Het bericht ‘Inspectie pakt ‘foute’ digitale dokters aan’ |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Inspectie pakt «foute» digitale dokters aan»?1
Ja.
Hoeveel klachten zijn er bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) binnengekomen over de kwaliteit van medische applicaties (apps) in de afgelopen twee jaar? Is er sprake van een stijging?
De IGZ heeft mij laten weten de afgelopen twee jaar geen klachten over de kwaliteit van medische applicaties te hebben ontvangen.
Hoeveel medische apps zijn er de afgelopen twee jaar aangemeld bij Farmatec?
Farmatec notificeert medische hulpmiddelen van de laagste risicoklasse (klasse 1). Daaronder kunnen ook medische apps vallen. Er zijn in de afgelopen twee jaar enkele van deze medische apps genotificeerd. De IGZ ziet toe op de productnotificaties bij Farmatec en handhaaft op oneigenlijke notificatie.
Wat is de status van een door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) ontwikkeld keurmerk dat de betrouwbaarheid en medische functionaliteit van medische apps moet waarborgen?
De KNMG heeft een dergelijk keurmerk nog niet ontwikkeld. Ik heb begrepen dat de KNMG momenteel beziet of een keurmerk meerwaarde heeft en indien dit het geval is, met wie dit het best opgezet kan worden.
Kan zorg die verleend wordt door middel van een app worden vergoed via het basispakket?
Dit is mogelijk wanneer het gebruik van een app onderdeel is van zorg waarvoor een aanspraak in het basispakket bestaat.
Bent u van mening dat het gebruik van medische apps onder de eigen verantwoordelijkheid van gebruikers valt? Hoe ziet de verantwoordelijkheidsverdeling eruit tussen patiënt, zorgverlener, zorgverzekeraar, IGZ, producent en overige betrokkenen?
Gezien het medisch advies dat na gebruik van een dergelijke app kan volgen vind ik het belangrijk dat de kwaliteit van deze apps is geborgd. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van een medische app ligt primair bij de producent die moet zorgen dat de app voldoet aan geldende wettelijke vereisten. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het volgens de geldende regelgeving inzetten van een medische app in de behandeling. De patiënt heeft geen wettelijke verantwoordelijkheid voor het gebruik van medische apps door de zorgaanbieder bij haar/hem. De IGZ is verantwoordelijk voor het toezicht of dergelijke apps, die geregistreerd zijn als medische hulpmiddel, voldoen aan de wettelijke eisen en voor het toezicht of zorgaanbieders kwalitatief goede en veilige zorg bieden.
Het bericht dat het St. Antonius Ziekenhuis en het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis een voorgenomen fusie hebben aangemeld bij de Autoriteit Consument & Markt |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de voorgenomen fusie tussen het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein en het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis in Woerden?1
Deze fusie is gemeld bij de toezichthouder de Autoriteit Consument & Markt. Het is aan hen hierover een oordeel uit te spreken. Ik doe geen uitspraak over individuele zaken.
Waarom wordt niet gekozen voor voortzetting van de samenwerking die al bestond tussen het St. Antonius Ziekenhuis en het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
Uit het artikel4 maak ik op dat de ziekenhuizen momenteel onderzoeken hoe zij hun toekomstbestendige samenwerking vorm willen geven, daarbij worden alle mogelijke vormen van samenwerking verkend waaronder ook een fusie. Het is verstandig als een raad van bestuur de verschillende opties onderzoekt, voordat zij een besluit neemt.
In hoeverre zijn het St. Antonius Ziekenhuis en het Zuwe Hofpoort gedwongen zich te onderwerpen aan een fusie door hun financiële positie? Kunt u uw antwoord toelichten?4 5
Een fusie hoeft niet te leiden tot een verandering van de financiële positie en is daardoor ook niet persé de oplossing voor financiële problemen. Beide ziekenhuizen maken keuzes voor de toekomst, waarbij zij er rekening mee moeten houden, dat de tijden dat de zorg alleen maar groeide voorbij zijn. Een vorm van samenwerking met een ander ziekenhuis is daarbij een mogelijkheid, maar ook kan gekozen worden voor samenwerking met de eerstelijnszorg, samenwerking met andere vormen van zorg zoals zelfstandige behandelcentra’s.
Is deze voorgenomen fusie de voorbode voor het wederom verdwijnen of uitkleden van kleinschalige ziekenhuiszorg in Nederland?
Mijn beleid is erop gericht dat er meer zorgvormen gaan ontstaan tussen de eerste en de tweelijnszorg en dat deze zorg dichtbij is en blijft. Bestuurders van ziekenhuizen zullen hun speerpunten moeten kiezen. Mijn beeld van de toekomst is dat er specialistische centra komen voor complexe zorg met relatief weinig patiënten, dat de streekziekenhuizen blijven bestaan voor basisspecialistische zorg en een grote groep ziekenhuizen zich concentreert op waar ze goed in zijn.
Wat zijn de gevolgen voor het personeel? Dreigen er ontslagen als gevolg van de voorgenomen fusie?
Het personeelsbeleid van individuele instellingen is niet mijn verantwoordelijkheid. Het is aan de afzonderlijke raden van bestuur van de ziekenhuizen om hierover een beslissing te nemen.
Zijn er afdelingen in één van beide ziekenhuizen die als gevolg van deze voorgenomen fusie dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke zijn dit en deelt u het oordeel dat een dergelijke verschraling van de zorg onwenselijk is?
Het is mij niet bekend of er afdelingen van ziekenhuizen verdwijnen. De raden van bestuur van deze ziekenhuizen bezinnen zich momenteel op een toekomstige samenwerking. Het is aan hen om een besluit te nemen, hoe zij dit vorm willen geven.
Bestaat het voornemen om de spoedeisende hulp van één van beide ziekenhuizen als gevolg van de voorgenomen fusie te sluiten of te versoberen? Zo ja, deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is een wettelijke norm voor de bereikbaarheid van de basis spoedeisende hulp. Deze norm houdt in dat binnen 45 minuten een patiënt op een spoedeisende hulp terecht moet kunnen. Ook bij toekomstige fusies of samenwerkingen van ziekenhuizen staat deze norm niet ter discussie.
Is de beperking van de openingstijden van de huisartsenpost bij het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis een voorbode geweest voor een toekomstige sluiting? Kunt u uw antwoord toelichten?6
Het is mij niet bekend welk besluit de besturen van de ziekenhuizen in de toekomst gaan nemen.
Houden het St. Antonius Ziekenhuis en het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis zich aan het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel waarin de fusietoets is geregeld?7
Het wetsvoorstel, waarmee de regels voor zorgspecifieke fusietoetsing worden aangescherpt heeft nog geen kracht van wet en is daarmee nog niet afdwingbaar. De behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is gepland op 12 november 2013. Vooruitlopend op dit wetsvoorstel zal ik partijen schriftelijk oproepen nu alvast te handelen in geest van het wetsvoorstel.
Bent u nog steeds van mening dat beide ziekenhuizen, vooruitlopend op het moment dat dit wetsvoorstel kracht van wet heeft, moeten voldoen aan de eisen die in dit wetsvoorstel zijn gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen?8
Ja, om die reden zal ik beide ziekenhuizen een brief sturen. Ik vind het belangrijk dat bestuurders van zorgaanbieders met een fusievoornemen goed nadenken over hun voornemens en daarbij de relevante stakeholders betrekken.
In hoeverre zijn patiënten en personeel betrokken bij de voorgenomen fusie? Wat is het oordeel van patiënten en personeel over de voorgenomen fusie? Keuren zij deze goed?
De Autoriteit Consument & Markt heeft gevraagd aan belanghebbenden om hun mening over de voorgenomen fusie bij hen kenbaar te maken. Ik heb van patiënten en personeel geen oordeel ontvangen. Indien ik deze wel zou ontvangen, zou ik deze doorgeleiden naar de Autoriteit Consument & Markt. Het is aan hen dit te wegen en tot een besluit te komen.
In hoeverre zijn huisartsen en verloskundigen betrokken bij de voorgenomen fusie? Hoe oordelen zij over de voorgenomen fusie?
De Autoriteit Consument & Markt heeft gevraagd aan belanghebbenden om hun mening over de voorgenomen fusie bij hen kenbaar te maken. Ik heb van huisartsen en verloskundigen geen oordeel ontvangen. Indien ik deze wel had ontvangen, zou ik deze doorgeleiden naar de Autoriteit Consument & Markt. Het is aan hen dit te wegen en tot een besluit te komen.
Wat zijn de oordelen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over de voorgenomen fusie? Kunt u de adviezen naar de Kamer zenden?
Zodra de Autoriteit Consument & Markt een besluit heeft genomen, wordt deze openbaar en geplaatst op de website van de Autoriteit Consument & Markt, waar het besluit voor iedereen te raadplegen is. Indien de Nederlandse Zorgautoriteit en de Inspectie voor de Gezondheidszorg een zienswijze hebben uitgebracht aan de Autoriteit Consument & Markt wordt ook deze openbaar. Op dit moment is er nog geen besluit genomen.
Een mogelijke uitbreiding van de AMS-IX naar de Verenigde Staten |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het voornemen van de Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX) om een filiaal in de Verenigde Staten te openen?1
Ja.
Kunt u inzicht geven in de risico’s van uitbreiding naar de Verenigde Staten voor de bescherming van gegevens die over de AMS-IX uitgewisseld worden? Op welke wijze kan de Amerikaanse overheid haar Patriot en FISA wetgeving hierbij gebruiken?
Indien een bedrijf activiteiten op het grondgebied van de VS uitvoert, dan vallen deze activiteiten onder de Amerikaanse wetgeving, waaronder de Patriot Act en de Foreign Intelligence and Surveillance Act. Op basis van deze Amerikaanse wetgeving kan de aanbieder, na tussenkomst van een Amerikaanse rechter, verplicht worden mee te werken aan verzoeken van de Amerikaanse autoriteiten. De reikwijdte van de Amerikaanse wetgeving en de mogelijke schendingen van de persoonlijke levenssfeer zijn onderwerp van gesprek van de gezamenlijke EU-VS-expertgroep, die naar aanleiding van de onthullingen van de heer Snowden is ingesteld. Deze groep bespreekt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en elektronische gegevens van burgers, met als doel inzicht in elkaars programma’s en de wijze waarop deze zijn verankerd in de rechtsstaat. De werkmaatschappij van AMS-IX, AMS-IX BV, heeft op haar website gemeld de juridische mogelijkheden en de risico’s van de uitbreiding naar de VS te verkennen. AMS-IX B.V. heeft bij diverse partijen juridisch advies ingewonnen over de toepasselijkheid van de Amerikaanse wetgeving.
Ziet u ook een verschil in bescherming van persoonsgegevens in Amerika, tussen de gegevens van Amerikaanse ingezetenen en anderen? Zo ja, ziet u daarin reden om het volledig ter beschikking stellen van gegevens aan de Amerikaanse overheden te beperken?
Ja. De Amerikaanse grondwet, in het bijzonder het Vierde Amendement, is alleen van toepassing op Amerikaanse burgers. Het Vierde Amendement vereist een rechterlijke toets bij bevelen tot doorzoeking en inbeslagneming.
Op grond van artikel 76 van de Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens mogen persoonsgegevens alleen worden doorgegeven aan landen buiten de EU die een zogeheten passend beschermingsniveau bieden. In de overige gevallen is doorgifte alleen mogelijk op grond van een wettelijke uitzondering of een vergunning van de Minister van Veiligheid en Justitie. Nederlandse bedrijven die ook in de Verenigde Staten actief zijn, dienen er op bedacht te zijn dat in het geval van vordering van gegevens of doorgifte van gegevens, de verstrekking daarvan dient te voldoen aan de eisen die de Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) stelt aan de verstrekking van gegevens aan derde landen waar naar Europees recht geen passend niveau van gegevensbescherming bestaat. De Wbp legt de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de omstandigheden waaronder gegevens naar een derde land kunnen worden doorgegeven in de eerste plaats bij het bedrijf dat voor de verwerking verantwoordelijk is (art. 76 Wbp).
In hoeverre ziet u een vergroting van het risico dat mensen vervolgd worden door Amerikaanse bedrijven, zoals hoogleraar informatierecht Van Eijk verwacht?
Op dit moment is er alleen sprake van instemming met de opzet van een juridische entiteit in de VS waarbij het nog niet duidelijk welke juridische vorm die entiteit zal krijgen. De Raad van Bestuur van de AMS-IX Vereniging doet nader onderzoek naar de mogelijke structuur.
Is het correct dat de leden van de AMS-IX op 27 september beslissen over de wenselijkheid van uitbreiding naar de Verenigde Staten? Zo ja, wat is het vervolgtraject dat de AMS-IX zal volgen in de ontplooiing van de uitbreiding naar Amerika?
Ja. AMS-IX heeft haar leden op 27 september geraadpleegd. (zie ook de website www.ams-ix.net) Daarbij heeft een meerderheid ingestemd met de uitbreiding naar de VS. AMS-IX meldt daarbij het volgende: «Met de goedkeuring van onze leden, zal de Raad van Bestuur van de AMS-IX vereniging de formatie van een juridische entiteit in de VS verder onderzoeken. De best mogelijke structuren voor het opzetten van deze juridische entiteit zullen worden bekeken en met onze leden worden gedeeld. De structuur dient de huidige operationele activiteiten van de AMS-IX BV en de klanten en leden van de AMS-IX vereniging te beschermen tegen commerciële, juridische, financiële en technische risico’s en meest specifiek tegen interceptie activiteiten door de overheidsinstanties in de VS.» De opties voor deze juridische entiteit worden nu uitgewerkt en de leden worden hierover door AMS-IX nader geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de AMS-IX vitale infrastructuur vormt, die van nationaal belang is? Hoe is het publieke belang dat de AMS-IX dient op dit moment geborgd en ziet u reden om deze borging te versterken?
