Het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kritiek uit wetenschappelijke hoek over het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de (concurrente) validiteit van het nieuwe meetinstrument van de GGD voor het meten van de pedagogische kwaliteit niet is vergeleken met een meetinstrument dat wel gevalideerd is? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij de uitvoering van het onderzoek is Sardes geconfronteerd met problemen met de beschikbaarheid van een valide Nederlandstalig instrument. In overleg met mijn ministerie heeft Sardes conform hun offerte het observatie-instrument van de GGD vergeleken met een samengesteld alternatief instrument dat is gebaseerd op het instrumentarium van het NCKO.
Daarbij heeft Sardes aangegeven dat dit alternatief instrument zowel inhoudelijk als procedureel zoveel overlapt met het observatie-instrument van de GGD dat het mogelijk is om zowel op het niveau van doelen als indicatoren te correleren. Achtergrond hierbij is:
Kunt u tevens bevestigen dat de inspecteurs die met het alternatieve meetinstrument werkten onvoldoende getraind waren in het toepassen van het schaduwinstrument en ook niet onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Sardes geeft aan dat de inspecteurs zijn getraind in het afnemen van het huidige observatie-instrument. Voor het werken met het alternatief instrument hebben de inspecteurs een instructiebijeenkomst bijgewoond waarin zij instructie kregen over de afname van het alternatief instrument. Tijdens die bijeenkomst zijn er afspraken gemaakt over hoe de inspecteurs tijdens de observaties moesten handelen. Eén van de afspraken betreft het onafhankelijk van elkaar afnemen van het huidige observatie-instrument en het schaduwinstrument. Een andere afspraak was: geen inhoudelijk overleg voeren tijdens de observatie of na de observatie bij het scoren.
Kunt u ook bevestigen dat de statistische bewerkingen die zijn gebruikt en de manier waarop de bevindingen zijn geïnterpreteerd te rooskleurig zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb er vertrouwen in dat de statistische analyses adequaat zijn uitgevoerd en dat de interpretatie van de bevindingen door de onderzoekers passend is. Ik heb van Sardes begrepen dat de analyses en de interpretatie van de uitkomsten van de analyses in lijn zijn met de uitkomsten van gelijksoortig onderzoek.
Indien uw antwoord op de vragen 2 tot en met 4 bevestigend luidt, tot welke conclusie brengt dit u? Wilt u uw antwoord motiveren?
Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd. Ik constateer dat er vragen zijn ontstaan over de onderzoeksmethoden en de voor- en nadelen van de hierbij gemaakte keuzen. De conclusie die ik hieraan verbind is dat op dit punt de onderzoeksverantwoording duidelijker had kunnen zijn.
Wat was precies het doel van het onderzoek, wat was de exacte formulering daarvan in de offerteaanvraag waarmee het onderzoek is uitgezet en wilt u de offerteaanvraag aan de Tweede Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
In de offerteaanvraag is het doel van het beleidsonderzoek als volgt weergegeven:
Komen tot een uitspraak over de validiteit van het instrument observatie pedagogische praktijk. Indien het instrument niet valide blijkt te zijn, welke aanpassingen zijn daarvoor nog nodig?
Als bijlage bij deze brief ontvangt u de offerteaanvraag.2
Hoe verhoudt dit in de offerteaanvraag omschreven doel van het onderzoek zich tot de reactie van het ministerie dat «het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie instrumenten» het doel zou zijn geweest?
Het doel van het onderzoek ligt in het verlengde van het achterliggende beleidsdoel. Het achterliggende beleidsdoel betrof het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie-instrumenten. Dit linkt aan de passage in de offerteaanvraag waarin gevraagd wordt naar eventuele aanpassingen in het instrument als het instrument (op onderdelen) onvoldoende of niet valide blijkt te zijn.
Kunt u bevestigen dat in reactie op een vraag van de schrijfster van het artikel in «De Correspondent» kennelijk per abuis de door ambtenaren van uw ministerie gewisselde e-mails over dit onderwerp aan haar zijn toegestuurd?
Ja.
Kunt u in het licht daarvan tevens bevestigen dat een woordvoerder van uw ministerie als volgt heeft gereageerd: «Ik ben ervoor te waken om de diepte in te gaan en haar (de betreffende journaliste) te veel informatie te geven, maar ik heb nu toch het gevoel dat zij duidelijke vragen stelt en we aan het duiken zijn»?
Ja.
Kunt u eveneens bevestigen dat de directeur kinderopvang van uw ministerie heeft opgemerkt: «Ik vind zelf dat we bij eerdere antwoorden al veel te diep op de materie zijn ingegaan. Dat leidt ertoe dat onze antwoorden net iets anders zijn dan in het onderzoeksrapport zelf of net iets anders dan in de offerteaanvraag. Vervolgens worden dan weer vragen gesteld over die verschillen. En zo komen we steeds verder van huis»?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze dat, indien «duidelijke vragen worden gesteld», ervoor «gewaakt moet worden om de diepte in te gaan» en er geen heldere antwoorden worden gegeven, maar er zelfs bij de betrokken woordvoerder van uw ministerie «het gevoel» is dat er sprake is van «duiken»?
Als er verzocht wordt om informatie te geven geldt dat de juiste informatie gegeven moet worden. Dat geldt ook voor vragen die ten behoeve van het betreffende artikel zijn gesteld. Mocht er uit de genoemde mails een ander beeld gekomen zijn, dan betreur ik dat.
Welke opdracht hebben uw ambtenaren op het moment dat er (duidelijke) vragen door journalisten, burgers of Kamerleden worden gesteld? Kunt u uw antwoord motiveren?
Voor alle vragen geldt dat de juiste beschikbare informatie gegeven moet worden. Dat geldt zowel voor vragen van journalisten als voor vragen van burgers of Kamerleden.
Herinnert u zich dat u in september 2014 aan de Tweede Kamer heeft laten weten dat u «met het project Het Nieuwe Toezicht meer ruimte wil bieden voor kwaliteit» en dat u daarbij «nadrukkelijk de kennis en expertise van verschillende wetenschappers (...) meeneemt» en voorts dat «de inzet gericht is op kwaliteitsverbetering en niet op een slap aftreksel van het gemiddelde»?
Binnen het project Het Nieuwe Toezicht wordt de kennis van wetenschappers en andere experts structureel gebruikt. Met mijn brief van november 2014 heb ik u inzicht gegeven in de uitgangspunten die ik voor de herijking van de kwaliteitseisen gebruik. Deze uitgangspunten zijn mede gebaseerd op gesprekken met verschillende wetenschappers. Zoals ik u tijdens het algemeen overleg van 5 februari jl. heb laten weten heeft en houdt de wetenschap een prominente rol, zowel bij de herijking van de kwaliteitseisen als bij de implementatie ervan.
Vindt u dat uw (te ontwikkelen en in te voeren) beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang gebaseerd moet zijn op de uitkomsten van gevalideerd wetenschappelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bij de ontwikkeling van beleid betrek ik de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en vraag ik regelmatig wetenschappers om input en advies.
Indien u vraag 14 bevestigend beantwoordt, wat betekent dit dan concreet voor het in de voorgaande vragen bedoelde bekritiseerde onderzoek en wilt u daarop, met de kennis van nu, uw beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang baseren? Zo ja, wilt u uw antwoord motiveren?
Ik betreur dat over het doel en over de gemaakte keuzes in de opzet van het onderzoek verwarring is ontstaan. Het onderzoek is gegund aan Sardes op basis van de gebruikelijke aanbestedingsprocedure. De onderzoekers hebben één van de onderdelen van het huidige inspectie-instrumentarium van de GGD onderzocht.
In het kader van het project Het Nieuwe Toezicht wordt momenteel gewerkt aan nieuwe kwaliteitsregels. Bij het bepalen van de nieuwe kwaliteitseisen wordt het instrumentarium van de toezichthouder tevens onder de loep genomen.
Indien uw vraag betrekking heeft op de totstandkoming van beleid ten aanzien van de kwaliteit van de kinderopvang in de breedste zin geldt hiervoor dat ik bij de vorming van dit beleid de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek betrek en wetenschappers uitnodig om input en advies te geven.
Bent u bereid een nieuw onderzoek uit te zetten dat de toets der kritiek kan doorstaan en gekenmerkt wordt door wetenschappelijke validiteit?
Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd.
Bent u bereid met uw antwoord op deze vragen wel «de diepte in te gaan» en dan niet het gevoel op te roepen dat u met uw ambtenaren «duikt»?
Ja.
De bezetting van het Bungehuis van de Universiteit van Amsterdam (UvA) |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de bezetting van het Bungehuis, waarbij studenten en UvA-medewerkers strijden voor meer inspraak en tegen afbraak van de faculteit Geesteswetenschappen?1
De bezetting van het Bungehuis en nu het Maagdenhuis en de onderhandelingen daarover zijn in principe een zaak tussen het bestuur van de UvA en de bezetters. In het algemeen stimuleer ik de dialoog tussen bestuur, studenten en medewerkers die samen de academische gemeenschap vormen. Ik betreur het dat het bestuur en de bezetters er niet samen uit gekomen zijn.
Kunt u reageren op de eisen van de Nieuwe Universiteit, zoals een democratische verkiezing van het bestuur, een ander financieringsmodel en volwaardige inspraak over de plannen met de faculteit Geesteswetenschappen?2
De bezetters hebben diverse grote vraagstukken geagendeerd en ik ben blij dat dat het gesprek hierover in brede zin zal worden gevoerd op de UvA. De algemene motivatie dat het op een universiteit zou moeten draaien om onderwijs en onderzoek, onderschrijf ik. Het is goed om met elkaar in gesprek te blijven over de bestuurs- en medezeggenschapscultuur die daarvoor nodig is, dat blijft voor mij ook een belangrijk thema. Om die reden heb ik met de wet Studievoorschot de positie van de medezeggenschap versterkt door invoering van instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting; en met wetsvoorstel versterking bestuurskracht wil ik ook de opleidingscommissies beter in positie brengen, in het bijzonder ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Dit wetsvoorstel ligt thans bij de Raad van State.
De discussie over een ander financieringsmodel blijft actueel; het denken daarover staat niet stil. De kwaliteit van het onderwijs zou daarbij een grote rol moeten spelen. Met de prestatieafspraken – en straks ook de kwaliteitsafspraken – beogen we de kwaliteitscultuur binnen de instellingen te bevorderen en een voortdurend denken over en werken aan onderwijskwaliteit te bevorderen. Ik wijs er nadrukkelijk op dat het financieringsmodel de laatste jaren al veel minder gericht is op het aantal afgestudeerden («diplomarendement»). In 2011 is het percentage van de onderwijsbekostiging dat afhankelijk is van het aantal diploma’s beperkt van 80% in het hbo en 50% in het wo naar gemiddeld 20% in het gehele hoger onderwijs. Ik vind in hoofdlijnen een financiering die gebaseerd is op het aantal studenten redelijk. We willen immers dat alle studenten goed onderwijs krijgen.
De inhoudelijke discussie over Geesteswetenschappen wordt gevoerd met de verschillende medezeggenschapsorganen zoals de Centrale Studentenraad en de Facultaire Studentenraad Geesteswetenschappen. In al die organen zijn studenten vertegenwoordigd. Ik begrijp dat de toekomst van de Geesteswetenschappen ook een onderdeel zal zijn van de debatreeks die de UvA de komende weken organiseert.
In de brief die ik volgende week naar uw Kamer stuur, zal ik uitgebreider ingaan op de verschillende thema’s die de bezetters hebben geagendeerd.
Deelt u de mening dat de eisen niet alleen een zaak zijn van het UvA-bestuur, maar evengoed van u als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo ja, bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
De vraag naar passende bestuurlijke verhoudingen, de positie van de medezeggenschap en hoe te sturen op kwaliteit zijn thema’s die het gehele Hoger Onderwijs aan gaan. Ik ben niet alleen bereid daarover het gesprek aan te gaan, dit gesprek loopt al: met de studentenbonden LSVb en ISO ben ik continu in gesprek over het hoger onderwijs, en dus ook over de bovengenoemde thema’s. Daarnaast heb ik het afgelopen halfjaar een tour gehouden langs hogescholen en universiteiten, waar ik veel studenten heb gesproken over de toekomst van het hoger onderwijs. De opbrengsten van die tour vormen input voor de Strategische Agenda die nog voor de zomer uitkomt. Ik zal in de brief die ik uw Kamer volgende week stuur uitgebreider op deze thema’s in gaan.
Erkent u dat er veel steun en sympathie is voor de eisen van de bezetters, zowel binnen als buiten de UvA?3
Ik hoor inderdaad vanuit verschillende kanten steunbetuigingen voor thematiek die de bezetters hebben willen agenderen, maar ook voor het bestuur van de UvA. Tegelijkertijd maak ik uit de berichtgeving op dat er bij de acties enkele honderden studenten en docenten betrokken zijn. Ik begrijp dat de groep demonstranten gemêleerd is (wat betreft achtergrond en inhoudelijke oriëntatie). Overigens is een deel van de punten niet nieuw. In de wetenschapsvisie ben ik bijvoorbeeld al uitgebreid ingegaan op klachten van onder andere Science in Transition over publicatiedruk en het grote aantal flexcontracten.
Deelt u de mening van meer dan 100 wetenschappers dat «het bezetten van een universiteitsgebouw een belangrijk en legitiem onderdeel is van het reguliere repertoire van studentenprotest»?4
Het is een feit dat een bezetting wordt gezien als een vorm van studentenprotest, dat is in de geschiedenis immers vaker gebeurd. Een bezetting verliest echter aan legitimiteit als anderen daarvan de dupe worden, bijvoorbeeld als zij als gevolg van de actie hun werk niet kunnen doen, hun studie niet kunnen volgen of als een rechter oordeelt dat een bezetting niet (langer) legitiem is.
Wat vindt u van de opstelling van het UvA-bestuur, dat weigert om zonder voorwaarden vooraf in dialoog te gaan met de bezetters? Vindt u dit getuigen van goed bestuur? Is het niet arrogant om elk gesprek te weigeren en slechts te roepen: «mijn gebouw uit»?5
Er zijn inmiddels uitgebreide gesprekken geweest tussen bestuur en bezetters. Helaas zijn de twee partijen er niet samen uit gekomen. Ik juich het toe dat het bestuur van de UvA ondanks de uitzetting het gesprek met studenten en medewerkers in brede zin voort wil zetten. Ik heb beide partijen dan ook opgeroepen om vooral te kijken naar wat wél kan in plaats van naar wat niet kan.
Valt het volgens u onder goed bestuur dat het UvA-bestuur – zonder enige dialoog – eist dat de studenten onmiddellijk het pand verlaten op straffe van een dwangsom van een ton per dag? Is dit een redelijke eis voor studenten die op het punt staan hun basisbeurs te verliezen?6
De dwangsom is door de rechter vastgesteld op 1.000 euro per dag, dat is dus per definitie legitiem. Ondertussen is het bestuur wel met de bezetters in dialoog gegaan, maar ik begrijp ook dat het bestuur tegelijkertijd wilde dat het gebouw weer beschikbaar kwam voor onderwijs en onderzoek. Overigens is het onjuist dat deze studenten hun basisbeurs verliezen. Het studievoorschot geldt alleen voor nieuwe groepen bachelor- en masterstudenten.
