtergrond. Daarom zijn er in Nederland van oudsher instellingen of afdelingen daarbinnen die zich richten op de religieuze en/of culturele achtergrond van de bewoners.
Deelt u de mening dat er in Nederlandse zorginstellingen geen enkele ruimte is voor de bereiding van halal voedsel? Kunnen gehandicapte Nederlandse kinderen straks nog gewoon een tosti eten?
Die mening deel ik niet. In Nederlandse zorginstellingen wordt rekening gehouden met de eetwensen van de bewoners.
Plofkippen en het Beter Leven Keurmerk |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Wakker Dier jaagt op plofkip»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een volledige overstap naar kip met Beter Leven sterren (minimaal 1 ster) door A-merken en supermarkten een positieve ontwikkeling zou zijn?
Ik constateer dat een aantal producenten van A-merken overstapt op kip met het Beter Leven Kenmerk. Ook een aantal retailers heeft kip en andere vleesproducten met het Beter Leven Kenmerk of vergelijkbare ken- of keurmerken in hun schap liggen. Dat vind ik een goede ontwikkeling. Zoals ik in mijn visie op de veehouderij (TK 28 973, nr. 85) heb aangegeven, is een ketengestuurde verduurzaming de sleutel voor toekomstbestendige agroketens die draagvlak hebben in de samenleving. Het initiatief hiervoor ligt bij de retail en de verschillende agroketens.
Een veranderende consumentenvraag en publieke opinie en de invloed van kritische maatschappelijke organisaties bieden kansen voor de retail om in samenwerking met de ketenpartijen nieuwe producten op de markt te brengen die maatschappelijk gewaardeerd worden. De meeste retailers en belangrijke partijen in de vleesketens hebben in het kader van de commissie Van Doorn (Verbond van Den Bosch) afspraken gemaakt over de verduurzaming van de pluimveevlees- en andere vleesketens en het aanbieden van duurzamer geproduceerde producten in de winkelschappen. Ik onderschrijf deze aanpak.
Kunt u aangeven wat de overheid zou kunnen leren van de campagnes van Wakker Dier, gezien het feit dat zij lijken te kunnen bewerkstelligen waar de Kamer al jaren op aandringt: een snelle verduurzaming van het winkelschap?
Grootschalige mediacampagnes die bedoeld zijn om de consument te beïnvloeden in zijn voedselkeuze in de winkel zijn primair de taak van de NGO’s, zoals Wakker Dier en het bedrijfsleven zelf. De verduurzaming van het winkelschap vindt in dit spanningsveld van bedrijfsleven en NGO’s al plaats. Dit is een maatschappelijk proces waar de overheid niet actief in hoeft te interveniëren. Ik juich initiatieven toe waarbij het bedrijfsleven samenwerkt met NGO’s om deze verduurzaming te bewerkstelligen. Het «Beter Leven Kenmerk» van de Dierenbescherming is hier een voorbeeld van.
Wie heeft de regierol om de retail (en A-merkfabrikanten) te stimuleren op zo’n kort mogelijke termijn de Beter Leven kenmerk 1-ster kip als minimumnorm in het supermarktschap te positioneren en wat is uw rol hierin?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat bij het vetmesten van «plofkippen» vele malen meer antibiotica wordt gebruikt dan bij langzamer groeiende rassen als Volwaard en kippen met een Beter Leven kenmerk 1-ster?
Er zijn inderdaad signalen dat bij langzamer groeiende rassen minder antibioticum wordt gebruikt. Op dit moment zijn er nog geen wetenschappelijke gegevens bekend waar harde conclusies aan te verbinden zijn.
Het productschap Pluimvee en Eieren (PPE) heeft het initiatief genomen om een inventariserend onderzoek te doen naar houderijsystemen in de vleeskuikensector onder andere met betrekking tot het antibioticumgebruik. Het onderzoeksrapport verschijnt in de zomer 2012.
Kunt u een inschatting maken hoeveel reductie in antibioticagebruik bewerkstelligd zou kunnen worden met een overstap van de vleeskuikenindustrie naar een langzamer groeiend ras met een Beter Leven kenmerk 1-ster?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze reductie bekijken in het kader van uw doelstelling met betrekking tot antibioticareductie die vooralsnog moeizaam tot stand komt? Welk deel van uw doelstelling zou gerealiseerd worden bij een gehele omschakeling van de vleeskuikensector van de huidige gangbare «plofkip» naar een langzamer groeiend ras onder label van het Beter Leven kenmerk 1-ster?
Zie antwoord vraag 5.
Is het mogelijk om in een vorm van etiketteringsverplichting op kipproducten of andere communicatie richting consumenten aandacht te besteden aan het extreem en onverantwoord hoge antibioticagebruik van «plofkippen» ten opzichte van langzamer groeiende rassen?
Er bestaan op dit moment geen Europese richtlijnen of verordeningen, die een verplichte etikettering op kipproducten met een vermelding van antibioticagebruik voorschrijven. De consument kan op basis van keur- of kenmerken die de kwaliteit van het kippenvlees aangeven zelf een keuze maken in de winkel voor wat betreft het soort kippenvlees en/of het houderijsysteem.
