Het bericht dat ambtenaren gegevens van bekende Nederlanders bekijken |
|
Paul Ulenbelt (SP), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat medewerkers van gemeenten en sociale diensten snuffelen in de gegevens van bekende Nederlanders?1
Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat overheidsorganisaties zoals gemeenten zorgvuldig met de voor hen toegankelijke gegevens omgaan. Ik vind het niet acceptabel dat medewerkers van gemeenten en sociale diensten zonder enige noodzaak gegevens van bekende Nederlanders raadplegen.
Is bekend of er ook onnodig wordt gekeken in de gegevens van andere (niet bekende) Nederlanders?
De Inspectie SZW heeft niet onderzocht of er ook wordt gekeken in de gegevens van andere (niet bekende) Nederlanders.
Vindt u het wenselijk dat zelfs stagiairs onbeperkt toegang hebben tot de privégegevens die in Suwinet staan?
Ik vind het niet acceptabel dat een medewerker, zoals een stagiair, zonder enige noodzaak via Suwinet gegevens van burgers raadpleegt. Gemeenten dienen zorgvuldig om te gaan met de gegevens die burgers aan hen toevertrouwen. Dit betekent dat een gemeente een medewerker alleen toegang mag geven tot gegevens die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn wettelijke taak.
In november 2013 heeft u maatregelen aangekondigd; welke stappen zijn er de afgelopen maanden gezet door het kabinet, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het College bescherming persoonsgegevens (CBP)?
De VNG heeft naar aanleiding van het onderzoek van de Inspectie SZW een uitgebreid pakket aan maatregelen in gang gezet om te komen tot een verantwoord gemeentelijk gebruik van Suwinet.
Het verbetertraject gegevensuitwisseling Suwinet is tweeledig:
Een aanpak die voorziet in een generiek kader voor informatieveiligheid in het algemeen. Dit traject is gebaseerd op de resolutie informatieveiligheid randvoorwaarde voor de professionele gemeenten.
Een specifiek traject gericht op de korte termijn verbetering voor het terrein werk en inkomen.
Het specifieke traject is erop gericht gemeenten bewust te maken van het belang van informatiebeveiliging via het organiseren van voorlichtingssessies, het uitgeven van publicaties2 en het versturen van ledenbrieven. De VNG faciliteert gemeenten in het doen van een zelfanalyse zodat helder is waar de verbeterpunten liggen. Met deze zelftest kan elke gemeente in kaart brengen of inzage in Suwinet op maat wordt aangeboden aan de medewerkers, of er goed op gebruik van Suwinet wordt toegezien en hoe de waarborgen daartoe organisatorisch zijn ingebed. Daarmee ziet de gemeente vervolgens aan welke van de zeven door de Inspectie SZW onderzochte normen zij wel of niet voldoet. De einduitkomst biedt richting voor het lokale verbeterpad bij een gemeente. Tot slot worden er tools voor gemeenten ontwikkeld, zoals beleidsplannen en een model autorisatiematrix.
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) is door mij geïnformeerd en volgt nauwlettend de ontwikkelingen van de beveiliging van Suwinet door gemeenten. Het CBP heeft een eigen verantwoordelijkheid en kan middels dwangsommen naleving bij gemeenten afdwingen.
In november 2013 heb ik een ronde tafel informatiebeveiliging geëntameerd met het CBP, de VNG en het UWV. Deze tafel zal in juli 2014 weer bijeenkomen.
Op 19 december 2013 heb ik een brief gestuurd aan alle colleges van B&W en gemeenteraadsleden waarin ik hen oproep om de beveiliging van het gebruik van Suwinet op orde te brengen. Ook in de verzamelbrief van december 2013 en april 2014 heb ik gemeenten gewezen op hun verantwoordelijkheid voor het op orde brengen van de beveiliging van het gebruik van Suwinet. Nu bijna alle nieuwe colleges van B&W zijn geïnstalleerd zal ik hen en de nieuwe gemeenteraadsleden eveneens wijzen op het belang van de beveiliging van het gebruik Suwinet en de noodzaak om maatregelen te treffen.
Met mijn collega Plasterk en de VNG ben ik in gesprek om nadere afspraken te maken over een gemeentebrede verantwoording op het terrein van informatiebeveiliging. Tot slot zal de Inspectie SZW in het najaar van 2014 starten met een vervolgonderzoek naar de beveiliging van Suwinet door gemeenten.
Wat is de uitkomst van het onderzoek naar een escalatieprotocol voor tijdelijke opschorting van het leveren van gegevens aan gemeenten?
Onderzoek naar een escalatieprotocol heeft uitgewezen dat dit begin 2015 in werking kan treden. Overheidsinstanties die gebruik maken van Suwinet, waaronder gemeenten, kan dan de toegang tot Suwinet worden ontzegd. Dit is een uiterste maatregel omdat afsluiting betekent dat gemeenten voor hun werkzaamheden informatie aan klanten moeten gaan vragen.
Hoe kan het dat, ondanks aangekondigde maatregelen, het vaak nog steeds erg eenvoudig voor ambtenaren is om privégegevens van burgers te bekijken?
Het onderzoek van de Inspectie SZW, waarop het artikel van het AD is gebaseerd, is uitgevoerd in 2012. Inmiddels zijn er door de VNG en gemeenten verbetermaatregelen getroffen. Voor de verbetermaatregelen verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat slechts 4% van de gemeenten voldoet aan de essentiële normen voor databescherming met Suwinet?
Deze mening deel ik.
Welke (aanvullende) maatregelen gaat u nemen om er voor zorgen dat alle gemeenten op een verantwoorde manier omgaan met de privacy van hun burgers?
Naar aanleiding van de bevingen van de Inspectie SZW ben ik met de Suwi-partijen aan het bekijken welke aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden. Waar nodig worden de beveiligingseisen van Suwinet geactualiseerd en verhoogd. Ook voor het verminderen dan wel wegnemen van misbruik en/of onbedoeld gebruik van Suwinet door professionals in de uitvoering worden maatregelen getroffen. Uitgangspunt hierbij is dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot niet meer gegevens dan strikt noodzakelijk voor de uitvoering van de aan hen toebedeelde taken. Onderdeel hiervan is dat ik de beheerder van Suwinet verzocht heb om het aantal zoeksleutels te beperken en alleen bij uitzondering het mogelijk te maken dat een andere zoeksleutel dan het BSN wordt gebruikt.
Deze maatregelen ondersteunen gemeenten en andere partijen die gebruik maken van gegevens die via Suwinet worden ontsloten om op een verantwoorde wijze om te gaan met privacy van burgers.
Maatschappelijk, overheidsbreed en in de sociale zekerheid als onderdeel daarvan, nemen het belang en de afhankelijkheid van informatie, gegevensstromen en technologie toe. Ik heb opdracht gegeven om te onderzoeken hoe op basis van onder andere technologische mogelijkheden een toekomstbestendige en beheersbare gegevensuitwisseling via Suwinet kan worden gerealiseerd met daarbij meer adequate mogelijkheden voor het beschermen van persoonsgegevens.
Marokkanen en uitkeringsfraude |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Aan hoeveel personen wordt er een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) verstrekt en hoe ziet de indeling naar het land van oorsprong eruit?1
In hoeveel gevallen is er een toetsing op buitenlands vermogen overwogen en in hoeveel gevallen is deze toetsing daadwerkelijk uitgevoerd?
De SVB verleent sinds 2010 algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). In 2010 t/m 2012 ontvingen 500 aselect gekozen huishoudens een controleformulier van de SVB. De sociaal rechercheurs van de SVB selecteerden op basis van de ingevulde formulieren ieder jaar 100 huishoudens voor nadere controle middels huisbezoek. In respectievelijk 17 (2010), 23 (2011) en 69 (2012) gevallen leidde het huisbezoek tot een onderzoek in het geboorteland naar vermogen. De onderzoeken in het geboorteland leidden tot de vaststelling van verzwegen vermogen in respectievelijk 2, 11 (waarvan 3 onder de vrijlatingsgrens voor vermogen) en 28 (4 onder de vrijlatingsgrens) gevallen. In een aantal gevallen is het onderzoek nog gaande.
Mede op grond van deze resultaten heeft de SVB in 2012 besloten om alle AIO-huishoudens in een periode van 6 jaar integraal te controleren middels een vragenformulier. In 2013 heeft de SVB het vragenformulier verzonden aan circa 7.500 AIO-huishoudens. In circa 500 gevallen gaven de ingevulde formulieren aanleiding tot nader onderzoek. In 357 gevallen is het onderzoek overgedragen aan de attachés voor Sociale Zaken van de SVB in de diverse landen. In 20 gevallen is ondertussen verzwegen vermogen vastgesteld. De meeste onderzoeken lopen op dit moment nog.
In 2014 zijn wederom vragenformulieren verzonden aan ca. 7.500 AIO-huishoudens.
Naast deze algemene controles worden in het buitenland ook gerichte onderzoeken ingesteld naar aanleiding van concrete signalen, zoals langdurig verblijf in het buitenland, tips en eigen verklaringen.
In hoeveel gevallen kon die toetsing niet worden uitgevoerd omdat het land van herkomst geen medewerking verleende?
In hoeveel van die gevallen bleek er in het land van herkomst een dusdanig vermogen aanwezig dat er sprake was van een onrechtmatige verstrekking van de AIO?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier wordt getoetst of de door het land van oorsprong verstrekte gegevens feitelijk juist zijn?
In welk percentage van de gevallen wordt er daadwerkelijk tot sancties overgegaan, aangezien u in de beantwoording spreekt over «mogelijkheden» en het feit dat niet meewerken «consequenties kan hebben», wat een hoge mate van discretionaire bevoegdheden suggereert?
Bij overtreding van de inlichtingenplicht, bijvoorbeeld bij verzwegen vermogen, legt de SVB een boete op. De hoogte van de boete is afhankelijk van het benadelingsbedrag. Bij een verminderde verwijtbaarheid kan de SVB de boete matigen. Indien het benadelingsbedrag meer is dan € 50.000 wordt strafrechtelijke vervolging ingesteld.
Als een AIO-gerechtigde niet meewerkt aan onderzoek door het niet retourneren van een vragenformulier of het niet leveren van nadere gegevens op verzoek, wordt de AIO-aanvulling opgeschort. Er wordt dan niet meer betaald. De betrokkene wordt daarover geïnformeerd en krijgt de gelegenheid om alsnog te voldoen aan het verzoek van de SVB en/of bezwaar aan te tekenen. Blijft de betrokkene niet meewerken, dan wordt de AIO beëindigd.
De SVB doet dit op basis van de geldende wet- en regelgeving.
Daarnaast wordt in alle gevallen, waarbij wordt vastgesteld dat een AIO-klant op enig moment beschikte over een dusdanig vermogen dat er sprake was van een onrechtmatige verstrekking van de AIO, of dat de verstrekking om een andere reden onrechtmatig is geweest, de aanvullende inkomensvoorziening ingetrokken en de onrechtmatig verstrekte AIO-aanvulling teruggevorderd.
Deelt u de mening dat deze handelswijze als discriminatoir te beschouwen valt met betrekking tot autochtone Nederlanders en is de rechtvaardigingsgrond aangaande eventuele ongelijke behandeling gelegen in doelmatigheidsoverwegingen? Zo neen, waarom niet?
De SVB sanctioneert met inachtneming van de wet en zonder het maken van enig onderscheid.
Het bericht dat het mestbeleid een koude douche voor boeren is |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «mestbeleid koude douche voor boer en LTO»?1
Ja.
Kunt u uw appreciatie geven over het gestelde in het artikel «het kabinet staat vaak met de rug naar het bedrijfsleven en presenteert voorstellen die in de praktijk niet blijken te werken»?
Ik herken mij niet in dat beeld. Er vindt, over tal van onderwerpen, iedere dag overleg plaats tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en medewerkers van het ministerie. Zo heeft over het vijfde actieprogramma veelvuldig overleg met de sector plaatsgevonden. Zelf ontvang ik vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zeer regelmatig voor bestuurlijk overleg en leg ik werkbezoeken af om rechtstreeks kennis te nemen van de praktijk.
Het artikel stelt dat «bijna alle inzet van LTO [bleek] van tafel geveegd»; herkent u zich hierin? Zo nee, waarom niet?