AMS-IX vormt een belangrijke schakel in de Nederlandse ICT-infrastructuur. Als grootste internetknooppunt (internet exchange) ter wereld met meer dan 600 aangesloten netwerken draagt AMS-IX bij aan een aantrekkelijker vestigingsklimaat van ICT-bedrijven in Nederland.
AMS-IX van economisch belang voor Nederland als Digital Gateway to Europe. Dit wordt onderkend in de Digitale Agenda2 van het kabinet. AMS-IX is op dit moment niet aangemerkt als vitale infrastructuur. Er zijn overigens voldoende waarborgen ingebouwd ten behoeve van de continuïteit. Momenteel wordt gewerkt aan een interdepartementale herijking van de vitale sectoren, waarbij ook de positie van AMS-IX wordt bezien.
Ontplooit de AMS-IX op dit moment al andere buitenlandse activiteiten, of zijn hier plannen voor? Op welke wijze zijn deze activiteiten juridisch en technisch georganiseerd?
Ja. AMS-IX is een besloten vennootschap waarvan de vereniging AMS-IX enig aandeelhouder is. Het stemrecht binnen de vereniging berust bij de leden. Dit zijn diverse aanbieders van internetverkeer. AMS-IX is betrokken bij drie buitenlandse internet exchanges. Deze activiteiten vallen rechtsreeks onder AMS-IX BV die contracten heeft met lokale partners.
Bent u bereid om het bestuur van de AMS-IX te adviseren over de manier waarop de Nederlandse belangen optimaal gediend kunnen worden door een robuuste juridische en technische constructie tussen de Nederlandse en buitenlandse vestigingen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit doen?
Het staat Nederlandse bedrijven vrij om in het buitenland te ondernemen. Het ligt niet in de rede dat de overheid daarin adviseert. AMS-IX heeft overigens aangegeven de verdere juridische uitwerking in het buitenland verder te verkennen om te komen tot een robuuste juridische en technische constructie. Overigens heeft het ministerie van Economische Zaken direct na bekendmaking van het voornemen en de zorgen daarover contact gelegd met AMS-IX.
Het bericht dat Bureaus Jeugdzorg mogelijk failliet gaan als gevolg van de decentralisatie jeugdzorg |
|
Nine Kooiman , Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Noord Holland, die aangeeft dat Bureaus Jeugdzorg failliet kunnen gaan als gevolg van de overheveling van jeugdzorgtaken naar gemeenten? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Door het rijk, VNG en IPO is afgesproken dat vóór 31 oktober 2013 door gemeenten regionale transitiearrangementen opgesteld in overleg met aanbieders en financiers om de continuïteit van de zorg en de infrastructuur (waaronder de taken van de bureaus jeugdzorg) te kunnen garanderen en om afspraken te maken over het beperken van de frictiekosten.
Door het rijk is, samen met de VNG/KING, een speciaal ondersteuningsteam ingericht om gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van hun transitiearrangementen.
Naar aanleiding van signalen van knelpunten bij de bureaus jeugdzorg maakt het ondersteuningsteam momenteel een inventarisatie van deze knelpunten. Op basis van deze inventarisatie en de rapportages van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) wordt bezien wat de stand van zaken is en zal ik besluiten welke maatregelen, ook in verdere ondersteuning van gemeenten, nodig zijn om de continuïteit van de zorg en de infrastructuur te waarborgen.
Hoeveel faillissementen van Bureaus Jeugdzorg verwacht u de komende tijd? Hoe gaat u dit voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoorden op de vragen 1 en 3.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de continuïteit van zorg aan jeugdigen en het aantal ontslagen van jeugdzorghulpverleners, zodra Bureaus Jeugdzorg failliet gaan? Zo nee, waarom niet?
Voor mij staat de continuïteit van de zorgverlening aan jeugdigen en hun ouders voorop. In de aanvangsfase van de stelselwijziging jeugd is een risicoanalyse uitgevoerd met een groot aantal partijen die actief zijn in het jeugdveld. Het grootste risico dat hieruit naar voren kwam was de continuïteit van zorg voor de cliënt. Dit heeft geleid tot opname van een overgangsbepaling in het wetsvoorstel op basis waarvan cliënten gedurende het eerste jaar na de inwerkingtreding van de jeugdwet het recht hebben om hun zorgtraject af te maken. Dit geldt ook voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. Met VNG en IPO is afgesproken dat er regionale transitiearrangementen worden opgesteld. Hierin is uitgewerkt hoe de samenwerkende gemeenten de continuïteit van zorg en infrastructuur realiseren en ook de frictiekosten beperkt houden. Een onafhankelijke commissie, de TSJ, zal deze arrangementen dit najaar toetsen op voornoemde criteria. Als uit deze toetsing blijkt dat de continuïteit van zorg onvoldoende is geborgd of de daarvoor benodigde continuïteit van de infrastructuur of de samenwerkingsafspraken tussen gemeenten niet toereikend zijn, dan zal het rijk de desbetreffende gemeente(n) binnen de betreffende regio op basis van de Jeugdwet een aanwijzing geven.
Pas als de regionale transitiearrangementen er liggen en zijn beoordeeld, kan worden ingeschat bij welke bureaus jeugdzorg de continuïteit van zorg in gevaar komt, bijvoorbeeld door een mogelijk faillissement. Uit de afspraken die gemeenten onderling en met de uitvoerders maken volgt ook het mogelijk aantal ontslagen. Het ondersteuningsteam zal hiertoe bij de bureaus jeugdzorg een eerste inventarisatie uitvoeren om waar mogelijk behoud van kennis en kunde te bevorderen.
Maakt u zich zorgen over forse ontslagen in de jeugdzorg? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten kunnen er voor kiezen om na de decentralisatie een aantal taken in de jeugdzorg op een andere wijze te organiseren dan nu het geval is. Zo willen veel gemeenten de toegang tot de jeugdzorg anders gaan organiseren, namelijk dichterbij de jeugdigen en gezinnen. De invoering van de nieuwe Jeugdwet kan dan ook gevolgen hebben voor het personeel dat momenteel de toegangstaken uitvoert bij bureaus jeugdzorg. Maar ook met andere jeugdinstellingen zullen er mee te maken krijgen dat gemeenten kwalitatief en/of kwantitatief andere inkoopafspraken willen aangaan dan die waarmee de instellingen nu werken. Dat is zelfs gewenst want de decentralisatie van het jeugdstelsel moet ook leiden tot andere werkwijzen dan in het huidige jeugdstelsel. In hoeverre dat de diverse instellingen raakt en in welke mate personeel dan bij andere jeugdaanbieders aan de slag kan is nu nog niet te zeggen. Bij het opstellen van de regionale transitiearrangementen zijn o.a. de gevolgen voor het personeel en aanpassing van de bureaus jeugdzorg op de nieuwe situatie, onderwerp van gesprek. Zie verder ook mijn antwoorden op vraag 1, 3 en 5.
Wat heeft u geleerd van de enorme loondump en verslechtering van de arbeidsomstandigheden in de huishoudelijke verzorging als gevolg van het decentraliseren van de huishoudelijke verzorging? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gemeenten hebben inmiddels geleerd uit hun ervaring bij de invoering van de Wmo dat zij op het punt van loondump attent moeten zijn. De continuïteit van zorg voor de cliënt komt in gevaar wanneer de personeelsplanning, zowel kwantitatief als kwalitatief, niet klopt en wanneer zorgaanbieders én gemeenten uitgaan van een niet-dekkende kostprijs voor hun product. In de wet staan kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders zoals de norm voor verantwoorde hulp en daarnaast komt er een apart normenkader voor gecertificeerde instellingen die jeugdbescherming en jeugdreclassering gaan aanbieden. Dit voorkomt dat alleen lager geschoolde, vaak goedkopere, medewerkers, hulp gaan verlenen.
Sociale partners hebben de arbeidsvoorwaardenpakketten, het loongebouw en de functiewaardering in hun cao vastgelegd. Dat voorkomt ook loondumping omdat werknemers recht hebben op een salaris dat hoort bij hun functiezwaarte. Werkgevers zullen niet het risico willen lopen om tarieven te offreren die uitgaan van een te laag loonniveau van hun werknemers omdat zij weten dat ze dat verschil toch moeten betalen aan hun werknemers, eventueel na juridische procedures en ten koste van arbeidsonrust. De regering heeft er vertrouwen in dat gemeenten een eerlijke beloning van de jeugdhulpverlener zullen stimuleren en faciliteren. Vanwege de brede verantwoordelijkheid van gemeenten hebben zij direct baat bij goede jeugdhulp; onvoldoende kwaliteit van jeugdhulp vertaalt zich in relatief veel, dure en vaak herhaalde behandelingen.
Partijen bij het Zorgakkoord hebben ook beloofd om zich uiterste inspanningen te getroosten om gedwongen ontslagen te voorkomen door mensen van werk naar werk te begeleiden en bij te scholen. Hiertoe kunnen ook door partijen in de jeugdzorg sectorplannen worden opgesteld. In de periode 2013 tot en met 2015 heeft het de regering € 590 miljoen beschikbaar gesteld voor cofinanciering van sectorplannen.
Wat is uw reactie op de zorgen van de bestuursvoorzitter dat wijkteams verborgen problemen vroegtijdig kunnen opsporen om erger te voorkomen, waardoor er meer hulpvraag komt in plaats minder? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tot de decentralisatie van de provinciale jeugdzorg naar gemeenten zijn provincies verantwoordelijk voor het functioneren van de huidige bureaus jeugdzorg. Dit betekent dat zij er voor moeten zorgen dat de bureaus jeugdzorg hun taken kunnen uitvoeren en zich goed kunnen voorbereiden op de transitie naar gemeenten.
Met de decentralisatie van de jeugdhulp worden gemeenten verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. De stelselwijziging biedt kansen om beperkingen weg te nemen in de wijze waarop de zorg voor jeugd momenteel georganiseerd is en om meer in te zetten op preventie en vroeghulp, waardoor problemen klein blijven en vroeg opgelost worden. Het kan niet zo zijn dat jeugdigen die zwaardere vormen van zorg nodig hebben straks hiertoe geen toegang hebben omdat hiervoor geen geld beschikbaar is. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht op basis van de nieuwe Jeugdwet. Daarnaast biedt de stelselwijziging kansen om meer integraal te gaan werken. De verschillende financieringsstromen die het huidige stelsel kenmerken, belemmeren een integrale werkwijze.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat veel gemeenten nog niet goed op de hoogte zijn van hun toekomstige taken en verantwoordelijkheden en hoe ze met partijen moeten samenwerken?
De afspraak om vóór 31 oktober 2013 tot regionale transitiearrangementen te komen tussen gemeenten in overleg met aanbieders en financiers, heeft een versnelling aangebracht in de gemeentelijke voorbereidingen. Daarnaast werken gemeenten hard aan het opstellen van beleidskaders waarin zij -veelal ook in regionaal verband- aangeven welke keuzes zijn maken bij de inrichting van het jeugdbeleid en de organisatie van de jeugdhulp met ingang van 2015. De komende rapportage van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd zal een objectief beeld geven van de stand van zaken.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van het wetsvoorstel Jeugdwet?2
Ja.
Berichten over matchfixing in Nederland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Ik zou dit geen fictie willen noemen» en «Pijnlijke Duitse tik op Nederlandse vingers»?1
Ja.
Zijn de genoemde vier concrete voorbeelden van matchfixing binnen het Nederlands betaald voetbal in het seizoen 2009/2010 eerder in een strafrechtelijk onderzoek aan de orde geweest? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, acht u het van belang dat er alsnog strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt?
Zoals ik eerder heb aangegeven richting uw Kamer2 kan het openbaar ministerie (OM) geen mededelingen doen over waar het wel of geen onderzoek naar doet. Mogelijke belangen van opsporing en vervolging, en de privacy belangen van betrokkenen, liggen hieraan ten grondslag. De hiervoor genoemde mediaberichten maken dat niet anders.
Deelt u de opvatting in het eerstgenoemde artikel dat de Nederlandse justitiële autoriteiten, in tegenstelling tot die van andere landen, signalen over matchfixing afkomstig van een Duits onderzoek niet of te laat serieus hebben genomen? Zo ja, waarom zijn die signalen niet of te laat serieus genomen? Zo nee, waar blijkt dan uit dat die signalen wel serieus zijn genomen?
Deze opvatting deel ik niet. Ik kan hier om de hiervoor genoemde redenen niet nader op in gaan. Wel kan ik laten weten dat het OM mij heeft meegedeeld dat het over dit onderwerp steeds contact met het Duitse OM heeft en heeft gehad.
Is het waar dat de kans dat er strafbare feiten kunnen worden aangetoond dan wel verdachten kunnen worden aangehouden, vier jaar na het plegen van die vermeende feiten kleiner is dan wanneer er wel meteen door de Nederlandse justitiële autoriteiten zou zijn opgetreden? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, waarom niet?
Dit kan niet in zijn algemeenheid zo worden gesteld.
Wat is uw opvatting over het feit dat nu wel degelijk blijkt dat Nederlandse wedstrijden zijn gemanipuleerd?
Ik deel niet de veronderstelling dat nu blijkt dat Nederlandse wedstrijden zijn gemanipuleerd.
Het artikel ‘Politiebonden: ‘Werkgever, ga aan de slag met een veilige werkplek’ |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Politiebonden: «Werkgever, ga aan de slag met een veilige werkplek»»?1
Ja.
Is het waar dat er steeds meer politiemensen te horen krijgen dat ze over knelpunten op het werk geen contact mogen opnemen met vakbonden of met de medezeggenschapsraden?
Ik herken het geschetste beeld van de voorzitters van de vakbonden niet. De politie is een professionele organisatie waarin ruimte voor medewerkers is om eventuele klachten en problemen te uiten. Signaleert een medewerker knelpunten, dan ligt het in de rede dat in eerste instantie de eigen leidinggevende wordt aangesproken.