Kunt u in het licht van de Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid, waarin wordt gesproken over «2
In het kader van het Welfare Quality-onderzoek heeft Wageningen UR de mobiliteit van vleeskuikens van een groot aantal koppels gemeten. De metingen zijn 1 tot 5 dagen voor de afvoer naar het slachthuis verricht. Op een schaal van 0 tot 5 zijn 8% van de kuikens van gangbare rassen ingedeeld in schalen 0 en 1 (goede mobiliteit), 35% in schaal 2 (redelijk goede mobiliteit/ lichte afwijking), 49% in schaal 3 (duidelijk afwijkende loopwijze) en 8% in schalen 4 en 5 (kuikens hebben veel moeite eten en drinken te bereiken of kunnen zich niet meer voortbewegen).
Kunt u in het licht van de Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid, waarin wordt gesproken over «ongewenste erfelijke gebreken als misstanden van de fokkerij», aangeven of het klopt dat u hieronder ook de gangbare vleeskippen (plofkippen) schaart en deze dus in uw visie een «ongewenst erfelijk gebrek» hebben en u deze typeert als een «misstand»?
Bij een aanzienlijk deel van de vleeskuikens van gangbare rassen treedt aan het einde van de mestperiode een vermindering op van de mobiliteit (zie antwoord op vraag 9). Dit vind ik een zorgelijke situatie. Een verslechterde mobiliteit komt vaker voor bij gangbare rassen dan bij langzaam groeiende rassen. De topsector Agro&Food en de in het kader van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij opgerichte Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij stellen kennis- en innovatieprogramma’s in de fokkerij op waarbij onder andere ingezet wordt op de ontwikkeling van duurzamere vleespluimveerassen. Ik zal deze problematiek bij deze platforms onder de aandacht brengen.
Kunt u een inschatting maken in welk deel van de overheidskantines nog «plofkip» geserveerd wordt?
In de huidige criteria voor de inkoop van de catering is de eis van minimaal 40% biologische producten of producten met andere duurzaamheidskenmerken (waaronder dierenwelzijn) opgenomen. De eis is niet nader gespecificeerd naar productgroep. De cateraar mag zelf invullen hoe de 40% gevuld wordt. Het is dus niet te zeggen in welk deel van de overheidskantines nog gangbaar pluimveevlees geserveerd wordt. Op dat niveau vindt ook geen monitoring plaats. Uit de rapportage Monitor Duurzaam Inkopen 2010 (u toegezonden als bijlage bij de brief van 24 juni 2011 van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, TK 2010–2011, 30 196, nr. 141) blijkt overigens dat bij vrijwel 100% van de inkopen van catering de eisen van duurzaam inkopen worden toegepast (99,3% volgens de monitor, zie pagina 31 van genoemde rapportage).
Bent u bereid om maatregelen te nemen zodat kantines van overheidsinstanties omschakelen van plofkip naar diervriendelijkere en gezondere kip met Beter Leven kenmerk sterren?
Momenteel vindt een actualisatie van de criteria voor de catering plaats. Deze actualisatie bevindt zich in de afrondende fase. Daarin worden nieuwe criteria rondom dierenwelzijn voorgesteld die cateraars in de gelegenheid stellen te kiezen voor diervriendelijker producten, waaronder producten van het Beter Leven-kenmerk. De cateraar blijft, in overeenstemming met het Advies Duurzaam Inkopen van VNO-NCW, vrij in zijn keuze hoe hij het percentage duurzaamheid invult. De herziening van de criteria zal cateraars naar verwachting meer stimuleren om diervriendelijkere producten op te nemen in het assortiment.
De honderdprocentcontroles op Schiphol |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over honderdprocentscontroles op Schiphol?1 2
Ja.
Klopt het bericht dat de advocaat- generaal bij de Hoge Raad van oordeel is dat er geen wettelijke bevoegdheid bestaat om reizigers op Schiphol zonder verdere aanleiding vragen te stellen?
Nee. De advocaat-generaal is van oordeel dat het weigeren om mee te werken aan het verstrekken van inlichtingen, niet strafbaar is op grond van artikel 184 Wetboek van het Strafrecht. Daartoe heeft hij – in lijn met recente jurisprudentie – overwogen dat artikel 14 van het Communautair Douanewetboek (CDW) wel een plicht inhoudt tot het verstrekken van bescheiden en inlichtingen aan de douaneautoriteiten voor personen die betrokken zijn bij transacties verricht in het kader van het goederenverkeer, maar niet voorziet in de mogelijkheid een bevel te geven of een vordering te doen.
Een weigering om medewerking te verlenen is overigens wel strafbaar op grond van artikel 10:6 van de Algemene Douanewet. Er is in dit artikel dus wel sprake van een wettelijk opgelegde verplichting, waaraan bij niet nakoming ook een strafrechtelijke sanctie is verbonden.
Kan dit betekenen dat de honderdprocentscontrole moet worden gestaakt?
Nee. De advocaat-generaal heeft zich niet uitgelaten over de vraag of inlichtingen mogen worden gevorderd indien nog niet duidelijk is of sprake is van in- of uitvoer van goederen als bedoeld in de Douanewetgeving. Of de Hoge Raad zich daarover zal uitlaten, zal moeten blijken uit het arrest, dat verwacht wordt op 19 juni 2012. Overigens bestaan de honderprocentscontroles uit meer activiteiten dan het stellen van vragen en worden ook andere controlemiddelen en -bevoegdheden ingezet.
