Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
De 'Summer School on Palestine' van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam georganiseerde «Summer School on Palestine», waarin expliciet wordt gesproken over «legal mobilisation, solidarity and resistance» en waarbij wordt samengewerkt met Birzeit University?1, 2, 3, 4
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Birzeit University internationaal onder vuur ligt vanwege Hamasinvloed op de campus, Hamasgelieerde studentenorganisaties en meerdere incidenten rondom extremisme en radicalisering en vindt u samenwerking met een dergelijke instelling wenselijk voor een Nederlandse publieke universiteit?
Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen. Van instellingen verwacht ik dat zij zich voortdurend inzetten om een veilige leer- en werkomgeving, de academische vrijheid en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te borgen. Dit betekent dat zij regelmatig hun risico’s inventariseren en proportioneel veiligheidsbeleid voeren.
Bent u het ermee eens dat termen als «resistance» in de context van een samenwerking met een universiteit waar Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, op zijn minst buitengewoon ongepast en zorgwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever op de inhoud van een onderwijsprogramma.
Klopt het dat voor deze samenwerking een delegatie van studenten, medewerkers en docenten van Birzeit University naar Nederland en Den Haag zal reizen? Zo ja, op welke wijze worden deze personen vooraf gecontroleerd op mogelijke Hamas sympathieën, steun voor terrorisme of antisemitische standpunten en welke veiligheidsrisico’s acht de regering hierbij aanwezig?
Ja, het klopt dat er voor deze samenwerking een delegatie van Birzeit University naar Nederland reist.
Kennisinstellingen zijn bij uitstek plekken van open dialoog. Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid staan hier centraal. Wanneer personen uitlatingen doen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, of opruiend zijn beschouw ik dat als risico voor de veiligheid op de instelling. In deze gevallen is er mogelijk sprake van een strafbaar feit. Indien deze situatie zich voordoet is het daarom zaak dat de instelling aangifte doet. Strafrechtelijk optreden is in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie.
Hoe verhoudt deze ideologische eenzijdigheid zich tot academische pluriformiteit en wetenschappelijke objectiviteit?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Universiteiten vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik acht het daarom van belang dat er ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven binnen politiek-maatschappelijke thema’s.
Wat schiet de Nederlandse belastingbetaler concreet op met het financieren van een activistische «Summer School on Palestine» waarin termen als «solidarity» en «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met Birzeit University en waarom moet publiek geld worden besteed aan dit soort ideologische programma’s?
Ik doe als Minister geen uitspraken over de inhoud en kwaliteit van een summer school. Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Hogescholen en universiteiten bepalen binnen de kaders van de wet hoe zij de middelen inzetten en verantwoorden zich hierover via het jaarverslag.
Deelt u de mening dat dit soort eenzijdige activistische programma’s, waarin anti Israëlische retoriek en termen als «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, bijdragen aan de normalisering van antisemitisme en het gevoel van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten ernstig vergroten? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs en voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever over de inhoud van een onderwijsprogramma of een academische samenwerking. Wel verwacht ik van instellingen dat zij zich voortdurend inzetten om de veilige leer- en werkomgeving te borgen en programma’s aanbieden die passen binnen de academische kernwaarden.
Bent u bereid het College van Bestuur van Erasmus Universiteit Rotterdam ter verantwoording te roepen over het faciliteren van een programma met banden met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenorganisaties actief zijn en maatregelen te nemen zodat publieke universiteiten zich weer richten op neutraal onderwijs, wetenschap en academische vrijheid in plaats van ideologische activistische programma’s die bijdragen aan antisemitisme en gevoelens van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit onderwerp geen aanleiding om met het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam in gesprek te gaan. Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Joris Lohman (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
Windturbines en grensregio’s |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de Nederlandse grens?
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer en met welk resultaat richting Duitsland?
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
En zo ja, per wanneer?
En zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De ontvoering, vernedering en mishandeling van de Global Sumud Flotilla activisten door Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u de video van de Israëlische Minister Ben Gvir gezien waarin de gekidnapte opvarenden van de Global Sumud Flotilla vernederd en mishandeld worden?1 Wat is uw reactie?
Bent u bereid dit geweld, dat regelrecht ingaat tegen het internationaal recht, ondubbelzinnig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om onmiddellijke vrijlating van de opvarenden, waaronder de Nederlandse opvarenden, te eisen? Zo nee, waarom niet?