De maatregelen waar naar gevraagd wordt, hebben betrekking op het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn. Over het maatregelenpakket dat Nederland voor het vijfde actieprogramma aan de Europese Commissie heeft voorgesteld, heb ik uw Kamer op 10 september 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 74). In die brief heb ik uw Kamer aangegeven dat over zowel de keuze als de invulling van de maatregelen overleg is gevoerd met LTO en andere sectorvertegenwoordigers en dat dat heeft geleid tot overeenstemming over een aantal, maar niet over alle maatregelen die in het actieprogramma zijn opgenomen. Mede op verzoek van de sector zijn de grootschalige proef voor bedrijfsspecifieke evenwichtsbemesting op basis van de kringloopwijzer, de opbrengstafhankelijke stikstof-totaalgebruiksnorm voor graan op klei, de permanente regeling voor bestrijding van stuifschade, de calamiteitenregeling (herstel schade aan graszode, herstelbemesting) opgenomen en is geen uiterste datum voor de inzaai van het verplichte vanggewas na de teelt van maïs opgenomen.
In het vierde actieprogramma heeft Nederland toegezegd per 2015 beleid te implementeren waarmee ook in de zuidelijke zand- en lössregio’s de nitraatdoelstelling in het grondwater kan worden gerealiseerd en in 2015 gemiddeld een niveau van fosfaatevenwichtsbemesting te realiseren. Bij de keuze voor en de invulling van maatregelen voor het vijfde actieprogramma is steeds getoetst of deze toezeggingen worden nagekomen.
In het vijfde actieprogramma zijn zowel maatregelen opgenomen die beperkend zijn voor ondernemers, als maatregelen die hen meer ruimte geven. Voorstellen voor maatregelen, zoals van LTO, zijn in het vijfde actieprogramma opgenomen als daarvoor een wetenschappelijke onderbouwing beschikbaar was waarmee kon worden aangetoond dat de nitraatdoelstelling, namelijk 50 milligram per liter grondwater, op termijn kan worden gerealiseerd.
Mijn inzet voor het vijfde actieprogramma is door uw Kamer behandeld in het Algemeen Overleg Landbouwraad van 18 september 2013.
Kan de Staatssecretaris van Economische Zaken onderbouwd aangeven per afzonderlijk voorstel (toepassen vaste mestkorrels, champost, uitrijdenvast fracties, vanggewassen en meer graslandvernieuwing) genoemd in het artikel, waarom deze voorstellen en prioriteiten niet zijn gehonoreerd?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het systeem van equivalente maatregelen voor een opbrengstafhankelijke norm voor stikstof en fosfaat?
In het vijfde actieprogramma wordt de aanpak van equivalente maatregelen geïntroduceerd. In overleg met het bedrijfsleven wordt een regeling uitgewerkt, die op 1 januari 2015 van kracht moet worden, op basis waarvan bedrijfs- en gebiedsgerichte initiatieven onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor ontheffing van de generieke stikfstof- en/of fosfaatgebruiksnormen. In dit kader zal de kringloopwijzer voor de melkveehouderij gebruikt worden voor een grootschalige praktijkproef met bedrijfsspecifieke fosfaatevenwichtsbemesting.
Het vijfde actieprogramma voorziet ook in een opbrengstafhankelijke stikstofnorm voor graan op klei. Daarvoor wordt een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) voorbereid. Deze treedt naar verwachting nog deze zomer met terugwerkende kracht voor het jaar 2014 in werking.
In haar beantwoording2 verwijst de Staatssecretaris van Economische Zaken naar het op 4 oktober 2011 gesloten «Ketenakkoord fosfaatkringlopen»; kan de Staatssecretaris per ambitie, genoemd in het ketenakkoord, aangeven wat de stand van zaken is?
Het Ketenakkoord Fosfaat is een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen uit bedrijfsleven, wetenschap, overheid en maatschappelijke instellingen met als doel om een (Europese) markt te creëren voor gerecycled fosfaat. De laatste gedetailleerde voortgangsrapportage van het ketenakkoord Fosfaat is op 5 maart 2013 naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 852, nr. 14). Een volgende voortgangsrapportage wordt eind 2014 opgeleverd door het Nutriëntenplatform, waarin de partijen zich hebben verenigd. De voortgang is ook te volgen via www.nutrientenplatform.nl.
Ik kan u melden dat in Nederland het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zal worden aangepast om een nieuwe categorie meststoffen, de hernieuwbare fosfaten, toe te voegen. Ook op Europees niveau is veel aandacht voor dit onderwerp. Zo is in Europa in maart 2013 een Conferentie over fosfaat gehouden en is het European Sustainable Phosphorus Platform (ESPP) opgericht waarbij de Europese Commissie waarnemer is. Fosfaat is inmiddels door de Europese Commissie aangewezen als kritisch materiaal in het kader van de Raw Materials Initiative en op 5 en 6 maart 2015 wordt een volgende ESPC-bijeenkomst plaats in Berlijn. Ook in Duitsland, België en Frankrijk worden dergelijke publiek-private netwerken opgericht om het hergebruik van nutriënten te promoten. De Europese Commissie volgt deze ontwikkelingen en zal binnenkort in haar reactie op de consultatieve mededeling over fosfaat aangeven welke stappen er op Europees niveau genomen moeten worden om een duurzame markt voor recycled fosfaat te creëren.
In haar beantwoording stelt de Staatssecretaris van Economische Zaken «Het is niet gebruikelijk om tijdens de gesprekken of na afloop ervan mededelingen te doen of correspondentie openbaar te maken»; het is niet gebruikelijk, maar kan daaruit afgeleid worden dat het wel kan? Is het kabinet bereid afschriften van interne (zoals verslagen, mails etc.) en externe (zoals correspondentie met en van de Europese commissie) documenten met betrekking tot onderhandelingen over het vijfde actieprogramma en de derogatie aan de Kamer beschikbaar te stellen?
In het Algemeen Overleg over de Landbouwraad dat ik voerde met uw Kamer op 14 mei jl. heb ik aangegeven geen mededelingen te doen over de inzet van de Europese Commissie in het gesprek over de derogatie. Over de uitkomsten van de onderhandelingen heb ik met uw Kamer gedebatteerd. Ik heb ook gezegd dat het maar zeer de vraag is of openbaarheid van de onderhandelingen voor Nederland in een volgende situatie per saldo een gunstiger effect zouden hebben. Ik zal geen documenten ter beschikking stellen die betrekking hebben op het verloop van de onderhandeling met de Europese Commissie.
Kan de Minister van Buitenlandse Zaken aangeven welke betrokkenheid zijn ministerie en de Nederlandse vertegenwoordiging in Brussel hebben gehad bij de onderhandelingen met het Nitraat comité en de Commissie over het vijfde Actieprogramma en de derogatie?
De departementen van Buitenlandse Zaken, van Infrastructuur en Milieu en mijn departement zijn betrokken geweest bij de voorbereiding van de onderhandelingen met de Europese Commissie. Mijn departement heeft voortouw gehad in de feitelijke onderhandelingen.
Het is noch doenlijk, noch gebruikelijk dat te specificeren op het gevraagde niveau. Als Staatssecretaris draag ik verantwoordelijkheid voor de Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen en daarover heb ik reeds gedebatteerd met uw Kamer in het eerder genoemde Algemeen Overleg van 14 mei jl. over de Landbouwraad.
Kan de Staatssecretaris van infrastructuur en Milieu aangeven welke betrokkenheid het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft gehad bij de onderhandelingen met het Nitraat Comité en de Commissie over het vijfde Actieprogramma en de derogatie?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven hoeveel personen, met welke functie en van welk departement betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen over het vijfde Actieprogramma en de derogatie?
Zie antwoord vraag 8.
In haar beantwoording geeft de Staatssecretaris van Economische Zaken geen antwoord op de vraag hoe zij de uitspraak beoordeelt dat het er naar uitziet dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over het verbod op fosfaatkunstmest bij derogatie en dat er strengere monitoring moet gaan plaats vinden; waarom heeft zij deze vraag niet beantwoord en is zij bereid deze herhaalde vraag nu wel te beantwoorden?
In mijn brief van 2 mei jl. en tijdens het debat daarover op 14 mei jl. heb ik uiteengezet dat in de eindfase van de onderhandeling over de derogatie de communicatie gericht is geweest op de hoofd- en knelpunten van het vinden van een oplossing daarvoor en dat het verbod op gebruik van fosfaat uit kunstmest als technisch punt is beschouwd. Ik heb toegelicht waarom de in vraag 11 genoemde punten tot dan toe onderbelicht zijn gebleven en waarom niet alle beschikbare informatie direct aan uw Kamer en de sector gemeld is.
Zoals eerder door mij gezegd, had de communicatie derhalve beter gekund. Voorts is de sector materieel niet benadeeld, omdat er een overgangsvoorziening is getroffen voor ondernemers die niet op de extra voorwaarden hadden gerekend en al verplichtingen waren aangegaan die niet zonder financiële consequenties waren terug te draaien.
In haar beantwoording stelt de Staatssecretaris van Economische Zaken vast dat de communicatie beter had gekund; is zij bereid om haar excuses aan te bieden aan de Kamer en de agrarische sector, omdat de voorwaarde, om gebruik van fosfaat uit kunstmest op derogatie niet langer toe te staan aan bedrijven pas achteraf in de uitvoeringsvoorschriften aan de Kamer en de agrarische sector is gemeld?
Zie antwoord vraag 11.
De instructietaal in het onderwijs op Sint Eustatius |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «English to replace Dutch as language of instruction»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over de taalbarrière voor Sabaanse studenten?2
Ik ken het bericht waar u naar verwijst en herinner mij de eerdere antwoorden over de taalbarrière voor Sabaanse studenten.
Wat zijn de «preliminary findings of an academic study» waarover het artikel spreekt? Betreft deze studie het «haalbaarheidsonderzoek naar de mogelijke opties voor het instructietaalregime op Sint Eustatius»?3 Zo nee, wie was de opdrachtgever voor deze studie? Kunt u het haalbaarheidsonderzoek – bij de beantwoording van deze vragen – ook aan de Kamer zenden?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de rapporten inzake het onderzoek naar de instructietaal op Sint Eustatius die bij mijn brief van heden (Kamerstuk II 31 568, nr. 138) aan uw Kamer zijn aangeboden.
In hoeverre doorkruist dit besluit van de eilandsraad het traject van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te komen tot een oplossing voor de taalproblematiek op Sint Eustatius, zoals u dat in uw brief d.d. 4 maart 2014 beschreven heeft?4 Hoe ziet het verdere traject eruit om tot een oplossing van de taalproblematiek op Sint Eustatius te komen?
Mijn besluitvorming is niet doorkruist door de motie die de eilandsraad van Sint Eustatius recent heeft aangenomen. Voor de beantwoording van uw vraag over het verdere traject verwijs ik u naar de inhoud van mijn brief van heden (Kamerstuk II 31 568, nr. 138) aan uw Kamer.
Welke instantie (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, eilandbestuur, of mogelijk een andere) bepaalt in welke taal onderwijs wordt gegeven op Sint Eustatius?
De instructietaal die op Sint Eustatius moet worden gehanteerd is vastgelegd in de wet- en regelgeving. De wetgever bepaalt dus uiteindelijk wat de instructietaal in het onderwijs op dit eiland is.
Heeft over de aangenomen motie inmiddels correspondentie plaatsgevonden tussen het ministerie en het eilandbestuur? Zo ja, wat was de uitkomst van die gesprekken? Zo nee, onderneemt u alsnog actie?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de inhoud van mijn brief van heden (Kamerstuk II 31 568, nr. 138) aan uw Kamer.
Een nieuwe pro-EU-oproep bij de stempas, ditmaal van de burgemeester van Bergen, NH |
|
Geert Wilders (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de brief die de gemeente Bergen haar inwoners tezamen met de stempas inzake de EP-verkiezingen stuurt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gemeente het stemgedrag van haar burgers probeert te beïnvloeden door argumenten voor meer EU-bemoeienis te noemen in haar brief? Zo neen, waarom niet?
De burgemeester houdt in haar brief geen pleidooi voor meer of minder «EU-bemoeienis». Zij geeft slechts aan dat Europa regels maakt die gevolgen kunnen hebben voor de alledaagse praktijk en geeft daar een voorbeeld bij. Ik acht een gesprek met de door u genoemde burgemeester dan ook niet noodzakelijk.
Bent u bereid de burgemeester van Bergen onmiddellijk op het matje te roepen om haar te verplichten een brief naar haar inwoners te sturen waarin zij afstand neemt van deze uitlatingen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is deze burgemeester nog te handhaven nu zij laat blijken het belang van haar eigen partij, GroenLinks, te laten prevaleren boven het gemeentebelang?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u direct een onderzoek instellen naar de brieven die door gemeenten ter begeleiding van de stempas naar stemgerechtigden zijn gestuurd? Bent u bereid alle burgemeesters die zich niet neutraal hebben getoond onmiddellijk tot de orde te roepen?
Mij zijn geen signalen bekend dat gemeenten door middel van brieven die ter begeleiding van de stempas naar stemgerechtigden zijn gestuurd, de kiezer in zijn of haar keuze proberen te beïnvloeden. Ik zie dan ook geen reden om het door u gevraagde onderzoek in te stellen.