Bent u bereid uw steun uit te spreken voor deze «competente rebellen, creatieve dwarsdenkers en constructieve neezeggers»? Zo nee, was uw oproep hiertoe destijds een lege huls?7
De bezetters zijn rebellen en dwarsdenkers. Of zij ook competent, creatief en constructief zijn moet nog blijken. Dat hangt af van de uitkomst van de gesprekken tussen de actievoerders en de UvA.
Is het waar dat Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Mark Rutte ooit heeft gepleit voor het bezetten van een faculteit? Deelt u de mening dat de studenten alleen al om die reden sympathie verdienen?8
Mark Rutte pleitte destijds vooral tegen de zesjescultuur en voor «Begeisterung» onder studenten. De uitspraken destijds vormen geen basis voor een waardering in termen van sympathie of antipathie.
Bent u bereid om op korte termijn een gesprek te organiseren tussen het UvA-bestuur en de bezetters? Zo nee, waarom houdt u zich afzijdig van een actie met als doel verbetering van het onderwijs?
Ik heb uw vragen zo snel mogelijk beantwoord. Volgende week ontvangt uw kamer hierover een meer uitgebreide brief.
Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk, liefst binnen enkele dagen, te beantwoorden, gezien de korte termijn waarop ontruiming aan de orde kan zijn?
Zie antwoord vraag 10.
De aanschaf van Chinese ‘Patriots’ door Turkije |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Turkije mogelijk kiest voor de aanschaf van een Chinees luchtverdedigingssysteem en bij het verwervingsproces de Armeense genocide zou betrekken?1
Ja.
Klopt het dat op dit moment een luchtverdedigingssysteem van de Chinese fabrikant CPMIEC als beste kandidaat uit het materieelverwervingsproces van het Turkse Ministerie van Defensie naar voren komt, boven alternatieven van Europese en Amerikaanse fabrikanten?
De onderhandelingen tussen Turkije en mogelijke leveranciers van een lucht- en raketverdedigingssysteem lopen nog. Het is niet bekend wanneer Turkije een besluit over de aanschaf zal nemen.
Heeft Turkije al een definitief aanschafbesluit genomen, of wordt dit over de datum van de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide heen getild?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat vanuit het Westen druk uitgeoefend is op Turkije om af te zien van de aanschaf van het Chinese luchtverdedigingssysteem, en te kiezen voor een systeem dat past binnen de NAVO?
NAVO-bondgenoten, inclusief Nederland, hebben aan Turkije duidelijk de zorgen overgebracht over de interoperabiliteit van een Chinees lucht- en raketverdedigingssysteem met vergelijkbare systemen die in gebruik zijn bij andere NAVO-landen. De Turkse autoriteiten zijn zich ervan bewust dat de keuze voor een bepaald lucht- en raketverdedigingssysteem gevolgen kan hebben voor de interoperabiliteit.
Heeft Nederland zich bij deze druk aangesloten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het effect van deze druk tot dusver?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de druk op te voeren en deze kwestie bilateraal richting Turkije en in NAVO-verband te adresseren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid Turkije daarbij te wijzen op het statement over raketverdediging dat de NAVO op de Top in Wales in 2014 aangenomen heeft: «Missile defence will become an integral part of the Alliance's overall defence posture and contribute to the indivisible security of the Alliance»?2
Turkije heeft als NAVO-bondgenoot uiteraard deelgenomen aan de Top in Wales en de verklaring over raketverdediging medeondertekend. De inhoud daarvan mag dus bekend worden verondersteld.
Hoe beoordeelt u in het licht daarvan de verklaring van de Turkse Minister van Defensie dat Ankara het luchtverdedigingssysteem niet zal integreren binnen de systemen van de NAVO?3
Deze verklaring van de Turkse Minister van Defensie is inmiddels tegengesproken door de woordvoerder van de Turkse president.
Klopt het tevens dat Turkije de wijze waarop verschillende landen zich opstellen ten aanzien van de herdenking van de Armeense genocide op 24 april a.s., betrekt bij het verwervingsproces?
Het is aan Turkije om een besluit te nemen over de aanschaf van een lucht- en raketverdedigingssysteem. Zoals gesteld in antwoord op de vragen 2 en 3 is niet bekend wanneer Turkije dit besluit zal nemen.
Zo ja, hoe beoordeelt u dat? Vindt u een dergelijke handelwijze een NAVO-bondgenoot waardig?
Zie antwoord vraag 10.
Indien u deze berichtgeving zelf niet kunt verifiëren, bent u dan bereid opheldering te vragen bij Turkije?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt de Minister van Buitenlandse Zaken het standpunt van de Minister van Defensie dat Turkije «geen gemakkelijke bondgenoot» is?4
Turkije is een gewaardeerde en strategisch belangrijke bondgenoot. Dat wil niet zeggen dat bondgenoten geen kritiek op elkaar kunnen hebben.
De rellende Nederlanders in Rome |
|
Nine Kooiman (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de afschuw over de rellende Nederlanders in Rome?1
Ja.
Zijn volgens u vooraf voldoende maatregelen genomen teneinde dergelijke rellen te voorkomen? Zo ja, welke?
Er zijn Europese afspraken met betrekking tot het bestrijden van voetbalgeweld in een internationale context. Deze komen voort uit conventies van de Raad van Europa en de Europese Unie die zijn opgesteld na het Heizeldrama in België (1985). Op basis van deze conventies heeft elk aangesloten land (waaronder Italië en Nederland) een National Football Information Point (NFIP, in Nederland het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme) dat verantwoordelijk is voor de informatiedeling tussen beide landen. Indien beschikbaar wordt er te allen tijde informatie gedeeld met betrekking tot risicosupporters. Ook in dit geval heeft er informatie-uitwisseling plaats gevonden.
De voetbalwedstrijd in Rome viel onder verantwoordelijkheid van de Italiaanse autoriteiten. Het is gebruikelijk dat voor internationale risicowedstrijden er via het NFIP een verzoek gaat richting het land van de uitsupporters om bijstand te leveren, dikwijls in de vorm van zogenaamde «spotters». Dit zijn in dit geval leden van de Nederlandse politie die eventuele doelgroepsupporters kunnen herkennen en, waar nodig, in overleg kunnen treden met deze supporters en de lokale autoriteiten kunnen adviseren. Vanuit de Nederlandse politie waren zes politieambtenaren aanwezig in Rome, die ervaring hebben met de Rotterdamse situatie. Alle operationele werkzaamheden die in Rome door deze politieambtenaren werden uitgevoerd vielen onder verantwoordelijkheid van het gezag aldaar.
Zijn volgens u de mogelijkheden maximaal benut teneinde vooraf informatie uit te wisselen tussen de diverse betrokken partijen in Nederland en Italië? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is bekend of zich tussen de rellende Nederlanders personen bevonden met een stadionverbod?2 Zo ja, om welk type stadionverbod ging het? Welke voorzorgsmaatregelen zijn genomen teneinde te voorkomen dat zij deze uitwedstrijd konden bezoeken?
Op dit moment loopt het onderzoek nog naar personen die mogelijk strafbare feiten hebben gepleegd. Vertegenwoordigers van het OM en de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, zijn eind februari in Rome geweest om de eerste afspraken te maken over samenwerking op het gebied van identificatie, opsporing en mogelijke vervolging van personen die strafbare feiten hebben gepleegd rondom de voetbalwedstrijd AS Roma-Feyenoord. Het onderzoek, mede aan de hand van beeldmateriaal dat inmiddels van de Romeinse autoriteiten is ontvangen, is in volle gang. In het belang van het onderzoek kunnen hierover geen verder geen mededelingen worden gedaan.
Herinnert u zich uw antwoord op mijn vraag in het debat van 27 januari 2015 over de bestrijding van voetbalvandalisme hoe kan worden voorkomen dat Nederlanders met een stadionverbod uitreizen naar Europese uitwedstrijden?3 Bent u nog steeds van mening dat er voldoende mogelijkheden zijn dit voor elkaar te krijgen?
Ja. Het is van belang om – net als in de beantwoording in het debat van 27 januari 2015 – verschillende stadionverboden te onderscheiden.
Een voetbalclub of de KNVB, kan een stadionverbod opleggen dat geldt in het binnen- en buitenland. Dat belet het bezoek aan een stadion (in het buitenland), maar is niet gelijk te stellen aan een uitreisverbod. Wel kan informatie over de persoon aan wie een stadionverbod is opgelegd via het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme aan (buitenlandse) partners worden doorgegeven.
Daarnaast kan de strafrechter een strafrechtelijk stadionverbod of een meldplicht opleggen op grond van artikel 38v Sr voor wedstrijden van een betaald voetbalorganisatie in binnen- en buitenland.
Het wetsvoorstel Aanscherping maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast (Kamerstukken 33 882) voorziet in de wijziging van art. 38v Sr in die zin dat de strafrechter – wanneer het wetsvoorstel in werking is getreden – een gebiedsgebod kan opleggen, zodat een veroordeelde op aangewezen momenten op een aangewezen plaats dient te verblijven en dus niet mag afreizen naar een uitwedstrijd, ook niet naar een uitwedstrijd in het buitenland.
Bent u van mening dat er nu al voldoende mogelijkheden zijn het uitreizen van Nederlanders naar uitwedstrijden te voorkomen? Zo ja, waarom zijn die kennelijk onvoldoende benut? Zo nee, welke aanvullende mogelijkheden ontstaan op grond van die nieuwe wet, waarvan u veel verwacht?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn aanvullende maatregelen naar uw mening noodzakelijk?
Aanvullende maatregelen, naast die welke in het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Aanscherping maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast zijn voorzien, acht ik niet nodig.
Het onderzoek van Beter Onderwijs Nederland (BON) naar de besteding van onderwijsgeld in het voortgezet onderwijs |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het onderzoek «Lumpsum kost duizenden onderwijsbanen» van Beter Onderwijs Nederland (BON), waaruit blijkt dat driekwart van de scholen voor voortgezet onderwijs (vo) minder leraren in dienst heeft dan waarvoor ze worden bekostigd?1
Het onderzoek van BON gaat er onterecht van uit dat het onderwijs werkt met geoormerkt geld. De gebruikte verhoudingen binnen de bekostiging zijn destijds als rekenmodel opgezet, niet als richtlijn voor de besteding. Dat scholen, in overleg met (de personeelsgeleding van) de medezeggenschapsraad, hun personeelsbeleid laten aansluiten bij hun specifieke situatie is een van de voordelen van de lumpsum. Daardoor verschillen bij scholen de aandelen leraren, directiepersoneel en onderwijsondersteuners. De Algemene Rekenkamer laat in haar onderzoek naar de bekostiging van het voortgezet onderwijs (Algemene Rekenkamer, Bekostiging voortgezet onderwijs, 2014, Kamerstuk 31 289, nr. 193) overigens zien dat in de periode 2009–2013 de verhouding tussen onderwijsgevend personeel (OP), onderwijsondersteunend personeel (OOP) en directie grofweg gelijk is gebleven (ongeveer 72 procent OP, 24 procent OOP en 4 procent directie).
Het gaat mij bij de sturing op het onderwijs dan ook niet zozeer om dergelijke verhoudingen op schoolniveau, maar om hun effect op de uiteindelijke onderwijskwaliteit. Ik heb daarover dan ook met de besturen afspraken gemaakt in de sectorakkoorden. Die omvatten heldere doelen voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. Deze monitor ik voortdurend, ook via de inspectie. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan ga ik over de vorderingen van de verbetering van de onderwijskwaliteit in gesprek met de besturen.
Deelt u de stellingname van BON dat «als de lumpsum in het vo niet zou zijn ingevoerd, er eind 2013 ruim 4.000 docenten meer werkzaam zouden zijn dan nu het geval is?» Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit is niet toe te schrijven aan de lumpsum, ook het financieringssysteem vóór de lumpsum kende mogelijkheden om te schuiven met personeel. Voor de invoering van lumpsum kende het voortgezet onderwijs namelijk een formatiebudgetsysteem. Dit systeem werkte met «formatierekeneenheden». Deze werden apart vastgesteld voor onder andere onderwijsondersteunend en onderwijsgevend personeel. Scholen hadden echter ook binnen dit systeem vrijheid om te schuiven tussen onderwijsgevend personeel en onderwijsondersteunend personeel.
Verder zijn er ontwikkelingen in het onderwijs die maken dat deze verschuiving heeft plaatsgevonden. Er zijn bijvoorbeeld steeds meer taken van de docent overgenomen door medewerkers met een ander takenpakket. Daarmee is de docent ontlast en komt hij meer toe aan het geven van hoogwaardig onderwijs. Leerlingen krijgen meer aandacht omdat er meer dan één persoon betrokken is bij de klas. De verklaring kan dus niet in de lumpsum gezocht worden.
Deelt u de zorg van BON en vakbonden dat schoolbesturen regelmatig taken van docenten verzwaren met een beroep op een tekort aan middelen? Zo ja, waarom slaagt u er niet in de werkdruk te verlagen?
Schoolbesturen hebben een integrale verantwoordelijkheid. Dat betekent dat zij met behulp van de beschikbare middelen de beleidskeuzes maken die leiden tot een optimale kwaliteit van het onderwijs. Het voeren van personeelsbeleid is onderdeel van deze verantwoordelijkheid. Het thema werkdruk is, net als bijvoorbeeld het taakbeleid en het formatieplan, primair een gespreksonderwerp tussen het schoolbestuur en de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad. Daarnaast zijn er ook factoren die werkdruk beïnvloeden die soms de invloed van de individuele school overstijgen. Belemmerde regels vormen daarvan een voorbeeld. Daarom is de Regeldrukagenda Onderwijs 2014–2017 (Kamerstuk 29 515 nr. 356) opgesteld. Deze bevat een overzicht van regels die we gaan afschaffen, verbeteren of vereenvoudigen.
Hoe is volgens u te verklaren dat de afgelopen twintig jaar als gevolg van de lumpsum een verschuiving heeft plaatsgevonden van Onderwijzend Personeel (OP) naar het Onderwijs Ondersteunend Personeel (OOP)? Wat voor OOP betreft het hier?
Er is in de afgelopen 20 jaar inderdaad sprake van een toename van het aandeel onderwijsondersteunend personeel. Dit kan komen doordat scholen ervoor kiezen om meer niet-lesgebonden taken te laten uitvoeren door onderwijsondersteunend personeel. Zo kunnen docenten zich meer richten op hun kerntaak: het geven van goed onderwijs. Ook kan het zijn dat vaker klassenassistenten worden ingezet waardoor er extra handen in de klas aanwezig zijn en de mogelijkheden voor maatwerk toenemen.
Hoe beoordeelt u de stelling van BON dat «Schoolbesturen die extra bezuinigen op docenten, 27% meer winst maken dan de overige schoolbesturen»? Kunt u uw antwoord toelichten?
De post «personeelskosten» is veruit de grootste kostenpost van schoolbesturen. Het is dan ook hun belangrijkste «knop» om financieel te sturen. Zo kan een school in eerdere jaren meer hebben uitgegeven dan dat er aan geld binnenkwam. In dat geval is het, om de kosten en baten over de jaren heen in evenwicht te laten zijn, noodzakelijk om bij te sturen en de uitgaven te beperken.
Beschikt u over informatie waarmee u de conclusies uit het onderzoek van BON kunt onderschrijven, nuanceren of weerleggen? Zo ja, van welke informatie maakt u gebruik? Zo nee, wat onderneemt u om deze informatie te verkrijgen?
