De veronderstellingen van het Centraal Planbureau (CPB) |
|
Arnold Merkies , Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het CPB, machtig instituut met een tunnelvisie»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat bij een organisatie als het CPB tunnelvisie ontstaat?
Er zijn in de werkwijze van het CPB veel checks and balances aangebracht om het ontstaan te voorkomen van een eenzijdige, niet op wetenschappelijke consensus en op feiten gebaseerde visie. Dit begint bij de interne werkwijze, waarbij analyses in teams worden uitgevoerd. Deze worden in verschillende stadia aan een bredere kring critici voorgelegd in seminars. Hieraan nemen zowel CPB medewerkers en het CPB management deel, als externe deskundigen. Ten slotte wordt bij veel projecten gewerkt met een klankbordgroep waarin ook externe deskundigen zitting hebben.
Voor alle programma’s zijn academic partners aangesteld, 16 hoogleraren in totaal, met relevante expertise. Zij worden betrokken bij (beoordeling van) het onderzoek.
Het CPB presenteert zijn werk regelmatig op (inter)nationale conferenties en via het peer-review systeem worden de wetenschappelijke publicaties van het CPB voortdurend gecontroleerd.
Voorts wordt de directie bijgestaan door een permanente begeleidingscommissie, de Centrale Plancommissie.
Een ander belangrijk element in de kwaliteitscontrole zijn de periodieke visitaties door externe commissies, zowel op wetenschappelijke kwaliteit als op beleidsgerichtheid. In 2010 heeft de commissie Hellwig bijvoorbeeld expliciet gekeken naar de wetenschappelijke kwaliteit van het CPB en deze ruim in orde bevonden. In 2013 werd een zelfde oordeel geveld over de beleidsgerichtheid van het CPB, door de commissie Frijns. Deze en andere evaluatierapporten zijn beschikbaar op de website van het CPB.
Door deze manier van werken streeft het CPB er altijd naar om economische en beleidsmatige vraagstukken van verschillende kanten te beoordelen.
Kunt u uitleggen hoe het CPB te werk gaat bij het maken van een keuze over wetenschappelijk onderzoek dat wordt meegenomen bij de beoordeling en/of doorrekening van voorstellen?
Het CPB maakt in principe gebruik van zoveel mogelijk wetenschappelijk onderzoek. Daar waar keuzes gemaakt moeten worden, wordt uitgegaan van de huidige wetenschappelijke consensus of wordt op basis van beschikbare data en op basis van eigen expertise een weging gemaakt. Als de wetenschappelijke literatuur onvoldoende bewijs geeft voor een kwantitatieve beoordeling van een voorstel schroomt het CPB niet om dit expliciet te vermelden.
Onderschrijft u de conclusie van Storm en Naastepad dat onze achterblijvende productiviteit bijna helemaal is toe te schrijven aan loonmatiging?
De productiviteit is in Nederland internationaal gezien juist hoog. Volgens de meest recente cijfers van de Conference Board is de productiviteit per gewerkt uur in Nederland de 5e van de wereld, na Noorwegen, Luxemburg, de Verenigde Staten en België. Er kan dus moeilijk over een achterblijvende productiviteit worden gesproken.
In een recent kader in het Centraal Economisch Plan 2014 (Van verantwoorde loonontwikkeling naar loonmatiging?) laat het CPB bovendien zien dat de ontwikkeling van lonen en productiviteit sterk samenhangen. Er is dus geen sprake van lonen (om preciezer te zijn loonkosten) die achterblijven bij de productiviteit.
Sowieso moeten we de omvang van loonmatiging niet overschatten, de arbeidsinkomensquote is anno 2013 nagenoeg gelijk aan de quote in 1982.
Onderschrijft u de conclusie van Storm en Naastepad dat de investeringen in de jaren ’80 weliswaar aantrokken, maar dat dit niet dankzij – maar ondanks loonmatiging het geval was?
De econoom Schumpeter heeft er bijna een eeuw geleden al op gewezen dat bedrijven winst moeten maken om te kunnen investeren in innovatie waarvan de uitkomsten onzeker zijn. Dit suggereert dat loonmatiging ruimte vrij kan maken bij bedrijven om extra te investeren.
De investeringen zijn in Nederland in de vier jaar na het Wassenaar akkoord met percentages tussen de 6 en 8% stevig gegroeid, na enkele jaren te zijn gedaald. Waardoor deze stijging precies wordt gedreven is niet met zekerheid te zeggen. Wel zagen we direct na het Wassenaar akkoord de prijsconcurrentiepositie van Nederland verbeteren. Tegelijkertijd trok in die periode de consumptie van huishoudens significant aan en nam de uitvoer sterk toe. Deze factoren zorgden samen voor een toenemende vraag naar investeringen.
Data van de OESO laat tevens zien dat de investeringen in de eerste vier jaar na het Wassenaar akkoord in Nederland forser stegen dan in vergelijkbare landen zoals Finland, Frankrijk en België.
Kunt u bevestigen dat in de periode waarin de loonmatiging zijn werk deed het Nederlandse exportaandeel op de wereldmarkt is gedaald? Zo ja, wat is volgens u de oorzaak daarvan?
In de afgelopen decennia is op verschillende momenten sprake van een gematigde loonontwikkeling, waarbij de loonkosten minder sterk groeien dan de arbeidsproductiviteit en de arbeidsinkomensquote daalt. Zo is in de periode 1982–1986 de arbeidsinkomensquote met 5%-punten gedaald, maar het Nederlandse exportaandeel vrijwel stabiel gebleven op 3,5%. Over een langere periode van 1982 t/m 2013 zijn zowel de arbeidsinkomensquote als het Nederlands exportaandeel op de wereldmarkt nagenoeg stabiel gebleven. Volgens cijfers van de WTO is het Nederlandse aandeel in de totale goederenexport van de wereld gestegen van 3,5% in 1982 naar 3,6% in 2013. Dit ondanks de sterke opkomst van China die in dezelfde periode haar aandeel in de goederenexport zag groeien van 1,2% naar 11,7%.
Hoe verklaart u dat het exportaandeel op de wereldmarkt van Oostenrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden, landen die juist veel minder op loonmatiging hebben ingezet, juist toenam in deze periode?
Dit beeld klopt niet. Volgens cijfers van de WTO is het aandeel van Oostenrijk in de wereldwijde goederenexport in de periode 1982–2013 gestegen van 0,8% naar 0,9%. Echter, het aandeel van Duitsland is gedaald van 9,4% naar 7,7%. Dat van Denemarken van 0,8% naar 0,6% en dat van Zweden van 1,4% naar 0,9%.
Welke onderzoeken neemt het CPB mee bij de beoordeling van de effecten van loonmatiging?
Loonmatiging is een complex en veelzijdig fenomeen. In het algemeen zijn de lonen de uitkomst van onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Bij hoge werkloosheid is een gematigde loonontwikkeling een logische uitkomst. Het is dan niet het resultaat van een expliciete beleidsmaatregel.
Voor de analyses van loonmatiging maakt het CPB gebruik van theoretische en empirische literatuur en verricht ook eigen empirische analyses. In 2004 heeft het CPB een – nog steeds relevante – studie2 gepubliceerd naar de effecten van loonmatiging op arbeidsproductiviteit, voornamelijk op basis van theoretische literatuur. De conclusie is dat een door een loongolf veroorzaakte hogere arbeidsproductiviteit tijdelijk van aard en inefficiënt is. Op lange termijn schaadt een loongolf de arbeidsproductiviteit eerder. Loonmatiging is wel effectief als middel om de werkloosheid te bestrijden, omdat het de opwaartse druk op lonen vanuit decentrale onderhandelingen tegengaat. Loonmatiging is hierbij een second-best instrument. Beter zou het zijn als bij het bepalen van de lonen en werkgelegenheid alle relevante effecten worden meegenomen, waaronder het negatieve effect van hoge lonen op de arbeidsvraag en daarmee op de werkloosheid.
Voor een kwantitatieve analyse van loonmatiging maakt het CPB gebruik van het empirisch macro-model Saffier. Hierin zijn bovengenoemde inzichten uit de theoretische literatuur verwerkt, waarbij de relaties zijn geschat op basis van Nederlandse data.
Hoe vaak wordt geëvalueerd of veronderstellingen die het CPB baseert op wetenschappelijk onderzoek moeten worden herzien, bijvoorbeeld vanwege het feit dat nieuw wetenschappelijk onderzoek een andere kant uit wijst? Wie is hierbij betrokken?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat het aantal daklozen stijgt |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal daklozen tussen 2010 en 2013 met tien procent is gestegen?
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht over de jaarcijfers van de Federatie Opvang, waaruit blijkt dat het aantal personen dat geholpen is door de maatschappelijke opvang instellingen in 2013 met tien procent is gestegen ten opzichte van 2010.
Wat vindt u van het feit dat vooral het aantal jongere en oudere daklozen sterk is gestegen, tot maar liefst 43% onder 65-plusssers?
Tijdens het algemeen overleg maatschappelijke opvang op 17 december heb ik hier met uw Kamer over gesproken. Uiteraard is dakloosheid een probleem dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden, ongeacht leeftijd. Indien het onverhoopt toch voorkomt, is het zaak zo snel mogelijk passende hulp en ondersteuning te bieden. Dat is ook wat steeds meer gebeurt. In de cijfers van de Federatie Opvang, waarop deze vraag is gebaseerd, gaat het om unieke cliënten die in 2013 door de leden van de Federatie Opvang zijn geholpen. Het gaat daarbij om totaalcijfers van verschillende hulpvormen: ambulante hulpverlening (bij gezinnen thuis), dagopvang waar mensen koffie kunnen drinken, preventie, nachtopvang, crisisopvang (24 uur per dag), maar ook beschermd wonen. Er worden ten opzichte van 2010 dus steeds meer mensen bereikt en ondersteund door de maatschappelijke opvang. Er zijn in 2013 dus geen 60.550 personen dakloos, maar voorzien van een hulpaanbod.
Uit de Monitor Stedelijk Kompas en de Monitor plan van aanpak maatschappelijke opvang van dit jaar1 2 blijkt dat gemeenten signaleren dat de groep mensen zonder OGGZ-problematiek die een beroep doen op de opvang, stijgt en een steeds groter deel lijkt uit te maken van het totaal. De cijfers over 2013 van Federatie Opvang laten een stijging zien van het aantal jongeren en ouderen dat een beroep doet op de maatschappelijke opvang. Navraag bij Federatie Opvang leert dat het daarbij gaat om diezelfde groep, waarbij geen of een plotseling verlies van inkomen en moeite met het (opnieuw) toegang krijgen tot de arbeidsmarkt een rol speelt bij het ontstaan van de problematiek. Het is belangrijk om voor deze groep in een vroeg stadium passende ondersteuning te bieden, zodat zoveel mogelijk voorkomen kan worden dat schulden zich opstapelen zonder dat er afloscapaciteit beschikbaar is. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunt gemeenten bij hun wettelijke taak om integrale schuldhulpverlening aan te bieden aan hun burgers. Preventie en vroegsignalering zijn hierbij belangrijke speerpunten. Zo heeft het Ministerie van SZW «business cases» preventie en vroegsignalering3 laten opstellen van drie gemeentelijke aanpakken, om andere gemeenten te stimuleren ook een aanpak te ontwikkelen. Het voorkomen van huisuitzettingen, door samen te werken met woningcorporaties, is vaak een belangrijk onderdeel van een aanpak preventie en vroegsignalering van een gemeente. De «Vroeg Eropaf» aanpak van Amsterdam is hiervan een goed voorbeeld.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Trimbos-instituut dat er signalen zijn dat de toename van het aantal daklozen vooral wordt veroorzaakt door de groei van «nieuwe daklozen», mensen die door schulden, werkloosheid en hypotheeklast dakloos zijn geworden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de Federatie Opvang dat «mensen onoplosbare schulden krijgen doordat de overheid automatisch geld van rekeningen afschrijft», en dat zij «ervoor moet zorgen dat de Belastingdienst controleert of mensen de huur kunnen blijven betalen, voordat ze de rekening leeghaalt om een schuld aan de overheid te innen»? Bent u van plan hierover in gesprek te gaan met de Staatssecretaris van Financiën?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de antwoordbrief van 13 januari 2015 van de Staatssecretaris van Financiën, waarin wordt ingegaan op de vragen van de leden Schouten, Karabulut en Yücel over het rekening houden met persoonlijke situaties en respecteren van de beslagvrije voet bij terugvorderingen van de belastingdienst.4
Kunt u verzekeren dat gemeenten, die hun takenpakket na 1 januari 2015 fors zien groeien, voldoende toegerust zijn om de zware taak van opvangen en begeleiden van het groeiende aantal daklozen goed uit te voeren?
Ja. Maatschappelijke opvang is al lange tijd een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Gemeenten hebben daarbij, zoals ook blijkt uit de evaluatie PvA G4 en mijn brief van 29 september 2014, goede resultaten behaald.5 De verbreding van het takenpakket van gemeenten als gevolg van de decentralisaties stelt hen in staat om snelle en op de persoon afgestemde ondersteuning te bieden over meerdere domeinen.
Kunt u aangeven hoeveel zelfstandig ondernemers dakloos zijn geworden ten gevolge van een faillissement van hun onderneming?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Deelt u de mening dat zelfstandig ondernemers en het midden- en kleinbedrijf (MKB) de motor van de Nederlandse economie zijn?
Het MKB vervult inderdaad een belangrijke rol in de Nederlandse economie.
Bent u van mening dat te allen tijde voorkomen moet worden dat zij door omstandigheden vaak buiten hun schuld dakloos raken?
