Het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het toezenden van een informatieve brief?
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief, is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen bij de gecombineerde opgave?
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben een abonnement op een agrarisch weekblad?
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens bent om over hen openbaar te maken?
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede zienswijze te kunnen geven?
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen bij RVO en/ of de Minister?
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een derde-belanghebbe een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende betreffen? Zo nee, waarom niet?
Waarom worden derde-belanghebbende niet gewezen op hun recht om ook mondeling een zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan derde-belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk over gaat tot actieve openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking inrichten?
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo-procedure Woo/2023/066?
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/ of u om het griffierecht te betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten te betalen? Zo nee, waarom niet?
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden kwalificeren als «officiële documenten»?
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073?
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd? Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het bezwaar?
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
Het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielminister Van den Brink wil uitleg over opvangplekken: dit is het tekort in jouw gemeente»?1
Kunt u bevestigen dat op dit moment 250 van de 342 gemeenten niet voldoen aan de taakstelling uit de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de Spreidingswet), en dat ruim honderd gemeenten in het geheel geen opvang bieden?
Indien de cijfers in bovenstaande vraag niet correct zijn, hoeveel gemeenten voldoen op dit moment dan niet aan de taakstelling van de Spreidingswet en hoeveel gemeenten bieden in zijn geheel geen opvang?
Deelt u de opvatting dat een situatie waarin bijna driekwart van de gemeenten niet aan de wettelijke taak voldoet, wijst op een breed en structureel gebrek aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de gedwongen vestiging van asielzoekerscentra?
Indien u de in vraag 4 verwoorde opvatting niet deelt, hoe verklaart u dan dat na ruim twee jaar werking van de wet slechts 92 gemeenten aan hun opgave voldoen?
Acht u het uitvoerbaar en proportioneel om een wet met dwang te handhaven waarvan de naleving bij een ruime meerderheid van de gemeenten uitblijft?
Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, op grond van welke afweging?
Is er naar uw oordeel een omstandigheid denkbaar die een tekort aan opvangplekken in een gemeente kan rechtvaardigen?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke omstandigheden acht u dan legitiem, en betrekt u daarbij factoren als het ontbreken van lokaal draagvlak, ruimtelijke beperkingen en zorgen over de openbare orde en veiligheid?
Indien het antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, met welk oogmerk nodigt u gemeenten dan uit om uitleg te komen geven, indien de uitkomst van die gesprekken reeds op voorhand vaststaat?
Kunt u uiteenzetten in welke gevallen een door een gemeente aangevoerde reden kan leiden tot bijstelling van haar taakstelling?
Acht u het wenselijk de autonomie van 250 gemeenten te doorkruisen door over te gaan tot actief toezicht en, in laatste instantie, tot het aanwijzen van opvanglocaties die gemeenten verplicht zijn te accepteren?
Erkent u dat het zelf aanwijzen van opvanglocaties, tegen een besluit van de gemeenteraad in, een vergaande inbreuk vormt op de lokale democratische besluitvorming?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid af te zien van dwangmaatregelen jegens gemeenten waar aantoonbaar geen lokaal draagvlak bestaat?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom weegt de uitvoering van de taakstelling voor u zwaarder dan de uitkomst van het lokale democratische proces?
Bent u bereid de Spreidingswet in te trekken indien de medewerking van gemeenten niet wezenlijk verbetert?
Indien u niet bereid bent tot intrekking, bent u dan bereid een gedoogbeleid te voeren waarbij de dwangbepalingen van de Spreidingswet niet worden uitgevoerd zolang het vereiste lokale draagvlak ontbreekt?
Waarom kiest u niet voor het reduceren van de instroom tot nihil, als structurele oplossing?
Beschikt uw ministerie over voldoende ambtelijke capaciteit (fte) om de circa 250 niet-voldoende presterende gemeenten onder actief toezicht te plaatsen?
Kunt u kwantificeren hoeveel fte gemoeid is met het onder actief toezicht plaatsen van één gemeente, en welk totaal beslag dit zou leggen indien dit voor 250 gemeenten gelijktijdig zou moeten geschieden?
Indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt, betekent dit dan dat het instrument van actief toezicht in de praktijk slechts selectief of symbolisch kan worden ingezet?
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot een gelijke behandeling van gemeenten?
Hoe verhoudt het uitnodigen van gemeentebestuurders om zich op uw ministerie te verantwoorden zich tot gemeentelijke autonomiteit?
Bent u bereid de verslagen of notulen van de gesprekken met gemeenten openbaar te maken, dan wel vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven?
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Het beschermen van dieren tegen hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het heet is in ons land, met temperaturen tot boven de 30 graden?
Het is de afgelopen weken inderdaad warm geweest in Nederland.
Kunt u bevestigen dat dit voor grote aantallen dieren in de veehouderij gevaarlijk warm is, aangezien veel dieren (zoals kippen, varkens en runderen) rond de 25 graden al last kunnen hebben van (ernstige) hittestress?
Als het warm weer is, wordt het risico op hittestress bij dieren groter. Het risico op het ontstaan van hittestress verschilt per situatie. De diersoort, de luchtvochtigheid, de temperatuur en getroffen managementmaatregelen spelen een rol.
De European Food and Safety Authority (EFSA) geeft aan dat bepaalde diersoorten en -categorieën, waaronder bepaalde categorieën varkens en runderen, een Upper Criticial Temperature (UCT, de temperatuur waarboven het dier significant meer gebruik moet maken van fysiologische processen om te voorkomen dat de lichaamstemperatuur stijgt tot boven de normaalwaarde) van 25 graden Celsius hebben. Hiermee is niet gezegd dat deze dieren boven deze temperatuur ook daadwerkelijk hittestress ervaren, maar wel dat het risico op het ervaren van hittestress vanaf die temperatuur toeneemt. Daarbij zijn ook bovengenoemde factoren die dit risico beïnvloeden van belang.
Onderschrijft u het belang van het voorkomen van hittestress bij dieren en het nemen van maatregelen om dieren beter te beschermen op hete dagen?
Dit belang onderschrijf ik inderdaad. Ik vind dat wij dieren goed moeten beschermen, ook tijdens warme dagen.
Bent u ermee bekend dat uit de wet volgt dat dieren in weilanden beschermd moeten worden tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte, en dat Kamer heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Ja, ik ben bekend met de motie en de nu reeds geldende verplichting in het Besluit houders van dieren (BhvD), waarin staat dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming moet worden geboden tegen onder meer slechte weersomstandigheden (artikel 1.6, derde lid, BhvD).
Hoe verklaart u dat veel dieren nog altijd geen beschutting hebben tegen hitte, ondanks allerlei (vrijblijvende) projecten en programma’s die zijn opgesteld om dit te stimuleren?
In de praktijk zien we dat veel houders de beschutting voor hun dieren op orde hebben, maar dat er ook een groep houders is die nog stappen moet zetten. Er zijn verschillende redenen waarom een deel van de houders hun dieren nog niet voldoende beschermt tegen de hitte. Sommige houders ervaren bijvoorbeeld beperkingen in het lokale ruimtelijke beleid. Ook kan het vinden van een praktisch werkbare schuilmogelijkheid complex zijn. Daarom zet ik samen met mede-overheden, toezichthouders en partijen uit het veld verschillende instrumenten in om de naleving verder te bevorderen. Dit is een combinatie van ondersteunende instrumenten, toezicht en handhaving. Vanaf dit jaar is er bijvoorbeeld stappenplan voor dierhouders en een wegwijzer voor gemeenten en provincies over beschutting in de weide beschikbaar. Daarnaast kunnen veehouders subsidie krijgen voor beschutting via de productieve investeringsregeling.
Bent u bereid om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren expliciet wettelijk te verplichten, conform de aangenomen motie? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in de verzamelbrief dierenwelzijn van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1315), ondersteunt de aangenomen motie het huidige beleid, waarbij in het Bhvd al is geregeld dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden. Deze norm is met een werkinstructie ingevuld via een open normen traject en de toezichthouders richten aan de hand hiervan het toezicht en de handhaving in.
Kunt u uitsluiten dat zich aankomende periode weer schrijnende situaties voordoen waarin varkens naar adem happen, kippen dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij ervoor zorgt dat dergelijke situaties zich niet voordoen. Maar, hoe graag ik dit ook zou willen, het volledig uitsluiten van dergelijke situaties kan ik niet. Er kan altijd sprake zijn van onvoorziene omstandigheden, overmacht of noodsituaties waarbij dergelijke zaken kunnen ontstaan. Uiteraard treedt de NVWA handhavend op waar vastgesteld wordt dat er sprake is van een overtreding.
Wat ik ook kan doen, is maatregelen nemen waardoor het risico op dergelijke situaties zoveel mogelijk verkleind wordt. Daarom voer ik de beleidsregel 30 graden in, die per 1 april 2027 van kracht zal zijn.
Klopt het dat u van de veehouderijsectoren verwacht dat zij maatregelen treffen om dieren tegen hitte te beschermen?
Dat klopt, dit verwacht ik inderdaad van de veehouderijsectoren.
Bent u ermee bekend dat toenmalig Staatssecretaris Van Dam er in 2017 al tegenaan liep dat de pluimveesector niet wilde meewerken met het beter beschermen van dieren tegen hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?
De pluimveesector heeft zich tot op heden nog niet willen aansluiten bij het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen. In dit plan geven overheid en bedrijfsleven aan wat ze doen om dierenwelzijn bij transport en slacht zo goed mogelijk te borgen bij extreme temperaturen. De pluimveesector heeft wel een eigen protocol waarin zij beschrijven hoe zij de dieren willen beschermen tegen extreme temperaturen.