Uw Kamer wordt regelmatig op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt. Ik verwijs u hiervoor naar de jaarlijkse arbeidsmarktbrief, de meest recente van 28 oktober 2014 (Kamerstuk 27 923, nr. 189) en de jaarlijkse Kerncijfers die ik u tegelijk met en ter ondersteuning van het Departementaal Jaarverslag toestuur (Kamerstuk 33 930 VIII, nr. 4). Binnenkort zijn er nieuwe cijfers over deelnemers, instellingen, personeel, resultaten en uitgaven beschikbaar. Hierover zal ik u informeren in aanloop naar het Verantwoordingsdebat in mei.
Bent u bereid te onderzoeken of de financiering van leraren buiten de lumpsum gehouden kan worden? Zo nee, hoe voorkomt u de breed gedeelde ergernis dat onderwijsgeld verkeerd wordt besteed, zoals recent ook weer blijkt uit het drama met het ROC Leiden?2
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit onderzoek te doen. Het voortgezet onderwijs heeft ervaring met declaratiebekostiging, waarbij de bekostiging van personeel sterk vanuit het Rijk werd geregisseerd. In goed overleg met de Tweede Kamer is bijna 20 jaar geleden gekozen voor een lumpsumsystematiek, waarmee scholen zelf keuzes kunnen maken over besteding van middelen. De overweging daarbij was dat onderwijs maatwerk vraagt en dat scholen in staat gesteld moesten worden om een eigen personeelsbeleid te voeren. Ook de hoge administratieve lasten speelden een rol. Het belang van maatwerk is in mijn ogen in deze tijd eerder groter, dan minder groot geworden. Datzelfde geldt voor de wens om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Wat mij betreft staat de lumpsumsystematiek dan ook niet ter discussie. Daarbij is, in tegenstelling tot het mbo, geen sprake van een volledige decentralisatie van de onderwijshuisvesting. Ik vind het echter wel belangrijk dat we met elkaar doorlopend bezien of met de gegeven middelen wel de optimale resultaten worden bereikt. Heldere prestatieafspraken, goede monitoring en transparantie is dan ook van groot belang. Ik heb u in dit kader toegezegd om, in aanvulling op de reeds afgesproken doelen zoals opgenomen in de begroting, nader onderzoek te doen naar de indicatoren die we hierin kunnen hanteren.
Hoe beoordeelt u de reactie van de VO-Raad, waarin staat dat scholen tegenwoordig meer gebruik maken van «ondersteunend personeel als lesassistenten, surveillanten en conciërges»? Begrijpt u dat dit precies de reden is waarom veel mensen zich zorgen maken over een dalende onderwijskwaliteit?3
Ik constateer dat de reactie van de VO-raad aansluit bij de mogelijke oorzaken die ook de Algemene Rekenkamer noemt in haar rapport naar de bekostiging van het voortgezet onderwijs. Dit kan ook ten goede komen aan de onderwijskwaliteit. Daarbij is het uiteraard wel van cruciaal belang dat de lessen gewoon gegeven worden door personeel dat daartoe bevoegd is en de inzet van het ondersteunend personeel dus, zoals de naam al zegt, ondersteunend is aan dit primaire proces.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te doen naar de resultaten van het BON-onderzoek? Zo ja, wanneer gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
De Algemene Rekenkamer heeft nog maar kort geleden een onafhankelijk onderzoek naar de bekostiging van het voortgezet onderwijs afgerond (Algemene Rekenkamer, Bekostiging voortgezet onderwijs, 2014, Kamerstuk 31 289, nr. 193). De komende periode onderzoekt de Algemene Rekenkamer ook nog de besteding (tabel 9.2 van de Begroting OCW 2015) van middelen voornamelijk in het kader van de bestuursakkoorden. Verder komt over het algemene beeld van de onderwijsarbeidsmarkt via de begrotings- en verantwoordingscyclus en de arbeidsmarktbrief jaarlijks bruikbare informatie beschikbaar. Een onafhankelijk onderzoek naar de resultaten van het BON-onderzoek heeft in mijn ogen geen toegevoegde waarde.
Heeft u al bij «de koepels» gevraagd hoeveel leraren werkelijk zijn aangenomen voor de 150 miljoen euro uit het Onderwijsakkoord, die bedoeld waren voor 3.000 extra leraren? Erkent u dat het vanwege de lumpsum op zijn minst onhandig was om met veel tamtam aan te kondigen dat er 3.000 extra leraren bij zouden komen?4
Met de Kamerbrief van 19 december 2014 over de toezegging inzake behoud banen jonge leraren door de 150 miljoen euro NOA-middelen naar aanleiding van het algemeen overleg lerarenbeleid d.d. 13 november 2014 (Kamerstuk 27 923, nr. 197) heb ik u geïnformeerd over de uitvraag die is gedaan bij de PO-Raad en de VO-raad. In de cao VO 2014/2015 is afgesproken dat de werkgevers uiterlijk 1 augustus 2015 de sociale partners informeren over het aantal jonge leraren dat behouden dan wel aangenomen is. De VO-raad heeft momenteel geen cijfers hierover beschikbaar. In het najaar rapporteert de VO-raad hierover. De PO-Raad heeft zich ook gecommitteerd aan de afspraken uit het NOA. Op basis van een geconstateerde afname van de groei van het aantal ww-rechten in het kalenderjaar 2014, spreekt de PO-Raad de verwachting uit dat schoolbesturen door de extra middelen, ondanks de leerlingdaling, meer leraren in dienst konden houden.
Hoeveel extra leraren zijn aangenomen met de 650 miljoen euro uit het Herfstakkoord?5
Zoals tijdens de begrotingsbehandeling en het AO over lerarenbeleid aan uw Kamer is gemeld, zijn geen uitspraken mogelijk over één specifieke maatregel waarbij geld is toegevoegd aan de lumpsum. Over het algemene beeld van de onderwijsarbeidsmarkt zal ik u informeren op de reguliere momenten, namelijk de begrotings- en verantwoordingscyclus en de arbeidsmarktbrief.
Hoe staat het eigenlijk met de «normen die borg moeten staan voor de menselijke maat in het onderwijs en voor minder overhead», zoals beloofd in het Regeerakkoord (p. 16)? Wanneer ontvangen de Kamer de voorstellen hiertoe?
Hiertoe is de Regeldrukagenda 2014–2017 (Kamerstuk 29 515, nr. 356) opgesteld. Deze is op 18 december 2014 met u gedeeld.
Erkent u dat u nauwelijks iets kunt vertellen over het aantal (extra) docenten op scholen, als gevolg van de lumpsumfinanciering? Wat onderneemt u om een groeiende ergernis over verkeerd besteed onderwijsgeld weg te nemen?
Ik kan u informeren over de aantallen docenten die werkzaam zijn in het onderwijs, inclusief het aantal docenten dat afgelopen jaar begonnen is. Ik kan aangeven hoe zich dat verhoudt tot voorgaande jaren. Ook volg ik bijvoorbeeld de leeftijdsopbouw van het lerarenkorps, de ontwikkeling van het aantal leerlingen per leraar (leerling-leraar ratio), de ontwikkelingen van het salaris van leraren en de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen. Kortom: veel informatie is wel beschikbaar. Daarmee bestaat een adequaat beeld van de ontwikkelingen in de sector. Het is niet mogelijk aan te geven welke euro precies waaraan is besteed en of scholen andere keuzes gemaakt hadden als ze dit geld niet ontvangen hadden. Dat is het gevolg van de keuze voor de lumpsumsystematiek die we met elkaar hebben gemaakt. Scholen moeten transparant laten zien wat zij doen, zodat de eigen medezeggenschapsraden en de inspectie goed hun controlerende taak uit kunnen voeren. Daarnaast vind ik het belangrijk om goed te monitoren of met de gegeven middelen optimale resultaten worden bereikt. Heldere prestatieafspraken en goede monitoring is dan ook van groot belang. Ik heb u in dit kader toegezegd om, in aanvulling op de reeds afgesproken doelen zoals opgenomen in de begroting, nader onderzoek te doen naar de indicatoren die we hierin kunnen hanteren.
De aanpak van gevaarlijke overwegen |
|
Duco Hoogland (PvdA), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Als je de trein ziet, heb je 10 seconden»?1
Ja
Hoeveel gevaarlijke, openbare of voor het publiek toegankelijke onbewaakte overwegen zijn er nog in Nederland, waarvan die op de Voslaan in Winsum er een is?
Van de in totaal ongeveer 2.500 overwegen in Nederland (reizigersnet en industriesporen) zijn er 612 niet-actief beveiligd. Daarvan liggen er 414 op het reizigersnet. Van deze niet-actief beveiligde overwegen op het reizigersnet zijn 154 overwegen openbaar of openbaar toegankelijk. Dat is inclusief reizigersoverpaden.
Bent u bereid een gradatie te maken van de gevaarlijkste, onbewaakte voor het publiek toegankelijke overwegen in Nederland en een overzicht hiervan vóór het Algemeen overleg Spoor op 26 maart 2015 aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan uw Kamer toegezegd tijdens het Algemeen Overleg Spoorveiligheid op 27 november jongstleden ontvangt u dit voorjaar een voorstel voor de integrale aanpak van niet-actief beveiligde overwegen (nabo’s). Een gradatie van de gevaarlijkste, onbewaakte voor het publiek toegankelijke overwegen zal deel uitmaken van dit voorstel. Aan de uitwerking van dat voorstel wordt op dit moment, in samenwerking tussen IenM en ProRail gewerkt. U ontvangt dit voorstel in mei -gecombineerd met de voortgangsbrief inzake het LVO- dat is na het AO dat op 19 maart plaatsvindt.
Klopt het dat er een onderzoek is gedaan naar alle onbewaakte, voor het publiek toegankelijke overwegen in de provincie Groningen? Bent u bereid de resultaten van dit onderzoek te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Winsum en ProRail hebben in samenspraak met de provincie Groningen onderzoek gedaan naar alle voor publiek toegankelijke overwegen in de gemeente Winsum. Het onderzoeksrapport «Verbetering overwegveiligheid gemeente Winsum» is op 17 februari jongstleden publiek gemaakt en dus ook voor u openbaar. Een onderzoek naar alle onbewaakte, voor het publiek toegankelijke, overwegen in de provincie Groningen is mij niet bekend.
Vanzelfsprekend worden de uitkomsten en aanbevelingen van het rapport gebruikt voor de uitwerking van de aan de Kamer toegezegde aanpak van niet-actief beveiligde overwegen. Het rapport is te vinden via de volgende link van de gemeente Winsum: http://www.winsum.nl/wonen_en_leven/verkeer_en_vervoer/verbetering_spoorwegovergangen
Is het mogelijk om de aanpak van de onbewaakte overweg op de Voslaan in Winsum, geheel of deels (samen de gemeente Winsum), te bekostigen uit het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen of uit het investeringsbudget dat Prorail jaarlijks tot zijn beschikking heeft (2015: 1,233 miljard euro)? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van de overweg aan de Voslaan in Winsum betrek ik bij de integrale aanpak van niet actief beveiligde overwegen (Nabo’s). Daarbij zal ik een prioritering aangeven voor de meest urgente overwegen.
Voor de aanpak reserveer ik € 10 mln. uit het LVO, waarmee een deel van de beschikbare Rijksmiddelen voor overwegen van € 200 mln. voor dit doel wordt ingezet. Uitgangspunt daarbij is cofinanciering van de voorgestelde maatregelen door de regio, rekening houdend met beperkte financiële kaders bij zowel IenM als de regio.
De aanpak gaat in op een zorgvuldige werkwijze bij de besluitvorming over overwegen. Dit speelt in het bijzonder bij het afwegen van de belangen van het vermijden van dodelijke slachtoffers, versus de belangen van (recreatieve) belanghebbenden wanneer er sprake is van een ingrijpende maatregel zoals het opheffen van een overweg. Ook wordt in de aanpak aangegeven hoe wordt omgegaan met de CROW richtlijn om de barrièrewerking van spoorlijnen te beperken.
Er wordt nu een opzet uitgewerkt gebaseerd op twee actielijnen:
Bent u bereid na te denken met Prorail over de aanpak van de gevaarlijke, onbewaakte voor het publiek toegankelijke overwegen, en de uitkomsten hiervan terug te koppelen aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op dit moment wordt met ProRail overlegd over de uitwerking van een aanpak voor niet-actief beveiligde overwegen. De Kamer wordt daarover in mei geïnformeerd.
Heeft u al gekeken naar nieuwe innovatieve oplossingen voor het bewaken van onbeveiligde overwegen? Zo nee, waarom niet? Wanneer kan de Kamer uw bevindingen hierover tegemoet zien?
Aan ProRail is expliciet gevraagd een verkenning van innovatieve maatregelen uit te voeren. Het meenemen van nieuwe, innovatieve oplossingen bij de aanpak van nabo’s maakt onderdeel uit van de aanpak van nabo’s die op dit moment wordt uitgewerkt. Conform toezegging wordt deze in het voorjaar van 2015 aan de Kamer toegezonden.
De bereikbaarheid van reisinformatiediensten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Opstelten (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «9292 machteloos tegen cyberaanvallen»1 en herinnert u zich de motie-Dik-Faber over het beschikbaar stellen van de brondata van reisinformatie, vervoerprestaties en tarieven als open data?2
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) geen actie heeft ondernomen na een verzoek hiertoe van 9292 in verband met de zware distributed denial of service (DDoS)-aanvallen? Is er door REISinformatiegroep B.V. aangifte gedaan van deze aanvallen?
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) richt zich bij het uitvoeren van haar taken, conform de Kamerbrief d.d. 23 december 2011, op de doelgroep van rijksoverheid en de vitale sectoren en hanteert hierbij de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 2009 vastgestelde lijst van vitale sectoren. Aanbieders van reisinformatie zijn geen onderdeel van de vastgestelde lijst van vitale sectoren. Ongeacht of een private partij al dan niet tot de vitale sectoren behoort, betreft informatiebeveiliging een eigen verantwoordelijkheid. Ook in het geval waarbij het NCSC geen rechtstreekse ondersteuning verleent, zoals dat wel gebeurt ten behoeve van de vitale sectoren, wordt de kennis van het NCSC via de website www.ncsc.nl ontsloten. Op deze website kunnen ook aanbieders van niet vitale producten of diensten gericht handelingsperspectief vinden over de wijze waarop binnen de eigen verantwoordelijkheid de digitale weerbaarheid, waaronder tegen DDoS-aanvallen, kan worden vergroot. OV9292 heeft in haar schrijven aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aangegeven aangifte te hebben gedaan van deze aanvallen.
Heeft u ooit een exploitant van een reisinformatiesysteem aangewezen (conform artikel 14 van de Wet personenvervoer 2000)? Zo nee, waarom stelt 9292 dat zij hiertoe een wettelijke plicht heeft?
OV9292 heeft geen wettelijke plicht tot informatievoorziening aan de reiziger. De Staatssecretaris heeft (nog) geen gebruik gemaakt van een aanwijzing als bedoeld in artikel 14, tweede lid, Bp 2000. Omdat een landelijk dekkend systeem in werking is, ontbreekt de noodzaak daarvoor.
