De uitbreiding van een nertsenfokkerij in Haps (gemeente Cuijk) |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aanvraag voor een vergunning voor uitbreiding van een nertsenfokkerij in Haps (gemeente Cuijk)?1
Ja. Het betreft een vergunningaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet. Vergunningaanvragen voor een uitbreiding van een veehouderijbedrijf worden ingediend bij de betreffende gemeente in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij de provincie in het kader van de Natuurbeschermingswet.
In dit geval betreft het een besluit van gedeputeerde staten van de provincie Limburg voor de actualisatie van een vergunning in het kader van Artikel 16/19d Natuurbeschermingswet 1998 ten behoeve van opkoop van ammoniakrechten voor de reeds sinds 15 januari 2013 bestaande situatie. Navraag bij deze provincie en de betrokken gemeente levert op dat het hier niet gaat over een uitbreiding in aantal dieren.
Is er overlegd met de omwonenden over deze uitbreiding in het kader van deze Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV)?
Ja. Er is een dialoog gevoerd met de omgeving in het kader van de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV).
Is het waar dat het, als gevolg van de wet verbod pelsdierhouderij, verboden is uit te breiden voor nertsenfokkers maar dat door de uitspraak van de rechter deze wet buiten werking is gesteld?
Ja.
Hoe is de huidige staat van het hoger beroep tegen deze uitspraak?
De schriftelijke procedure is afgerond. Er is reeds pleidooi gevraagd. Door het gerechtshof is voor de zitting nog geen datum bepaald.
Kunnen vergunde rechten die nog niet feitelijk opgevuld zijn met nertsen, nu opgevuld worden nu de wet buiten werking is gesteld?
De pelsdierhouders hebben bij het van kracht worden van de wet op 15 januari 2013 gegevens over het bedrijf per 15 januari 2013 gemeld bij RVO.nl. Dit is het uitgangspunt voor de overgangstermijn waar NVWA op handhaaft. Omdat de wet buiten werking is kan de NVWA niet handhaven.
Handelen in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij, bijvoorbeeld door het uitbreiden van nertsenhouderijen is echter op eigen risico. Er loopt immers nog een hoger beroepsprocedure, omdat ik van mening ben dat de wet rechtmatig is.
Hoeveel andere vergunningsaanvragen zijn er gedaan voor uitbreiding en nieuwe nertsenfokkerijen sinds deze uitspraak? Bent u, indien nodig, bereid om in overleg te treden met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) om antwoord op deze vraag te kunnen geven? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend hoeveel andere vergunningsaanvragen er zijn gedaan voor uitbreiding en nieuwe nertsenfokkerijen sinds de uitspraak van de rechter waarmee de wet buiten werking is gesteld. Dergelijke informatie is niet bekend bij het Rijk omdat het een bevoegdheid van de provincies en gemeenten betreft. Het verlenen van omgevingsvergunningen is een aangelegenheid met een toetsing op milieu en bouwaspecten welke los staat van de Wet verbod pelsdierhouderij, die op een ethische afweging is gebaseerd. Dergelijke vergunningen kunnen, onafhankelijk van de status van de Wet verbod pelsdierhouderij verleend worden. Zie voor de nadere uitleg ook de antwoorden op eerdere Kamervragen (antwoorden d.d. 18 februari 2013, Vergaderjaar 2012–2013, Aanhangsel).
Of een pelsdierhouderij een uitbreidingsvergunning heeft aangevraagd en heeft gekregen in de periode na 15 januari 2013 en daar in de praktijk naar gehandeld heeft, kan pas blijken op het moment dat de wet weer kan worden gehandhaafd.
De wijze waarop ik op dat moment met eventueel uitgevoerde uitbreidingen om kan gaan, zal afhangen van de uitspraak van de rechter in het hoger beroep.
In hoeveel van deze gevallen is de verwachting dat de uitspraak in het hoger beroep nog op tijd komt om deze uitbreidingen en nieuwe fokkerijen tegen te houden indien de wet weer in werking wordt gesteld?
Het is nog niet bekend wanneer de rechter in hoger beroep uitspraak zal doen en wat daarvan de gevolgen zijn.
Welke andere stappen kunnen omwonenden, gemeente, provincie en Rijk indien nodig nemen om deze en andere uitbreiding en nieuwe nertsenfokkerijen te voorkomen? Bent u bereid om, indien nodig, deze stappen vanuit het Rijk te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Omwonenden, gemeente en provincie kunnen naar aanleiding van vergunningaanvragen de gebruikelijke stappen ondernemen in het kader van het omgevingsrecht en de Natuurbeschermingswet.
Aangezien de Wet verbod pelsdierhouderij momenteel buiten werking is gesteld, kan ik de wet op dit moment niet worden gehandhaafd. Ik wacht de uitspraak van de rechter in hoger beroep af.
Het artikel “Armeense genocide-ontkenner Justin McCarthy geeft lezing aan VU” |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Armeense genocide-ontkenner Justin McCarthy geeft lezing aan VU»?1
Ja. Zoals ook in mijn antwoorden op de vragen van de heer Kuzu (ingezonden 16 april 2015) heb aangegeven, heeft de Vrije Universiteit ruimtes die kunnen worden gebruikt voor externe bijeenkomsten.
De VU heeft ruimte ter beschikking gesteld voor een debat, waarin de verschillende perspectieven van de zogenoemde kwestie van de Armeense genocide zouden worden belicht. De organisatie is in handen van de studentenvereniging Anatolia. Kort geleden is echter duidelijk geworden dat het niet meer om een debat gaat, waarin ook andere opvattingen en perspectieven aan de orde komen, maar om een eenzijdige lezing door de Amerikaanse hoogleraar Justin McCarthy.
De VU heeft aangegeven dat de aanvraag daarmee niet langer voldoet aan het protocol «spelregels reserveren onderwijsruimten». Dat protocol sluit bijeenkomsten zonder oogmerk van een debat of open dialoog of bijeenkomsten met propagandadoeleinden voor één partij, uit. De VU heeft mij te kennen gegeven dat in de opzet van deze lezing geen ruimte was voor een debat, danwel open dialoog, en heeft daarom besloten geen ruimte ter beschikking te stellen. In een eerdere opzet, waarbij ook een hoogleraar van de Universiteit Leiden zou deelnemen, was er volgens de VU wel ruimte voor een debat of open dialoog. Nu er slechts ruimte werd gegeven aan één spreker, heeft de VU geoordeeld dat hierdoor geen evenwichtig debat kon ontstaan en op grond daarvan besloten geen ruimte ter beschikking te stellen.
Ter verbreding van het debatperspectief is de VU, samen met studentenvereniging Anatolia, in overleg geweest om tot een oplossing te komen. Die is niet gevonden, het debat zal aanstaande vrijdag niet op de Vrije Universiteit plaatsvinden.
Kunt u bevestigen dat de Turkse studentenvereniging Anatolia, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, Justin McCarthy heeft uitgenodigd voor een lezing op 24 april a.s., de dag waarop de wereld stilstaat bij de 100e herdenkingsdag van deze genocide en de slachtoffers herdenkt?
Ja.
Kunt u aangeven wat u ervan vindt dat Justin McCarthy, die bekend staat als ontkenner van de Armeense genocide, een lezing geeft bij deze studentenvereniging, uitgerekend op de dag van de herdenking?
Het is aan de organisatie, respectievelijk de instelling, om een datum te bepalen en een besluit te nemen over het ter beschikking stellen van de ruimte. Gelet op de gevoeligheid van het onderwerp, komt er wel extra gewicht toe aan de spelregels om zorgvuldig om te gaan met deze besluiten.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat McCartney in een aan de Vrije Universiteit gelieerde studentenvereniging komt spreken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben groot voorstander van open maatschappelijk debat, juist over belangrijke onderwerpen. Een dergelijk debat, bijvoorbeeld over de kwestie van de Armeense genocide, kan bijdragen aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat, nu McCarthy de enige spreker lijkt te zijn, er geen sprake meer is van een academisch debat? Zo, nee waarom niet?
Voor een academisch debat is over het algemeen een bredere voeding nodig dan de inbreng van één spreker. De inhoudelijke beoordeling daarvan ligt echter bij (het college van bestuur van) de VU.
Is het waar dat de lezing mede georganiseerd en gefinancierd wordt door «Centre for Public Debate»?
Voor zover bekend wordt de lezing georganiseerd door de studentenvereniging SV Anatolia. Een aankondiging van de lezing staat op de website van het Centre for Public Debate, te raadplegen via www.publicdebate.nl. Daaruit blijkt niet dat deze organisatie de lezing (mede) organiseert of financiert.
Het is mij niet bekend of het Centre for Public Debate financiering ontvangt van de Turkse overheid. Tegen de achtergrond van deze gegevens kan niet worden vastgesteld dat de Turkse staat de onderhavige lezing (mede)financiert.
Is het waar dat dit «Centre for Public Debate» gehuisvest is in een pand van de Islamitische Stichting Nederland (Hollanda Diyanet Vakfi), die onderdeel is van de Turkse overheid? Kunt u aangeven of dit centrum financiering ontvangt van de Turkse overheid?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit de facto betekent dat de Turkse staat deze lezing mede financiert en hier haar standpunt probeert uit te dragen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid het College van Bestuur van de Vrije Universiteit aan te spreken om te voorkomen dat McCarthy deze lezing, uitgerekend op deze dag en in deze vorm, houdt? Zo nee, waarom niet?10
Ik acht dit een zaak van de universiteit en de studentenvereniging zelf. De VU heeft mij aangegeven steeds bereid te zijn om – samen met Anatolia – te komen tot een binnen de voorwaarden van het genoemde protocol passende bijeenkomst. De VU heeft de afgelopen week veelvuldig contact gehad met de organisatoren, daaruit is inmiddels gebleken dat er geen oplossing is gevonden en het debat afgelopen vrijdag niet is doorgegaan op de Vrije Universiteit. Ik zie dan ook geen verdere aanleiding om hierover met de VU in overleg te treden.
Kunt u deze vragen vóór 22 april a.s. beantwoorden?
Dat is, met het oog op de gesprekken tussen het college van bestuur van de VU en de studenten om tot een oplossing te komen, helaas niet gelukt.
Schadelijke stoffen in veel gekleurde tatoeage-inkten |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schadelijke stoffen in veel gekleurde tatoeage-inkten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat schadelijke stoffen niet thuis horen in tatoeage-inkten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat schadelijke stoffen niet thuishoren in tatoeage-inkten. Daarom heb ik in het Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen vastgelegd dat alleen tatoeagekleurstoffen mogen worden gebruikt die geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens opleveren. Verder is in het Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen expliciet bepaald welke schadelijke stoffen verboden zijn.
Welke effecten op de volksgezondheid kunnen optreden na gebruik van schadelijke inktstoffen?
Naar schatting bevat een derde van alle op de Nederlandse markt gebruikte tatoeage-inkten schadelijke stoffen. Als deze stoffen in het lichaam vrijkomen, vergroot dat de kans op kanker. Of dit risico door deze gevaarlijke stoffen in de inkten ook inderdaad leidt tot meer kankergevallen onder bezitters van tatoeages is op dit moment onbekend. Gezien de eigenschappen van de schadelijke stoffen in de inkten lijkt het onverstandig om een tatoeage lang aan licht van zon of zonnebank bloot te stellen. De reden hiervoor is dat UV-licht het vrijkomen van de kankerverwekkende stoffen uit de tatoeage verhoogt. Ook bij het weglaseren van een tatoeage gebeurt dit. De grootte van de tatoeage, de concentratie van de schadelijke stoffen en de tijd dat het lichaam eraan is blootgesteld, spelen allemaal een rol bij de mogelijke ontwikkeling van kanker. Maar ook andere factoren spelen daarbij mee, zoals leefstijl en genetische aanleg.
Wat is uw oordeel op de wisselende reacties die vanuit de professionele tatoeage- en piercingbranche op basis van de berichtgeving vanuit de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)2 ontstaan op de schadelijke effecten, wat erop lijkt dat niet echt een urgentie wordt gevoeld om zelf de verantwoordelijkheid te nemen om het gebruik van veilige inkt te waarborgen?
Ik vind het belangrijk dat de branche het probleem serieus neemt en ook zelf verantwoordelijkheid neemt om ervoor te zorgen dat tatoeëerders veilige tatoeage-inkten gebruiken. Het is aan hen zelf om na te gaan of hun inkten ook voldoen aan de wettelijke eisen.
De onderzoeksresultaten van de NVWA hebben vooral betrekking op inkten die bemonsterd zijn bij importeurs van inkten die door de professionele tatoeëerders worden gebruikt. Het gaat niet om, zoals in de berichtgeving in de media wordt gesuggereerd, via internet, door illegale (thuis)tatoeëerders geïmporteerde inkten. Hiermee ontstaat ten onrechte het beeld dat alleen illegale (thuis)tatoeëerders onveilige inkten zouden gebruiken. Veel professionele tatoeëerders blijken er zonder meer vanuit te gaan dat hun inkt veilig is, zonder dit daadwerkelijk te verifiëren.
Wat vindt u ervan dat de NVWA ervoor pleit dat de importeurs de vloeistoffen (inkt) die zij verhandelen voortaan gezamenlijk laten controleren in laboratoria?
Ik vind dit een goede zaak. Het is de verantwoordelijkheid van ondernemers om er voor te zorgen dat alleen veilige tatoeagekleurstoffen op de markt worden gebracht en bij het tatoeëren worden gebruikt. Om daar zeker van te zijn zouden Nederlandse importeurs hun krachten kunnen bundelen en actief commerciële laboratoria kunnen benaderen om de inkten op basis van de NVWA analysemethoden of gelijkwaardig te testen.
Is, gelet op het gegeven dat tussen 2008 en 2013 door de NVWA 44 boetes zijn opgelegd voor het verhandelen van inkt die schadelijke stoffen bevat, in alle gevallen overgegaan tot het opleggen van een boete? Zo nee, waarom niet?