Bent u ermee bekend dat de belangenbehartiger van de pluimveesector, Nepluvi, zich tevens jarenlang heeft verzet tegen vele maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, zoals de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar 30 graden, maar ook de eerdere invoering van de maximumtemperatuur van 35 graden, omdat ze kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius op transport wilden blijven zetten?1
Sectorpartijen – waaronder ook Nepluvi – hebben inderdaad kenbaar gemaakt een verlaging van de maximumtransporttemperatuur naar 30 graden niet wenselijk te vinden vanwege uiteenlopende zorgen (Kamerstuk 28 286, nr. 1434, inclusief bijlagen). Ik vind echter dat we dieren beter moeten beschermen, ook tijdens warme dagen. Daarom heb ik besloten om de verlaging middels de beleidsregel 30 graden wel door te voeren, maar de inwerkingtreding tot 1 april 2027 uit te stellen om sectorpartijen de tijd te geven om voorbereidingen te treffen om de zorgen die ze hebben geuit, te kunnen borgen.
Kunt u bevestigen dat in 2019 bleek dat de afspraak om dieren bij 35 graden of warmer niet meer te vervoeren niet door iedereen werd nagekomen, omdat bijvoorbeeld de pluimveesector, die verreweg het grootste aantal dieren per jaar fokt en afvoert naar de slacht, gewoon door was blijven rijden bij temperaturen boven de 35 graden, hetgeen de aanleiding was voor de toenmalige Minister van Landbouw om de grens van 35 graden wettelijk te laten vastleggen?2
In 2019 zijn er een aantal transporten geweest waarbij er gereden werd met dieren boven de afgesproken maximumbuitentemperatuur van 35 graden Celsius. Daarna is de grens van 35 graden Celsius maximumbuitentemperatuur vastgelegd in een beleidsregel.
Kunt u bevestigen dat de noodzaak van het invoeren van de beleidsregel maximumtemperatuur diertransport, die in 2023 in consultatie werd gebracht, volgde uit het feit dat de vrijwillige aanpak via het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen «niet afdoende» heeft gewerkt, niet alle sectoren zich wilden aansluiten en het daarom «niet in de lijn der verwachting» ligt dat «vrijwillige afspraken dit keer wel werken»?3
Het wijzigen van de huidige beleidsregel, waarbij de maximumbuitentemperatuur voor diertransport wordt verlaagd van 35 naar 30 graden Celsius, komt voort uit voortschrijdend en wetenschappelijk inzicht (o.a. aan de hand van de rapporten van EFSA over dierenwelzijn tijdens transport van september 2022). Omdat een beleidsregel een effectieve methode is geweest om de temperatuur van 35 graden als maximale buitentemperatuur te laten gelden voor diertransport, is bij de verlaging van die temperatuur naar 30 graden opnieuw voor hetzelfde instrument gekozen.
Begrijpt u dat dit alles weinig vertrouwen schept dat bepaalde sectoren binnen de veehouderij zich dit keer wel tijdig zullen voorbereiden, zowel op hitte in de aankomende zomer, als op het verlagen van de maximumtemperatuur vóór de zomer van volgend jaar?
Verschillende sectoren hebben bezwaren geuit tegen het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport naar 30 graden Celsius. Ik begrijp de zorgen die deze sectoren hebben voor praktische en logistieke problemen. Dat is precies de reden dat ik de beleidsregel volgend jaar in laat gaan, zodat de sectoren aankomende zomer zich voor kunnen bereiden. Hierover is regelmatig en goed contact met de verschillende sectorpartijen.
Heeft Nepluvi inmiddels concreet laten weten hoe zij de pluimveesector gaat voorbereiden op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten? Zo ja, wat hebben zij toegezegd?
Mijn departement is hierover in gesprek met de verschillende sectorpartijen, waaronder Nepluvi.
Hebben de verschillende veehouderijsectoren, waaronder de pluimveesector, inmiddels concreet laten weten welke maatregelen zij gaan treffen om dieren deze zomer te beschermen tegen hitte?
Zie mijn antwoord op vraag 14. Verder nemen de verschillende veehouderijsectoren, conform hun sectorprotocollen, elke zomer maatregelen om hittestress bij dieren te voorkomen.
Kunt u bevestigen dat u, conform hetgeen u schreef in een Kamerbrief (Kamerstuk 28 286, nr. 1433), van de sector verwacht dat ze zich tijdig voorbereiden op het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten door bijvoorbeeld hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en zo kan worden voorkomen dat stallen overvol raken als dieren langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis?
Dit kan ik bevestigen. Het aanpassen van de planning voor de fok van nieuwe dieren is één van de mogelijke maatregelen die genomen kunnen worden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen mogelijk en ik verwacht van de sector dat zij zich middels een pakket aan dergelijke maatregelen voorbereiden op de verlaging van de maximumbuitentemperatuur voor diertransport. Tegelijkertijd kijk ik met de NVWA naar het verruimen van de mogelijkheden om vervroegd te slachten. Het is met de combinatie van maatregelen vanuit zowel de overheid als de sector dat wij ervoor gaan zorgen dat de verlaging van de maximum-temperatuur voor diertransport in goede banen wordt geleid.
Indien u dit nog niet gedaan hebt, bent u bereid om deze verwachting expliciet aan de veehouderijsectoren mede te delen, zodat later niet kan worden gesuggereerd dat zij onvoldoende tijd of mogelijkheden hebben gehad om zich aan te passen op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten?
Daar ben ik zeker toe bereid en dit heb ik ook reeds gedaan. Ik zal deze verwachting ook blijven herhalen waar ik kan.
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden «gelost»?
Het uitgangpunt moet zijn dat bedrijven op warme dagen de bedrijfsvoering en planning zo aanpassen, zodat dieren niet lang hoeven te wachten alvorens ze gelost worden. Ik verwacht dit van de sector en bij een flink aantal bedrijven gaat dit ook goed. Er zijn ook bedrijven die maatregelen nemen zoals overkappingen op de parkeerplaats en koeling in de losruimte. Helaas heeft niet ieder bedrijf deze mogelijkheid, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek of stilstaande vergunningverlening. Daarnaast kan er altijd sprake zijn van onvoorziene omstandigheden of noodsituaties waarbij dergelijke situaties kunnen ontstaan. In die situaties waar het nog steeds fout gaat, treedt de NVWA handhavend op als een overtreding wordt geconstateerd. en neem ik zelf maatregelen door de maximumtemperatuur voor diertransport te verlagen.
Deelt u de conclusie dat ook hier blijkt dat een vrijwillige aanpak niet afdoende heeft gewerkt? Zo ja, bent u bereid om met niet-vrijblijvende maatregelen te komen om dieren deze hittestress te besparen? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn antwoord op vraag 18 laat zien, werkt de vrijwillige aanpak op sommige plekken wel, maar niet overal. Daarom heb ik besloten om de maximumtemperatuur voor diertransport te verlagen, om zo dieren beter te beschermen tegen hittestress.
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild hitte proberen te vermijden door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden?
Ja, dat kan ik bevestigen. Zowel wilde als gedomesticeerde dieren hebben verschillende gedragingen om afkoeling te zoeken, zoals bijvoorbeeld zoeken naar schaduw, hijgen, zweten, ingraven en het nemen van waterbaden.
Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen, door bijvoorbeeld naar buiten te kunnen, met mogelijkheden tot modderbaden of stofbaden en beschutting en verkoeling onder bomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik op vraag 5 heb geantwoord, in het Besluit houders van dieren is al de verplichting opgenomen dat dieren die niet in een gebouw worden gehouden beschermd dienen te worden tegen slechte weersomstandigheden (artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren), en dient de luchtcirculatie, de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid in de omgeving van het dier niet schadelijk te zijn voor het dier (artikel 2.5, lid 4 van het Besluit houders van dieren). Aanvullend daarop is het voorkomen van hitte- en koudestress onderdeel van de concept-AMvB dierwaardige veehouderij.
Hoeveel capaciteit is er op dit moment beschikbaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om (extra) controles uit te voeren op warme dagen en de dierenwelzijnsregels te handhaven?
De NVWA maakt onderscheid in capaciteit voor inspecties op het transport van dieren en capaciteit voor inspecties op de primaire bedrijven.
Voor het transport van dieren heeft de NVWA op hittedagen (>27°) minimaal 6 inspecteurs beschikbaar voor het inspecteren van het transport van dieren. Dit aantal loopt op met het stijgen van de temperatuur. Bij een temperatuur van >35° zijn er tenminste 12 inspecteurs beschikbaar.
Voor het uitvoeren van hitte inspecties op primaire bedrijven heeft de NVWA – op basis van het huidige draaiboek Hitte – tijdens kantoortijden op hittedagen (>27°) minimaal 6 inspecteurs beschikbaar. Buiten kantoortijden zijn er maximaal 6 inspecteurs, 1 dierenarts en 2 deskundige piket medewerkers beschikbaar ten behoeve van de verwerking/weging van de hittemeldingen en het uitvoeren van inspecties.
Kunt u toezeggen dat er strikt zal worden gehandhaafd indien in deze hete periodes dieren onvoldoende beschuttingsmogelijkheden hebben, ze niet kunnen afkoelen in weilanden of stallen, op hete dagen op transport worden gezet of bij slachthuizen langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten?
De NVWA voert risicogericht toezicht uit, onder meer naar aanleiding van meldingen, uit in de diverse schakels in de keten. Hierbij wordt ook beoordeeld of dieren voldoende bescherming wordt geboden op hete dagen. Indien overtredingen worden vastgesteld, wordt op basis van het interventiebeleid handhavend opgetreden. De NVWA gebruikt hierbij ook innovatieve inspectiemethoden zoals drones. Dit past binnen mijn visie op toezicht die ik op 18 juni 2026 met de Kamer hebt gedeeld middels de brief Modern toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Kamerstuk 2026Z13726).
Kunt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord»?1
Het kabinet veroordeelt dergelijke gewelddadige aanvallen in Oost-Congo ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder veel christenen.
Hoe taxeert u momenteel de conflictsituatie in Oost-Congo? Wat is de inzet van Nederland, zowel bilateraal als in EU-verband, voor duurzame vrede in de regio? Welke stappen worden de komende tijd gezet?
De veiligheidssituatie in Oost-Congo blijft uitermate zorgwekkend. In de regio zijn verschillende gewapende groeperingen actief, waaronder de Allied Democratic Forces (ADF). Er is in het gebied sprake van ernstige mensenrechtenschendingen, ontheemding en een fragiele humanitaire situatie.
