Het bericht dat de marineleiding helikopters wil kopen als alternatief voor de NH-90 |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marineleiding wil ruilheli’s kopen?»1
Ja.
Deelt u de mening dat u, na het debacle met de NH-90, zo snel mogelijk een alternatieve gevechtshelikopter moet aanschaffen om te voorkomen dat de Koninklijke Marine jarenlang niet operationeel kan worden ingezet?
Nee. De corrosie- en slijtageproblematiek heeft weliswaar grote gevolgen voor het tempo waarmee de NH-90 in de krijgsmacht kan worden geïntroduceerd, maar de inzet is om die problemen samen met NAHEMA en de fabrikant op te lossen. Daaraan wordt nu hard gewerkt. Voor het capaciteitstekort de komende jaren worden compenserende maatregelen uitgewerkt. De NH-90 helikopters functioneren indien inzetbaar naar wens. Zo was de inzet van de NH-90 helikopter tijdens de antipiraterijmissie voor de kust van Somalië en in het Caribisch gebied succesvol.
Dat de Koninklijke Marine jarenlang niet operationeel kan worden ingezet, is een verkeerde voorstelling van zaken. In mijn brief van 27 juni jl. over de voortgang van het NH-90 project (Kamerstuk 2014Z12237) en in het algemeen overleg over de NH-90 op 2 juli jl. heb ik u bijvoorbeeld gemeld dat de helikoptercapaciteit in grote lijnen toereikend is voor antipiraterijmissies, maar dat voor inzet in het Caribisch gebied aanvullende capaciteit zal moeten worden gevonden. Dat kan onder meer door de inzet van een Cougar vanaf Curaçao of van een helikopter van de US Coast Guard aan boord van onze schepen.
Klopt het dat door het ontbreken van een gevechtshelikopter op marineschepen o.a. de antipiraterijmissies niet optimaal kunnen worden uitgevoerd en goedgetrainde piloten en andere experts massaal Defensie zullen verlaten?
Indien de schepen niet worden uitgerust met een boordhelikopter, zijn er gevolgen voor de operationele inzetmogelijkheden. De Kamer is daarover eerder geïnformeerd, bijvoorbeeld in de brief over de inzet van maritieme helikopters in 2013 (Kamerstuk 32 706, nr. 43 van 10 april 2013). Zo zullen de mogelijkheden afnemen om objecten in een zeegebied te detecteren en te onderscheppen. Zeegebieden worden minder doeltreffend bewaakt. Daarnaast is het lastiger om medische evacuaties en search and rescue taken uit te voeren.
Defensie stelt dan ook alles in het werk om alsnog vervangende helikoptercapaciteit te verkrijgen, dan wel andere maatregelen te treffen om de beperkingen zo veel mogelijk op te heffen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat in de buurt wordt geopereerd van een schip met een role 2 capaciteit aan boord. Over dit soort maatregelen hebben wij ook van gedachten gewisseld tijdens het algemeen overleg over de verlenging van Ocean Shield en Atalanta op 22 januari 2014.
Welke mogelijkheden ziet u om bijvoorbeeld SH-60 Seahawks te kopen, die momenteel in de etalage staan bij de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland?
Defensie werkt momenteel compenserende maatregelen uit om het capaciteitstekort te verminderen, waaronder de inzet van extra eigen Cougar-helikopters. Er is vooralsnog geen aanleiding om de aanschaf van een ander helikoptertype te overwegen.
Deelt u de mening dat u zo snel mogelijk voldoende (financiële) middelen moet krijgen om uw operationele taken uit te voeren? Zo ja, bent u bereid te bevorderen dat het defensiebudget voor volgend jaar fors wordt verhoogd?
De defensie-uitgaven maken deel uit van de integrale afweging tijdens de begrotingsbesprekingen.
De veel te linkse publieke omroep |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van Cultuur: NPO te links»?1
Ja.
In hoeverre begrijpt u dat velen in Nederland de visie van de heer Weggeman, dat de publieke omroep een te hoog VARA-gehalte heeft, delen?
Uit het betoog van de heer Weggeman heb ik begrepen dat hij het belang wilde benadrukken van talentontwikkeling, innovatie en pluriformiteit bij de publieke omroep. Ik baseer dat op de reactie van de Raad voor Cultuur van 15 juli jl. in NRC Handelsblad.
Daarnaast onderschrijf ik uw aanname niet dat: «velen in Nederland de visie van de heer Weggeman, dat de publieke omroep een te hoog VARA-gehalte heeft, delen». Ik verwijs u graag naar de conclusies van onderzoek op dit punt die dit beeld nuanceren.
Uit imago onderzoek van november 2013 van Ipsos in samenwerking met de NPO, blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders – 66% – de publieke omroep noch links noch rechts vindt. 30% vindt de publieke omroep links en 5% rechts. De uitkomsten zijn representatief voor de Nederlandse bevolking van 13 jaar en ouder.
Ook relevant is het onderzoek van de Nederlandse Nieuwsmonitor naar de diversiteit en pluriformiteit in de nieuws- en opinieprogrammering van de publieke omroep. Hieruit blijkt dat een meerderheid van de politici die aan het woord zijn in dit type programma uit een rechtse partij komt, te weten ruim 60%. Alleen in Pauw&Witteman waren ten tijde van het onderzoek in 2011 meer linkse dan rechtse politici te zien.2
Verder is er een grote diversiteit aan nieuws- en actualiteiten programma’s bij de Nederlandse publieke omroep. Die variëren van WNL op zondag tot Buitenhof en van Eenvandaag tot Nieuwsuur. De VARA maakt een aantal veelbekeken actualiteiten programma’s. Dat rechtvaardigt naar mijn mening de conclusie niet dat de publieke omroep als geheel een «te hoog VARA gehalte» heeft.
Kunt u aangeven op welke wijze u de veel gehoorde en terechte kritiek, dat de publieke omroep veel te links georiënteerd is, meeneemt in uw beleid en hoe u deze linkse onevenwichtigheid tracht te herstellen?
Ik sta wel voor een onafhankelijke en pluriforme publieke omroep. Een omroep die een weerspiegeling is van diverse opinies en geluiden in het maatschappelijk debat, die onderscheidend programmeert en waar creatieve competitie leidend is. Ik verwijs u verder naar mijn beleidsbrief over het publieke mediabestel, die ik binnenkort naar uw Kamer zal sturen. Ik zal daarin uiteenzetten welke acties nodig zijn om de publieke omroep ook in de toekomst die diversiteit aan opinies een plek te geven in het bestel.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk toe te werken naar de ontmanteling van de publieke omroep in haar huidige vorm en te komen tot een publieke omroep die slechts bestaat uit één neutraal informatief net? Zo neen, waarom niet?
Nee. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Het bericht dat de Arubaanse premier Mike Eman in hongerstaking gaat |
|
Sybrand van Haersma Buma (CDA), Wassila Hachchi (D66), Alexander Pechtold (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Berust het bericht «Premier Aruba in hongerstaking» op waarheid?1 Is het waar dat de premier van Aruba in hongerstaking gaat uit protest tegen besluiten van de Rijksministerraad, die genomen zijn onder druk van de Nederlandse ministers daarin? Wat is uw reactie hierop?
De heer Eman heeft publiek verklaard dat het gerezen geschil tussen de Rijksministerraad en de regering van Aruba voor hem aanleiding was voor een hongerstaking. Toen ik hem gisteren belde heeft hij dat bevestigd.
Indien het bericht over de hongerstaking waar is, acht u het in dat geval, voor het internationaal aanzien van Nederland en het Koninkrijk als rechtstaat, niet schadelijk dat een minister-president van een land van het Koninkrijk geen andere mogelijkheid ziet dan een hongerstaking om te protesteren tegen onrechtmatige beslissingen van de Rijksministerraad? Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Kunt u een feitenrelaas geven over wie (zowel ambtenaren als bewindspersonen), wat, waar, wanneer heeft ondernomen? Wat heeft Nederland gedaan om deze situatie te voorkomen en welke stappen worden nu ondernomen?
De Rijksministerraad heeft op 11 juli 2014 de Gouverneur van Aruba gevraagd onderzoek te doen naar de realiteit van de begroting 2014 van Aruba.
Aan de beslissing in de Rijksministerraad is een lang proces voorafgegaan.
Al enkele jaren zijn de zorgen over de overheidsfinanciën onderwerp van gesprek met de regering van Aruba. Getracht is te bezien hoe Nederland aan de oplossing van de problematiek van Aruba kon bijdragen. Op 13 maart 2013 is met Aruba een protocol overeengekomen dat voorziet in de mogelijkheid dat Nederland inschrijft op openbare aanbiedingen van obligatieleningen in Aruba op voorwaarden vergelijkbaar met die ook voor Curaçao en St. Maarten gelden, te weten dat beoordeling plaatsvindt aan de hand van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingcapaciteit. Aan deze voorwaarden heeft Aruba niet voldaan.
Dezelfde zorgen die de Nederlandse regering heeft, zijn ook geuit in rapportages van het IMF, van de Raad van Advies van Aruba en de Centrale Bank van Aruba, en zijn ook gedeeld met uw Kamer, onder meer in mijn brief van 15 april 2014.
Naar aanleiding van de benodigde instemming van de Rijksministerraad voor het aangaan van buitenlandse leningen door Aruba (artikel 29 Statuut) zijn in de Rijksministerraad op 7 februari 2014 afspraken gemaakt met Aruba. Die afspraken behelsden «een uiterlijk 1 mei 2014 vastgestelde begroting 2014 met daarbij tevens een meerjarenraming (tot en met 2017) die ook in meerjarenperspectief structureel en materieel in evenwicht is, daarin verwerkt additionele maatregelen om het genoemde begrotingsevenwicht te herstellen met in ogenschouw de eerdere IMF advisering. De begroting en het meerjarig beeld door een onafhankelijke derde te laten beoordelen».
Vervolgens is in maart 2014 op hoogambtelijk niveau een bezoek gebracht aan Aruba, waarbij met de minister-president en de minister van Financiën uitgebreid is gesproken over de afspraken van de Rijksministerraad. Voorts zijn de met de minister-president en de minister van Financiën van Aruba besproken zorgen ook gedeeld met de Staten van Aruba, en diverse instanties op het eiland, zoals de Centrale Bank, de Algemene Rekenkamer en de Raad van Advies. Ter gelegenheid van dit bezoek heeft de regering van Aruba voorgesteld zelf een voorstel te doen voor de beoordeling door een onafhankelijke derde.
In april 2014 en ook nog onlangs, ter gelegenheid van bezoeken van de minister van Financiën van Aruba aan Nederland, is hetzelfde gespreksonderwerp uitgebreid met hem gedeeld. Op 28 mei 2014 heb ik schriftelijk de regering van Aruba andermaal gewezen op onze zorgen en op de eerder gemaakte afspraken binnen de Rijksministerraad. Aruba is er bij die gelegenheden telkens op gewezen dat aan de afspraken nog geen uitvoering was gegeven.
Op 3 juli 2014 zijn met de minister-president van Aruba afspraken gemaakt, neergelegd in een gezamenlijke persverklaring over het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek door het secretariaat van het Cft (zie bijgevoegd).2 In de verklaring is onder punt 3 het volgende opgenomen: «Op verzoek van Aruba en Nederland wordt dit onderzoek uitgevoerd in de vorm van een onafhankelijk secretariaatsrapport van een team bestaande uit deskundigen met ervaring in met overeenkomstige taken belaste organen in Koninkrijksverband». Voor de minister-president van Aruba, de minister-president van Nederland en mijzelf was het evident dat dit betrekking had op secretariaat Cft; dat is immers het enige orgaan binnen het Koninkrijk dat met een dergelijke overeenkomstige taak is belast. Met deze afspraak leek de noodzaak voor een aanwijzing aan de Gouverneur van de baan.
De regering van Aruba heeft evenwel vorige week via twee brieven, en in daarop volgende telefoonconferenties van minister-president Eman, met minister-president Rutte en mijzelf te kennen gegeven deze afspraken niet te willen nakomen. Dat heeft de Rijksministerraad aanleiding gegeven vrijdag 11 juli 2014 alsnog te besluiten tot het verzoek aan de Gouverneur van Aruba.
Het koninklijk besluit, dat is gebaseerd op artikel 15 jo. artikel 21 van het Reglement van de Gouverneur, is vandaag gepubliceerd in de Staatscourant. U ontvangt met deze antwoorden een afschrift van het koninklijk besluit.3
Samenvattend: er is toenemende zorg is over de realiteit van de overheidsfinanciën van Aruba. Er is de afgelopen jaren sprake van telkens grote tekorten op de begroting, met een oplopende staatsschuld, ook in de eigen ramingen van Aruba, die zonder afdoende actie nu snel onbeheersbaar kan worden. Een betrouwbare meerjarenbegroting ontbreekt, terwijl voorts jaar na jaar is gebleken dat de eigen ramingen van Aruba te optimistisch zijn: de noodzaak tot het telkens opstellen van suppletoire begrotingen slechts enkele maanden na het vaststellen van de begroting draagt aan dit beeld bij. Aan Aruba is herhaaldelijk geadviseerd een onafhankelijke, deskundige toets uit te voeren voordat de begroting 2014 bij de Gouverneur zou worden ingediend. De regering van Aruba heeft dit evenwel niet gedaan.
