Het artikel ‘Onderzoek naar corruptie KLM werd vroegtijdig gestaakt’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), André Bosman (VVD), Ton Elias (VVD), Pieter Litjens (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Onderzoek naar corruptie KLM werd vroegtijdig gestaakt»?1
Ja.
Is het waar dat in 2010 de Rijksrecherche een opsporingsonderzoek heeft moeten staken naar de betrokkenheid van KLM bij de omkoping van politici op Bonaire wegens het ingrijpen van de rechter-commissaris?2
Onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie van de toenmalige Nederlandse Antillen is de Rijksrecherche in december 2009 gestart met het zogenaamde Zambezi-onderzoek, betreffende vermeende corruptiepraktijken. Het Zambezi-onderzoek bestond uit acht onderzoekscenario’s/dossiers en een strafrechtelijk financieel onderzoek. Uit deze dossiers konden in grote lijnen de volgende strafbare feiten worden gedestilleerd:
Op 8 juni 2010 heeft de rechter-commissaris bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, in een door de advocaten van de verdachten geëntameerde procedure ex artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering (behandeling binnen redelijke termijn) van de Nederlandse Antillen, bepaald dat het Openbaar Ministerie het onderzoek in kwestie moet voortzetten en vóór 1 november 2010 moet beëindigen. De rechter-commissaris heeft de tijdslimiet opgelegd, opdat de verdachte binnen een redelijke termijn duidelijkheid kon krijgen over de vraag of hij zou worden vervolgd en zo ja op welke strafbare feiten die vervolging betrekking zou hebben. Daarbij heeft de rechter-commissaris overwogen dat het onderzoek tot dan toe, gezien de persoonlijke belangen en de bijzondere positie van de verdachte binnen de samenleving en het gegeven dat hij nimmer eerder werd gehoord, terwijl ook niet gebleken is dat hij op de hoogte werd gehouden van de zaak, onwenselijk lang heeft geduurd.
Het Openbaar Ministerie is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van de rechter-commissaris, maar werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba niet ontvankelijk verklaard. Geconfronteerd met voormelde beschikking van de rechter-commissaris heeft het Openbaar Ministerie, met het oog op de tijdsdruk en in overleg met de Rijksrecherche, besloten te prioriteren op twee van de acht dossiers. Haalbaarheid qua bewijspositie speelde bij de keuze van de dossiers een doorslaggevende rol. Het idee van de prioritering was om binnen de door de beschikking opgelegde resterende onderzoekstijd op tijd die dossiers af te ronden, teneinde op grond daarvan te kunnen dagvaarden. Dat bracht met zich mee dat het onderzoek naar de andere dossiers, waaronder Oil Trading Bonaire, waarover het aangehaalde NRC-krantenartikel gaat, werd stilgelegd en de strafzaak is op 17 februari 2011 door het Openbaar Ministerie geseponeerd.
Tegen dit besluit van het Openbaar Ministerie is een klacht ingediend door de Fondashon Bon Governashon Bonaire ex artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering BES (dit is te vergelijken met artikel 12 uit het Nederlandse Wetboek van Strafvordering). Het Hof heeft deze klacht op 13 september 2012 gegrond verklaard voor twee dossiers die deel uitmaakten van het totale onderzoek, en het Openbaar Ministerie opgedragen de verdachten alsnog voor die feiten te vervolgen. Voor de overige onderzoeksdossiers, waaronder het dossier van Oil Trading Bonaire, is de klacht niet gegrond verklaard. Deze onderzoeken konden daardoor niet worden hervat.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt zag om het dossier rond het vliegveld te seponeren vanwege een door de rechter-commissaris opgelegde tijdslimiet van vier maanden? Kunt u aangeven waarom de rechter-commissaris deze tijdslimiet heeft opgelegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het gebruikelijk om een tijdslimiet in te stellen in een omvangrijk corruptieonderzoek als dit? Zo ja, wat zijn de voorwaarden en criteria hiervoor?
Artikel 56 Wetboek van Strafvordering Nederlandse Antillen is opgenomen in een afdeling die over het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn handelt. Het artikel draagt de rechter-commissaris op te waken tegen nodeloze vertraging van het voorbereidende onderzoek om zo te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Volgens artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de verdachte aanspraak op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment dat door de staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend en in de redelijkheid heeft kunnen ontlenen dat het Openbaar Ministerie ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging tegen hem zal instellen. Een meer specifieke regel over het beginpunt van de redelijke termijn valt niet te geven.
De rechter-commissaris heeft in casu de startdatum van de redelijk termijn bepaald op 8 september 2009. Uitgaande van deze datum kan in de visie van het Openbaar Ministerie niet worden geconcludeerd dat het onderzoek per 1 november 2010 moest worden beëindigd. Immers, tot die beëindigingsdatum zou het onderzoek 14 maanden hebben geduurd, terwijl – bezien vanuit de vaste undue delay jurisprudentie3 – de behandeling van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar en in geval van overschrijding daarvan dit niet, ook niet in uitzonderlijke gevallen, tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging mag leiden. Over de duur van de redelijke termijn zegt de wetgever verder in artikel 55 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, dat deze onredelijk wordt als «de verdachte langer dan in het algemeen wenselijk is onder de dreiging van een strafvervolging of van de voortzetting daarvan moeten leven». Zolang het onderzoek continue wordt voortgezet en binnen de redelijke termijn blijft, zal in de visie van het Openbaar Ministerie normaliter niet op grond van artikel 56 Wetboek van Strafvordering BES door de rechter-commissaris worden ingegrepen. Artikel 56 ziet eerder op onderzoeken die op een dwaalspoor zijn beland en stil zijn gevallen. Daarvan was in casu geen sprake. Over deze ingreep van de rechter-commissaris en de reacties daarop zijn eerder door diverse leden van uw Kamer schriftelijke vragen gesteld waarnaar ik u graag volledigheidshalve verwijs.4
Kent u het Zambezi-onderzoek waarin de Bonairiaanse gedeputeerde Burney El Hage en de oud-bestuurder Ramoncito Booi worden vervolgd voor onder andere hypotheekfraude en valsheid in geschrifte?
Ja.
Is het waar dat Ramoncito Booi in 2001 voor KLM lage kerosinetarieven en een miljoenen kostende renovatie van de luchthaven regelde, in ruil voor gratis businessclassvluchten? Vindt u het niet vreemd dat dit niet betrokken wordt in het Zambezi-onderzoek vanwege een tijdslimiet?
Het betreft hier de renovatie van de luchthaven in de periode 2000–2004. Het Openbaar Ministerie op Bonaire heeft mij bericht dat noch uit het dossier «Oil Trading Bonaire», noch uit overig onderzoek, is gebleken over gratis businessclassvluchten.
Deelt u de mening dat er actie moet worden ondernomen om de corruptie op het eiland terug te dringen en dat het gedegen uitvoeren van een justitieel onderzoek, zonder belemmeringen, zeer belangrijk is?
Ja.
Het bericht “Veel misstanden bouw stadions Brazilië” |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Michiel Servaes (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel misstanden bouw stadions Brazilië» (ANP, 6 december jl.)?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies die de vakbond FNV trekt op basis van een onderzoek van het bureau Profundo, dat bij de bouw van stadions voor het WK 2014 in Brazilië veiligheidsvoorschriften worden overtreden, demonstraties en stakingen de kop in zijn gedrukt en werknemers geïntimideerd?
De conclusies die FNV trekt op basis van dit onderzoek zijn voor rekening van FNV.
Ondersteunt u de oproep van FNV voorzitter Ton Heerts aan de FIFA, de regering van Brazilië en de KNVB om onmiddellijk de schending van werknemersrechten aan te pakken, in actie te komen en serieus zorg te dragen voor veilige arbeidsomstandigheden bij de verdere bouw van stadions voor het WK voetbal? Zo ja, op welke wijze gaat u bijdragen aan de uitvoering en realisatie van deze oproep? Zo nee, waarom niet?
De organisatie van het WK voetbal in 2014 en de Olympische Spelen in 2016 vergt grote infrastructurele verbeteringen. Bij de vele bouwprojecten, die vaak onder tijdsdruk gerealiseerd (moeten) worden dienen de rechten van deze arbeiders uiteraard gerespecteerd te worden.
De Braziliaanse regering deelt deze visie, zet zich in om de rechten van arbeiders te garanderen en komt in actie om schendingen aan te pakken.
De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), ten aanzien van werknemersrechten de normstellende organisatie, is een belangrijke gesprekspartner van de Braziliaanse regering. De ILO heeft recent geen bericht ontvangen over demonstraties of stakingen die de kop zijn ingedrukt of over werknemers die geïntimideerd zouden worden rond de bouw van de twaalf WK stadions. In algemene zin staat de arbeidswetgeving in Brazilië op een hoog niveau. De Braziliaanse regering faciliteert bovendien sinds 2012 een zgn. «nationaal ronde tafel-overleg ter verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouw», waarvan zowel de grote bouwbedrijven lid zijn als de Braziliaanse vakbonden. Hoewel in algemene zin de veiligheid in de bouwsector in Brazilië een aandachtspunt blijft en zeker de naleving van veiligheidsnormen, heeft Braziliaanse regering aandacht voor (mogelijke) misstanden in de bouw van stadions en reageert alert indien hiertoe aanleiding is.
Bent u bereid om de schending van arbeidsrechten van de werknemers aan stadions voor het WK voetbal in Brazilië te bespreken met uw Braziliaanse collega? Zo ja, wanneer gaat u dit doen en bent u bereid de Kamer van dit contact verslag te doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet hiertoe op dit moment geen aanleiding, omdat de Braziliaanse regering zich zeer bewust is van het belang van goede arbeidsomstandigheden en actie onderneemt zodra zich misstanden lijken voor te doen. Brazilië heeft een actieve en onafhankelijke arbeidsinspectie die zich bovendien specifiek richt op de bouwprojecten ten behoeve van het WK. Dit laat onverlet dat het kabinet incidenten bij de bouwwerkzaamheden, zoals op 7 februari jl. in Manaus, ten zeerste betreurt.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan de motie Servaes c.s. (Kamerstuk 33 750 V, nr. 28) die de regering verzoekt om zich in zowel internationaal verband als in samenwerking met nationale sportkoepels in te zetten voor de opname van mensenrechtennormen, in het bijzonder werknemersrechten, in de reglementen van internationale sportfederaties die gelden bij het toewijzen en bij de organisatie van grote sportevenementen, zoals het WK voetbal dat zal plaatsvinden in Brazilië? Bent u bereid een overleg te organiseren met o.a. nationale sportkoepels en vakbonden om ervaringen te delen en gezamenlijke acties te bespreken? Zo ja, bent u bereid de Kamer te informeren over de resultaten van dit overleg en over vervolgactiviteiten van zowel de regering als van de overige deelnemers?
Toewijzing van (sport)evenementen biedt juist ook mogelijkheden om werknemersrechten te verbeteren in deze landen. Maatschappelijke en politieke aandacht voor misstanden kan een proces van verbetering in werking zetten.
Nederland steunt de ILO en de «Decent Work» Agenda van de ILO waarin veilige werkomstandigheden en ruimte voor vakbonden en medezeggenschap centraal staan. Zo is de ILO vanuit de Decent Work Agenda betrokken bij een initiatief in de deelstaat Mato Grosso, waarbij arbeiders gedurende de bouwperiode alfabetiseringsklassen volgen en een professionele opleiding bij de bouwplaats ontvangen met als doel een beter uitzicht op een betaalde aanstelling na afronding van de bouwwerkzaamheden.
