De groei van het aantal eerwraakmoorden |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «500 gevallen eerwraak in Nederland»?1
Ja.
Hoe duidt u het gegeven dat er vorig jaar in Nederland gemiddeld bijna 1,5 eerwraakdoden per maand vielen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden De Graaf en Wilders van uw Kamer (2014Z07914, ingezonden 28 april 2014).
Ziet u inmiddels een verband tussen de enorme immigratie vanuit islamitische landen naar Nederland de afgelopen decennia en de groei van het aantal gevallen van eerwraak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om deze gevaarlijke ontwikkeling tot stilstand te brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat daders van eerwraakmoorden na het uitzitten van hun straf waar mogelijk dienen te worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de alternatieve taxidienst Uber wordt verboden in Brussel en Berlijn |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de alternatieve taxidienst Uber in zowel Brussel als Berlijn recentelijk is verboden?1
Ja.
Deelt u de mening dat innovatieve aanbieders als Uber en accommodatie-marktplaats AirBnB, die gebruik maken van niet-conventionele manieren om hun diensten aan te bieden zoals via apps en internet, ruimte moeten krijgen om een volwaardige marktpositie in te kunnen nemen?
Het is van belang voor de concurrentiekracht van de Nederlandse economie dat innovatieve bedrijven nieuwe diensten en producten aanbieden op de Nederlandse markt. Daarbij geldt uiteraard dat waar andere maatschappelijke belangen in het geding zijn daar rekening mee gehouden moet worden. Ook moet de bestaande wet- en regelgeving in acht worden genomen. Daarbinnen kunnen innovatieve aanbieders de ruimte benutten om een volwaardige marktpositie te verwerven. Als door het beschikbaar komen van innovatieve toepassingen blijkt dat de bestaande wet- en regelgeving belemmerend werkt en maatschappelijke belangen ook op een andere wijze kunnen worden geborgd, zal het kabinet dit welwillend bezien.
In de twee genoemde voorbeelden is sprake van een aanbieder (Uber, AirBnB) die een product op de markt brengt dat vraag en aanbod op een andere, vaak eenvoudigere manier dan tot nu toe, bij elkaar brengt. Op beide markten zijn er regels die kaders stellen voor aanbod van respectievelijk taxidiensten en verhuur van privéaccommodaties. Binnen die kaders kunnen aanbieders deze diensten aanbieden.
Innovatieve ontwikkelingen om vraag en aanbod bij taxidiensten bij elkaar te brengen kunnen de taxisector versterken en verbeteren en verdienen uit dat oogpunt waardering. Dat geldt zeker als de klanten tevreden zijn over de geleverde diensten. De taxiregelgeving stelt hiervoor geen bijzondere regels en werpt geen belemmeringen op. Dienstverleners zoals Uber, maar ook bestaande en mogelijke nieuwe centrales en andere intermediairs, passen goed binnen de regelgeving.
Uber bemiddelt tussen vragers naar en aanbieders van taxivervoer. Uber is zelf dus geen taxivervoerder in de zin van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000). De wet stelt namelijk regels voor de eindschakel in het vervoer, de relatie tussen taxivervoerder en consument. In de Wp2000 zijn daarom redelijke en logische basiseisen voor taxivervoerders opgenomen ter bescherming van de belangen van de consument, zoals een taxameter, een boordcomputer, een verplichte ritbon en maximum tarieven. Een consument kan, in plaats van een ritprijs op basis van de tarieven via de taxameter, ook vooraf een ritprijs met de taxivervoerder afspreken. Gemeenten kunnen de landelijke basiseisen aanvullen met extra lokale kwaliteitseisen. De wet is zodanig flexibel ingericht dat technologische ontwikkelingen zoals digitalisering tot ontplooiing kunnen komen.
Airbnb is een online marktplaats voor de verhuur en boeking van privéaccommodaties, actief in 92 landen. Het bezet volgens Wall Street Journal met een geschatte waarde van 10 miljard dollar (7,3 miljard euro) momenteel de vierde plaats in de lijst van grootste hotelketens.
De lokale overheid, maar ook de Vereniging van Eigenaren, kan eisen stellen aan tijdelijke verhuur van woningen. De situatie verschilt per gemeente.
De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld heeft er met nieuw beleid voor gezorgd dat het verhuren van privéaccommodaties via Airbnb onder bepaalde voorwaarden officieel is toegestaan. Zo moet de verhuurder zijn inkomsten opgeven bij de fiscus, toeristenbelasting betalen, moet de woning voldoen aan de brandveiligheidseisen en mag het huis maximaal twee maanden per jaar worden verhuurd. Volgens Airbnb is Amsterdam wereldwijd een voorloper op dit gebied omdat de Amsterdamse regeling het gemakkelijker maakt voor lokale bewoners om de woning waarin ze leven te delen met anderen en deze tegelijkertijd korte metten maakt met illegale hotels die misbruik maken van het systeem.
In hoeverre is de Nederlandse wetgeving uitgerust om dergelijke innovatieve digitale toepassingen toe te laten treden tot de markt en op gelijkwaardige manier deel te kunnen laten nemen aan deze markt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid eventuele belemmeringen voor deze innovatieve toepassingen in de Nederlandse wetgeving in kaart te brengen en weg te nemen?
Door innovaties in dienstverlening zal ook de overheid mogelijk haar beleid en regels opnieuw moeten bezien, waarbij uiteraard borging van de achterliggende maatschappelijke belangen een rol speelt. Waar dat nodig is, is de overheid daartoe bereid.
In het najaar van 2014 wordt het taxideel van de Wet personenvervoer 2000 geëvalueerd. Ook in dat kader zullen relevante ontwikkelingen en mogelijke belemmeringen voor innovaties worden meegenomen.
In hoeverre hebben de uitspraken van de Brusselse rechtbank van koophandel en de regionale rechtbank van Berlijn om specifieke apps te verbieden, invloed op de wens om naar één Europese digitale interne markt te gaan?
Die uitspraken hebben geen invloed op het beleid betreffende de interne markt.
Handhaving van de Drank- en Horecawet op Nederlandse campings |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website van Camping De Appelhof op Terschelling waarop wordt uitgelegd wat zijn beleid is ten aanzien van alcoholgebruik op de camping?1
Ja
Deelt u de mening dat door deze manier van informatieverstrekking de suggestie wordt gewekt dat alcoholgebruik onder de 18 jaar mogelijk is? Deelt u de mening dat het signaal dat er vanuit gaat vanwege de schadelijke effecten van alcohol zeer onwenselijk is en handhaving van de nieuwe minimumleeftijd voor de verkoop en het bezit van alcohol ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
De bewering op de website van Camping De Appelhof dat jongeren in en om de tent alcoholhoudende drank mogen drinken is niet juist. Met uitzondering van de besloten ruimte binnen de tent en de aangehechte luifel is een campingterrein publieke ruimte. Dit geldt ook voor de ruimte om de tent wanneer deze door bezoekers in de praktijk als looppad wordt gebruikt. In de publieke ruimte mogen jongeren onder de 18 geen alcohol voor handen hebben. De foto op de website toont een groep jongeren die op een looppad bij elkaar zitten en hierbij alcohol gebruiken, een dergelijke situatie is voor jongeren onder de 18 jaar strijdig met de wet. Ik deel uw mening dat het onwenselijk is dat jongeren op deze manier misleid worden.
Hoeveel alcoholgerelateerde incidenten deden zich de afgelopen jaren voor op Nederlandse campings? In hoeveel gevallen was sprake van overmatig alcoholgebruik door jongeren onder de 18 jaar?
In het Letsel Informatie Systeem van VeiligheidNL wordt door een representatieve steekproef van Spoedeisende Hulpafdelingen (SEH) in Nederland bijgehouden wat de oorzaak is van verwondingen en vergiftigingen waarmee patiënten zich melden. Voor de gevallen waarvoor geregistreerd is waar een alcoholvergiftiging is opgelopen, betreft dat in 1% van de gevallen een camping. Van de verwondingen waarbij op de SEH is geregistreerd dat alcohol een rol heeft gespeeld als (mede)oorzaak, is minder dan 1% opgelopen op een camping. Deze aantallen zijn te klein om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over het aantal alcoholincidenten op campings in Nederland die op SEH-afdelingen worden behandeld.
Welke bevoegdheden hebben toezichthouders momenteel om te handhaven op kampeerterreinen? Acht u deze mogelijkheden voldoende? Zo nee, wat is nodig en mogelijk om het handhavingsinstrumentarium op de kortst mogelijke termijn uit te breiden? Deelt u de mening van RECRON (Vereniging van Recreatieondernemers Nederland) dat kampeerterreinen niet worden gerekend tot publiek toegankelijke plekken en zijn vrijgesteld van de nieuwe regels?2 Zo nee, waarom niet?
Het verbod op het voor handen hebben voor alcohol door minderjarigen in de publieke ruimte heeft betrekking op zowel de openbare weg (ruim opgevat) als op alle plaatsen die voor publiek toegankelijk zijn, zelfs als dat tegen betaling is of op bepaalde tijdstippen of voor een beperkt publiek. Kampeerterreinen vallen, met uitzondering van de besloten ruimte binnen de tent en de aangehechte luifel, onder «voor publiek toegankelijke plaatsen». Ik deel de mening van RECRON niet. Toezichthouders mogen elke plaats betreden voor controle, ook campings. Enige uitzondering zijn privéruimten die dienen als slaapplaats, tenzij hier alcohol verkocht wordt.
Welke mogelijkheden ziet u om nog voor het aanbreken van de zomervakantie campings te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor de gezondheid van jongeren en de handhaving op campings te intensiveren? Hoe gaat u voorkomen dat jongeren massaal naar campings trekken die zowel de geest als de letter van de wet aan hun laars lappen?
Op zeer korte termijn ga ik in gesprek met burgemeester Bats van Terschelling. In zijn gemeente liggen drie van de acht «jongerencampings» die de grootste groep jongeren trekt. Ook het OM schuift aan bij dit overleg. Het doel van dit gesprek zal zijn te bespreken hoe de burgemeester het toezicht op naleving van de leeftijdsgrenzen kan verstevigen. Op basis van de uitkomsten van dit gesprek zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn.
Bent u in dit licht bereid burgemeesters op te roepen met beheerders van kampeerterreinen in hun gemeenten het gesprek aan te gaan en onderlinge afspraken te maken zodat op een verantwoorde wijze aankoop en bezit van alcohol wordt beperkt tot de groep vanaf 18 jaar, en best practices worden uitgewisseld tussen gemeenten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Een gevaarlijke Zwitserse jeugdcrimineel die in Nederland in een luxueus hotel is geplaatst |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt uw antwoord op eerdere vragen dat er geen sprake is geweest van een behandeling van de gevaarlijke Zwitserse jeugdcrimineel in een hotel zich tot uw antwoord dat deze crimineel onder begeleiding in het hotel verbleef en dat dit in het kader was van zijn resocialisatietraject?1
Zoals ik op de genoemde vragen eerder heb geantwoord, ging het om tijdelijke huisvesting in het kader van het resocialisatietraject van betrokkene en niet om een behandeling in het kader van dat traject.
Deelt u de mening dat Nederland zelf moet bepalen of er een indicatie is van vluchtgevaar of gevaar voor de Nederlandse samenleving? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welk gevolg heeft het voor Zwitserland dat het er bewust niet voor gekozen heeft om voorafgaand aan of tijdens het verblijf van de crimineel contact op te nemen met de Nederlandse autoriteiten, terwijl dit wel had behoren te gebeuren?
Deze zaak en de tijdelijke huisvesting in Nederland hebben in Zwitserland zelf veel aandacht gekregen. Ik vertrouw erop dat dit tot gevolg heeft dat de Zwitserse autoriteiten een dergelijke zaak in de toekomst op een andere manier zullen behandelen en dat eventuele tijdelijke huisvesting in Nederland in de toekomst van Zwitserse zijde alleen wordt overwogen nadat contact met de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande acht ik het niet nodig hierover actie te ondernemen richting de Zwitserse autoriteiten.
