Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Het kabinet staat pal voor kwalitatieve en toegankelijke abortuszorg. De abortuszorg die abortusartsen en huisartsen bieden – zonder verplichte minimale beraadtermijn voor vrouwen – is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Dat is een groot goed. Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
Voor het kabinet staan niet het aantal zwangerschapsafbrekingen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen te verlagen. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg
en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan verschillende activiteiten om deze regie te versterken.2
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het kabinet niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Ja.
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Ja. In Nederland hebben Renault en We Drive Solar een dergelijk aanbod al ontwikkeld.
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Ja, maar tot nu toe alleen voor vaste combinaties van auto, laadpaal en energieleverancier. Dit is conform de aansluitvoorwaarden zoals opgenomen in de Netcode Elektriciteit. Op dit moment ontbreken in de Netcode Elektriciteit nog de gestandaardiseerde afspraken die het mogelijk maken dat elk voertuig met elk laadpunt veilig en regulier aan het net mag terugleveren. Deze barrière is opgelost in 2029 als de netbeheerders de nieuwe Europese netcode voor teruglevering hebben geïmplementeerd. De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de netbeheerders.
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Over het beschikbaar stellen van laadinfrastructuur in nieuwe wijken beslissen regionale overheden. Vanuit het Rijk wordt via regelgeving gezorgd dat alle nieuwe laadpalen vanaf 2027 voldoen aan de nieuwste Europese eisen omtrent bidirectioneel laden. Daarbij is het van belang om te noemen dat op dit moment alleen vaste combinaties van laadpalen en voertuigen kunnen terugleveren aan het net. Door de verdere ontwikkeling van open standaarden op internationaal niveau wordt het richting 2030 mogelijk om met elke laadpaal en elk voertuig terug te leveren aan het net. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom nu al intensief aan de ontwikkeling van internationale standaarden, bijvoorbeeld in samenwerking met de Europese Commissie. Verder hebben mensen thuis een eigen keuze in de laadpaal en energieleverancier die zij kiezen.
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
In de routekaart bidirectioneel laden, die voor de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, identificeer ik meerdere uitdagingen en oplossingsrichtingen om bidirectioneel laden op te schalen. Aanvullend op wat ik noem onder vraag 4, werk ik ook aan het verbeteren van de businesscase voor bedrijven om te investeren in bidirectioneel laden. Een aspect waar bij bidirectioneel laden nader naar moet worden gekeken betreft de dubbele energiebelasting die in sommige gevallen van bidirectioneel laden kan optreden. Hiervoor is het ten eerste van belang om meer ervaringen met geavanceerde meetinrichtingen te verkrijgen. Ten tweede wil dit kabinet beter inzicht krijgen in de effecten van dubbele energiebelasting. Op het moment dat het wegnemen van dubbele energiebelasting technisch mogelijk zou worden kan dat inzicht worden gebruikt om te beoordelen of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting zouden opwegen tegen de lasten voor huishoudens, bedrijven en energieleveranciers en een eventuele toename van de uitvoeringscomplexiteit. Het kabinet zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang en nieuwe inzichten omtrent deze verkenning. Daarnaast start vanaf 2027 een opschalingsprogramma bidirectioneel laden waarbij de uitrol van bidirectionele laadinfrastructuur centraal staat.
Ten aanzien van vraag twee geldt dat bidirectioneel laden pas op termijn via Europese regelgeving voorwaardelijk wordt (zie vraag2. Op dit moment kunnen slechts enkele combinaties bidirectioneel laden. Ook hebben consumenten thuis vrije keuze in hun laadpaal en voertuig.
Verder wordt voor de oplossing van netcongestie een techniekneutrale aanpak gehanteerd. Vanuit het net bezien is namelijk geen voorkeur voor een bepaalde techniek die flexibiliteit levert, het gaat om het flexibel vermogen. Hiervoor maakt een netbeheerder afwegingen over de specifieke behoefte van het net in de locatie en tijd. Tweerichtingsladen kan daar, net als andere apparaten met flexibel vermogen, aan bijdragen. Tegelijkertijd wordt in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie onder andere gewerkt aan proposities voor vergoeding voor het leveren van flexibel vermogen.
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Tot de verdere ontwikkeling van de open standaarden (verwachting 2030) is de huidige contractvorm met een vaste combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier de eerste stap voor de introductie van tweerichtingsladen. Voor opschaling van tweerichtingsladen is het noodzakelijk dat consumenten keuzevrijheid hebben. Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende laadpunten, voertuigen en energiecontracten. Het Ministerie van IenW vraagt continue aandacht voor de uniforme implementatie van standaarden bij de Europese Commissie en de Verenigde Naties en draagt actief bij aan de ontwikkeling van de open standaarden. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Ja. Vandaar dat wordt gewerkt aan het opstellen en implementeren van open standaarden (zie vraag hiervoor).
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende voertuigen, laadpunten en energiecontracten. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Beantwoording van vragen inzake de Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording die door u is verstuurd naar de Kamer op 2 juni 2026 (2026Z07726)?
Ja.
Waarom is de tweede gesloten vraag niet, zoals gevraagd, ontkennend of bevestigend, met «ja» of «nee», beantwoord?
Dit is mijn reactie op de gestelde vraag.
Waarom heeft het meer dan zes weken geduurd om deze simpele «ja-nee-vraag» te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Vertegenwoordigden de Koning, Koningin en premier op deze Bilderbergconferentie Nederland? Ja of nee?
Kenmerkend voor de Bilderbergconferentie is dat de deelnemers in hun formele hoedanigheid worden uitgenodigd maar tijdens de conferentie op informele wijze van gedachten kunnen wisselen volgens de zogeheten Chatham House Rule die inhoudt dat deelnemers de informatie vrij mogen gebruiken, maar niet koppelen aan de identiteit of functie van een spreker of andere deelnemer. Hiermee is de vrijheid van een open gedachtewisseling tijdens de conferentie gediend. Informatie over de werkwijze tijdens Bilderbergconferenties en de deelnemers is beschikbaar op www.bilderbergmeetings.org.
Kan deze ja-nee-vraag binnen een week beantwoord worden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Dieke van Groningen (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Het bericht van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) laat zien dat het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses in Europa de afgelopen 10 jaar is gestegen. Ook in Nederland steeg het aantal diagnoses de afgelopen jaren, al is deze stijging minder groot dan het Europees gemiddelde.3
De stijging van het aantal soa-infecties, in Nederland en daarbuiten, is zorgelijk.
Eind juni 2026 publiceert het RIVM de Nederlandse data over 2025 en weten we hoe het aantal diagnoses zich verder ontwikkelt.
De ECDC roept mensen op condooms te gebruiken bij nieuwe of meerdere partners en raadt mensen aan te testen bij symptomen. Bij deze oproep sluit het kabinet zich aan. Op 18 juni 20254 en 28 november 20255 heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de stijging van het aantal soa-infecties tegen te gaan, waaronder een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Preventie en gezondheidsbevordering zijn uiteraard heel belangrijk om problemen met de seksuele gezondheid te voorkomen. Daarom is dit ook onderdeel van het kabinetsbeleid6 op dit terrein. Het kabinet investeert op verschillende manieren in het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door kenniscentra voor seksuele- en reproductieve gezondheid te subsidiëren. Zij zorgen voor toegankelijke informatie over seksuele gezondheid en soa’s. Het kabinet biedt via expertisecentrum Rutgers handvatten aan ouders bij de relationele en seksuele
opvoeding en helpt scholen via Gezonde School bij de relationele en seksuele vorming. GGD’en bieden aanvullende seksuele gezondheidszorg waarbinnen ook veel aandacht wordt besteed aan preventie.
Aanvullend op bovenstaand beleid heeft het kabinet nieuwe maatregelen aangekondigd.7 Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA)8 komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik te stimuleren. Ook wordt verkend of een verduidelijking van de wettelijke taak van gemeenten op het gebied van seksuele gezondheidsbevordering mogelijk is en worden de mogelijkheden om te komen tot een regionale ketenaanpak seksuele gezondheid onderzocht.
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet vindt het zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste of misleidende informatie over gezondheidsonderwerpen.9 Hierdoor kunnen zij onbedoeld keuzes maken die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Dit beeld is helaas herkenbaar. De expertisecentra Fiom en Rutgers werken samen aan een project over des- en misinformatie op het terrein van de reproductieve gezondheid. Als onderdeel van dit project is onderzoek gedaan naar online informatie over hormonale anticonceptie en de mogelijke invloed daarvan op kennis, opvattingen en keuzes voor een bepaalde vorm van anticonceptie.10 Uit dit onderzoek blijkt dat online des- en misinformatie over hormonale anticonceptie op verschillende manieren kan bijdragen aan wantrouwen tegen betrouwbare anticonceptiemethoden. Zo kunnen sociale mediaplatforms via algoritmen vooral informatie tonen aan gebruikers die aansluit bij bestaande overtuigingen. Daardoor komen mensen vaker in aanraking met dezelfde soort boodschappen en worden onjuiste claims minder snel gecorrigeerd. Het onderzoek laat ook zien dat online informatie over hormonale anticonceptie vaak eenzijdig negatief is en dat er veel nadruk wordt gelegd op mogelijke bijwerkingen, terwijl voordelen minder aandacht krijgen. Ook blijken er online onjuiste claims te circuleren, zoals de bewering dat de pil tot onvruchtbaarheid zou leiden en dat zogenoemde natuurlijke methoden veiliger of gezonder zijn.