Aanvullend kan het kabinet u meedelen dat de Minister van VWS in het WGO over de Sportbegroting 2014 d.d. 18 november jl. heeft aangegeven dat het toewijzen van grote sportevenementen geschiedt door de sportwereld zelf, op basis van zijn eigen reglementen, criteria, e.d. De Minister van VWS heeft toegezegd over de kwestie van de mensenrechten in relatie tot grote sportevenementen in overleg te zullen gaan met NOC*NSF. NOC*NSF adviseert alle internationale sportorganisaties de expliciete verwijzingen naar non-discriminatie in het IOC-charter over te nemen. Ook ziet zij graag dat het IOC zelf weer een stapje verdergaat en na gaat denken over de vraag of en hoe een beoordeling van de mensenrechtensituatie in een land mee zou kunnen wegen. Dat gebeurt via de Europese weg. De Minister van VWS wijst er in dit verband en in het licht van de motie Servaes c.s. op, dat op 21 november 2013 een brief, die is ondertekend door 23 lidstaten, is verstuurd aan de Europese Commissaris van Onderwijs, cultuur, meertaligheid en jeugdzaken Vassiliou inzake respect voor mensenrechten bij grote sportevenementen (deze brief is ook ter informatie naar de Tweede Kamer gezonden, TK 2013–2014, 21 501-34, nr. 220). Met deze brief roepen de Europese sportministers op dat landen/staten bij de organisatie van grote sportevenementen rekening houden met de Europese Conventie inzake Mensenrechten en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN. De bedoeling van de brief is dat de Europese Commissie dit belangrijke onderwerp op de Europese agenda plaatst, met een voorstel voor een gepaste beleidsaanpak.
In dit verband wil ik u ook wijzen op de brief van de Minister van VWS van 29 januari 2014 aan NOC*NSF, die op 30 januari 2014 ook aan de Kamer is toegezonden.
De Taskforce hennep |
|
Marith Volp (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Drugsaanpak in Brabant onder druk», «Brabantse Taskforce pakt hennepcriminelen voor 96 miljoen aan» en «Aantal hennepkwekerijen in Belgische grensstreek fors toegenomen»?1 2 3
Ja.
Deelt u de vrees van de burgemeesters van Heusden en Gilze-Rijen dat er sprake is van een waterbedeffect in de zin dat drugscriminaliteit van de grote steden zich deels naar het platteland verplaatst? Zo ja, waar blijkt dat effect uit en wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?
Een crimineel laat zich bij de keuze voor de locatie van vestiging en activiteiten leiden door de mogelijkheden die de plaatselijke omgeving hem biedt. Net zoals het water altijd de zwakste plek in de dijk zal vinden, zo zal ook de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit altijd de minst weerbare plekken in onze samenleving vinden. Een effectieve aanpak vraagt dus om een aanpak waarbij de dijken overal even hoog en sterk zijn.2 Hierbij is samenwerking tussen onder meer politie, OM, Belastingdienst en gemeenten cruciaal. Op die manier kunnen waterbedeffecten voorkomen worden. Dit vergt inspanningen van alle betrokken diensten; in zowel grotere als in kleinere gemeenten. Ik begrijp de vrees van de burgemeesters van Heusden en Gilze-Rijen en roep hen daarom op om samen met andere gemeenten en overheidsdiensten de lokale, geïntegreerde aanpak te versterken.
Is het waar dat de Taskforce uitbreidt naar heel de provincie Noord-Brabant alsmede naar de provincie Zeeland? Zo ja, hoeveel extra capaciteit wordt daarvoor vrijgemaakt en is deze uitbreiding een onmiddellijke reactie op de angst van de burgemeesters van Heusden en Gilze-Rijen dat de drugscriminaliteit zich naar het platteland dreigt te verplaatsen?
Het klopt dat de TaskForce B5 gaat uitbreiden naar heel Brabant en Zeeland. Het versterken van de dijken rond de grootste steden, zoals de TaskForce B5 dat de afgelopen drie jaren heeft gedaan, is niet afdoende. De uitbreiding komt voor uit een algemeen besef dat we als overheid overal weerbaar moeten zijn. Het is geen directe reactie op de geuite vrees van de burgemeesters van Heusden en Gilze-Rijen. De TaskForce B5 heet vanaf 2014 de TaskForce Brabant Zeeland. Het inzetten van extra capaciteit van betrokken overheidsdiensten is hierbij niet aan de orde. Het gaat namelijk om anders werken in plaats van meer werk verrichten: partners bepalen in gezamenlijkheid wie, wat en hoe ze de georganiseerde criminaliteit aanpakken. Op deze manier worden criminelen op de meest effectieve manier dwars gezeten door de overheid.
Verplaatst de drugscriminaliteit zich inderdaad voor een deel van Noord-Brabant naar België? Zo ja, over welke aanwijzingen daartoe beschikt u? Zo nee, hoe verhoudt zich dat dan tot de uitspraak van de korpschef van de politieregio Turnhout dat het aantal ontmantelde hennepkwekerijen in de Belgische grensstreek de afgelopen jaren flink is toegenomen?
Het is mogelijk dat het criminelen in Brabant te heet onder de voet wordt en dat zij naar België uitwijken. Ik heb echter geen harde bewijzen voor een verplaatsing naar België. Van oudsher vindt een goede samenwerking met België plaats in individuele (ad hoc) zaken. Door de betrokken overheidsdiensten in Brabant wordt nu ook op tactisch-strategisch niveau overleg met de Belgische autoriteiten gepleegd om op een meer gestructureerde wijze te kijken naar de aanpak van grensoverschrijdende (hennep)criminaliteit.
Hoe verhoudt de aard en omvang van hennepcriminaliteit in Noord-Brabant zich tot die van de criminaliteit die samenhangt met synthetische drugs, waaronder GHB en XTC?
Er zijn geen aanwijzingen voor een significante verschuiving van activiteiten van criminele organisaties van de hennep naar andere vormen van drugscriminaliteit, zoals de productie van GHB en XTC. Uit onderzoek blijkt wel dat criminele organisaties vaak actief zijn op meerdere (drugs)gebieden en zich naast harddrugs vaak bezighouden met de productie van en/of handel in hennep. De productie van GHB lijkt vooral plaats te vinden op kleine schaal, waarbij nagenoeg geen sprake is van betrokkenheid van georganiseerde criminaliteit.
De smeergeldaffaire in verband met bouwprojecten van Ballast-Nedam in Saudi-Arabië |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Timmermans op matje» over de vermeende inmenging van het ministerie van Buitenlandse Zaken in het strafrechtelijk onderzoek naar de smeergeldaffaire in verband met bouwprojecten van Ballast Nedam in Saudi-Arabië?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat er op enig moment op enigerlei wijze bemoeienis is geweest door het ministerie van Buitenlandse Zaken of vanuit een ander ministerie met het huidige strafrechtelijke onderzoek naar de smeergeldaffaire in verband met bouwprojecten van Ballast-Nedam in Saudi-Arabië?
Er is geen sprake geweest van bemoeienis, betrokkenheid of hindering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Er is geen standpunt aangepast: pas nadat duidelijk was geworden wat in De Telegraaf werd beweerd, kon deze berichtgeving als onjuist worden betiteld. Het Openbaar Ministerie (OM) kan niet traceren wat door de woordvoerder van het OM voor de publicatie van het bewuste artikel precies is gezegd. Van belang is dat de reactie van het Openbaar Ministerie na de publicatie correct was.
Kunt u aangeven waarom het ministerie van Buitenlandse Zaken aanvankelijk meldde niet bekend te zijn met de smeergeldaffaire om vervolgens het standpunt in te nemen dat de beweringen van De Telegraaf over bemoeienis van het ministerie in deze zaak niet waar zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is dit standpunt aangepast? Kunt u uw antwoord toelichten? Is u verder bekend waarom het Openbaar Ministerie eerst geen commentaar leverde op deze kwestie en vervolgens het standpunt innam dat het niet waar is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken zich bemoeit met het strafrechtelijk onderzoek of daar sturing aan geeft? Kunt u garanderen dat er in de toekomst op geen enkele wijze bemoeienis met het
Zie antwoord vraag 2.
strafrechtelijk onderzoek zal plaatsvinden vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken of vanuit een ander ministerie? Indien neen, waarom niet?
Het is altijd mogelijk dat Buitenlandse Zaken of een ander departement informatie verkrijgt waarvan de inschatting is dat deze van belang is voor het Openbaar Ministerie bij het strafrechtelijk onderzoek. Het is aan het Openbaar Ministerie of die wetenschap gevolgen moet hebben voor het strafrechtelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat diplomatieke, economische of andere belangen van Nederland in Saoedi-Arabië op geen enkele wijze van invloed mogen zijn op het huidige strafrechtelijk onderzoek naar de smeergeldaffaire? Indien neen, waarom niet?
Ja.
Acht u politieke bemoeienis met een strafrechtelijk onderzoek in alle gevallen in strijd met de wet? Indien neen, waarom niet?
Afgezien van het delen van informatie zoals bedoeld in het antwoord op vraag 5, is er wettelijk slechts één mogelijkheid van gerechtvaardigde inmenging van een minister in een concrete strafzaak. De minister van Veiligheid en Justitie heeft als politiek verantwoordelijke minister voor het Openbaar Ministerie een wettelijke bevoegdheid (Artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie) om het Openbaar Ministerie aanwijzingen te geven betreffende de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden. Artikel 128 van genoemde wet regelt de parlementaire controle op het geven van een aanwijzing.
Hoe beoordeelt u het optreden van de oud-premier Blair van het Verenigd Koninkrijk, die zich in een vergelijkbare zaak uitsprak tegen voortzetting van het strafrechtelijke onderzoek naar een smeergeldaffaire in Saoedi-Arabië, waarna het strafrechtelijk onderzoek door het Britse kabinet is stopgezet?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het ministerie heeft geen bemoeienis met de rechtsgang in het Verenigd Koninkrijk.
Een werkbezoek betreffende geestelijke verzorgers in justitiële inrichtingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel geestelijke verzorgers zijn er in dienst bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)? Hoeveel hiervan hebben (nog steeds) een vaste aanstelling als geestelijke verzorger?
In totaal werken er 206 geestelijk verzorgers in deeltijd bij DJI, waarvan 172 medewerkers een vast dienstverband hebben (peildatum 1 december 2013).
Hoeveel geestelijke verzorgers zullen in het kader van het Masterplan DJI 2013–20181 ontslagen worden of hebben een andere tijdelijke aanstelling aangeboden gekregen? Wat is de religieuze achtergrond van deze geestelijke verzorgers (inclusief aantallen)?
Op dit moment is geen sprake van ontslagen. Op basis van vermoedelijke boventalligheid worden alle humanistisch geestelijk verzorgers (32 medewerkers) en alle islamitisch geestelijk verzorgers (44 medewerkers) aangewezen als vrijwillig Van Werk Naar Werk-kandidaat. Na deze fase zal bepaald worden of er daadwerkelijk sprake is van boventalligheid en in welke mate. De overige denominaties verwachten geen boventalligheid in verband met de personele opbouw en het in voldoende mate beschikbaar hebben van een flexibele schil van medewerkers zonder ambtelijke aanstelling.
Voor alle geestelijk verzorgers die in dienst zijn bij DJI geldt dat academisch werk- en denkniveau wordt gevraagd. De kwaliteit van de geestelijke verzorging wordt verder gewaarborgd door een scherpe selectie op geschiktheid en bekwaamheid, persoonlijke coaching door de leiding en door educatie en opleiding.
Is het waar dat de afgelopen vijf jaar met name geestelijke verzorgers door DJI zijn aangenomen die in Nederland hun theologische opleiding hebben afgerond? Is het waar dat deze recent opgeleide geestelijke verzorgers geen vaste aanstelling hebben, maar op uitzendbasis worden opgeroepen?
Het is juist dat de afgelopen vijf jaar met name geestelijk verzorgers zijn gaan werken bij DJI die in Nederland hun theologische opleiding hebben afgerond. Een aantal van hen is in vaste dienst getreden.
Waarom werken geestelijk verzorgers op uitzendbasis? Is dat wenselijk?