Wilt u deze vragen ruimschoots voor 22 mei beantwoorden?
Ja.
De samenstelling van de staatscommissie Herijking ouderschap |
|
Pia Dijkstra (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tweet van 15 maart 2014 van professor Nuytinck, lid van de Staatscommissie herijking ouderschap, waarin hij stelt: «...Mijn mening is bekend: nooit meer dan twee juridische ouders en nooit meer dan twee gezagdragers!»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit niet getuigt van een onbevangen houding die wenselijk is voor een lid van de Staatscommissie herijking ouderschap?
Alle leden van de staatscommissie Herijking ouderschap zijn geselecteerd op basis van hun kennis en ervaring. Zij zullen gelet op hun kennis en ervaring allen zo goed als zeker (al dan niet in het openbaar geuite) opvattingen hebben over de (deel)onderwerpen waarmee zij zich de komende jaren zullen bezighouden.
Dat er over onderwerpen als draagmoederschap en meerouderschap verschillend wordt gedacht, was mede aanleiding om de staatscommissie in het leven te roepen. Er is dan ook getracht de staatscommissie heterogeen samen te stellen.
Vanzelfsprekend acht ik het van belang dat de leden openstaan voor de kennis, ervaring en opvattingen van elkaar. Het enkele feit dat (bijvoorbeeld) prof. Nuytinck zich, voorafgaand aan zijn benoeming in de staatscommissie, door middel van een tweet heeft gemengd in het maatschappelijk debat, betekent niet dat hij vooringenomen zou zijn ten aanzien van de uitkomsten van het werk van de staatscommissie of niet open zou staan voor de kennis, ervaring en opvattingen van de andere leden. Er is geen aanleiding om de benoeming van prof. Nuytinck te heroverwegen.
Bent u bereid om de deelname van professor Nuytinck aan de Staatscommissie herijking ouderschap te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Ftp-servers die onvoldoende beveiligd zijn waardoor privégegevens van burgers te zien zijn |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Reporter Radio waarin naar voren komt dat ftp-servers onvoldoende beveiligd zijn, waardoor privacygevoelige gegevens van duizenden burgers en bedrijven door iedereen in te zien zouden zijn?1
Ja.
Klopt het dat privégegevens van burgers en bedrijven misbruikt kunnen worden door slecht beveiligde ftp- servers? Zijn er bij u gevallen bekend van burgers en/of bedrijven die de dupe zijn geworden van misbruik van gegevens die zijn opgevraagd bij slecht beveiligde ftp-servers? Zo ja, om hoeveel gevallen van misbruik gaat het? Om hoeveel gevallen van onbeveiligde servers gaat het?
Ja, het is mogelijk dat gegevens die op een slecht of onbeveiligde ftp-server worden geplaatst door kwaadwillenden worden misbruikt. Hierbij dient te worden bedacht dat informatiebeveiliging primair een eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en overheden is. Daar waar gewerkt wordt met persoonsgegevens geldt in generieke zin het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). In aanvulling hierop kan afhankelijk van de sector sprake zijn van aanvullende sectorale wet- en regelgeving. Overigens geldt voor gegevensopslag en -verwerking met behulp van deze servers in de privésfeer dat de Wbp niet van toepassing is (uitzondering voor activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden, art. 2, tweede lid, onder a, Wbp).
Alle bedrijven en overheden die persoonsgegevens verwerken moeten aan de eisen van de Wbp voldoen. Zo ook aan artikel 13 dat gaat over het adequaat beveiligen van persoonsgegevens. Dit betekent het nemen van passende technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend met de stand van de techniek en afgezet tegen de risico’s die met de specifieke gegevensverwerking(en) zijn gemoeid.
Het CBP heeft richtsnoeren uitgebracht over beveiliging van persoonsgegevens. Deze richtsnoeren leggen uit hoe het CBP bij het onderzoeken en beoordelen van beveiliging van persoonsgegevens in individuele gevallen de beveiligingsnormen uit de Wbp toepast. De richtsnoeren vormen de verbindende schakel tussen enerzijds het juridisch domein, met daarbinnen de eisen uit de Wbp, en anderzijds het domein van de informatiebeveiliging, waarin de noodzakelijke kennis en kunde aanwezig is om daadwerkelijk aan die eisen te voldoen. Het CBP is met toezicht en handhaving van de Wbp belast.
Aanscherpingen van het juridisch kader inzake bescherming van persoonsgegevens zijn in voorbereiding, zowel op Europees niveau (algemene verordening gegevensbescherming) als op nationaal niveau (wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens en de uitbreiding van de bestuurlijke boetebevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens).
Bij het Nationaal Cyber Security Centrum zijn door partijen binnen de doelgroep van Rijksoverheid en vitale sectoren geen meldingen gedaan van partijen die getroffen zijn door misbruik van gegevens naar aanleiding van het gebruik van slecht beveiligde of onbeveiligde FTP-servers.
De omvang van het aantal onbeveiligde servers valt niet exact aan te geven. Middels op het internet beschikbare zoeksystemen kunnen, zoals in de uitzending benadrukt wordt, inderdaad lijsten met FTP-servers geïndexeerd worden. Het is echter onmogelijk om van deze servers, zonder deze te betreden, aan te geven of deze persoonsgegevens bevatten of dat het voor de aard van de informatie die op deze servers staat noodzakelijk is om hier beveiliging op toe te passen.
Welke (juridische) waarborgen zijn er om de privacygegevens van burgers op ftp-servers te beschermen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen nemen het ministerie en het Nationaal Cyber Security Centrum om burgers en bedrijven (beter) te beschermen tegen misbruik van slecht beveiligde ftp-servers? Welke verantwoordelijkheden hebben burgers om zelf hardware en software veilig in te richten?
Vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het daaronder ressorterende Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) wordt uitvoerig aandacht besteed aan het verhogen van de digitale weerbaarheid. Hiertoe is in oktober 2013 de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS-2) gepubliceerd.
De NCSS-2 bevat een uitgebreid actieprogramma. Zo wordt onder meer ingezet op het verhogen van de bewustwording van burgers en bedrijven middels de jaarlijkse campagne Alert Online. De campagne Alert Online zal dit jaar van 27 oktober tot 6 november gehouden worden.
Dit jaar ligt de focus op kennis over cybersecurity, juist om partijen zelf in staat te stellen om de juiste acties te ondernemen.
Ten aanzien van onbeveiligde apparatuur, w.o. FTP-servers, dient opgemerkt te worden dat het NCSC hier met regelmaat in haar publicaties voor heeft gewaarschuwd. Een voorbeeld hiervan is de reeds in december 2012 gepubliceerde factsheet «beveilig apparaten gekoppeld aan internet».
Bedrijven en instellingen zijn zoals gezegd, zelf primair verantwoordelijk voor informatiebeveiliging en zoals in de NCSS-2 reeds aangegeven mag daarbij een zekere mate van basis-cyberhygiëne verwacht worden, bijvoorbeeld bij het omgaan met persoonlijke gegevens op het internet.
Tot slot kan ik aangeven dat ik de analyse van hoogleraar Bart Jacobs, tevens lid van de Cyber Security Raad, deel en dat deze aansluit op de in de NCSS-2 geschetste rol voor het bedrijfsleven als leverancier. De Cyber Security Raad heeft in haar advies bij het opstellen van de NCSS-2 vastgesteld dat er een nadrukkelijke interactie moet zijn tussen de aanbieders van producten en diensten en de gebruikers ervan, zeker als het gaat om de veiligheidsaspecten zoals het gebruik van sterke wachtwoorden of het hanteren van specifieke veiligheidsinstellingen op apparatuur. In de NCSS-2 is daarbij dan ook aangegeven dat leveranciers een specifieke verantwoordelijkheid (zorgplicht) richting hun klanten hebben en dat security en privacy by design meer dan nu standaard ontwerpbeginselen dienen te zijn.
Hoe beoordeelt u het standpunt van hoogleraar Cyber Security Bart Jacobs dat aanbieders van software voor ftp-servers gebruikers moeten waarschuwen voor de (potentiële) gevaren?
Zie antwoord vraag 4.
Het Oxfam-rapport Business Among Friends |
|
Jasper van Dijk (SP), Arnold Merkies (SP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van Oxfam getiteld «Business Among Friends – Why corporate tax dodgers are not yet losing sleep over global tax reform»?1
Business Among Friends: Why corporate tax dodgers are not yet losing sleep over global tax reform
Ja
Bent u het eens met de uitspraak «The OECD’s Arm’s Length Principle, which is based on comparable market prices that do not really correspond to reality, provides several loopholes through which MNCs avoid tax»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het niet eens met de suggestie dat het arm’s length beginsel leidt tot belastingontwijking, wel met de stelling dat het beginsel niet altijd perfect werkt.
De Transfer Pricing Guidelines van de OESO, waarin het arm’s length beginsel is uitgewerkt, zijn er op gericht te bereiken dat de winst daar belast wordt waar deze binnen het concern gegenereerd wordt. Daartoe wordt het zogenoemde arm’s length beginsel gehanteerd dat ook in de Nederlandse wet is verwerkt. Dat beginsel schrijft voor dat verbonden entiteiten met elkaar moeten handelen zoals zij onder vergelijkbare omstandigheden met onafhankelijke partijen zouden doen.
Dat dit niet in alle gevallen leidt tot een voor alle betrokkenen bevredigend resultaat wordt breed gedeeld en daarom wordt binnen het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project van de OESO en G20 aan oplossingen daarvoor gewerkt.
In antwoord op eerdere vragen2 gaf u aan dat in de OESO Richtlijnen voor Transfer Pricing verbetering mogelijk is; welke verbeteringen hebt u voor ogen? In hoeverre komt het op 14 november 2013 door uw voorganger genomen Besluit tegemoet aan de verbeteringen die u voor ogen hebt?3
Verbetering van de Transfer Pricing Guidelines zal vooral gericht moeten zijn op het belasten van winsten daar waar de economische activiteiten plaatsvinden die deze winsten genereren. Met name het verplaatsen van het juridisch eigendom van makkelijk verplaatsbare activa zoals vorderingen, licenties en andere immateriële activa, zonder de bijbehorende economische activiteiten, maakt het multinationale concerns mogelijk om winsten kunstmatig te verschuiven.
Verbeterde Guidelines zullen dit soort praktijken zoveel mogelijk moeten voorkomen. In de actiepunten 8, 9 en 10 van het Action Plan on Base Erosion and Profit Shifting van de OESO worden de hoofdlijnen van verbeteringen in de Transfer Pricing Guidelines aangegeven. Nederland hecht belang aan deze actiepunten en draagt actief bij aan het zoeken naar verbeteringen.
In het besluit van 14 november 2013 is met name ten aanzien van materiële en immateriële activa, inkopen in concernverband en interne herverzekeringsactiviteiten beleid opgenomen om onzakelijke verschuiving van winst te bestrijden. In de desbetreffende paragrafen wordt een duidelijk verband gelegd tussen economische activiteiten en de daarmee gegenereerde winst.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden, die geen lid zijn van de OESO en derhalve niet meebeslissen over nieuw op te stellen OESO-standaarden, worden geborgd?
Naar mijn mening zorgt de OESO daar zelf in voldoende mate voor.
In het OESO-project inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS-project) werken OESO-lidstaten en G20-landen aan voorstellen tegen grondslaguitholling en winstverschuivingen. De problematiek van grondslaguitholling en winstverschuivingen in ontwikkelingslanden is in technisch opzicht niet wezenlijk anders dan de problematiek waar voornoemde landen mee worden geconfronteerd. Bovendien gaat het om landen met uiteenlopende economische structuur en ontwikkelingsniveau die in het BEPS-project actief zijn. Daarom zullen ook ontwikkelingslanden naar verwachting baat hebben bij de uitkomsten van het BEPS-project.
Bij het vinden van deze oplossingen wordt uitdrukkelijk ook een dialoog onderhouden met ontwikkelingslanden. Nederland heeft hier ook meerdere malen aandacht voor gevraagd bij de OESO en het stemt tot tevredenheid hoe de OESO hier inhoud aan geeft. Nog voordat de werkgroepen begonnen aan hun werk was in september 2013 een bijeenkomst georganiseerd waar een groot aantal ontwikkelingslanden bij betrokken was. Dit voorjaar zijn op instigatie van de OESO o.a. regionale bijeenkomsten gehouden, georganiseerd door o.a. het African Tax Administration Forum (ATAF) en de Latijns Amerikaanse evenknie CIAT. De directeur van het «Centre for Tax Policy and Administration» bij de OESO heeft in de BEPS Webcast van 24 mei nogmaals gezegd te gaan voor 100% betrokkenheid van alle landen, dus inclusief de ontwikkelingslanden.