Voor het overige procesmatige en financieel-inhoudelijke feitenrelaas verwijs ik u naar de toelichting in het bijgeleverde koninklijk besluit.
Ten slotte: minister-president Eman stelt dat door toedoen van de Rijksministerraad geen geld meer geleend zou kunnen worden om uitkeringen en salarissen te betalen. Dat is niet het geval. Voor lopende uitgaven kan Aruba ook zonder ondertekening van de begroting geld lenen, op basis van een aparte landsverordening. Voor een eventuele lening op de buitenlandse markt is instemming van de Rijksministerraad vereist; een gemotiveerd verzoek daartoe zal de Rijksministerraad in behandeling nemen met medeneming van de begroting en de daarbij behorende liquiditeitsplanning.
Is het waar dat de aanleiding voor de hongerstaking van de premier van Aruba het besluit van de Rijksministerraad om de Gouverneur van Aruba te instrueren de eilandbegroting 2014 nog niet te tekenen betreft? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Handelt de Rijksministerraad met dit besluit niet in strijd met het budgetrecht van het Arubaanse parlement? Behoort de vaststelling van de begroting van een land tot de aangelegenheden van het Koninkrijk bedoeld in artikel 6, eerste lid, Statuut, of tot de eigen aangelegenheden bedoeld in artikel 41, eerste lid? Op grond van welke bepalingen in het Statuut en de daarop berustende uitvoeringsregelingen is de Rijksministerraad betrokken bij het proces van besluitvorming over de begroting van een land, anders dan op grond van de Rijkswet financieel toezicht, welke wet niet op Aruba van toepassing is aangezien dit land niet heeft geprofiteerd van schuldsanering zoals Curaçao en St Maarten?
Het budgetrecht berust bij Aruba. De opdracht aan de Gouverneur gaat niet in tegen het budgetrecht van het Arubaanse parlement. Het parlement heeft zonder inmenging van de Rijksministerraad de landsverordening kunnen behandelen. Ook de beslissing of de begroting 2014 naar aanleiding van het nu ingezette onderzoek wordt aangepast en zo ja, in welke zin, blijft bij de Arubaanse regering en Staten.
Echter, indien de Gouverneur een landsverordening in strijd acht met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur, dan wel met belangen, waarvan de verzorging of waarborging aangelegenheid van het Koninkrijk is, stelt hij de landsverordening niet vast (artikel 21 van het Reglement voor de Gouverneur van Aruba). De beslissing over al dan niet vaststellen dient hij op grond van dit koninklijk besluit kortstondig aan te houden in afwachting van het door hem in te stellen onderzoek en een eventuele reactie van de Arubaanse regering. De aanwijzing bepaalt ook wanneer die aanhouding vervalt (zie artikel 2, tweede lid, derde lid, en vijfde lid).
De aanwijzing gebeurt op basis van artikel 15, eerste lid, van het Reglement van de Gouverneur: «De Gouverneur vertegenwoordigt de regering van het Koninkrijk overeenkomstig de bepalingen van dit reglement en met inachtneming van de bij of krachtens koninklijk besluit te geven aanwijzing. Hij is verantwoordelijk aan de regering van het Koninkrijk».
Deelt u de mening dat iedere twijfel of misverstand over de rechtmatigheid van de beslissingen van de Rijksministerraad voorkomen dan wel weggenomen dient te worden? Zo ja, kunt u aangeven wat u hier concreet mee gedaan heeft of gaat doen? Wat zijn de consequenties als Nederland door een vormfout niet conform het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden heeft gehandeld?
Ja. Zie ook antwoord op vraag 4 en 6.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de premier van Aruba dat het besluit van de Rijksministerraad onrechtmatig is en dat de Raad van State had moeten worden geraadpleegd? Heeft de gouverneur van Aruba de weigering om de landsverordening houdende vaststelling van de eilandbegroting 2014 goed te keuren voorgelegd aan de Rijksministerraad overeenkomstig artikel 21 Reglement voor de Gouverneur van Aruba en is de Raad van State van het Koninkrijk gehoord over het koninklijk besluit daarover? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4. De gouverneur laat zich op dit moment informeren over de deugdelijkheid van de begroting alvorens te besluiten over het tekenen ervan. Mocht hij weigeren te tekenen dan zou hij inderdaad terstond hiervan kennis moeten geven aan de Koning, conform artikel 21 van het reglement.
Is het koninklijk besluit conform artikel 21 van het Reglement van de Gouverneur van Aruba in het officiële publicatieblad bekend gemaakt? Kunt u het koninklijk besluit per ommegaande naar de Tweede Kamer sturen?
Het koninklijk besluit is na tekening (11 juli 2014) in de Staatscourant gepubliceerd (15 juli 2014), en conform de regels via die weg publiek gemaakt. Een afschrift van het koninklijk besluit is ook bijgevoegd bij deze beantwoording.
Indien nog geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel 21, welke beslissingen van de Rijksministerraad vormen dan de aanleiding voor de hongerstaking van de premier van Aruba? Bent u bereid deze beslissingen ter kennis van de Tweede Kamer te brengen?
Zie antwoord op vraag 4.
Is het waar dat Nederland de afspraak om tot een onafhankelijke commissie, niet zijnde het College financieel toezicht (Cft), te komen eenzijdig heeft veranderd en daarmee de afspraak geschonden heeft? Kunt u dit toelichten?
Nee, zie antwoord vraag 2. De afspraak (geciteerd in het antwoord op vraag4 is door Aruba eenzijdig opgezegd.
Indien verschil van inzicht over de rechtmatigheid van besluiten van de Rijksministerraad aanleiding vormt voor de hongerstaking van de premier van Aruba, bent u dan bereid om zo snel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van deze besluiten, zodat de premier van Aruba op grond daarvan kan besluiten zijn hongerstaking te beëindigen? Acht u het aanvaardbaar dat de hongerstaking voortduurt indien geconcludeerd moet worden dat de beslissingen van de Rijksministerraad onrechtmatig zijn zoals de premier van Aruba stelt, aangenomen dat de Rijksministerraad slechts rechtmatig beslist?
De beslissingen van de Rijksministerraad komen zorgvuldig en rechtmatig tot stand. De aanhouding van de beslissing inzake vaststelling van de begroting en het onderzoek dienen juist om te kunnen beoordelen of er sprake is van strijd met een belang waarvan de verzorging of waarborging koninkrijksaangelegenheid is. Het risico van een onbeheersbare staatsschuld met alle gevolgen van dien zou een situatie met zich mee kunnen brengen waarvan de verzorging een koninkrijksaangelegenheid is.
Indien de Koninkrijksregering daarover zou dienen te oordelen, wordt advies aan de Raad van State van het Koninkrijk gevraagd.
Kunt u deze vragen vóór dinsdag 15 juli a.s. 12.00 uur beantwoorden?
Ik heb u de antwoorden zo spoedig mogelijk toegestuurd.
Het bericht dat verzekeraars te weinig doen om de medicijntoegang voor armen te verbeteren |
|
Arnold Merkies (SP), Eric Smaling (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht vernomen dat de tien grootste Nederlandse verzekeraars voor bijna 30 miljard euro in farmaceutische bedrijven investeren, maar dat de helft van deze verzekeraars (Aegon, Allianz, ASR, Generali, Legal & General) er niets aan doet om medicijntoegang voor armen te bevorderen?1 Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Ja. Het investeringsbeleid van verzekeraars is primair de verantwoordelijkheid van die verzekeraars. Er zijn in dit verband interessante initiatieven gaande vanuit de verzekeringsbranche. Zo zijn in 2012 in VN verband de Principles voor Sustainable Insurance opgesteld door de verzekeringsbranche. Deze zijn breder dan alleen toegang tot medicijnen. Een aantal Nederlandse verzekeringsbedrijven heeft deze principes mede ondertekend.
Deelt u de visie van de Access to Medicine Index dat farmaceuten een positieve rol kunnen spelen om medicijnen makkelijker en beter betaalbaar ten goede te laten komen aan de twee miljard mensen die nog geen goede toegang hebben tot medicijnen, waaronder de allerarmsten?2
Ja, deze visie deel ik. Daarom steun ik de Access to Medicine Foundation (ATM Foundation). Deze organisatie heeft als missie de gezondheidssituatie van mensen in ontwikkelingslanden te verbeteren door de farmaceutische industrie ertoe aan te zetten toegang tot essentiële, betaalbare en kwalitatief hoogwaardige medicijnen te verbeteren bijvoorbeeld door het aanpassen van hun prijsbeleid of patentbeleid, maar ook door hen aan te sporen R&D-activiteiten mede te richten op armoede-gerelateerde ziekten.
Het belangrijkste initiatief van de Foundation is de Access to Medicine Index die geïntroduceerd is in 2008 en in 2014 voor de vierde keer gepubliceerd zal worden. Deze index geeft een ranking van de mate waarin de grootste farmaceutische bedrijven moeite doen om medicijnen toegankelijker te maken.
Kunt u aangeven in hoeverre Nederlandse farmaceuten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen wat betreft hun beleid om de medicijntoegang te verbeteren? Indien bepaalde farmaceuten hun verantwoordelijkheid naar uw oordeel onvoldoende nemen, bent u dan bereid deze bedrijven daarop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre Nederlandse farmaceuten de toegang tot medicijnen verbeteren is moeilijk te zeggen. Een complicerende factor is het feit dat in Nederland vrijwel uitsluitend nog vestigingen van buitenlandse farmaceutische bedrijven actief zijn. Niettemin geldt ook voor deze bedrijven dat zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om te handelen volgens de OESO Richtlijnen. Met de financiering van de Access to Medicine Index hoop ik internationale farmaceutische bedrijven aan te sporen tot een race to the top.
Wat is uw oordeel over het feit dat geen enkele Nederlandse verzekeraar bij voorkeur investeert in farmaceutische bedrijven die goed scoren op de Access to Medicine Index?3 Acht u het van belang dat Nederlandse verzekeraars die investeren in farmaceuten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen door deze investeringsrelatie op een positieve wijze te benutten en farmaceuten aan te sporen om zich te houden aan de criteria van de Access to Medicine Index? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Het investeringsbeleid is primair de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Uiteraard worden de bedrijven geacht en aangespoord de internationaal overeengekomen richtlijnen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen te hanteren. Respect voor mensenrechten is hier onderdeel van.
Daar waar van toepassing spoor ik de bedrijven aan kennis te nemen van de IMVO standaarden en er naar te handelen. Waar ik direct samenwerk met de verzekeringsbedrijven is het respecteren van en het handelen naar de IMVO standaarden altijd een voorwaarde.
Voor mijn bijdrage aan de Access to Medicine Index, verwijs ik naar antwoord 2.
Kunt u toelichten in hoeverre en welke Nederlandse verzekeraars de VN «Mensenrechten Richtlijnen voor Farmaceutische Bedrijven in relatie tot Toegang tot Medicijnen»4 en «Access to Medicines Statement van de World Health Organization (WHO)5 toepassen in hun investeringsbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat vier Nederlandse verzekeraars (APG, Delta Lloyd, SNS Reaal en Achmea) het Investors Statement van de Access to Medicine Index hebben ondertekend?6 Bent u bereid om andere grote verzekeraars die de Access to Medicine Index Investors Statement nog niet hebben ondertekend, waaronder verzekeraars die in het recente verleden een vorm van staatssteun hebben ontvangen of zijn genationaliseerd, te weten AEGON, ASR en ING Insurance, hiertoe aan te sporen? Zo nee waarom niet?
Ja. Het Verbond van Verzekeraars wordt uitgenodigd om te bespreken hoe de Access to Medicine Index onder verzekeraars bredere bekendheid en toepassing kan krijgen. Dit staat voor mij overigens echter los van het feit of de bedrijven al dan niet staatssteun hebben ontvangen in het verleden.
Het bericht dat tijdens de brand op het Shellcomplex aan de Chemieweg in Moerdijk d.d. 3 juni 2014 tegen de afspraken in de drinkwaterbedrijven niet zijn geïnformeerd |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op de avond van de explosie de drinkwaterbedrijven Brabant Water en Evides niet door de meldkamer van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zijn geïnformeerd? Zo ja, wat is hiervan de reden?1
Ja. De Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant (MWB) geeft aan de genoemde drinkwaterbedrijven op 3 juni niet te hebben gealarmeerd. Het Regionaal Operationeel Team van MWB heeft geen aanleiding gezien om de drinkwaterbedrijven te alarmeren omdat zij geen risico zagen.