De inzet van geestelijke verzorging is afhankelijk van groei en krimp van het aantal gedetineerden. In het kader van een gezonde bedrijfsvoering en rust in de organisatie is een flexibele schil van medewerkers zonder ambtelijke aanstelling wenselijk om op een adequate wijze in te kunnen spelen op wisselingen in de vraag naar geestelijk verzorgers.
Heeft de overheid subsidie verschaft aan de VU, InHolland en Leiden Universiteit om een theologische opleiding op te zetten voor de «nieuwe generatie» geestelijk verzorger? Zo nee, wat is er niet waar? Zo ja, hoeveel geestelijk verzorgers hebben deze opleiding afgerond en hebben gewerkt of zijn werkzaam bij DJI?
Sinds 2005 heeft de rijksoverheid actief beleid gevoerd om een Nederlands aanbod van islam- en imamopleidingen te creëren. Aan deze opleidingen worden islamitisch geestelijk verzorgers, pedagogisch werkers, imams en islamitisch theologen opgeleid. De rijksoverheid heeft diverse start- en ontwikkelsubsidies gegeven aan onderwijsinstellingen om deze opleidingen op te zetten. Dit heeft geleid tot een opleidingsaanbod aan drie bekostigde instellingen: Vrije Universiteit (VU), Universiteit Leiden en Hogeschool Inholland. Deze opleidingen leiden ook geestelijk verzorgers voor DJI op. Inmiddels zijn er 18 islamitisch geestelijk verzorgers werkzaam bij DJI, waarvan 14 als ambtenaar, die hun opleiding aan één van deze instellingen hebben gevolgd. In 2011 is de opleiding tot boeddhistisch en hindoeïstisch geestelijk verzorger gestart. Er zijn nog geen geestelijk verzorgers die deze opleidingen hebben kunnen afronden.
Kan de conclusie worden getrokken dat bij de bezuiniging op DJI in het kader van het Masterplan deze recent opgeleide geestelijke verzorgers als eerste ontslagen worden of niet meer worden opgeroepen? Zo nee, welke conclusie moet dan worden getrokken? Zo ja, heeft dit gevolgen voor de kwaliteit van de geestelijke verzorgers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw mening daarover?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de «nieuwe generatie» geestelijke verzorgers, met name islamitische geestelijke verzorgers, beter Nederlands spreekt dan de «oude generatie»? Zo ja, deelt u de mening dat het spreken van Nederlands en kennis hebben van de Nederlandse cultuur een vereiste is en de kwaliteit ten goede komt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat kennis van de Nederlandse taal en cultuur een vereiste is voor een goede uitoefening van het vak geestelijke verzorging. Aan de taaleis op tenminste NT2- niveau moet worden voldaan om een aanstelling als geestelijk verzorger te krijgen. De jongere generatie islamitisch geestelijk verzorgers die in Nederland is geboren of getogen spreekt over het algemeen beter Nederlands dan geestelijk verzorgers die hun theologische opleiding elders hebben genoten en op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Ook deze laatsten voldoen echter aan de minimale eisen van taalbeheersing en werken bovendien continu aan het verhogen van hun taalvaardigheid. De jongere generatie islamitisch geestelijk verzorgers is overigens ruim vertegenwoordigd onder de islamitisch geestelijke verzorgers.
Gebruik CO2 voor faunabeheer |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ganzenjacht helpt niet; populatie blijft groeien»?1
Ja.
Bent u het eens met hetgeen in het richtsnoer van de Raad voor Dieraangelegenheden van december 2012 naar voren is gebracht, dat doding van ganzen door vergassing met CO2 vooralsnog de meest aanvaardbare methode voor populatiereductie van grote aantallen standganzen in watergebieden is?
De Raad voor Dierenaangelegenheden noemt in het Richtsnoer Ganzendoden het gebruik van CO2-gas, als het gaat om populatiereductie of om de veiligheid van het vliegverkeer, de meest aanvaardbare methode. Deze opvatting deel ik. Over het gebruik van CO2 verwijs ik u naar mijn brief van 8 mei 2013, TK 2012–2013, 28 286 nr. 627, bij het aanbieden van het Richtsnoer Ganzendoden van de Raad voor Dierenaangelegenheden aan uw Kamer.
Het gebruik van CO2 voor ganzenbeheer was een belangrijk onderdeel van het onlangs geklapte ganzenakkoord. Bent u het ermee eens dat het gebruik van C02 voor faunabeheer een hele belangrijke methode voor het beheer van de ganzenpopulatie is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u zich bewust dat het gebruik van CO2 voor het doden van ganzen buiten Schiphol momenteel niet is toegestaan en dat het verbod van het gebruik van CO2 voor het doden van ganzen een van de redenen was voor het klappen van het Ganzenakkoord?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u zich bewust dat waarschijnlijk pas in het voorjaar van 2015 de EU definitieve goedkeuring zal kunnen geven over de toelating van de stof CO2 voor het bestrijden van ganzen?
Ja. Er loopt thans een procedure om te komen tot een biocide toelating voor CO2 voor toepassingen om vogels te doden ter bescherming van het luchtvaartverkeer. Nederland is Rapporteur Member State (RMS) voor de stof CO2. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is voor Nederland de beoordelende instantie.
De Biocidenverordening regelt dat voor de beoordeling en besluitvorming over een dergelijk dossier andere lidstaten meekijken. Daarin zijn vaste tijdsprocedures vastgelegd, die niet door het Ctgb beïnvloed kunnen worden. Het Ctgb heeft het beoordelingsrapport voor de stof CO2 op 30 augustus 2013 naar de Europese Commissie en de lidstaten gestuurd. Aan de hand van ontvangen commentaar is de beoordeling aangepast en wordt het op EU niveau besproken in de Working Groups (WG) eind maart 2014. Als andere lidstaten tijdens de Working Groups instemmen met de beoordeling zoals opgesteld door het Ctgb, kan deze behandeld worden in het Biocidal Product Committee in juni 2014.
Het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) heeft vervolgens, gerekend vanaf 30 augustus 2013, 270 dagen om een eindadvies uit te brengen aan de Europese Commissie. Daarna vindt stemming door de lidstaten plaats over definitieve goedkeuring van de stof, het opstellen van het besluit, vertaling en publicatie door de Europese Commissie, en definitieve goedkeuring door Europese Raad en het Parlement. De laatste fase kan een halfjaar in beslag nemen.
Zodra de stof officieel is goedgekeurd kan door het Ctgb een toelating voor een middel op basis van CO2 in Nederland worden afgegeven (ook voor andere doeleinden dan de luchtvaartveiligheid), mits de aanvrager tijdig een toelating bij het Ctgb heeft aangevraagd en betaald.
Bent u het ermee eens dat de hele grote toestroom van ganzen, en vooral het toenemend aantal ganzen dat ook ’s zomers in Nederland verblijft, grote financiële schade veroorzaakt en een spoedeisend probleem is?
De aantallen ganzen die in ons land gedurende het gehele jaar verblijven, kunnen schade veroorzaken aan landbouwgewassen. Naast het nemen van (preventieve) maatregelen om schade te voorkomen dan wel te beperken, kunnen grondgebruikers bij het Faunafonds een beroep doen op tegemoetkomingen in de aangerichte schade. Zie verder antwoord op vraag 7.
Bij de beantwoording van de mondelinge vragen op 3 december jl. over het klappen van het Ganzenakkoord heeft u gezegd dat u zich stevig inzet voor het toelaten van het gebruik van CO2; bent u dan ook bereid om, gezien de grote spoedeisende en toenemende overlast van ganzen voor natuur, akkers en velden, om in de rui periode van de ganzen (mei en juni) een aanvraag voor een tijdelijke vrijstelling voor het gebruik van CO2 voor het doden van ganzen, ook buiten Schiphol, te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit ondersteun ik niet. Voorwaarden voor het afgeven van vrijstellingen zijn neergelegd in artikel 55 van Europese Verordening Biociden (EU) nr. 528/2012. Vrijstellingen kunnen alleen worden verleend voor een beperkt en gecontroleerd gebruik, voor ten hoogste 180 dagen, vanwege een niet op andere wijze te bestrijden gevaar voor de volksgezondheid, de gezondheid van dieren of het milieu. Het bestrijden van ganzen vanwege overlast voor akkers, velden en natuur valt niet onder deze definitie en komt derhalve niet in aanmerking voor een vrijstelling.
Bent u in contact met de Europese Commissie over de toelating van CO2 bij de bestrijding van vraatschade door ganzen, inclusief een tijdelijke ontheffing voor het gebruik van CO2 zolang de toelatingsprocedure loopt? Zo ja, wat is de laatste stand van zaken? Zo nee, waarom niet?
Ik heb u bij vraag 5 antwoord gegeven over de stand van zaken met betrekking tot de toelating van de stof CO2. De regering kan niet treden in de verantwoordelijkheden van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen en biociden, de Europese Commissie of het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen.
De uniforme veiligheidsregels voor online bankieren |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «Uniforme Veiligheidsregels Particulieren» voor online betalingsverkeer van de Nederlandse Vereniging van Banken?1
Ja.
Hoe staat u tegenover de uniforme regels zoals geformuleerd door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Consumentenbond?
Het is een goed initiatief van de NVB en de Consumentenbond om gezamenlijk tot uniforme regels te komen zodat alle banken op dezelfde wijze omgaan met het afhandelen van fraude met internetbankieren. Als consumenten schade lijden, maar deze de veiligheidsregels hebben nageleefd, dan kunnen zij er in ieder geval op rekenen dat zij het bedrag dat zonder toestemming van de rekening is gehaald, vergoed krijgen.
Wat is de juridische status van de door de NVB en de Consumentenbond overeengekomen voorwaarden? Deelt u de mening dat het wenselijk is dat banken eenduidige, uniforme voorwaarden overeen zijn gekomen? Op welke wijze worden deze uniforme voorwaarden onder de aandacht gebracht?
De Uniforme Veiligheidsregels Particulieren betreffen onderlinge afspraken tussen de NVB en de Consumentenbond.
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat banken eenduidige, uniforme regels overeen zijn gekomen. De uniforme regels dragen bij aan duidelijkheid voor consumenten.
De uniforme veiligheidsregels zijn op 21 november jongstleden in de najaarsvergadering van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer gepresenteerd en op 23 november jongstleden publiekelijk geïntroduceerd in het consumenten Tv-programma Kassa! Ook hebben de banken de uniforme veiligheidsregels op hun websites gepubliceerd en zijn de regels te raadplegen op de website www.veiligbankieren.nl . Deze laatste website wordt door Nederlandse banken gebruikt om klanten voor te lichten op het gebied van fraude en veiligheid.
Vindt u dat er bij het niet naleven van de uniforme regels per definitie sprake is van «grove nalatigheid» van de klant? Deelt u de mening dat een bank op basis van het niet naleven van een beperkt onderdeel van deze regels niet kan besluiten de klant aansprakelijk te stellen voor de volledige schade?
De rechter gaat over wat uiteindelijk moet worden begrepen onder «grof nalatig handelen» van de consument in de zin van artikel 7:529 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het niet naleven van een beperkt onderdeel van de uniforme regels betekent daarom niet per definitie dat de consument aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade.
Hoe beoordeelt u de overeengekomen regels in het licht van de artikelen 7:524 en 7:529 BW waarbij een bank de consument altijd moet vergoeden bij schade tenzij er sprake is van opzet of grove nalatigheid? Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen Aanhangsels Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 672 en 984? Deelt u de mening dat het niet naleven van de uniforme regels de bank niet ontslaat van de bewijslast om aan te tonen dat de consument opzettelijk of grof nalatig handelde?
Uit de artikelen 7:524 en 7:529 BW volgt dat de bewijslast voor opzettelijk handelen of grove nalatigheid van de consument op de bank rust. Onderlinge afspraken tussen de Consumentenbond en de NVB zijn niet van invloed op deze wettelijke bewijslastverdeling.
