Het verslag van de referendumcommissie Bonaire 2015 |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verslag van de referendumcommissie Bonaire 2015?
Ja.
Bent u het ermee eens dat de bevinding van de referendumcommissie, namelijk dat de Eilandsraad en het Bestuurscollege zich hebben bemoeid met de voorlichting over de aard en de gevolgen van het referendum, zeer zorgwekkend is?
Het Bestuurscollege van Bonaire heeft op basis van een verordening van de eilandsraad een raadplegend referendum georganiseerd. Dit betreft een autonome bevoegdheid van het eilandsbestuur. In het proces zijn er door het eilandsbestuur, de eilandsraad alsmede de referendumcommissie op eigen titel en bevoegdheid keuzes gemaakt qua inhoud, proces en communicatie, waarin ik als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet kan treden.
Het staat het Bestuurscollege van Bonaire vanzelfsprekend vrij om in contacten met het Rijk beelden, bevindingen en standpunten, die bij het bestuurscollege van Bonaire leven, voor het voetlicht te brengen.
Wat is uw reactie op de opmerkingen van de referendumcommissie dat de bemoeienis van de Eilandsraad en het Bestuurscollege hebben geleid tot verwarring over de betekenis van het referendum, waardoor niet is na te gaan of deelnemers op grond van juiste informatie een weloverwogen keuze hebben gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beschouwt u de conclusie van de referendumcommissie dat vanwege die verwarring aan de uitslag van het referendum geen of nauwelijks voor de bestuursorganen van Bonaire bindende conclusies kunnen worden verbonden die binnen het te voeren overleg met de partners in het Koninkrijk betekenis zouden moeten hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid heeft Nederland om de onafhankelijkheid van een referendum op Bonaire – een bijzondere gemeente van Nederland – te waarborgen, verschilt dit met reguliere Nederlandse gemeenten, en welke acties heeft u in het kader van die verantwoordelijkheid genomen?
Beslissingen over het houden van een raadplegend referendum, de vraagstelling, de voorlichting en de gehele organisatie van het referendum, behoren in beginsel alle tot de autonome taak van de openbare lichamen. Daarin verschillen de openbare lichamen niet van gemeenten in het Europees deel van Nederland. Ik heb om die reden geen acties genomen ter zake.
Het opvragen van de gegevens van een ggz-patiënt door een zorgverzekeraar |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Verzekeraar vroeg om diagnose ggz-patiënt»1 van 8 februari jl. naar aanleiding van het verschenen nieuwsbericht op de site van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)?2
Ja, ik heb het gelezen. Ik ben blij dat de situatie inmiddels is opgelost.
Wat is uw reactie op deze berichtgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de aanleiding geweest om het onderzoek van de AP te starten?
Zowel signalen van verzekerden als een handhavingsverzoek van de Stichting Koepel van DBC-vrije Praktijken van Psychotherapeuten en Psychiaters (KDVP) zijn aanleiding geweest om het onderzoek te starten.
Is het correct dat de desbetreffende zorgverzekeraar heeft gevraagd naar verwijsbrieven van verzekerden met een privacyverklaring? Is er ook gevraagd naar de behandelplannen en/of diagnoses van verzekerden met een privacyverklaring?
Van de Autoriteit Persoonsgegevens heb ik desgevraagd het volgende vernomen. De betreffende zorgverzekeraar vroeg om verwijsbrieven inclusief diagnose-informatie, niet om behandelplannen. Het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens was erop gericht om deze overtreding zo snel mogelijk te beëindigen. Zij heeft niet onderzocht hoeveel verzekerden het betreft of hoe lang de situatie heeft geduurd. Wel staat vast dat de overtreding in 2015 plaatsvond en is beëindigd. Het is mij niet bekend of de zorgverzekeraar de betreffende verzekerden hierover heeft geïnformeerd of overweegt dit alsnog te doen.
Om hoeveel mensen met een privacyverklaring waarvan de gegevens zijn opgevraagd gaat het?
Zie antwoord vraag 4.
Hoelang is de periode geweest dat de betreffende zorgverzekeraar de verwijsbrieven en/of behandelplannen en diagnoses van patiënten met een privacyverklaring heeft kunnen opvragen?
Zie antwoord vraag 4.
In welke mate heeft de desbetreffende zorgverzekeraar de verzekerden op de hoogte gebracht? Indien dit niet is gebeurd, gaat dit alsnog gebeuren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat uit het onderzoek van de AP is gebleken dat de andere verzekeringsmaatschappijen de regels niet hebben overtreden?
De overige zorgverzekeraars hebben tegenover de Autoriteit Persoonsgegevens verklaard geen behandelplannen of diagnose-informatie uit verwijsbrieven van verzekerden met een privacyverklaring op te vragen in het kader van de formele controle. Hierover heeft de Autoriteit Persoonsgegevens ook geen signalen ontvangen. Het is duidelijk dat één zorgverzekeraar zich niet aan de regels heeft gehouden. Welke zorgverzekeraar het betreft of waarom deze zorgverzekeraar zo heeft gehandeld, is ook mij niet bekend.
Hoe is het mogelijk dat de verwijsbrief en/of diagnoses en behandelplannen van ggz-patiënten met een privacyverklaring toch naar de desbetreffende zorgverzekeraar zijn gegaan?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om zorgverzekeraars sancties op te leggen?
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft sinds 1 januari 2016 de bevoegdheid om boetes op te leggen. Ten tijde van de overtreding had de Autoriteit Persoonsgegevens alleen de mogelijkheid reparatoire sancties op te leggen, zoals een last onder dwangsom. Omdat de zorgverzekeraar de overtreding heeft beëindigd, is daarvan geen sprake geweest.
Heeft de desbetreffende zorgverzekeraar sancties opgelegd gekregen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe zal het toezicht eruit gaan zien wanneer de AP optreedt als er aanwijzingen zijn dat de wet wordt overtreden en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toezicht zal houden op de uitvoering van rechtmatigheidscontroles door zorgverzekeraars? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Persoonsgegevens hebben een convenant gesloten waarin samenwerkingsafspraken zijn vastgelegd. Er vindt regelmatig overleg plaats over onderwerpen die het toezichtdomein van beide toezichthouders raken. Over onderhavig onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft ook afstemming plaatsgevonden.
Het toezicht van de NZa richt zich onder meer op de mate waarin zorgverzekeraars controles uitvoeren en de manier waarop zij daarbij de privacywaarborgen in acht nemen. In een samenvattend rapport publiceert de NZa jaarlijks over de onderzoeksresultaten op dit terrein. De naleving van privacyvoorschriften door zorgverzekeraars komt daarnaast in 2016 aan de orde in een specifiek thematisch onderzoek, waarvan de resultaten dit voorjaar worden verwacht. Zodra de NZa het onderzoeksrapport publiceert, zal ik het met mijn reactie naar Uw Kamer sturen.
Of er vanuit de NZa maatregelen nodig zijn, zal uit voornoemd onderzoek blijken. Zorgverzekeraars zijn in geval op de hoogte van de geldende regels. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft alle zorgverzekeraars hierop door middel van een brief gewezen. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft hiervan een afschrift ontvangen. In deze brief staat verder dat de Autoriteit Persoonsgegevens bij nieuwe signalen opnieuw tot onderzoek overgaat. Zij heeft het geldende juridisch kader bovendien via een persbericht en informatie op de website onder de aandacht gebracht van zorgverzekeraars, zorgaanbieders en verzekerden.
In welke mate gaat de NZa de komende tijd toezicht houden op de uitvoering van rechtmatigheidscontroles door zorgverzekeraars?
Zie antwoord vraag 12.