Welke sanctiemaatregelen gaat u treffen tegen Israël voor de op de video zichtbare ontvoering, vernedering en mishandeling van de Flotilla-opvarenden?
Verleent Nederland consulaire hulp aan de Nederlandse opvarenden die zijn gekidnapt in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de ontboden ambassadeur aan te dringen op excuses aan de ontvoerde opvarenden van de Global Sumud Flotilla? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om er in de EU voor te pleiten om de hele regering Netanyahu op de sanctielijst te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u Israel dwingen om de humanitaire blokkade van Gaza door Israël op te heffen?
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te starten naar mishandelingen en martelingen van Nederlandse staatsburgers die gekidnapt zijn door Israël in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u binnen 24 uur antwoord geven op de vragen?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het besluit van het CBR om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond te centraliseren naar één locatie in Sittard-Geleen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond per 1 januari 2027 te centraliseren in Sittard-Geleen?
Ja.
Klopt het dat het CBR dit besluit tot centralisatie intern heeft genomen zonder overleg met de actiegroep van ruim 100 rijschoolhouders uit Zuid-Limburg? Zo ja, waarom heeft hierover geen overleg plaatsgevonden?
Het CBR stelt dat het besluit onderdeel is van een bredere herziening van de huisvesting en exameninfrastructuur. Het is aan het CBR zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om invulling te geven aan de wijze waarop stakeholders worden betrokken bij voorgenomen wijzigingen. In het gehele traject heeft het CBR gesprekken gevoerd met verschillende betrokken partijen in de regio.
Vertegenwoordigers van de Rijscholen zijn eerder geïnformeerd over de huisvestingsstrategie van het CBR. Daarbij is niet expliciet de situatie in Zuid-Limburg besproken. Na het indienen van de vergunningaanvraag voor de nieuwe locatie in Sittard/Geleen zijn informatiebijeenkomsten voor rijscholen georganiseerd. De afgelopen maanden is meermaals gesproken met een actiegroep van rijschoolhouders uit Limburg, die is opgericht na de bekendmaking van de huisvestingsplannen van het CBR in Zuid-Limburg.
Heeft het CBR onderzocht of alternatieve examenlocaties binnen de gemeenten Maastricht, Kerkrade en Urmond beschikbaar waren? Zo nee, waarom niet?
Het CBR heeft verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van alternatieve locaties. Daarbij zijn onder meer goede bereikbaarheid, voldoende parkeergelegenheid en de mogelijkheid om voldoende valide examenroutes te rijden belangrijke criteria. Het CBR heeft uiteindelijk gekozen voor Sittard-Geleen vanwege de centrale ligging en omdat deze locatie voldeed aan de criteria voor huisvesting van het CBR. Centraal daarbij staat dat de reistijden binnen de landelijk norm blijven die voor alle huisvesting van het CBR geldt. Voor een praktijklocatie betekent dit dat 95% van de kandidaten en rijscholen – onder normale omstandigheden – binnen 30 minuten op een praktijklocatie moet kunnen zijn. Die norm wordt gehaald met de nieuwe locatie.
Erkent u dat het sluiten van deze examenlocaties kan leiden tot hogere kosten voor zowel rijschoolhouders als examenkandidaten, onder meer door extra brandstofkosten en hogere lesprijzen? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om deze gevolgen te beperken?
Wijzigingen in examenlocaties kunnen (negatieve) gevolgen hebben voor de reistijd en kosten voor sommige rijschoolhouders en kandidaten. Aan de andere kant, zal dit voor andere rijschoolhouders en kandidaten weer positieve gevolgen hebben.
Het CBR is verantwoordelijk voor de organisatie van examens en dient daarbij een zorgvuldige afweging te maken tussen bereikbaarheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit besluit voldoet aan de landelijke normen die het CBR stelt om zijn dienstverlening te waarborgen en levert ook voordelen op voor de dienstverlening door het CBR in Limburg. Zo leidt één examenlocatie tot een efficiëntere inzet van examinatoren, een breder aanbod van alle type examens op één locatie en ruimere openingstijden. Ook zijn de afstanden in Zuid-Limburg vergelijkbaar met de bereikbaarheid van andere (centrale) CBR-locaties in het land. Het besluit draagt bij aan het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van het CBR, wat de examenkandidaten ten goede komt. Ik zie daarom voor het CBR geen reden tot maatregelen om de gevolgen te beperken.