Er is in deze jaren, naast 157 schriftelijke waarschuwingen, in 44 gevallen overgegaan tot het opleggen van een boete. Zowel in het geval van een schriftelijke waarschuwing als van een boete haalt de NVWA de desbetreffende partij inkt uit de handel. Sinds november vorig jaar geldt er een verscherpt interventiebeleid voor tatoeagekleurstoffen en tatoeëren en piercen, waarbij bij ernstige overtredingen de NVWA direct een boete oplegt, in plaats van eerst een schriftelijke waarschuwing.
Kunt u aangeven wat de hoogte is geweest van de opgelegde boetes?
De hoogte van de boete is 525 euro en bij herhaalde overtreding (recidive) een verhoging met 50% van dit bedrag.
Bent u van plan in de aangekondigde algemene maatregel van bestuur de hoogte van de boetes voor de handel en het gebruik van schadelijke inktstoffen die gebruikt worden voor het zetten van tatoeages te verhogen?
De aangekondigde algemene maatregel van bestuur ziet op het introduceren van een omzetgerelateerde boete om gevallen van fraude en misleiding effectiever aan te kunnen pakken. Daarvan is hier geen sprake, omdat het hier de borging van de volksgezondheid betreft.
Daarvoor geldt het bestuursrecht met de huidige boetebedragen. Ik ben niet voornemens deze boetebedragen te verhogen. Indien sprake is van opzet met een direct gevaar voor de volksgezondheid schrijft de Warenwet voor dat wordt overgestapt naar het strafrecht.
Ik werk op dit moment samen met de Staatssecretaris van EZ aan een toezichtkader voor de NVWA, dat ik u voor de zomer 2015 heb toegezegd. Dit toezichtkader moet handvatten bieden voor de invulling van een verscherpt en eenduidig interventiebeleid.
Gaat u naar aanleiding van deze berichtgeving en alles wat er is gewisseld met de Kamer tijdens de behandeling van de wijziging van de Warenwet (Kamerstukken 33 775) op 9 april 2015 in gesprek met de professionele tatoeage- en piercingbranche? Zo ja, kunt u de Kamer berichten over de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de behandeling van de wijziging van de Warenwet heb ik uw Kamer toegezegd om samen met GGD'en te kijken of er een mogelijkheid is om veilig te tatoeëren met as van overleden personen. Ik zal hier ook de NVWA en de professionele tatoeagebranche bij betrekken en uw Kamer hierover informeren. Het punt van de schadelijke stoffen in tatoeagekleurstoffen zal ik daarbij betrekken. Tevens zal ik u dan informeren over mijn toezegging om nog eens te kijken naar de informatiesite veiligtatoeëren.nl.
Deze site is inmiddels naar aanleiding van de campagne «Think before you ink» uitgebreid met nadere informatie over zaken waaraan consumenten moeten denken als zij een tatoeage willen nemen, hebben of willen verwijderen.
Op welke wijze gaat u zorgdragen voor het breed onder de aandacht brengen van de campagne «Think before you ink!», en hoe gaat u daarbij de professionele tatoeage- en piercingsbranche betrekken?
De campagne «Think before you ink» krijgt zowel via traditionele media (krant, radio, televisie) als via online media aandacht. Aan het Algemeen Dagblad is een exclusief interview gegeven en het nieuwsbericht van de NVWA is door andere media overgenomen.
Via Facebook is een advertentiecampagne opgezet, gericht op de doelgroep M/V, 14–25 jaar met interesse in tatoeages. De komende weken wordt de boodschap in totaal vier keer via wisselende posts bij deze doelgroep onder de aandacht gebracht. De grootte van deze doelgroep is 620.000 mensen. Geschat wordt dat hiermee 60% van deze doelgroep wordt bereikt.
Professionele tatoeëerders en de bekende Nederlandse importeurs zijn door de NVWA op de hoogte gebracht dat de onderzoeksresultaten naar buiten zouden komen en dat hierover informatie aan de consument zou volgen. Ik zal via de NVWA de professionele tatoeagebranche vragen om deze boodschap actief onder de aandacht van haar achterban te brengen.
De aardbevingsbestendigheid van het chemiepark in Delfzijl |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die de burgemeester van Delfzijl, Emme Groot, de commissaris van de Koning van Groningen, Max van den Berg en de samenwerkende bedrijven in de Eemsdelta u hebben gestuurd inzake de aardbevingsbestendigheid van het chemiepark in Delfzijl?1
Ja. Ik heb op 13 mei jl. mijn reactie op de brief verstuurd. Een afschrift is bijgevoegd.
Is het waar dat er in juni 2013 aan de gemeente en provincie onderzoek is toegezegd naar de aardbevingsbestendigheid van het chemiepark in Delfzijl?
Medio 2013 heb ik met de Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta (SBE) het initiatief genomen voor een werkgroep die onafhankelijke onderzoeken begeleidt naar de aardbevingsbestendigheid van industriële installaties in de Eemsdelta. In de werkgroep participeren ook vertegenwoordigers van KNMI, Deltares, TNO en NAM.
Is er tot op heden onderzoek uitgevoerd naar de aardbevingsbestendigheid van het chemiepark in Delfzijl? Zo ja, bent u bereid om de gemeente over dit onderzoek te informeren? Zo nee, bent u bereid om op korte termijn opheldering te verschaffen over de aardbevingsbestendigheid van het chemiepark in Delfzijl?
Het bedrijfsleven laat momenteel onderzoek uitvoeren naar de mogelijke risicovolle delen van de industrie in de regio, waaronder het chemiepark. Hiervoor heeft de genoemde werkgroep eerst een methode ontwikkeld, aangezien er geen nationale norm of aanpak is voor het vaststellen of toetsen van de aardbevingsbestendigheid van industriële installaties. Op mijn verzoek hebben Deltares en TNO een handreiking ontwikkeld voor het uitvoeren van studies naar het effect van aardbevingen voor bedrijven in de industriegebieden Delfzijl en Eemshaven. Met behulp van deze handreiking, waarvan de eerste versie begin 2014 verscheen, zijn ingenieursbureaus aan het werk gegaan in opdracht van individuele industriële bedrijven. Omdat het hier om nieuwe vormen van onderzoek gaat waarbij eenduidige beoordeling belangrijk is, wordt de opzet van dergelijke onderzoeken vooraf goedgekeurd door Deltares en TNO. De ervaringen uit de feitelijke onderzoeken worden gedeeld tussen de uitvoerende bureaus en de bedrijven, en leiden waar nodig tot aanpassing van de handreiking; er is inmiddels een vierde versie beschikbaar. De onderzoeken zelf worden vergoed door NAM.
De ontwikkelde aanpak begint met een eerste fase waarin globaal (kwalitatief) wordt onderzocht welke delen van installaties relevant zijn in het kader van externe veiligheid en welke daarvan schade kunnen oplopen na een aardbeving. Na dit onderzoek wordt duidelijk welke installaties niet nader onderzocht hoeven te worden omdat de kans dat ze ernstig beschadigd raken heel klein is, of omdat de schadelijke gevolgen van beschadiging erg klein zijn. De tweede fase is gericht op de overblijvende installaties en behelst het uitrekenen tegen welke intensiteit van aardbeving ze bestand zijn en het bepalen of versterkingsmaatregelen nodig zijn, en zo ja, welke maatregelen dat kunnen zijn. In de derde fase worden noodzakelijke versterkingsmaatregelen uitgevoerd.
Het onderzoeksproces is er vooral op gericht om de langere termijn bestendigheid tegen eventuele zwaardere aardschokken in beeld en zo nodig op peil te brengen. De totale doorlooptijd van de drie fasen kan oplopen tot twee jaar; een reële schatting is nog moeilijk te maken. De prioriteit ligt daarom bij bedrijven die vallen onder de voorschriften van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO). Het is de bedoeling dat de onderzoeksresultaten in het reguliere kader van vergunningverlening worden gecommuniceerd met het bevoegd gezag, in casu de gemeenten Delfzijl en Eemsmond, en met de Veiligheidsregio Groningen.
Ik zal de Nationaal Coördinator Groningen vragen om met de betrokken partijen te bespreken of, en zo ja, hoe het onderzoeksproces versneld kan worden.
Het bestemmingsplan in Utrecht omtrent het (Nieuwe) Zandpad |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het door de gemeente Utrecht ter inzage gelegde bestemmingsplan «Het Nieuwe Zandpad»? Bent u er ook mee bekend dat de gemeente Utrecht voornemens is 162 prostitutieramen te (doen) ontwikkelen op deze locatie?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de eerdere prostitutieramen aan het Utrechtse Zandpad en aan de Hardebollenstraat mede zijn gesloten op grond van onderzoek en recherchewerk van het Team Mensenhandel van de politie en de TaskForceMensenhandel, onder andere naar de veroordeelde mensenhandelaar Saban B.? Hoe beoordeelt u in dit licht het aantal ramen (162) dat de gemeente Utrecht wenst te exploiteren?
Het is een verantwoordelijkheid van het lokale gezag om ten aanzien van (toekomstige) raamprostitutie keuzes te maken die zijn toegesneden op de lokale situatie en daarbij gebruik te maken van politie-informatie.
Deelt u de mening dat de mogelijke betrokkenheid van exploitanten bij het faciliteren van mensenhandel zich niet altijd hoeft te vertalen in definitieve daadwerkelijke (strafrechtelijke) veroordelingen maar bevindingen hieromtrent uit opsporingsonderzoeken wel kunnen bijdragen aan beslissingen om exploitatievergunningen in te trekken of te verlenen?
Ja.
Wat is de betrokkenheid van de nationale politie geweest, uitgedrukt in fte per begrotingsjaar van 2008 tot en met 2013, concreet bij het Team Mensenhandel alsmede in de TaskForce Mensenhandel in opsporingsonderzoeken omtrent het Zandpad?
De systemen van de politie en het OM zijn er niet op ingesteld om op een eenvoudige en betrouwbare wijze tot op het gevraagde detailniveau de bestede tijd in fte’s te bepalen.
De TaskForce Mensenhandel heeft geen aandeel in operationele activiteiten. Van rijkswege was er, vanuit de Inspectie SZW, geen betrokkenheid op het vlak van hulpverlening in verband met de voormalige exploitatie van prostitutieramen in Utrecht.
Wat is de te voorziene betrokkenheid in fte volgens u bij de hierboven genoemde teams wanneer de ontwikkeling van het «Nieuwe Zandpad» realiteit wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Welke andere instanties, zoals het Openbaar Ministerie participerend in de TaskForce Mensenhandel en officieren van justitie in de voorbereiding op strafzaken en inspecties (waaronder hulpverlening), zijn van rijkswege betrokken bij de voormalige exploitatie van prostitutieramen op het Zandpad? Kunt u ten aanzien van deze instanties en organisaties ook de (te verwachten) betrokkenheid in fte weergeven zoals omschreven in de vorige twee vragen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vorige drie vragen ook beantwoorden ten aanzien van het aantal aanwezige (alsmede toekomstige) fte ten aanzien van de tippelzone op de Europalaan in Utrecht?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bij iedere weergave van het aantal fte in de beantwoording van bovenstaande vragen aangeven welke financiële weerslag dit heeft gehad in de betreffende departementale begrotingen van het betreffende begrotingsjaar?
Gezien mijn antwoord op vragen 4 tot en met 7 ben ik hiertoe niet in staat.
Bent u van mening dat de nieuw te ontwikkelen prostitutiezone (het Nieuwe Zandpad) een aanzienlijk beslag legt op de capaciteit van de nationale politie, de TaskForce Mensenhandel alsmede andere betrokken instanties en inspecties?
Ook hier geldt dat het een verantwoordelijkheid is van het lokale gezag om keuzes te maken die zijn toegesneden op de lokale situatie, onder meer rekening houdend met de beschikbaarheid van capaciteit bij de lokale toezichthoudende en handhavende diensten.
Heeft u contact gehad met de gemeente Utrecht over het genoemde bestemmingsplan? Zo ja, welke boodschap heeft u daar overgebracht?
Nee, aangezien het een lokale aangelegenheid betreft.
Bent u bereid de hierboven genoemde betrokkenheid van het Team Mensenhandel van de nationale politie, de TaskForce Mensenhandel en andere instanties, alsmede de weerslag hierop in de Rijksbegrotingen, ook te zenden aan de Utrechtse gemeenteraad zodat de raad dit kan betrekken in zijn afwegingen over de te ontwikkelen plannen omtrent het Zandpad?
Deze antwoorden zijn openbaar.
De mogelijkheid tot het geven van dubbele schooladviezen bij het doorstromen van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat het overlegorgaan Primair Onderwijs/Voortgezet Onderwijs in de gemeenten Aalburg, Heusden, Loon op Zand en Waalwijk van basisscholen verlangt dat zij slechts een éénduidig schooladvies geven aan leerlingen en dat gecombineerde schooladviezen (bijvoorbeeld havo/vwo of vmbo-tl/havo) niet mogelijk zijn? Is dit in lijn met het rijksbeleid en uw uitspraken in het plenaire Kamerdebat op 25 februari jl. over het omzeilen van schooladviezen?1 2 3
Ik acht het niet wenselijk dat scholen met elkaar afspreken om alleen enkelvoudige adviezen te geven. Dit heb ik ook met uw Kamer gewisseld in het debat «omzeilen schooladvies» dat op 25 februari jl. plaatsvond. Naar aanleiding van dat debat en de aangenomen motie van de leden Ypma en Rog heb ik een brief gestuurd aan alle scholen en besturen voor primair en voortgezet onderwijs met de duidelijke boodschap dat basisscholen het recht hebben om zelf te beslissen of zij een enkelvoudig of dubbel schooladvies geven.4 Een gecombineerd schooladvies is zinvol en mogelijk voor die leerlingen in groep 8 waarvoor door de school nog niet goed is te determineren welk schooltype het beste bij hen past. Zij zijn gebaat bij dubbele adviezen. Een middelbare school mag een leerling niet weigeren omdat die leerling een dubbel advies heeft.
Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en hun besturen hebben de mogelijkheid om binnen de kaders van de wet- en regelgeving nadere afspraken te maken over de overgang po-vo. De wetgeving is niet bedoeld als een strak keurslijf waarbinnen geen maatwerk mogelijk is. Hoewel ik het niet wenselijk vind, wordt deze ruimte door de scholen binnen het overlegorgaan Primair Onderwijs/Voortgezet Onderwijs in de gemeenten Aalburg, Heusden, Loon op Zand en Waalwijk gebruikt om onderlinge afspraken te maken over het geven van enkelvoudige schooladviezen. Ik moet echter vaststellen dat dergelijke afspraken niet direct strijdig zijn met de wet- en regelgeving.
Welke maatregelen gaat u nemen om het overlegorgaan Primair Onderwijs/Voortgezet Onderwijs in de gemeenten Aalburg, Heusden, Loon op Zand en Waalwijk op andere gedachten te brengen en het ook voor basisscholen in deze regio mogelijk te maken om dubbele schooladviezen te geven? Kunt u dit toelichten?
De inspectie heeft contact opgenomen met het overlegorgaan Primair Onderwijs/Voortgezet Onderwijs in de gemeenten Aalburg, Heusden, Loon op Zand en Waalwijk om te benadrukken dat het niet voor alle leerlingen wenselijk is als de scholen en hun besturen in een regio met elkaar afspreken om alleen enkelvoudige schooladviezen af te geven. Het punt zal nu worden ingebracht in het besturenoverleg van het overlegorgaan.
Falende hartapparatuur bij de ambulancedienst Gelderland-Zuid |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «falende hartapparatuur ambulancedienst Gelderland-Zuid»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de apparatuur in ambulances in geen geval van onbetrouwbare kwaliteit mag zijn?
Voor het bieden van verantwoorde zorg is het van belang dat de gebruikte apparatuur van goede kwaliteit is. Indien er sprake is van technische problemen is dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder en de fabrikant om dit adequaat op te lossen.
Kunt u aangeven hoeveel incidenten er hebben plaatsgevonden bij de ambulancedienst Gelderland-Zuid?
Bij de Regionale Ambulance Voorziening (RAV) Gelderland-Zuid zijn intern meldingen gedaan van problemen die zich voordeden bij het gebruik van de monitoren. De fabrikant is hiervan op de hoogte. RAV Gelderland-Zuid en de fabrikant hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) geïnformeerd. Op dit moment behandelt de IGZ de melding over deze casuïstiek. Het is niet mogelijk inhoudelijk in te gaan op deze vraag gedurende de behandeling van de melding.
Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak van de directeur van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid: «Er zijn problemen die gewoon niet te voorkomen zijn, zoals een bloeddrukmeting die niet nauwkeurig op te meten is, zolang de ambulance rijdt. Mensen moeten ook aan het apparaat wennen.»?
Zie antwoord vraag 3.
Kan hieruit worden geconcludeerd dat naast problemen met de hartapparatuur er nog andere technische- of vaardigheidsproblemen spelen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of ook bij andere ambulancediensten soortgelijke incidenten hebben plaatsgevonden?
De IGZ heeft mij geïnformeerd dat zij van één andere ambulancezorgaanbieder vergelijkbare meldingen over de betreffende monitor van deze fabrikant heeft ontvangen. Momenteel behandelt IGZ deze meldingen. Daarnaast gaat de IGZ bij de Europese lidstaten en bij de FDA na of er vergelijkbare meldingen zijn.
Kunt u aangeven op welke termijn de ambulancedienst(en) verwachten deze problemen te hebben opgelost?
De verantwoordelijkheid ligt in deze casus bij zowel de ambulancezorgaanbieder als de fabrikant. Het is aan de ambulancezorgaanbieder om verantwoorde zorg te leveren. Daarnaast moet de fabrikant een veilig product leveren en de prestaties van het product na het op de markt brengen volgen. Beide partijen zijn op hun verantwoordelijkheden aangesproken door de inspectie.
De RAV en de fabrikant zijn met elkaar in contact om de problemen zo spoedig mogelijk op te lossen. De inspectie houdt de voorgang nauwlettend in de gaten en zal indien noodzakelijk passende maatregelen nemen.
De compensatie aan vissers op het IJsselmeer |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Recht op Rechtvaardig»?1
Ja.
Klopt het dat de toegezegde 340.000 euro compensatie voor de vissers tot op heden niet is uitgekeerd? Zo ja, waarom is dit nog niet gebeurd en op welke termijn gaat dit gebeuren?
Bij brief van 1 juli 2014 (Kamerstuk 29 664, nr. 121) heb ik u geïnformeerd over de afspraken die zijn gemaakt in het Bestuurlijk Overleg van 26 juni 2014. Daarbij hebben de leden van het Bestuurlijk Overleg onder meer afgesproken dat de reductie voor het visseizoen van 1 juli 2014-1 juni 2015 (het overbruggingsjaar) geflankeerd wordt met een financiële tegemoetkoming uit een Transitiefonds van € 340.000. Dit Transitiefonds moest verder worden uitgewerkt en een belangrijk onderdeel daarvan is de invulling van de tegemoetkoming aan de vissers in het overbruggingsjaar. Dit gebeurt in nauw overleg met de Producenten Organisatie IJsselmeer (PO). Zoals ik uw Kamer bij brief van 10 april jl. (Kamerstuk 29 664, nr. 124) heb laten weten, is het Transitiefonds inmiddels opgericht. Het wordt beheerd door de Stichting Transitie IJsselmeer. Deze Stichting heeft uit dit Transitiefonds op 2 april jl. de eenmalige onverplichte tegemoetkoming van € 340.000 verstrekt die de PO IJsselmeer namens de IJsselmeervissers had aangevraagd voor het overbruggingsjaar. De PO zorgt voor de verdere verdeling daarvan.
Klopt het dat de toegezegde compensatie alleen via een stichting aan de vissers kan worden uitgekeerd? Zo ja, op welke regelgeving is dit gebaseerd? Zo nee, waarom is dan voor deze constructie gekozen?
Deze constructie vloeit voort uit het bestuurlijk akkoord van 26 juni 2014.
Klopt het dat de volgende verdeelsleutel is voorgesteld: 25% van het bedrag verdelen over het aantal vergunningen en 75% over de opbrengst van de vangst? Klopt het dat dit ertoe leidt dat de bedrijven die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de huidige problemen met de schubvisstand (omdat zij de meeste vissen hebben gevangen) de meeste compensatie ontvangen? Kunt u uw reactie hierop geven?
In het bestuurlijk akkoord is afgesproken dat de verdeelsleutel door de PO wordt bepaald.
Bent u bereid te kijken naar de verdeelsleutel zoals hij momenteel is voorgesteld, om te voorkomen dat de partijen die de minste bijdrage hebben geleverd aan het probleem de laagste vergoeding krijgen? Zo ja, welke alternatieve verdeelsleutel stelt u voor? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord onder 4.
Heeft het illegaal vissen op schubvissen gevolgen voor de compensatie voor de bedrijven die dit doen? Zo ja, welke gevolgen? Zo nee, waarom niet?2
Nee. In het Bestuurlijk Overleg van 26 juni 2014 hebben partijen aan het verstrekken van de tegemoetkoming uit het Transitiefonds niet de voorwaarde verbonden dat het illegaal vissen op schubvissen gevolgen moet hebben voor de hoogte van de tegemoetkoming.
Het bericht ‘Stad klaar met tunnelmalaise’ |
|
Betty de Boer (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Stad klaar met tunnelmalaise»1 en «Rover: maat is vol met treinstoringen Schiphol»?2
Ja.
Klopt de berichtgeving dat gemiddeld dertig keer per maand het verkeer voor de Coentunnel stilstaat vanwege een te hoge vrachtwagen? Zo nee, hoe vaak zijn er in het afgelopen kwartaal dan stremmingen ontstaan voor de Coentunnel, van welke duur zijn deze en wat zijn hiervan de oorzaken? In hoeverre is dit een toename of afname in vergelijking met kwartaal één in 2014?
Het verkeer voor de Coentunnel staat tussen de 25 en 30 keer per week stil als gevolg van een te hoge vrachtwagen. Het betreft dus een hoger aantal. Er is geen vergelijking mogelijk omdat in het eerste kwartaal van 2014 alleen de nieuwe Tweede Coentunnel in gebruik was. De gerenoveerde Eerste Coentunnel is juli 2014 geopend. Het aantal keren dat een hoogtemelding leidt tot een daadwerkelijke file, langer dan 2 kilometer, is beperkt. De hinder varieert van enkele minuten tot 20 minuten. In het geval van het laatste is er natuurlijk sprake van behoorlijke hinder maar het aantal lange files dat daadwerkelijk veroorzaakt wordt door een hoogtemelding is gering. De verkeersintensiteit op het wegennet rondom Amsterdam is filegevoelig. Hoogtemeldingen tijdens de spits dragen natuurlijk niet bij aan een goede doorstroming en de berichtgeving hierover doet geen recht aan het feit dat we met veel inzet werken aan optimale bereikbaarheid van de hoofdstad. De eerder ingezette maatregelen om in overleg te gaan met de sector, de handhaving en de technische middelen te verbeteren, hebben bij de Coentunnel nog niet zichtbaar tot resultaat geleid. De hoogtemeldingen leken daar begin dit jaar af te nemen, de laatste periode is er weer een stijgende trend. Om deze reden zal ik de monitoring van de stremmingen bij de Coentunnel intensiveren. De resultaten hiervan zal ik analyseren om na te gaan of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Ik verwacht dit in het derde kwartaal van dit jaar af te ronden.
Hoe vaak zijn er in het afgelopen kwartaal stremmingen ontstaan voor de Schipholtunnel? Van welke duur zijn deze en wat zijn hiervan de oorzaken? In hoeverre is dit een toename of afname in vergelijking met kwartaal één in 2014?
In de Schipholtunnel vonden in het afgelopen kwartaal zes stremmingen plaats. Eén verstoring in de tunnel werd veroorzaakt door de Tennet stroomstoring op 27 maart, vijf door rook- en brandmeldingen. Zie voor de oorzaken en de duur van de verstoringen de onderstaande tabel. In het eerste kwartaal van 2014 waren er twee verstoringen als gevolg van een brandmelding in de Schipholtunnel.
22/1
3/2
13/2
23/2
22/3
27/3
Rook/brandmelding
Rook/brandmelding
Rook/brandmelding
Handbrandmelder ingedrukt
Rook/brandmelding
Stroomstoring
Vaste rem trein station Schiphol
Vaste rem trein station Schiphol (zichtbare rookontwikkeling)
Defecte ventilator trein op station Schiphol
Persoon zat klem tussen treindeur (instappen tijdens het sluiten van de deuren). Iemand op het perron wilde ingrijpen om te voorkomen dat de trein zou vertrekken en drukte een handbrandmelder in.
Brandlucht waargenomen door machinist in trein.
Stroomstoring TenneT Noord-Holland
22 minuten
51 minuten
1 uur 16 minuten
23 minuten
45 minuten
1 uur 56 minuten
De afgelopen jaren is een dalende trend in het aantal (onterechte) rook- en brandmeldingen in de Schipholtunnel waar te nemen. Alleen het eerste kwartaal van 2015 kende opnieuw een hoog aantal storingen.
Is er sprake van een toe- of afname van stremmingen voor verkeerstunnels? Wat zijn de oorzaken? In hoeverre spelen de nieuwe eisen met betrekking tot de tunnelveiligheid hierin een rol? Deelt u de mening dat met de vele stremmingen en files voor deze tunnels enorme economische schade wordt veroorzaakt?
Landelijk neemt Rijkswaterstaat geen stijgende of dalende trend waar in het aantal stremmingen van verkeerstunnels. De voornaamste oorzaken voor stremmingen van tunnels zijn hoogtemeldingen, verkeersdosering en sporadisch technische storingen of incidenten. De nieuwe tunnels worden hoger gebouwd waardoor hier relatief weinig of geen hoogtemeldingen voorkomen. Voor deze nieuwe tunnels gelden vaak wel omgevingsafspraken in het kader van tunnelveiligheid om geen file in tunnels te laten staan. Mocht een bestaande file dreigen terug te slaan tot in de tunnel, dan wordt de tunnel tijdelijk gestremd. De toepassing van veiligheidscriteria wil ik ook niet ter discussie stellen. Omwille van een veilige afhandeling van het verkeer en het voorkomen van verdere constructieve schade aan de weg of tunnel zal ik deze blijven toepassen.
Klopt het dat de gemeente Amsterdam een inventarisatie maakt van de schade als gevolg van stremmingen voor de Coentunnel en de Schipholtunnel? Zo ja, kunt u deze informatie gebruiken om een indicatie te maken van alle kosten die gepaard gaan met de stremmingen bij Nederlandse verkeerstunnels? Zo ja, kan er worden aangegeven waar deze financiële schade neerslaat? Bent u bereid deze informatie naar de Tweede Kamer te sturen?
Voor zover bekend is de gemeente Amsterdam geen inventarisatie aan het maken zoals u deze noemt. De fysieke schade die wordt veroorzaakt aan wegtunnels wordt waar mogelijk verhaald op de veroorzakers. Ik heb verder geen beeld van de economische schade van dit specifiek type incident op de weginfrastructuur. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord bij vraag 4.
Er kan geen indicatie gemaakt worden van de kosten van storingen bij spoortunnels. Het is op dit moment nog niet mogelijk om de maatschappelijke kosten van verstoringen op het spoor inzichtelijk te maken. Tijdens het Algemeen Overleg Spoor van 19 maart jl. heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu u toegezegd de mogelijkheden te bezien om deze in beeld te brengen. Samen met het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) worden de mogelijkheden momenteel onderzocht. Zodra hier meer over bekend is, zult u daarvan op de hoogte gesteld worden.