Zou een medewerker het gevoel hebben niet bij zijn of haar leidinggevende terecht te kunnen, dan kan de medewerker zich wenden tot vertrouwenspersonen binnen hun eigen organisatieonderdeel. Er is een landelijke procedure en landelijk meldpunt ingericht voor het melden van knelpunten. Hiermee wordt beoogd de toegankelijkheid te vergroten en is geborgd dat knelpunten veilig kunnen worden gemeld. Ook kunnen medewerkers terecht bij medezeggenschap. Het staat medewerkers verder vrij om zich te verenigen in een vakbond en de activiteiten die daarbij horen te verrichten.
Gaat het om het melden van een vermoeden van een misstand, dan is het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie van toepassing. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) is dan het onafhankelijk onderzoeksorgaan dat de melding van integriteitsschending nader onderzoekt. Wordt de in dit besluit vastgelegde procedure gevolgd, dan kan een medewerker geen nadelige rechtspositionele gevolgen ondervinden van zijn melding.
Ik verwijs u tevens ook naar de beantwoording van de vragen van het lid Marcouch (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 218), het lid Kooiman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 219) en het lid Segers (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 220).
Deelt u de opvatting van de korpsleiding dat er een grens is aan wat politiemensen delen met de vakbonden of met de medezeggenschapsraden? Zo ja, waar ligt die grens naar uw mening?
De korpschef is naar aanleiding van berichtgeving in de media over een intern onderzoek naar een medewerker van de Politieacademie, ingegaan op het benaderen van medezeggenschap of bonden, op het intranet van de politie: «Er kan geen enkele twijfel over zijn dat ik sta voor een open en transparante politieorganisatie. Iedereen is daarin vrij om naar bevinden contacten te onderhouden. Wel vind ik het normaal dat collega’s eventuele klachten en problemen op de eerste plaats met hun leidinggevende bespreken. Als dit geen oplossing biedt of tot incidenten leidt, maar ook bij het schenden van gemaakte afspraken kan iedere medewerker vertrouwenspersonen, medezeggenschap of bonden benaderen. Dat recht hebben en houden wij allemaal.»
Tevens heeft de korpschef benadrukt dat medewerkers zich bewust dienen te zijn van de grenzen: «Het staat politiemedewerkers nu eenmaal niet vrij om alles met elkaar of met derden te communiceren. Het delen van vertrouwelijke stukken, staatsgeheimen of teksten die nog in bewerking zijn, is eenvoudigweg niet toegestaan. Ook niet richting medezeggenschap of politiebonden. Als de verdenking rijst dat collega’s zich daaraan schuldig maken, toetsen wij de feiten grondig en zorgvuldig. Dat geldt zonder aanzien des persoons voor alle politiemedewerkers.»
Ik onderschrijf deze opstelling van de korpschef. De korpschef neemt met zijn duidelijk geformuleerde bericht over de (wettelijke) spelregels op dit gebied niet alleen de politieorganisatie als geheel serieus, maar ook iedere individuele medewerker die twijfelt over wat hij wel of niet kan delen met de buitenwereld. Ik verwijs u ook naar de beantwoording van de vragen van het lid Marcouch (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 218).
Deelt u de mening dat misstanden in de politieorganisatie via de koninklijke weg, namelijk in het onderlinge gesprek tussen werkgever en werknemer, aan de orde moeten kunnen worden gesteld? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of dat in de huidige omstandigheden voldoende mogelijk is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid maatregelen te nemen om te bevorderen dat er bij de politie een cultuur ontstaat die ruimte biedt voor debat over wat er niet goed gaat?
Bij de vorming van de nationale politie is ingezet op een cultuurverandering die onder meer gericht is op het vergroten van de professionele ruimte van de individuele medewerkers. De in het realisatieplan nationale politie beschreven, beoogde cultuurverandering ziet ook op verbindend en vertrouwen wekkend leiderschap. Tevens wordt ingezet op een cultuur die mogelijk maakt dat politiemedewerkers ruimte hebben tot het nemen van initiatieven, maar ook de bereidwilligheid om te leren van anderen en fouten uit het verleden.
Zoals beschreven in het realisatieplan kan een cultuurverandering niet top down worden opgelegd, en zal deze ontwikkeling de nodige jaren vergen. De aanstelling van de volgende groep leidinggevenden als onderdeel van de personele reorganisatie zal hieraan een belangrijke bijdrage zijn. Van het nieuwe leiderschap wordt gevraagd om in goede verbinding met de medewerkers de dialoog aan te gaan over verbetering van het politiewerk en de prestaties. Dit zal uiteindelijk leiden tot veranderingen in de cultuur. Om deze verandering te kunnen volgen is een cultuurmonitor ontwikkeld welke periodiek door de Inspectie Veiligheid en Justitie wordt uitgevoerd. Uw kamer wordt over de resultaten van deze monitor geïnformeerd.
Ik verwijs u ook naar de beantwoording van de vragen het lid Kooiman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 219).
De Q-koorts |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Weinig meldingen Q-koorts jongeren»?1
Ja.
Hoe interpreteert u de cijfers over de lage besmetting met Q-koorts bij kinderen en jongeren? Duidt de lage prevalentie op gebrek aan scherpte bij het stellen van een diagnose of juist op goede preventie?
Tijdens de Q-koortsepidemie van 2007 tot en met 2009 was slechts 3,6% van de gemelde patiënten jonger dan 20 jaar, terwijl deze leeftijdsgroep 23,1% van de bevolking uitmaakt. Op basis van Nederlandse gegevens en buitenlandse studies wordt aangenomen dat Q-koorts bij kinderen minder ernstig verloopt dan bij volwassenen en dat er vaker dan bij volwassenen helemaal geen ziekteverschijnselen zijn na infectie met de bacterie. Wanneer (ernstige) ziekteverschijnselen ontbreken gaat men over het algemeen niet naar de huisarts en wordt er geen diagnose gesteld. Er zal dus, zoals gebruikelijk bij infectieziekten, sprake zijn van reguliere onderdiagnostiek. Er zijn geen aanwijzingen dat kinderen minder vaak zouden zijn blootgesteld dan volwassenen, behalve dat er vanzelfsprekend geen kinderen zijn onder enkele bekende risicogroepen voor Q-koorts zoals veehouders, dierenartsen en slachthuismedewerkers.
Zijn er naar aanleiding van het genoemde onderzoek uit 2012 afspraken gemaakt over verhoogde alertheid op Q-koorts bij kinderen? Zo nee, waarom niet?
Het betreffende onderzoek gaat over de periode 2007–2009. Inmiddels is de Q koortsepidemie voorbij. In 2013 zijn tot en met 26 september 18 patiënten gemeld. Dat is ongeveer het gemiddeld aantal jaarlijkse meldingen in de periode van vóór het begin van de eerste uitbraak in 2007. De kans dat kinderen Q-koorts hebben is inmiddels zeer klein geworden, het belang van onderzoek naar Q-koorts bij kinderen die klachten passend bij Q-koorts hebben is ook navenant minder geworden. Wel blijft het van belang dat laboratoriumonderzoek naar Q-koorts wordt verricht bij kinderen die belangrijke risicofactoren hebben voor het ontwikkelen van chronische Q-koorts. Het gaat daarbij vooral om bepaalde hartklepaandoeningen en vaataandoeningen.
Is bekend of artsen in het algemeen en kinderartsen en schoolartsen in het bijzonder inmiddels vaker specifiek onderzoek verrichten naar besmetting met de Q-koorts? Zo nee, waarom niet?
Inmiddels is de Q-koorts epidemie voorbij en is het belang van specifiek onderzoek dus sterk verminderd. Uit analyse van laboratoriumaanvragen in twee regionale medisch microbiologische laboratoria in Noord-Brabant waren 1.000 van de 11.035 laboratoriumaanvragen voor Q-koorts voor patiënten onder de 20 jaar. Dat onderzoek betrof vooral aanvragen uit 2010 en geeft aan dat in de gebieden waar Q-koorts veel voorkwam artsen over het algemeen alert zijn, ook bij jongeren.
Is er inmiddels meer inzicht in de besmettingspercentages met Q-koorts in de regio’s waar de Q-koortsepidemie het heftigst was en lopen er onderzoeksprojecten die hierover meer inzicht kunnen verschaffen? Zo nee, welke stappen zullen worden ondernomen om meer inzicht te verwerven?
Uit een onderzoek van bloeddonoren, uitgevoerd door Sanquin, bleek dat in 2009 in het meest besmette gebied ongeveer 5% van de mensen per jaar besmet raakten. In het kader van het onderzoek «Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» dat het RIVM uitvoert in samenwerking met verschillende partners zullen bij ongeveer 3.000 inwoners in oostelijk Noord-Brabant en noordelijk Limburg antistoffen tegen de bacterie Coxiella burnetii worden bepaald. Dit geeft een beeld van het percentage inwoners dat in het verleden een Q-koortsinfectie heeft doorgemaakt. Zowel dit onderzoek als het onderzoek naar onontdekte chronische Q-koorts in Herpen (zie ook de antwoorden op kamervragen van het Kamerlid Van Gerven (SP) van 25 januari jl.) zullen in 2014 worden uitgevoerd.
Is de Stichting Q-support inmiddels volledig in bedrijf? Zijn er tot op heden al concrete maatregelen genomen met betrekking tot de inzet van de 10 miljoen euro voor hulp aan Q-koortspatiënten? Kunt u een overzicht verstrekken van de (geplande) activiteiten van de Stichting Q-support?
De Stichting Q-support is per 22 juli 2013 officieel opgericht. De Raad van Toezicht heeft per 1 oktober j.l. een directeur benoemd. Met de aanstelling van de directeur kan Q-support aan de slag gaan met de inrichting van de stichting en het ontplooien van hun activiteiten. Volgens de statuten is een bestedingsreglement, dat in nauw overleg met de doelgroep moet worden vastgesteld en waarin een overzicht zal worden gegeven van de geplande activiteiten, het eerste product van de stichting.
Heeft u al meer inzicht of de Q-koortspatiënten voldoende kunnen worden geholpen door de Stichting Q-support en de inzet van de 10 miljoen euro?
De Stichting Q-support kan nu aan de slag gaan met het financieren van initiatieven die ten goede komen aan de Q-koortspatiënten. Ik heb u toegezegd dat een jaar nadat de stichting van start is gegaan geëvalueerd zal worden of er nog mensen zijn die door de stichting niet geholpen zijn op de manier waarop wij ze wilden helpen. Zoals in mijn brief (Kamerstuk I en II 33 666, nr. 1) van 14 juni 2013 vermeld, zal ik de Kamer dus rond september 2014 rapporteren over de uitkomst van deze evaluatie.
Het bericht ‘Grond natuurclubs moet in de verkoop; Een à twee miljard ten onrechte verkregen subsidies’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Grond natuurclubs moet in de verkoop; Een à twee miljard ten onrechte verkregen subsidies»?1
Ja.
Wat vindt u van het bericht dat natuurorganisaties vele duizenden hectares, verworven met ten onrechte ontvangen staatssteun, moeten verkopen om een miljardenclaim af te wenden? Kan hieruit geconcludeerd worden dat gelijkberechtiging de afgelopen jaren niet gefunctioneerd heeft?
Het bericht verwijst op dit punt naar een sinds 2008 lopende klachtprocedure bij de Europese Commissie (hierna: EC). De klachtprocedure wordt gevoerd door de Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters. De klacht houdt in dat de Nederlandse Staat in de periode 1998–2008 onrechtmatige staatssteun zou hebben verleend aan terreinbeherende natuurorganisaties. De EC heeft nog niet geoordeeld of de klacht gegrond is. De klacht ziet op de situatie van voor 2008 en heeft geen betrekking op de toepassing van gelijkberechtiging in het natuurbeleid de afgelopen jaren.
Hoe duidt u de uitspraak van een Europese rechter die heeft bevestigd dat de zogenaamde Terrein Beherende Organisaties (TBO’s) als Natuurmonumenten en de twaalf provinciale landschappen jarenlang ten onrechte hebben geprofiteerd van subsidie bij de aankoop van gronden? Welke conclusies trekt u uit deze uitspraak?
Het bericht verwijst naar een uitspraak van het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Gerecht) van 12 september jl. in een beroep van Duitsland tegen de EC (zaak T-347/09). Nederland heeft in deze zaak geïntervenieerd aan de zijde van Duitsland. Het is goed te benadrukken dat de uitspraak van het Gerecht enkel ziet op de Duitse situatie en niet op de Nederlandse situatie, met inbegrip van de klacht van de VGG bij de EC.
Het Gerecht heeft in zijn uitspraak het oordeel van de Europese Commissie bevestigd dat de door Duitsland voorgestelde maatregel – de overdracht van natuurgronden onder de marktprijs aan natuurbeheerders – staatssteun vormt in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de EU. Natuurbeheer heeft op zichzelf een uitsluitend maatschappelijk karakter, maar er is sprake van staatssteun als de steun ten goede kan komen aan economische activiteiten van natuurbeheerders. Overigens heeft de Europese Commissie de door Nederland in 2009 gemelde Modelsubsidieregeling grondaankopen EHS (zie bijlage bij Kamerstukken II, 2012–2013, 30 825, nr. 181) beoordeeld als staatssteun en goedgekeurd.
Er staat hoger beroep open tegen de uitspraak van het Gerecht; hier is nog geen besluit over genomen.
Deelt u de conclusie van de Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG) dat de markt voor natuurbeheer weer in balans wordt gebracht als 20 procent van het grondbezit wordt verkocht aan private partijen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een markt voor natuurbeheer. Dat laat onverlet dat ik grote betekenis toeken aan een grotere private betrokkenheid bij het natuurbeheer. Gelijkberechtiging van terreinbeherende natuurorganisaties en andere private natuurbeheerders is daarbij het uitgangspunt, zoals is vastgelegd in het Natuurpact en in de verschillende subsidiekaders.