Deelt u de mening dat nummertje 7 boven een antwoord op vraag 8 noteren niet automatisch betekent dat dit ook een antwoord op vraag 7 is?
Ter nadere toelichting op mijn antwoord op uw eerdere vraag 7 kan ik u meedelen dat het geen overheidsbeleid is om (jeugdige) delinquenten te laten trainen in hotels. Er zijn dan ook geen hotels die beschikken over speciale trainingsruimten voor (jeugdige) delinquenten en evenmin wordt daar belastinggeld aan besteed.
Kunt u alsnog antwoord geven op de vraag of het klopt dat het betreffende luxehotel over een speciale trainingsruimte voor jeugdige delinquenten beschikt? Zo ja, wat kost dit de Nederlandse belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de Kamer te voorzien van alle informatie daarover? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De verkeersveiligheid op de A15 |
|
John Kerstens (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u er mee bekend dat er op dinsdag 15 april 2014 twee zware ongevallen, waarvan één met dodelijke afloop, plaatsvonden op de A15 bij Geldermalsen waarbij een vrachtwagen op een file inreed?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u er mee bekend dat er in 10 jaar tijd op het Gelderse deel van de A15 21 doden en ruim 200 zwaargewonden zijn gevallen bij verkeersongevallen? Bent u van mening dat dit een bovengemiddeld hoog aantal is vergeleken met andere snelwegen?
De betreffende cijfers zijn geleverd door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Oost en gebaseerd op de door de politie geregistreerde ongevallen. Met het door u genoemde cijfer voor het aantal verkeersdoden ben ik bekend. Het genoemde aantal zwaargewonden is indicatief omdat het aantal afhankelijk is van de gehanteerde definitie en wijze van registratie.
De kans om betrokken te raken bij een ernstig ongeval wordt uitgedrukt met een risicocijfer. De kans om op het Gelderse deel van de A15 betrokken te raken bij een ernstig slachtofferongeval is op basis van dit risicocijfer lager dan gemiddeld op andere snelwegen. De A15 heeft verder volgens de EuroRAP-systematiek een waardering van drie sterren. Zoals ik in mijn brief van 13 september 2013 (kenmerk 139851) heb aangegeven, is het wel zo dat de weggebruikers de A15 als druk ervaren, mede als gevolg van het vele vrachtverkeer.
Wanneer informeert u de Kamer over de mogelijkheden om de verkeersveiligheid op de A15 tussen knooppunt Deil en Tiel te verbeteren door inzet van mobiele filedetectie, het aanbrengen van chevronstrepen op het wegdek, de inzet van extra weginspecteurs of de invoering van een inhaalverbod voor vrachtverkeer?
Na onderzoek, zoals toegezegd bij de behandeling van het MIRT in het najaar van 2013, heb ik besloten om een locaal filedetectiesysteem te plaatsen op het weggedeelte Deil richting Valburg (tussen Wadenoijen en Echteld). Het betreft een wegvak van ruim 7 km lang. Er wordt momenteel bezien op welke wijze dit systeem zo kan worden gerealiseerd, dat in de toekomst ook communicatie met in-car technologie mogelijk is. De filedetectie zal naar verwachting eind 2015 gerealiseerd zijn.
Daarnaast zet RWS inmiddels extra weginspecteurs in op de A15 tussen Valburg en Deil, zowel de ochtend- als de avondspits. Dit draagt bij aan een snelle en effectieve afhandeling van incidenten met positieve gevolgen voor de doorstroming en de verkeersveiligheid.
Ten derde is er op 24 april een ontwerp verkeersbesluit ter inzage gelegd om een inhaalverbod in te stellen onder andere tussen Geldermalsen en Valburg. Dat inhaalverbod zal na inwerkingtreding (voorzien na de zomer van dit jaar) gelden tussen 06:00 en 19:00 uur.
Ten vierde zal ik waar mogelijk de wegmarkering verbeteren. Op dit moment voert RWS een onderzoek uit naar de effecten hiervan voor de weggebruiker. Dit om te bepalen op welke wijze de markering het meest effectief kan worden aangepast.
Tenslotte zal ik de veiligheid op het Gelderse deel van de A15 nauwgezet blijven monitoren en aandacht blijven houden voor mogelijkheden om de veiligheid verder te verbeteren.
De asielaanvraag van Somalische piraten |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat Somalische piraten die in ons land een gevangenisstraf uitzitten, asiel hebben aangevraagd?1 Zo ja, kunt u garanderen dat deze criminelen geen verblijfsvergunning krijgen en zo snel mogelijk worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering doet geen mededelingen over asielaanvragen die door individuele vreemdelingen zijn ingediend. Bij de beoordeling van eventuele asielverzoeken zullen strafrechtelijke antecedenten worden betrokken. Afhankelijk van de individuele zaak kunnen antecedenten, zoals piraterij, leiden tot het oordeel dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dat geval wordt het asielverzoek op die grond afgewezen. Daarnaast wordt een asielaanvraag in de regel ook afgewezen wanneer betrokkene een gevaar vormt voor de gemeenschap en veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden of meer.
Er wordt ingezet op de terugkeer van alle ongeveer 25 Somalische piraten die in Nederland zijn berecht. Ik heb met Somalië afspraken gemaakt over de gedwongen terugkeer van personen met deze achtergrond. Een persoon die is afgestraft in verband met piraterij is inmiddels op basis van deze afspraken op donderdag 22 mei jl. uitgezet naar Somalië. Eerder hebben ruim 10 Somalische piraten ervoor gekozen terug te keren in ruil voor strafonderbreking. Alle overige personen verblijven nog in strafrechtelijke dan wel in vreemdelingrechtelijke detentie.
Deelt u de mening dat het waanzin is dat iedereen ter wereld die dat wil toegang kan krijgen tot de Nederlandse asielprocedure? Zo ja, bent u bereid om er voor te zorgen dat Nederland niet langer gebonden is aan het Vluchtelingenverdrag en aan Europese richtlijnen die dit voorschrijven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet juist dat vreemdelingen overal ter wereld toegang hebben tot de Nederlandse asielprocedure. Vreemdelingen die zich niet in Nederland bevinden, hebben in beginsel geen toegang tot de Nederlandse asielprocedure. Zoals vaker aangegeven en neergelegd in het regeerakkoord vormen het Vluchtelingenverdrag en de relevante Europese regelgeving voor het kabinet een belangrijk kader en bestaat er geen aanleiding aan dat uitgangspunt te tornen.
Kunt u garanderen dat niet meer Somalische piraten in Nederland hun straf uit kunnen zitten teneinde te voorkomen dat ze hier door asielprocedures vervolgens kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering streeft ernaar verdachten van piraterij zoveel mogelijk te (laten) berechten in de eigen regio in plaats van in Nederland. Het instellen van strafrechtelijke vervolging is in het Nederlands strafrechtelijke stelsel voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Een besluit tot vervolging in Nederland is tot dusver steeds ingegeven door aantoonbare Nederlandse belangen, zoals ernstig geweldgebruik tegen Nederlandse militairen (zie ook Tweede Kamer, Vergaderjaar 2013–2014, Kamerstuk 32 706, nr.60).
Toelichting: deze vragen zijn aanvullend op de eerdere vragen terzake van het lid Azmani (VVD), ingezonden 28 april 2014, vraagnummer 2014Z07921
Het bericht ‘Vrijgelaten piraten willen asiel’ |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrijgelaten piraten willen asiel»?1
Ja.
Klopt het bericht dat drie Somalische piraten die hebben geschoten op Nederlandse militairen en veroordeeld zijn tot 4,5 jaar detentie, inmiddels hier te lande asiel hebben aangevraagd?
De Nederlandse regering doet geen mededelingen over asielaanvragen die door individuele vreemdelingen zijn ingediend.
Deelt u de mening dat het schaamteloos is te schieten op Nederlandse militairen en vervolgens in Nederland asiel aan te vragen?
Vreemdelingen die in Nederland verblijven kunnen asiel aanvragen in Nederland. Bij de beoordeling van een asielaanvraag zal een strafrechtelijk verleden worden meegewogen. Zie voorts antwoord 5 en 6.
Deelt u voorts de mening dat het toch niet zou moeten kunnen dat Nederland eerst opdraait voor de kosten van strafrechtelijke detentie van bepaalde vreemdelingen en vervolgens ook nog asiel moet verlenen aan deze personen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt het Nederlandse asiel- en terugkeerbeleid zich tot het plegen van dergelijke misdrijven? Hoe wordt voorkomen dat vreemdelingen uit wiens veroordeling blijkt dat zij een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid zijn, zich rechtmatig vrij kunnen bewegen in Nederland door het opstarten van een asielprocedure?
Aan personen die misdrijven hebben gepleegd kan niet de mogelijkheid ontzegd worden een asielverzoek in te dienen. Wel worden de strafrechtelijke antecedenten betrokken bij de beoordeling van een eventueel asielverzoek. Afhankelijk van de individuele zaak kunnen antecedenten, zoals piraterij, leiden tot het oordeel dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dat geval wordt het asielverzoek op die grond afgewezen. Daarnaast wordt een asielaanvraag in de regel ook afgewezen wanneer betrokkene een gevaar vormt voor de gemeenschap en veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden of meer.
De Nederlandse wet en de Europese regelgeving laten voorts ruimte om onder omstandigheden gedurende een asielprocedure een maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen als de openbare orde dat vereist en dit gezien alle betrokken belangen proportioneel is. Indien een vreemdeling gedurende de strafrechtelijke procedure een asielaanvraag indient, en daar bij het moment van invrijheidsstelling nog niet op is beslist, zal in de regel het opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring opportuun zijn.
Overigens wordt ingezet op de terugkeer van alle ongeveer 25 Somalische piraten die in Nederland zijn berecht. Ik heb met Somalië afspraken gemaakt over de gedwongen terugkeer van personen met deze achtergrond. Een persoon die is afgestraft in verband met piraterij is inmiddels op basis van deze afspraken op donderdag 22 mei jl. uitgezet naar Somalië. Eerder hebben ruim 10 Somalische piraten ervoor gekozen terug te keren in ruil voor strafonderbreking. Alle overige personen verblijven nog in strafrechtelijke dan wel in vreemdelingrechtelijke detentie.
Kan een dergelijk misdrijf jegens Nederlandse militairen en de veroordeling daarvoor reden zijn een asielaanvraag af te wijzen op grond van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, of zelfs op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Per dag 4 keer grof geweld tegen politie' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Per dag 4 keer grof geweld tegen politie»?1
Ja.
Kloppen deze cijfers? Zo nee, wat is dan de omvang van dit soort delicten tegen de politie?
Deze cijfers zijn alleen gebaseerd op politieberichten die in de media verschijnen. Door de politie zijn in 2013 5.520 incidenten en 4.332 aangiften van agressie en geweld tegen politieambtenaren geregistreerd.
Ten opzichte van 2012 houdt dit een daling in (6.033 incidenten respectievelijk 4.628 aangiften).
Meldingen van geweld worden niet gecategoriseerd naar type incident. Meldingen variëren derhalve van belediging tot slaan, spugen en poging tot doodslag.
Deelt u de mening dat grof geweld tegen de politie onacceptabel is, zeker gezien het feit dat het niet over bedreigingen of scheldpartijen gaat (want die halen allang de kranten niet meer) maar om echt grote zaken, want ook niet alles wordt meer naar buiten gebracht? Zo nee, waarom niet?
Geweld in alle gradaties tegen de politie – en andere werknemers met een publieke taak – is onaanvaardbaar. Daarom is het terugdringen hiervan ook een van mijn prioriteiten.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om het geweld tegen politie te stoppen nu de huidige maatregelen blijkbaar onvoldoende zijn?