Zoals hierboven vermeld heeft de rechter het laatste woord over de uitleg van de wet- en regelgeving. Als de bank het standpunt van de consument – volgens deze ten onrechte – afwijst, kan de consument het geschil voorleggen aan Kifid (Klachtinstituut Financiële Dienstverlening) of de rechter om zijn gelijk te halen.
In de motie Nijboer-Merkies (Kamerstuk 27 863, nr. 47) wordt de regering verzocht «in overleg met de sector er zorg voor te dragen dat er eenduidige en transparante vergoedingsnormen worden ontwikkeld waarbij de verantwoordelijkheid voor vergoeding bij schade door online fraude niet verder wordt verschoven in de richting van de consument»; deelt u de mening dat deze motie nog niet volledig is uitgevoerd? Bent u bereid het gesprek met de sector en de Consumentenbond verder te voeren om te komen tot eenduidige en transparante vergoedingsnormen?
Mede op mijn aandringen is in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) onderzocht in welke mate de verschillende veiligheidsnormen, waaraan de klant zich bij internet- (en mobiel) bankieren dient te houden, qua inhoud en formulering beter op elkaar konden worden afgestemd. Dit heeft geresulteerd in de uniforme veiligheidsregels voor particulieren. Als consumenten de veiligheidsregels naleven dan kunnen zij er, zo heb ik van de NVB begrepen, op rekenen dat het bedrag dat zonder hun toestemming van hun rekening is gehaald vergoed wordt.
Zoals hierboven vermeld zijn dergelijke afspraken niet van invloed op de wettelijke bewijslastverdeling. Het is mogelijk dat de banken de uniforme veiligheidsregels opnemen in hun contractsvoorwaarden. Blijkens artikel 7:529, tweede lid, BW draagt de consument alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat de consument opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van de veiligheidsregels niet is nagekomen. Ook in dit geval rust de bewijslast voor opzettelijk handelen of grove nalatigheid van de consument nog steeds op de bank.
De Veiligheidsregels zullen jaarlijks worden geëvalueerd door de NVB en Consumentenbond en waar nodig aangepast. Andere partijen van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer kunnen ook de vinger aan de pols houden of het door de banken bij fraudegevallen hanteren van de vijf Veiligheidsregels ordentelijk verloopt.
Deelt u de zorgen dat vele vormen van fraude bij online bankieren zoals phishing buiten deze nieuwe regels lijken te vallen? Is het aannemelijk dat klanten daardoor in veel gevallen van fraude alsnog zijn aangewezen op het «coulancebeleid» van de afzonderlijke banken, zodat er geen duidelijkheid is over de vergoedingen voor opgelopen schade? Deelt u de mening dat deze onzekerheid onwenselijk is en het vertrouwen in het online betalingsverkeer kan ondermijnen?
In de Uniforme veiligheidsregels die door NVB en Consumentenbond zijn gepresenteerd is opgenomen dat een klant zijn of haar eigen beveiligingscodes geheim moet houden. In de toelichting op dit punt is door NVB en Consumentenbond ondermeer opgenomen dat klanten hun codes niet per email of telefonisch moeten verstrekken aan een persoon die beweert een medewerker van een bank te zijn. Dit punt refereert mijns inziens aan het voorkomen van schade door phishing.
Indien klanten door phishing gedupeerd raken, is het aan de rechter om uit te maken of die klanten daarvoor zelf aansprakelijk gehouden kunnen worden of niet. Daarbij neemt een rechter telkens alle omstandigheden van het specifieke geval in acht. De rechter toetst daarbij aan de algemeen geldende norm dat een gedupeerde niet opzettelijk gefraudeerd mag hebben of grof nalatig mag zijn geweest met betrekking tot de voorwaarden die verbonden waren aan de uitgifte of het gebruik van het betaalinstrument. Ik ben niet van mening dat hierdoor het vertrouwen in het online betalingsverkeer wordt ondermijnd; het is nu eenmaal niet mogelijk om in regelgeving tot in detail te voorzien in alle mogelijke situaties.
Overigens trachten banken schade als gevolg van phishing te voorkomen door regelmatig voorlichtingscampagnes te voeren en hun klanten over vormen van phishing actief te informeren.
Deelt u de mening dat het verschuiven van verantwoordelijkheid van bank naar klant kan leiden tot het ondermijnen van het vertrouwen in het betalingsverkeer? In hoeverre kunnen de uniforme regels tot een dergelijke onwenselijke verschuiving van verantwoordelijkheid leiden?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u bevestigen dat banken niet voornemens zijn een eigen risico te vragen van 150 euro bij fraude met internetbankieren, zoals onlangs in de media werd gesuggereerd?
Van de NVB heb ik begrepen dat de banken in Nederland in de praktijk bij fraude met internetbankieren geen eigen risico van 150 euro hanteren. Er zijn mij momenteel geen signalen bekend dat banken dit beleid van plan zijn te wijzigen.
Er is een aantal gevallen bekend (zie bijvoorbeeld een aantal uitzendingen van het VARA-programma Kassa) van gedupeerden van phishing en malware door criminelen die door banken niet worden gecompenseerd; bent u bereid om u ervoor in te zetten dat de gedupeerden van phishing en malware die nog niet door banken zijn gecompenseerd alsnog door banken tegemoet worden gekomen voor de geleden schade?
Op Europees niveau is besloten om, indien een klant opzettelijk heeft gefraudeerd of grof nalatig is geweest, de schade die daaruit ontstaan is door de klant zelf te laten dragen. Deze regel komt mij niet onredelijk voor. Of in een concrete situatie sprake is van grove nalatigheid of grove schuld aan de zijde van de gedupeerde, is niet aan mij om te bepalen maar aan de rechter. Indien sprake is van grove schuld aan de zijde van de gedupeerde zijn banken niet wettelijk verplicht om de schade van een gedupeerde te vergoeden. Vergoedt een bank desalniettemin (een deel van) de schade uit coulance, dan is dit een eigen en vrijwillige keuze van die bank.
Multiresistente bacteriën bij deelnemers aan de jihad in Syrië |
|
Reinette Klever (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten uit Israël dat jihadisten afkomstig uit Syrië besmet kunnen zijn met multiresistente bacteriën?1
Ja
Wat is uw inschatting van het gevaar voor Nederland? Waarop baseert u dit?
De Werkgroep Infectiepreventie (WIP) stelt richtlijnen op voor infectiepreventie in ziekenhuizen. Deze richtlijnen zeggen onder andere dat mensen die in een buitenlands ziekenhuis opgenomen zijn geweest en vervolgens in een Nederlands ziekenhuis moeten worden opgenomen een risicogroep zijn en in isolatie moeten worden verpleegd totdat is onderzocht of de patiënt een resistente bacterie bij zich draagt. Wanneer dit niet het geval is kan de isolatie worden opgeheven.
Ook jihadisten die in een buitenlands ziekenhuis behandeld zijn en vervolgens in Nederland in een ziekenhuis worden opgenomen vallen onder deze richtlijnen.
Wanneer er geen ziekenhuisopname in het buitenland heeft plaatsgevonden worden de jihadisten (vanuit gezondheidsperspectief) beschouwd als «gewone» reizigers, waar het besmetting met multiresistente bacteriën betreft. Ook «gewone» reizigers kunnen namelijk multiresistente bacteriën oplopen. Het risico hierop is echter klein ten opzichte van het risico hierop tijdens een ziekenhuisopname in een buitenlands ziekenhuis. In tegenstelling tot patiënten die in een buitenlands ziekenhuis zijn behandeld, worden «gewone» reizigers volgens de huidige richtlijnen niet gezien als een risicogroep voor de verspreiding van multiresistente bacteriën. Ze worden dan ook niet standaard bij opname in een ziekenhuis in Nederland in isolatie verpleegd of gescreend op dragerschap.
Worden naar Nederland terugkerende jihadisten gescreend op ziektes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat alle terugkerende jihadisten behalve opgepakt, ook in quarantaine moeten totdat duidelijk is dat ze niet besmet zijn met gevaarlijke ziektes en bacteriën? Zo nee, waarom niet?
Nee. Omdat het risico op verspreiding beperkt is en niet anders dan bij «gewone» reizigers is het onnodig deze persoon in quarantaine te plaatsen. Voor wat betreft het oppakken van terugkerende jihadisten, is het aan het openbaar ministerie om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Ik verwijs u graag naar de brief aan uw Kamer met de beleidsopvolging op het 34e Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). Daarin worden de zorgen geuit over radicalisering en jihadgang van Nederlandse moslims en worden de maatregelen beschreven die ingezet worden tegen de dreiging van geradicaliseerde jihadisten (Kamerstuk 29 754-238).
Capaciteitsbeperking op de Betuweroute door de bouw van het derde aansluitspoor in Duitsland |
|
Sander de Rouwe (CDA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse spoorsector hevig is geschrokken van de capaciteitsbeperking op de Betuweroute de komende negen jaar door de bouw van het derde aansluitspoor in Duitsland?1
Ja. De aanlegperiode van het derde spoor is gepland gedurende zeven jaar van eind 2016 tot en met 2022. De buitendienststellingen leiden van april 2016 tot en met oktober 2016 een half jaar lang tot capaciteitsbeperkingen, omdat er dan maar één van de twee sporen kan worden gebruikt. Daarna, in de periode vanaf november 2016 tot aan de indienststelling van het derde spoor, is er elke maand een week lang sprake van de genoemde enkelsporige situatie.
Deelt u de mening dat, bij doorgang van de capaciteitsbeperking, verlies van marktaandeel reëel is en dat maximale beperking van dergelijk verlies noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Als er geen maatregelen worden getroffen, is de kans groot dat het spoorgoederenvervoer marktaandeel verliest. Ik wil er samen met betrokken partijen voor zorgen dat met een innovatief maatregelenpakket het spoorgoederenvervoer zoveel mogelijk wordt geaccommodeerd. Tegelijkertijd moeten de maatregelen acceptabel zijn voor de bewoners langs het spoor.
Bent u bereid om met de betrokkenen alternatieven te ontwikkelen om het verlies te beperken en die alternatieven aan de Kamer voor te leggen? Zo nee, Waarom niet?
Ja. Ik ben al bezig met alle betrokken partijen om samen alternatieven te ontwikkelen. Zowel met partijen op het spoor als die langs het spoor. Ik zet in op een gedragen maatregelenpakket voor deze problematiek. Dat maatregelenpakket zal ik na de zomer voorleggen aan de Tweede Kamer.
Deelt u de gedachte dat het goed zou zijn als in voorkomende gevallen eerder plannen tot schadebeperking worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Tot de zomer van 2013 was het niet duidelijk wanneer Duitsland zou besluiten tot de aanleg van het derde spoor en welke consequenties dit zou hebben voor Nederland. De bouwplanning en de impact daarvan op de capaciteit van de grensovergang van de Betuweroute zijn pas recent duidelijk geworden. In het voorjaar van 2013 is al gestart met het maken van impactanalyses.
Het bericht ‘Hulp mentor bij studiekeus allochtone jongere’ |
|
Harm Beertema (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het werkgelegenheidsproject speciaal voor allochtonen, Link2Work?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat autochtone jongeren, waarvan er evengoed velen geen uitzicht hebben op werk, hier worden gediscrimineerd op basis van hun autochtoon-zijn?
Link2work is een initiatief van de SER, SZW, Mirjam Sterk (Ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid), werkgevers, vakbonden en regionale partners om bestaande mentor- en peer to peer projecten te versterken. Deze maatschappelijke initiatieven zijn vaak effectief in het ondersteunen en versterken van jongeren, maar missen de relatie met de arbeidsmarkt. Wat ontbreekt is de verbinding met werk, oftewel de «Link2Work».
Het project staat open voor alle jongeren die extra hulp nodig hebben in – in eerste instantie – de regio’s Amsterdam en Rotterdam. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar etniciteit of afkomst. Wel zullen door de bevolkingssamenstelling van de genoemde steden, naar verwachting veel jongeren met een migrantenafkomst deelnemen aan het project.