Daarnaast heeft het VN Committee of Experts on International Cooperation in Tax Matters initiatieven genomen om ontwikkelingslanden bij het BEPS project te betrekken.4
Tot slot is er de problematiek van implementatie en uitvoering in ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden zijn extra kwetsbaar door beperkte mankracht binnen belastingdiensten en het gebrek aan fiscaal-juridische opleidingen. Nederland zet daarom actief in op training van belastinginspecteurs en beleidsmedewerkers in ontwikkelingslanden. In het kader van het samenwerkingsverband tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en van Financiën ondersteunt Nederland diverse projecten financieel en met mankracht.
Deelt u de conclusie dat het bedrijfsleven disproportioneel vertegenwoordigd wordt ten opzichte van het maatschappelijk middenveld in consultatierondes over country-by-country reporting?
Publieke consultatierondes zoals die recent bij de OESO inzake Transfer Pricing documentatie en country-by-country reporting staan open voor alle geïnteresseerde partijen. Of en in welke mate belanghebbende partijen daarvan gebruik willen maken is aan die partijen zelf. Wel leert de ervaring dat partijen die zelf geraakt worden door voorgestelde maatregelen vaker reageren.
Turkse weigering om slachtoffers van Turkse invasie op Cyprus te compenseren |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkey will ignore ECHR ruling to pay compensation to Greek Cyprus»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat Turkije de uitspraak van het Mensenrechtenhof naast zich neerlegt, waarin het land wordt veroordeeld om de slachtoffers van de Turkse invasie op Cyprus met 90 miljoen euro te compenseren?
Uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn bindend voor de betrokken staat, in dit geval Turkije. Het kabinet gaat er dan ook van uit dat Turkije deze uitspraak ten uitvoer zal leggen.
Welke mogelijkheden ziet u om wanbetaler Turkije zo ver te krijgen om deze slachtoffers na 40 jaar wel te compenseren?
Nu de uitspraak van het Hof er ligt, zal de tenuitvoerlegging daarvan worden geagendeerd in het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Nederland zal zich er in het Comité voor inzetten dat Turkije aan zijn verplichtingen voldoet.
Het zoveelste anti-joodse incident |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Anne Frank-poster beklad met antisemitische leuzen»?1
Ja.
Deelt u onze zorg en walging over de aanhoudende jodenhaat in Nederland en deze vreselijke bekladding van een poster van Anne Frank in het bijzonder?
De antisemitische bekladding van een poster van Anne Frank is verwerpelijk en onacceptabel. Het Kabinet zet zich in om antisemitisme in Nederland te bestrijden. Eerder onderzoek van de Anne Frank Stichting heeft laten zien dat antisemitisme onder jongeren2 zich voornamelijk manifesteert bij het supporten van clubs uit het betaald voetbal of gerelateerd is aan het Midden Oosten conflict. Om antisemitisme beter te kunnen bestrijden heb ik eerder een vervolgonderzoek toegezegd, waarin de triggerfactoren, die bijdragen aan het ontstaan van antisemitisme, worden onderzocht. Daarbij zal expliciet gekeken worden naar de context en de achtergrond van jongeren die antisemitische uitingen doen. De resultaten van het onderzoek worden begin 2015 verwacht.
In hoeverre zijn de daders van deze misselijkmakende daad reeds gepakt?
Het openbaar ministerie heeft de Minister van Veiligheid en Justitie meegedeeld dat de politie opsporingsonderzoek heeft verricht en dat op dit moment geen verdachte is aangehouden.
Welke oorzaken voor het groeiend antisemitisme in ons land ziet u?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat slechts vijftien procent van de mensen die aankloppen bij de schuldhulpverlening daadwerkelijk wordt geholpen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de bevinding in het rapport «Prestatie-analyse schuldhulpverlening versus wettelijke schuldsanering» dat slechts 15% van de mensen die met problematische schulden aankloppen bij de schuldhulpverlening ook daadwerkelijk geholpen zou worden?1
De opsteller van het door u aangehaalde rapport gaat er vanuit dat enkel indien er sprake is van een geslaagde schuldregeling, gezegd kan worden dat de betrokkene ook daadwerkelijk is geholpen. Schuldhulpverlening bestaat echter uit meer dan schuldregelen alleen. Er is – zeker de laatste jaren – een groot aantal andere producten ontwikkeld om mensen met schulden te ondersteunen. De schuldhulpverlening is immers maatwerk. De ene keer vormt de schuldregeling een veel te zwaar middel en is iemand op een andere wijze afdoende geholpen, terwijl de andere keer het daadwerkelijk realiseren van een schuldregeling geen reëel perspectief is en andere hulpverlening wel soelaas biedt. Het door u aangehaalde onderzoek houdt hier geen rekening mee, maar gaat er vanuit dat betrokkene zonder schuldregeling niet daadwerkelijk geholpen is.
Klopt het dat jaarlijks 150.000 tot 200.000 mensen met problematische schulden tevergeefs aankloppen bij de schuldhulpverlening, alsmede dat 1 miljoen huishoudens met dergelijke schulden niet geregistreerd staan bij de schuldhulpverlening en slechts een op de zes mensen die zich aan het schuldhulploket vervoegen ook daadwerkelijk wordt geholpen? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Ik beschik niet over de gevraagde cijfers. De in het rapport aangehaalde aantallen worden door de onderzoeker zelf aangemerkt als grove schattingen, die bij nadere bestudering onderbouwing missen. Uit het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers 2012» blijkt dat een groot aantal personen met problematische schulden niet bekend is binnen de schuldhulpverlening (minimaal 54% tot maximaal 68% van de totale groep personen met problematische schulden). De redenen daarvoor zijn uiteenlopend. Het onderzoek wijst onder meer op het feit dat betrokkenen zich niet melden bij schuldhulpverlening omdat zij van mening zijn dat de eigen situatie nog niet erg genoeg is om voor schuldhulpverlening in aanmerking te komen. Daarbij moet ook worden gedacht aan de situaties waarin oplossingen binnen de eigen kring tot de mogelijkheden behoren. Daarnaast blijkt de wil om zelf de regie over de financiën te houden mensen te weerhouden om de schuldhulpverlening in te schakelen en speelt schaamte een rol van betekenis.
Wat is uw reactie op de bewering dat de schuldhulpverlening de resultaten moedwillig oppoetst door statistieken aan te passen, definities te verruimen en creatief jargon te gebruiken om verbeterde resultaten te suggereren? Deelt u de mening dat het stelsel van schuldhulpverlening failliet is en geen enkele gemeente weet hoeveel kwantiteit de schuldhulpverlening of de Gemeentelijke Kredietbank werkelijk levert? Zo nee, bent u bereid de kwaliteit en kwantiteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening inzichtelijk te maken?
Op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) hebben gemeenten de opdracht invulling te geven aan de integrale schuldhulpverlening. Het is aan gemeenten om hierover afspraken met de eventuele aanbieder van schuldhulpverlening te maken, ook als het gaat om de aanlevering van cijfers over geleverde prestaties. Het is binnen die verantwoordelijkheidsverdeling niet aan mij om uitvoerende partijen te verplichten tot aanlevering van specifieke informatie.
Op landelijk niveau beschik ik wel over de in het jaarverslag van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) gepresenteerde gegevens. Het gaat hier om cijfers van verschillende onderdelen binnen de schuldhulpverlening. De aanlevering van deze informatie berust op afspraken die de NVVK met haar leden heeft gemaakt. De NVVK heeft er in 2011 bewust voor gekozen de beschrijving van het slagingspercentage te wijzigen. De nieuwe omschrijving sluit beter aan bij de binnen de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) gehanteerde definitie en maakt aldus een vergelijking met de WSNP beter mogelijk. In de verschillende jaarverslagen van de NVVK is hierover ook steeds transparant gecommuniceerd.
Tenslotte wil ik u wijzen op de vóór juli 2016 gepland staande evaluatie van de Wgs. Binnen deze evaluatie wordt gekeken naar het effect van de wet op de kwaliteit en effectiviteit van de schuldhulpverlening.
Hoeveel mensen melden zich bij de gemeente voor schuldhulpverlening? Hoeveel aanvragen worden afgewezen, hoeveel in behandeling genomen en hoeveel oplossingen worden gerealiseerd volgens welke definitie(s)? Zijn er wachtlijsten bij gemeenten?
Met de komst van de Wgs is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de schuldhulpverlening expliciet bij de gemeente belegd. Ik beschik dan ook niet over deze gegevens.
Voelt u iets voor een landelijk meldpunt voor mensen die tegen de grenzen van hulpverlening bij schulden aanlopen?
Voor mensen die aanlopen tegen de grenzen van schuldhulpverlening kent de schuldhulpverlening de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de organisatie. Daarnaast kunnen mensen indien hen de toegang tot de schuldhulpverlening wordt geweigerd hier tegen bezwaar en eventueel beroep aantekenen. Met deze twee mogelijkheden is de rechtsbescherming van mensen voldoende geborgd en hebben gemeenten ook voldoende mogelijkheden om de toegankelijkheid en kwaliteit van hun schuldhulpverlening te monitoren en zo nodig bij te sturen. Voor het instellen van een landelijk meldpunt zie ik geen aanleiding.
Hoeveel gemeenten gebruiken bijzondere bijstand voor betaling van bewindvoering? Welk bedrag is hiermee gemoeid?
Indien de goederen van iemand onder bewind zijn gesteld, zijn de daaruit voortvloeiende kosten (kosten beschermingsbewind) aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Dit houdt in dat de betrokkene, indien hij een te beperkte draagkracht heeft om de kosten zelf te kunnen betalen, hiervoor bijzondere bijstand kan aanvragen bij de gemeente. Om een beter zicht te krijgen op onder meer de ontwikkeling van deze kosten laat ik samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie een onderzoek uitvoeren door Stichting Stimulansz. Wij berichten u deze zomer over de uitkomsten van dit onderzoek.
De mogelijkheid om een spoorverbinding tussen Utrecht en Breda te realiseren langs de A27 |
|
Eric Smaling (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Welke afweging heeft tot het besluit geleid om de A27 tussen Utrecht en Breda te verbreden voor een bedrag van ruim 800 miljoen euro, in plaats van de keuze voor andere projecten die ook positief bijdragen aan de bereikbaarheid van Utrecht?
Bij besluitvorming over wegenprojecten wordt ten eerste gekeken of wegtrajecten voldoen aan de doelstelling uit de Nota Mobiliteit, die zijn overgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De A27 tussen Houten en Hooipolder bleek op termijn (in 2020) niet aan deze doelstellingen te voldoen. De A27 is een belangrijke achterlandverbinding vanuit Amsterdam via Noord-Brabant naar België. Investeren in de doorstroming van het verkeer op deze weg is daarom van nationaal belang.
In een verkenning A27 Houten-Hooipolder is een groot aantal varianten onderzocht om de problematiek van de A27 aan te pakken met passende maatregelen. Dit heeft in een aantal trechteringsstappen geleid tot het besluit over het voorkeursalternatief dat 18 april j.l. aan de Tweede Kamer is verstuurd.
De maatregelen voor de aanpak van de A27 Houten-Hooipolder hebben ook een positieve bijdrage aan de bereikbaarheid van Utrecht, aangezien verkeer van en naar Utrecht van de betere doorstroming op de A27 profiteert. In de regio Utrecht worden en zijn daarnaast ook een groot aantal andere knelpunten aangepakt op de bereikbaarheid te vergroten, Dit gebeurt binnen het Samenwerkingsverband VERDER tussen regio en rijk. Dit betreffen maatregelen in het OV, voor de fiets, op lokale en provinciale wegen en rijkswegen.
Bij de diverse studies is ook gekeken naar mogelijkheden om het OV uit te breiden op de betreffende corridor (zie antwoord op vraag 2 en 3).
Is er gekeken of, in plaats van de wegverbreding, een spoorlijn Utrecht-Breda kan worden gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Naar deze mogelijke spoorlijn zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Op 29 september 2010 heeft de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat de Kamer deze onderzoeken toegezonden (kamerstukken 29 984 en 32 500 A, nr. 232). Uit deze onderzoeken is de conclusie getrokken dat het niet verantwoord is verdere stappen te ondernemen ten aanzien van deze mogelijke nieuwe spoorlijn. De MKBA, die is uitgevoerd volgens de daarvoor geldende OEI-leidraad, geeft aan dat dit project niet kansrijk is gezien een MKBA-score van 0,05 en de investeringskosten van ruim € 4 mld. Daarbij is rekening gehouden met de specifieke situatie in de regio. Hierop zijn verschillende gevoeligheidsanalyses uitgevoerd, die laten zien dat andere aannamen met betrekking tot de investerings- en exploitatiekosten, het meenemen van indirecte effecten geen doorslaggevende veranderingen teweeg brengen in het baten/kosten-verhouding oordeel.