Klopt het dat later in deze week Evides door de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid niet geïnformeerd is over het feit dat er op vrijdag 6 juni 2014 nog steeds onderzoek werd verricht aangaande neergeslagen roetdeeltjes op Goeree-Overflakkee? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Verondersteld wordt dat de vragensteller hier Hoeksche Waard bedoelt en niet Goeree-Overflakkee. Het antwoord is dan neen. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid geeft aan dat Evides volgens het logboek in de nacht van 3 op 4 juni om 04.08 uur is geïnformeerd over het incident. Ook is er contact geweest tussen de crisisorganisatie van de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid en Evides. Evides heeft als crisispartner onmiddellijk toegang gekregen tot het Landelijk Crisismanagement systeem (LCMS). Zodoende had Evides kennis van de lopende onderzoeken mbt de BOT-MI (Beleidsondersteunend Team-milieu incidenten) adviezen, zoals de neerslag van eventuele roetdeeltjes.
Zijn er nog meer zaken die tijdens de bestrijding van deze brand niet goed zijn verlopen met betrekking tot de communicatie tussen de veiligheidsregio’s en drinkwaterbedrijven?
De Onderzoeksraad voor Veiligheid verricht nader onderzoek naar o.a. de crisisbeheersing inclusief de communicatie. Ook inzake de oorzaak van de brand wachten wij de uitkomsten van het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid af. De Staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft u hierover schriftelijk geïnformeerd in haar brief van 17 juni 2014 (ILT-2014/33874)
Kunt u navraag doen bij Vewin of behalve deze brand meer gevallen bekend zijn in de afgelopen vier jaar waarin de drinkwaterbedrijven niet of onvoldoende zijn geïnformeerd door de betreffende veiligheidsregio?
Vewin geeft aan dat dit alleen Chemie-Pack (januari 2011) betreft en dat verder geen andere incidenten bekend zijn waarbij de drinkwaterbedrijven niet of onvoldoende geïnformeerd zijn door de betreffende veiligheidsregio(s).
Kunt u aangeven wat de risico’s zijn met betrekking tot de kwaliteit van drinkwater en daarmee voor de volksgezondheid bij het uitbreken van een brand waarbij mogelijk giftige stoffen in de lucht zijn gekomen?
Het risico bestaat dat bij een brand in de lucht vrijkomende giftige stoffen neerdwarrelen als roetdeeltjes in oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor de drinkwaterwinning. Afhankelijk van de aard van de stof en de concentratie waarin deze stof in het ruw water, dat gebruikt wordt als grondstof voor drinkwater, terechtkomt kan dit een risico vormen voor de kwaliteit daarvan. Daarnaast wordt via de zuivering buitenlucht ingenomen voor beluchting/ontgassing van het drinkwater in bepaalde processtappen. Het beluchtingssysteem is voorzien van luchtfilters. Hiermee worden (roet)deeltjes afgevangen. Dampen blijven echter een probleem en worden niet door de luchtfilters afgevangen.
Kunt u beschrijven welke maatregelen drinkwaterbedrijven kunnen nemen om de kwaliteit van drinkwater te waarborgen na het uitbreken van een brand met giftige stoffen?
Naast de gebruikelijke bereidings- en zuiveringsstappen en constante monitoring van de drinkwaterkwaliteit, kan een drinkwaterbedrijf responsemaatregelen nemen om te voorkomen dat door een brand met giftige stoffen de drinkwaterproductie nadelig wordt beïnvloed. Zo kan een drinkwaterbedrijf preventief de inname van oppervlaktewater (tijdelijk) stopzetten, als er bij een brand giftige stoffen in het oppervlaktewater zijn gekomen. Ook kan het gebruik van ruw water uit een waterbekken (tijdelijk) worden stilgelegd als er bijvoorbeeld een verontreiniging van het water dreigt door depositie van roetdeeltjes.
Is al meer bekend over de oorzaak van de brand op het Shellcomplex en welke stoffen hier precies bij zijn vrijgekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat de kwaliteit van het drinkwater in de regio van Moerdijk niet is aangetast als gevolg van de brand op het Shellcomplex?
Naar aanleiding van de brand heeft het RIVM ten behoeve van het BOT-mi een risicobeoordeling uitgevoerd op de drinkwaterkwaliteit. Geconcludeerd werd dat de drinkwaterwinning niet in gevaar is geweest, omdat de eventuele depositie van metalen geen risico vormde voor de drinkwaterwinning. De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft naar aanleiding van de meetresultaten geconcludeerd dat de normen van het Drinkwaterbesluit niet zijn overschreden.
Beschouwt u dit incident als een «leerpunt» zoals de Veiligheidsregio Midden-en West Brabant het omschrijft of valt het volgens u meer in de categorie «blunder», zeker in het licht van lessen die getrokken zouden moeten zijn na de brand bij ChemiePack in 2011?2
Op basis van de thans beschikbare informatie beschouwen wij dit incident in ieder geval als een verbeterpunt. Wij willen niet vooruitlopen op de resultaten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Overigens achten wij het van vitaal belang dat bestuursorganen bij branden, rampen en crises de crisispartners – waaronder drinkwaterbedrijven – tijdig informeren ten behoeve van een optimale samenwerking.
Wat gaat u doen om tot een echte geoperationaliseerde samenwerking tussen de veiligheidsregio’s en drinkwaterbedrijven te komen?
Het belangrijkste is dat er daadwerkelijk acties worden ondernomen. In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 juli jl. bent u geïnformeerd over de gezamenlijke doelstellingen van de Minister van Veiligheid en Justitie met het Veiligheidsberaad. Een van de doelstellingen, «continuïteit en veerkracht van de samenleving (voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door grootschalige uitval van ICT, telecom, energie en drinkwater)», ziet toe op concrete afspraken tussen veiligheidsregio’s en vitale partners op het terrein van alarmering, informatievoorziening, planvorming, oefenen, trainen, opleiden. Hiermee hebben het Veiligheidsberaad en de Minister van Veiligheid en Justitie de borging van de afspraken verder ingezet.
Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) heeft onlangs een Quick scan uitgevoerd naar de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en de vitale partners. De QuickScan van het IFV toont aan, dat de meeste regio’s (22) de convenanten hebben getekend en dat hiervan 20 regio’s de afspraken hebben geïmplementeerd. Een flinke stap is gezet.
Er is duidelijk sprake van stevig commitment, waarbij de diverse crisispartners vanzelfsprekend vanuit de eigen betrokkenheid hun inbreng hebben. Zo heeft VEWIN de wens geuit dat drinkwaterbedrijven te allen tijde worden geïnformeerd, zodat zij zelf op basis van eigen verantwoordelijkheid en expertise kunnen handelen. Wij delen dat standpunt.
In verband met de brand Shell Moerdijk is te melden dat Zuid -Holland Zuid concrete afspraken met de drinkwaterbedrijven heeft gemaakt en deze ook al heeft geïmplementeerd. De Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant geeft aan bestuurlijke afspraken te hebben gemaakt met Rijkswaterstaat en de drinkwaterbedrijven in de regio. De verwachting is dat volledige implementatie van de afspraken in oktober is voltooid. De regio geeft voorts aan, dat de ervaringen van het incident van 3 juni 2014 kunnen leiden tot nadere afspraken, inspelend op nadere wensen van Vewin.
Wij achten het overigens een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de crisispartners elkaar aan te spreken op het navolgen van gemaakte afspraken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toegezegde afspraken met het Veiligheidsberaad over de prestaties die veiligheidsregio’s moeten leveren ten aanzien van de samenwerking met zogeheten vitale sectoren?3
Zie antwoord vraag 10.
Wat hebben de gesprekken die de veiligheidsregio’s en het ministerie van Veiligheid en Justitie hebben gevoerd met de deze vitale partners opgeleverd?4
Zie antwoord vraag 10.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat een in 2010 landelijk gesloten convenant tussen de drinkwatersector en het Veiligheidsberaad met betrekking tot incidenten zijn waarbij het drinkwater gevaar loopt, vier jaar later klaarblijkelijk niet steeds geïmplementeerd is en opgevolgd wordt?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is volgens u de oorzaak dat de regionale ondertekening van het convenant en de implementatie van de afspraken zo moeizaam verlopen?
Zie antwoord vraag 10.
Is het waar dat een van de oorzaken hiervan onvoldoende commitment van de kant van de veiligheidregio’s betreft? Kunt u verklaren waar dit gebrek aan commitment vandaan komt?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat, als het inderdaad een gebrek aan commitment betreft, dit absoluut ontoelaatbaar is gezien het belang van de bescherming van de volksgezondheid?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u van alle 25 veiligheidsregio’s aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de ondertekening, implementatie, naleving en beoefening van de convenanten met de drinkwaterbedrijven en de Kamer hierover informeren ruim vóór het algemeen overleg over nationale veiligheid, crisisbeheersing en brandweerzorg op 25 september 2014?
De QuickScan die het IFV heeft laten uitvoeren is geanonimiseerd. Uit de scan blijkt dat ten aanzien van:
Convenanten:
Regulier overleg:
Informatie en alarmering:
Planvorming
Oefenen
Bent u van mening dat de door u aangekondigde strategie om de ondertekening en implementatie van afspraken te bespoedigen, te weten het «erop aandringen en sturen», succesvol is tot nu toe?5
Ja.
Daarnaast constateren wij dat er nog meer op dit terrein moeten worden geregeld. Vervolgacties worden opgepakt in het kader van de eerder genoemde gezamenlijke doelstelling continuïteit en veerkracht van de samenleving, waarvan de continuïteit van de drinkwatervoorziening onderdeel uitmaakt. Dit traject wordt onder regie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Veiligheidsberaad in samenspel met onder meer I&M en Vewin uitgewerkt en voorzien van duidelijke afspraken in de tijd. Wij willen hierop niet vooruitlopen.
Welk deadline stelt u zichzelf ten aanzien van de ondertekening, implementatie, naleving en beoefening van alle gesloten convenanten door de veiligheidsregio’s met de drinkwaterbedrijven?
Zie antwoord vraag 18.
De toepassing van de onderwijsvrijstelling |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer is onderwijs in techniek wel onderdeel van het wettelijk geregeld onderwijs en wanneer niet?
Technieklessen vallen onder wettelijk geregeld onderwijs dat vrijgesteld is van btw wanneer deze lessen een onderdeel vormen van het reguliere lesprogramma van scholen die primair of ander wettelijk geregeld onderwijs verzorgen. Bij basisscholen zal normaal gesproken techniek een onderdeel vormen van het reguliere lesprogramma, omdat in de kerndoelen is bepaald dat basisscholen aandacht moeten besteden aan wetenschap en techniek. Derden (ondernemers) die tegen betaling een onderdeel van dit vrijgestelde onderwijs verzorgen, zijn dan ook vrijgesteld van btw voor het verrichten van dat onderwijs. Wanneer technieklessen worden aangeboden in het kader van een beroepsopleiding, is het onderwijs vrijgesteld als het onderwijs wordt gegeven door ondernemers die zijn ingeschreven in het Register Kort Beroeps Onderwijs of door ondernemers die zijn genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs (WHW) of bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).
Waarom valt onderwijs in techniek niet onder de algemene maatregel van bestuur die categorieën onderwijs en nauw daarmee samenhangende diensten als vrijgesteld onderwijs aanwijst?1
Onderwijs in techniek valt onder het bij algemene maatregel van bestuur vrijgesteld onderwijs als sprake is van algemeen vormend onderwijs dat is ontleend aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs2. Bij het onderwijs dat is ontleend aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs gaat het om onderwijs dat inhoudelijk overeenstemt met of soortgelijk is aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs. Naschoolse technieklessen die (soort)gelijk zijn aan de technieklessen, die in het kader van het kerndoel »wetenschap en techniek» door een wettelijk erkende onderwijsinstelling worden gegeven, zijn dus ook vrijgesteld van btw.
Bent u met mij van mening dat alle belastingkantoren op dezelfde manier de regels moeten toepassen? Hoe controleert u dat belastingkantoren op dezelfde manier de belastingwet- en regelgeving toepassen?
Ja, ik ben met u van mening dat alle belastingkantoren op dezelfde manier de regels moeten toepassen. Waar nodig wordt daartoe fiscaal uitvoeringsbeleid vastgesteld. Het management van de Belastingdienst ziet er op de diverse niveaus op toe dat de belastingwet- en regelgeving juist, en derhalve ook eenduidig, wordt toegepast.
Klopt het dat in de casus van het bedrijf MadScience het Belastingkantoor Oost-Brabant de onderwijsvrijstelling wel toepast en het Belastingkantoor Limburg niet?
Over individuele belastingplichtigen doe ik gelet op art. 67 van de AWR geen mededelingen. Overigens is mij van een verschillende interpretatie van de onderwijsvrijstelling door verschillende belastingkantoren ter zake van naschoolse technieklessen niet gebleken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat verschillende belastingkantoren de toepassing van de onderwijsvrijstelling op dezelfde manier gaan interpreteren?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom kan de onderwijsvrijstelling niet worden gegeven aan instellingen die een certificering hebben (bijvoorbeeld CRKBO), zodat alle belastingkantoren dit keurmerk kunnen gebruiken voor controle?