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. Ook draagt Nederland via de EU en de Internationale Contactgroep voor de Grote Meren bij aan het uitoefenen van diplomatieke druk op de strijdende partijen, om gemaakte afspraken in de vredesprocessen na te komen. Ook de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren draagt deze boodschap uit in de gesprekken die hij voert met de verschillende partijen. Onlangs bracht de Speciaal Vertegenwoordiger een bezoek aan Den Haag om te spreken over de ontwikkelingen in de regio en de Europese inzet. Ook verkent de EU mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen. Tot slot blijft Nederland zich samen met de EU uitspreken tegen mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal recht.
Heeft u aanwijzingen dat burgers gericht werden aangevallen vanwege het feit dat ze christen zijn? Zo ja, wat betekent dit voor de inzet van het kabinet?
Ja. Op basis van recente rapportages, onder meer van de VN en van maatschappelijke organisaties, zijn er aanwijzingen dat gewapende groeperingen in Oost-Congo christelijke gemeenschappen selectief aanvallen. Onafhankelijke verificatie is echter vaak moeilijk vanwege de complexe veiligheidssituatie.
Religieus gemotiveerd geweld en discriminatie op grond van religie of levensovertuiging zijn voor het kabinet onacceptabel. In de bilaterale contacten met de DRC benadrukt Nederland daarom stelselmatig het belang van bescherming van burgers, en het respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Daarnaast zet Nederland zich in voor het tegengaan van straffeloosheid door te pleiten voor onderzoek naar en vervolging van daders van religieus gemotiveerd geweld, onder meer via VN-mechanismen en, waar van toepassing, nationale of internationale gerechtelijke instanties.
Welke mogelijkheden komen uit het onderzoek om de Allied Democratic Forces (ADF) op de Europese terrorisme-sanctielijst te plaatsen?2
Nederland heeft de ADF, ook wel IS Centraal-Afrikaanse Provincie genoemd, voorgedragen voor plaatsing op de EU IS/Al-Qaida sanctielijst. Deze listing is op 24 november 2025 aangenomen door de Raad van de Europese Unie. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Minister van Justitie uw Kamer hier eerder per brief van 19 maart 20263 over geïnformeerd.
Wat is de inzet van het kabinet, juist gezien de ebola-uitbraak in de regio, om bij te dragen aan zo goed mogelijke toegang tot medische zorg?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en maakt zich zorgen over de ontwikkelingen rondom ebola. Het kabinet draagt 3 miljoen euro bij ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde ebolarespons in de Democratische Republiek Congo (DRC), Oeganda en de regio. De WHO werkt hierin samen met het Afrikaanse centrum voor ziektebestrijding en -preventie (CDC) en nationale overheden en versterkt onderzoek, kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit.
Bij de bepaling van de omvang van deze bijdrage houdt het kabinet rekening met het feit dat Nederland via bestaande programma’s en flexibele financiering al een forse bijdrage levert aan de huidige hulpverlening. Het gaat hierbij om kernbijdragen aan VN-organisaties zoals de WHO, UNICEF, UNOCHA, maar ook aan de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) en het Global Fund ter bestrijding van aids, malaria en tuberculose (GFATM). Met deze flexibele bijdragen kunnen partners direct reageren op de meest acute noden.
Ook hebben onder meer het VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF) en de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen, waaraan Nederland financieel bijdraagt, respectievelijk 10 miljoen euro en meer dan EUR 2,5 miljoen toegewezen voor de respons op de ebola-uitbraak.
Daarnaast stelt Nederland via RVO een waterexpert en mentale gezondheidsexpert beschikbaar, die naar Democratische Republiek Congo (DRC) afreizen om UNICEF en WHO te ondersteunen.
Voor meer informatie over de ebola-uitbraak en de inspanningen van het kabinet verwijs ik naar de Kamerbrief over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de DRC en Oeganda4, d.d. 12 juni 2026.
De deelnemerslijst van een NAVO-aangelegenheid |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording die u op 26 mei 2026 naar de Kamer heeft gestuurd?1
Ja.
Waarom bent u, hiernaar gevraagd, blijkbaar niet in staat de Kamer met zekerheid te laten weten of er Nederlandse militairen wel of niet (ja of nee dus) bij de bewuste gesprekken tussen de NAVO en de televisie- en filmproducenten aanwezig waren? Dit kunt u toch vrij simpel (via de NAVO bijvoorbeeld) met zekerheid verifiëren? Gaat u dit alsnog doen? Zo nee, waarom niet?
De betrokken medewerkers zijn in dienst van de NAVO en spreken niet namens hun land maar namens het bondgenootschap. De nationaliteit van de medewerkers doet daarom niet ter zake bij de publieke activiteiten van de NAVO. Binnen de NAVO werken duizenden mensen, van wie een deel met de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet steunt het belangrijke werk dat zij doen voor onze gemeenschappelijke veiligheid vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en expertise.
Waarom schrijft u in uw beantwoording aan de Kamer dat Nederland niet in het bezit is van de deelnemerslijst, aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft, in plaats van die deelnemerslijst op verzoek van de Kamer gelijk op te vragen bij de NAVO, waar Nederland zoals u ongetwijfeld weet lid van is en dus als lid ook informatie zou moeten kunnen opvragen? Waarom is ditzelfde (blijkbaar) niet gebeurd voor de gespreksverslagen waar ook naar is gevraagd? Waarom is dit idem dito niet gebeurd voor de beschrijving van de «drie afzonderlijke projecten» waar ook om is verzocht?
De verklaring van de NAVO over de totstandkoming en doelstellingen van de gesprekken is glashelder. Het is niet gebruikelijk, noodzakelijk of functioneel dat de NAVO deelnemerslijsten van alle overleggen, intern of met externe gesprekspartners, openbaar maakt. Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming van persoonsgegevens en de veiligheid van betrokken medewerkers en ziet dan ook geen reden om deze gegevens bij de NAVO op te vragen en openbaar te maken. De grote uitdagingen waar het bondgenootschap voor staat, versterken de urgentie voor de NAVO om het gesprek aan te gaan met geïnteresseerden, waaronder televisie- en filmproducenten. Onder bondgenoten is er steun voor het vergroten van de maatschappelijke kennis over de NAVO. Het kabinet steunt daarom deze publieke activiteiten van de NAVO.
Bent u bereid dit alles alsnog zo snel mogelijk te doen en de door Nederland dus bij de NAVO opgevraagde deelnemerslijst, gespreksverslagen en omschrijving van de drie genoemde projecten zo spoedig mogelijk naar de Kamer door te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen uiterlijk drie weken beantwoorden?
Ja.
Strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Ja.
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
De Raad van State heeft op 30 maart jl. advies uitgebracht over het wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties. De afgelopen periode is benut om het advies van de Raad van State te verwerken. Inmiddels is dit gebeurd en zal het wetsvoorstel op zeer korte termijn – via het Kabinet van de Koning – bij uw Kamer worden ingediend.
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het wetsvoorstel beoogt aan deze belangen een bijdrage te leveren, door zowel het verheerlijken van de meest ernstige terroristische misdrijven als het in het openbaar betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Zo kunnen boodschappen die radicalisering en de gevaren die daarvan uitgaan – zoals het oproepen tot en later plegen van geweld – tot gevolg kunnen hebben, in een vroeg stadium strafrechtelijk worden geadresseerd.
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Ja.
Dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht voor de bescherming van hun dieren, maar wel vergoeding uitbetaald krijgen na wolvenaanvallen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en bijbehorende video van House of Animals waarin wordt bericht dat een paarden- en ponyhandelaar structureel niet aan de adviesnormen voldoet om zijn pony's te beschermen tegen wolven, maar wel 22.858 euro aan vergoedingen heeft uitbetaald gekregen na wolvenaanvallen?1
Wat is uw reactie op de geconstateerde problemen in het artikel en de bijbehorende video?
Wat vindt u ervan dat er een dode pony in vergaande staat van ontbinding aan de rand van het veld van de ponyhouder is gevonden (en daarna in de sloot) met een dik touw om de enkel en dat de ponyhouder er niets van had gemerkt en er geen verklaring voor kan geven?
Kunt u uitsluiten dat de pony daar dagenlang is gedumpt door de ponyhouder?
Wat vindt u ervan dat naast het stoffelijk overschot van de pony hoge drinkbakken met te weinig water stonden, waardoor meerdere dorstige pony’s er niet bij konden?
Kunt u uitsluiten dat de ponyhouder pony's heeft gebruikt als lokaas? Zo ja, hoe precies?
Is er onderzoek gedaan over het aangetroffen dierenleed en of de ponyhouder zich aan de wet heeft gehouden? Zo ja, door wie en wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar deze situatie?
Welke mogelijke sancties zijn er voor zo een ponyhouder?
Klopt het dat de genoemde ponyhouder niet voldeed aan de adviesnormen voor bescherming van zijn dieren en toch vergoeding uitgekeerd kreeg na een wolvenaanval?
Kunt u bevestigen dat ongeveer 75 procent van de wolvenaanvallen in Friesland bij alleen deze ponyhouder hebben plaatsgevonden?
Klopt het dat bij de genoemde wolfaanvallen in de dorpen Oudehorne en Nieuwhorne de dieren niet volgens de adviesnormen werden beschermd, maar toch vergoeding uitgekeerd werd (tussen 2024 en 2025)? Zo nee, hoe zit het dan?
Gaat u onderzoeken of ook in andere provincies het geval bestaat dat bij één enkele dierhouder, of een paar dierhouders, een overgroot deel van de wolvenaanvalmeldingen zijn gedaan? Kunt u de bevindingen met ons delen?
Deelt u de mening dat in het kader van zorgplicht dierhouders in het algemeen verplicht zijn om hun dieren voldoende te beschermen tegen predatoren, zoals de wolf?
Deelt u de mening dat dierhouders die hier niet aan voldoen geen vergoeding zouden mogen krijgen na een wolvenaanval? Zo nee, hoe legt u die beloning van slecht gedrag uit?
Over welke instrumenten beschikt u om te controleren of dierhouders voldoen aan de zorgplicht? Wat heeft u nodig om deze instrumenten nog beter te kunnen benutten?