Herinnert u zich uw antwoorden tijdens het mondelinge vragenuur van 7 december 2010 waarin u aangeeft dat het arrest niets betekent voor de rechtmatigheid van de honderdprocentscontroles en dat deze gewoon door gaan? Staat u daar nog steeds achter?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat, aangezien er nog wekelijks vele bolletjesslikkers en drugshandelaren uit de Caraïben worden opgepakt op Schiphol, de honderdprocentscontrole gewoon noodzakelijk is en moet blijven?
Ja.
Het bericht dat er weer meer comazuipers zijn |
|
Nine Kooiman |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Weer meer comazuipers in 2011»?1
Er is helaas al een paar jaar een stijgende lijn in het aantal jongeren dat met alcoholvergiftiging in het ziekenhuis belandt. Ook in 2011 is er weer een stijging. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat kinderen minder vroeg beginnen met drinken en onder de 16 gemiddeld minder drinken dan voorheen. Mijn beleid is gericht op het voortzetten van deze positieve trend en tegelijkertijd de stijging van het aantal jongeren dat met een alcoholvergiftiging op de poliklinieken belandt om te zetten in een daling. Mijn beleid bestaat uit het veel strikter handhaven van de wet- en regelgeving en het aanscherpen van de Drank- en Horecawet. Deze is op 22 mei jl. door de Eerste Kamer aangenomen. Alcoholpoliklinieken behandelen de meest extreme alcoholproblemen bij jongeren. VWS is vanaf het begin betrokken geweest bij de opzet van deze poliklinieken. Ik neem daarnaast maatregelen waarmee het brede probleem van jongeren en alcoholgebruik wordt aangepakt. Zo bevat de Drank- en Horecawet verschillende maatregelen om alcoholgebruik door jongeren tegen te gaan. Ook zijn er effectieve voorlichtingsprogramma’s over middelengebruik, van de bovenbouw van de basisschool tot en met het MBO. Ouders worden daarbij betrokken. Op school zijn er ook de Zorg advies teams die tijdig signaleren en waar kinderen en leraren terecht kunnen met gezondheidsvragen. Ook buiten school is er voorlichting voor jongeren en informatie en ondersteuning voor hun ouders, bijvoorbeeld via de alcohol en drugsinfolijn, via www.watdrinkjij.nl en www.hoepakjijdataan.nl voor ouders.
Voor de zorg en de jeugdgezondheidszorg is een protocol ontwikkeld voor signalering, screening en kortdurende interventie van risicovol alcoholgebruik door jongeren.
Ik heb in mijn begroting voor 2012 € 1 mln. extra uitgetrokken voor jeugd, bestemd voor preventie op scholen en sterkere inzet van social media. Ik werk hierbij samen met de leefstijl instituten, zoals het Trimbos-instituut. Voor de jaren 2013 en 2014 heb ik € 2,5 mln. per jaar voor deze intensivering gereserveerd.
Wat is uw verklaring voor de stijging van jongeren die met een acute alcoholvergiftiging in het ziekenhuis belanden? Wilt u uw antwoord toelichten?
Enerzijds neemt het aantal jongeren dat alcohol drinkt af en neemt de leeftijd toe. Tegelijkertijd stijgt het aantal extreme gevallen ook. Op basis van de huidige registraties zijn echter geen harde conclusies te trekken: niet overal wordt goed geregistreerd en ziekenhuizen zien niet alle gevallen van alcoholvergiftiging.
Kunt u aangeven hoe het staat met de landelijke uitrol van het aantal alcoholpoli’s in Nederland? Hoeveel alcoholpoli’s zijn er inmiddels, en hoeveel komen er nog? Wilt u uw antwoord toelichten?
In 2012 zal volgens de planning een polikliniek voor jeugd en alcohol in Zeeland, Limburg, Drenthe, Friesland, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland te vinden zijn. De participerende ziekenhuizen liggen in regio's die actief zijn op het gebied van preventie van alcoholmisbruik bij jongeren waardoor een goede samenwerking tot stand kan worden gebracht tussen de verschillende organisaties. De pilot loopt tot en met 2013 en ook volgend jaar zal er nog een aantal poliklinieken bij komen. De geboden zorg is verzekerde zorg. Hoeveel poliklinieken jeugd en alcohol er uiteindelijk zullen zijn, wordt vooral bepaald door de ontwikkeling van het aantal alcoholintoxicaties onder jongeren, de regionale spreiding daarvan en de bereidheid van ziekenhuizen om de nazorg te organiseren.
Wat is uw reactie over de jonge leeftijd waarop jongeren een acute alcoholvergiftiging oplopen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik vind dat zorgelijk en aanleiding om met alle betrokkenen te zoeken naar maatregelen om dit tegen te gaan. Vandaar dat ik op 11 april j.l. een ronde tafelgesprek heb gevoerd met verschillende betrokken partijen (o.a. gemeenten, politie, GGD, ambulancedienst, verslavingszorg en betrokken bedrijfsleven) om samen te kijken welke stappen snel en welke stappen op de middellange termijn nodig zijn. Deze ronde tafel was bedoeld als een aftrap. Voor de zomer krijgt u van mij voorstellen om extra stappen te zetten in het tegengaan van deze vreselijke trend.
Wat is uw reactie over de verschillen van alcoholvergiftiging in provincies, en bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Volgens de betrokken artsen, komt dit verschil zeer waarschijnlijk door gebrekkige registratie in sommige regio’s. De registratie is een onderdeel van de pilot poliklinieken jeugd en alcohol en moet de komende tijd verbeteren.