Klopt het dat kasteelheren en andere grondbezitters jarenlang uit de markt zijn geprijsd bij de aankoop van bos en heide en dat natuurclubs zijn bevoordeeld? Zo ja, kunt u aangeven welke gevolgen de kasteelheren en andere grondbezitters hiervan hebben ondervonden?
Private natuurbeheerders kunnen subsidies aanvragen voor de aankoop van grond ten behoeve van de inrichting tot of het beheer ervan als natuur, voor maximaal de reële marktwaarde en voor zover het grond was die gelegen is in de door provincies begrensde EHS. In eerste instantie stond deze subsidiemogelijkheid alleen open voor de twee grootste terreinbeherende natuurorganisaties, momenteel geldt deze mogelijkheid voor alle particuliere organisaties die de te verwerven EHS-grond (nu: Natuurnetwerk Nederland) als natuur willen inrichten en beheren.
Doordat de subsidie alleen betrekking had op grond gelegen in de EHS en met strikte voorwaarden voor de realisatie en beheer van natuurtypen, was deze grond voor veel private partijen niet aantrekkelijk. Door deze voorwaarden en omdat alleen de reële marktwaarde subsidiabel was, verwacht ik dat de gevolgen voor private partijen beperkt zijn. Desalniettemin was er sprake van een ongewenste situatie die inmiddels is beëindigd en die tot aanpassing van het subsidiekader heeft geleid.
Kunt u aangeven welke gevolgen de uitspraak van de Europese rechter heeft en het schikkingsvoorstel van VVG voor de afspraken die zijn gemaakt in het Natuurpact over het grond-voor-grond principe waar is afgesproken dat TBO’s meewerken aan de voor de realisatie van het Natuur Netwerk Nederland noodzakelijke ruilingen?
De uitspraak van het Gerecht heeft geen gevolgen voor de afspraken in het Natuurpact over het grond-voor-grondprincipe. Dit principe is bedoeld om met de beschikbare grond, in eigendom bij Bureau Beheer Landbouwgronden, via verkoop of ruilen respectievelijk het benodigd budget of de grond te verkrijgen voor de verwerving en inrichting van nieuwe natuur. Zodra de grond kan worden doorgeleverd aan private partijen als eindgebruikers en beheerder geldt het uitgangspunt van gelijkberechtiging. Dit uitgangspunt is expliciet opgenomen in het Natuurpact en in de overeenkomst tussen manifestpartijen en de provincies.
In deze overeenkomst hebben de manifestpartijen verder de bereidheid uitgesproken eigen middelen, waaronder grondposities, in te brengen om het Natuurnetwerk Nederland mee te realiseren. Aangezien het hier om eigen middelen van de manifestpartijen gaat, verwacht ik dat de uitspraak van het Gerecht geen gevolgen heeft voor deze overeenkomst en daarin afgesproken bereidheid van private partijen.
Klopt het dat de VVG volgende week het schikkingsvoorstel met u en de TBO’s bespreekt? Zo ja, kunt u de Kamer voorafgaand aan het algemeen overleg over de Ecologische Hoofdstructuur op 1 oktober a.s. informeren over de uitkomsten van dit gesprek?
Ik spreek 2 oktober 2013 met het bestuur van de VGG. Dat gesprek vindt dus plaats na het AO EHS.
Bent u bereid op korte termijn te zorgen dat grondoverdrachten vanuit de overheid daadwerkelijk via de beginselen van gelijkberechtiging en marktwerking plaatsvinden? Zo ja, kunt u aangeven hoe u dat gaat aanpakken?
Zoals ik heb geantwoord op vraag 6 is gelijkberechtiging expliciet opgenomen in het Natuurpact en de overeenkomst tussen manifestpartijen en de provincies. Dit uitgangspunt is daarmee goed verankerd. In het regulier overleg dat ik jaarlijks met de gedeputeerden van de provincies zal voeren over de voortgang van het Natuurpact, zal ook de toepassing van dit uitgangspunt aan de orde komen.
Bent u bereid deze vragen voor het genoemde algemeen overleg te beantwoorden?
Ja.
Het onderbreken van een project voor jonge werkzoekenden bij de politie Assen |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een werkproject bij de politie Assen om jonge werkzoekenden ervaring te laten opdoen sinds enige tijd is opgeschort, terwijl iedereen overtuigd is van het nut van dit project en een landelijke uitrol ervan in overweging wordt genomen?1
Ja.
Waarom is dit project opgeschort? Had u niet voor de continuering van dit project moeten instaan? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook in mijn antwoorden op de vragen van het lid Marcouch (2013Z18217) heb aangegeven, betrof het oorspronkelijke project met nadruk een traject gericht op opleidingsplaatsen. Deze opleidingsplaatsen werden binnen het oude korps Drenthe gecreëerd voor een achttal jongeren met een financiële vergoeding ter hoogte van het minimumloon. Een tweetal jongeren kreeg een werkervaringsplaats. Dit opleidingsproject is dit jaar afgerond. Een eventuele nieuwe uitrol van dit project was onder voorbehoud.
Afgelopen januari heb ik ter uitvoering van de motie Marcouch aangegeven onderzoek te gaan doen naar landelijke mogelijkheden voor de nationale politie om werkervaringsplaatsen aan te bieden aan werkloze jongeren. Hiertoe is een werkgroep opgericht vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de nationale politie. De ervaringen uit het opleidingsproject zijn hierbij gebruikt.
Deelt u de mening dat dit soort projecten effectief is in de bestrijding van de oplopende jeugdwerkloosheid? Zo ja, bent u bereid dit project en de landelijke uitrol hiervan alsnog snel ter hand te nemen? Zo nee, waarom niet?
Afgelopen jaren en ook dit jaar hebben diverse eenheden verschillende werkervaringsplaatsen, maar ook opleidings- en stageplaatsen opengesteld gehad. Naar aanleiding van de motie Marcouch gaan al deze plaatsen beter gemonitord worden. Het is daarbij belangrijk aspecten als de belasting van de politie, de meerwaarde voor de jongere en budgettaire consequenties in ogenschouw te nemen.
Specifiek naar aanleiding van de motie worden dit jaar 5 tot 10 werkervaringsplaatsen ingericht bij een tweetal politie-eenheden, waaronder Noord-Nederland. Het is de ambitie om 100 werkervaringsplaatsen te organiseren.
Mogelijk kan de politie aansluiting vinden bij de activiteiten van arbeidsmarktregio’s in het kader van de aanpak Jeugdwerkloosheid, bij gemeentelijke trajecten om jongeren aan het werk te helpen, of bij een in te dienen sectorplan.2
Ik verwijs u ook naar de beantwoording op de vragen van het lid Marcouch (2013Z18217).
Een angstcultuur bij de Nationale Politie |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bonden hekelen «angstcultuur» bij politie»?1
Ja.
Is het waar dat er bij de politie een angstcultuur is ontstaan doordat politiemensen die zich uitspreken over misstanden worden aangepakt? Zo ja, kunt u nader ingaan op de aard en de omvang van die angstcultuur? Zo nee, wat is er precies niet waar?
Ik herken het geschetste beeld van de voorzitters van de vakbonden niet. De politie is een professionele organisatie waarin ruimte voor medewerkers is om eventuele klachten en problemen te uiten. Signaleert een medewerker knelpunten, dan ligt het in de rede dat in eerste instantie de eigen leidinggevende wordt aangesproken.
Zou een medewerker het gevoel hebben niet bij zijn of haar leidinggevende terecht te kunnen, dan kan de medewerker zich wenden tot vertrouwenspersonen binnen hun eigen organisatieonderdeel. Er is een landelijke procedure en landelijk meldpunt ingericht voor het melden van knelpunten. Hiermee wordt beoogd de toegankelijkheid te vergroten en is geborgd dat knelpunten veilig kunnen worden gemeld. Ook kunnen medewerkers terecht bij medezeggenschap. Het staat medewerkers verder vrij om zich te verenigen in een vakbond en de activiteiten die daarbij horen te verrichten.
Gaat het om het melden van een vermoeden van een misstand, dan is het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie van toepassing. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) is dan het onafhankelijk onderzoeksorgaan dat de melding van integriteitsschending nader onderzoekt. Wordt de in dit besluit vastgelegde procedure gevolgd, dan kan een medewerker geen nadelige rechtspositionele gevolgen ondervinden van zijn melding.
Bestaat er binnen de cultuur en structuur van de Nationale Politie voldoende ruimte om misstanden te kunnen melden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom bestaat die cultuur of structuur niet?
Zie antwoord vraag 2.
Over welke mogelijkheden om misstanden binnen de eigen organisatie te melden beschikken politiemensen? Bestaat er een mogelijkheid voor «klokkenluiders» om zich te melden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er de afgelopen maanden steeds meer disciplinaire onderzoeken naar politiemensen worden ingesteld? Zo ja, hoeveel onderzoeken betreft dit, wat is de aard van die onderzoeken en wat is de oorzaak van het feit dat die onderzoeken nodig zijn? Zo nee, wat is er niet waar aan het gestelde?
Binnen de politie worden drie vormen van intern onderzoek gedaan: oriënterende, strafrechtelijke en disciplinaire onderzoeken. Het totaal van deze onderzoeken bedraagt de afgelopen jaren:
1.393
1.498
1.451
1.247
1.304
1.517
1.347
1.190
Tot en met 30 september 2013.
Het aantal interne onderzoeken in 2013 tot op heden, beweegt zich daarmee binnen de bandbreedte van de afgelopen jaren.
Herkent u het in het bericht genoemde signaal dat steeds meer vakbondsleden te horen krijgen dat ze over knelpunten geen contact mogen opnemen met de vakbonden en medezeggenschapsorganen? Zo ja, waaruit bestaan de bij u bekende signalen en deelt u de mening dat politiemensen die al dan niet vermeende misstanden willen melden dit in vrijheid moeten kunnen doen?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er een intern schrijven van de korpschef van de Nationale Politie waarin deze heeft laten weten dat er een grens zit aan het delen van informatie met de bonden en medezeggenschapsorganen? Zo ja, wat is de reden en de inhoud van dit schrijven?
De korpschef is naar aanleiding van berichtgeving in de media over een intern onderzoek naar een medewerker van de Politieacademie, ingegaan op het benaderen van medezeggenschap of bonden, op het intranet van de politie: «Er kan geen enkele twijfel over zijn dat ik sta voor een open en transparante politieorganisatie. Iedereen is daarin vrij om naar bevinden contacten te onderhouden. Wel vind ik het normaal dat collega’s eventuele klachten en problemen op de eerste plaats met hun leidinggevende bespreken. Als dit geen oplossing biedt of tot incidenten leidt, maar ook bij het schenden van gemaakte afspraken kan iedere medewerker vertrouwenspersonen, medezeggenschap of bonden benaderen. Dat recht hebben en houden wij allemaal.»
Tevens heeft de korpschef benadrukt dat medewerkers zich bewust dienen te zijn van de grenzen: «Het staat politiemedewerkers nu eenmaal niet vrij om alles met elkaar of met derden te communiceren. Het delen van vertrouwelijke stukken, staatsgeheimen of teksten die nog in bewerking zijn, is eenvoudigweg niet toegestaan. Ook niet richting medezeggenschap of politiebonden. Als de verdenking rijst dat collega’s zich daaraan schuldig maken, toetsen wij de feiten grondig en zorgvuldig. Dat geldt zonder aanzien des persoons voor alle politiemedewerkers.»
Ik onderschrijf deze opstelling van de korpschef. De korpschef neemt met zijn bericht over de (wettelijke) spelregels op dit gebied niet alleen de politieorganisatie als geheel serieus, maar ook iedere individuele medewerker die twijfelt over wat hij wel of niet kan delen met de buitenwereld.
Waren u al eerder signalen bekend over politiemensen die zich niet durven uit te spreken over misstanden bij de Nationale Politie? Zo ja, waar bestonden die signalen uit en wat heeft u hiermee gedaan?
Nee.
Deelt u de mening dat, zelfs al zou er naar uw mening geen sprake zijn van misstanden of van een angstcultuur, het feit dat de vakbonden dit signaal afgeven op zich al meer dan voldoende reden is om dit signaal serieus te nemen? Zo ja, wilt u hierover dan zo spoedig mogelijk met de bonden in overleg treden? Zo nee, waarom niet?
Voor mij is belangrijk dat de politie een veilige omgeving biedt voor alle medewerkers. Als er signalen zijn dat dit niet het geval is, dan neem ik die serieus en ga ik daarover in gesprek met de aandragers van die signalen.
Privacy schendingen door middel van de bonuskaart van Albert Heijn |
|
Mei Li Vos (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Bonuskaart zo lek als mandje»?1 2
Ja.
Deelt u de mening van de Consumentenbond dat Albert Heijn de aankoopgeschiedenis van hun klanten moet behandelen als privacygevoelige informatie en net zo moet beveiligen als persoonsgegevens? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid geldt dat (aankoop)gegevens pas persoonsgegevens zijn op het moment dat ze op zichzelf, in onderlinge combinatie of in samenhang met uit andere bron bekende informatie, herleidbaar zijn naar een persoon. In dat geval is het bijbehorende beschermingsregime van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing.
Albert Heijn heeft mij desgevraagd het volgende medegedeeld over de privacy-aspecten van hun Bonuskaart. Het Bonuskaartnummer geeft binnen de Appie-functionaliteit toegang tot de aankoophistorie die bij dit Bonuskaartnummer hoort. Daarbij worden geen persoons-identificerende kenmerken getoond. Als iemand zijn Bonuskaart verliest, is voor bijvoorbeeld de vinder dus niet te achterhalen wie die persoon is. De tot een persoon herleidbare gegevens (zoals naam, adres en woonplaats) zijn uitsluitend beschikbaar na inloggen en dus in combinatie met aanvullende inloggegevens.
Het finale oordeel over de vraag of aankoopgegevens van consumenten als persoonsgegevens moeten worden beschouwd en of winkels als Albert Heijn deze dienovereenkomstig moeten beschermen is aan het College bescherming persoonsgegevens.