Welke maatregelen zijn er genomen, zodat zorgverzekeraars zich in de toekomst zullen houden aan het geldende juridisch kader?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht ‘Luchtkwaliteit in gevaar door 130 kilometer per uur’ |
|
Jan Vos (PvdA), Duco Hoogland (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Luchtkwaliteit in gevaar door 130 kilometer per uur»?1
Ja.
Was u toen u het besluit nam om op meerdere snelwegen de maximumsnelheid naar 130 kilometer per uur te verhogen op de hoogte van de kritiek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) ten aanzien van de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit? Zo ja, wat heeft u met die kritiek gedaan? Zo nee, onderneemt u alsnog acties vanwege de kritiek?
Vanuit mijn Ministerie is er vanuit de bestaande taakverdeling regelmatig contact met zowel het RIVM als TNO. Een specifieke reactie van het RIVM op de ontwerp verkeersbesluiten in de periode tot het definitieve besluit is niet ter sprake gekomen.
In de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit (RbL2007) is vastgelegd hoe de luchtkwaliteit te meten, berekenen en beoordelen. De Rbl2007 is in overeenstemming met de toepasselijke Europese regelgeving op dit gebied. Het RIVM beheert en valideert het luchtmodel, maakt en onderhoudt de Rekentool alsmede de Monitoringstool die gebruikt worden voor het NSL en waarborgt dat deze voldoen aan de RbL2007. Ingenieursbureau Tauw heeft in opdracht van RWS van deze instrumenten gebruik gemaakt. De gevolgde methodiek inclusief de bijbehorende onzekerheidsmarges is een door de Raad van State geaccepteerde werkwijze.
Bij onderzoek naar de verwachte luchtkwaliteit in de toekomst moet gebruik worden gemaakt van modellen. In het artikel wordt gewezen op bepaalde generieke onzekerheden die inherent zijn aan het gebruik van modellen.
De berekende concentraties in de 130 km/h-onderzoeken zijn zodanig dat ook rekening houdend met bovengenoemde onzekerheden er een beheersbaar risico is op een eventuele overschrijding.
In de jaarlijkse NSL-monitor wordt getoetst of de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden overschreden. Met deze jaarlijkse monitoring wordt een vinger aan de pols gehouden zodat, indien noodzakelijk, tijdig maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid met zowel het RIVM als de TNO in gesprek te gaan om tot eenduidig oordeel te komen over de gevolgen van de snelheidsverhoging voor de luchtkwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat verklaart het verschil in opvatting tussen het ingenieursbureau Tauw en het RIVM over het voldoen aan de norm voor stikstofdioxide (NO2)? Hoe kan het dat Tauw tot een andere conclusie komt dan het RIVM, terwijl Tauw zich op de modellen van het RIVM baseert?
Zie antwoord vraag 2.
Waardoor worden de onzekerheden in de data waarmee het RIVM moet rekenen veroorzaakt? Is het waar dat slechts één van de meetpunten van het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit zich bevindt bij een traject waarvoor nu de snelheid wordt verhoogd? Houdt dit enig verband met de onzekerheden waarover het RIVM spreekt?
De onzekerheden bevinden zich in de invoergegevens, zoals de uitstoot van het verkeer en de achtergrondconcentraties (bijdrage van alle andere bronnen). In de RBL 2007 is voorgeschreven welke invoergegevens gebruikt moeten worden bij de beoordeling van de luchtkwaliteit. Deze invoergegevens worden jaarlijks met de nieuwste inzichten geactualiseerd door RIVM en TNO. Hiermee wordt gezorgd voor uniformiteit in de wijze van luchtonderzoek en geborgd dat iedereen rekent met actuele en goed onderbouwde data.
De locatie of het aantal meetstations bij trajecten waar de snelheid wordt verhoogd, houdt geen verband met de onzekerheden waarover het RIVM spreekt. De toegepaste rekenmodellen voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn gevalideerd voor wegen, waaronder snelwegtrajecten, en de effecten van de geldende maximumsnelheden zijn meegenomen in de berekende emissies.
In hoeverre is bij de verhoging van de maximumsnelheid uitgegaan van een lagere uitstoot van dieselauto’s? Is er inderdaad, zoals de TNO beweert, sprake van een «risico voor de toekomst»? Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere stelling dat bij besluiten over maximumsnelheden altijd praktijkmetingen worden gebruikt, en niet de theoretische laboratoriumtests?
Om de effecten op luchtkwaliteit ten gevolge van de snelheidsverhoging inzichtelijk te maken is uitgegaan van wettelijk voorgeschreven emissiefactoren die zijn opgesteld door TNO. Deze emissiefactoren worden afgeleid van emissiemetingen onder praktijkomstandigheden bij verschillende snelheden, ook op wegen met een snelheidslimiet van 130 km/h. Voor voertuigtypes waarvan nog geen praktijkemissies gemeten kunnen worden, wordt door TNO een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de emissies in de praktijk.
Ondanks de tegenvallende praktijkemissies voor dieselvoertuigen is er al jaren lang sprake van een autonome verschoning van het totale wagenpark als geheel en is de huidige verwachting dat deze zich blijft voortzetten. In opdracht van mijn ministerie actualiseert TNO jaarlijks de emissiefactoren voor het wegverkeer. Daarbij worden de nieuwste inzichten en resultaten van praktijkmetingen meegenomen. In de NSL monitoring en bij luchtonderzoeken voor verkeersbesluiten en projecten wordt gerekend met de meest recente emissiefactoren. Dit waarborgt dat de effecten van eventuele toekomstige tegenvallers vroegtijdig zichtbaar worden en waar nodig maatregelen kunnen worden getroffen in het kader van het NSL.
In hoeverre is gebruik gemaakt van modellen waarin prognoses zijn verwerkt over hoeveel verkeer er na 2015 zal rijden? Is het waar dat in de modellen geen rekening is gehouden met economische groei (en de daarmee gepaard gaande files en hogere uitstoot)? Zo ja, waarom niet?
Nee, om de effecten van de snelheidsverhoging te berekenen is de omvang van het verkeer voor 2016 bepaald door het verkeer op het betreffende wegvak in 2014 te verhogen met de KIM trendprognose met daarbovenop een extra opslag als zekerheidsmarge. Deze trendprognose van het KIM gaat uit van economische groei en daarmee een groei van het verkeer op de Rijkswegen van 9,6% in de periode 2015–2020. De extra verkeersgroei (extra opslag) bedraagt 0,5% per jaar.
In hoeverre is de brandstofprijs verdisconteerd in de berekeningen? Zijn er, gezien de historische lage prijs voor olie, risico’s dat als gevolg hiervan de normen voor luchtkwaliteit toch overschreden worden?
In de trendprognose zijn geen expliciete veranderingen in de brandstofprijzen verdisconteerd. Hierdoor zal de omvang van het verkeer iets toenemen. Het risico op normoverschrijding van de luchtkwaliteit acht ik beheersbaar omdat er een extra opslag op de verkeersprognose wordt gehanteerd en ook daarmee alle berekende waarden nog steeds meer dan 2 µg/m3onder de wettelijke norm liggen.
Is er op enigerlei wijze rekening gehouden met het door de TNO benoemde effect dat als gevolg van de langere trajecten waar 130 kilometer per uur mag worden gereden, automobilisten nu over dat hele traject harder gaan rijden, waar zij tot voorheen er vaak voor kozen de snelheid niet aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Uit de experimenten, voorafgaand aan de landelijke invoering van 130 km/h, blijkt dat een verhoging van de maximumsnelheid van 120 km/h naar 130 km/h resulteert in een stijging van de gemiddeld rijsnelheid van 2–3 km/h. Deze waarde is in overeenstemming met internationale waarnemingen van effecten van snelheidsverhoging. Steekproefmetingen van Rijkswaterstaat sinds de landelijke introductie van 130 km/h wijzen uit dat er geen sprake is van een verdere stijging van de gemiddelde snelheid dan gemeten bij de experimenten.