Voor een ieder die risico op dakloosheid loopt is het belangrijk te voorkomen dat hij of zij daadwerkelijk dakloos wordt. Hiervoor is het van belang dat de betrokkenen tijdig hulp zoekt wanneer hij er zelf niet meer uitkomt. Er is een breed palet aan interventies beschikbaar. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een passend ondersteuningsaanbod op het gebied van bijstand, schuldhulpverlening, toeleiding naar passende arbeid, huisvesting en ondersteuning in het kader van de Wmo.
In hoeverre worden ontwikkelingen als deze meegenomen bij de herziening van de faillissementswet?
Het programma herijking faillissementsrecht kent in essentie drie pijlers: fraudebestrijding, verbetering van doorstartmogelijkheden en modernisering. De eventuele opvang van individuele ondernemers na faillissement valt daar buiten.
De langetermijncontracten en gasverkoop |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het volgens u zo dat laag- en hoogcalorisch gas onder het toeziend oog van Gasunie Transport Services (GTS) ingevoegd wordt op het landelijk gastransportnet, zodanig dat er een bepaalde calorische waarde is over het landelijke transportnet en daarmee ook de exitpunten van het landelijke gastransportnet?
Nederland kent twee gescheiden transportsystemen voor gas: één voor laagcalorisch gas en één voor hoogcalorisch gas. Laagcalorisch gas is gas waarbij de verbrandingswaarde lager ligt dan 46,5 MJ/m3. De verbrandingswaarde van hoogcalorisch gas ligt in de bandbreedte van 46,5 tot 57,5 MJ/m3.
Gasunie Transport Services (GTS) beschikt over mogelijkheden om door toevoeging van stikstof hoogcalorisch gas om te zetten naar laagcalorisch gas. Het fysiek omzetten van laagcalorisch gas naar hoogcalorisch gas is niet mogelijk.
Dit betekent dat nadrukkelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen exitpunten waarop hoogcalorisch gas moet worden afgeleverd en exitpunten waarop laagcalorisch moet worden afgeleverd. Verwisseling leidt namelijk tot problemen bij de achterliggende verbruikers.
Kunt u bevestigen dat er geen verschil is tussen laag- en hoogcalorisch gas nadat deze is ingevoegd op het landelijk transportnet en de wijze waarop het gas het land verlaat op de exitpunten?
Nee dat kan ik niet bevestigen. Zie het antwoord op vraag 1.
Bij de beantwoording van eerdere vragen over dit onderwerp is nooit eerder gesproken over laag calorisch gas uit Duitsland; kunt u toelichten wat de winning van gas in Duitsland te maken heeft met de levering van gas op de exitpunten van het Nederlands landelijke gastransportnet?1
De Duitse productie van laagcalorisch gas is de afgelopen jaren sterk afgenomen, van circa 20 miljard m3 in 2000 tot iets minder dan 10 miljard m3 in 2013, terwijl de Noordwest-Europese behoefte aan laagcalorisch gas gelijk is gebleven. Dit heeft geleid tot een hogere vraag naar laagcalorisch gas uit Nederland aangezien er geen andere bronnen van laagcalorisch gas voorhanden zijn. Deze toegenomen vraag heeft als gevolg dat er meer laagcalorisch gas is afgeleverd op de exitpunten van het Nederlandse landelijke gastransportnet en dan met name de exitpunten die zich op de grens bevinden.
Het verband tussen de Nederlandse en Duitse productie van laagcalorisch gas is eerder aan de orde gesteld in de onderzoeken die ik op 17 januari 2014 openbaar heb gemaakt met mijn brief aan de Tweede Kamer over de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 28), alsmede in de bijlage bij mijn brief van 7 oktober 2014 over het aardgasbeleid (Kamerstuk 29 023, nr. 176).
In de beantwoording van de vragen lijkt gesuggereerd te worden dat er een apart landelijk gastransportnet voor laagcalorisch en voor hoogcalorisch gas is; kunt u bevestigen of dit zo is of niet?
Ja, dat kan ik bevestigen. Zie het antwoord op vraag 1.
In de beantwoording, tweede alinea van pagina twee van uw brief, wordt gesteld dat lange termijn exportcontracten ook via het TTF worden geleverd; kunt u toelichten of lange termijn contracten via het TTF zijn én worden geleverd? Is het niet zo dat of via TTF gas wordt verkocht of via (lange termijn) contracten?
De TTF is een (virtueel) afleverpunt van gas in het landelijk gastransportnet en als zodanig geen handelsplaats. Wel faciliteert de TTF de handel. Handelsplaatsen zijn bijvoorbeeld de gasbeurzen van Intercontinental Exchange Endex (ICE Endex) en European Energy eXchange (EEX).
Er zijn dan ook lange termijncontracten die zowel exitpunten op de grens als de TTF als afleverpunt hebben. Door aflevering op de TTF heeft de afnemer een grotere vrijheid ten aanzien van de verdere verhandelbaarheid van het gas hetgeen in lijn is met het beleid van de Europese Unie om gas beter verhandelbaar te maken door afstand te nemen van in contracten vastgelegde specifieke bestemmingsbepalingen.
Bent u bekend met de hoeveelheid gas (energie-eenheden of hoeveelheid) die via TTF wordt geleverd aan binnenlandse en aan buitenlandse afnemers?
Nee, dat is niet aan te geven. Gas dat via de TTF wordt geleverd wordt zowel geleverd aan binnen- als aan buitenlandse afnemers en datzelfde geldt voor gas dat buiten de TTF om, maar wel via dezelfde exitpunten, aan deze afnemers wordt geleverd.
Per exitpunt (voor hoog- respectievelijk laagcalorisch gas) is dus wel aan te geven hoeveel gas er is afgeleverd, maar daarbij is geen onderscheid te maken naar gas dat al dan niet via de TTF loopt.
Waarom geeft u in antwoord 1 aan dat er bijna 4 miljard m3 laagcalorisch gas is verkocht op de TTF terwijl u in antwoord 3 aangeeft dat u niet weet welke hoeveelheid laagcalorisch gas is verkocht via TTF?
Het antwoord op vraag 1 had alleen betrekking op de hoeveelheid gas die door GasTerra onder lange termijn contracten is geleverd. Daar is het onderscheid tussen hetgeen is geleverd op de TTF en hetgeen direct is geleverd op exitpunten te maken, omdat precies bekend is welke hoeveelheden onder deze contracten zijn geleverd en waar.
Het antwoord op vraag 3 had betrekking op de totale hoeveelheid laagcalorisch gas uit het Groningenveld die via de TTF is geleverd. Daarbij is het gevraagde onderscheid niet te maken omdat in de handel geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoog- en laagcalorisch gas, dit in tegenstelling tot de fysieke levering.
Hierbij speelt mee dat het in Nederland bij laagcalorisch gas niet alleen gaat om Groningengas, maar ook om laagcalorisch gas dat wordt gewonnen uit een beperkt aantal kleine velden en om hoogcalorisch gas waaraan stikstof is toegevoegd. Dit betekent dat ook als alleen wordt gekeken naar de fysieke levering, het niet mogelijk is om aan te geven waar en in welke hoeveelheid Groningengas is geleverd.
In uw antwoorden geeft u aan dat nauwelijks hoogcalorisch gas is verdund met stikstof; hoeveel minder Groningengas had volgens u afgelopen jaar gewonnen hoeven te worden, indien de beschikbare conversie capaciteit maximaal gebruikt zou zijn?
In mijn brief van 17 januari 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 28) heb ik aangegeven dat een maximale inzet van de conversie-installaties het mogelijk maakt om de productie uit het Groningenveld terug te brengen tot 30 miljard m3 per jaar. Dit onder de voorwaarde dat de flexibiliteit van het Groningenveld volledig mag worden benut en er meer dan 30 miljard m3 mag worden geproduceerd indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Het is NAM toegestaan om die hoeveelheid Groningengas te produceren die ik heb vastgesteld met het winningsbesluit dat ik op basis van de Mijnbouwwet neem. Voor 2015 is dit een hoeveelheid van maximaal 39,4 miljard m3.
De redenen om te kiezen voor de in vraag 10 genoemde winningshoeveelheden heb ik toegelicht in mijn voornoemde brief van 17 januari 2014. Prioriteit daarbij had het drastisch terugbrengen van de productie in het gebied rond Loppersum. Dat heeft ertoe geleid dat de productie uit dit gebied met 80% is teruggebracht ten opzichte van de realisaties in voorgaande jaren. Omdat deze specifieke inperking gevolgen heeft voor de flexibiliteit die het Groningenveld kan leveren is er aanvullend voor gekozen om de totaal toegestane productie zodanig in te perken dat er geen problemen met de leveringszekerheid kunnen ontstaan.
Overigens heb ik de Tweede Kamer met mijn brief van 16 december 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 91) laten weten dat voor de jaren 2015 en 2016 de maximaal toegestane hoeveelheid wordt teruggebracht tot 39,4 miljard m3 per jaar.
Hoeveel minder Groningengas zou dit jaar gewonnen hoeven te worden, indien de beschikbare conversie capaciteit maximaal gebruikt wordt? Kunt u toelichten waarom niet meer hoogcalorisch gas verdund wordt met stikstof zodat minder Groningengas gewonnen hoeft te worden?
Zie antwoord vraag 8.
Uit de onafhankelijke studie die is uitgevoerd door Gasterra en Gasunie vorig jaar naar de minimale hoeveelheid Gronings gas die nodig is voor de leveringszekerheid kwam naar voren dat 30 miljard m3 nodig zou zijn, maar dat in het geval van een zeer koude winter meer vereist was om een zekere flexibiliteit te hebben; u hebt toen 42.5 miljard m3 voor 2014 en 2015 en 40 miljard m3 voor 2016 vastgelegd, wat betekent dat ook in een zeer milde winter de NAM gewoon deze hoeveelheden kan produceren en verkopen; waarom heeft u er niet voor gekozen om een lagere winningshoeveelheid aan te houden en de mogelijkheid te bieden om alleen in het geval van een daadwerkelijk zeer koude periode een hogere winning toe te laten?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat de rechter opnieuw heeft bepaald dat het korten van kinderbijslag onwettig is |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ), Selçuk Öztürk (GrKÖ) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Centrale Raad van Beroep in Utrecht inzake een lagere kinderbijslag voor kinderen in Marokko?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het gegeven dat de regering meerdere rechtszaken gevoerd en verloren heeft over de toepassing van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid? Zo ja, wat is dan de reden dat de regering blijft procederen?
De wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid is door het parlement aangenomen. Het betreft hier een wet, die wordt toegepast op verschillende soorten uitkeringen, die worden geëxporteerd naar verschillende landen waarmee bilaterale verdragen zijn aangegaan die van elkaar verschillen. Als in de praktijk blijkt dat partijen bezwaar aantekenen tegen een wet, ligt het voor de hand dat aan de rechter voor te leggen. Waar blijkt dat woonlandbeginsel niet kan worden toegepast, heeft het kabinet deze uitspraken uiteraard gerespecteerd. Zoals blijkt uit de uitspraken van 12 december 2014 zijn er ook zaken gewonnen. Er lopen nog rechtszaken, zoals b.v. het hoger beroep van het UWV tegen de uitspraak van 5 augustus 2014 van de rechtbank Amsterdam over de WGA-vervolguitkering Marokko en Turkije. De SVB en UWV blijven procederen waar dat nodig is, ook om duidelijkheid te krijgen over de uitvoering van de wet voor de uitvoerende instanties UWV en SVB.
Hoeveel juridische onkosten heeft u tot nu toe gemaakt in de diverse procedures rondom het pogen de kinderbijslag voor kinderen in Marokko te korten?
Bij de totstandkoming van wetgeving wordt door middel van een uitvoeringstoets inzicht verkregen in alle aan de uitvoering van het voorstel verbonden kosten, waaronder ook de kosten voor het voeren van juridische procedures zoals bezwaar- en beroepszaken. Bij de invoering van onderhavig wetsvoorstel is voorzien in eenmalige uitvoeringskosten ten bedrage van € 1,2 mln en structurele uitvoeringskosten van € 0,4 mln per jaar. De kosten voor juridische procedures maken onderdeel uit van de structurele uitvoeringskosten. Over de uitputting van het budget voor uitvoeringskosten wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd via het jaarverslag van de SVB.
Hoe lang gaat u door met het voeren van dit juridische gevecht alvorens u de diplomatieke betrekkingen en handelsbetrekkingen laat prevaleren boven een dergelijke pestmaatregel?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u andere signalen ontvangen waarbij projecten die medegefinancierd worden vanuit Marokko uitgesteld, afgesteld of niet aangegaan worden door het opzeggen van het sociaalzekerheidsverdrag met Marokko? Zo nee, verwacht u deze alsnog? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Het kabinet heeft vernomen dat een toegezegde financiering door de Marokkaanse overheid van een Marokko-tentoonstelling bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen voorlopig is bevroren. Een dergelijke maatregel is een eigenstandige beslissing van de Marokkaanse overheid die buiten de invloed van het kabinet ligt.
Erkent u dat het voordeel van een verlaagde uitkering van de kinderbijslag in het kader van de Wet woonlandbeginsel niet opweegt tegen het nadeel van een verslechterd diplomatiek- en handelsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Invoering van het woonlandbeginsel heeft plaatsgevonden op grond van een door het Nederlands parlement aangenomen wetsvoorstel. Waar invoering van een dergelijke maatregel aanpassing van een bilaterale sociale zekerheidsverdrag vergt, ligt het in de rede te streven naar aanpassing van het verdrag. Dit staat niet op gespannen voet met goede bilaterale betrekkingen.