Deelt u de mening dat er situaties kunnen zijn waarin het wel wenselijk is dat door NCSC actieve hulp wordt verleend op het gebied van cyber security aan niet-overheidsinstanties, omdat er sprake is van vitale diensten zoals bijvoorbeeld banken, ziekenhuizen en reisinformatie? Kunt u onderbouwen waarom er in dit geval geen noodzaak is voor deze hulp?
Het NCSC verleent zowel ondersteuning aan publieke als private partijen. Daarbij dient een onderscheid gemaakt te worden naar vitale partijen, zoals bijvoorbeeld banken en andere als vitaal aangewezen sectoren, en niet vitale partijen. Voor deze partijen die niet als vitaal aan te merken vallen, is desalniettemin handelingsperspectief beschikbaar via de website www.ncsc.nl. Binnen de thans uitgevoerde herijking van de vitale sectoren wordt gekeken naar de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat op het moment dat producten en diensten niet beschikbaar zijn. In het geval van het niet beschikbaar hebben van reisinformatie is weliswaar sprake van ongewenste overlast, het leidt echter niet tot uitval van het openbaar vervoer. Overigens laat dit onverlet dat aanbieders van reisinformatie een eigen verantwoordelijkheid kennen voor informatiebeveiliging.
Kunt u aangeven welke vervoerders momenteel hun informatie exclusief aanleveren via het Nationale Databank Openbaar Vervoer (NDOV)-loket van 9292 (uitgevoerd door REISinformatiegroep B.V.) en dus niet rechtstreeks aan het NDOV-loket van OpenGeo? Deelt u de mening dat hierdoor het NDOV-loket van OpenGeo voor de levering van data afhankelijk is gemaakt van het NDOV-loket van 9292 waardoor een enkele DDoS-aanval op REISinformatiegroep B.V. alle reisinformatiediensten – inclusief concurrenten van 9292 – kan platleggen?
Overheden en vervoerders hebben afspraken gemaakt om reisinformatie aan twee loketten (reisinformatiegroep BV en Stichting OpenGeo) te leveren. Connexxion, Arriva, GVB en EBS leveren de data rechtstreeks aan de beide loketten. De andere vervoerders laten de gegevens leveren door het servicecenter van OV9292. Een DdoS-aanval kan tot gevolg hebben dat reisinformatie in een beperktere mate aan marktpartijen geleverd wordt. Zoals ook eerder aangegeven in reactie op vragen van het lid Dik-Faber3 staat voorop dat de reizigers kunnen beschikken over goede reisinformatie. Daarom spreken de overheden hun vervoerder erop aan als data niet worden geleverd aan een loket. Het is vervolgens zaak dat vervoerders dit snel oplossen.
Bent u bereid in het Nationaal Openbaar Vervoerberaad (NOVB) afspraken te maken waardoor zo spoedig mogelijk alle vervoerders hun data rechtstreeks leveren aan beide NDOV-loketten zodat de reisinformatiediensten minder kwetsbaar zijn voor DDoS-aanvallen of andere storingen bij REISinformatiegroep B.V. omdat ze ook terecht kunnen bij het NDOV-loket van OpenGeo?
Dit onderwerp zal overeenkomstig het werkplan 2015 van het NDOV worden besproken met vervoerders, overheden en loketten.
Vanaf wanneer leveren alle vervoerders aan beide NDOV’s alle brondata van reisinformatie, vervoerprestaties en tarieven als open data zoals gevraagd in de motie-Dik-Faber?
Alle vervoerders leveren op dit moment de gevraagde reisinformatie op basis van de afspraken die in het kader van NDOV gemaakt zijn. Er is een ontwikkeling in gang gezet om de reisinformatie beschikbaar te stellen als «open data». Dit is in lijn met de wensen van de motie van het lid Dik-Faber. Om «open data» mogelijk te maken is een gezamenlijke aanpak nodig met alle vervoerders en alle overheden. Hierover vindt overleg plaats in het kader van het NDOV waar vervoerders / overheden / loketten met elkaar aan tafel zitten.
Het verbeteren van de mogelijkheden voor zzp'ers om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat slechts 36 procent van de zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid1, dat de mogelijkheid tot een vrijwillige verzekering bij het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen) slechts bij 12 procent van de zzp'ers bekend is2, en dat in totaal slechts ruim 18.000 mensen gebruik maken van de mogelijkheid tot vrijwillig verzekeren bij het UWV?3
Ja.
Op welke wijze brengt het UWV de mogelijkheid tot een vrijwillige Ziektewet- en WIA-verzekering onder de aandacht van zzp'ers? Welke maatregelen wilt u nemen om de bekendheid van de vrijwillige verzekering te vergroten?
Het UWV heeft langs verschillende lijnen de informatievoorziening over de vrijwillige verzekering verbeterd.
Allereerst brengt het UWV de vrijwillige verzekering prominenter onder de aandacht in de gesprekken die het WERKbedrijf voert met personen die als zelfstandige starten vanuit een uitkering die zij ontvangen van het UWV, bijvoorbeeld een WW-uitkering. Voorts is de vindplaats van de vrijwillige verzekering op de internetsites van het UWV verbeterd. De verbetering van de vindbaarheid is een continu lopend proces, dat het UWV continu monitort.
Tot slot zijn er bij het KCC (klant contact centrum) van het UWV verbeteringen doorgevoerd, waardoor de medewerker, bij binnenkomende vragen die direct of indirect gerelateerd (kunnen) zijn aan de vrijwillige verzekering, een signaal krijgt om de vrijwillige verzekering onder de aandacht te brengen.
Deze verbeteringen heeft het UWV recent doorgevoerd. Daarom ben ik niet van plan om nu aanvullende maatregelen te nemen om de bekendheid van de vrijwillige verzekering verder te vergroten.
Waarom is de vrijwillige verzekering bij het UWV alleen toegankelijk voor mensen die eerder in loondienst hebben gewerkt en verplicht verzekerd waren?
De vrijwillige verzekeringen tegen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsrisico, op grond van de Ziektewet (ZW) respectievelijk de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), zijn in het leven geroepen om werknemers, die verplicht verzekerd zijn geweest, de gelegenheid te bieden hun verzekering op vrijwillige basis voort te zetten, wanneer hun verplichte verzekering (tijdelijk) eindigt. Omdat er sprake is van het voortzetten van een eerder geëindigde verzekering, wordt deze gelegenheid alleen geboden aan ex-werknemers (zoals mensen die in loondienst hebben gewerkt of die een uitkering van het UWV hebben ontvangen), die voorheen verzekerd waren.
Vrijwillige verzekering is mogelijk als de ex-werknemer als zelfstandige een onderneming start, als hij zijn werk in loondienst voor korte tijd onderbreekt (bijvoorbeeld omdat hij onbetaald verlof opneemt) of als hij in het buitenland gaat werken.
Waarom moeten zzp'ers zich aanmelden voor een vrijwillige verzekering binnen 13 weken nadat de verplichte werknemersverzekering is gestopt?
Als de ex-werknemer zijn verplichte verzekering op vrijwillige basis wil voortzetten, dan moet hij zich hiervoor aanmelden bij het UWV binnen 13 weken nadat zijn verplichte verzekering is geëindigd. Reden voor deze termijn is dat er – zoals hiervoor toegelicht – geen sprake is van een nieuwe verzekering, maar dat sprake is van voortzetting van een al bestaande verzekering.
Voorheen bedroeg de aanmeldtermijn vier weken. Omdat deze termijn destijds als te krap werd ervaren, is deze termijn in 2008 verruimd naar 13 weken. Dat is geregeld in de Wet Zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen, die per 4 juni 2008 in werking is getreden. De gedachte is dat bij een termijn van 13 weken aan potentiële deelnemers aan de vrijwillige verzekering een redelijke termijn wordt geboden om na het starten van hun onderneming een afweging te maken of zij gebruik willen maken van de mogelijkheid om hun verzekering voort te zetten.
Bij verdere verlenging van de aanmeldtermijn en bij het openstellen van deze verzekering voor personen die niet in loondienst hebben gewerkt, bestaat het risico van negatieve selectie, doordat vooral ook zzp’ers die dreigen ziek of arbeidsongeschikt te worden, zich aanmelden voor de vrijwillige verzekering.
Bij de vrijwillige ZW-verzekering kan risicoselectie leiden tot een stijging van de premie. Dit zet de toegankelijkheid van de verzekering onder druk. Bij de vrijwillige WIA-verzekering kan risicoselectie ertoe leiden dat de bijdrage door werknemers aan deze verzekering voor zelfstandigen stijgt. Bij een uitbreiding van de doelgroep en het verlengen van de aanmeldtermijn wordt bovendien het karakter van de vrijwillige verzekering aangetast. Immers, hoe langer de onderbreking, des te minder valt deze verzekering als een «voortzetting» van de verplichte verzekering te beschouwen. De regels die gelden voor de vrijwillige verzekering, waaronder de aanmeldtermijn en de doelgroep, zijn geregeld in de ZW (in de artikelen 64 en volgende, in hoofdstuk IV, van de ZW) en in de Wet WIA (in de artikelen 18 en volgende, in hoofdstuk 2, van de Wet WIA).
In het IBO (interdepartementaal beleidsonderzoek) ZZP laat het kabinet onderzoek5 doen naar de oorzaken van de opkomst van zzp’ers, de gevolgen ervan en de mogelijke beleidsopties. Daarbij wordt ook de positie van zelfstandigen binnen de sociale zekerheid en hun verzekering tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico meegenomen. Het ligt voor de hand dat daarbij verschillende relevante beleidsopties met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidsrisico aan bod zullen komen. Het kabinet zal het IBO naar verwachting voor de zomer aanbieden aan de Tweede Kamer.
In welke regelgeving zijn deze beperkingen vastgelegd?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zzp'ers die zich willen verzekeren bij UWV hiervan afzien, omdat zij de aanmeldtermijn overschrijden of niet eerder in loondienst hebben gewerkt?4
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de aanmeldtermijn voor de vrijwillige Ziektewet- en WIA-verzekering te verlengen en om deze verzekeringen ook open te stellen voor mensen die niet in loondienst hebben gewerkt?
Zie antwoord vraag 4.
Gaswinningsplannen op Terschelling, Schiermonnikoog en bij Oppenhuizen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Terschelling: machteloos tegen plannen gaswinning», «Schrik in Oppenhuizen om gaswinplannen Vermilion» en «Pleidooi voor stop gaswinning Wad»?1 2 3
Ja.
Kunt u schetsen sinds wanneer deze mogelijke locaties voor gaswinning in beeld zijn gekomen en wat de stand van zaken in het besluitvormingsproces is?
Ten aanzien van de door Tulip Oil voorgenomen gaswinning op of nabij Terschelling is de stand van zaken dat Tulip Oil thans in het bezit is van een opsporingsvergunning op basis van de Mijnbouwwet. Tulip Oil heeft op 11 november 2014 een winningsvergunning op basis van de Mijnbouwwet aangevraagd bij mijn ministerie, waarop op 27 januari 2015 nog een addendum is ingediend. Naar verwachting kan ik medio dit jaar besluiten over deze aanvraag. Mocht dit besluit positief uitvallen voor Tulip Oil, dan dient daarna nog besluitvorming plaats te vinden over alle voor het project noodzakelijke ruimtelijke besluiten (inclusief een bestemmingsplanwijziging en een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998). Dit zal dan gebeuren onder toepassing van de rijkscoördinatieregeling (hierna: RCR), waarbij ik – naast de rol van bevoegd gezag die ik tezamen met de Minister van Infrastructuur en Milieu vervul ten aanzien van het op te stellen inpassingsplan voor de locatie-alternatieven op het eiland – de rol van coördinerend bevoegd gezag vervul.
Ten aanzien van de door Vermilion voorgenomen gaswinning bij Oppenhuizen is de situatie dat in Oppenhuizen een bestaande mijnbouwlocatie ligt. Hier vandaan is in 1972 het aardgasvoorkomen «Oppenhuizen» aangetoond. Vermilion is in het bezit van de winningsvergunning op basis van de Mijnbouwwet. De besluitvorming over alle voor het project noodzakelijke ruimtelijke besluiten dient nog gestart te worden. Het project omvat onder andere het bouwen van een installatie voor het produceren van het aardgas en de aanleg van een leiding om het geproduceerde gas te kunnen transporteren naar een gasbehandelingsstation in de gemeente Franekeradeel. Voor het aanleggen van deze gastransportleiding is een bestemmingsplanwijziging nodig. Besluitvorming zal ook hier gebeuren onder toepassing van de RCR.
De door GDF SUEZ voorgenomen proefboring(en) ten noorden van Schiermonnikoog betreft een RCR-project dat loopt vanaf voorjaar 2013 (toen is de startnotitie ter inzage gelegd). Eind 2014 zijn de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Momenteel worden de daarop ingediende zienswijzen verwerkt en de definitieve besluiten opgesteld. Deze zullen naar verwachting in april/mei 2015 genomen worden. Daartegen is nog beroep mogelijk bij de Raad van State.
Deelt u de mening dat het onvoorstelbaar is dat naar gas geboord wordt in een kwetsbaar natuurgebied dat bovendien op de UNESCO Werelderfgoedlijst staat? Bent u bereid een moratorium in te stellen op nieuwe delfstoffenwinning onder de Waddenzee?
De effecten op de Natura2000-gebieden dienen te worden getoetst op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Als significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient door de initiatiefnemer een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag, de Staatssecretaris van Economische Zaken, beoordeelt de vergunningaanvraag en het onderliggende onderzoek en besluit vervolgens of de vergunning, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kan worden verleend. De Waddenzee is op de Werelderfgoedlijst (UNESCO) geplaatst en voldoet aan de gestelde voorwaarden van adequate bescherming voor dit gebied op basis van de vigerende wet- en regelgeving en de planologische kernbeslissing Derde Nota Waddenzee. Daarmee zijn boringen in het Werelderfgoedgebied zelf niet toegestaan. Dat is hier echter ook niet aan de orde. Het Werelderfgoed is geografisch beperkt tot het gebied waarop de planologische kernbeslissing Derde Nota Waddenzee betrekking heeft. Het eiland Terschelling en de Noordzeekustzone vallen daarbuiten.
Overigens werken de Minister van IenM en ik samen aan de Structuurvisie Ondergrond. Deze zal na vaststelling, naar verwachting in 2016, een breder ruimtelijk afwegingskader bieden voor de vergunningverlening op basis van de Mijnbouwwet. De Waddeneilanden vallen binnen de werkingssfeer van de Structuurvisie Ondergrond.
Gezien de zorgvuldige toetsing die plaatsvindt op basis van de vigerende wet- en regelgeving en binnen de gestelde randvoorwaarden voor nieuwe opsporing en winning van diepe delfstoffen in de planologische kernbeslissing Derde Nota Waddenzee, zie ik geen noodzaak voor een moratorium voor nieuwe delfstoffenwinning onder de Waddenzee.
Wordt in Friesland onderzoek gedaan naar andere nieuwe potentiële locaties voor gaswinning op het land of onder het wad? Zo ja, welke bedrijven zijn daarbij betrokken en wat is de stand van zaken?
Mijnbouwondernemingen zijn binnen hun vergunningen continu op zoek naar nieuwe potentiële gasvoorraden, wat kan betekenen dat ook nieuwe locaties aan de orde komen. Dit zoeken naar nieuwe gasvoorraden gebeurt ook in Friesland en het gebied rondom de Waddenzee, met name door NAM en Vermilion. Als een mijnbouwonderneming een nieuwe oppervlakte locatie op het oog heeft voor een proefboring, moet zij daar een omgevingsvergunning voor aanvragen bij de desbetreffende gemeente. De gemeenten zijn dus als eerste formeel betrokken bij het tot stand komen van een locatie voor een proefboring.