De certificering via het Register Kort Beroepsonderwijs geldt alleen voor beroepsonderwijs. De wettelijk geregelde onderwijsvrijstelling heeft een ruimere reikwijdte dan alleen het beroepsonderwijs. De vrijstelling geldt voor onderwijs dat bekostigd wordt uit de openbare kassen en wordt gegeven door erkende onderwijsinstellingen. De vrijstelling geldt ook voor hetzelfde onderwijs dat inhoudelijk overeenstemt met of soortgelijk is aan het uit de openbare kassen bekostigde aanbod van onderwijs en ook voor beroepsonderwijs door CRKBO-instellingen. Binnen dit wettelijke kader bestaat voor een ruimere vrijstelling voor techniekonderwijs dan hiervoor is aangegeven geen ruimte.
Het bericht dat insecten en vogels verdwijnen door gif |
|
Gerard Schouw (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over het verdwijnen van insecten en vogels door gif?1 Bent u van mening dat de genoemde studie2 aantoont dat ingrijpen noodzakelijk is, niet alleen op basis van Europese pesticidenwetgeving, maar ook op basis van de Vogelrichtlijn?
Bent u bereid om in Europees verband de European Food and Safety Organisation (EFSA) een oordeel te vragen over deze schadelijke effecten? Hoe snel kan zo’n beoordeling zijn afgerond?
Bent u van mening dat op grond van het voorzorgsbeginsel al op korte termijn maatregelen genomen zouden moeten worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten?
Het uitbreiden van de pilot voor zzp’ers in de zorg |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Naar hoeveel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) die werkzaam zijn in de thuiszorg zijn op en omstreeks 21 mei 2014 brieven verzonden met daarin informatie over de deelname aan de pilot?
Op 21 mei 2014 zijn door de Belastingdienst 1.008 brieven verzonden over deelname aan de pilot.
Zijn de brieven alleen verzonden aan zzp’ers waarvan de VAR-wuo is herzien of aan alle zzp’ers die werkzaam zijn in de thuiszorg?
De brieven zijn verzonden aan de zorgverleners van wie in de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 de VAR-wuo is herzien in een VAR-loon en aan de zorgverleners die een VAR-loon hebben gekregen in plaats van de gewenste VAR-wuo.
Staat deelname aan de pilot ook open voor zzp’ers waar nog niet gehandhaafd is door de Belastingdienst, maar die wel werkzaam zijn in de (thuis)zorg al dan niet via bemiddeling?
Ja.
Hoeveel zzp’ers hebben zich, tot het verstrijken van de inschrijftermijn voor de pilot van 1 juli 2014, aangemeld voor de pilot?
Van de geraamde 1.200 hebben ongeveer 800 zzp’ers zich aangemeld voor deelname aan de pilot.
Hoeveel van de zzp’ers die zich hebben aangemeld voor de pilot., hebben tijdig een VAR-wuo ontvangen?
De ervaringen met de Belastingdienst zijn positief. De zzp’ers die zich hebben aangemeld voor de pilot, hebben tijdig van de Belastingdienst een VAR-wuo ontvangen.
Hoeveel zzp’ers die zich hebben aangemeld voor de pilot is deelname aan de pilot geweigerd en wat was hier de reden van?
Uit de landelijke registratie blijkt dat ongeveer 800 zzp’ers zich hebben aangemeld voor de pilot. Hiervan hebben ongeveer 150 zzp’ers, om uiteenlopende redenen, afgezien van deelname aan de pilot. Gebleken is dat een deel van de zzp’ers niet voldoet aan de criteria die zorgkantoren hanteren om toegelaten te worden tot de pilot (kwalificatieniveau, ondernemerschap, zelf cliënten werven). In sommige gevallen hebben zzp’ers uit eigen beweging afgezien van deelname aan de pilot. Er wordt echter geen registratie bijgehouden van de motieven waarom zzp’ers afzien van deelname aan de pilot. Per saldo hebben de zorgkantoren met ongeveer 650 zzp’ers contracten afgesloten voor de pilot.
Klopt het dat de Belastingdienst de brief over het verbreden van de pilot naar alle zzp’ers in de zorg gestuurd heeft ongeacht hun niveau, maar dat de zorgkantoren alleen zorgverleners van niveau 3 of hoger accepteren? Zo ja, acht u het wenselijk dat zorgverleners met niveau 1 of 2 niet als zelfstandige kunnen werken?
De Belastingdienst heeft ongeacht het niveau mensen aangeschreven. Het niveau van de zorgverlener is geen criterium voor het al dan niet kunnen zijn van zelfstandig ondernemer.
Doen alle zorgkantoren mee met de pilot en blijven ze dat doen? Klopt het dat er meerdere zorgkantoren niet meer willen meewerken aan de pilot?
De looptijd van de pilot voor de zzp’ers heeft betrekking op 2013 en 2014. Dat is ook in het AO VAR van 23 april, aangegeven. Alle zorgkantoren hebben hun medewerking verleend aan de pilot. De duur van de pilot is beperkt en het vervolg dient te worden bezien in het licht van de hervorming van de langdurige zorg. Dit perspectief is ook beschreven in de brief van 7 april jl. De nadruk in de pilot ligt op extramurale verzorging en verpleging. Met ingang van 2015 komt de zorg die aan het leeuwendeel van de cliënten wordt geleverd, onder de Zorgverzekeringswet te vallen. Een relatief bescheiden aantal cliënten heeft een verblijfsindicatie en zij komen te vallen onder het overgangsrecht van de Wlz. Het is om die reden dat Zorgverzekeraars Nederland onlangs te kennen heeft gegeven de pilot te beeëindigen.
Zorgverzekeraars Nederland staat open voor de mogelijkheid om met ingang van 2015 zzp’ers onder de Zorgverzekeringswet te contracteren, zij het dat de zzp’ers aan dezelfde criteria moeten voldoen als nieuwe toetreders. Ook stellen de verzekeraars eisen aan het kwalificatieniveau van de zzp’ers. VWS en ZN zijn in overleg op welke wijze dit zorgvuldig tot stand wordt gebracht rekening houdend met de huidige diensten en zzp’ers.
Dit staat overigens los van de fiscale eisen voor ondernemerschap. Handelt men conform deze vereisten, dan kan men dus ook zonder de pilot voldoen aan de fiscale vereisten voor ondernemerschap.
Momenteel wordt een korte termijn onderzoek uitgevoerd naar de alternatieve bedrijfsmodellen voor zzp’ers, waarbij sprake is van zelfstandigheid in plaats van werkgeverschap. Voor de langere termijn wordt meer fundamenteel gekeken naar dit onderwerp. Dat vindt plaats in het kader van een IBO-onderzoek.
Heeft het arrest van 13 juni 20141, waarin de Hoge Raad besliste dat als een anesthesiemedewerker gehouden is de instructies van ziekenhuizen of anesthesiologen op te volgen en dat hij behoudens eigen opzet of bewuste roekeloosheid niet aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit het verrichten van zijn werkzaamheden, dit er niet aan in de weg staat dat de anesthesiemedewerker deze werkzaamheden als ondernemer voor de btw verricht, volgens u ook gevolgen voor de inkomstenbelasting en de VAR-verstrekking?
Het moeten opvolgen van instructies kan er toe leiden dat er een dienstbetrekking bestaat. Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit het door de opdrachtnemer verrichten van werkzaamheden. Bij het oordeel over afgifte van een VAR zijn dit elementen die worden meegewogen naast de overige omstandigheden van het geval. Deze afweging kan overigens voor de BTW anders uitpakken dan voor de inkomstenbelasting en de afgifte van de VAR. Het oordeel van de Hoge Raad ten aanzien van het ondernemerschap voor de BTW heeft dan ook geen (directe) gevolgen voor de inkomstenbelasting en de VAR-verstrekking.
Het bericht ‘Twee op de drie Nederlanders steunen windmolens’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twee op de drie Nederlanders steunen windmolens»?1
Ja.
Bent u van mening dat de provinciale overheden zich maximaal inspannen om de afspraken, die zij in het kader van het energieakkoord over de uitrol van windenergie gemaakt hebben, na te komen?
Op basis van de monitor wind op land (juni 2014) en het Bestuurlijk Overleg van 3 juli jl. dat ik heb gevoerd met het IPO, heb ik geconstateerd dat de meeste provincies voldoen aan de prestatieafspraken zoals ik die met het IPO heb gemaakt. In nagenoeg alle provincies is de ruimte voor 6.000 MW windenergie planologisch vastgelegd. Ik zal uw Kamer op korte termijn een actueel overzicht van de stand van zaken in alle provincies toesturen.
Heeft u inmiddels alle provinciale plannen voor zoekgebieden voor wind op land ontvangen, zoals was afgesproken?
Ja, de provincies hebben alle gegevens met betrekking tot structuurvisies/ omgevingsplannen openbaar gemaakt en aangeleverd voor de monitor wind op land. Ik zal uw Kamer de monitor wind op land op korte termijn toesturen.
Zo ja, wilt u deze plannen met de Kamer delen en tevens voorzien van een oordeel? Voldoen de plannen aan de afspraken en geven ze een realistisch pad voor het behalen van de opgave?
Zie het antwoord op vraag 3.
Zo nee, welke plannen zijn wel binnen en welke niet? Bent u op de hoogte gesteld van de redenen van de eventuele vertraging? Wat zijn de redenen voor vertraging en wat is uw oordeel hierover? Wanneer kunnen de plannen dan wel verwacht worden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de stappen die u gaat nemen ten aanzien van de plannen die te laat zijn?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u garanderen dat de uitrol van wind op land geen vertraging op loopt door eventueel uitstelgedrag van provinciale overheden?
Garanties geven kan ik niet omdat realisatie van windenergie van vele factoren afhankelijk is. Wel zet ik mij samen met het IPO en andere partijen die het Energieakkoord hebben ondertekend maximaal in voor de realisatie van 6.000 MW windenergie op land in 2020.
De rol en zorgvuldigheid van de Inspectie voor de Gezondheidszorg |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van 7 januari jl. van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam, in een zaak waarin een gezondheidspsychologe met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) afspraken heeft gemaakt om (tijdelijk) niet meer in de patiëntenzorg te werken na het aangaan van een relatie met een patiënt?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de deal die destijds tussen betreffende GZ-psycholoog en de IGZ is afgesloten? Bent u van mening dat dit soort onderhandse afspraken met behandelaars die de fout in zijn gegaan in geen enkel geval (meer) mogen worden gemaakt?
Er is in deze casus geen sprake van een onderhandse beroepsbeperkende afspraak tussen de beroepsbeoefenaar en de IGZ.
Zoals ik in mijn brief van 14 juli2 heb gemeld is, ingevolge het debat op 28 maart 2013 dat ik met uw Kamer heb gevoerd naar aanleiding van de casus Jansen Steur, als criterium voor een beroepsbeperkende afspraak gehanteerd dat de IGZ heeft afgezien van tuchtrechtelijke stappen tegen een disfunctionerende beroepsbeoefenaar, wanneer deze zich als gevolg van een afspraak met de IGZ op eigen verzoek liet uitschrijven uit het BIG-register.
Deelt u de mening van de IGZ dat in alle gevallen waarin een behandelaar de fout in is gegaan, de tuchtrechter ingeschakeld moet worden om te beoordelen of de behandelaar «veilig in de gezondheidszorg kan werken»? Zo nee, waarom niet?
Ja, maar wel proportioneel. De criteria voor het inschakelen van de tuchtrechter zijn neergelegd in het IGZ-handhavingsschema dat op 31 maart 2010 naar de Tweede Kamer is gezonden3.
In september 2010 heeft uw voorganger per brief nieuw IGZ-beleid inzake beroepsbeperkende maatregelen aangekondigd2; in uw brief van 22 januari 2013 heeft u geconstateerd dat dit beleid naar uw woorden niet volledig is geïmplementeerd en geeft u vervolgens aan dat u deze situatie niet kan en wil laten voortbestaan3; klopt het echter dat de IGZ de beleidswijziging nergens heeft vastgelegd, zoals uit de uitspraak van het tuchtcollege blijkt? Zo ja, bent u bereid om er voor te zorgen dat de beleidswijziging zo spoedig mogelijk wordt vastgelegd?
Nee, de betreffende beleidswijziging is door de IGZ vastgelegd in de «Werkwijze beroepsbeperkende maatregelen disfunctionerende beroepsbeoefenaren». Dit document is als bijlage bij de brief van 21 september 20106 aan de Tweede Kamer gestuurd en daarmee openbaar.
Deelt u de conclusie van het Tuchtcollege dat er niet is voorzien in een (deugdelijke) overgangsregeling met betrekking tot onderhandse afspraken welke dateren van vóór de beleidswijziging? Kunt u aangeven om hoeveel zaken met onderhandse afspraken van vóór de beleidswijziging het hier gaat? Kan de uitspraak van het tuchtcollege gevolgen hebben voor deze gevallen?
In mijn brief van 14 juli jl.7 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek naar de beroepsbeperkende afspraken die de IGZ heeft gemaakt met disfunctionerende beroepsbeoefenaren in de periode 2000 tot 2013. Het gaat om 13 personen, van wie uit nader onderzoek niet is gebleken dat ze nog op enige wijze betrokken zijn bij reguliere zorgverlening, in Nederland noch in het buitenland. Mochten er in de toekomst signalen komen dat dit wel gebeurt, dan zal de IGZ uiteraard handhavend optreden (bijvoorbeeld door de tuchtrechter in te schakelen) of in contact treden met de toezichthouders in het betreffende land.