Nu de Marokkaanse autoriteiten niet positief hebben gereageerd op de Nederlandse voorstellen heeft de regering, rekening houdend met het standpunt van een meerderheid in het parlement, ervoor gekozen om over te gaan tot het indienen van een goedkeuringswet tot opzegging van het verdrag bij het parlement. Het kabinet ziet geen verdere consequenties voor de Nederlandse positie in mondiaal verband. Het betreft hier een bilaterale aangelegenheid tussen Nederland en Marokko.
Vindt u dat de handelwijze van de regering om eenzijdig het sociaalzekerheidsverdrag met Marokko op te zeggen verdere consequenties heeft voor het isoleren van Nederland op het wereldtoneel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De gevolgen van de uitspraak van het College van de Rechten van de Mens dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie als uitkering van functioneel leeftijdsontslag stopt op 65 jaar terwijl de AOW-leeftijd hoger is geworden |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het oordeel van het College van de Rechten van de Mens?1 Welke conclusies worden hieraan verbonden? Wat gaat u concreet doen om deze leeftijdsdiscriminatie te stoppen?
Het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens gaat over het in de toekomst eindigen van een uitkering op grond van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM) aan een gewezen militair. Die uitkering eindigt op het moment waarop aan de betrokken gewezen militair een ouderdomspensioen wordt toegekend en dat is volgens het ABP reglement de leeftijd van 65 jaar. Deze gewezen militair ontvangt door de verhoging van de AOW-leeftijd een AOW-uitkering wanneer hij 65 jaar en vijf maanden oud is. De Minister van Defensie maakt, volgens het College, onderscheid op grond van leeftijd door het hanteren van de ABP-pensioenleeftijd van 65 jaar als leeftijdsgrens voor een UGM-uitkering.
In reactie op dit oordeel wil ik aangeven dat de Minister van Defensie in onderhandeling is met de centrales van overheidspersoneel over het opvangen van het gevolg van het verhogen van de AOW-leeftijd. Het aanpassen van de rechtspositie van defensiemedewerkers is alleen mogelijk na het bereiken van overeenstemming hierover in het Sectoroverleg Defensie. Tot die tijd is de Minister van Defensie gehouden de bestaande rechtspositieregeling toe te passen en worden geen individuele afwijkende regelingen getroffen.
Onderschrijft u dat sprake is van een substantiële inkomensachteruitgang bij vroeg-pensioenregelingen als de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM) in de periode vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd tot aan het moment waarop de betrokkene de voor hem geldende nieuwe leeftijd waarop hij een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) zal ontvangen, bereikt? Acht u deze substantiële inkomensachteruitgang in verhouding staan tot het beoogde doel? Zo ja, waarom?
Het feit dat per 1 januari 2013 de AOW-leeftijd is opgehoogd en in de komende jaren verder omhoog gaat, heeft geleid tot overleg in de sector Defensie. Afgesproken is een tijdelijke voorziening te treffen, de zogenaamde ABP-overbruggingsregeling (tot uiterlijk 1 januari 2016). Die regeling houdt in dat automatisch het AOW-gat wordt gecompenseerd door het ABP met gebruikmaking van keuzepensioen (burgers) of het verslepen van pensioen (militairen). Voor Defensiemedewerkers met een hiaat van drie maanden of langer, zal dit hiaat zich pas na 1 januari 2016 manifesteren. Hiervoor zal de komende tijd naar een structurele oplossing worden gezocht.
Dit onderwerp maakt deel uit van het lopende arbeidsvoorwaardenoverleg met de centrales van overheidspersoneel. Voor de volledigheid deel ik u hierbij verder mee dat de aanpassing van de rechtspositie alleen mogelijk is na het bereiken van overeenstemming in het Sectoroverleg Defensie. Tot die tijd is de Minister van Defensie gehouden de bestaande rechtspositieregeling toe te passen en worden geen individuele afwijkende regelingen getroffen. Het vorenstaande is door de rechtbank Den Haag bekrachtigd in de uitspraak van 2 oktober 2014 over een vergelijkbare situatie van het eindigen van het wachtgeld van een burgerlijk ambtenaar van Defensie bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (SGR 14 / 3394 AW V102). In die uitspraak is tevens geconstateerd: «Mede gelet op het feit dat ABP-pensioen nog steeds kan ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, vormt het opschuiven van de AOW-gerechtigde leeftijd tot 67 jaar geen beletsel voor het ongewijzigd van toepassing laten zijn van de Wbad (Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie).»
Onderschrijft u dat met de beoogde versnelde verhoging van de AOW-leeftijd de proportionaliteit van de inkomensachteruitgang alleen nog maar sneller en meer in het geding komt? Zo ja, hoe meent u dit te kunnen compenseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welk belang heeft u bij het laten ontstaan en doen voortbestaan van een AOW-gat?
Het kabinet heeft er belang bij om gelet op de vergrijzing en ontgroening de AOW houdbaar te houden niet alleen voor de huidige generaties maar ook voor de toekomstige generaties. Daarom wordt met ingang van 1 januari 2013 de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 66 jaar in 2019 en 67 jaar in 20232. Bij de wijziging van de AOW-leeftijd is daarbij oog geweest voor mensen die dicht tegen de AOW-leeftijd aanzaten en op korte termijn te maken kregen met de AOW-leeftijdsverhoging. De AOW-leeftijd wordt tot en met 2015 geleidelijk met één maand per jaar verhoogd. Voor mensen die door de verhoging van de AOW-leeftijd met een overbruggingsprobleem worden geconfronteerd, is met ingang van 1 januari 2013 de tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) in werking getreden. De OBR geeft een uitkering op minimumniveau aan mensen die op 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een VUT- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling. Er geldt een inkomens- en vermogenstoets. Het kabinet is van mening hiermee adequate voorzieningen te hebben getroffen.
Is naar uw oordeel de UGM-regeling vergelijkbaar met andere pre-pensioenregelingen? Zo ja, welke pre-pensioenregelingen zijn vergelijkbaar en is daarmee het oordeel van het College van de Rechten van de Mens ook op deze regelingen van toepassing? Zo nee, waarin verschilt de UGM-regeling van andere pre-pensioenregelingen en welke betekenis hebben deze verschillen in relatie tot het oordeel van het College van de Rechten van de Mens?
De UGM is - gelijktijdig met de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) - in werking getreden op 1 januari 1966 en dient te worden beschouwd als een unieke regeling die niet kan worden vergeleken met andere regelingen. In de memorie van toelichting bij de UGM is opgemerkt dat ingevolge de Amp-wet voor de militair het pensioen zal ingaan op de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar zal bereiken. Daarbij is verder aangegeven: «het ontslag uit betrekkingen, die een zodanige fysieke en psychische geschiktheid vorderen dat op een aanvaardbare vervulling ervan na het bereiken van een leeftijd liggende beneden die van 65 jaar niet meer kan of mag worden gerekend, vergt derhalve een andere financiële voorziening dan pensioen.» De uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) is derhalve een compensatie voor het gedwongen ontslag in verband met het niet meer ten volle kunnen functioneren als militair. Tevens biedt de UGM-uitkering een overbrugging naar het moment waarop aanspraak bestaat op militair pensioen (65 jaar). De UGM is dan ook geen voorziening die vergelijkbaar is met bijvoorbeeld de VUT of de FPU omdat er geen sprake is van een vrijwillige vervroegde uittreding. Zowel de vrijwilligheid als de vervroegde uittreding zijn nadrukkelijk niet aan de orde. De UGM is eveneens niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld de regeling voor substantieel bezwarende functies voor het rijkspersoneel. In het Sectoroverleg Rijk zijn afspraken gemaakt om deze regeling te vervangen door een nieuwe regeling waarin de vaste uittreedleeftijd is verlaten. Hierbij zijn afspraken gemaakt over compensatie voor de verhoging van de AOW-leeftijd voor degenen die voor 1 januari 2013 zijn uitgetreden. In de oude regeling voor substantieel bezwarende functies bestond reeds de mogelijkheid om onder voorwaarden langer door te werken.
Het bericht ‘Zorgbestuurder vangt twee ton voor maand werk’ |
|
Grace Tanamal (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgbestuurder vangt twee ton voor maand werk»?1
Ja.
Is het waar dat deze zorgbestuurder € 199.732 heeft ontvangen voor één maand arbeid en een paar losse projecten in 2013? Zo ja, hoe verhoudt deze buitensporige beloning zich tot de Wet normering topinkomens (WNT)?
Nee, dat is niet waar. De inkomensgegevens van zorgbestuurders zijn te vinden op www.jaarverslagenzorg.nl. Daaruit blijkt dat de betrokken zorgbestuurder in 2013 een bedrag van € 151.963 heeft ontvangen. Dit betreft de optelsom van zijn beloning plus de belastbare onkostenvergoedingen. De normering grijpt echter aan bij het begrip «bezoldiging». Tot de bezoldiging moeten ook de beloningen betaalbaar op termijn, waaronder de werkgeversbijdrage pensioen, worden gerekend. De totale bezoldiging van betrokkene bedroeg in 2013 € 181.722. Betrokkene is tot 1 februari 2013 voorzitter van de Raad van Bestuur geweest. Volgens informatie verstrekt door de Raad van Toezicht, is betrokkene daarna in dienst gebleven en heeft hij werkzaamheden verricht met een substantieel tijdsbeslag. Per 1 februari 2013 wordt betrokkene als gewezen topfunctionaris aangemerkt. De bezoldiging van gewezen topfunctionarissen wordt niet door de WNT genormeerd, maar moet wel worden verantwoord. Alleen de bezoldiging voor de maand januari 2013 wordt dus door de WNT genormeerd (zie ook het antwoord op vraag 5).
Deelt u de mening dat betalingen aan bestuurders als deze schade toebrengen aan de GGZ-sector en volledig in strijd zijn met de maatschappelijke en politieke wens om inkomens – betaald van publiek geld – te matigen en te normeren? Bent u bereid bestuurder en instelling in kwestie individueel aan te spreken op dit laakbaar gedrag?
Zie het antwoord op vraag 2; de situatie zoals u die weergeeft in vraag 2, is niet aan de orde.
Deelt u de mening dat bestuurders die dergelijke salarissen wensen te verdienen niet thuishoren in deze sector?
Zie het antwoord op vraag 3.
Valt de functie waarin de betreffende persoon na januari 2013 werkzaamheden uitvoerde ook onder het begrip topfunctionaris, zoals bedoeld in de WNT? Zo ja, welke handhavingsmaatregelen heeft u in deze casus ondernomen? Zo nee, waarom heeft u geen maatregelen genomen?
Nee. Nadat betrokkene zijn bestuursfunctie heeft neergelegd (i.c. per eind januari), kwalificeert hij niet langer als topfunctionaris, maar als gewezen topfunctionaris.
Zolang de gewezen topfunctionaris werkzaam blijft bij dezelfde instelling moeten de bezoldigingsgegevens op grond van de WNT openbaar gemaakt worden.
Deelt u de mening dat de beloning in deze casus niet in verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden, dit mede in relatie tot het bestuurlijk akkoord in de GGZ-sector dat ziet op doelmatigheid, beddenreductie en beperkte uitgavengroei?
Op basis van het bericht is het niet mogelijk om een oordeel te vormen over de hoogte van de beloning in verhouding tot de functiezwaarte van deze gewezen topfunctionaris. Uit de jaarstukken en uit het door u aangehaalde bericht blijkt wel dat betrokkene het hele jaar 2013 werkzaamheden heeft verricht.
In welke klasse (artikel 3, Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg- en welzijnssector) valt betreffende zorginstelling?
Het gaat hier om het jaarverslag over 2013. En in 2013 gold er nog geen gestaffelde normering naar indelingsklasse, maar de algemene wettelijke bezoldigingsnorm.
Betreft het in deze casus een interim--bestuurder of een bestuurder die ook in 2012 in dienst was van deze GGZ-instelling?
Blijkens de jaarstukken was betrokkene 26 jaar werkzaam als bestuurder in de geestelijke gezondheidszorg waarvan ruim 17 jaar binnen hun groep. Vanaf 1 februari 2013 maakte hij geen deel meer uit van de Raad van Bestuur.
Wanneer stuurt u de algemene maatregel van bestuur over de normering van interim--bestuurders naar de Kamer? Kunt u de Kamer garanderen dat deze amvb zo snel als mogelijk naar de Kamer zal worden gezonden? Deelt u de mening dat voorbeelden als deze tot grote haast met deze amvb noodzaken?
De desbetreffende algemene maatregel van bestuur wordt thans voorbereid en zal volgens de planning in medio 2015 in ontwerp kunnen worden vastgesteld. Daarover zal ik dan ook de Kamer informeren. In de onderhavige casus gaat het evenwel niet om een interim-bestuurder maar om een gewezen topfunctionaris.
Valt betreffende zorgbestuurder onder het overgangsrecht uit de WNT?
Zoals gezegd, golden in 2013 in de zorg nog geen gestaffelde normen maar alleen de algemene wettelijke bezoldigingsnorm. Deze WNT-norm is door betrokkene in 2013 niet overschreden. Dus is er ook geen sprake van overgangsrecht. Overigens gold die normering alleen voor de maand januari 2013 waarin hij nog als bestuurder werkzaam was.
Is het met een beroep op het overgangsrecht toegestaan om bestuurders uit te betalen terwijl daar geen feitelijke werkzaamheden tegenover staan?
