Mogelijke vooroordelen bij leerkrachten bij het geven van het schooladvies |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending «Uitgesloten» van 15 maart jl.?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat leerlingen op basis van hun achtergrond een (veel) lager schooladvies krijgen dan zij aankunnen? Zo ja, welke maatregelen neemt u op dit vlak?
Het zou inderdaad zorgelijk zijn als leerlingen op basis van hun (niet-Nederlandse) achtergrond structureel en systematisch een te laag schooladvies zouden krijgen. Hiervan is echter geen sprake. In het rapport «De kwaliteit van het basisschooladvies» (2014) concludeert de Inspectie van het Onderwijs dat er weinig evidentie is dat etniciteit van invloed is op de hoogte van de advisering. Deze conclusie is gebaseerd op diverse studies en onderzoeken. Niet westerse allochtone leerlingen krijgen volgens de inspectie niet systematisch een lager advies dan autochtone leerlingen. Tevens signaleert de inspectie dat scholen zorgvuldig omgaan met de advisering. Ik zie dan ook geen noodzaak voor verdere maatregelen.
Herkent u de signalen dat vooroordelen over afkomst (sociaaleconomisch of etnisch) meespelen in het uitbrengen van het schooladvies door leraren? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken op welke wijze vooroordelen een rol spelen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Die signalen herken ik niet. In het hiervoor genoemde rapport concludeert de inspectie op basis van bestaand onderzoek en eigen waarnemingen dat bij de advisering dergelijke vooroordelen niet zichtbaar zijn en er wordt ook niet onbewust gediscrimineerd bij het advies.
Er loopt op dit moment een onderzoek naar de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Hierbij is specifiek aandacht voor groepen leerlingen met verschillende achtergrondkenmerken, waaronder het sociaal milieu en de afkomst.2
Krijgen leerlingen met een niet-Nederlandse afkomst vaker een lager advies van de leraar dan de cito-score uitwijst?
Nee. Uit het rapport «De kwaliteit van het basisschooladvies» blijkt dat
allochtone leerlingen iets meer kans op hebben een hoger advies dan te verwachten is op basis van hun eindtoetsscore. Echter, dit ligt aan het feit dat er licht wordt overgeadviseerd aan de onderkant van het vmbo en dat daar relatief veel allochtone leerlingen zitten. Door daarvoor te corrigeren verdwijnt het effect. Een allochtone leerling met een eindtoetsscore in het vmbo-spectrum heeft bijvoorbeeld niet meer kans op een hoger of lager schooladvies dan een autochtone leerling met een toetsscore in het vmbo-spectrum.
Hoe zorgt u ervoor dat ouders en leraren weten dat, wanneer de cito-score hoger uitvalt dan het schooladvies, de leerling naar het hogere schooltype mag?
In het Kamerdebat over het schooladvies van 25 februari heb ik aangegeven dat de communicatie hierover met de ouders primair via de scholen verloopt. Hier vindt het gesprek over de schooladvisering immers plaats. Daarnaast kunnen ouders terecht bij de Landelijke Ouderraad. Dit kan via de landelijke oudertelefoon 5010 of via het bezoeken van de website: www.loraad.nl. Daarnaast is er ook algemene informatie te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.vanponaarvo.nl.
Overigens wijs ik erop dat in tegenstelling tot wat in de vraag wordt verondersteld het geen automatisme is dat wanneer de eindtoetsscore hoger is dan het schooladvies, een leerling naar het hogere schooltype mag. Wat er wel aan de orde is, is dat de school in een dergelijk geval het schooladvies heroverweegt. Bij deze heroverweging worden de ouders en de leerling betrokken. Wanneer de heroverweging leidt tot bijstelling, geeft dat bijgestelde schooladvies de leerling een recht van toegang op het geadviseerde hoger schooltype.
Hoe gaat u jongeren, die de afgelopen jaren een veel lager schooladvies kregen dan hun cito-score uitwees en daardoor jaren vertraging oplopen, afdoende kansen bieden om snel naar het juiste schooltype door te stromen? Bent u bereid voor deze doelgroep gerichte maatregelen te treffen om ook hen de kansen te bieden die zij verdienen?
Het schooladvies is een goede voorspeller voor het vervolgsucces in het voortgezet onderwijs. Het is en blijft echter een inschatting en geen exacte wetenschap. In individuele gevallen zal er daarom altijd sprake zijn van een bepaalde mate van zowel opstroom als afstroom van leerlingen. Voor deze individuele gevallen biedt het Nederlandse onderwijsstelsel volop mogelijkheden en daarmee afdoende kansen voor wisseling van niveaus voor alle leerlingen. De VO-school kan bijvoorbeeld in overleg met de ouders en de leerling bepalen dat een leerling in de loop van een leerjaar of bij de overgang naar het volgende leerjaar wordt overgeplaatst naar een hoger niveau. Ook kan een leerling naar een hoger niveau doorstromen nadat de eerdere opleiding is afgerond. Verder helpt de loopbaanoriëntatie en -begeleiding leerlingen te kiezen voor een voor hen meest passend onderwijsniveau. Bij het benutten van mogelijkheden van op- of afstroom is er altijd sprake van maatwerk, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van de leerling om hem of haar de beste kansen te bieden.
Gegeven deze mogelijkheden om van onderwijsniveau te wisselen, vind ik het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen die specifiek gericht zijn op de genoemde doelgroep.
Het bericht dat het beheer en de uitvoering van pensioenvermogens steeds vaker in het buitenland plaatsvinden |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De pensioenpotten staan nu in Londen»?1
Ja.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat het beheer en de uitvoering van pensioenen naar het buitenland verplaatst?
Een goed vestigingsklimaat is en blijft een van de doelstellingen van het kabinet. Pensioenfondsen kunnen er in het belang van de deelnemers voor kiezen om het vermogensbeheer (deels) uit te besteden aan een buitenlandse vermogensbeheerder met een ander productaanbod of kostenprofiel. Op de internationale markt van fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlandse instellingen echter goed vertegenwoordigd. Vier van de vijf grootste fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlands2. Het kabinetsbeleid is er op gericht het vestigingsklimaat in Nederland continu te verbeteren door middel van inspanningen op o.a. het gebied van onderwijs, duurzame overheidsfinanciën en macro-economische stabiliteit. De bredere inspanningen van het kabinet ten aanzien van het vestigingsklimaat dragen tevens bij aan een goed vestigingsklimaat voor pensioenactiviteiten. Zoals bij de beantwoording van de vragen 2 t/m 4 beschreven, vormt het beloningsbeleid ten aanzien van door pensioenfondsen uitbestede taken geen belemmering om pensioenactiviteiten in Nederland te laten uitvoeren.
Wat vindt van de constatering dat in Nederland veel goed gekwalificeerde professionals niet meer te vinden zijn omdat de salarissen in Nederland meer aan banden zijn gelegd dan in andere landen?
Het kabinet heeft regels in het beloningsbeleid doorgevoerd om perverse prikkels via hoge beloningen en bonussen, die mede de oorzaak waren van de financiële crisis, tegen te gaan. Op 30 juli 2013 (Staatsblad 2013, 33182 nr. 329) zijn door het kabinet nadere regels ingevoerd met betrekking tot het beloningsbeleid van pensioenfondsen. Deze regels hebben ook betrekking op uitbestede werkzaamheden van pensioenfondsen. Specifiek geldt dat een fonds zicht dient te hebben op het beloningsbeleid van derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed. Het is daarbij de bedoeling dat het fonds er op let dat het beloningsbeleid van de uitvoeringsorganisatie niet aanmoedigt tot het nemen van onaanvaardbare risico’s. Ook is het pensioenfonds verplicht het beloningsbeleid te betrekken bij de keuze van de organisatie waaraan werkzaamheden worden uitbesteed en moet het beloningsbeleid openbaar zijn. Deze regels gelden ongeacht of de uitbestede werkzaamheden van een pensioenfonds in Nederland of in het buitenland worden uitgevoerd. Er is dus op basis van het beloningsbeleid in de pensioenwetgeving geen prikkel om uitbestede werkzaamheden in het buitenland te laten uitvoeren.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dergelijke regels over salarissen de werkgelegenheid in Nederland negatief beïnvloeden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, want bent u bereid hier aan te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat bedrijven (bijv. Johnson & Johnson, AON Hewitt) steeds vaker hun pensioenbeheer overhevelen (of overwegen over te hevelen) naar België en daar het pensioen laten uitvoeren of daar een pan-Europees pensioenfonds starten?
Bij de beantwoording van deze vragen gaat het om werkgevers die een Nederlandse pensioenregeling laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Hiermee verschilt de situatie bij deze vragen van de beantwoording van de vragen 2 t/m 4, waarbij is ingegaan op pensioenregelingen die in Nederland door een pensioenfonds worden uitgevoerd maar waarbij taken zoals het vermogensbeheer worden uitbesteed naar een andere lidstaat.
De afgelopen jaren zijn er enkele Nederlandse werkgevers geweest die hebben besloten om hun pensioenregeling te laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Het gaat dan met name om bedrijven met medewerkers in verschillende landen waardoor het uitvoeringstechnisch aantrekkelijk kan zijn om de medewerkers in een gezamenlijk pensioenfonds onder te brengen in één land. Een tweede reden die bedrijven aangeven voor een grensoverschrijdende uitvoering van een Nederlandse pensioenregeling is dat zij een sponsorgarantie hebben afgegeven ten aanzien van de nakoming van de pensioenregeling. Daarbij leidt die garantie in sommige gevallen in het beoogde land van onderbrenging tot (initieel) lagere kosten, zoals een lagere premie, doordat de omvang van de technische voorziening in dat land is gekoppeld aan het bestaan van de sponsorgarantie. In dat verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij (Kamerstukken 2013/14, 2014Z08249 nr. 2319) over de zo genaamde «Belgiëroute».
Voor het kabinet staat bij de uitvoering van een pensioenregeling het belang van de deelnemer centraal. Bij de hiervoor genoemde beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij ben ik ingegaan op de waarborgen die hiervoor zijn. Ten eerste heeft de werkgever instemming van de ondernemingsraad nodig voor een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Het nieuwe verantwoordingsorgaan heeft ten aanzien van zo’n besluit een adviesrecht op grond van artikel 115a, derde lid, onderdeel f, van de Pensioenwet. Het nieuwe belanghebbendenorgaan heeft op grond van artikel 115c, negende lid, onderdeel a, van de Pensioenwet, een goedkeuringsrecht ten aanzien van een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Ten tweede spelen de Nederlandse toezichthouders een belangrijke rol als een Nederlandse pensioenregeling in het buitenland wordt uitgevoerd. Zo wordt een mogelijke collectieve waardeoverdracht van pensioenrechten en -aanspraken van een Nederlands pensioenfonds naar een pensioenuitvoerder in een andere lidstaat in beginsel op dezelfde wijze door DNB behandeld als een collectieve waardeoverdracht tussen twee in Nederland gevestigde pensioenfondsen. DNB let er dus op dat aan de wettelijke eisen van onder meer artikel 84 van de Pensioenwet (dat onderdeel is van het toepasselijke Nederlandse sociaal en arbeidsrecht) wordt voldaan en dat de belangen van de bij de collectieve waardeoverdracht betrokken (gewezen) deelnemers en gepensioneerden op evenwichtige wijze door het bestuur van het Nederlandse pensioenfonds worden afgewogen. In het geval er sprake is van collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 van de Pensioenwet, houdt de AFM er toezicht op dat deelnemers zijn geïnformeerd over het voornemen tot collectieve waardeoverdracht. Verder schrijft de Europese pensioenfondsenrichtlijn onder meer voor dat de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden en dat ook bij de waardering van verplichtingen de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden worden beschermd.
Wat zijn volgens u de redenen dat pensioenen steeds vaker verhuizen naar België?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat we niet zomaar de pensioenkennis (en daarmee werkgelegenheid) uit Nederland moeten laten vertrekken, maar de Nederlandse kennis en kunde moeten behouden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Nederland juist aantrekkelijker gemaakt moet worden voor buitenlandse «pensioenactiviteiten»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om de pensioensector in Nederland ook voor internationale spelers (en regelingen) aantrekkelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Nederlandse premiepensioeninstellingen (PPI's) zich tot op heden uitsluitend richten op de Nederlandse markt, alhoewel de PPI als grensoverschrijdend vehikel was bedoeld? Wat gaat u hier aan doen? Bent u bijvoorbeeld bereid om het nog te introduceren Algemeen Pensioenfonds ook mogelijk te maken voor grensoverschrijdende activiteiten?