Is een gelijktijdige verbreding van de A27 en de aanleg van een spoorlijn Utrecht-Breda een optie en zou hier meer financieel voordeel te behalen zijn ten opzichte van de aanleg van een spoorlijn in een later stadium?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zouden de baten zijn voor Gorinchem en omgeving en voor de huidige lijn Dordrecht-Geldermalsen, wanneer er een overstapmogelijkheid gecreëerd zou worden in Gorinchem?
Er is in de MKBA die is uitgevoerd een ontsluiting via een station Gorinchem-West/A27 opgenomen. Dat station zou kunnen worden bediend door treinen tussen Utrecht-Breda en Utrecht-Dordrecht, zodat dit een invulling is van een OV-bediening, zonder een overstap. Het betreft aannames voor de studie en nog geen concreet exploitatieplan van vervoerder(s).
Wat zouden de baten zijn voor Breda, waar thans het station wordt vernieuwd en waar een nieuw knooppunt richting België en Frankrijk zou kunnen ontstaan, in het geval van rechtstreekse aansluiting op Utrecht en het noorden en oosten van Nederland?
De vernieuwing en uitbreiding van station Breda is gebaseerd op de komst van de HSL, de verwachte groei van het aantal reizigers per trein en een verbeterde verbinding tussen de diverse OV-modaliteiten die dit station aandoen en de aansluiting per fiets en auto. De bediening van station Breda wordt verbeterd via de bediening van de HSL, de frequentieverhogingen in PHS, alsook de regionale HOV verbinding van en naar dit station. De toegevoegde waarde van een nieuwe treinverbinding Breda-Utrecht is meegenomen in de MKBA die is uitgevoerd. Deze heeft een beperkte meerwaarde, hetgeen kan worden afgeleid uit de resultaten van een MKBA-waarde van 0,05.
Hoeveel werkgelegenheid zou de aanleg van de hierboven geschetste opties bij Gorinchem en Breda met zich meebrengen en voor welke periode?
Zoals aangegeven is dit niet los te zien van het gehele plan. De aangenomen bediening van een mogelijke nieuwe spoorlijn in de uitgevoerde MKBA houdt rekening met de diverse effecten voor Gorinchem en Breda.
Bent u bereid het Infrastructuurfonds weer op niveau te brengen, nu de economie aantrekt en verder investeren in spoor juist tot banen en bestedingen zou leiden, met name voor mensen die zwaar getroffen zijn door de crisis van de afgelopen jaren?
Ondanks de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds zal dit kabinet nog miljarden investeren om de bereikbaarheid van Nederland te verbeteren. Tot 2028 is nog zo’n € 6 miljard per jaar beschikbaar voor investeringen in wegen, spoorwegen, openbaar vervoer en vaarwegen. Deze investeringen leveren jaarlijks 38.000 manjaren werk op voor de bouwsector. Daarnaast zorgen deze investeringen ervoor dat door het vergroten van de bereikbaarheid betere randvoorwaarden worden geschapen voor economische groei.
In de Mobiliteitsbalans 2013 van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) wordt aangegeven dat de verwachting is dat de mobiliteit de komende tijd blijft groeien, zowel voor personen als voor goederen. Door toename van de verstedelijking en onder invloed van economisch herstel zal deze groei zich met name rond de steden en op de achterlandverbindingen manifesteren. Ik verwacht daarom dat in de toekomst investeringen in infrastructuur nodig blijven om deze bereikbaarheidsknelpunten op te lossen en de economie, werkgelegenheid en concurrentiekracht van Nederland op peil te houden.
Het bombarderen van een ziekenhuis in het Nuba gebergte in Soedan |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over een bombardement op het enige ziekenhuis in het Nuba gebergte in Soedan op 1 en 2 mei jl. door het Soedanese leger?
De schriftelijke vragen van leden Omtzigt en Agnes Mulder (beiden CDA), vraagnummer 2014Z08503, zijn beantwoord middels de brief « Reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken inzake de actuele politieke situatie in Sudan » (Kamerstuk 22 831, nr. 99).
Wat is of zal de reactie zijn van de EU of de VN op deze ernstige schending van het internationaal humanitair recht?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat de Nederlandse regering verder doen om deze wandaad, onderdeel van dagelijkse bombardementen door het Soedanese regime in het Nuba gebergte, te veroordelen, ook gezien de rol die Nederland ooit speelde als voorzitter van de Drie Gebieden-werkgroep?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het bombardement op het ziekenhuis onderdeel uitmaakt van een strategie om angst te zaaien onder de lokale bevolking, door middel van buitenproportionele luchtaanvallen?
Zie antwoord vraag 1.
Is er voor zover u bekend onderzoek gedaan naar de mate van vervlechting van de Soedanese private sector met de staat en militaire sector? Welke analyse ligt ten grondslag aan uw antwoord op eerdere vragen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1311) dat de private sector en de ontwikkeling daarvan een belangrijk element van stabiliteit vormen en openheid in de Soedanese samenleving bevorderen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe voorkomt u dat Nederlandse investeringen in de private sector ontwikkeling in Soedan de facto de repressie van dat staatsapparaat zullen bevorderen, leidend tot onder meer inperking van de politieke ruimte, vrijheid van meningsuiting en zelfs het bombarderen van burgerdoelen zoals het genoemde ziekenhuis in het Nuba gebergte?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te stoppen met handelsbevordering in Soedan en over te gaan tot ontmoedigingsbeleid ten aanzien van handel met Soedan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen hoe het in de antwoorden op de eerdere vragen genoemde objectieve beeld geschetst wordt van de politieke en mensenrechtencontext? Hoeveel Nederlandse bedrijven (inclusief in Nederland geregistreerde postbusbedrijven) melden zich hiervoor jaarlijks bij ministerie of ambassade? Zijn er ook bedrijven die investeren in Soedan zonder eerst advies in te winnen bij ministerie of ambassade?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de rol van ministerie of ambassade geweest bij het tot stand komen van het bezoek van Mussa Ahmed (presidential Advisor, Beja Congress), Kamal Ismael Saeed (State Minister of Investment (NCP)), Amna Mohammed Saleh Dirar (State Minister of Labor (Eastern Democratic Party) en Hashim Mohamed Ali Hangag (Secretary, Republican Palace) aan de EU, waarbij zij onder meer een tweede donorbijeenkomst voor Oost Soedan willen bespreken, en Parijs, Berlijn en Amsterdam deze week? Bent u bereid het bombardement op het ziekenhuis door het Soedanese regeringsleger bij deze delegatie aan de orde te stellen en te veroordelen of heeft u dit reeds gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat het ontvangen van dergelijke delegaties westerse regeringen in staat stelt invloed uit te oefenen op het Soedanese regime? Kunt u aannemelijk maken op basis van concrete voorbeelden en ervaringen dat een dergelijke invloed zich inderdaad doet gelden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Omtzigt (Kamerstuk 33 750 V, nr. 32) waarin de regering gevraagd wordt te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor cross border humanitaire hulp naar met name het Nuba gebergte en Blue Nile?
Zie antwoord vraag 1.
Zeggenschap van lidstaten bij het afsluiten van handelsverdragen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «EU-land niet meer altijd eigen baas bij ruzie met buitenlands bedrijf»?1
Het bericht gaat in op de verordening voor de financiële aansprakelijkheid bij arbitragegeschillen. De beweringen over deze verordening berusten, zoals blijkt uit de antwoorden op de vragen 10 en 11, deels op feitelijke onjuistheden.
Voorts wordt de vraag opgeworpen of vrijhandelsakkoorden tussen de Europese Unie en derde landen, waaronder die met Canada, alleen door de Europese instellingen of ook door de lidstaten goedgekeurd moeten worden. Hierover bestaat tussen de lidstaten en de Europese Commissie nog geen overeenstemming. Tijdens de RBZ Handel van 8 mei jl. benadrukten de lidstaten dat het vrijhandelsakkoord met Canada een gemengd akkoord is en door zowel de EU als de lidstaten zouden moeten worden goedgekeurd. Ook over het vrijhandelsakkoord met Singapore, dat op 20 september 2013 geparafeerd werd door de hoofdonderhandelaars, is nog verdeeldheid tussen de lidstaten en de Europese Commissie over dit competentievraagstuk. Nederland is van mening dat brede Europese vrijhandelsakkoorden als gemengde verdragen gekwalificeerd dienen te worden en dus door de Europese Unie én alle lidstaten, geratificeerd moeten worden. Instemming van het parlement maakt deel uit van de nationale goedkeuringsprocedure.
Hoe oordeelt u over het feit dat Europees Commissaris voor Handel De Gucht wil vermijden dat nationale parlementen hun goedkeuring aan het vrijhandelsverdrag tussen Canada en de EU (CETA) moeten verlenen?
Anders dan Europees Commissaris voor Handel De Gucht, ga ik ervan uit dat conform bestaande praktijk het vrijhandelsverdrag tussen Canada en de EU een zogenaamd «gemengd akkoord» is, dat zowel door de Europese Unie als de lidstaten goedgekeurd moet worden. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is de Europese Unie exclusief bevoegd op het beleidsterrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie. Op grond van het Verdrag van Lissabon vallen sinds 1 december 2009 ook buitenlandse directe investeringen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek. CETA bestrijkt terreinen, die niet geheel onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen. Dit is met name het geval voor specifieke onderdelen op het gebied van diensten en investeringen. CETA heeft daardoor een gemengd karakter en zou naar de mening van het kabinet gesloten moeten worden tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds, en Canada anderzijds. Meest recentelijk zijn bijvoorbeeld ook het Economische Partnerschapsakkoord met de Caribische-regio en het vrijhandelsakkoord met Colombia/Peru door zowel de Europese Unie als de lidstaten goedgekeurd.
Klopt het, dat De Gucht heeft gezegd: «Hebben we echt 27 aanvullende ratificaties nodig als het Europees Parlement het ook kan doen?» Wat vindt u van deze opstelling van de Europese Commissie?
Commissaris De Gucht meent dat CETA onder de exclusieve competentie van de Europese Unie valt en derhalve alleen door de Europese Unie goedgekeurd hoeft te worden. Hij wijst daarbij op het risico dat 28 nationale ratificaties het proces tot inwerkingtreding ernstig kunnen vertragen. Zoals hiervoor aangegeven, is het kabinet een andere mening toegedaan.
Wat onderneemt u om ervoor te zorgen dat CETA de status van een «gemengd akkoord» behoudt, zodat het verdrag door de lidstaten geratificeerd moet worden?
Een meerderheid van de lidstaten is voorstander van een «gemengd akkoord» overeenkomstig de bestaande praktijk. Ik zet mij ervoor in dat CETA een gemengd verdrag wordt, zodat ook het Nederlands parlement de mogelijkheid krijgt met het akkoord in te stemmen. Daartoe roep ik de Europese Commissie op af te zien van een «EU-only» goedkeuring van CETA en ervoor te zorgen dat CETA als een «gemengd akkoord» door zowel de Europese Unie als haar lidstaten ondertekend en geratificeerd wordt. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 8 mei jl. heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen het vrijhandelsverdrag met Canada óók door de lidstaten te laten goedkeuren. Het Griekse voorzitterschap sprak na afloop van deze Raad van een «unaniem signaal».
Wat onderneemt u indien het Europese Hof De Gucht in het gelijk stelt en oordeelt dat CETA onder de exclusieve competentie van de EU valt? Hoe rijmt u een dergelijke opvatting met het feit dat een meerderheid van de lidstaten van mening is dat onderdelen van de hoofdstukken over diensten en investeringsbescherming onder de competentie van de lidstaten vallen?2
Het staat nog niet vast dat Commissaris De Gucht dit vraagstuk ook daadwerkelijk aan het Europees Hof van Justitie zal voorleggen. Met een dergelijke procedure is immers ook veel tijd gemoeid. Ik wil niet vooruitlopen op een procedure die nog niet aanhangig is gemaakt. Tenzij het Europees Hof van Justitie anders zou oordelen, pleit ik ervoor dat CETA óók door de lidstaten, en dus de nationale parlementen, goedgekeurd moet worden.
Wat zijn de gevolgen voor de ratificatie van het vrijhandelsverdrag tussen de VS en de EU (TTIP), indien CETA gekwalificeerd wordt als een exclusieve competentie van de EU?