Deelt u de opvatting dat deze centralisatie in een regio als Zuid-Limburg extra nadelige gevolgen kan hebben, mede gezien de kwetsbare sociaaleconomische positie van een deel van de inwoners?
Het is van belang dat publieke dienstverlening voor inwoners toegankelijk blijft, ook in regio’s waar bereikbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden extra aandacht vragen. Het CBR weegt de regionale effecten zorgvuldig mee in de afweging over de inrichting van de dienstverlening.
In dit geval heeft het CBR door (externe) analyses laten zien dat zij binnen de transparante en aanvaardbare normen blijven zoals deze gelden voor de CBR locaties in heel Nederland (zie ook het antwoord op vraag 3). In het geval van Zuid-Limburg blijft de dienstverlening van CBR op hetzelfde niveau en is er geen sprake van krimp voor wat betreft het aantal medewerkers of het aantal examens dat wordt afgenomen.
Hoe verhoudt deze keuze van het CBR zich tot het kabinetsbeleid om publieke voorzieningen en rijksdiensten regionaal toegankelijk en gespreid te houden, zoals verwoord in onder meer het rapport «Elke Regio Telt!»?
Het niveau van dienstverlening van het CBR blijft gelijk in Zuid-Limburg (zie ook het antwoord op vraag 5). Door verplaatsing krijgen kandidaten en opleiders meer keuzemogelijkheid voor de dag en het tijdstip waarop zij examen willen doen. Het CBR kan elke dag alle specialisaties aanbieden. Daarnaast blijft het CBR binnen de norm voor wat betreft reisafstanden de in heel Nederland geldt.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere vragen van lid Wijen-Nass1 door de Minister van BZK, is er geen sprake van verschraling van de dienstverlening. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u als Minister om hierop te sturen, en bent u bereid die in dit geval in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Het CBR is een zelfstandig bestuursorgaan met een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en de inrichting van de bedrijfsvoering. Zolang het CBR binnen de aanvaarbare normen blijft voor huisvestinglocaties, zie ik geen noodzaak om hier op bij te sturen. Dat is hier ook het geval.
Klopt het dat het CBR voornemens is om op termijn ook de examenlocaties in Venlo en Weert te concentreren in Roermond? Zo ja, op welke termijn en waarom?
Het CBR heeft aangegeven dat voortdurend wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid van het locatiebestand. Ook voor de regio Venlo, Weert en Roermond geldt dat CBR kijkt naar lopende huurcontracten en toekomstbestendige huisvesting in de regio waarbij ook overleg met de regio plaatsvindt. Over eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van Venlo, Weert en Roermond zijn op dit moment door het CBR nog geen definitieve besluiten genomen.
Bent u bereid zich in te spannen om ten minste één van de huidige examenlocaties in Maastricht of Kerkrade te behouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6. Dit is de verantwoordelijkheid van het CBR en zolang zij zich houden aan de criteria, zie ik geen rol voor IenW.
Hoeveel praktijk- en theorie-examenlocaties heeft het CBR momenteel in Nederland? Hoeveel locaties zijn de afgelopen tien jaar gesloten, en hoeveel locaties zullen volgens de huidige plannen nog sluiten?
Het CBR heeft op dit moment 53 praktijklocaties, waarvan 17 in combinatie met een theorie-examencentrum en 3 zelfstandige theorie-examenlocaties (Roermond, Breda en Arnhem). Tien jaar geleden betrof het aantal praktijklocaties 54 en het aantal theorie-examencentra 20. Het CBR kijkt voortdurend naar de toekomstbestendigheid van de huisvesting, over verdere ontwikkelingen zijn nog geen definitieve besluiten genomen (zie ook het antwoord op vraag 8)
Erkent u dat verdere concentratie van examenlocaties negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit en toegankelijkheid van rijopleidingen, bijvoorbeeld door minder vertrouwdheid met examenroutes en extra druk op kandidaten en rijscholen? Hoe weegt u daarbij mee dat Zuid-Limburg juist relatief hoge slagingspercentages kent ten opzichte van sterk gecentraliseerde stedelijke regio’s?
Ik ben blij met de hoge slagingspercentages in Zuid-Limburg. Dat geeft aan dat daar goede rijscholen zijn die hun vak verstaan en het geven van rijles zeer serieus nemen. Dat verandert niet door een concentratie van CBR-locaties. Ik begrijp de zorgen die leven onder rijschoolhouders en kandidaten over de mogelijke effecten van verdere concentratie van examenlocaties. Echter, daarbij dienen zowel de belangen van kandidaten alsook de uitvoerbaarheid voor het CBR zorgvuldig te worden gewogen. Het is uiteraard wel belangrijk een evenredige spreiding van examenlocaties door het land te houden.