Hoe verhoudt uw besluit om de komende maanden minder gas in Groningen te winnen zich tot de nieuwe winningslocaties in Friesland? Deelt u de mening dat verminderde gaswinning in Groningen niet mag worden afgewenteld op andere gebieden?
De verminderde gaswinning door NAM uit het Groningenveld staat volledig los van de activiteiten die andere mijnbouwondernemingen ontplooien in Friesland op basis van het «kleine velden»-beleid. Bij de beoordeling van elk afzonderlijk opsporings- of gaswinningsproject worden alle vereiste zorgvuldigheden betracht. Van afwenteling van de verminderde gaswinning in Groningen op andere gebieden is geen enkele sprake.
Klopt het dat de provincie Fryslân en de gemeente Terschelling vrijwel geen mogelijkheden hebben om het boren naar gas tegen te houden? Zo ja, hoe staat dit in verhouding tot de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat optimale opbrengsten en leveringszekerheid bij gaswinning voorop stonden, dat nauwelijks ruimte was voor tegengeluid en dat andere ministeries of lokale overheden niet of nauwelijks zijn betrokken bij de besluitvorming?4
Nee, dit klopt niet. Decentrale overheden hebben op verschillende momenten formele mogelijkheden om te reageren tijdens de geldende besluitvormingsprocedures. Het College van gedeputeerde staten van de provincie Friesland adviseert mij inzake de door Tulip Oil ingediende winningsvergunningaanvraag op basis van de Mijnbouwwet. De gemeente Terschelling heeft met betrekking tot de winningsvergunningaanvraag geen zelfstandige adviesfunctie, maar haar opmerkingen kunnen meegenomen worden in het advies van de provincie.
Zodra de RCR-procedure, waarin de ruimtelijke besluiten aan de orde komen, formeel start, kunnen de gemeente en provincie een zienswijze geven op de conceptnotitie Reikwijdte en detail in het kader van de milieueffectrapportage.
Na ontvangst van een aanvraag en een passende beoordeling zal de provincie en de gemeente om een zienswijze worden gevraagd op grond van artikel 44, derde lid, Natuurbeschermingswet 1998. Nadat een eventueel ontwerpbesluit op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 bekend wordt gemaakt, kan de gemeente daar een zienswijze op indienen.
In het kader van de omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van de productie-installatie hebben de provincie en de gemeente wettelijk adviesrecht op grond van artikel 6.1 van het Besluit omgevingsrecht. Ik kan enkel gemotiveerd van het gegeven advies afwijken. Nadat een eventueel ontwerpbesluit op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bekend wordt gemaakt, kunnen de gemeente en de provincie daar ook een zienswijze op indienen.
In het kader van de Structuurvisie Ondergrond vindt ook nog een wijziging plaats van de Mijnbouwwet. Dit om de uitkomsten van deze structuurvisie te kunnen laten doorwerken in de besluitvorming over opsporings- of winningsvergunningen op basis van de Mijnbouwwet. In dat verband ontstaan op termijn meer mogelijkheden voor het betrekken van het advies van provincies.
Op welke manier gaat u opvolging geven aan de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid bij het besluitvormingsproces voor de locaties Terschelling en Oppenhuizen? Op welke manier wordt het burgerperspectief meegenomen in de besluitvorming? Op welke manier versterkt u de positie van de provincie en gemeenten in het besluitvormingsproces?
In mijn reactie op het OVV-rapport ga ik in op de wijze waarop de aanbevelingen vorm zullen krijgen in het besluitvormingsproces en welke rol de provincie en gemeenten hierin spelen.
Mochten de projecten Terschelling en Oppenhuizen worden gerealiseerd dan zullen ze onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) vallen. Voor RCR-projecten is, door toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht, het meenemen van het burgerperspectief in de besluitvorming geborgd. Met de provincie en de betrokken gemeenten wordt in deze RCR-projecten, voorafgaand aan belangrijke mijlpalen in de procedure, steeds afgestemd in het RCR-regio-overleg. Daarnaast kunnen provincie en gemeenten ook bevoegd gezag zijn voor bepaalde benodigde besluiten.
Deelt u de mening dat Nederland nu moet inzetten op energiebesparing en energietransitie en dat het aanboren van nieuwe winningslocaties voor gas de verkeerde focus is?
Met het Energieakkoord zet het kabinet vol in op energiebesparing en hernieuwbare energie. De komende decennia zullen fossiele brandstoffen echter ook nodig blijven. Het belang van gas(winning) voor de Nederlandse energievoorziening in relatie tot andere bronnen van energie, evenals de aan de orde zijnde energietransitie (van fossiel naar duurzaam), is uiteengezet in het Energierapport 2011. Zoals uiteengezet in mijn brief van 7 oktober 2014 over het aardgasbeleid (Kamerstuk 29 023, nr. 176) werk ik aan een nieuw Energierapport 2015. Dat zal naar verwachting eind dit jaar gereed zijn.
Het eigen vermogen van Air France – KLM |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u zich het debat op 28 januari 2015 herinneren over de situatie bij KLM, waarin u aangaf niet meteen op cijfers over de ontwikkeling van het eigen vermogen van KLM te kunnen reageren maar dat u hier in overleg met de Minister van Financiën op terug zou komen?
Ja.
Bent u inmiddels in staat om te reageren op het verloop van het eigen vermogen van de holding Air France–KLM vanaf 2011 tot heden? Zo ja, wat is uw reactie? Zo nee, waarom niet?
Ja, de onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het eigen vermogen van Air France KLM weer. De daling van het eigen vermogen wordt verklaard door drie factoren: aanhoudende verliezen van Air France KLM, verliezen op de pensioenverplichting als gevolg van dalende rente, en een eenmalige afwaardering als gevolg van verandering in de boekhoudregels (aanpassing aan de zgn. IAS 19 standaard).
Eigen vermogen Air France KLM in mln. euro’s
2011
2012
2012*
2013
2014
6.040
4.980
3.637
2.293
-632
* Door een verandering in de boekhoudregels moest Air France KLM € 1.335 mln. afschrijven op het eigen vermogen. Daarom is voor 2012 het eigen vermogen volgens zowel de oude als de nieuwe (2012*) methode weergegeven.
Het negatieve vermogen is voor een aanzienlijk deel ontstaan door boekhoudkundige correcties. Waar het om gaat is of het bedrijf op de (middel-) lange termijn aan zijn verplichtingen kan voldoen. Daarom kijken financiers naar de kasstromen van het bedrijf. Hier kijken financiers naar om te bepalen of een partij in staat is om leningen terug te betalen. De cash flows van Air France KLM verbeterden juist, van € 353 mln. in 2011 naar € 879 mln. in 2014. Air France KLM geeft dan ook aan geen problemen te hebben met het aantrekken van financiering. In het jaarverslag rapporteert Air France KLM dat het voldoet aan de met de banken afgesproken criteria. Dit laat onverlet dat Air France KLM voor de uitdaging staat om tot structurele verbetering van de resultaten te komen en daartoe voortvarend aan de slag dient te gaan met de implementatie van het strategisch plan Perform 2020, zoals ook in mijn brief aan de Kamer van 19 februari jl. (met kenmerk IENM/BSK/2015/38958) is aangegeven.
Wat is uw reactie op de meest recente jaarcijfers van KLM en van de holding Air France–KLM?
Voor mijn reactie op deze jaarcijfers verwijs ik naar mijn brief aan de Kamer van 19 februari.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Fransen willen KLM nu slopen»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ik heb kennisgenomen van het genoemd artikel uit de Telegraaf, dat is gebaseerd op anonieme bronnen. De directie van Air France KLM heeft op 15 februari jl. afstand genomen van dit bericht.
Zoals in mijn eerdere brieven is vermeld, is het van belang dat Air France en KLM in goed samenwerking binnen de groep Air France KLM de verdere noodzakelijke stappen naar structureel herstel zetten. Daarbij is het zaak dat KLM binnen de groep een voldoende autonome positie houdt.
Wat betreft een mogelijke rol van de premier kan worden opgemerkt dat ik, als bewindspersoon verantwoordelijk voor het luchtvaartdossier, contact onderhoud met KLM, Air France KLM en de Franse overheid en daarbij spreek namens het kabinet. Waar relevant wordt nauw samengewerkt met andere bewindspersonen.
Zoals eerder gemeld worden de ontwikkelingen op de voet gevolgd en is er veelvuldig contact met de besturen van Air France KLM, KLM en de Franse overheid. Zo spreek ik binnenkort samen met de Franse Staatssecretaris van Transport, de heer Vidalies, met de heer De Juniac, de CEO van Air France KLM en de heer Elbers, de CEO van KLM. De Kamer ontvangt daarvan verslag, zoals in het ordedebat van 24 februari 2015 is gevraagd.
In hoeverre acht u de kans reëel dat de Fransen binnenkort een «coup» plegen op de zelfstandigheid van KLM? Wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden (al dan niet juridisch) zijn er om een dergelijke actie te voorkomen? Zie u hier ook een rol weggelegd voor de premier? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen we hier actie verwachten van de premier?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen wat u nog allemaal (al dan niet juridisch) kunt doen? Wat gaat u concreet doen?
Zie antwoord vraag 4.
De gaswinningsplannen op en rond Terschelling |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Tulip Oil naar aardgas wil gaan boren op en rond Terschelling?1
Ja.
Klopt het dat er grote hoeveelheden CO2 zullen vrijkomen in het begin van het project omdat ze nog niet teruggepompt kunnen worden? Zo ja, kunt u een indicatie van de hoeveelheid en de mogelijkheid om hier iets aan te doen?
Het gas in het voorkomen Terschelling-Noord bestaat voor circa 14% uit CO2.
Dit geldt niet alleen in het begin van het project, maar gedurende de gehele winningsperiode. De hoeveelheid CO2 hangt samen met de hoeveelheid gas die gewonnen kan worden; deze wordt op basis van de winningsvergunningaanvraag van Tulip Oil thans geverifieerd door mijn adviseurs TNO en Energiebeheer Nederland. Ik wacht eerst deze adviezen af, alvorens ik kan ingaan op concrete hoeveelheden gas (of CO2).
Of het meegeproduceerde CO2 kan worden teruggepompt in de ondergrond, is op dit moment ook nog onduidelijk. Na verlening van de winningsvergunning zullen in de milieueffectrapportage meerdere varianten worden onderzocht voor de ontwikkeling van het veld, inclusief de gasbehandeling en de eindbestemming van het afgescheiden CO2. Dan zal ook worden beoordeeld of het CO2 aanvullende risico’s met zich meebrengt en welke maatregelen genomen zullen worden om die eventuele risico’s te beperken.
Welke risico’s brengt het terugpompen van CO2 met zich mee, zowel op milieuvlak als op veiligheidsgebied?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of er risico’s zijn voor de zoetwatervoorraad die Terschelling herbergt? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Na verlening van de winningsvergunning zullen in het MER-traject meerdere varianten worden onderzocht. Daarbij zal er ook nadrukkelijk aandacht zijn voor een eventueel effect van de gaswinning op de zoetwatervoorraad van Terschelling. Er zal worden beoordeeld of de gaswinning risico’s met zich meebrengt voor deze zoetwatervoorraad, en zo ja, welke maatregelen genomen kunnen worden om die risico’s te beperken. Ook eventuele bij de winning gebruikte stoffen die schadelijk zijn voor het milieu, zullen in dit MER-traject – ook in relatie tot de eerdergenoemde zoetwatervoorraad – worden beoordeeld.
Wordt er bij de mogelijke winning gebruikt gemaakt van stoffen die schadelijk zijn voor het milieu? Zo ja welke en hebben deze ook risico’s voor de zoetwatervoorraad?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt bij projecten zoals deze het nationale belang van gaswinning afgewogen tegen bescherming van bijzondere natuur en zoetwatervoorraden?
In de milieueffectrapportage die onderdeel uitmaakt van de besluitvormingsprocedure voor deze gaswinningsprojecten, wordt beoordeeld of de effecten van het gaswinningsproject verenigbaar zijn met onder andere de te beschermen natuurwaarden en de zoetwatervoorraden. Diverse wetten en regels bieden hiervoor het beoordelingskader. Een gaswinningsproject vindt, eventueel onder het stellen van voorschriften en beperkingen, slechts doorgang als de hiervoor noodzakelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Mocht Tulip Oil de aangevraagde winningsvergunning verkrijgen, dan dient daarna nog besluitvorming plaats te vinden over alle voor het project noodzakelijke besluiten (inclusief een inpassingsplan en een vergunning op basis van de
Natuurbeschermingswet 1998). Dit zal dan gebeuren onder toepassing van de rijkscoördinatieregeling. Ik vervul daarbij – naast de rol van bevoegd gezag die ik tezamen met de Minister van Infrastructuur en Milieu vervul ten aanzien van het op te stellen inpassingsplan voor de locatie-alternatieven op het eiland – de rol van coördinerend bevoegd gezag en zie er daarbij op toe dat in de besluitvorming zorgvuldig wordt omgegaan met de diverse te beschermen belangen.
Het Megabenefiet-gala "Het is nu of nooit" in Utrecht |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Megabenefiet-gala «Het is nu of nooit» in Utrecht op 1 maart 2015?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Sheikh Assim Al-Hakeem daar spreekt?
Het evenement in Utrecht heeft op zondag 1 maart jongstleden plaatsgevonden. De heer Al-Hakeem is voor zover bekend niet op dit evenement aanwezig geweest.
Hoe beoordeelt u zijn uitspraken dat er een jihad is in Syrie, waarmee hij legitimeert dat jongeren afreizen naar Syrie voor een gewapende strijd?1
De boodschap van de heer Al-Hakeem in 2013 ligt in lijn met wat er destijds binnen het (internationale) soennitische geestelijke establishment in het algemeen werd gesteld: dat er sprake is van een legitieme (strijd) jihad in Syrië. De soennitische geestelijken reageerden daarmee op de openlijke bemoeienis van de sji’itische Hezbollah bij de strijd in Syrië. Over de exacte invulling van de «jihad» in Syrië binnen het soennitische establishment is echter geen consensus bereikt.
Welke mensen hebben reeds een visum gekregen voor dit benefiet gala en is er voldoende screening geweest vooraf of vindt die nog achteraf plaats?
Voor zover bekend, zijn geen visa aangevraagd voor het specifieke doel van bijwoning van het benefiet-gala «Het is nu of nooit» in Utrecht. Dat laat onverlet dat vreemdelingen die over een geldig visum beschikken dat voor een ander doel is aangevraagd, het gala zouden kunnen bijwonen. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland is geen visum aangevraagd op naam van de in de aankondigingen genoemde prediker (Sheikh) Assim Al-Hakeem.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Bange agenten die terreurverdachten met een meldplicht weren uit politiebureaus uit angst voor aanslagen. |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Bange agenten houden politiebureau op slot»?1
Ja.
Klopt het dat terreurverdachten met een meldplicht zich via de intercom moeten melden omdat de politie na de aanslagen in Parijs ook bang is doelwit te worden?