Sinds de inwerkingtreding van de Europese richtlijn betreffende werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (Richtlijn 2003/41/EG) is het in Europa in principe mogelijk voor pensioenfondsen om met een vergunning uit het thuisland grensoverschrijdende pensioendiensten aan te bieden, dat wil zeggen buitenlandse pensioenregelingen uit te voeren. Dit geldt ook voor algemene pensioenfondsen.
Eerder heeft het kabinet geconcludeerd dat er behoefte aan grensoverschrijdende dienstverlening bestaat, maar dat de precieze omvang en de gevoelde urgentie zich lastig laten bepalen3. De prudentiële regels van het ftk hangen nauw samen met de aard van de Nederlandse pensioenregelingen en zijn niet altijd geschikt voor de uitvoering van buitenlandse pensioenregelingen. Het kabinet heeft vervolgens aangegeven dat ze het niet opportuun acht om dit vraagstuk in het kader van het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds op te pakken, mede omdat er een urgente behoefte bestaat bij verschillende partijen uit de pensioensector aan het algemeen pensioenfonds.
Het verbreden van de Nederlandse prudentiële regels voor buitenlandse contracten vereist de ontwikkeling van complexe regelgeving. De huidige Europese pensioenrichtlijn geeft daarvoor maar beperkte aanknopingspunten. Het kabinet heeft er destijds voor gekozen de ontwikkelingen in het Europese denken inzake de nieuwe Europese pensioenrichtlijn en over kapitaalseisen die geschikt zijn voor de uitvoering van een grote diversiteit aan pensioenregelingen uit verschillende landen af te wachten en daar invloed op uit te oefenen.
Vervolgens heeft het kabinet gevolg gegeven aan het verzoek van enkele marktpartijen om de reeds mogelijke reikwijdte van de premiepensioeninstelling (PPI) in de grensoverschrijdende dienstverlening te verduidelijken. In een brief van 6 januari 2014 aan uw Kamer4 is onder meer ingegaan op de voorwaarden waaronder buitenlandse DB-regelingen, waarvoor een werkgever of een verzekeraar zich garant heeft gesteld, grensoverschrijdend kunnen worden uitgevoerd door een premiepensioeninstelling.
In 2014 is een evaluatie uitgevoerd van de PPI’s. De evaluatie vond kort plaats na het daadwerkelijk betreden van de markt door PPI’s. Wat de invulling van de grensoverschrijdende ambities van PPI’s betreft is dit evaluatiemoment wellicht nog wat te vroeg gekozen. De PPI’s met internationale ambities hebben zich vooralsnog toegelegd op een zorgvuldige implementatie van hun proposities in hun thuismarkt en beogen hun dienstverlening pas vanaf dit jaar geleidelijk over de grenzen uit te breiden5. Zoals in de brief van 18 november aan uw Kamer gemeld6, zal er over drie jaar weer een evaluatie van de PPI plaatsvinden.
De tienjarige levensduurverlening van Doel 1 en Doel 2 in België |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Doel 1 en 2 blijven 10 jaar langer open»?1
Ja.
Hebt u contact gehad met de Belgische regering over de levensduurverlenging van deze kernreactoren? Zo ja, wat heeft u daar besproken?
Ja, er is in het verleden meerdere malen contact geweest tussen de Belgische en Nederlandse overheden over de langere levensduur van de reactoren Doel 1 en 2. Hierbij is onder andere kennis uitgewisseld met betrekking tot de post-Fukushima stresstest maatregelen en het uitvoeren van een zogeheten Long Term Operation (LTO) programma voor kernreactoren. Ook heb ik recent met mijn Belgische collega gesproken, waarbij wij goede afspraken hebben gemaakt over het versterken van de samenwerking tussen het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en de Nederlandse Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Wat is uw standpunt tegenover deze geplande verlenging?
De keuze om wel of niet de levensduur van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 te verlengen is aan de vergunninghouder van de kerncentrales (Electrabel), de Belgische regering en het FANC. Ik vertrouw erop dat het FANC als Belgische veiligheidsautoriteit een lange termijn exploitatie alleen toestaat wanneer dit veilig kan.
Wordt er een volledige grensoverschrijdende Milieueffectrapportage (MER)-procedure doorlopen zoals afgesproken in het internationale Espoo-verdrag dat voorschrijft dat dit moet gebeuren als een kerncentrale langer wilt open blijven dan oorspronkelijk gepland? Zo ja, in welk stadium bevindt deze procedure? Zo nee, waarom niet?
Het FANC heeft haar visie op de lange termijn exploitatie van de Belgische kernreactoren beschreven op haar website (www.fanc.fgov.be). De Belgische vergunningen ten behoeve van het in bedrijf hebben van nucleaire inrichtingen hebben geen beperking in de tijd, maar vereisen wel dat de exploitant om de 10 jaar een periodieke veiligheidsherziening uitvoert. Zoals beschreven op de website wordt de lange termijn uitbating door de Belgische veiligheidsautoriteit behandeld in het kader van een 4e tienjaarlijkse veiligheidsherziening. Volgens de Belgische nucleaire regelgeving is er echter geen vergunningsaanvraag door de exploitant vereist voor een periodieke veiligheidsherziening, en dus ook niet in het specifieke geval van deze lange termijn uitbating. De procedure voor een periodieke veiligheidsherziening voorziet daarom volgens het FANC niet in opstellen van een milieueffectrapportage en/of grensoverschrijdende publieke participatie.
Kunt u de Kamer een tijdlijn geven van deze MER-procedure?
Er wordt geen MER-procedure doorlopen, zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de rollen van u en de Kamer in deze MER-procedure en wat zijn de inspraakmogelijkheden van burgers en lokale overheden?
Zie antwoord vraag 5.
Het opgesteld vermogen zonne-energie in Nederland |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scepsis over hoeveelheid zonnepanelen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie (zon-pv) exact geïnstalleerd is in Nederland? Kunt u toelichten waarom dit zo is, onder andere door aan te geven wat hierover is opgenomen in de Elektriciteitswet en onderliggende regelgeving?
Ja, het klopt dat niet exact bekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie-installaties in Nederland is opgesteld. De hoeveelheid opgesteld vermogen aan zonne-energie-installaties wordt op een aantal manieren bijgehouden. Ten eerste monitort het CBS jaarlijks de voortgang van de realisatie van hernieuwbare energie in Nederland in relatie tot de duurzaamheidsdoelen van het kabinet. Het CBS zet hiervoor een enquête uit bij importerende leveranciers van zonnepanelen. De onnauwkeurigheid in de cijfers voor zonne-energie schat het CBS op 20 procent. Ten tweede wordt in het zogenaamde Productie Installatie Register (PIR) door de netbeheerders bijgehouden hoeveel zonne-energie is geïnstalleerd. Een consument die zonnepanelen heeft, is verplicht een productie-installatie aan te melden bij zijn netbeheerder. Deze gegevens worden opgenomen in het PIR.
Deze verplichting in de Netcode Elektriciteit is ingesteld zodat de netbeheerder kan beoordelen of er voldoende netcapaciteit beschikbaar is en of er beveiligingsinstellingen aangepast dienen te worden. Zo is het bij werkzaamheden aan het elektriciteitsnet relevant om te weten op welke punten er wordt ingevoed door zonne-energie-installaties of anderszins. De Netcode Elektriciteit wordt door de ACM vastgesteld op grond van artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998. De brancheorganisatie van netbeheerders, Netbeheer Nederland, heeft aangegeven dat het merendeel van de installaties wordt gemeld. Het is waarschijnlijk dat niet iedereen zich registreert in het PIR en er daarom geen exacte getallen zijn te geven. Daarnaast bestaat de landelijke aanmeldingsmogelijkheid pas sinds 2011. Productie installaties die voor deze periode in gebruik zijn genomen, zullen niet zijn gemeld hiervoor.
Kunt u toelichten hoe het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan haar cijfers ten aanzien van het opgestelde vermogen van zonne-energie komt en welke mate van nauwkeurigheid deze cijfers hebben?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is een correcte berekening van de productie van zonnestroom volgens u van belang voor een goede bepaling van het aandeel zonne-energie in de energiemix en daarmee voor het monitoren en bepalen van de doelen voor duurzame energie en zonne-energie in het bijzonder?
Ja. Dit wordt gemonitord op grond van de informatie die door het CBS wordt verzameld.
Kunt u toelichten of netbeheerders er belang bij hebben om een correct overzicht van installaties te hebben die op hun netten zijn aangesloten?
De netbeheerders geven aan dat het merendeel van de installaties aangemeld wordt. Per 1 januari 2015 zijn er 223.096 geregistreerde zon pv productie-installaties, met een totaal vermogen van ruim 882 MW geïnstalleerd. In juli 2014 waren dat nog 185.443 installaties, met een totaalvermogen van 762 MW. Brancheorganisatie Netbeheer Nederland geeft aan dat de omstandigheid dat niet alle productie-installaties worden aangemeld momenteel niet tot capaciteits- of veiligheidsproblemen leidt.
Kunt u aangeven welke invloed zonnestroominstallaties hebben op de piekbelasting in het net en de spanningskwaliteit?
Zonnestroominstallaties kunnen leiden tot een relatief hoge piekbelasting in het elektriciteitsnet in het geval van weinig afname in combinatie met hoge teruglevering, bijvoorbeeld op een zonnige dag in de zomer in een woonwijk wanneer de meeste mensen op vakantie of op het strand zijn. Met de huidige aantallen geïnstalleerde zonnestroominstallaties levert dit echter op het merendeel van de locaties geen problemen op voor het elektriciteitsnet. In de meeste gevallen is het elektriciteitsnet door de netbeheerder zo ruim gedimensioneerd, dat de spanning slechts toeneemt binnen de hiervoor toegestane grenzen zoals vastgelegd in de Netcode Elektriciteit. Op basis van individuele cases hebben netbeheerders geconstateerd dat er effecten kunnen zijn op de lokale spanningskwaliteit. In die gevallen kan de netbeheerder dat met relatief eenvoudige netaanpassingen oplossen.
Kunt u toelichten waarom er weerstand is van kleinverbruikers om hun zonnestroominstallatie aan te melden bij netbeheerders voor het Productie Installatie Register?
Netbeheerders hebben geen onderzoek laten verrichten naar het percentage installaties dat niet wordt gemeld en naar de redenen waarom sommige installaties niet worden gemeld. Zij geven aan dat mogelijk sprake is van onwetendheid.
Het bericht ‘Pensioenfondsen gaan investeren in windpark’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen gaan investeren in windpark»?1
Ja.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen niet bedoeld zijn om klimaatbeleid uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Pensioenfondsen zijn bedoeld om pensioenregelingen uit te voeren. Besturen van pensioenfondsen zijn wettelijk gehouden aan verantwoording die ze moeten afleggen aan hun achterban, bijvoorbeeld via het verantwoordingsorgaan.
Wat vindt u van de uitspraken van Angelien Kemna, bestuurder van APG, dat pensioenfondsen klimaatverandering moeten tegengaan en hoe verhoudt dit zich tot eerdere uitspraken door APG, nog geen jaar geleden, dat er «te grote financiële risico’s verbonden zouden zijn» aan investeringen in grootschalige windkracht op zee?2
Pensioenfondsbesturen dienen in het belang van hun deelnemers te zoeken naar beleggingen die renderen en die fondsen in staat stellen premies zo laag als mogelijk te houden gegeven toegezegde pensioenen. De afwegingen die fondsen (of partijen zoals APG die in opdracht van het bestuur handelen) daarbij maken kunnen in de loop van de tijd veranderen als de omstandigheden wijzigen. Ik wil daar geen inhoudelijk oordeel over vellen.
Bent u bereid om pensioenfondsen zoals het ABP duidelijk te maken dat het belang van de deelnemers en gepensioneerden voorop dient te staan in plaats van politieke doelstellingen, zoals klimaatbeleid?
Pensioenfondsen zijn primair zelf verantwoordelijk voor hun beleggingsbeleid en het wel of niet nemen van risico daarbij. Pensioenfondsen geven op verschillende manier invulling aan deze verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van de pensioenregeling. Daarbij moeten zij handelen in het belang van de deelnemer en binnen de wettelijke kaders die voor alle beleggers gelden. In aanvulling hierop zie ik in de berichtgeving over investeringen in een windmolenpark geen reden om het ABP te wijzen op de belangen van deelnemers en gepensioneerden.