Is u bekend wat de verklaring ervoor is dat de gemiddelde duur van de coma door middel van acute alcoholvergiftiging langer duurt dan voorheen? Wilt u uw antwoord toelichten?
De opgenomen kinderen bleken in 2011 gemiddeld een licht hoger alcoholpromillage te hebben dan in 2010. Er zijn dus niet alleen meer jongeren met een alcoholcoma geweest, die betrokken jongeren hebben gemiddeld ook iets meer gedronken dan het jaar ervoor.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de heer Van der Lely, dat het wachten is op de eerste dode?
Ik kan me zijn zorgen goed voorstellen. Als minister probeer ik het probleem van alcoholmisbruik aan te pakken. Primair ligt de verantwoordelijkheid hiervoor overigens bij de jongere en vooral bij de ouders. Ik wil hen hiervan bewust maken via de eerdergenoemde projecten en informatievoorziening.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de toename van comazuipers zo ver mogelijk terug te dringen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1 en 4.
Het bericht dat opnieuw fraude is aangetoond in de zorg |
|
Renske Leijten |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
Wat is uw reactie op het artikel «OM schat omvang pgb-fraude op 5–6 miljoen»?1
Allereerst wil ik opmerken dat ik verheugd ben dat het OM deze zaak serieus aanpakt. Verder wil ik erop wijzen dat, anders dan de titel doet vermoeden, het artikel in Skipr dat u aanhaalt, niet alleen over pgb-fraude gaat. Het gaat in deze zaak om een combinatie van mogelijke fraude met pgb´s en met zorg in natura. Ik ondersteun de handelwijze van het OM dat op grote schaal beslag heeft gelegd op de bezittingen van de verdachten om zo het zorggeld terug te kunnen krijgen waarmee vermoedelijk is gefraudeerd. U heeft mij onlangs vragen gesteld waarom fraude met pgb-budgetten niet wordt aangepakt. De actie waarover Skipr bericht en waarover een persbericht is uitgebracht door het OM, bewijst dat er wel degelijk wordt opgetreden.
Welke verklaring heeft u voor het gegeven dat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor € 8 miljoen aan vervalste indicatiestellingen en zorgbudgetaanvragen aan zich voorbij heeft laten gaan? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Aangezien er sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek, kan ik hierover geen mededelingen doen.
Ziet u nu in dat de werkwijze die het CIZ hanteert te afstandelijk is en daardoor de kans op fraude door middel van indicatiestellingen vergroot wordt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Mijn beleid is gericht op het vereenvoudigen van het proces van indicatiestelling AWBZ. De zorgprofessional heeft daarin een meer actieve rol gekregen. Hierdoor wordt dubbele uitvraag van al bekende gegevens voorkomen, kan het indicatiebesluit sneller worden afgegeven, weet de cliënt eerder waar hij aan toe is en kan de zorg sneller worden ingezet c.q. worden voortgezet. Hierdoor wordt tegelijkertijd de administratieve rompslomp verder terug gedrongen. Dit is een breed gedragen politieke wens, waaraan door mij invulling is gegeven door het (verder) ontwikkelen van standaardindicatieprotocollen (SIP’s), herindicatie via taakmandaat (HiT’s) en de introductie van de meldingen door zorgaanbieders voor tachtig plussers met verblijf. Er is echter geen sprake van «blind vertrouwen». Niet alleen is er sprake van steekproefsgewijze toetsing, maar is er voor de meldingen ook een monitor ontwikkeld die kan inzoomen op instellingsniveau. Daarnaast worden door het CIZ zogenaamde risicoprofielen ontwikkeld, zoals genoemd in het antwoord op vraag 4, die in een pilot zullen worden uitgetest.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen waarin u stelt dat er gestart zou worden met een pilot met face-to-face-indicatiestellingen bij een aantal risicogroepen? Is de face-to-face-maatregel ook toegepast bij de indicatieaanvragen die de vijf verdachten hebben ingediend? Zo nee, waarom niet?3
Ja, ik herinner me mijn antwoorden op uw eerder gestelde vragen. In de programmabrief langdurige zorg van 1 juni 2011 aan de Tweede Kamer heb ik maatregelen beschreven om de pgb-fraude tegen te gaan. Een van deze maatregelen heeft betrekking op de toegang tot de zorg. In de programmabrief heb ik geschreven dat er cliëntgroepen zijn waarbij het voor het CIZ zonder direct contact niet altijd eenvoudig is om een goed onderzoek te verrichten en de aard en de omvang van de beperkingen te bepalen. In deze gevallen is persoonlijk contact met de cliënt van belang voor een juiste beoordeling van de zorgbehoefte. Op mijn verzoek heeft het CIZ daarom een aantal risicogroepen beschreven waarvoor zij als onderdeel van het indicatieonderzoek face-to-face contact wil inzetten. Deze pilot gaat na de zomer van start. Op basis van de uitkomsten van deze pilot zal bekeken worden of face-to-face contact bij deze clientgroepen in het reguliere werkproces ingezet wordt.
Welke resultaten zijn geboekt met de face-to-face-maatregel? Kunt u aangegeven hoeveel zaken van fraude hiermee bestreden en/of ontdekt zijn?3
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat er gebeuren met het geld waarmee gefraudeerd is? Bent u bereid dit weer te investeren in de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het OM beslag gelegd op de bezittingen van de verdachten. Het laatste woord daarover is uiteindelijk aan de rechter. Wanneer de rechter de ontnemingsvordering toewijst, vloeit de opbrengst terug in de staatskas.
