Heeft u kennisgenomen van het rapport «Seventeenth Bi-annual Report: Developments in European Union Procedures en Practices Relevant to Parliamentary Scrutiny» van COSAC, waarnaar u overigens ook verwijst in uw recente brief aan de Kamer?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel documenten van de Europese Raad en de Raad van de Europese Unie in 2009, 2010, 2011 en 2012 de classificaties limité, EU restricted, EU Confidential, EU Secret en EU Top Secret gekregen hebben?1
Voor de Raad gaat het om de volgende aantallen documenten:
Limité
Restricted
Confidential
Secret
2009
10.596
2.716
549
21
2010
10.667
2.193
368
31
2011
11.432
2.271
351
32
2012
11.038
2.168
353
33
Voor wat betreft de Europese Raad gaat het in de genoemde categorieën uitsluitend om Limité-documenten. Daarvan waren er in 2009 geen, in 2010 10, in 2011 15 en in 2012 12. De Europese Raad heeft tot dusverre geen documenten met een hogere classificatie.
Is het waar dat het Nederlandse parlement geen inzage heeft in die documenten met die classificaties en dat alle leden van het Parlement van Oostenrijk inzage hebben in al die documenten?2
Het Nederlandse parlement heeft geen standaard-inzage in de betreffende documenten. Wel heb ik uw Kamer per brief d.d. 18 januari jl. (Kamerstuk 22 112, nr. 1548) aangekondigd dat beide Kamers rechtstreekse inzage zullen krijgen in alle Limité-documenten. Bovendien krijgt het parlement in voorkomende gevallen reeds inzage in documenten van alle mogelijke Europese en nationale rubriceringen, waarvoor dan specifieke afspraken worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld zaken betreffen als koersgevoelige informatie of gerubriceerde informatie met betrekking tot militaire operaties, zoals de zogenaamde Rules of Engagement.
Het Oostenrijkse parlement krijgt volgens het COSAC-rapport via een database en via toezending door de regering toegang tot publieke documenten en Limité-documenten. Daarnaast heeft het Oostenrijkse parlement volgens dit rapport via toezending door de regering inzage in EU Restricted, EU Confidential, EU Secret en EU Top Secret-documenten. Uiteraard zijn op de wijze waarop het Oostenrijkse parlement omgaat met deze documenten de door de Raad opgestelde geldende beveiligingsvoorschriften en vertrouwelijkheidsregels van toepassing, zoals deze ook voor het Nederlandse parlement gelden.
Is het waar dat in 2001 slechts 3 niveaus van classificatie leidden tot beperkte toegang, namelijk EU Confidential, EU Secret en EU Top Secret?3
Hier lijkt sprake van een misverstand. De richtlijn uit 2001 waarnaar in vraag 4 wordt verwezen betreft de EU-regels voor openbaarheid van bestuur. Die hebben dus betrekking op de criteria voor het openbaar maken van EU-documenten naar aanleiding van een daartoe ingediend verzoek. Voor de genoemde drie rubriceringscategorieën gelden daarbij krachtens artikel 9 van de richtlijn strengere criteria dan voor andere documenten. Dat impliceert op geen enkele wijze, zoals de vragenstellers lijken te veronderstellen, dat voor andere categorieën geen vertrouwelijkheidsregels van toepassing zouden zijn.
Die vertrouwelijkheidsregels zijn voor gerubriceerde documenten vastgelegd in het Raadsbesluit van 31 maart 2011, waarnaar in vraag 5 wordt verwezen. Dit is de laatste herziene versie van de beveiligingsvoorschriften van de Raad voor de bescherming van gerubriceerde informatie. Deze hebben betrekking op alle vier de rubriceringscategorieën: EU Restricted, EU Confidential, EU Secret en EU Top secret. Ook voor de herziening van 2011 viel de categorie EU Restricted onder soortgelijke beveiligingsregels. Deze categorie documenten is dus nooit toegankelijk geweest voor het publiek.
De categorie Limité-documenten valt niet onder de genoemde beveiligingsvoorschriften. Limité is namelijk geen rubriceringsniveau maar een verspreidingscode. Het gaat om documenten die intern worden verspreid omwille van het goed en effectief functioneren van de besluitvormingsprocedures van de Raad. Het interne, en dus vertrouwelijke, karakter van deze documenten bestaat ook al sinds het begin van de samenwerking tussen de lidstaten in EU-Raadskader, en het is in opeenvolgende regelingen vastgelegd. De richtsnoeren van 9 juni 2011 (Document 1136/11) zijn de laatste bijgewerkte versie daarvan. De beperkte verspreiding van deze documenten betekent niet dat Limité-documenten altijd intern blijven. Het Secretariaat-Generaal van de Raad kan op basis van het Reglement van Orde van de Raad besluiten deze documenten na verloop van tijd openbaar te maken. Dit gebeurt in de praktijk ook met veel documenten.
Overigens valt veruit het grootste gedeelte van de documenten van de Raad onder de categorie publieke documenten, die open toegankelijk zijn voor iedereen. Ook deze categorie wordt genoemd in het COSAC-rapport. In 2010 viel 75,5% van alle Raadsdocumenten onder deze categorie.
Is het waar dat in 2011 de classificatie «EU restricted» ook ineens vertrouwelijk behandeld moest worden, zodat duizenden documenten aan het publieke oog onttrokken worden?4
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven welke van de 21 Lidstaten die op dit moment aan hun nationale parlementen inzage geven in de documenten die geclassificeerd zijn als «limité», waaruit in Nederland niet geciteerd mag worden, citeren en openbaarmaking door leden van het parlement wel toestaan?
In geen enkele EU-lidstaat is dat toegestaan.
Kunt u voor elk van de 27 Lidstaten aangeven welke straffen parlementariërs kunnen krijgen voor het openbaar maken van elk van de vijf niveaus van vertrouwelijkheid indien zij daar toegang toe hebben?
Op het niet naleven van de beveiligingsvoorschriften van de Raad, zijn conform art. 13 van het besluit van 31 maart 2011 (2011/292/EU) in de hele Unie de staande wetten en regels inzake informatiebeveiliging van kracht. Die kunnen ook disciplinaire maatregelen en strafrechtelijke vervolging omvatten.
Voor het naleven van de Richtsnoeren voor de behandeling van interne Raadsdocumenten (Document 1136/11) zijn de lidstaten zelf verantwoordelijk. Indien een lidstaat structureel in strijd handelt met deze richtsnoeren (of binnen die lidstaat structureel in strijd daarmee wordt gehandeld), kan de Europese Commissie een infractieprocedure starten tegen die lidstaat. Uiteindelijk kan de lidstaat veroordeeld worden door het Hof van Justitie.
Welk parlement heeft ooit toestemming gegeven voor de richtsnoeren uit 2011 van de Raad die bepalen dat nu ook de vijfde categorie van documenten (limité) niet openbaar is voor het publiek?5
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5, is de categorie van interne documenten van de Raad (Limité-documenten) nooit openbaar voor het publiek geweest. Dat lag ook al vast voordat de richtsnoeren uit 2011 werden opgesteld. Zoals bij ieder bestuursniveau, is het ook bij de Europese Unie wenselijk en noodzakelijk dat een deel van de interne communicatie niet onmiddellijk integraal met het brede publiek wordt gedeeld. Als dat wel zou gebeuren, zou dat de besluitvormingsprocedures van dat bestuursniveau nadelig kunnen beïnvloeden. Voor wat betreft interne documenten voor het bestuursniveau van de Europese Unie, ligt het interne karakter van deze documenten derhalve besloten in de aard van de Europese samenwerking zelf. Bij de totstandkoming daarvan zijn alle parlementen van de EU intensief betrokken. Ik wijs er in dit verband nogmaals op dat het uitgangspunt is, ook in EU-verband, dat zoveel mogelijk informatie zo snel mogelijk toegankelijk wordt gemaakt voor het brede publiek.
In dit verband wijs ik er nog op dat er tal van parlementen zijn binnen de EU, zoals bijvoorbeeld de Duitse Bondsdag, waar ervoor is gekozen ook over interne Raadsaangelegenheden intensief te debatteren tussen parlement en regering. Dat gebeurt dan echter, conform de in de vraag genoemde richtsnoeren en de gedachte die daar achter ligt, altijd achter gesloten deuren. Het bredere publiek kan dan van die debatten in het geheel geen kennis nemen. In het in ons land gekozen model zijn dergelijke debatten achter gesloten deuren veel minder gebruikelijk. De regering weegt in ons model, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels, veel meer zelf welke elementen van het EU-beleid publiekelijk met het parlement gedeeld moeten en kunnen worden en daarover wordt altijd publiek met de Kamer gedebatteerd. Met de nu geboden mogelijkheid voor beide Kamers om alle interne EU-Raadsdocumenten in te zien, beschikt het parlement over een extra instrument om te controleren of het kabinet die weging ook volgens het parlement correct maakt.
Wie heeft namens de Nederlandse regering ingestemd met deze laatstgenoemde richtsnoeren die ook het hele Nederlandse overheidsapparaat binden en op welke wijze is aan die goedkeuring van geheimhouding mededeling gedaan in Nederland?
Zoals in de voorgaande antwoorden wordt gemeld, gold het interne karakter van de betreffende documenten al lang voordat de genoemde richtsnoeren in de Raad werden goedgekeurd. Dat laatste is formeel gebeurd in de ECOFIN-Raad van 20 juni 2011, waarvan mededeling is gedaan via het persbericht http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ecofin/122936.pdf
Heeft u kennisgenomen van het recente akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Raad, waardoor leden van het parlement onder voorwaarden toegang krijgen tot alle geclassificeerde documenten en waarin de limité – documenten niet eens gezien worden als een vertrouwelijk document?6
De bepalingen van dit inter-institutioneel akkoord (IIA) hebben uitsluitend betrekking op gerubriceerde documenten. Zoals al is aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5, vallen Limité-documenten daar niet onder, omdat Limité een verspreidingscode is en geen rubriceringsniveau. Voor de toegang van Europarlementariërs tot gerubriceerde documenten worden in dit IIA inderdaad voorwaarden vastgelegd. Dit zijn strenge voorwaarden waaraan strak de hand wordt gehouden. Materieel zijn deze afspraken vergelijkbaar met de wijze waarop het Nederlandse parlement vertrouwelijke toegang kan krijgen tot gerubriceerde documenten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 3.
Ten aanzien van de toegang van Europarlementariërs tot Limité-documenten geldt op basis van art. 18 van de Richtsnoeren voor de behandeling van interne Raadsdocumenten (Document 11336/11) dat deze aanmerkelijk beperkter is dan de vertrouwelijke toegang van de Eerste en Tweede Kamer tot alle Limité-documenten, waartoe het kabinet recentelijk heeft besloten (zie mijn brief van 18 januari jl., Kamerstuk 22 112, nr. 1548).
Deelt u de mening dat het Nederlandse parlement ten minste net zo goed geïnformeerd moet zijn als het Oostenrijkse Parlement en het Europees Parlement?
Ja.
Op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat Nederlandse parlement ten minste net zo goed geïnformeerd is als het Oostenrijkse Parlement en het Europees Parlement?
Zoals uit de antwoorden op deze vragen blijkt, ben ik van mening dat dat reeds het geval is. Voor wat betreft het Europees Parlement verwijs ik ter onderbouwing daarvan met name naar het antwoord op vraag 10. Voor wat betreft het Oostenrijkse parlement verwijs ik bovendien graag nogmaals op het overzicht in de brief van 28 september 2012 (Kamerstuk 22 112, nr. 1474), waaruit bijvoorbeeld naar voren komt dat het Oostenrijkse parlement voorafgaand aan bijeenkomsten van de Raad nooit schriftelijke informatie ontvangt over de inzet van de Oostenrijkse regering tijdens die bijeenkomsten. Dat steekt in mijn ogen schril af tegen de uitvoerige schriftelijke informatie over met name de Nederlandse positie, die de Eerste en Tweede Kamer standaard voorafgaand aan alle Raden en Europese Raden ontvangen in de vorm van een zogenaamde geannoteerde agenda, en waarover altijd voorafgaand aan de betreffende Raad of Europese Raad een debat met de Tweede Kamer plaatsvindt.
Bent u bereid deze vragen voor 6 februari te beantwoorden, in verband met de voorbereiding van het Algemeen Overleg Informatievoorziening?
Ja.
De uitspraken van eurocommissaris Semeta over een financiële sectorbelasting en de positie van pensioenfondsen |
|
Roos Vermeij (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Geen vrijstelling transactietaks pensioenfondsen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland slechts kan deelnemen aan de nauwere samenwerking op basis van de voorwaarden dat de pensioenfondsen hiervan gevrijwaard blijven, er geen disproportionele samenloop is met de huidige bankenbelasting en dat de inkomsten terugvloeien naar de lidstaten?
Ja, dat zijn de voorwaarden zoals opgenomen in het regeerakkoord.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van eurocommissaris Semeta dat de reikwijdte en doelstellingen van een nieuwe financiële transactietaks niet zullen afwijken van het oude voorstel voor deze heffing, waarbij pensioenfondsen niet werden uitgezonderd? Wat is de implicatie daarvan op de Nederlandse positie ten aanzien van de nauwere samenwerking in Europees verband op dit gebied?
Zolang ik geen zekerheid ten aanzien van de vrijwaring van pensioenfondsen krijg, zie ik geen reden om toe te treden tot de nauwere samenwerking. De uitlatingen van de Commissie waaraan wordt gerefereerd wijken af van de Nederlandse positie. Het nieuwe richtlijnvoorstel van de Commissie is deze week verschenen. Dit voorstel voldoet niet aan de voorwaarden van het regeerakkoord. Nederland zal derhalve op dit moment niet toetreden tot de «versterkte samenwerking». Op basis van dit voorstel zal verder onderhandeld worden. Over het regeringsstandpunt ten aanzien van dit voorstel zal ik de Tweede Kamer uitgebreider informeren via een BNC fiche.
Deelt u de mening dat een financiële transactietaks een effectievere heffing wordt als meer landen binnen de Europese Unie hieraan deelnemen? Hoe beoordeelt u in dat licht de positie van eurocommissaris Semeta om de Nederlandse voorwaarden voor invoering van een financiële transactietaks naar eigen zeggen niet te zullen meenemen in het nieuwe voorstel?
Ik deel uw mening dat een breder gedragen belasting kan leiden tot verminderde ontwijkingseffecten. Ik zal mij vanuit de Ecofin Raad blijven inzetten voor een heffing op de financiële sector die voldoet aan onze eisen.
Welke initiatieven zult u nog nemen om de inhoud van het aankomende voorstel voor de nauwere samenwerking op het gebied van de financiële transactietaks zo te beïnvloeden dat deze verenigbaar is met het Nederlandse regeerakkoord en specifiek de voorwaarde voor de pensioenfondsen? In hoeverre kan het voorstel voor een uitzondering van de pensioenfondsen op de financiële transactietaks rekenen op, bijvoorbeeld, Duitse steun?