Voor zover er vóór inwerkingtreding van de WNT afspraken zijn gemaakt over de wijze van beëindiging van een dienstverband van een bestuurder is dit op grond van het overgangsrecht toegestaan. In deze casus is er evenwel geen sprake van de beëindiging van een dienstverband maar van een andere functievervulling.
Zijn er juridische mogelijkheden om (een deel van) dit bedrag terug te vorderen van bestuurder in kwestie? Zo ja, bent u bereid deze ten volle te benutten?
Volgens de gegevens van het Ministerie van VWS is in dit geval geen sprake van een overtreding van de WNT. Dus is er ook geen sprake van een juridische titel voor een terugvordering van betaalde bedragen.
Welk salaris ontving deze bestuurder (tot op heden) in 2014?
Dat moet blijken uit het jaarverslag 2014. Dat moet uiterlijk in juli 2015 worden aangeleverd.
De medewerking van het kabinet aan het plan om de werkloosheid in Twente aan te pakken |
|
Keklik Yücel (PvdA), Tjitske Siderius (SP), Carola Schouten (CU), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het actieplan «Twente Werkt» van de Economic Development Board Twente?1
Ja.
Herinnert u zich de motie Slob/Samsom (Kamerstuk 27 406, nr. 214 herdruk), die de regering verzoekt «waar op initiatief van de regio gewerkt wordt aan structurele versterkingen van de economie, daar waar mogelijk bij te dragen aan actieplannen om innovaties te stimuleren met behulp van rijksbeleid»?
Ja, zie mijn brief van 20 oktober 2014 aan uw Kamer betreffende «economische structuurversterking: een gezamenlijke opdracht van Rijk en regio’s» (Kamerstuk 29 697, nr. 17).
Herinnert u zich de motie Schouten/Agnes Mulder (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 36) over een economische agenda voor de grensregio's?
Ja, zie mijn brief van 11 december 2014 (Kamerstuk 32 851, nr. 7) waarin ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangegeven heb op welke wijze deze motie wordt uitgevoerd alsmede de motie Schouten c.s. (Kamerstuk 34 000 XV, nr. 35).
Deelt u de zorgen over de torenhoge werkloosheid in met name de Twentse steden en het gevoel van urgentie om deze werkloosheid terug te dringen?
Het kabinet hecht groot belang aan de werkgelegenheid in Nederland. In Twente manifesteert zich nadrukkelijk een «mismatch» op de arbeidsmarkt. Want ook in Twente zijn er nog veel vacatures in de technische en technologisch georiënteerde sectoren, ondanks de hoge werkloosheid. Het is ook daarom dat dit kabinet gericht dit vraagstuk aanpakt, onder andere met het Techniekpact en de sectorplannen.
Wat de inzet is op het behoud van overheidsbanen in de regio (zorg, rijksdiensten, etc.)?
Aan rijkszijde zijn de afgelopen jaren in overleg met uw Kamer plannen gemaakt voor de huisvesting van rijksdiensten in het land. Mutaties in de aanwezigheid van rijksdiensten kunnen een effect hebben op de werkgelegenheid in een regio. Voor het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de overige departementen worden op dit moment geen substantiële wijzigingen voorzien in het beeld dat eerder – ook voor Twente – met de Kamer is gedeeld. Dat geeft regionale bestuurders voor de middellange termijn houvast. De plannen zijn sinds 1 januari 2014 bij het Rijksvastgoedbedrijf in uitvoering.
Welke mogelijkheden ziet u om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de verschillende actielijnen die in het actieplan worden genoemd? Kunt u, na overleg met de opstellers van het rapport, uw inzet per actielijn specificeren?
De ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Economische Zaken werken al actief mee aan het Actieplan «Twente Werkt!.» Zie verder mijn brief van 20 januari 2015 (Kamerstuk 32 637, nr. 164) aan uw Kamer over het vestigingsklimaat Twente en de sluiting van de Philips-vestiging in Emmen.
De positie van identiteitsgebonden zorgcentra met een landelijke functie |
|
Renske Leijten , Marianne Thieme (PvdD) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Uitweg gezocht voor vegetarisch verzorgingshuis Felixoord»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Kent u de problemen van verzorgingshuizen die voortvloeien uit het decentralisatiebeleid en de paradox die daardoor is ontstaan, waar enerzijds een leegstand in verzorgingshuizen is ontstaan en daardoor de deur moeten sluiten, terwijl anderzijds mensen met een «beperktere behoefte aan zorg» thuis zitten?
De trend dat mensen langer thuis blijven wonen is al langer zichtbaar. Tussen 1980 en 2010 is het aantal verzorgingshuisplekken afgenomen van ongeveer 150.000 tot ongeveer 84.000 plekken, terwijl het aantal 80-plussers in dezelfde periode meer dan verdubbeld is. Met het beleid van het extramuraliseren van de lichtere zorgzwaartepakketten is aangesloten bij deze trend. Verzorgingshuizen kunnen leegstand voorkomen door hun kamers/appartementen te verhuren en ter plekke extramurale zorg en ondersteuning te leveren of door zich te richten op zwaardere doelgroepen.
Bent u op de hoogte van de problemen die vegetarisch zorgcentrum Felixoord bedreigen in haar voortbestaan?2
Ik ben op de hoogte van het feit dat Icare zich (net als veel andere instellingen) beraadt op de toekomst waarbij mensen langer thuis blijven wonen en wat dit betekent voor het zorgcentrum Felixoord. Hierbij worden vele opties onderzocht waaronder het scheiden van wonen en zorg.
Hoe verloopt de contractering van Felixoord? Moet deze procentueel afbouwen, zoals het zorgkantoor voor alle verzorgingshuizen berekent in verband met de extramuralisering van de lage zorgzwaartepakketten, of is er een uitzondering gemaakt vanwege de specifieke functie van dit zorgcentrum? Bent u bereid een spoedmaatregel te treffen om zorgcentra met een landelijke functie te behoeden voor opheffing of zodanige vervlakking die hun kerntaak kan aantasten en daarmee hun voortbestaan bedreigt?
Voor Felixoord geldt net als voor andere zorginstellingen dat de vraag van nieuwe cliënten met een licht ZZP (ZZP VV 1 t/m 3) geleidelijk zal afnemen doordat hiervoor geen nieuwe indicaties worden afgegeven. Zoals hiervoor aangegeven, bereidt de zorginstelling zich voor op de veranderingen als gevolg van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning, de veranderende eisen van de tijd en de wensen van de mensen om langer thuis te blijven wonen. Zorgkantoren houden bij het maken van productieafspraken rekening met de voorkeuren van cliënten.
Erkent u dat ouderen met een specifieke levensovertuiging behoefte en baat kunnen hebben bij een bij hun identiteit behorend zorgcentrum, en dat daarin onvoldoende tegemoet gekomen wordt in de huidige decentralisatiemaatregelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u in deze behoefte voorzien?
Ja, indien er voldoende vraag is naar een zorgcentrum voor ouderen met een specifieke levensovertuiging en de mogelijkheden van wonen en zorg voldoende kunnen worden benut. Wellicht kan het scheiden van wonen en zorg een oplossing bieden, maar dan zal de woonvorm wel voldoende aantrekkelijk moeten zijn op het gebied van kwaliteit en prijs van wonen, zorg en welzijn.
Bent u bereid tot het opheffen van inkomensdrempels, die in voorkomende gevallen kunnen leiden tot situaties dat dergelijke verzorgingshuizen tegelijk een wachtlijst hebben, terwijl tegelijk als gevolg van inkomenseisen sprake kan zijn van leegstand? Zo ja, op welke wijze kunt en wilt u bevorderen dat vraag en aanbod niet langer kunstmatig uiteen hoeven lopen? Zo nee, waarom niet?
Indien iemand gaat wonen in een woonzorgcentrum en daar zelf een kamer/appartement huurt, dan vormt de kwaliteit van het wonen (en de huurprijs die daarvoor betaald wordt) één van de elementen die betrokken worden in de afweging. Kwaliteit en prijs van wonen, zorg en welzijn worden gewogen en onder andere vergeleken met de huidige woning. Om voldoende aantrekkelijk te zijn voor alle inkomensgroepen moet de zorgaanbieder (al dan niet samen met een woningcorporatie) zorgen voor betaalbare woonvormen.
Heeft u kennisgenomen van het grote maatschappelijk draagvlak dat bestaat voor het behoud van specifieke verzorgingshuizen zoals Felixoord?
Ik heb een brief ontvangen van de Cliëntenraad Felixoord met onder andere een adhesiebetuiging van de gemeente Renkum en het LOC. Uit de brief van de gemeente Renkum blijkt dat zij in overleg zijn met de zorgaanbieder (en andere zorgaanbieders) over de plannen voor de toekomst.
Bent u bereid in uw overweging te betrekken dat Felixoord tegen haar wil, en op overheidsadvies, betrokken is geraakt bij het debacle rond de overname door Philadelphia, waarbij een groot deel van haar vermogen teloor ging in de aanschaf en verbouwing van kasteel Beverweerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Ik zie geen verband tussen een aparte status voor Felixoord en de genoemde overname door Philadelphia.
Deelt u de mening dat de bedreiging van identiteitsgebonden verzorgingshuizen met een landelijke uitstraling een onbedoeld neveneffect is van de decentralisatie van de zorg, en dat dit onbedoelde en ongewenste effect tot een ontkleuring van het zorgaanbod leidt? Zo ja, wat gaat u doen om dit ongewenste neveneffect te repareren? Zo nee, waarom niet?
In de Wlz is geregeld dat Wlz-uitvoerders de taak hebben om een gevarieerd zorgaanbod te contracteren, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de levensovertuiging van de verzekerden.
Veel instellingen hebben zich al voorbereid op de trend dat mensen langer thuis blijven wonen hebben en andere instellingen moeten dat nog doen. Het traditionele verzorginghuis zal zich in een aantal gevallen omvormen tot een modern woonzorgcentrum, waar mensen zelf een kamer huren en zorg en ondersteuning op maat kunnen krijgen of zich richten op de zwaardere doelgroepen. Ik verwacht dat er door de decentralisatie de zorg en ondersteuning meer in de eigen woonomgeving van de cliënt kan worden vorm gegeven en dat hierdoor een meer divers aanbod ontstaat dat beter kan aansluiten bij de lokale situatie.
Bent u bereid het verzorgingshuis Felixoord, dat het enige zorgcentrum is met een vegetarische identiteit, een landelijke status te geven op basis van een cultuur die aansluit bij een specifieke levensovertuiging en identiteit?
Sinds 2001 (bij de overgang van de bejaardenoorden naar de AWBZ) zijn er geen verzorgingshuizen meer met een landelijke status. Voor de zorg die Felixoord levert aan de cliënten met een lichter ZZP geldt dat dit – net als in andere verzorgingshuizen – afneemt doordat er geen nieuwe cliënten zijn die een dergelijke indicatie ontvangen. Net als voor andere instellingen geldt dat de toekomst gelegen kan zijn in het verhuren van kamers en appartementen aangevuld met ondersteuning en zorg op maat of de zorg voor zwaardere doelgroepen. Voor de zwaardere doelgroepen verandert er niets, deze wordt net als in het verleden door het regionale zorgkantoor ingekocht. De zorginstelling bereidt zich – zoals hiervoor in de beantwoording van vraag 3 al aangegeven – voor op een nieuwe toekomst, waarbij meerdere opties open staan.
Zijn er meer identiteitsgebonden zorgcentra die in hun voortbestaan worden bedreigd door de veranderingen in de zorg? Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen?
Ik heb geen signalen dat specifiek identiteitsgebonden zorgcentra in hun voortbestaan worden bedreigd.
De bespreking van de zeebaars bij de Landbouw- en Visserijraad |
|
André Bosman (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «UK secures fair fisheries deal in Europe»?1
Ja.
Heeft u bij de Landbouw- en Visserijraad op 15 en 16 december 2014 aandacht gevraagd voor de problematiek rondom de zeebaars? Op welke wijze heeft u dat gedaan?
Ja. Ik heb uw Kamer in mijn brief van 19 december 2014 (21 501-32, nr. 818) met het verslag van de Landbouw- en Visserijraad geïnformeerd over mijn inbreng in Raad. En marge van de Raad hebben de delegaties van de lidstaten Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en Nederland met de Europese Commissie in diverse sessies getracht tot een overeenkomst te komen over een maatregelenpakket.
Wat zijn de exacte voorstellen ten aanzien van het herstel van de zeebaars die de afgelopen Landbouw- en Visserijraad ter tafel zijn gekomen? Kunt u het verloop van de discussie over deze voorstellen uiteenzetten?
Ik heb in lijn met de inbreng zoals uiteengezet tijdens het Algemeen Overleg van 10 december 2014 opgemerkt dat een effectieve bescherming dringend nodig is en dat ik een «bag limit» van twee stuks voor de recreatieve visserij kan accepteren.