Hoe vaak wordt gecontroleerd bij dierenhouders? Hoe vaak is in de afgelopen vier jaar gecontroleerd bij een overduidelijk risicogeval als in het artikel genoemde ponyhouder uit Friesland en welke conclusies zijn daaruit gekomen?
Bent u het ermee eens dat onbeschermde dieren een makkelijke prooi zijn voor wolven en dit kan veroorzaken dat de wolf terugkeert naar dezelfde plek?
Bent u het ermee eens dat een wolf door nalatigheid van mensen in de bescherming van hun dieren, problematisch gedrag kan gaan vertonen zoals het wederkeren naar dezelfde plek? Wie draagt dan volgens u de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan?
Heeft u in kaart en wat gaat u eraan doen dat mensen on- of doelbewust hun dieren onbeschermd kunnen laten en vervolgens een hoge vergoeding kunnen krijgen voor (dodelijke) schade aan deze dieren?
Erkent u dat een systeem waarin verwaarlozing van dieren niet wordt aangepakt, met wolvenaanvallen als gevolg, potentieel dierhouders door middel van vergoedingen beloont voor het overtreden van de wet?
Bent u ermee bekend dat dieren zoals de shetlandpony, meer geld opleveren voor een dierhouder via een uitbetaling van een vergoeding na een wolvenaanval, dan door het dier op marktplaats (of via een andere wijze) te verkopen? Wat vindt u van deze mogelijk perverse prikkel?
Controleert u periodiek de waardetabel (die jaarlijks wordt opgesteld) op basis waarvan de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald?
Gaat u dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht en zich niet aan de adviesnormen houden in de toekomst gericht strenger controleren? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, hoe gaat u dan handhaven dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vergoedingsregeling?
Wat vindt u van wolvenaanvallen die mogelijk tot stand zijn gekomen door nalatigheid van dierhouders of zelfs door het uitlokken van de wolf? Bent u het met ons eens dat dat bij kan dragen aan een vertekend beeld van het daadwerkelijke gevaar dat de wolf vormt voor mens en dier?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dierhouders bekend worden met en zich gaan houden aan de adviesnormen en gaan voldoen aan de zorgplicht?
Zou u deze vragen binnen de gestelde termijn willen beantwoorden en tenminste alvorens het nog te plannen plenair debat over de wolf in Nederland?
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
De brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
De koopkracht van deelnemers en gepensioneerden is een belangrijk onderwerp waar u terecht aandacht voor vraagt. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven, biedt het nieuwe pensioenstelsel meer perspectief op een koopkrachtig pensioen in vergelijking met het oude stelsel. Aan het toevoegen van eventuele additionele koopkrachtinstrumenten zijn voor- en nadelen verbonden. Ik wil uitvoeringspartijen in de pensioensector de tijd geven om zorgvuldig de inzet van additionele koopkrachtinstrumenten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat om de praktische uitwerking van deze varianten verder te onderzoeken. De pensioensector zal hiertoe het initiatief nemen. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op een degelijke manier te doen is ruime tijd nodig, mede gezien de lopende transitie. Ik zal de Kamer daarom begin volgend jaar hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.1
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele koopkrachtinstrumenten?
Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling en pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. In de regeling wordt het gebruik van de verschillende instrumenten gedefinieerd. Deze rolverdeling zal ook gelden voor eventuele additionele koopkrachtinstrumenten.
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van (additionele) koopkrachtinstrumenten?
Zoals ik heb aangegeven in de brief zal ik de Kamer begin volgend jaar over de verkenning naar additionele koopkrachtinstrumenten door de pensioensector verder informeren. Ik zal de Kamer betrekken bij het vervolg dat daaruit voortvloeit. Naar aanleiding van de geboden inzichten vanuit de pensioensector zal ik nader bezien hoe ik uw Kamer op regelmatige wijze verder kan informeren. Over de wijze waarop ontwikkelingen in de pensioensector rondom koopkracht zullen worden gevolgd zal ik te zijner tijd een voorstel doen. In dit voorstel zullen verschillende elementen worden gewogen. Hierbij zal gekeken moeten worden hoe fijnmazig de informatie kan zijn en welke vorm deze rapportage kan krijgen. Om hier een beter beeld van te krijgen zal eerst bezien worden welke gegevens momenteel beschikbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Hierbij zal natuurlijk rekening moeten worden gehouden met kosten, beschikbare capaciteit en regeldruk voor o.a. de pensioensector. Ik ga graag op basis van dit voorstel met uw Kamer in gesprek.
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Ik zie de inzichten van de pensioensector op het gebied van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid met belangstelling tegemoet. Zoals ook uit de kwalitatieve analyse blijkt is in principe voor alle vier onderzochte koopkrachtinstrumenten aanpassingen van wet- en regelgeving nodig.2
Het vooroplopen van Nederland in de halfgeleiderindustrie |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie uit de European Semiconductor Demand Study van 21 mei 2026 dat de Europese chipvraag richting 2040 verdubbelt? Welke consequenties trekt zij daaruit?1
Ja, ik onderschrijf de conclusie dat de Europese vraag naar halfgeleiders richting 2040 grofweg verdubbelt, en binnen de Europese industrie zelfs groeit naar circa 2,4 keer het huidige niveau. Deze sterke groei in sectoren als industriële automatisering, MedTech en mobiliteit biedt grote kansen voor de Nederlandse en Europese halfgeleiderketen (inclusief chipmachinebouw, fotonica en quantum).
De belangrijkste conclusie die ik uit de studie trek, is dat de marktvraag er is, maar dat investeringen in Europa niet vanzelfsprekend zijn. Om de Europese positie in zowel volwassen technologieën (zoals sensoren en microcontrollers) als in geavanceerde segmenten (zoals chipontwerp en AI) te behouden en uit te breiden, zijn gerichte politieke keuzes, langdurig publiek en privaat commitment én gezamenlijke actie van de industrie en eindmarkten noodzakelijk.
Klopt het dat de ambitie van de eerste Europese chipverordening een Europees marktaandeel van 20% was, en dat dit aandeel nu 8% bedraagt en bij de modernste chips zelfs 3%? Welke harde lessen trekt u hieruit?
De bestaande Chips Act heeft tot significante extra investeringen in de Europese halfgeleiderindustrie geleid, namelijk meer dan € 52 miljard2. Ook zijn er serieuze stappen op gebied van onderzoek en ontwikkeling gezet. Tegelijkertijd zien we dat er in andere delen van de wereld ook fors in de sector is geïnvesteerd, waardoor het relatieve aandeel van Europa vrij constant is gebleven.
In de communicatie rondom de eerste Chips Act is veel nadruk komen te liggen op een streefpercentage van 20% voor de productie van chips in Europa. Maar een dergelijk streefpercentage is geen doel op zich. Het gaat uiteindelijk om het versterken van de halfgeleiderindustrie in Europa. Nederland heeft daarom als aanjager van de Semicon Coalition de Commissie aangespoord in te zetten op 3 hoofddoelen voor een nieuwe Chips Act: onmisbaarheid nastreven in de mondiale waardenketen, weerbaarheid van de eigen positie versterken, en inzetten op welvaart voor Europa.
Herinnert u zich uw eerdere antwoord dat het kabinet «de komende weken» met het veld tot een shortlist van projecten zou komen, en kunt u bevestigen dat deze toezegging dateert van april 2026? Ligt deze shortlist er, en bent u bereid deze per ommegaande met de Kamer te delen?
De Semicon Visie 2035 die ik recent naar uw Kamer stuurde3 vormt de basis voor een gericht uitvoeringsprogramma voor de halfgeleiderindustrie, zoals bedoeld in het Industriebeleid met focus4. De agenda hiertoe werk ik momenteel in afstemming met het veld uit. Het krijgt vorm langs de 6 actielijnen uit de visie, en zal afhankelijk van het vraagstuk om verschillende soorten acties vragen: zo zal er naar verwachting onder andere sprake zijn van gebiedsgerichte opgaven, innovatie- en opschalingsvraagstukken en algemene beleidsinitiatieven. Daarbij is het goed om in ogenschouw te houden dat al veel werk in uitvoering is, zoals het versterkingsplan van microchiptalent, de IPCEI AST en de groeifondsprogramma’s voor fotonica en quantum.
De realisatie van deze opgaven is complex en moet in zorgvuldigheid worden uitgelopen, met private partijen, regionale partners en andere stakeholders. Ik wil voorkomen dat voortijdig verwachtingen worden gewekt over opgaven waarvoor nog geen commitment bestaat. Dit kan er namelijk voor zorgen dat deze initiatieven niet van de grond komen. In het najaar zal ik uw Kamer daarom via een brief informeren over de voortgang van het Nederlandse halfgeleiderbeleid. Hierin zal uitgebreider worden ingegaan op het gerichte uitvoeringsprogramma, inclusief lopende projecten.
Welke financiële omvang is gekoppeld aan de projecten op de shortlist?
Het uitgangspunt van het kabinet is om integraal knelpunten aan te pakken om verdere groei van de halfgeleiderindustrie mogelijk te maken. In de Semicon Visie 2035 is een analyse gemaakt van de totale investeringen die het komende decennium nodig zullen zijn om als Nederland een toonaangevende speler te blijven in de mondiale halfgeleiderindustrie. Samen met het veld worden de ambities uit de visie nader uitgewerkt in projecten en programma’s. Tevens werkt het kabinet aan nieuwe instrumenten die hierin een belangrijke rol kunnen hebben, zoals de Nationale Investeringsinstelling of het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Het is op dit moment nog niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven over de financiële vraag op projectniveau. In het najaar zal er een voortgangsbrief volgen die nader ingaat op de wijze waarop verschillende projecten zullen worden opgepakt.
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft gesteld dat privaat financieel commitment essentieel is voor de uitvoering? Erkent u dat bedrijven juist wachten op een helder signaal van de overheid voordat zij investeren, en dat het huidige proces dit kip-en-ei-probleem in stand houdt? Hoe duidt u het in dit verband dat een project als ChipNL wel is opgenomen in de Nationale Technologiestrategie, maar zonder bijbehorende financiering?