In antwoorden op eerdere vragen3 zei u dat er maatregelen zijn genomen om de pgb-regeling fraudebestendiger te maken, hoe verklaart u dan de nieuwe zaken van fraude, zoals onlangs bij SPV? Wilt u uw antwoord toelichten?
In het algemeen geldt dat maatregelen pas na enig tijdsverloop effect sorteren. Dit wil echter niet zeggen dat ik uitsluit dat aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn om het fraudeprobleem verder tegen te gaan.
Deelt u de mening dat de gekozen maatregelen ter bestrijding van fraude in de zorg niet toereikend is? Zo ja, welke aanvullende maatregelen gaat u stellen om de fraude in de zorg aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Gelukkig handelt het grootste deel van de zorgaanbieders integer en doen zij naar eer en geweten hun werk. Desalniettemin zal er helaas altijd fraude zijn, reden waarom er geen sprake kan zijn van «blind vertrouwen». Ik verwijs verder kortheidshalve naar mijn antwoord op de vragen 4 en 5.
Zijn er ook fraudeonderzoeken naar verkeerd gebruik van zorggeld in de «naturazorg»? Zo neen, krijgt u daar nooit meldingen van? Zo ja, bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
De zaak waar het door u aangehaalde artikel in Skipr en het persbericht op Rijksoverheid.nl naar verwijst, gaat zowel over fraude met pgb als met natura zorg. Er vinden inderdaad ook fraudeonderzoeken in de AWBZ zorg in natura plaats, evenals in de zorg die vergoed wordt uit de Zorgverzekeringswet. Over lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik uw Kamer niet informeren.
Met hoeveel andere fraudezaken zijn het Functioneel Parket, het Bureau Ontnemingwetgeving OM, de FIOD en de Inspectie SZW bezig en bent u bereid de Kamer te informeren over de ontwikkeling van deze fraudezaken?
De vervolging van fraude in de zorg is opgedragen aan het Functioneel Parket, voor zover de opsporing door de bijzondere opsporingsdiensten geschiedt, en aan de overige OM-onderdelen, voor zover de onderzoeken door de politie worden uitgevoerd.
Het Functioneel Parket heeft meerdere zaken met betrekking tot fraude in de zorg in behandeling. Die zaken bevinden zich in verschillende stadia, van signaal tot lopende vervolging. Door de inrichting van het primair processysteem van het Openbaar Ministerie, kan een exact aantal niet worden gegeven. Overigens wijs ik u hierbij ook op de beantwoording van eerdere Kamervragen (2012Z01802) van 20 maart jl. van uw hand over dit onderwerp, met name op mijn antwoord op vraag 9.
Het per scriptie betalen van een begeleider aan de UvA |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Docent krijgt betaald per scriptie»?1
Ja.
Deelt u de mening dat stukloon in het hoger onderwijs kan leiden tot uitholling van de diplomakwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Dat het inkomen van docenten deels afhankelijk is van het aantal afgestudeerden kan risico’s opleveren voor de diplomakwaliteit, als de kwaliteitswaarborgen niet zijn geregeld. Die waarborgen houden in, dat:
Verder moeten de vereisten wat betreft afstuderen helder zijn geformuleerd en gekoppeld zijn aan een eenduidige beoordelingssystematiek. Tot slot geldt, dat de instelling helder beleid moet formuleren op het punt van taakverdeling tussen externe beoordelaars en docentbegeleiders en dat geen sprake mag zijn van begeleiding door louter personen die niet rechtstreeks aan de opleiding zijn verbonden en dat het «vier-ogenprincipe» bij belangrijke beoordelingsmomenten wordt gehanteerd.
Deelt u de meing dat de in dit bericht geschetste praktijk absoluut onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Indien het in het bericht geschetste beeld ook de daadwerkelijke praktijk is, is dat zeer ongewenst. Ik wil mij niettemin baseren op feiten. Daarom is de Inspectie van het Onderwijs in contact getreden met het College van Bestuur van de UvA. De inspectie heeft het college vragen gesteld over de aard en omvang van de inhuur en op welke wijze in dergelijke gevallen de kwaliteit wordt geborgd. Op verzoek van de inspectie zal de UvA aanvullende informatie sturen over de gang van zaken en de inspectie zal haar bevindingen in een bestuursgesprek met de instelling bespreken.
Bent u bereid direct met de Universiteit van Amsterdam in contact te treden om ervoor te zorgen dat deze manier van scriptiebeoordeling niet meer voor kan komen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om ook bij andere instellingen voor hoger onderwijs na te gaan of daar sprake is van stukloon en, indien dat het geval blijkt te zijn, aan die praktijk een einde te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit moment geen aanleiding de inspectie een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Het is aannemelijk dat in het hoger onderwijs regelmatig sprake is van inhuur van externe docenten en dat betaling in die gevallen deels plaatsvindt op basis van geleverde prestaties. Het is niet vanzelfsprekend dat dit per definitie tot kwaliteitsproblemen leidt. Tegelijkertijd constateer ik wel dat het werken met (veel) externe begeleiders en externe beoordelaars zeer hoge eisen stelt aan de kwaliteit van bedrijfsprocessen binnen instellingen en aan het functioneren van de examencommissie in haar taak als bewaker van het eindniveau.
Deze aspecten komen eveneens aan de orde binnen het reguliere toezicht van de inspectie. Ik ben van mening dat met de recente en komende aanscherpingen in het beleid voldoende maatregelen in gang zijn gezet om de kwaliteit van het eindniveau beter te borgen.