Er moet evenwel een balans zijn in de maatregelen voor commerciële en de recreatieve visserij. Ik heb aangedrongen op een uitfasering van de spanvisserij op zeebaars. Beperkingen voor deze sector moeten worden uitgebreid naar het Kanaal en de Keltische Zee. En marge van de Raad leek een aanzienlijke reductie van de zeedagen voor de visserij gericht op zeebaars en uitbreiding naar een breder gebied op steun van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk te kunnen rekenen. De uiteenlopende standpunten van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van een maandelijkse aanvoerbeperking per visser bleken uiteindelijk onoverbrugbaar. Frankrijk wilde een maandelijkse beperking van 20 ton per visser, het Verenigd Koninkrijk slechts 1,5 ton. Nederland had een middenpositie met 5 ton. Nederland kent deze maatregel al als nationale maatregel. Hierover bent u in juni 2014 geïnformeerd. De Europese Commissie concludeerde uiteindelijk dat er geen overeenstemming kon worden bereikt en heeft alle maatregelen met betrekking tot zeebaars uit het compromis voorstel voor een TAC en quotum verordening voor 2015 gehaald. In een verklaring roept de Commissiede lidstatendie betrokken zijn bijdeze visserij op zich vanaf destart van hetvisseizoen injanuari 2015 tot het uiterste in te spannen om de visserijdrukte verminderen, de paaibestanden te beschermenen instorting te voorkomen. DeCommissiezal voortdurendtoezicht houden op desituatieenindien noodzakelijk noodmaatregelen nemenop grond van artikel12 vande basisverordening.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het debat over de maatregelen inzake de zeebaars? Deelt u de urgentie dat stevige maatregelen nodig zijn en wat zijn uw verwachtingen voor de volgende Landbouw- en Visserijraad?
Ik vind de uitkomsten teleurstellend, gelet op de noodzaak om dringend maatregelen te nemen. Ik verwacht niet dat het onderwerp terugkomt op de agenda van een volgende Landbouw- en Visserijraad, gelet op de verklaring van de Commissie genoemd bij het antwoord op vraag 3. Na de Raad heeft het Verenigd Koninkrijk een verzoek ingediend bij de Europese Commissie om op basis van artikel 12 van de basisverordening van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid («maatregelen van de Commissie bij ernstige bedreigingen voor biologische rijkdommen van de zee») van de basisverordening GVB (EU 1380/2013), de pelagische visserij gericht op zeebaars voor de periode van 6 maanden in het Westelijk Kanaal (gebied VIIe) te sluiten. Hierover zal de Europese Commissie in januari een besluit nemen.
Heeft u overwogen om de minimale lengte van gevangen zeebaars verder te verhogen en hoe beoordeelt u deze suggestie? Graag een toelichting.
Het ophogen van de minimum aanlandingsmaat is een effectieve maatregel in de gerichte visserij. Nationaal hebben we de maat daarom opgehoogd tot 42 cm voor de visserijen met hengel (commercieel en recreatief). Een ophoging in een visserij met onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars is niet zinvol. Zeebaars die wordt bijgevangen door flyshooters of boomkor heeft geen kans van overleven. Voor het ophogen van de minimum aanlandingsmaat voor zeebaars moet de EU technische maatregelen verordening worden aangepast. Dit kan niet in de EU verordening voor vangstmogelijkheden worden geregeld. Er was van Franse of Britse zijde weinig steun voor een nationale ophoging.
Kunt u ingaan op de handhaafbaarheid van een bag limit voor sportvissers en nader uiteenzetten wat de te verwachten effecten van de bag limit zijn op het herstel van de zeebaars?
Nederland kent sinds 1 juni 2013 een «bag limit» voor zeebaars en kabeljauw (stcrt-2013-12981). De hoogte van deze bag limit is maximaal 25 stuks dan wel meer dan 20 kilogram zeebaars en of kabeljauw. De bag limit is voor de sportvisserij ingevoerd als maatregel die samenhangt met het verkoopverbod van door sportvissers gevangen vis. Hiermee kan de naleving daarvan beter verzekerd worden en is er voor de handhaving een effectief instrument voorhanden om excessen aan te pakken. De NVWA heeft sinds de invoering steekproefsgewijs controles uitgevoerd, maar geen overtredingen vastgesteld. De inschatting is dat met een lage bag limit extra handhaving nodig is vanwege het grote aantal recreatieve vissers. Dat geldt overigens ook voor een ophoging van de minimum aanlandingsmaat. Het kan in die gevallen nodig zijn om extra voorschriften vast te leggen over de aanlanding en rapportage van de gegevens. Het effect van de bag limit op het herstel van de zeebaars zal op internationaal niveau moeten worden berekend. Om de gevolgen van een beperktere bag limit voor zeebaars voor de Nederlandse sportvisser te achterhalen heb ik IMARES gevraagd te bepalen wat het effect is op het totaal door sportvissers aangelande aantal zeebaarzen en te schatten hoeveel sportvissers hierdoor worden beperkt. Hieruit blijkt dat bij het instellen van een bag limit voor zeebaars van twee stuks resulteert in een vermindering van het aantal meegenomen zeebaarzen met zo’n 38 procent.
Deelt u de mening dat de beroepsvisserij en de sportvisserij een verhoudingsgewijze bijdrage moeten leveren aan het herstel van de zeebaars? Op welke wijze is dit bediscussieerd tijdens de Landbouw- en Visserijraad?
Zie antwoord op vraag 3.
Gevaarlijke situaties in wooncomplexen in beheer bij VVE’s |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de dreigende instorting van galerijen van oude flatgebouwen?1
Ja.
Wat vindt u van de voorzorgsmaatregelen genoemd in het artikel, zoals het advies niet met twee personen naast elkaar over de galerij te lopen of gezamenlijk naar het nieuwjaarsvuurwerk te kijken?
Het gaat bij deze voorzorgsmaatregelen om de belasting op de galerij te beperken. Deze aanpak is in lijn met het protocol «Onderzoek naar en beoordeling van de constructieve veiligheid van uitkragende betonnen vloeren van galerijflats» dat in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is opgesteld en gepubliceerd. U kunt dit protocol samen met een infoblad vinden op deze link2.
Hebt u inzicht in de omvang van de geschetste problematiek van een slechte bouwkundige staat van dergelijke naoorlogse appartementsgebouwen?
Uit het infoblad dat genoemd is bij antwoord 2 volgt dat de problemen zich kunnen voordoen bij galerijflats van vóór 1975. Het gaat om galerijvloeren die zijn verbonden aan de binnenvloeren van de woningen.
Deelt u de observatie dat deze problematiek zich vooral voordoet bij complexen in beheer bij Verenigingen van Eigenaren (VvE)? Kunt u dit toelichten?
De problematiek van onveilige galerijen kan zich bij alle flatgebouwen voordoen en is niet afhankelijk van de eigenaar. In dit verband wijs ik op de recente reactie van wethouder Wijsmuller van Den Haag waarin hij aangeeft dat er in Den Haag 58 risicoflats zijn, waarvan er 32 eigendom zijn van een corporatie en 26 particulier bezit.
Op welke manier adresseert u deze problematiek in de door u onlangs aangekondigde wetgeving omtrent VvE’s?
Deze problematiek maakt heel duidelijk waarom het zo noodzakelijk is dat de wetgeving ten aanzien van VvE’s wordt verbeterd. De door mij voorgestane aanpassingen zijn bedoeld om voor dit soort situaties mogelijke oplossingen te bieden. Ik wil dat elke VvE verplicht wordt een minimaal bedrag te sparen voor (regulier) onderhoud. Dit spaarbedrag kan worden bepaald op basis van een percentage van de herbouwwaarde of op basis van een Meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Een spaarbedrag op basis van een MJOP verdient, zeker bij een ouder gebouw de voorkeur, omdat dit een door deskundigen onderbouwd inzicht geeft van het voorziene noodzakelijk (toekomstige) onderhoud aan het gebouw, waaronder bijvoorbeeld ook de toekomstige kosten voor de verbetering van balkons of galerijen. Daarnaast wil ik dat het voor VvE’s makkelijker wordt om geld te lenen in geval van onvoorziene onderhoudskosten of voor investeringen waarin de vulling van het reservefonds niet voorziet. De door mij voorgestane verbeteringen vergen aanpassing van het Burgerlijk Wetboek (boek 5). Ik ben daarover in overleg met de Minister van Veiligheid & Justitie.
Welke oplossingsrichting ziet u voor complexen met nu al onaanvaardbaar groot achterstallig onderhoud waar de financiële draagkracht van de eigenaar-bewoners onvoldoende is om de constructieve veiligheid weer op aanvaardbaar niveau te krijgen?
Belangrijk is dat de eigenaar bewoners zich niet alleen op papier maar ook in de werkelijkheid organiseren. Zij zijn er zelf verantwoordelijk voor dat de VvE actief is en niet slapend blijft. De verantwoordelijkheid voor goed onderhoud en voldoende reserveringen voor toekomstige investeringen ligt te allen tijde bij de eigenaren. Wanneer de vulling van het reservefonds onvoldoende is en individuele VvE-leden niet de mogelijkheid hebben om met een eenmalige bijdrage in de noodzakelijke kosten te voorzien, dan is de enige mogelijkheid die overblijft het aangaan van een lening door de VvE. Een gemeente kan hierin faciliteren, door op de mogelijkheden voor externe financiering te wijzen en eventueel hiervoor laagrentende leningen aan te bieden.
Kunt u toelichten welke voors en tegens u ziet bij de door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht gesuggereerde APK voor gebouwen?
Ik ben geen voorstander van een APK voor gebouwen omdat dit leidt tot een lastenverzwaring voor gebouweigenaren. Wel heb ik sinds 1 januari 2015 de mogelijkheid gecreëerd om per ministeriele regeling een onderzoeksplicht in te voeren voor evidente veiligheidsproblemen bij gebouwen. Dit is geregeld met een wijziging van het zorgplichtartikel 1a in de Woningwet. Ik heb uw Kamer hier eerder over geïnformeerd (Kamerstuk 33 798, nr. 6). Toepassing van dit nieuwe instrument vergemakkelijkt de handhaving door gemeenten als een eigenaar niet zelf onderzoek wil uitvoeren. Mijn insteek is om dit nieuwe handhavingsinstrument in te zetten bij nieuwe veiligheidsproblemen en niet bij bestaande problemen waarbij in het verleden al acties in gang zijn gezet door eigenaren en gemeenten, zoals bij de onveilige galerijvloeren. Ik ben wel bereid om in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten te bezien of de inzet van dit nieuwe handhavingsinstrument een aanvulling kan zijn bij de aanpak van onveilige galerijen en balkons.
De vergoeding van niet-gecontracteerde zorg in academische ziekenhuizen |
|
Corinne Ellemeet (GL), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van alle behandelingen bij (academische) ziekenhuizen die hoe dan ook vergoed worden, omdat deze slechts in een ziekenhuis worden gegeven, ook als deze niet gecontracteerd zijn, zoals u in antwoorden op eerder gestelde vragen aangaf?1
Een dusdanig overzicht voor alle behandelingen en voor alle verzekeraars is onmogelijk om zo te geven. De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht. Door deze zorgplicht is gegarandeerd dat alle zorg wordt geleverd. Dit betekent namelijk dat de zorgverzekeraar verantwoordelijk is voor het leveren van zorg aan de verzekerde binnen een redelijke afstand en een redelijke termijn. Indien de zorgverzekeraar niet zou voldoen aan zijn zorgplicht heeft de verzekerde recht op een volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten, ook als de zorg niet gecontracteerd is. Dus indien een verzekerde is aangewezen op een bepaalde behandeling, die mogelijk slechts in één ziekenhuis wordt gegeven, maar zijn verzekeraar heeft geen contract met de aanbieder(s) die deze behandeling aanbied(t)(en), dan is de verzekeraar vanuit zijn zorgplicht verplicht om deze behandeling te vergoeden. Bij bepaalde complexe zorg zal het hierbij in het bijzonder kunnen gaan om academische ziekenhuizen. Deze zorgplicht biedt dus meer garanties dan een opsomming.
Bent u bereid voornoemd overzicht te publiceren, zodat verzekerden zekerheid hebben welke zorg hoe dan ook vergoed wordt, ook als deze niet gecontracteerd is?
Zie antwoord vraag 1.
Als u niet in staat bent dit overzicht te maken of te publiceren, hoe kunnen verzekerden dan tijdig te weten komen welke niet gecontracteerde zorg wel of niet vergoed wordt?
Elke individuele zorgverzekeraar dient op zijn website inzichtelijk te maken welke zorgaanbieders door hem zijn gecontracteerd, welke (financiële) consequenties dit kan hebben voor de verzekerde en ook dient hij duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop wordt omgegaan met volumenormen zoals omzetplafonds. Deze verplichting is vastgelegd in de beleidsregel «informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars en volmachten 2014» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Indien nodig kan de NZa hier handhavend optreden.
Ook dienen zorgverzekeraars te allen tijde te voldoen aan hun zorgplicht, zoals ook aangegeven bij het antwoord op vragen 1 en 2. Dit betekent dat de zorgverzekeraar verantwoordelijk is voor het leveren van zorg aan de verzekerde binnen een redelijke afstand en een redelijke termijn. Indien de zorgverzekeraar niet kan voldoen aan zijn zorgplicht heeft de verzekerde recht op een volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten (ook als de zorg niet gecontracteerd is).
Het is uiteraard van belang dat verzekerden zich goed moeten informeren over het gecontracteerde aanbod (in het geval van een naturapolis) en de eventuele gevolgen indien hij gebruik maakt van niet-gecontracteerde zorg. Via het raadplegen van de website van de zorgverzekeraar kunnen zij zien welk aanbod is gecontracteerd. Verzekerden kunnen daarnaast het beste voorafgaand aan een bezoek aan het ziekenhuis de website checken dan wel contact opnemen met de zorgverzekeraar en zich laten informeren over de zorgaanbieders die zijn gecontracteerd.
Wie bepaalt dat een bepaalde behandeling bij een (academisch) ziekenhuis zodanig uniek is dat deze hoe dan ook vergoed wordt?