Kunt u in het algemeen schetsen wat de taakverdeling tussen IGZ en Tuchtcollege is als het gaat om de omgang met dit soort gevallen?
De IGZ is toezichthouder op grond van de Gezondheidswet en houdt in die hoedanigheid toezicht op de uitvoering van wetten in het zorgdomein.
De tuchtrechter oordeelt over klachten die aan hem worden voorgelegd. Beide instanties voeren hun wettelijk opgedragen taken uit.
Eerder heeft u toegezegd dat u een zo compleet mogelijke lijst zou opstellen met beroepsbeperkende afspraken die de IGZ in het verleden met individuele zorgverleners heeft gemaakt; in uw brief van 3 juli 2013 geeft u aan dat u verwacht de Kamer in het late najaar van 2013 te kunnen berichten over de resultaten van het onderzoek en de eventuele vervolgstappen4; hoe staat het met de uitvoering van deze toezegging? Wanneer kan de Kamer deze lijst verwachten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u het artikel «Ook kritiek op Leeuwarder ziekenhuis MCL onterecht» gelezen?5 Klopt het dat zich in 2012 geen grote calamiteit tijdens een operatie heeft voorgedaan in het MCL in Leeuwarden, ondanks dat dit wel door de IGZ gemeld was?
Het klopt dat in het IGZ-rapport10 door een onzorgvuldige formulering ten onrechte het beeld is ontstaan dat in het Medisch Centrum Leeuwarden in 2012 een calamiteit heeft plaatsgevonden in het operatief proces.
De IGZ heeft de bestuurder van het ziekenhuis hierover geïnformeerd en op 27 juni 2014 een erratum aan het rapport toegevoegd waarbij dit is hersteld. De conclusies van het rapport blijven overigens onveranderd.
Deelt u de mening dat de IGZ extra zorgvuldig moet zijn in haar publicaties als het gaat om dit soort gevoelige zaken? Bent u van mening dat de IGZ hier voldoende zorgvuldig heeft gehandeld? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Ja, zie verder mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht dat minimaal 33% en mogelijk zelfs 60% van de inwoners van Herpen besmet is met Q-koorts |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het lopende onderzoek en de analyse van de onderzoeksresultaten veel teveel tijd kost en er een versnellingsagenda nodig is?
Het lopende onderzoek en de analyse van de onderzoeksresultaten worden uitgevoerd binnen de in de subsidievoorwaarden opgenomen termijnen.
Hoe denkt u ervoor te zorgen dat de mensen die nu door Q-koorts veroorzaakte vermoeidheidsklachten hebben, zo snel mogelijk worden opgespoord, een en het ander in verband met het teruglopen van de antilichamen in hun bloed?
Het overgrote deel van de mensen die chronische Q-koorts hebben wordt opgespoord via onderzoek bij hetzij patiënten met acute Q-koorts, hetzij patiënten met de bekende risicofactoren zoals hartklep- en vaataandoeningen. Genoemd onderzoek is bedoeld om na te gaan of op die manier nog mensen gemist worden en of een onderzoek op grotere schaal effectief zou kunnen zijn. De eerste resultaten wijzen niet op een grote groep gemiste patiënten.
Genoemd onderzoek richt zich overigens niet op mensen met vermoeidheidsklachten na Q-koorts (QVS), voor die groep patiënten is opsporing niet aangewezen.
Wat zijn de effecten op de volksgezondheid, indien ervoor wordt gekozen om pas over een jaar (voorjaar 2015) als het onderzoek in Herpen is afgerond een besluit te nemen over het mogelijk uitbreiden van het bevolkingsonderzoek?
De eerste resultaten van het onderzoek wijzen niet op een grote groep gemiste patiënten. Ik meen daarom dat het verantwoord en noodzakelijk is de uiteindelijke resultaten van dit onderzoek en de daarbij behorende conclusies en aanbevelingen af te wachten, voordat ik mij laat adviseren over nut en noodzaak van een uitgebreider onderzoek.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat u in reactie op onze vragen stelt dat het van belang is dat bij de bewoners van Herpen waar sprake is van mogelijk chronische Q-koorts snel een diagnose wordt gesteld, maar dat u ook van mening bent dat de analyse van het bevolkingsonderzoek niet hoeft te worden versneld en dient te worden uitgebreid naar andere dorpen in de buurt van Herpen?
Het is voor individuele patiënten waarbij mogelijk sprake is van chronische Q-koorts inderdaad van belang dat zij zo snel mogelijk duidelijkheid hebben over de vraag of zij daadwerkelijk chronische Q-koorts hebben.
De eerste resultaten van het onderzoek in Herpen zijn zodanig dat ik van mening ben dat een grondige analyse van de resultaten en van de voor en nadelen van een uitgebreider onderzoek nodig en verantwoord is.
Deelt u de mening dat het waardevol kan zijn een regievoerder aan te stellen die de regie voert op dit onderzoek en de registratie van de Q-koortstest, in plaats van dat de betrokkenen het naast hun eigen werk doen?
De regie voor dit onderzoek is belegd bij de GGD Hart van Brabant. Validatie en registratie van de Q-koorts test is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van InnatOss.
Wat is er volgens de maker van de test (InnatOss) nodig om de validatie en registratie van de Q-koortstest te versnellen?
Wij hebben van de makers van de test geen vragen gekregen t.a.v. validatie en registratie van de test.
Wat is uw mening over het recent gepubliceerde promotieonderzoek dat aan de Universiteit van Utrecht is uitgevoerd, waaruit blijkt dat met een éénmalige controle van antistoffen tegen de bacterie die Q-koorts veroorzaakt ongeveer een jaar na de acute Q-koortsinfectie, 98% van het aantal patiënten met chronische Q-koorts kan worden opgespoord?
Het is van groot belang om na acute Q-koorts de antistoffen te controleren om na te gaan of de patiënt chronische Q-koorts ontwikkelt. Vanuit de internationale literatuur was niet duidelijk hoe vaak en wanneer de controle moet plaatsvinden. Op basis van het promotieonderzoek wordt een éénmalige controle een jaar na de acute Q-koorts aanbevolen. Dat geldt voor patiënten zonder bekende risicofactoren. Deze onderzoeksresultaten zijn breed gecommuniceerd bij verschillende bijeenkomsten met o.a. artsen en in de wetenschappelijke literatuur. Bij de volgende revisie van de LCI-richtlijn Q-koorts zal deze aanbeveling opgenomen worden.
Kunt u zich vinden in de bevinding van dit promotieonderzoek dat een dergelijke test bij patiënten met acute Q-koorts noodzakelijk en voldoende is om een chronische infectie op te sporen bij patiënten die geen bijzondere risicofactoren (hartklep- of vaataandoening) hebben voor het ontwikkelen van chronische Q-koorts?
Ja.
Klopt het dat er geen nieuw ZonMW onderzoek meer gedaan mag worden naar beschermende immuun-respons tegen Q-koorts, zodat de vraag beantwoord kan worden waarom zoveel mensen wél positief reageren op beide testen en niet ziek worden?
Het programma Q-koorts bij ZonMw is gesloten maar dit betekent niet dat er geen onderzoek naar Q-koorts meer gedaan zou kunnen worden. Dit onderzoek kan ingediend worden binnen het programma non-alimentaire zoonosen of infectieziekten en loopt dan mee in de normale procedure.
Ook is de stichting Q-support een onderzoeksprogramma naar Q-koorts gestart, met een budget van € 1,6 miljoen. De eerste mogelijkheid voor het aanvragen van subsidie voor onderzoek is nu geopend.
De zesvoudig moordenaar Cevdet Yilmaz die met onbegeleid verlof mag |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in kort geding tegen de Staat waarin is bepaald dat Cevdet Yilmaz, zesvoudig moordenaar, met onbegeleid verlof mag?1
Ja.
Deelt u de mening dat het jegens nabestaanden een grove schande is dat deze moordenaar dankzij het justitieel wanbeleid een gezin heeft kunnen stichten en naast 12 jaar regelmatig begeleid verlof nu ook mag genieten van onbegeleid verlof? Zo nee, waarom niet?
Ik besef dat deze ontwikkeling voor slachtoffers en nabestaanden zwaar en ingrijpend is. Voorts wijs ik erop dat de casus Yilmaz uniek is. Er is geen andere levenslang gestrafte in een tbs-kliniek met een machtiging voor verlof, begeleid of onbegeleid. De basis voor de vrijheden die dhr Yilmaz zijn toegekend, is gelegen in het beleid met betrekking tot de detentie en verpleging van dhr Yilmaz dat mijn ambtsvoorganger heeft neergelegd in een memo van 9 juli 2001. De Van der Hoevenkliniek was destijds bereid om betrokkene op te nemen en te behandelen, op voorwaarde dat hij als een reguliere tbs-gestelde kon worden bejegend, dus inclusief trapsgewijze toekenning van vrijheden wanneer die behandelinhoudelijk aan de orde zouden komen. Op 13 september 2002 is voor dhr Yilmaz een machtiging begeleid verlof aan de kliniek afgegeven. Deze machtiging is op 24 augustus 2007 – als gevolg van het gewijzigde (verlof)beleid ten opzichte van levenslang gestraften – ingetrokken. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, de hoogste rechterlijke instantie voor penitentiair-rechtelijke geschillen, heeft echter op 31 maart 2008 het daartegen door dhr Yilmaz aangetekende beroep gegrond verklaard. Daarom heeft dhr Yilmaz sinds die datum wederom begeleid verlof. Nu volgt daarop, door de recente uitspraak van de voorzieningenrechter, een machtiging voor onbegeleid verlof, gedateerd 18 juli 2014. Het is thans niet meer het beleid levenslang gestraften in een TBS-kliniek te plaatsen. zie ook antwoord 4.
Wat gaat u per direct doen om deze crimineel alsnog weg te houden uit de samenleving?
In de uitoefening van het verlof zal rekening worden gehouden met de woon- en verblijfplaats van slachtoffers en nabestaanden. De kans op een ongewenste confrontatie met dhr Yilmaz wordt zo geminimaliseerd.
Klopt het dat Cevdet Yilmaz weliswaar de enige levenslanggestrafte is die in aanmerking komt voor verlof, maar dat het nog altijd zo is dat levenslanggestraften in een tbs-kliniek kunnen worden opgenomen en aldaar in aanmerking kunnen komen voor resocialisatie?
Op grond van artikel 13, derde lid, Wetboek van Strafrecht kunnen gedetineerden wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van hun geestvermogens worden overgeplaatst naar een FPC. Dit betekent dat in de uitzonderlijke situatie dat sprake is van een indicatie voor medisch noodzakelijke psychiatrische behandeling, de gedetineerde kan worden overgeplaatst naar een FPC. Daarmee is niet gezegd dat altijd een op resocialisatie gerichte behandeling wordt geboden. Ook in FPC’s wordt de vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.
Klopt het dat er ook bij levenslanggestraften die in de gevangenis verblijven aan resocialisatie wordt gewerkt? Zo ja, deelt u de mening dat in het geval van levenslanggestraften, of zij nou in een tbs-kliniek of in de gevangenis verblijven, niet moet worden gewerkt aan resocialisatie aangezien het niet de bedoeling is dat zij ooit nog in de samenleving zullen terugkeren ondanks een piepkleine kans op gratie? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aan uw Kamer gemeld naar aanleiding van vragen van het lid Recourt (PvdA) d.d. 20 december 20132, is in artikel 2, tweede lid, van de Penitentiaire Beginselenwet bepaald dat met de handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel de tenuitvoerlegging hiervan zo veel mogelijk dienstbaar wordt gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Zowel uit het zinsdeel «met de handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf», als uit het zinsdeel «zo veel mogelijk» moet worden afgeleid dat de aard van de levenslange gevangenisstraf zich verzet tegen de voorbereiding van de terugkeer in de samenleving op een wijze zoals die bij tijdelijke gevangenisstraffen mogelijk is. Dit neemt evenwel niet weg dat daar waar het verlenen van gratie zou worden overwogen, de invrijheidstelling van de levenslanggestrafte niet zonder een deugdelijke voorbereiding op de terugkeer in de samenleving kan plaatsvinden.
Hoeveel kost het doelloos werken aan de resocialisatie van een levenslanggestrafte de belastingbetaler?
In de V&J-begroting 2014 (TK, vergaderjaar 2013–2014, 33 750 VI, nr. 2, blz. 98) is vermeld dat de gemiddelde dagprijs van de rijks- en particuliere FPC’s € 527,– bedraagt. Dit bedrag is inclusief de toerekening van DJI-brede overhead. Volgens dezelfde V&J-begroting 2014 (blz. 97) is de gemiddelde dagprijs GW € 244,– (incl. DJI-brede overhead).
Deelt u de mening dat een persoon aan wie door de rechter een levenslange gevangenisstraf is opgelegd in de gevangenis thuis hoort en niet in een dure tbs-kliniek? Zo nee, waarom niet?