Op basis van het nieuwe Commissievoorstel zal verder worden onderhandeld. Ik zal mij ervoor blijven inzetten de Nederlandse wensen onder de aandacht te brengen bij de Commissie en de overige lidstaten. Mochten de Commissie en de andere lidstaten gedurende het onderhandelingsproces ruimte zien om Nederland tegemoet te komen, dan zal Nederland kunnen toetreden tot de versterkte samenwerking.
Het bericht “Politie laks bij aangiften” |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie laks bij aangiften»?1
Ja
Deelt u de mening van de Nationale Ombudsman dat de politie nog te vaak tekortschiet bij het opnemen van aangiften? Zo ja, in welke mate schiet de politie hierin tekort? Zo ja, hoe verhoudt zich dat de beloftes en inspanningen om hierin verbetering aan te brengen? Zo nee, wat is niet waar aan het gestelde?
Jaarlijks worden ongeveer 1 miljoen aangiften en meldingen door de politie opgenomen. Uit het onderzoek van de Nationale Ombudsman blijkt dat in 2012 ruim 500 klachten zijn binnengekomen over aangiften bij de politie. Zoals ik ook in mijn brief van 6 maart jongstleden heb aangegeven sporen de bevindingen van de Nationale Ombudsman met het onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie dat ik op 20 november 2012 naar de Kamer heb gestuurd (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340). Ook dit onderzoek gaat in op de punten waarop de politie het aangifteproces en de interactie met de burger kan verbeteren.
Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Inspectie heb laten weten, onderschrijf ik de resultaten van de Inspectie. Ik heb dan ook een aantal maatregelen genomen om dit te verbeteren, zoals ook in mijn brief van 20 november 2012 is opgenomen (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340). Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4. Het onderzoek van de Ombudsman bevestigt de urgentie van mijn aanpak.
Hoe verhouden de bevindingen van de Nationale Ombudsman zich tot de bevindingen uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2011 of andere rapportages ten aanzien van meldingen, aangiften en tevredenheid over de politie?
Op vrijdag 1 maart 2013 is de Veiligheidsmonitor 2012 verzonden aan uw Kamer. Om de meest actuele stand van zaken te geven, nemen we hier de cijfers uit de meest recente Veiligheidsmonitor op. Uit de Veiligheidsmonitor 2012 blijkt dat van alle contacten van burgers met de politie het in 38% ging om een aangifte of melding bij de politie.
Van alle inwoners die in 2012 een aangifte of melding heeft gedaan is 59% (zeer) tevreden over het optreden van de politie. 21% van de melders is (zeer) ontevreden. De meest genoemde reden hierbij is dat de «problemen niet zijn opgelost».
Van alle mensen die in 2012 contact hebben gehad met de politie geven bijna 6 op de 10 mensen aan (zeer) tevreden te zijn over het politieoptreden tijdens het laatste contact. Tenslotte is bijna een op de drie (29%) (zeer) tevreden over het totale functioneren van de politie in 2012. Wanneer de antwoorden «kan dit niet beoordelen» of «geen antwoord» buiten beschouwing worden gelaten is 44% van de inwoners (zeer) tevreden over het functioneren van de politie in 2012.
In de Integrale Veiligheidsmonitor wordt vastgesteld dat het oordeel over de wederkerigheid van de relatie en het oordeel over de communicatie tussen de politie en burgers niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van 2011, maar wel verbeterd is ten opzichte van 2010.
Hoewel uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2012 blijkt dat er in de periode 2005 tot en met 2012 een duidelijke verbetering zichtbaar is in de tevredenheid van burgers over de politie en het aangifte doen, onderschrijf ik de bevindingen van de Inspectie en de Nationale Ombudsman dat deze verder moet verbeteren en het aangifteproces en de dienstverlening richting de burger dan ook verdere verbetering behoeft. Daarom heb ik samen met de politie maatregelen genomen om de drempel voor burgers om aangifte te doen te verlagen en het contact tussen burgers en politie te verbeteren. Bij het antwoord op vraag 4 heb ik deze maatregelen voor u geschetst.
Deelt u de mening dat het doen van aangiften essentieel is voor het oplossen van misdrijven en het veiliger maken van ons land? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het doen van aangiften en de aangiftebereidheid wordt verbeterd?
De aangifte vormt het begin van de strafrechtketen en is daarom ook cruciaal voor de opsporing en vervolging. Het succes van de opsporing staat of valt met een goede aangifte en een efficiënte en effectieve afhandeling hiervan. Hieronder heb ik de maatregelen beschreven die ik eerder aan uw Kamer deed toekomen (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340) en die ik heb genomen en ga nemen om te zorgen voor een effectief en efficiënt aangifteproces dat aansluit op de wensen en behoeften van burgers.
De aanpak van illegale aanbieders van kansspelen op internet |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de persberichten «Kansspelautoriteit sluit net rond kansspelaanbieders internet»(8 juni 2012), «Kansspelautoriteit: actieve aanpak illegale kansspelen via internet werkt» (2 oktober 2012) en «Meet & Greet kansspelautoriteit met aanbieders online-kansspelen»? (alle op http://www.kansspelautoriteit.nl/nieuws/)
Ja.
Kent u de reclame van het online gokbedrijf 7red, zoals uitgezonden op de op Nederland gerichte tv-zender van National Geographic en de site http://nl.7red.com/index.asp ? Kent u de sites www.amsterdamscasinos.nl/, http://oranjecasino.com/ en wellicht vele andere sites die zich expliciet op de Nederlandse markt voor online gokken richten? Zo ja, voldoen deze sites aan de prioriteringscriteria op grond waarvan de kansspelautoriteit (KSA) online goksites zegt aan te pakken, te weten de criteria van het hebben van «een nl.site, of het aanbieden van de site in de Nederlandse taal of reclame maken op radio, televisie en in geprinte media»? Zo nee, zou u zich dan op de hoogte willen stellen van deze reclame en sites?
Het is sinds 1 april 2012 aan de kansspelautoriteit (ksa) om toe te zien op de naleving van de Wet op de kansspelen (Wok), waaronder de regels ten aanzien van werving en reclame. Het is aan de ksa om te bepalen hoe zij omgaat met de handhaving van de Wok.
Hoe verhoudt het nog steeds bestaan van op Nederland gerichte illegale online goksites tot de genoemde aanpak van de KSA tegen deze sites? Op welke termijn worden deze sites en andere gelijkaardige sites alsnog aangepakt?
De ksa heeft mij desgevraagd meegedeeld het afgelopen jaar een 40-tal bedrijven te hebben opgeroepen hun illegale kansspelaanbod gericht op de Nederlandse consument te staken, dan wel aan te passen aan de prioriteringscriteria van de ksa. Meer dan de helft van de aangeschreven partijen voldoet inmiddels aan deze oproep. Andere partijen hebben aangegeven bereid te zijn hun kansspelaanbod aan te passen. Indien de ksa stuit op nieuwe illegale goksites worden zij door de ksa gewaarschuwd. Tegen een aanbieder die, na aangeschreven te zijn, aan (één van) de prioriteringscriteria blijft voldoen, zal de ksa handhavend optreden. Er loopt inmiddels een aantal onderzoeken. De ksa zal een bestuurlijk rapport opmaken, wat kan leiden tot het opleggen van een last onder dwangsom, last onder bestuursdwang en/ of een bestuurlijke boete. Gedurende het onderzoek kan de ksa niet op de concrete zaken ingaan.
Aan hoeveel bedrijven heeft de KSA inmiddels een last onder dwangsom, last onder bestuursdwang en/of een boete van € 780.000 euro of hoger (tot 10% van de geschatte omzet) opgelegd?
Tot op heden heeft de ksa nog geen last onder dwangsom, last onder bestuursdwang en/of een boete van € 780.000 euro of hoger opgelegd.
Welke mogelijkheden zijn er om tegen Nederlandse banken op te treden die de financiële transacties voor illegaal online gokken door middel van het Ideal-systeem of anderszins faciliteren? Gaat u van die mogelijkheden gebruik maken en op welke wijze en schaal?
De Wok verbiedt het bevorderen van deelname aan kansspelen zonder vergunning. Zoals ik uw Kamer bij brief van 4 mei 2012 heb geïnformeerd1, zijn afspraken gemaakt met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) over het gebruiken van een zwarte lijst. De ksa is in dialoog met de NVB om een proces te ontwikkelen om tot adequate betalingsblokkeringen te komen. De NVB heeft daarbij aangegeven behoefte te hebben aan een duidelijke bepaling in de Wok om mogelijke claims te voorkomen. Zoals ik u in het debat van 7 september 2011 heb toegezegd, bekijk ik in de voorbereiding van het wetsvoorstel kansspelen op afstand ook of de handhaving van de wet door middel van een zwarte lijst een wettelijke basis kan krijgen. Dat kan bijvoorbeeld door aanpassingen van artikel 1 van de Wok tegen het bevorderen van de deelname aan niet-vergunde kansspelen en de bijbehorende strafbepaling.
Deelt u de mening dat de markt voor online gokken niet klaar is voor het verstrekken van vergunningen voor online kansspelen is zolang er nog illegale gokbedrijven op de Nederlandse markt actief zijn? Zo ja, hoe lang denkt u dat het nog duurt voor die markt wel klaar is voor het verstrekken van vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is belangrijk kansspelen op afstand zo snel mogelijk te reguleren teneinde de vele Nederlandse spelers die nu al spelen de bescherming van een gereguleerd stelsel te kunnen bieden.
Bevinden zich onder de online-aanbieders tijdens de «meet-and-greet» van 28 januari 2013 aanbieders die zich nu nog illegaal op de Nederlandse markt richten? Zo ja, deelt u de mening dat dit mede gezien de motie-Bouwmeester c.s. (Kamerstuk 32 264, nr. 19), waarin gevraagd wordt om illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking te laten komen voor een vergunning, ongewenst is? Zo nee, hoe weet u dat zeker?
De ksa heeft mij geïnformeerd dat op de «meet-and-greet» van 28 januari 2013 geen kansspelaanbieders aanwezig waren die op dat moment voldeden aan de prioriteringscriteria.
Wilt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Moskee-internaten |
|
Malik Azmani (VVD), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Ingrijpen? Dat geeft maar gezeur.»1 en «De gemeente zei dat het veilig was...»?2
Ja.
Wat is uw reactie op het gesprek van de Rotterdamse ambtenaren over de moskee-internaten?
Als minister laat ik mij niet uit over de gesprekken tussen ambtenaren op lokaal niveau. Het college van B&W is hiervoor verantwoordelijk en wordt democratisch gecontroleerd door de gemeenteraad. Ik verwijs daarom naar datgene wat door het college hierover aan de raad is gemeld.
Wat vindt u van het blijkbaar laks interpreteren van de handhavingsregels in de gemeente Rotterdam in het geval van dit moskee-internaat? Is dit ook bij andere moskee-internaten het geval?
Het is aan de lokale overheid om bouw- en bestemmingsvergunningen te verlenen en handhavend op te treden waar dat nodig is. In zijn brief aan de gemeenteraad van 15 januari 2013 (kenmerk 1108629) geeft het college van de gemeente Rotterdam het volgende aan: «Uit het onderzoek dat na 15 november 2012 is uitgevoerd, is gebleken dat bij ieder internaat toezicht is gehouden op de brandveiligheid. (...). In het algemeen worden bij controles (verschillende soorten) gebreken geconstateerd. Bij de onderzochte locaties is zodanig geacteerd dat er geen aanleiding was om tot sluiting over te gaan. De internaten waren en zijn dus voldoende brandveilig.» Ik heb geen reden om aan deze conclusie van de gemeente Rotterdam te twijfelen.
Op 26 februari 2013 heb ik, zoals in mijn eerdere antwoord d.d. 18 december 2012 (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2012–2013, nrs. 927, en 918)op Kamervragen van de leden Karabulut (SP), Bergkamp (D66) en Wilders en Van Klaveren (beiden PVV) aangekondigd, overleg gehad met een aantal betrokken gemeenten om te bezien of het beschikbare instrumentarium toereikend is om de veiligheid en het welzijn van kinderen te waarborgen. Ten aanzien van brandveiligheid en vergunningen hebben de aanwezige gemeenten aangegeven dat deze op orde zijn en dat ze over voldoende instrumenten beschikken om de fysieke veiligheid van kinderen te garanderen. Tijdens het overleg is verder geconstateerd dat er geen waarborgen bestaan ten aanzien van het pedagogische klimaat in de privaat gefinancierde internaten -zoals Turkse internaten- waar kinderen wonen en waarvoor geen toezicht is geregeld. Dat baart ons zorgen. Daarom is afgesproken dat rijk en gemeenten in afstemming met de betrokken internaten en eventuele andere partijen zullen komen tot een kwaliteitskader met aandacht voor onder andere het pedagogisch beleid, de veiligheid en het welzijn van kinderen op deze internaten. Daarbij zullen ook andere gemeenten betrokken worden waarin zich privaat gefinancierde internaten bevinden. Kortheidshalve verwijs ik u ook naar mijn brief van 26 februari 2013 (Kamerstuk II 33 400-XV, nr. 92).
Wat is er sinds het gesprek tussen de ambtenaren in september 2012 ondernomen door de gemeente Rotterdam en/of de nationale overheid in dit specifieke geval?
Zie antwoord vraag 3.
Is er bij u inmiddels meer bekend over het uitvoeren van lijfstraffen in moskee-internaten na het onderzoek van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) naar aanleiding van meldingen in 2011? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, zult u hier een aanvullend onderzoek naar instellen en wat zullen de gevolgen zijn wanneer er inderdaad lijfstraffen plaatsvinden?
Zoals gemeld in mijn eerdere antwoord d.d. 18 december 2012 (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2012–2013, nrs. 927, en 918) op de vragen van het lid Karabulut (SP) heeft het AMK het onderzoek naar de meldingen uit 2011 afgesloten en zag het geen aanleiding voor verdere acties. Ik heb geen aanleiding om aan de juistheid van dit besluit te twijfelen.
Wat vindt u van de opmerking dat deze kinderen buiten de samenleving worden gehouden? Is hier sprake van? En zo ja, is dit volgens u integratiebelemmerend en werkt dit segregatie in de hand?
Zoals ik in de integratieagenda (Kamerstuk II 32 824, nr. 7) heb aangegeven mag Nederland geen land zijn van parallelle gemeenschappen, waarin de noodzaak lijkt te vervallen om elkaar te ontmoeten en elkaar te verstaan. Om een plek te vinden in Nederland is het van belang dat migranten in aanraking komen met mensen met andere denkbeelden of een andere levensstijl. Dat geldt zeker voor kinderen. Het is niet wenselijk dat zij opgroeien in afzondering van de rest van samenleving. Enkele gemeenten hebben aangegeven dat het voor hen niet inzichtelijk is hoe het er in de internaten aan toe gaat en voelen zich daarbij ongemakkelijk. De kinderen die in dit type internaten verblijven, gaan naar reguliere scholen. Desondanks vind ik het belangrijk dat kinderen ook buiten schooltijd in aanraking komen met de Nederlandse samenleving.
Wat zijn de mogelijkheden voor de regering om stappen te nemen tegen wantoestanden in moskee-internaten, zoals onveiligheid van gebouwen, het tegenwerken van integratie en het uitdelen van lijfstraffen, wanneer een gemeente niet in staat of niet bereid is bestaande regels te handhaven?