Kunt u reflecteren op de stelling van Rover dat de aannemer van de Schipholtunnel aansprakelijk moet worden gesteld voor de slechte prestaties ten aanzien van de beschikbaarheid van de Schipholtunnel?
Wat het belangrijkst is, is dat Schiphol goed bereikbaar is per trein. ProRail en de aannemers zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderhoud en de infrastructuur daar in ieder geval geen belemmerende factoren voor zijn. ProRail heeft onlangs uitgebreid met de betrokken aannemers gesproken. Tijdens dit gesprek werd de noodzaak van een grotere alertheid en scherpte in de spoordriehoek Amsterdam – Utrecht – Schiphol breed gedeeld. Er zijn afspraken gemaakt om de storingen verder terug te dringen en sneller ter plaatse te zijn als er iets aan de hand is. Hoewel ProRail weliswaar aannemers kan beboeten bij wanprestatie en indien dat noodzakelijk is ook doet, is het gesprek aangaan in dit specifieke geval de beste manier om in gezamenlijkheid de bereikbaarheid van Schiphol per spoor te verbeteren.
Klopt de berichtgeving dat de sensoren in de Schipholtunnel en Coentunnel vals alarm slaan? Zo nee, zijn de hoogtedetectiesystemen nog steeds goed ingesteld en functioneren deze juist?3 Zo ja, ziet de Minister nog steeds geen aanleiding om aanvullende (technische) maatregelen te nemen voor het verminderen van de hoogtemeldingen en daarmee de files en stremmingen? Zo ja, aan welke maatregelen kan gedacht worden en op welke termijn zouden deze doorgevoerd kunnen worden? Zijn er gesprekken met Prorail inzake het beheer en onderhoud van de Schipholtunnel? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit gesprek? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor de Coentunnel klopt dat niet: de hoogtedetectiesystemen van de Coentunnel zijn goed ingesteld, functioneren correct en veroorzaken geen «false alarms» (valse meldingen door het systeem zonder aanwezigheid te hoge vrachtwagen).
Er zijn geen sensoren in de Schipholtunnel die vals alarm geven. ProRail overlegt regulier met IenM, de metropoolregio Amsterdam, NS en Schiphol in het kader van de Verbeteraanpak bereikbaarheid Schiphol per OV die de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu vorig jaar is gestart. U bent per brief van 2 juni 2014 hiervan op de hoogte gesteld (Kamerstuk 29 984, nr. 488). Op 29 april jl. heeft de Staatssecretaris zelf met deze partijen, Rover en de Veiligheidsregio Kennemerland gesproken over de bereikbaarheid van Schiphol per OV en de Schipholtunnel. In dit gesprek is de noodzaak van verdere maatregelen besproken. U zult op een later moment hier per brief nader over worden geïnformeerd.
Heeft Rijkswaterstaat al contact gezocht met de transportsector om de problematiek van te hoge vrachtwagens te bespreken? Zo ja, wat is de uitslag van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet en wanneer zullen deze gesprekken wel plaatsvinden? Wat zijn de ervaringen in Rotterdam waarbij bijzondere opsporingsambtenaren (BOA's) vrachtwagenchauffeurs een boete kunnen opleggen wanneer hun vrachtwagen te hoog is en ze toch door een tunnel rijden? Is landelijke uitrol van deze maatregel niet wenselijk?
Ja. Rijkswaterstaat heeft contact met de transportsector en zij hebben afspraken gemaakt over de communicatie richting de sector en de achterban van de transportsector.
Het experiment in Rotterdam is gericht op het vergroten van de verkeersveiligheid door de Weginspecteurs van Rijkswaterstaat handhavingsmogelijkheden te geven. Binnen dit experiment wordt gehandhaafd op twee overtredingen:
Het handhaven op hoogtemeldingen zit hier niet bij. Op basis van de uitkomst van het experiment wordt bepaald of de handhavingsbevoegdheid breder wordt uitgerold en op welke terrein dit toegepast wordt. Dan zal worden bekeken of het ook op andere terreinen dan bovengenoemd wenselijk is.
De gezondheidsrisico’s van de intensieve veehouderij |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Henk Leenders (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom slaan huisartsen in Reusel-De Mierden alarm over een sterke toename van het aantal veehouders dat besmet is met resistente bacteriën, terwijl u deze toename niet terugziet in de cijfers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?1 Bent u van mening dat het RIVM-onderzoek voldoende recht doet aan de lokale context?
Het surveillancesysteem ISIS-AR is door het RIVM in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM) ontwikkeld om zicht te hebben op ontwikkelingen van antibioticaresistentie in Nederland.
Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere vragen over dit zelfde onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1950) geven de data die worden verzameld door het RIVM een goed beeld van regionale en landelijke trends en zijn de Brabantse laboratoria goed vertegenwoordigd binnen dit surveillancesysteem (ISIS-AR). Samen met het RIVM ben ik van mening dat deze cijfers recht doen aan de lokale context. Een scherp lokaal afwijkend beeld kan op basis van de huidige data niet worden opgemaakt. De kwaliteit van de data en de medewerking van de laboratoria zijn voor ons momenteel geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid.
Acht u de kans groot dat laboratoria sneller geneigd zijn gegevens over resistentie aan het RIVM te leveren indien zij onderzoek doen onder mensen in gebieden waar de problemen groter zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de betrouwbaarheid van dit onderzoek in deze specifieke context? Zo nee, waarom niet?
Nee, het RIVM is van mening dat dit niet het geval is. De bereidheid tot medewerking bij de betrokken laboratoria is groot. Ik hecht eraan dat dit systeem landelijk dekkend wordt en heb daarom de afgelopen jaren extra geld beschikbaar gesteld om dit mogelijk te maken. Eind 2015 zijn alle relevante instellingen aangesloten op ISIS-AR.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden om het aanleveren van deze gegevens te verplichten en daarmee een betrouwbaarder onderzoek te creëren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben net als u bezorgd over de antibioticaresistentieproblematiek die wereldwijd toeneemt. Voor de zomer zal ik een brief aan uw Kamer sturen over mijn aanpak om antibioticaresistentie te bestrijden. Hierin zal ik ook aandacht besteden aan landelijke surveillance.
Bent u bereid in overleg te treden met de huisartsen in Reusel-De Mierden die alarm hebben geslagen over de problemen die zij aankaarten en te kijken naar de oplossingen die zij aandragen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ondanks dat de data in het systeem er geen aanleiding toe geven, heeft het RIVM op mijn verzoek contact opgenomen met de GGD Brabant-Zuidoost om te bespreken of en hoe zij kunnen bijdragen aan de duiding van het signaal. Er is in de regio al één en ander in gang gezet om meer inzicht te krijgen in of en wat er speelt. Zo heeft er onlangs overleg plaatsgevonden tussen de betrokken professionals en GGD Brabant-Zuidoost. Hier wordt hier momenteel vervolg aangegeven en het RIVM blijft hierbij betrokken. De GGD Brabant-Zuidoost heeft aangegeven dat zij geen rapport zullen uitbrengen.
Kunt u het onderzoek van de GGD Brabant-Zuidoost dat de dienst naar aanleiding van deze noodkreet gestart is, aan de Kamer doen toekomen zodra het is afgerond?
Zie antwoord vraag 4.
Nieuwe tegenslagen met de JSF |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de gevolgen zijn van de nieuwe vertragingen in de ontwikkeling van de software van de JSF (F-35)?1
De planning van het F-35 programma voorziet er in dat het testen van de block 2B software dit voorjaar is voltooid en dat deze software eind juni voor operationeel gebruik wordt vrijgegeven. Volgens de planning zullen de Amerikaanse mariniers met deze software hun Initial Operational Capability (IOC) status deze zomer behalen. Bij het testen van de beoogde eindversie van de block 2B software zijn nog enkele tekortkomingen (bugs) geconstateerd. De Amerikaanse mariniers hebben echter vastgesteld dat de software bruikbaar is voor het behalen van de IOC-status. Het F-35 Joint Program Office (JPO) laat de benodigde verbeteringen in een volgende softwareversie verwerken. Nederland beoogt in 2021 een eerste operationele capaciteit beschikbaar te hebben. De toestellen zullen dan zijn uitgerust met de block 3F software.
Zijn er enige financiële consequenties voor de aanschaf van de Nederlandse JSF door deze softwarevertraging, dan wel consequenties voor de geplande aanschaf- en invoerdatum van de Nederlandse JSF?
Nee.
Klopt het dat het hele functioneren van de JSF feitelijk afhangt van de ontwikkeling van de software en dat deze software dus de meest kritische succesfactor is? Zo nee, waarom niet?
Het functioneren van ieder hedendaags jachtvliegtuig, dus ook de F-35, is een complex samenspel van goedwerkende hardware en software.
Wat is uw reactie op het bericht dat de JSF faalt in het bieden van luchtsteun?2
Zoals al in de voortgangsrapportages is gemeld, doorloopt de F-35 een stapsgewijs ontwikkelingstraject. Van het toestel en de software worden enkele tussenversies ontwikkeld (aangeduid met block nummers) waarmee de operationele capaciteiten van het toestel gefaseerd beschikbaar komen. Dit voorjaar wordt de ontwikkeling van de block 2B software en een beperkt wapenpakket voltooid. Met deze configuratie beschikt het toestel over initiële operationele capaciteiten, waaronder die om luchtsteun aan grondtroepen te bieden. Met het beschikbaar komen van de block 3F configuratie (naar verwachting in 2017) zal de F-35 alle operationele capaciteiten op het vereiste niveau hebben.
In de berichtgeving worden de capaciteiten van de block 2B software op het gebied van luchtsteunverlening vergeleken met de capaciteiten van de A-10. Dat toestel is speciaal ontworpen voor luchtsteun en alleen de Amerikaanse luchtmacht beschikt erover. De A-10 is echter zeer beperkt in staat zich te verdedigen tegen vijandige jachtvliegtuigen en is daarvoor afhankelijk van andere toestellen. In tegenstelling tot de A-10, die alleen voor luchtsteun effectief inzetbaar is, is de F-35 een multirole toestel. Dat wil zeggen dat de F-35 kan worden ingezet in zeer uiteenlopende dreigingsscenario’s en naast luchtsteun ook andere complexe taken kan uitvoeren. De Amerikaanse Director Operational Test & Evaluation maakte overigens ook duidelijk onderscheid tussen de tijdelijk gebruikte block 2B software en de mogelijkheden van de uiteindelijke block 3F software. De F-35 kan doeltreffend luchtsteun aan grondtroepen geven, maar de uitvoering van die taak zal anders zijn vormgegeven dan grondsteun door een A-10. Dat geldt overigens ook voor luchtsteun met de F-16.
Klopt het dat het bieden van luchtsteun één van de hoofdtaken is van de JSF?
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat er nu een nieuwe onzekerheid is over de prestaties van de JSF? Voldoet de JSF nog steeds aan de Nederlandse eisen die zijn gesteld ten aanzien van de prestaties?
Er is geen sprake van nieuwe onzekerheid over de prestaties van een F-35. Met de block 3F configuratie, die naar verwachting in 2017 beschikbaar zal zijn, zal de F-35 voldoen aan de operationele eisen die Nederland heeft gesteld.
Kunt u toelichten wat de consequenties zijn voor de Nederlandse aanschaf van de JSF, nu blijkt dat deze faalt in een van de hoofdtaken?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u toelichten wat de verwachte consequenties zijn van dit falen voor het bereiken van de uiteindelijke operationele capaciteiten van de JSF?
Zie antwoord vraag 6.
Hebt u ook kennisgenomen van het bericht «Minister Hennis, het JSF-dossier gaat niet de la in»?3
Ja.
Klopt het dat de eerste JSF pas volledig operationeel zal zijn in 2021? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit klopt niet. De eerste toestellen met de volledige operationele capaciteiten van de block 3F software worden in 2017 verwacht. In het artikel worden recente uitspraken van de Amerikaanse luchtmachtgeneraal Harrigian verkeerd aangehaald. In een interview met Reuters4 bevestigde Harrigian dat de Amerikaanse luchtmacht op koers ligt om in 2016 de IOC-status met de F-35 te behalen en dat een Full Operational Capability (FOC) status, met grote aantallen toestellen en bijbehorende wapens, in 2021 wordt verwacht.
Klopt het dat de verwachte omzet voor de Nederlandse industrie is gebaseerd op de aanname dat uiteindelijk 4500 JSF’s worden geproduceerd? Zo nee, waarom niet?
De omzetraming berust op een raming van een totale productie van 4.500 stuks. De opmerkingen in het artikel zijn bekend en zijn al eerder naar voren gebracht, onder meer tijdens een hoorzitting voor de vaste commissie voor Defensie op 6 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 165). In de brief van 17 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 166) is in reactie daarop al geschreven dat de raming van 4.500 stuks berust op de planningsaantallen van de F-35 partnerlanden plus de te verwachten verkoop aan «derde landen». Eenzelfde onderbouwing is ook vermeld in de brief van 3 maart 2014 (Kamerstuk 26 488, nr. 341) met daarin een reactie op een persinterview met mevrouw Hewson van Lockheed Martin, en in de brief van 16 februari 2015 (Kamerstuk 26 488, nr. 373) waarin de bouwstenen voor de Nederlandse omzetraming aan de orde kwamen.
Hoe beoordeelt u de kritische kanttekeningen die worden geplaatst in het artikel op het verwachte aantal van 4500 JSF’s?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is uw reactie op het oordeel van het hoofd van Amerikaanse marine operaties die de stealthcapaciteiten van de JSF overgewaardeerd noemt?
De Amerikaanse Chief of Naval Operations heeft er in het afgelopen jaar op gewezen dat verbetering van de capaciteiten van radarsystemen een vermindering van de tactische voordelen van stealth toestellen tot gevolg kan hebben. Er is sprake van een voortdurende wedloop tussen radarsystemen en technologieën waarmee radardetectie kan worden vermeden of geminimaliseerd. Deze wedloop zal ook in de komende jaren voortgaan. Een toestel met stealth technologie zal ten opzichte van een niet-stealth toestel later gedetecteerd worden, wat hoe dan ook voordeel oplevert.