Dat is op voorhand niet in te schatten. Dit is afhankelijk van een eventuele uitspraak van het Europees Hof van Justitie. Bovendien hangt dit af van de onderwerpen die CETA en TTIP zullen bestrijken en van de vraag in hoeverre deze akkoorden qua reikwijdte met elkaar zullen overeenkomen. Of TTIP inhoudelijk gelijk zal zijn aan CETA kan pas worden vastgesteld, op het moment dat er een akkoord over TTIP is uitonderhandeld.
Deelt u de mening dat goedkeuring van TTIP altijd aan het Nederlandse parlement moet worden voorgelegd, aangezien hiertoe een motie is aangenomen?3
Na afronding van de onderhandelingen over TTIP, zal de Raad en het Europees Parlement in moeten stemmen met het uiteindelijke akkoord. Zou TTIP een «EU-only» akkoord zijn, dan zullen de lidstaten geen partij zijn bij het akkoord en is ratificatie ervan door de lidstaten niet aan de orde. In dat geval wordt het akkoord dus niet aan het Nederlandse parlement ter goedkeuring voorgelegd. Maar als TTIP een «gemengd akkoord» betreft dan moeten ook nationale parlementen instemmen met het voorliggende verdrag. Nederland zet samen met andere lidstaten in op een gemengd akkoord, gelet op de breedte van de onderwerpen.
Wat zijn de «netelige kwesties» waarover de Canadese media berichten omtrent de afronding van de onderhandelingen over het CETA-verdrag?
Sinds 2009 wordt er met Canada onderhandeld over een vrijhandelsverdrag. Op 18 oktober 2013 jl. bereikten de EU en Canada een principe-akkoord. Sindsdien worden de laatste openstaande, met name technische, details uitonderhandeld. Dit betreft openstaande punten op het terrein van diensten en investeringsbescherming. Ik verwacht overigens dat, ondanks de verdeeldheid over de nog openstaande kwesties, de onderhandelingen met Canada binnen afzienbare tijd worden afgerond.
Wordt het hoofdstuk over investeringsbescherming in CETA ook meegenomen in het onderzoek naar investeringsbescherming in TTIP, dat u tijdens de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft toegezegd? Deelt u de mening dat dit onderzoek eerst moet worden afgerond, voordat u kunt instemmen met een dergelijk hoofdstuk?
Conform mijn toezegging naar aanleiding van de motie Van Ojik – om op korte termijn een onderzoek in te stellen naar de potentiële sociale en milieurisico’s en de gevolgen van het ISDS voor het handelsakkoord tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie – brengt het onderzoek de kansen en risico’s van investeringsbescherming (ISDS) in TTIP in kaart. Ondanks dat CETA niet wordt genoemd in deze motie, houd ik de samenhang tussen CETA, TTIP en het door mij uitgezette onderzoek nauwlettend in de gaten. Zoals ik eerder aangaf bevat ISDS in het CETA-akkoord, zoals het er nu ligt, allerlei waarborgen welke wij goed bekijken alvorens hiermee te kunnen instemmen. Ik neem daarbij ook de resultaten mee van studies die op dat moment daarnaar zijn gedaan. Het betreft bijvoorbeeld een bestaande studie van het International Institute for Sustainable Development (IISD) over ISDS in CETA. Ik zal ook de voorlopige resultaten van het ISDS-onderzoek in TTIP gebruiken, afhankelijk van wanneer CETA is afgerond. Daarnaast stel ik, zoals aangegeven in mijn brief aan de Kamer van 29 april 2014 jl., op het moment dat de definitieve tekst gereed is en aan de lidstaten wordt voorgelegd, de Kamer nog in de gelegenheid vertrouwelijk kennis te nemen van de definitieve ISDS-tekst in CETA.
Klopt het, dat op de agenda van de laatste RBZ Handel als hamerstuk een verordening stond «die regelt dat lidstaten tegen hun eigen wil in kunnen worden gedwongen om een bepaald standpunt in te nemen, als ze door een investeerder uit een niet-EU-land worden aangeklaagd»? Is dit punt inderdaad zonder enig debat als hamerstuk aangenomen?
Nee, dat klopt niet. In eerdere compromisvoorstellen was inderdaad een dergelijk bepaling in artikel 9 van de verordening voor de financiële aansprakelijkheid bij arbitragegeschillen opgenomen. Juist dankzij de inzet van Nederland en in samenwerking met een aantal andere lidstaten, is deze bepaling niet in de uiteindelijke versie opgenomen. De verordening is meerdere keren in uw Kamer aan de orde geweest tijdens Algemene Overleggen over RBZ Handel, waarbij ik duidelijk heb onderstreept het niet wenselijk te vinden dat de Europese Commissie een lidstaat dwingt een bepaald standpunt in te nemen. Er staat nu in artikel 9 dat de Europese Commissie consultaties met de betreffende lidstaat kan starten en haar visie via een niet-bindende analyse over een bepaald punt in een geschil kenbaar kan maken. Omdat deze analyse niet-bindend is opgesteld kan de Europese Commissie een lidstaat niet dwingen om een bepaald standpunt in te nemen.
Klopt het, dat «de Commissie lidstaten zelfs kan dwingen in een investeringsgeschil te schikken»? Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is om deze zaken als hamerstuk af te doen en dat op zijn minst de Tweede Kamer hierover moet kunnen spreken?
Nee, dat klopt niet. Artikel 13 van eerdergenoemde verordening schrijft een procedure voor over het (uitzonderlijke) geval waarbij de Europese Unie een geschil van een lidstaat overneemt en de Europese Commissie de zaak wenst te schikken. In eerdere compromisvoorstellen was inderdaad een dergelijk bepaling in artikel 13 op genomen. Maar deze bepaling is – mede dankzij de inzet van Nederland en in samenwerking met andere lidstaten – in de uiteindelijke versie gewijzigd. In de finale versie van artikel 13 staat nu uitdrukkelijk dat de Europese Commissie geschillen namens de lidstaten alleen mag schikken als dit voor de betreffende lidstaat geen enkele budgettaire of financiële implicatie oplevert. Zoals eerder aangeven is deze verordening meerdere keren in de Tweede Kamer besproken. Van meet af aan heb ik gesteld dat het onwenselijk zou zijn als de Europese Commissie tegen de wil van de lidstaat een geschil zou kunnen schikken waarbij de betreffende lidstaat ongewild financieel getroffen zou worden. Ik ben tevreden dat deze inzet gerealiseerd is.
De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) en de Nationale Milieudatabase (NMD) |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de reden is voor het terugtreden van de voormalig dagelijks beheerder van de Nationale Milieudatabase (NMD)?1
De dagelijks beheerder is teruggetreden vanwege een verschil van mening met de directie van SBK over interne bedrijfsmatige aangelegenheden
Kunt u toelichten waarom één van de kwartiermakers, betrokken bij de privatisering van het bouwtoezicht, nu optreedt als beheerder van de NMD? Strookt dit met de beantwoording van eerdere feitelijke vragen, namelijk dat de kwartiermakers hun belangen met sectorpartijen hebben afgestoten?2
De directie van SBK heeft betreffende persoon tijdelijk voor ongeveer één dag per week ingehuurd als manager met als extra opdracht het beheer van de Nationale Milieudatabase accuraat te organiseren. Daarnaast werkt deze persoon op zelfstandige basis als kwartiermaker voor het Instituut Bouwkwaliteit (IBK) en als docent aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Deze werkzaamheden vallen binnen verschillende organisaties met gescheiden verantwoordelijkheden. De kwartiermakers hebben hun werkzaamheden die van invloed zijn op hun activiteiten omtrent de verbeterde kwaliteitsborging afgestoten.
Klopt het dat deze kwartiermaker in zijn hoedanigheid als lid van de Raad van Toezicht van de Stichting Bouwkwaliteit (SBK) mede opdracht heeft gegeven voor een onderzoek naar de kwaliteit van de NMD en dat onderzoek vanuit zijn eigen adviesbureau heeft uitgevoerd? Wekt dit niet enorm de schijn van belangenverstrengeling?
De toenmalige directeur van SBK heeft mede op verzoek van en met instemming van de Raad van Toezicht (RvT) van SBK vanuit hun midden aan betreffende persoon gevraagd een beperkt onderzoek te doen naar de gang van zaken omtrent het beheer van de NMD. De betreffende persoon is hiervoor tijdelijk teruggetreden als lid van de RvT van SBK om daarmee de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Het onderzoek is niet door een extern bureau uitgevoerd. Deze persoon was namens NLingenieurs lid van de RvT van SBK. Per 1 januari 2014 is de betreffende persoon volledig teruggetreden uit de RvT en definitief vervangen door de directeur van NLingenieurs.
Klopt het dat deze kwartiermaker als voorzitter van het Actieteam heeft geadviseerd dat de NMD en SBK met de SibK samen moeten gaan, de SibK die hij als kwartiermaker momenteel opzet?
In het door de sector opgestelde eindverslag van het Actieteam «Routekaart naar private kwaliteitsborging» zijn private kwaliteitsborging en de NMD in een organieke schets bij elkaar gebracht. Er is geen advies uitgebracht of dat uiteindelijk ook in één fysieke organisatie moet samenkomen.
Bent u van mening dat deze stapeling van functies bij één persoon absoluut ongewenst is? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen?
Gegeven de gescheiden verantwoordelijkheden als in antwoord 2 is gegeven, is er geen sprake ongewenste stapeling van functies bij één persoon.
Kunt u een chronologisch overzicht verschaffen van alle opdrachten die door of namens uw ministerie aan deze kwartiermaker zijn verstrekt en een overzicht verschaffen van organisaties en projecten waaraan door uw ministerie subsidie is toegekend en waarbij deze kwartiermaker direct of indirect is betrokken?
Er zijn geen opdrachten verstrekt aan de betreffende kwartiermaker. Wel heeft IBK bij het Ministerie van BZK een verzoek ingediend voor een financiële bijdrage om de beschreven kwartiermakerrol uit te kunnen voeren. Dit initiatief uit de markt past binnen beleidsvoornemens voor een nieuw stelsel van kwaliteitsborging in de bouw waaraan binnen mijn departement reeds werd gewerkt en waar ik inmiddels ook met uw Kamer overleg heb gevoerd. Het initiatief sluit goed aan bij het bredere uitgangspunt dat marktpartijen meer eigen verantwoordelijkheid dienen te nemen ten aanzien van kwaliteitsborging. Vandaar dat ik heb besloten de gevraagde bijdrage te verlenen.
Vindt u het juist dat de voorbereiding van de voorgenomen ingrijpende wijziging van de bouwregelgeving grotendeels in handen is gegeven aan private partijen? Zo ja, vindt u het dan wenselijk dat dit gebeurt met (impliciete) uitsluiting van andere private partijen en acht u de betrokkenheid van alle belanghebbenden daarmee dan voldoende geborgd?
De voorbereiding van de voorgenomen stelselwijziging wordt uitgevoerd door mijn departement. Wel vind ik het goed dat marktpartijen hierop willen anticiperen door het nemen van initatieven. Dit doen zij uiteraard onder voorbehoud van goedkeuring van beleidsvoornemens door het parlement. Het IBK is zo’n een initiatief van marktpartijen. IBK is een private partij in de vorm van een onafhankelijke stichting. IBK geeft, mede gevoed door de markt, adviezen die ik kan benutten bij de verdere vormgeving van mijn beleidsvoornemens en werkt daarnaast aan draagvlak voor deze stelselherziening. De voeding door de markt vindt niet plaats met uitsluiting van private partijen. Betrokkenheid van alle belanghebbenden is geborgd met het instellen van een Stuurgroep onder voorzitterschap van het Ministerie van BZK.
Is bij de verlening van de in deze vragen bedoelde opdrachten c.q. bij het toekennen van subsidies het aanbestedingsrecht op juiste wijze toegepast? Hebben ook andere partijen de kans gehad de betreffende opdrachten dan wel subsidies te verkrijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in antwoord 6 is vermeld, zijn er geen opdrachten aan de betreffende kwartiermaker gegeven. Het verzoek voor een financiële bijdrage is enkel door IBK ingediend. Er zijn geen andere verzoeken ingediend voor dergelijke werkzaamheden.
De komst van het Eritrees voetbalelftal naar Nederland |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het (voormalige) nationale voetbalelftal van Eritrea sinds kort in Nederland verblijft en hier asiel heeft aangevraagd?1 Zo ja: wat is de stand van zaken rond deze aanvragen?
Het is juist dat leden van het voormalige nationale voetbalelftal van Eritrea sinds kort in Nederland verblijven. Zij zijn in 2013 voorgedragen door de VN Vluchtelingenorganisatie (UNHCR) aan Nederland in het kader van hervestiging omdat zij gevaar liepen. Nederland heeft betrokkenen geaccepteerd voor hervestiging.
Deelt u de mening dat deze aanvragen (op grond van de Dublin verordening) moeten worden afgewezen, aangezien de betreffende vreemdelingen (veilig) in Roemenië verbleven voordat ze naar Nederland kwamen? Zo neen, waarom niet?