Hoe zou u hebben gereageerd als er een werkgelegenheidsproject was georganiseerd dat specifiek gericht was op autochtone jongeren?
Zie antwoord vraag 2.
Welk aspect van het allochtoon-zijn is doorslaggevend geweest voor deze voorkeursbehandeling van allochtonen boven autochtonen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid uw excuses te maken aan alle werkzoekende autochtone jongeren voor deze belachelijke bevoordeling van allochtonen en bent u bereid dit project meteen te beëindigen, aangezien economische groei door lastenverlaging de beste manier is om mensen aan het werk te krijgen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Munitiestortplaats Engelsmanplaat (Waddenzee) |
|
Henk van Gerven (SP), Paulus Jansen (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat er tussen Schiermonnikoog en Ameland – nabij de Engelsmanplaat- in de veertiger jaren van de vorige eeuw, vijfhonderd ton munitie uit de Tweede Wereldoorlog gestort is?1
Ja.
Klopt het bericht dat de stortplaats in 2001 door TNO is onderzocht en dat TNO heeft geadviseerd iedere vijf jaar een controle uit te voeren? Op welke wijze, wanneer en door wie is deze controle de afgelopen jaren uitgevoerd? Wat is er tijdens deze controles geconstateerd?
Het desbetreffende TNO-rapport is op 22 augustus 2001 door de regering aan de Tweede Kamer aangeboden (TNO-PML 2001 A6). Daarin staat dat de munitiestortplaats in de Waddenzee onder een laag zand van circa 10 meter ligt. «Aangezien deze munitie geen gevaar oplevert is van verder onderzoek op die locatie afgezien», aldus TNO. In het verlengde hiervan adviseerde TNO deze locatie regelmatig te beoordelen op de aanwezigheid van voldoende zandafdekking. Rijkswaterstaat neemt dit gebied in het kader van de reguliere 6-jaarlijkse dieptemetingen van het Waddenzeegebied mee. De laatste bodemmetingen zijn uitgevoerd in 2012. Daaruit blijkt dat bij de munitiestortplaats geen grote veranderingen / wijzigingen zijn opgetreden, de munitiestortplaats ligt nog steeds onder voldoende zandafdekking. Daarnaast meet Rijkswaterstaat jaarlijks de waterkwaliteit op verschillende punten in de Waddenzee. Deze metingen laten zien dat de kwaliteit ruimschoots binnen de normen voor zware metalen blijft. Voor zover bekend is er geen munitie afkomstig van deze stortplaats aangespoeld en is dus ook op dit vlak geen sprake van toenemende risico’s.
Is het waar dat, zoals de Waddenvereniging stelt, geen van de betrokken ministeries zich verantwoordelijk voelt voor de stortplaats? Zo nee, welke minister is er verantwoordelijk voor deze stortplaats?
Nee, het beheer van de Waddenzee is een Rijksverantwoordelijkheid. Vanuit de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voert Rijkswaterstaat, zoals gesteld in het antwoord op de vragen 2, 4 en 5, reguliere metingen uit naar de bodemontwikkeling en de waterkwaliteit. Vanuit de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie is de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven.
Klopt het bericht dat het controleren van deze stortplaats niet opgenomen is in het meetprogramma van Rijkswaterstaat? Zo ja, binnen welk meetprogramma van welk ministerie is dit wel opgenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Is er in de loop der jaren een toename aan risico’s waarneembaar, zoals het aanspoelen van munitie op het strand?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog meer munitiestortplaatsen in Nederlandse wateren naast die in de Oosterschelde en in de Waddenzee? Zo ja, welke en hoe is hiervan de controle geregeld?
Ja, op twee locaties in de Noordzee ter hoogte van respectievelijk IJmuiden en Hoek van Holland, beide op ongeveer 30 kilometer uit de kust. De voormalige munitiestortplaatsen zijn afgesloten (area to be avoided) voor de scheepvaart, staan op de zeekaarten en zijn apart betond. Ook voor de Noordzee geldt dat Rijkswaterstaat reguliere metingen verricht naar de bodemontwikkelingen en waterkwaliteit.
De levensomstandigheden van psychiatrische patiënten bij langdurige opname |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Joana in de GGZ»?1
Ja.
Wat vindt u van de kennelijke levensomstandigheden die in het artikel beschreven worden?
De in het artikel beschreven omstandigheden, waarin de moeder haar dochter aantreft, vind ik erg naar om te lezen. Als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ben ik echter niet bevoegd om te bemiddelen in individuele gevallen. Ik ben verantwoordelijk voor het systeem van de gezondheidszorg en de beroepsgroepen en zorgaanbieders en behandelaars zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de inhoud van de zorg. Dit neemt niet weg dat ik mij de gevoelens van onmacht en frustratie van de moeder goed kan voorstellen. Iedere ouder wenst dat zijn kind de beste zorg en behandeling krijgt die voorhanden is en dat die zorg ook aanslaat.
Vormen de levensomstandigheden zoals die in het artikel beschreven worden volgens u een afspiegeling van de omstandigheden in de vijf Klinieken voor Intensieve behandeling (KIB's) en de andere instellingen waar zware psychiatrische patiënten langdurig worden opgenomen?
Nee. De vijf Klinieken voor Intensieve Behandeling (KIB) bieden een hoogwaardige en zeer specialistische behandelfunctie aan voor mensen die sterk ontregeld zijn en niet meer te behandelen zijn binnen de reguliere GGZ. De KIB’s zijn gespecialiseerd om cliënten weer in balans te krijgen en te stabiliseren. Tevens hebben de KIB’s veel expertise om goed om te gaan met ontwrichtend en zelfbeschadigend gedrag. Het zorgprogramma op de KIB’s voorziet enerzijds in de behandeling van de stoornis en anderzijds in het doen van een uitgebreide analyse van de ontwrichting. Hierbij dient de familie te worden betrokken. De behandeling van de stoornis is gebaseerd op de laatste state-of-the-art ontwikkelingen en richtlijnen. Er wordt gebruik gemaakt van medicatieprotocollen. Er is een uitgebreid therapie- en programma- aanbod en er is veel aandacht voor het leefklimaat. Hoewel veel aandacht wordt besteed aan het motiveren van mensen tot een gezond leefpatroon bij de doelgroep in de KIB’s, is dit in de praktijk moeilijk: het belang enerzijds voor respect voor de autonomie van de patiënt en anderzijds de behandel- en begeleidingsdoelen staan soms op gespannen voet met elkaar. De balans daartussen vinden is een dagelijkse uitdaging binnen de klinieken. De inhoud van de zorg en de keuzes daarbinnen vallen onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders, de zorgprofessionals en de wetenschappelijke verenigingen, net zoals dat in de somatische zorg is geregeld.
Wat is het oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de levensomstandigheden van zware psychiatrische patiënten die intramuraal zorg ontvangen?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) besteedde in de Staat van de Gezondheidszorg 2012 aandacht aan een specifieke doelgroep binnen de GGZ: patiënten met anti-psychoticagebruik. De inspectie inventariseerde in dit rapport op basis van bestaande richtlijnen welke inspanningen GGZ-instellingen moeten leveren om somatische complicaties te voorkomen bij intramurale patiënten die langdurig anti-psychotica slikken. De inspectie constateerde dat de instellingen al goed op weg waren met een somatische screening, maar dat een integrale – preventieve – benadering voor leefstijlbegeleiding nog onvoldoende was. Zo hadden instellingen bijvoorbeeld wel aandacht voor gezond eten en bewegen, maar nauwelijks voor ondersteuning bij stoppen met roken. De inspectie verwacht dat instellingen in 2014 een integrale aanpak hebben geïnternaliseerd. Zij zal hier op toezien waarbij de aandacht specifiek uitgaat naar de somatische screening.
Deelt u de opvatting dat gezonde voeding, lichaamsbeweging, fatsoenlijke leefomgeving en voldoende buitenlucht van evident belang zijn voor patiënten in de GGZ en basisvoorwaarden vormen voor gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Een gezonde leefstijl is voor een ieder van belang dus ook voor patiënten in de GGZ.
De GGZ-instellingen dienen hier aandacht aan te besteden. De wijze waarop GGZ-instellingen daaraan invulling geven behoort tot het kwaliteitsbeleid van de betreffende GGZ-instelling. Vanzelfsprekend is het ook van belang dat de patiënt zelf tot inzicht komt dat hij moet letten op zijn voeding en dat hij voldoende moet bewegen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
In hoeverre kunt u garanderen dat GGZ-patiënten worden voorzien in deze basisvoorwaarden?
Zie mijn antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting van onderzoeker Smilde dat het ontbreken van het eerder afgeschafte «bestwil criterium» goede zorg voor GGZ-patiënten in de weg staat?
Nee, deze opvatting deel ik niet. De zorgprofessionals zijn verantwoordelijk voor inhoud van de behandeling en voor de afweging wat het beste is voor de individuele patiënt. In welke gevallen zorg onder dwang effect kan hebben en wanneer dat juist contraproductief werkt is een zorginhoudelijke afweging. Ik ben er geen voorstander van om hiervan een politieke afweging te maken.
Biedt het wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg mogelijkheden voor het opnieuw toepassen van het «bestwil criterium»?2 Zo ja, hoe is dat geborgd? Zo nee, waarom niet?
Het bestwil criterium lag ooit ten grondslag aan de Krankzinnigenwet (uit 1841). De wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (wet Bopz) gaat uit van het gevaarscriterium, waarin de autonomie van de patiënt centraal staat. De Wet verplichte GGZ hanteert het schadecriterium, waarmee aangesloten wordt bij de praktijk en internationale verdragen waar over «harm» wordt gesproken. Alleen indien er sprake is van een aanzienlijk risico op ernstige schade voor de patiënt zelf of voor anderen, kan verplichte zorg aan de orde zijn. Verschil met de Wet bopz is dat niet langer de opname van de cliënt centraal staat, maar zijn behandeling. De Wet verplichte GGZ kent daartoe meer interventiemogelijkheden dan de Wet Bopz, waardoor de cliënt zorg op maat wordt geboden. Hiermee kan nog nadrukkelijker dan onder de wet bopz ingezet worden op het verbeteren van de geestesstoornis zelf (inclusief herstel van autonomie) en kan de noodzakelijke zorg worden geboden. Voor alle verplichte zorg geldt echter dat deze getoetst moeten worden aan de beginselen subsidiariteit, proportionaliteit, doelmatigheid en veiligheid. Daarnaast moet de cliënt altijd worden gehoord. Daarmee moet ook in de Wet verplichte GGZ een afweging worden gemaakt tussen de autonomie van cliënt en de zorg en bescherming die zij nodig hebben.
Deelt u de mening van onderzoeker Smilde dat medewerkers werken in een «verantwoordingscultuur» waarbij talloze protocollen goede zorg en levensomstandigheden in de weg staan? Zo ja, hoe denkt u die cultuur te gaan doorbreken?
Nee, deze mening deel ik niet. De laatste jaren wordt in de psychiatrie hard gewerkt om de diagnostiek en behandeling van psychiatrische stoornissen te verbeteren, ondermeer met behulp van multidisciplinaire GGZ richtlijnen. In toenemende mate worden door het veld protocollen ontwikkeld die bijdragen aan het behandelen van psychiatrische stoornissen en het leveren van goede zorg aan patiënten. Te denken valt onder andere aan de richtlijnen voor de behandeling van depressies en schizofrenie. Genoemde richtlijnen staan de levensomstandigheden in de klinieken niet in de weg.
Ook de KIB’s zullen voor de komende jaren een gezamenlijke agenda opstellen voor het ontwikkelen van veldnormen, prestatie-indicatoren en kennisdeling met andere organisaties. Op deze wijze wordt zoveel gewerkt aan verbetering en uniformering van de behandeling van psychiatrische ziekten.
Het bericht dat een verkrachter met TBS weer de straat op mag |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verkrachter met tbs mag weer de straat op»1? Klopt wat hierin wordt vermeld?