Kunnen klanten het nummer van een bonuskaart van een andere klant achterhalen door gebruik te maken van informatie op niet meegenomen kassabonnen?
Albert Heijn heeft mij laten weten dat om te voorkomen dat derden makkelijk de beschikking krijgen over een Bonuskaartnummer de eerste 5 cijfers van het Bonuskaartnummer niet op de kassabon worden geprint.
Weet u of andere winkelbedrijven klantenkaarten hebben met vergelijkbare risico’s voor de privacy als de bonuskaart? Zo ja, welke winkelbedrijven betreft dit?
Er zijn meerdere winkels die een klantenkaart uitgeven. Ik heb geen overzicht van hoe de beveiliging van klantgegevens bij deze kaarten is geregeld. Het spreekt voor zich dat winkelbedrijven die een dergelijke kaart gebruiken de wettelijke bepalingen ter bescherming van de privacy van betrokkenen in acht moeten nemen.
Zijn aankoopgegevens van consumenten als persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens te beschouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat de kans dat Albert Heijn door aankoopgegevens van klanten niet beter te beschermen de Wet Bescherming Persoonsgegevens overtreedt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De dienstverlening van banken aan het midden- en kleinbedrijf (MKB) bij het afsluiten van rentederivaten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en het onderliggende onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) «Dienstverlening banken aan midden- en kleinbedrijf bij afsluiten rentederivaten voor verbetering vatbaar» van 25 september jongstleden?1
Ja.
Wat vindt u van de constateringen van de AFM dat banken door onduidelijk communiceren richting ondernemers de zwaardere zorgplicht weten te omzeilen en ondernemers bovendien slecht zijn voorgelicht over de risico’s van derivaten?
Het verkennende onderzoek van de AFM is een belangrijke stap om zicht te krijgen op de risico’s die zich voordoen bij dienstverlening rondom rentederivaten. Ik vind het belangrijk dat alle klanten – ook zakelijke klanten – goed geïnformeerd worden over de dienstverlening en de risico’s die verbonden zijn aan rentederivaten. Uit het verkennend onderzoek van de AFM blijkt dat de dienstverlening van sommige banken aan het MKB bij het afsluiten van rentederivaten voor verbetering vatbaar is. De AFM constateert dat sommige banken hun cliënten onvoldoende duidelijk maken dat zij bij het aanbieden van rentederivaten geen advies geven. Ook heeft de AFM gezien dat de informatieverstrekking over rentederivaten vaak onvoldoende evenwichtig was en dat banken hun MKB-cliënten onvoldoende informeerden of zij als professioneel of als niet-professioneel werden geclassificeerd en welke consequenties dit heeft. Het beeld dat hieruit vooralsnog ontstaat geeft reden tot zorg. De AFM zal aan deze verkenning een vervolg geven. Vanaf de tweede helft van 2013 doet de AFM aanvullend onderzoek naar de dienstverlening van banken aan het MKB met betrekking tot rentederivaten. Daarbij wordt onder andere gekeken naar het type dienstverlening dat feitelijk wordt aangeboden en of hierbij voldaan is aan de (wettelijke) vereisten.
Daarnaast inventariseert de AFM of en zo ja, in hoeverre, er andere problemen spelen bij de financiële dienstverlening aan het MKB.
Een aantal banken heeft op het gebied van rentederivaten stappen ter verbetering aangekondigd. De AFM zal deze veranderingen nauwlettend volgen en met de sector in gesprek gaan over de gewenste dienstverlening. Daarnaast zal de AFM komen met aanbevelingen voor passende dienstverlening op het gebied van rentederivaten aan niet-professionele MKB-cliënten. Deze cliëntgroep heeft ook zelf een verantwoordelijkheid bij het sluiten van rentederivaten. De AFM zal daarom ook met brancheorganisaties in gesprek gaan om aan deze eigen verantwoordelijkheid een verdere invulling te geven.
Ik wacht het vervolgonderzoek af en zal dan bezien of en welke stappen gezet moeten worden.
Bent u het er mee eens dat het onacceptabel is dat banken nog steeds manieren zoeken om de zorgplicht te omzeilen? Wilt u mogelijkheden om de zorgplicht te omzeilen gaan beperken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de AFM onderzoek te laten doen naar de schade die ondernemers en semi-publieke instellingen liepen door verkeerde advisering en de aanschaf van niet passende en risicovolle producten?
Het verkennende onderzoek van de AFM richtte zich primair op mogelijke gebreken in het dienstverleningsproces van banken aan semipublieke instellingen en het professionele MKB bij het afsluiten van rentederivaten. Niet passende dienstverlening kan zowel voor de professionele cliënten als voor de banken ongewenste risico’s opleveren. Wanneer de dienstverlening niet-passend is geweest hoeft dat echter nog niet te betekenen dat het afgesloten product ook tot «schade» bij de afnemer leidt. Het rapport van de AFM geeft geen inschatting van de schade die MKB-cliënten of semipublieke instellingen hebben geleden.
In het vervolgonderzoek is de AFM voornemens zich met name te richten op de beoordeling en verbetering van de passendheid van de dienstverlening en niet op de omvang van de eventuele schade. De reden hiervoor is dat dit moeilijk is vast te stellen omdat eventuele schade afhankelijk is van verscheidene factoren, waaronder de toekomstige waardeontwikkeling van het rentederivaat en de individuele afspraken tussen bank en klant. Het vervolgonderzoek van de AFM behelst in dit opzicht vooral een verbreding van het onderzoek, waarbij ook gekeken wordt naar de kwaliteit van andere financiële dienstverlening aan het MKB en de ernst van de gebreken die hieruit voort kunnen vloeien.
In hoeverre zijn banken aansprakelijk voor de schade van gedupeerde ondernemers en semi-publieke instellingen? Op welke wijze wordt voor bestaande problemen een oplossing gezocht en bent u bereid het vinden van oplossingen te bevorderen?
De AFM heeft nog niet onderzocht in hoeverre de afgesloten producten passend zijn voor de betreffende cliënten. De dienstverlening op het gebied van rentederivaten verschilt per bank. De door de AFM geconstateerde verbeterpunten gelden voor bijna alle banken, maar niet alle banken presteren in dezelfde mate op alle geconstateerde verbeterpunten.
Uit het verkennende onderzoek van de AFM is onder meer naar voren gekomen dat de informatievoorziening met betrekking tot rentederivatendienstverlening onvoldoende is geweest en dat aan concrete voorschriften niet is voldaan. Aanbieders van deze producten lijken dit ook te erkennen. Of banken aansprakelijk kunnen worden gehouden voor eventuele schade van ondernemers of semipublieke instellingen is aan het oordeel van de civiele rechter en zal afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het geval. De vaststelling van deze aansprakelijkheid zal onder meer afhangen van de aard van de dienstverlening en de handelswijze van de bank met betrekking tot informatieverstrekking over de bijbehorende risico’s inclusief de mogelijkheden van de cliënt om de bijbehorende risico’s en de passendheid van het product voor hem goed in te kunnen schatten. Dit hangt onder andere af van zijn kennis en ervaring op het gebied van rentederivaten.
De AFM zal de door een aantal banken aangekondigde stappen ter verbetering van het dienstverleningsproces op het gebied van rentederivaten nauwlettend volgen en met de sector in gesprek gaan over de gewenste dienstverlening. Of de AFM handhavend optreedt op het gebied van rentederivatendienstverlening en mogelijk ook andere dienstverlening aan het MKB, is onder andere afhankelijk van de keuze en invulling van de daadwerkelijk gehanteerde dienstverlening door banken, het effect dat met de handhaving kan worden bereikt, de toezichtmogelijkheden en de mate van ernst van de mogelijk te constateren misstanden.
Hoe beziet u de toegang van het MKB tot het klachteninstituut Kifid in het licht van de slechte communicatie en voorlichting vanuit banken richting ondernemers over derivaten?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Nijboer en Mei Li Vos (PvdA) van 8 mei 2013 over de mogelijkheid voor financieel dienstverleners om adviezen van het Kifid als niet-bindend te aanvaarden, ben ik nagegaan bij de koepelorganisatie van het midden- en kleinbedrijf of er behoefte is om de toegang tot het Kifid te verbreden.2 Ik heb hieruit niet kunnen opmaken dat er op dit moment behoefte bestaat aan een dergelijke verbreding. Klachten van ondernemers ten aanzien van financiële dienstverlening worden vaak op andere wijze geadresseerd, bijvoorbeeld middels een interne klachtenprocedure bij banken en verzekeraars. Het rapport van de AFM over dienstverlening bij het afsluiten van rentederivaten geeft mijns inziens dan ook geen directe aanleiding om de toegang tot Kifid uit te breiden naar het MKB.
De lange wachtlijsten voor scolioseoperaties |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het persbericht van de Vereniging van Scoliosepatiënten van 20 september 2013 over het niet halen van de gezondheidsnorm voor wachttijden voor scolioseoperaties?1
Ja. De scoliosevereniging heeft mij een persbericht toegestuurd. Uit het persbericht blijkt dat de wachttijd voor scolioseingrepen in 2012 ten opzichte van 2008 met een maand is afgenomen.
Bent u ervan op de hoogte dat, ondanks de inspanningen van scioliosepatiënten, verzekeraars en behandelaars het nog niet gelukt is wachtlijsten voor scolioseoperaties in Nederland binnen de voor de gezondheid acceptabele wachttijd van drie maanden te brengen? Deelt u de grens van drie maanden die de Vereniging van Scoliosepatiënten daarvoor stelt? Zo nee, waarom niet?
De wachttijd voor scolioseoperaties in Nederland is gemiddeld langer dan drie maanden. In een door de scoliosevereniging geciteerde publicatie wordt drie maanden op theoretische gronden als veilige bovengrens aangehouden. De publicatie benoemt ook de situaties waar langere wachttijd meer risico met zich meebrengt. Het zal uiteindelijk de medisch specialist moeten zijn die -rekening houdend met deze risicofactoren – in individuele situaties bepaalt wat de urgentie van de ingreep zal zijn. Het is aan de beroepsgroep om de maximaal aanvaardbare wachttijden vast te stellen en deze zo nodig in richtlijnen op te nemen.
Wat heeft u ondernomen om de wachtlijsten voor scolioseoperaties terug te brengen tot een acceptabel niveau?
In 2012 zijn de prijzen van deze zorg door mij, op voorstel van de NZa, vrijgelaten. Door deze maatregel kunnen partijen daar waar de prijzen te laag zouden zijn, deze aanpassen zodat de prijs geen knelpunt meer hoeft te vormen. Ik constateer dat er daarmee geen systeembelemmeringen meer zijn om hierover passende afspraken te maken. Het ministerie van VWS heeft medio 2012 bij de scoliosevereniging en de Nederlandse Orthopedische Vereniging (NOV) informatie ingewonnen over de stand van zaken rond scoliosebehandelingen. Dit betreft complexere specialistische zorg met vaak lange OK tijden. Aan partijen is het advies gegeven het onderwerp ook onder de aandacht van de vereniging van adviserend geneeskundigen van zorgverzekeraars (VAGZ) te brengen in verband met de zorginkoop voor deze zorg. VWS heeft dit destijds ook zelf de VAGZ meegedeeld.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat scioliosepatiënten door toedoen van de lange wachttijd voor behandeling gedwongen zijn naar het buitenland uit te wijken? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de wachttijden in Nederland medisch verantwoord moeten zijn en dat het niet nodig moet zijn dat patiënten om onverantwoorde wachttijden te ontlopen, hun toevlucht moeten zoeken tot aanbieders in het buitenland. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars moeten met elkaar voor een adequaat zorgaanbod zorgen. Dat vloeit ook voort uit de zorgplicht van zorgverzekeraars. De problemen ten aanzien van de scoliosebehandeling zijn overigens complexer dan dat er alleen te weinig zorg wordt ingekocht. Het zijn vaak complexe operaties die een groot tijdsbeslag leggen op de OK-capaciteit en het aantal specialisten dat zich verder heeft gespecialiseerd in deze zeer ingewikkelde behandelingen, is beperkt.
Hoe rijmt u de wachtlijsten voor sciolioseoperaties in Nederland met die van België, waar geen wachtlijstproblematiek aan de orde is?
Ik vind dat de huidige wachttijden in Nederland medisch verantwoord moeten zijn.
Klopt het dat zorgverzekeraars het aantal scoliosebehandelingen dat per ziekenhuis per jaar mogen worden uitgevoerd op vijftig hebben gemaximeerd? Zo ja, acht u dit wenselijk?
De bron van dit getal ken ik niet. Ik heb dit nagevraagd bij Zorgverzekeraars Nederland en die geven aan geen inzicht te hebben in de afspraken die individuele zorgverzekeraars maken. Over de inhoud van de afspraken, die op het niveau van individuele zorgaanbieders en zorgverzekeraars worden gemaakt, heb ik geen zicht. Ziekenhuizen en zorgverzekeraars maken over veel zorgvormen productieafspraken. Dat die afspraken op zich gemaakt worden is inherent aan de wijze waarop het Nederlandse zorgsysteem functioneert. Zorgverzekeraars hebben daarbij ook een zorgplicht, zie mijn antwoord op 4.
Wat bent u van plan te ondernemen om de wachtlijsten voor scolioseoperaties op korte termijn terug te dringen?
Er waren mij al signalen bekend van moeilijk verlopende gesprekken tussen ziekenhuizen en verzekeraars. Op basis van deze signalen is VWS al in gesprek met de voorzitter van de Nederlandse Orthopedische Vereniging (NOV). Ik heb de voorzitter uitgenodigd om over deze geschilpunten tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars op VWS te komen praten.
De wachttijden voor deze vorm van zorg moeten worden teruggebracht tot medisch aanvaardbaar niveau. Ik zal partijen daar op aanspreken en ik heb de NZa gevraagd om dit te monitoren en de betrokken zorgverzekeraars te vragen wat zij gaan doen om de wachttijden te verminderen. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht en als zij in die zorgplicht structureel tekortschieten kan de NZa aanvullende maatregelen nemen.