Bij brief d.d. 11 april 2014.2 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoeksrapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) met de titel «Bedreiging en intimidatie van OM- en politiemedewerkers».
Via deze brief heb ik u geïnformeerd over de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen en op korte termijn zullen worden doorgevoerd. Met de politie en de vakorganisaties ben ik in gesprek over verdere maatregelen om de gevolgen van geweld, bedreiging en intimidatie in met name de privésfeer te beperken. In het najaar zal ik uw Kamer op basis van dit overleg informeren over de verdere aanpak.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dit soort delicten niet meer worden bestraft met een taakstrafje? Gaat u de rechterlijke macht wijzen op het wetsartikel inzake het taakstrafverbod? Zo nee, waarom niet?
Bij het OM en de rechterlijke macht is het wetsartikel bekend waarin is bepaald dat voor zware geweldszaken en zedenzaken geen taakstraf meer mogelijk is. Dit zijn delicten waarvoor een gevangenisstraf van zes jaar of meer staat. De wet regelt dat er een grens is. Het is aan het OM en de rechter om in iedere zaak alle omstandigheden af te wegen en dan tot een passende strafeis te komen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg over politieonderwerpen op 18 juni 2014?
Ik zal u antwoorden voor de datum van 18 juni aanstaande.
Een bezoek aan de Margrietstraat in Rotterdam |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de situatie in de Margrietstraat in Rotterdam, waar bewoners als gevolg van naburige sloopwerkzaamheden hun slecht gefundeerde huizen zouden moeten verlaten?1
Ja.
Biedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid extra eisen te stellen aan sloopwerkzaamheden in de nabijheid van kwetsbare gebouwen? Zo ja, bent u van mening dat de gemeente Rotterdam dat in dit geval had moeten doen? Heeft de Rijksoverheid op dit punt een rol of verantwoordelijkheid?
Hoe is bij schade als gevolg van sloopwerkzaamheden in het algemeen de aansprakelijkheidsverdeling tussen opdrachtgever, sloper en gemeente geregeld? Neemt de aansprakelijkheid voor een gemeente toe als zij nalatig is geweest bij toezicht en handhaving voorafgaand aan of gedurende de sloopwerkzaamheden?
Deelt u de mening dat vroegtijdig ingrijpen de kosten van funderingsproblemen tot een minimum kan beperken? Kent u in dit kader het onderzoek van de Stichting Hout Research in Wageningen? Bent u bereid in Rotterdam, gezien de lokaal bekende risico’s, een pilotproject te laten uitvoeren om aantasting van houten heipalen in een vroegtijdig stadium op te sporen en aan te pakken?
Integriteitsschendingen door ambtenaren |
|
John Kerstens (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Kwart ambtenaren ziet misstanden: van pesten tot corruptie»1 en «Reactie Bios (Bureau integriteitsbevordering openbare sector) op vervolgonderzoek»?2 Kent u het onderzoek «Aard en omvang van integriteitsschendingen binnen de Nederlandse overheid»?3
Ja, de berichten zijn mij bekend.
Wat is uw reactie op de constatering in het genoemde onderzoek «dat bijna een kwart (22 procent) van onze ambtenaren het gevoel heeft een misstand te hebben meegemaakt die wij hier ook daadwerkelijk als integriteitsschending kwalificeren»? Acht u dit een correct beeld geven van de omvang van de integriteitsschendingen onder ambtenaren?
Ik acht het lastig om op basis van dit rapport uitspraken te doen over de daadwerkelijke omvang van integriteitsschendingen binnen de overheid. Zoals de onderzoekers zelf al stellen gaat het hier immers om een perceptieonderzoek en niet om onderzochte en bewezen gevallen.
De resultaten van het onderzoek kunnen mijns inziens wel worden beschouwd als een waardevol signaal. In het verleden werd de definitie van een integriteitsschending namelijk veelal beperkt tot die van grove schendingen als fraude en corruptie. Dit onderzoek toont aan dat veel ambtenaren echter ook alert zijn op, wat de onderzoekers bestempelen als, de meer «kleine vergrijpen». Dat vind ik een positieve constatering.
Wat ook opvalt is dat het voor het overgrote deel van de gepercipieerde gevallen gaat om schendingen die niet uniek zijn voor de publieke sector. In ruim tweederde van de gevallen gaat het namelijk om schendingen die in alle organisaties – ook private – (kunnen) worden aangetroffen: het gaat vooral om ongewenste omgangsvormen en verspilling. Ik ben het daarom eens met BIOS, wanneer zij stellen dat de echte meerwaarde van dit onderzoek niet zo zeer zit in het beeld van de omvang, maar voornamelijk in de bijdrage die het levert in het verkrijgen van een beter beeld over de aard van integriteitsschendingen.
Over welke gegevens ten aanzien van de aard en omvang van integriteitsschendingen onder ambtenaren beschikt u? Hoe verhouden die gegevens zich tot de resultaten uit het bovengenoemde onderzoek?
Organisaties in het openbaar bestuur zijn zelf verantwoordelijk voor het registreren van integriteitsschendingen. Dit maakt het lastig om uitspraken te doen over de frequentie waarmee bepaalde schendingen zich daadwerkelijk voordoen. In enkele onderzoeken, ook van mijn ministerie, zijn wel gegevens verzameld. Deze geven echter niet altijd een betrouwbaar beeld van het aantal onderzoeken naar mogelijke schendingen, zoals ook vermeld in de beleidsdoorlichting die recent naar uw kamer is gestuurd.4 Op dit moment zijn de gegevens van het Rijk het meest volledig. Voor vragen omtrent de omvang van integriteitsschendingen en de ontwikkelingen daarvan wend ik mij daarom tot gegevens van de sector Rijk.
De sector Rijk maakt sinds 2007 gebruik van een uniforme wijze van registratie. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk.5 Een analyse van deze cijfers laat zien dat de omvang van de vastgestelde integriteits-schendingen in de periode 2007–2009 ongeveer 500 gevallen per jaar bedraagt. Vanaf 2010 registreert het Rijk ook vermoedens van schendingen. In 2010 is sprake van 959 vermoedelijke schendingen waarvan na onderzoek 566 zijn vastgesteld. Dit aantal blijft in de jaren daarna redelijk stabiel. In 2011 werden 927 vermoedelijke en 537 geconstateerde schendingen geregistreerd. In 2012 bedroeg het aantal 997 vermoedelijke en 647 geconstateerde schendingen van integriteit. Dit aantal is in 2013 weer gedaald naar 939 vermoedelijke en 566 vastgestelde schendingen. Deze cijfers laten zien dat gemiddeld zestig procent van de meldingen resulteert in de constatering dat een schending kan worden vastgesteld. Niet alle vermoedens blijken daarmee ook een echte schending. De cijfers laten tevens zien dat de omvang van vermoedens en vastgestelde schendingen in de afgelopen jaren niet is toegenomen, de gegevens zijn momenteel stabiel.
Hoe deze cijfers zich verhouden tot de rest van het openbaar bestuur valt lastig vast te stellen. Op basis van de cijfers van het Rijk zie ik in ieder geval geen reden om aan te nemen dat het ambtelijk apparaat in de afgelopen jaren geconfronteerd is met een significante stijging van integriteitsschendingen.
Zoals gezegd zijn de gegevens in het onderzoek «Aard en omvang van integriteitsschendingen binnen de Nederlandse overheid» gebaseerd op de perceptie van geënquêteerde ambtenaren. Doorgaans liggen de resultaten van dergelijke enquêtes – vele malen – hoger dan de gegevens over de omvang op basis van registraties. Een goede analyse van de verschillen is nu helaas niet mogelijk doordat de door de onderzoekers gehanteerde definitie en indeling in type schendingen niet goed aansluiten bij de uniforme registratie van integriteitschendingen zoals die door mijn ministerie samen met de koepelorganisaties is aanbevolen en die ook door het Rijk wordt gehanteerd.6
Dat neemt niet weg dat natuurlijk elke schending er één teveel is. Maar tegelijkertijd moeten we ook concluderen dat incidenten zich altijd voor zullen blijven doen. Hoewel Nederland internationaal erkend wordt om de mate van integriteit en de aandacht voor integriteit en goed bestuur, blijft het goed om de zaken bespreekbaar te maken zodat de aandacht voor het thema niet verslapt. Het is duidelijk dat naast alle aandacht voor bewustwording, organisaties ook geconfronteerd worden met de noodzaak om handhavend op te treden in het geval dat de organisatie signaleert dat er mogelijk sprake is van schendingen. Dit is in alle gevallen voor zowel de organisatie als alle betrokkenen een vaak ingrijpende ervaring.
Blijkt uit de u beschikbare gegevens dat er de afgelopen jaren sprake is van een toename van het aantal integriteitsschendingen? Zo ja, wat is de reden van die toename?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat de resultaten van hun onderzoek «geen rooskleurig beeld van de dagelijkse praktijk van het openbaar bestuur» opleveren? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u net zoals de onderzoekers dat er «alle reden is voor waakzaamheid, goed integriteitsbeleid en goede interne meldsystemen»? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat de overheid ten alle tijden waakzaam dient te zijn op de eigen integriteit. Integriteit vormt immers één van de belangrijkste voorwaarden voor het vertrouwen tussen burgers en openbaar bestuur. De overheid vervult daarom op dit punt een voorbeeldfunctie.
Ook deel ik de opvattingen dat overheidsorganisaties dienen te beschikken over een goed integriteitsbeleid en goede interne meldsystemen en handhavingsbeleid. Deze zaken zijn ook opgenomen in de Ambtenarenwet. Zo stelt artikel 125quater lid a van de Ambtenarenwet dat organisaties in het openbaar bestuur een integriteitsbeleid moeten voeren. Artikel 125quinquies lid f stelt daarnaast dat organisaties in het openbaar bestuur dienen te beschikken over een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende vermoedens van misstanden.
Wat doet de overheid om integriteitsschendingen door ambtenaren te voorkomen? Geven de uitkomsten van het genoemd onderzoek u aanleiding om de inspanningen ter bevordering van integriteit te intensiveren of te veranderen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Recentelijk heeft mijn ministerie de beleidsdoorlichting Integriteit(sbeleid) afgerond.7 Eén van de belangrijkste conclusies uit deze doorlichting was dat mijn ministerie gedurende de loop der jaren heeft ingezet op een breed integriteitsbeleid gericht op ambtenaren in het openbaar bestuur. Het beleid omvat diverse elementen waarmee, ook volgens internationale (wetenschappelijke) standaarden, sprake is van een goed en coherent integriteitsbeleid. Daarmee is het beleid een goede basis gebleken voor overheidsorganisaties om zelf voortvarend aan de slag te kunnen met integriteitsbeleid.
Het inherente belang van een integere overheid zorgt er echter ook voor dat de inspanningen ter bevordering van integriteit deel uitmaken van een continu proces. Ik zal dat zelf ook blijven aanmoedigen en bevorderen. In mijn brief over dit onderwerp aan uw Kamer heb ik dat ook aangekondigd.8
Het bericht dat UEFA-bobo’s geen taks betalen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom de voetbalbond UEFA (Union of European Football Associations) en zijn officials geen enkele belasting hoeven te betalen, indien Nederland in 2020 wedstrijden krijgt toegewezen in verband met het Europees kampioenschap? Kunt u uw antwoord toelichten?1 2
De fiscale garanties die in het kader van het bid voor wedstrijden van het EK voetbal 2020 aan de UEFA zijn afgegeven passen geheel binnen de bestaande kaders van de Nederlandse fiscale wet- en regelgeving. Er is op geen enkele manier sprake van specifieke vrijstellingen. De UEFA zal – bij toewijzing van het bid – net als andere in ons land actieve internationale organisaties, gewoon onder het geldende Nederlandse belastingregime vallen. Ook zijn de afgegeven garanties volledig in overeenstemming met de daarvoor opgestelde modelgaranties voor grote internationale sportevenementen die op 5 juli 2012 naar uw Kamer zijn gestuurd. Het is dus niet zo dat de UEFA bij toewijzing van het bid is vrijgesteld van het betalen van belastingen. Wel kan door de UEFA, indien aan de geldende voorwaarden in de Nederlandse wetgeving wordt voldaan, een beroep worden gedaan op bestaande, reguliere vrijstellingsregelingen. Voor de voorwaarden die daarvoor gelden kan verwezen worden naar onderdeel 3 van de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen («Heffing en inning van belastingen») en de daarbij behorende bijlagen 1a en 1b.