Daarnaast worden de emissiefactoren voor het verkeer bij 130 km/h vastgesteld met behulp van praktijkmetingen van TNO op basis van ritprofielen waarmee geborgd is dat veranderingen in verkeersgedrag worden meegenomen in de berekende emissies.
Op welke wijze vindt de jaarlijkse monitoring plaats? Zijn het RIVM en de TNO bij deze monitoring betrokken? Hoeveel meetpunten bevinden zich langs de trajecten waar de snelheid nu verhoogd wordt? Acht u dit aantal afdoende voor een goede monitoring?
In 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de rijksoverheid en de decentrale overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren zodat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) voldoet. In 2014 is het NSL verlengd tot en met 31 december 2016. De monitoring van het NSL wordt uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Kenniscentrum InfoMil. Centraal onderdeel van de monitoring is een rekeninstrument waarvoor de verantwoordelijke overheden de invoergegevens aanleveren. Het RIVM voegt de daaruit voortvloeiende rekenresultaten samen in de NSL monitoring rapportage. Kenniscentrum InfoMil brengt de voortgang van maatregelen en projecten van de lokale overheden in beeld.
De monitoring van het NSL vindt jaarlijks plaats. De prognoses kunnen per jaar verschillen door de voortgang van maatregelen en wijzigingen in de generieke gegevens, lokale gegevens en de locaties van de rekenpunten.
Er is 1 meetpunt direct langs een snelwegtraject (Breukelen) waar de maximumsnelheid (»s avonds en ‘s nachts) 130 km/h bedraagt. Het RIVM geeft aan dat voor de schatting van de generieke onzekerheden in luchtkwaliteitsberekeningen het niet wezenlijk uitmaakt dat er maar één meetpunt direct langs een 130 km/h weg is en dat het systeem van modelberekeningen en metingen een goed gedetailleerd inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit geeft. Ik heb vertrouwen in de methodiek van het RIVM en wil ook niet treden in het werk van het RIVM, als onafhankelijk wetenschappelijk instituut.
In december 2015 besloot u mede vanwege ingediende zienswijzen af te zien van verhoging van de snelheid op de A20 tussen Rotterdam en Moordrecht; hebben zienswijzen die zijn ingediend voor andere trajecten nog invloed gehad op uw besluit om de maximumsnelheid te verhogen naar 130 kilometer per uur? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De zienswijzen die zijn ingediend op de meest recente verhogingen van februari 2016 zijn door mij beoordeeld. In een aantal gevallen heeft dit geleid tot kleine aanpassingen van de afbakening (het begin of einde) van de trajecten om deze goed aan te laten sluiten bij aangrenzende trajecten. In het geval van de A27 bij Oosterhout heeft dit geresulteerd in een lokale continuering van de bestaande 120 km/h over een lengte van 3 km vanwege verkeersveiligheidsoverwegingen.
Voor andere trajecten bestaat geen aanleiding om af te zien van snelheidsverhoging omdat wordt voldaan aan de randvoorwaarden van veiligheid, natuur en milieu.
Het bericht ‘Werkdruk leidt tot ontsporen van crimefighter’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) dat geïnvesteerd moet worden in het Openbaar Ministerie (OM) om ervoor te zorgen dat talentvolle en goede officieren niet worden opgebrand?1
Het OM vindt het belangrijk dat medewerkers met energie en een gezonde balans hun werk doen en voert daarom actief beleid gericht op het voorkomen van verzuim. Van medewerkers en leidinggevenden wordt verwacht dat zij in gesprek gaan over de aanleiding voor het verzuim. Als die aanleiding niet ligt in ziekte, dan kunnen in overleg maatregelen worden genomen om de oorzaak van het verzuim weg te nemen, zoals het verminderen van de werkdruk door het beperken van het takenpakket. De bedrijfsarts adviseert de leidinggevende hierbij.
Het uitgangspunt van de rijksbrede efficiencytaakstelling is dat het OM op het bestaande kwaliteits- en serviceniveau blijft functioneren. Uit een validatie door een onafhankelijk deskundige is gebleken dat het OM op koers ligt om de rijksbrede efficiencytaakstelling van het kabinet zonder extra middelen te realiseren2. In z’n algemeenheid deel ik dan ook niet de conclusie dat er een directe relatie is tussen de efficiencytaakstelling, het takenpakket en de werkdruk bij officieren.
Omdat het kabinet hecht aan een toekomstgericht OM dat – naast het behalen van benodigde efficiencywinsten – de ruimte heeft om te investeren in ICT om de huidige werkprocessen en het kwaliteits- en serviceniveau een stevige impuls te geven, stelt het kabinet vanaf 2016 structureel 15 mln. beschikbaar aan het OM. Voor extra taken heeft het OM structureel extra middelen ontvangen. Het gaat hier om de aanpak van onderwerpen met een internationale dimensie (€ 5 mln. in 2015 oplopend tot € 20 mln. structureel vanaf 2017) en contraterrorisme (€ 0,8 mln. in 2016 oplopend tot € 2,1 mln. structureel vanaf 2018).
Voor extra taken zijn dus al extra middelen beschikbaar gesteld. Extra investeringen om ervoor te zorgen dat talentvolle goede officieren niet opbranden zijn mijns inziens dan ook niet nodig. Als er een relatie is tussen het takenpakket van een officier en verzuim kunnen er dus, zoals hierboven aangegeven, al maatregelen worden genomen.
Deelt u de analyse dat, behalve de zware criminaliteit waarmee officieren van justitie te maken krijgen, ook de toegenomen bezuinigingen de afgelopen jaren en een groeiend takenpakket de oorzaken zijn van grote werkdruk onder officieren van justitie?
Zie antwoord vraag 1.
Welke bestaande mogelijkheden zijn er om officieren van justitie te begeleiden indien zij onder grote werkdruk komen te staan? Zijn deze mogelijkheden volgens u afdoende en/of is verder onderzoek hiernaar noodzakelijk?
In het kader van verschillende opleidingstrajecten van officieren van justitie wordt onder meer aandacht gegeven aan de emotionele impact die het werk als officier van justitie kan hebben op zowel de werk- als de privésituatie. Officieren worden nadrukkelijk erop gewezen problemen met betrekking tot werkdruk etc. te bespreken met hun teamleider en de parketleiding. Van professionals mag ook worden verwacht dat zij tijdig aan de bel trekken als dit nodig is bij problemen met betrekking tot werkdruk. Ook aan de leidinggevenden bij het OM wordt gevraagd oog te hebben voor de problemen die kunnen ontstaan door de behandeling van (bepaalde) strafzaken dan wel door de grote werkdruk bij officieren van justitie.
Voor officieren van justitie bestaan diverse mogelijkheden voor het krijgen van ondersteuning en begeleiding bij hun werkzaamheden, bijvoorbeeld door contacten met vakgenoten en door middel van intervisie. Ook kunnen zij een beroep doen op hulpverlening door het Instituut voor Psychotrauma. Daarnaast kan – indien daartoe aanleiding bestaat – een beroep worden gedaan op individuele coaching.
Het OM is ook bezig met de verdere verbetering van de begeleiding. In de P(ersoneels)-gesprekken zal in de toekomst nog nadrukkelijker de emotionele impact die het werk als officier van justitie kan hebben, aan de orde worden gesteld en gestuurd worden op toepassing van mogelijkheden die voorhanden zijn. Ook zal in specifieke zaken waarin het afbreukrisico groot is, meer gebruik worden gemaakt van individuele en groepsgerichte briefing en debriefing. Het OM heeft verder in de assessments die worden ingezet voor instroom en doorstroom naar de diverse officiersfuncties het risico van «ontsporen» opgenomen. Het betreft psychologisch onderzoek naar intrapersoonlijke en interpersoonlijke vaardigheden, ter inschatting van potentiële risico's als de (werk)druk te hoog wordt. Met de uitkomsten daarvan kan gestuurd worden om eventuele risico's te minimaliseren.