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
De gasprijzen zijn momenteel hoger dan de prijs voor gas in de komende winter. Het verschil tussen de prijs voor gas die in de zomer moet worden betaald, en de prijs voor aankomende winter (de zogenoemde «spread») is een belangrijke prikkel voor het opslaan van gas. Op dit moment is er sprake van een negatieve spread (een hogere zomerprijs ten opzichte van de prijs in de aankomende winter). In eerdere jaren kon een positieve spread de kosten van het opslaan van gas (deels) dekken.
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door import van LNG, gas via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Ik kan niet aangeven of en zo ja hoeveel méér kosten leveranciers zullen maken als gevolg van het vullen van gasopslagen, omdat commerciële informatie voor mij onbekend is.
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Nederland heeft een nationaal vuldoel gesteld van 115 TWh voor de Nederlandse seizoensopslagen op 1 november 2026. Dat doel komt overeen met een vulgraad van 80%. Dit doel houdt rekening met een koude winter die zich eens in de 30 jaar voordoet, waarbij tegelijkertijd de grootste bron van aanvoer uitvalt, waarbij wordt aangenomen dat de LNG-terminals in Europa geen extra gas leveren in de winter (wat zij doorgaans wel kunnen) én waarbij de vraag uit buurlanden als constant wordt aangenomen. Het nationale vuldoel is hoger vastgesteld dan waar Europa ons toe verplicht.
Voor Nederland zijn de belangrijkste gasopslagen Norg, Grijpskerk, Bergermeer en de PGI Alkmaar. Voor de meest actuele cijfers verwijs ik naar de Aggregated Gas Storage Inventory.1 Zoals bekend heeft EBN de opdracht om 80 TWh gas op te slaan, voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast is 5 TWh opgeslagen in de PGI Alkmaar als tijdelijke noodvoorraad.
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Het financiële risico hangt af van het verschil tussen zomer- en winterprijzen, hoe die prijzen zich ontwikkelen en de volumes die tegen bepaalde prijsverschillen gekocht en al dan niet opgeslagen worden.
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Het is niet mogelijk om aan te geven waar het gas uit de Nederlandse gasopslagen uiteindelijk voor bestemd is. Internationale gastromen zijn een integraal en onmisbaar onderdeel van de normale werking van een goed functionerende Europese interne markt.
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
De netto-kosten die EBN maakt in het uitvoeren van opslagactiviteiten (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS volgens het principe «de gebruiker betaalt».
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief2 van 28 mei 2026, zoek ik samen met EBN de balans tussen het borgen van de leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring, en het zo laag mogelijk houden van de kosten.
Ik acht het niet onredelijk dat de kosten voor het opslaan van gas worden verhaald op buitenlandse gebruikers voor zover zij gebruik maken van de Nederlandse opslagen. Temeer omdat Nederland ten opzichte van andere landen relatief veel opslagcapaciteit heeft. Het exclusief bestemmen of reserveren van bepaald gas voor Nederlandse afnemers met uitsluiting van afnemers in andere lidstaten is op grond van Europese regelgeving daarbij niet toegestaan.
Dit kabinet zet zich in de Raad van de Europese Unie in om een eerlijke kostendeling te bewerkstelligen.
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de laatste jaren gemiddeld ca. 45 TWh elektriciteit per jaar uit gas is opgewekt3 en hiervoor gemiddeld circa 12 bcm gas per jaar is ingezet. Er is geen specificatie mogelijk welk deel van het gasgebruik voor elektriciteitsproductie nodig is om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen.
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Nee, dit is niet mogelijk. Het valt niet te voorspellen welke gascentrale in Nederland en welke gas- of kolencentrale in het buitenland in dat geval zou uitgaan en welke besparing dat zou opleveren.
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Er zijn op dit moment geen belemmeringen voor kolencentrales in Nederland tot en met 31 december 2029, volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. De markt bepaalt autonoom via de prijs wanneer welke centrales aan en uit gaan.
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Nee, de kolencentrales in Nederland mogen nog steeds produceren en de markt bepaalt autonoom welke centrales aan en uit gaan op basis van de prijs.