Het artikel is mij bekend. De rechtbank heeft de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar verlengd, en de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd.
Bent u bereid om u bij het beantwoorden van deze vragen niet achter de rechter te verschuilen, maar uw eigen mening weer te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik geef mijn mening als dat nodig is, vanzelfsprekend met inachtneming van de beginselen van de rechtsstaat.
Deelt u de mening dat deze gevaarlijke serieverkrachter van bejaarde vrouwen nooit losgelaten had mogen worden, alleen maar omdat een bepaalde psychiater en psycholoog van mening zijn dat er een matig recidivegevaar is? Zo nee, waarom niet?
Een voorwaardelijke beëindiging is alleen aan de orde als het delictgevaar dat uit de psychische stoornis voortvloeit dusdanig is teruggebracht dat de rechter het verantwoord acht de verpleging onder voorwaarden te beëindigen. Wanneer de terbeschikkingstelling wordt verlengd, maar tegelijkertijd de verpleging voorwaardelijk wordt beëindigd, kan de terbeschikkinggestelde zich onder toezicht van de reclassering weer in het maatschappelijk verkeer begeven. Dit betekent dat zijn terugkeer geleidelijk en goed voorbereid plaatsvindt.
Vanwege het belang van een geleidelijke terugkeer is op 1 juli van dit jaar een wetswijziging in werking getreden waardoor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging verplicht is gesteld voor iedere tbs-gestelde. Beëindiging van de tbs-dwangverpleging kan nu alleen nog maar plaatsvinden wanneer de dwangverpleging gedurende tenminste één jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.
Deelt u de mening dat alleen vanwege het feit dat een crimineel ouder wordt, dit nooit een (van de) reden(en) mag zijn hem daarom maar vrij te laten? Zo nee, waarom niet?
Een voorwaardelijke beëindiging is alleen aan de orde als het recidivegevaar naar verwachting afdoende kan worden afgewend door het stellen van voorwaarden die zien op het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Dit staat los van de leeftijd van de ter beschikking gestelde.
Deelt u de mening dat oudere slachtoffers niet minder waard zijn dan jongere slachtoffers? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat deze serieverkrachter van bejaarden weer nieuwe slachtoffers maakt? Zo nee, waarom niet?
Bij de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging heeft de rechtbank verschillende voorwaarden opgelegd. Reclasseringstoezicht is daar één van. De reclassering wordt hierdoor in staat gesteld betrokkene te controleren en aan te sturen. Dit betekent dat zijn terugkeer geleidelijk en goed voorbereid plaatsvindt, hetgeen het recidiverisico beperkt. Waar nodig kan door tussenkomst van het Openbaar Ministerie worden voorzien in een tijdelijk plaatsing in een fpc of zelfs in hervatting van de dwangverpleging.
Bent u bereid de verlofregeling van ter beschikking gestelden te wijzigen? Zo nee, hoeveel slachtoffers moeten er nog vallen voor u wel tot dit inzicht komt?
Verlof is een belangrijk onderdeel van de tbs-maatregel. Voor de toekenning ervan is een zorgvuldige procedure opgesteld. Voor de beëindiging van de dwangverpleging, waarvan sprake is in de onderhavige zaak, geldt een andere procedure. Deze procedure is eveneens met de nodige waarborgen omkleed. De onderhavige casus geeft geen enkele aanleiding de Verlofregeling TBS aan te passen. Merk ten overvloede op dat geheel onafhankelijk van deze casus wel een wijziging in de verlofregeling aanstaande is, gericht op efficiëntere verloftoetsing, waarin ook de slachtofferbelangen prominenter worden meegewogen.
Visserij Partnerschapsakkoorden |
|
André Bosman (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel Visserij Partnerschapsakkoorden (ook wel Fisheries Partnerships Agreements, FPA’s genaamd) zijn afgesloten de afgelopen tien jaar en wat het belang voor Nederland is ten aanzien van deze akkoorden en kunt u kort aangeven wat uw inzet ten aanzien van deze akkoorden is geweest en hoe u het belang van de Nederlandse visser heeft vertegenwoordigd?
Op dit moment heeft de EU 20 partnerschapsovereenkomsten met derde landen in de Atlantische Oceaan (Kaapverdië, Ivoorkust, Gabon, Marokko, Mauritanië, Sao Tomé en Principe, Groenland, Senegal, Equatoriaal Guinea, Gambia, Angola, Guinee Bissau) de Indische Oceaan (Mauritius, de Seychellen, Mozambique, Madagascar, de Comoren) en de Stille Oceaan (Kiribati, de Salomonseilanden, Micronesië). Met uitzondering van de akkoorden in de Stille Oceaan zijn al deze akkoorden ouder dan tien jaar. Ze stammen uit de jaren tachtig of negentig van de vorige eeuw. De Europese Commissie heeft daarnaast in juli van dit jaar van de Raad een onderhandelingsmandaat gekregen voor het afsluiten van een partnerschapovereenkomst met de Cook Eilanden. Hierover bent u in mijn brief van 4 juli (TK 21 501-32, nr. 723) geïnformeerd.
Een partnerschapsovereenkomst is een kaderovereenkomst die invulling krijgt met een protocol. De looptijd van deze protocollen verschilt per overeenkomst van twee tot zes jaar. Uw Kamer wordt standaard geïnformeerd wanneer de Europese Commissie een mandaat vraagt voor de onderhandelingen over een nieuwe protocol Nederland neemt deel aan de discussie over de overeenkomsten in de Landbouw- en Visserijraad. Bij de overeenkomsten met Marokko en Mauritanië, waar de Nederlandse sector een direct belang heeft, volgt Nederland ook de onderhandelingen zelf en levert daarbij in de nodige input aan de Europese Commissie.
Kunt u aangeven welk toetsingskader u hanteert bij het afsluiten van een Visserij Partnerschapsakkoorden en kunt u kort schetsen hoe het belang van de Nederlandse visser is verwerkt in dit toetsingskader?
Nederland toetst de inzet van de Europese Commissie aan de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de externe dimensie van het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid. Over deze externe dimensie bent u geïnformeerd in mijn brief van 1 juni 2012 (TK 32 201, nr. 45). Daarbij is afgesproken dat de EU voor haar externe beleid dezelfde standaarden nastreeft als bij haar interne beleid. Uw Kamer is in de brief van 26 oktober 2011 (TK 21 501-32, nr. 529) geïnformeerd over de inzet van de Nederlandse regering bij de partnerschapsovereenkomsten.
Gewaarborgd moet zijn dat de Europese vloot vist op het beschikbare surplus, dat deel van het visbestand dat niet door de lokale bevolking kan worden opgevist. De vangstmogelijkheden moeten zijn bepaald op basis van de best beschikbare wetenschappelijke informatie en in lijn zijn met de beheerplannen van de regionale managementorganisatie. In de bijeenkomst moet een mensenrechtenclausule zijn opgenomen zodat er een handvat is om de overeenkomst op te zeggen in geval van schendingen van de mensenrechten en democratische principes.
Daarnaast moet er een goede scheiding zijn tussen het geld dat wordt betaald voor toegang tot de wateren van het partnerland en de middelen die de EU-geoormerkt beschikbaar stelt voor ondersteuning van het visserijbeleid van het partnerland. Daarbij is het de bedoeling dat de visserijsector een groter deel van de toegang betaalt dan in het verleden. Een protocol moet bijdragen aan de werkgelegenheid van de lokale bevolking.
Een nieuw protocol moet voor de EU-vloot uiteraard economisch aantrekkelijk zijn. De bijdrage die de EU en de sector betalen moeten in verhouding staan met de te verwachten visserijopbrengsten.
Bij de overeenkomsten met Mauritanië en Marokko zet ik me in voor goede technische voorwaarden voor de Nederlandse sector, binnen de randvoorwaarden van duurzaamheid. De wijze waarop afwegingen worden gemaakt verschilt niet van de manier waarop een standpunt over visserijbeleid binnen de EU wordt ingenomen. Zo kan een vraag van de sector naar meer vangstmogelijkheden, zowel in de EU-wateren als daarbuiten, op mijn steun rekenen wanneer dit kan worden onderbouwd vanuit het oogpunt van duurzaamheid. Bij de externe overeenkomsten let ik er daarbij op dat de vangsten van de EU-vloot niet ten koste mogen gaan van de vangsten van de lokale bevolking.
Kunt u toelichten hoe de Nederlandse inzet wordt bepaald op basis van dit toetsingskader ten aanzien van (nieuw af te sluiten) Visserij Partnerschapsakkoorden? Kunt u aangeven welke elementen uit dit kader het zwaarst wegen bij de standpuntbepaling van Nederland? Deelt u de opvatting dat het belang van de Nederlandse visser zwaarwegend moet zijn om te komen tot een oordeel ten aanzien van deze akkoorden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe u zich opstelt bij de onderhandelingen van Visserij Partnerschapsakkoorden, waar Nederland geen belang heeft, en kunt u aangeven of uw opstelling gevolgen heeft voor andere dossiers waar Nederland wel een belang heeft?
Het toetsingskader blijft hetzelfde, ongeacht de vraag of Nederland een direct visserijbelang heeft. Het is niet aan te geven of onze opstelling gevolgen heeft voor andere dossiers. Nederland streeft bij haar inzet naar een consistente lijn. Niet alleen waar het gaat om partnerschapsovereenkomsten waar wel of geen direct visserijbelang is, maar ook waar het gaat om het interne visserijbeleid met een duurzame en economische rendabele visserij als uitgangspunten.
Nederland tekent bij de bespreking van een nieuw protocol of een nieuw onderhandelingsmandaat standaard een parlementair voorbehoud aan. Dit wordt pas opgeheven nadat uw Kamer de gelegenheid heeft gehad haar mening te geven over mijn voorgenomen standpunt.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad op 12 december 2013? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het falend onderwijstoezicht op Ibn Ghaldoun |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinspectie faalde bij toezicht op Ibn Ghaldoun»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) dat de onderwijsinspectie pas na de examendiefstal in samenhang naar alle kwesties rond Ibn Ghaldoun is gaan kijken?
In zijn algemeenheid onderschrijf ik de conclusies van de analyse door de inspectie, het essay van de NSOB en van externe validatie door ABD Topconsult. Achteraf bezien is de conclusie dat er voldoende toezicht was, maar dat dit te gefragmenteerd was. Belangrijker is naar mijn mening de conclusie dat het onderzoek van de inspectie van afgelopen zomer wel alle omstandigheden samenhangend in beeld heeft gebracht en dat mede daardoor het toezicht van de inspectie rijker en breder wordt.
Deelt u de opvatting dat bij (zeer) zwakke scholen altijd aandacht zou moeten zijn voor de samenhang tussen verschillende kwesties? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgdragen? Op welke termijn wordt de Kamer hierbij betrokken?
Met ingang van augustus 2014 zal de inspectie op bestuursniveau oordelen, als er sprake is van risico’s het gebied van kwaliteit (bij afdelingen), financiën of bij signalen. Uit die beoordeling kan naar voren komen dat een onderzoek naar het bestuurlijk handelen gewenst is. In het toezicht op het bestuurlijk handelen heeft de inspectie daarnaast oog voor de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Ik voer met de inspectie geregeld overleg over mogelijk risicovolle situaties op scholen, zodat er tijdig kan worden ingegrepen wanneer dat nodig is. De inspectie zal daarbij goed rekening houden met de aansluiting van haar toezicht op mijn interventiemogelijkheden.
Hoe verklaart u het feit dat de onderwijsinspectie, ondanks constateringen en signalen van derden, niet eerder heeft ingegrepen bij Ibn Ghaldoun?