Bent u van mening dat binnen het OM verbetering nodig is om de cultuur waarin officieren zich veilig voelen om hulp of begeleiding te vragen, te verbeteren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn u meer gevallen bekend in de afgelopen vijf jaren waarin onderzoek is ingesteld door het landelijk parket naar officieren van justitie wegens het mogelijk plegen van strafbare feiten? Zo ja, in hoeverre speelde in deze gevallen ook mee de grote en toenemende werkdruk waardoor de betrokken officieren «uit evenwicht» zijn geraakt?
Ja, door het Landelijk Parket is enkele malen onderzoek gedaan naar mogelijk door officieren van justitie gepleegde strafbare feiten. Daarbij speelde werkdruk van de betrokken officieren – voor zover bekend – geen rol.
Hoe beziet u het betreffende incident in de context van een toename van bedreigingen in Zuid-Nederland aan het adres van een aantal burgemeesters en lokale gezagsdragers? Deelt u de mening dat niet alleen officieren van justitie maar ook burgemeesters en lokale politici beschermd worden in de strijd die zij voeren tegen georganiseerde criminaliteit? Hoe gaat u dit waarborgen?
Het incident waarover in het door u aangehaalde bericht wordt gesproken, staat op zich los van bedreigingen in Zuid-Nederland aan het adres van een aantal burgemeesters en lokale gezagsdragers.
Ik deel de mening dat alle gezagsdragers hun werk moeten kunnen uitvoeren en – indien nodig – beschermd dienen te worden.
Niet alleen officieren van justitie verdienen en krijgen – indien dat noodzakelijk blijkt – bescherming, maar ook burgemeesters en lokale politici kunnen een beroep doen op politie en justitie indien sprake is van strafbare feiten. Daarbij gelden de «Eenduidige Landelijke Afspraken» tussen politie, Openbaar Ministerie (OM) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) over de aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. Ook kunnen in voorkomende gevallen door de overheid beveiligingsmaatregelen worden getroffen binnen het Stelsel Bewaken en Beveiligen als de dreiging daar aanleiding toe geeft.
Daarnaast is ook binnen het Ministerie van BZK volop aandacht voor de veiligheid van lokale bestuurders. Door de ministeries van BZK en van Veiligheid en Justitie, het Nederlandse Genootschap van Burgemeesters, de Wethoudersvereniging, Raadslid.nu en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is de Toolkit Veilig Bestuur ontwikkeld. Deze toolkit biedt onder meer telefoonnummers die politieke ambtsdragers en hun gezinsleden kunnen bellen als ze te maken krijgen met agressie en bedreiging, waar zij 24 uur per dag advies en gespecialiseerde opvang kunnen krijgen. Voor Burgemeesters, wethouders en raadsleden zijn trainingen beschikbaar om hen te leren omgaan met intimidatie en bedreiging. Een stappenplan laat politieke ambtsdragers zien wat zij kunnen doen tijdens en na een incident en biedt hun aanknopingspunten bij het opstellen van beleid om agressie tegen te gaan. De toolkit biedt ook een overzicht van de Eenduidige Landelijke Afspraken tussen politie, OM en BZK.
Wat is de stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek dat het OM is gestart tegen de betrokken officier van justitie?2
Het onderzoek is voortvarend ter hand genomen. Over de stand van zaken van het opsporingsonderzoek kan ik u geen mededelingen doen.
Deelt u de mening dat zorgvuldig, maar ook met enige spoed, dient te worden beoordeeld of overgegaan moet worden tot strafrechtelijk vervolging, gelet ook het belang van de betrokken officier van justitie zelf? Hoe geeft het landelijk parket uitvoering aan deze belangenafweging?
Ja, ik deel die mening. Het OM zal een zorgvuldige afweging maken waarbij alle belangen worden betrokken.
De behandeling van de Mediawet in de Eerste Kamer |
|
Pieter Heerma (CDA), Kees Verhoeven (D66), Jasper van Dijk (SP), Marianne Thieme (PvdD), Henk Krol (50PLUS), Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
In de memorie van antwoord1 aan de Eerste Kamer schrijft u: «De leden van de raad van toezicht van de NOS en van de NTR worden door de Minister van OCW benoemd op voordracht van de NOS respectievelijk NTR zelf. Dat betekent dat de Minister niet zelf de werving doet, maar zich baseert op de voordracht van de raad van toezicht. Ook hier kan de Minister dus niet zelf personen benoemen»; bent u het er mee eens dat hier de indruk gewekt wordt dat er een volstrekt onafhankelijke voordracht gedaan zal worden?
Wat ik met deze tekst heb willen zeggen is dat de Minister niet een voordracht van kandidaten kan doen, maar zich altijd moet baseren op een voordracht van de raad van toezicht van de NOS, respectievelijk de NTR, zelf. Vervolgens neemt de Minister het besluit om al dan niet over te gaan tot een benoeming. Het feit dat de raden van toezicht onafhankelijk zijn in hun voordracht, laat onverlet dat in de praktijk in een vroegtijdig stadium afstemming kan plaatsvinden over de vraag of mogelijke kandidaten op instemming van de Minister zouden kunnen rekenen, alvorens deze mogelijke kandidaten door de raden van toezicht worden benaderd. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Overigens heb ik nadien, in de nadere memorie van antwoord, reeds aangegeven dat ik van mening ben dat de procedures van de benoemingen bij de NOS en de NTR transparanter en duidelijker gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door open werving en selectie op basis van functieprofielen vast te leggen.2 Dit zal worden meegenomen in de serieuze verkenning die ik wil laten uitvoeren naar de procedures voor benoemingen in de mediasector.
Volgens het stenografisch verslag van 2 februari 2016 zei u het volgende: «Er is wel gesproken over kandidaten. Daar heb ik eerlijk gezegd ook iets van gevonden», en even later: « Er is in een eerder stadium aan de hand van een groslijst met mij gesproken door de vicevoorzitter van de raad van toezicht en de bestuurder van de NPO. Er stonden mensen van verschillende politieke kleuren op, maar ik vond die namen om allerlei redenen niet geschikt. Toen heb ik gevraagd of ze hun huiswerk nog een keer wilden doen. Daar is een formele voordracht uit voortgekomen»; klopt het dat er kandidaten waren die lid waren van diverse politieke partijen, maar dat u die ongeschikt vond met uitzondering van de kandidaat die lid was van de VVD?
Deze vraag heeft betrekking op de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NTR. In het debat heb ik per abuis NPO gezegd.
Uw aanname dat ik mogelijke kandidaten ongeschikt vond met uitzondering van een persoon die lid was van de VVD is onjuist. Ik vond álle personen die in dat vroegtijdige stadium met mij werden besproken minder geschikt. Ook de persoon die lid was van de VVD. Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
Mijn antwoorden op de vragen 3 tot en met 6 hebben betrekking op de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NTR. Vanaf vraag 7 hebben de vragen en antwoorden betrekking op de benoeming van de leden van de raad van toezicht van de NPO. Dit zijn trajecten waarvoor verschillende procedures gelden.
Acht u het juist dat u zich in een zeer vroeg stadium nogal nadrukkelijk met de voordracht heeft bemoeid?