Degenen die zich schuldig maken aan het uitdelen van lijfstraffen kunnen strafrechtelijk, al dan niet ambtshalve, worden vervolgd, afhankelijk van het delict.
Zoals in mijn brief aangekondigd, dient het kwaliteitskader de internaatbesturen richtsnoeren te geven met betrekking tot de verwachte kwaliteit van de internaten. Voor de gemeenten biedt het kwaliteitskader een instrument om toezicht te kunnen houden. Overigens dient het kwaliteitskader aan de door overheid geformuleerde minimumeisen te voldoen. Het kader en het toezicht daarop zal zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wetgeving en instrumentarium. Het kader en het voorstel voor toezicht zal mei van dit jaar klaar zijn. Ik zal vervolgens in afstemming met de betrokken gemeenten en in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bezien of het kwaliteitskader en het toezicht daarop afdoende geregeld zijn, en in het verlengde daarvan of wetgeving aangepast dient te worden.
Het toezicht op het fysieke domein (of domein leefomgeving) berust sinds de herziening van het interbestuurlijk toezicht bij de provincie. Ik kan daarom de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) niet opdragen een onderzoek uit te voeren.
Is het juridisch toelaatbaar dat ouders op deze wijze de opvoeding van hun kinderen overlaten aan dergelijke instellingen? Zo ja, wat gaat u doen om deze ontwikkeling (kinderen die buiten de samenleving worden gehouden) tegen te gaan?
Het staat ouders vrij om hun kinderen onder te brengen in internaten of logies.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, is tijdens het genoemde overleg met de gemeenten geconstateerd dat het toezicht in de privaat gefinancierde internaten – zoals Turkse internaten – niet is geregeld en dat er waarborgen nodig zijn ten aanzien van het pedagogische klimaat, de veiligheid en het welzijn van kinderen in deze internaten. Om daarin alsnog te voorzien, wordt een kwaliteitskader ontwikkeld.
Komen er ook publieke middelen direct of indirect ten pas voor het financieren van deze internaten, zoals bijvoorbeeld dubbele kinderbijslag? Deelt u de mening dat dit ongewenst zou zijn? Zo ja, welke consequenties wilt u hieraan verbinden?
Op dit moment heb ik geen volledig beeld van subsidies die direct dan wel indirect worden verstrekt aan moskee gerelateerde internaten. Wat de kinderbijslag betreft, komt iedere ouder die verzekerd is in aanmerking voor kinderbijslag en als er sprake is van een laag inkomen, kan aanspraak ontstaan op kindgebonden budget. Als het kind niet bij de verzekerde woont, moet voor de kinderbijslag wel worden voldaan aan bepaalde voorwaarden. De voorwaarden gelden voor alle verzekerden en behelzen o.a. dat ouders meer dan € 416,– voor enkele, resp. € 1103,– per kwartaal voor dubbele kinderbijslag aan onderhoud bijdragen.
Wilt u de Kamer op de hoogte houden van de uitkomsten van het aangekondigde overleg met een aantal gemeenten over het beschikbare instrumentarium om de veiligheid en welzijn van de kinderen te waarborgen?
Zie antwoord vraag 8.
In december liet u weten dat binnen de huidige juridische kaders er geen mogelijkheden zijn? Bent u bereid om nieuwe (juridische) maatregelen te nemen?
Zie antwoord vraag 8.
Inbeslagnames van qat |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent de berichten over inbeslagnames van qat?1
Ja.
Zijn de vluchten waarmee qat naar Nederland werd aangevoerd inmiddels gestaakt? Is ook de handel vanuit een industrieterrein bij Uithoorn gestopt? Zo ja, wat is dan de herkomst van de inbeslaggenomen qat? Zo nee, waarom niet?
Nu qat verboden is kunnen luchtvaartmaatschappijen die op Schiphol vliegen geen ladingen qat meer accepteren. Wel kan het gebeuren dat ladingen qat niet als zodanig op de vrachtbrieven zijn vermeld of dat er qat in de bagage van passagiers wordt meegesmokkeld. Hierop vindt steekproefsgewijs controle plaats. Uit informatie van de politie blijkt dat de activiteiten die verband hielden met de handel in qat vanuit een bedrijfspand bij Uithoorn zijn gestaakt. Bij enkele recente inbeslagnames bleek de qat uit Engeland afkomstig te zijn.
Zijn de recente inbeslagnames van qat te beschouwen als naweeën van de handel in qat in Nederland? Zo ja, op welke termijn denkt u dat deze handel geheel stilgelegd zal zijn? Zo nee, is er sprake van nieuwe toevoerkanalen en welke zijn dat?
Nu in Nederland de legale status van qat is vervallen zullen qattransporten naar de overige Europese landen vermoedelijk vaker vanuit Engeland plaatsvinden.
Weet u of het qatverbod al geleid heeft tot een verminderd gebruik van qat binnen de Somalische gemeenschap in Nederland? Zo ja, wat zijn uw bevindingen? Zo nee, kunt u zich alsnog hiervan op de hoogte doen stellen en de Kamer hierover nog voor het zomerreces van 2013 rapporteren?
Conform de wens die uw Kamer per motie2 heeft uitgesproken zal de regering het verbod op qat na twee jaar evalueren, met aandacht voor effectiviteit en neveneffecten, waaronder een verschuiving naar ander verslavend drugsgebruik en alcohol. Uw Kamer wordt hierover te zijner tijd geïnformeerd.
Kunt u tevens voor het zomerreces van 2013 rapporteren of en in welke mate het verbod van qat heeft bijgedragen aan de vermindering van de aan qat gerelateerde problematiek binnen de Somatische gemeenschap?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht wij willen met geleidehond in taxi kunnen |
|
Joram van Klaveren (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wij willen mét geleidehond de taxi in kunnen!»?1
Ja, ik heb het artikel gelezen.
Deelt u de mening dat het weigeren van blinden en slechtzienden in taxi’s, op grond van het niet willen meenemen van een geleidehond, onaanvaardbaar is? Zo neen, waarom niet?
Ik vind het zeer ongewenst en ongepast dat een taxichauffeur weigert een (blinden)geleidehond mee te nemen. Het vervoeren van een blindengeleidehond is immers onderdeel van de dienstverlening door de taxichauffeur resp. het taxibedrijf.
Vooraf een rit bij een taxibedrijf bestellen voorkomt dat de klant voor onaangename verrassingen komt te staan. Wordt een klant met een blindengeleidehond dan toch geweigerd, dan kan hij een klacht indienen bij het taxibedrijf of bij het Landelijk Klachtenmeldpunt Taxivervoer.
Uit het artikel in het Algemeen Dagblad blijkt dat 80% van de weigeraars dit doet op basis van het feit dat de hond volgens de islamitische regels een onrein dier is; waarom buigt u voor deze vorm van islamitische discriminatie?
De Taxiwet geeft gemeenten de bevoegdheid aanvullende kwaliteitseisen te stellen aan het locale straattaxivervoer. In de taxiverordening van de gemeente Amsterdam is vastgelegd dat taxichauffeurs geen ritten mogen weigeren, ook geen ritten met blindengeleidehonden. Ook de gemeente Den Haag heeft een dergelijke bepaling opgenomen in de concept taxiverordening. Op deze wijze kunnen gemeenten dus eisen dat klanten met blindengeleidehonden niet worden geweigerd, op straffe van sancties.
Bent u alsnog bereid te gaan handhaven of anders met een wetsvoorstel te komen waarin wordt geregeld dat blindengeleidehonden niet in taxi’s mogen worden geweigerd? Zo neen, waarom niet?
Een wettelijke verplichting acht ik niet nodig. Zoals ik in mijn antwoord van 22 januari 2013 (Kamerstuk II 31 521, nr. 67) op eerdere vragen van de Tweede Kamer heb aangegeven ben ik van mening dat de nationale regelgeving samen met de aanvullende eisen die gemeenten kunnen stellen voldoende zijn.
Wel zal ik de gemeenten nadrukkelijk wijzen op de mogelijkheid die de Taxiwet biedt aanvullende eisen aan het taxivervoer te stellen. Zo kan elke gemeente in ons land eisen dat blindengeleidehonden in taxi’s worden meegenomen. Ik zal een krachtig beroep op de gemeenten doen en hen sterk aanmoedigen van die mogelijkheid gebruik te maken.
Het rapport “Kenya’s 2013 Elections” van de International Crisis Group (ICG) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Kenya’s 2013 Elections», waarin verschillende aanbevelingen worden gedaan om de verkiezingen van 4 maart 2013 zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen?
De aanstaande verkiezingen in Kenia zijn complex van aard, mede gezien het feit dat twee (vice) presidentskandidaten voor het Internationaal Strafhof (ICC) moeten verschijnen in april 2013 voor betrokkenheid bij het verkiezingsgeweld in 2007 en 2008. De verkiezingsperiode brengt veel uitdagingen voor Kenia en de internationale gemeenschap met zich mee. Door de oplopende spanning in Kenia groeit de angst voor verkiezingsgeweld. Het rapport van de ICG vraagt hier aandacht voor.
Het ICG rapport geeft drie aanbevelingen aan de internationale gemeenschap: ondersteuning kiescommissie, de gerechtelijke macht en het aanpakken van politiek geweld; afstemming waarnemingsmissies en steunen van het African Union Panel of Eminent Personalities. Ik onderschrijf en ondersteun grotendeels deze aanbevelingen.
Ten eerste maakt Nederland zich al enkele jaren sterk voor de implementatie van de nieuwe grondwet uit 2010, die voorziet in een vergrote onafhankelijkheid van de kiescommissie, een versterkte rechterlijke macht en bestrijding van straffeloosheid. Ten tweede dringt Nederland samen met de EU en andere partners aan op coördinatie tussen verschillende waarnemingsmissies door het afstemmen van werkzaamheden en het delen van informatie. Ten derde ondersteunt Nederland zowel politiek als financieel, via de Kofi Annan Stichting, het African Union Panel of Eminent African Personalities.
Deelt u de constatering dat de kans op het uitbarsten van politiek geweld voor, tijdens en na de verkiezingen onverminderd hoog blijft?
Ja. Er zijn signalen van oplopende spanningen in het land. Op lokaal niveau heeft zich een aantal geweldsincidenten voorgedaan. Het is te verwachten dat er verder lokaal geweld zal plaatsvinden tijdens de verkiezingsperiode.
Op welke manier zet u zich in voor het voorkomen van politiek geweld en het bewaken van de onafhankelijkheid van de verkiezingscommissie?
Nederland ondersteunt de strijd tegen straffeloosheid, de implementatie van de nieuwe grondwet en draagt bij aan de geloofwaardigheid van het democratisch proces. In de praktijk vindt deze steun plaats door kiezersvoorlichting, verkiezingswaarneming, en hervormingen van de rechterlijke macht. Samen met andere donoren steunt Nederland de verkiezingscommissie in de uitvoering van het mandaat. Zo is vanuit dit fonds een communicatieadviseur aangesteld voor de publieke onafhankelijke positionering van de verkiezingscommissie.
Bovendien steunt Nederland de werkzaamheden van het ICC in Kenia. Nederland speelt een actieve rol bij het agenderen van vraagstukken omtrent de aanstaande verkiezingen en het ICC.
Wanneer zullen de internationale waarnemingsmissies precies beginnen? Vanaf welke datum zijn de waarnemers vanuit de EU aanwezig in Kenia? Welke rol speelt Nederland hierbij?
Nederland stimuleert de coördinatie en afstemming tussen de verschillende internationale waarnemingsmissies (EU, Afrikaanse Unie (AU), Commonwealth, East African Community (EAC), Carter Center).
De EU heeft in november 2012 een eerste waarnemingsmissie gestuurd voor observatie van de kiezersregistratie. De EU-langetermijnmissie met Nederlandse deelname is op 30 januari 2013 naar Kenia vertrokken. De kortetermijn EU-observatiemissie vindt van 25 februari tot 10 maart 2013 plaats.
Een delegatie van de AU, Common Market for Eastern and Southern Africa (COMESA) en Intergovernmental Authority on Development (IGAD) bracht van 16 tot 23 januari een bezoek aan Kenia met het oog op de verkiezingsvoorbereidingen. Dit bezoek markeerde de start van de langetermijn AU/COMESA-observatiemissie. Het Carter Center bereidt een langetermijnobservatiemissie voor vanuit Nairobi. De EAC voorziet naast een langetermijnmissie ook een korte termijn missie naar Kenia.
Arbeidsmarktbeleid in de Rotterdamse haven |
|
Sadet Karabulut (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de melding van collectief ontslag voor 35 voltijders door Rotterdam Port Services (RPS)?
Ja.
Is het u bekend dat het hier veelal gaat om oudere werknemers die door het faillissement van SHB parttime bij RPS in dienst werden genomen en dat deze werknemers door de parttime banen hun WW-rechten aan moesten spreken waardoor zij na het ontslag door RPS rechtstreeks in de bijstand zullen belanden? Hoe verhoudt dit ontslag zich tot het tegelijkertijd in dienst nemen van werknemers met tijdelijke contracten, onder andere gestimuleerd door werklozenprojecten waarbij RPS en Transcore ook nog eens dezelfde eigenaar hebben?
Het is mij bekend dat de betreffende werknemers als gevolg van het faillissement van SHB recht hebben gekregen op een WW-uitkering. Net als voor elke andere werknemer geldt ook voor deze werknemers dat als zij vervolgens gedeeltelijk gaan werken hun uitkering wordt beëindigd voor het aantal uren dat zij het werk hebben hervat. Indien deze werknemers vervolgens opnieuw werkloos worden uit die nieuwe baan, kan een nieuw (tweede) recht op WW zijn ontstaan.
Voor zover mij bekend zijn er momenteel nog geen ontslagen gevallen. Er is bij UWV alleen melding gedaan van een collectief ontslag; er zijn nog geen ontslagaanvragen bij UWV ingediend.
Kunt u een overzicht geven van alle nationale en gemeentelijke projecten die zich erop richten jongeren aan het werk te krijgen in de Rotterdamse haven en de voorwaarden voor financiële steun aan deze projecten noemen?
De begeleiding van werkzoekenden op de arbeidsmarkt, waaronder jongeren, is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van gemeenten. De dienst W&I van de gemeente Rotterdam kan nadere informatie verstrekken over mogelijke gemeentelijke projecten om jongeren aan het werk te krijgen in de Rotterdamse haven. De jeugdwerkloosheid heeft mijn aandacht en is onderwerp van gesprek in het overleg met sociale partners. Ik heb uw Kamer op 17 januari tijdens een Dertigledendebat geïnformeerd over mijn aanpak van jeugdwerkloosheid. Ik heb daarbij toegezegd eind februari een brief te sturen met de tussenstand van het overleg met sociale partners voor wat betreft de aanpak van jeugdwerkloosheid.