Tot nu toe was er veel, maar fragmentarisch toezicht op Ibn Ghaldoun, waarbij het ontbroken heeft aan samenhang in de toezichtactiviteiten. Daarbij is wel steeds overeenkomstig het toezichtkader en volgens de beslisregels geoordeeld. Door de sterk gestandaardiseerde werkwijze zijn echter belangrijke aspecten, die geen deel uitmaken van de set van normindicatoren, te weinig in de beoordeling betrokken. Hierdoor is onder meer de context waarin Ibn Ghaldoun opereerde en de toezichthistorie onvoldoende meegewogen. Elke nieuwe bestuurder en schoolleider kregen steeds weer het voordeel van de twijfel en het vertrouwen. Signalen zijn door de inspectie wel opgepakt, maar achteraf bezien te laat.
Hoeveel signalen van derden zijn er nodig voor een onderzoek door de inspectie?
Elk signaal wordt door inspectie gewogen qua zwaarte en urgentie. Vooraf is niet aan te geven dat een bepaald aantal signalen van derden een noodzakelijke aanleiding is voor onderzoek door de inspectie.
Welke maatregelen heeft de inspectie getroffen en welke afspraken heeft de inspectie, vanwege de jarenlange constateringen dat er iets mis was op Ibn Ghaldoun, gemaakt om de kwaliteit te verbeteren?
De inspectie werkt continu aan de verbetering van haar toezicht. De ervaringen met Ibn Ghaldoun leiden tot aanpassing in verwerking van signalen en tot het sneller oordelen op bestuursniveau, waarbij rekening wordt gehouden met de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Kunt u bovenstaande vragen (en antwoorden hierop) en de analyse van de NSOB betrekken bij het «what if»-scenario dat op verzoek van de Kamer wordt opgesteld inzake Ibn Ghaldoun?
Wat er gebeurd zou zijn als er geen examendiefstal had plaatsgevonden is een vraag die niet met zekerheid is te beantwoorden. Ieder «what if»-scenario heeft een hoog speculatief karakter. Relevant in dit kader is de reeds in gang gezette ontwikkeling van geïntegreerd toezicht en de introductie van toezicht op bestuurlijk handelen. Zoals ook in de externe validering wordt aangegeven is de veronderstelling gerechtvaardigd dat ook zonder examenfraude in de loop van 2013 een inspectieonderzoek naar het bestuurlijk handelen van Ibn Ghaldoun op de agenda zou zijn gekomen.
Natura 2000-complementaire doelen |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincies mogen complementaire Natura 2000 doelen niet in aanwijzingsbesluiten opnemen»?1
Ja.
Kunt u vertellen in hoeverre de provincies voornemens zijn de ruimte te benutten om aanvullend natuurbeleid te voeren en dit mee te nemen in de beheerplannen?
Provincies stellen op dit moment beheerplannen op voor Natura 2000-gebieden. Het is aan de provincies om een uitwerking te geven aan de Natura 2000-doelen zoals geformuleerd in het aanwijzingsbesluit. De aanwijzingsbesluiten bevatten geen complementaire doelen.
Zoals ik in mijn brief van 2 december 2013 aan uw Kamer heb gemeld (Kamerstukken II 2013/13, 32 670, nr. 84), hebben de provincies wel de ruimte om in aanvulling op de bescherming van de in het aanwijzingsbesluit opgenomen instandhoudingsdoelstellingen, voor een Natura 2000-gebied aanvullend natuurbeleid te voeren en dit onderdeel te laten zijn van het beheerplan. De voornemens van de provincies op dit punt zijn voor zover mij bekend nog niet uit gekristalliseerd.
Herinnert u zich nog de motie Lodders/Koopmans (Kamerstuk, 32 670 nr. 38) die de regering verzoekt om in de nieuwe Natuurwet op te nemen dat vergunningen niet af mogen ketsen op (provinciale) complementaire doelen en maatregelen die niet onder het wettelijk regime van Natura 2000 vallen? Zo ja, kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van deze motie?
Het wetsvoorstel natuurbescherming, dat bij uw Kamer aanhangig is, voorziet in het vervallen van eventueel in geldende aanwijzingsbesluiten opgenomen instandhoudingsdoelstellingen die niet nodig zijn voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn (voorgesteld artikel 9.1, tweede lid).
Aangezien de instrumenten ter bescherming van Natura 2000-gebieden, zoals de vereiste vergunning voor projecten en handelingen met mogelijk verslechterende of significant verstorende effecten alleen betrekking hebben op de bescherming van de instandhoudingsdoelstellingen die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit, zullen andere beleidsmaatregelen geen invloed hebben op de toepassing van deze instrumenten.
Bent u bereid om in de nieuwe Natuurwet een wettelijk kader te scheppen dat vergunningen niet mogen afketsen op (provinciale) complementaire doelen en maatregelen die niet onder het wettelijk regime van Natura 2000 vallen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
De uitvaart van Nelson Mandela |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Desi Bouterse ook naar uitvaart Nelson Mandela»?1
Ja.
Bent bereid om de regering van Zuid-Afrika om de aanhouding en uitlevering van Desi Bouterse te vragen om hier zijn gevangenisstraf van 11 jaren uit te zitten wegens zijn betrokkenheid bij cocaïnetransporten? Zo neen, waarom niet?
Voor de herdenkingsbijeenkomst van oud-president Mandela heeft Zuid-Afrika staatshoofden uitgenodigd. Nederland hecht belang aan het bijwonen van deze bijzondere bijeenkomst; uitnodigingen aan andere genodigden spelen hierbij geen rol. De uitspraak van de rechtbank waarbij Bouterse is veroordeeld blijft van kracht, maar kan niet tot uitvoering worden gebracht, zolang hij als staatshoofd van Suriname internationaal immuniteit geniet.
Deelt u de mening dat het ongepast zou zijn als de Koning met Bouterse aanwezig zou zijn bij welke plechtigheid dan ook? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor dinsdag 10 december 12.00 uur?
Ja.
Het bericht ‘tandarts maakte behandelingen niet duurder’ |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Tandarts maakte behandelingen niet duurder»?1
Ik heb kennis genomen van de berichtgeving van de Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT) en het onderzoek van onderzoeksbureau Milliman.
Hoe beoordeelt u de resultaten van onderzoeksbureau Milliman dat tandartsen in 2012 slechts een inflatiecorrectie hebben doorgevoerd tijdens het experiment met vrije tandartstarieven, in plaats van prijsstijgingen van meer dan 10%, zoals aangegeven door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)?
De NZa heeft in haar marktscans de prijsverandering tussen 2011 en 2012 onderzocht voor 26 meest voorkomende behandelingen in de mondzorg. Gezien de verandering van prestatielijst tussen deze twee jaren was het nodig om prestaties van 2011 te converteren naar die van 2012. De NZa heeft daarbij gekeken naar wat er in 2011 daadwerkelijk gedeclareerd is door mondzorgaanbieders. De NZa is transparant geweest over deze conversiemethode alsook over de daarbij geldende beperkingen en het effect van deze beperkingen. Daarnaast heeft zij brancheorganisaties de gelegenheid gegeven om alternatieven aan te dragen.
Onderzoeksbureau Milliman heeft op verzoek van de ANT een review uitgevoerd op de NZa-marktscan. De ANT en Milliman zelf geven aan dat het verschil in uitkomsten van de NZa-marktscans en het jongste onderzoek van Milliman voornamelijk veroorzaakt wordt door het feit dat de NZa de prijsverandering bij méér prestaties heeft onderzocht. Milliman heeft van de 26 door de NZa gebruikte prestaties slechts 5 meegenomen in de analyse.
Het kwantitatieve deel van het onderzoek van Milliman is daarnaast gebaseerd op een dataset van slechts één factoringmaatschappij, terwijl de NZa de gegevens gebruikt heeft van alle factoringmaatschappijen én van de verzekeraars. Dit verschil in methodische aanpak heeft geleid tot een afwijkende bevindingen door het bureau Milliman.
Bent u van mening dat naar aanleiding van de bevindingen van onderzoeksbureau Milliman de NZa de marktscans inzake de vrije tandartstarieven moet herzien, en haar onderzoeksmethoden moet evalueren?
Op basis van de toelichtingen op de gebruikte methoden door Milliman en de NZa heb ik geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van de NZa-marktscans. Ik zie dan ook geen reden om de NZa te vragen haar onderzoeksmethoden te evalueren.
Deelt u de mening dat het experiment met vrije tandartstarieven onnodig voortijdig is gestaakt op basis van onjuiste marktscans van de mondzorgmarkt?
Het experiment vrije tandartstarieven is op verzoek van de Tweede Kamer gestaakt ten aanzien van de marktscans.
Wat is de stand van zaken van het mondzorgonderzoek dat onderzoeksbureau Deloitte uitvoert namens de NZa naar de opbrengsten, productie, praktijkkosten en tijdbesteding bij aanbieders van mondzorg?
Nu de mondzorgsector sinds 1 januari 2013 opnieuw gereguleerd is, is de NZa gestart met een onderzoek naar de kosten, opbrengsten en structuurkenmerken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau Deloitte. Dit bureau heeft bij een groot aantal praktijken gegevens opgevraagd, maar is aanmerkelijk meer tijd kwijt aan het verzamelen van gegevens dan verwacht. Om die reden is de rapportage van de resultaten later beschikbaar dan verwacht.
Klopt het dat het onderzoek naar de mondzorgtarieven meer tijd en geld zal gaan kosten dan verwacht? Zo ja, om hoeveel extra tijd en geld gaat het naar verwachting?
Zie het antwoord op vraag 5. De NZa heeft op 11 oktober 2013 bekend gemaakt dat het onderzoek nog niet afgerond is en een eventuele tariefherijking daarom vooralsnog in de loop van 2014 kan worden doorgevoerd. Op 2 december 2013 heeft de NZa bericht dat het onderzoek meer tijd in beslag neemt doordat veel mondzorgaanbieders nog aanvullend benaderd zijn door Deloitte met het verzoek om toelichting te geven op ingediende gegevens of ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. Dit proces kost veel tijd, maar is in het belang van de betrouwbaarheid van het onderzoek cruciaal. Hoeveel tijd daarmee gemoeid is, is op dit moment niet bekend. Datzelfde geldt voor de kosten, maar wel is duidelijk dat het onderzoek meer geld zal gaan kosten dan aanvankelijk begroot.
Wat is uw oordeel over de transparantie van de kosten, opbrengsten en kwaliteitsindicatoren van mondzorgaanbieders?
Ik vind het een ernstig signaal dat het opleveren van gegevens over kosten en opbrengsten door mondzorgpraktijken zo moeizaam verloopt.
In hoeverre konden mondzorgaanbieders het afgelopen jaar met vragen over de vragenlijsten in het kader van het kostenonderzoek terecht bij de NZa?
Zoals genoemd onder vraag 5, wordt het onderzoek uitgevoerd door Deloitte. Dit bureau heeft een uitgebreide helpdesk opgezet gedurende de uitvraagperiode. In eerste instantie was die ook in de avonduren en op zaterdag open, zodat mondzorgpraktijken maximaal ondersteund werden bij het invullen van de vragenlijsten. De helpdesk bood zowel technische als inhoudelijke ondersteuning. De betrokken praktijken hebben ruimhartig gebruik gemaakt van deze ondersteuning.
Bent u van mening dat de NZa over voldoende kennis beschikt om de tarieven van mondzorg aanbieders te monitoren en berekenen, wanneer u het rapport van onderzoeksbureau Milliman in ogenschouw neemt? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Ik stel voorop dat de marktscans van de NZa en het onderzoek van Milliman in een ander kader hebben plaatsgevonden dan het nu lopende kostenonderzoek. In het eerste geval gaat het om de vraag of en in welke mate er prijsveranderingen hebben plaatsgevonden tijdens het experiment vrije prijsvorming («monitoring van de markt»). Bij het kostenonderzoek gaat het om het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor het herijken van de tarieven voor de mondzorg («reguleren»). Ik heb geen reden te twijfelen aan de beschikbaarheid van voldoende kennis bij de NZa voor deze taken.