Klopt het dat het mogelijk is om creatief te boekhouden met het budget van de JSF door investeringskosten af te doen als exploitatiekosten? Zo nee, waarom niet?
De suggestie is onjuist dat Lockheed Martin door creatief boekhouden kosten kan verschuiven zodat deze geen deel uitmaken van de investeringskosten maar terugkomen als exploitatiekosten. Het Pentagon heeft inzage in de boekhouding van de leveranciers zodat kan worden vastgesteld dat kosten correct worden toegerekend en er geen overmatige winsten worden geboekt. Verder merk ik op dat het Nederlandse financiële kader voor de verwerving van de F-35 zowel het investeringsbudget als het jaarlijkse exploitatiebudget omvat.
De bouw van een nieuwe moskee in Gouda |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het verslag van het overleg over de Prins Willem-Alexanderkazerne van 8 mei 2014? Hoe verklaart u dat het verslag maar een korte tijd op de website van de gemeente Gouda heeft gestaan?1 2
Het verslag van 8 mei 2014 is mij bekend. Het verslag is door de gemeente Gouda openbaar gemaakt en is nog altijd terug te vinden op de website van de gemeente Gouda, in het Raadsinformatiesysteem bij de vergaderstukken van 17 december 2014 (cluster Stad, vergadering van 17 december 2014, agendapunt3.
Wat is uw mening over de passage in desbetreffend verslag waarin staat dat ontmoetingen met vrouwen in en rond het complex kunnen leiden tot conflictueuze situaties en dit noopt tot het treffen van blijvende fysieke aanpassingen en voorzieningen? Blijft u bij uw eerdere antwoorden dat de overheid niet meegewerkt zou hebben aan uitvoering van religieuze wensen om vrouwen ook in de openbare ruimte uit het zicht te houden van mannelijke bezoekers van de moskee?3 4
De gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is een belangrijke kernwaarde van de Nederlandse samenleving. Segregatie op basis van geslacht is onwenselijk. Het verslag van 8 mei 2014, waarin de door u aangehaalde passage staat, heeft betrekking op een overleg in een eerdere fase van de gedachtevorming betreffende gezamenlijke huisvesting van de school voor speciaal onderwijs, het islamitisch centrum en het medisch kinderdagverblijf op het PWA-kazerneterrein. In het gesprek van 8 mei 2014 werd geconstateerd dat er geen basis was voor gezamenlijke huisvesting. Latere gesprekken, eind 2014, hebben wel geleid tot samenwerking tussen deze drie partijen.
Zoals eerder geantwoord is volgens de informatie van de gemeente Gouda in het schetsplan van 30 januari jl. van de drie initiatiefnemers een fysieke erfscheiding voorzien bij de hoofdentrees (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1902). Deze is niet gericht op de scheiding van mannen en vrouwen. De fysieke scheiding is in het schetsplan voorzien op verzoek van de school voor speciaal onderwijs en het medisch kinderdagverblijf, die vanwege hun leerlingen behoefte hebben aan een rustige en overzichtelijke eigen entree.
Deelt u de mening dat medewerking van een overheid aan segregatie van mannen en vrouwen in strijd is met de scheiding van religie en staat en de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen? Vindt u dat hier in Gouda sprake van is?
Zie antwoord vraag 2.
De kosten van asielzoekers |
|
Harm Beertema (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat waren in 2014 de totale kosten van asielzoekers? Kunt u hierbij, naast de reeds bekende kosten voor het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), in ieder geval ook het voor (afgewezen) asielzoekers bestemde deel van de Dienst Terugkeer en Vertrek, van rechtsbijstand en van subsidies meenemen, evenals de kosten die gemoeid zijn met gegeven onderwijs aan asielzoekerskinderen zonder verblijfsrecht?
Hieronder treft u een overzicht van de kosten die de rijksoverheid in 2014 gemaakt heeft ten behoeve van asiel en asielzoekers.
Kosten vanuit VenJ-begroting
De kosten die de IND in 2014 heeft gemaakt voor asiel bedragen circa 197,7 mln. euro.
De kosten die het COA in 2014 naar inschatting heeft gemaakt voor asiel bedragen circa 485 mln. euro. Alle kosten die COA maakt, zijn gerelateerd aan asiel.
De DT&V heeft in 2014 naar inschatting circa 72 mln. euro aan kosten gemaakt. Hierbij gaat het om de kosten van terugkeer en vertrek van alle categorieën vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Er vindt geen registratie plaats naar categorieën vreemdelingen.
De Raad voor de Rechtsbijstand meldt dat in 2014 de kosten van toevoegingen in asielzaken 26 mln. euro bedragen.
Verder hebben in 2014 de volgende aan vreemdelingenbeleid gelieerde instellingen een subsidie ontvangen: Vluchtelingenwerk Nederland 6,3 mln. euro, NIDOS circa 23,8 mln. euro en overige organisaties 2014 circa 0,7 mln. euro.
In dit bedrag zitten ook de niet asiel gerelateerde subsidies.
Kosten vanuit OCW-begroting
Alle kinderen in Nederland tussen de 5 en 18 jaar hebben recht op onderwijs en zijn leerplichtig.
Specifieke gegevens over kinderen zonder verblijfsrecht zijn niet beschikbaar en kunnen dan ook niet worden verstrekt. Er zijn wel gegevens beschikbaar over het onderwijs aan asielzoekers. Onderstaand worden deze cijfers gegeven.
In het primair onderwijs worden scholen per schooljaar bekostigd. De onderstaande cijfers hebben betrekking op het schooljaar 2014–2015.
In april 2015 ontvangen ongeveer 2.5001 asielzoekerskinderen in Nederland primair onderwijs. De reguliere bekostiging die scholen voor deze kinderen ontvangen bedraagt per kind circa € 4.250,00. Daarnaast ontvangen scholen voor de meeste asielzoekerskinderen gemiddeld een extra bedrag uit de gewichtenregeling van € 3.300,00 per leerling. De reguliere en de extra bekostiging in het primair onderwijs voor deze kinderen bedraagt circa 18,8 mln. euro.
Daarnaast zijn er in het primair onderwijs drie regelingen voor aanvullende bekostiging van asielzoekerskinderen. In het schooljaar 2014–2015 is er een toename van ongeveer 1.000 asielzoekerskinderen. Dit schooljaar hebben scholen via deze drie aanvullende regelingen voor asielzoekerskinderen circa 4,5 mln. euro ontvangen. Dit brengt de totale kosten van asielzoekerskinderen in het schooljaar 2014–2015 in het primair onderwijs op circa 23,3 mln. euro.
In het voortgezet onderwijs worden scholen per kalenderjaar bekostigd. In 2014 waren er gemiddeld 2.063 asielzoekers in Nederland in de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar. Uitgaand van deze cijfers, ontvingen scholen in 2014 circa 15,5 mln. aan reguliere bekostiging voor deze leerlingen.
Er zijn voor het voortgezet onderwijs – naast de reguliere basisbekostiging – twee regelingen voor aanvullende bekostiging van nieuwkomers van toepassing. Dit zijn de regeling Eerste opvang vreemdelingen en de nieuwkomersregeling. In 2014 hebben scholen via deze regelingen circa 17,5 mln. euro ontvangen. Naast de twee regelingen voor aanvullende bekostiging, is er een opstartregeling voor scholen die voor het eerst les gaan geven aan deze groep kinderen. Hiervoor ontvangt een school eenmalig 16 duizend euro. Vier scholen hebben in 2014 gebruik gemaakt van deze opstartregeling.
Dit brengt de totale kosten van asielzoekers in het voorgezet onderwijs in 2014 op circa 33 mln. euro.
Het bericht dat windturbines in het offshore Amaliawindpark bij IJmuiden niet veilig zijn en dreigen te bezwijken |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Turbines Amaliawindpark constructief niet veilig»1? Wat vindt u ervan dat 1800 windturbines op zee volledig kunnen bezwijken?
Ik ben bekend met het bericht. Het betreft hier een ontwerpfout die voorkomt bij de eerste generatie windparken op zee. Ik heb van Eneco begrepen dat inmiddels 22 van de 60 windmolens in het Prinses Amaliawindpark hersteld zijn en dat de overige 38 windmolens nog dit jaar hersteld worden. Met deze reparatie wordt het probleem volgens Eneco fundamenteel verholpen.
Kunt u aangeven wat de consequenties van het rapport van Ballast Nedam Engineering zijn voor de geplande grootschalige uitrol van windturbines op zee en de veiligheid ervan, te meer daar deze windturbines groter en zwaarder worden dan de windturbines van het Amaliawindpark?
Het betreft hier een ontwerpfout bij de eerste generatie windparken op zee. Dergelijke «kinderziektes» horen bij de innovatie en ontwikkeling van nieuwe technieken. Inmiddels zijn windparken op zee verder ontwikkeld en wordt er een verbeterd ontwerp toegepast.
Deze ontwerpfout doet zich dan ook niet meer voor bij nieuwe windparken en heeft dus geen enkele consequentie voor de geplande uitrol van windenergie op zee.
Kunt u aangeven wat het eventuele herstel van deze gevaarlijke windturbines betekent voor de verstrekte subsidies? Deelt u de mening dat dergelijke constructiefouten niet met subsidiegeld betaald mogen worden, maar volledig voor rekening zijn voor deze bedrijven?
De subsidie wordt uitgekeerd op basis van geproduceerde elektriciteit en het subsidiebedrag per geproduceerde kilowattuur ligt vast. De herstelkosten van een ontwerpfout worden dus niet gesubsidieerd.
Kunt u aangeven of de gevaarlijke windturbines op zee nu worden weggehaald of blijft u vasthouden aan de grootschalige uitrol van gevaarlijke windturbines op zee?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2.
Kunt u de garantie geven dat dergelijke constructiefouten zich niet voordoen bij windturbines op land?
Het betrof hier een ontwerpfout specifiek voor windturbines op zee van de eerste generatie en geen ontwerpfout voor windturbines op land.
Herhaaldelijke censuur bij de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VU wil lezing genocide-ontkenner verbieden»?1
Ja. Zoals in mijn antwoorden op uw vragen van 21 januari aangegeven, heeft de Vrije Universiteit ruimtes die kunnen worden gebruikt voor externe bijeenkomsten.
De VU heeft ruimte ter beschikking gesteld voor een debat, waarin de verschillende perspectieven van de kwestie van de Armeense genocide zouden worden belicht. De bijeenkomst wordt georganiseerd door de studentenvereniging Anatolia. Kort geleden is echter duidelijk geworden dat het niet meer om een debat gaat, waarin ook andere opvattingen en perspectieven aan de orde komen, maar om een eenzijdige lezing door de Amerikaanse hoogleraar Justin McCarthy.
De VU heeft aangegeven dat de aanvraag daarmee niet langer voldoet aan het protocol «spelregels reserveren onderwijsruimten». Dat protocol sluit bijeenkomsten zonder oogmerk van een debat of open dialoog of bijeenkomsten met propagandadoeleinden voor één partij, uit. De VU heeft mij te kennen gegeven dat in de opzet van deze lezing geen ruimte was voor een debat, danwel open dialoog, en heeft daarom besloten geen ruimte ter beschikking te stellen. In een eerdere opzet, waarbij ook een hoogleraar van de Universiteit Leiden zou deelnemen, was er volgens de VU wel ruimte voor een debat of open dialoog. Nu er slechts ruimte werd gegeven aan één spreker, heeft de VU geoordeeld dat hierdoor geen evenwichtig debat kon ontstaan en op grond daarvan besloten geen ruimte ter beschikking te stellen.
Ter verbreding van het debatperspectief is de VU, samen met studentenvereniging Anatolia, in overleg geweest om tot een oplossing te komen. Die is niet gevonden, het debat zal aanstaande vrijdag niet op de Vrije Universiteit plaatsvinden.
Vindt u dat een lezing over de Armeense Kwestie valt binnen de «bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef», zoals gesteld in de antwoorden op eerdere vragen over censuur bij de VU voor een lezing over Palestina?2 3 Zo nee, waarom niet?
Ik ben groot voorstander van open maatschappelijk debat, juist over belangrijke onderwerpen. Een debat, bijvoorbeeld over de kwestie van de Armeense genocide, kan bijdragen aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.
Deelt u de mening dat een lezing over de Armeense Kwestie valt binnen de vrijheid van meningsuiting, ook wanneer hier kritiek wordt geleverd op de zienswijze waarbij zonder gedegen onderzoek de kwestie als «genocide» bestempeld wordt? Zo nee, waarom deelt u deze mening niet?
Ja. De vrijheid van meningsuiting en het mogen uiten van kritieken is een belangrijk recht.
Komt met het annuleren van de lezing door druk van «organisaties en mensen van buiten» de academische vrijheid in het geding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft u hiertegen ondernomen?
De Vrije Universiteit heeft mij te kennen gegeven dat de lezing niet is geannuleerd onder druk van organisaties en mensen van buiten.
Hoe beoordeelt u het dreigement van de VU deze lezing te annuleren?
De VU heeft aangegeven de beslissing om geen zaal ter beschikking te stellen niet te hebben genomen om te censureren maar vanwege het niet voldoen aan het criterium uit de eigen «spelregels reserveren onderwijsruimten». Overwegingen van «censuur» zijn daarbij niet aan de orde. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
Gaat u het bestuur van de VU aanspreken op het censureren van deze lezing op de VRIJE Universiteit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Voert de VU een beleid op zogeheten «eenzijdige» lezingen? Zo ja, waar staat dit? Zo nee, waarom wordt in deze kwestie de «eenzijdigheid» opgevoerd als argument om de lezing te verbieden?
Ja, de VU kent richtlijnen voor het ter beschikking stellen van ruimtes ten behoeve van debatten en lezingen. Dit protocol is openbaar en voor iedereen toegankelijk op internet. In dit protocol is een aantal heldere criteria geformuleerd aan de hand waarvan toetsing van de onderhavige aanvrage heeft plaatsgevonden.4 Zie ook mijn antwoord op vraag 1, 5 en 6.