Kunt u een overzicht geven van de kosten van deze projecten? Kunt u een overzicht geven van de resultaten van de projecten? Hoeveel vaste dienstverbanden hebben deze projecten opgeleverd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u op de hoogte van de ruim duizend havenwerkers (waaronder veel sjorders) op een totaal havenwerkers bestand van 7000, die keer op keer een tijdelijk contract krijgen en geen zicht hebben op een vaste aanstelling?1
Ja, ik ken het artikel uit het AD/Rotterdams Dagblad van 15 november 2012 waarin melding wordt gemaakt van bedrijven die jaarcontracten oneindig verlengen met na drie jaarcontracten een onderbreking van drie maanden waarin de werknemer een WW-uitkering ontvangt.
Deelt u de mening dat deze ruim duizend havenwerkers die jarenlang achter elkaar werken voor dezelfde baas, een vaste arbeidsovereenkomst moeten krijgen? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dat te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat flexibele arbeid van belang is voor de dynamiek op de arbeidsmarkt, maar voorkomen moet worden dat flexibele arbeid oneigenlijk gebruikt wordt en verwordt tot een goedkoop alternatief voor werk dat door vaste werknemers kan worden gedaan. In het overleg van het kabinet met sociale partners over de sociale agenda wordt ook gesproken over de mogelijkheden om flexibele en vaste arbeid beter met elkaar in balans te brengen. Dit moet leiden tot een sterkere bescherming van flexwerkers waardoor hun mogelijkheden om te bouwen aan hun toekomst ook zullen toenemen. De uitkomst van deze gesprekken zal in het voorjaar in een Hoofdlijnennotitie aan de Kamer worden aangeboden.
Wordt er misbruik van de wet gemaakt door de sjorders drie tijdelijke contracten te bieden, dan drie maanden de WW in te laten gaan en dan weer aan te nemen? Acht u het gebruik maken van de ketenregel op deze manier wenselijk? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Op grond van de zogenoemde ketenbepaling geldt dat bij elkaar opvolgende tijdelijke contracten bij het 4e contract, of als bij een minder aantal een termijn van 3 jaar wordt overschreden, een vast contract ontstaat. Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van minder dan 3 maanden opvolgen. De regeling geldt ook ten aanzien van elkaar opvolgende werkgevers (bij dezelfde werkzaamheden). Bij cao kan (ten nadele van de werknemer) van het aantal contracten worden afgeweken, van de termijn van 3 jaar, van de tussenpoos van 3 maanden en van de bepaling over elkaar opvolgende werkgevers.
Het staat een werkgever in beginsel vrij een werknemer al dan niet een volgend contract aan te bieden. De ketenbepaling verplicht hem daar niet toe. In de situatie dat een werkgever na drie tijdelijke contracten, vervolgens drie maanden WW opnieuw een contract voor bepaalde tijd aanbiedt, hoeft niet zonder meer sprake te zijn van ontduiking van de ketenbepaling. Op enig moment kan er echter wel sprake zijn van strijdigheid met de bedoeling van de wet. Een en ander is afhankelijk van de feiten. Ik wijs erop dat als een werkgever zich van dergelijke – structurele – constructies bedient waarbij er geen sprake is van afwijking via cao, de rechter hier een stokje voor kan steken. Het is aan de werknemer zelf om zich tot de rechter te wenden.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 kijkt het kabinet samen met sociale partners naar verbetering van de wettelijke bescherming voor verschillende vormen van flexibele arbeid. Daarbij wordt ook de ketenbepaling betrokken.
Wat is uw mening over het feit dat de naar schatting 250 sjorders met tijdelijke contracten, op een totaalsjordersbestand van 450, ook nog een deeltijdovereenkomst hebben, maar zich wel week in week uit, dag en nacht voor de baas beschikbaar moeten houden? Is dit wettelijk toegestaan? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen? Zo ja, behoeft deze wet volgens u aanpassing?
Het is wettelijk toegestaan dat op oproepbasis meer uren worden gewerkt dan volgens de contractuele arbeidsduur. De werkgever en werknemer zijn vrij een oproepcontract af te sluiten waarbij de werknemer zich beschikbaar houdt voor werk.
Ook dit punt loopt mee in het overleg van het kabinet met sociale partners naar mogelijkheden voor verbetering van de wettelijk bescherming voor verschillende vormen van flexibele arbeid.
Deelt u de mening dat ook werkers met tijdelijke contracten en onregelmatig werk zoals bijvoorbeeld sjorders, huishoudelijk werkers en horecamedewerkers, recht hebben op zekerheid en mogelijkheden om te kunnen bouwen aan een toekomst met huisje, boompje en beestje? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen voor meer zekerheid voor flexwerkers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de positie van havenwerkers beschermd dient te worden, juist in deze tijden van crisis? Deelt u de mening dat we opnieuw een systeem van geregistreerde havenarbeid in moeten voeren om dit te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid ILO-verdrag, nr. 137 te ondertekenen, zodat Nederland haar haven en havenarbeiders weer in bescherming zal nemen?
ILO-verdrag 137 over havenarbeid vereist onder meer registratie van havenarbeiders en voorrang bij het vinden van werk van deze geregistreerde havenarbeiders. Het verdrag is in 1975 door Nederland bekrachtigd. Nederland voldeed destijds aan de verplichtingen van het verdrag, onder meer via een bij (bedrijfstak)cao ingestelde (en uit de Werkloosheidswet medegefinancierde) havenpool en een pasjesregeling ter registratie. Het verdrag is in 2006 door Nederland opgezegd. Op dat moment werd niet meer voldaan aan de verdragsvereisten, aangezien de betreffende CAO en de wettelijke voorzieningen waren vervallen. Door het wegvallen van de afspraken tussen de sociale partners om aan de verplichtingen van het verdrag te voldoen zou de regering op dat moment wet- en regelgeving hebben moeten introduceren, die het geldende arbeidsmarktbeleid zou doorkruisen. De situatie is op dat punt niet gewijzigd en geeft het kabinet derhalve geen aanleiding tot herziening van het standpunt met betrekking tot ILO-verdrag 137. Het staat de sociale partners in de haven uiteraard vrij om eigen afspraken te maken over bijvoorbeeld het behoud van werkgelegenheid of bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen.
Het vechten voor een schone vechtsport |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de nieuwsuitzending van Brandpunt waarin geweldsincidenten met kickboksers en geweldsincidenten rond vechtsportgala’s aan de orde worden gesteld?1
Ja.
Is het waar wat de Utrechtse wetenschapper in de uitzending beweert dat er te weinig medisch toezicht is op de boksers? Zo ja, hoe komt dat en wat gaat u doen om hier verbetering in aan te (laten) brengen? Zo nee, waarom niet? Waaruit blijkt dat het medisch toezicht wel goed geregeld is?
De betreffende wetenschapper heeft op 24 januari 2013 het onderzoek, getiteld «Aanzien en overleven in een sport vol passie» naar de praktijk van de vechtsporten gepresenteerd tijdens de Vechtsportconferentie «Samen de sport gezond houden en beschermen». Een bevinding uit het onderzoek die in dit verband relevant is, is dat er vanuit medisch perspectief gezien onvoldoende afspraken en regels zijn om de lichamelijke veiligheid van (jonge) vechtsporters te garanderen. Het ontbreekt aan een adequaat systeem van registratie en verplichte controles om de gezondheid van (jonge) vechtsporters op de lange termijn te waarborgen. Dit vergroot de kans dat een sporter bijvoorbeeld na een knock out weer te snel de ring in gaat met alle mogelijke gevolgen van dien.
Een oorzaak hiervan kan gelegen zijn in de slechte organisatie van de vechtsporten. Veelzeggend is de bevinding in het onderzoeksrapport, dat een structurele organisatorische wanorde wordt waargenomen. «Deze wanorde wordt veroorzaakt door bestuurlijke onmacht in een door wantrouwen, conflicten en vetes verdeelde sector waarin niet met elkaar wordt gesproken en amper kan worden samengewerkt. Deze wanorde maakt het bijna onmogelijk om de kwaliteit en het imago van de vechtsporten te verbeteren». Tijdens de conferentie werden de bevindingen niet tegengesproken.
Deelt u de mening van de genoemde wetenschapper dat er geen zicht is op de kwaliteit van vechtsportdocenten? Zo ja, hoe komt dat en wie is er verantwoordelijk voor verbetering van die kwaliteit? Zo nee, waar blijkt uit dat die kwaliteit wel goed is?
De voor het eerder genoemde onderzoek ondervraagde respondenten ervaren het gebrek aan voldoende pedagogisch en didactisch onderlegde vechtsportdocenten als probleem. Ik kan deze conclusie en de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen niet op basis van eigen informatie bevestigen, maar heb geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Door dit gebrek kan de kwaliteit en het op verantwoorde wijze onderwijzen van vechtsporten niet gegarandeerd worden. Een uitzondering op deze situatie vormt wellicht de FOG (Federatie Oosterse Gevechtskunsten), die bij NOC*NSF is aangesloten. De FOG kent een erkend opleidingsprogramma voor docenten in een aantal vechtsporten.
Hebt u kennisgenomen van het intern rapport van het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC)? Is het waar dat er in dit rapport geconcludeerd wordt dat er bij zeker de helft van de vechtsportgala’s relaties zijn met georganiseerde criminaliteit? Zo ja, wat wordt er nog meer in het rapport beschreven en geconcludeerd en kunt u dit rapport voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, wat staat er dan wel in het rapport?
In het najaar van 2010 is van de Politie Amsterdam-Amstelland een bestuurlijke rapportage verschenen over het criminele karakter van vechtsportevenementen. Naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester van Amsterdam, tevens toenmalig voorzitter van de Stuurgroep RIEC Noord-Holland, het RIEC verzocht om een bredere analyse. Deze analyse is in april 2012 door het RIEC Noord-Holland afgerond en heeft geresulteerd in het rapport «Verwevenheid in de ring bij Kickbocksen, MMA, freefight en K1». In het rapport wordt geconcludeerd dat bij bijna de helft van de vechtsportevenementen misstanden van politiële en/of fiscale aard zijn aangetroffen, en dat er dus risico op georganiseerde criminaliteit bestaat. Bijna alle onderzochte organisatoren zijn van malafide aard en vertonen kenmerken die witwaspraktijken suggereren. In de politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Kennemerland bleek de helft van de onderzochte sponsoren te vallen in de zogenaamde risicocategorie (ernstige misstanden en/of relatie tot georganiseerde criminaliteit). Verder is sprake van vechters die criminele activiteiten plegen en actief zijn in de georganiseerde misdaad.
Het betreft hier een intern rapport van het RIEC Noord-Holland, dat beschikbaar is voor alle deelnemers aan het RIEC. De verspreiding en eventuele openbaarmaking is een zaak van het RIEC. Het rapport is aangeboden aan alle gemeenten die onder het gebied van het RIEC vallen2, en aan de gemeente Amsterdam. Hierbij is het advies gegeven om het gemeentelijk beleid op dit onderwerp aan te passen, onder andere door in de APV op te nemen dat vechtsportevenementen vergunningsplichtige evenementen zijn. Dit maakt het mogelijk om een Bibob-toets uit te voeren en zo bij risico’s op betrokkenheid van georganiseerde criminaliteit een vergunning niet te verlenen. Inmiddels heeft naar aanleiding van het rapport het merendeel van de gemeenten in Noord-Holland de APV aangepast, of zal dit op korte termijn gaan doen. Om dit mogelijk te maken is door het ministerie van Veiligheid en Justitie het Besluit Bibob aangepast.
Overigens hadden enkele gemeenten, waaronder Amsterdam en Hoorn, dit al eerder gedaan als gevolg van aanbevelingen die in de eerder genoemde bestuurlijke rapportage staan vermeld.
De hierboven geschetste ontwikkeling is bij uitstek een voorbeeld van hoe de RIEC’s functioneren in het signaleren van regionale misstanden, het analyseren van de problematiek en het vervolgens geven van beleidsadvies aan de gemeenten in de betreffende regio. De samenwerking tussen lokaal, regionaal en landelijk niveau maakt het voor malafide organisatoren steeds moeilijker een locatie voor hun evenementen te vinden. Uiteraard is het zaak om uiteindelijk in alle gemeenten van Nederland dergelijk beleid in te voeren. Ik zal dan ook verzoeken om voornoemd rapport aan alle RIEC’s in Nederland ter beschikking te stellen. Gezien de effectieve aanpak van deze problematiek in Noord-Holland zie ik vooralsnog geen reden tot een landelijk onderzoek naar de verwevenheid van de vechtsport met de criminaliteit in Nederland. Ik ben ervan overtuigd dat er voldoende instrumenten voorhanden zijn om hier op lokaal en regionaal op te reageren.
Hoe lang bent u op de hoogte van bovengenoemd rapport of andere gegevens over misstanden binnen de vechtsportwereld? Welke maatregelen heeft u naar aanleiding hiervan genomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebt u inzicht in de mate waarin de vechtsport verweven is met criminaliteit in Nederland? Zo ja, kunt u de Kamer een volledig overzicht geven van de aard en omvang van deze verwevenheid? Zo nee, bent u bereid om nader onderzoek te doen naar deze verwevenheid en de Kamer op de hoogte te stellen van de uitkomsten van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er een speciale commissie in het leven geroepen moet worden die orde op zaken gaat stellen in de vechtsport? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit realiseren?
Uit eerder genoemd onderzoek komt naar voren dat het inrichten van een nationale Vechtsportcommissie, die vergaande bevoegdheden zou moeten krijgen, aan te bevelen is. De Minister van VWS zou daarin volgens de onderzoekers het voortouw moeten nemen, omdat de problematiek een landelijk karakter heeft gekregen, maar ook, om met de onderzoekers te spreken, omdat het ministerie een onafhankelijke positie in kan nemen en dwingend zou kunnen optreden.
Ik beraad mij nog op mijn positie in dit dossier dat complexe organisatorische, financiële, pedagogische, medische en ook criminele aspecten in zich heeft. Ik ben bereid een aantal relevante stakeholders uit te nodigen om te verkennen wat in deze een goede en begaanbare weg zou kunnen zijn. Ik zal uw Kamer voor het zomerreces daarover inlichten.
Diefstal uit schuren in Oost-Nederland |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat in Oost-Nederland relatief veel diefstal uit schuren plaatsvindt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat, in aanvulling op de eigen verantwoordelijkheid die mensen hebben, met stevige hand opgetreden moet worden tegen deze vorm van diefstal?
Net als overvallen, geweld en straatroven vallen (woning)inbraken onder de High Impact Crimes met een grote impact op het slachtoffer. Dit heeft de prioriteit van mijn Ministerie alsmede de Politie en het OM. In het kader van de landelijke prioriteiten voor de politie heb ik bij de aanpak van high impact criminaliteit met bestuur, politie en OM afgesproken dat de pakkans voor deze delicten in 2014 met 25% moet stijgen t.o.v. van 2009. Hierbij worden zowel maatregelen genomen ter voorkoming van deze delicten als ter vergroting van de pakkans. Per eenheid wordt specifiek naar de veiligheidssituatie gekeken om hierbij, in overleg met het gezag, passende maatregelen te nemen.
De politie zit goed op koers om dit resultaat te behalen.