Toezichthouder DNB ziet er op toe dat pensioenfondsen zich aan de wet houden. Om toezichtstaken en wetgevende taken gescheiden te houden is afgesproken dat DNB deze taken op enige afstand uitvoert van het kabinet en niet rapporteert over individuele pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat windmolenparken slechts rendabel zijn door subsidie, waardoor deze beleggingen als zeer riskant moeten worden gekwalificeerd? Bent u bereid om de toezichthouder van de pensioenfondsen om opheldering te vragen over deze riskante beleggingen met pensioengelden?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u de pensioenfonds deelnemers beschermen tegen de politiek gedreven ambitie van politiek correcte pensioenfondsbestuurders, die klimaathysterie verkiezen boven pensioenrendement?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het toelatingsbeleid voor basisscholen niet mag leiden tot meer segregatie in het onderwijs?
De afspraken die het merendeel van de Amsterdamse schoolbesturen hebben gemaakt over de toelating van leerlingen tot de basisschool hebben tot doel om meer transparantie te bieden in het toelatingsproces. Het uitgangspunt daarbij is dat zoveel mogelijk kinderen in de wijk/buurt waar ze wonen naar school kunnen. Dit zou er toe kunnen leiden dat er meer gemengde scholen ontstaan, omdat door dit beleid de zogenaamde «witte vlucht» wordt beperkt. Wanneer door het beleid de segregatie toch zal toenemen, is het aan de gemeente en de schoolbesturen dit te bespreken en eventueel het beleid bij te stellen.
Kunt u uiteenzetten wat de effecten van dit toelatingsbeleid zijn? Bent u bereid in te grijpen indien de effecten een nadelige uitwering hebben op de leerlingen? Zo ja, welke instrumenten bent u bereid in te zetten om deze effecten te stoppen? Zo nee, kunt u toelichten waarom u representatieve en gebalanceerde basisscholen niet belangrijk vindt?
Het nieuwe toelatingsbeleid gaat met ingang van het schooljaar 2015–2016 in. Uit de eerste plaatsingsronde over een periode van een half jaar, waarbij 3.528 kleuters zijn aangemeld, blijkt volgens gegevens van de gemeente Amsterdam dat 89 procent is geplaatst op de eerste voorkeursschool en 96 procent van de leerlingen is geplaatst op een van de eerste drie opgegeven voorkeursscholen. Uit de eerste gegevens kan nog niet worden beoordeeld of door de nieuwe toelatingsprocedure de samenstelling van de school zal veranderen. Mocht door dit beleid de samenstelling van de populatie veranderen dan is het aan de schoolbesturen en de gemeente Amsterdam te beoordelen of een verandering van het beleid noodzakelijk is.
Bent u van mening dat initiatieven van scholen en ouders, zoals op de school van de kinderen van Arnold Jonk2, om scholen gemengder te maken juist ondersteund moeten worden door gemeenten? Bent u bereid in gesprek te treden met gemeenten die juist een tegenwerkend beleid hanteren?
De schoolbesturen hebben met de gemeente Amsterdam afgesproken dat de plaatsingsprocedure na een volledig schooljaar zal worden geëvalueerd. Daarbij worden ook de initiatieven van scholen en ouders om scholen meer gemengd te maken meegenomen. De gemeente Amsterdam en de schoolbesturen zijn daarvoor verantwoordelijk.
Het bericht “Pensioenfonds moet uit olie en gas” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioenfonds moet uit olie en gas»?1
Ja, wij zijn bekend met dit artikel.
Herinnert u zich dat, op verzoek van de leden van de fractie van GroenLinks, aan De Nederlandsche Bank (DNB) gevraagd is de blootstelling van de Nederlandse financiële sector aan investeringen in fossiele brandstoffen in kaart te brengen en dat DNB in reactie hierop onder andere berekende dat de blootstelling voor de gehele pensioensector 25 miljard is? Hoe valt deze berekening van DNB te rijmen met het feit dat APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat zij alleen al 30 miljard blootstelling hebben aan fossiele brandstoffen?
Op ons verzoek heeft DNB gekeken naar eventuele inconsistenties tussen de cijfers die in de brief van 27 augustus 2014 en de cijfers zoals die in het artikel in de Volkskrant zijn genoemd. DNB heeft hierbij ook navraag bij APG/ABP gedaan.
De berekeningen van DNB en APG/ABP zijn niet vergelijkbaar omdat ze gebaseerd zijn op andere definities en veronderstellingen. De berekeningen van DNB zijn gebaseerd op de aan DNB en de Europese Centrale Bank (ECB) gerapporteerde gegevens. De APG/ABP cijfers zijn gebaseerd op een eigen, interne studie.2
DNB heeft op basis van de Europese sectorenclassificatie NACE gekeken naar de blootstelling van Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen op bedrijven met kernactiviteiten in de olie-, gas- en kolenindustrie (de CO2-intensieve sectoren). De verschillen ontstaan doordat in het onderzoek van APG/ABP, waar het artikel in de Volkskrant aan refereert, een aanzienlijk ruimere definitie van energiebeleggingen is gehanteerd.
APG/ABP heeft in haar analyse, naast naar de winning van olie, gas en kolen, ook gekeken naar toeleveranciers, elektriciteitsproducten en infrastructuur zoals hoogspanningsleidingen, en olie- en gaspijplijnen. De bedrijven die deze diensten verzorgen, richten zich echter niet noodzakelijkerwijs exclusief op bedrijven met olie-, gas- en kolenwinning als kernactiviteit. Daarnaast beslaat de analyse van APG/ABP ook investeringen in duurzame energie.
Gezien deze verklaring voor de gevonden verschillen hebben wij geen reden om te twijfelen aan de eerdere conclusie en de berekening die is uitgevoerd door DNB.
Kunt u verklaren waarom APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat 10% van hun beleggingen in fossiele brandstoffen zijn, terwijl DNB becijferde dat dit slechts 3% zou zijn voor de hele pensioensector?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bovengenoemde verschillen vragen oproepen over de berekening die gedaan is door DNB?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB te vragen of de cijfers van APG/ABP de conclusie van DNB veranderen dat «er op dit moment geen sprake is van een buitensporig risico voor de Nederlandse financiële sector vanwege hun investeringen in fossiel»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB een toelichting te vragen op welke wijze DNB zijn kennis op het terrein van de risico’s van een zogenaamde «carbon bubble» vormt- en up to date houdt? Heeft DNB bijvoorbeeld overleg met andere centrale banken over de carbon bubble?
DNB geeft aan dat zij haar informatiebasis over financiële stabiliteitsrisico’s continu vormt en vernieuwt door middel van eigen onderzoek en uitwisseling van kennis, zowel op nationaal als internationaal niveau en in diverse beleidsfora.
Zoals DNB heeft vermeld in haar jaarverslag over 2014, heeft DNB zich georiënteerd op de mogelijkheden de zogenoemde ESG (Environmental, Social en Governance) risico’s op te nemen in de toezichtaanpak. Middels eigen onderzoek en dialoogsessies met vertegenwoordigers van de sector en Non-gouvernementele Organisaties (NGO’s) zet DNB deze lijn in 2015 voort. Een concreet voorbeeld van hoe DNB in het toezicht ingaat op ESG risico’s is de op basis van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen geldende verplichting voor pensioenfondsen transparant te zijn over hun beleid voor ecologische en maatschappelijke beleggingen. DNB heeft zich in 2014 herhaaldelijk publiekelijk uitgesproken over de maatschappelijke rol die zij voor pensioenfondsen ziet om met hun deelnemers in gesprek te gaan over de plaats van duurzaamheid in het beleggingsbeleid. In 2015 zal DNB onderzoeken of pensioenfondsen daadwerkelijk de wettelijk verplichte transparantie in de praktijk brengen.
Bent u ervan op de hoogte dat de centrale bank van het Verenigd Koninkrijk recent gewaarschuwd heeft dat beleidsmaatregelen tegen klimaatveranderingen grote negatieve impact kunnen hebben op de waarde van investeringen in fossiel2 en met name verzekeraars hierdoor een groot financieel risico lopen? Hoe komt het dat DNB dit risico voor Nederlandse verzekeraars heel anders inschat?
DNB heeft aangegeven de bijdrage van de Bank of England (BoE) aan het onderzoek naar de effecten van klimaatverandering op de economische groei en financiële stabiliteit te verwelkomen. Uit de One Bank Research Agenda kan worden opgemaakt dat de BoE grofweg twee klimaatgerelateerde risico’s signaleert.4 In de eerste plaats onderzoekt de BoE de gevolgen van een sterke waardedaling van investeringen in CO2-intensieve bedrijven, wat relevant is voor alle financiële instellingen met een blootstelling aan deze bedrijfstakken. Naast dit generieke risico onderzoekt de BoE de risico’s die voortvloeien uit een toename in het aantal schadeclaims als gevolg van aan klimaat en weer gerelateerde catastrofes. Onder solvabiliteit II zullen verzekeraars rapporteren over dergelijke catastroferisico’s. De verhoogde aandacht van de BoE en de Britse Prudential Regulatory Authority (PRA) voor de verzekeringssector hangt onder meer samen met de omvangrijke en internationale markt in Londen voor het (her)verzekeren van catastroferisico’s, wat een additioneel concentratierisico met zich meebrengt voor het Verenigd Koninkrijk.5
Het bericht dat de Levenseindekliniek voor de vierde keer in een jaar is berispt |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vierde berisping in één jaar tijd voor Levenseindekliniek»1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja.
Deelt u de mening van de directeur van de Levenseindekliniek dat «onterecht de indruk wordt gewekt dat er van alles mis is bij de kliniek»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn reactie op de Kamervragen 2 en 3 van de Kamerleden Pia Dijkstra (D66) en Tellegen (VVD) over ditzelfde onderwerp (2015Z04946).
In hoeverre volgt de genoemde vierde berisping op gelijkaardige constateerde onzorgvuldigheden als waar de Levenseindekliniek eerder voor is berispt? Wat zijn de kenmerkende overeenkomsten?
Bij ruim 450 meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek hebben de Rte geoordeeld dat de arts heeft gehandeld conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen. De Rte hebben bij vier meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek geoordeeld dat niet is gehandeld conform de zorgvuldigheidseisen. Twee hiervan vonden in 2013 plaats en de andere twee in 2014. Zoals blijkt uit de oordelen van de Rte gaat het hierbij om verschillende hulpvragen. Iedere melding staat op zichzelf en wordt door de Rte op de eigen merites beoordeeld. Op de vier individuele casus ga ik niet in lopende de onderzoeken van het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Bent u nog steeds van mening dat kan worden gewacht op de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) in 2016 en niet hoeft te worden onderzocht of het bestaan van de Levenseindekliniek tot een grotere vraag naar levensbeëindiging leidt, en welke effecten dat heeft op de reguliere euthanasiepraktijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u dan nu wel bereid op korte termijn een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de praktijk van de Levenseindekliniek?
Zoals aangegeven in reactie op uw Kamervragen van 21 januari van dit jaar (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1270) ben ik in november met u tijdens een Algemeen Overleg euthanasie uitgebreid over dit onderwerp in gesprek geweest. Toen heb ik aangegeven dat ik het niet nodig vind om nu een onderzoek uit te laten voeren naar de Stichting Levenseindekliniek. Ten eerste wordt de Stichting Levenseindekliniek, net als andere ontwikkelingen, meegenomen in de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Onder andere de effecten van het bestaan van de Stichting Levenseindekliniek zullen worden onderzocht, net als het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek en de ervaringen van behandeld artsen die contact hebben met de Stichting Levenseindekliniek. Het onderwerp krijgt dus aandacht. Ten tweede is er reeds een onderzoek door VUMC en AMC uitgevoerd naar het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek. Daarom ben ik nog steeds van mening dat een extra onderzoek naar de Stichting Levenseindekliniek niet nodig is.
Wat is de actuele stand van zaken omtrent de invulling van uw toezegging dat er standaard een psychiater wordt betrokken wordt bij de beoordeling door de Regionale toetsingscommissie van complexe casus van euthanasie bij patiënten met psychiatrische problematiek?
Tijdens het Algemeen Overleg in november over euthanasie heb ik u toegezegd dat ik hierover in contact zou treden met de Rte. In dit gesprek met de Rte, dat ik in februari heb gevoerd, bleek dat de Rte momenteel twee vacatures hebben opengesteld voor de functie van arts-lid. De Rte hebben mij inmiddels een voordracht tot benoeming van twee nieuwe artsleden doen toekomen: een psychiater en een specialist ouderengeneeskunde. Deze zullen, naar verwachting, op korte termijn worden benoemd.