Het meenemen van de fiets in de Fyra en de Thalys |
|
Paulus Jansen , Sander de Rouwe (CDA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Fyra-treinstellen die rijden tussen Rotterdam en Breda en tussen Den Haag en Brussel, en in de Thalys die rijdt tussen Amsterdam en Parijs, geen fietsen meegenomen mogen worden, terwijl deze treinstellen wel beschikken over een geschikte ruimte voor het vervoer van fietsen?
Fietsen kunnen in alle treinen worden meegenomen wanneer deze zijn gedemonteerd en als handbagage kunnen worden beschouwd. Wanneer dit niet mogelijk is, dient een fiets los vervoerd te worden. Los vervoer van fietsen over het klassieke spoor is mogelijk wanneer de trein beschikt over een geschikte ruimte hiervoor. In de tijdelijke treindienst naar Brussel («de Benelux-trein»), die over het klassieke spoor rijdt, is het daarom toegestaan om fietsen los mee te nemen.
Voor het rijden over de hogesnelheidslijn gelden andere regels. Hier geldt een veiligheidsmanagementsysteem. Dit systeem houdt in dat NS de met het hogesnelheidsvervoer samenhangende gevaren en risico’s vaststelt en vervolgens bepaalt welke mitigerende maatregelen nodig zijn om deze te beheersen.
In dit veiligheidsmanagementsysteem voor de hogesnelheidslijn is los vervoer van fietsen niet opgenomen, ook niet in het geval dat treinstellen wel beschikken over een geschikte ruimte voor het los vervoeren van fietsen.
Ondanks dat de treinstellen die rijden tussen Amsterdam, Rotterdam en Breda over de hogesnelheidslijn beschikken over een geschikte ruimte, is het los vervoer van fietsen in deze treinen hierdoor niet mogelijk.
De Thalys-treinen beschikken niet over een geschikte ruimte voor het los vervoeren van fietsen.
Wat is de reden dat er geen fietsen meegenomen kunnen worden bij deze treindiensten?
Zie beantwoording vraag 1. Fietsen kunnen in alle treinen worden meegenomen als deze worden gedemonteerd en als handbagage kunnen worden beschouwd. Fietsen aan boord van Thalys zijn bijvoorbeeld toegestaan als het voorwiel is gedemonteerd en de fiets is verpakt in een speciale fietshoes met maximale afmetingen van 1,20 bij 0,90 meter.
Hoe is het ontbreken van fietsvoorzieningen te rijmen met artikel 5 van Verordening (EG) 1371/2007, en met het feit dat in Frankrijk en Duitsland TGV- respectievelijk ICE-treindiensten wél deze voorzieningen bieden?1
In artikel 5 van verordening (EG) 1371/2007 is opgenomen dat een mogelijkheid moet bestaan om, eventueel tegen betaling, fietsen in de trein mee te nemen voor zover deze fietsen makkelijk hanteerbaar zijn, dit geen nadelige invloed op de specifieke spoorwegdienst heeft en het rollend materieel dit toelaat.
Voor de TGV, ICE en Thalys geldt dat vouwfietsen of gewone fietsen uitsluitend als handbagage worden toegelaten mits het voorwiel wordt gedemonteerd en de fiets wordt verpakt in een speciale fietshoes met maximale afmetingen van 1,20 bij 0,90 meter.
Ondanks dat de treinstellen die rijden tussen Amsterdam, Rotterdam en Breda over de hogesnelheidslijn beschikken over een geschikte ruimte, is het los vervoer van fietsen in deze treinen hierdoor niet mogelijk. Voor deze trajecten wordt momenteel onderzocht of er aanpassingen kunnen worden gemaakt aan het veiligheidsmanagementsysteem waardoor los vervoer van fietsen over de hogesnelheidslijn mogelijk wordt.
Bent u bereid om u er voor in te zetten -en indien mogelijk ook af te dwingen- dat op alle grensoverschrijdende treinverbindingen en op de binnenlandse Fyra-lijn op de kortst mogelijke termijn fietsvervoer mogelijk wordt?
Zie beantwoording vraag 3. Voor de Intercity naar Brussel en de binnenlandse verbindingen over de hogesnelheidslijn wordt momenteel onderzocht of er een oplossing is om los vervoer van fietsen mogelijk te maken.
Het mislukken van het overleg over directe huurtoeslagbetaling aan woningbouwcorporaties |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jacques Monasch (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom de uitwerking van de motie Groot/Omtzigt (Kamerstuk 33 003, nr. 49) is mislukt?1
In de afgelopen maanden zijn constructieve gesprekken gevoerd met Aedes om te bezien in hoeverre het arrangement dat is ontworpen voor de kinderopvangsector2 ook gehanteerd zou kunnen worden voor de woningcorporaties. Nadat duidelijk was geworden welke gevolgen dit zou gaan hebben voor de woningcorporaties heeft Aedes aangegeven dat het aangeboden arrangement onvoldoende perspectief biedt voor woningcorporaties om eraan mee te doen. Overigens is de afweging om deel te nemen aan het door de Belastingdienst geboden arrangement uiteindelijk aan de individuele woningcorporaties zelf.
Kunt u toelichten welke factoren er toe hebben geleid dat de directe betaling van huurtoeslag aan woningbouwcorporaties niet mogelijk wordt gemaakt?
Op 1 december a.s. treedt de wettelijke maatregel in werking die alleen nog maar directe betaling van huurtoeslag aan huurders zelf toestaat. Tijdens het wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Financiën over Overige fiscale maatregelen 2012 (waarin deze maatregel was opgenomen) heb ik toegezegd onder bepaalde voorwaarden een uitzondering op de wettelijke maatregel voor kinderopvanginstellingen mogelijk te willen maken. Ik ben bij die gelegenheid ingegaan op de voorwaarden die wat mij betreft aan zo’n uitzondering verbonden zijn. In de motie Groot/Omtzigt heb ik aanleiding gezien om de uitzondering binnen de randvoorwaarden die ik in uw Kamer voor de kinderopvanginstellingen heb geschetst, ook voor woningcorporaties open te stellen.
In de besprekingen met Aedes is gebleken dat het arrangement met de voorwaarden zou inhouden dat de verhuurders hun software en systemen zouden moeten aanpassen, dat verhuurders niet alleen de voorschotbetalingen maar ook de bedragen voortvloeiend uit de eindafrekening van de toeslag – mits het een uit te betalen bedrag is – zouden moeten verwerken en verrekenen, dat bepaald niet zeker is dat de huurders voor deze optie zullen kiezen en dat de huurtoeslag op termijn mogelijk opgaat in de huishoudentoeslag. Al deze overwegingen samen hebben bij Aedes geleid tot de conclusie dat er geen positieve business case te maken is.
Daarom heeft Aedes op 10 september jl. het volgende medegedeeld aan het Ministerie van Financiën: «Het enthousiasme in de sector voor het partnerschap is afhankelijk van de inrichting en werking van de regeling. Uiteindelijk zijn de reacties op de werking van het partnerschap niet positief. Vooral de verwachte administratieve lasten vormen een probleem voor corporaties (BSN-koppeling en ontvangst eindafrekening is onwerkbaar en eventuele saldering niet wenselijk vanuit maatschappelijk perspectief). Bovendien is vooraf onduidelijk hoeveel huurders voor deze mogelijkheid kiezen, waardoor een goede kosten-baten analyse vooraf niet mogelijk is. Ook de mogelijkheid dat de huursubsidie binnen enkele jaren mogelijk wordt omgevormd tot een huishoudentoeslag heeft in deze afweging een rol gespeeld.»
Kunt u toelichten welke maatregelen volgens u genomen moeten worden om directe huurtoeslagbetaling aan woningbouwcorporaties alsnog mogelijk te maken?
De wet bepaalt dat de Belastingsdienst een toeslag slechts op één bankrekening die op naam moet staan van de toeslaggerechtigde uitbetaalt. Geclusterde uitbetaling van alle huurtoeslagen in één bedrag op de bankrekening van woningcorporaties, zoals die nu nog van toepassing is, is vanaf 1 december a.s. niet meer mogelijk. In de wet is een delegatiegrondslag opgenomen op grond waarvan een uitzondering gemaakt kan worden op het verplichte één bankrekeningnummer. Die uitzondering behelst dat onder de genoemde voorwaarden het mogelijk wordt dat toeslaggelden op verzoek van toeslaggerechtigde direct aan een kinderopvanginstelling uitbetaald worden. Zoals hiervoor aangegeven heb ik in de motie Groot/Omtzigt aanleiding gezien om deze faciliteit ook open te stellen voor woningcorporaties, die bereid zijn aan de bij de uitzondering horende voorwaarden te voldoen. Een belangrijke voorwaarde die verbonden is aan de uitzondering is een hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvorderingen die verband houden met toeslagen die op de bankrekening van woningcorporaties zijn uitbetaald en die niet bij de huurder zelf zijn terug te halen.
Zoals ik uw Kamer heb laten weten, hebben de betrokken instellingen grote moeite met de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarom hebben de gesprekken zich geconcentreerd op het alternatief in de vorm van een partnerschap met de Belastingdienst. Het partnerschap stelt bepaalde eisen aan de administratie en verplicht ook tot periodieke uitwisseling van gegevens op BSN-niveau, in ruil waarvoor de betrokken instellingen gevrijwaard worden van de hoofdelijke aansprakelijkheid, tenzij er sprake is van verwijtbaar handelen. Dit is ook vastgelegd in het arrangement voor de kinderopvanginstellingen, zoals toegelicht in mijn brief van 12 juli jl.3
Ik zie geen mogelijkheden om binnen de wettelijke regeling en de daarbij geldende randvoorwaarden een directe betaling van huurtoeslag aan woningcorporaties op alternatieve wijze vorm te geven. Het past ook niet bij de eerder geformuleerde voorwaarden – zoals besproken tijdens het wetgevingsoverleg over Overige fiscale maatregelen 2012 – om een uitzondering op de hoofdregel te kunnen maken. Een dergelijke alternatieve vormgeving zou bovendien de doelstelling van het verplichte één bankrekeningnummer geweld aandoen, namelijk het tegengaan van fraude met (onder meer) toeslagen. Aangezien Aedes aangeeft dat de aanstaande omvorming van o.a. de huurtoeslag tot huishoudentoeslag ook een rol heeft gespeeld in de afweging, lijkt een alternatieve vormgeving ook om die reden op dit moment niet voor de hand te liggen.
Het bericht dat de dagbesteding grotendeels wegbezuinigd wordt |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Heeft u het afgelopen jaar ook zoveel meldingen binnengekregen van mensen die hun dagbesteding verloren hebben, doordat er bezuinigd wordt op het vervoer van en naar de dagbesteding? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Nee, er zijn niet veel meldingen bij mijn departement binnengekomen. Er zijn enkele vragen gesteld door burgers wanneer een eigen bijdragen aan de orde is. In één geval is een instelling erop gewezen dat vervoer een aanspraak is, waarover niet zonder meer een eigen bijdrage kan worden geheven. In één geval meldde de vertegenwoordiger van een cliënt dat een instelling van mening was dat een cliënt zou moeten verhuizen i.v.m. met de dagbesteding. In dit laatste geval heb ik de vertegenwoordiger aangeraden direct met het zorgkantoor contact te zoeken, om hierin te bemiddelen. Ik ben van mening dat het niet zo kan zijn dat een instelling van een cliënt kan verlangen dat deze omwille van de dagbesteding verhuist.
Hoeveel mensen hebben het afgelopen jaar hun dagbesteding verloren vanwege de bezuinigingen op het vervoer van en naar de dagbesteding? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Passende dagbesteding is een aanspraak, evenals het vervoer ernaartoe. Deze aanspraak is niet veranderd. Het is aan de zorgkantoren om een voldoende aanbod aan passende dagbesteding in te kopen en te bemiddelen in zorg voor de cliënt. Hoe of waar dat tot stand komt, is aan het lokale of regionale overleg tussen zorgkantoren en instellingen.
Naar aanleiding van de op 6 juni 2013 aangenomen motie-Bergkamp/Van Dijk (TK 28 547 nr. 113) heb ik de NZa verzocht onderzoek te doen naar eventuele knelpunten in het vervoer van en naar de dagbesteding voor rolstoelgebruikers en kinderen met een AWBZ-indicatie. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heb ik voor deze groepen besloten € 25 mln. extra beschikbaar te stellen. Hierover heb ik uw kamer bij brief van 11 oktober 2013 bericht (TK 25 847 nr. 119). Overigens heb ik naar aanleiding van uw vragen aan Zorgverzekeraars Nederland de vraag gesteld of de zorgkantoren het beeld hebben dat er fricties zijn tussen instellingen en cliënten bij dagbesteding en vervoer, die op meer wijzen dan incidenten. Zorgverzekeraars Nederland laat bij brief van 31 oktober 2013 weten dat de maatregelen rond de tarieven vervoer onrust en onzekerheid met zich mee brengen. Partijen zijn naar het oordeel van ZN in de fase dat zij zoeken naar een nieuw evenwicht met de nieuwe tarieven. Signalen daarover, overigens ook signalen met creatieve goede oplossingen, bereiken de zorgkantoren. Het aantal signalen en klachten is echter beperkt. Wanneer deze klachten bij zorgkantoren binnenkomen, worden die met desbetreffende aanbieders/partijen besproken en wordt gezocht naar oplossingen. Vooralsnog concluderen zorgkantoren dat het om incidenten gaat en zijn er geen signalen die structureel of grootschalig lijken te zijn. Ik blijf de praktijk goed volgen.