Voor zover kon worden nagegaan is een dergelijke afspraak, om zich via de intercom te melden, slechts op één politiebureau gemaakt ten aanzien van één persoon met een meldplicht. Er is geen sprake van een algemeen beleid bij de politie om tot een categorisering te komen van personen met een meldplicht met daaraan gekoppelde nadere regels. Personen die zich moeten melden doen dat gewoon in het bureau.
Klopt het dat de politie de verdachten heeft ingedeeld in categorieën? Klopt het voorts dat degene die als gevaarlijk wordt beschouwd het bureau niet meer in komt en dat verdachten in een tussencategorie eerst gefouilleerd worden?
Zie antwoord vraag 2.
Als de politie bepaalde personen dusdanig gevaarlijk acht, wat doen deze verdachten dan überhaupt buiten de gevangenis?
Bij de beoordeling of verdachten van (terroristische) misdrijven hun berechting in vrijheid, al dan niet met beperkende voorwaarden zoals een meldplicht, of in hechtenis moeten afwachten betrekt de rechter onder andere de dreiging die betrokkene vormt voor zijn omgeving. Zoals uiteengezet in antwoord op vragen 2 en 3 is het geen beleid dat de politie in het kader van de uitvoering van de meldplicht nog een eigen beoordeling maakt van de dreiging die verdachten vormen.
Deelt u de mening dat de bange politie deze terreurverdachten kan weren, maar de bange samenleving dat niet kan en dat de rechter dat niet doet namens hen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u, nu nota bene de politie bang is en deze verdachten als een gevaar beschouwt, eindelijk bereid administratieve detentie in te voeren en het belang van een veilige samenleving boven dat van terreurverdachten te stellen? Zo nee, waarom niet?
In de voorgaande antwoorden heb ik toegelicht dat het slechts om één geval gaat. Dit vormt voor mij dan ook geen aanleiding om het standpunt van mijn ambtsvoorganger over administratieve detentie en het beleid ten aanzien van jihadgangers te herzien.
Deelt u de mening dat Nederland deze gasten vooral moet laten gaan om er vervolgens voor te zorgen dat zij nooit meer een voet op Nederlandse bodem zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De langetermijneffecten van Q-koorts |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom bij elke dierziekte-uitbraak die schade op kan leveren voor ondernemers in de vee-industrie, waaronder bijvoorbeeld de recente uitbraak van de vogelgriep, ondernemers wel een claim kunnen indienen tot schadevergoeding of financiële compensatie, terwijl burgers die ziek worden als gevolg van een dierziekte-uitbraak dit niet kunnen?1 Deelt u de mening dat bij het uitbreken van dierziekten, als sprake is van huisvesting waarbij een groot aantal dieren in een stal leven, er sprake is van een ondernemersrisico? Zo nee, waarom niet?
In het Nederlandse systeem is het uitgangspunt dat een ieder zijn eigen schade draagt, tenzij iemand anders aansprakelijk is voor de schade of er sprake is van een – al dan niet verplichte – verzekering. Een ieder draagt zijn eigen verantwoordelijkheid om zich al dan niet tegen zulke schade (aanvullend) te verzekeren.
In Nederland zijn goede regelingen voor de vergoeding van medische kosten die op basis van solidariteit worden gefinancierd en waar iedereen een beroep op kan doen. Deze regelingen zorgen ervoor dat iedereen met medische kosten aanspraak kan maken op de zorg die hij nodig heeft. Daarnaast is voor mensen die dat nodig hebben een sociaal vangnet als zij als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet langer in staat zijn om hun werkzaamheden te verrichten en daardoor inkomensverlies lijden.
Bij dierziekte-uitbraken kan sprake zijn van tegemoetkoming aan ondernemers die dieren houden, bijvoorbeeld bij het ruimen van dieren. Dergelijke tegemoetkomingen worden betaald uit het Diergezondheidsfonds (DGF). De directe kosten voor de bestrijding, zoals ruiming, worden overigens, tot een vooraf overeengekomen plafond, vanuit het DGF 100% gefinancierd met middelen verkregen van de sector. Tot de bestrijdingskosten zoals hiervoor bedoeld, behoort overigens uitdrukkelijk niet de gevolgschade (zoals leegstand) van betrokken ondernemers. Dit behoort inderdaad tot het ondernemersrisico.
Erkent u dat Q-koortsslachtoffers de tol betalen met hun gezondheid voor de les die de overheid destijds met de bestrijding van de Q-koorts heeft moeten leren? Bent u bereid over te gaan tot een passende schadevergoeding voor Q-koortsslachtoffers, zodat zij zich niet gedwongen voelen lange en kostbare juridische procedures aan te spannen?
Zoals gemeld in mijn antwoorden op de vragen van de PvdA staat voorop dat wij ons terdege bewust zijn van de gevolgen van chronische Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom (QVS) voor individuele patiënten. Volgens de Staat is evenwel geen sprake van onrechtmatig handelen als gevolg waarvan Q-koortspatiënten schade hebben geleden. Wij zien dan ook geen reden voor een schadevergoeding.
We hebben de Stichting Q-support opgericht en gefinancierd om mensen te helpen om op allerlei gebieden hun leven weer op de rails te krijgen.
Het bericht ‘Haatimams naar Utrecht'' |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Fred Teeven (VVD), Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omstandigheid dat op 1 maart 2015 in Utrecht een islamitisch evenement wordt georganiseerd waar een omstreden prediker, Assim Al-Hakeem, zal spreken?1
Het evenement in Utrecht heeft op zondag 1 maart jongstleden plaatsgevonden. De heer Al-Hakeem is voor zover bekend niet op dit evenement aanwezig geweest.
Bent u bekend met de radicale standpunten van de spreker ten aanzien van homoseksualiteit, vrouwenslavernij en het jihadisme? Zo ja, wat vindt u daarvan? Deelt u de mening dat dit potentieel een risico voor de openbare orde vormt?
Het is mij bekend dat de heer al-Hakeem in diverse preken en spreekbeurten uitspraken heeft gedaan die in de Nederlandse context ontoelaatbaar zouden zijn en – als ze in Nederland in het openbaar gedaan zouden worden – in sommige gevallen tot strafrechtelijke vervolging zouden kunnen leiden. De heer Al-Hakeem is voor zover bekend niet aanwezig geweest. Er is geen sprake geweest van een risico voor de openbare orde.
Welke mogelijkheden hebben de lokale overheid en de rijksoverheid om omstreden predikers te weren?
De rijksoverheid kan in het geval van omstreden predikers die visumplichtig zijn en een bedreiging vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid visa niet uitvaardigen of intrekken. Op lokaal niveau heeft de burgemeester mogelijkheden om voorafgaand aan een evenement of ter plaatse maatregelen te nemen met het oog op het handhaven van de openbare orde.
In hoeverre heeft de overheid voldoende kennis om in te schatten of er sprake is van predikers die haat prediken of anderszins de openbare orde verstoren? In hoeverre vindt u het ook een verantwoordelijkheid van moskeeorganisaties in Nederland om samen met de overheid op te trekken om te voorkomen dat aan dergelijke predikers een podium wordt geboden?
Het bewaken van de openbare orde is een kerntaak van de overheid. In het geval dat een bijeenkomst waar één of meerdere predikers het woord zullen voeren, leidt tot maatschappelijke onrust, zoals het geval is in de casus Rijswijk, komt de openbare orde in het geding. Het is de rol van de overheid om in dat geval maatregelen te nemen om de openbare orde te handhaven. In breder perspectief toont het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) hierin ook al verantwoordelijkheid. Zij zijn voornemens hun organisaties en moskeeën te informeren en adviseren.
Ziet u mogelijkheden deze predikers te weren uit het Schengengebied? Is het bijvoorbeeld mogelijk geen visa te verstrekken aan deze predikers die omstreden worden geacht vanwege hun uitlatingen en gedragingen en daarmee een gevaar zijn voor de openbare orde? Zo nee, waarom niet?
Voor sprekers die visumplichtig zijn, wordt bij de visumaanvraag bij de ambassade of het consulaat een check gedaan op grond van het Schengen Acquis. Het Schengen Acquis biedt de mogelijkheid visa af te wijzen of toegang te weigeren indien sprake is van een bedreiging voor de openbare orde, nationale veiligheid en/of internationale betrekkingen. Hierbij is grote zorgvuldigheid geboden met het oog op de in een rechtsstaat vereiste proportionaliteit en subsidiariteit. Een spreker die in het verleden haat of geweld gepredikt heeft en als een bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid wordt aangemerkt, kan op grond van bovengenoemde criteria een visum worden ingetrokken of geweigerd.
Welke mogelijkheden heeft u wanneer predikers reeds een visum hebben van een ander land uit het Schengengebied? Ziet u mogelijkheden hierin met de andere lidstaten gezamenlijk op te treken?
Nederland kan het afgevende land verzoeken een visum in te trekken. Hierbij zullen die landen vragen aan welke van de voorwaarden voor afgifte van het visum niet, of niet meer, wordt voldaan. Dit kan bijvoorbeeld zijn als de betreffende persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid van Nederland danwel van een andere Schengenlidstaat. Het is onder meer aan de lokale driehoek en de AIVD om te bepalen of van een dergelijke situatie sprake is en dat goed te motiveren. Het is en blijft vervolgens aan de lidstaat die het visum heeft af gegeven om te beslissen al dan niet gehoor te geven aan een dergelijk verzoek.
Daarnaast kunnen de bevoegde Nederlandse autoriteiten ook zelf visa intrekken die zijn afgegeven door andere lidstaten. Deze bevoegdheid is bedoeld om lidstaten de mogelijkheid te geven visumhouders die zich aan haar grens melden dan wel reeds op haar grondgebied bevinden de toegang c.q. verder verblijf in de vrije termijn te ontzeggen indien blijkt dat niet meer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. In die gevallen dient Nederland het land van visumafgifte van de intrekking in kennis te stellen.
Om te voorkomen dat ongewenste vreemdelingen naar Nederland danwel een andere Schengenlidstaat afreizen, kan de IND namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een vreemdeling laten signaleren. Omdat de signalering tot doel heeft bepaalde vreemdelingen uit Nederland te weren, wordt deze opgenomen in het Schengen Informatie Systeem (SIS) voor toegangswering. Dit betekent dat de vreemdeling gedurende de signalering geen toegang kan verkrijgen tot de landen binnen het Schengengebied en aan de grens zal worden geweigerd, ook als hij of zij (nog) een geldig visum heeft. Wanneer de betreffende vreemdeling reeds een visum heeft ontvangen van een andere lidstaat zal voor de signalering wel contact moeten worden gezocht met de betreffende lidstaat.
Welke verantwoordelijkheid kent de organisator van dit evenement? Welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen jegens organisatoren van evenementen die een podium bieden aan predikers die haat prediken ofwel standpunten innemen die indruisen tegen de waarden van de Nederlandse samenleving?
Vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie. In onze rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Het organiseren van een evenement zoals in Utrecht, dat volgens de organisatie bedoeld was om geld in te zamelen voor liefdadigheidsactiviteiten is niet verboden. Echter, de vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. Deze wordt begrensd als de vrijheden van anderen in het geding komen, als mensen haat of geweld prediken of als de veiligheid in het geding komt. Voor visumplichtige predikers uit het buitenland die onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen uitdragen en daarmee de openbare orde bedreigen is in Nederland daarom geen plek.
Voor de verantwoordelijkheid van de overheid en van moskeeorganisaties geldt dat het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) hierin al verantwoordelijkheid toont. Zij zijn voornemens hun organisaties en moskeeën te informeren en adviseren. Wat betreft eventuele maatregelen tegen de verschaffers van een locatie geldt, dat als zou blijken dat tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, het Openbaar Ministerie kan beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die hem eventueel bij de strafbare uitingen heeft geholpen.
Ziet u eveneens een verantwoordelijkheid voor eigenaren van locaties waar dergelijke evenementen plaats vinden? Welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen ten aanzien van hen die hier locaties voor beschikbaar stellen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid deze vragen dinsdag 24 februari a.s. voor 12:00 te beantwoorden?
U ontvangt de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk.
Het bericht ‘Fiasco dreigt voor Leidsche Rijn centrum’ |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de dreigende leegstand voor het aankomende winkelcentrum in Leidsche Rijn?1
Ja.
Kunt u toelichten in welke mate u de analyse van onderzoeksbureau Q&A deelt dat het winkelcentrum in Leidsche Rijn voor leegstand wordt gebouwd?
Het ruimtelijk beleid met betrekking tot detailhandel is gedecentraliseerd. Decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening van detailhandel. Het is aan de decentrale overheden om – in overleg met marktpartijen – detailhandelsbeleid te formuleren. Het is aan betrokken decentrale overheden en marktpartijen om te bepalen of het zinvol is om met elkaar in gesprek te gaan over de vraag of andere keuzes gemaakt moeten gaan worden over het winkelcentrum in Leidsche Rijn.
Bent u van mening dat dit winkelcentrum het zoveelste voorbeeld is van het bouwen voor leegstand en dat dit maatschappelijk zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Het is algemeen bekend dat er meerdere plaatsen zijn waarvoor retailplannen zijn gemaakt in de tijd van vóór de crisis en vóór de komst van internetwinkelen waarvoor het nodig is om opnieuw met de kennis van nu te kijken om bouwen voor toekomstige leegstand te voorkomen. Het gaat daarbij vaak om beslissingen met grote financiële consequenties. Het is aan de direct betrokkenen om deze afwegingen te maken.
Zijn er meer winkelcentra of winkellocaties die momenteel ontwikkeld worden, terwijl er onvoldoende interesse is vanuit de detailhandel voor een economisch rendabele bezettingsgraad? Kunt u dit toelichten en cijfermatig onderbouwen?
Uit het Compendium van de Leefomgeving (versie juni 2014) van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de aanvangs- en frictieleegstand sterk is toegenomen. Die toename komt vrijwel volledig voor rekening van de aanvangsleegstand; ongeveer 20% van de nieuwe winkels in Nederland wordt onverhuurd opgeleverd.2
Op veel plaatsen in Nederland kijken marktpartijen en overheden kritisch naar hun detailhandelbeleid en projecten vanuit het besef dat mogelijk andere keuzes nodig zijn naar aanleiding van recente ontwikkelingen en vooruitzichten.
Deelt u de mening van economen van o.a. ABN AMRO dat er sprake is van een structurele overcapaciteit in de detailhandel van tegen de 30%? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Overcapaciteit laat zich lastig kwantificeren. In het algemeen worden daarom alleen de leegstandscijfers gebruikt. Uit het Compendium van de Leefomgeving blijkt dat er in Nederland een overaanbod is van winkels in de detailhandel. Gemiddeld staat bijna 9% van het winkelvloeroppervlak leeg in 2014. Dit percentage stijgt sinds 2008. Er zijn lange tijd veel vierkante meters toegevoegd en aanzienlijk minder onttrokken. De laatste jaren liggen de toevoegingen en onttrekkingen dichter bij elkaar. Zo is in 2014 1 miljoen vierkante meter winkels toegevoegd maar is tegelijkertijd ook 920.000 vierkante meter winkels onttrokken aan de voorraad. Bij de toevoegingen gaat het zowel om nieuwbouw, en dus nieuwe vestigingen, als om uitbreidingen van bestaande vestigingen. Als wordt gekeken naar het aantal panden (dus los van de omvang) dan is het zelfs zo dat er inmiddels meer winkels worden onttrokken dan toegevoegd.4
In hoeverre vindt u het nog wenselijk, met name met het oog op de groeiende winkelleegstand, dat er winkelcentra worden bijgebouwd terwijl al duidelijk is dat verdere uitbreiding van winkelvloeroppervlakte in bijna alle gevallen zal leiden tot meer leegstand? Kunt u aangeven in welke situaties u groei van winkelvloeroppervlakte nog wel acceptabel vindt en in welke gevallen niet?
Uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de ruimtelijke verschillen in leegstand van winkels voor detailhandel in Nederland groot zijn. Met name buiten de Randstad zijn gebieden met veel leegstand. Oost-Groningen, Zuidwest-Overijssel, Flevoland-Midden en Zuid-Limburg hebben meer dan 11% winkelleegstand. Voor een deel komen deze gebieden overeen met de krimpregio's. Demografische veranderingen zijn in deze gebieden, naast bijvoorbeeld de opkomst van internet en conjuncturele ontwikkelingen, een belangrijke oorzaak van winkelleegstand. Als naar verschillende typen winkelgebieden wordt gekeken is er vooral veel leegstand in de centrale winkelgebieden van de kleinere en middelgrote steden.5
Vanuit een goed systeem van ruimtelijke ordening is afgesproken dat de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dus ook als er uitbreiding van winkeloppervlak overwogen wordt. De eerste trede van deze ladder behelst het bepalen van de toekomstige regionale ruimtevraag. Als de toekomstige regionale vraag is bepaald, moet worden gekeken in hoeverre elders in de regio al in deze vraag wordt voorzien. Hierbij wordt gekeken naar leegstaande ruimte en naar plannen waarin ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkeling is opgenomen. In het geval dat niet gemotiveerd kan worden dat naar de beoogde ontwikkeling in de regio vraag is, is slechts één uitkomst denkbaar: de ontwikkeling niet voortzetten, omdat deze tot een vergroting van de leegstand of overcapaciteit zal leiden.6
Het is aan decentrale partijen om te bezien of uitbreiding van winkeloppervlakte gewenst en nodig is. In algemene zin zal uitbreiding van winkelvloeroppervlak soms nodig zijn om te voorzien in een daadwerkelijke behoefte. Dat zal waarschijnlijk slechts op een beperkt aantal locaties nog het geval zijn. Daarbij zal -ook op gebiedsniveau- goed nagedacht moeten worden over de totale omvang en samenstelling van het aanbod om goed op de vraag in te kunnen blijven spelen. Dat geldt ook voor locaties waar uitbreiding van het winkelvloeroppervlak plaatsvindt om een kwaliteitsslag te maken om dynamiek in de sector te behouden en innovatie een kans te geven.
Met de dynamiek in de huidige markt is het een grote uitdaging om te werken aan winkelgebieden van de toekomst en daarbij ook leegstand aan te pakken. Daarvoor is het nodig dat decentrale overheden en markt samen keuzes maken over de toekomstige opbouw van de detailhandelsstructuur, lokaal én regionaal. Dit vergt samenwerking.
Voor het merendeel van de winkellocaties geldt dat steeds meer gemeenten samen met marktpartijen gaan nadenken over het in omvang reduceren van (kern)winkelgebieden. Er wordt daarbij gezocht naar mogelijkheden voor transformatie, herstructurering en sloop. Het Rijk ondersteunt dit via kennis7, de inzet van expertteams8 en het waar mogelijk wegnemen van barrières in wet- en regelgeving.
Op initiatief van brancheorganisatie Inretail vindt dit voorjaar een scenarioproject plaats dat het gesprek moet stimuleren over de toekomst van perifere detailhandellocaties. Dit initiatief wordt financieel mede mogelijk gemaakt door het Rijk.
Naar aanleiding van eerdere vragen heeft u een overzicht verstrekt van het beleid van provincies om leegstand te bestrijden; bent u nog steeds van mening dat gemeenten en provincies adequaat handelen om de ongewenste overcapaciteit aan winkels te voorkomen? Zo ja, hoe verklaart u dan de blijvende stroom van berichten over mislukte nieuwbouwprojecten en/of door nieuwbouw veroorzaakte of versterkte toename van leegstand van bestaande winkels?
Ik blijf bij mijn mening zoals verwoord in mijn eerdere brief aan uw Kamer9. De ontwikkelingen in de detailhandel gaan snel. Soms zo snel dat plannen aan bijstelling toe zijn, nog voordat plannen gerealiseerd zijn. Mede hierdoor heb ik de Juridische Expertpool Planschade, een initiatief van BZK en I&M met ingang van dit jaar ook opengesteld voor vragen over het voorkomen van planschade bij het schrappen van plancapaciteit of het herbestemmen van detailhandel. Dat zijn keuzes met soms grote financiële consequenties. Daarbij moet niet alleen nagedacht worden hoe om te gaan met nieuwbouwplannen, maar ook hoe om te gaan met de bestaande voorraad. Overheid en markt zijn samen bezig met de aanpak van dit vraagstuk. In de praktijk is het weerbarstige, complexe materie, waarvoor maatwerk nodig is en die tijd nodig heeft om opgelost te kunnen worden. Of daarbij voor elke case de optimale oplossing wordt gevonden met het oog op leegstand, is niet aan mij om te beoordelen. Dat oordeel ligt bij de gemeenten en provincies zelf.
Bent u bereid om binnenkort met alle betrokken stakeholders die verantwoordelijkheid dragen voor de nog steeds oplopende leegstand om de tafel te gaan en nieuwe afspraken te maken? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Economische Zaken heeft de afgelopen maanden alle bij de retail betrokken partijen bij elkaar gebracht om afspraken te maken over het aanpakken van problemen en het verzilveren van kansen, om zo bij te dragen aan het toekomstbestendig maken van de retailsector. De resultaten van dit proces zullen opgenomen worden in de Retailagenda, die dit voorjaar zal worden aangeboden aan de Minister van Economische Zaken. De hier geschetste algemene problematiek is onderdeel van dit gesprek geweest en zal onderdeel uitmaken van de Retailagenda.
Het ondersteunen van Jiddisj |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Financieel Jaarverslag 2012 van de Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider te Amsterdam?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het Cheider geen financiële ondersteuning krijgt van het rijk, de provincie of de gemeente Amsterdam voor het geven van Jiddisj in het onderwijs?
Ik kan bevestigen dat Cheider vanuit het Rijk geen specifieke financiële ondersteuning krijgt voor het geven van Jiddisch in het onderwijs. In de bekostigde «vrije ruimte» kan elke school zelf bepalen welk onderwijs wordt aangeboden. Cheider is overigens wel aangemerkt als zogenaamde uitzonderingsschool en ontvangt daarom structureel aanvullende bekostiging. In het antwoord op de vragen 5 en 6 licht ik dit nader toe.
Op de uitgaven van de provincie en de gemeente heb ik geen zicht, maar bij mijn weten ontvangt Cheider ook van hen geen financiële ondersteuning voor het geven van Jiddisch. Uit het financieel jaarverslag 2012 komt geen ander beeld naar voren.
Kunt u bevestigen dat een Commissie van Deskundigen inzake de toepassing van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden zowel in juli 2008 als in september 2012 Nederland heeft aangespoord de mogelijkheden van uitbreiding van onderwijs in het Jiddisj te onderzoeken en het grote belang van Jiddisj heeft benadrukt?
Ja.
Kunt u tevens bevestigen dat zowel de gemeente als de provincie aangeven geen financiële steun te willen verlenen omdat zij het niet als hun taak zien om minderheidstalen te bevorderen?
Ik treed niet in de beweegredenen van de gemeente en de provincie. Wel merk ik op dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen voor minderheden geen financiële verplichtingen oplegt aan de gemeente en de provincie, noch aan de rijksoverheid.
In hoeverre verhoudt het niet verlenen van steun aan het Jiddisj zich tot de aangegane verplichtingen en verantwoordelijkheden op basis van het Europees Handvest?
Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden legt geen financiële verplichtingen op aan lidstaten. Lidstaten die het handvest hebben geratificeerd, committeren zich aan de doelstellingen van het handvest; het ondersteunen van minderheidstalen, zoals in Nederland het Jiddisch. De Nederlandse overheid biedt Cheider de mogelijkheid om het Jiddisch aan de leerlingen aan te bieden in de vrije ruimte van het onderwijsprogramma. De uren die worden gespendeerd aan Jiddisch tellen mee als onderwijstijd en Cheider heeft de ruimte om het Jiddisch ook af te sluiten met een schoolexamen. Het cijfer voor Jiddisch komt op de cijferlijst. Er bestaan dus geen belemmeringen om het Jiddisch aan te bieden en de taal te bevorderen.
Cheider is bovendien erkend als uitzonderingsschool in de zin van de Beleidsregel uitzonderingsscholen vo 2013 (Stcrt. 2012, 22626). Deze beleidsregel bestaat voor scholen die een leerlingaantal hebben dat structureel onder de opheffingsnorm zit, maar die in stand worden gehouden omdat met het onderwijs dat ze bieden een belang wordt gediend. Er zijn twee gronden waarop een school een uitzonderingsschool kan zijn:
Vier scholen zijn aangewezen als uitzonderingsscholen vanwege hun geografische ligging. Het gaat om de scholen voor voortgezet onderwijs op de eilanden Terschelling, Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog. De twee joodse scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam – Cheider en Maimonides – zijn erkend als uitzonderingsschool, omdat zij met het verzorgen van onderwijs een Nederlands belang van cultuurhistorische aard dienen. Dat betekent dat zij ontheven zijn van toepassing van de opheffingsnorm en dat zij bijzondere aanvullende bekostiging ontvangen. Cheider, dat voortgezet onderwijs biedt aan 37 leerlingen, krijgt jaarlijks 4,2 fte voor onderwijspersoneel extra aan bekostiging. Als dit terug wordt gerekend naar de personele bekostiging per leerling, bedraagt deze voor een leerling van Cheider VO € 26.500. De gemiddelde personele bekostiging van een leerling in het voortgezet onderwijs is € 6.500. Cheider heeft ook een school voor primair onderwijs. Per po-leerling ontvangt Cheider 60 procent aan extra bekostiging.
Gezien de uitzonderlijke status en bekostiging van Cheider en de ruimte die er bestaat om het Jiddisch aan te bieden, mee te laten tellen als onderwijstijd en af te sluiten met het schoolexamen, ben ik van mening dat Nederland aan de verplichtingen van het Handvest voldoet en dat Cheider de ruimte en de financiële middelen heeft om onderwijs in het Jiddisch te verzorgen, indien de school dat wenst.
Zou het niet voor de hand liggen om het Cheider in Amsterdam, de enige school in Nederland die het Jiddisj actief bevordert en daarmee een minderheidstaal actief bevordert, daarvoor financieel te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 5.
In welke mate geven overheden in Nederland andere (streek)talen, die in het kader van het Europees Handvest door Nederland zijn erkend, financiële ondersteuning?
De enige streek- of minderheidstaal die financiële ondersteuning van het Rijk krijgt is het Fries. Voor de instandhouding van het vak Fries in het voortgezet onderwijs ontvangt de provincie € 65.000 per jaar voor de leerlingen in het eerste jaar, dit is een uitvloeisel van de Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur 2013–2018. Voor het primair onderwijs gaat het om een bedrag van € 370.000 per jaar. Deze middelen gaan naar de provincie en niet rechtstreeks naar de scholen. Omgerekend gaat het in het primair onderwijs om een bedrag van ruim € 6 per leerling en in het voortgezet onderwijs om een bedrag van ruim € 7 per brugklasser.
Naast de genoemde bedragen krijgt de provincie Fryslân circa € 1 miljoen – bovenop de reguliere provincieuitkering van het Rijk – voor «het in stand houden van de Friese taal». Dit geld is bestemd voor cultuur, media, juridische zaken, bestuurszaken en onderwijs. De provincie Fryslân zet financiële ondersteuning in het onderwijs onder meer in voor de ontwikkeling van goed lesmateriaal en de stimulering van het drietalig voortgezet onderwijs in Fryslân. Het Orgaan voor de Friese Taal wordt gefinancierd door het Ministerie van BZK en de provincie Fryslân, hiervoor wordt jaarlijks in totaal een bedrag van € 150.000 gereserveerd.
Naast het Rijk voeren diverse decentrale overheden een streektaalbeleid, ik beschik echter niet over een overzicht van de hoeveelheid financiële middelen die hiermee gemoeid zijn.
Het bericht “Meld Misdaad Anoniem vaker getipt over drugslabs” |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Meld Misdaad Anoniem vaker getipt over drugslabs»?1
Ja.
Deelt u de constatering dat een aanzienlijk deel van de misdaden die anoniem gemeld kunnen worden een internationaal aspect hebben, zoals drugs- en mensenhandel, kindersekstoerisme en grootschalige belastingfraude?
Ja.
Klopt het dat het telefoonnummer van Meld Misdaad Anoniem (0800–7000) niet bereikbaar is vanuit het buitenland?
Dat klopt deels. De bereikbaarheid van het telefoonnummer van Meld Misdaad Anoniem vanuit het buitenland is afhankelijk van de service provider in de betrokken landen. Niet iedere provider ondersteunt de mogelijkheid om 0800 nummers in Nederland te bellen.
Meld Misdaad Anoniem maakt onderdeel uit van de internationale koepelorganisatie «Crime Stoppers International» (CSI). Dit houdt onder meer in dat anonieme online meldingen over internationale thema’s die zijn gedaan via de website van CSI bij Meld Misdaad Anoniem binnenkomen.
Bovendien werkt Meld Misdaad Anoniem op dit moment aan het realiseren van de mogelijkheid om ook online anoniem te kunnen melden. Deze mogelijkheid is in april/mei van dit jaar beschikbaar.
Daarnaast bestaat sinds kort de mogelijkheid om bij KPN een apart nummer aan te vragen dat wél via alle providers internationaal gebeld kan worden. Deze optie wordt momenteel verkend. Hieraan zijn echter wel (extra) kosten verbonden.
Kunt u aangeven wat de mogelijkheden zijn om anoniem melding te maken van misdaad vanuit het buitenland? Klopt het dat het alternatief dat wordt geboden, te weten het telefoonnummer 0031 800 7000, door veel providers niet wordt ondersteund?
Zie antwoord vraag 3.
Welke oplossing ziet u om de bereikbaarheid van Meld Misdaad Anoniem vanuit het buitenland snel te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
De ANBI-status van Stichting Rohamaa |
|
Farshad Bashir (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Stichting Rohamaa1 een ANBI-status heeft gekregen? Sinds wanneer is dit het geval? Kunt u uitleggen op basis van welke criteria Stichting Rohamaa een ANBI-status heeft gekregen?
Ja. Zoals te zien is op de openbare ANBI-lijst op de website van de Belastingdienst2 heeft Stichting Rohamaa sinds 1 januari 2011 de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI).
In algemene zin kan ik aangeven dat instellingen die de ANBI-status willen krijgen hiervoor een aanvraag moeten indienen bij het ANBI-team van de Belastingdienst in ’s-Hertogenbosch. Bij die aanvraag moet de instelling onder meer aangeven welk algemeen nuttig doel3 zij nastreeft en op welke wijze zij dat doel wil dienen. Daarnaast moet de instelling een aantal vragen beantwoorden teneinde te kunnen bepalen of de instelling voldoet aan de regelgeving voor ANBI’s.
Op basis van die informatie wordt beoordeeld of de instelling een algemeen belang beoogt en met haar werkzaamheden ook uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor ten minste 90%) het algemeen belang dient of zal gaan dienen.