Tegelijkertijd vraagt het onderzoek om nuance. Blootstelling aan misinformatie leidt niet automatisch tot onjuiste overtuigingen. En reproductieve keuzes worden beïnvloed door een samenspel van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren.
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
De expertisecentra Fiom, Soa Aids Nederland en Rutgers werken aan het tegengaan van onjuiste informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Zij voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid. Dit doen zijn via hun verschillende websites11, folder- en informatiemateriaal en via sociale media.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 werken Fiom en Rutgers gezamenlijk aan een project dat zich richt op het tegengaan van online mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatte een onderzoek12 naar de aard, omvang en impact van mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 2 van het project, dat op dit moment loopt, bestaat uit het ontwikkelen, testen en evalueren van een aantal interventies gericht op het tegengaan van online mis- en desinformatie. Zo wordt er samengewerkt met influencers en zorgprofessionals, wordt geëxperimenteerd met het pre- en debunken van informatie en wordt gedacht aan een speciale online campagne. De resultaten hiervan worden eind november 2026 verwacht. Fiom en Rutgers zullen de geleerde lessen vervolgens delen met andere partijen, zodat deze kennis breder kan worden benut. De voortgang van dit project wordt beschreven in de volgende Kamerbrief over seksuele gezondheid, die aan het eind van dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 werkt het kabinet op diverse manieren aan het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door expertisecentra voor seksuele en reproductieve gezondheid (Rutgers en Soa Aids Nederland) te subsidiëren zodat zij jongeren, en hun ouders en anderen om hen heen, kunnen informeren over beschermde seks. In de aanvullende seksuele gezondheidszorg door de GGD’en is ook aandacht voor voorlichting over vellige seks en condoomgebruik. Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 en 7 is het kabinet gestart met een meerjarige aanpak voor publiekscommunicatie ter bevordering van condoomgebruik. Sociale media worden daarbij ook ingezet. De eerste communicatieve uitingen worden dit najaar verwacht.
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Expertisecentra Soa Aids Nederland en Rutgers voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Daarnaast is er Sense. Sense.info is een platform voor seksuele gezondheid, speciaal gericht op jongeren van 12 tot 25 jaar. Soa Aids Nederland, Rutgers en Sense zijn actief en zichtbaar op sociale media. Zo besteedt Sense in korte filmpjes op TikTok aandacht aan onderwerpen zoals condoomgebruik, consent, soa’s en anticonceptie.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen (algoritmen) problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk om in gesprek te blijven met de internetpartijen, waaronder online platforms. Verschillende departementen treden in dialoog met verschillende soorten aanbieders in de internetsector, over onder andere polariserende algoritmen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de publiek-private samenwerking (PPS) online content moderatie, een overlegplatform tussen de overheid en de internetsector.
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Omdat er al een goed beeld van deze gezondheidsrisico’s bestaat, acht het kabinet verder onderzoek op dit moment niet nodig. Volgens onderzoek van De Nieuwe Utrechtse School wijzen verschillende experts erop dat algoritmen een actieve rol spelen in het verspreiden en versterken van mis- en desinformatie, ook over gezondheidsonderwerpen.13 De invloed van online algoritmen op (des)informatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg is reeds onderzocht door Fiom en Rutgers in hun onderzoek «Echokamers en filterbubbels».14 Hieruit komt naar voren dat door algoritme-gedreven platforms
kunnen bijdragen aan zogenoemde filter- en informatiebubbels. Volgens de onderzoekers kan dit leiden tot online omgevingen waarin mensen vooral informatie tegenkomen die hun bestaande overtuigingen bevestigt en tegengeluiden minder zichtbaar zijn. Daarnaast versterken algoritme-gedreven platforms sensationele content, een dynamiek die zich bij alle onderwerpen op sociale media voordoet. Ook wordt benoemd dat de opkomst van generatieve AI-toepassingen, zoals ChatGPT, het risico met zich meebrengt dat misinformatie (onbedoeld) wordt gereproduceerd of versterkt wanneer deze systemen gebaseerd zijn op onjuiste of eenzijdige bronnen.
Kenniscentra benutten deze kennis bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun activiteiten.
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de Europese Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (AVMSD). Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. Het kabinet zet daarom op Europees niveau in op betere regulering van influencers en heeft zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt via een non-paper15 in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA)16 voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Ook stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers17. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de voorstellen van de Commissie op dit onderwerp.
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Three decades of ‘Dutch Protocol’ research has not produced reliable evidence’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research has not produced reliable evidence»?1
Ja.
Wat vindt u van de harde kritiek van de auteurs op de onderbouwing van het gebruik van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij kinderen («Dutch Protocol»)?
Het kabinet vindt het van belang dat de wetenschappelijke discussie over de onderbouwing, effectiviteit en veiligheid van transgenderzorg voor jongeren zorgvuldig, feitelijk en met oog voor de betrokken jongeren wordt gevoerd. Het primaat voor de kwaliteit van zorg ligt bij het zorgverleners en zorgaanbiedersveld aangezien het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk invulling te geven aan wat goede transgenderzorg is, in dit geval in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch.
In Nederland wordt transgenderzorg voor jongeren geleverd via academische centra en genderklinieken. Behandeling volgt pas na uitgebreide evaluatie, counseling en de zogenaamde informed consent procedure. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat er nationaal en internationaal discussie bestaat over de wetenschappelijke onderbouwing van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen bij minderjarigen. Juist daarom is de Gezondheidsraad gevraagd hierover onafhankelijk te adviseren. Daarbij wordt onder meer gekeken naar wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijneffecten van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat decennialang onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor verbetering van de mentale gezondheid van minderjarigen?
De beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs, waaronder de vraag hoe sterk het bewijs is voor effecten op mentale gezondheid, vraagt om een systematische weging van de beschikbare literatuur. De Gezondheidsraad is gevraagd om juist deze stand van wetenschap in kaart te brengen, waaronder de gevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Het kabinet wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad.
Erkent u dat de methodologische onderbouwing van deze behandelingen uiterst kwestieus is?
Met het beschikbare evidence-based onderzoek, inclusief de beperkingen ervan, wordt in kwaliteitsstandaarden door wetenschappers, artsen/zorgprofessionals en patiënten samen bepaald hoe die zorg eruit zou moeten zien. Daarin werkt de transgenderzorg voor jongeren hetzelfde als elke andere zorg. Nederlandse genderteams hebben eerder onderschreven dat er behoefte is aan meer bewijskracht, onder meer door studies met grotere aantallen en langere follow-upduur2. Deze worden dan ook uitgevoerd in Nederland (en daarbuiten). Jongeren die in Nederland starten met een medische behandeling worden gevraagd deel te nemen aan onderzoek. Tevens worden gegevens verzameld in de biobank van het Radboudumc3 en de Nederlandse behandelcentra zijn aangesloten bij een Europees netwerk (European Reference Network) met een register (European Registries for Rare Endocrine and Bone conditions) met een specifieke module voor Gender Incongruentie4.
Waarom kiest Nederland er tot op heden voor om vast te houden aan het Dutch Protocol terwijl landen als Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hun benadering van transgenderzorg bij kinderen allang hebben herzien?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om de Gezondheidsraad om advies te vragen. Kortheidshalve wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt het genoemde artikel betrokken bij het lopende onderzoek van de Gezondheidsraad naar transgenderzorg voor jongeren? Wanneer wordt dit onderzoek afgerond?
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan met ruime expertise in het selecteren en wegen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Het kabinet heeft voor publicatie geen zicht op de literatuurselectie en weging door de Gezondheidsraad. Volgens de actuele planning van de Gezondheidsraad wordt het advies over transgenderzorg voor jongeren eind juni 2026 verwacht.
Wordt dit artikel betrokken bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg? Wanneer wordt de herziene kwaliteitsstandaard gepubliceerd?
Het is aan de veldpartijen om te beoordelen welke literatuur bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard wordt betrokken. Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut) heeft de doorontwikkeling van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch op de Meerjarenagenda geplaatst. Verschillende fasen van de doorontwikkeling lopen vertraging op voornamelijk als gevolg van de tijd die nodig was voor de evaluatie van de huidige kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch en de beschikbare tijd van werkgroepleden. In de transgenderzorg is er sprake van een kleine groep experts van wie veel wordt gevraagd. Eerder werd de opleverdatum van de herziening al verplaatst van 1 augustus 2023 naar 30 september 20255. Het Zorginstituut Nederland heeft het kabinet recent laten weten dat de datum waarop deze Kwaliteitsstandaard moet zijn aangeboden aan het Zorginstituut om te worden opgenomen in het openbaar Register is verplaatst naar 30 september 2027. Het kabinet zal de Kamer nader informeren over dit uitstel in de stand van zakenbrief, die nog voor het zomerreces verzonden zal worden.
Klopt het dat bij het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het Dutch Protocol een mannelijke patiënt is overleden als direct gevolg van complicaties na colovaginaplastiek dat moest worden ingezet omdat er sprake was van onderontwikkeling van penis en scrotum vanwege de toegediende puberteitsremmers?
Nee, dit klopt niet. Het betrokken ziekenhuis heeft aangegeven dat deze operatie geen deel uitmaakte van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Is de dood van deze patiënt nader (onafhankelijk) onderzocht?
Ja. Het betreffende ziekenhuis geeft aan dat de casus als calamiteit is gemeld bij de IGJ en tevens intern is geëvalueerd.
Is dit gemeld bij de betrokken Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC)?