Kunt u uitleggen waarom u toestaat dat kapitaal ongelimiteerd in en uit Nederland kan stromen zonder dat de fiscus erbij kan, indien Nederland deze wedstrijden krijgt toegewezen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Daarvan is geen sprake, zie het antwoord op vraag 1.
Wat gaat de belastingvrijstelling de Nederlandse staat kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven passen de aan de UEFA verleende fiscale garanties binnen de bestaande kaders van wet- en regelgeving. Indien en voor zover er van de UEFA geen belasting door de Nederlandse fiscus wordt geheven, betreft het toepassen door de Belastingdienst van geldende wet- en regelgeving die ook nu al op iedereen van toepassing is. Van het mislopen van inkomsten voor de staat als gevolg van het afgeven van deze fiscale garanties aan de UEFA is dan ook geen sprake.
Wat is het standpunt van de minister van Financiën in dezen? Betekent dit dat fiscale wetgeving hiervoor veranderd zou moeten worden als de UEFA het bid accepteert? Zo ja, om welke regelgeving gaat het dan precies?
De garanties aan de UEFA, inclusief die op het terrein van de belastingen zijn door mij ondertekend namens het gehele kabinet. Aangezien de fiscale garanties die aan de UEFA zijn verstrekt passen binnen het bestaande wettelijke kader, is er geen wijziging van fiscale wet- en regelgeving nodig om de garanties aan de UEFA na te komen als wedstrijden van het EK voetbal 2020 aan Nederland worden toegewezen.
Kunt u een kostenraming van de belastingvrijstelling aangaande het Europees kampioenschap aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u alle gestelde voorwaarden van de UEFA toelichten met de redenen waarom u hiermee heeft ingestemd? Kunt u hier een overzicht van samenstellen? Zo nee, waarom niet?
De voorwaarden die ook voor de UEFA gelden om een beroep te kunnen doen op de bestaande reguliere vrijstellingsregelingen binnen de Nederlandse fiscale wet- en regelgeving staan beschreven in de aan de UEFA verleende garanties. Het betreft dezelfde voorwaarden zoals die beschreven worden in de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen (zie antwoord op vraag3. Daar waar nodig zijn in de garantieteksten van de UEFA («Guarantee templates») wijzigingen en toevoegingen aangebracht om de garanties zoals die door de minister van VWS zijn ondertekend volledig te laten vallen binnen de bestaande wet- en regelgeving.
Bent u voornemens om te heronderhandelen over de voorwaarden die de UEFA stelt? Zo ja, wanneer gaat u dat doen? Zo nee, waarom keurt u deze eenzijdig oplegde voorwaarden van de UEFA goed?
Nee. De verleende garanties aan de UEFA, inclusief de fiscale, passen binnen de bestaande wettelijke kaders, c.q. zijn in overeenstemming met de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen die bij de Tweede Kamer sinds 5 juli 2012 bekend zijn. Er bestaat voor mij dus geen aanleiding tot heronderhandelen.
Zijn er meer UEFA-eisen gesteld, en vervolgens afgewezen, waarvan de Kamer het bestaan (nog) niet kent? Zo ja, welke?
Zoals ik in mijn brief van 23 april jl. heb aangegeven, zijn de geformuleerde garantieteksten voor EURO 2020 zo dicht mogelijk gebleven bij de tekst van de «templates», zoals die door de UEFA zijn opgesteld. Op sommige plaatsen waren wijzigingen noodzakelijk, omdat de wet- en regelgeving, zoals onder andere neergelegd in de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen, dat vereist. De meeste wijzigingen hebben tot doel gehad de nogal strikt geformuleerde wensen van de UEFA te nuanceren en te refereren naar bestaand EU/NL beleid. Dat geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de visa en werkvergunningen waarbij de Schengen-afspraken leidend zijn (garantie 5.23) en de gevraagde bescherming van commerciële rechten die zijn genuanceerd (garanties 5.05, 5.06 en 5.19). In het bidbook zijn verder voorstellen aan de UEFA opgenomen van respectievelijk de gemeente Amsterdam, Arena en de KNVB waar deze partijen zelf de verantwoordelijkheid voor dragen.
Herinnert u zich nog de puinhopen rondom het WK-bid? Hoe gaat u voorkomen dat dezelfde toestanden gaan voorkomen? Bent u bereid de Kamer over alle details te informeren aangaande het Europees kampioenschap? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herinner mij de ophef die in 2010 is ontstaan rond het bid van Nederland en België op de eindronde van het WK-voetbal 2018/2022. Die ophef is mede de aanleiding geweest voor het opstellen van de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen die ik op 5 juli 2012 naar de Tweede Kamer heb gestuurd. Zoals ik in mijn brief van 23 april jl. heb aangegeven, zijn deze modelgaranties vertrek- en ijkpunt geweest voor de verleende garanties aan de UEFA in het kader van het bid van de KNVB op wedstrijden van het EK voetbal in 2020. Ik heb richting uw Kamer volledige transparantie betracht door de overheidsgaranties die ik namens het kabinet aan de UEFA heb verstrekt integraal naar uw Kamer te sturen.
Het bericht ‘Vorig jaar twintig doden door eergerelateerd geweld’ |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Vorig jaar twintig doden door eergerelateerd geweld»?1
Ja.
Hoe verklaart u de gestage toename van het aantal doden in de afgelopen jaren?
Eergerelateerd geweld is onacceptabel.2 Elk slachtoffer is er één teveel. In 2012 registreerde het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) 15 eerwraak-gerelateerde doden. In 2013 zijn bij het LEC EGG 506 zaken binnen gekomen waarbij een eermotief werd vermoed. Deze zaken zijn conform de methode LEC EGG behandeld. In 2013 hadden 20 van deze zaken een dodelijke afloop: 17 keer was er sprake van moord of doodslag en 3 keer was er sprake van zelfdoding. In het jaarverslag van het LEC EGG, dat uw Kamer separaat wordt toegezonden, is te lezen dat in 2013 twee cold cases uit 1993 en 1999 opnieuw zijn behandeld. Die zaken zijn in 2013 meegeteld. Ook is er in 2013 één moordzaak meegeteld die in België heeft plaatsgevonden.
Het LEC EGG biedt in deze complexe zaken ondersteuning aan regionale eenheden. Hieronder vallen de zaken met een dodelijke afloop. Cijfers die inzicht geven in het landelijke beeld, waarin ook de (eenvoudiger) zaken worden meegenomen waarbij het LEC EGG niet ondersteunt, worden deze zomer verwacht.
Zegt het feit dat de meeste slachtoffers een Turkse, Marokkaanse, Iraakse of Afghaanse achtergrond hebben, u iets over de rol die de islam speelt in de zaken waar eerwraak een dodelijke afloop kende? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek naar eergerelateerd geweld blijkt dat eercodes cultureel zijn ingegeven en niet religieus3. Er bestaat een verband tussen traditionele familieculturen en eergerelateerd geweld. Dergelijke familieculturen bestaan in een groot deel van de wereld, ongeacht de aldaar voorkomende religie.
Hoeveel mannen en vrouwen zijn er in 2013 in blijf-van-mijn-lijf-huizen/vluchthuizen etc. opgevangen? Hoeveel van hen had een islamitische achtergrond? Welke nationaliteiten hadden zij?
De Federatie Opvang heeft meegedeeld dat totaalcijfers over de opvang in 2013 van slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties zullen worden verzameld in het eerste half jaar van 2014. Om toch een beeld te kunnen schetsen geef ik de totaalcijfers over 2012 weer. De Federatie Opvang heeft in 2012 binnen het stelsel van de vrouwenopvang ruim 8000 vrouwen en bijna 600 mannen opgevangen. Nationaliteit en religieuze achtergrond worden niet bijgehouden door de Federatie Opvang.
Hoe vaak kwam het in 2013 en de jaren daarvóór voor dat mensen vanuit blijf-van-mijn-lijf-huizen/vluchthuizen etc. in andere gemeentes of zelfs landen zijn gaan wonen vanwege hun veiligheid?
De Federatie Opvang houdt hierover geen gegevens bij.
Duidt u het bestaan (sinds 2008) van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) als een mooi gevolg van de massa-immigratie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij sommige fenomenen is een aanpak nodig waarbij gericht expertise wordt gebundeld om een probleem aan te pakken. Het LEC EGG is daar een voorbeeld van als het gaat om de aanpak van eergerelateerd geweld.
Welke aanpak staat u voor om het aantal gevallen van eergerelateerd geweld weer terug te brengen naar het niveau van vóór de massa-immigratie?
Een krachtige aanpak blijft nodig om deze vorm van geweld aan te pakken, daders te straffen en om goede ondersteuning te bieden aan de slachtoffers. Het kabinet doet dit met de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA), waar eergerelateerd geweld onder valt. Via de GIA Voortgangsrapportages rapporteer ik uw Kamer over de maatregelen die rijksbreed worden getroffen om eergerelateerd geweld te voorkomen, signaleren, stoppen en de schade ervan te beperken.
Deelt u de visie dat er voor daders van eerwraak geen plaats is in Nederland en zij in alle gevallen ons land uitgezet dienen te worden (in geval van een dubbele nationaliteit, na denaturalisatie)?
Uitzetting is een maatregel die alleen van toepassing is op vreemdelingen. Vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf kunnen het rechtmatig verblijf verliezen. Vervolgens krijgen zij een inreisverbod of worden ongewenst verklaard en moeten Nederland direct aansluitend aan de celstraf verlaten. Als zij dat niet doen, worden zij uitgezet. Als zij daarna weer in Nederland worden aangetroffen zijn zij strafbaar en riskeren zij een gevangenisstraf op grond van artikel 197 Wetboek van strafrecht.
De Rijkswet op het Nederlanderschap bevat geen bepaling op grond waarvan intrekking van het Nederlanderschap wegens commune criminele feiten mogelijk is. Invoering van een dergelijke bepaling wordt evenmin overwogen. Het Europese Nationaliteitsverdrag (Trb. 1998, 10), waartoe ook Nederland is toegetreden, staat het invoeren van een dergelijke bepaling niet toe.
De advisering door de Technische Commissie Bodembescherming |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) inzake een onderzoeksontheffing voor het bovengronds uitrijden van mest?1
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 2a, eerste lid, van de Wet Bodembescherming, de taakstelling van de TCB zich beperkt tot advisering van «aangelegenheden van technische aard op het gebied van de bodembescherming»?
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 7 en artikel 64, derde lid, van de Wet Bodembescherming, de advisering van de TCB ten aanzien van de beoordeling van (onderzoeks)ontheffingen met betrekking tot het uitrijden van mest zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem»?
In artikel 64, derde lid, van de Wet bodembescherming, is bepaald dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Technische Commissie Bodem gehoord, ontheffing of vrijstelling te verlenen van regels die handelingen betreffen die tot doel hebben om de bodem te bemesten dan wel door toevoeging van materiaal de structuur van de bodem te verbeteren; dit alles voor zover het belang van de bescherming van de bodem zich niet daartegen verzet. Noch in dit artikel, noch in artikel 7 van de Wet bodembescherming of in artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen, is bepaald dat het advies van de TCB zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem».
Is de veronderstelling juist dat advisering van de TCB inzake onderzoeksontheffingen op grond van artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen zich, gelet op de genoemde bepalingen in de Wet Bodembescherming, moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem» en dat de gevolgen van projecten voor ammoniakemissie en andere lucht gerelateerde factoren hier geen onderdeel van uit maken?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat de TCB in haar advies inzake de genoemde onderzoeksontheffing en in eerdere vergelijkbare adviezen2 in zou gaan op het aspect ammoniakemissie?