Het bespreken van een lijstje mogelijke kandidaten in een vroeg stadium is gebruikelijk, juist om te voorkomen dat kandidaten zijn benaderd en uiteindelijk niet benoembaar blijken te zijn. Het initiatief om een lijst van mogelijke kandidaten met mij te bespreken kwam van de NTR. In het gesprek heb ik onder andere aandacht gevraagd voor de diversiteit binnen de raad van toezicht van de NTR en voor wettelijke incompatibiliteiten. Dat dit gesprek zinvol was, bleek wel uit het feit dat de functie die één van deze personen bekleedde een wettelijk beletsel vormde. Zowel de diversiteit als de incompatibiliteiten zijn objectieve criteria die aansluiten bij de profielschets van de NTR.
Wat moet verstaan worden onder het verzoek «het huiswerk over te doen»?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het gesprek heb ik de raad van toezicht van de NTR gevraagd om verder te zoeken naar mogelijke kandidaten die zouden voldoen aan de criteria uit de profielschets.
Was er bij degenen die de voordracht moesten doen een voorkeur waarin u zich niet kon vinden?
Zoals hiervoor beschreven had ik tijdens de aangehaalde bespreking opmerkingen over de wettelijke benoembaarheid en de diversiteit van de samenstelling van de raad van toezicht van de NTR in relatie tot mogelijke kandidaten. Van een voordracht was in dit stadium nog geen sprake.
Hoe rijmt u dit verloop met het feit dat de Minister niet zelf personen kan benoemen?
Het gesprek over mogelijke kandidaten in een vroeg stadium heeft niets weggenomen van de wettelijke taak van de raad van toezicht om zelf met een voordracht te komen.
Is het waar dat in het gemaakte en door u overgenomen wensprofiel opgenomen was dat deze voorzitter «geen politieke functies bekleden of anderszins politiek actief zijn»? Is het waar dat de benoemde voorzitter lid is of op dat moment was van de commissie die het VVD-verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer schrijft?
Ik stel vast dat deze en de volgende vragen gaan over de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NPO.
Eén van de selectiecriteria voor de raad van toezicht van de NPO uit het profiel dat openbaar is gemaakt, luidt: «Belangstelling en gevoel voor de dynamiek in de (landelijke) politiek zonder zelf politiek actief te zijn.» Daaruit en uit de wettelijk incompatibiliteiten van de Mediawet 2008 volgt dat betrokkene vanaf het moment van het bekleden van het voorzitterschap van de raad van toezicht van de NPO alle politieke en andere functies of activiteiten dient te staken die onverenigbaar zijn met de functie van voorzitter van de raad van toezicht van de NPO. Dat is ook gebeurd: de voorzitter heeft afstand gedaan van zijn lidmaatschap van de verkiezingsprogrammacommissie van de VVD voorafgaand aan de ingangsdatum van zijn benoeming.
Wekt het in de vorige vraag genoemde aspect niet de ongewenste schijn van vriendjespolitiek, gezien het feit dat de benoemde kandidaat VVD-wethouder was in Den Haag ten tijde dat u VVD-fractievoorzitter was?
Ik betreur het beeld dat is ontstaan en vind dat ook niet in overeenstemming met de feitelijke gang van zaken. Dat iemand een politieke voorkeur of kleur heeft, diskwalificeert hem of haar niet voor een eventuele benoeming. Ook het feit dat iemand eerder politieke functies heeft bekleed, maakt hem of haar niet bij voorbaat ongeschikt als lid van de raad van toezicht van de NPO. Integendeel, de profielschets voor de raad van toezicht van de NPO vraagt van kandidaten zelfs belangstelling en gevoel voor de dynamiek in de (landelijke) politiek, zonder zelf politiek actief te zijn. Sinds mijn aantreden ben ik verantwoordelijk geweest voor circa dertig (her)benoemingen op het terrein van cultuur en media. Die benoemingen geven een zeer divers beeld als het gaat om maatschappelijke, culturele en politieke achtergronden. Dat laat onverlet dat benoemingen niet horen plaats te vinden op basis van politieke overwegingen of invloed. En dat is bij de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de NPO ook niet het geval geweest.
De benoemingsadviescommissie is geheel onafhankelijk en op basis van de profielschets tot het oordeel gekomen dat de benoemde voorzitter gezien zijn vaardigheden en competenties de beste kandidaat was. De benoemingsadviescommissie heeft een advies uitgebracht voor de nieuwe leden van de raad van toezicht van de NPO, die divers is in samenstelling en achtergronden. Ik heb het advies integraal gevolgd.
Is het waar dat de toenmalige Raad van Toezicht op 7 december 2015 een brief aan u heeft geschreven waarin de benoeming «ondeugdelijk en een buitengewoon onverstandig besluit» wordt genoemd?
Ja, ik heb een dergelijke brief van de toenmalige raad van toezicht van de NPO ontvangen. Daarin verwoordt de toenmalige raad van toezicht van de NPO de opvatting dat de benoeming van de nieuwe voorzitter zich niet verdraagt met de Mediawet 2008 en dat deze benoeming vanwege de politieke activiteiten van betrokkene niet gebaseerd kan worden op de profielschets. In mijn antwoord op deze brief heb ik langs de lijn van de onderhavige antwoorden aangegeven dat er geen sprake is van strijdigheid met de wet (zie ook het antwoord op vraag 10) en dat de nieuwe voorzitter voorafgaande aan de ingangsdatum van zijn benoeming afstand heeft gedaan van zijn lidmaatschap van de verkiezingsprogrammacommissie van de VVD (zie ook het antwoord op vraag 7).
In deze brief wordt er ook op gewezen dat de benoeming van de heer Bruins tot voorzitter strijdig is met de Mediawet gelet zijn functie bestuursvoorzitter bij het UWV; ook in het genoemde debat in de Senaat is hier door vele sprekers op gewezen; artikel 2.6 van de Mediawet luidt: Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met: f. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister»; dezelfde bepaling is opgenomen in de Statuten van de NPO; bent u het er mee eens dat deze bepaling de benoeming onmogelijk maakt of bij twijfel in elk geval sterk ongewenst? Bent u bereid bereid deze benoeming ongedaan te maken en een nieuwe procedure te starten?
Het antwoord op beide hier gestelde vragen is: nee. Zoals ik eerder ook al in het debat met de Eerste Kamer heb aangegeven, valt een functie bij een zelfstandig bestuursorgaan niet onder de onverenigbaarheid die de leden uit de Mediawet 2008 citeren. Artikel 2.6, eerste lid, onderdeel f, van de Mediawet 2008 kent een gebruikelijke en vergelijkbare formulering als in andere wetten. Belangrijkste voorbeeld daarbij is de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement (artikel 1, tweede lid, onderdeel d). Uit die wet volgt dat alleen sprake is van een onder de verantwoordelijkheid van een Minister werkzame instelling, dienst of bedrijf, indien:
Zelfstandige bestuursorganen vallen hier niet onder, hetgeen uitdrukkelijk in de wetsgeschiedenis is opgemerkt:
«Niet tot instellingen, diensten en bedrijven in eerder vermelde zin worden die instanties gerekend, die hun taken niet in hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister vervullen: de organen van functioneel bestuur. Bij deze organen kan worden onderscheiden tussen de in de Grondwet geregelde vormen van functioneel bestuur (waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen) en de zgn. «zelfstandige bestuursorganen». Deze oefenen hun taak uit zonder dat er sprake is van een hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister.»3 Dit wordt bevestigd door het feit dat bijvoorbeeld bij het Commissariaat voor de Media in artikel 7.4 van de Mediawet 2008, waar een identieke regeling is opgenomen, de NPO apart is uitgezonderd. Dat ware niet nodig geweest als de NPO, immers ook een zelfstandig bestuursorgaan, al onder de algemene omschrijving «vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister» zou vallen. Hetzelfde geldt bij de regeling voor het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek in artikel 8.5 van de Mediawet 2008.