Zoals aangeven in antwoord op vraag 8 was in deze casus geen sprake van medisch-wetenschappelijk onderzoek, maar van een reguliere behandeling. Daarmee bestond er voor het betreffende ziekenhuis geen aanleiding om de casus te melden bij de Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC) van de instelling.
Wat is überhaupt de gebruikelijke procedure als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek komt te overlijden?
Als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van een klinische studie die valt onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) komt te overlijden, moet dat zonder vertraging maar niet later dan 7 dagen na kennisname worden gemeld in het Clinical Trials Information System (CTIS), een informatiesysteem van de Europese Unie. In Nederland ontvangt de CCMO deze meldingen en afhankelijk van de melding wordt deze beoordeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de METC die de studie heeft toegelaten of de CCMO.
Worden in Nederland gezondheidsuitkomsten op korte en lange termijn, complicaties, spijt en detransitie systematisch bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft geen landelijk dekkend registratiesysteem waarin alle gezondheidsuitkomsten, complicaties, spijt en detransitie van alle behandelde jongeren structureel en langdurig worden bijgehouden. In het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van Amsterdam UMC worden doorlopend
gegevens verzameld voor wetenschappelijk onderzoek. Zo worden trends in aanmeldingen in de gaten gehouden, korte- en langetermijneffecten in kaart gebracht en de uitkomsten van behandeling gemonitord6.
De Gezondheidsraad is gevraagd om in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijngevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen, en spijt en detransitie. Het advies van de Gezondheidsraad wordt eind juni 2026 verwacht.
Bent u bereid om dit te initiëren?
Het is aan onderzoekers en veldpartijen om gezondheidsuitkomsten bij te houden en om invulling te geven aan medisch-wetenschappelijke onderzoeken. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen en hun ouders volledig worden geïnformeerd over de onzekerheid rond de verwachte mentale gezondheidswinst evenals over bekende risico's, zoals mogelijke onvruchtbaarheid?
Voor iedere medische behandeling geldt de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Dat betekent dat de zorgverlener de patiënt, en afhankelijk van de leeftijd ook de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, zorgvuldig moet informeren over de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en risico’s, mogelijke alternatieven en de vooruitzichten. Veldpartijen geven aan dat het thema vruchtbaarheid en toekomstige gezinsplanning tegenwoordig een uitgebreid en expliciet onderdeel van de indicatiestelling is, waarbij het thema vanuit verschillende disciplines wordt besproken en wordt meegenomen in de afweging om te starten met medische interventie.
Wordt in de voorlichting aan kinderen en hun ouders expliciet vermeld dat er volgens verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs bestaat dat de puberteitsremmers en hormoonbehandelingen suïcidaliteit of depressie verminderen?
Conform de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch wordt pas overgegaan tot behandeling na counseling, psychologische evaluatie en informed consent. In de gesprekken tussen de jongere, ouders en behandelaren voorafgaand aan behandeling worden de voor- en nadelen besproken van de behandeling. Op grond van de WGBO geldt dat informatie over de behandeling evenwichtig en begrijpelijk moet zijn en dat relevante onzekerheden, risico’s, alternatieven en verwachte effecten moeten worden besproken.
Nu de wetenschappelijke onderbouwing voor de belangrijkste beoogde uitkomst van transgenderbehandelingen bij kinderen, namelijk verbetering van mentale gezondheid zo onzeker is en deze behandelingen kunnen leiden tot blijvende medische gevolgen zoals onvruchtbaarheid en levenslange afhankelijkheid van hormoonbehandelingen: waarom acht u het dan nog steeds gerechtvaardigd dat dergelijke behandelingen in Nederland plaatsvinden?
Somatische behandelingen bij jongeren worden, conform de kwaliteitsstandaard, alleen uitgevoerd na zorgvuldige diagnostiek, psychologische evaluatie en begeleiding, een individuele afweging van voordelen, risico’s en alternatieven en goed geïnformeerde toestemming van de jongere en, afhankelijk van de leeftijd, diens ouders. Jongeren die medische behandeling ondergaan worden gedurende het traject gemonitord om de voortgang te volgen en eventuele negatieve gevolgen tijdig te herkennen.
Welke medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zouden voor u aanleiding zijn om uw huidige zienswijze met betrekking tot transgenderbehandelingen bij kinderen te heroverwegen? Onder welke omstandigheden zou u concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord zijn?
Het is niet aan het kabinet om een medisch-inhoudelijk oordeel te geven en of conclusies te trekken over afzonderlijke behandelprotocollen of wetenschappelijke publicaties. De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk, in professionele standaard en kwaliteitsstandaarden, invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is.
De dood van Henry Nowak als gevolg van etnisch gemotiveerd geweld en institutioneel falen van de Britse politie. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moord op de 18-jarige Britse student Henry Nowak, die op 3 december 2025 in Southampton vijf keer werd neergestoken met een ceremonieel zwaard en stervend werd geboeid door de politie op basis van de gefabriceerde verklaring van zijn moordenaar?
Ik ben via mediaberichten op de hoogte van de berichtgeving over de dood van de heer Henry Nowak in Southampton.
Hoe oordeelt u over de omstandigheden van de dood van Henry Nowak, waarbij de politie de aanvaller geloofde boven het slachtoffer, mede omdat de aanvaller het slachtoffer beschuldigde van racistische uitlatingen?
Dit betreft een aangelegenheid van de Britse autoriteiten. Het is aan hen om de feiten vast te stellen, de toedracht te onderzoeken en indien nodig maatregelen te treffen.
Heeft u naar aanleiding van de dood van Henry Nowak uw zorgen geuit over het institutionele falen van de Britse politie bij uw Britse ambtsgenoot en kunt u dit antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag drie ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een stervend slachtoffer wordt geboeid en medische hulp wordt onthouden, terwijl de dader – die het slachtoffer vals beschuldigde van racistische uitlatingen – ongemoeid werd gelaten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse media en de politiek nauwelijks aandacht hebben besteed aan de dood van Henry Nowak, terwijl vergelijkbare zaken met andere slachtoffers wel tot uitgebreide politieke en maatschappelijke reacties leidden?
De keuze voor berichtgeving is aan onafhankelijke media zelf. Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe verklaart u dit verschil in politieke, journalistieke en maatschappelijke aandacht?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u het feit dat de laatste woorden van Henry Nowak – «I can't breathe» – identiek zijn aan die van George Floyd, maar geen vergelijkbare politieke of maatschappelijke reactie hebben opgeroepen in Nederland?
Het kabinet doet geen uitspraken over de mate van maatschappelijke of politieke aandacht.
Deelt u de opvatting dat consequent anti-racismebeleid betekent dat geweld en institutioneel falen worden veroordeeld ongeacht de achtergrond van het slachtoffer?
Ja. Gelijke behandeling en nondiscriminatie zijn kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat.
Kunt u het antwoord op vraag negen toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid publiekelijk aandacht te vragen voor de zaak-Nowak en uw medeleven te betuigen aan de familie, zoals ook is gedaan bij vergelijkbare zaken?
Het overlijden van Henry Nowak is een tragische gebeurtenis en mijn medeleven gaat uit naar zijn familie en naasten. Het kabinet is begrijpelijkerwijs terughoudend publiekelijk in te gaan op individuele strafzaken in andere landen.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.
Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Ik betreur dat het vanwege de op dat moment nog lopende kabinetsformatie in Denemarken onmogelijk was om een politieke ontmoeting met mijn Deense en Duitse collega’s te hebben op de conferentie in Esbjerg. Dit was een onvoorziene samenloop van omstandigheden waar helaas niets aan te doen was. Toch beoordeel ik het verloop en de uitkomsten van de conferentie als geheel positief. Er zijn veel nieuwe connecties gelegd tussen overheden, NGO’s en bedrijfsleven in de drie Waddenzeelanden en er is onder andere een gezamenlijk statement getekend door de drie landen waarin het belang van de bescherming van de Waddenzee opnieuw bevestigd is.2
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
In het gezamenlijke statement van de drie landen op de conferentie is uitgesproken dat de drie landen alsnog een regeringsverklaring zullen tekenen zodra de nieuwe Deense regering geïnstalleerd is. Van uitstel komt dus zeker geen afstel.
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Ja.
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Ja. De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking tussen de drie landen Denemarken, Duitsland en Nederland.3 De wens om intensiever samen te werken zal dus ook door de andere twee landen gedeeld moeten worden om gerealiseerd te kunnen worden. Nederland zal als voorzitter deze wens met Duitsland en Denemarken bespreken.
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Het belang van de bescherming van de Waddenzee is op de conferentie opnieuw bevestigd door de drie deelnemende landen in een gezamenlijk statement. Ook is het voorzitterschap van de trilaterale samenwerking overgegaan van Denemarken naar Nederland. Luzette Kroon, Dijkgraaf van het Wetterskip Fryslân, zal deze rol de komende vier jaar namens Nederland vervullen. De brede deelname van overheden, NGO’s en bedrijfsleven aan de conferentie heeft daarnaast geleid tot meer wederzijds begrip.
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Zodra de nieuwe Deense regering is aangetreden, leggen we de gezamenlijke inzet voor de samenwerking in de komende vier jaar vast in de Verklaring van Esbjerg. Zodra het zover is, zal ik deze ook met uw Kamer delen. Uit de Verklaring van Esbjerg zullen ook de prioriteiten en doelen van het Nederlandse voorzitterschap volgen. Deze prioriteiten en doelen worden de komende tijd uitgewerkt in samenspraak met overheden, NGO’s en stakeholders in het gebied. Hierbij zal de Waddengovernance worden betrokken. Ook zal er afstemming plaatsvinden met Duitsland en Denemarken. Inzet van Nederland is om het Werelderfgoed en de natuur beter te beschermen, met tegelijk oog voor de mensen die in het Waddengebied wonen en werken.