Ik deel uw mening niet. De betreffende Eritrese vluchtelingen waren door UNHCR eind 2013 verplaatst naar het Emergency Transit Centre (ETC) in Roemenië, waar op tijdelijke basis (maximaal 6 maanden) vluchtelingen verblijven die in veiligheid moeten worden gebracht vanwege levensbedreigende omstandigheden. Vanuit het ETC worden vluchtelingen vervolgens overgebracht naar het land dat de vluchteling zal hervestigen.
Heeft Nederland een actieve rol gespeeld in het naar Nederland halen van deze vreemdelingen? Zo ja, kunt u deze (gelet op bovenstaande vraag) zeer domme actie uitleggen?
Zie het antwoord op vraag 1
Wat doet u teneinde de explosief toegenomen instroom van asielzoekers uit Eritrea in te dammen?
Ik bericht uw Kamer separaat over de maatregelen die ik heb getroffen en tref met betrekking tot de verhoogde instroom.
De hoge kosten voor gemeenten vanwege het stallen van scootmobielen bij wooncomplexen door het scheiden van wonen en zorg |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat diverse gemeenten, maar soms ook vastgoedeigenaren of gebruikers van scootmobielen, tegen hoge onvoorziene kosten aanlopen vanwege het rijksbeleid voor het scheiden van wonen en zorg, omdat veel wooncomplexen en appartementengebouwen op dit moment niet geschikt zijn voor het veilig stallen van scootmobielen, in verband met brandgevaar, rookontwikkeling, vluchtwegen die vrijgehouden moeten worden, en gemeenten op last van de brandweer deze woongebouwen en appartementencomplexen grondig moeten verbouwen, zodat scootmobielen op een veilige manier gestald kunnen worden?1
Van de gemeente Zwolle begrijp ik dat zij ten aanzien van de stalling van scootmobielen vooral tegen problemen aanlopen bij appartementencomplexen waar door de jaren heen de bewoners steeds ouder zijn geworden. Deze appartementencomplexen zijn thans vaak niet ingericht om scootmobielen veilig te stallen.
Hulpmiddelen als scootmobielen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid/ participatie van mensen met (mobiliteits)beperkingen. Het stallen van scootmobielen is geen nieuw vraagstuk; ook in het verleden zal deze situatie zich vaak hebben voorgedaan en hebben gemeenten bij eerdere toekenningen van scootmobielen gekeken in hoeverre stalling een probleem was.
Ook voor mensen die in instellingen verblijven en gebruik maken van een scootmobiel dient overigens voorzien te zijn in een veilige stalling.
Op grond van de mij ter beschikking staande informatie heb ik geen directe aanleiding te veronderstellen dat het aantal scootmobielen van thuiswonenden toeneemt. Uit de benchmark van SGBO over 2012, waaraan 107 gemeenten hebben meegewerkt, blijkt dat de uitgaven van gemeenten aan scootmobielen zijn gedaald. Ook bij de gemeente Zwolle is – conform de landelijke trend – sprake van een daling in het aantal nieuw toegekende scootmobielen.
Wanneer er, zoals in Zwolle, sprake is van een probleem met het stallen van de scootmobielen is het van belang om in die betreffende situatie te bekijken hoe een goede voorziening kan worden getroffen, met oog voor kwaliteit en doelmatigheid van de oplossing. Voor de gemeente Zwolle geldt dat daar waar sprake is van een hoge concentratie van scootmobielen bij wooncomplexen ook naar andere innovatieve oplossingen wordt gezocht.
Er is geen aanleiding gemeenten voor deze problematiek te compenseren, nu het een vraagstuk betreft dat voortvloeit uit de verantwoordelijkheid die gemeenten op grond van de Wmo reeds dragen. Daarbij hebben ook de cliënten zelf de verantwoordelijkheid om daar waar mogelijk dit vraagstuk bespreekbaar te maken bij hun verhuurder of VVE. Daar waar gewenst kunnen gemeenten en cliëntondersteuner de cliënt hierin ondersteunen.
Op welke wijze dienen gemeenten om te gaan met de hoge kosten (tonnen tot miljoenen euro's door verbouw en huurderving van stallingsruimte) om wooncomplexen veilig te maken als het gaat om het stallen van scootmobielen?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn de onvoorziene kosten voor het veilig stallen van scootmobielen in wooncomplexen bij de wijziging van het beleid rondom wonen en zorg voorzien? Zo ja, op welke wijze worden gemeenten hiervoor gecompenseerd? Zo nee, acht u dit een wenselijk effect van uw beleid?
Zie antwoord vraag 1.
In Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Brunei Darussalam: Revoke new Penal Code allowing stoning, whipping and amputation»?1
Ja.
Kunt u uw oordeel geven over deze in Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving? Deelt u de zorgen van Amnesty International hierover?
Het van kracht worden van de strafrechtelijke bepalingen van de «Syariah Penal Code» (SPC), geeft aanleiding tot zorg. De sharia was al van toepassing op het familierecht en wordt met invoering van de SPC in drie fases qua werkingsgebied verder uitgebreid. De eerste fase werd van kracht op 1 mei 2014. Het betreft in deze fase overtredingen die tot een geldboete of gevangenisstraf kunnen leiden. In de tweede fase van invoering, waarschijnlijk in de tweede helft van 2015 en in ieder geval 12 maanden na publicatie van uitvoeringsbepalingen neer te leggen in de «Syariah Criminal Procedure Code» (SCPC), wordt fysieke bestraffing mogelijk.
Herinnert u zich uw uitlatingen tijdens een debat in november 2013 dat er op het gebied van de mensenrechten in Brunei Darussalam sprake is van verslechtering, met name door de invoering van de sharia en dat u zich in Europees verband met uw collega’s zult verstaan over de manier waarop de EU het beste hierop kan reageren?2
Ja.
Kunt u aangeven wat het resultaat hiervan is? Hoe reageert de EU op de in Brunei Darussalam aangenomen wetgeving?
De Nederlandse zorgen worden in EU kader breed gedeeld. Dit kwam aan de orde bij de bespreking over de voortgang van de onderhandelingen over het Partnerschaps- en Samenwerkingsverdrag met Brunei Darussalam die medio 2012 werden gestart. Er bestaat overeenstemming niet tot parafering over te gaan alvorens de mensenrechtensituatie en in het bijzonder de uitwerking van de invoeringsbepalingen van de SPC door de EU opnieuw zijn beoordeeld.
Tijdens de «Universal Periodic Review» van Brunei Darussalam in het kader van de de Mensenrechtenraad op 2 mei 2014 heeft Nederland zorgen over de invoering van de SPC kenbaar gemaakt en bepleit dat deze wet wordt uitgewerkt in overeenstemming met internationale maatstaven voor mensenrechten.
Kunt u verder aangeven wat voor invloed de in Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving heeft op de warme banden tussen het Koningshuis en de Sultan van Brunei en op de nauwe betrekkingen tussen beide landen?
In lijn met de besprekingen in EU verband zal de wijze waarop de SPC verdere uitwerking krijgt in uitvoeringsbepalingen worden afgewacht.
De aangenomen motie Omtzigt (33750 V nr. 30) |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de door de Kamer aangenomen motie-Omtzigt van 27 november 2013, die stelt dat de Nederlandse regering niet altijd op de hoogte is van veroordelingen van Nederlanders voor zedendelicten in het buitenland; constateert dat deze delinquenten daardoor een VOG (verklaring omtrent het gedrag) kunnen krijgen in Nederland en aan de slag kunnen in bijvoorbeeld de kinderopvang; en de regering verzoekt in kaart te brengen welke informatie uitgewisseld wordt en met welke landen en binnen vier maanden met dit overzicht te komen en een plan van aanpak met Memorandums of Understanding en verdragen om deze informatie altijd te ontvangen, zodat kinderen in Nederland en elders beter beschermd worden?1
Ja.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen?
Op grond van het Europees verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken uit 1959 en het kaderbesluit 2005/876/JBZ stelt elke centrale autoriteit de centrale autoriteiten van de andere lidstaten onverwijld in kennis van de strafvonnissen en van de nadien met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen die ten aanzien van onderdanen van deze lidstaten zijn uitgesproken en in het strafregister zijn opgenomen. Dit betekent dat Nederland ten aanzien van Nederlanders door andere EU lidstaten op de hoogte wordt gesteld van strafvonnissen uit die EU-lidstaten. Deze vonnissen worden in de Nederlandse Justitiële gegevens opgenomen en worden in voorkomend geval meegenomen in de beoordeling voor de Verklaring Omtrent het Gedrag.
Volgens de richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, waarvan de implementatietermijn op 18 december 2013 jl. afliep, wisselen EU-landen informatie uit over veroordelingen van EU-onderdanen voor zedenmisdrijven. Ook als deze informatie verband houdt met een procedure die betrekking heeft op de toegang tot werkzaamheden waarbij sprake is van regelmatig contact met kinderen. Indien een EU-onderdaan (bijvoorbeeld een Nederlander) in een ander EU-land (bijvoorbeeld Duitsland) wordt veroordeeld voor een zedendelict, dan behoort Duitsland dit volgens eerdergenoemd rechtshulpverdrag en de afspraken rond het European Criminal Records Information System (ECRIS) te melden aan Nederland. In het geval de betrokkene in een ander EU-land (bijvoorbeeld België) solliciteert, kan de centrale autoriteit van België in Nederland informeren of relevante justitiële antecedenten aan de orde zijn die een bezwaar vormen voor het werken met kinderen. De Duitse veroordeling wordt dan door Nederland aan België gemeld.
In Nederland wordt deze relevante justitiële informatie van een EU-onderdaan die in Nederland met kinderen wil gaan werken door de dienst Justis betrokken bij de aanvraag van de VOG. Sinds oktober 2012 heeft Justis ruim 7.300 van dit soort verzoeken om informatie uitgezet. In vier gevallen heeft dit geleid tot de weigering van de VOG-aanvraag. De volgende landen werken nog niet volledig mee aan de informatieverzoeken die door Nederland in het kader van de Europese uitwisseling van informatie over zedendelicten worden uitgezet: Zweden, Hongarije, Ierland en Oostenrijk. Via de Europese Commissie worden deze landen aangesproken op het naleven van de bovengenoemde richtlijn. Er wordt niet apart geregistreerd in hoeveel gevallen de VOG is geweigerd aan iemand met een Nederlands paspoort voor een veroordeling voor een zedendelict in het buitenland.
In tegenstelling tot de afspraken die gelden binnen EU-verband, wordt niet op structurele wijze strafrechtelijke informatie uitgewisseld met landen buiten de EU. De belangrijkste redenen daarvoor zijn gelegen in het feit dat de strafmaat en wijze van registratie van veroordelingen in niet EU-landen onvoldoende zijn geharmoniseerd. Bovendien is de uitwisseling van strafrechtelijke informatie gebaseerd op het principe van wederkerigheid. Nederland is terughoudend met het delen van informatie met landen buiten de EU waar de rechtsbescherming van het individu onvoldoende is gewaarborgd.
De informatie-uitwisseling met landen buiten de EU vindt wel plaats, maar op gevalsbasis. Hierbij moet vooral worden gedacht aan de gevallen waarin sprake is van strafrechtelijke opsporing of vervolging van een zedendelinquent, en waarin Nederland informatie heeft die voor het vervolgende land van belang is. Evenzeer kan de omgekeerde situatie zich voordoen: een onderzoek in Nederland waarvoor buitenlandse informatie benodigd is. Dergelijke informatie-uitwisseling vindt plaats door middel van een internationaal rechtshulpverzoek. Deze vorm van informatie-uitwisseling, die voor een gedeelte plaatsvindt op politieel niveau, kan in het gros van de gevallen plaatsvinden zonder dat daarvoor een verdrag vereist is. Voor zover dat laatste wel het geval is, kan het VN-verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (het UNTOC-verdrag) dienen als grondslag voor rechtshulpverlening indien het delict georganiseerd van aard en grensoverschrijdend is. Bij dit verdrag zijn 176 landen aangesloten.
Met betrekking tot de informatie over gedetineerden in buitenlandse gevangenissen buiten de EU, die consulaire bijstand ontvangen, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de afgelopen twaalf maanden (peildatum begin juni 2014) geconstateerd dat in zes zaken de aanklacht luidt «sexual abuse of a minor». De landen waar deze zaken bekend zijn, zijn: Australië, Filipijnen, Suriname, Thailand en de Verenigde Staten. Buitenlandse Zaken ontvangt geen informatie van buitenlandse overheden over veroordelingen in strafzaken. De informatie komt veelal van de gedetineerde, zijn advocaat of familie.