Om die pakkans te vergroten en verdere delicten te voorkomen is het belangrijk dat slachtoffers aangifte doen. De politie stimuleert slachtoffers dan ook om dat te doen. Eventuele aangetroffen trends bij die aangiften worden onderzocht en geanalyseerd. Op basis van deze informatie wordt een passende aanpak opgesteld om zo de heterdaadkracht te vergroten. Tevens besteedt de politie aandacht aan preventie waarmee voorkomen kan worden dat een delict plaatsvindt of de slagingskans van een eventueel onderzoek kan worden vergroot.
Blijkt uit de politiecijfers inderdaad dat er sprake is van een toename van het aantal diefstallen uit schuren?
Het aantal aangiften of incidenten waarbij het een inbraak of diefstal uit specifiek een schuur betreft wordt niet door de politie geregistreerd. Wel wordt het totaal aantal aangiften van een diefstal of inbraak uit ofwel een box, ofwel een garage, ofwel een schuur ofwel een tuinhuis geregistreerd. In de regionale eenheid Oost lag dit aantal in 2012 4% hoger dan in 2011. Aangezien binnen dit totaal aantal aangiftes van inbraken of diefstal niet gedifferentieerd wordt, is het daarbij niet aan te geven bij welk deel van deze aangiftes het specifiek een schuur betrof.
Is u bekend welk aandeel van de gestolen goederen, zoals zitmaaiers en bladblazers, naar Oost-Europa verdwijnt? Welke acties onderneemt de politie om hier zicht op te krijgen? Vindt er overleg plaats met politie en justitie van Oost-Europese landen om in het bijzonder alert te zijn op invoer van gebruikte (landbouw)werktuigen?
Inbraken, waaronder ook schuurinbraken, hebben de aandacht van de politie in de regionale eenheid Oost. Op basis van politie-informatie is niet aan te geven waar goederen die bij schuurinbraken worden gestolen uiteindelijk naar toe gaan. Bij politieonderzoeken naar dergelijke inbraken komen verdachten van verschillende nationaliteiten, waaronder Nederlandse maar ook Oost-Europese, in beeld. Er zijn daarbij de afgelopen twee jaar verschillende onderzoeken geweest naar (reeksen van) dergelijke inbraken. Daarbij is onder andere samengewerkt met de Litouwse politie en zijn in 2012 integrale controle acties uitgevoerd waarbij de Eenheid Oost-Nederland samenwerkte met Poolse agenten.
Tot slot heeft de politie, als in het kader van een onderzoek naar schuurinbraken concrete aanwijzingen zijn dat een vreemdeling daarbij betrokken is, de mogelijkheid om een internationaal rechtshulpverzoek in te dienen bij de autoriteiten van het land van herkomst van de verdachte. Deze contacten zijn er, net als bij andere landen, ook met Oost-Europese autoriteiten.
Wat is uw inzet om deze diefstallen terug te dringen en de pakkans van daders te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarborgt u binnen de Nationale Politie dat ook in landelijke gebieden in Oost-Nederland ’s nachts en in de weekenden voldoende politie beschikbaar is om deze trend te keren?
De operationele sterkte van de politie en de verdeelsystematiek over de regionale eenheden is door mij in overleg met uw Kamer vastgesteld. De verdeling van de capaciteit binnen de eenheid is een verantwoordelijkheid van de burgemeesters en de Hoofdofficier van Justitie. Het is daarbij dus aan het gezag waar zij de prioriteiten willen leggen. Het Regionaal Beleidsplan, waarin de landelijke en lokale prioriteiten voor de eenheid worden vastgelegd, vormt hiervoor de basis. Op basis van actuele ontwikkelingen kunnen burgemeesters en Hoofdofficier van Justitie vervolgens eventueel besluiten tot (tijdelijke) verschuiving van capaciteitsinzet binnen de eenheid.
Het gebruik van persoonsgebonden budget in het buitenland |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat PGB-houders nog maar voor 13 kalenderweken AWBZ-zorg kunnen inkopen in het buitenland, ook wanneer deze binnen de Europese Unie (EU) wordt geleverd?
Ja, dat is per 1 januari 2013 geregeld in de Regeling subsidies AWBZ. Een uitzondering is hierbij, net als bij zorg in natura, gemaakt voor palliatieve terminale zorg. Deze cliënten kunnen maximaal één jaar hun pgb in het buitenland gebruiken, zodat zij in staat worden gesteld om afscheid te nemen van hun familie in het land van herkomst.
Kunt u aangeven wat de redenen zijn om de inkoop van AWBZ-zorg in het buitenland met een persoonsgebonden budget ook binnen de EU te beperken tot 13 kalenderweken per jaar?
Op 1 januari 2013 zijn de Wet AWBZ-zorg buitenland en een wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) in werking getreden, met als doel een beperking aan te brengen in de mogelijkheden om in het buitenland AWBZ-zorg te ontvangen. In de Memorie van Toelichting bij de wet (Kamerstukken II 2009/10, 32 154, nr. 3) is aangekondigd dat de Regeling subsidies AWBZ (waarin de pgb-regeling is opgenomen) in lijn met deze nieuwe wetgeving zou worden aangescherpt tot maximaal dertien weken bij tijdelijk verblijf van de budgethouder in het buitenland (bijvoorbeeld vanwege een vakantie). Deze termijn van dertien weken sluit aan bij de in het Bza opgenomen restitutieregeling voor niet-gecontracteerde zorg in het buitenland (zowel binnen als buiten de EU/EER). Bij de keuze van de termijn van dertien weken in het Bza is aangesloten bij de wetgeving betreffende uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid (dertien weken). Deze uitwerking van de restitutieregeling is in lijn met hetgeen tussen mijn ambtsvoorganger en uw Kamer is gewisseld tijdens de parlementaire behandeling van het genoemde wetsvoorstel, en overeenkomstig de aanpassing in het BZa, zoals die op 15 juni 2012 is voorgehangen.
Is het waar dat AWBZ-zorg, wanneer het gaat om zorg in natura en deze binnen Europa wordt geleverd, niet beperkt is tot een aantal weken per jaar? Zo ja, wat zijn de redenen voor het verschil in lengte van vergoeding van zorg in het buitenland voor mensen met een persoonsgebonden budget en zorg in natura?
In de AWBZ (artikel 10), zoals die per 1 januari 2013 geldt, is geregeld dat de verzekerde recht heeft op zorg in natura die wordt geboden door een zorgaanbieder die door de zorgverzekeraar binnen Nederland of de EU en de EER is gecontracteerd. Dit kan zowel gecontracteerde intramurale als extramurale zorg zijn. Daarnaast is geregeld dat de verzekerde recht heeft op niet-gecontracteerde extramurale zorg in natura binnen Nederland of de EU en de EER. Bij deze genoemde vormen van zorg binnen de EU/EER heeft de AWBZ-verzekerde derhalve een aanspraak zolang de persoon als Nederlands ingezetene kan worden aangemerkt. Alleen dan blijft de persoon immers verzekerd voor de AWBZ. Zolang de persoon verzekerd blijft, is er dus inderdaad een verschil met het pgb, waarvan de duur wel begrensd is.
De reden voor dit verschil vloeit voort uit het Europese recht. Het uitgangspunt van de AWBZ is dat zorg in natura wordt ontvangen van een gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland, omdat dat de plaats is waar de AWBZ-verzekerde zich doorgaans bevindt. Het Europese Hof van Justitie heeft echter bepaald dat, in verband met het vrije verkeer van diensten, ook gecontracteerde intra- en extramurale zorg en niet-gecontracteerde extramurale zorg zonder beperking bij een zorgaanbieder in een andere EU-lidstaat moet kunnen worden ingeroepen. Bij het pgb bestaat er geen Europees rechtelijke verplichting om toe te laten dat deze buiten Nederland wordt geëxporteerd. Het Europese Hof van Justitie heeft namelijk uitgesproken dat betalingen in geld die het karakter van een verstrekking hebben niet hoeven te worden uitbetaald buiten het land van verzekering. De Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken dat het pgb een zodanige betaling is. Er kan dus, in tegenstelling tot zorg in natura, worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat het pgb in principe alleen in Nederland wordt ingezet.
Niettemin is er voor gekozen om budgethouders die voor een korte periode naar het buitenland gaan de mogelijkheid te geven om tijdens dat verblijf gebruik te kunnen blijven maken van het pgb, zodat zij hun zorginkoop – vaak vanuit hun informele netwerk – kunnen voortzetten. Voor verzekerden die in het buitenland een nieuwe aanspraak te gelde willen maken of budgethouders die voor langere tijd naar het buitenland gaan, staan de mogelijkheden van de Wet AWBZ-zorg buitenland open.
Deelt u de mening dat er geen verschil dient te bestaan in de behandeling van mensen die zorg in natura krijgen en mensen die voor AWBZ-zorg gebruik maken van een persoonsgebonden budget? Zo ja, waarom bestaat dan toch een onderscheid in lengte van de vergoeding van AWBZ zorg in het buitenland? Zo nee, wat rechtvaardigt een onderscheid in behandeling van mensen die ervoor kiezen AWBZ-zorg in natura af te nemen en mensen die dit via een persoonsgebonden budget doen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de regelgeving rondom AWBZ-zorg in het buitenland voor mensen met een persoonsgebonden budget in lijn te brengen met de regelingen zoals deze gelden voor mensen die deze zorg in natura in het buitenland ontvangen?
Ik zie geen reden om de periode van 13 weken waarin het toegekende pgb in het buitenland kan doorlopen te verruimen. De «13-weken-regeling» is al ruim en is in lijn met de restitutiemogelijkheid bij niet-gecontracteerde zorg. Het oprekken van deze termijn gaat in tegen het uitgangspunt van de AWBZ en vergroot risico’s op fraude met AWBZ-geld.
Hoe vaak wordt er gebruik gemaakt van zorg in natura in het buitenland? Hoeveel van deze zorg wordt binnen Europa geleverd?
Mij zijn de totale kosten van de AWBZ-zorg in het buitenland bekend (niet nader gespecifieerd naar het aantal gebruikers en / of het land waar deze zorg wordt genoten). Volgens opgave van het College voor Zorgverzekeringen gaat het om een bedrag van circa € 1,8 mln.
Hoe vaak wordt er gebruik gemaakt van een persoonsgebonden budget in het buitenland? Hoeveel van deze zorg wordt binnen Europa geleverd?
Hierover is geen landelijke informatie beschikbaar. Uit een peiling onder verschillende zorgkantoren komt naar voren dat naar schatting minder dan 1% van het aantal budgethouders in het buitenland verblijft. Als in het buitenland zorg wordt ingekocht gaat het vooral om zorg van een Nederlandse zorgverlener of een familielid.
Het bericht dat zorgverzekeraars verpleegkundig specialisten niet als hoofdbehandelaar erkennen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u de blog gelezen op SKIPR?1
Ja, ik heb de blog gelezen.
Is het waar dat er zorgverzekeraars zijn die verpleegkundig specialisten niet erkennen als hoofdbehandelaar?
Zoals ik u reeds gemeld heb in mijn reactie van 9 oktober 2012 op het onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit naar taakherschikking (TK 29 689, 418), beperken zorgverzekeraars inderdaad de groep behandelaars die DBC’s kunnen openen, de zogenaamde «hoofdbehandelaars». Die beperking geldt ook voor verpleegkundig specialisten.
Een jaar geleden (februari 2012) speelde deze kwestie ook, kunt u zeggen wat er in het achterliggend jaar is gebeurd om deze patstelling vlot te trekken?
Zoals ik in mijn brief van 9 oktober 2012 heb aangegeven, is in het bestuurlijk akkoord Toekomst GGZ 2013–2014 afgesproken dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vanuit kwaliteitsoverwegingen landelijke criteria afspreken waaronder taakherschikking en taakdelegatie plaatsvindt en wat de rol van de hoofdbehandelaar is. De IGZ heeft in dat kader het initiatief genomen om veldpartijen te consulteren over het hoofdbehandelaarschap. Op 15 november 2012 heeft de IGZ een document over hoofdbehandelaarschap in de tweedelijns curatieve GGZ ter consultatie voorgelegd aan veldpartijen. Het doel van de consultatie is om te komen tot een veldnorm voor hoofdbehandelaarschap. Partijen hebben tot 7 januari 2013 de gelegenheid gehad om op het document te reageren. De IGZ verwerkt deze reacties en zal mij nog in dit kwartaal adviseren. Vóór de zomer zal ik u nader informeren over de consequenties van het advies van de IGZ. Ik verwacht dat met het tot stand komen van een veldnorm voor hoofdbehandelaarschap meer duidelijkheid zal komen over welke beroepsgroep wat mag doen in de tweedelijns curatieve GGZ, en daarmee ook wat een verpleegkundig specialist mag doen. Mijns inziens is het van belang dat ook verzekeraars rekening houden met de veldnorm bij het vormgeven van hun beleid.
Hoe hoog is de onkostenpost aan teveel betaalde salariskosten, door het onnodig inzetten van duurdere mensen, waar de verpleegkundig specialisten het werk ook uitstekend kunnen doen?
Voor zover mij bekend is geen onderzoek gedaan naar het financiële effect van de beperkingen die zorgverzekeraars in de polisvoorwaarden stellen voor wat betreft het openen van DBC’s. Aangezien de beperking alleen het «hoofdbehandelaarschap» betreft, blijft er veel ruimte voor het inzetten van onder andere verpleegkundig specialisten op andere onderdelen van de behandeling. Ik verwacht daarom dat het financiële effect beperkt zal zijn. Overigens is niet gezegd dat een uitbreiding van de bevoegdheden en inzet van een bepaalde beroepsgroep altijd leidt tot een afname van de inzet van andere (duurdere) beroepsgroepen, en daarmee altijd per saldo tot lagere kosten leidt.
Zorgverzekeraars willen geen budget verspillen, wat beweegt de zorgverzekeraars deze mogelijkheid van goedkopere inkoop met behoud van kwaliteit niet te benutten?
Zorgverzekeraars maken hun eigen afweging over de kwaliteit en doelmatigheid, daar kan ik niet in treden. Wel ben ik in het kader van het bestuurlijk akkoord Toekomst GGZ 2013–2014 met zorgverzekeraars en zorgaanbieders in gesprek over taakherschikking. In het bestuurlijk akkoord is afgesproken om vanuit kwaliteitsoverwegingen landelijke criteria afspreken waaronder taakherschikking en taakdelegatie plaatsvindt.
Zou het kunnen dat er in de praktijk behoefte is aan generalisten, in plaats van nog meer specialisten, en dat daardoor de inzet achterblijft?
Ik heb geen signalen dat dat het geval is.
Bent u niet bang dat deze ontwikkeling erg demotiverend werkt voor de beroepsgroep van verpleegkundigen die zich willen specialiseren?
Ik kan mij voorstellen dat terughoudendheid van zorgverzekeraars ontmoedigend werkt voor verpleegkundig specialisten en andere verpleegkundigen die zich verder willen ontwikkelen.
Worden verpleegkundig specialisten gezien als een aanwinst of misschien als een bedreiging voor een andere beroepsgroep? Als ze worden gezien als een aanwinst, hoe komt het dat ze in de uitoefening van hun vak niet volledig worden ingezet, ook voor het openen van nieuwe diagnosebehandelingcombinaties (DBC’s)?