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
De kolencentrales zijn vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ook kunnen kolencentrales vrij ingezet worden voor netstabiliteit als dat nodig en concurrerend is met alternatieven. De elektriciteitsprijs komt tot stand op de Europese markt, waardoor het effect van drie kolencentrales uit Nederland beperkt is op de Europese prijsvorming.
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
De kolencentrales zijn, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 t/m 11, vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ik zie geen risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van LNG.
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
In de afgelopen jaren heeft Nederland de volgende LNG-volumes geïmporteerd:
Verenigde Staten
17,5
14,4
19,9
Noorwegen
1,4
1,4
0,9
Rusland2
1,1
2
2,4
Afrika
2,5
1
2,2
Azië
0,8
0
0
Amerika excl. de VS
1,2
2,3
1,2
Overig/onbekend
0,2
0
0
Bron: CBS (update 21 mei 2026).
(Nader) voorlopige cijfers
Vanaf 1 januari 2027 is import van Russische LNG onder REPowerEU en het 19e sanctiepakket volledig verboden (zie Kamerstukken II, 2025/2026 29 023, nr. 664). Eerdere volumeontwikkelingen zijn toegelicht in onder meer aanhangsel van de Handelingen 2023–2024, nr. 2515 en aanhangsel van de Handelingen 2024–2025, nr. 136.
Nederland produceert ongeveer 1/3e van ons gas zelf, importeert ongeveer 1/3e via pijpleidingen en importeert ongeveer 1/3e aan LNG. Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat van die LNG-import sinds 2023 gemiddeld 71% van de LNG afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de totale gasproductie in de Verenigde Staten wordt gewonnen uit schaliegasvelden (78% in 2023 (IEA))4. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoeveel van de geïmporteerde Amerikaanse LNG afkomstig is uit schaliegasvelden. De reden is dat in de VS het schaliegas gemengd wordt op het gasnet met conventioneel gas.
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Het IEA stelt dat de klimaatimpact van steenkool aanzienlijk hoger ligt dan van aardgas. Bij aardgas speelt het type gas een rol: geïmporteerd LNG heeft een grotere klimaatimpact dan in Nederland gewonnen aardgas of aardgas dat via pijpleidingen afkomstig is uit bijvoorbeeld Noorwegen. Over het algemeen is de klimaatimpact van LNG echter nog altijd aanzienlijk lager dan die van steenkool. Uit onderzoek van het IEA bleek dat in 2024 99% van het geconsumeerde LNG een lagere klimaatimpact had dan steenkool. Er mag dan ook redelijkerwijs worden verondersteld dat dit ook voor de Nederlandse centrales geldt. Ook stelt het IEA dat wereldwijd de gemiddelde levenscyclusuitstoot van broeikasgassen per eenheid elektriciteit uit LNG ongeveer 40% lager is dan die van elektriciteit uit steenkool. Dit komt doordat gascentrales over het algemeen efficiënter elektriciteit opwekken dan kolencentrales (de wereldwijde gemiddelde efficiëntie van gascentrales is 48%, tegen 37% voor kolencentrales) (Bron IEA5). Met dit antwoord wil ik ook mijn toezegging aan het lid Boomsma6 (JA21) tijdens het Commissiedebat van 15 april over Hernieuwbare Energie gestand doen.
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Enkel de vragen 14 & 15 heb ik gezamenlijk beantwoord.
Aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering op Europees schippersdiploma»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover bij u bekend zijn?
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld, dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende ervaring te beschikken.
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen, specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–. Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR. De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid voor de passagiers, die aan boord stappen.
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten, die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort, waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt.
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft geïnterpreteerd?
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau bereikt.
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd. De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart?
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart. Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde vormen van binnenvaart?
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?2, 3
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3 diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese Commissie in overleg te treden.
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de kwalificatie-eisen te komen?
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Data en normen windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aantonen dat de jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) een aantoonbare relatie heeft met feitelijke hinder en slaapverstoring van omwonenden?
Op welke recente datasets zijn de gehanteerde bron-hinderrelaties gebaseerd, en zijn deze representatief voor moderne windturbines van >150 meter?
Kunt u voorbeelden geven van Nederlandse veldstudies waarin modelberekeningen zijn gevalideerd met gemeten hinder bij omwonenden?
Hoe is in de planMER rekening gehouden met nachtelijke piekbelasting en hinderincidenten per nacht en per seizoen?
Erkent u dat gemiddelde meetdata piekgeluid en hinderincidenten onvoldoende zichtbaar maken?