In beginsel worden vrijheidsstraffen in een PI ten uitvoer gelegd. Wanneer een gedetineerde aan de criteria van artikel 13 Wetboek van Strafrecht voldoet – zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4 – kan een overplaatsing naar een FPC plaatsvinden. Dit zal echter slechts bij hoge uitzondering het geval zijn. Met de instelling van de PPC’s is het namelijk uitdrukkelijk de bedoeling geweest om psychiatrische zorg ook binnen het gevangeniswezen te kunnen verlenen.
Hoeveel kost een levenslanggestrafte de belastingbetaler per jaar als deze persoon in een gevangenis zit en hoeveel als deze persoon in een tbs-kliniek zit?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel levenslang gestraften verblijven op dit moment in een tbs-kliniek en wat is daarvan de reden?
Op dit moment verblijven naast dhr Yilmaz twee andere levenslanggestraften in een FPC, dit op basis van advies van de adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Aan de hand van welke criteria wordt bepaald of iemand detentieongeschikt is?
De plaatsing van gedetineerden in een FPC geschiedt nadat een met redenen omkleed advies van een psychiater en psycholoog is overlegd. Dit advies wordt behandeld in een vergadering van de adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden. Deze commissie adviseert mij over de vraag of sprake is van een indicatie voor medisch noodzakelijke psychiatrische behandeling die niet in detentie zou kunnen plaatsvinden.
Berichten dat ouders zelf moeten betalen voor het vervoer van hun gehandicapte kind |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat gemeenten ouders laten betalen voor het leerlingenvervoer van hun kinderen met een beperking, ook wanneer de kinderen in kwestie niet in staat zijn zelfstandig te reizen?1
Nee, dat acht ik niet wenselijk. Het is ook niet aan de orde. Indien een leerling vanwege zijn of haar handicap niet of niet zelfstandig kan reizen heeft een leerling recht op leerlingenvervoer. Een ouder hoeft dan geen eigen bijdrage te betalen.
Op welke wijze beoordelen gemeenten het wel of niet «zelfstandig» kunnen reizen van een kind? Vindt genoemde beoordeling in elke gemeente op dezelfde wijze plaats? Kunt u dit toelichten?2
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt sinds 1987 bij de gemeenten. Gemeenten zijn verplicht een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen – onder bepaalde wettelijke voorwaarden – aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten van en naar school. De wetgeving schrijft voor dat deze regeling bepaalt op welke wijze het college van burgemeester en wethouders (B en W) advies van deskundigen inwint over de wijze waarop het vervoer passend is voor de leerling. Daartoe behoort ook de beoordeling of de leerling zelfstandig kan reizen.
De VNG heeft een Modelverordening uitgebracht waarop gemeenten hun regeling kunnen baseren. In de Modelverordening is geregeld dat het college van B en W relevante adviezen van deskundigen bij de beoordeling van de aanvraag betrekt als het gaat over de vraag of een kind zelfstandig kan reizen (artikel 9, lid 4 en artikel 16, lid 2).
Acht u het wenselijk dat een ambtenaar eenzijdig beslist dat een kind zelfstandig naar school kan reizen en dus niet meer in aanmerking komt voor vergoeding van het leerlingenvervoer, terwijl de ouders duidelijk aangeven dat hun kind helemaal niet in staat is zelfstandig naar school te gaan? Wie heeft er in dergelijke situaties de doorzettingsmacht?
De beslissing over de toekenning van een vervoersvoorziening binnen de door de gemeenteraad vastgestelde regeling en op basis van het deskundigenadvies, ligt bij het college van B en W. Als ouders het niet eens zijn met het oordeel van de gemeente kunnen zij daartegen in bezwaar en beroep. Het eindoordeel is indien nodig aan de rechter.
Welk effect heeft het meewegen van financiële argumenten door ouders op de «passendheid» van de onderwijsplek voor kinderen met een beperking?
De vraag of een plaatsing in een school passend is voor een leerling die extra ondersteuning nodig heeft vanwege een handicap of beperking, moet worden beantwoord op basis van het onderwijs- en ondersteuningsaanbod dat de school kan bieden. Overwegingen inzake het leerlingenvervoer vormen niet de basis voor de beantwoording van de vraag of de leerling een passend aanbod krijgt.
Is het waar dat het nooit de bedoeling van de wet passend onderwijs is geweest om ouders zelf op te laten draaien voor de reiskosten naar school van hun kind dat een beperking heeft? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om betreffende gemeenten tot de orde te roepen en een einde te maken aan het financieel belasten van ouders van kinderen met een beperking voor het vervoer naar school?
De wetgeving passend onderwijs heeft wat betreft het leerlingenvervoer geleid tot een wijziging van de wet op het primair onderwijs, de wet op het voortgezet onderwijs en de wet op de expertisecentra. Deze wijziging houdt in dat de gemeentelijke regeling inzake het leerlingenvervoer rekening houdt met de van ouders redelijkerwijs te vergen inzet. Bedoeld is hier de inzet qua tijd, zoals uit de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer blijkt, en daarmee dus niet een inzet in de vorm van een financiële bijdrage.
Daarnaast heeft de wetgeving tot een andere wijziging geleid van de wet op de expertisecentra. Deze wijziging houdt in dat leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs volgen alleen nog aanspraak op bekostiging van vervoerskosten kunnen maken, indien zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Dat betekent dat deze leerlingen als zij wel zelfstandig met openbaar vervoer kunnen reizen, met de invoering van de wet passend onderwijs niet meer voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen.
Het is aan de gemeenten om deze wijzigingen te verwerken in hun regeling leerlingenvervoer.
Indien een leerling, ook een leerling in het voortgezet speciaal onderwijs, vanwege zijn of haar handicap niet of niet zelfstandig kan reizen heeft een leerling recht op leerlingenvervoer. Een ouder hoeft dan geen eigen bijdrage te betalen. Ik heb geen signalen ontvangen dat gemeenten in deze situatie ouders financieel belasten voor het leerlingenvervoer.
Het rapport van United Nations Relief and Works Agency (UNRWA) |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van UNRWA van 9 juli jl. waarin wordt bericht dat 169 raketten en 3 mortieren zijn afgevuurd richting Israël, 362 raketten en 142 granaten zijn afgevuurd op Gaza, 37 huizen gebombardeerd, 24 Palestijnen gedood en ruim 180 gewond?1
Ja.
Acht u de reactie van Israël op de raketbeschietingen vanuit Gaza proportioneel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland erkent het recht van Israël om zijn eigen burgers en grondgebied te beschermen tegen raketbeschietingen van Hamas vanuit de Gaza-strook, met inachtneming van de grenzen die het oorlogsrecht hieraan stelt. Conform dit recht moeten de genomen maatregelen noodzakelijk en proportioneel zijn in relatie tot de dreiging die van de beschietingen vanuit de Gaza-strook uitgaat. De Nederlandse regering verwacht van Israël dat het zich hieraan houdt.
Israël heeft een groot aantal specifieke Hamas-doelen in de Gaza-strook bestookt waarmee de militaire slagkracht van de organisatie lijkt te zijn afgezwakt. Uiteindelijk is een staakt-het-vuren gevolgd door een hervatting van de vredesonderhandelingen het enige dat werkelijk de veiligheid van Israël ten goede komt.
Acht u de reactie van Israël op deze raketbeschietingen effectief in het kader van de zelfverdediging van Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de uitspraak van de Israëlische minister van inlichtingen «Hoewel het zwaar, gecompliceerd en duur zal zijn, zullen we Gaza tijdelijk moeten overnemen»?2
Ja.
Ziet u enige internationaal rechtelijke legitimatie voor een overname van Gaza? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is vooralsnog geen sprake van een Israëlisch voornemen om de Gaza-strook over te nemen.
Is een overname van Gaza op te vatten als een collectieve straf zoals omschreven in de Vierde Conventie van Geneve?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kan de EU meer doen om te komen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren tussen beide conflictpartijen?
De-escalatie van de huidige crisis is de hoogste prioriteit van de EU. De EU heeft alle partijen in de regio opgeroepen bij te dragen aan een onmiddellijk staakt-het-vuren. Het is belangrijk dat de EU gezamenlijk optrekt om bij partners de juiste boodschappen af te geven. Daarnaast wordt achter de schermen voortdurend druk uitgeoefend op partijen om tot een oplossing te komen.
Voorts is de boodschap van de noodzaak van een staakt- het-vuren bij beide partijen tot op het hoogste niveau duidelijk overgebracht, onder anderen door bezoeken van de Duitse en Italiaanse Ministers van Buitenlandse Zaken aan verschillende regionale spelers. Deze boodschap wordt derhalve internationaal breed (uit)gedragen. Het is nu zaak dat beide partijen hiernaar gaan handelen. Volgende week is de kwestie onderwerp van de RBZ op dinsdag 22 juli aanstaande.
Ook in mijn telefoongesprekken met Ministers Lieberman en Malki heb ik de noodzaak tot zo snel mogelijk de-escaleren door betrokken partijen overgebracht.
Bent u bereid om bij uw Europese collega’s aan te dringen op meer druk op beide partijen om te komen tot een staakt-het-vuren? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Vogelsterfte door het middel imidacloprid en aansprakelijkheid voor vervuiling |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel in Biologen: Vogels lijden onder «bijengif»?1
Ja.
Onderkent u het verband tussen het gebruik van het middel imidacloprid in de landbouw en de achteruitgang van 15 weidevogels zoals spreeuw, veldleeuwerik, boerenzwaluw en ringmus?
Voor het antwoord op de vragen 2 en 3 verwijs ik u naar de Kamerbrief van 27 oktober 2014 over de «Nature-publicatie imidacloprid en afname van vogelpopulaties».
Bent u bereid de toelating van het middel imidacloprid met onmiddellijke ingang op te schorten en bent u bereid het middel -gelijk met de opschorting- te laten herbeoordelen in de reguliere procedure?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereidt de producent van imidacloprid juridisch aansprakelijk te stellen voor de schade aan de natuur die door het middel imidacloprid is aangericht, of althans de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken?
Er is op dit moment geen aanleiding voor een procedure als gesuggereerd. Imidacloprid is immers wettelijk toegelaten. Als gemeld in de Kamerbrief van 27 oktober 2014 «Nature-publicatie imidacloprid en afname van vogelpopulaties» is de EFSA op dit moment bezig met twee beoordelingstrajecten ten aanzien van imidacloprid. De uitkomsten hiervan, naar verwachting nog in 2014, moeten worden afgewacht.
Kunt u garanderen dat de producent alle relevante informatie over mogelijke schadelijkheid van imidacloprid heeft gedeeld? Zo ja, waar baseert u dit op?
Het dossier dat door de aanvrager/toelatinghouder wordt ingediend bij de eerste aanvraag respectievelijk verlengingsaanvraag dient alle relevante informatie te bevatten, zodat de beoordelende lidstaat een adequate risicobeoordeling kan uitvoeren. Het Ctgb en toelatingautoriteiten van de andere lidstaten zien hierop toe. De toelatinghouders hebben ook een zelfstandige verantwoordelijkheid om de laatste wetenschappelijke inzichten mee te nemen bij de beoordeling of een middel wel of niet kan worden toegelaten.
Op grond van artikel 56 van de Verordening 1107/2009 voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is de toelatinghouder van een middel bovendien verplicht alle nieuwe informatie over een gewasbeschermingsmiddel, die erop wijst dat het middel niet langer beantwoordt aan de toelatingsvereisten, aan de autoriteiten ter kennis te stellen. Of de producent informatie heeft achtergehouden is het Ctgb niet bekend. De toelatinghouder van imidacloprid heeft het Ctgb in kennis gesteld van de publicatie in Nature en aangegeven dat deze publicatie naar zijn oordeel geen grond geeft om te veronderstellen dat het middel niet meer voldoet.
Waarom hebben geen van de grote en structurele overschrijdingen met imidacloprid geleid tot een aanpassing van beleid bij het College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB)? Bent u bereid het CTGB te verplichten om bij structurele overschrijdingen standaard over te gaan tot opschorting of inperking van gebruik?
Het Ctgb heeft vergaande zuiveringstechnieken voor emissiewater uit kassen voorgeschreven per 1 mei 2014, omdat alleen deze zuiveringstechnieken kunnen waarborgen dat de nieuwe aangescherpte toetsingsnorm van 27 ng/L wordt gehaald in het ontvangend oppervlaktewater.
Het Ctgb heeft in algemene zin de bevoegdheid om de toelating van een gewasbeschermingsmiddel te wijzigen of in te trekken als het middel niet meer voldoet aan de toelatingseisen. Bij geconstateerde overschrijdingen is het echter bijzonder moeilijk om dit volledig toe te schrijven aan de (on)toelaatbaarheid van individuele gewasbeschermingsmiddelen, en niet aan bijvoorbeeld verkeerd gebruik, of gebruik uit het verleden toen er een ruimere toepassing was toegestaan.