Verpleegkundig specialisten worden zoals u weet door mij gezien als een aanwinst.
Bent u bereid na te gaan hoe het kan dat een jaar nadat de erkenning van deze beroepsgroep de zorgverzekeraars de volledige inzet tegenwerken?
De IGZ heeft ook Zorgverzekeraars Nederland geconsulteerd over het hoofdbehandelaarschap. Ik verwacht daarom dat het advies van de IGZ meer inzicht zal geven in de overwegingen van de zorgverzekeraars op het gebied van het hoofdbehandelaarschap.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de rest van de experimenteerperiode de mogelijkheden van de specialistische verpleegkundigen beter worden benut?
Ik ga ervan uit dat een veldnorm voor het hoofdbehandelaarschap meer duidelijkheid biedt voor de rol die verpleegkundig specialisten kunnen vervullen in de tweedelijns GGZ. Daarnaast is in het bestuurlijk akkoord Toekomst GGZ 2013–2014 afgesproken dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vanuit kwaliteitsoverwegingen landelijke criteria afspreken waaronder taakherschikking en taakdelegatie plaatsvindt.
De effecten van de vermogensinkomensbijtelling voor het bepalen van de eigen bijdrage voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u op basis van de verstuurde beschikkingen van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) inzicht verschaffen in de (voorlopige) opbrengst van de vermogensinkomensbijtelling in 2013? Komt die opbrengst overeen met de vooraf geschatte opbrengst, uitgesplitst naar AWBZ-zorg met verblijf (€ 146 miljoen), AWBZ-zorg zonder verblijf (€ 12 miljoen) en de Wmo (€ 32 miljoen)?1 Zo nee, hoeveel wijkt de opbrengst af?
Voor de vermogensinkomensbijtelling (VIB) is in het Begrotingsakkoord 2013 uitgegaan van een opbrengst van ongeveer € 150 miljoen op jaarbasis voor cliënten die in een intramurale instelling verblijven en ongeveer € 50 miljoen op jaarbasis voor cliënten die extramurale zorg of een voorziening uit de WMO ontvangen. Op basis van de eerste beschikkingen die het CAK heeft gestuurd, geeft het CAK aan dat de opbrengst voor intramurale AWBZ in dezelfde orde van grootte ligt. Er zijn nog geen beschikkingen uitgegaan voor de WMO of extramurale AWBZ. Het is nu te vroeg om met zekerheid aan te geven wat de opbrengst zal worden. Mede gezien het feit dat de eigen bijdragen voor cliënten die gebruik maken van extramurale AWBZ en/of een voorziening uit de WMO dit jaar nog niet zijn opgelegd. Ook kan de hoogte van de eigen bijdrage per cliënt gedurende het jaar variëren door verandering in inkomen, vermogen of vraag naar zorg/voorziening. Dit zal uiteindelijk ook invloed hebben op de macro-opbrengst. Als laatste kunnen de beschikkingen die in januari uit zijn gegaan nog veranderen door bijvoorbeeld een aanvraag tot peiljaarverlegging.
Kunt u op basis van de beschikkingen van het CAK aangeven of de vooraf ingeschatte gemiddelde verhoging van de eigen bijdrage overeenkomt met de daadwerkelijke gemiddelde verhoging, uitgesplitst naar de hoge eigen bijdrage voor zorg met verblijf (€ 235 per maand), de lage eigen bijdrage voor zorg met verblijf (€ 12 per maand), de eigen bijdrage voor de Wmo (€ 37 per maand) en de eigen bijdrage voor zorg zonder verblijf (€ 22 per maand)?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u op basis van de beschikkingen van het CAK inzicht geven in het aantal mensen per box III vermogenscategorie, met een interval van € 10.000, dat te maken krijgt met de vermogensinkomensbijtelling (dus: € 0–€ 10.000, € 10.000–€ 20.000, (...) tot > € 200.000)?
Op grond van de in januari gestuurde beschikkingen heeft het CAK onderstaande tabel gemaakt voor de cliënten die gebruik maken van intramurale zorg.
€ 0,– tot € 10.000,–
10.963
€ 10.000,– tot € 20.000,–
10.197
€ 20.000,– tot € 30.000,–
7.792
€ 30.000,– tot € 40.000,–
5.372
€ 40.000,– tot € 50.000,–
3.768
€ 50.000,– tot € 60.000,–
2.784
€ 60.000,– tot € 70.000,–
2.278
€ 70.000,– tot € 80.000,–
1.929
€ 80.000,– tot € 90.000,–
1.590
€ 90.000,– tot € 100.000,–
1.398
€ 100.000,– tot € 150.000,–
5.022
€ 150.000,– tot € 200.000,–
3.051
€ 200.000,– en hoger
7.388
Totaal
63.532
Dit betreft het aantal cliënten op 1 januari 2013.
Kunt u ingaan op de vraag of de gemiddelde verhoging van de eigen bijdrage voor het zevende (€ 264 per maand), achtste (€ 463 per maand) en negende deciel (€ 635 per maand) van tabel 4.3.1 uit de bijlage bij de brief van uw voorganger van 22 juni 2012 overeenkomt met de signalen die van mensen zijn ontvangen dat de hoge eigen bijdrage voor verblijf bij een box III vermogen van € 150.000 soms stijgt met bijna € 1000 per maand?2 Kunt u aangeven welke box III vermogens horen bij elk van de vermogensdecielen uit tabel 4.3.1?
In de CBS tabel is aangegeven hoeveel cliënten per type eigen bijdrage effect ondervinden van de vermogensinkomensbijtelling. Ook de totale opbrengsten per categorie zijn vermeld en de gemiddelde stijging van de eigen bijdrage per jaar per type eigen bijdrage. Daarnaast heeft het CBS een verdeling naar inkomensdeciel gemaakt.
Uit de tabel valt af te leiden dat mensen in een laag inkomensdeciel gemiddeld een lagere stijging van de eigen bijdrage op grond van de VIB ondervinden en mensen in een hoger inkomensdeciel een gemiddelde hogere stijging kennen. Omdat het gaat om gemiddelden kan in elk inkomensdeciel een variatie in hoogte van de eigen bijdrage stijging op treden. Hierdoor is het dan ook niet mogelijk om te zeggen dat de hoge eigen bijdrage stijgingen zich beperken tot enkele inkomensdecielen.
Kunt u op basis van de beschikkingen van het CAK inzicht geven in het aantal mensen onder de 65 jaar en het aantal mensen boven de 65 jaar dat te maken krijgt met een vermogensinkomensbijtelling?
65 min
21.394
65 plus
42.138
Totaal
63.532
Voor de volledigheid, dit betreft het aantal cliënten op 1 januari 2013. Voor cliënten met een pensioengerechtigde leeftijd geldt een extra fiscale inkomensafhankelijke vrijstelling (afhankelijk van inkomen maximaal € 49.123 per persoon) die ook geldt voor de VIB.
Wilt u alsnog de mogelijkheid onderzoeken om een voor iedereen gelijke box III vrijstelling te hanteren voor het bepalen van de vermogensinkomensbijtelling, of een specifieke compensatie te geven voor benadeelde groepen? Met hoeveel procent zou het percentage van de vermogensinkomensbijtelling hiermee naar beneden kunnen om dezelfde opbrengst van € 200 miljoen te genereren?
Zoals in antwoord 1 al aangegeven zijn de verwachte meeropbrengsten vooralsnog deels onzeker. Ik ben op dit moment aan het inventariseren hoe de maatregel heeft uitgepakt. Ik zal ook hierbij kijken hoe de maatregel uit heeft gepakt voor de verschillende groepen.
Kunt u aangeven hoe u mensen tegemoet komt als zij geconfronteerd worden met een eigen bijdrage die hoger is dan hun inkomen, terwijl het box III vermogen niet liquide is, bijvoorbeeld als vermogen vastzit in een vooralsnog onverkoopbaar huis dat niet geldt als eigen woning in box I of in langjarig vastgezette beleggingen?
De Kamer heeft destijds naar aanleiding van het Begrotingsakkoord bewust voor de onderhavige regeling gekozen. Veel fracties stellen nu vragen naar aanleiding van de consequenties van de uitvoering van deze regeling.
Ik acht het zuiver eerst met de Kamer in overleg te treden over de vraag welke gevolgen kennelijk door de Kamer ongewenst worden geacht.
Is het mogelijk deze vragen voor dinsdag 29 januari 2013, 12.00 uur, te beantwoorden?
Ja.
De stijgende kosten van een aansluitovereenkomst brandbeveiligingsinstallaties |
|
Paulus Jansen (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de forse prijsstijgingen van 377 euro naar 624,43 euro voor de aansluitovereenkomst voor brandbeveiligingsinstallaties in de regio Noord-Holland Noord?1
Als gevolg van keuzes door het bestuur van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord, dat het bevoegd gezag is in Noord-Holland Noord, in combinatie met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012, is het aantal verplichte doormeldingen teruggebracht tot die gevallen waarin de brandweer – indien de beveiliging van het gebouw of de hulpverlening falen – een rol heeft bij de ontruiming van het gebouw. Dientengevolge is de veiligheidsregio Noord-Holland Noord geconfronteerd met een daling van het aantal aangesloten abonnees op het Openbaar Meldsysteem (OMS). Het bestuur van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft op 23 maart 2012 besloten om de financiële consequenties die uit de daling van het aantal aangesloten abonnees voortvloeien, te compenseren door het OMS-tarief te verhogen.
Deelt u de mening dat ondernemingen die aangesloten moeten blijven bij de Regionale Alarm Centrale (RAC) worden geconfronteerd met een onevenredig hoge kostenstijging, nu de veiligheidsregio de inkomsten die zij misloopt, doordat minder ondernemingen verplicht zijn zich aan te sluiten, volledig wil compenseren? Zo ja, op welke wijze gaat u hiertegen optreden? Zo nee, waarom niet?
Het besluit om het tekort door de daling in de aantallen OMS-abonnees te compenseren door een verhoging van het OMS-tarief per 1 januari 2013 is genomen door het dagelijks bestuur van de veiligheidsregio. Het bestuur van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor het Openbaar Meldsysteem. Het betreft dan ook een door het lokaal bevoegd gezag gemaakte keuze.
Bent u bekend met het probleem dat bedrijven die sinds april 2012 niet meer aangesloten mogen zijn bij de RAC, nog wel voor langere tijd vastzitten aan een gebruikerscontract, zonder dat hier een dienst tegenover staat? Bent u bereid spoedig naar een oplossing te zoeken?2
Voor deze aansluiting zijn in de regel twee contracten relevant, namelijk het gebruikerscontract met de leverancier van de OMS apparatuur en de aansluitovereenkomst voor de meldkamer met de veiligheidsregio. Na wijziging van de wettelijke eisen in het Bouwbesluit of na toestemming van de gemeente is het mogelijk dat een bedrijf niet langer verplicht is gebruik te maken van een OMS-aansluiting. De aansluitovereenkomsten tussen de meldkamer en de ondernemer kunnen verschillen per veiligheidsregio, maar het is niet ongebruikelijk dat een ondernemer tussentijds deze overeenkomst kan opzeggen. Inzicht in de voorwaarden voor het gebruikerscontracten tussen OMS-leveranciers en bedrijven heb ik niet.
Het betreft een overeenkomst tussen ondernemers en ik zie geen aanleiding om mij te mengen in hetgeen deze partijen onderling overeen zijn gekomen.
Hoe groot zijn de financiële tekorten bij de veiligheidsregio’s, aangezien zij zich genoodzaakt zien bovenstaande kosten door te berekenen?
Gemeenten stellen gezamenlijk in regionaal verband de begroting van de veiligheidsregio vast. De begroting van de veiligheidsregio wordt voor het overgrote deel (macro gezien circa 90%) bepaald door de gezamenlijke bijdragen van de deelnemende gemeenten, die dit betalen uit hun algemene uitkering. De verdeling van inkomsten en uitgaven van veiligheidsregio’s is een lokale verantwoordelijkheid die voortvloeit uit het stelsel van verlengd lokaal bestuur voor veiligheidsregio’s. Het uitgangspunt van verlengd lokaal bestuur brengt met zich mee dat het voeren van de financiële huishouding van de veiligheidsregio een verantwoordelijkheid is van het bestuur van de veiligheidsregio en daarmee dus van de gezamenlijke gemeenten. Keuzes over de financiële consequenties van een daling in het aantal OMS-aansluitingen worden dan ook door datzelfde bestuur genomen.
Hoelang gaat een RAC mee, voordat opnieuw moet worden aanbesteed?
In de context van kosten van aansluiting op het OMS is niet de afschrijvingsperiode van een RAC relevant, maar de afschrijvingstermijn van de OMS-apparatuur (meldapparatuur bij de ondernemer). De afschrijvingstermijn wordt bepaald op grond van een beoordeling over de periode waarin de OMS-apparatuur met zekerheid betrouwbaar functioneert. De praktijk laat zien dat in de regel wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van ongeveer 10 jaar.
Welke invloed hebben ondernemers op de aanbesteding van een RAC door de veiligheidsregio, aangezien zij na een nieuwe aanbesteding worden geconfronteerd met forse kosten wanneer is gekozen voor een nieuwe aanbieder?3
Veiligheidsregio’s spannen zich in om het optimale OMS-systeem voor de in de regio gelegen ondernemers uit te onderhandelen met de aanbieders van de OMS-apparatuur. Bij een dergelijke aanbesteding gaat het om enkele honderden OMS-abonnees per veiligheidsregio. Gezien het grote aantal OMS-abonnees (ondernemers, zorginstellingen, etc.) is het voor veiligheidsregio’s niet haalbaar al deze abonnees te betrekken bij de aanbesteding van een OMS.
Hoe gaat u de prikkels bij de veiligheidsregio versterken om de gebruikerskosten laag te houden?
Volgens de Wet veiligheidsregio’s is het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk voor de voorbereiding op het bestrijden van branden en daarmee dus ook voor de OMS-aansluitingen. Gezien de bestuur- en financieringsstructuur van veiligheidsregio’s is het dan ook met name een verantwoordelijkheid van de in de veiligheidsregio liggende gemeenten om desgewenst het bestuur van de veiligheidsregio aan te spreken op het laag houden van OMS-gebruikerskosten.
Kunt u aangeven of deze problemen alleen spelen in Noord-Holland en Friesland of ook daarbuiten?
Mij is bekend dat de jaarbedragen voor een OMS-aansluiting verschillen per veiligheidsregio. Ook is mij bekend dat er door de diverse besturen van de veiligheidsregio’s verschillende keuzes worden gemaakt met betrekking tot de financiële consequenties van een daling in het aantal aangesloten abonnees. Maar voor beide zaken geldt dat dergelijke keuzes worden gemaakt door het bestuur van de veiligheidsregio.
Ondertoezichtstellingen die vele jaren worden verlengd |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen over het te vaak (soms wel 10 jaar achter elkaar) verlengen van ondertoezichtstellingen (OTS'en)?