Hoeveel dagbestedingscentra zijn het afgelopen jaar gesloten door de bezuinigingen op het vervoer van en naar de dagbesteding? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat steeds meer mensen met een (ernstige) beperking niet meer naar hun dagbesteding kunnen, doordat er fors bezuinigd is op het vervoer daar naartoe? Is dit conform uw visie om Nederland om te toveren in een participatiesamenleving? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe denkt u dat mensen kunnen deelnemen aan de samenleving als u deze mensen hiertoe alle mogelijkheden ontneemt? Bent u bereid deze bezuinigingen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u uw eerdere uitspraken waarin u zegt dat dagbesteding een AWBZ-aanspraak is, dus een recht, en dat het vervoer naar een dagbesteding dus altijd mogelijk moet zijn? Waarom staat u toe dat het recht op zorg van mensen nu gewijzigd wordt, waardoor velen niet meer naar de dagbesteding kunnen?2
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich tevens uw eerdere uitspraken dat er 69% minder geld is, en dat dit geen voldoende argument is voor het feit dat het vervoer dan niet meer mogelijk is? Hoe verklaart u dan dat er vele mensen zijn die geen, minder of andere dagbesteding hebben gekregen? Kunt u uw antwoorden toelichten?
In het algemeen overleg van 26 maart 2013, sprak mevrouw Van Gesthuizen haar zorg uit over het mogelijk verlies van dagbesteding voor cliënten. Instelling Odion had haar er attent op gemaakt dat zij 69% minder aan inkomsten voor vervoer zou krijgen met de nieuwe normtarieven.
In haar recente rapportage van 16 september 2013 geeft de NZa aan dat de instellingen tal van maatregelen nemen om vervoer efficiënter te organiseren. Een substantiële daling van het budget voor vervoer hoeft dus niet te betekenen dat vervoer niet meer mogelijk is.
Daarnaast worden er in de gehandicaptensector in algemene zin positieve exploitatieresultaten geboekt en neemt het eigen vermogen gemiddeld toe (gemiddelde solvabiliteit van 24,2% per 2007 naar 37,3% in 2012). Dit ondersteunt mijn conclusie dat er geen belemmeringen zijn om een goed aanbod van dagbesteding en vervoer te organiseren.
Voor het overige verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 t/m 6.
Herinnert u tevens uw eerdere uitspraak dat zorgkantoren en zorgaanbieders eraan gehouden zijn om het vervoer te leveren, omdat vervoer een aanspraak is in het kader van de AWBZ? Zo ja, waarom heeft u niet eerder ingegrepen, nu blijkt dat zorgaanbieders en zorgkantoren zich hier niet aan gehouden hebben? Zo nee, vindt u het welzijn van deze mensen dan niet belangrijk genoeg?
De passende dagbesteding en het vervoer waren en blijven aanspraken. Het is aan het lokaal overleg om passende dagbesteding en vervoer te organiseren. Mij hebben tot op heden geen signalen bereikt, die op meer dan incidentele fricties tussen cliënten en instellingen duiden.
Erkent u dat het gaat om vaak kwetsbare en afhankelijke mensen die gebruik maken van vervoer van en naar de dagbesteding, en dat zij niet altijd kunnen opkomen voor hun aanspraak op vervoer, en dus hun recht op zorg? Zo ja, hoe gaat u dat oplossen? Zo nee, waarom niet?
Passende dagbesteding en het vervoer zijn aanspraken en daar hebben cliënten recht op. Daar kunnen hun vertegenwoordigers en ook de zorgkantoor zo nodig in bemiddelen. Cliënten of vertegenwoordigers die er niet uitkomen met de instellingen, kunnen zich tot het zorgkantoor te wenden. Wanneer belangenorganisatie van cliënten signalen van ontevreden cliënten krijgen, kunnen zij deze cliënten doorverwijzen naar de zorgkantoren om te bemiddelen.
Wie hebben aanspraak gedaan op de knelpuntenpot van € 25 miljoen, en hoe is dit beoordeeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de NZa hebben ca. 152 instellingen aanvragen voor € 45 mln. aanvragen gedaan op de extra € 25 mln. voor 2013. De NZa heeft deze aanvragen naar rato verdeeld. Dat leidt tot een tarief tussen de € 15 en € 16.
In de komende jaren kunnen zorgkantoren dit bedrag zo gebruiken dat daar waar € 19,– nodig is dit daadwerkelijk als tarief kan worden gegeven. Omgekeerd geldt dat daar waar dit niet nodig is – bijvoorbeeld als een groep kinderen met een busje een kilometer verderop naar de dagbesteding wordt gebracht – een lager tarief dan € 19 per kind wordt afgesproken.
Herinnert u zich uw eerdere uitspraken dat vervoer een aanspraak is waarvoor geen eigen bijdrage verschuldigd is, en dat het niet de bedoeling is dat zorginstellingen de maatregel afwentelen op cliënten? Waarom staat u het toe dat mensen zelfs € 2.000 moeten betalen voor het vervoer van hun kinderen naar de dagbesteding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Passende dagbesteding en het vervoer ernaartoe zijn aanspraken. Daarin bemiddelt zo nodig het zorgkantoor. Als een cliënt een andere wens heeft, ook al is hem een aanbod voor passende dagbesteding gedaan, en aanbieders van dagactiviteiten geen ander aanbod willen doen, dan kan een cliënt ervoor kiezen, om een aanvullende afspraak met een aanbieder te maken. Dat kan ook in de vorm van een eigen bijdrage zijn.
Hoeveel zorginstellingen vragen onterecht een eigen bijdrage voor vervoer van en naar de dagbesteding? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bij de NZa, die een meldpunt heeft voor onterechte betalingen, zijn geen meldingen gedaan van onterechte eigen bijdragen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Een onderzoek daarnaar heeft dus nu geen toegevoegde waarde.
Hoeveel meldingen zijn bij de Nederlandse Zorgautoriteit binnengekomen, en wat is hiermee gedaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 12.
Welke verschillen heeft u geconstateerd in het aanbod van dagbesteding in steden en dunbevolkte regio’s met betrekking tot de bezuiniging op het vervoer van en naar de dagbesteding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Instellingen nemen volgens het onderzoek dat recent door de NZA (16 september 2013) is gedaan verschillende maatregelen om het vervoer efficiënter te organiseren. Daarvan hebben er een aantal invloed op het aanbod van dagbesteding, zoals het dichter bij huis organiseren (in het geval een instelling meerdere locaties heeft) en het beperken van tussentijdse vervoersbewegingen, waarbij de dagbesteding gedurende de gehele dag op dezelfde locatie wordt aangeboden. Ook differentiatie van tarieven kan een oplossing bieden.
Hoeveel zorginstellingen vervoeren mensen met een (ernstige) beperking niet meer naar de dagbesteding, maar laten hen thuiswerk doen? Vindt u dit terecht?
Mensen hebben het recht op passende dagbesteding en vervoer, als ze daarvoor zijn geïndiceerd. Als datgene wat in de vraag als thuiswerk wordt omschreven een passende dagbesteding is, zie ik daarin geen bezwaar. Indien cliënten of hun vertegenwoordigers ontevreden zijn over het aanbod, kunnen zij het zorgkantoor vragen daar in te bemiddelen. Ik heb geen zicht op de aantallen op individueel niveau.
Hoeveel mensen zijn gedwongen veranderd van dagbesteding en/of de locatie van dagbesteding door de bezuiniging op het vervoer van en naar de dagbesteding? Vindt u dit terecht?
Er kan een verschil zijn tussen passende en gewenste dagbesteding. Zolang een wisseling van dagbesteding in overleg gaat tussen de cliënt, zijn vertegenwoordigers en de instelling en het nieuwe aanbod is eveneens passend, vind ik dit geen probleem. Overigens kan een cliënt naar een andere aanbieder gaan, als hij ontevreden is over de dagbesteding of het zorgkantoor verzoeken ander aanbod in te kopen. Ik heb geen zicht op de aantallen wisselingen op individueel niveau.
Is deze kaalslag gepland of voorzien beleid, met het oog op uw voorgenomen bezuiniging wanneer de begeleiding overgeheveld wordt naar gemeenten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Om de transitie naar de nieuwe Wmo goed te laten verlopen, heb ik samen met de VNG het Transitiebureau ingesteld dat gerichte ondersteuning biedt aan gemeenten. Binnenkort laat het Transitiebureau een handreiking uitkomen over hoe het vervoer naar en van de dagbestedinglocatie het beste kan worden georganiseerd, zodat gemeenten zich goed kunnen voorbereiden op deze taak.
Heeft u hierover al afspraken gemaakt met gemeenten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
De prijzenoorlog in de supermarkten en de brief van Plus Supermarkten aan haar leveranciers |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van Plus Supermarkten aan haar leveranciers, waarin de supermarkt aangeeft het inkomstenverlies als gevolg van de prijzenoorlog door te berekenen aan de leveranciers?
Ja.
Bent u op de hoogte van verzoeken tot margecompensatie door andere retailers, die mondeling aan de fabrikanten zijn medegedeeld?
Van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), de koepelorganisatie van bedrijven en brancheorganisaties in de Nederlandse levensmiddelenindustrie, heb ik begrepen dat ook andere retailers dergelijke verzoeken hebben gedaan aan hun leveranciers. De precieze inhoud en de formulering van die verzoeken ken ik niet.
Deelt u de mening dat dit een exacte herhaling lijkt van de prijzenoorlog van 2003, toen de margeverliezen ook voor kosten van de fabrikanten kwamen?
Anders dan in 2003 lijkt volgens de berichtgeving de huidige verscherpte prijsconcurrentie tussen supermarkten zich te beperken tot A-merken. Dit verschijnsel kan gevolgen hebben voor levensmiddelenfabrikanten, maar in hoeverre dit voor hen tot margeverliezen zal leiden, hangt af van de verhouding tussen leveranciers en afnemers.
Vragen als «Hoeveel andere afnemers heeft de betrokken fabrikant?» en «Hoe afhankelijk is de fabrikant van één specifieke Nederlandse supermarkt?» spelen hierbij een rol. Fabrikanten die relatief veel exporteren zullen minder last hebben van prijsverlagingen in Nederland.
Kan de brief van Plus Supermarkten gezien worden als een overtreding van de gedragscode voor eerlijke handelspraktijken? Zo nee, waarom niet? Zijn mondelinge verzoeken in strijd met deze gedragscode? Zo nee, waarom niet?
Volgens de gedragscode mogen overeenkomsten niet eenzijdig worden gewijzigd (ook niet mondeling), tenzij deze mogelijkheid, en de bijbehorende omstandigheden en voorwaarden, vooraf overeengekomen zijn. Om de vraag te kunnen beantwoorden, of de brieven van Plus Supermarkten aan leveranciers een overtreding vormen van de gedragscode voor eerlijke handelspraktijken, is van belang wat in de overeenkomsten is afgesproken en wat precies in de brief staat. Op 26 september jl. hebben de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik hierover gesproken met de Nederlandse stuurgroep,waarin LTO Nederland, de FNLI en het CBL vertegenwoordigd zijn. Een dag later heeft op ambtelijk niveau een vervolggesprek met de stuurgroep plaatsgevonden. Afgesproken is dat de FNLI een aantal geanonimiseerde klachten van leveranciers met bijbehorende geanonimiseerde contractuele kaders tussen die leveranciers en hun afnemers zal verzamelen. De FNLI zal deze gegevens in geanonimiseerde vorm aan de stuurgroep voorleggen ter bespreking. De stuurgroep zal vervolgens bepalen hoe hiermee wordt omgegaan. De stuurgroep heeft besloten dat het voor de klachtbehandeling van deze zaak op dit moment nog niet noodzakelijk is dat de klagers formeel geregistreerd zijn op de Europese website voor deelname aan de gedragscode.
Deelt u de mening dat met name het Midden- en kleinbedrijf (MKB) getroffen wordt door de prijzenslag onder de supermarkten, omdat het op moet draaien voor het margeverlies op de A-merkproducten?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is vooralsnog niet duidelijk in hoeverre supermarkten het margeverlies ook daadwerkelijk op fabrikanten (weten te) verhalen. Ik heb begrepen dat verschillende supermarkten inmiddels het gesprek zijn aangegaan met hun leveranciers om te bezien hoe het margeverlies het hoofd kan worden geboden.
Bent u van mening dat de Autoriteit Consument en Markt niet alleen moet kijken naar verticale marktwerking, maar ook naar een eerlijke margeverdeling in de keten? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft als één van haar taken de taak de mededingingsregels te handhaven. In dit kader ziet zij toe op de naleving van het kartelverbod en het verbod op misbruik van een economische machtspositie. De marges die ondernemingen in de verschillende geledingen van de keten realiseren, zijn het resultaat van vraag en aanbod en zijn op zichzelf geen voorwerp van het toezicht van de ACM.
Verwacht u dat de pilot een einde gaat maken aan oneerlijke handelspraktijken? Hoe gaat u de pilot het komende jaar evalueren?
Zoals ik in mijn brief van 11 september aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2012/13 22 112, nr. 1687) heb aangegeven heb ik vertrouwen in de opzet van de nationale stuurgroep en de uitvoering van de pilot. Of de gedragscode eerlijke handelspraktijken, als aanvulling op de bestaande regelgeving effectief is, zal moeten blijken uit de evaluatie van de pilot. In mijn brief van 11 september staat welke prestatie-indicatoren ik daarbij zal gebruiken.
Gaat volgens u alleen zelfregulering werken of ziet u ook een rol voor de overheid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Bij de pilot gaat het om zelfregulering, als aanvulling op bestaande wetgeving. Het Ministerie van Economische Zaken heeft een faciliterende rol gespeeld bij de vormgeving van de pilot en doet dat ook bij de uitvoering van de pilot. Ook zal het Ministerie van Economische Zaken gedurende de pilot de vinger aan de pols blijven houden.
Wat adviseert u bedrijven die worden geconfronteerd met oneerlijke handelspraktijken? Wat zou volgens u de ultieme sanctie moeten zijn voor ondernemingen die zich niet aan de gedragscode houden?