Dit is primair aan de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar is ervoor verantwoordelijk te voldoen aan zijn zorgplicht en zorg binnen een redelijke afstand en redelijke termijn te leveren. Deze zorgplicht brengt ook met zich mee dat de zorgverzekeraar ervoor moet zorgen dat de verzekerde, indien dit medisch noodzakelijk is, hoog complexe zorg krijgt bij een zorgaanbieder (bijvoorbeeld een academisch ziekenhuis) die niet door hem is gecontracteerd. In dat geval heeft de verzekerde ook recht op een volledige vergoeding van de genoten (niet-gecontracteerde) zorg.
Indien de verzekerde van mening is dat hij is aangewezen op een behandeling bij een niet-gecontracteerde aanbieder omdat de zorgverzekeraar deze behandeling niet binnen het gecontracteerde aanbod aanbiedt en de verzekeraar het hier niet mee eens is, en nader contact biedt geen soelaas, dan kan de verzekerde een klacht indienen bij zijn verzekeraar. Indien het meningsverschil blijft bestaan staat de weg naar de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) en eventueel de civiele rechter open.
Als achteraf toch blijkt dat de betreffende niet gecontracteerde zorg ook in een ander ziekenhuis verleend wordt, wie betaalt dan de rekening?
Elke verzekeraar heeft de verplichting zijn verzekerden in te lichten over het door hem gecontracteerde aanbod. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 doet de verzekerde er echter verstandig aan om zich ook voorafgaand aan zijn bezoek aan een ziekenhuis telefonisch door zijn verzekeraar goed te laten informeren over de zorg die is gecontracteerd. Dit is om misverstanden te voorkomen. De zorgverzekeraar kan de verzekerde voorlichten over de plek waar hij de benodigde zorg kan krijgen en recht heeft op een volledige vergoeding.
Mocht de verzekerde toch gebruik maken van niet-gecontracteerde zorg en na afloop van zijn behandeling geconfronteerd worden met een deel van de rekening van de zorg die hij heeft genoten, dan kan hij verschillende stappen ondernemen.
Allereerst kan de verzekerde in overleg treden met de zorgverzekeraar. Indien de verzekeraar aantoonbaar onvolledige informatie heeft verstrekt aan de verzekerde, is de verwachting dat de zorgverzekeraar alsnog de niet-gecontracteerde zorg vergoed. Mocht overleg met de zorgverzekeraar voor de verzekerde niet tot het gewenste resultaat leiden, dan kan de verzekerde alsnog overgaan tot het indienen van een klacht bij de zorgverzekeraar. Indien zorgverzekeraar en verzekerde niet tot overeenstemming kunnen komen, heeft de verzekerde de mogelijkheid om zich te wenden tot de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) of de civiele rechter. In deze gevallen is het aan de zorgverzekeraar om aan te tonen dat hij op basis van het gecontracteerde aanbod heeft voldaan aan zijn zorgplicht en hier de verzekerde goed over heeft voorgelicht.
Eerste deelnemer aan de “Meesterbeurs” |
|
Sadet Karabulut , Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het initiatief tot een «Meesterbeurs»?1
De verantwoordelijkheid voor het re-integratiebeleid ligt bij gemeenten, net als de instrumentskeuze. Het is van belang, zoals ik ook regelmatig aan de gemeenten kenbaar maak, dat er gestructureerd en «evidence based» gewerkt wordt bij het aan het werk helpen van mensen. De Meesterbeurs is een vorm van «werken met behoud van uitkering», die door de wet mogelijk wordt gemaakt. Werken met behoud van uitkering kan namelijk, mits uiteraard selectief en op basis van maatwerk toegepast, een effectief instrument zijn om mensen terug aan het werk te krijgen en mogelijke schroom bij werkgevers jegens een potentiële werknemer weg te nemen. Het is aan gemeenten om te bepalen of zij vinden dat een dergelijk instrument een bijdrage levert aan het door hen gevoerde re-integratiebeleid.
Wat zijn de kosten voor de werkgever?
De gemeente brengt vooraf een eenmalige «handling fee» bij het leerbedrijf in rekening ad. € 900,– exclusief BTW en het leerbedrijf zorgt voor adequate begeleiding op de werkvloer.
Is de betreffende werknemer verzekert voor de werknemersverzekeringen? Zo nee, waarom niet?
De Meesterbeurs betreft een re-integratie-instrument voor de activering van oudere werknemers op basis van werken met behoud van uitkering.Het betreft een periode van een halfjaar, waarin de 50-plusser de uitkering behoudt en waarbij de gemeente Tilburg een stimuleringspremie van 150 euro per maand boven op de uitkering verstrekt. Er wordt gedurende de Meesterbeurs geen loon betaald. De werkzoekende verricht additionele werkzaamheden en het opdoen van nieuwe werkervaring en vaardigheden staat centraal. De werkzaamheden zijn een middel om de re-integratie van betrokkenen in het arbeidsproces te bevorderen. Er is daarom geen sprake van een arbeidsovereenkomst met het leerbedrijf waar men wordt geplaatst. Dit betekent tevens dat betrokkenen niet zijn verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
Is er, gezien de aard van het werk, sprake van een gezagsverhouding, zodat er een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is er sprake van opleiding tijdens deze Meesterbeurs? Zo, ja waaruit bestaat die opleiding en waarvoor wordt opgeleid?
De 50-plusser kan in de periode van de Meesterbeurs aan het leerbedrijf de verworven competenties laten zien die op andere vakterreinen zijn geleerd. Anderzijds zal betrokkene in de praktijk voor de nieuwe functie andere competenties moeten leren.
Deelt u de mening dat hier sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen?
Het is aan de gemeente om een instrument als werken met behoud van uitkering binnen de kaders van de Participatiewet in te zetten. Daarbij hoort ook een toets op verdringing.
De gemeente Tilburg geeft aan dat de vacatures voor de Meesterbeurs zorgvuldig worden getoetst op verdringing. In mijn antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven dat er geen sprake is van een reguliere arbeidsrelatie, maar van het werken met behoud van de uitkering. Het betreft een periode van 6 maanden, waarin de 50-plussers in de nieuwe functie of vakgebied nog moeten worden bij- of omgeschoold. Het betekent een mogelijke opstap van 50-plussers naar een betaalde functie, doordat zij gedurende de Meesterbeurs hun eerder verworven competenties nu op een ander vakgebied kunnen tonen. Ik onderschrijf in algemene zin het belang dat gemeenten bij de inzet van re-integratieinstrumenten, onderzoek (laten) verrichten om de effectiviteit te bepalen.
Wat is uw reactie op het artikel «Plek voor werkervaring is ontaard in uitbuiting»?2 Wilt u een systematisch onderzoek (laten) doen naar de omvang en toetsen of er bij werkervaringsplaatsen eigenlijk sprake is van arbeid en daarbij behorende rechten en plichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De brand in Roermond van 16 december, waarbij asbest is vrijgekomen |
|
Eric Smaling , Paul Ulenbelt (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het handelen van de hulpdiensten direct na de brand en de dagen erna?
Naar het oordeel van de Veiligheidsregio Limburg-Noord hebben de hulpdiensten adequaat gehandeld. De Veiligheidsregio heeft inmiddels een tweetal evaluaties in gang gezet, een operationele evaluatie en een bestuurlijke evaluatie.
De bestuurlijke evaluatie wordt in een gezamenlijke opdracht van gemeente Roermond en de Veiligheidsregio Limburg-Noord gegeven aan een extern bureau. De bestuurlijke evaluatie omvat zowel de acute fase als de nazorgfase.
De Inspectie Veiligheid en Justitie wordt in de gelegenheid gesteld om extra vragen toe te voegen aan de (door externen) uit te voeren evaluaties.
Waarom droegen de hulpdiensten geen beschermende kleding en mondkapjes tijdens het afspuiten van mogelijk met asbestdeeltjes vervuilde auto’s?
Het brandweerpersoneel dat de ontsmetting verzorgde, heeft steeds beschermende kleding gedragen. Aanvankelijk (gedurende de eerste nachtelijke uren) heeft men daarbij geen mondkapjes gedragen. Dat gebeurde op basis van de inschatting van de operationele leiding dat het risico op asbestdeeltjes in de lucht minimaal was, gegeven de regen en gegeven het feit dat de ontsmetting gebeurde door royaal met water af te spoelen.
In de loop van de ochtend is men, na overleg met de sectie brandweer in het operationeel team, mondkapjes gaan gebruiken.
Het is nu aan de lokale bestuurders om te beoordelen hoe snel en volgens welke methode een met asbestdeeltjes vervuild terrein schoongemaakt wordt; waarom is er geen apart draaiboek beschikbaar voor rampen waarbij (mogelijk) asbestdeeltjes vrijkomen?
Sinds 2006 is de brochure «Plan van aanpak asbestbrand» beschikbaar.1 Deze brochure bevat onder andere een stappenplan voor de maatregelen die genomen dienen te worden bij een asbestbrand. Het plan van aanpak wordt momenteel geactualiseerd door het Instituut Fysieke Veiligheid.
Vindt u dat er een plan moet komen om Nederland zo snel mogelijk systematisch asbestvrij te maken? Zo nee, waarom niet?
Het beleid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erop gericht om blootstelling aan asbestvezels te voorkomen. Onderdeel van dit beleid is het voorgenomen verbod op asbestdaken per 2024, mede gezien de risico’s bij incidenten zoals in Roermond (zie antwoord 4 bij de vragen van het lid Cegerek). In de afgelopen jaren zijn de particuliere asbestwegen in de omgeving van de asbestfabrieken in Harderwijk en Hof van Twente gesaneerd. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu levert een financiële bijdrage aan de bodemsaneringen (asbest) in Overijssel.
Bij asbest in gebouwen is meestal sprake van hechtgebonden asbest; het zit vast in ander materiaal. Het asbest wordt pas gevaarlijk als het vrij komt. Het bewerken van asbest is verboden en het verwijderen van asbest is aan strenge regels gebonden. Bij de renovatie of sloop van gebouwen van voor 1994 is een asbestinventarisatie verplicht. De verwijdering van asbest dient in bijna alle gevallen door een gecertificeerd bedrijf te worden uitgevoerd.
Het beleid is er aldus op gericht om de risico’s daar aan te pakken, waar ze ook werkelijk zijn. Dit risicogerichte beleid zal ik voortzetten.
Het verkopen van statiegeldloze flessen Coca-Cola door de winkel “Gekke Gerrit’ |
|
Eric Smaling |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het bericht waarin de winkel «Gekke Gerrit» zich bekend maakt als dumpwinkel en zich daarbij profileert met het feit dat daarbij A-merken, liefst voor de helft van reguliere prijs, zullen worden aangeboden en daarnaast in de winkel adverteert met Poolse cola met daarbij de vermelding «geen statiegeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het aanbieden van PET-flessen cola voor een lagere prijs en zonder het in rekening brengen van statiegeld het statiegeldsysteem ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ja, zonder het heffen van statiegeld, kan het systeem niet bestaan. Daarom heeft Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) een systematiek ontwikkeld waarmee het voor de producent of importeur van verpakkingen onaantrekkelijk wordt gemaakt om flessen zonder statiegeld op de markt te brengen.
StAV legt vanaf 1 januari 2015 aan haar leden die grote kunststofflessen voor frisdranken en waters zonder statiegeld verkopen, een tarief op van € 7,50/kg wat neerkomt op ongeveer € 0,25/fles. Dit is een aanzienlijk hoger bedrag dan het tarief voor de leden die wel statiegeld heffen, namelijk € 0,02/kg.
Hierdoor is er dus een sterke financiële prikkel voor de leden van StAV om uit eigen beweging hun flessen te laten deelnemen aan het statiegeldsysteem.
Dit hogere tarief geldt alleen voor de producenten en importeurs die meer dan 50 ton aan verpakkingsmateriaal op de markt brengen.
Deze grens volgt uit het Besluit beheer verpakkingen waarin de verplichtingen voor de producenten of importeurs zijn vastgelegd.
Als, zoals in dit voorbeeld, een producent of importeur uit bijvoorbeeld Polen frisdrank in PET-flessen van 1.5 liter importeert en deze zonder statiegeld op de markt brengt, heft StAV het tarief van € 7,50/kg als afvalbeheersbijdrage.
In dit voorbeeld koopt de consument die frisdrank en levert de lege flessen in bij een supermarkt. Deze consument ontvangt daarvoor € 0,25 statiegeld van die supermarkt (immers, het statiegeldapparaat heeft vanwege de vorm van de fles deze herkend als Nederlandse statiegeldfles). StAV heeft met Stichting Retourverpakkingen Nederland2 afspraken gemaakt over de verdere afhandeling ten behoeve van recycling van deze flessen.
Hiermee blijft het doel, namelijk zoveel mogelijk plastic verpakkingsmaterialen recyclen, overeind.
Er kan zich ook een situatie voordoen dat de consument de fles niet terugbrengt, omdat deze zonder statiegeld gekocht is. In dat geval kan de fles mee naar de Plastic Heroes bak.
Op welke wijze en door welke instantie wordt na 1 januari 2015 gecontroleerd dat niet-deelnemers aan de Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) inderdaad de in uw brief genoemde € 0,25 per grote frisdrankfles gaan afrekenen, waarmee de StAV stelt het statiegeldsysteem te borgen?2
StAV kan achterhalen welke producent of importeur geen statiegeld heft op basis van de aangiftes over de hoeveelheid verpakkingen die op de markt worden gebracht en op basis van signalen uit de markt. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Is er bij het verkopen van grote frisdrankflessen voor 1 januari 2015 waarbij geen statiegeld in rekening wordt gebracht, sprake van een economisch delict? Zo nee, waarom niet?