Het legaliseren van buitenposten door Israël |
|
Harry van Bommel |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Israël legaliseert drie buitenposten op Westelijke Jordaanoever»?1
Ja. Naar aanleiding van dit besluit heb ik op 25 april 2012 de volgende verklaring uitgegeven:
Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken) is bezorgd over het Israëlische besluit drie tot dusverre illegale nederzettingen te legaliseren. «Het besluit van het Israëlische kabinet is contraproductief voor het vredesproces in het Midden-Oosten», aldus Rosenthal. «Israël heeft verplichtingen het vredesproces na te leven. Verdere uitbreiding of legaliseren van nederzettingen, in aantal of oppervlak, past daar niet in.»
Nederland roept zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit op geen eenzijdige stappen te nemen die uitzicht op rechtstreekse onderhandelingen bemoeilijken. Hier spreekt Nederland beide partijen op aan.
Hoe verhoudt het besluit om de drie buitenposten te legaliseren en zo om te zetten in formele nederzettingen zich tot internationale afspraken en het internationaal recht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederzettingen zijn illegaal onder internationaal recht en een obstakel voor vrede. Dat geldt ook voor deze drie locaties, ongeacht hun status onder Israëlisch recht.
Komt deze juridische stap de facto neer op het creëren van drie nieuwe nederzettingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De feitelijke en juridische status van Bruchin, Rechenim en Sansana maakt voor de beoordeling van het kabinet zoals neergelegd in het antwoord op vraag 2 geen verschil.
In hoeverre belemmert het legaliseren van de buitenposten de voortgang van het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen?
Onderhavige stap reken ik tot unilaterale stappen, die niet bevorderlijk zijn voor het vredesproces.
Zijn u plannen bekend dat Israël in de toekomst meer buitenposten om wil zetten in formele nederzettingen? Indien ja, om welke buitenposten gaat het?
Mij zijn geen plannen van de Israëlische regering in die richting bekend.
Is het waar dat Europese diplomaten Israël kort geleden hebben gewaarschuwd voor het legaliseren van buitenposten?2 Indien ja, hebben Nederlandse diplomaten hier ook voor gewaarschuwd? Wat is er precies gecommuniceerd?
Israël is goed bekend met het standpunt van de EU en van Nederland over het nederzettingenbeleid. Europese autoriteiten – onder wie ook Nederlandse -dragen dit standpunt uit.
Bent u bereid om in de contacten met uw Israëlische collega’s deze stap te veroordelen en hen aan te sporen deze stap terug te draaien? Indien neen, waarom niet? Bent u eveneens bereid in EU-verband aan te dringen op een veroordeling?
Zie antwoord op vraag 1. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU heeft dat op 25 april gedaan.
Digitale onveiligheid van de site meermetminder.nl |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat via de website meermetminder.nl informatie wordt gevraagd (waaronder het burgerservicenummer en bankgegevens) van degenen die in aanmerking willen komen voor een subsidie voor energiebesparende maatregelen?1
Ja. Rechtmatigheid van de subsidieverstrekking is een absolute voorwaarde. Met behulp van het burgerservicenummer wordt eenduidig vastgesteld dat de subsidie aan de juiste en rechthebbende persoon wordt verstrekt. Het bankrekeningnummer is nodig om het rechtmatige subsidiebedrag over te maken.
Bent u zich bewust van de consequenties van identiteitsfraude als deze gegevens in verkeerde handen vallen? Zo ja, kunt u aangeven welk beveiligingsniveau voor deze site is gekozen en of dit niveau volstaat?
Ja. Uit de door de Stichting Meer Met Minder verstrekte informatie blijkt dat er is gekozen voor het benodigde beveiligingsniveau dat wordt geborgd door de volgende systeemkeuzes:
Gezien het bovenstaande, ben ik van mening dat het beveiligingsniveau van het deel van de website www.meermetminder.nl dat wordt ingezet voor de Rijkspremieregeling Meer Met Minder proportioneel gekozen is en een «passend beschermingsniveau» en bijbehorende maatregelen omvat (zie ook het antwoord op vraag 5).
Is tot nu toe al eens een poging tot ongeoorloofde toegang ondernomen? Zo ja, hoe vaak en had dit succes?
De Stichting Meer Met Minder heeft tot nu toe geen ongeoorloofde toegang of poging daartoe geconstateerd. Het deel van de website www.meermetminder.nl dat wordt ingezet voor de Rijkspremieregeling Meer Met Minder functioneert sinds april 2010, zonder enige melding dat persoonsgegevens ongeoorloofd van de website of uit de database zijn gehaald.
Deelt u de mening dat kwetsbare, persoonsvertrouwelijke gegevens, zoals bijvoorbeeld het burgerservicenummer, met uiterste terughoudendheid gebruikt dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs hierbij naar de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) die de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer bepaalt.
Welke maatregelen stelt u zich voor om de veiligheid te garanderen bij het uitwisselen van vertrouwelijke informatie via internet?
Bij het verwerken van persoonsgegevens dient men te voldoen aan de geldende nationale privacy wet- en regelgeving, die op haar beurt moet voldoen aan de Europese Privacyrichtlijn. Daarin staat dat een «passend beschermingsniveau» moet worden gekozen. In de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is dit verder uitgewerkt in artikel 13. Artikel 13 Wbp luidt: «De verantwoordelijke legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van te beschermen gegevens met zich meebrengen. De maatregelen zijn er mede op gericht onnodige verzameling en verdere verwerking van persoonsgegevens te voorkomen.»