Ammoniak die vervluchtigt bij de aanwending van dierlijke mest slaat elders neer en heeft een bemestend en verzurend effect op water en bodem.
In natuurgebieden leidt dat tot een ongewenst verlies aan biodiversiteit.
Ik acht opmerkingen van de TCB over ammoniakemissie dan ook vallen binnen de taakopdracht zoals omschreven in artikel 2a van de Wet bodembescherming.
Is het uw voornemen om bij de besluitvorming inzake de genoemde onderzoeksontheffing het advies van de TCB alleen in overweging te nemen voor zover het betrekking heeft op het aspect bodembescherming?
De reacties die ik van de TCB desgevraagd ontvang, zijn ondersteunend voor een goede afweging tussen de belangen die de voorschriften van het Besluit gebruik meststoffen beogen te beschermen en de belangen die gediend zijn met een vrijstelling of ontheffing van die bepalingen, maar zijn niet bindend. In het uiteindelijke besluit dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en ik nemen, wegen de opvattingen van de TCB mee, maar wij maken onze eigen afweging. Wij zien dan ook geen aanleiding de toekomstige vraagstelling aan de TCB te verengen.
Is het uw voornemen om bij toekomstige adviesaanvragen bij de TCB nadrukkelijk aan te geven dat de advisering zich moet beperken tot het aspect bodembescherming (artikel 7, tweede lid, laatste gedachtestreepje, van het Besluit gebruik meststoffen)?
Zie antwoord vraag 6.
Een leningsverzoek van Curaçao ter grootte van 60 Miljoen Antilliaanse Guldens |
|
André Bosman (VVD), Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met een leningsverzoek van Curaçao ter grootte van 60 miljoen Antilliaanse Guldens?
Ja, dit verzoek dateert van 18 juli 2013.
Heeft u kennisgenomen van het advies van het College Financieel Toezicht (CFT) ten aanzien van deze lening?
Ja, dit advies dateert van 30 juli 2013.
Heeft u gecontroleerd of aan alle vereisten van de Rijkswet financieel toezicht is voldaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de uitkomst?
In de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten is vastgelegd dat het Cft de taak heeft om te toetsen of wordt voldaan aan de vereisten uit deze wet die gelden voor het toekennen van geldleningen. Het Cft heeft getoetst en geconcludeerd dat hieraan is voldaan bij het desbetreffende leningsverzoek.
Waarom schrijft Nederland, tegen de achtergrond van de halfjaarrapportage «juli 2013-december 2013» van het CFT, in op deze lening?
Op basis van artikel 16 van de Rijkswet financieel toezicht geldt dat Nederland een verplichte lopende inschrijving heeft op geldleningen aan Curaçao en Sint Maarten. Voorwaarde voor daadwerkelijke inschrijving is dat het Cft concludeert dat door Curaçao of Sint Maarten is voldaan aan de vereisten van de Rijkswet financieel toezicht. Het is Curaçao en Sint Maarten op basis van de Rijkswet niet toegestaan zonder positief advies van het Cft een geldlening aan te trekken.
Zowel de (meerjarige) begroting als een specifiek leningsverzoek van de landen wordt door het Cft getoetst aan de normen van artikel 15, lid 1, van de Rijkswet financieel toezicht. Het Cft beoordeelt of de (meerjarige) begrotingen binnen de afgesproken grenzen in evenwicht zijn (geen tekort op de gewone dienst en geen overschrijding van de rentelastnorm). Bij de beoordeling betrekt het Cft op grond van artikel 15, lid 2 onder andere of sprake is van een begroting welke voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid. Tevens beziet het Cft of er een uiteenzetting van de financiële toestand van het land aanwezig is (artikel 15, lid 3).
Het Cft heeft op basis van deze toets positief geadviseerd over het leningverzoek van Curaçao. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al heeft opgemerkt in het Algemeen Overleg van 24 april 2014, heeft Nederland alle vertrouwen in de onafhankelijke en zorgvuldige wijze waarop het Cft deze toets uitvoert.
Bij een positief advies van het Cft is Nederland conform artikel 16 van de Rijkswet financieel toezicht eraan gehouden om in te schrijven op de leningen aan Curaçao of Sint Maarten.
Deelt u de mening dat de risico’s als gevolg van gebrekkig financieel beheer op Curaçao (zie ook CFT jaarrapportage CFT juli 2013–december 2013) dusdanig zijn dat een lening niet gerechtvaardigd is onder artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat onder een uiteenzetting van de financiële toestand van het land ook de goedgekeurde jaaropgaven van de overheid-NV’s horen?
De financiële situatie van overheids-NV’s zal moeten worden meegenomen in de uiteenzetting van de financiële toestand van een land wanneer hieruit naar het oordeel van het land financiële risico’s voor de Landsbegroting voortvloeien.
Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer in de brief van 21 november 2012 (Tweede Kamer, 2012–2013, 31 568, nr. 123) heeft gemeld, zal het Cft in zijn oordeel of wordt voldaan aan de normen uit de Rijkswet steeds de relevante risico’s voor de begroting meenemen, dus ook die risico’s die voortvloeien uit de financiële situatie van Overheids-NV’s.
In hoeverre is het niet hebben van goedgekeurde jaarrekeningen een teken van het niet op orde hebben van het financieel beheer?
Het niet hebben van een goedgekeurde jaarrekening kan duiden op het niet op orde hebben van het financieel beheer. Het Cft beoordeelt in het kader van geldleningen alleen afspraken over de verbeteringen van het financieel beheer voor zover deze betrekking hebben op het aantrekken van leningen (Artikel 16 lid 5 Rft).
Hoewel Aruba niet onder de Rijkswet financieel toezicht valt, bent u het ermee eens dat ook Aruba moet voldoen aan transparantie van de inkomsten en uitgaven op de begroting voordat er sprake kan zijn van een lening waarop door Nederland wordt ingeschreven? Zo nee, waarom niet?
In het op 28 maart 2013 overeengekomen uitvoeringsprotocol tussen Nederland en Aruba staat onder meer dat «Nederland de mogelijkheden voor inschrijving op een openbare aanbieding van een obligatielening van het Land Aruba zal beoordelen aan de hand van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingscapaciteit». Tevens is afgesproken dit protocol nader uit te werken.
Inmiddels heeft Aruba aangegeven voorlopig af te zien van een verder beroep op dit akkoord. Van een inschrijving door Nederland op een lening aan Aruba is op dit moment dan ook geen sprake. Bovendien impliceert het protocol dat inschrijving door Nederland op een lening aan Aruba, alleen maar in overweging kan worden genomen nadat Aruba aantoonbaar voldoet aan de criteria voor houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingcapaciteit.
Het bericht dat experts alarm slaan over gevaarlijke bijwerkingen van antidepressiva |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Experts slaan alarm over effecten antidepressiva»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Experts slaan alarm over effecten antidepressiva». Daarin wordt gesteld dat antidepressiva alleen bij zware depressies en kortdurend moeten worden voorgeschreven, maar dat in de praktijk echter veel lichtvaardiger wordt voorgeschreven.
Het is aan de behandelende artsen om te beoordelen of aan de patiënt antidepressiva moeten worden voorgeschreven, en zo ja welke. Zie hiervoor uitgebreider mijn antwoord op vraag 3. Het aantal gebruikers van SSRI’s is de afgelopen tien jaar met 7% gestegen tot 601.337.
Klopt het dat SSRI-middelen veel vaker worden voorgeschreven dan nodig is? Zo ja, hoe gaat u dit terugdringen? Kunt u een overzicht geven van deze verstrekkingen in de afgelopen vijf jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe komt het dat deze zware antidepressiva ook worden voorgeschreven bij geringe depressies, liefdesverdriet of normale, bij het leven behorende stress? Hoe gaat u dit terugdringen?
Voorafgaand aan het starten van een behandeling bijvoorbeeld met antidepressiva dient een arts eerst een diagnose te stellen en dus zal hij of zij moeten beoordelen of sprake is van een psychische stoornis en de mate waarin deze aanwezig is. Het is vervolgens ter beoordeling van de behandeld arts of psychiater om bepaalde antidepressiva voor te schrijven of een andere niet-medicamenteuze interventie voor te stellen aan de patiënt. Daarbij is het aan de arts om – in afwijking van de situatie en omstandigheden, zoals beschreven in behandelrichtlijnen – zwaardere (of lichtere) antidepressiva voor te schrijven. De arts kan daarbij de omstandigheden van de patiënt of andere omstandigheden in de onderhavige situatie mee laten wegen in zijn keuze.
Wat is uw reactie op de onderzoeken die een verband aantonen tussen het gebruik van antidepressiva en extreme agressie en moordlust?
In mijn antwoord op de desbetreffende vragen 2, 3, 4, 5 en 9 van het lid Kuzu (vraagnummer 2014Z07811) ben ik hier reeds op ingegaan. Ik heb daarbij aangegeven dat het primair aan het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) is om onderzoeken te beoordelen en om aanvullende maatregelen te overwegen.
Deelt u de mening dat er een agressiewaarschuwing op de verpakking van SSRI-middelen moet komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het plan om een DNA-test in te voeren voor mensen die SSRI-middelen voorgeschreven krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Richtsnoeren voor de toepassing van de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de onlangs door de Europese Commissie uitgevaardigde richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging?1
Ja.
Deelt u de mening dat in de richtsnoeren wordt bepaald dat leeftijd alleen mag worden gebruikt om integratie te bevorderen en om gedwongen huwelijken te voorkomen en dat de minimumleeftijd alleen voor dit doel dient en niet als algemeen middel?2 Deelt u de mening dat de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangepast omdat Nederland aanvragen voor gezinshereniging waarbij een van de partners nog onder de 21 is, in eerste instantie automatisch afwijst?
Uw eerste vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Uw standpunt dat de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangepast deel ik niet. In het beleid wordt inderdaad een leeftijdsgrens van 21 jaar gehanteerd. Op dit moment is in het Nederlandse beleid afwijking van deze leeftijdseis mogelijk vanaf 15 jaar, indien het gezin al bestond voor komst van beide partners naar Nederland. Onder de 15 jaar nemen wij strijd aan met de openbare orde. Als gevolg van de Wet tegengaan huwelijksdwang3 zal de leeftijd van 15 jaar worden verhoogd naar 18 jaar.
Deelt u de mening dat de bepalingen uit de richtsnoeren dat lidstaten wel mogen verwachten van gezinsleden dat zij voldoen aan de integratievoorwaarden maar dat dit geen absolute voorwaarde mag zijn voor gezinshereniging3 moeten leiden tot aanpassing van de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn, dit omdat toekenning van verblijfsvergunningen door Nederland, uitzonderingen daargelaten, wel degelijk afhankelijk gesteld wordt van het behalen van de inburgeringstoets in het buitenland? Bent u daarom bereid om de voorbereidingen ter verzwaring van de inburgeringstoets in het buitenland onmiddellijk stop te zetten?
Deze punten zijn op dit moment onder de rechter. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de inburgeringseis als toelatingsvoorwaarde.5 Naar verwachting doet het Hof over maximaal anderhalf jaar een uitspraak. Tot die tijd zie ik geen aanleiding om het beleid hieromtrent te wijzigen.
Deelt u de mening dat de toepassing van de inkomenseis niet mag leiden tot het ondermijnen van het doel van de Richtlijn, namelijk het bevorderen van gezinshereniging?
Ik deel deze mening. De gezinsherenigingsrichtlijn legt de verplichting op aan lidstaten om een zorgvuldige afweging te maken. Wanneer twijfel bestaat over het al dan niet voldoen aan een van de voorwaarden, wordt de aanvraag niet onmiddellijk afgewezen. Er zal in het licht van de richtlijn, beoordeeld worden of er desondanks in het verblijf van de vreemdeling moet worden berust.