Het bericht ‘Levenseindekliniek niet blij met ‘gebrek aan nuance’ bij toetsing’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Ockje Tellegen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Levenseindekliniek niet blij met «gebrek aan nuance» bij toetsing»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de toetsingscommissie, wanneer niet is voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen, alleen het oordeel «onzorgvuldig» rest, terwijl dit oordeel vaak veel genuanceerder ligt?
De Regionale toetsingcommissies euthanasie (Rte) beoordelen of een arts wel of niet heeft gehandeld conform de zes «zorgvuldigheidseisen» uit artikel 2, eerste lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. De Rte kunnen dus slechts aangeven of de arts wel of niet conform alle zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld. In het geval de toetsingscommissie oordeelt dat de arts «niet conform de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld», betekent dit niet dat de arts op alle punten niet zorgvuldig heeft gehandeld. De commissie kan eventueel aan het oordeel toevoegen dat de arts medisch-ethisch gezien wel zorgvuldig heeft gehandeld.
De Rte hanteren de terminologie «oordeel: zorgvuldig» of «oordeel: onzorgvuldig» niet in de oordelen zelf, maar slechts in de samenvatting van het oordeel dat wordt gepubliceerd en in de jaarverslagen. De Rte doen dit vanwege de leesbaarheid van deze documenten. Als niet aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan wordt dit in de samenvatting dus benoemd als «onzorgvuldig». Dit houdt een «onzorgvuldig» in de zin der wet in. Het feit dat de arts niet conform die zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld laat echter onverlet dat de arts naar eer en geweten kan hebben gehandeld. Deze terminologie kan in de media echter onbedoeld zorgen voor een ongenuanceerd beeld van het handelen van de arts. Ik zal daarom in een periodieke overleg met de Rte het gebruik van deze terminologie bespreken.
Acht u het wenselijk dat indien er alleen sprake is van procedurele onvolkomenheden, het volledige oordeel als «onzorgvuldig» wordt bestempeld?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de toetsingscommissie weinig kritiek had op de conclusie van de Levenseindekliniek dat de euthanasie gerechtvaardigd was? Zo ja, bent u dan van mening dat het oordeel «onzorgvuldig» de Levenseindekliniek ten onrechte in een negatief daglicht stelt terwijl de euthanasie wel gerechtvaardigd was?
De Rte beoordelen aan de hand van de binnengekomen melding of de arts zich aan de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft gehouden. In deze casus was het oordeel dat de arts niet had voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. Daarom is de melding conform artikel 9, tweede lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding doorgestuurd naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM). Beide instanties hebben binnen hun eigen bevoegdheid de taak om de zaak verder te onderzoeken en naar aanleiding daarvan een beslissing te nemen. Zie voor een reactie op de terminologie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Hoe verhoudt het recht van de patiënt om een onderzoek of behandeling te weigeren zich tot de verplichting van de arts om aan te tonen dat er geen andere behandelopties meer mogelijk waren? Op welke wijze kan een arts aantonen dat een patiënt geen extra onderzoek wilde? Kan door dit overtuigend aan te tonen voldaan worden aan de eisen die de toetsingscommissie stelt aan een dossier?
De vierde zorgvuldigheidseis van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding vraagt van de arts dat hij samen met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijk alternatief is (art. 2 lid 1, onder d Wtl). In algemene zin geldt dat om de uitzichtloosheid te kunnen bepalen onderzoek nodig kan zijn. Hiermee kunnen de mogelijke alternatieven en de redelijkheid daarvan worden bepaald en kan de patiënt goed worden geïnformeerd over zijn situatie. De vraag of er sprake is van een redelijke andere oplossing moet worden beoordeeld in het licht van de actuele diagnose. In gevallen waarin de arts onvoldoende deskundig is om te beoordelen of er redelijke alternatieven zijn, is het aangewezen dat hij nagaat of ter zake deskundige artsen bij de behandeling betrokken waren of dat hij een collega raadpleegt met meer deskundigheid op het betreffende gebied. Dit zal uit de verslaglegging van de arts moeten blijken. In de binnenkort te verschijnen «code of practice» zal de Rte nader ingaan op hoe zij invulling geven aan de beoordeling van de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Het bericht 'Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen' |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen»?1
Ja.
Herinnert u zich eerdere vragen over de misstanden bij de bouw van zowel het Forum als de Sontbrug in Groningen, meer in het bijzonder vraag 3 en uw antwoord daarop?2
Ja. Deze vragen hebben betrekking op een probleem dat al eerder onder de aandacht is geweest. Begin december vorig jaar heb ik hierover schriftelijke vragen beantwoord. Daarin heb ik gewezen op de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en de maatregelen in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies om onderbetaling tegen te gaan. Uit het bericht maak ik op dat de problemen helaas nog niet zijn opgelost.
Bent u van mening dat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever (zeker als dat de overheid zelf is) zich niet alleen uitstrekt tot het besteden van aandacht aan het correct naleven van de toepasselijke cao in de gehele keten bij het aanbesteden zelf, maar dat die aandacht ook nodig is tijdens de feitelijke werkzaamheden? Zo ja, doet de opdrachtgever in kwestie wat dat betreft naar uw mening voldoende? Hoe zou het besteden van aandacht aan correcte naleving van de regels tijdens de werkzaamheden naar uw mening in onderhavige casus vorm kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Een opdrachtgever hoort zorg te dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, waarin de geldende wettelijke regels en contractuele afspraken over de arbeidsvoorwaarden worden nagekomen. Van een opdrachtgever, opdrachtnemer en aannemer wordt verwacht dat zij tijdens het proces van aanbesteding alsmede gedurende de periode van uitvoering die hier op volgt die maatregelen treffen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om te bevorderen dat de werkgever het aan zijn werknemer verschuldigde loon voldoet. Deze verantwoordelijkheid beperkt zich niet tot het correct naleven van de toepasselijke cao bij het aanbesteden zelf. Dit volgt onder andere uit de aanbestedingswet en uit de principes van de OESO voor integer handelen bij publieke aanbestedingen. Of de opdrachtgever, in dit geval de gemeente Groningen, deze verantwoordelijkheid ook neemt is niet aan mij om te beoordelen.
Een opdrachtgever kan een aantal maatregelen treffen om misstanden zoals onderbetaling te voorkomen. In het geval van misstanden van onderbetaling die gedurende de feitelijke werkzaamheden aan het daglicht komen, kan een (hoofd)opdrachtgever ook een belangrijke rol spelen. Zo kan hij na het signaal van een werknemer over onderbetaling actie ondernemen richting de betreffende lagere schakel in de keten met het oog op betaling van het verschuldigde loon. De opdrachtgever kan hiertoe controle laten uitvoeren, zich laten informeren over de situatie en verlangen dat de uitvoeringsvoorwaarden en eventueel opgestelde contractuele bepalingen worden nagekomen. De opdrachtgever kan bij een misstand van onderbetaling ook een bemiddelende rol (laten) vervullen.
Bent u van mening dat inwerkingtreding van het onlangs door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel «Wet Aanpak Schijnconstructies» misstanden als hier aan de orde kan voorkomen? Zo ja, kunt u aangeven of en (zo ja) op welke (andere) wijze de opdrachtgever zijn verantwoordelijkheid in onderhavige casus zou moeten vormgeven onder voornoemde wet?
Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies draagt bij aan het voorkomen en oplossen van situaties waar sprake is van onderbetaling. Deze bevat namelijk de invoering van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Ketenaansprakelijkheid geeft opdrachtgevers en cao-partijen meer handvatten om onderbetaling in ketens beter aan te kunnen pakken. Hier gaat een sterke preventieve werking van uit. Opdrachtgevers worden door het risico van aansprakelijkstelling immers gestimuleerd om onderbetaling te voorkomen.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies geeft een niet-limitatieve opsomming van maatregelen die opdrachtgevers zowel bij de opdrachtverlening als bij reeds geconstateerde misstanden kunnen nemen om een succesvol beroep te kunnen doen op niet-verwijtbaarheid. Het gaat om maatregelen als het zorg dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, het opnemen van contractuele bepalingen die ertoe strekken dat opdrachtnemers of aannemers handelen conform de toepasselijke wet- en regelgeving en daarnaast de geldende arbeidsvoorwaarden naleven, het opnemen van een procedure over de handelwijze bij eventuele misstanden in de contract- of uitvoeringsvoorwaarden, het zakendoen beperken tot geregistreerde opdrachtnemers en indien de misstanden zich al voorgedaan hebben het leveren van inspanningen om de onderbetaling alsnog op te lossen.
In bovenbedoeld artikel wordt opgemerkt dat een bij de werkzaamheden in kwestie betrokken uitzendbureau zijn medewerking zou hebben onthouden aan een onderzoek van de Inspectie SZW; is dat inderdaad het geval en zo ja, welke gevolgen heeft dat voor het uitzendbureau in kwestie respectievelijk voor de voor dat uitzendbureau werkzame werknemers?
Met de extra capaciteit voor de aanpak van schijnconstructies voert de Inspectie SZW sinds 2014 op grotere schaal cao-nalevingsonderzoeken uit, op verzoek van cao-partijen. Over een specifieke casus doe ik geen uitspraken. De Inspectie SZW ziet in het algemeen dat enerzijds de keuze de inspectiecapaciteit te verleggen naar notoire overtreders en misstanden en anderzijds de verhoogde boetes die de Inspectie SZW oplegt, een tegenreactie oproepen door middel van juridische procedures. Dit heb ik in mijn brief van 1 oktober 2014 aangegeven.
Bent u van mening dat een opstelling als in vraag 5 omschreven ertoe zou moeten leiden dat het contract met het desbetreffende uitzendbureau wordt ontbonden? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat de werknemers bij wie de onderbetaling is geconstateerd alsnog betaald krijgen en hun werk behouden. Ontbinding van het contract met het desbetreffende uitzendbureau is in dat opzicht niet doeltreffend en alleen geschikt als ultimum remedium. Ontbinding zal er namelijk niet toe leiden dat de werknemers op korte termijn alsnog hun achterstallige loon zullen ontvangen.
Als gevolg van het niet verlenen van medewerking aan een onderzoek van de Inspectie SZW zou het uitzendbureau in kwestie zijn zogenaamde «SNA- certificaat» zijn kwijtgeraakt; welke gevolgen zou dat naar uw mening in onderhavige casus moeten hebben?
Uit navraag bij de Stichting Normering Arbeid (SNA) is gebleken dat het betreffende uitzendbureau inderdaad zijn SNA-certificaat kwijt is geraakt. De precieze reden hiervan is mij niet bekend. De gevolgen van een dergelijke intrekking kunnen vooral betrekking hebben op toekomstige aanbestedingen. De rijksoverheid doet bijvoorbeeld in principe geen zaken met uitzendbureaus zonder keurmerk. Het is voor alle (publieke) opdrachtgevers aan te bevelen om alleen zaken te doen met NEN-gecertificeerde uitzendbureaus.
Mede naar aanleiding van de motie Kerstens c.s. omtrent de evaluatie van het certificeringssysteem in de uitzendbranche heeft u in uw brief aan de Kamer van 12 mei 2014 over de «aanpak van malafide uitzendbureaus en zelfregulering» een pakket maatregelen aangekondigd dat zou moeten leiden tot verbetering van onderhavige zelfregulering3 4; wanneer kan de Kamer (gelet op de in bedoelde brief genoemde termijn van een jaar) de evaluatie van bedoelde maatregelen alsmede daaraan door u verbonden conclusies tegemoetzien?
De Kamer kan deze evaluatie voor de zomer tegemoet zien.
Bent u bereid om van de voorziene restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof een «voorbeeldproject» te maken als het gaat om «excellent opdrachtgeverschap» in relatie tot de Wet Aanpak Schijnconstructies?
Zoals in de antwoorden hiervoor beschreven is het belangrijk dat de (rijks)overheid alle aanbestedingen op verantwoorde wijze uitvoert. De besluitvorming over restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof is nog niet afgerond. Keuze voor het Binnenhof als «voorbeeldproject» is daarom nu niet aan de orde. Indien tot restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof wordt besloten, zal de aanbesteding worden uitgevoerd conform de vigerende wet- en regelgeving.