Ik vind het van groot belang dat bij een ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel zoals de ondertoezichtstelling steeds zorgvuldig wordt afgewogen of de noodzaak voor de maatregel en eventueel een verlenging hiervan nog steeds aanwezig is. Een wettelijke grens met een maximum aantal jaren voor de duur of het aantal verlengingen van de ots is daarbij niet gegeven, maar acht ik ook niet noodzakelijk. Uiteindelijk gaat het om maatwerk waar per individueel geval steeds moet worden bezien wat de (on)mogelijkheden zijn. Uiteindelijk is het de kinderrechter die na zorgvuldige afweging van alle belangen een oordeel geeft over de noodzaak om de maatregel al dan niet te laten voortduren.
Zoals aangegeven in een brief aan uw Kamer van 7 januari 20131 wijzen de cijfers uit dat er nog altijd sprake is van een daling van het aantal ots-en evenals het aantal uithuisplaatsingen.
In deze brief ben ik ook ingegaan op de vliegwielpilots die beogen het aantal ondertoezichtstellingen verder te verminderen en de duur van de ondertoezichtstelling te verkorten door de inzet van onder andere familienetwerkberaden, eigen kracht centrales, Signs of Safety.
Daarnaast heb ik met provincies en stadsregio’s op 9 december 20112 afspraken gemaakt die eveneens zien op een verdere bekorting van de duur van de ondertoezichtstellling.
Juist omdat het voor een kind en het gezin van groot belang is om te weten waar het aan toe is, maakt het toekomstperspectief onderdeel uit van het toetsingskader van het wetsvoorstel herziening kinderbeschermingsmaatregelen. Dit wetsvoorstel is door uw Kamer aanvaard en nu aanhangig in de Eerste Kamer. In artikel 260 van het wetsvoorstel is opgenomen dat bij de afweging over de verlenging van de ots door de kinderrechter wordt gewogen of ouders in staat zijn «binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen». Hiermee is expliciet niet gekozen voor een maximum aantal verlengingen maar wel voor een procedure die voldoende waarborgen omvat om duidelijkheid te kunnen bieden over het toekomstperspectief van het kind en het gezin. Daarnaast is in artikel 265j van het wetsvoorstel bepaald dat als een ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing langer dan twee jaar geduurd heeft en er een verlengingsverzoek komt, de Raad voor de Kinderbescherming een advies uitbrengt met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling. Op basis hiervan kan de kinderrechter beoordelen of de ondertoezichtstelling nog aan de orde is dan wel dat de maatregel kan vervallen omdat de ouders de noodzakelijke zorg aanvaarden of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt. In het advies van de Raad voor de Kinderbescherming wordt expliciet ingegaan op de vraag of de ondertoezichtstelling niet onnodig wordt verlengd3.
Pleegoudervoogdij kan een goed alternatief zijn als terugkeer naar het ouderlijk gezin niet verantwoord is. Ik wijs in dit verband ook op de implementatie van de nieuwe methode voogdij, die medio 2012 van start is gegaan en waarbij op basis van een perspectiefbijeenkomst in een vroeg stadium van een voogdij met alle betrokkenen wordt gekeken naar (o.a.) de mogelijkheid voor de pleegouders om het gezag over te nemen van het bureau jeugdzorg (pleegoudervoogdij) en daarmee het belang dat het kind heeft bij continuïteit in de opvoeding centraal te stellen.
Deelt u de mening dat er een grens getrokken moet worden oftewel dat het maximumaantal OTS’en wettelijk vastgelegd dient te worden? Zo niet, heeft u andere mogelijkheden of alternatieven om de OTS’en die vele jaren achter elkaar worden verlengd te voorkomen? Zo ja, op welk termijn gaat u dit regelen en wat zou volgens u het maximumaantal moeten zijn? Is drie keer OTS volgens u een redelijk maximum?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over de praktijk dat een OTS telkens wordt verlengd door een organisatie die belast is met jeugdbescherming/pleegzorg, terwijl pleegoudervoogdij (in het belang van het kind) een beter alternatief is?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw mening over de praktijk dat pleegoudervoogdij niet wordt ingezet vanwege de financiële voordelen van het verlengen van OTS’en voor de organisatie die belast is met jeugdbescherming/pleegzorg, waardoor pleegouders en kinderen jaarlijks geconfronteerd worden met onzekerheid?
Een dergelijke praktijk is mij niet bekend en een teruglopende gemiddelde OTS-duur duidt ook niet op een dergelijke praktijk. Daarnaast worden alle verlengingen getoetst door de kinderrechter. Dit is ook een waarborg om onnodige verlengingen te voorkomen.
Welke maatregelen gaat u nemen om deze negatieve financiële prikkel weg te nemen voor organisaties die belast zijn met jeugdbescherming/pleegzorg, waardoor het belang van pleegkinderen prevaleert?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Geen doorstart voor fosforfabrikant Thermphos” |
|
Jan Vos (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen doorstart voor fosforfabrikant Thermphos»?1
Ja.
Deelt u de definitieve conclusie van de bewindvoerders dat geen koper gevonden kan worden voor de Vlissingse vestiging van Thermphos en dat een doorstart van het bedrijf niet meer mogelijk is?
Het vinden van kopers is een proces dat in handen is van curatoren. De curatoren hebben moeten constateren dat er tot nu toe geen koper is gevonden om de onderneming gebaseerd op de verwerking van fosfor erts voort te zetten.
Op dit moment is er geen uitzicht op een doorstart voor de Vlissingse site. Ook in de situatie vlak voor het faillissement was de Vlissingen site verlieslatend. Dat betekent dat het creëren van een gezonde business-case een lastige zaak is.
Welke rol heeft u gespeeld in de pogingen om een doorstart wel mogelijk te maken om daarmee niet alleen de werkgelegenheid maar ook de fosforproductie in West- Europa veilig te stellen?
Mijn ministerie heeft intensieve betrokkenheid gehad bij, in samenspraak met de curatoren, zoveel mogelijk continueren van de onderneming opdat de kansen op een doorstart voor Thermphos in Vlissingen en de dochterondernemingen zo groot mogelijk zouden zijn. Vanuit mijn ministerie is kennis en informatie geleverd aan de curatoren.
Dit varieerde van uitleg van beschikbaar EZ-instrumentarium, contacten leggen met andere overheden tot aan het bemiddelen bij praktische zaken. Ook het Nederlands Foreign Investment Agency (NFIA) in Nederland was beschikbaar voor buitenlandse geïnteresseerden. Verder is er tijdens deze periode contact geweest met de FNV. Ik heb gesproken met een FNV-delegatie over de situatie bij Thermphos.
Samen met de provincie Zeeland hebben wij gekeken hoe wij de overname van site in Vlissingen zo aantrekkelijk mogelijk konden maken voor potentieel geïnteresseerde partijen. In dat kader hebben wij ook gezamenlijk rechtstreeks gesproken met een tweetal potentiële kopers over de wijze waarop er van overheidswege zou kunnen worden bijgedragen aan het perspectief inzake de duurzame productie van fosfor uit afvalstromen; dit op hun verzoek en met instemming van de curatoren. Helaas heeft dit niet tot een deal geleid.
Mocht er zich alsnog een geïnteresseerde koper voor de site in Vlissingen melden bij de curatoren, dan zijn wij te allen tijde bereid om met deze partij te praten. Er moet dan wel sprake zijn van een haalbare businesscase.
Hoeveel mensen verliezen door de sluiting van Thermphos hun baan, direct en indirect? Bent u bereid om de mensen die door de sluiting van Thermphos hun baan verliezen te ondersteunen bij het vinden van ander werk? Bij voorbeeld door inzet van het mobiliteitscentrum dat gevormd is voor de mensen die door het faillissement van Zalco hun baan verloren hebben?
Ongeveer 420 werknemers van Thermphos hebben als gevolg van de sluiting van de fabriek hun baan verloren. Inmiddels hebben circa 30 van deze mensen elders werk gevonden. Als gevolg van de sluiting van Thermphos zullen naar schatting daarnaast zo'n 400 banen wegvallen bij toeleveranciers.
Vertegenwoordigers van de gemeente Middelburg, de provincie Zeeland en UWV onderzoeken momenteel de mogelijkheden, zowel financieel als logistiek, om ontslagen werknemers van Thermphos en toeleveranciers te helpen bij het vinden van ander werk. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de kennis en kundigheid die is opgedaan in het mobiliteitscentrum dat is opgezet voor de ex-werknemers van Zalco.
De werkloosheid was in december 2012 gemiddeld 7,2% in Nederland en 6,4% in Zeeland. Het regionaal economisch beleid is primair een verantwoordelijkheid van de provincie. Het verlies aan arbeidsplaatsen is zeer te betreuren maar Zeeland is een gezonde dynamische en veelzijdige provincie met een brede economische basis. Ik hoop dan ook dan ook dat Zeeland dit verlies kan opvangen.
Is er voor u aanleiding tot het nemen van maatregelen nu door de sluiting van Thermphos in Zeeland opnieuw een zeer fors aantal arbeidsplaatsen verloren gaat, hetgeen vanwege de kleinschaligheid van deze provincie een forse impact heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Is sanering van het fabrieksterrein, onder andere vanwege het radioactief materiaal dat zich daar bevindt, op korte termijn noodzakelijk? Zo nee, wat betekent uitstel van saneren dan voor de volksgezondheid en voor de ontwikkelingsmogelijkheden in het havengebied van Zeeland Seaports?
Het RIVM heeft eerder aangegeven dat het niet te verwachten is dat door het faillissement van Thermphos en het stilvallen van de bedrijfsactiviteiten eventuele gezondheidsrisico’s voor de omgeving zullen toenemen.
Al het materiaal dat aanwezig is op het fabrieksterrein valt onder de voorschriften die zijn verbonden aan de vigerende vergunningen van Thermphos. Op grond van de omgevingsvergunning geldt dat, op het moment dat er sprake is van beëindiging van de activiteiten, de exploitant de nodige maatregelen dient te treffen om het gevaar van verontreiniging te voorkomen en de afvalstoffen af te voeren. Dergelijke voorschriften gelden ook voor het aanwezige radioactief materiaal.
Momenteel vindt overleg plaats met alle betrokken partijen over onder meer de planning van de afvoer en ontmanteling. Ik wil daarop nu niet vooruit lopen.
Wat bedragen bij benadering de kosten van ontmanteling en sanering?
Het is op dit moment niet te zeggen hoe hoog deze kosten zijn. De curatoren zullen moeten nagaan wat er precies moet worden opgeruimd en op welke manier dat het beste kan gebeuren. Pas daarna is er een betrouwbaar beeld te krijgen van de kosten.
Is de curator verzocht om eventuele opbrengsten uit de bedrijfsmiddelen in eerste instantie aan te wenden voor de sanering van het bedrijfsterrein? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was hiervan het resultaat? Bent u met ons van mening dat (ook) de opbrengst van de verkoop van de dochterbedrijven van Thermphos primair ingezet moet worden om de kosten van sanering van het bedrijfsterrein te betalen?
Nu er sprake is van een faillissement van de exploitant, rust op de curatoren de rechtsplicht tot nakoming van de publiekrechtelijke verplichtingen van de failliet. Uiteraard zullen curatoren voor de naleving daarvan de opbrengsten van de boedel aan moeten wenden. Curatoren zijn er op gewezen dat aan de verplichtingen ingevolge de Kernenergiewetvergunning en alle andere milieuverplichtingen moet worden voldaan, voordat tot enige uitkering aan schuldeisers kan worden overgegaan.
Indien verkoop van pakketten aandelen van de failliet leiden tot opbrengsten behoren deze opbrengsten tot de opbrengsten van de boedel.
Bent u voornemens om de eigenaar van de fabriek persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de kosten van de ontmanteling van de fabriek en de sanering van het bedrijfsterrein?
Thermphos, de erfpachter van het perceel waarop de fabriek is gebouwd, is in staat van faillissement verklaard. De verantwoordelijkheid en ook de aansprakelijkheid voor de naleving van de publiekrechtelijke verplichtingen heeft daarmee geen wijziging ondergaan. Deze zijn dan ook nog steeds van kracht, de plicht tot nakoming rust nu op de curatoren in het faillissement van Thermphos in hun hoedanigheid van curator.
Indien en voor zover curatoren van mening zijn dat de boedel een vordering heeft op de aandeelhouder van Thermphos, dan wel enige andere derde, vanwege de kosten van de ontmanteling van de fabriek en de sanering, of om enige andere reden, dan zullen zij de betrokken vordering in de afwikkeling van het faillissement betrekken.
Bent u met ons van mening dat (eigenaren en bestuurders) van bedrijven waarvan de productie kan leiden tot zeer kostbare saneringen wettelijk verplicht zijn reserveringen te treffen. Bent u voornemens om het openbaar ministerie te vragen of het verzuimen hiervan als strafbaar feit kan worden aangemerkt?
Voor vergunninghouders van kernreactoren bestaat er op dit moment een wettelijke verplichting om ervoor te zorgen dat er onder alle omstandigheden gelden beschikbaar zijn voor ontmanteling en sanering. Een dergelijke verplichting bestaat er niet voor andere ondernemers. Er is daarom hier geen sprake van een strafbaar feit met betrekking tot niet gesteld hebben van financiële zekerheid.
Wie is de eigenaar van het terrein waar de fabriek zich op bevindt? Is deze eigenaar aansprakelijk en zo ja in staat om de (resterende) kosten voor ontmanteling van de fabriek en de sanering van het bedrijfsterrein te betalen?
Eigenaar van de grond is Zeeland Seaports N.V., dat een recht van erfpacht heeft gevestigd ten behoeve van Thermphos. Indien de boedel van Thermphos onvoldoende opbrengt om de ontmanteling en sanering te voltooien kan vervolgens de eigenaar in beeld komen. Aangezien er nog teveel onduidelijkheid bestaat over de kosten en de stand van zaken met betrekking tot de boedel en omvang ervan, wil ik daarover echter niet speculeren.
Als het niet lukt om de kosten van de sanering geheel of gedeeltelijk te verhalen is de rijksoverheid dan aansprakelijk voor de (resterende) kosten van de sanering? Zo ja, is het mogelijk en zo ja, bent u van plan om wettelijke maatregelen te treffen waarmee in toekomstige gevallen aansprakelijkheid van het rijk is te voorkomen?
Ik verwijs naar mijn antwoord onder 10 en 11.
Ik ben, met mijn collega van I&M, in gesprek om de mogelijkheden en de wenselijkheid van dergelijke verplichtingen te verkennen.
Het stimuleren van innovatie en concurrentie bij aanbestedingen |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «ICT-aardbeving door vonnis Oracle vs. Staat»?1 Hoe beoordeelt u de gevolgen van het vonnis van de rechtbank Den Haag voor het aanbestedingsbeleid van de Rijksoverheid, in het bijzonder ten aanzien van ICT?
Ja. De uitspraak in deze zaak geeft geen aanleiding het huidige aanbestedingsbeleid van de Rijksoverheid, al dan niet ten aanzien van ICT, te herzien.
Is het waar dat bij deze aanbesteding uitsluitend gevraagd werd naar SAP-licenties om één ondersteunend ICT-systeem voor meerdere ministeries te maken? Welk systeem werd hiervoor als basis gebruikt en hoe lang is dat in gebruik? Op welke basis is de keuze gemaakt dat gebruik van het SAP-systeem de technisch en bedrijfsmatig beste keuze is?