Het nieuwe beleid, zoals vermeld in de Nota Gezonde Groei Duurzame Oogst, is dat indien er een aannemelijk verband wordt vastgesteld tussen normoverschrijding en toepassing, de toelatinghouder een emissiereductieplan moet opstellen om deze normoverschrijdingen te kunnen terugdringen. De maatregelen in het emissiereductieplan kunnen gericht zijn op aanscherping van de toelating, het nemen van gebruiksmaatregelen of het uitvoeren van initiatieven om naleving en gedrag te verbeteren. Het Ctgb zal de effectiviteit van het emissiereductieplan controleren en beoordelen.
Kunt u inzage geven in de hoogte van de kosten die waterbedrijven moeten maken doordat zij geconfronteerd worden met frequente overschrijdingen van het bestrijdingsmiddel imidacloprid? Bent u inmiddels bereid de kosten door te berekenen aan de sector middels een heffing op bestrijdingsmiddelen? Zo nee, wat is de rechtvaardiging voor de inzet van publiek geld?
De VEWIN heeft aangegeven dat in het oppervlaktewater en grondwater, dat gebruikt wordt voor de productie van drinkwater, slechts sporadisch een normoverschrijding van imidacloprid aangetroffen wordt. De Unie van Waterschappen heeft aangegeven dat zij geen extra kosten maken voor de zuivering van oppervlaktewater waarin imidacloprid de normen overschrijdt. Voor de vraag over heffingen verwijs ik u naar het antwoord in Kamerstuk 27 858 nr. 214.
Waterbeheerders vragen al tenminste 15 jaar vragen om inzicht in gebruik per gebied en per bestrijdingsmiddel; hebben zij inmiddels wel toegang tot deze gegevens?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar Kamerstuk 27 858 nr. 271.
Heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) inzicht in gebruik per gebied en per bestrijdingsmiddel en welke handhavingsacties onderneemt de NVWA en welke gegevens heeft zij hierbij tot haar beschikking?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Kamerstukken 27 858 nr. 270 en nr. 271.
Erkent u dat het Europese verbod op de drie neonicotinoiden (clothianidin, thiamethoxam en imidacloprid) door de vele uitzonderingen slechts zo’n 15% van het gifgebruik zal beslaan? Zo nee, welk percentage dan wel en waar baseert u dit op?
Voor het antwoord op vragen 10, 11, 12 en 13 verwijs ik u naar de Kamerbrief van 27 oktober 2014 over de «Nature-publicatie imidacloprid en afname van vogelpopulaties».
Bent u bereid op basis van het onderzoek in Nature van Kroon e.a. met spoed Europees aan te kaarten dat de overige 85% gebruik van deze drie neonicotinoiden ook verboden moet worden?2
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat er al jarenlang serieuze aanwijzingen waren dat het middel imidacloprid schadelijk was voor insecten en weidevogels (zie o.a. publicaties van Henk Tennekes)?
Zie antwoord vraag 10.
Speelt «voorzorg» volgens u een rol in de huidige beoordelingsprocedures? Zo nee, waarom niet, vindt u dit terecht en bent u bereid alsnog «voorzorg» een plek te geven in de beoordelingsprocedures?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat van de 128 medewerkers bij het CTGB slechts 7 toxicoloog zijn? Klopt het dat een groep medewerkers helemaal geen wetenschappelijke kwalificaties heeft en wel beoordelingen doet? Klopt het dat de wetenschappers die het CTGB wel heeft zeer weinig publiceren? Hoe wordt de organisatie geacht tegenwicht te bieden tegen de industrie? Met welke andere partijen wordt door het CTGB structureel overleg gevoerd behalve de aanvragende industrie?
Nee. Het Ctgb heeft 11 medewerkers in dienst die toxicologische beoordelingen doen. Hiervan zijn er 6 ook geregistreerd toxicoloog conform de vereisten van de Nederlandse Vereniging voor Toxicologie. De overige 5 zijn eveneens universitaire toxicologen en in opleiding voor hun registratie tot toxicoloog bij de Nederlandse Vereniging voor Toxicologie. Deze 11 toxicologen doen alle toxicologische beoordelingen.
Daarnaast heeft het Ctgb ecotoxicologen, fysisch chemici, landbouwkundigen, biologen, juristen en een veelheid van medewerkers uit andere disciplines met wetenschappelijke kwalificaties in dienst. Het Ctgb maakt, aanvullend op de eigen expertise, gebruik van expertise van andere wetenschappelijke instellingen, zoals de WUR en het RIVM.
De wetenschappelijk beoordelaars die in dienst zijn van het Ctgb, hebben tot taak toelatingsdossiers te beoordelen, en niet tot taak zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te doen. Zij publiceren hun werk dan ook niet. Wel publiceert het College het beoordelingsrapport dat opgemaakt wordt bij de toelating of afwijzing van een middel. Het werk van het Ctgb en de beoordelingen die het Ctgb uitvoert zijn daarmee toetsbaar en transparant.
Het Ctgb voert structureel overleg met alle voor het werk van het Ctgb relevante maatschappelijke partijen. Dit betreft zowel brancheorganisaties van producenten, handelaren en gebruikers, als ook NGO’s en kennisinstellingen. Een verzoek om een gesprek of overleg wordt in beginsel ook altijd ingewilligd. Slechts één NGO (PAN Europe) heeft dit jaar aangegeven niet met het Ctgb in gesprek te willen gaan.
Klopt het dat het grootste deel van de beoordeling van toelating van middelen door het CTGB gebeurt op basis van door de industrie aangeleverde gegevens? Wilt u de procedure beschrijven en daarbij aangeven of er inmiddels wel beoordeeld wordt op gezondheidsrisico’s voor omwonenden, of er beoordeeld wordt op gestapelde effecten (effecten van combinaties van bestrijdingsmiddelen) en of er van alle relevante wetenschappelijke inzichten gebruik gemaakt is, bijvoorbeeld bij de beoordeling van de effecten van imidacloprid op ongewervelden?
De EU Verordening 1107/2009 voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is er om een hoog beschermingsniveau te garanderen voor mens- en diergezondheid en geeft aan (overweging 8) dat de industrie (toelatinghouder) moet aantonen dat producten die op de markt komen geen schadelijke effecten hebben op de gezondheid van mens en dier, of onaanvaardbare effecten hebben op het milieu. Om dit aan te tonen ligt de verplichting bij de toelatinghouder om een dossier samen te stellen, dat vervolgens onafhankelijk door EFSA en de toelatingsautoriteiten van de lidstaten wordt getoetst, conform het wettelijke toetsingskader. Binnen de zonale toelatingssystematiek vindt hierbij een peer review van de beoordeling plaats tussen lidstaten onderling.
Voor de beoordeling van de gezondheidsrisico’s voor omwonenden worden voor iedere werkzame stof in Europa veilige grenswaarden afgestemd. Hierbij worden alle relevante wetenschappelijke inzichten meegenomen. Deze procedure wordt geleid door EFSA. Op hun site zijn de onderbouwingen te vinden: http://www.efsa.europa.eu/en/panels/pesticides.htm. De beoordelingsrapporten (DARs), die ten grondslag liggen aan de EFSA-conclusie, zijn ook op de EFSA-site te vinden: http://www.efsa.europa.eu/en/pesticidespeerreview/assessmentreports.htm.
Voor de Nederlandse toelating of verlengingsaanvraag worden deze binnen de EU afgestemde grenswaarden vergeleken met de verwachte blootstellingen, die worden geschat met behulp van nationaal gespecificeerde modellen, of worden gemeten in blootstellingsstudies. Het middel wordt alleen toegelaten als de blootstelling onder de grenswaarde ligt. De door de aanvrager aan te leveren studies moeten voldoen aan van tevoren vastgestelde eisen, en uitgevoerd worden door laboratoria die gecertificeerd zijn volgens GLP (Good Laboratory Practices). Dit betekent dat er een adequate controle is op de aangeleverde gegevens.
De toxicologie van stapelingseffecten is een complex terrein en daar wordt in Europa -bijvoorbeeld door EFSA- veel onderzoek naar gedaan. De methodologie voor het meenemen van stapelingseffecten in de risicobeoordeling is nog in ontwikkeling. Daarom kunnen deze effecten nog nauwelijks in de huidige risicobeoordeling worden meegenomen, zoals al eerder onderkend. Voor meer informatie over het onderzoek van EFSA verwijs ik u naar http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/3313.htm.
De sponsoring van provincies en gemeenten door de tabaksindustrie |
|
Manon Fokke (PvdA), Marith Volp (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de tabaksindustrie verschillende gemeenten sponsort?1
Ja.
Deelt u de mening van de auteurs van het bericht dat lokale overheden door de samenwerking aan te gaan met de tabaksindustrie in strijd handelen met artikel 5.3 van de Framework Convention on Tobacco Control (het FCTC-verdrag)?2
Artikel 5.3 van het FCTC-verdrag bepaalt dat Partijen, bij de vaststelling en uitvoering van hun volksgezondheidsbeleid met betrekking tot tabaksontmoediging, maatregelen nemen om dit beleid te beschermen tegen commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie.
Ik deel de mening van de auteurs dat ook lokale overheden zijn gebonden aan artikel 5.3 van het FCTC-verdrag, Nederland is immers verantwoordelijk voor de naleving van het FCTC-verdrag op haar grondgebied. Het verdrag schrijft echter niet voor op welke wijze dit moet geschieden. De verdragspartijen hebben op dit punt een grote mate van vrijheid. De richtlijnen bij artikel 5.3 van het FCTC-verdrag zijn juridisch niet-bindend.
Navraag bij betrokken gemeenten en provincie heeft opgeleverd dat ik op dit moment geen redenen heb om aan te nemen dat in de genoemde gevallen sprake is van strijdigheid met het verdrag. De beide campagnes komen niet voort uit (lokaal) tabaksontmoedigingsbeleid. Zo gaat de campagne «Laat je peuk niet alleen» over het schoonhouden van de stranden en de campagne «Er gaat niets boven Groningen» is bedoeld ter promotie van de stad Groningen.
Dit neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat gemeenten en provincies beter bekend worden met de verplichtingen die voortvloeien uit het FCTC-verdrag en de Tabakswet, het tabaksreclameverbod in het bijzonder. Om die reden heb ik inmiddels een brief aan gemeenten en provincies gestuurd, die kan worden meegenomen bij de afwegingen om wel of niet de samenwerking met deze industrie aan te gaan.
Deelt u de mening van de auteurs dat uit de aanbevelingen bij de richtlijnen, voortgekomen uit artikel 5.3 van het FCTC-verdrag, voortvloeit dat de overheid, daaronder begrepen lokale overheden, geen contact mag hebben met de tabaksindustrie, tenzij dit strikt noodzakelijk is voor het effectief reguleren van het tabaksbeleid?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de geplande activiteiten van lokale overheden in samenwerking met tabaksfabrikanten in strijd zijn met bovengenoemde aanbevelingen nu in de aanbevelingen 6.2, 6.3 en 6.4 van de richtlijnen bij het FCTC verdrag specifiek wordt uitgelegd dat overheden zich op geen enkele manier mogen inlaten met samenwerkingsverbanden of activiteiten die door de tabaksindustrie worden omschreven als maatschappelijk verantwoord (6.2), dat overheden niet is toegestaan om de tabaksindustrie zich publiekelijk te laten uiten over zogenaamd maatschappelijk verantwoorde activiteiten (6.3) en dat overheden geen financiële bijdragen van de tabaksindustrie accepteren (6.4)?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u er aan doen om er voor te zorgen dat de betrokken lokale overheden hun samenwerking met de tabaksindustrie stopzetten?
Zie antwoord vraag 2.
De rakettenregen van Hamas en Fatah onder toeziend oog van de terroristische Palestijnse “eenheidsregering” |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de rakettenregen van Hamas en Fatah op Israël waardoor bijna de gehele Israëlische (burger)bevolking de schuilkelders in moet?1
Het kabinet veroordeelt de raketbeschietingen vanuit Gaza op Israël.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden dat «het kabinet kennisgenomen heeft van het akkoord tussen Fatah en Hamas en de regering bestaande uit technocraten een kans wil geven. In de beoordeling van deze regering zijn de Kwartetbeginselen leidend»2 en «wij zullen de nieuwe Palestijnse regering op haar daden beoordelen en daar ook heel kritisch naar kijken»?3
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de terroristische Palestijnse «eenheidsregering» bij monde van de woordvoerder Abu Redeineh de Palestijnse terreur verdedigt met een beroep op zelfverdediging en de tegenaanvallen van Israël een massamoord op kinderen, vrouwen en ouderen noemt, terwijl juist Israël zich alle mogelijke moeite getroost om Palestijnse burgerslachtoffers te voorkomen en Hamas oproept tot en gebruik maakt van, menselijke schilden?4
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze verklaring van de woordvoerder van de Palestijnse president. In deze crisis lopen de gemoederen hoog op en worden uitspraken gedaan die niet bijdragen aan de oplossing van dit conflict.