Ja. Tot 1 januari 2015 was er een productverordening voor het heffen van statiegeld van het Productschap Dranken. Tot die tijd kon dit Productschap in een situatie waarin zij wist dat een producent geen statiegeld heft, dit melden aan de Economische Controledienst. In dat geval was er namelijk sprake van een economisch delict en kon een boete worden geheven.
Vanaf 1 januari is er een nieuwe situatie die beschreven is in het antwoord op vraag 2 en waar geen sprake is van een economisch delict en waar in plaats van een boete een verhoogde bijdrage wordt geheven.
Indien er sprake is van een economisch delict, op welke wijze gaat in dit specifieke geval gehandeld worden?
Als er een melding wordt gemaakt, dan is het aan de Economische Controledienst om te bepalen hoe hiermee om te gaan.
Is er bij «Gekke Gerrit» sprake van een BV-constructie, waarmee mogelijk het deelnemerschap aan de StAV wordt vermeden, waardoor in de toekomst tot wel één miljoen flessen zonder statiegeld op de markt kunnen komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gaat er niet om wat voor constructie een bedrijf heeft, maar om het feit of het bedrijf verpakkingen op de markt brengt. Elke producent of importeur die verpakkingen op de markt brengt, valt namelijk onder het Besluit beheer verpakkingen (Besluit). Daarmee is elke producent of importeur gebonden aan de verplichtingen in dat Besluit. Een producent of importeur die meer dan 50 ton verpakkingsmateriaal op de markt brengt, betaalt een afvalbeheersbijdrage aan StAV. Deze verplichting is vastgelegd in de Afvalbeheersbijdrage overeenkomst (ABBO) van StAV die door mij Algemeen Verbindend is verklaard.
Bent u van mening dat het verder bevorderen dat ook onder niet-deelnemers aan de StAV het bedrag van € 0,25 per fles geïnd gaat worden, een nog steviger borging van het statiegeldsysteem is? Zo nee, waarom niet?
Elke producent of importeur die verpakkingen op de markt brengt valt onder het Besluit. StAV is een collectief dat namens alle producenten of importeurs uitvoering geeft aan de verplichtingen uit het Besluit. Dus alle producenten of importeurs die verpakkingen op de markt brengen, vallen onder StAV. In het Besluit beheer verpakkingen en daardoor in de ABBO van StAV zijn de producenten of importeurs die 50 ton en minder aan verpakkingen op de markt brengen, vrijgesteld van afvalbeheersbijdrage en verslaglegging in verband met administratieve lasten.
Ik heb geen exacte cijfers over hoeveelheden die hierdoor buiten het systeem van StAV vallen. Op basis van de informatie van StAV gaat het hier in kilo’s om relatief geringe hoeveelheden. Daarmee is het voor het overgrote deel in aantallen kilo’s voldoende geborgd dat statiegeld geheven zal worden en is het niet nodig om nu acties te ondernemen.
Dient het heffen van statiegeld voor grote PET-flessen niet te worden verplicht? Zo ja, hoe gaat u dit regelen?
Over statiegeld zijn afspraken gemaakt in de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022. Ik hecht er aan om naar die afspraken te handelen.
Voortdurende agressie tegen NS-personeel |
|
Duco Hoogland (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NS-personeel steeds vaker fysiek belaagd»?1
Ja.
Komen de cijfers in het genoemde bericht en de enquête over agressie tegen NS-personeel overeen met andere cijfers ten aanzien van de veiligheid van NS-personeel? Zo ja, over welke cijfers beschikt u in deze? Zo nee, waaruit bestaan de verschillen?
De beoordeling van de veiligheid van het spoorwegpersoneel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop deze door het personeel zelf ervaren wordt en anderzijds door objectief meetbare factoren. Hier kan verschil tussen zitten.
Recent is door de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer de monitor Veilige Publieke Taak 20143 aangeboden. De monitor beschrijft de stand van zaken omtrent agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak – en dus niet specifiek tegen personeel van de Nederlandse Spoorwegen (NS) –, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Uit de monitor blijkt dat 55% van de medewerkers in het openbaar vervoer het afgelopen jaar slachtoffer is geworden van agressie en geweld. Dit percentage is sinds de eerste meting in 2007 nagenoeg gelijk gebleven. Op basis van dit onderzoek kunnen echter geen conclusies worden getrokken specifiek ten aanzien van NS-personeel.
Uit cijfers van de NS over 2014 blijkt dat 6,6% van het personeel (met klantcontact) te maken kreeg met lichamelijk geweld tijdens het werk. Er zijn in 2014 in totaal 774 meldingen van NS-personeel geweest ter zake van fysieke agressie. Over dezelfde periode in 2013 waren dat 777 meldingen.
Uit de VVMC-enquête – die vooral vraagt naar de beleving en ervaring van de sociale veiligheid – komt naar voren dat 64% van het treinpersoneel in 2014 te maken kreeg met fysiek geweld.
De cijfers uit de enquête, de monitor en de NS-registratie komen niet overeen, gelet op het feit dat beleving en ervaring kunnen verschillen van registratie-gegevens, alsmede gelet op een methodisch verschil van onderzoek.
Wat is uw mening over de uitkomst van de enquête dat 64 procent van het treinpersoneel het afgelopen jaar te maken heeft gehad met fysiek geweld?
De enquête geeft een belangrijk signaal over de zorgen van de VVMC-leden. De veiligheid van zowel de werknemers als reizigers in het openbaar vervoer is van groot belang. Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak vind ik onacceptabel. Het is een maatschappelijk probleem dat om voortdurende aandacht vraagt. Ik zal me daarom stevig blijven inzetten voor de aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak.
In hoeveel gevallen van agressie tegen NS-personeel is er het afgelopen jaar melding of aangifte gedaan? In hoeveel gevallen heeft dit tot vervolging geleid?
In de justitiële systemen wordt agressie en geweld tegen NS-personeel niet apart geregistreerd, zij vallen onder de categorie gekwalificeerde slachtoffers.
De politie registreert geen specifieke doelgroepen bij aangiften VPT (Veilige Publieke Taak). Vanuit politie en Openbaar Ministerie (OM) is dan ook niet aan te geven in hoeveel van de gevallen van agressie, specifiek gericht tegen NS-personeel, het afgelopen jaar melding of aangifte is gedaan dan wel in hoeveel gevallen van agressie tegen NS-personeel strafrechtelijke vervolging is ingesteld.
Uit de registratie van de NS komt naar voren dat in 2014 ruim 500 maal aangifte van agressie en/of geweld is gedaan.
Hoe lang wordt er door u – bijvoorbeeld in het kader van een Veilige Publieke Taak – of door de NS al gewerkt aan het tegengaan van agressie tegen treinpersoneel?
Ik verwijs voor het antwoord op deze vragen tevens naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Madlener4 over hetzelfde bericht.
Sinds 2007 wordt vanuit het programma Veilige Publieke Taak de landelijke aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak gecoördineerd. Het betreft een gecombineerde aanpak van werkgeversmaatregelen (bijvoorbeeld melden/registreren van incidenten en het doen van aangifte), maatregelen gericht op regionale (keten)samenwerking en strafrechtelijke maatregelen: politie en OM geven hoge prioriteit aan de opsporing en vervolging van VPT-zaken en zorgen voor een snelle en voortvarende opsporing en vervolging, waarbij een zwaardere straf zal worden geëist.
Meer specifiek ten aanzien van agressie en geweld in het openbaar vervoer is in 2009 de Taskforce Veiliger Openbaar Vervoer ingesteld. Over de maatregelen en voortgang van het programma Veilige Publieke Taak en de Taskforce VOV wordt de Tweede Kamer regelmatig geïnformeerd.
De NS heeft concrete maatregelen genomen om agressie terug te dringen en te voorkomen. Deze maatregelen liggen onder andere op het gebied van opleiding en (weerbaarheids-)training van personeel, inzet van toezichthouders met BOA-bevoegdheid (Veiligheid- en Service-medewerkers), cameratoezicht op stations en in treinen en mediacampagnes. Ook de OV-chipkaart en de toegangspoortjes op stations helpen bij het terugdringen van agressie. Uit de praktijk blijkt namelijk dat agressie vaak begint als geconstateerd wordt dat een geldig vervoersbewijs ontbreekt.
700 Veiligheid- en Service-medewerkers worden ingezet op stations en in treinen en zijn oproepbaar om in gevallen van nood en agressie tegen NS-collega’s in te grijpen. In sommige gevallen zet de NS ’s avonds externe beveiligingsteams in voor toezicht en beveiliging op stations en NS-terreinen. Daarnaast is er continu een Veiligheidscentrale (meldkamer met camera’s) bemand, die in gevallen van agressie kan ingrijpen.
De NS werkt ook samen met de politie. Op trajecten waar vaak incidenten voorkomen, vinden gemeenschappelijke controles plaats, de zogenaamde Stop & Go-acties (100% controles). Er zijn tevens afspraken met de politie gemaakt over spoedassistentie in geval van geweld tegen NS-personeel. Tot slot zijn er in lokale veiligheidsconvenanten concrete afspraken met zowel politie als gemeenten gemaakt over de regionale samenwerking.
Op de stations zal de ingebruikname van toegangspoortjes verder worden uitgebreid. De NS gaat ook door met het aanbieden van de personeelstraining «De-escalerend Optreden», over hoe om te gaan met situaties waarin agressie zich voordoet. In overleg met experts worden in de komende periode aanvullende maatregelen onderzocht, waaronder maatregelen in de sfeer van gedragsbeïnvloeding. NS-personeel krijgt binnenkort nieuwe robuuste uniformen, die beter beschermen tegen agressie.
Genoemde maatregelen dragen allemaal bij aan het vergroten van de sociale veiligheid voor zowel reizigers als personeel. Ik hecht er aan te benadrukken dat het gaat om de samenhang van maatregelen in de keten. Elke individuele maatregel draagt bij aan de effectiviteit van het geheel aan maatregelen.
Welke maatregelen zijn er genomen om de agressie tegen treinpersoneel te verminderen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven welke maatregelen effectief zijn en in welke mate? Welke maatregelen worden er binnenkort nog genomen om de agressie tegen treinpersoneel terug te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
De duurzame maatlat voor veehouderij |
|
Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat energiebesparende systemen als het ECO200 geen gebruikmaken van zware HFK’s (vanaf 2020 verboden), wat leidt tot winst voor het klimaat en de ozonlaag?
Volgens opgave van de leverancier werkt ECO200 zonder zware HFK koudemiddelen en gebruikt het een water/glycol mengsel als transportmiddel voor koeling.
HFK’s zijn broeikasgassen; het niet toepassen van deze middelen helpt bij het tegengaan van klimaatverandering.
Klopt het dat de Maatlat Duurzame Veehouderij het ECO200 en soortgelijke systemen uitsluit? Zo ja, waarom worden dergelijke systemen niet gestimuleerd via de Maatlat Duurzame Veehouderij?
De Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) sluit geen systemen uit. In de MDV worden echter geen systemen bij (merk)naam genoemd maar op basis van werkingsprincipes en deelmaatregelen gewaardeerd. Ook het ECO200 systeem is op onderdelen geanalyseerd en beoordeeld. Daarbij is nagegaan welke bijdrage de onderdelen van het systeem leveren op het gebied van energiebesparing c.q. duurzame energiebronnen. Deze analyse heeft er in geresulteerd dat de elementaire onderdelen van het ECO200 systeem een plaats hebben gekregen in de themamaatlat energie van de MDV.
Overigens is de directe reductie van broeikasgaseffecten door het niet toepassen van HFK’s geen thema binnen de MDV. De Maatlat Duurzame veehouderij stimuleert wél via de themamaatlat «energie» maatregelen die energie besparen en het gebruik van duurzamere energiebronnen. Hiermee wordt indirect wel een bijdrage geleverd aan de reductie van broeikasgassen.
Klopt de aanname dat op deze manier een verkeerde prikkel ontstaat, waardoor ondernemers geen gebruikmaken van dergelijke energiebesparende systemen, waardoor de facto meer schadelijke (broeikas)gassen worden uitgestoten? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord onder vraag 2. Energiebesparende systemen zoals ECO200 worden gewaardeerd voor hun energiebesparende effecten en de aanschaf en het gebruik ervan wordt gestimuleerd via de MDV. MDV is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de MIA\Vamil regeling.
Klopt het dat de bestaande fabrikanten van koelmachines op dit moment nog geen nieuwe innovaties c.q. initiatieven tonen om zware HFK’s uit te bannen? Zo ja, wat gaat u doen om deze sector te bewegen, zodat deze klaar is voor 2020?
Op 1 januari jl. is de nieuwe Europese F-gassenverordening in werking getreden. In deze verordening wordt onder andere geregeld dat de hoeveelheid HFK’s die tot 2030 op de markt kunnen worden gebracht sterk wordt gereduceerd en aan quota gebonden. Tevens wordt de toepassing van een aantal koudemiddelen in specifieke producten (waaronder koelinstallaties) in de loop van de komende jaren verboden. De bepalingen in deze Verordening vormen naar mijn idee een voldoende stimulans om de fabrikanten aan te zetten tot innovaties omdat zij anders geen markt meer hebben na 2020. In dit verband merk ik op dat er al koelinstallaties zijn die gebruik maken van natuurlijke koudemiddelen in plaats van HFK’s. Toepassen van natuurlijke koelmiddelen is in het algemeen ook energie-efficiënter.
Het functioneren van L1 als rampenzender tijdens de asbest-situatie in Roermond |
|
Karin Straus (VVD), Ton Elias (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Limburgse regionale omroep bij regionale rampen als rampenzender moet functioneren? Klopt het tevens dat noodmeldingen, zoals NL-Alert, voor nadere informatie in Limburg verwijzen naar L1?