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking. Deze vrijwillige samenwerking komt voort uit de grote verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie verschillende landen. Nederland zal als voorzitter de wens om tot meer gezamenlijke en bindende afspraken te komen met Duitsland en Denemarken bespreken. Mocht deze wens door de andere twee landen gedeeld worden, dan zal er hiertoe gedurende het Nederlandse voorzitterschap een voorstel gedaan worden aan de andere twee landen.
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
In trilateraal verband werken Nederland, Denemarken en Duitsland aan het LANICE-project.4 Dit project heeft als doelstelling om de EU-doelstellingen voor de aansluiting van hernieuwbare energie te ondersteunen met behoud van de unieke (ecologische) waarden van de Waddenzee. Nederland, Denemarken en Duitsland werken binnen LANICE aan het ontwikkelen van maatregelen om de milieu-impact effectief te verminderen. Dit wordt gedaan door milieueffecten -en conflicten te onderzoeken en de mogelijkheden voor mitigatie en versnelling van projecten voor de energie-infrastructuur in de Waddenzee in kaart te brengen.
Nederland heeft in het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor energie-infrastructuur in het Nederlandse deel van de Waddenzee. In PAWOZ – Eemshaven is uitgebreid gekeken naar de effecten van de aanleg van energie-infrastructuur en mitigerende maatregelen. Vanuit de opgedane kennis, ervaring en expertise van PAWOZ – Eemshaven zal Nederland in haar rol als voorzitter actief blijven bijdragen aan de verdere ontwikkeling van LANICE. Uiteraard in samenwerking met de andere Waddenzee-landen en de betrokken stakeholders, zoals de Waddengovernance en het Omgevingsberaad Waddengebied, alsmede met natuur -en milieuorganisaties.
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
De verschillen in besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking komen voort uit de verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie landen. Dit is inherent aan het feit dat de Waddenzee zich binnen de grenzen van drie landen bevindt. Met de aanwijzing in 2009 tot Werelderfgoed is het wel minder vrijblijvend geworden: Unesco spreekt de Waddenzeelanden gezamenlijk aan. Nederland zal zich als voorzitter inzetten voor goede afstemming van de besluitvorming binnen de trilaterale Wadden Sea Board, die minimaal twee keer per jaar vergaderd.5
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
De trilaterale Wadden Sea Board vergadert minimaal twee keer per jaar, de eerstvolgende keer in november 2026. Hierin zijn de drie samenwerkende landen op ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De eerstvolgende reguliere bestuurlijke bijeenkomst van de trilaterale Waddenzee samenwerking is gepland medio 2030, op de volgende regeringsconferentie in Nederland. Omdat de Waddenzee daarop niet kan wachten, zal ik – in overleg met mijn Deense collega – mijn collegaministers uitnodigen in Nederland om de Verklaring van Esbjerg te tekenen, zodra de nieuwe Deense regering daartoe in staat is. Ook is het mijn streven om in 2028, wanneer de trilaterale samenwerking 50 jaar bestaat, een extra trilaterale bestuurlijke bijeenkomst en conferentie te organiseren, in het Nederlandse Waddengebied.
Het artikel ‘Nederland is inventief maar te weinig commercieel’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland is inventief maar te weinig commercieel» van auteur Killian McCarthy?1
Ja.
Deelt u de analyse dat Nederland internationaal sterk presteert op innovatie en kennisontwikkeling, maar achterblijft bij de opschaling en commercialisering van innovatieve bedrijven ten opzichte van andere innovatieve economieën?
Ik deel grotendeels de analyse uit het artikel. In de basis heeft Nederland alles in huis voor innovatie en ondernemende economie (Kamerstuk 32 637, nr. 690). We zijn de «gateway» naar Europa; hebben goed onderwijs, internationaal toponderzoek, internationaal toonaangevende bedrijven, een hoogopgeleide en internationaal georiënteerde, ondernemende beroepsbevolking en een fijn leefklimaat. In Nederland worden veel jonge innovatieve bedrijven opgericht. Echter we zien in Nederland dat de doorgroei van Nederlandse startups tot succesvolle scale-ups achterblijft, en zien we dat er in Nederland relatief weinig startups op basis van publieke kennis worden opgericht. Kortom: de commercialisering en opschaling blijft achter.
Met het startup en scale-up beleid werken wij middels een integrale aanpak aan het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven. Het vorige kabinet heeft hiervoor de actieagenda startup en scale-up beleid2 gepresenteerd. Het kabinet zet deze aanpak voort en zal deze agenda uitvoeren. Daarbovenop zal het kabinet aanvullende maatregelen nemen om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven te verbeteren. Ik zal u hierover later dit jaar informeren.
Heeft u inzicht in het aantal Nederlandse unicornbedrijven en de ontwikkeling daarvan sinds 2010? Zo nee, bent u bereid dit structureel inzichtelijk te maken?
Unicorns zijn private bedrijven – oftewel niet-beursgenoteerde bedrijven – met een waardering van ten minste één miljard dollar. Een bedrijf kan deze status verliezen door een beursgang, door de verkoop van het bedrijf of als de waardering van het bedrijf is gedaald. Doordat het private bedrijven betreft zijn de exacte waarderingen niet openbaar.
Verschillend private dataproviders zoals Dealroom, Crunchbase en CBInsights maken op basis van investeringsrondes schattingen van waarderingen en maken op basis daarvan overzichten van unicorns. Tussen de overzichten van verschillende dataproviders zitten aanzienlijke verschillen.
Sinds 2010 zijn volgens Dealroom 37 tech-bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland op enig moment aan te merken geweest als een unicorn. Hiervan zijn volgens Dealroom 14 bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland nog steeds aan te merken als unicorn.
Wordt het aantal unicornbedrijven door u gebruikt als indicator voor de effectiviteit van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem en het investeringsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Met het startup en scale-upbeleid streven wij ernaar om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve techbedrijven te versterken zodat zoveel mogelijk tech-bedrijven doorgroeien tot techkampioenen van morgen. Onze stip op de horizon dat Nederland de komende tien jaar minstens 10 nieuwe technologie- en marktleiders voortbrengt3.
Om de effectiviteit van ons beleid in kaart te brengen kijken wij naar een mix van indicatoren, waaronder het aantal nieuwe tech-startups, het doorgroei percentage tot scale-ups en het geïnvesteerd kapitaal over de laatste jaren. Deze indicatoren tezamen hebben meer voorspellende waarde voor het toekomstig aantal unicorns dan het huidige aantal unicorns. Dit komt doordat het aantal nieuwe unicorns sterk fluctueert.
Wat is de actuele stand van zaken van de gesprekken met de pensioensector over investeringen in Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups?
Het mobiliseren van institutionele beleggers zoals pensioenfondsen voor durfkapitaalinvesteringen – en met name Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups – is een prioriteit. Hiervoor ben ik met sector en Invest-NL in gesprek.
Invest-NL werkt aan een fonds-in-fonds waar pensioenfondsen in kunnen investeren ten behoeve van start- en scale-up investeringen in hoge impact sectoren. Het fonds bevindt zich momenteel in een vergevorderde fase, waarbij de contouren en voorwaarden grotendeels zijn uitgewerkt en wordt gewerkt naar het vastleggen van zachte commitments. Daartoe voert Invest-NL momenteel actief gesprekken met de grootste pensioenfondsen en meerdere middelgrote en kleine pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en verzekeraars.
Daarnaast heeft het Kabinet 200 miljoen euro vrijgemaakt voor het voorgenomen vervolg op het European Tech Champion Initiative (ETCI 2.0). Een belangrijk doel van ETCI is het mobiliseren van institutioneel kapitaal, hiertoe worden ook gesprekken gevoerd met de sector.
Kunt u inzicht geven in de omvang van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, in durfkapitaal en venturecapitalfondsen over de afgelopen tien jaar?
Pensioenfondsen investeren in toenemende mate in durfkapitaal, zowel direct in start- en scale-ups als indirect in durfkapitaalfondsen. Zo is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in private fondsen, zoals Innovation industries (600 miljoen euro), DeepTechXL (110 miljoen euro) en KEEN Ventures (40 miljoen).
In de bijlage van de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» wordt een overzicht gegeven van de durfkapitaal investeringen sinds 20104.
Daarnaast analyseert de NVP ook de investeringen van pensioenfondsen. Uit recente data blijkt dat er in 2023 en 2024 meer dan 3 miljard euro is opgehaald door durfkapitaalfondsen maar dat dit in 2025 wat is teruggezakt naar 816 miljoen euro (bron). Deze daling lijkt voornamelijk te komen doordat pensioenfondsen nu vaker direct investeren in Nederlandse scale-ups.
Welke aanvullende maatregelen neemt u om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten, aanvullend op de inzet via Invest-NL, de Nationale Investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de gesprekken met pensioenfondsen?
Het kabinet neemt verschillende aanvullende maatregelen om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten. Deze maatregelen bouwen voort op het bestaande durfkapitaalinstrumentarium en richten zich zowel op de vroege fase als op de opschalingsfase.