De aanbesteding bestond uit twee percelen: één voor de ICT-werkzaamheden die nodig waren voor aanpassing van een bestaand systeem, en één voor SAP-licenties. Beide percelen zijn conform de daarvoor geldende regels aanbesteed.
Basis voor de aanbesteding betrof het ERP systeem (SAP Business Suite) zoals dat in 2003 door het ministerie van SZW door middel van een Europese aanbestedingsprocedure is verworven. Dit systeem is ingericht op basis van het kernmodel financiële informatievoorziening en kan daardoor als basis dienen voor de deelnemende departementen. Gebruik van het systeem door meerdere ministeries past in het beleid van samenwerking in de financiële kolom. Daarnaast was gebruik door meerdere ministeries in dit geval wenselijk op bedrijfseconomische gronden. Voor het gebruik door de samenwerkingspartners moesten vooral de departementspecifieke instellingen nog worden ingericht. Dit alles natuurlijk met inachtneming van de bestaande wet- en regelgeving.
De uitspraak past in het beleid van hergebruik van ICT systemen zoals vastgelegd in de I-strategie.
In hoeverre is het gebruik van de SAP-licenties voor andere ministeries te beoordelen als het hergebruik van licenties? Waren de licenties oorspronkelijk afgegeven voor gebruik door uitsluitend het ministerie van SZW, of voor de gehele Rijksoverheid? Wat betekent deze manier van omgaan met softwarelicenties voor andere licenties die door een onderdeel van de Rijksoverheid zijn afgenomen?
Er is geen sprake van hergebruik van licenties, maar van hergebruik van een systeem. De noodzakelijke licenties voor het gebruik van dit systeem door SZW zijn destijds door de Staat verworven. Vanwege de kwantitatieve uitbreiding voor gebruik van het systeem door de samenwerkingspartners waren extra licenties nodig. De deelnemende departementen hebben deze benodigde licenties verworven via bovengenoemde aanbesteding.
Hoe kijkt u aan tegen de juridische eenheid van de Rijksoverheid bij aanbestedingen? Herkent u zich in de uitspraak dat de Staat de aanbestedingsregels volledig naar zijn hand zet door, afhankelijk van de belangen, te opereren als één aanbestedende dienst of als aparte ministeries? Zo nee, welke consistente keus wordt hierin gemaakt?
De rechtbank heeft in haar uitspraak aansluiting gezocht bij de indeling van aanbestedende diensten in Richtlijn 2004/18/EG en het daarop gebaseerde Besluit aanbestedingsregels overheidsopdrachten (Bao). Dat is in lijn met het feit dat de Staat, die anders dan de departementen rechtspersoonlijkheid bezit, als enige lichaam naar buiten toe civielrechtelijk bindend kan optreden en bijvoorbeeld, zoals in het onderhavige geval, partij kan zijn bij een licentiecontract.
Rechtspersoonlijkheid kan inderdaad samenvallen met de kwalificatie aanbestedende dienst. Dat is echter niet altijd het geval. Als sprake is van een afgescheiden operationele eenheid binnen een rechtspersoon, kan dit onderdeel ook zelfstandig als aanbestedende dienst worden aangemerkt. De Europese Commissie heeft hiervoor criteria opgesteld, die zijn neergelegd in de zogenoemde «policy guideline» uit 1993. Deze criteria worden binnen de Staat gehanteerd bij de vraag of de Staat als geheel of op een onderdeel van de Staat – en zo ja, welk onderdeel – als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. De vraag op welk niveau een inkoopbevoegdheid is neergelegd, moet voor iedere aanbestedingsplichtige opdracht per productgroep worden bepaald.
Er is derhalve geen sprake van een ad hoc keuze voor de Staat, een departement of een onderdeel van het departement als aanbestedende dienst.
Hoe wordt, in het kader van de integratie van de bedrijfsvoering van het Rijk, omgegaan met de aanbesteding van ICT-diensten? Zal hierbij vaker het systeem van één samenwerkingspartner als uitgangspunt genomen worden of zal er in de aanbesteding een open procedure gevoerd worden, waarin de technische oplossing nog niet vastligt? Hoe wordt deze keus gemaakt?
De overheid streeft naar harmonisatie en vereenvoudiging van processen met als uitkomst een compactere en goedkopere overheid. Daarin past hergebruik van voor rekening van de (rijks-)overheid ingerichte administratieve systemen en/of software als uitgangspunt. Hergebruik geschiedt evenwel altijd op basis van een zorgvuldige afweging en met inachtneming van het aanbestedingsrecht.
De keuze voor de aanbestedingsprocedure die wordt gevolgd is afhankelijk van veel factoren. Waar het gaat om de primaire keuze voor een softwaresysteem spelen kwalitatieve aspecten als flexibiliteit en innovativiteit een belangrijke rol. Het is van groot belang efficiënt en effectief in te kunnen spelen op zich wijzigende wensen en behoeften. Van een algemeen beleid tot uitvraag van specifieke technische oplossingen is geen sprake.
Bent u van plan om in de toekomst meer aanbestedingen op ICT-gebied uit te schrijven, waarbij het type software of hardware al vastligt?
In het algemeen is het aanbestedingsbeleid er op gericht zo veel als mogelijk functioneel aan te besteden. Uitzonderingen kunnen voorkomen, mits deze passen binnen het aanbestedingsrecht.
Bent u ook van mening dat de overheid moet voorkomen dat ze afhankelijk wordt van één aanbieder van software, zogenaamde vendor lock-in? Welke rol ziet u bij het voorkomen van dergelijke afhankelijkheid van het gebruik van open standaarden en open source-software? Is bij deze aanbesteding ook overwogen om gebruik te maken van open source ERP-software? Zo nee, waarom niet?
Ja, de overheid moet er voor waken afhankelijk te worden van een leverancier.
Toepassing van open standaarden is onomstreden. Deze worden toegepast tenzij het echt niet anders kan. Daarnaast wordt de mogelijkheid voor toepassing van open source software wordt bij aanbestedingen van software standaard in de beschouwingen betrokken.
Overigens kan een lock-in bij een leverancier ontstaan zowel bij het gebruik van open als bij het gebruik van closed software.
Toepassing van open source software was bij de onderhavige aanbesteding niet opportuun, gegeven de afweging om van een bestaand systeem gebruik te maken.
Deelt u de mening dat de werkwijze bij deze aanbesteding de positie van grote softwareleveranciers, waar de overheid al klant van is, bevordert en kleine vernieuwende aanbieders geen kans meer maken? Zo ja, waarom vindt u dit wenselijk? Zo nee, op welke manier maken ook vernieuwende leveranciers, waarmee de overheid nog geen klantrelatie heeft, kans op ICT-opdrachten?
Nee. Het betrof hier een opdracht voor een verbouwing van een systeem, die niet op voorhand voorbehouden was aan de grote ICT-leveranciers.
Uitgangspunt bij aanbestedingen is dat in principe elke leverancier kans heeft op verkrijging van overheidsopdrachten.
Op welke wijze gaat u er voor zorgen dat de Rijksoverheid bij ICT-aanbestedingen zorgt voor kennis over alternatieven en nieuwe oplossingen naast de eerder gebruikte en bekende systemen, zodat de kansen worden benut die de innovatie in de ICT-branche bieden?
De rijksoverheid richt zich erop om – ook in ICT aanbestedingen – innovatieve ondernemers een kans te geven.
Om innovaties mogelijk te maken, is het van belang om vanuit de overheid een goede verkenning van wensen en mogelijkheden te maken. Aan ieder informatiseringsproject gaat een zorgvuldige informatie- en technische analyse vooraf, die ook gedeeld kan worden met het bedrijfsleven. In grote ICT trajecten wordt zo al ruim voor de daadwerkelijke aanbesteding samengewerkt met de markt om een uitvraag te realiseren die ruimte biedt aan haalbare innovaties. Dat kan bijvoorbeeld via een haalbaarheids- en wensentoets in combinatie met een marktverkenning en een marktconsultatie of een concurrentiegerichte dialoog.
Het gesjoemel met loon door Europese bedrijven in de bouwsector |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gesjoemel met loon bij aanleg tunnel Delft»?1
Ja.
Kunt u aangeven of het bedrijf Strabag binnen de kaders van de wet opereert bij de loonaangifte? Bent u bekend met berichten dat andere Europese bouwbedrijven opdrachten binnenhalen in Nederland door te sjoemelen met het loon of de loonaangifte?
Het inlenen van arbeidskrachten uit een ander land is gebaseerd op het vrije verkeer van werknemers en diensten binnen de Europese Unie. Hiervoor zijn op Europees niveau regels in het leven geroepen om dit vrije verkeer in goede banen te leiden, zoals de Verordening (EG) nr. 883/2004 en de Detacheringsrichtlijn. Deze laatste dient voornamelijk de sociale bescherming van de gedetacheerde werknemer. Het is een bewuste keuze van de Europese wetgever om het binnen Europa mogelijk te maken om zonder enige belemmeringen in een ander land te werken of als werkgever personeel uit te lenen aan een onderneming in een ander land. In mediaberichten komt steeds vaker naar voren dat bedrijven Europese constructies verkennen of toepassen om de arbeidskosten te verlagen. Uit de berichten zelf is veelal niet op te maken of het om legale of illegale constructies gaat. Op de wijze van aangifte doen voor de loon- en premieheffing door specifieke bedrijven kan ik gelet op de geheimhoudingsplicht niet ingaan.
Welke partijen zijn in Nederland bevoegd voor de handhaving van de betaling van sociale premies? Wat zijn hun bevoegdheden? Worden alle bevoegdheden op adequate manieren ingezet? In hoeverre wijken de bevoegdheden van de Nederlandse handhavers af van handhavende organisaties in Duitsland en België? Worden in Duitsland en België schijnconstructies frequenter opgespoord? Zo ja, hoe kan dat?
De Inspectie SZW, Belastingdienst en UWV zijn de aangewezen instanties om toe te zien op de loonheffingen. Zij zijn bevoegd om te controleren of de loon- en premieafdracht op de juiste wijze geschiedt en bevoegd om de daarvoor benodigde informatie uit te wisselen. In controlesituaties vullen zij elkaar dan ook daar waar nodig zo veel mogelijk aan.
Het feit dat beschreven situaties zich niet alleen in Nederland afspelen, maar ook in andere landen zoals Portugal en Polen, maakt het moeilijker om te beoordelen of de van toepassing zijnde internationale regelingen juist en volledig worden toegepast. Hiervoor moet worden samengewerkt met het andere land. Het is mogelijk dat handhavende instanties in verschillende landen, verschillende bevoegdheden hebben. Het is echter maar de vraag of deze verschillen in bevoegdheden leiden tot een verschillend opsporingsresultaat. Immers, zodra het om grensoverschrijdende zaken gaat zijn de bevoegdheden ontleend aan verdragen en hebben bijvoorbeeld Duitse, Nederlandse en Belgische handhavende instanties dezelfde grensoverschrijdende bevoegdheden.
In hoeverre hebben handhavende organisaties in Nederland (zoals de Inspectie SZW en de Belastingdienst) goed zicht op bedrijven die opereren op de Europese (bouw)markt en schijnconstructies hanteren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, als werkgevers met creatieve constructies de wet omzeilen, dit tot oneerlijke concurrentie leidt voor Nederlandse werkgevers? Zo nee, waarom niet? Deelt u eveneens de mening dat dergelijke constructies de kansen van Nederlandse werkzoekenden belemmeren en daarom met kracht bestreden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Constructies voor oneerlijke concurrentie op de gangbare arbeidsvoorwaarden kunnen zowel leiden tot onderbetaling van Nederlandse en buitenlandse werknemers als tot lagere kansen voor werkzoekenden in Nederland. Oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden moet inderdaad met kracht worden bestreden. Tegen constructies die tegen de wet- en regelgeving indruisen moet worden opgetreden
Bent u bereid maatregelen te nemen, en zo ja welke, om dubieuze constructies met de aangifte van sociale premies te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Kunt u ook aangeven wat er daarvoor (wettelijk) geregeld moet worden?
Samen met mijn collega’s van Veiligheid en Justitie, Economische Zaken en Financiën, heb ik een traject gestart om het bestrijden van schijnconstructies een extra impuls te geven. Onderdeel hiervan betreft het in kaart brengen van en de maatregelen tegen constructies die leiden tot oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Conform de op 18 december jl. aangenomen motie van de leden Kerstens en Azmani (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012/13, 33 400 XV, nr. 40) heb ik uw Kamer in mijn brief van 11 april 2013 geïnformeerd over een integrale aanpak voor het terugdringen van schijnconstructies.
Het arbeidsmarktbeleid in Albert Heijn distributiecentra |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Vakbond: Werkdruk te hoog bij AH»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht «Vakbond: Werkdruk te hoog bij AH». Het artikel gaat in op een geschil tussen FNV Bondgenoten en Albert Heijn over de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Zolang er voor mij geen aanleiding is te veronderstellen dat wet- en regelgeving wordt overtreden, wil ik mij niet mengen in dit geschil.
Wat is uw mening over het gebruik van «opjaagbonussen» door uitzendbureaus?
Navraag bij Albert Heijn leert dat de uitzendkrachten van Albert Heijn een bonus van ongeveer 10 procent kunnen verdienen boven op het basissalaris wanneer zij voldoen aan een aantal normen. Deze bonus wordt op weekbasis vastgesteld. Het beloningsbeleid is een interne aangelegenheid van een bedrijf. De overheid formuleert normen met betrekking tot het wettelijke minimumloon en handhaaft hierop.
Deelt u de mening dat goed functionerende uitzendkrachten in de distributiecentra van Albert Heijn na een jaar een vaste arbeidsovereenkomst horen te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het is de keuze van Albert Heijn om uitzendkrachten in te zetten in het distributieproces. Dit kan ook voor een langere termijn dan één jaar. Wel moeten de uitzendkrachten na een bepaalde tijd in vaste dienst worden genomen door het uitzendbureau.
Wordt er misbruik van de wet gemaakt door de uitzendkrachten na een jaar weg te sturen, dan drie maanden bij een subcontractor in dienst te laten gaan en dan weer aan te nemen als uitzendkracht? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Mij is niet bekend wat hiervan de achtergrond is en ik kan dus ook niet oordelen over de vraag of hier sprake is van misbruik.
Acht u het wenselijk dat mechanisatie in de distributiecentra wordt teruggedraaid, omdat (Poolse) uitzendkrachten goedkoper zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, wat zou u voorstaan?
De vormgeving van het productie- en distributieproces is een interne aangelegenheid van het bedrijf.
Wat is uw reactie op de berichten over intimidatie op de werkvloer in de distributiecentra van Albert Heijn? En bent u bereid actie te ondernemen om intimidatie van werknemers tegen te gaan?
Intimidatie op de werkvloer is uiteraard ongewenst. In de Arbowet staat dat de werkgever beleid dient te voeren op het gebied van psychosociale arbeidsbelasting waaronder ook intimidatie valt. Het is de verantwoordelijkheid van de uitzendondernemingen die personeel uitlenen aan Albert Heijn om hier op toe te zien.