Allereerst adviseer ik ondernemingen zich aan de gedragscode te binden door zich te registreren. Een onderneming kan tegen een andere onderneming alleen een klacht indienen met een beroep op de gedragscode, indien zowel zijzelf als die andere onderneming zich aan de gedragscode heeft gebonden. Hoe meer ondernemingen zich aan de gedragscode binden, hoe groter het effect van de gedragscode is. Verder is het ondernemingen aan te raden om in het geval van een klacht zich eerst tot hun brancheorganisatie te wenden voor informatie over de mogelijkheden voor geschillenbeslechtingen en over de vraag of bij de brancheorganisatie vergelijkbare klachten zijn binnengekomen.
In de pilot van de gedragscode eerlijke handelspraktijken voor de agrofoodsector kan een klager bij individuele klachten een procedure bij een mediator, bindend adviseur, arbiter of civiele rechter starten.
Hierbij kan hij een vordering instellen tot het stoppen van de oneerlijke gedraging, het herstellen van de oneerlijke situatie of een vordering tot schadevergoeding. Bij gebundelde klachten kan de Nederlandse stuurgroep de overtreder trachten te bewegen zijn gedrag in overeenstemming te brengen met de gedragscode. Doet hij dat niet, dan kan de Nederlandse stuurgroep zelf een oordeel over de kwestie geven of de kwestie voorleggen aan de Europese stuurgroep, die een algemeen richtsnoer kan opstellen over de desbetreffende gedraging.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 9 oktober, als de vaste commissie voor Economische Zaken verder spreekt over oneerlijke handelspraktijken?
Ja.
De voorgenomen uitzetting van een Angolese asielzoeker |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Joël Voordewind (CU), Gerard Schouw (D66), Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een 22-jarige Angolese asielzoeker na twaalf jaar verblijf in Nederland alsnog wordt uitgezet omdat hij een half jaar te oud zou zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (Kinderpardon)?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de jonge Angolese asielzoeker op zijn tiende naar Nederland kwam, nu 22 jaar is en dus feitelijk veel langer is geworteld in Nederland dan de meeste kinderen die wel onder de overgangsregeling voor langdurig verblijvende kinderen vallen, maar desondanks toch geen verblijfsvergunning in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen krijgt?
De voorwaarden van de regeling staan vast en zijn duidelijk. Het is inherent aan elke regeling dat er ook mensen buiten vallen. Met elke nieuwe grens die ik zou stellen, ontstaan er ook nieuwe grensgevallen. Ik geloof dan ook niet dat de regeling ruimer had moeten zijn en ik ben niet bereid om opnieuw naar de bovengrens te kijken of deze naar 25 jaar bij te stellen, zoals ik ook in het Kamerdebat van 12 maart jl. heb toegelicht.
Overigens is «worteling», zoals ik eveneens tijdens het debat van 12 maart jl. heb aangegeven, niet het perspectief van waaruit ik de regeling heb vormgegeven. Wat mij betreft gaat het hier om de afspraak die in het regeerakkoord is gemaakt om een oplossing te vinden voor het probleem van kinderen die lange tijd in Nederland zijn en die zelf, of wiens ouders, gedurende die tijd vaak lange procedures hebben gevoerd. Dit is vervat en uitgewerkt in objectieve criteria waaraan is getoetst.
Uiteraard zal ik zaken die aan mij worden voorgelegd als grensgevallen of in het kader van de discretionaire bevoegdheid altijd zorgvuldig bekijken.
Kunt u garanderen dat de jonge Angolese asielzoeker in Nederland de procedure over de aanvraag van een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen mag afwachten?
Inmiddels heb ik besloten dat betrokkene zijn bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.
Hoe beoordeelt u de voortdurende detentie vanaf 4 september 2013 van deze jongen in het licht van het uitgangspunt vreemdelingenbewaring alleen als ultimum remedium in te zetten?
Wanneer een vreemdeling zich eerder aan lichtere middelen heeft onttrokken en er blijk van heeft gegeven niet mee te willen werken aan vertrek, acht ik de inzet van vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting geoorloofd.
Wilt u opnieuw kijken naar de bovengrens in de overgangsregeling voor langdurig verblijvende kinderen omdat deze voor jongeren als deze Angolese jongen wel erg hard uitpakt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid aansluiting te zoeken bij het voorstel van VluchtelingenWerk en Defence for Children1 waarin gepleit wordt voor een bovengrens van 25 jaar voor jongeren die voor hun dertiende naar Nederland kwamen en asiel aanvroegen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat met deze kleine aanpassing het doel van de overgangsregeling om schrijnende individuele zaken te voorkomen en problemen van langdurig in Nederland verblijvende kinderen op te lossen, beter gediend zou zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, omdat uitzetting dreigt, deze vragen voor het algemeen overleg over rapporten en adviezen vreemdelingenbeleid op 3 oktober a.s. te beantwoorden?
Ja.
Ontmoeting met een Cubaanse blogger |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat u in een ontmoeting met een Cubaanse blogger hebt gesteld dat de internationale gemeenschap de ontwikkelingen in Cuba als «ongelooflijk positief ziet, zich bewegend in de volkomen juiste richting?1
Tijdens het gesprek met blogger Carlos Alberto Pérez Benítez is gesproken over de mensenrechtensituatie in Cuba en de wenselijkheid verdere hervormingen en verbeteringen door te voeren, met name op het terrein van burger en politieke rechten. Daarnaast is gewezen op de resultaten die Cuba op het gebied van sociaal-economische rechten en op het gebied van LGTB heeft bereikt.
Is dit ook uw eigen opvatting over Cuba onder het communistische regime van Raúl Castro? Zo ja, waar baseert u deze waarderende woorden op? Doelde u ook op de mensenrechtensituatie in Cuba?
De economische en politieke veranderingen in Cuba worden door de internationale gemeenschap, inclusief door de EU en NL, als positieve stappen gezien. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nieuwe migratiewetgeving (uitreisvisa), de nieuwe regels met betrekking tot internetvrijheid en de grotere economische vrijheid.
Het is wenselijk dat deze stappen verder reiken en versneld worden. Vandaar dat het kabinet via bilaterale contacten met Cuba en via het EU kanaal, inzet op dialoog en samenwerking die bevorderen dat Cuba deze weg verder voortzet. Om de hervormingsgezinde krachten in Cuba te ondersteunen is engagement effectiever dan isolement. Hierbij wordt natuurlijk de situatie met betrekking tot de mensenrechten en democratisering nauw gevolgd.
Hoe beoordeelt u het door het Kamerlid Timmermans aangehaalde rapport van Amnesty International, «Routine respression: Political short-term detentions and harassment in Cuba» van 22 maart 2012? Klopt het dat Amnesty toen waarschuwde dat de intimidatie van dissidenten en mensenrechtenactivisten was toegenomen, en dat het aantal mensen dat te maken kreeg met intimidatie en schending van de mensenrechten is de laatste twee jaar gestegen was?
Korte termijn detenties blijven een punt van zorg. Dit onderwerp zal ook bij een volgende gelegenheid worden besproken.
Deelt u de oproep van het Kamerlid Timmermans in schriftelijke vragen d.d. 27 maart 2012 aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken om «onverwijld en duidelijk protest aan te tekenen bij de Cubaanse autoriteiten over de ernstige mensenrechtenschendingen die zij begaan», en om aanscherping van de EU-sancties te bepleiten indien Cuba geen gehoor wil geven aan dit protest?2
De situatie in Cuba wordt nauwgezet gevolgd, niet alleen door Nederland maar ook door de EU, in VN kader en door mensenrechten NGO's.
Wat is er sinds 27 maart 2012 veranderd dat u nu, anders dan het Kamerlid Timmermans, zulke waarderende woorden over Cuba uitspreekt?
Zie antwoord 2.
Heeft u kennisgenomen van de maandelijkse rapportage van de Cubaanse Commissie voor Mensenrechten en Nationale Verzoening (CCDHRN) die meldt dat in de afgelopen maand augustus 547 Cubanen aangehouden zijn om politieke motieven, en dat nog eens 337 dissidenten werden lastiggevallen of bedreigd door de politie?3
Ja, zie antwoord op vraag 3.
Waarom heeft u zich in een kennismakingsgesprek met uw Cubaanse ambtsgenoot Rodriguez uitgesproken voor intensievere samenwerking met Cuba?4 Vindt u de ontwikkelingen in Cuba dermate positief dat u verbetering van de bilaterale relatie met Cuba voorstaat?
Zie antwoord op vraag 2. Daarnaast geldt dat in het buitenlands beleid rekening wordt gehouden met belangen die het Koninkrijk heeft in Cuba, zoals consulaire zaken, uitstaande schulden en handel.
Hoe verhoudt zich de door u beoogde intensievere samenwerking tot het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU ten aanzien van Cuba?
In EU-verband wordt momenteel gesproken over een onderhandelingsmandaat voor de EU met Cuba over een nieuw bilateraal akkoord. Ook hier is het uitgangspunt dat dialoog meer oplevert dan confrontatie. Nederland steunt deze visie en heeft er op aangedrongen dat mensenrechten integraal onderdeel zijn van het toekomstige akkoord. Dit akkoord zou t.z.t. het «Gemeenschappelijk Standpunt» (GS) moeten vervangen. Het GS blijft van kracht tot een nieuw bilateraal akkoord is getekend dat de mensenrechten adequaat adresseert.
Waarom heeft u, in het licht van de aanhoudend slechte mensenrechtensituatie, in het interview met de Cubaanse blogger aangegeven in de «komende maanden» een bezoek te willen brengen aan Cuba? Wanneer gaat dit bezoek plaatsvinden?
Zie antwoord op vraag 2. Het bezoek zal naar verwachting de komende maanden plaatsvinden.
Wanneer heeft voor het laatst een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Cuba bezocht?
Zover kan worden nagegaan heeft nog nooit een bezoek van een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken aan Cuba plaatsgevonden.
Bent u bereid de Kamer per brief te informeren over uw beleid ten aanzien van Cuba vóór de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken, en vóór uw bezoek aan Cuba?
Ja.
Angstcultuur bij de politie |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep van de voorzitters van de politievakbonden NPB, ACP, ANPV en VMHP over de angstcultuur binnen de politieorganisatie?1
Ja.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat agenten de mond wordt gesnoerd, er disciplinaire onderzoeken worden ingesteld en agenten te horen krijgen dat ze over knelpunten geen contact mogen opnemen met de vakbonden en medezeggenschapsorganen?
Ik herken het geschetste beeld van de voorzitters van de vakbonden niet. De politie is een professionele organisatie waarin ruimte voor medewerkers is om eventuele klachten en problemen te uiten. Signaleert een medewerker knelpunten, dan ligt het in de rede dat in eerste instantie de eigen leidinggevende wordt aangesproken.
Zou een medewerker het gevoel hebben niet bij zijn of haar leidinggevende terecht te kunnen, dan kan de medewerker zich wenden tot vertrouwenspersonen binnen hun eigen organisatieonderdeel. Er is een landelijke procedure en landelijk meldpunt ingericht voor het melden van knelpunten. Hiermee wordt beoogd de toegankelijkheid te vergroten en is geborgd dat knelpunten veilig kunnen worden gemeld. Ook kunnen medewerkers terecht bij medezeggenschap. Het staat medewerkers verder vrij om zich te verenigen in een vakbond en de activiteiten die daarbij horen te verrichten.
Gaat het om het melden van een vermoeden van een misstand, dan is het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie van toepassing. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) is dan het onafhankelijk onderzoeksorgaan dat de melding van integriteitsschending nader onderzoekt. Wordt de in dit besluit vastgelegde procedure gevolgd, dan kan een medewerker geen nadelige rechtspositionele gevolgen ondervinden van zijn melding. Ik verwijs u ook naar de beantwoording van de vragen van het lid Marcouch (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 228).
Wat is volgens u de oorzaak van het ontstaan van deze angstcultuur binnen de politieorganisatie?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de door de Tweede Kamer breed ondersteunde doelstelling dat met de komst van de Nationale Politie niet alleen een structuurverandering in gang zou worden gezet, maar met name ook een cultuurverandering?
Bij de vorming van de nationale politie is ingezet op een cultuurverandering die onder meer gericht is op het vergroten van de professionele ruimte van de individuele medewerkers. De in het realisatieplan nationale politie beschreven, beoogde cultuurverandering ziet ook op verbindend en vertrouwen wekkend leiderschap. Tevens wordt ingezet op een cultuur die mogelijk maakt dat politiemedewerkers ruimte hebben tot het nemen van initiatieven, maar ook de bereidwilligheid om te leren van anderen en fouten uit het verleden.
Zoals beschreven in het realisatieplan kan een cultuurverandering niet top down worden opgelegd, en zal deze ontwikkeling de nodige jaren vergen. De aanstelling van de volgende groep leidinggevenden als onderdeel van de personele reorganisatie zal hieraan een belangrijke bijdrage zijn. Van het nieuwe leiderschap wordt gevraagd om in goede verbinding met de medewerkers de dialoog aan te gaan over verbetering van het politiewerk en de prestaties. Dit zal uiteindelijk leiden tot veranderingen in de cultuur. Om deze verandering te kunnen volgen is een cultuurmonitor ontwikkeld welke periodiek door de Inspectie Veiligheid en Justitie wordt uitgevoerd. Uw kamer wordt over de resultaten van deze monitor geïnformeerd.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot uw uitspraken dat er meer vertrouwen moet komen in de kennis en kunde van de individuele medewerkers?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat een gezond functionerende organisatie baat heeft bij mondige medewerkers en dat er dus ruimte moet zijn voor gefundeerde kritiek en inbreng van de kant van de medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom valt dan juist een tegenovergestelde ontwikkeling waar te nemen binnen de politieorganisatie?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om deze zorgelijke ontwikkeling van een angstcultuur een halt toe te roepen? Hoe gaat u zorgen dat werknemers weer de ruimte krijgen om hun mening te geven, zonder hiervoor afgerekend te worden binnen de politieorganisatie?
Zie antwoord vraag 2.