Verder is het zo dat bij bestuursleden van zelfstandige bestuursorganen geen sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Mediawet 2008. Zo valt het personeel van zelfstandige bestuursorganen onder dezelfde bezoldiging- en rechtspositieregels als ambtenaren bij ministeries (artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), terwijl voor leden van een zelfstandig bestuursorgaan een zelfstandige bezoldiging en rechtspositie wordt vastgesteld (artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).
Tot slot merk ik op dat tot 1 januari 2016 een voormalig lid van de raad van toezicht van de NPO tevens bijzonder lid van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid was. De Onderzoeksraad is een zelfstandig bestuursorgaan dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit bevestigt dat het lidmaatschap van een zelfstandig bestuursorgaan te verenigen is met het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO.
Bent u bereid de vragen te beantwoorden ruim vóór 1 maart aanstaande, aangezien de Eerste Kamer op die datum het Mediadebat voortzet?
Ja.
Het mogelijk strafbaar stellen van vrijwilligerswerk ten behoeve van asielzoekers op Griekse eilanden |
|
Attje Kuiken (PvdA), Marit Maij (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over het uitgelekte rapport van de Raad van Europa en de Europese Commissie over het mogelijk strafbaar stellen van mensen die asielzoekers helpen op de Griekse eilanden?1
Ja.
Was u op de hoogte van dit uitgelekte rapport van de Europese Commissie? Zo nee, bent u bereid om opheldering te vragen bij de Europese Commissie over de juistheid van dit bericht?
Het uitgelekte document betreft de voorlopige Raadsconclusies inzake mensensmokkel. Een eerste bespreking van de concept Raadsconclusies heeft plaatsgevonden in de Radengroep Justitie en Binnenlandse Zaken van 27 januari, 1 februari en 9 februari jl. Aanname van de Raadsconclusies is voorzien voor de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 10-11 maart 2016. Het doel van de Raadsconclusies is om de samenwerking tussen de EU lidstaten met de EU agentschappen en met derde landen te versterken. Er zijn hierin geen voorstellen voor nieuwe wetgeving opgenomen. Het verwijt dat de Raadsconclusies inzake mensensmokkel tot criminalisering van NGO’s en vrijwilligers leidt is onjuist. De conclusies benadrukken juist het belang van samenwerking tussen lidstaten en NGO’s en vrijwilligers die uit humanitaire overwegingen hulp bieden aan vluchtelingen. Nederland steunt deze boodschap volledig.
Welk voorstel betreft dit precies en wat staat er exact in waardoor het gevaar dreigt dat non-gouvernementele organisaties (NGO’s) en vrijwilligers gecriminaliseerd worden? Kunt u vertellen wat de status is van het voorstel en welke positie Nederland daarin inneemt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat – hoewel de bestrijding van mensensmokkel erg belangrijk is – het voorstel om vrijwilligers en non-gouvernementele organisaties (NGO’s), die asielzoekers aan de Griekse kust proberen te helpen, strafbaar te stellen absoluut onacceptabel is?
Uit de Raadsconclusies mensensmokkel blijkt op geen enkele wijze dat vrijwilligers en NGO’s die uit humanitaire overwegingen hulp bieden aan vluchtelingen strafbaar worden gesteld. Hulp van vrijwilligers wordt daarentegen juist zeer gewaardeerd. Om misverstanden over de motieven van de betrokken personen bij reddingsoperaties te vermijden, is samenwerking met de autoriteiten van groot belang. Mensen die uit humanitaire overwegingen proberen vluchtelingen te redden van de verdrinkingsdood en die als zodanig bekend zijn bij en meewerken met de autoriteiten ter plaatse worden niet vervolgd.
Deelt u de mening dat er een schijnverband wordt gecreëerd door de Raad van Europa en de Europese Commissie door het strafbaar stellen van NGO’s, lokale inwoners en vrijwilligers te linken aan het bestrijden van mensensmokkelaars?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om actie te ondernemen om het criminaliseren van humanitaire hulpverlening tegen te gaan? Vindt u het onwenselijk als lidstaten afzonderlijk kunnen besluiten om vrijwilligers strafbaar te stellen?
De voorliggende Raadsconclusies mensensmokkel criminaliseren humanitaire hulpverlening niet. Aanvullende actie om het criminaliseren van humanitaire hulpverlening tegen te gaan is niet nodig. Het huidige Europeesrechtelijke kader dat strafbaarstelling van mensensmokkel reguleert volstaat. De toepasselijke richtlijn laat lidstaten toe om een uitzonderingsclausule in de wetgeving op te nemen die er voor zorgt dat humanitaire hulpverlening niet onder mensensmokkel valt. De manier waarop invulling wordt gegeven aan deze clausule is aan de individuele lidstaten zelf.
Het bericht Turkse journalisten bedreigd met levenslang vanwege 'Adana-gate' |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving1 dat het Turkse Openbaar Ministerie levenslange gevangenisstraffen eist tegen twee journalisten vanwege het onthullen van wapentransporten door de Turkse geheime dienst naar jihadisten in Syrië?
Ja. Het kabinet heeft over deze zaak ook al vragen beantwoord van de leden Van Bommel, Maij en Yucel op 9 februari 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1473 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1474)
Klopt het dat hoofdredacteur Can Dündar en redacteur Erdem Gül van de krant Cumhuriyet worden vervolgd voor spionage, poging tot omverwerping van de regering en steun aan een terroristische organisatie? Hebben zij kennis kunnen nemen van de aanklachten tegen hen?
Ja.
Klopt het dat beide journalisten, indien veroordeeld, een strenger regime opgelegd krijgen met zwaardere omstandigheden en beperktere vrijetijdsbesteding in de gevangenis?2
Op de aanklachten «spionage» en «omverwerping van de regering» staat volgens het Turkse strafrecht «verzwaard levenslang». Bij dit vonnis hoort een strenger gevangenisregime. Dit zal voor beide journalisten gelden indien zij op deze punten schuldig worden bevonden.
Hoe beoordeelt u het protest van 11 vooraanstaande organisaties3 die opkomen voor de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting? Deelt u hun zorgen over de toenemende autoritaire trend in Turkije?
Nederland en de EU hechten aan vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in Turkije. Dat is een punt waarop Turkije stevige verbetering moet laten zien. Nederland brengt dit telkens weer op, bilateraal en in EU-verband, in contacten met Turkije. Het kabinet onderstreept dat iedereen het recht heeft op een eerlijk en transparant proces.
De rechter zal zich moeten uitspreken, maar wat het kabinet betreft is dit een buitengewoon forse aanklacht. Beide journalisten worden beschuldigd van het samenzweren tegen de regering, lidmaatschap van een terroristische organisatie en militaire spionage vanwege hun berichtgeving over een rechtszaak betreffende vermeende wapentransporten van de Turkse veiligheidsdienst naar strijdende partijen in Syrië. Voor deze aanklachten hanteert Turkije zijn strenge terrorismewetgeving.
Het kabinet is er verheugd over dat beide journalisten voorlopig vrij zijn gelaten nadat het grondwettelijk hof op 25 februari oordeelde dat hun fundamenteel recht op uitoefening van journalistiek werk en van vrijheid geschonden waren.
Is het waar dat deze organisaties en andere journalisten Can Dündar en Erdem Gül niet mogen bezoeken in de gevangenis? Acht u dit strenge regime in strijd met de mensenrechten?
Volgens artikel 9 van de «by-law» die gevangenisbezoek reguleert, kunnen alleen familieleden en advocaten gevangenen bezoeken. Er is in het geval van beide journalisten wat dit betreft dan ook geen sprake van een strenger regime dan dat geldt voor andere gevangenen.