Kunt u aantonen dat de voorgestelde normen minimaal hetzelfde beschermingsniveau bieden als afstandsnormen zoals in Denemarken?
Kunt u onderbouwen dat de nieuwe normering leidt tot gelijke of lagere feitelijke hinder dan de Handreiking industrielawaai (1998)?
Waarom is geen volwaardige vergelijking gemaakt tussen de huidige normering en alternatieven, zoals strengere afstandsnormen of andere meetmethoden?
Hoe is geborgd dat effecten van slijtage en veroudering van windturbines zijn meegenomen in de beoordeling van hinder en geluid?
Kunt u uitsluiten dat de normering vooral gebaseerd is op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing bij omwonenden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Het rapport ‘PFAS-aandachtlocaties in 2025’ |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Waarom zijn in het rapport «PFAS-aandachtlocaties in 2025» de locaties waar aandacht voor is, of die onze aandacht behoeven, niet vermeld, maar slechts als categorie gekwantificeerd?
Zoals vermeld in de brief aan Uw Kamer van 11 mei 20261 is het rapport «PFAS-aandachtlocaties in 2025» in samenwerking met gemeenten en provincies opgesteld met als doel om de verschillende inventarisaties die door de gemeenten en provincies worden uitgevoerd naar PFAS-aandachtlocaties samen te brengen tot een landelijk overzicht. Met de betreffende overheden heb ik afspraken gemaakt om de inventarisatie in 2030 af te ronden zodat op basis van die inventarisatie een programmatische aanpak van deze locaties kan worden vormgegeven. Het is belangrijk om deze rapportage in deze context te beschouwen. Het doel van de uitvraag bij de bevoegde overheden is om een landelijk beeld te krijgen hoe groot de opgave rond PFAS-aandachtlocaties is, hierin een prioriteitsvolgorde aan te brengen en de meest urgente locaties als eerste aan te pakken. Gemeenten en provincies die de inventarisaties uitvoeren hebben vanuit de wet de taak om te bepalen wat er op een specifieke locatie moet gebeuren en communiceren daarover met belanghebbenden. Zij hebben ook beter zicht op de lokale situatie dus zijn hiervoor per definitie beter geoutilleerd. De gegevens in de rapportage «PFAS-aandachtlocaties in 2025» zijn vorig najaar uitgevraagd. We hebben met de overheden afgesproken dat zij communiceren over de locaties, aanpak en de voortgang.
In wiens belang is het om deze locaties met potentieel veel gezondheidsschadelijke vervuiling voor het publiek verborgen te houden?
Er is geen sprake van het verbergen van de locaties. Op het moment dat er sprake is van een locatie met mogelijke gezondheidsrisico’s is het aan het betreffende provincie of gemeente om met de belanghebbenden daarover te communiceren en daar de passende maatregelen te nemen. Dat kan een sanering zijn, maar ook bijvoorbeeld gebruiksadviezen voor een bepaalde locatie.
De provincies en gemeenten investeren in het inventariseren van de PFAS-aandachtlocaties. Het Ministerie van IenW ondersteunt gemeenten en provincies om PFAS-aandachtlocaties te inventariseren. Financiële ondersteuning van de decentrale overheden vindt plaats middels de Tijdelijke regeling uitkering Bodem (SPUK Bodem). Daarnaast is er voor provincies en gemeenten ondersteuning door middel van onderlinge afstemming en kennisopbouw.
De rapportage helpt om de totale opgave in beeld te krijgen. Dit is onderdeel van de gezamenlijke aanpak die met de medeoverheden is ontwikkeld. Deze werkwijze komt overeen met de manier waarop in het verleden de spoedlocaties (historische bodemverontreinigingen) succesvol zijn aangepakt.
Is niet in het verdrag van Aarhus bepaald, dat het publiek moet worden geïnformeerd over dergelijke locaties met milieu- en gezondheidsrisico’s?
De provincies en gemeenten geven hier invulling aan. De betreffende informatie is afkomstig van de provincies en gemeenten en zij hebben op basis van de wet de taak om te bepalen welke acties er al dan niet genomen moeten worden en de informatie die bekend is te delen met belanghebbenden.
Wanneer worden deze locaties en het risico dat ervan uitgaat, wel publiek gemaakt?
Zoals in het antwoord op vragen 1 en 2 aangegeven, is dat aan de bevoegde overheden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat Externe Veiligheid op 10 juni a.s. beantwoorden?
Ja.
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.