Voor de vroege fase blijven de Vroegefasefinanciering (VFF), SEED Capital, het Innovatiekrediet en de Thematische Technology Transfer-regeling van belang. Deze regelingen zijn tot 2030 verlengd. Met deze regelingen levert het kabinet een aanzienlijke bijdrage aan zowel valorisatie als de financiering van startups en scale-ups. Deze regelingen grijpen aan op knelpunten in de markt die voortkomen uit marktfalen of bij risicovolle investeringen in innovatieve projecten. Ook de ROM’s blijven hierbij een belangrijke rol spelen. Zij vormen een landelijk dekkend netwerk en ondersteunen innovatieve bedrijven in de vroege fase met risicokapitaal, innoveren en internationaliseren. Dit jaar vindt ook de verplichte beleidsevaluatie van de ROM’s plaats over de periode 2021–2025.
Voor de scale-up fase versterkt het kabinet bestaande en nieuwe initiatieven. Zo is voorgenomen € 130 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van het Deep Tech Fund bij Invest-NL. Samen met de inleg van Invest-NL groeit het fondsvermogen met € 360 miljoen naar € 610 miljoen. Daarmee kan het fonds blijven investeren in sleuteltechnologieën zoals fotonica, halfgeleiders, quantumtechnologie en kunstmatige intelligentie. Ook vergroot het kabinet haar inzet door middel van een Blended Finance Instrument waarvoor € 250 miljoen beschikbaar is gesteld. Dit instrument richt zich op het financieringsknelpunt bij opschaling en grotere tickets, met name voor kapitaalintensieve investeringen.
Door zachte voorwaarden aan te bieden kan het instrument aanvullende private investeringen mobiliseren. Het instrument wordt momenteel uitgewerkt in nauw overleg met de Europese Commissie, vanwege de vereiste staatssteun-goedkeuring. Ook zet het kabinet in op Europese opschalingsfinanciering. Het kabinet heeft € 200 miljoen vrijgemaakt voor ETCI 2.0. Daarmee wordt de slagkracht van Europese durfkapitaalfondsen vergroot en krijgen Nederlandse en Europese tech scale-ups betere toegang tot grotere financieringsrondes. Daarnaast verwelkomt het kabinet Europese initiatieven zoals het Scale-up Europe Fund, de EIC Accelerator en opschalingsfaciliteiten onder het toekomstige Fonds voor Europees Concurrentievermogen.
Tot slot is in 2025 de innovatiedekking binnen het exportkredietinstrumentarium geïntroduceerd. Met deze dekking kan de Staat garanties verstrekken op financiering van innovatieve bedrijven die investeren in sleuteltechnologieën met exportpotentieel. Hierdoor wordt het risico voor financiers verlaagd en kan aanvullend privaat kapitaal worden gemobiliseerd voor innovatieve startups en scale-ups, met name in de fase waarin substantiële investeringen nodig zijn voor opschaling.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige beleid voldoende aansluit bij de behoeften van bedrijven in de zogenoemde grow-upfase? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf het belang van een goede aansluiting van ons beleid bij de financieringsbehoeften van ondernemingen. Het beleid en de aansluiting daarvan bij de praktijk zijn uitgebreid in beeld gebracht in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering5. Hieruit bleek onder meer een hardnekkig knelpunt op het gebied van opschalingsfinanciering, met name bij investeringsrondes vanaf € 50 miljoen.
Het kabinet zet zich in om een dergelijk knelpunt aan te pakken, bijvoorbeeld met een nieuw blended finance instrument en een voorgenomen aanvullende bijdrage aan het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL, evenals een voorgenomen bijdrage aan het vervolg op het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0).
Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de markt volgen en benut daarbij de inzichten uit bestaande onderzoeken, evaluaties en de uitvoering van deze maatregelen om het beleid waar nodig verder te versterken. Zo staat in 2027 een evaluatie van Invest-NL gepland, die naar verwachting verdere inzichten zal bieden in de doelmatigheid en doeltreffendheid van dit voor startups en scale-ups relevante instrument.
In hoeverre richt het kabinetsbeleid zich op het vergroten van exitmogelijkheden voor startups en scale-ups, waaronder beursgangen en strategische overnames?
We erkennen dat de exit-mogelijkheden binnen Nederland en Europa onvoldoende zijn voor start- en scale-ups. Uit onderzoek van KPMG6 en EIF7 blijkt dat de afgelopen jaren de slechtste jaren waren sinds lange tijd voor de exit-markt, zowel voor beursgangen als acquisities. Dit remt volgens KPMG de durfkapitaalcyclus waardoor onderinvesteringen ontstaan, zowel op fonds- als op deal-niveau.
Hoewel er signalen zijn van voorzichtig herstel, blijft beleggersvertrouwen kwetsbaar. De stagnerende exitmarkt is wereldwijd een knelpunt en dit wordt versterkt door de huidige geopolitieke spanningen.
Juist onder deze omstandigheden is publiek-private samenwerking essentieel. Het kabinetsbeleid is erop gericht om vanuit de publieke fondsen en instrumenten zoals Invest-NL te zorgen voor tijdig verkennen van exit mogelijkheden voor deze bedrijven of te zorgen voor tijdelijke overbruggingsfinanciering
Wat is naar verwachting het effect van het wetsvoorstel Implementatiewet noteringen en benchmarks2 op het aantal beursgangen (IPO’s) en het vestigingsklimaat voor groeibedrijven in Nederland?
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie en uitvoering van een Europees wetgevingspakket (de Listing Act).9 Hiermee wordt beoogd de toegang tot de publieke markten voor ondernemingen te verbeteren door de regels voor de toegang tot de handel op een gereglementeerde markt, multilaterale handelsfaciliteit (MTF) of mkb-groeimarkt te vereenvoudigen en te harmoniseren alsmede de administratieve lasten te verminderen. Onderdeel van het wetsvoorstel is een verhoging van de vrijstellingsgrens van de prospectusplicht bij aanbiedingen van effecten aan het publiek (van € 5 miljoen naar € 12 miljoen).
Door de maatregelen uit het Listing Act wetgevingspakket wordt het met name voor mkb-ondernemingen makkelijker om een beursnotering te krijgen, zodat hun aandelen (en andere effecten) breed verkrijgbaar zijn op de publieke kapitaalmarkt. Dit maakt het voor mkb-ondernemingen eenvoudiger om financiering aan te trekken bij een breed beleggerspubliek en stelt bijvoorbeeld startups en scale-ups in staat om door te groeien na eerdere private investeringsrondes. De verwachting is dan ook dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan een toename van het aantal beursnoteringen en verruiming van de financieringsmogelijkheden van (mkb)ondernemingen en daarmee aan versterking van hun groei- en innovatievermogen alsmede hun concurrentiepositie.
Wat is uw inzet om het ondernemersvliegwiel te verbeteren en werknemersparticipatie bij start ups aantrekkelijker te maken?
Het kabinet komt in september met een wetsvoorstel waarin ook een fiscale regeling is opgenomen om werknemersparticipatie bij startups en scale-ups te stimuleren met een lagere belastingheffing en een heffingsmoment bij verkoop van de aandelen. Een positief effect van medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups ingeval van een succesvolle groei is dat een grotere groep van medewerkers profiteert van de waardestijging van de onderneming. Deze waardestijging komt via deze vorm van beloning ook deels beschikbaar om te investeren in andere startups en scale-ups. Daarmee verbetert het ecosysteem voor startups en scale-ups en het ondernemersvliegwiel, zoals ook in het artikel wordt betoogd.
Welke maatregelen zijn er op fiscaal vlak in de in het artikel genoemde landen Zweden, Estland en Ierland, maar ook in de VS, Israël en Singapore, die specifiek innovaties verder ondersteunen?
Om de toegang tot kapitaal te verbeteren voor startups en scale-ups bestaan verschillende fiscale regelingen in de genoemde landen. De toegang tot kapitaal is een van de randvoorwaarden voor succesvolle innovatie bij startups en scale-ups en is fundamenteel voor het opschalen van de onderneming. De belastingstelsels van deze landen zijn niet een-op-een vergelijkbaar met het Nederlandse belastingstelsel, maar een aantal elementen kunnen worden onderscheiden in de verschillende regelingen.
Het stimuleren van initiële investeringen: landen als Ierland, Israël en Singapore kennen fiscale faciliteiten voor particuliere investeerders, business angels of investeringen in jonge innovatieve ondernemingen.
Het belonen van succesvolle investeringen bij realisatie: in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bestaat een regeling waarbij vermogenswinst op aandelen in kwalificerende kleine ondernemingen onder voorwaarden fiscaal gunstig wordt behandeld.
Het stimuleren van herinvestering: in onder andere Estland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten worden winsten onder voorwaarden in beginsel pas bij uitkering belast. Onder voorwaarden is het ook mogelijk om zonder belastingheffing gerealiseerde winsten te investeren in andere startups en scale-ups. Zweden kent geen specifieke fiscale regeling met dit doel, maar wel een relevante aanvullende uitzondering binnen hun deelnemingsvrijstelling. Vermogensresultaten op bepaalde aandelenbelangen, waaronder niet-beursgenoteerde deelnemingen, worden onder voorwaarden fiscaal gunstig behandeld.
Voor het zomerreces informeer ik u mede namens de Staatssecretaris van Financiën over het onderzoek naar een fiscale stimulans om privaat kapitaal voor startups en het mkb te versnellen, mede naar aanleiding van het in het coalitieakkoord opgenomen onderzoek naar een win-win-lening en de moties Dassen/Martens-America (motie 21 501-30, nr. 642), Vermeer (motie 32 637, nr. 721) en Bontenbal (motie 36 933, nr. 31).
Welke aanvullende beleidsmaatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat Nederlandse innovaties vaker doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen?