Deelt u de opvatting van Human Rights dat Can Dündar en Erdem Gül met het publiceren van foto’s van trucks vol wapens en munitie hun werk deden als journalisten, en niets meer dan dat?
Het kabinet onderschrijft het standpunt van Commissaris Hahn over de aanklacht. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u de aanklachten proportioneel?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u net als Eurocommissaris voor Uitbreiding Hahn geschokt door deze vervolging?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting4 dat Can Dündar en Erdem Gül zijn uitgegroeid tot symbolen van de toenemende onderdrukking van de media door de Turkse regering?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de statements van de Amerikaanse vicepresident Biden bij diens bezoek aan Turkije, waaronder een ontmoeting met de vrouw van Can Dündar, als steunbetuiging aan beide journalisten? Bent u bereid tot een soortgelijk, publiekelijk statement namens Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 6, 7 en 8.
Bent u bereid deze kwestie en de ernstig bedreigde persvrijheid in Turkije in het algemeen te adresseren in de EU en tot actie op te roepen om de journalisten onmiddellijk vrij te laten?
Zie het antwoord op vraag 4
Hoe geloofwaardig vindt u de eerdere uitleg van de Turkse regering over de trucks vol wapens en munitie waarover Cumhuriyet gepubliceerd heeft, namelijk dat deze hulpgoederen zouden vervoeren naar Turkmenen in Syrië? Hoe kan het vervoeren van hulpgoederen een staatsgeheim zijn en tot deze vervolging journalisten leiden?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over mogelijke steun vanuit Turks grondgebied aan jihadisten in Syrië en Irak. Het kabinet is ook bekend met de van het Kamerlid Omtzigt (CDA) ontvangen documenten waaruit zou blijken dat er Turkse trucks begin 2.014 jaar met wapens naar Syrië zijn gereden. Zoals toen ook aan uw Kamer gemeld, kan uit de genoemde documenten geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de eindbestemming van de wapens.
Hoe beoordeelt u het dat Turkije in deze zaak, «Adana-gate», niet alleen tegen journalisten optreedt die erover publiceerden, maar ook tegen officieren van justitie en gendarmeries die destijds verantwoordelijk waren voor het aanhouden en doorzoeken van de trucks?
Zie antwoord vraag 12.
Herinnert u zich de geheime documenten over «Adana-gate» die het kabinet eerder uit de Kamer kreeg aangereikt?5 Vindt u het, ook basis van dit bewijsmateriaal, aannemelijk dat Cumhuriyet de waarheid gepubliceerd heeft?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid met dit bewijsmateriaal en de nieuwe, ernstige ontwikkelingen in «Adana-gate» opheldering te vragen bij Turkije en te pleiten voor onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft op dit punt bij zijn standpunt zoals vervat in eerdere antwoorden op vragen hiernaar: het kabinet ziet geen noodzaak voor een onafhankelijk internationaal onderzoek.
Aangezien u in uw brief over intensivering van de strijd tegen ISIS d.d. 29 januari jl. openlijk heeft toegegeven dat Turkije de gewapende Syrische oppositie steunt, bent u nu wel voorstander van een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze steun? Zo nee, waarom niet?
De implicatie dat Turkije jihadisten steunt is niet te baseren op de vaststelling in de brief van 29 januari 2016 dat de gewapende Syrische oppositie gesteund wordt door enkele Golfstaten en Turkije en Jordanië.
Vindt u steun aan jihadisten in Syrië passen bij een NAVO-bondgenoot? Waarom wel/niet?
Zie antwoord vraag 16.
Het gebrek aan autoafzetplaatsen langs de Rijn in Duitsland |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Autosteigers langs de Rijn: hot item!», alsook de open brief van de Binnenvaartkrant aan de directeur van het Bundesanstalt für Wasserbau (BAW)?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de strekking van het artikel en de open brief, waarin uiteengezet wordt dat het steeds verder toenemende tekort aan autoafzetplaatsen voor de binnenvaart problemen met zich brengt voor de veiligheid aan boord, bemanningswisselingen, alsook het tijdig bedienen van bedrijven langs de Rijn?
Als de sector een toenemend tekort aan autoafzetplaatsen in Duitsland constateert, is het goed dat men zich tot de betreffende autoriteiten richt en met concrete voorbeelden komt.
In de Europese TEN-corridorstudies zijn geen specifieke Duitse ligplaatsknelpunten op de Rijn aangegeven, afgezien van Lobith op de Nederlands-Duitse grens. Navraag bij het Duitse ministerie leert dat men zich bewust is van het probleem.
Deelt u de mening dat het ontbreken van voldoende autoafzetplaatsen langs het Duitse deel van de Rijn de Nederlandse binnenvaart schade toebrengt, temeer daar veel Nederlandse binnenvaartschepen van de Rijn gebruikmaken?
Ik deel het belang van voldoende autoafzetplaatsen en ligplaatsen en pak geconstateerde ligplaatstekorten in Nederland in het MIRT aan.
Een tekort aan autoafzetplaatsen kan, zoals ook aangegeven in de open brief, voor bemanningswisseling of om sociale redenen een belemmering vormen voor de binnenvaart.
Bent u bereid om in overleg te treden met het BAW over het in het artikel geschetste probleem? Zo nee, waarom niet?
De aanleg van autoafzetplaatsen en ligplaatsen betreft een zaak van de Duitse deelstaten (de zgn. Länder) voor zo ver het plaatsen in binnenhavens betreft, en van de federale overheid als het om plaatsen daarbuiten gaat. Ik heb naar aanleiding van uw vragen de kwestie aan de orde gesteld in mijn reguliere contacten met de Duitse federale overheid. Men heeft mij meegedeeld dat er een programma loopt ter uitbreiding van het aantal ligplaatsen. Echter, de aanleg van dergelijke voorzieningen stuit vaak op bezwaren van omwonenden en gaat daarom langzamer dan gepland. Ik heb mijn contactpersoon bij de federale overheid ook gevraagd de signalen door te geleiden naar de verantwoordelijke regionale autoriteiten.
Daarnaast verwacht ik dat de binnenvaartsector het gesignaleerde tekort aan ligplaatsen ook zelf via de internationale binnenvaartbrancheorganisaties in Duitsland en bij de Europese Commissie in Brussel laat horen.
Voor wat betreft de in de ingezonden brief genoemde concrete locaties waar ligplaatstekorten zich voordoen, dient de sector zich te richten tot de betrokken Länder.
Welke andere mogelijkheden heeft u internationaal gezien om invloed uit te oefenen op Duitsland, teneinde tot meer autoafzetplaatsen voor Nederlandse binnenvaartschippers te komen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om er in internationaal verband voor te pleiten dat de wal op meer plaatsen langs de Rijn multimodaal toegankelijk wordt, waardoor ook de wisselwerking tussen het weg- en watertransport wordt gestimuleerd?
In internationaal verband wordt een multimodale corridoraanpak nagestreefd in TEN-T, waarbij ook aandacht is voor openbare binnenhavens. Ik ondersteun deze benadering en mijn nationale en internationale inzet sluit hier dan ook op aan.
Ik zal het belang van voldoende autoafzetplaatsen en ligplaatsen langs de Rijn in de CCR en de EU naar voren brengen.
De toegankelijkheid van kades en binnenhavens is primair wel een zaak voor gemeente en private eigenaren.
Bent u bereid om met de Nederlandse binnenvaartsector in overleg te treden en kennis te nemen van de zorgen en eventuele oplossingen met betrekking tot dit probleem? Zo nee, waarom niet?
Ik heb regelmatig overleg met de brancheorganisaties, op bestuurlijk niveau, maar ook in reguliere overleggen als het OTNB (waarin onder andere de CCR-vergaderingen voorbesproken worden). Het staat de organisaties uiteraard vrij om ook dit punt op te brengen.