Acht u het Nederlandse duurzaamheidsvereiste, waarbij een verzoek wordt afgewezen als de referent met een tijdelijk contract niet kan bewijzen dat hij gedurende de drie jaar voorafgaand aan het verzoek om gezinshereniging elke maand heeft voldaan aan de inkomensnorm, in overeenstemming met de richtlijnen die stellen dat het hebben van een tijdelijk arbeidscontract niet automatisch mag leiden tot een afwijzing, maar dat alle relevante omstandigheden moeten worden beoordeeld? Zo ja, op welke wijze vindt de individuele toetsing plaats? Bent u bereid de vereiste individuele toetsing expliciet in de regelgeving vast te leggen en toe te passen?
Ik ben van mening dat in overeenstemming met de gezinsherenigingsrichtlijn wordt gehandeld. Naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Chakroun6 is artikel 3.75, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aangepast. Bij deze wijziging is de zinsnede «in ieder geval» aan deze bepaling toegevoegd. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat middelen van bestaan in bepaalde bijzondere gevallen ook kunnen worden aangemerkt als duurzaam of – in termen van de richtlijn – stabiel, indien zij korter dan een jaar beschikbaar zijn.
Hiermee wordt al gedoeld op een individuele belangenafweging, waarbij de genoemde periode van een jaar niet als absolute norm wordt gezien, maar dat eveneens gekeken moet worden naar het individuele geval. Het derde lid van artikel 3.75 Vb 2000 is bedoeld als uitzondering op de hoofdregel uit het eerste lid van artikel 3.75 Vb en is van toepassing op inkomsten uit flexibele arbeidsovereenkomsten, zoals bedoeld in de vraag.
Als voldaan wordt aan de «driejaarsperiode7» en de inkomsten uit arbeid zijn nog beschikbaar, wordt duurzaamheid van de inkomsten alsnog aangenomen. Het hebben van een tijdelijk arbeidscontract leidt derhalve niet automatisch tot een afwijzing van de aanvraag regulier voor bepaalde tijd. Ik acht de individuele beoordeling van het duurzaamheidsvereiste op grond van het vorenstaande voldoende geborgd.
Bent u bereid om uw beleid zodanig aan te passen dat de uitgangspunten dat de individuele belangenafweging bij elk besluit herkenbaar is, dat ongeacht aan welke voorwaarde niet is voldaan, de individuele afweging van belangen en omstandigheden herkenbaar in de beslissing terugkomt, en dat de belangen van het kind hierbij vooropstaan, waarbij de lidstaat de noodzaak in acht neemt dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders onderhoudt, expliciet in wet- en regelgeving worden opgenomen en in elke aanvraag worden toegepast?
Het is niet nodig het beleid aan te passen. In iedere zaak wordt op basis van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld of van de toelatingsvoorwaarden moet worden afgeweken als hier niet aan wordt voldaan. Daarnaast vindt altijd een belangenafweging plaats, waarin wordt beoordeeld of ondanks dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden aanleiding bestaat om verblijf te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. De belangen van het kind worden in deze afweging meegenomen. Als uiteindelijk geen aanleiding bestaat om verblijf te verlenen, dan wordt deze belangenafweging kenbaar gemaakt in de beschikking.
Kan ervan worden uitgegaan dat u de Nederlandse praktijk onverwijld aan de richtsnoeren zult aanpassen?
Nee, ik zal het beleid en de uitvoering niet onverwijld aanpassen. De Europese Commissie zal de richtsnoeren in juni a.s. toelichten. Daarna zal ik uw Kamer een algemene reactie over de richtsnoeren toesturen.
Wanneer kan de Kamer de aanpassingen van het beleid rondom gezinsmigratie tegemoetzien?
Zie antwoord vraag 7.
De bijwerkingen van antidepressiva (SSRI’s) |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek nodig naar agressiepil»?1
Ja.
Wat vindt u van de stelling dat «wetenschappelijk is aangetoond dat de bijwerkingen gebruikers tot zelfmoord, extreme agressie en ongekend geweld jegens anderen kunnen aanzetten»? Welke onderzoeken zijn gedaan naar bijwerkingen van SSRI’s? Welke resultaten laten deze onderzoeken zien?
Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) heeft mij laten weten dat de wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp bij hen bekend zijn. Het CBG heeft de volle aandacht voor de mogelijke relatie tussen het gebruik van deze geneesmiddelen en zelfmoord, extreme agressie en geweld jegens anderen.
Een belangrijke studie uit 2012 door Paul F. Bouvy & Marieke Liem («Antidepressants and lethal violence in the Netherlands 1994–2008»; Psychopharmacology 2012) toonde aan dat een toename van het voorschrijven van antidepressiva in Nederland tussen 1994 en 2008 gepaard was gegaan met een afname van het aantal doden door zelfmoord of moord. Deze studie wijst juist op een vermindering van agressie als bijwerking bij de behandeling met SSRI’s. Dit is een bevestiging van de conclusies in de studies van Walsh en Dinan (2001), George e.a. (2011), en Coccaro en Kavoussi (1997), die eveneens wijzen op vermindering van agressie en gewelddadig gedrag bij SSRI-behandelingen.
Andere publicaties suggereren dat sommige antidepressieve middelen bij sommige patiënten mogelijk een hoger risico kunnen geven, bijvoorbeeld bij het begin of bij het stoppen van de behandeling. Dit komt met name naar voren in de studie door David Healy e.a. (2006), maar ook in de studies van Moore e.a (2010) en Rouve e.a (2011).
Sinds wanneer worden de bijwerkingen agressie en suïcide genoemd in verband met het gebruik van SSRI’s?
De bijwerkingen agressie en zelfmoord worden genoemd in verband met het gebruik van SSRI’s sinds deze in de jaren »90 tot de markt zijn toegelaten. Daarom worden deze bijwerkingen ook voortdurend in de gaten gehouden. Het besluit om bepaalde bijwerkingen wel of niet op te nemen in de bijsluiter is gebaseerd op gegevens uit (pre)klinische studies, wetenschappelijke publicaties, periodieke rapportages van veiligheidsinformatie en op signalen van het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb. Zo is er na een Europese herbeoordeling in 2005 een waarschuwing voor kinderen opgenomen in de productinformatie van alle SSRI’s om te waarschuwen voor suïcidaal gedrag (zelfmoordpogingen en zelfmoordgedachten) en vijandigheid (voornamelijk agressie, oppositioneel gedrag en woede). Deze bijwerkingen werden in klinische studies vaker waargenomen bij kinderen en adolescenten die behandeld werden met SSRI’s, dan bij degenen die behandeld werden met placebo. Een dergelijk risico was niet gezien in de klinische studies bij volwassenen.
In 2007 is een beoordeling op Europees niveau afgerond over de bijwerking suïcide voor adolescenten en volwassenen. Dit heeft begin 2008 geleid tot een publicatie van een «waarschuwing voor de productinformatie voor alle SSRI’s». Het CBG heeft de handelsvergunninghouders opdracht gegeven dat deze waarschuwing opgenomen moet worden in de productinformatie voor alle SSRI’s en andere antidepressiva.
Het feit dat agressie als mogelijke bijwerking kan optreden bij het gebruik van bepaalde SSRI’s is dus bekend. In 2009 is een advies van Lareb over het in de bijsluiter opnemen van agressie bij het gebruik van SSRI’s door het CBG beoordeeld. De bijwerking agressie staat op dit moment als mogelijke bijwerking vermeld in alle bijsluiters van deze geneesmiddelen, voor een aantal SSRI’s alleen voor kinderen jonger dan 18 jaar. In de bijsluiters van citalopram, escitalopram, sertraline en venlafaxine staat agressie vermeld voor alle leeftijdscategorieën. Agressie staat niet als mogelijke bijwerking bij volwassenen ouder dan 18 jaar in de bijsluiters van alle SSRI’s, omdat hiervoor tot op heden onvoldoende onderbouwing was. Het CBG beoordeelt op dit moment de laatste aanbeveling van Lareb over het opnemen van deze bijwerking in de bijsluiter in de context van eerder genomen maatregelen en Europese discussies.
De periodieke rapportages van veiligheidsinformatie worden door vergunninghouders ingediend volgens een voor Europa vastgesteld schema. Dit schema is per stof vastgesteld via de zogenaamde «EU reference date list», en wordt gepubliceerd op de website van de EMA.
Afhankelijk van hoe lang een product op de markt is, worden deze veiligheidsrapportages periodiek geëvalueerd. Dit gebeurt meestal in Europees verband, waarbij gestart wordt met een halfjaarlijkse evaluatie wanneer een product net op de markt geïntroduceerd wordt. Wanneer geneesmiddelen langer op de markt zijn, en afhankelijk van de bevindingen, wordt deze periode verlengd naar 1 – 3 – 5 jaar of langer. In het algemeen volgen de SSRI’s, omdat ze al langere tijd op markt zijn, een schema waarbij elke 5 jaar een PSUR ingediend moeten worden. Mochten er echter tussentijds ernstige bijwerkingen optreden, dan wordt op dat moment direct actie ondernomen.
Waarom verzwijgen farmaceutische bedrijven de bijwerkingen in de bijsluiters, terwijl het Lareb aanbeveelt om agressie op te laten nemen in de bijsluiter?2
Zie antwoord vraag 3.
Welke actie heeft het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) ondernomen naar aanleiding van deze bijwerkingen van SSRI’s? Welke periodic safety update reports en/of wetenschappelijke artikelen zijn in de afgelopen jaren verschenen? In welke periodic safety updates werd melding gemaakt van deze bijwerkingen? Welke besluiten heeft het CBG naar aanleiding daarvan genomen? Wanneer?
Zie antwoord vraag 3.
Welke actie heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), sectie geneesmiddelenbewaking van de Inspectie Farmacie en Medische Technologie, ondernomen naar aanleiding van deze bijwerkingen van SSRI’s? Is ooit een melding van een kwaliteitsdefect van SSRI’s door een apotheker ingediend bij de IGZ? Waarom heeft de fabrikant geen melding ingediend? Wat is uw reactie daarop?
De IGZ onderneemt geen actie naar aanleiding van meldingen van bijwerkingen van geregistreerde geneesmiddelen; dit behoort in eerste instantie tot het werkterrein van het CBG. Kwaliteitsdefecten behoort een fabrikant wel te melden bij de IGZ, maar in dit geval is er geen sprake van een kwaliteitsdefect, maar van vermoedelijke bijwerkingen. De IGZ heeft tot op heden geen meldingen ontvangen over een kwaliteitsdefect van SSRI’s.
Zijn bij de Committee for Medicinal Products for Human Use (CHMP) of de Food and Drug Administration (FDA) ooit meldingen gedaan over deze bijwerkingen van SSRI’s? In hoeverre heeft het CBG van deze meldingen kennisgenomen?
De bijwerkingen van SSRI’s zijn steeds onder de aandacht van de CHMP, waarin ook Nederland is vertegenwoordigd. De meldingen van bijwerkingen worden voortdurend meegenomen in de afweging van de balans tussen werkzaamheid en risico’s van deze middelen. Voor een overzicht welke informatie besproken is, verwijs ik u naar de vermelde onderzoeken in het antwoord op vraag 3, 4 en5.
Kan de ontwikkeling van het aantal gebruikers van SSRI’s in de laatste tien jaar worden weergegeven?
In 2004 was het aantal gebruikers van een SSRI’s 562.722. In 2013 waren dat er 601.337; dit is een stijging van bijna 7% in de afgelopen tien jaar.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat er een simpele DNA-test beschikbaar is waarmee vast te stellen is of een persoon extra gevoelig is voor bijwerkingen van SSRI’s? Vindt u dat een dergelijke DNA-test verplicht gebruikt zou moeten worden alvorens een patiënt SSRI's voorgeschreven krijgt? Zo nee, waarom niet?