Nederland heeft concreet aan Thailand verzocht om een verdrag te sluiten ter bevordering van de uitwisseling van informatie over zedendelinquenten. Mede gelet op de recente politieke ontwikkelingen in Thailand heeft dit verzoek nog niet geresulteerd in concrete acties. Een en ander illustreert dat het sluiten van verdragen met bronlanden van kindersekstoerisme zeer complex is. Mede in dit verband verkent Nederland samen met andere Europese landen de mogelijkheden om nauwer samen te werken met Interpol om het alerteringssysteem van Interpol beter te benutten ter voorkoming van kindersekstoerisme. Tevens wordt onderzocht of naar voorbeeld van de VOG-systematiek in Nederland in samenwerking met Interpol een «internationale VOG» kan worden gecreëerd om het risico te beperken dat daders van zedenmisdrijven niet zomaar in een ander land bij of met kinderen kunnen werken.
Tot slot wijs ik uw Kamer op het plan van aanpak kindersekstoerisme dat op 19 oktober 2013 naar uw Kamer is gestuurd. Dit plan kent een meerjarig karakter en is gebaseerd op een drietal actielijnen te weten: 1) Inzet op preventie 2) Strafrechtelijke aanpak en 3) Nationale en internationale samenwerking. In reactie op de motie van de leden Voordewind en Segers over het intrekken van het paspoort bij veroordeelde pedoseksuelen, heb ik als actie opgenomen dat in voorkomende gevallen bij veroordeelde pedoseksuelen met een hoog recidiverisico wordt overgegaan tot de indiening van een verzoek tot het weigeren of vervallen verklaren van het paspoort (TK 2013–14 31 015, nr. 95). Halfjaarlijks wordt uw Kamer in de voortgangsbrief kinderpornografie en kindersekstoerisme geïnformeerd over de voortgang van alle in het plan van aanpak opgenomen maatregelen. De eerstvolgende voortgangsrapportage wordt komende juli aan uw Kamer toegezonden.
Van hoeveel en van welke landen heeft u de afgelopen 12 maanden informatie ontvangen over Nederlanders die voor een zedendelict veroordeeld zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Van hoeveel mensen met een Nederlands paspoort is een veroordeling voor een zedendelict in het buitenland bekend, waardoor zij in Nederland op dit moment geen Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen ontvangen om bijvoorbeeld in de kinderopvang te gaan werken?
Zie antwoord vraag 2.
Indien iemand uit land A komt en in land B veroordeeld is (zoals Robert M. die uit Letland komt en in Duitsland veroordeeld was), kan hij dan in Nederland een VOG krijgen als hij geen veroordelingen in land A of Nederland heeft?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen acht u noodzakelijk om internationale gegevens uit te wisselen zodat mensen die in één land voor zedenmisdrijven veroordeeld worden, niet zomaar in een ander land bij of met kinderen kunnen werken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat België op dit moment akkoord gaat met het feit dat kranten 0% btw in rekening brengen op hun digitale abonnementen?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Luxemburg 3% btw in rekening brengt op digitale kranten en boeken sinds 1/1/2012 en daarmee een bedrijf als Amazon binnengetrokken heeft dat al haar digitale boeken in de EU nu via Luxemburg verkoopt?
Ja, ik heb kennis genomen van het feit dat Luxemburg 3% btw in rekening brengt op digitale kranten en boeken sinds 1 januari 2012. Ook is bekend dat bedrijven als Amazon zich in het verleden in Luxemburg hebben gevestigd. Of het verlaagde btw-tarief op digitale kranten en boeken de enige reden is voor die bedrijfsbeslissing kan ik niet beoordelen.
Heeft u er ook kennis van genomen dat de EU Luxemburg wel voor het Hof in Luxemburg gesleept heeft, maar dat Luxemburg ondertussen gewoon doorgaat met het in rekening brengen van 3% btw op e-boeken en e-kranten?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Frankrijk de btw op e-boeken verlaagde naar 7% en vervolgens naar 5,5%, ondanks een infractieprocedure?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Frankrijk de btw op alle online media recentelijk zelfs verlaagd heeft tot 2,1%?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat als een uitgever zijn krant of boeken nu vanuit bijvoorbeeld Luxemburg laat uitgeven, hij dan 3% btw in rekening kan brengen aan Nederlandse klanten in plaats van de 21% btw die hij nu in rekening moet brengen op e-kranten?
Ik ga er vanuit dat wordt gedoeld op het aanbieden van een digitale krant vanuit een server in Luxemburg. Het downloaden daarvan kwalificeert voor de btw als een elektronische dienst. Het gegeven voorbeeld klopt onder deze aanname nu nog wel, maar vanaf 1 januari 2015 niet meer.
Waar de elektronische dienst belast wordt, is namelijk afhankelijk van de regels op grond waarvan wordt bepaald waar de dienst voor de heffing van btw wordt geacht te zijn verricht. De plaats van dienst hangt volgens de huidige hoofdregel af van de hoedanigheid van de afnemer. Is de afnemer een ondernemer voor de btw, dan is de plaats van dienst – en dus van btw-heffing – de plaats (de lidstaat) waar de afnemende ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft. In het gegeven voorbeeld is dit Nederland, zodat in dat geval het Nederlandse btw-tarief van toepassing is. Omdat de btw-richtlijn geen verlaagd btw-tarief op elektronische diensten toestaat, is het algemene Nederlandse btw-tarief van toepassing.
Neemt een ander dan een ondernemer (bijvoorbeeld een particuliere consument) de langs elektronische weg verrichte dienst af, dan is deze dienst belast op de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is dan wel een vaste inrichting heeft van waaruit de dienst wordt verricht. In het gegeven voorbeeld is dit Luxemburg, waar vervolgens in strijd met de btw-richtlijn een verlaagd btw-tarief op die dienst wordt toegepast.
Met ingang van 1 januari 2015 kent de Europese btw-regelgeving nog maar één regel voor het bepalen van de plaats van dienst van een telecommunicatie-, omroep- of elektronische dienst. Genoemde diensten zijn dan altijd belast in het land waar de afnemer woont of is gevestigd. Daarbij maakt het niet uit of die afnemer een belastingplichtige btw-ondernemer of niet-belastingplichtige (veelal particuliere consument) is noch waar de dienstverrichter zelf is gevestigd. In het gegeven voorbeeld is dan altijd Nederlandse btw verschuldigd, ondanks dat de onderneming die de dienst verricht in Luxemburg is gevestigd.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Duitse regering, waarin deze zich voorstander verklaart van het lage tarief op e-boeken?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er al tijden een prejudiciële vraag bij het Europees Hof in Luxemburg ligt, die zou kunnen leiden tot een gelijkstelling van het btw-tarief op e-boeken met dat op boeken (zaak HvJ EU 22 april 2013, zaak C-219/13 (K Oy)), omdat in die zaak terecht gesteld wordt dat boeken en e-boeken in essentie gelijk zijn maar dat een verschillende informatiedrager gebruikt wordt en dat er dus geen verschil zou moeten zijn in het btw-tarief?
Ik ben bekend met de bij het Europese Hof van Justitie aanhangige procedure. Op 14 mei 2014 heeft de Advocaat-Generaal van het Europese Hof van Justitie geconcludeerd in deze zaak. Het geschilpunt is of een verschillende behandeling is toegestaan van de levering van goederen die deel uitmaken van dezelfde tariefpost in de btw-richtlijn (hier: «de levering van boeken, op alle fysieke dragers,[...]»). Meer specifiek gaat het over luisterboeken en andere boeken, die op andere fysieke dragers dan papier zijn opgeslagen en de geschreven tekst van een gedrukt boek weergeven. In Nederland geldt het verlaagde btw-tarief nu al voor alle boeken, ongeacht de fysieke drager waarop zij zijn opgeslagen. In dat opzicht is de beantwoording van de onderhavige prejudiciële vraag voor de Nederlandse tarieftoepassing dan ook niet van belang. Voor de volledigheid merk ik nog op dat het btw-tarief op het downloaden van e-boeken niet ter discussie staat in de zaak «K Oy».
Heeft u wegen om met andere EU-landen aan te dringen op een snelle beantwoording van die vraag, omdat dat zou kunnen leiden tot een eind in deze lang slepende impasse?
Zie antwoord vraag 8.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Peters (Kamerstuk 32 827, nr. 36) die de regering in 2012 opriep om zich in Europa sterk te maken voor een EU-breed laag btw-tarief voor digitale nieuwsproducten en boeken?
Ja.
Welke acties heeft Nederland ondernomen in de EU sinds de motie-Peters, zoals het agenderen op een Ecofin Raad, het organiseren van een conferentie, bilateraal overleg of andere acties?
Zowel vóór als na de motie-Peters heeft Nederland zich ingespannen om de mogelijkheid van een gelijke behandeling van fysieke en digitale producten te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld in de Nederlandse reactie op het Groenboek dat de Europese Commissie in 2010 uitbracht over modernisering van de btw.3 In deze reactie is onder andere aangegeven om de discussie over inconsistentie in de tariefindeling, zoals de toepassing van het verlaagde btw-tarief op drukwerk en van het algemene btw-tarief op e-boeken, niet uit de weg te gaan. Op 6 december 2011 volgde op het Groenboek een mededeling van de Europese Commissie waarin onder andere een herziening van de tariefstructuur wordt overwogen.4
Van Nederlandse zijde is richting de Franse overheid herhaaldelijk steun uitgesproken voor de Franse inzet om in de EU een verlaagd btw-tarief mogelijk te maken voor digitale boeken en kranten. Deze steunbetuiging is voorts neergelegd in een brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Europese Commissie. Daarbij is de wens benadrukt om de (tarief)inconsistentie en concurrentieverstoring tussen digitale boeken en kranten, en boeken en kranten op alle soorten fysieke dragers weg te nemen.
Daarnaast heeft Nederland ook in diverse gremia op (hoog) ambtelijk niveau steun gegeven aan het grondbeginsel dat vergelijkbare goederen en diensten onderworpen moeten zijn aan hetzelfde btw-tarief. Deze inspanningen, samen met gelijkgestemde lidstaten, mondden uit in één van de conclusies van de Europese Raad van 24 en 25 oktober 2013 waarin de Europese Commissie wordt aangespoord «in haar lopende btw-evaluatie [....] ook aangelegenheden aan de orde [te] stellen die specifiek zijn voor de digitale economie, zoals gedifferentieerde belastingtarieven voor digitale en fysieke producten.»5
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat e-boeken, digitaal nieuws en luisterboeken eindelijk onder het verlaagde tarief gaan vallen onder EU-recht en dat iedereen dan ook datzelfde lage btw-percentage hanteert?
Zoals aangegeven is reeds voorzien dat vanaf 1 januari 2015 het leveren van e-boeken en andere langs elektronische weg verrichtte diensten in alle gevallen belast wordt tegen het btw-tarief van de lidstaat van de afnemer. Van een ongelijke behandeling door deze diensten vanuit een andere lidstaat (met een lager btw-tarief) aan te kopen, zal dan niet langer sprake zijn. Dit neemt niet weg dat dan nog steeds geen gelijke behandeling (verlaagd btw-tarief) mogelijk is van fysieke en digitale producten onderling. Daarvoor is nieuwe Europese regelgeving vereist. De komende evaluatie van de Europese Commissie biedt hiervoor het aangrijpingspunt. Nederland zal zich in dat kader er voor inzetten dat, wanneer de Europese Commissie een voorstel voor eventuele aanpassing van de btw-richtlijn met betrekking tot digitale producten doet, een prioritaire behandeling wordt nagestreefd door de lidstaten.
Wat betreft de in deze vraag vervatte wens voor eenzelfde verlaagd btw-taref voor iedereen die e-boeken, digitaal nieuws en luisterboeken levert nog het volgende. Het verlaagde btw-tarief voor boeken, op alle fysieke dragers, kranten en tijdschriften is een zogenoemde kanbepaling in de btw-richtlijn. Dit betekent dat een lidstaat kan kiezen om al dan niet het verlaagde btw-tarief toe te passen. De hoogte van de btw-tarieven is, binnen bepaalde marges, eveneens aan de lidstaten om te bepalen. Het al dan niet dwingend voorschrijven van een verlaagd btw-tarief op een bepaalde categorie goederen of diensten, eventueel gekoppeld aan een minimum- of maximumtarief, is aan de lidstaten om met unanimiteit te beslissen. Alleen in dat geval kan de btw-richtlijn worden aangepast.
Waar het gaat om voorstellen van de Europese Commissie zal uw Kamer daar op gebruikelijke wijze over worden geïnformeerd door middel van een BNC-fiche. Vervolgens is het aan de lidstaten om met unanimiteit de btw-richtlijn al dan niet aan te passen.