Een lijst van 200 gebouwen waarin op grote schaal spuitasbest is verwerkt |
|
Paulus Jansen |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen1 over spuitasbest en een lijst van 200 meest risicovolle gebouwen die behandeld zijn met spuitasbest, waarbij u de grote risico’s van spuitasbest onderstreept2 heeft, maar waarbij u tevens verklaarde dat u en «niemand van ons» deze lijst kende?
Ja
Herinnert u zich de «Rapportage inventariserend onderzoek spuitasbest»3 van de Arbeidsinspectie (1997)4, waaruit bleek dat in 100 van de 198 onderzochte gebouwen de spuitasbest nog aanwezig was, bij 39 door de Arbeidsinspectie beoordeelde situaties twintig keer de spuitasbest beschadigd was en in 28 gevallen de spuitasbest niet dan wel slechts gedeeltelijk was afgeschermd?
Ja. Genoemd rapport is naar aanleiding van uw vraag onder mijn aandacht gebracht.
Zijn de volgende voornemens5 uit het rapport van de Arbeidsinspectie uitgevoerd? Zo ja, wat zijn de resultaten van deze acties? Benaderen van de gebouweigenaren van gebouwen met goed afgeschermde spuitasbest ivm het treffen van aanvullende maatregelen om te voorkomen dat werkzaamheden in de buurt van afscheidingen plaats vinden of de afscherming kan worden aangeraakt of beschadigd; Het opsporen van andere gebouwen (dan de 198 reeds bekende) waarin spuitasbest is toegepast; Het volgen en tenminste eenmaal per twee jaar inspecteren van alle locaties waar spuitasbest aanwezig is. Indien de voornemens niet, of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd: kan gemotiveerd worden waarom (gedeeltelijk) is afgeweken van de voorgenomen acties?
Het betreffende rapport dateert van 15 jaar geleden. De voornemens uit het rapport zijn opgenomen in de inspectieactiviteiten van de Arbeidsinspectie vanaf 1998. De betreffende acties zijn in de loop van 2001 afgerond. Uit de beschikbare verslagen van de Arbeidsinspectie blijkt dat gebouweigenaren zich bewust waren van mogelijk gevaarlijke situaties en maatregelen genomen hebben. Vanaf 2002 ligt de nadruk bij de Arbeidsinspectie voor asbest op inspectieprojecten gericht op saneringslocaties.
In hoeveel van genoemde gebouwen is anno 2012 nog steeds spuitasbest aanwezig? Is het waar dat een aantal van deze gebouwen een grootschalige publieksfunctie heeft? Kan een lijst van deze gebouwen aan de Kamer worden overlegd?
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Inmiddels is het asbestbeleid er op gericht dat gebouweigenaren volledig zelf de verantwoordelijkheid nemen voor de aanwezigheid van asbest in hun gebouwen. Alle gebouwen van vóór 1994 moeten als asbestverdacht beschouwd worden. Er is niet overgegaan tot (al dan niet verplichte) inventarisatie van asbest in gebouwen in niet-sloopsituaties zodat de gevraagde lijst niet kan worden overgelegd van gebouwen met een grootschalige publieksfunctie waarin asbest aanwezig. Wel is op de website Atlasleefomgeving (https://www.atlasleefomgeving.nl/) te zien welke schoolgebouwen asbestverdacht zijn.
Het bericht dat de Soedanese president Bashir zegt dat in Soedan de geest van de jihad is opgeleefd |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over het feit dat de Soedanese president Bashir zegt dat in Soedan de geest van de jihad is opgeleefd en dat hij de bevolking van Zuid-Soedan wil «bevrijden»?1
De desbetreffende uitspraak is een voorbeeld van escalerend taalgebruik.
Bent u ermee bekend wat een «bevrijding» onder de vlag van de jihad betekent? Erkent u dat de aanvallen van Soedan op Zuid-Soedan onderdeel zijn van de jihad? Zo nee, waarom niet?
De recente escalatie van geweld vindt zijn oorsprong in de onopgeloste kwesties van het Comprehensive Peace Agreement (CPA), zoals de betwiste gebieden en de verdeling van olie-inkomsten.
Onderschrijft u de mening dat de jihad vanuit Soedan in een breder perspectief geplaatst zou moeten worden en dat het grensgebied Soedan – Zuid-Soedan slechts een van de vele bloedige grenzen van de islamitische wereld is? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 2.
De financiële situatie van EuroPsyche |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de landelijk erkende instelling EuroPsyche al sinds januari 2012 niet betaald wordt doordat zorgverzekeraars betalingen opschorten vanwege bij hen ontstane twijfel over de werk- en declaratiewijze, onder andere gebaseerd op een artikel in de Volkskrant dat onjuiste informatie bevat?1
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat verzekeraars betalingen opschorten aan Europsyche vanwege bestaande twijfel over de werkwijze en de wijze waarop Europsyche declareert. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat op 2 mei jongstleden een kort geding heeft plaatsgevonden over deze casus.
Op basis van de thans beschikbare informatie, ben ik in zijn algemeenheid bezorgd over deze situatie. Ik wacht de uitspraak van het kort geding af.