Het CBG heeft mij laten weten dat de gevoeligheid van patiënten voor (bijwerkingen van) geneesmiddelen waarmee zij behandeld worden onder andere afhangt van de snelheid waarmee het middel na toediening in het lichaam wordt afgebroken (gemetaboliseerd). Voordat geneesmiddelen op de Nederlandse markt worden toegelaten moet ofwel worden vastgesteld dat er niet te grote verschillen tussen mensen bestaan bij deze afbraak (de zgn. «therapeutische breedte), ofwel wordt de behandeling uitgevoerd onder controle van de bloedspiegel, zoals bij de klassieke antidepressiva gebruikelijk is.
Bij introductie van de SSRI’s op de Nederlandse markt werd het juist als één van de voordelen gezien dat verschillen in afbraak kleiner of minder belangrijk zijn, omdat de therapeutische breedte groter is dan bij de klassieke antidepressiva. Daardoor was het niet meer nodig de bloedspiegel te bepalen of, zoals nu in beeld is gekomen, via een genetische test het afbraaktempo te schatten.
Ten aanzien van het routinematig inzetten van een DNA test meldt het CBG dat hiervoor de wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt. Voor individuele patiënten kan dit mogelijk een oplossing bieden. Een DNA test verplichten is daarom op dit moment niet aan de orde.
In hoeverre is in de bestaande richtlijnen rekening gehouden met de bijwerkingen agressie en suïcide ten gevolge van het gebruik van SSRI’s?
In de bestaande richtlijnen wordt melding gemaakt van ernstige bijwerkingen, zij het dat de richtlijnen niet alle even expliciet of gedetailleerd zijn. Het meest uitgebreid op de bijwerking agressie/suïcidaliteit is GGZ-Richtlijn – MDR Diagnostiek en Behandeling van Suïcidaal Gedrag van 2012.
De inhoud en toepassing van behandelrichtlijnen en protocollen behoren tot de verantwoordelijkheid van de betreffende beroepsgroepen die deze richtlijnen en protocollen hebben opgesteld. De noodzaak voor het al dan niet aanpassen van deze protocollen en richtlijnen staat ter beoordeling aan deze beroepsgroepen, en is niet ter beoordeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Vindt u het nodig om de bestaande richtlijnen en protocollen aan te passen om het gebruik van deze middelen te laten dalen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht “Mogelijk 300 miljoen extra naar Brussel” |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet rekening houdt met nog meer afdrachten aan Brussel bovenop de 8 miljard euro die voor volgend jaar staat begroot?1
Allereerst merk ik op dat de EU-afdrachten voor 2015 in de Miljoenennota 2014 staan geraamd voor 7,2 miljard euro. Naar ik aanneem is in de 8 miljard, zoals vermeld in de vraag, geen rekening gehouden met de perceptiekostenvergoeding voor de douaneheffingen van 0,7 mld euro.
Zoals ik de Kamer eerder heb gemeld, heeft een gewijzigde omvang van het bruto nationaal inkomen (BNI) uit hoofde van de CBS-revisie gevolgen voor een deel van de EU-afdrachten (zie brief d.d. 6 maart 2014 over «Nadere informatie revisie CBS»). Deze gevolgen zijn op dit moment nog niet te kwantificeren aangezien de hoogte van de afdrachten op basis van het BNI samenhangt met de relatieve ontwikkeling ten opzichte van het BNI van andere lidstaten. In het najaar worden de gereviseerde cijfers van alle lidstaten bekend. Bij Voorjaarsnota zal ik de Kamer informeren over alle mee- en tegenvallers die zich bij de EU-afdrachten in het lopende begrotingsjaar voordoen ten opzichte van de Miljoenennota 2014. In de Miljoenennota 2015 zal ik ingaan op de mutaties die zich voordoen in het begrotingsjaar 2015.
Kunt u nog eens uitleggen waarom u 8 miljard euro aan Brussel doneert, in plaats van dat geld in eigen land te besteden aan bijvoorbeeld lastenverlichting voor burgers en bedrijven of het niet afbreken van de ouderenzorg?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de stukken die het kabinet ieder jaar op Prinsjesdag naar de Kamer stuurt. Hierin geeft het kabinet een overzicht van en een toelichting op alle rijksuitgaven, inclusief de afdrachten aan de Europese Unie.
Wilt u ervoor zorgen dat Nederland zo snel mogelijk de Europese Unie verlaat, zodat we weer baas worden over ons eigen land, ons eigen geld en onze eigen grenzen, of blijft u liever slaaf van de ongekozen bureaucraten van Brussel?
Nee, noch het één, noch het ander.
De positie van cluster 1 en 2 leerlingen |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief waarin ouders van cluster 1 en 2 leerlingen aangeven zich zorgen te maken over de ondersteuning van cluster 1 en 2 leerlingen in het reguliere onderwijs?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de brief.
Welke maatregelen gaat u nemen of heeft u al genomen om ervoor te zorgen dat leerlingen met zicht- en gehoorbeperkingen (TOS2 ondersteuning en begeleiding krijgen op een reguliere school?
Instelling cluster 1 en 2 krijgen met ingang van 1-8-2014 de wettelijke taak om leerlingen met een visuele, respectievelijk een auditieve of communicatieve beperking in het reguliere onderwijs te ondersteunen.
Voor deze begeleiding krijgen de instellingen het totale budget dat in de huidige situatie is verdeeld over het reguliere en het speciale onderwijs. Concreet betekent dit dat de instellingen voor cluster 1 ook de middelen ontvangen die nu omgaan in de regelingen visueel gehandicapten in het regulier onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). De instellingen in cluster 2 krijgen de volledige middelen voor leerlinggebonden financiering voor het primair en voortgezet onderwijs, zowel het deel dat in de huidige situatie naar het reguliere onderwijs gaat als de middelen voor de ambulante begeleiding.
Hoe gaat u de onafhankelijkheid waarborgen van de commissies van onderzoek binnen cluster 1 en 2 scholen die gaan beoordelen of een leerling binnen het speciaal onderwijs of binnen het reguliere onderwijs (met ambulante begeleiding en ondersteuning) les moet krijgen?
Om de onafhankelijkheid te waarborgen zijn de voorwaarden waaraan een commissie van onderzoek moet voldoen, wettelijk voorgeschreven. Zo moet de commissie naast de vertegenwoordiger van de instelling bestaan uit ten minste een academisch gevormd psycholoog of pedagoog, een maatschappelijk werker en een arts die vertrouwd is met het onderzoek van kinderen met een visuele, auditieve en/of communicatieve beperking. Hiermee is ook voldoende deskundigheid geborgd om te beoordelen of een kind gezien zijn handicap voor het onderwijs op de instelling in aanmerking komt, dan wel in aanmerking komt voor begeleiding door de instelling op een school in het primair of voortgezet onderwijs.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er uniforme voorwaarden worden gesteld door de commissies van onderzoek met betrekking tot het toelaten van leerlingen binnen cluster 1 en 2 scholen (speciaal onderwijs)? Op welke manier worden de voorwaarden voor het toelaten van leerlingen en de uitvoering van deze voorwaarden gecontroleerd en in de gaten gehouden?
Ik ga er niet voor zorgen dat er uniforme voorwaarden worden gesteld door de commissie van onderzoek. Met de invoering van passend onderwijs komen de wettelijk vastgelegde indicatiecriteria te vervallen en wordt deze verantwoordelijkheid bij de instellingen neergelegd. Wel zijn er vanuit cluster 1 en 2 handreikingen opgesteld onder andere over de procedure van toelaten. De instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op ondersteuning vanuit de instelling. Zij geeft ook een oordeel over de duur van de toelaatbaarheid en het begeleidingsaanbod. De komende jaren zal het aantal verwijzingen naar de instellingen cluster 1 en 2 en de ondersteuningsarrangementen in het regulier onderwijs worden gevolgd.
Welke mogelijkheden hebben ouders die het niet eens zijn met het oordeel van commissies van onderzoek?
Ouders van leerlingen cluster 1 en 2 worden vanaf het begin betrokken bij de invulling van het ondersteuningsarrangement voor hun kind. Trajectbegeleiding van ouders is ook één van de wettelijke taken van de instelling. Na overleg met ouders wordt door de commissie van onderzoek bepaald welk onderwijs en ondersteuningsaanbod aansluit bij de onderwijsbehoefte van hun kind. Ook vindt er regelmatig evaluatie van het ondersteuningsaanbod plaats.
Mocht er toch een verschil van opvatting ontstaan, dan staan voor ouders verschillende wegen open. Ouders kunnen bezwaar maken tegen een besluit over toelating of verwijdering van hun kind bij het bevoegd gezag van de instelling. Verder sluiten de instellingen cluster 1 en 2 aan bij de landelijke geschillencommissie passend onderwijs. Deze landelijke geschillencommissie oordeelt over een geschil tussen ouders en bevoegd gezag over (de weigering van) toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, de verwijdering van alle leerlingen en het ontwikkelingsperspectief. Bij de voordracht van de leden en/of bij relevante casuïstiek kan ook expertise vanuit cluster 1 en 2 worden betrokken, zoals is vermeld in de toelichting bij de amvb passend onderwijs.
Bij problemen rondom de schoolplaatsing van een leerling, kunnen ouders zich ook wenden tot de onderwijsconsulenten. Als er een geschil ontstaat tussen ouders en school over de invulling van de extra ondersteuning, dan kunnen ouders een beroep doen op de klachtenregeling van de school of op de Tijdelijke landelijke geschillencommissie. Van de procedures hebben de sectororganisaties en het ministerie een overzicht beschikbaar gesteld op: www.geschillenpassendonderwijs.nl.
Hoe wordt de medezeggenschap van ouders van leerlingen met ambulante begeleiding en ondersteuning vanuit cluster 1 en 2 geregeld? Op welke manier kunnen deze ouders meepraten over het beleid en de invulling van deze ondersteuning bij de instellingen voor cluster 1 en 2?
Ouders en in het voortgezet (speciaal) onderwijs ook leerlingen hebben inspraak op het beleid van de school waar de leerling ingeschreven staat. De medezeggenschap van ouders van leerlingen met begeleiding en ondersteuning loopt daarmee via de medezeggenschapsraad van de school en niet via de medezeggenschapsraad van de instelling van waaruit zij begeleiding ontvangen. Hetzelfde geldt voor leerlingen die op een reguliere school onderwijs volgen met begeleiding vanuit het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Ouders en leerlingen die een rechtstreekse band hebben met een school die verplicht is aangesloten bij een samenwerkingsverband passend onderwijs, kunnen afgevaardigd worden naar de ondersteuningsplanraad.
Hoe gaat u voorkomen dat ouders en leerlingen vanaf augustus 2014 de dupe worden van een financiële strijd tussen cluster 1 of 2 scholen en het reguliere onderwijs? Wat doet u als het regulier onderwijs stelt dat de school in staat is deze leerlingen goed onderwijs te geven maar cluster 1 en 2 de benodigde ondersteuning daarbij niet wil of kan bieden/bekostigen? Betekent dat voor de betreffende leerlingen dat ze dan aangewezen zijn op speciaal onderwijs?
Cluster 1 en 2 hebben een wettelijke plicht tot het ondersteunen van leerlingen met een visuele, auditieve en/of communicatieve stoornis in het regulier onderwijs. De commissie van onderzoek bepaalt welke ondersteuning een leerling in het regulier onderwijs nodig heeft. Het reguliere onderwijs heeft zorgplicht. Indien een reguliere school de ondersteuning onvoldoende vindt, kan de school de zorgplicht niet waarmaken en zal de school het gesprek met de instelling hierover aangaan. Indien dit niet tot een bevredigend resultaat leidt, kan de school aan de ouders melden dat de zorgplicht niet waargemaakt kan worden. De ouders kunnen zich dan wenden tot de geschillencommissie. Deze kan een oordeel uitspreken over de aangeboden ondersteuning.