Sinds 1991 fungeren de regionale radiozenders, zoals L1, formeel als calamiteitenzender. Dat wil zeggen dat de radiozenders van de regionale omroepen in geval van rampen of calamiteiten direct gebruikt moeten kunnen worden voor mededelingen aan burgers van het zogenoemde bevoegd gezag. Tijdens de brand in Roermond heeft de veiligheidsregio Limburg-Noord (radio) L1 niet formeel ingezet als calamiteitenzender.
De status van calamiteitenzender geldt alleen voor de radio, niet voor televisie en online media. De veiligheidsregio’s maken zelf afspraken met de regionale omroepen over hun inzet als calamiteitenzender. Daartoe stelt het Ministerie van Veiligheid en Justitie sinds januari 2010 een modelconvenant ter beschikking.
Noodmeldingen, zoals NL-Alert, kunnen verwijzen naar een andere bron zoals een calamiteitenzender waar op het moment van versturen meer informatie te vinden is. Dit is afhankelijk van de situatie en wordt door de veiligheidsregio bepaald.
Hoe snel na de eerste noodmelding via NL-Alert kwam de eerste berichtgeving via L1 tot stand?
L1 is formeel niet ingezet als calamiteitenzender tijdens de asbest-situatie. L1 was dus op dat moment net als overige media een nieuwszender die vanuit haar journalistieke functie berichtgeving plaatste over het incident. Voor de tijdlijn van de journalistieke verslaggeving van het incident op de verschillende platforms van omroep L1 en andere media, verwijs ik u naar de betreffende omroepen.
Hoe snel na de eerste noodmelding was via zowel radio, tv, teletekst en de website van L1 informatie over de asbest-situatie te raadplegen? Hoe verhoudt zich dit tot de snelheid van berichtgeving via (niet-rampenomroepen) als de NOS en RTL?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak werd de berichtgeving via zowel radio, tv als de website van L1 ververst gedurende de nacht en de ochtend van woensdag 17 december 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een officiële rampenzender in geval van rampsituaties snelle en kwalitatief goede informatie moet bieden? Beoordeelt u alles bij elkaar genomen de snelheid en kwaliteit van de informatievoorziening door L1 tijdens de asbest-situatie in Roermond als adequaat? Zo nee, welke maatregelen en met welk tijdpad gaat u nemen om de berichtgeving en snelheid van L1 en andere regionale omroepen in geval van rampen te verbeteren?
De overheid hecht eraan in alle crisissituaties een duidelijk en eenduidig handelsperspectief te bieden aan burgers. De calamiteitenzender is een onderdeel van een pakket aan middelen dat het bevoegd gezag kan inzetten tijdens een noodsituatie. De inzet daarvan is een lokaal bestuurlijke afweging. De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft niet de calamiteitenzender maar verschillende andere middelen ingezet om mensen te informeren over de asbest-situatie, zoals NL-Alert, Twitter, berichtgeving door woordvoerders via de regionale en landelijke media en de website van de gemeente Roermond. Er zal binnenkort een evaluatie plaatsvinden tussen de provincie Limburg, de veiligheidsregio’s en L1, waarin de procedure van inzet van de calamiteitenzender aan bod zal komen.
Bent u op de hoogte van de bereidheid van de provincie Overijssel en de gemeente Raalte om zelf (mede) te investeren in de aanpak van het knelpunt in de N35 bij Raalte (kruispunt-Bos N35/N348), met het oog op een betere doorstroming en verkeersveiligheid van de N35 en leefbaarheid in de kern Raalte?
Ja.
Kent u dezelfde prioriteit toe aan de integrale aanpak van het kruispunt-Bos N35/N348 in het kader van de uitvoering van het MIRT-onderzoek Wijthmen-Nijverdal en de gezamenlijke Marsroute N35 als de regio?
Op 27 oktober 2014 is de bestuursovereenkomst N35 Wijthmen – Nijverdal ondertekend door alle betrokken partijen. Ik heb u daarover per brief geïnformeerd1. In de bestuursovereenkomst zijn afspraken gemaakt over een lijst met de te nemen maatregelen. Deze is in nauw overleg met alle betrokken partijen tot stand gekomen. Voor dit maatregelenpakket is totaal € 15 mln beschikbaar gesteld, € 10 mln door de provincie Overijssel en € 5 mln door het Rijk. De aanpak van het kruispunt Bos N35/N348 maakt onderdeel uit van dit maatregelenpakket.
Bent u bereid een financiële bijdrage te leveren aan de verdere uitvoering van de Marsroute N35 op het tracé Wijthmen-Nijverdal, gelet op het feit dat de N35 een rijksweg is? Staat voor u de ambitie uit de Mobiliteitsaanpak van 2008 nog steeds overeind om van de hele N35 een zogenaamde 2x2 doorstroomweg waar 100 km/u gereden mag worden te maken?
Op 13 februari 2013 heb ik u per brief2 geïnformeerd over de invulling van de taakstelling op het Infrastructuurfonds.
In deze brief heb ik aangeven de maatregelen en het daarvoor gereserveerde budget (van € 5 mln.) voor de N35 Wijthem-Nijverdal te schrappen.
Tijdens het debat over deze brief op 8 april 2013 is de motie Elias-Kuiken3 aangenomen. De motie vroeg om voor dit traject € 5 mln. beschikbaar te stellen ten laste van het programma Meer Veilig 3.
Deze motie is de basis voor de bestuursovereenkomst van 27 oktober 2014 (zie vraag 2). Ik zie geen reden om naast de reeds beschikbaar gestelde middelen, additionele middelen beschikbaar te stellen voor de N35 Wijthmen-Nijverdal.
Welke bijdrage kan uit het budget voor Spoorse doorsnijdingen en (aanvullend) het landelijk Verbeterprogramma Overwegen worden geleverd aan het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de spoorlijn Zwolle-Enschede met de N348? Kan de reeds teoegekende subsidie van 1,3 miljoen euro voor dit doel worden aangewend?
Het budget voor Spoorse doorsnijdingen is volledig juridisch verplicht en biedt daarmee geen ruimte voor een bijdrage aan het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de spoorlijn Zwolle-Enschede met de N348. Het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO) is gericht op de aanpak van de overwegen met een groot verbeterpotentieel voor de bereikbaarheid. Voor het LVO is een lijst opgesteld met de ca. 140 overwegen met een dergelijk groot verbeterpotentieel en is een aantal nadere criteria bepaald. De overweg in Raalte maakt geen deel uit van deze overwegen met een groot verbeterpotentieel.
De reeds toegekende subsidie van € 1,3 mln. heeft betrekking op de bijbehorende vastgestelde scope. Wanneer de gemeente daarvan wil afwijken is een nadere beoordeling vereist van de nieuwe projectscope. Dit is begin 2014 aan de gemeente Raalte bericht inclusief het verzoek de uiteindelijk gekozen projectscope ter beoordeling voor te leggen. Hier is door de gemeente nog niet op gereageerd.
Ziet u daarnaast nog mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan een integrale aanpak van het kruispunt-Bos N35/N348 op de aspecten doorstroming, verkeersveiligheid en leefbaarheid?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht dat Hamas mogelijk van de Europese terreurlijst verdwijnt |
|
Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Court Expected to Annul Hamas Terrorist Designation»?1
Ja.
Klopt het dat het Hof van Justitie van de Europese Unie voornemens is Hamas van de Europese terreurlijst te halen?
Het gaat om een arrest van het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht is de eerste rechterlijke instantie in een vernietigingsprocedure tegen een plaatsing op de EU-terrorismelijst. Tegen een uitspraak van het Gerecht staat hogere voorziening open bij het Hof van Justitie van de EU. Het Gerecht heeft op 17 december jl. uitspraak gedaan in een zaak die Hamas heeft aangespannen tegen de Raad van de EU. Hamas vecht in dit beroep de plaatsing van Hamas op de EU-terrorismelijst aan.
Het Gerecht heeft besloten de plaatsing op de lijst nietig te verklaren, wegens procedurele gebreken. Het Gerecht benadrukt geen uitspraak te hebben gedaan over de vraag naar de kwalificatie van Hamas als terroristische groepering. Daarbij heeft het Gerecht ook besloten de gevolgen van de maatregel in stand te houden voor een periode van drie maanden. Momenteel staat Hamas derhalve nog steeds op de EU-terrorismelijst.
De Raad heeft binnen deze drie maanden de mogelijkheid een nieuwe maatregel vast te stellen, waardoor Hamas op de lijst blijft staan. De Raad heeft tevens de mogelijkheid binnen twee maanden hogere voorziening in te stellen bij het Hof van Justitie tegen de uitspraak van het Gerecht. In dat geval zou de huidige maatregel eveneens van kracht blijven voor de duur van die procedure.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Hof dat het besluit om Hamas op de terreurlijst te plaatsen, gegrondvest was op berichtgeving in de media en op het internet?
Het besluit om Hamas op de lijst te plaatsten is niet enkel gebaseerd op berichtgeving in de media en op het internet. Vereiste voor plaatsing op de EU-terrorismelijst is dat door een bevoegde instantie een beslissing is genomen ten aanzien van de bedoelde persoon, groep of entiteit (bijvoorbeeld de inleiding van een onderzoek, vervolging of veroordeling wegens een terroristische daad, dan wel een sanctiemaatregel op nationaal niveau). In het geval van Hamas is de beslissing van de Raad van de EU gebaseerd op besluiten van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
De Raad heeft echter in de zogenoemde uiteenzetting van redenen (de motivering van de maatregel) ook feiten genoemd die niet binnen het bereik van de VS en VK besluiten vielen. Volgens het Gerecht moet de Raad elke terroristische daad die hij opneemt in de uiteenzetting van redenen, en die dient ter rechtvaardiging van de maatregel, ontlenen aan een besluit van bevoegde autoriteiten.
Het Gerecht heeft dit standpunt ook ingenomen in een eerder arrest (zaken T-208/11 en T-508/11, LTTE (Tamil Tijgers)/Raad van 16 oktober 2014). De Raad is het niet eens met dit oordeel en heeft besloten beroep in te stellen tegen de uitspraak van het Gerecht bij het Hof van Justitie van de EU. Nederland steunt de Raad in deze procedure.
Deelt u de mening dat er geen misverstand over kan bestaan dat Hamas, zeker tegen de achtergrond van de gebeurtenissen in de aanloop naar en tijdens de zomer, zich schuldig heeft gemaakt en vermoedelijk blijft maken aan terroristische activiteiten? Deelt u in dat licht de mening dat het derhalve ontoelaatbaar is dat Hamas van deze lijst verdwijnt?
Het kabinetsstandpunt ten aanzien van Hamas is niet veranderd.
Bent u bereid u tot het uiterste in te spannen om, al dan niet in samenwerking met andere Europese landen, zeker te stellen dat Hamas weer op de Europese terreurlijst komt te staan?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, is Hamas door de uitspraak van het Gerecht nu niet van de sanctielijst verwijderd. Momenteel bestudeert de Raad de uitspraak. Nederland zal zich met andere lidstaten inzetten om de door het Gerecht geconstateerde gebreken te adresseren.
Het bericht ‘Noodverordening in Roermond om asbest na grote brand’ |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noodverordening in Roermond om asbest na grote brand»?1
Ja.
Is al duidelijk wat de oorzaak van de brand is?
Het politieonderzoek naar de brand loopt nog en hierover kunnen op dit moment geen mededelingen worden gedaan.
Hoeveel asbest is er vrijgekomen en wat zijn daarvan de gevolgen voor de volksgezondheid?
Op dit moment wordt in Roermond nog steeds asbest verwijderd door gespecialiseerde bedrijven. Het is daarom nog niet bekend hoeveel asbest er is vrijgekomen en wat de gevolgen voor de volksgezondheid zijn.
Is er door u en/of de Regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) een inventarisatie gemaakt van locaties waar dergelijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen inventarisatie beschikbaar van alle locaties of gebouwen waar asbest kan vrijkomen. Asbest is tot 1993 toegepast, naar schatting bevat 70% van de gebouwen van voor 1994 asbest. Mede gezien de risico’s bij incidenten zoals in Roermond ben ik voornemens asbestdaken vanaf 2024 te verbieden. Dit betekent dat de asbestdaken voor 2024 gesaneerd moeten zijn. Ik heb uw Kamer hierover ingelicht, recent in antwoord op vragen van het lid Dik-Faber.2 In het kader van het voorgenomen verbod op asbestdaken heb ik in 2012 een algemene inventarisatie uitgevoerd naar het aantal vierkante meter asbestdaken in Nederland. Uw Kamer is hier in 2012 over ingelicht.3 De asbestsituatie van scholen en ziekenhuizen is zichtbaar op de Atlas Leefomgeving.4
Op lokaal of regionaal niveau kan door de gemeente, provincie of omgevingsdienst een inventarisatie worden gemaakt van locaties die asbest bevatten. Ik wijs in dit verband op de inspanningen van de provincie Overijssel en veel Overijsselse gemeenten om alle asbestdaken op bedrijventerreinen te saneren. Ik heb vorig jaar een bijdrage geleverd aan dit initiatief. Tevens werk ik samen met LTO-Nederland in het programma agro-asbestveilig, dat gericht is op het saneren van asbestdaken in de agrarische sector. In het kader van dit programma wordt ook de samenwerking gezocht met het lokale bevoegd gezag om locaties met asbestdaken te inventariseren, om vervolgens de eigenaren te benaderen om het asbest te saneren.