In lijn met de inzet van het vorige kabinet, blijft het kabinet zich inzetten op het versterken van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem. In de kamerbrief «Bouwen aan de tech-kampioenen van morgen»10, heeft het kabinet hiervoor reeds een aantal gerichte maatregelen aangekondigd. Op dit moment ligt de focus op de uitvoering van deze actieagenda. Bij de uitwerking van deze inzet wordt nadrukkelijk gekeken naar knelpunten die innovatieve bedrijven ervaren in de opschalingsfase, waaronder toegang tot talent, financiering en internationale markten.
Daarbij wordt onder meer ingezet op een meer structurele ondersteuning van deeptech bedrijven, onder andere via Techleap. Verder zet het kabinet in op het versterken van valorisatie. Het kabinet onderzoekt daarom naar aanleiding van de motie Oualhadj (motie 32 637, nr. 746) hoe valorisatie kan worden versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden.
Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een Europees startup- en scale-upbeleid. Het kabinet levert input aan de ontwikkeling van de Europese Startup and Scale-up Strategy en zal bezien hoe de uitkomsten hiervan kunnen bijdragen aan een beter functionerende Europese interne markt voor innovatieve ondernemingen. In dat kader volgt het kabinet ook de ontwikkelingen rond een mogelijke pan-Europese ondernemingsvorm die grensoverschrijdend ondernemerschap binnen de Europese Unie kan vereenvoudigen.
Ten slotte blijft het kabinet werken aan een aantrekkelijk ondernemings- en arbeidsmarktklimaat voor innovatieve bedrijven. Daarbij gaat het onder meer om het behouden van een concurrerend vestigingsklimaat voor internationaal talent.
Met deze inzet werkt het kabinet aan een samenhangend pakket van maatregelen om ervoor te zorgen dat meer Nederlandse innovaties kunnen doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het rondetafelgesprek in de Kamer over belastingmaatregelen ter ondersteuning van startups en scale-ups op 11 juni 2026?
Gezien de complexiteit van de vragen en de benodigde interdepartementale afstemming was dit helaas niet mogelijk. We hebben er naar gestreefd om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'De islam neemt de Duitse klaslokalen over' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente Der Spiegel-artikel van 14 mei 2026, waarin een schooldirectrice in Noord-Duitsland beschrijft hoe een kleine groep islamitische leerlingen met groepsdruk, halal-eisen, verplichte hoofdbedekking voor meisjes vanaf groep 7 en afwijzing van muziek en kerst de hele schoolcultuur naar hun hand zet?1, 2
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Erkent u dat de openbare scholen in Nederland in rap tempo islamiseren onder invloed van dezelfde barbaarse ideologie, met almaar hardere eisen over halal-voeding, gebedsruimtes, verplichte bedekkende kleding en aanpassingen van lesstof? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Wettelijk is vastgelegd dat openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. In dat opzicht is het openbaar onderwijs neutraal. Dat betekent onder andere dat het onderwijs niet doorslaat in de richting van één bepaalde religie en dat aan leerlingen geen religieuze leefregels worden opgelegd. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Voor gebedsruimtes specifiek geldt dat ze in openbare scholen niet hoeven te bestaan. Het is aan openbare scholen zelf om te beoordelen of ze in een gebedsruimte kunnen en willen voorzien.
Hoelang blijft u willens en wetens werkeloos toekijken terwijl de barbaarse ideologie onze openbare scholen in hoog tempo islamiseert, totdat we net als in Duitsland het punt bereiken waarop leerkrachten volledig de controle kwijt zijn en de schoolcultuur verloren is?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Waarom durft u de radicale barbaarse ideologie islam die hierachter zit niet gewoon bij naam te noemen, terwijl zelfs een links blad als Der Spiegel spreekt over ondraaglijke groepsdwang en het einde van een normale schoolcultuur? Hoelang blijft u deze gevaarlijke ideologie nog beschermen tegen kritiek, ten koste van Nederlandse leerkrachten, meisjes en de toekomst van ons openbaar onderwijs?
Het openbaar onderwijs is neutraal. De inspectie ziet hierop toe.
Welke harde maatregelen gaat u nemen, denk aan een duidelijk verbod op islamitische druk op scholen, geen subsidies meer voor extremistische organisaties en strenge handhaving om te voorkomen dat Nederlandse scholen dezelfde kant op gaan als in Duitsland?
Ik zie geen noodzaak om maatregelen te nemen, aangezien bij mij geen signalen bekend zijn van wat u de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemt.
Hoe kunt u het nog langer tolereren dat leerkrachten en schoolleiders geïntimideerd en monddood gemaakt worden uit angst voor racismeverwijten, terwijl deze barbaarse ideologie steeds meer terrein wint en onze seculiere scholen dreigt over te nemen?
Een school moet veilig zijn voor alle leerlingen en onderwijspersoneel, zodat bijvoorbeeld over angst voor racismeverwijten op een open manier kan worden gesproken. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet hierop toe. Daarnaast scherp ik met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs de zorgplicht voor de veiligheid aan. Daarmee krijgen scholen scherper zicht op de veiligheid, bieden we betere ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en zorgen we dat het veiligheidsbeleid wordt gecoördineerd en jaarlijks wordt gecoördineerd.
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Dat heb ik, ik ben zeer geschokt door dit incident. Mijn gedachten gaan uit naar het slachtoffer en de familie.
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Hier zijn helaas geen cijfers van beschikbaar. Dat is de reden waarom het Landelijk Meldpunt Hondenbeten begin dit jaar gelanceerd is om beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de incidenten.
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Ik lees deze vraag zo dat u doelt op de meldingen die zijn binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Hondenbeten. Dit meldpunt is in januari 2026 gelanceerd. Een eerste analyse van de data wordt momenteel uitgevoerd. Dan krijg ik een eerste beeld van de meldingen, maar is het nog te vroeg om uitspraken te doen over ontwikkelingen in het aantal meldingen van ernstige incidenten. Ik verwacht de resultaten van deze analyse voor het eerstvolgende debat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven met de Kamer te delen.
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Die opvatting deel ik. In het rapport «The Safe Dog project» (2019) en uit internationaal onderzoek komen eigenaar-gerelateerde factoren naar voren als de belangrijkste risicofactor bij het ontstaan van bijtincidenten. Ik vind het dan ook belangrijk dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen als het om het houden van een huisdier gaat, en helemaal in het geval van honden die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In Nederland zijn adequate waarborgen ingesteld dat honden die ernstige incidenten veroorzaken niet zomaar terug de maatschappij in gaan. Als er sprake is van een ernstig incident waar de politie bij ingeschakeld is, wordt de hond in beslag genomen. Er volgt dan altijd een beoordeling van de hond en het incident. Op basis daarvan bepaalt de rechter wat er met de hond gebeurt. In ernstige gevallen kan worden besloten de hond in te laten slapen. Ook gemeenten hebben bevoegdheden om in te grijpen wanneer zich gevaarlijke situaties of bijtincidenten voordoen. Zij staan dicht bij de burger en kunnen daardoor inschatten wat in specifieke gevallen nodig is.
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Een belangrijk deel van de bevoegdheden bij het opvolgen van bijtincidenten ligt bij de gemeenten. In de Model Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) is bijvoorbeeld de bevoegdheid opgenomen voor de burgemeester om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen in de openbare ruimte, dan wel op het eigen erf. Er kunnen daarnaast verschillen zijn in de mate waarin binnen gemeenten nadere beleidsregels zijn opgesteld rondom bijtincidenten. Sommige gemeenten hebben bijvoorbeeld een meldpunt opgezet, en/of aanvullende bevoegdheden rondom sancties na inbeslagname opgenomen. Ik kijk waar landelijke kaders eventuele ongewenste verschillen tussen gemeentelijk beleid weg kunnen nemen, zoals met de landelijke aanlijn- en muilkorfplicht. Daarnaast werk ik aan een bevoegdheid van burgermeesters om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen die ook buiten de gemeentegrenzen van toepassing is.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Hier zijn verschillende mogelijkheden. Bij signalen van gevaarlijk gedrag heeft de burgemeester de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht of een last onder dwangsom op te leggen om erger te voorkomen. Ook kan lokaal een gedragstest of een verplichting worden opgelegd om een hondencursus te volgen, indien een gemeente dat heeft opgenomen in beleidsregels. Wanneer onverantwoord houderschap leidt tot verwaarlozing of mishandeling kan een houder via het strafrecht strafbaar worden gesteld of kunnen door het OM maatregelen worden opgelegd, zoals een houdverbod voor dieren, om de verwaarlozing aan te pakken. Het aanhitsen van honden is verboden en strafbaar. Wanneer mensen zorgen hebben over gevaarlijk gedrag van een hond in hun omgeving, en vinden dat er opvolging nodig is, kunnen ze daarvan melding doen bij de politie, of de gemeente.
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Preventie maakt onderdeel uit van de maatregelen om bijtincidenten tegen te gaan. Ik werk aan een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren, waarmee zij getraind worden in het veilig en verantwoord houden van honden. Ik deel de opvatting dat met name houders van honden die een verhoogd risico geven op het veroorzaken van een ernstig bijtincident een extra verantwoordelijkheid hebben. Om hier eventueel gericht actie op te kunnen ondernemen wordt op dit moment door een onderzoeksbureau gekeken naar de fysieke kenmerken, die in de literatuur geassocieerd worden met een verhoogd risico, en of deze kenmerken ook terugkomen in de Nederlandse populatie inbeslaggenomen honden.