Indien een leerling is aangewezen op een zwaarder arrangement, moet de commissie van onderzoek de leerling toelaatbaar verklaren tot het speciaal onderwijs. Pas dan kan de leerling worden ingeschreven bij een instelling cluster 1 of 2. Het is voor cluster 1 en 2 financieel niet voordeliger om een leerling naar het speciaal onderwijs te verwijzen dan de leerling ondersteuning te bieden op het regulier onderwijs.
Wat is de reden dat de bekostiging voor cluster 1 en 2 voor schooljaar 2014–2015 op basis van teldatum 1-10-2011 gaat plaatsvinden, terwijl samenwerkingsverbanden de bekostiging voor cluster 3 en 4 voor dit schooljaar ontvangen op basis van teldatum 1-10-2013?
Cluster 2 heeft er voor gekozen om aan te sluiten bij de landelijke systematiek van cluster 1 en niet bij de regionale aanpak zoals die geldt voor het regulier onderwijs en de clusters 3 en 4. De landelijke en regionale systematiek wijken op een aantal punten af, zoals de bekostiging. Dat betekent voor cluster 2 dat met ingang van 1-8-2014 zowel het reguliere deel van de leerlinggebonden financiering als het budget voor ambulante begeleiding naar de instellingen gaan. Cluster 2 gaat daarmee volledig over op de nieuwe bekostigingssystematiek, (normbekostiging, een vast ondersteuningsbudget en de teldatum 1-10-2011). Cluster 1 werkt al jaren met budgetbekostiging en kent geen leerlinggebonden financiering.
Bij de bekostiging van de samenwerkingsverbanden is gekozen voor een overgangsjaar, waarbij de middelen voor ambulante begeleiding cluster 3 en 4 nog niet naar de samenwerkingsverbanden gaan, maar bij de scholen van (voortgezet) speciaal onderwijs blijven. Hierdoor wordt er nog niet overgegaan op de nieuwe bekostigingssystematiek met normbekostiging en een vast ondersteuningsbudget en wordt de teldatum op 1-10-2013 nog gehanteerd. Per 1 augustus 2015 gaan ook de middelen voor ambulante begeleiding naar de samenwerkingsverbanden en gaat de nieuwe bekostigingssystematiek van start.
Indertijd is er met de stichting Siméa, die optreedt namens de besturen van cluster 2, gesproken over de mogelijkheid om ook voor cluster 2 een overgangsjaar te hanteren. Daar is toen van afgezien.
Kinderen van allochtone afkomst die nog steeds evenveel overgewicht hebben |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Minder dikke autochtone kinderen», waarin naast de lichte afname van het aantal te zware autochtone kinderen ook wordt gesteld dat allochtone kinderen nog steeds evenveel overgewicht hebben?1
Ja.
Bent u tevreden met de lichte afname van het aantal te zware kinderen van autochtone afkomst? Welke ambities heeft u nog op dit terrein?
Voor mijn beleid baseer ik me op gegevens van het CBS. De cijfers van 2013 heb ik nog niet ontvangen; deze verwacht ik medio dit jaar. Ik kan de meest recente ontwikkelingen vanuit het CBS nog niet afzetten tegen de cijfers waar het artikel zich op baseert (met als bron een onderzoek van GGD Haaglanden, TNO en het LUMC.) Uiteraard hoop ik dat de landelijke representatieve cijfers een positieve ontwikkeling laten zien.
Ik heb tijdens de startconferentie van het NPP Alles is Gezondheid aangegeven dat het de ambitie is om de trend bij overgewicht te verslaan. Op basis van de eerste berekeningen van het RIVM in het kader van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning, betekent dit voor overgewicht een daling in het aantal volwassenen met overgewicht (inclusief obesitas) ten opzichte van de huidige 48%. Voor de jeugd met overgewicht (inclusief obesitas) betekent dit een daling ten opzichte van de huidige 13,2%. Deze cijfers zijn afkomstig van het CBS, bronjaar 2012.
Hoe duidt u dat kinderen van allochtone afkomst nog steeds evenveel kampen met overgewicht en dat de licht dalende trend bij autochtone kinderen door hen niet wordt gevolgd?
Zoals aangegeven bij antwoord 2, kan ik nog niet op basis van de CBS cijfers duiden of er landelijk gezien een dalende trend is bij kinderen. We weten dat preventie en zo ook de aanpak van overgewicht een kwestie van lange adem is. Het vraagt bovendien goede aansluiting bij leefwereld van mensen. Begrip van hun waarden, cultuur en motivatie is daarbij essentieel. Op basis van onderzoek weten we dat niet alle leefstijl- en overgewichtinterventies evengoed aansluiten bij diverse doelgroepen en dat maatwerk via bijvoorbeeld de gemeente of wijk en de professional nodig zijn. Sinds de landelijke nota Gezondheid Dichtbij2 is daarom onder andere sterker ingezet op het bereiken van mensen via de wijk. Voorbeelden hiervan zijn het programma Sport en Bewegen in de buurt (met o.a. buurtsportcoaches, de Sportimpuls), ZonMw Programma Gezonde Slagkracht en de JOGG-aanpak van het Convenant Gezond Gewicht.
Welke bewezen effectieve aanpakken voor het reduceren van overgewicht bij allochtone kinderen zijn er in Nederland? Zijn deze aanpakken ook effectief bij niet-Westerse allochtonen? Bent u van mening dat er voldoende aanpakken zijn om te dikke allochtone kinderen te helpen of vindt u dat er snel nieuwe aanpakken ontwikkeld moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Vanuit de beleidsinzet met motto «gezondheid dichtbij» is vanuit landelijk overgewichtbeleid stevig ingezet op Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) van het Convenant Gezond Gewicht. JOGG is een gefundeerde methode om overgewicht lokaal aan te pakken en heeft in verschillende landen al goede resultaten laten zien. Via de gemeente worden wijken en gezinnen bereikt waarbij de problematiek het grootst is. Dit zijn zowel autochtone als allochtone kinderen en hun ouders. De JOGG-aanpak maakt expliciet gebruik van social marketing principes en zorgt voor aansluiting bij leefwereld, motivatie en taal van de lokale doelgroep. Zo kent het stimuleren van water drinken andere argumenten en acties voor ouders en kinderen met een niet-Westerse achtergrond. Dit wordt bewust toegepast in de JOGG-activiteiten en weet op deze wijze de doelgroep te bereiken en te motiveren. Inmiddels zijn in diverse JOGG-gemeenten resultaten behaald en zien we daar het overgewicht dalen en het eet- en beweeggedrag bij de doelgroep significant verbeteren. Ik heb u hier onlangs over geïnformeerd via mijn brief van d.d. 7 april 2014.3
Naast de JOGG-methode zijn er diverse andere interventies beschikbaar met verschillende niveaus van erkenning. Deze zijn vindbaar in de database van het RIVM Centrum Gezond Leven. Voorbeeld hiervan is de Gezond Gewicht Overvecht. Het is aan gemeenten, scholen en professionals om uit het aanbod een keuze te maken voor een optimale aansluiting bij de beoogde doelgroep en lokale setting.
Naast goede en bruikbare interventies, is informatievoorziening ook van belang. Ook dit dient aan te sluiten bij de leefwereld en behoeften van mensen. Ik heb het Voedingscentrum gevraagd te onderzoeken of en hoe bepaalde basisinformatie vanaf 2015 in verschillende talen aangeboden kan worden. Professionals hebben aangegeven hier ook behoefte aan te hebben ter ondersteuning van hun werk.
De Richtlijnen Goede Voeding worden momenteel geëvalueerd door de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad stelt de richtlijnen op basis van de laatste stand van de wetenschap op. Het Voedingscentrum past vervolgens haar voorlichting aan op de nieuwste Richtlijnen. Bij deze vertaling wordt gekeken hoe de voorlichting, de Schijf van Vijf en ook diverse online tools (apps), afgestemd kunnen worden op verschillende voedingpatronen en voedingsgewoonten. Het doel is om consumenten, zowel allochtoon als autochtoon, zo goed mogelijk te helpen bij het maken van een gezonde keuze. De herziene Richtlijnen en de nieuwe Schijf van Vijf verwacht ik in de tweede helft van 2015.
Welke aanpakken zijn de laatste vijf jaar ingezet om overgewicht bij kinderen terug te dringen en welke van deze aanpakken zijn bewezen effectief bij te dikke allochtone kinderen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de zorgen dat het bericht erop lijkt te wijzen dat sociaaleconomische gezondheidsverschillen niet afnemen, maar juist toenemen? Hoe duidt u deze ontwikkelingen in het licht van het Nationaal Programma Preventie, waarin het aanpakken van sociaaleconomische gezondheidsverschillen een expliciete doelstelling is?
Ik deel de zorgen over de ontwikkeling van de sociaaleconomische verschillen in Nederland. Deze zijn al 10 jaar onveranderd groot: 7,3 jaar bij mannen en 6,4 jaar bij vrouwen (Nationaal kompas Volksgezondheid, RIVM). Dit is de reden waarom wij hieraan expliciet aandacht besteden in het Nationaal Programma Preventie. Als langjarig doel ten aanzien van gezondheidsachterstanden hebben wij de ambitie om de verschillen tussen groepen inwoners in 2030 gelijk of kleiner te laten zijn dan de verschillen van dit moment. Stabilisatie op het huidig niveau klinkt mogelijk niet erg ambitieus, maar is gezien de te verwachten ontwikkelingen van de determinanten en de internationale positie van Nederland een grote stap. Vanuit het Nationaal Programma Preventie werken we met verschillende activiteiten en vanuit diverse domeinen aan het realiseren van de genoemde ambities. Gezondheidsverschillen hangen samen met een complex aan factoren. Dit vergt een meerjarige, duurzame, integrale aanpak waarin ook relevante verschillen in culturele achtergronden een rol kunnen spelen.
Een van de instrumenten die we inzetten om deze doelstellingen te bereiken is het stimuleringsprogramma voor de lokale aanpak van gezondheidsachterstanden (GIDS). Voor de zomer van 2014 wordt een landelijk stimuleringsprogramma gestart ter bevordering van een lokale, integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Hiervoor is € 11 miljoen per jaar voor de komende 4 jaar beschikbaar (zogenoemde GIDS – Gezond in de Stad- gelden). Gemeenten kiezen op basis van de lokale context en aanwezige problematiek voor hun eigen aanpak en prioriteiten, zoals bijvoorbeeld het bestrijden van overgewicht.
Het doel van het stimuleringsprogramma is om de gezondheid van bewoners in de wijken met de grootste sociale achterstanden te verbeteren. Bijna 100 gemeenten worden actief benaderd voor dit stimuleringsprogramma. Deze gemeenten krijgen op maat ondersteuning bij het aanpakken van gezondheidsachterstanden. Door gemeenten op maat te ondersteunen, goede voorbeelden te verspreiden, in te zetten op het ontwikkelen en verspreiden van effectieve interventies en het ontsluiten van de benodigde kennis te stimuleren, zal dit landelijke stimuleringsprogramma een bijdrage leveren aan de lokale aanpak van gezondheidsverschillen.
Bent u van plan met het Nationaal Programma Preventie extra aandacht te geven aan het helpen van allochtone kinderen die met overgewicht kampen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit het Nationaal Programma Preventie is er zowel aandacht voor kinderen, de aanpak van overgewicht als het bestrijden van de sociaal economische gezondheidsverschillen. Dit gebeurt aan de hand van de afgesproken acties waar de rijksoverheid soms wel en soms niet partij bij is. De activiteiten van JOGG, de GIDS gelden, de inzet op gezonde schoolkantines, de inzet via het programma Sport en Bewegen in de Buurt zijn bijvoorbeeld allemaal onderdelen die vanuit o.a. het Ministerie van VWS verbonden zijn aan het Nationaal Programma Preventie. Dit staat nog los van de activiteiten van partners in het veld.