Wat betekent het opschorten van betalingen voor de continuïteit van zorg voor de ruim 11 000 cliënten die door zorgverleners van EuroPsyche worden behandeld?
Door het onderzoek en de genomen tijdelijke maatregelen behoeden zorgverzekeraars cliënten voor mogelijk nadelige gevolgen van een behandeling die niet voldoet aan geldende (kwaliteits-)eisen en voorkomen ze mogelijke onterechte betalingen in de zorg. Van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heb ik begrepen dat tot nu toe zich geen verzekerden hebben gemeld bij de zorgverzekeraars met klachten over de continuïteit. Mocht dat wel gebeuren, dan overlegt de zorgverzekeraar met de verzekerde op welke wijze zorg op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) geregeld kan worden.
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars betalingen niet voor onbepaalde tijd kunnen opschorten, zonder dat er officieel is geconstateerd of de werk- en declaratiewijze akkoord is? Zo ja, wilt u met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ) over deze kwestie in gesprek gaan?
Er zijn signalen waardoor zorgverzekeraars twijfelen of de door Europsyche gedeclareerde zorg dient te leiden tot een vergoeding op basis van de Zvw. Om die reden hebben verzekeraars besloten per nota te toetsen of tot vergoeding kan worden overgegaan. Getoetst wordt onder andere of de gedeclareerde behandeling voldoet aan de spelregels DBC-registratie GGZ. De verzekeraars hebben met Europsyche afspraken gemaakt over de wijze waarop de controle kan plaatsvinden.
Ik ga binnenkort in gesprek met diverse partijen, waaronder ZN en de NZa over de ontstane situatie omdat ik op de hoogte wil blijven van de stand van zaken. Ik prijs overigens de inspanningen van de zorgverzekeraars om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van vergoeding van ingediende declaraties.
Op welke grond kunnen zorgverzekeraars betalingen opschorten? Is in dit geval van een van deze gronden sprake?
Zorgverzekeraars kunnen betalingen opschorten op grond van het Burgerlijk Wetboek (boek 7: Verzekeringsrecht). Verzekeraars mogen een onderzoek instellen bij twijfel over declaraties. Overigens moet een verzekeraar wel binnen een redelijke termijn hierop reageren en duidelijkheid verschaffen.
Deelt u de mening dat niet zorgverzekeraars, maar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) onderzoek zou moeten doen naar EuroPsyche en dat het onwenselijk is dat zeer privacygevoelige informatie van cliënten, zoals de diagnose, behandelplannen en sessieverslagen, nu worden ingezien door zorgverzekeraars?
Neen die mening deel ik niet. Zowel zorgverzekeraars als de IGZ hebben hun eigenstandige verantwoordelijkheid om onderzoek te doen en eventueel op te treden.
De IGZ kan een inspectieonderzoek doen waarbij zij nagaat of voldaan is aan de randvoorwaarden voor het leveren van verantwoorde zorg. De IGZ toetst daarbij de praktijkvoering en het handelen van beroepsbeoefenaren aan wettelijke voorwaarden (waaronder tuchtnormen) en aan veldnormen en gedragscodes. Overigens heb ik de toezichthouders (IGZ en de NZa) op 7 februari 2012 verzocht nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin Europsyche en andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle geldende wettelijke kaders en mij daar over te informeren. Deze onderzoeken lopen nog.
Zorgverzekeraars zijn zelf verantwoordelijk voor controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van zorgdeclaraties. Controles worden uitgevoerd door medisch adviseurs, daartoe bevoegde medewerkers van zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben de wettelijke bevoegdheid via hun materiële controles dossiers in te zien. Dat is noodzakelijk voor een adequate controle, anders zouden verzekeraars immers geen misstanden op het spoor kunnen komen. Dit vind ik belangrijk omdat de betaalbaarheid van verzekerde zorg voor mij een relevant item is. Ik vind het van het grootste belang dat geld dat is bestemd voor zorg ook daadwerkelijk aan verzekerde zorg wordt besteed die kwalitatief goed en doelmatig is. Verzekeraars spelen een belangrijke rol bij het nagaan of dit zo is. Daartoe voeren zij formele en materië
Bent u van mening dat het selectief en willekeurig is dat alleen de vergoeding aan EuroPsyche is stopgezet en die van vergelijkbare organisaties niet? Kunt u aangeven waarom dat is?
Ik ben van mening dat als er vermoedens bestaan dat de werkwijzen en declaratiewijzen van andere instellingen niet overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving plaatsvinden, dat ook daar onderzoek moet plaatsvinden en eventueel maatregelen genomen moeten worden. Zoals ik hierboven aangaf, heb ik de toezichthouders (IGZ en NZa) gevraagd nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle geldende wettelijke kaders. Over de uitkomsten van dat onderzoek zal ik met verzekeraars en toezichthouders (IGZ en de NZa) in gesprek gaan.
Overigens wijs ik u erop dat het onderzoek naar Europsyche door zorgverzekeraars zeer arbeidsintensief is. Honderden dossiers worden gecontroleerd. Als uit dit onderzoek blijkt dat de behandelingen onrechtmatig zijn, zullen vergelijkbare andere organisaties zeker ook onderzocht gaan worden.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, het liefst binnen twee weken, omdat de situatie vanwege opgeschorte betalingen kritiek is geworden?
Ik heb geen signalen ontvangen dat er sprake is van een kritieke situatie, desalniettemin beantwoord ik uw vragen graag binnen de door u gevraagde termijn.