Het bericht ‘Sluis op losse schroeven’ |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Hoe heeft de situatie kunnen ontstaan dat er – volgens de berichtgeving – voor bouwbedrijven te complexe opdrachten voor het broodnodig opknappen van sluizen door Rijkswaterstaat op tafel zijn gelegd, waarvan deze bouwbedrijven de risico’s niet durven te nemen? Hoe verklaart u anders de geringe interesse van bouwbedrijven in dit soort opdrachten, zoals het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen?
Voor het project Keersluis Limmel hebben zich negen consortia gemeld, waaronder een aantal internationale bedrijven. Voor het project Zeetoegang IJmond waren dat er vijf en voor het project Derde Kolk Beatrixsluis hebben zich drie gegadigden gemeld. Ik kan dit geen geringe interesse noemen, ook al moet ik constateren dat zich voor het project Derde Kolk Beatrixsluis één à twee minder gegadigden hebben gemeld, dan verwacht. Er is voldoende belangstelling maar bedrijven maken meer dan voorheen keuzes waar men wel en waar men niet op inschrijft.
Kunt u aangeven waarom er bij zulke, voor de economische ontwikkeling van Nederland cruciale projecten, niet aan de voorkant in overleg is getreden met brancheorganisatie Bouwend Nederland, teneinde een goede inschatting te maken van welke risico’s voor bouwbedrijven aanvaardbaar zijn en welke niet?
Er vindt periodiek overleg plaats met Bouwend Nederland. Speciaal voor het Sluizenprogramma is er een Sluizenplatform waar naast Bouwend Nederland en de waterbouwers, ook de belangenvereniging van ingenieursbureaus en installateurs zitting in hebben. Ook zijn er gesprekken tussen Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om over trends en beleid van gedachten te wisselen.
Bent u voornemens om tot uitstel van projecten over te gaan, wanneer blijkt dat met het sleutelen aan voorwaarden, volgorde en planning van projecten, de risico’s die bouwbedrijven nu zien niet afdoende kunnen worden weggenomen?
Vooralsnog ben ik hier niet voornemens toe. Op dit moment biedt het bespreken van de aanbestedingsplanning en het zoeken met de markt naar mogelijkheden om de tenderkosten- en capaciteit voor gegadigden te beperken, voldoende mogelijkheden om de interesse van de markt voor de sluizenprojecten te behouden.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zouden zijn van eventueel uitstel voor de Nederlandse economische ambities, als het gaat om bijvoorbeeld de Amsterdamse haven en binnenvaartsector?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Welke actie gaat u ondernemen om een dergelijke situatie (zie onder 1) bij de tweede sluis bij Eefde, de zeetoegang bij Terneuzen en de grote renovatie van de Afsluitdijk, te voorkomen?
Om de interesse van de markt voor de komende aanbestedingen te behouden, verkent Rijkswaterstaat met de markt welke exacte elementen nu de keuze van bouwbedrijven beïnvloeden om voor een bepaald werk te kiezen. Uit de verschillende gesprekken met diverse partijen blijkt dat het gaat om zaken die te maken hebben tenderkosten en tendercapaciteit. Rijkswaterstaat beziet de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te bevorderen.
Kunt u een inschatting geven van de hoogte van de kosten die er mee gemoeid zijn wanneer er vertraging optreedt in (delen van) het programma bedoeld om cruciale zeesluizen op te knappen? Kunt u deze inschatting geven voor elke specifieke opdracht die nu in de gevarenzone schijnt te verkeren, te weten het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen? Zo nee, waarom niet?
Deze drie projecten zitten niet in de gevarenzone. Het project keersluis Limmel is reeds gegund en bij het project Zeetoegang IJmond en het project Derde Kolk Beatrixsluis loopt de aanbesteding reeds.
Het artikel ‘Leerwerkplekken in de knel door ontslagregels' |
|
Anne Mulder (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Leerwerkplekken in de knel door ontslagregels», waaruit blijkt dat leerbedrijven straks waarschijnlijk voor tweeduizend euro per student kunnen worden aangeslagen voor het merendeel van de 129.000 leerwerkplekken in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland?1
Ja. Ik merk daarbij op dat op grond van de in het antwoord op vraag 2 genoemde amvb de kosten van dergelijke opleidingen onder voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.
Deelt u de mening dat het beleid rond het aanbieden van leerwerkplekken bedrijven juist moet stimuleren om deze plaatsen aan te bieden en dat het opleggen van extra kosten, zoals een transitievergoeding, juist leidt tot het omgekeerde effect, namelijk dat bedrijven minder in plaats van meer leerwerkplekken gaan aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Vanaf 1 juli 2015 hebben werknemers bij ontslag of het niet verlengen van een tijdelijk contract op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding. Dit recht geldt voor alle werknemers die werken op basis van een arbeidsovereenkomst die ten minste twee jaar heeft geduurd. Dat recht geldt dus in beginsel ook voor werknemers die een BBL-opleiding volgen en ten minste twee jaar op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van de werkgever. Tegelijkertijd is het uiteraard niet de bedoeling dat de introductie van de transitievergoeding leidt tot het aanbieden van minder leerwerkplekken. Dat heeft er mede toe geleid dat het kabinet heeft besloten om bij amvb te bepalen dat kosten van de opleiding onder voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.2
Is het waar dat deze transitievergoeding per 1 juli 2015 ook voor studenten op leerwerkplekken gaat gelden? Zo ja, hoeveel leerwerkbedrijven zullen hierdoor getroffen worden en om hoeveel potentiele vergoedingen gaat het? Zo nee, waarom niet?
In beginsel geldt het recht op een transitievergoeding ook voor werknemers op een leerwerkplek. Op grond van de in het antwoord op vraag 2 genoemde amvb kunnen zogenoemde «transitiekosten» en «inzetbaarheidskosten» onder voorwaarden in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Transitiekosten zijn kosten van maatregelen in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid van de werknemer. Bijvoorbeeld kosten voor (om)scholing of een outplacementtraject bij ontslag. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die al eerder tijdens het dienstverband zijn gemaakt, en die zien op het bevorderen van de inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever. Voorwaarde is dat de door de opleiding verworven kennis en vaardigheden niet zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen.
Onder inzetbaarheidskosten vallen ook kosten voor een duale opleiding, waaronder een BBL-opleiding. De opleidingskosten3 kunnen in mindering worden gebracht op de aan de periode van opleiding toe te rekenen transitievergoeding. De kosten kunnen alleen in mindering worden gebracht als de arbeidsovereenkomst na afronding van de opleiding of voortijdige beëindiging van de opleiding niet wordt voortgezet. Per saldo zal er dan geen transitievergoeding verschuldigd zijn, aangezien de opleidingskosten het bedrag van de transitievergoeding zullen overstijgen. Om misbruik te voorkomen is geregeld dat opleidingskosten ook niet in mindering gebracht mogen worden op de transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst na de beëindiging binnen zes maanden alsnog wordt voorgezet.
Als de arbeidsovereenkomst wel wordt voortgezet, is het niet mogelijk om de opleidingskosten in mindering te brengen op een eventueel later bij ontslag verschuldigde transitievergoeding. Dan wordt het geleerde tijdens de opleiding immers aangewend voor het uitoefenen van een functie bij de werkgever. Er is dan geen aanleiding om deze situatie anders te behandelen dan wanneer de werknemer tijdens het dienstverband andere scholing volgt dan een duale opleiding. De gekozen oplossing, het in mindering kunnen brengen van de opleidingskosten op de transitievergoeding, is naar de mening van het kabinet de meest geëigende.
In het schooljaar 2014–2015 waren er 100.000 gerealiseerde bbl-leerwerkplekken. Ook kosten voor duale opleidingen in het hoger en wetenschappelijk onderwijs kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Er worden momenteel 264 duale HO- en WO-opleidingen aangeboden (opleidingen in afbouw zijn niet meegerekend).
Is het waar dat er door het kabinet bewust is gekozen voor een transitievergoeding voor studenten in de beroepsbegeleidende leerweg? Zo ja, is dat – zoals het artikel stelt –, omdat werkgevers daarmee hebben ingestemd in het sociaal akkoord? Zo nee, hoe verklaart u de zorgen van Bouwend Nederland en de MBO-Raad die in het artikel zijn geuit?
Deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) kunnen werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Er is voor gekozen om de transitievergoeding verschuldigd te laten zijn voor alle werknemers die werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Werkgevers verenigd in de Stichting van de Arbeid hebben daar in het sociaal akkoord en de Wet werk en zekerheid mee ingestemd. Tegelijkertijd is het uiteraard niet de bedoeling dat de introductie van de transitievergoeding leidt tot het aanbieden van minder leerwerkplekken, of dat de kosten voor deze plekken stijgen. Dat heeft ertoe geleid dat het kabinet, wederom met instemming van werkgevers, heeft besloten om bij amvb te bepalen dat kosten van de opleiding in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.
Dit raakt ook aan de vraag en het voorstel van het lid Lucas tijdens het Algemeen Overleg over stages en de subsidieregeling praktijkleren op 8 april jl. Het lid Lucas stelde de vraag of cao’s niet belemmerend werken voor mbo-deelnemers en zij stelde voor om bbl-deelnemers onder de 23 jaar als leerling te behandelen in plaats van als werknemer. Dit mede in verband met een eventuele belemmerende werking van cao’s. Over een eventuele belemmerende werking van cao’s heb ik tijdens het betreffende overleg aangegeven dat het aan de sociale partners is om afspraken te maken in cao’s. In lijn met de motie Lucas4 zal ik de sociale partners via de Stichting van de Arbeid hierover benaderen.
Ook speelt een rol dat bol- en bbl-deelnemers en werkgevers die hen een beroepspraktijkvormingsplek aanbieden, op dit moment verschillende rechten hebben en aanspraak kunnen maken op verschillende regelingen. Het lid Lucas stelde voor om één type leerweg te hanteren. Ik wil in dit kader vermelden dat de experimentele ruimte om een gecombineerde leerweg bol-bbl aan te bieden in werking treedt per studiejaar 2015/2016. Dit experiment is een mengvorm tussen bol en bbl en biedt daardoor flexibiliteit. Ik zie dit experiment daarmee ook als een eerste stap op weg naar het voorstel van het lid Lucas. Dit experiment biedt mij de mogelijkheid om de effecten daarvan te evalueren. Aan de hand van de uitkomsten van deze evaluatie zal ik besluiten of ik eventueel verdergaande stappen zal zetten. Deze evaluatie is medio 2020 voorzien.
Bent u bereid om de transitievergoeding niet van toepassing te laten zijn op leerwerkbedrijven? Zo nee, waarom niet?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3.
Het bericht ‘Onafhankelijke’ voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het ministerie van Financiën’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Onafhankelijke» voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het Ministerie van Financiën»?1
Ja.
Wanneer heeft de nieuwe directeur-generaal Fiscale Zaken het voorzitterschap van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel (IBO Zzp) neergelegd?
Ik heb de huidige voorzitter verzocht om conform planning het interdepartementale beleidsonderzoek af te ronden. Hij heeft daarmee ingestemd.
Deelt u het oordeel dat met de benoeming van de voorzitter van het IBO Zzp tot directeur-generaal Fiscale Zaken, terwijl in het IBO Zzp onder meer wordt geanalyseerd of het fiscaal instrumentarium nog aansluit op de moderne arbeidsmarkt en beleidsvarianten worden geformuleerd om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen, onrust is ontstaan onder zzp’ers over de onafhankelijkheid van de voorzitter? Deelt u de mening dat dit het draagvlak voor beleidsvarianten uit het eindrapport onder druk zet?
Een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) ontwikkelt alternatieven voor bestaand beleid en heeft daarmee een verkennend, technisch karakter. Een IBO-werkgroep wordt verzocht om beleidsvarianten te ontwikkelen zonder een beoordeling van de wenselijkheid te geven. Oordeelsvorming is aan de ministerraad, die het IBO-rapport samen met een kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer zal sturen.
Een IBO-voorzitter wordt geselecteerd op basis van expertise en de capaciteit om onafhankelijk van politieke belangen het proces te begeleiden. Hij of zij kan ambtenaar (op het niveau directeur-generaal) zijn of een gezaghebbende functie buiten de overheid vervullen. De voorzitter van het IBO Zzp voldoet hier aan in zijn huidige en nieuwe functie. Het kabinet en de IBO-werkgroep zijn ervan overtuigd dat de voorzitter op professionele wijze invulling zal blijven geven aan de door het kabinet verstrekte opdracht.
Op welke manier kunt u deze onrust wegnemen?
Zie antwoord vraag 3.
Wie is de nieuwe onafhankelijke voorzitter van het IBO Zzp?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer is het IBO Zzp afgerond?