Het is mogelijk dat reeds op basis van de gegevens die een instelling bij de aanvraag heeft verstrekt een positieve ANBI-beschikking kan worden afgegeven. In andere gevallen wordt nadere informatie bij de instelling opgevraagd alvorens een beschikking wordt afgegeven. Over de specifieke aspecten van het verlenen van de ANBI-status aan Stichting Rohomaa kan ik geen mededelingen doen op grond van de wettelijke geheimhoudingsplicht.
Waarom kan op de website van de stichting niet achterhaald worden waar het geld naar toe gaat, wie de bestuursleden zijn en welke vergoeding zij ontvangen? Zijn dit niet de voorwaarden voor een ANBI-instelling?
Een van de voorwaarden voor de ANBI-status is met ingang van 1 januari 2014 inderdaad dat de instelling verplicht is om via internet informatie met betrekking tot haar functioneren openbaar te maken.4 Het betreft naast meer algemene informatie over de ANBI, informatie over de doelstelling, de bestuurssamenstelling met de namen van de bestuurders, het beloningsbeleid, de hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, een actueel verslag van de uitgeoefende activiteiten, de balans en de staat van baten en lasten met toelichting.
ANBI’s die (blijven) weigeren deze informatie op internet openbaar te maken verliezen de ANBI-status.
Sinds wanneer bent u ervan op de hoogte dat Stichting Rohamaa nauwe contacten onderhoudt met zeer extremistische islamitische geestelijken?
Het is mij bekend dat de stichting Rohamaa op 8 maart 2015 een liefdadigheidsgala in Rijswijk zou organiseren. Van een aantal van de beoogde predikers op dit evenement is bekend dat zij behoren tot de stroming van de politieke salafisten. Het gaat hier niet om jihadisten, maar wel om (in beperkte kring) invloedrijke geestelijken. Van sommigen van hen is bekend dat zij in contact staan met radicaal-islamitische personen of organisaties. Van Stichting Rohamaa is al langere tijd bekend dat zij predikers van diverse achtergronden uitnodigt om fondsen te werven.
Handelt de stichting volgens u in strijd met het internationaal recht? Zo ja, hoe rijmt de ANBI-status van Stichting Rohamaa met uw toezegging2 naar aanleiding van het ingediende en vervolgens ingetrokken amendement Bashir en Van Bommel3 dat bij strijdig handelen met het internationale recht doorgaans geen sprake zal zijn van algemeen nuttig handelen, en dat bij instellingen die zich daar schuldig aan maken de ANBI-status reeds worden ingetrokken?
Indien de feitelijke activiteiten van een instelling strijdig zijn met internationaal recht waardoor de instelling niet meer geheel of nagenoeg geheel het algemeen belang dient, kan de ANBI-status van een dergelijke instelling worden ingetrokken. Ik kan verder niet ingaan op dit specifieke geval in verband met de reeds genoemde wettelijke geheimhoudingsplicht.
Vindt u dat bijeenkomsten waar vrouwen en mannen gescheiden zijn, passen bij algemeen nuttig handelen en daarom belastingvoordeel rechtvaardigen? Vindt u dat deze activiteiten bijdragen aan de integratie? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo niet, waarom kan zo’n stichting een ANBI-status krijgen?
In de ANBI-regelgeving is omschreven wat als algemeen nuttig doel wordt beschouwd.7 Het begrip «algemeen nut» is neutraal vormgegeven en wordt ook blijkens de jurisprudentie neutraal getoetst. In beginsel treedt de Belastingdienst niet in de interne aangelegenheden van binnen een instelling geldende regels. De Belastingdienst heeft echter een discretionaire bevoegdheid om bijvoorbeeld indien er een wettelijke norm is geschonden de ANBI-status in te trekken.
Bent u gezien het bovenstaande bereid om de ANBI-status van Stichting Rohamaa met terugwerkende kracht in te trekken? Welke gevolgen heeft dit?
In algemene zin kan worden gezegd dat als een ANBI wordt onderzocht, de Belastingdienst daarbij kijkt welk doel een instelling feitelijk nastreeft en of de feitelijke doelstelling en de feitelijke activiteiten aan een ANBI-status in de weg staan. Als uit het onderzoek blijkt dat een instelling een niet-algemeen nuttig doel nastreeft of de andere voorwaarden van de regelgeving niet naleeft, kan de ANBI-status worden ingetrokken. Onder omstandigheden kan dat met terugwerkende kracht.
Als een instelling de ANBI-status verliest, zijn de fiscale voordelen verbonden aan de ANBI-status niet meer van toepassing. Zo zijn giften aan zo’n instelling vanaf het moment van intrekking niet meer aftrekbaar, tenzij de schenker er op het moment van de schenking op mocht vertrouwen dat de ANBI terecht op de ANBI-lijst stond.
Bent u bereid om de lijst van ANBI-instellingen nogmaals grondig na te lopen en deze op te schonen door instellingen die niet aan de voorwaarden voldoen van de lijst te schrappen?
De Belastingdienst houdt risicogericht toezicht op ANBI’s. Dit toezicht ziet op ca 65.000 instellingen. Bij het risicogerichte toezicht kunnen, naast gegevens die de Belastingdienst zelf heeft, onder andere de website van een instelling en signalen of aanwijzingen die de Belastingdienst bereiken aanleiding vormen om een ANBI te onderzoeken. De voor het toezicht op ANBI’s geldende aanpak heeft er mede aan ten grondslag gelegen dat sinds september 2008 al van zo'n 8700 ANBI's hun ANBI-status is komen te vervallen.
Het bericht “NS wil af van winkelvastgoed” |
|
Aukje de Vries (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «NS wil af van winkelvastgoed»?1 Wat vindt u van de inhoud van het bericht?
Ja. Wij staan positief tegenover de geschetste ontwikkelingen in het artikel. Zie bij vraag 2 een nadere toelichting.
In hoeverre was de aandeelhouder op de hoogte van de in het artikel geschetste ontwikkelingen en plannen met betrekking tot vastgoed en activiteiten? Wat vindt de aandeelhouder van de geschetste ontwikkelingen en plannen? In hoeverre was de Staatssecretaris op de hoogte van de in het artikel geschetste ontwikkelingen en plannen met betrekking tot vastgoed en activiteiten? Wat vindt de Staatssecretaris van de geschetste ontwikkelingen en plannen?
De kop van het FD artikel waar naar wordt verwezen is inmiddels aangepast van «NS wil af van winkelvastgoed» naar «NS wil delen vastgoed afstoten». De eerste kop sloot niet aan bij de door NS geschetste ontwikkelingen in het artikel.
De aandeelhouder was ervan op de hoogte dat NS onderdelen van haar vastgoed afstoot en wil afstoten. De Staatssecretaris was in algemene zin op de hoogte dat NS nadenkt over de strategie voor stations(omgevingen) in de toekomst en dat NS er aan denkt om meer te focussen op de kernactiviteit, de reiziger. Het is met name aan de aandeelhouder om te beoordelen of de strategie van het gehele NS-concern in lijn is met de publieke belangen van het spoor.
Wij staan positief tegenover de geschetste ontwikkelingen in het artikel omdat de geschetste plannen van NS in lijn zijn met de opgaven en ambities uit de Lange Termijn Spooragenda (LTSA 2). Bijvoorbeeld de opgave dat stations functionele en uitnodigende verblijfplaatsen moeten zijn. Wel vindt de aandeelhouder het van belang dat het uitbesteden of afstoten geleidelijk en daardoor zonder waardeverlies gebeurt. Bij vraag 3, 5 en 8 zullen wij hier uitgebreider op in gaan.
Welke deel van het vastgoed en welk deel van de activiteiten wil de NS afstoten? In welk tempo gaat dit gebeuren?
We hebben NS Stations gevraagd om de geschetste ontwikkelingen in het artikel verder toe te lichten. De afgelopen jaren is NS Stations zich steeds meer op het station en de directe stationsomgeving gaan richten, omdat zij het als haar rol ziet om stations en stationsgebieden te optimaliseren ter ondersteuning van het openbaar vervoer in Nederland. NS heeft vastgoed buiten stations(omgevingen) waarvan NS zich afvraagt hoezeer dit bijdraagt aan de strategische focus en het reizigersbelang. De ontwikkeling om niet-strategische onderdelen te verkopen is een aantal jaren geleden in gang gezet en wordt de komende jaren voortgezet. Zo worden bijvoorbeeld gronden buiten de stationsomgeving stap voor stap verkocht. Het tempo waarin dit gebeurt is afhankelijk van de marktsituatie. Op deze manier worden maximale opbrengsten gecreëerd.
Voor wat betreft de retailactiviteiten geldt dat het retailbedrijf van NS Stations zelf retail is gaan ontwikkelen om in te kunnen spelen op de wensen van de reiziger. Dit omdat er 10 jaar geleden geen marktpartij voor was. Hierin is de afgelopen jaren verandering gekomen. NS Stations laat dit nu steeds meer aan andere partijen over. Marktpartijen voeren op dit moment al 60% van de retailactiviteiten uit. Deze ontwikkeling wordt de komende jaren stap voor stap voortgezet.
ProRail en NS Stations willen een regiefunctie behouden omdat de reizigerstevredenheid bepaald wordt door de balans tussen transfer en commerciële functies en om de synergievoordelen tussen stations en het reisproduct te behouden. Voor een reiziger zijn een gemakkelijke en snelle overstap en keuzes in het aanbod van retail van belang. Dat betekent bijvoorbeeld kaartverkoopautomaten op logische plaatsen, snelle loopstromen richting de treinen en bussen, duidelijk bewegwijzering in het gehele station en verschillende retailformules met een divers aanbod.
NS Stations wil een gedeelte van de retail zelf blijven doen omdat dit voordelen kan opleveren voor de reiziger. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kiosk op kleinere stations, waar meer dan de helft van de werkzaamheden van het personeel bestaat uit het beantwoorden van reizigersvragen. Ook zijn combinaties denkbaar van publieke en private functies die niet zonder meer uit te besteden zijn. Op bepaalde stations kunnen als gevolg van het kleinere aantal in- en uitstappers niet altijd commerciële functies gerealiseerd worden terwijl dit bijvoorbeeld in het kader van sociale veiligheid bijdraagt aan de reizigerstevredenheid. Daarom onderzoekt NS Stations naar combinaties tussen onder andere beheer, retail en verblijven. Zo worden op dit moment proeven gedaan met betrekking tot gastheerschap op kleinere stations.
In het artikel wordt genoemd dat NS van stations in Nederland economische broedplaatsen wil maken. Dit is vanuit de gedachte dat stations steeds meer een bestemming in de stad worden waar wonen, werken en recreëren mogelijk is. Daar komt bij dat de steden groter worden en het economisch belang van deze steden toeneemt. Stations bevinden zich vaak in de stadskern en zijn onlosmakelijk met deze kern verbonden. Het stationsgebied als economische broedplaats dient gelezen te worden als een streven naar levendige en uitnodigende stationsgebieden die het leven van de reiziger gemakkelijker maken, die goede verbindingen met de stad vormen en de concurrentiekracht van de omgeving versterken. NS Stations wil daaraan bijdragen met kennis en ervaring met het exploiteren van stations en met kennis over bouwen en ontwikkelen in stationsgebieden.
Wat betekent dat NS van de stations in Nederland economische broedplaatsen wil maken?
Zie antwoord vraag 3.
Wat wordt bedoeld als de NS zegt «minder zelf te willen doen», «meer aan de markt overlaten» en «regisseur willen blijven»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van stationsknooppunten voor wat betreft de commerciële invulling en exploitatie heel goed aan de markt kan worden overgelaten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ecorys heeft in het onderzoek naar de posities van partijen op stations het model «Commercieel stationsbedrijf» onderzocht, waarbij de rol van NS Stations volledig door een private partij wordt overgenomen. In het onderzoek is ook een variant op dit model meegenomen waarbij het eigendom in handen blijft van NS maar alle commerciële rechten worden over gedragen aan een commerciële partij.
Voor beide modellen constateert Ecorys dat een commerciële exploitant sterker zal inzetten op de benutting van de commerciële mogelijkheden en hiermee de LTSA-doelen deels onder druk komen te staan. Met name op kleine, minder drukke stations kan het aanbod van onrendabele activiteiten (wachtruimtes, toiletten, de kiosk op kleinere stations) verschralen. Voor het bereiken van publieke belangen biedt het voordelen om de stations in eigendom van NS en ProRail te houden.
Wij herkennen de potentiële nadelen die Ecorys schetst en hebben daarom niet voor dit model gekozen. NS Stations en ProRail moeten er voor zorgen dat het belang van de reiziger gediend blijft. NS Stations hoeft hiervoor niet alles zelf te doen. Wij vinden het een goede ontwikkeling dat NS Stations meer een regierol gaat spelen op het station.
Klopt het dat NS als staatsbedrijf na McDonald’s en Van der Valk (qua omzet) het grootste horecabedrijf van Nederland is?
Wij hebben geen inzicht in de omzetcijfers van Van der Valk, Mc Donalds en andere Nederlandse horecabedrijven en kunnen niet beoordelen of dit klopt.
Deelt u de mening dat NS zich moet concentreren op het rijden van treinen in plaats van broodjes smeren en hamburgers bakken? Zo nee, waarom niet?
De ambitie om de deur-tot-deur reis te verbeteren heeft een belangrijke plaats in de LTSA gekregen omdat de aantrekkelijkheid van het vervoer niet alleen afhankelijk is van de treinreis. Stations bepalen voor 25% de tevredenheid van reizigers over de deur-tot-deur reis. Stations moeten daarom toegankelijke, comfortabele en veilige knooppunten zijn. Wij zijn dus van mening dat NS zich ook op de stations moet concentreren. Dit kan echter ook vanuit een regierol. NS hoeft niet bij alle activiteiten op stations zelf exploitant te zijn en kan marktpartijen meer de ruimte geven.
Hoe is het bericht in het Financieele Dagblad te rijmen met de inhoud van de brief van 21 januari 2015 van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer over de positie van partijen op stations?2
Onze inzet blijft om nu niet over te gaan tot een wijziging van de positie van partijen op stations. De nadere uitleg hiervan staat in de brief van 21 januari 2015.
Welke gevolgen hebben de plannen voor de NS vanuit de rol als aandeelhouder en vanuit de concessiehouder bekeken? Graag een toelichting, met name ook op de punten die genoemd worden in de brief van 21 januari 2015, zoals de financiële gevolgen, de financieringskosten, rendement, etc., maar ook de opbrengsten van het af te stoten vastgoed en onderdelen.
Vanuit de rol als aandeelhouder leidt uitbesteden of afstoten van niet-strategische activiteiten er toe dat NS uiteindelijk minder kapitaalintensief zal worden. Omdat dit stap voor stap gebeurt zal dit geleidelijk zichtbaar worden op de balans van NS.
Vanuit de rol als concessieverlener van NS heeft het uitbesteden of afstoten van niet-strategische activiteiten geen gevolgen. De vervoerconcessie regelt niet het eigendom en de rechten op stations maar stelt wel kwaliteitseisen aan stations, bijvoorbeeld voor de reinheid van stations en sociale veiligheid. NS blijft verantwoordelijk voor het behalen van deze kwaliteitseisen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg Staatsdeelnemingen dat is gepland op op 19 maart 2015?
Ja.