Als Rijksoverheid proberen we investeringen in de Nederlandse halfgeleiderindustrie te stimuleren en spannen we ons maximaal in om knelpunten voor verdere groei weg te nemen. Hierbij is privaat commitment inderdaad essentieel, niet alleen in woord maar ook in daad. Ik ben principieel geen voorstander van op voorhand publiek financieel commitment afgeven voor projectplannen voordat deze in voldoende mate zijn uitgewerkt, inclusief zicht op privaat financieel commitment. Uit de Nationale Technologiestrategie (NTS) volgen de strategische technologische roadmaps voor Nederland, die erg belangrijk zijn om de inhoudelijke koers voor de komende jaren uit te zetten. Deze zullen echter moeten worden omgezet in concrete programma- en projectvoorstellen. Overigens zijn er wel degelijk verschillende instrumenten met financiering beschikbaar om innovatieprojecten voor de halfgeleiderindustrie te verwezenlijken, zoals de IPCEI-AST (die zich nadrukkelijk richt op de focusgebieden van ChipNL), de Chips Joint Undertaking-calls en de PPS-i middelen. Hier kunnen uitgewerkte projectvoorstellen op worden ingediend, in competitie met andere voorstellen. Deze instrumenten sluiten goed aan op de prioriteiten uit de NTS.
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft aangegeven dat geen scenario's zijn doorgerekend voor het wegvallen van private investeringen in sleuteltechnologieën? Acht u dit, gezien de nu beschikbare cijfers over de Europese marktpositie, nog wenselijk?
Private investeringen in sleuteltechnologieën (zoals semicon, quantum, fotonica, AI en biotechnologie) staan onder druk door een combinatie van macro-economische tegenwind, randvoorwaarden die onvoldoende voorhanden zijn en geopolitieke onzekerheid. Omdat deze «deeptech»-sectoren een lange ontwikkeltijd en een hoog risicoprofiel hebben, trekken private investeerders zich bij onzekerheden sneller terug. Zoiets is niet makkelijk in een scenario-analyse door te rekenen. Om te voorkomen dat een tijdelijke crisis leidt tot structurele schade aan het toekomstige verdienvermogen, kan de overheid een actieve, risicodragende en faciliterende rol aannemen. Dat beogen we onder meer te doen met de oprichting van de Nationale Investeringsinstelling en via generieke oplossingen voor vraagstukken als netcongestie, talent en de stikstofproblematiek.
Kunt u bevestigen dat de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat samen met stakeholders zes hoogtechnologische markten zou stimuleren? Wanneer rapporteert deze taskforce concreet aan de Kamer?
Dat klopt. Dit is conform de in oktober jl. verzonden brief5 waarin het industriebeleid met focus uiteen wordt gezet. De Taskforce zal op korte termijn een voortgangsbrief verzenden aan de Kamer.
Hoe verhouden de Semicon Visie 2035, de Nationale Technologiestrategie, het werk van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, en de IPCEI AST zich tot elkaar? Werken deze trajecten parallel, of dreigt dubbeling en vertraging?
De Semicon Visie 2035 vormt de basis voor het Nederlandse beleid voor de halfgeleiderindustrie. Deze Visie beschrijft de overkoepelende ambities voor de komende jaren en geeft een integraal beeld van de uitdagingen en bijbehorende oplossingsrichtingen voor de verdere groei van deze cruciale industrie. In het gericht programma semicon, zoals bedoeld in de Industriebrief met focus6, komen deze verschillende opgaven samen onder één paraplu. Het stimuleren van innovatie is één van deze opgaven. Hiervoor worden instrumenten, zoals de IPCEI-AST, gebruikt om de technologie-roadmaps van de Nationale Technologiestrategie te verwezenlijken. Strategie en instrumenten sluiten dus goed op elkaar aan.
De Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat is opgericht om doorbraken te realiseren voor ons vestigingsklimaat en verdienvermogen. Ik ben daarom ook van plan om wanneer interventies uit de gerichte programma’s aanlopen tegen knelpunten, deze in te brengen in de Taskforce.
Onderschrijft u dat Nederland binnen de EU een onevenredig grote rol vervult in cruciale schakels van de halfgeleiderketen, van lithografie tot design en mature node-productie? Hoe waarborgt u dat Nederland niet slechts reageert op het voorstel van de Europese Commissie, maar deze positie actief inzet om de richting van de Chipverordening 2.0 mede vorm te geven?
Nederland vervult binnen de EU, maar ook daarbuiten, een vooraanstaande rol als het gaat om de waardeketen voor halfgeleiders. Dit is niet alleen te danken aan grote spelers als ASML, NXP, ASM en BESI, maar ook het ecosysteem van middelgrote ondernemingen, snelgroeiende bedrijven en gespecialiseerde kennisinstellingen.
Nederland is initiatiefnemer geweest voor de oprichting van de Semicon Coalition, waarvan de verklaring de Commissie heeft opgeroepen tot herziening van de eerste Chipverordening (Chips Act) op specifieke onderdelen. Deze verklaring werd door alle 27 Europese lidstaten ondersteund.7 Ook heeft NL in samenwerking met Duitsland de verdere uitwerking van de Semicon Businesscase, waar u naar refereert, ondersteund. Nederland opereert daarmee voortdurend in de Europese voorhoede om deze nieuwe Chips Act vorm te geven, en zal dit ook blijven doen.
Bent u bereid het BNC-fiche over het voorstel over de chipverordening 2.0 met spoed (dus niet binnen zes, maar bijvoorbeeld twee weken) naar de Kamer te zenden, zodat tijdig een debat over de uitvoering van de Semicon Visie 2035 hieraan kan worden gekoppeld?
Ik begrijp de wens van het lid Oualhadj om het BNC-fiche spoedig te ontvangen en ook het grote belang van een tijdige behandeling van het voorstel voor de Chips Act 2.0 via debat met de Kamer. Voor een gedegen en gedragen eerste kabinetsappreciatie van Commissievoorstellen, zoals het voorstel voor de Chips Act 2.0, is het wenselijk om de reguliere termijnen voor BNC-fiches aan te houden. Deze afspraken borgen de kwaliteit, zorgvuldigheid en afstemming van de Nederlandse positiebepaling. Dit draagt ook bij aan een kwalitatief goed debat. Bovendien zijn deze termijnen onderdeel van de EU-informatieafspraken die de Kamer in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken (MBZ) hebben vastgesteld. Het is daarom niet zonder meer wenselijk om van deze standaardtermijn van zes weken af te wijken.
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht van de NOS op 26 mei jongstleden.
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Ik realiseer mij dat het maatschappelijk en voor nabestaanden mogelijk moeilijk te begrijpen is wanneer een veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet volledig ondergaat, in het bijzonder bij ernstige misdrijven zoals moord. Tegelijkertijd is het van belang deze zaak, waarin sprake is van een zogeheten combinatievonnis, te bezien in het licht van het wettelijk kader dat gold ten tijde van de tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen. Bij een combinatievonnis legt de rechter zowel een gevangenisstraf als de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op.
In 1997 werd de zogenoemde Fokkensregeling ingevoerd.2 Deze regeling maakte het mogelijk dat een veroordeelde met een combinatievonnis onder bepaalde omstandigheden na het ondergaan van een derde van de gevangenisstraf kon starten met de tbs-behandeling. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat een tbs-behandeling voor personen met een ernstige psychische stoornis effectiever is wanneer daarmee zo spoedig mogelijk wordt gestart. Zonder toepassing van de Fokkensregeling kon de tbs-behandeling in de regel pas starten nadat twee derde van de gevangenisstraf was ondergaan, gelet op de koppeling met het moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling.3 De Fokkensregeling is in 2010 afgeschaft.4 Op grond van het overgangsrecht had deze afschaffing echter geen gevolgen voor veroordeelden die reeds op basis van deze regeling waren geplaatst in een tbs-kliniek, nadat een derde van de gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.5 In de onderhavige zaak gaat het derhalve om een uitvloeisel van het destijds geldende wettelijk kader voor de tenuitvoerlegging van combinatievonnissen. De gang van zaken past binnen dat kader.
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
Het komt in de rechtspraktijk voor dat de officier van justitie een vordering tot verlenging indient, maar deze vordering ter terechtzitting niet handhaaft. Ook kan de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel door de rechter worden afgewezen. In beide gevallen is het context- en zaaks afhankelijk. Er vindt door het OM geen afzonderlijke registratie plaats van deze beslissingen, waardoor geen zicht is op het aantal zaken waarin (initieel) een vordering is ingediend door het OM dan wel de vordering door de rechter (rechtbank en/of gerechtshof) wordt afgewezen. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft het OM aan ook geen schatting te kunnen maken.
De Rechtspraak heeft desgevraagd aangegeven dat in de afgelopen vijf jaar in ongeveer 7 tot 9% van de gevallen waarin het OM in eerste aanleg verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd, deze vordering door de rechter is afgewezen. In 2025 bedroeg het aantal vorderingen tot verlenging van tbs circa 1.490. In de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak wordt geen registratie bijgehouden van gevallen waarin de officier van justitie een vordering tot verlenging van de tbs-maatregel indient, maar deze ter terechtzitting niet handhaaft. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft de Rechtspraak aan ook geen schatting te kunnen maken.
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Vooropgesteld moet worden dat het mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet past om te treden in het oordeel van de rechter in een individuele zaak. Wel kan ik aangeven dat de voortgang van een tbs-behandeling en de beoordeling of het risico op gevaar voor de samenleving voldoende is teruggebracht niet uitsluitend worden gebaseerd op een delictscenario, maar worden bezien in samenhang met de overige onderdelen van de behandeling en adviezen van deskundigen.
Een tbs-behandeling bestaat uit diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie, uitstroom en nazorg. Deze onderdelen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of worden optimaal geacht en frequent toegepast door professionals. Sinds 2022 vormt het Kwaliteitskader Forensische Zorg de basis voor kwaliteit in het forensische zorgveld.6 Professionals werkzaam in de forensisch klinische zorg handelen dienovereenkomstig, waarbij het verkleinen van het recidiverisico vooropstaat. In de behandeling wordt te allen tijde uitgegaan van de strafrechtelijke veroordeling, ook als een tbs-gestelde het delict (gedeeltelijk) ontkent of daarover wisselend verklaart. Indien een tbs-gestelde vanuit een ontkennende houding geen stappen in de behandeling zet, komt diegene niet in aanmerking voor verlof en andere vervolgstappen.
Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat een beslissing tot onvoorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging niet lichtvaardig wordt genomen. Daaraan gaat in de regel een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vooraf van ten minste één jaar, waartoe de rechter besluit op basis van adviezen van deskundigen. Bij de beoordeling van een eventuele beëindiging van de maatregel wordt de rechter opnieuw door deskundigen geadviseerd.
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is per 1 januari 2025 in werking getreden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) raadpleegt slachtoffers en nabestaanden of zij gebruik wensen te maken van dit spreekrecht en geeft dit door aan het OM. Het OM roept de slachtoffers en nabestaanden vervolgens op voor de zitting. Het is onbekend hoeveel slachtoffers zijn bevraagd over hun wensen, hoeveel slachtoffers zijn opgeroepen voor de zitting en hoeveel slachtoffers tijdens de zitting daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het beperkt spreekrecht. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar in de systemen van CJIB, OM en Rechtspraak. Ik verwijs op dit punt tevens naar de eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp.7
Het beperkt spreekrecht is onderdeel van de inhoudelijke effectevaluatie van de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten die naar verwachting later dit jaar van start gaat. Het CJIB kijkt bij de verdere optimalisering van het werkproces van het raadplegen over het beperkt spreekrecht naar de mogelijkheden voor monitoring van cijfers daarvan.
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Zoals bij alle slachtofferrechten is aandacht voor een goede uitvoering in de praktijk van groot belang. Als echter alle inspanningen ten spijt, een slachtoffer of nabestaande geen gebruik heeft kunnen maken van het beperkt spreekrecht, kan via de bestaande klachtenprocedure een klacht worden ingediend bij de betreffende organisatie. Dit kan erkenning bieden aan het slachtoffer of de nabestaande en draagt tevens bij aan het lerend vermogen en een betere kwaliteit van de dienstverlening.
Naast de klachtenprocedure worden via de tweede aanvullingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorstellen gedaan om de naleving van slachtofferrechten te versterken, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD).8 Dit ziet op het beter inzetten en faciliteren van klachtenprocedures bij organisaties. Daarnaast wordt bezien of het slachtoffer een recht kan krijgen om een financiële uitkering te verzoeken bij niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften waarbij herstel niet mogelijk is, zoals het oproepen voor een zitting. De formele consultatie van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.
Het artikel ‘Te druk in opvang Ter Apel: kwetsbaren krijgen voorrang’ |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Te druk in opvang Ter Apel: kwetsbaren krijgen voorrang»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen in verschillende gemeenten knelt en daarom moet worden afgeschaft zodra er voldoende huisvesting voor statushouders is?
Ik zie dat de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen inderdaad steeds meer knelt, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Tegelijkertijd is het belangrijk dat statushouders doorstromen uit de asielopvang zodat de opvang wordt ontlast en statushouders kunnen beginnen met integreren, hun leven kunnen gaan opbouwen en bijdragen aan de samenleving. Om daarvoor te zorgen is het van groot belang om aanvullende vormen van huisvesting sneller te realiseren waarin verschillende groepen een start kunnen maken op de woningmarkt. Denk bij deze aanvullende huisvestingvormen aan de inzet van flexwoningen, transformatie en woningdelen.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat, zolang er onvoldoende aanvullende huisvesting beschikbaar is, gemeenten ruimte houden om lokaal invulling te geven aan hun taakstelling om statushouders te huisvesten. Tegelijkertijd werk ik aan een uitvoerbaar wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen op termijn wettelijk niet meer mogelijk is, zodra er voldoende aanvullende huisvestingsmogelijkheden beschikbaar zijn.
Deelt u de opvatting dat het uitblijven van voldoende doorstroomlocaties, die ook kunnen worden ingezet voor Oekraïense ontheemden en andere mensen die met spoed behoefte hebben aan tijdelijke huisvesting, direct bijdraagt aan de overbelasting van asielzoekerscentra?
Eén van de oorzaken van de druk op het aanmeldcentrum in Ter Apel is dat gemeenten achterlopen op hun wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten. Hierdoor blijven opvangplekken bezet en ontstaat er extra druk op het asielopvangsysteem. Daarnaast is uitstroom uit de opvang belangrijk omdat statushouders dan ook kunnen starten met hun inburgering en participatie.
Hoeveel doorstroomplekken zijn er in 2026 gerealiseerd? En hoeveel plekken verwacht u voor het zomerreces nog te realiseren?
In totaal zijn er 48 doorstroomlocaties operationeel met 1853 plekken. Hiervan zijn er 557 plekken gerealiseerd in 2026. Voor het zomerreces worden er naar verwachting nog 263 extra plekken gerealiseerd. Ik verwacht dat het aantal aanvragen na het reces verder zal toenemen, omdat gemeenten vanaf 1 juli 2026 de doelgroep flexibele regeling (DFR) kunnen aanvragen.
Deelt u de mening dat het oneerlijk is dat onder andere jongeren momenteel te lang op een sociale huurwoning moeten wachten mede doordat statushouders voorrang krijgen op een sociale huurwoning?
Het is niet behulpzaam om groepen woningzoekenden tegenover elkaar te zetten. De inzet is van dit kabinet is erop gericht om het woningaanbod voor iedereen te vergroten en aanvullende huisvestingsmogelijkheden te realiseren voor een brede doelgroep, zodat de druk op de sociale huurmarkt voor alle woningzoekenden, waaronder jongeren, afneemt.
Deelt u de zorgen dat volgens de Algemene Rekenkamer slechts 17.665 van de begrote 60.000 flexwoningen de afgelopen vier jaar zijn gerealiseerd?
In mijn reactie op het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer over het beleid rond flexwoningen heb ik uitgelegd hoe de ambitieuze doelstelling van 15.000 flexwoningen per jaar is ontstaan. Die ambitie kwam voort uit een motie van de Tweede Kamer, de grote druk op de woningmarkt en de oorlog in Oekraïne, waardoor veel ontheemden naar Nederland kwamen. Samen zorgde dat in 2022 voor een flinke versnelling in de ontwikkeling van flexwoningen.
Met die urgentie is er toen veel in gang gezet om flexwoningen echt een volwaardig onderdeel van de woningmarkt te maken. Ik heb ook aangegeven dat ik me hier volop voor wil blijven inzetten. Tegelijkertijd zien we inmiddels dat een realistischer aantal rond de 5.000 flexwoningen per jaar ligt. Dat beeld komt naar voren uit de toenemende aanvragen voor de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT) en positieve signalen uit de markt. Dit aantal sluit ook beter aan bij wat er de afgelopen vier jaar daadwerkelijk is gerealiseerd: 17.665 flexwoningen.
Welke concrete acties onderneemt u op dit moment om de bouw en ingebruikname van sobere doorstroomlocaties aanzienlijk te versnellen?
Het Rijk ondersteunt gemeenten op verschillende manieren bij het realiseren van (tijdelijke) huisvesting en doorstroomlocaties. Zo zijn er financiële regelingen zoals de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT) en op korte termijn de doelgroepflexibele regeling (DFR). De SFT ondersteunt onder meer de realisatie van verplaatsbare woningen, transformatiewoningen en het splitsen van bestaande woningen. De DFR, die per 1 juli 2026 in werking treedt, voorziet in meerjarige financiering voor gemeenten voor de opvang en tijdelijke huisvesting van asielzoekers, statushouders en ontheemden.
Daarnaast werk ik op dit moment intensief samen met de VNG, Aedes en het IPO om te komen tot bestuurlijke afspraken over de versnelling en opschaling van aanvullende huisvesting voor een brede doelgroep. Uw Kamer wordt vóór de zomer geïnformeerd over de voortgang.
Kunt u aangeven hoe u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond?
Ik ben voornemens om gemeenten die vooruitlopend op bestuurlijke afspraken al aan de slag zijn gegaan met realisatie van aanvullende huisvesting, op verschillende manieren te ondersteunen. In mijn brief die ik vóór de zomer naar de Kamer stuur, informeer ik u hierover.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Opnieuw een verdrijving van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat de Israëlische Minister van Financiën heeft aangekondigd de inwoners van een Palestijns dorp in het E1-gebied, Khan Al-Ammar, uit hun huis te zetten uit wraak voor een mogelijk arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof?1
Ja.
Klopt het dat het E1-gebied de tweestatenoplossing onmogelijk maakt en altijd een rode lijn is geweest voor de Europese Unie (EU) en voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het standpunt van Nederland en de EU ten aanzien van het nederzettingenbeleid is bekend: dit is tegen internationaal recht. De plannen voor nederzettingen in E1-gebied bestaan al lange tijd en zijn omstreden omdat de bouw ervan de Westelijke Jordaanoever zou opsplitsen en een tweestatenoplossing ernstig zou bemoeilijken. Nederland heeft het besluit tot de ontwikkeling van Israëlische nederzettingen in E1-gebied, die bij implementatie neerkomen op verdere annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever, dan ook veroordeeld. Ook tekende Nederland op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring waarin Israël wordt opgeroepen dit plan een halt toe te roepen en waarin bedrijven worden opgeroepen niet mee te dingen bij de aanbesteding voor de bouw van E1.
Veroordeelt u de aangekondigde verdrijving van Palestijnen uit Khan Al-Ammar? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt deze aangekondigde verdrijving.
Kunt u, net als de Duitse regering, de Israëlische regering waarschuwen dat er absoluut geen huisuitzettingen mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?2
Nederland veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid, waaronder huisuitzettingen, en acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig. Dit draagt Nederland zowel voor- als achter de schermen consistent uit. Zie ook het antwoord op vraag 2. Nederland tekende op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring, waaronder met Duitsland, waarmee hiertoe wordt opgeroepen.