Het rapport zal – zoals eerder gemeld2 – voor de zomer aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Wanneer stuurt u het IBO Zzp naar de Tweede Kamer?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s»?1
Ja.
Is het waar, dat in ruim twee derde van de Limburgse gemeenten digitale agenda’s van wethouders worden gewist als die wethouders vertrekken of stoppen?
Ik heb geen aanleiding om de juistheid van de bevindingen in de berichtgeving – of het onderzoek waarop deze zijn gebaseerd – in twijfel te trekken. Termijnen van bewaren en vernietiging worden overigens vastgesteld aan de hand van de wettelijk voorgeschreven selectielijst.
Is het waar, dat slechts twee gemeenten (Voerendaal en Simpelveld) zich houden aan de termijn van zeven jaar, die de Archiefwet voorschrijft?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat het in de rest van de Nederlandse gemeenten met het bewaren van digitale agenda’s van wethouders die zijn vertrokken?
Het ministerie houdt geen systematische administratie bij van de naleving van taken door medeoverheden en derhalve ook niet van de wijze waarop gemeenten de voorschriften van de Archiefwet naleven. Ik kan ook dus ook niet beoordelen of dit onderzoek bij Limburgse gemeenten representatief is voor heel Nederland. Maar er is geen reden om te veronderstellen dat de situatie zich bij gemeenten elders in Nederland niet voordoet.
Hoe verhoudt de gesignaleerde problematiek zich tot uw visie Digitale overheid 2017?
De Nederlandse overheid digitaliseert en moderniseert. Dat ziet op de dienstverlening aan burgers en bedrijven en op de interne werkprocessen. Daarbij wordt uiteraard gebruik gemaakt van internet, E-mail en voorzieningen zoals digitale agenda’s – ook door bestuurders. De Nederlandse overheid gaat over op het Nieuwe werken en naar papierloze kantoren. Het gebruik van digitale processen en documenten stelt nieuwe eisen aan archivering. En dat ziet niet alleen op het bewaren van agenda’s. Een digitale overheid impliceert ook digitale archivering.
Welke maatregelen hebt u genomen om naast de kennis van wet- en regelgeving het bewustzijn van nut en noodzaak van digitale duurzaamheid te bevorderen?
Er is veel aandacht en belangstelling voor arbeidsinnovatie en digitaal werken. Onderkend moet worden dat digitaal archiverendaarbij niet altijd de hoogste prioriteit heeft. De Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG) brengt dit samen met betrokken organisaties onder de aandacht.
De informatie op papier moet steeds meer wijken voor een al maar groter wordende stroom digitale informatie. Kon die tot enige tijd geleden nog worden geprint en «ouderwets» worden opgeborgen in een archiefdoos, dat is alleen al door de omvang van de informatiestroom niet meer mogelijk.2 In 2012 tekenden de Minister van OCW – mede namens de Minister van BZK- en bestuurders van IPO, VNG en UvW het Archiefconvenant om de digitale uitdaging gezamenlijk aan te gaan. Vanuit het uitwerkingsprogramma Archief 2020 wordt gewerkt aan duurzame digitale toegankelijkheid. De Minister van OCW ondersteunt daarbij het samenwerkingsproject Archiefinnovatie Decentrale Overheden (AIDO) met als doel het stimuleren en ondersteunen van overheden bij duurzame digitale archivering. Door AIDO is oud-burgemeester Wiebosch-Steeman benoemd tot Ambassadeur archiefinnovatie.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om het vraagstuk van digitale duurzaamheid aan te pakken?
Ik heb de antwoorden op deze schriftelijke vragen aan de VNG gezonden. Zoals bij antwoord 6 vermeld, heeft deze kwestie de aandacht van de VNG en betrokken organisaties.
Het bericht dat de gemeente Arnhem ZZP zelfstandigen zonder personeel (zzp)-schijnconstructies creëert |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Arnhem creëert ZZP-schijnconstructies bij Kunstbedrijf»?1
Ja.
Wanneer is naar uw mening sprake van schijnzelfstandigheid?
Van schijnzelfstandigheid is sprake wanneer mensen formeel werkzaam zijn als zelfstandige, terwijl op grond van feiten en omstandigheden sprake zou moeten zijn van een dienstbetrekking. Met een dergelijke constructie worden loonheffing, premies werknemersverzekeringen en arbeidsrechtelijke bescherming ontweken en probeert men onterecht fiscale (ondernemers)faciliteiten te claimen. Ook kan hiermee de Wet arbeid vreemdelingen voor bepaalde groepen worden omzeild.
Hoe kwalificeert u de in bedoeld artikel omschreven handelwijze van de gemeente Arnhem waarbij ambtenaren worden ontslagen om vervolgens terug te kunnen keren als «zelfstandige»?
Als Minister van SZW kan ik geen uitspraken doen over individuele casus. Het is aan de rechter, dan wel (in het kader van het vaststellen van de inhoudingsplicht voor de loonheffingen) aan de inspecteur van de Belastingdienst, om de feiten en omstandigheden van het individuele geval te beoordelen. Alle omstandigheden van het geval worden daarbij in samenhang bezien. Ik kan in algemene zin aangeven dat het niet wenselijk is dat werkgevers hun werknemers onder druk zetten om hun dienstverband te verruilen voor zelfstandig ondernemerschap, of dat zzp-constructies louter worden opgezet om loonkosten te drukken.
Bent u het eens met de Stichting ZZP-Nederland dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft als het gaat om het vermijden van de schijn dat meegewerkt wordt aan of zelfs aangestuurd wordt op «dubieuze» constructies waarbij feitelijk sprake is van «(nood-)gedwongen zelfstandigheid»? Zo ja, op welke wijze manifesteert die voorbeeldfunctie zich momenteel? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat geen enkele organisatie -publiek of privaat- moet meewerken aan constructies die in strijd zijn met de wet. Bestrijding van schijnzelfstandigheid is dan ook prioriteit voor het kabinet.
Herinnert u zich de motie Kerstens/Azmani d.d. 13 december 2012 (Kamerstuk 33 400 XVV, nr. 40) waarin het kabinet wordt opgeroepen met een integrale aanpak te komen, waarin onder meer wordt ingezet op het terugdringen van schijnzelfstandigheid? Bent u van mening dat een dergelijke aanpak nodig is? Zo ja, wanneer kan de Kamer een en ander verwachten?
Ik heb uitvoering gegeven aan deze motie door op 11 april 2013 het actieplan «bestrijden van schijnconstructies» naar de Tweede Kamer te sturen. (bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 17 050, nr. 428). Dit actieplan maakt onderdeel uit van het op 11 april 2013 gesloten sociaal akkoord tussen het kabinet en werkgevers- en werknemersorganisaties.
In het actieplan zijn maatregelen aangekondigd om schijnzelfstandigheid te bestrijden, betalingen onder het wettelijk minimumloon tegen te gaan, cao-ontduiking aan te pakken, misbruik met de premieafdracht tegen te gaan, gefingeerde dienstverbanden en frauduleuze migratieconstructies te bestrijden en om de informatie-uitwisseling te verbeteren. De Wet Aanpak Schijnconstructies is een belangrijk resultaat van dit actieplan en is op 3 maart 2015 unaniem aangenomen door de Tweede Kamer.
Het bericht dat de NAVO België adviseert om fregatten van de hand te doen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «NAVO adviseert België om fregatten van de hand te doen»?1
Ik heb kennis genomen van het artikel.
Kunt u aangeven en zo nodig bij uw Belgische collega verifiëren of dit bericht klopt?
Tussen Nederland en België bestaan intensieve politieke contacten op defensiegebied. Zo heeft bijvoorbeeld op 30 maart jl. een delegatie van de vaste commissie voor Defensie van de Tweede Kamer een gesprek gehad met de heer Vandeput. Op 28 januari jl. hebben de heer Vandeput en ik samen een bezoek gebracht aan de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam) in Den Helder. Vervolgens hebben wij elkaar op 4 maart jl. uitgebreid gesproken in Den Haag ter gelegenheid van de ondertekening van het verdrag tussen België, Luxemburg en Nederland over de gezamenlijke luchtruimbewaking (Kamerstuk 33 763, nr. 68).
Bij deze ontmoetingen bleek dat wij het eens zijn over het grote belang van onze samenwerking, waarmee wij voortrekkers zijn in Europa, en dat wij deze samenwerking niet alleen willen voortzetten maar ook daar waar mogelijk willen intensiveren. Kort na de publicatie van het in vraag 1 genoemde artikel heeft de heer Vandeput in het Belgische parlement overigens benadrukt dat geen besluiten zijn genomen. Hij werkt momenteel een strategisch plan uit voor de toekomst van de Belgische defensie. De uitwerking van dit strategisch plan volg ik met belangstelling.
Zijn er ook zulke gesprekken geweest tussen Nederland en de NAVO? Zo ja, kunt u aangeven wat het advies van de NAVO is geweest voor de Nederlandse krijgsmacht?
De Navo onderhoudt intensieve contacten met alle bondgenoten, dus ook met Nederland. Deze contacten zijn vertrouwelijk.
Hebt u al contact gehad met uw Belgische collega over de eventuele consequenties voor de Defensiesamenwerking tussen België en Nederland bij het opvolgen van dit advies?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten wat precies de consequenties zijn van dit advies, indien dit wordt opgevolgd, voor Defensiesamenwerking tussen Nederland en België?
Zoals uiteengezet onderhouden België en Nederland intensieve contacten over de plannen in beide landen over de toekomst van de krijgsmacht. Ik heb van mijn Belgische collega niet begrepen dat een dergelijke maatregel aan de orde zou zijn. Ik vind het daarom niet zinvol hier nader op in te gaan.
Kunt u toelichten wat de consequenties zijn voor de Belgische-Nederlandse samenwerking op marinegebied (Benesam), indien België afstand moet doen van zijn fregatten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toelichten wat het gevolg is van dit advies van de NAVO aan België voor de mogelijke samenwerking tussen België en Nederland bij de vervanging van fregatten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het advies van de NAVO aan België dat er meer samenwerking mogelijk is tussen België en Nederland als het gaat om de NH-90 helikopter? Welke mogelijkheden liggen hier nog, in aanvulling op de al bestaande samenwerking betreffende de NH-90, zoals training, onderhoud, instandhouding en gezamenlijke verwerving van reserveonderdelen? Bent u bereid hierover een constructief gesprek aan te gaan met uw Belgische collega?
België, Luxemburg en Nederland hebben na de ministeriële verklaring van april 2012 een reeks van werkgroepen opgericht die de mogelijkheden van samenwerking over de hele breedte van de krijgsmacht uitwerken. De Kamer wordt over de vorderingen geïnformeerd met de jaarrapportage over internationale militaire samenwerking waarvan de meest recente is verzonden op 7 november 2014 (Kamerstuk 33 279, nr. 12).
Een van deze werkgroepen richt zich op de samenwerking op luchtmachtgebied waaronder helikopters. Zoals opgemerkt in vraag 8 is op het gebied van de NH-90 al het nodige bereikt, zoals de gezamenlijke aanschaf van reservedelen en samenwerking bij training en onderhoud. België, Duitsland en Nederland onderzoeken voorts de mogelijkheden voor gezamenlijke NH-90 opleidingen.
De special forces van beide landen werken reeds samen ten aanzien van doctrine en opleidingen. Bij het Korps Commandotroepen zijn daartoe twee Belgische liaisonofficieren geplaatst. Een belangrijk samenwerkingsgebied, ook met de Belgische Paracommando’s, is de gemeenschappelijke paraschool in het Belgische Schaffen. De opleidingen voor para-instructeurs en voor het parabrevet automatische opening zijn inmiddels geïntegreerd en de integratie van de vrije valopleiding wordt nog uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u het advies van de NAVO aan België dat er meer samenwerking mogelijk is tussen België en Nederland als het gaat om paracommando’s en «special forces»? Bent u bereid te onderzoeken welke concrete mogelijkheden hier nog liggen? Bent u bereid hierover een constructief gesprek aan te gaan met uw Belgische collega?
Zie antwoord vraag 8.
Containers met stenen |
|
Harry van Bommel (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht « Defensie bestolen in Afghanistan: tien containers gevuld met stenen landen op Vliegbasis Volkel»?1
Het bericht is niet geheel juist. Het gaat in totaal om elf containers.
Hoe kan het gebeuren dat tien van uw containers op Vliegbasis Volkel zijn geland met stenen, terwijl er eigenlijk defensiematerialen in hadden moeten zitten die terugkwamen van de missie in Afghanistan?