In hoeverre acht u het vaststellen van adequate landelijke tarieven in de mondzorg überhaupt mogelijk, gezien de constatering uit het «Visiedocument bekostigingsstructuur Mondzorg» dat de werkelijke kosten per aanbieder altijd zullen afwijken als gevolg van onder meer de lokale kostprijsverschillen en schaalverschillen?2
Op dit moment is er sprake van landelijk geldende tarieven. De NZa laat een kostenonderzoek uitvoeren om deze tarieven te «herijken». Daarvoor is het nodig om te bepalen of de huidige onderbouwing voldoende overeenstemt met de werkelijkheid.
Inherent aan het vaststellen van uniforme tarieven geldt dat de werkelijke, individuele kosten zullen afwijken. In hoeverre dat het geval is voor de mondzorg en welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden, is de NZa nu nog niet bekend en ik wil daar niet op vooruitlopen. Op basis van het «Visiedocument bekostigingsstructuur Mondzorg» kan overigens niet de conclusie worden getrokken dat landelijk geldende tarieven voor de mondzorg niet mogelijk zijn.
Bent u bereid, gezien de resultaten van onderzoeksbureau Milliman, de problemen rondom het huidige kostenonderzoek en de eerdere constateringen uit het Visiedocument, te onderzoeken of een nieuw experiment met vrije prijzen mogelijk is, om te beginnen met bijvoorbeeld de sector orthodontie? Zo nee, waarom niet?
We hebben van de sector veel gevraagd in aanloop naar en tijdens het experiment. Op verzoek van de Tweede Kamer is dit experiment vroegtijdig gestaakt. Ondanks mijn uitdrukkelijke advies om dit niet te doen, heeft de Tweede Kamer anders besloten. Gelet op de spanningen die zich rondom het experiment met de vrije prijzen hebben voorgedaan, zowel politiek/maatschappelijk als bij de betrokken beroepsgroepen, kies ik nu voor het creëren van rust en stabiliteit binnen de sector. Om die reden ben ik met de sector in gesprek om een meerjarenagenda op te stellen. Een nieuw experiment met vrije prijzen maakt daarvan geen onderdeel uit.
Het advies van de SER van Sint Maarten om de Antilliaanse Gulden in te ruilen voor de US Dollar |
|
André Bosman (VVD), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «SER advises govt to immediately dollarize due to mounting deficit»?1
Ja
Zijn de voornemens van Sint Maarten om inderdaad volledig over te stappen op de US Dollar bij u of het College Financieel Toezicht bekend? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Het betreft een advies van de Sociaal Economische Raad van Sint Maarten aan de regering van dat land. Ik heb kennis genomen van dat advies. Bij mijn weten heeft de regering van Sint Maarten nog niet officieel op dit herhaalde advies gereageerd. Ook nu zijn mij tot zover geen voornemens tot dollarisatie van de regering bekend. Het College financieel toezicht heeft vanuit de wet geen rol op het monetaire terrein.
Is het waar dat er sprake is van een tekort op de lopende rekening van de monetaire unie van Curaçao en Sint Maarten? Hoe groot is dit tekort? Is het waar dat dit tekort veroorzaakt wordt door Curaçao en niet door Sint Maarten?
De openbare statistieken van de CBCS laten inderdaad een tekort zien op de lopende rekening van de betalingsbalans van de monetaire unie. Het tekort bedroeg in 2012 1,4 mrd. NAF. Curaçao had een tekort op de lopende rekening van 1.6 mrd NAF, en Sint Maarten een overschot van 170 mln. NAF. Voor de goede orde merk ik op dat deze cijfers slechts zien op 2012; gegevens voor eerdere jaren zijn beschikbaar via de website van de CBCS (www.centralbank.an ).
Is het waar dat de koppeling tussen de Antilliaanse gulden en de US Dollar onhoudbaar wordt als de huidige trend zich doorzet? Zo ja, welke stappen worden ondernomen om het tekort terug te dringen?
De koppeling tussen de Antilliaanse gulden en de US Dollar is een aangelegenheid van de landen zelf. Dat geldt tevens voor het terugdringen van het betalingsbalanstekort. Om de huidige trend om te buigen en negatieve gevolgen te voorkomen voert de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) een verkrappend monetair beleid in de vorm van een verhoogde kasreserveverplichting voor de banken en een kredietplafond. Verder heeft de CBCS de regeringen van Curaçao en Sint Maarten opgeroepen tot het nemen van economische maatregelen gericht op het versterken van de concurrentiepositie en het verbeteren van het investeringsklimaat, om aldus bij te dragen aan een stabiele macro-economische situatie.
Hoe beoordeelt u het advies van de SER om onmiddellijk maatregelen te nemen om te voorkomen dat negatieve prijseffecten optreden voor consumentengoederen als gevolg van de mogelijke afschaffing van de Antilliaanse gulden? Welke verantwoordelijkheid heeft Nederland in deze?
Van een overgang naar de US Dollar is nu geen sprake. Bij invoering van een nieuwe munteenheid is het goed attent te zijn op mogelijke prijseffecten voor consumentengoederen. In Sint Maarten zouden dergelijke prijseffecten bij invoering van de US dollar waarschijnlijk beperkt zijn, vanwege de grote rol die de US dollar daar nu al speelt in het betalingsverkeer. De verantwoordelijkheid ligt ook in dit geval bij het land Sint Maarten zelf. Nederland is uiteraard bereid de ervaringen van de overstap naar de US Dollar in Caribisch Nederland te delen met Sint Maarten.
De gevolgen van een mogelijke overgang van Sint Maarten naar de US dollar voor de inwoners van de BES-eilanden, waar de dollar al de officiële munteenheid is, zijn naar verwachting beperkt. Het is niet te verwachten dat invoering van de dollar in Sint Maarten leidt tot prijsstijging vanuit Sint Maarten geïmporteerde producten.
In het geval de inwoners van de BES-eilanden nog Antilliaanse guldens in hun bezit hebben, kunnen zij deze na invoering van de dollar als enig wettig betaalmiddel in Sint Maarten niet meer in dat land uitgeven.
Zijn er signalen dat het vertrouwen in de Antilliaanse gulden tanende is? Zo ja, welke?
Er zijn mij geen signalen bekend dat het vertrouwen in de Antilliaanse gulden tanende is.
Overweegt de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten om de Antilliaanse gulden te devalueren? Deelt u de mening van de SER dat devaluatie zeer negatieve sociaal-economische gevolgen zal hebben? Klopt het dat een waardedaling van de Antilliaanse gulden een tweedeling in de samenleving van Sint Maarten zou kunnen veroorzaken?
Het is mij niet bekend dat de CBCS overweegt de Antilliaanse gulden te devalueren. Dit zou ingaan tegen het sinds 1971 gevoerde beleid dat uitgaat van een vaste koppeling van de Nederlands Antilliaanse gulden aan de dollar tegen een koers van $ 1 = Naf 1,79. Een devaluatie zou op Sint Maarten negatieve gevolgen hebben voor diegenen die hun salaris, pensioen of uitkering in Antilliaanse gulden uitgekeerd krijgen. Dit zijn voornamelijk de medewerkers van de overheid en semi-overheid, gepensioneerde ambtenaren en uitkeringsgerechtigden.
Welke gevolgen heeft de mogelijke overgang naar de US Dollar door Sint Maarten voor inwoners van de BES-eilanden, in het bijzonder voor Sint-Eustatius en Saba?
Zie antwoord op vraag 5.
Verwacht u negatieve koopkrachteffecten voor deze inwoners, bijvoorbeeld omdat het importeren van producten via Sint Maarten duurder wordt? Welke stappen neemt u om negatieve effecten voor inwoners van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord op vraag 5.
Heeft de regering van Sint Maarten contact met de Nederlandse regering gezocht om eventueel in gezamenlijkheid invulling te geven aan een nieuwe institutie die een toezichthoudende taak voor de financiële sector moet gaan vervullen? Zo ja, wat was het verzoek van de kant van Sint Maarten en hoe heeft de Nederlandse regering daar op gereageerd?
Nee.
Hoe staat het met de invoering van de Caribische gulden, ter vervanging van de Antilliaanse gulden? Acht u de invoering van deze munt nog haalbaar indien Sint Maarten kiest voor de US Dollar? Zo ja, waarom?
Het is een zaak van Curaçao en Sint Maarten om te besluiten over de invoering van de Caribische gulden ter vervanging van de Antilliaanse gulden. Indien Sint Maarten besluit de US dollar als enig wettig betaalmiddel in te voeren is het aan Curaçao of het eventueel de Caribische gulden wil invoeren.
De hoge kankersterfte in Nederland |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Kankersterfte Nederland hoger dan bij buren»?1
Ik heb met belangstelling kennis genomen van het bericht.
Is er volgens u een relatie met het fenomeen «zorgmijden», waardoor mensen vanwege het hoge eigen risico of de eigen bijdrage niet of te laat naar de arts gaan?
Het onderzoek van de Lancet betreft cijfers over de jaren 2000 tot en met 2007. Gedurende deze periode waren de eigen bijdragen of eigen risico relatief beperkt. Daarnaast kennen veel landen behoorlijke eigen betalingen, daarin is Nederland zeker geen uitzondering.
Is er volgens u een relatie met de discussie over de hoge prijzen voor kankermedicijnen in Nederland?
Ik zie geen verband tussen de prijzen van kankermedicijnen en kankersterfte in Nederland. Indien geneesmiddelen voor vergoeding uit het pakket in aanmerking komen, mogen de kosten van de behandeling voor de behandelaar geen reden zijn om medisch noodzakelijke zorg uit het basispakket te onthouden.
De kosten van nieuwe kankermedicijnen vragen zeker de aandacht. Ik constateer dat ook behandelaren zich zorgen maken over de hoge prijzen van deze middelen. Ik ga met hen daarover in gesprek.
Overigens is het zo dat deze medicijnen niet alleen in Nederland hoge prijzen kennen. Uit internationale uitwisseling blijkt dan ook dat in alle lidstaten overheden aandacht hebben voor de prijs- en kostenontwikkeling van nieuwe kankermedicijnen.
Bent u van mening dat er een maximumvergoeding voor kankermedicijnen moet komen? Zo ja, hoe legt u dat uit aan mensen die hierdoor niet meer behandeld kunnen worden?
Ik hecht eraan om nieuwe effectieve en medisch noodzakelijke kankermedicijnen toegankelijk te maken voor artsen en patiënten, waarbij er ook aandacht moet zijn voor de betaalbaarheid ervan. De basisverzekering is juist bedoeld voor medisch noodzakelijke zorg die niet voor eigen rekening kan komen. Ik denk ook dat de verzekerde toegang tot deze zorg betaalbaar kan blijven mits er naast een redelijke prijsstelling ook sprake is van een gepaste en doelmatige inzet van deze geneesmiddelen. Wat dat laatste betreft ligt er een belangrijke taak bij behandelaren om deze behandelingen op effectieve en doelmatige wijze in te zetten. Wat de prijsstelling betreft voorziet de Wet Geneesmiddelenprijzen (WGP) erin dat de prijs in Nederland niet hoger kan zijn dan de gemiddelde lijstprijzen in onze buurlanden. In gevallen dat een nieuw kankermedicijn ondanks de WGP maximumprijs alsnog een hoog kostenbeslag met zich meebrengt kan ik gebruik maken van een prijsarrangement waarbij rekening kan worden gehouden met het volume, zodat ook bij grotere patiëntenaantallen het kostenbeslag van het betreffende geneesmiddel binnen de perken blijft. Over deze prijsarrangementen ontvangt u zoals eerder toegezegd van mij nog een brief. Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
Gaat u actie ondernemen naar aanleiding van dit onderzoek in The Lancet? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om naar aanleiding van dit onderzoek specifieke actie te ondernemen. Het is aan de betrokken beroepsgroepen en de universitaire medische centra om kennis te nemen van dit onderzoek, het te duiden en daar zo nodig actie op te ondernemen. Ik heb er ook alle vertrouwen in dat de betreffende beroepsgroepen van behandelaren hiertoe het initiatief zullen nemen.