Kan de bijeenkomst – naar voorbeeld van de VU International Day 2014 – doorgang vinden met de mogelijkheid tot het stellen van kritische vragen aan de Amerikaanse professor Justin McCarthy?
Over de vormgeving van de bijeenkomst is afgelopen dagen overleg geweest tussen de organisatoren en de VU. Daaruit is inmiddels gebleken dat er geen oplossing is gevonden en het debat aanstaande vrijdag niet zal doorgaan.
Bent u bereid om -gezien het ontstane patroon van weigeringen vanuit de VU- met de studentenvereniging Anatolia en het bestuur van de VU in overleg te treden om de lezing alsnog plaats te laten vinden? Zo nee, waarom niet?
Ik acht dit een zaak van de universiteit en de studentenvereniging zelf. De VU heeft mij aangegeven steeds bereid te zijn geweest om – samen met Anatolia – te komen tot een binnen de voorwaarden van het genoemde protocol passende bijeenkomst.
Als u de vrijheid van meningsuiting en het mogen uiten van kritiek zeker in de academische wereld een belangrijk recht vindt, gaat u zich dan hard maken om dit patroon van weigeringen van de VU te doorbreken?
De VU hanteert in onderhavige gevallen een principiële, open en breed gedragen set van spelregels, die garanties moet bieden voor een open debat, dat in vrijheid kan worden gevoerd. Er is voor mij geen reden om te twijfelen aan de zuiverheid van die uitgangspunten, noch aan de zorgvuldigheid, waarmee die uitgangspunten door de VU in de praktijk worden gebracht. Ik zie dan ook geen aanleiding om hierover met de VU in overleg te treden.
De oorzaak en consequenties van het neerstorten van een ScanEagle |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Als de ScanEagle straks maar niet op Almere Muziekwijk crasht»?1
Het artikel bevat onjuiste beweringen en veronderstellingen over de inzet van onbemande vliegtuigen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat er in de nabije toekomst onveilige situaties boven bewoonde gebieden zullen ontstaan. Bij de inzet van onbemande vliegtuigen staat, net als bij alle vliegtuigen, de veiligheid voorop. Er wordt voldaan aan de eisen die de Militaire Luchtvaart Autoriteit stelt. Dat maakt de kans op neerstorten klein.
Hoe beoordeelt u het feit dat een drone (unmanned aerial vehicle) van 22 kilo bij bepaalde omstandigheden, zoals hoge luchtvochtigheid, zo maar neer kan storten?
Onbemande vliegtuigen worden, net als alle vliegtuigen, alleen ingezet in overeenstemming met de geldende gebruikscondities en limieten. Indien daar tijdens de vlucht niet meer aan wordt voldaan, zal de vlucht worden afgebroken. Zo wordt voorkomen dat een onbemand vliegtuig zo maar kan neerstorten. Zie ook mijn antwoorden van 16 oktober 2013 op schriftelijke vragen hierover (Kamerstuk met kenmerk 2013Z17222 van 12 september 2013).
Wat was de precieze oorzaak van het neerstorten van de ScanEagle in september 2013 in de Indische Oceaan? Klopt het dat het neerstorten van de ScanEagle (deels) te wijten is aan de opleiding van de bestuurder van deze drone? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat had er beter gekund in die opleiding?
Het incident van september 2013 was niet te wijten aan de opleiding van de operator. Een gebrekkige coating (met als gevolg corrosievorming) op de snelheidssensor heeft tot het neerstorten van de ScanEagle geleid. De coating op de snelheidssensor van alle ScanEagles is inmiddels aangepast.
Tijdens het onderzoek is onderkend dat in de training meer aandacht kan worden geschonken aan het onderkennen van en correct reageren op meervoudige storingen. De voortgezette opleiding is al aangepast. Defensie hecht veel waarde aan het toepassen van geleerde lessen in de opleidingen.
Zijn er verbeteracties ondernomen in de opleiding voor bestuurders van onbemande vliegtuigen naar aanleiding van de crash met de ScanEagle? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Militaire Luchtvaart Autoriteit (MLA) zijn kritische oordeel over het onderzoek naar het neerstorten van de ScanEagle in de Indische Oceaan inmiddels achterwege laat omdat er maatregelen zijn genomen om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat voor maatregelen zijn dit precies?
De beoordeling van de MLA berustte in eerste instantie op het initiële onderzoeksrapport van de Commissie van Onderzoek (CvO). Later bleek dat dit rapport een aantal aspecten niet of onvolledig belichtte. Opmerkingen van de MLA en een overleg met de CvO hebben vervolgens geleid tot aanpassingen. De MLA onderschrijft de conclusies en aanbevelingen van het eindrapport.
Waarom is het onderzoek over het incident met de ScanEagle in de Indische Oceaan nooit naar de Kamer gestuurd? Bent u bereid dat onderzoek, inclusief de appreciatie daarvan door de MLA, alsnog naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Onderzoeksrapporten van dergelijke incidenten worden in de regel niet naar de Kamer gestuurd. Ze worden opgesteld om te leren van incidenten en die in de toekomst te voorkomen. De rapporten lenen zich niet voor openbaarmaking, omdat ze personeelsvertrouwelijke en commercieel vertrouwelijke informatie bevatten. Daarnaast bevatten ze doorgaans technische informatie over de werking van systemen, die de fabrikant noch Defensie gepubliceerd wil zien.
Klopt het dat meerdere motoren in een drone veiliger is voor het vliegen boven woonwijken dan een eenmotorige drone als de ScanEagle, zoals in het artikel in NRC Next wordt gesteld? Indien dit niet klopt, kunt u dit toelichten? Indien dit wel klopt, welke consequenties trekt u hieruit ten aanzien van de inzet van de ScanEagle in Nederland boven dicht bevolkte gebieden?
Het vliegen met de ScanEagle is verboden boven bebouwd gebied en mensenmassa's. Uitgezonderd van dit verbod is het vliegen boven daartoe aangewezen militaire oefenterreinen. Daarnaast kunnen incidenteel uitzonderingen worden gemaakt op voorwaarde dat telkens een risicoanalyse wordt opgesteld. Deze risicoanalyse houdt rekening met het statistisch faalgedrag en mogelijke mitigerende maatregelen. Het statistisch faalgedrag van de ScanEagle hangt mede samen met het feit dat dit toestel maar één motor heeft. Het restrisico van deze analyse wordt afgewogen tegen de noodzaak van de inzet. Deze afweging wordt voorgelegd aan de MLA, die een tijdelijke ontheffing kan verlenen om boven bewoond gebied te vliegen.
Aan welke precieze voorwaarden is inzet van de ScanEagle van Defensie door de politie en/of opsporingsdiensten verbonden?
De ScanEagle is tot op heden nog niet boven Nederland ingezet ter ondersteuning van civiele autoriteiten. In beginsel kunnen alle beschikbare defensiecapaciteiten in overeenstemming met de procedures worden ingezet bij verzoeken van civiele autoriteiten om militaire bijstand. Mocht in de toekomst de inzet van de ScanEagle voor militaire bijstand nodig zijn, dan zullen de precieze voorwaarden nog moeten worden vastgesteld. Hierbij is de veiligheid uiteraard van groot belang.
Kunt u in een tabel een overzicht geven van hoe vaak de ScanEagle van Defensie precies is ingezet door de politie en/of opsporingsdiensten in de jaren 2012–2015 en met welk doel?
Zie antwoord vraag 8.
Wordt er melding gemaakt van incidenten met de inzet van de ScanEagle door politie en/of opsporingsdiensten? Zo ja, is dat openbaar? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Gebrekkige sociale en maatschappelijke vorming op scholen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Scholen werken weinig doelgericht aan sociale en maatschappelijke vorming»?1
Ja.
Deelt u de mening dat sociale en maatschappelijke vorming een cruciaal onderdeel van het takenpakket van middelbare scholen is? Zo ja, deelt u dan ook de opvatting dat het zorgelijk is dat nu slechts het minimumniveau wordt gehaald door veel scholen?
Ja, ik deel deze mening. De sociale en maatschappelijke ontwikkeling van leerlingen is belangrijk voor hun hele verdere levensloop. Bevordering van actief burgerschap en sociale integratie is daarom één van de wettelijke taken van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) constateert in het Onderwijsverslag 2013–2014 dat verreweg de meeste scholen voldoen aan de minimumeisen die gesteld worden aan burgerschap, maar dat er weinig ontwikkeling is in het burgerschapsonderwijs. Ik vind dit zorgelijk, temeer omdat de competenties van leerlingen achterblijven.2
Onderschrijft u de conclusie van de Onderwijsinspectie dat een doelgerichte aanpak voor sociale en maatschappelijke vorming het beste werkt? Zo ja, hoe beziet u de vaststelling dat scholen weinig planmatig aan deze vorming werken en geen duidelijke, concrete leerdoelen hebben opgesteld? Zo nee, waarom niet?
De inspectie ziet dat de inspanningen van scholen voor burgerschapsonderwijs vaak nog weinig planmatig en beperkt gericht zijn op het bereiken van duidelijke leerdoelen. Ook de manier waarop scholen aandacht geven aan de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties, is weinig planmatig. Een doorgaande leerlijn en heldere leerdoelen zijn een voorwaarde voor het evalueren en verbeteren van resultaten van leerlingen en van de aanpak van de school.
De bevindingen van de inspectie wijzen helaas al enige jaren uit dat er weinig ontwikkeling is in het burgerschapsonderwijs. Ik vind het belangrijk dat er verbetering optreedt in de aanpak van scholen.
In december 2013 heb ik mede op basis van de bevindingen van de inspectie maatregelen aangekondigd om burgerschap in het funderend onderwijs te versterken.3 Over de voortgang hiervan bent u geïnformeerd bij brief van 29 april 2015.4
Bent u van mening dat scholen voldoende handvatten hebben om een doelgerichte aanpak van sociale en maatschappelijke vorming te onderwijzen?
Scholen hebben een grote vrijheid bij de invulling van hun burgerschapstaak. Er is weinig vastgelegd in wet- en regelgeving over de inhoud van burgerschapsonderwijs. Leraren en schoolleiders geven signalen dat zij te weinig richting en houvast vinden in het formele curriculum in de huidige vorm. Deze signalen hebben mede geleid tot de opdracht die ik heb verstrekt aan het Platform #Onderwijs2032. Zie hierover ook het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u scholen aansporen om planmatiger te werk te gaan en om de sociale en maatschappelijke vorming af te stemmen op wat leerlingen nodig hebben?
In het traject #Onderwijs2032, waarin het gesprek plaats vindt over een toekomstgericht curriculum, nemen burgerschapsonderwijs en persoonlijke vorming daarom een grote plaats in. Aan het einde van dit jaar volgt een kabinetsreactie op het advies van het Platform #Onderwijs2032, waarin nader wordt ingegaan op de positie van deze thema’s binnen het funderend onderwijs. Nu al biedt Stichting Leerplanontwikkeling (hierna: SLO) op de website www.burgerschapindeschool.nl handvatten voor scholen, om hun burgerschapsonderwijs te ontwikkelen. Hierbij is aandacht voor de visie op burgerschap, het bepalen van leerdoelen, het selecteren van een passende aanpak en inzicht verkrijgen in de ontwikkeling van leerlingen.
Kunnen «best practices» van scholen die hun aanpak van sociale en maatschappelijke vorming op orde hebben, gedeeld worden met scholen waar de aanpak nog niet op orde is?
Ik juich het toe als scholen van elkaar leren. Op het informatiepunt van SLO zal daarom in een reeks schoolportretten worden beschreven hoe scholen op verschillende manieren actief bezig zijn met burgerschap en sociale integratie.
De Alliantie Burgerschap doet momenteel onderzoek naar burgerschaps-competenties van leerlingen op verschillende scholen, die ieder met een eigen aanpak werken aan burgerschapsonderwijs.
Ook de resultaten van dit onderzoek worden te zijner tijd gedeeld via het informatiepunt, zodat andere scholen kunnen profiteren van de inzichten die het onderzoek heeft opgeleverd.
Bent u van mening dat er een rol in sociale en maatschappelijke vorming is weggelegd voor onderwijsassistenten? In hoeverre leggen scholen de taak van sociale en maatschappelijke vorming neer bij onderwijsassistenten en in hoeverre worden zij hierin geschoold?
De sociale en maatschappelijke vorming van jongeren is een gedeelde maatschappelijke opdracht, waarin ook scholen een rol hebben. Het vormt een essentieel onderdeel van de taak van het onderwijs. De inspectie houdt toezicht op de sociale kwaliteit, de sociale opbrengsten en het burgerschapsonderwijs van scholen.
Van leraren verwachten we dat zij in staat zijn om goed burgerschapsonderwijs te verzorgen. Onderwijsassistenten kunnen een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van leraren. De leraar is verantwoordelijk voor de inzet en het handelen van onderwijsassistenten en kan dus beslissen om die in te zetten om een bijdrage te leveren aan de sociale en maatschappelijke vorming. Ik heb niet in beeld in hoeverre scholen onderwijsassistenten inschakelen op dit terrein. Scholen maken eigen afwegingen in de wijze waarop zij hier vorm aan geven en personeel inzetten, binnen de eisen van de regelgeving met betrekking tot bevoegd- en bekwaamheden.
Opleidingen tot onderwijsassistent zijn op mbo-niveau. Iedere mbo-student volgt Loopbaan en Burgerschap en verkrijgt op die manier ook kennis over en inzicht in sociaal-maatschappelijke onderwerpen. Het is aan de school om te bepalen of aanvullende scholing voor onderwijsassistenten nodig is op dit terrein.