Een Redeployment is een nationale verantwoordelijkheid. Defensie heeft voor de verplaatsing over weg en zee gebruik gemaakt van de diensten van een civiele vervoerder waarmee Defensie eerder zaken heeft gedaan. De containers zijn volgens de geldende procedures beladen, afgesloten en verzegeld. De KMAR heeft niet kunnen achterhalen op welke wijze de goederen zijn ontvreemd uit de containers.
Wat voor defensiematerialen zijn precies ontvreemd?
Deze containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors.
Is het waar dat het onderzoek reeds is gesloten? Waarom geeft u zo snel op?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten. Het materieel moet daarom als verloren worden beschouwd.
Is dit een slechte 1 aprilgrap of zijn de verzegelde containers inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen?
De verzegelde containers zijn inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen.
Het bericht dat mensen te maken krijgen met stijgende zorgkosten door de bezuinigingen op de langdurige zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «630 euro eigen bijdrage? Dat kan ik nooit betalen!»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat iemand die afhankelijk is van een WAO-uitkering 630 euro per maand kwijt is aan eigen bijdrage omdat hij zijn vrouw inhuurt als verzorger?
Een rekensom met het online rekenprogramma van het CAK om de hoogte van de eigen bijdrage pgb Wlz uit te rekenen, laat zien dat bij een eigen bijdrage van € 630 per maand een verzamelinkomen hoort van € 73.500.2 De suggestie in het artikel dat het gezin moet leven van een bescheiden WAO-uitkering lijkt daarmee onjuist. In het verzamelinkomen van het huishouden zit uiteraard ook het inkomen verwerkt dat de partner ontvangt voor de zorgverlening van de cliënt via het pgb. De partner lijkt volgens dit artikel immers de rol van een formele hulpverlener te vervullen en ontvangt daarvoor dus ook het loon dat uit het pgb wordt betaald. De eigen bijdrage wordt met ingang van 1 januari 2015 rechtstreeks bij de budgethouder geïnd en niet meer vooraf ingehouden op het pgb. Voor veel budgethouders is het nieuw dat zij voor de eigen bijdrage periodiek een factuur van het CAK ontvangen. Het pgb dient te worden ingezet voor zorg en ondersteuning en het budget mag niet worden gebruikt voor de betaling van de eigen bijdrage. In de AWBZ was er jarenlang sprake van een verschil in het opleggen van de eigen bijdrage. Mensen met zorg in natura betaalden de eigen bijdrage al via een factuur aan het CAK, terwijl voor mensen met een pgb de eigen bijdrage werd afgetrokken van het («bruto») pgb. Met de nu doorgevoerde wijziging is deze ongelijke situatie gerepareerd.
Wat is uw reactie op Ilya Stoffer van Ieder(in) die stelt dat vele honderdduizenden mensen te maken krijgen met een groot inkomensverlies omdat de verhoging van de eigen bijdrage voor de langdurige zorg bovenop de bezuinigingen van de gemeente komen?
Voorop staat dat ook nu is gewaarborgd in de Wmo 2015 en de Wlz dat mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, die zorg en ondersteuning ook krijgen. Het met de Wtcg vervallen van de 33%-korting voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg leidt met ingang van 2015 tot hogere facturen. Dit was bekend, mensen zijn hier over geïnformeerd. In verband met de reeds optredende inkomenseffecten als gevolg van het vervallen van de 33%-korting, heb ik eerder ook besloten om de eigen bijdragesystematiek voor de Wmo 2015 ongewijzigd te laten en af te zien van het oorspronkelijke voornemen van het kabinet om een verruiming van de waarden van de parameters ten behoeve van de berekening van de maximale eigen bijdrage door te voeren. Voorts geldt dat gemeenten als onderdeel van het vervallen van de Wtcg en CER extra middelen hebben gekregen (vanaf 2017 structureel € 268 miljoen). Het is aan gemeenten om te bezien of mensen ondersteuning nodig hebben en hoe deze passend kan worden verstrekt. Als onderdeel hiervan zullen gemeenten in het onderzoek naar een ondersteuningvraag ook stil staan bij de kenmerken van de persoon en diens situatie, waaronder zijn financiële situatie en de gevolgen van verstrekking van mogelijke voorzieningen voor die situatie. Gemeenten hebben ten behoeve van dit financiële maatwerk de verantwoordelijkheid en ook een breed instrumentarium tot hun beschikking; gedacht kan worden aan een lagere kostprijs, het verstrekken van een financiële tegemoetkoming op grond van de Wmo 2015, het aanbieden van een collectieve zorgverzekering of toepassing van het gemeentelijk minimabeleid.
Kent u het onderzoek, dat GroenLinks door TNS-Nipo heeft laten uitvoeren, waaruit blijkt dat de zorgkosten voor chronisch zieken soms wel honderden euro’s per maand stijgen?2
Ik heb kennis kunnen nemen van de samenvattende bevindingen van de eerste, tweede en derde zorgpeiling uitgevoerd door TNS-Nipo.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat bijna de helft van de mensen die voorheen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vielen nu duurder uit is en aangeeft gemiddeld 244 euro per maand extra kwijt te zijn aan zorgkosten?
Op grond van de mij ter beschikking staande informatie is het niet goed mogelijk om de gevraagde verklaring te geven. Ik beschik over de samengevatte bevindingen van de peilingen, maar niet over het onderliggend materiaal en achtergrondinformatie van de respondenten. Zo weet ik niet wat in het onderzoek van TNS-Nipo onder de definitie van «toegenomen zorgkosten» wordt verstaan.
Het kan gaan om een stijging van feitelijke hogere zorgkosten, maar ook om de ervaren zorgkosten. Bij feitelijke hogere zorgkosten hoeft zich dit vervolgens niet te beperken tot een stijging van de eigen bijdrage. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een aanpassing van eerdere zorg en ondersteuning, in de zin dat iemand nu zelf de zorg en ondersteuning organiseert en inkoopt.
Het ligt niet voor de hand dat met de gemiddelde stijging van de eigen bijdrage met € 244 per maand wordt gedoeld op de eigen bijdrage voor extramurale zorg en ondersteuning die voorheen onder de AWBZ viel en nu onder de Wmo 2015 valt. Dit aangezien de eigen bijdrage onderdeel is van het overgangsrecht. Indien het om de eigen bijdrageregeling in de Wlz (uitgezonderd het pgb) gaat, dan geldt dat deze ongewijzigd is ten opzichte van de eigen bijdrageregeling zoals deze op grond van de AWBZ van toepassing was. Wel zijn de parameters – zoals dit jaarlijks plaats vindt – geïndexeerd. De inkomenseffecten van deze actualisatie zijn beperkt en verklaren de forse stijging uit het TNS-Nipo onderzoek daarmee niet. Bij de pgb’s zijn drie veranderingen opgetreden:
Samengevat verklaren bovenstaande veranderingen een gemiddelde stijging van de kosten voor de burger met € 244 per maand onvoldoende. Ook het TNS-Nipo onderzoek zelf geeft geen verklaring of aanknopingspunten daartoe.
Ook bij het CAK en VWS zijn vragen van cliënten ontvangen met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdragen. Bij nadere analyse bleek in veel gevallen dat de stijging veel minder groot was dan gedacht, het afwijkende bedrag liet zich doorgaans verklaren met de hiervoor optredende wijzigingen en/of de stijging was toe te schrijven aan een gestegen inkomen of vermogen.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat voor 36% van de mensen die onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vielen de kosten zijn toegenomen en dat zij gemiddeld 53 euro per maand duurder uit zijn?
Ook voor deze vraag geldt dat deze zich op grond van de mij ter beschikking staande gegevens niet goed laat beantwoorden. Zie hiervoor ook mijn uitleg onder 5. Gegeven de inkomensverdeling van de clientèle van de Wmo is een stijging van de gemiddelde maandelijkse eigen bijdrage met € 53 niet realistisch. Dit betekent namelijk dat de gemiddelde eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen op dit moment € 160 per 4 weken zou bedragen terwijl deze feitelijk (in 2014 exclusief de 33%-korting) in de Wmo ongeveer € 40 per 4 weken is.
Wat vindt u ervan dat nog steeds meer dan de helft van de mensen aangeeft zich nog niet goed geïnformeerd te voelen? Ziet u dit als een aanloopprobleem of als een structureel probleem?
Dat cliënten goed en tijdig geïnformeerd worden, was en is nog steeds één van de focuspunten van de transitie. De inspanningen zijn er op gericht om mensen zo goed mogelijk te informeren over de gevolgen van de veranderingen voor hun eigen situatie. Mogelijke onzekerheid hierover moet waar mogelijk op de kortst mogelijke termijn worden weggenomen. In mijn brief in reactie op de 2e en 3e meting van het TNS-Nipo onderzoek ben ik hier nader op ingegaan.4
Was u ervan op de hoogte dat deze kostenexplosie er aan zat te komen?
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van een kostenexplosie als gevolg van de veranderingen in de langdurige zorg. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 3 en 5.
Wat vindt u ervan dat de stijging van de kosten voor mensen met lage inkomens niet significant lager is dan voor mensen uit andere inkomensgroepen?
Mijn beeld is anders. De in het antwoord op vraag 5 genoemde punten met betrekking op de hoogte van de eigen bijdrage, hebben een groter effect op hogere inkomens. Immers, de eigen bijdrage stijgt naarmate het inkomen en vermogen hoger zijn. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om waar nodig en mogelijk, als onderdeel van de individuele benadering, tot financieel maatwerk te komen.
Bent u voornemens bij de voorjaarsnota maatregelen te treffen om de lage inkomens te compenseren?
Naar aanleiding van deze antwoorden zie ik daarvoor geen aanleiding. Bij de koopkrachtberekeningen van het kabinet wordt inzicht gegeven in de koopkrachtontwikkeling van huishoudens van jaar op jaar. Hierbij wordt waar mogelijk rekening gehouden met de (stapeling van) maatregelen van het kabinet. De Kamer ontvangt deze informatie, zoals gebruikelijk, op Prinsjesdag.
Daarnaast, ik heb dat hiervoor toegelicht, hebben gemeenten de verantwoordelijkheid en het instrumentarium, om huishoudens waar nodig ook financieel te ondersteunen op basis van maatwerk. Voorts geldt dat naast het maatwerk vanuit de gemeenten, ook de mogelijkheid blijft bestaan om -onder
nader bepaalde voorwaarden – zorgkosten fiscaal af te trekken op grond van de landelijke fiscale regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Hoe beoordeelt u in het licht van bovenstaande constateringen uw uitspraken van 23 april jl. «Het betekent in simpele bewoordingen dat we inzetten op een betere ondersteuning in de thuissituatie waarbij meer rekening gehouden kan worden met persoonlijke omstandigheden»?3
De dubbele petten bij Bijzonder Beheer Rabobank |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er bij de afdeling Bijzonder Beheer van de Rabobank sprake is van zogenaamde dubbele petten?1
Rabobank kent een afdeling Bijzonder Beheer waarvan de inspanningen zijn gericht op het voorkomen of – als dat niet mogelijk is – zoveel mogelijk beperken van de verliezen voor de klant en de bank. Bijzonder Beheer kan daarbij overgaan tot onderhandse verkoop van activa. In een beperkt aantal gevallen is dat niet mogelijk en is een veiling noodzakelijk. In dat geval kan Bijzonder Beheer besluiten Bodemgoed, een dochteronderneming van Rabobank, in te schakelen. Bodemgoed biedt op verzoek van Bijzonder Beheer mee tot een redelijke bodemprijs, om zo te voorkomen dat objecten tegen elke prijs worden verkocht. Biedt niemand hoger dan de bodemprijs dan wordt Bodemgoed de eigenaar. Bodemgoed moet dan niet alleen het bod betalen, maar ook de kosten koper (zoals veilingkosten en overdrachtsbelasting). Deze kosten worden niet aan de klant doorberekend. Bodemgoed zoekt daarna een koper. Daarbij wordt soms tegen een hogere maar vaker tegen een lagere prijs verkocht. Over het geheel genomen zijn de resultaten van in- en verkoop door Bodemgoed voor Rabobank verlieslatend.
Kunt u zich nog de berichtgeving rondom de schepenveiling door de Rabobank en eerdere vragen daarover herinneren? Zo ja, staat u nu nog steeds achter uw antwoord dat het uiteindelijk in het belang van de klant is?2
Ja.