Bent u bereid om openlijk te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei jl. heeft het kabinet onderstreept dat Israël van koers moet veranderen en dat de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, middelen tot dat doel zijn, en geen doel op zichzelf. Op dit moment ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten voor de door de Commissie voorgestelde maatregelen. Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement blijven inzetten voor het vergroten van dit draagvlak, ook in bilaterale contacten met EU-lidstaten. In dat kader heeft het kabinet tijdens de Raad het belang benadrukt van een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Tot dusverre ontbreekt het aan het benodigde draagvlak voor bovengenoemde maatregelen.
Bent u bereid om in de EU initiatief te nemen voor een EU-breed verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen, dan wel een algemeen verbod op economisch verkeer met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juni jl. aangegeven, mede in het kader van de eigen verplichtingen onder internationaal recht, te werken aan nationale maatregelen tegen producten uit illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Hierbij onderstreepte Nederland wederom dat EU-maatregelen effectiever zijn en daarom de voorkeur hebben. Nederland verzocht om een analyse van de naleving van het beleid met betrekking tot de export van goederen uit illegale nederzettingen uit de Bezette Gebieden. Tevens verzocht Nederland de Commissie om opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen, te voorkomen. Dit verzoek van Nederland kreeg steun van een grote groep van lidstaten. HV Kallas heeft daarop toegezegd in aanloop naar de volgende Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli de Commissie te vragen opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen te voorkomen, en een beoordeling van de reikwijdte van kwesties die verband houden met de oorsprongsregels te presenteren.
Welke consequenties hebben de verdrijvingen voor de bilaterale relatie tussen Nederland en Israël?
Deze berichten passen in een bredere trend van ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden waar het kabinet zich zorgen over maakt. Het kabinet gebruikt combinatie van druk en dialoog om gedragsverandering bij Israël te bewerkstelligen. Door dialoog te behouden, kunnen kritische boodschappen worden overgebracht. Zie daarnaast de antwoorden op vragen 2, 5 en 6.
Bent u bereid om extra nationale maatregelen te nemen als in de EU de opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord uitblijft? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich in voor het creëren van draagvlak voor een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Op dit moment ontbreekt dit draagvlak. Daarnaast pleit het kabinet voor handelspolitieke EU-maatregelen tegen de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden.
Op nationaal niveau richt het kabinet zich op een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de nationale maatregelen tegen handel in goederen uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden die het kabinet op 22 mei jl. aanhangig heeft doen maken voor spoedadvies bij de Raad van State. Het ontwerpbesluit met het voorstel voor nationale maatregelen ziet alleen toe op goederen; niet op diensten en investeringen. Voor nationale maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar in het Unierecht, maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke evidente grondslag (nog) niet gevonden. Een dergelijke grondslag is noodzakelijk in verband met de exclusieve bevoegdheid van de EU op het gebied van handelspolitiek. Om recht te doen aan de urgentie van de situatie en de oproep vanuit uw Kamer om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk tot stand te laten komen, is niet verder gewacht bij het opstellen van de nationale maatregel jegens goederen. Het kabinet zal doorgaan met het onderzoeken van de verdere (juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u bereid om op korte termijn de Kamer te informeren over de mogelijkheden voor de verbreding van het aangekondigde verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen naar het een verbod op economisch verkeer van diensten en investeringen met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Dubai trainde Colombiaanse huurlingen voor inzet in oorlog Afrika: vastgoed en goud voeden netwerk rond leger Soedan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat, uit het rapport van Human Rights Watch, blijkt dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) Colombiaanse huurlingen heeft ingezet in de oorlog in Soedan?1
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Bevindingen van Human Rights Watch en andere gerenommeerde mensenrechtenorganisaties nemen wij serieus. Het is in algemene zin van belang om wapentoevoer en financiële stromen richting de strijdende partijen in te dammen, met als doel een eind te maken aan het geweld.
Was u op de hoogte van de trainingskampen en het economische netwerk in de Emiraten, zoals aangegeven in het rapport?
Het rapport van Human Rights Watch sluit aan bij eerdere rapporten over Colombiaanse huurlingen die actief waren in Soedan. Tegelijkertijd presenteert het rapport ook nieuwe bevindingen over de inhuur en inzet in Soedan.
Onderschrijft u, zoals in het rapport gesteld wordt, dat de VAE betrokken is en zelfs een actieve rol speelt in de oorlog in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex en kent een veelheid van Soedanese, en niet-Soedanese betrokken actoren.
Bent u bereid om deze betrokkenheid openlijk te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAE ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoogambtelijk niveau. In deze gesprekken wordt de bredere Nederlandse inzet ten aanzien van het conflict in Soedan uitgedragen. De VAE is een relevante speler met invloed om tot een einde aan het conflict en een vredesovereenkomst te komen. In bilaterale gesprekken worden zorgen uitgesproken over de humanitaire situatie in Soedan en de negatieve consequenties van het voortduren van de oorlog voor zowel Soedan, de regio als de EU. Ook zijn de zorgen over wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen in Soedan overgebracht. Het kabinet spreekt met een brede groep landen over het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan. Het kabinet spant zich in om te zorgen dat deze gesprekken op alle mogelijke plekken en met relevante gesprekspartners op een effectieve manier worden gevoerd.
Bent u bereid druk te zetten op de VAE, middels het handelsakkoord met de Europese Unie (EU) bijvoorbeeld, om zich terug te trekken uit het conflict? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de lopende onderhandelingen met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heeft Nederland de Commissie opgeroepen om de onderhandelingen met de VAE ook te gebruiken om andere zorgen te adresseren, zoals de rol van de VAE in de oorlog in Soedan, conform de motie Van Baarle c.s.2
Sluit u zich aan bij de oproep van Human Rights Watch om ervoor te zorgen dat er een eind komt aan militaire samenwerking en wapenexport vanuit de VAE naar de Rapid Support Forces (RSF)? Zo nee, hoe is dat in lijn met het internationaal recht?
Op de dag van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin de EU de strijdende partijen opriep tot een staakt-het-vuren en externe actoren te stoppen met hun steun voor het conflict. Conform motie Dobbe c.s.3 blijft het kabinet zich verder inzetten voor maatregelen om wapenstromen richting strijdende partijen in Soedan te stoppen. Nederland heeft meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Waar ligt wat u betreft de rode lijn? Wanneer is de betrokkenheid van een bondgenoot in een conflict zo evident, dat de internationale gemeenschap zich hierover moet uitspreken?
De EU heeft zich reeds uitgesproken over de betrokkenheid van externe partijen bij het conflict in Soedan, via onder andere de bovengenoemde EU-verklaring van 21 april jl. Nederland heeft ten aanzien van Soedan een aanjagende rol binnen de EU en zal zich in die rol blijven inspannen voor actief EU-engagement richting de strijdende partijen en de externe actoren die betrokken zijn bij het conflict.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 4 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Een reactie op het rapport vindt u in de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Het conflict in Soedan gaat gepaard met veelvuldig en ernstig geweld tegen burgers, waarbij het grootschalige, etnische en seksuele geweld in de nasleep van de val van El Fasher als een dieptepunt wordt gezien. Militaire, logistieke en/of financiële steun aan betrokken partijen draagt bij aan het voortduren van dit geweld. Er geldt bovendien een VN wapenembargo voor Darfoer. In diverse verklaringen hebben de EU en Nederland dan ook opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen door externe partijen. Voorbeelden van de Nederlandse diplomatieke inzet vormen de ministeriële verklaring van de Soedan Kerngroep in de mensenrechtenraad van 26 februari jl. en de EU-verklaring van 21 april jl. Ook heeft het kabinet meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder binnen de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Nederland spreekt met alle relevante landen in de regio, waaronder ook de VAE, over Soedan, waarbij wij zorgen uiten over de humanitaire- en mensenrechtensituatie en het belang bepleiten van het beëindigen van het conflict en het stoppen van wapenleveranties aan de strijdende partijen.
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Het VN-wapenembargo verplicht alle staten om de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat wapens en aanverwant materieel van welke aard dan ook alsmede technische training en bijstand, worden geleverd aan actoren die actief zijn in Darfoer. De verplichting voor de handhaving van het embargo is daarmee gericht aan staten, niet aan bedrijven of individuen. Als de VN veiligheidsraad vaststelt dat individuen of entiteiten de stabiliteit in Darfoer bedreigen kan de veiligheidsraad overgaan tot sancties.
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Nederland pleit reeds in EU-verband voor aanvullende sancties tegen de oorlogseconomie en tegen individuen en eniteiten verantwoordelijk voor het conflict en mensenrechtenschendingen in Soedan. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument, kan niet meer informatie gegeven worden over status van individuele sancties.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Door diverse organisaties, waaronder de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission, het Panel of Experts on the Sudan van de VN veiligheidsraad, het Internationaal Strafhof, en diverse NGO’s en mediaorganisaties wordt reeds onderzoek gedaan naar het conflict in Soedan, inclusief de rol van externe actoren en bedrijven daarbij. Nederland spant zich in om te zorgen dat er gedegen onderzoek naar het conflict in Soedan kan plaatsvinden. Het kabinet pleit bijvoorbeeld in de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad in voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Missie en Nederland doet een financiële bijdrage aan het landenkantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Soedan.
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent het omleidingsrisico van militaire goederen naar Soedan. Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig aan de Europese wapenexportcriteria en de criteria van het VN-Wapenhandelsverdrag. Daarbij is er specifiek aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als er een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. De inzet en activiteiten van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan richten zich onder andere op de coördinatie van bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen, gezamenlijke statements en sanctioneren van daders en actoren die het conflict in standhouden.
De interne controverse binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) betreffende het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de interne controverse binnen de OPCW over de rapportage van het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië in 2018, waarbij inspecteur Ian Henderson een afwijkend rapport indiende over de ballistische analyse van de aangetroffen chloorgas-canisters?