Ook de bij het antwoord op vraag 6 genoemde landelijke aanlijn- en muilkorfplicht heeft een preventief karakter. Ik vind het belangrijk dat honden die deze maatregel opgelegd hebben gekregen in hun gemeente ook buiten gemeentegrenzen aangelijnd moeten blijven en een muilkorf moeten dragen.
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Er worden op verschillende fronten stappen gezet die zullen bijdragen aan het verantwoord fokken. Met de in vraag 8 genoemde cursus wordt beoogd dat alle hondeneigenaren straks de benodigde kennis hebben over het verantwoord en veilig houden van honden. Denk aan informatie over het veilig uitlaten van honden en hoe te handelen wanneer een incident plaatsvindt.
Voor honden fysieke kenmerken die worden geassocieerd met een verhoogd risico op een ernstig bijtincident is het daarnaast extra belangrijk dat er zorgvuldige fokkerij en goede socialisatie plaatsvindt, omdat dit ook belangrijke factoren zijn die het ontstaan van gevaarlijk gedrag beïnvloeden. Er zijn reeds verschillende nationale initiatieven die zich hiervoor inzetten, zoals Fairdog. Ook in EU-verband worden belangrijke stappen gezet voor betere fokkerijomstandigheden, zie de nieuwe EU-Verordening inzake welzijn en traceerbaarheid van honden en katten die recent is aangenomen en 2028 van toepassing wordt. In deze Verordening staan regels opgenomen die zien op geschikte huisvesting en leefomstandigheden, welzijn en traceerbaarheid. Deze regels gelden voor alle honden die worden gefokt in de EU, maar ook voor alle honden die van buiten de Unie worden geïmporteerd. Maar hoe dan ook: de belangrijkste verantwoordelijkheid ligt bij eigenaren zelf. Zeker bij dit soort honden moet je je van te voren afvragen of een hond past bij je leefomgeving en thuissituatie, en is het belangrijk dat je op zoek gaat naar een verantwoord gefokte hond.
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Dat heb ik. Bij het uitwerken van beleid wordt literatuur en ervaringen die reeds zijn opgedaan in het buitenland meegenomen.
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
De contacten met andere lidstaten inzake hun aanpak van bijtincidenten zijn heel waardevol bij de uitwerking van de voorgestelde maatregelen in Nederland. Ik zie overeenkomsten bij (delen van) lidstaten als Duitsland en Zwitserland die al enige tijd ervaring hebben met een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren. Ook kennen een aantal lidstaten voorwaarden voor het houden van aangewezen honden. We leren ook dat sommige ras specifieke maatregelen die men in het buitenland neemt, niet zorgen voor een afname in het aantal bijtincidenten zoals het verbieden van rassen.
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Dat acht ik effectief, vandaar dat ik mij inzet voor een landelijk geldende aanlijn- en muilkorfplicht voor honden die hebben gebeten of zich gevaarlijk hebben gedragen, en een theoriecursus voor alle toekomstige hondeneigenaren.
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Zoals aangegeven bij vraag 6 ligt een belangrijk deel van de handhavende bevoegdheid bij bijtincidenten bij gemeenten. Ik denk dat het goed is dat dit bij gemeenten ligt, omdat zij het beste kunnen inschatten wat er lokaal speelt en in specifieke gevallen nodig is. Dat kan niet op landelijk niveau. Ik zie echter wel op dit moment een praktische beperking, omdat de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen bij een hond die heeft gebeten of zich gevaarlijk gedraagt alleen geldt binnen de grenzen van een gemeente. Daarom werk ik aan de invoering van een wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters om deze plicht op te leggen die vervolgens, voor de betreffende hond, in heel Nederland van toepassing is.
Om te bezien óf en waar er eventuele tekortkomingen zijn in wet- of regelgeving is echter een beter beeld van de aard en omvang van het probleem nodig. Het in januari gelanceerde Landelijk Meldpunt Hondenbeten is hiervoor ingericht.
De meldingen uit dit meldpunt worden alleen gebruikt voor analyse. Hoe meer bij het landelijk meldpunt wordt gemeld, hoe beter het beeld van de problematiek wordt. Ik roep dan ook iedereen op om gevaarlijke situaties of incidenten – naast melding bij de politie of gemeente voor meldingen die opvolging nodig hebben – te melden bij het landelijk meldpunt.
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Zoals aangegeven bij vraag 13 is het van belang dat er eerst een beter beeld komt van de aard en omvang van het probleem. Ook noem ik de aangekondigde wettelijke bevoegdheid van burgermeesters om een landelijke aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen.
Uit die maatregel blijkt ook hoe belangrijk het is dat gemeenten samenwerken en informatie met elkaar delen. Met dit doel is een aantal jaar geleden in opdracht van LVVN het Landelijk Honden Dossier opgericht, waar gemeenten gratis gebruik van kunnen maken. In dit systeem kunnen gemeentelijke handhavers informatie met elkaar delen en inzien of een bepaalde hond een maatregel opgelegd heeft gekregen in een naburige gemeente. Ook het samenwerkingsverband DierVizier biedt gemeenten een platform waarin het uitwisselen van ervaringen op dit vlak mogelijk is.
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Het huidige systeem biedt verschillende mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij dodelijke incidenten. Vanuit het strafrecht kan een eigenaar worden bestraft wanneer hij of zij onvoldoende controle houdt over een gevaarlijke hond. Hiervoor kan bijvoorbeeld een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden worden opgelegd. Daarnaast zijn sinds 1 januari 2024 de mogelijkheden uitgebreid door wetgeving, waardoor in ernstige gevallen ook een zelfstandig houdverbod kan worden opgelegd. Dit betekent dat iemand tijdelijk of langdurig geen dieren meer mag houden. Vanuit het bestuursrecht kunnen gemeenten daarnaast maatregelen nemen, zoals het in beslag nemen van de hond.
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Die opvatting deel ik. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Dit zal worden meegenomen als onderdeel van de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
Elk bijtincident is er één teveel. Het staat dan ook voorop dat veiligheid van mens én dier het primaire doel van beleid rond bijtincidenten is. Het terugdringen van bijtincidenten kan echter niet alleen met het opleggen van strengere maatregelen. Ik blijf benadrukken dat mensen zich goed moeten realiseren wat voor hond ze in huis halen.
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Ja. Een dergelijk nieuwsbericht wordt iedere jaar voorafgaand aan het Offerfeest gepubliceerd.
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Het Offerfeest wordt jaarlijks voorbereid in een samenwerkingsverband van LVVN, NVWA, Vereniging van Zelfslachtende Slagers (VZS), VleesNL, Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en politie. Na afloop volgt in dit verband een evaluatie, waarbij iedere organisatie de verbeterpunten meeneemt voor het procesverloop van het Offerfeest. Er is gewerkt aan een betere aansluiting tussen het aangeboden aantal te slachten dieren en de planning van de toezichtscapaciteit. Zo wordt voorkomen dat het slachthuis meer dieren aanvoert dan geslacht kunnen worden. Ook heeft de NVWA de afgelopen jaren haar toezicht in algemene zin versterkt door invoering van verscherpt toezicht en three strikes out. Herhaalde overtredingen en ook misdragingen jegens toezichthouders van voorgaande jaren worden beter meegewogen bij de keuze van te nemen maatregelen. Daarnaast zet ik mij in voor een herziening van het boetestelsel, met onder meer hogere en omzetgerelateerde boetes, zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 18 juni 2026 (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Tot slot wordt door de NVWA op bedrijfsniveau na elk offerfeest een evaluatie uitgevoerd, die meeweegt in de toestemming en het toezicht voor het jaar erop. Zo kijkt de NVWA elk jaar waar het beter kan.
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
In Nederland is bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De redenen om een dier onbedwelmd ritueel dan wel bedwelmd te laten slachten zijn divers en niet eenduidig vast te stellen; dit kan samenhangen met keuzes van religieuze gemeenschappen, slachthuizen en afnemers, en met de praktische organisatie rondom het Offerfeest. Mijn inzet blijft gericht op een zorgvuldige uitvoering binnen de geldende wettelijke kaders, met toezicht door de NVWA op dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid en hygiëne. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Dat deel ik. Het verbeteren van dierenwelzijn tijdens de onbedwelmde rituele slacht was in 2012 een belangrijk uitgangspunt van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In de evaluatie van het Convenant door Deloitte uit 2021 (Kamerstuk 28 286, nr. 1232) is geconcludeerd dat het Convenant doelmatig en doeltreffend functioneert in de praktijk en heeft geleid tot een verbetering van het dierenwelzijn ten opzichte van de nulmeting in 2014. Tegelijkertijd geldt dat rituele slacht zonder voorafgaande bedwelming binnen Europese regelgeving onder voorwaarden is toegestaan en beperking hiervan raakt aan de vrijheid van godsdienst. Daarom is de inzet erop gericht om binnen de geldende huidige wettelijke kaders de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. Dat gebeurt onder meer via aanvullende voorschriften in het Besluit houders van dieren, permanente aanwezigheid van de NVWA bij onbedwelmde rituele slacht en handhaving wanneer regelgeving niet wordt nageleefd.
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
De algemene wetenschappelijke opvatting is dat de halssnede bij een dier dat bij bewustzijn is pijn veroorzaakt en dat het dier stress ervaart in de periode tot het als gevolg van het verbloeden het bewustzijn verliest. Om die reden zijn in het convenant onbedwelmde slacht volgens religieuze riten concrete afspraken gemaakt om het welzijn van deze dieren te verbeteren. De normen uit het convenant die betrekking hebben op dierenwelzijn zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en grijpt waar nodig in om het dierenwelzijn te waarborgen. Bij de totstandkoming van het convenant is ook een afweging gemaakt tussen dierenwelzijn en godsdienstvrijheid.