Bent u voornemens om bij het vervolgonderzoek de focus te leggen op scholen die de aanpak van sociale en maatschappelijke vorming nu nog niet op orde hebben en de inspectie in overleg te laten treden met deze scholen over hoe zij de sociale en maatschappelijke vorming op korte termijn op orde kunnen brengen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de inspectie gevraagd om in een themaonderzoek te bekijken op welke manier scholen hun burgerschapstaak invullen. Ik ben niet voornemens om de inspectie te vragen om zich daarbij specifiek te richten op scholen die de aanpak van sociale en maatschappelijke vorming niet op orde hebben. Mijn verzoek aan de inspectie betreft een breed opgezet onderzoek, gericht op het verkrijgen van een algemeen en representatief beeld. Situaties waarin de bevordering van burgerschap onvoldoende wordt ingevuld zijn daar onderdeel van. Ook in haar reguliere toezicht besteedt de inspectie aandacht aan de invulling van het burgerschapsonderwijs. Wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, zoals wanneer de kwaliteit onvoldoende is, of de school niet aan de wettelijke minimumeisen voldoet, kan de inspectie een nader onderzoek uitvoeren en scholen de opdracht geven de tekortkomingen op te heffen.
De groeiende roep om het aftreden van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Tijd voor een nieuw College van Bestuur», waarin honderden docenten en hoogleraren oproepen tot het vertrek van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA)?1
Dit artikel vormt een belangrijk signaal. In de Gezamenlijke Vergadering van 17 april is de medezeggenschap tot het oordeel gekomen dat het College van Bestuur in de toenmalige samenstelling niet in staat is om in samenwerking met de academische gemeenschap vorm te geven aan de koers van de Universiteit van Amsterdam. Daarop is de voorzitter van het College van Bestuur afgetreden en heeft de Raad van Toezicht verdere stappen ondernomen.
Deelt u de mening dat de ontruiming van het Maagdenhuis op zaterdag 11 april 2015 onnodig was, omdat de studenten zelf aangaven het pand uiterlijk maandag 13 april te willen verlaten?
Dat oordeel is niet aan mij maar aan de Amsterdamse driehoek van burgemeester, politie en Openbaar Ministerie, het College van Bestuur van de UvA en niet in de laatste plaats aan de Rechter.
Deelt u de mening van rechter Michael Schäfer, die zegt dat het optreden van politie en ME «in zijn hardhandigheid illegitiem» was? Zo nee, waarom niet?2
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelde op vrijdag 10 april dat de protesterende studenten het Maagdenhuis moesten verlaten. De bezetters die het pand niet vrijwillig wilden verlaten zijn vervolgens uitgezet door de politie. Omdat hier een rechterlijke uitspraak aan vooraf ging, vind ik het optreden van de ME niet illegitiem.
Hoe oordeelt u over het bericht waaruit blijkt dat het «onwaar» is dat studenten voor vijf ton schade hebben aangericht in het Maagdenhuis, terwijl de raadsman van de UvA dit wel degelijk beweerde? Deelt u de mening dat de raadsman onjuiste informatie heeft verstrekt?3
Zoals ik in mijn brief van 29 april jl,. al aangaf, betreft dit bedrag een eerste inschatting van de directe en indirecte kosten die het gevolg zijn van de bezetting. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke schade aan het pand en andere zaken zoals meubilair en apparatuur, maar ook om extra kosten voor beveiliging van het Maagdenhuis, voor opruimen en schoonmaak en voor extra interne dienstverlening voor het verhuizen van personeel. Dit heeft de UvA bevestigd. De precieze kosten worden op dit moment nog in kaart gebracht en zullen te zijner tijd door de UvA openbaar worden gemaakt.
Is het waar dat het UvA-bestuur komend jaar «16,5 miljoen euro wil bezuinigen om de kosten van ambitieuze nieuwbouwplannen buiten de binnenstad te betalen»?
Om kwalitatief goed onderwijs en onderzoek te kunnen verzorgen heeft een universiteit adequate huisvesting nodig. Vanaf 1995 zijn universiteiten zelf verantwoordelijk voor hun huisvestingsbeleid. De huisvesting is daarmee integraal onderdeel geworden van het onderwijs- en onderzoeksbeleid van de universiteiten.
In de begroting 2015 staan een aantal mogelijke maatregelen waar de UvA aan denkt om vanaf 2018 een structureel positief resultaat te kunnen realiseren. Hier is nog geen besluit over genomen, het gaat in dit stadium om beleidsvoornemens. De besluitvorming daarover vindt pas in december 2015 plaats en uitgewerkt in de begroting van 2016. De uitwerking moet nog worden besproken met alle partijen binnen de UvA.
Erkent u dat ambitieuze vastgoedplannen ertoe kunnen leiden dat op onderwijs en onderzoek wordt bezuinigd? Wat onderneemt u om te voorkomen dat dure vastgoedplannen «docenten opvreten»?
Mede naar aanleiding van de casus Amarantis is de governance zowel in formele zin (wet- en regelgeving) als in meer informele zin (moreel appél) aangescherpt met onder andere de mogelijkheid tot het geven van een bestuurlijke aanwijzing en de introductie van early warning instrumenten zoals de continuïteitsparagraaf waardoor risicobeheersing in de instellingen meer gewaarborgd is.
Ook is er een commissie onder voorzitterschap van prof. dr. P.L. Meurs in het leven geroepen die onderzoek doet naar ROC Leiden. Naar aanleiding van de casus Amarantis zijn al de nodige maatregelen getroffen op het gebied van onderwijsbestuur. Het doel van de commissie is vooral om te bezien hoe de huisvestingsbeslissingen tot stand zijn gekomen en welke lessen hieruit zijn te trekken. Ook wordt gekeken welke eisen golden ten aanzien van de bestuurders voor de behoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 9 van Boek 2 BW. Tot slot kijkt de commissie naar mogelijke verbeteringen in het toezichtskader en de werkwijze van de inspectie en naar de mogelijkheden voor de inrichting van een expertisecentrum waar bestuurders en/of toezichthouders van onderwijsinstellingen hun nieuwbouwplannen kunnen laten toetsen door onafhankelijke experts.
Om te voorkomen dat onderwijsinstellingen onverantwoorde risico’s nemen, wat ten koste kan gaan van de kwaliteit van onderwijs, heb ik verder eind 2012 de regels voor het gebruik van derivaten aangescherpt via de regeling Beleggen en Belenen.
Verder heb ik recentelijk de inspectie opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de huidige huisvesting en investeringsplannen, het investeringsvolume voor de komende jaren en eventuele financiële risico’s in het mbo en ho.
Over wat voor eigenschappen beschikken bestuurders met een moreel kompas, waar u zelf veel waarde aan zegt te hechten?
Zoals ik in de Governancebrief (19 april 2013) heb beschreven, hebben bestuurders de opdracht om hun eigen visie te ontwikkelen en te realiseren, samen met studenten, docenten en onderzoekers. Dit legt een verantwoordelijkheid bij bestuurders en vereist een oriëntatie op publieke waarden als soberheid en dienstbaarheid aan de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van onderwijs. Bestuurders moeten leiding kunnen geven aan het gesprek over goed onderwijs. Ze zijn open en geven betrokken partijen de kans om een tegengeluid te laten horen en om invloed uit te oefenen op de richting van het onderwijs. Dat vraagt om een cultuur waarin een kritische houding en tegenspreken worden gewaardeerd. Het vraagt om een moreel kompas om eigen gedrag te verbinden met (veranderende) maatschappelijke normen.
Vindt u dat de bestuurders van de UvA – gezien hun optreden van de afgelopen weken – beschikken over een moreel kompas? Zo ja, kunt u toelichten waaruit dit blijkt?
Het bestuur van de UvA heeft laten zien open te staan voor de tegengeluiden die vanuit studenten, docenten en onderzoekers naar voren zijn gebracht. Het College van Bestuur heeft in het tienpuntenplan een aantal belangrijke toezeggingen gedaan en er zijn afspraken gemaakt over het instellen van twee onafhankelijke commissies die zich gaan buigen over financiën en huisvesting resp. besturingsmodel en medezeggenschap. Maar dergelijke vernieuwingen kosten vanzelfsprekend tijd. De komende tijd is dan ook cruciaal dat het gesprek over goed onderwijs blijft plaatsvinden in een cultuur waarin een kritische houding wordt gewaardeerd.
Om mij een compleet beeld te vormen van de situatie op de UvA heb ik de afgelopen weken met verschillende geledingen gesproken. Niet alleen met het College van Bestuur en de Raad van Toezicht, maar ook met studenten en docenten van de Faculteit Geesteswetenschappen, met onderzoekers, met leden van de medezeggenschap en met vertegenwoordigers van De Nieuwe Universiteit, Humanities Rally en Rethink UvA. Daarnaast heb ik op 23 april deelgenomen aan het debat over kwaliteit en rendement dat door de medezeggenschap in het Maagdenhuis werd georganiseerd.
Is het waar dat studenten en docenten mogen pleiten voor het aftreden van het College van Bestuur, maar dat zij formeel geen enkel middel hebben om het bestuur te doen aftreden?
De bevoegdheid tot ontslag van bestuurders ligt bij de benoemende instantie, de Raad van Toezicht, waarin wettelijk een lid is opgenomen dat in het bijzonder het vertrouwen van de medezeggenschap geniet. Studenten en docenten mogen pleiten voor het aftreden van het College van Bestuur. Het formele middel daarvoor is via de vertegenwoordiging in de medezeggenschap, die op grond van de wet rechtstreekse toegang tot de Raad van Toezicht heeft. De medezeggenschap heeft in het geval van de UvA van die weg de afgelopen weken gebruik gemaakt.
Is het waar dat de medezeggenschap evenmin iets heeft te zeggen over het aanblijven van het bestuur, omdat uitsluitend de Raad van Toezicht hierover gaat?
De taak van benoemen en ontslaan van bestuurders ligt inderdaad bij de Raad van Toezicht. De medezeggenschap heeft daar echter wel degelijk ook iets over te zeggen en de Raad van Toezicht moet dat oordeel meewegen in zijn beslissing. De Raad van Toezicht van de Universiteit van Amsterdam heeft dat ook gedaan toen de medezeggenschap de Raad verzocht om stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat het nogal ondemocratisch is als een groeiende groep studenten en docenten roept om het aftreden van het College van Bestuur, maar dat het bestuur dat eenvoudig naast zich neer kan leggen?
Ik heb al eerder benadrukt dat het beleid van een instelling vormgegeven moet worden in voortdurende dialoog met de volledige academische gemeenschap. De medezeggenschap heeft hier een belangrijke rol in, omdat de stem van de gemeenschap daarin formeel is verankerd. De medezeggenschap wordt democratisch gekozen en weegt alle geluiden uit de academische gemeenschap mee. Dat heeft de medezeggenschap van de UvA op 17 april gedaan en dat oordeel heeft geleid tot het aftreden van de voorzitter van het College van Bestuur.
Vindt u het niet arrogant om zeggenschap over bestuurders «een romantisch beeld» te noemen, omdat je «soms ook gewoon een beslissing moet kunnen nemen»? Vindt u de Tweede Kamer ook een «romantisch beeld van nog voor de jaren 70»?4
Medezeggenschap is net als de Tweede Kamer een democratisch gekozen vertegenwoordiging van de gemeenschap. Ik vind medezeggenschap geen romantisch beeld maar een eigentijds en cruciaal onderdeel van de governance van een onderwijsinstelling.
Bent u bereid het voorstel te steunen om bestuurders voortaan democratisch te kiezen, zodat zij over draagvlak beschikken? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat bestuurders langdurig kunnen aanblijven, terwijl zij nauwelijks nog over draagvlak beschikken?
De verantwoordelijkheid om bestuurders te benoemen en te ontslaan hoort bij de Raad van Toezicht. Zo is dat in de wet vormgegeven. Tegelijkertijd constateer ik dat de selectieprocedure niet in steen gebeiteld in de wet staat. Het staat universiteiten vrij om binnen de kaders en de geest van de wet, de inspraak van studenten en personeel bij benoemingen te vergroten. Om dit te bevorderen krijgt de medezeggenschap met wetsvoorstel Versterking Bestuurskracht daarom ook in de wet meer inspraak bij nieuwe bestuursbenoemingen. Ik vertrouw erop dat de Raad van Toezicht van de UvA ook in de selectie van nieuwe bestuurders het oordeel van de medezeggenschap betrekt in haar keuze.
Het bericht dat de vermogensongelijkheid in Nederland recordhoogtes bereikt |
|
Sadet Karabulut (SP), Arnold Merkies (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Vermogensongelijkheid op recordhoogte»?1
De cijfers die worden gepresenteerd in het artikel zijn geen nieuwe cijfers. Vlak voor kerst heeft het CBS cijfers over de vermogensverdeling gepubliceerd, waaruit blijkt dat de vermogensongelijkheid in 2013 is toegenomen. Het aandeel van de 10% rijkste huishoudens is gestegen van 62% in 2012 naar 66% in 2013.
Dhr. Salverda stelt in zijn bijdrage dat de vermogensongelijkheid nog nooit zo hoog is geweest. Als we deze cijfers in historische context plaatsen op basis van de reeks van Dhr. Wilterdink over de periode 1894–19892, lijkt dat niet het geval. Over de periode 1993–2013 klopt het beeld echter wel.
De rijkste huishoudens blijken niet zozeer rijker geworden, maar het vermogen van de overige 90% is fors gedaald, waarmee de relatieve vermogensaandelen verschuiven. Dit wordt vooral veroorzaakt door de dalende huizenprijzen. Omdat het eigen huis voor huishoudens met een hoog vermogen een kleiner aandeel van het totale vermogen uitmaakt, hebben zij hier relatief minder last van. Toch is ook het vermogen van huishoudens in het hoogste vermogensdeciel afgelopen jaren gedaald.
Wanneer het vermogen van de top 10% zonder de eigen woning wordt vergeleken met het vermogen van andere decielen zien we dat ongelijkheid weliswaar is toegenomen tussen 2006 en 2013, maar lager lijkt te liggen dan in de jaren negentig.