President Abbas, leider van Fatah, heeft zich herhaaldelijk uitgesproken tegen de raketaanvallen vanuit de Gaza-strook en heeft de operatie door het Israëlische leger veroordeeld. President Abbas zoekt naar een oplossing van deze crisis langs vreedzame weg bijvoorbeeld via de VN en de Mensenrechtenraad. Ondertussen wordt de door Israël gewaardeerde veiligheidssamenwerking met Palestijnse Autoriteit voortgezet.
Waarom treedt de terroristische Palestijnse «eenheidsregering» niet gewoon op om een einde te maken aan de als internationale misdrijven (opzettelijk geweld tegen burgerbevolking en raketaanvallen tegen een kerncentrale5 te kwalificeren rakettenregen, afkomstig van haar grondgebied? Heeft Hamas aangegeven dat het een fluitje van een cent is voor premier Hamdallah om ervoor te zorgen dat er geen raketten vanuit Gaza worden afgevuurd?6
Hamas controleert de facto nog steeds de Gaza-strook. De nieuwe Palestijnse regering, bestaande uit technocraten die niet aan Hamas zijn geaffilieerd heeft sinds haar installatie op 1 juni van het bestuur niet kunnen uitbreiden naar de Gaza-strook. Zij heeft geen zeggenschap over de Qassam Brigades of andere groepen die deelnemen aan de beschietingen.
Het is op dit moment onzeker of en hoe na terugkeer van de rust het verzoeningsproces voortgezet zal worden. Dit is een proces van een lange adem. Het kabinet zal deze technocratische regering op basis van zijn daden beoordelen, waarbij de Kwartetbeginselen leidend zijn.
Welke consequenties verbindt de regering hier aan? Bent u het er mee eens dat de samenwerking met deze terroristische Palestijnse «eenheidsregering» stop gezet moet worden, nu uit haar daden blijkt dat ze zich niet houdt aan de kwartetbeginselen en terreur tegen de burgerbevolking van Israël gedoogt en/of niet verhindert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op grond van het bovenstaande geen aanleiding om de samenwerking met de Palestijnse technocratische regering stop te zetten. Zie antwoord op vraag 5.
Waarom heeft u de rakettenregen op Israël niet veroordeeld? Bent u bereid dit alsnog te doen en uw onvoorwaardelijke steun uit te spreken voor het Israëlische zelfverdedigingsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft de raketbeschietingen veroordeeld in verschillende mediaoptredens en heeft het recht op zelfverdediging van Israël benadrukt.
Deelt u de mening dat de EU veel te slap heeft gereageerd op het breken van de kwartetbeginselen door geen financiële en politieke consequenties te verbinden aan de rakettenregen van Hamas en Fatah onder toeziend oog van de terroristische Palestijnse «eenheidsregering»?7
Nee, zie het antwoord op vraag 8.
Bent u het er mee eens dat alle financiële en politieke steun van zowel Nederland als de EU aan de terroristische Palestijnse «eenheidsregering» en Palestijnse Autoriteit nu per direct moet worden gestopt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet, evenals de EU en internationale gemeenschap, houdt de nieuwe technocratische regering niet verantwoordelijk voor het handelen van Hamas. Het kabinet ziet op grond van het bovenstaande geen aanleiding om de financiële en politieke steun stop te zetten. Bovendien zou stopzetting bijdragen aan verdere escalatie en instabiliteit.
Hoe beoordeelt u de eenzijdige veroordeling van Israëls tegenaanvallen door de Arabische Liga; een islamitische club waarmee u op EU- niveau strategisch en operationeel wilt samenwerken?8
Het staat de Arabische Liga vrij eigen standpunt in te nemen. Indien de EU en de standpunten van de Arabische Liga niet overeenkomen, wordt hierover de dialoog met de Arabische Liga aangegaan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat ook vogels lijden onder bijengif |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ook vogels lijden onder het gebruik van neonicotinoïden als Imidacloprid en dat het tijdelijk verbod op deze insecticiden te beperkt is?1
Voor de antwoorden op de vragen 1 tot en met 4 verwijs ik u naar de Kamerbrief (Kamerstuk 27 858, nr. 276) «Nature publicatie imidacloprid en afname van vogelpopulaties» van 27 oktober 2014.
Wat betekent volgens u de uitkomst van het onderzoek door vijf Nederlandse biologen dat niet alleen bijen maar ook vogels te lijden hebben van dit gewasbeschermingsmiddel voor het toepassen van deze middelen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de zorg dat het huidige EU-moratorium op de toepassing van deze middelen mogelijk te beperkt is om ook vogels te beschermen? Zo ja, welke stappen bent u voornemens te zetten om ook de vogels beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit onderzoek onder de aandacht te brengen van de Europese Commissie, de L&V-raad en de Milieuraad?
Zie antwoord vraag 1.
De benoeming van een omstreden PvdA-wethouder als Rijksvertegenwoordiger BES |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden Utrechtse PvdA’er Rijksvertegenwoordiger BES-eilanden»1? Zo ja, waarom helpt u deze omstreden en plucheplakkende PvdA'er aan een goed betaald baantje?
Op 6 mei 2014 is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de nieuwe Rijksvertegenwoordiger voor de Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Zoals aan uw Kamer medegedeeld is er een selectiecommissie in de procedure opgenomen bestaande uit de heer F.M. Goedgedrag, mevrouw G.A. Verbeet en de heer L.J. Brinkhorst. Ik had de commissie op voorhand laten weten dat ik een unaniem advies zeer zwaar zou laten wegen. Deze commissie heeft aan mij een unanieme voordracht gedaan. Deze voordracht heb ik overgenomen. De eilandsraden zijn geraadpleegd over de procedure en de voordracht. Overigens zijn de selectiecommissie en ik van oordeel dat betrokkene de functie uitstekend zal kunnen vervullen en voldoet aan de in het profiel opgenomen functie vereisten.
Is deze functie alleen beschikbaar voor geflipte wethouders, aangezien de vorige, totaal ongeschikte en belastinggeld weggooiende Rijksvertegenwoordiger dit ook al was?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er, gelet op deze bizarre benoemingen, wel selectiecriteria waaraan wordt getoetst? Zo ja, kan het criterium van vriendjespolitiek en achterkamertjesgeritsel daarbij vervallen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze voordracht onmiddellijk in te trekken? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De gevolgen van de verhuurderheffing voor hofjeswoningen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat u aan de Eerste Kamer hebt geschreven dat u geen uitzondering wilde maken voor particuliere verhuurders, waar ook stichtingen die historische hofjes onderhouden en verhuren onder vallen, om de verhuurderbelasting te heffen?1
Ja. In de Nota naar Aanleiding van het verslag bij de Wet Verhuurderheffing heb ik aan de Eerste Kamer geschreven dat het niet in mijn voornemen ligt om voor verhuurders van bijzondere objecten uitzonderingen voor te stellen, omdat dit een inbreuk zou betekenen op de eenvoudige vormgeving van de nu voorgestelde heffing.
In onder andere de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel Maatregelen Woningmarkt 2014 II (EK 33 819, B) heb ik verder aangegeven dat ik in de verhuurderheffing geen redenen van algemeen belang zie die het maken van een onderscheid tussen categorieën verhuurders rechtvaardigen.
Bereiken u berichten over negatieve gevolgen van de verhuurderheffing voor hofjesverhuurders? Zo ja, welke en wat is uw reactie daarop?
Een enkele hofjesstichting heeft gevraagd om voor hofjes een uitzondering te maken. Mijn reactie was in lijn met mijn antwoorden op de hieronder door u gestelde vraag 6.
Kent u het Essenhof in Haarlem, waar huizen worden verhuurd met een huur tussen de € 300 en € 400 per maand, die als vangnet dienen voor mensen die hun huis plotseling moeten verlaten en door dit vangnet niet op straat of op een wachtlijst belanden?
Naar aanleiding van uw vraag heb ik kennisgenomen van het Essenhof in Haarlem.
Kunt u uitleggen hoe de komende jaren de verhuurder van het Essenhof de verhuurderheffing van ruim € 11.500,– moet bekostigen, wat bijna twee maal de totale huuropbrengst is, zonder daarbij zijn sociale doelstelling te verliezen?
Ik begrijp dat gegeven de huidige huurprijzen de verhuurderheffing voor het Essenhof in 2017 kan oplopen tot bijna twee maal de ontvangen maandhuur. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Maatregelen Woningmarkt 2014 is aangegeven dat de gemiddelde heffing per woning in 2017 € 775 zal bedragen. Dat de heffing 1 à 2 maal de maandhuur zou kunnen bedragen is dus voorzien, en is verdisconteerd in mijn berekeningen over de mogelijkheid om de verhuurderheffing gemiddeld op te brengen. Evenals voor andere verhuurders geldt voor de verhuurder van de Essenhof dat er binnen de kaders van het woningwaarderingsstelstel mogelijkheden zijn om via reguliere huurverhogingen of harmonisatie bij verhuizingen de verdiencapaciteit te vergroten. Ik wil er daarbij op wijzen dat de effecten voor huurders voor de lagere inkomens worden gecompenseerd door de werking van de huurtoeslag, waar ook budget voor beschikbaar is.
Deelt u de mening dat verhuurders van hofjeswoningen een sociale, maatschappelijke en verzorgende taak uitvoeren in de door dit kabinet benoemde «participatiesamenleving» en daarom beloond zouden moeten worden in plaats van belast? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er valt niet in algemene zin te stellen welke taak verhuurders van hofjeswoningen uitvoeren. Ook tussen hofjes zitten daarin verschillen. Hoezeer sommige verhuurders ook een te waarderen sociale taak uitoefenen is voor de toepassing van de verhuurderheffing noodzakelijkerwijs het uitgangspunt de uitgevoerde activiteit, namelijk het verhuren van woningen. Het is niet mogelijk om onderscheid te maken naar de achterliggende doelstelling.
Waarom stelt u verhuurders van historische of monumentale hofjes gelijk aan andere particuliere verhuurders die andere doelstellingen hebben?
De verhuurderheffing is een algemene maatregel die geen onderscheid maakt naar typen verhuurders. Het overgrote deel van de gereguleerde huurwoningen is van woningcorporaties die, net als de door u genoemde verhuurders van historische of monumentale hofjes, evenmin winst nastreven en een sociale en maatschappelijke taak vervullen. Er bestaan daarnaast ook verhuurders van hofjeswoningen die meer vergelijkbaar zijn met commerciële verhuurders en ook commerciële verhuurders die een sociaal en maatschappelijk beleid voeren. Ik zie daarom geen objectieve gronden om binnen de heffing een dergelijk onderscheid te maken. Er is geen afdoende en objectiveerbaar verschil met andere verhuurders die onder de heffing vallen.
Is het mogelijk om hofjeswoningen te bestempelen als zorgwoningen? Bent u bereid dit te onderzoeken?
Het van toepassing zijn van de verhuurderheffing wordt getoetst op basis van objectieve criteria, zoals de zelfstandigheid van de woning en de huurprijs. Zo hoeft over AWBZ-gefinancierde zorgwoningen geen verhuurderheffing te worden betaald. Voor de uitvoering van de verhuurderheffing is het noodzakelijk om vast te houden aan dergelijke objectieve criteria.
Bent u bereid om, nog voor de grondige evaluatie van de verhuurderheffing die eind 2016 gereed zal zijn, te onderzoeken wat het effect is van het oprekken van de vrijstelling van het huidige aantal van 10 woningen naar 50 en naar 70 woningen? Kunt u uw antwoord toelichten? 2
Het kabinet heeft bij de vaststelling van de heffingsvrije voet op 10 woningen een grens gekozen die onder andere is bepaald op basis van het criterium dat sprake is van bedrijfsmatige verhuur. Hier is in het algemeen geen strakke scheiding te maken, maar in het kader van de verhuurderheffing wordt er van uit gegaan dat vanaf een verhuur van 10 woningen in meer of mindere mate sprake is van professionele verhuur. Voor een grens van 50 of 70 woningen is vanuit deze bedrijfsmatigheid gezien geen goede grond. Het is moeilijk in te zien dat bij een verhuur van iets minder dan 50 woningen geen sprake zou zijn van professionele verhuur.
Om een voldoende afgewogen oordeel over de uitwerking van de heffingsvrije voet te kunnen geven en om te beoordelen of er vanwege de ervaringen met de huidige heffingsvrije voet van 10 woningen aanleiding zou zijn deze te heroverwegen is nog niet voldoende (uitvoerings-)informatie beschikbaar. De uitwerking van de heffingsvrije voet van 10 woningen zal betrokken worden bij de evaluatie van de verhuurderheffing die in 2016 aan uw Kamer zal worden gezonden, ook met het oog op verhuurders die een aantal woningen net boven deze grens hebben.
Overigens wijs ik er op dat het oprekken van het huidige aantal van 10 woningen naar 50 woningen zou betekenen dat ongeveer 2300 minder verhuurders onder de verhuurderheffing zouden vallen. Een verhoging naar 70 woningen zou leiden tot ongeveer 2500 minder heffingplichtige verhuurders ten opzichte van de heffingsvrije voet van 10 woningen. In totaal zou het aantal heffingsplichtige verhuurders ongeveer gehalveerd worden.