Er is geen sprake van een dergelijke interne controverse. De Fact-Finding Mission in Syria (FFM) van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) heeft onderzoek uitgevoerd naar de aanval met chemische wapens in Douma op 7 april 2018. Op 6 juli 2018 heeft de OPCW een interim-rapport over het Douma-incident gepubliceerd, gevolgd door het definitieve rapport van de FFM op 1 maart 2019, waarin staat vermeld dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt. De FFM heeft het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 transparant en onafhankelijk uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is alle informatie meegenomen om tot een afgewogen oordeel te komen. Er heeft in volledige openheid een uitwisseling van meningen plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
Bent u bekend met de uitkomst van de rechtszaak van dr. Brendan Whelan, waarbij de OPCW voor het eerst heeft erkend dat bevindingen uit het onderzoek zijn gecensureerd, die het officiële narratief over de aanval in Douma ondermijnden?1, 2
De genoemde rechtszaak waarin het International Labour Organization Administrative Tribunal (ILOAT) uitspraak heeft gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen de OPCW en dr. Brendan Whelan is bekend.
Wat is uw oordeel over deze erkenning van censuur door de OPCW, mede gezien het feit dat de OPCW haar hoofdkantoor in Den Haag heeft en Nederland als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de integriteit van deze organisatie?
De conclusies van het definitieve rapport van 1 maart 2019 betreffende de gebeurtenissen in Douma zijn gebaseerd op een diepgaande en objectieve analyse door de FFM van al het verzamelde bewijsmateriaal. Deze conclusies zijn tevens gebaseerd op de gangbare standaarden voor bewijsvoering die worden gehanteerd door internationale onderzoekscommissies binnen het systeem van de Verenigde Naties. Het rapport stelt vast dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 is door de FFM op transparante en onafhankelijke wijze uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is rekening gehouden met alle informatie en is er in volledige openheid een uitwisseling van meningen geweest. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
De rechtszaak waarnaar wordt verwezen betreft zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 disciplinaire maatregelen getroffen tegen dr. Brendan Whelan vanwege het niet-naleven van de strikte regels die de OPCW hanteert ten einde vertrouwelijke informatie te beschermen. Zoals eerder aangegeven, is alle informatie in het onderzoek meegenomen en zijn de opstellers van het rapport tot een afgewogen oordeel gekomen.
In het licht van bovenstaande is er geen enkele reden om te twijfelen aan de integriteit van de OPCW, het verrichte onderzoek of de uitkomsten zoals neergelegd in het rapport.
Kunt u toelichten welke stappen u heeft ondernomen of zal ondernemen om volledige transparantie te bevorderen over de wijze waarop het OPCW-onderzoek naar Douma tot stand is gekomen en intern is besproken?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het censureren van afwijkende wetenschappelijke bevindingen binnen een internationale waakhondorganisatie als de OPCW een ernstige bedreiging vormt voor de geloofwaardigheid van die organisatie en de internationale rechtsorde?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u de integriteit van de OPCW beoordeelt in het licht van de thans erkende censuur?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het, gezien de nu erkende censuur binnen de OPCW, uitgesloten dat het officiële narratief over de aanval in Douma op wezenlijke punten onjuist is?
Gezien het feit dat de bevindingen van het eindrapport van de FFM zijn gebaseerd op een grondige analyse van al het verzamelde bewijsmateriaal, zijn er geen reden om aan te nemen dat het onderzoek onjuistheden bevat. Daarbij staan de conclusies van het definitieve Douma-rapport binnen de organisatie niet ter discussie. Dit blijkt onder meer uit het feit dat geen enkele OPCW-lidstaat heeft betwist dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er in Douma een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te bevorderen naar de totstandkoming van het OPCW-rapport over Douma, teneinde definitief helderheid te verschaffen over wat er in april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden?
In de periode tussen april 2018 en februari 2019 heeft de FFM onafhankelijk onderzoek uitgevoerd dat vaststelt welke tragedie er op 7 april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond onder meer uit het verzamelen van biomedische en milieumonsters en het interviewen van slachtoffers en getuigen. Dit alles heeft geleid tot de bevindingen van het definitieve Douma-rapport op 1 maart 2019. Er zijn geen redenen om aan de inhoud van het rapport te twijfelen en de OPCW te verzoeken het in 2018 verrichte onderzoek nogmaals uit te voeren.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat de huidige stand van kennis over de aanval in Douma voldoende vastgesteld en niet verder onderzoekswaardig is?
Zie antwoord vraag 9.
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Op dit moment is er geen indicatie dat het besluit inzake Solvinity leidt tot een gevaar voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van DigiD en andere Logius voorzieningen. Logius heeft strenge contractuele afspraken met Solvinity dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen.
Een besluit in het kader van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet ziet op de risico’s van een voorgenomen investering of overname voor het publiek belang. Een dergelijk besluit vormt geen oordeel over de operationele continuïteit, stabiliteit of financiële positie van een onderneming, dus ook in dit geval niet over Solvinity. Het kabinet blijft in contact met Solvinity over de verdere ontwikkelingen. Over de bedrijfseconomische situatie van individuele ondernemingen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Logius actualiseert het risicoprofiel naar aanleiding van het verbod van de overname. Indien nodig zal het kabinet stappen nemen om de continuïteit van DigiD, en alle overige overheidsdienstverlening in afstemming met andere overheden te kunnen blijven garanderen.
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
De huidige overeenkomst met Solvinity is op 6 mei 2026 verlengd en loopt uiterlijk af in augustus 2028. Op dit moment worden voor de aanbesteding vanaf 2028 voorbereidingen getroffen via de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV). De reden hiervoor is dat de ADV meer mogelijkheden biedt dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Na het selecteren van een contractant geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden. Voor augustus 2026 had Logius niet de mogelijkheid om zowel het aanbestedingstraject als de overdrachtsperiode te voltooien.
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
De eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen zijn inmiddels beantwoord.
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Het BTI heeft de voorgenomen overname van Solvinity door Kyndryl getoetst op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Tw) en het Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De Tw biedt de bevoegdheid tot het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap leidt tot een risico op een bedreiging van het publiek belang. Daarbij worden de omstandigheden van het specifieke geval beoordeeld aan de hand van de criteria die in de WOZT (artikel 14a.4) zijn vastgelegd. Hierbij wordt gekeken naar de combinatie van de kenmerken van de voorgenomen koper, de vormgeving van de transactie en de kenmerken van de activiteiten van de doelonderneming, in dit geval Solvinity.
Over de inhoud van de beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende analyses in individuele gevallen worden geen nadere mededelingen gedaan.
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5. Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke risico’s, analyses of afwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van individuele zaken op grond van de Telecommunicatiewet.
Digitale autonomie is geen afzonderlijk wettelijk criterium binnen de WOZT. Voor zover aspecten die onder de noemer digitale autonomie worden geschaard relevant zijn voor de beoordeling van risico’s voor het publiek belang, kunnen deze worden betrokken in de integrale afweging. Over de toepassing daarvan in individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Nee. Het kabinet maakt de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan beoordelingen op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie, toezichtvertrouwelijke informatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in vertrouwelijke technische briefing te worden geïnformeerd over de BTI-procedure.
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Besluit investeringstoetsing Solvinity» van 26 mei is de voorgenomen overname beoordeeld op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, WOZT).
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
In 2020 is door Logius een Europese aanbesteding uitgezet in de markt voor het leveren van IT-diensten. Deze aanbesteding is uitgezet onder strenge voorwaarden zodat de continuïteit en veiligheid van voorzieningen gewaarborgd blijft. Solvinity is destijds geselecteerd als contractant en met Solvinity zijn contractuele afspraken gemaakt. De diensten die Solvinity levert aan Logius zijn niet uniek en kunnen bij meerdere leveranciers worden afgenomen. Het voorbereiden van een aanbesteding en de overdracht kost echter tijd. Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven bereidt Logius nu de aanbesteding voor 2028 voor. Dit betekent niet dat we inleveren op kwaliteit van de dienstverlening en veiligheid van burgers.
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Nederland heeft een open economie en een aantrekkelijk investerings- en vestigingsklimaat voor nationale en internationale ondernemingen. Het kabinet hecht grote waarde aan buitenlandse investeringen, die bijdragen aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.
Tegelijkertijd is het van belang dat de nationale veiligheid en andere zwaarwegende publieke belangen adequaat worden beschermd. Instrumenten zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie zijn bedoeld voor situaties waarin dergelijke belangen in het geding kunnen zijn. Deze instrumenten worden indien nodig toegepast en de beoordeling vindt zorgvuldig plaats op basis van de wettelijke criteria en de specifieke omstandigheden van het geval.
Uit een evaluatie van de investeringstoetsen (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie en Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) van najaar 2025 komt naar voren dat de impact op het investeringsklimaat door deze toetsen te overzien lijkt, mede door de gerichte aanpak. Het kabinet is van oordeel dat een helder, voorspelbaar en wettelijk verankerd toetsingskader bijdraagt aan een stabiel investeringsklimaat. Het is niet mogelijk om vast te stellen welke concrete gevolgen een individueel besluit heeft voor toekomstige investerings- of vestigingsbeslissingen van ondernemingen.
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Met het besluit op grond van de WOZT vindt er thans geen wijziging van de zeggenschap van Solvinity plaats. Het is aan de betrokken marktpartijen te beoordelen welke vervolgstappen zij willen zetten. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren zodat de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening van Solvinity geborgd blijft.
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Deze situaties zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een contractuele samenwerking verschilt wezenlijk van een wijziging van zeggenschap over een onderneming. Iedere casus onder investeringstoetsing wordt beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader. Over de onderliggende risicoanalyses in individuele dossiers doet het kabinet geen uitspraken. Voor de precieze inrichting en afweging ten aanzien van het GRIT project bij Defensie, verwijs ik u door naar de Minister en/of Staatssecretaris van Defensie.
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat betreft toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur bouwt het kabinet voort op het ABDTOPConsult rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties» dat vorig jaar met de Kamer is gedeeld [29 362 nr.388]. Dit rapport verwoordt lessen en geeft concrete en bruikbare aanbevelingen om risico’s stapsgewijs te mitigeren, de eerste stappen daartoe zijn inmiddels gezet.
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Gebruikers kunnen hun DigiD blijven gebruiken zoals altijd. Zoals in de beantwoording van vraag 1 beschreven zijn er strenge contractuele afspraken met Solvinity waarin staat vastgelegd dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen. Logius communiceert actief op de DigiD website wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn rondom Solvinity.
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.