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Ik ben bekend met deze signalen. Het beeld dat dieren bij de onbedwelmde rituele slacht structureel langdurig worden gefixeerd, onjuist worden gekanteld of herhaaldelijk moeten worden aangesneden, herken ik echter niet. Fixatie en het gebruik van kantelapparatuur zijn aan strikte dierenwelzijnsvoorschriften gebonden en bij deze slacht is sprake van permanent toezicht door de NVWA. De NVWA ziet daarbij toe op de duur en wijze van fixatie, het gebruik van de apparatuur en een correcte uitvoering van de halssnede. Wanneer een handeling niet overeenkomstig de geldende voorschriften wordt uitgevoerd, grijpt de NVWA direct in en wordt waar nodig handhavend opgetreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de dierenwelzijnsvoorschriften hierbij structureel niet worden nageleefd.
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Tijdens het Offerfeest worden niet alle dieren onbedwelmd geslacht. Uit de voorlopige cijfers blijkt dat tijdens het Offerfeest dit jaar 32% van de geslachte dieren onbedwelmd is geslacht en 68% van de dieren bedwelmd is geslacht. Bij bedwelmde slacht is er sprake van bewustzijnsverlies voordat de halssnede gezet wordt.
De NVWA ziet erop toe dat medewerkers van het slachthuis de controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid bij alle dieren die onbedwelmd geslacht worden, correct uitvoeren. De afwezigheid van corneareflex en ooglidreflex zijn betrouwbare indicatoren om te controleren op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid. Andere tekenen zijn de afwezigheid van ademhaling, een negatieve dreigtest of reactie op een toegediende pijnprikkel.3 De controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vindt plaats voordat het dier de fixatie verlaat, of in ieder geval na 35 seconden waarbij in geval van tekenen van bewustzijn de dieren bedwelmd moeten worden binnen 40 seconden na de halssnede.
Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, wordt bij geconstateerde overtredingen handhavend opgetreden. Ook worden corrigerende maatregelen genomen zoals een directe aanwijzing tot nabedwelmen en/of het niet meer toestaan van onbedwelmd ritueel slachten.
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Ik ben bekend met de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de risico’s die worden geschetst ten aanzien van de waterbadmethode.
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Het bedwelmen met de waterbadmethode is toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Voor het gebruik van het waterbad als bedwelmingsmethode zijn in deze verordening specifieke voorschriften vastgelegd.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften tijdens de slacht. Een verbod op of beperking van een toegestane bedwelmings- of dodingsmethode kan alleen in Europees verband worden gerealiseerd. Ik heb mij eerder in Europees verband ingezet voor een verbod op de waterbadmethode, mede naar aanleiding van de aangekondigde herziening van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Ik zal mij hiervoor op daartoe geschikte momenten blijven inzetten. Ook wil ik na de zomer in gesprek met de sector om te kijken of er afspraken gemaakt kunnen worden om zaken op het gebied van dierenwelzijn in slachthuizen te verbeteren. Daarbij wil ik ook kijken naar bedwelmingsmethodes.
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
Ja. Ik vind dat dieren tijdens het houden, transporteren en doden zo min mogelijk stress, pijn en vermijdbaar lijden mogen ondervinden. Tegelijkertijd geldt dat de beoordeling van specifieke slacht- en bedwelmingsmethoden plaatsvindt binnen de bestaande nationale en Europese wettelijke kaders. Voor toegestane methoden gelden voorschriften die erop gericht zijn de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. De NVWA ziet toe op de naleving daarvan. Waar uit nieuwe wetenschappelijke inzichten of praktijkervaring blijkt dat verdere verbeteringen mogelijk zijn, ben ik bereid deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid, zowel nationaal als in Europees verband.
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Ik onderken dat over dit onderwerp maatschappelijk en politiek debat bestaat. Dat debat over de wenselijkheid en reikwijdte van de uitzondering voor religieuze slachtmethoden kan vanzelfsprekend in de Kamer worden gevoerd. Zolang de huidige wettelijke kaders gelden, richt ik mij op een zorgvuldige uitvoering daarvan, het minimaliseren van dierenleed, de naleving van de voorschriften en toezicht door de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Dit wordt uitgedragen. In Nederland is namelijk bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De mogelijkheid om, voor religieuze doeleinden, dieren zonder voorafgaande bedwelming aan te snijden vormt daarop een uitzondering die rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening 1099/2009. Het aantal dieren dat in Nederland onbedwelmd ritueel wordt geslacht is beperkt in verhouding tot het totaal aantal geslachte dieren. Uiteraard zullen we blijven uitdragen dat bedwelmde slacht de norm is.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
De bestaande regelgeving, de gezamenlijke voorbereiding van het Offerfeest en het permanente toezicht door de NVWA hebben de afgelopen jaren tot verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn geleid. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders, inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden. Daarbij kan worden gedacht aan het in overleg met de betrokken partijen verder bevorderen van het gebruik van bedwelming bij religieuze slacht.
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vindt jaarlijks overleg plaats tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), vertegenwoordigers van slachthuizen en vertegenwoordigers van de betrokken religieuze gemeenschappen over het verloop van het Offerfeest. Tijdens deze evaluaties, maar ook in de overleggen in aanloop naar het Offerfeest, staat primair de correcte uitvoering van de geldende wettelijke voorschriften centraal ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid, evenals de capaciteit voor toezicht en communicatie rondom het Offerfeest. Daarbij wordt niet gesproken over het actief terugbrengen van het aandeel onbedwelmde rituele slacht. De cijfers over onbedwelmd ritueel geslachte dieren, waaronder aantallen per diercategorie en gegevens over nabedwelming, worden jaarlijks aan de Tweede Kamer verstrekt en, conform de toezegging T03706 van 11 juli 2023, ook aan de Eerste Kamer toegezonden.
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219), waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een nieuw besluit moet worden genomen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst heeft geadviseerd om zoogdiersoorten met populaties die zich in een vergevorderd stadium van het domesticatieproces bevinden op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen. Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Ik ga deze bestuurlijke afweging zorgvuldig maken.
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
In de uitspraak over de huis- en hobbydierenlijst heeft het CBb geoordeeld dat de lijst op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Het CBb heeft de bezwaren over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de adviescommissie en het adviescollege die hebben geadviseerd over de lijst verworpen. Het CBb heeft geoordeeld dat de systematiek die is gebruikt, wetenschappelijk verantwoord is en juist is toegepast. De manier van beoordelen is in overeenstemming met de eisen van het Europees recht.
Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Daarnaast moet ik het zoönoserisico van de katoenrat opnieuw bezien. Voor zes andere soorten moet ik opnieuw een beslissing op bezwaar nemen. Alle andere besluiten over het plaatsen of niet plaatsen van soorten zijn in rechte vast komen te staan.
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
De uitspraak maakt duidelijk dat de beoordelingen van de diersoorten in rechte vaststaan, tegen deze beoordelingen is geen bezwaar en beroep meer mogelijk. Uitzonderingen hierop vormen de twaalf soorten waarover ik een nieuw besluit moet nemen.
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele diersoorten?
Nee, ik zie dit risico niet. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest (ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke (en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te komen?
Het CBb heeft geoordeeld dat de huis- en hobbydierenlijst is gebaseerd op objectieve en proportionele criteria. De systematiek van de lijst, alsmede het domesticatie-criterium zijn in lijn met het Andibel-arrest. Overigens oordeelde het CBb dat ik een aanvullende bestuurlijke afweging moet maken zoals toegelicht in antwoord op vraag 3. Deze afweging gaat over de toepassing van het criterium domesticatie. Ik bezie momenteel hoe ik deze afweging ga maken.
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Het CBb heeft vastgesteld dat het domesticatie-criterium wetenschappelijk is onderbouwd en consequent is toegepast. Er hoefden dus geen bestuurlijke uitzonderingen gemaakt te worden om verregaand gedomesticeerde populaties van soorten op de lijst te plaatsen. Honden, katten en paarden staan op de huis- en hobbydierenlijst en mogen gehouden worden.
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Het damhert en edelhert zijn niet aangewezen. Mijn voorganger heeft besloten in een vrijstelling op grond van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren voor deze soorten te voorzien. Hetzelfde geldt voor het houden van de dromedaris voor productie, ook hiervoor is in een vrijstelling voorzien.
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
De uitspraak van het CBb bevestigt dat de huis- en hobbydierenlijst juridisch houdbaar is. Ik ga niet opnieuw kijken naar de juridische houdbaarheid van deze lijst.
Het UNRWA-terror-network |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van UN-Watch inzake de verwevenheid van UNRWA met terroristische organisaties?1
Ja.
Is het u bekend dat in de VS een verdergaand onderzoek gaande is gericht op ca. 1.500 UNRWA medewerkers en dat wordt onderzocht/overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie?2
Ja. Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Volgens UNRWA is vooralsnog geen informatie gedeeld over de aantijgingen jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de mening dat deze informatie over verwevenheid van een VN-organisatie (waar Nederland veel geld in steekt) met terroristen buitengewoon verontrustend is?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Eerdere internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas en uit het onafhankelijk onderzoek van OIOS naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA medewerkers bleek eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA daarom steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Door het leveren van dergelijke diensten en het ondersteunen van basisbehoeften van de bevolking helpt UNRWA enig mate van stabiliteit te bieden in een onrustige regio.
Blijft u nog steeds op uw handen zitten of gaat u actie ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.3 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?