Vermogensaandeel top 10% huishoudens tussen 1993 en 20133
1993
2000
2006
2013
aandeel top 10% in totaal vermogen
61%
58%
58%
66%
aandeel top 10% in totaal vermogen excl eigen huis
74%
74%
68%
71%
Hoe verhoudt de conclusie van Wiemer Salverda, namelijk dat de rijken meer financieel vermogen dan ooit hebben, en in de startblokken staan om te profiteren van de gevolgen van kwantitatieve verruiming en stijgende huizenprijzen, zich tot uw uitspraak dat de vermogensongelijkheid in Nederland stabiel is? Deelt u de mening dat de rijken in Nederland rijker worden? Vindt u de huidige een rechtvaardige verdeling van welvaart in Nederland?2
Uit cijfers van het CBS blijkt dat ook het vermogen van huishoudens in het hoogste vermogensdeciel de afgelopen jaren zijn gedaald.
Dhr. Salverda stelt dat de toegenomen schulden aan de onderkant van de vermogensverdeling (als gevolg van dalende huizenprijzen en relatief hoge hypotheek schulden) maar een deel van het verhaal zijn. Hij stelt dat het overige financieel vermogen (voornamelijk aandelen) een opmerkelijk snel herstel laat zien waardoor de rijken ook wel degelijk rijker worden en er geen reden is om te verwachten dat dit snel gaat veranderen.
Die veronderstelling deelt het kabinet niet. Juist het rendement op aandelen is erg volatiel. Dat de beurzen het momenteel goed doen is allerminst een garantie op blijvend succes. Dat laat het recente verleden wel zien. De commissie van Dijkhuizen toont bijvoorbeeld aan dat het rendement op aandelen vanaf de invoering van Box 3 (2001) tot 2012 negatief is5. Dhr. Salverda wijst op forse stijgingen in 2009 en 2010, maar daar staat tegenover dat het reële rendement op aandelen in 2008 – 51% was en ook in 2011 op -12% uitkwam. Hoge winsten kunnen dus ook zomaar weggevaagd worden door grote verliezen. Wel kijkt het kabinet in het kader van de fiscale stelselherziening naar alternatieven voor de huidige vermogensrendementsheffing, waarbij het doel is te komen tot een heffing die door belastingplichtigen als rechtvaardiger wordt ervaren en die tegelijkertijd goed uitvoerbaar is.
Wat het kabinet betreft is het belangrijkste criterium bij het beoordelen van vermogensongelijkheid niet of iedereen evenveel heeft, maar of de ongelijkheid een hindernis vormt voor sociale mobiliteit en sociale ontwikkeling. Omdat in Nederland risico’s in hoge mate worden opgevangen door de sociale zekerheid leidt een ongelijke vermogensverdeling niet direct tot ongelijke kansen en uitkomsten. Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.
Kunt u de volgende uitspraken bevestigen: «Het aandeel van de vermogenstop 10% in alle vermogens in 2013 bedraagt 66 procent. Dat is 10 procentpunten meer dan in 2009.», «In 2013 bezit de top 701 miljard euro en de rest 359 miljard euro. Beide segmenten bereiken een hoogtepunt in 2008 (resp. 737 en 563 miljard) en dalen daarna. De daling voor de top is echter veel geringer (7%) dan voor de rest (37%)» en «De topvermogens zijn verantwoordelijk voor meer dan 60 procent van de spurt omhoog sinds 2009.»? Wat is uw oordeel over deze verhoudingen?
Het kabinet kan bovenstaande uitspraken op basis van de CBS-gegevens bevestigen. Omdat huishoudens met een groot vermogen een kleiner deel van hun vermogen in het eigen huis hebben zitten, zijn zij minder geraakt door de daling van de huizenprijzen, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 1 (3e alinea). Hierdoor is de vermogensongelijkheid in 2013 toegenomen. Daarnaast wordt het pensioenvermogen niet meegenomen in de CBS-gegevens. Een overgroot gedeelte van de Nederlandse werknemers bouwt pensioen op. De Nederlandse pensioenfondsen hebben meer vermogen dan in andere landen. Wanneer pensioenvermogen ook meegenomen wordt in de vergelijking, neemt de vermogensongelijkheid in belangrijke mate af. Zie ook de brief van 16 september 20146 en het artikel van Caminda, Goudswaard en Knoef op het discussieforum Mejudice7.
Klopt het dat Nederland een hogere vermogensongelijkheid kent dan de VS, Zwitserland en Duitsland?
Zoals het kabinet ook al aangaf in haar brief van 16 september 2014, ligt de internationale vergelijking van vermogensongelijkheid lastig omdat de uitkomst van zo’n vergelijking sterk afhankelijk is van methodologische verschillen zoals gekozen definities. Daarnaast spelen verschillen in instituties in internationaal opzicht een grote rol. Hierdoor kan er geen harde conclusie getrokken worden over de vermogensongelijkheid in Nederland ten opzichte van andere landen.
Wat zijn de implicaties van dit onderzoek voor de door u regelmatig aangehaalde Wilterdink-reeks met betrekking tot de ontwikkeling van vermogensongelijkheid in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 1 (2e alinea).
Hoe apprecieert u dit onderzoek in vergelijking met de door u eerder aangehaalde onderzoeken van Koen Caminada?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteenzetten hoe het vermogen van de top-10%, top-1%, top-0,1% en top-0,01% is samengesteld?
De door het CBS samengestelde tabellen8 laten alleen de vermogenssamenstelling per percentiel zien en een onderverdeling in kwarten van het bovenste percentiel. Onderstaande tabel toont daarom de vermogenssamenstelling van de top 10%, top-1% en top 0,25%.
Top 10%
Top 1%
Top 0,25%
Totaal (mld euro)
Totaal (mld euro)
Totaal (mld euro)
Wv. Bank en spaartegoeden
144,2
37,5
15,9
Wv. Obligaties
23,5
14,5
8,4
Wv. Aandelen aanmerkelijk belang
137,5
117,6
91,2
Wv. Aandelen overig
65,7
33,5
18,7
Wv. Eigen woning
278,0
42,3
13,3
Wv. Onroerend goed, overig
112,2
46,7
23,3
Wv. Roerende zaken enz.
28,8
13,9
7,6
Wv. Ondernemingsvermogen
38,2
17,6
4,4
Wv. Hypotheekschuld eigen woning
76,6
16,1
6,5
Wv. Schulden, overig
50,2
25,6
15,0
Hoe verklaart u dat het financiële vermogen minus het huizenbezit van de top-10% na een aanvankelijke daling in 2009 zich snel herstelt en al in 2010 het eerdere topniveau achter zich laat?
De stijging van het overige financiële vermogen over de periode 2008–2013 wordt vooral verklaard door een toename van de besparingen (via bank en spaartegoeden, het vermogen in obligaties en aandelen neemt juist af) en een toename van het vermogen in roerende zaken. De waarde van bezittingen in onroerend goed neemt af, ook nemen de schulden bij de top-10% vermogenden toe.
Het blijft in de vraag (op basis van een constatering over de jaren 2008–2010) overigens buiten beschouwing dat het financiële vermogen minus het huizenbezit van de top-10% in 2011 weer afneemt. In 2012 en 2013 zien we opnieuw een stijging. Dit onderstreept de volatiliteit van de vermogensontwikkeling waar het kabinet ook in antwoord op vraag 2 naar verwijst.
Hoeveel mensen in Nederland bezitten een negatief vermogen? Hoe verklaart u dit percentage? Hoe groot zijn hun schulden?
Uit de CBS-tabellen9 blijkt dat in 2013 15% van de huishoudens een negatief vermogen heeft. Dit zijn 1,1 miljoen huishoudens. Voor het overgrote gedeelte komt dit doordat de waarde van de hypotheekschuld groter is dan de waarde van het huis. Het gemiddelde negatieve vermogen van deze huishoudens is € 57.333.
Wat gaat u doen om de toenemende vermogensongelijkheid in Nederland terug te dringen? Welke doelstellingen hanteert u om de verschillen tussen arm en rijk te verkleinen?
De vermogensverdeling in Nederland is schever dan de inkomensverdeling. Dit zal bijna altijd het geval zijn, omdat vermogen wordt opgebouwd over de tijd. De recente ontwikkelingen in de vermogensverdeling zijn weliswaar bijzonder maar niet onverwacht. Het was immers al bekend was dat de huizenprijzen in 2013 zijn gedaald. Hoe dit zich de komende jaren gaat ontwikkelen is onduidelijk: als de woningmarkt weer aantrekt kan de vermogensongelijkheid ook weer afnemen. Deze gegevens alleen zijn in de ogen van het kabinet dan ook geen afdoende argument om de vermogensverdeling als onevenwichtig te beoordelen. Het kabinet kijkt daarom voornamelijk naar de mate waarin vermogensongelijkheid een hindernis vormt voor sociale mobiliteit en sociale ontwikkeling. Juist op dat punt doen we het in Nederland, ook internationaal gezien, goed. En omdat in Nederland risico’s in hoge mate worden opgevangen door de sociale zekerheid, leidt een ongelijke vermogensverdeling niet direct tot ongelijke kansen en uitkomsten. Het kabinet verbindt daarom geen consequenties aan de huidige ontwikkeling in de vermogensverdeling, maar blijft de vermogensverdeling de komende jaren wel volgen.
Ziet u een relatie tussen de groeiende vermogensongelijkheid en de groeiende armoede en schulden? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u uw antwoord onderbouwen?
Enerzijds is tijdens de crisis van afgelopen jaren, zowel de vermogensongelijkheid als de armoede en schuldenproblematiek toegenomen. In die zin ziet het kabinet een duidelijke relatie tussen beiden. Bovendien hebben we gezien dat de toegenomen vermogensongelijkheid grotendeels veroorzaakt wordt door de daling van de huizenprijzen, die vooral de onderkant van de vermogensverdeling hard raakt. Die daling zorgt er ook voor dat huishoudens die nog weinig hebben afgelost op hun hypotheek een hogere hypotheekschuld hebben dan de waarde van hun woning (de zogenaamde onder-water-problematiek). Anderzijds bestaat de groep met de laagste (negatieve) vermogens vooral uit jongere huishoudens met een hoog inkomen, en zien we dat de armoedeproblematiek zich voornamelijk concentreert bij andere groepen huishoudens (zoals niet westerse allochtonen en alleenstaande ouders).
Het bericht ‘Bluscapaciteit ontoereikend bij grote brand’ |
|
Magda Berndsen (D66), Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ‘Bluscapaciteit ontoereikend bij grote brand’?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een grote brand onder meer bedrijven, scholen en ziekenhuizen aanzienlijke risico’s lopen, aangezien de bluscapaciteit van het waterleidingnet schijnbaar niet toereikend is?2
Nee, dit was mij niet bekend. Het Veiligheidsberaad heeft mij bij navraag bericht dat daarvan ook geen sprake is. Brandkranen die gevoed worden door het waterleidingnet vormen slechts één van de bronnen voor bluswater. Zo is het ook mogelijk bluswater te onttrekken aan bijvoorbeeld open water (vijvers, sloten, rivieren, e.d.), geboorde putten en tankauto’s.
Zo ja, hoe lang bent u er al van op de hoogte dat er een direct gevaar dreigt, ten gevolge van de ontoereikende bluscapaciteit, voor ondernemers en werknemers, leraren en leerlingen, doctoren en patiënten, in het geval van een grote brand bij bedrijven, scholen en/of ziekenhuizen? Zo nee, waarom bent u hier niet van op de hoogte, terwijl het hier gaat om een kerntaak van de overheid, namelijk het beschermen van haar burgers?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er hier sprake is van een landelijk probleem? Zo nee, kunt u dit onderbouwen? Is er – al dan niet naar aanleiding van verontrustende signalen – getracht deze problematiek in kaart te brengen? Met andere woorden: heeft u proactief gehandeld op het moment dat deze signalen u bekend werden? Zo nee, waarom niet, en bent u vervolgens bereid om per ommegaande alsnog te (laten) onderzoeken wat de omvang is van dit probleem?
Nee, naar mijn mening is hier geen sprake is van een landelijk probleem. Dat bericht ook het Veiligheidsberaad mij bij navraag.
Het Veiligheidsberaad geeft daarbij aan dat de beschikbaarheid van bluswater een zaak is van gemeenten en veiligheidsregio’s; de brandweer maakt deel uit van de veiligheidsregio.
Deelt u de mening dat wanneer er sprake is van een landelijk probleem de landelijke overheid mogelijk een rol heeft in het oplossen van het probleem, door te kijken of er op landelijk niveau maatregelen genomen kunnen worden die gemeenten, brandweer en drinkwaterbedrijven (beter) in staat stellen dit probleem gezamenlijk aan te pakken? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot de veiligheidsregio’s?
Zie antwoord vraag 4.
Wat moet er volgens u gebeuren om de bluscapaciteit op een acceptabel niveau te brengen, in acht nemende de aanpassingen die het waterleidingnet doormaakt/heeft doorgemaakt?3 Wat moet er volgens u gebeuren – gelet op het feit dat een grote brand op deze locaties zich ieder moment van de dag voor kan doen – om de bluscapaciteit op korte termijn te vergroten? Zijn u alternatieven bekend om te komen tot een toereikende bluscapaciteit? Zo ja, zijn deze alternatieven op dit moment haalbaar? Bent u bereid dit te (laten) onderzoeken?
Er is geen extra actie nodig gericht op de bluswatercapaciteit. Het Veiligheidsberaad geeft bij navraag aan dat sprake is van een adequaat niveau. De bewering dat het gecontroleerd laten uitbranden van objecten het enige alternatief is dat voorhanden is, is dan ook onjuist.
Neemt u genoegen met het enige alternatief dat op dit moment voorhanden lijkt te zijn, namelijk het gecontroleerd laten uitbranden van objecten? Deelt u de mening dat het hier, naast de veiligheid van mensen, gaat om een onwenselijk verlies van bezit, zowel van de particulier, de ondernemer als van de overheid, en dat dit voorkomen moet worden?
Zie antwoord vraag 6.