Vind u het normaal dat een dochterbedrijf van een bank, in dit geval de Rabobank, onroerend goed of binnenvaartschepen van failliete klanten van dezelfde bank aankoopt?
Ja. Het meebieden en het inkopen tegen een redelijke bodemprijs van onroerende zaken of schepen via een veilingprocedure is zakelijk handelen, voorzien van wettelijke waarborgen. Deze procedure wordt ingezet als andere verkoopmogelijkheden zijn uitgeput.
Hoe kan worden gegarandeerd dat een veiling georganiseerd door de Rabobank, waar blijkbaar Bodemgoed BV vaak de enige is die het onroerend goed of binnenvaartschip wil kopen, wel eerlijk en transparant is?
De wet geeft waarborgen om veilingen eerlijk en transparant te laten verlopen. Veilingen van onroerende zaken en schepen vinden plaats in het openbaar onder toezicht van een notaris (zie art. 3:268 lid 1 BW). Gezien het openbare karakter en de door de wet voorgeschreven publiciteit (art. 516 Rv) kan iedereen tijdig kennis nemen van een veiling en op die veiling bieden. Als er geen bieders zijn, dan betekent dit dat er op dat moment onvoldoende vraag of bereidheid is in de markt om op de veiling te bieden. De meeste objecten voor een veiling zijn immers ook al geruime tijd onderhands ter verkoop aangeboden en onverkocht gebleven. Overigens is het niet zo dat als Bodemgoed koopt er nooit andere bieders zijn. Hun biedingen blijven dan steken onder de bodemprijs.
In hoeveel procent van de veilingen waarbij de Bodemgoed BV zelf een bod uitbracht, is het onroerend goed of binnenvaartschip aan een derde partij verkocht omdat deze een hoger bod uitbracht?
Rabobank geeft desgevraagd aan dat over de afgelopen jaren het merendeel van de objecten waarop Bodemgoed of een dochtervennootschap heeft geboden, niet door haar maar door derden zijn gekocht. Een uitzondering hierop vormen schepen en de tuinbouwkassen. In totaal is in de jaren 2007 tot nu gemiddeld ongeveer 20% van de geveilde objecten door Bodemgoed (of dochters) ingekocht. Van de schepen en de glastuinbouwkassen is meer dan 90% ingekocht. Van de overige objecten is ongeveer 15% ingekocht. Van de in 2007 tot nu aangekochte objecten is zo’n 75 procent inmiddels weer verkocht. Een kleine 25% is nog niet verkocht, waaronder het grootste deel van de binnenvaartschepen en de glastuinbouwkassen.
Kunt u een overzicht geven van de huidige vastgoedportefeuille en binnenvaartschepen van Bodemgoed BV en de bedragen waarvoor deze zijn aangekocht? Zo niet, waarom niet?
De portefeuille van Bodemgoed en haar dochter bestaat per medio maart 2015 uit 21 bedrijfsgebouwen, 15 glastuinbouwbedrijven, 30 recreatiewoningen, 14 schepen, 5 percelen grond, 1 kampeerboerderij en 1 deels afgebrande woning. Voorts bevat de portefeuille van Bodemgoed 11 binnenvaartschepen en 3 zeeschepen. Dit is overigens grotendeels openbaar beschikbare informatie van het Kadaster.
Is het volgens u wenselijk dat drie medewerkers van de afdeling Bijzonder Beheer van de Rabobank tevens bestuurder zijn bij Bodemgoed BV, die vastgoed opkoopt van (bijna) failliete klanten van de Rabobank? Zo nee, wat gaat u er aan doen om dit soort situaties te voorkomen?
Het kan in het belang van de klant zijn dat Bodemgoed meebiedt tot een redelijke bodemprijs, om zo te voorkomen dat objecten tegen elke prijs worden verkocht. Zie ook het antwoord op vraag 1. Ik zie dan ook geen reden om in te grijpen. De verkenning op het gebied van bijzonder beheer bij banken door de AFM gepubliceerd op 26 maart jl. geeft daar ook geen aanleiding toe.
Acht u het mogelijk dat de Rabobank sommige klanten expres in de problemen brengt om zo goedkoop aan hun vastgoed te komen, zoals eerder in Groot-Brittannië het geval was? Zo ja, welke wettelijke mogelijkheden heeft u om dit te voorkomen? Als deze er niet zijn bent u dan van mening dat hier strengere regels voor nodig zijn? Zo nee, op welke wijze kunt u dit uitsluiten?
Nee, ik heb, mede op basis van genoemde verkenning van de AFM op het gebied van bijzonder beheer door banken, geen aanwijzingen dat Rabobank klanten willens en wetens in de problemen brengt om goedkoop aan hun vastgoed te komen.
Klopt het dat het beleid van de Rabobank op het gebied van bijzonder beheer afwijkt van dat van andere banken? Zo ja, hoe wijkt dit af?
Nee, het is voor financiële instellingen niet ongebruikelijk op veilingen mee te bieden om een bodemprijs in de markt te leggen.
Kunt u nogmaals uitleggen waarom Rabobank ook nog aanspraak mag maken op 1 miljoen euro per schip in het kader van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), zoals beantwoord in eerdere vragen?
Zoals de Minister van Economische Zaken in de beantwoording van vragen over schepenveilingen door de Rabobank aan de Rabobank3 van 21 januari jl. heeft aangegeven, kan bij het verstrekken van een krediet voor de aankoop van een binnenvaartschip gebruik worden gemaakt van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) van het Ministerie van Economische Zaken. De maximum hoogte van het deel van het krediet dat onder de regeling gebracht kan worden is regulier € 1 miljoen.4 In het onverhoopte geval dat de kredietnemer niet in staat blijkt tot terugbetaling volgt uitwinning van de zekerheden, zoals verkoop van het onroerend goed. De verkoop van het schip in dit kader vermindert de schuld van de ondernemer, ook als de verkoop plaats vindt aan een dochter van de bank. Alleen een eventueel resterend verlies op het deel van het totaal verleende krediet dat onder de BMKB valt kan gedeclareerd worden. Er vindt dus geen dubbele vergoeding aan de bank plaats. Ook kan de dochteronderneming die het schip aankoopt het bedrag hiervan niet (deels) onder brengen onder de BMKB, omdat het geen kredietverstrekker aan het mkb is volgens de voorwaarden van de regeling. De constructie beoogt een opbrengst onder de door onafhankelijke experts vastgestelde bodemprijs te voorkomen. Een zo hoog mogelijke opbrengst bij de uitwinning van de zekerheden is daarom in het belang van zowel de ondernemer als de Staat. De handelwijze is daarmee in overeenstemming met de eisen en intentie van de regeling.
Hoeveel geld is al aan Rabobank en aan Rabobank verbonden bedrijven uitgekeerd in het kader van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)? Wat vindt u van dit bedrag?
In de periode 2009 tot en met 2014 is er netto5 € 335,3 miljoen uitgekeerd aan banken vanwege verliezen op kredieten die waren verstrekt met gebruik van de BMKB. Hier staat ruim € 3,4 miljard totaal verstrekte borgstellingen tegenover. Vanwege vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens worden uitkeringen aan individuele banken niet geopenbaard, maar deze zijn in verhouding met het gebruik van de regeling door een individuele bank, en de verliezen die zij leiden op kredietverlening aan het mkb. Uit de BMKB evaluatie van 2011 blijkt ook dat het verlies bij opeising van een krediet met overheidsborgstelling voor banken nog twee keer zo groot is dan die voor de overheid. Vanwege de financiële crisis en daaruit volgende recessie sinds 2009 zijn de verliezen op de regeling in vergelijking met eerdere jaren hoger geweest. Daar staat een veel groter aantal mkb-kredieten dat dankzij de regeling verstrekt is en niet tot verlies heeft geleid tegenover. Desondanks betreur ik iedere individuele schade, omdat het een verlies voor de overheid vormt, maar ook een faillissement van een onderneming dat ingrijpend is voor alle betrokkenen.
Is de wijze waarop Rabobank opereert, met het eigen dochterbedrijf dat verbonden is aan de bank, in overeenstemming met de voorwaarden van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) waarin eisen staan over de verkrijging van de mate van te verwachten jaaromzet uit een beleggingsbedrijf of een bedrijf dat ondernemingen financiert? Is de handelwijze van Rabobank in overeenstemming met de intentie van de regeling?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Sluis op losse schroeven’ |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Herkent u zich in de berichtgeving? Is het waar dat het opknappen van cruciale (zee)sluizen vertraging dreigt op te lopen?
Hier herken ik mij niet in. Het is wel zo dat Rijkswaterstaat het komende jaar relatief veel grote projecten op de markt brengt. Ook andere sectoren trekken aan waardoor er ook in utiliteitsbouw en de spoorsector meer projecten op de markt komen en het volume aan opdrachten toeneemt. Voor de drie sluizenprojecten die nu in aanbesteding zijn, is voldoende interesse. Rijkswaterstaat is in gesprek met de markt om te bezien hoe de interesse van marktpartijen voor de projecten die komende periode aanbesteed worden, kan worden behouden.
Is het waar dat verschillende bouwers opdrachten te complex en risico’s te groot vinden en dat veel grote aanbestedingen elkaar in korte tijd opvolgen? Welke rol speelt het gebruik van dbfm-contracten (ontwerp, bouw, financiering, onderhoud in één contract) daarin?
Rijkswaterstaat zal de komende jaren relatief veel grote projecten op de markt brengen. Daarnaast vragen DBFM-contacten meer tijd, specialistische kennis en tenderkosten van de markt dan meer traditionele contracten. Rijkswaterstaat beziet de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te behouden. Daarnaast is de haalbaarheid van het werkenpakket de komende drie jaar, onder andere bij Bouwend Nederland, getoetst. Bouwend Nederland heeft aangegeven dat het haalbaar is.
Hoe oordeelt u over de versnelling van de aanleg van de tweede zeesluis bij IJmuiden, die de Kamer mogelijk heeft gemaakt op voorwaarde dat de regio zou voorfinancieren, nu overprogrammering tot problemen lijkt te leiden?
De aanbesteding van de Zeesluis IJmuiden is reeds gestart en er is dus geen reden tot vertraging. Er zijn nu nog drie combinanten in de procedure voor het werk. De definitieve plannen worden in juni 2015 ingeleverd.
Worden de projecten «tweede sluis Eefde», «zeetoegang Terneuzen» en «renovatie Afsluitdijk» inderdaad in 2015 in de markt gezet? Overweegt u vanwege de afname van het aantal potentiële opdrachtnemers om de aanbestedingen over een langere periode uit te smeren?
Ja, voor deze projecten is de start van de aanbesteding in 2015 voorzien, waarbij aangemerkt dient te worden dat het project Nieuwe Sluis Terneuzen geen DBFM project is, maar met een Design & Construct-contract op de markt wordt gezet.
Ik zie vooralsnog nog geen reden om de aanbestedingen te temporiseren.
Kunt u de uitspraak van de programmadirecteur bij Rijkswaterstaat (RWS), dat hij eerst wil kijken of hij kan sleutelen aan de voorwaarden, volgorde en planning van projecten, voor hij knopen doorhakt, nader toelichten?
Rijkswaterstaat is in gesprek met de markt om te verkennen welke exacte elementen nu de keuze van bouwbedrijven beïnvloeden om voor een bepaald werk te kiezen. Uit de verschillende gesprekken met diverse partijen blijkt dat het gaat om zaken die te maken hebben met tenderkosten en tendercapaciteit. Ik bezie de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te behouden.
Is er binnen RWS een prioritering van de verschillende projecten? Zo ja, hoe prioriteert u de verschillende projecten ten opzichte van elkaar?
Omdat geen aanleiding is planningen aan te passen is er ook geen reden te prioriteren. Rijkswaterstaat heeft in afstemming met Bouwend Nederland gekeken naar de start van de aanbestedingen, waarbij de eindmijlpaal «openstelling» niet zou vertragen. Dit om tot een meer regelmatige spreiding van de start van de aanbestedingen te komen.
Deelt u de mening dat de koudwatervrees bij bouwbedrijven om met Rijkswaterstaat in zee te gaan past in een trend die al langer gaande is? Zo ja, op welke wijze doorbreekt u deze trend?
Nee. Alle aanbestedingen (ook DBFM) zijn tot op heden succesvol verlopen.
Het signaal van een afnemend aantal inschrijvers voor DBFM-projecten is reden om nadere afstemming te hebben met brancheorganisaties en marktpartijen. Het feit dat er veel grote projecten op de markt komen in combinatie met een DBFM-contract maakt dat bedrijven selectiever zijn.