Verder is het aan de binnenvaartsector zelf om het tekort aan autoafzetplaatsen helder te maken en via de internationale binnenvaartvertegenwoordigers bij de Duitse overheid onder de aandacht te brengen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende Algemeen overleg Scheepvaart?
Ja.
Basisartsen die met een ‘spoedcursus’ bedrijfsarts kunnen worden |
|
John Kerstens (PvdA), Grace Tanamal (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kritiek op «spoedcursus» bedrijfsarts»?1
Ja.
Klopt het bericht dat Arbobutler werkloze basisartsen een verkorte opleiding bedrijfsarts aanbiedt en vervolgens detacheert? Zo ja, wat vindt u van dit plan van Arbobutler nu deze basisartsen geen officiële bevoegdheden hebben als bedrijfsarts?
Zoals ik aan de Tweede Kamer heb gemeld, dreigt er in de toekomst een tekort te ontstaan aan bedrijfsartsen. Het is dan ook zaak om alle mogelijkheden te verkennen en initiatieven te nemen om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te verhogen. Arbobutler heeft basisartsen in opleiding en heeft het voornemen ze in te zetten in de ziekteverzuimbegeleiding. Het is echter van belang dat wordt voldaan aan de vereisten die gesteld worden aan de kwalificaties, kennis en kunde van de bedrijfsarts. Artikel 14 van de Arbowet verplicht de werkgever zich voor specifieke taken2 te laten bijstaan door een geregistreerd bedrijfsarts. Deze bedrijfsarts wordt na het behalen van de specialistenopleiding ingeschreven in een wettelijk erkend specialistenregister als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
De basisarts heeft niet dezelfde kwalificaties als de geregistreerde bedrijfsarts. Dat betekent dat de werkgever door inzet van een basisarts niet aan zijn verplichtingen voldoet om zich te laten bijstaan door een geregistreerde bedrijfsarts.
Bedrijfsartsen in opleiding dienen als zodanig ingeschreven te staan in het opleidingsregister van de Registratie Commissie Geneeskundig Specialisten (RGS). Dit register kan via contact met de RGS worden benaderd.
In hoeverre is het voor werkgevers duidelijk dat Arbobutler zich richt op verzuimbegeleiding, terwijl geregistreerde bedrijfsartsen een veel grote rol hebben, zoals op het gebied van arbeidsomstandigheden?
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om zich ervan te vergewissen dat de arbodienst of bedrijfsarts voldoet aan de kwaliteitseisen zoals ik in mijn reactie op vraag 2 heb aangegeven. De werkgever kan daarvoor terecht op het Arboportaal3 of via de websites van gecertificeerde arbodiensten en beroepsgroepen in de bedrijfsgezondheidszorg.
Welke concrete initiatieven neemt u of gaat u nemen om de geringe instroom in de bedrijfsartsenopleiding te doorbreken?
Op 27 november 2015 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over mijn voornemens om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te bevorderen4. Ik heb daarin aangegeven, de NVAB, de Organisatie voor Vitaliteit, Activering en Loopbaan (OVAL), de opleiders en alle andere betrokkenen op te roepen om een campagne op te zetten voor het bekender en aantrekkelijker maken van het vak van de bedrijfsarts zodat de instroom in de opleiding toeneemt. Gezien de urgentie heb ik mij bereid verklaart hieraan een bijdrage te verlenen.
In het algemeen overleg van 14 januari 2016 heb ik met de kamer van gedachten gewisseld over het dreigend tekort aan bedrijfsartsen. Ik heb daarin toegezegd dat ik een kwartiermaker/aanjager zal vragen in gesprek te gaan met alle relevante partijen om te komen tot een gedragen voorstel om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te bevorderen.
Het verloren gaan van 45 duizend gezonde levensjaren als gevolg van het VW-schandaal |
|
John Kerstens (PvdA), Duco Hoogland (PvdA), Grace Tanamal (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VW-schandaal kost 45.000 gezonde levensjaren»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusies van de onderzoekers, genoemd in het artikel, dat er 45.000 gezonde levensjaren verloren zijn gegaan door het VW-schandaal?
Nee. We weten sinds lange tijd dat dieselvoertuigen op de weg meer stikstofoxiden uitstoten dan in het laboratorium. Dit is ook meermalen met uw Kamer gedeeld. Dat verschil wordt niet uitsluitend veroorzaakt door fraude, maar bijvoorbeeld ook door andere instellingen van het motormanagement binnen de kaders van de Europese regelgeving. Rekening houdend met deze hogere uitstoot in de praktijk, blijkt dat in Nederland vrijwel overal aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Dit neemt niet weg dat het van belang is om met het oog op de gezondheid de lucht schoner te maken. Dit is ook verwoord in de Kamerbrief over het Actieplan Luchtkwaliteit van 26 november 20152, waarin is aangegeven welke maatregelen als onderdeel van dit Actieplan worden genomen.
Daarnaast maak ik me in Brussel al jarenlang sterk voor verdere verlaging van de emissies van stikstofoxiden. Daarbij wordt ingezet op effectievere emissienormen waarbij auto’s op de weg worden gemeten via de zogenaamde Real Driving Emissions testprocedure.
Wat vindt u ervan dat 45.000 gezonde levensjaren, door bijvoorbeeld het oplopen van longkanker, verloren gaan door deze extra uitstoot van stikstofmonoxide?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit schandaal heeft voor de Nederlandse volksgezondheid?
Het is niet bekend hoeveel de emissie van stikstofoxiden toeneemt als gevolg van de softwarefraude zoals die bij Volkswagen is geconstateerd. Dit neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat de frauduleuze software zo snel mogelijk wordt verwijderd. Hiermee wordt voorkomen dat eventuele gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de fraude blijven voortduren.
Herinnert u zich eerdere vragen met betrekking tot de schadelijkheid van dieselrook voor werknemers?2
Ja.
In hoeverre lopen automonteurs risico’s op een beroepsziekte door het inademen van stikstofmonoxide?
Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten heeft één melding van een beroepsluchtwegaandoening bij een automonteur als gevolg van uitlaatgassen ontvangen. Er zijn nooit meldingen gedaan van beroepsziekten bij automonteurs specifiek als gevolg van stikstofmonoxide. Dat wil niet zeggen dat er geen risico’s mogelijk zijn. Stikstofmonoxide kan aanwezig zijn in dieseluitlaatgassen, evenals andere schadelijke verbrandingsproducten uit motoren, zoals bijvoorbeeld stikstofdioxide en fijnstof. Stikstofmonoxide kan onder meer luchtwegaandoeningen, zoals astma, veroorzaken bij blootstelling boven de wettelijke grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling. Werkgevers moeten er voor zorgen dat de blootstelling beneden die grenswaarde blijft.
Aanbesteding van software |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Protinus IT wint grote gunning EASP2015»?1
Ja.
Wat is het belang, zowel in operationele als strategische zin, van de EASP2015 en vooral van het perceel dat is gewonnen door Protinus IT en Comparex?
De rijksbrede Europese Aanbesteding voor Standaard Programmatuur (EASP) betrof 2 percelen:
De aanbesteding betrof de aanschaf van standaard software (en de daarmee samenhangende werkzaamheden als onderhoud, support, advies en installatie).
VenJ trad op als coördinerende partij, namens de deelnemers uit negen ministeries.
Perceel 1 is gegund aan SoftwareOne en omvat circa € 8 mln.
Perceel 2 is gewonnen door Protinus IT en Comparex Nederland. Dit perceel omvat circa € 32 mln.
Deelt u de mening dat het doorbreken van de leveranciersafhankelijkheid in de ICT voor de overheid van strategisch belang is om grip te krijgen op zowel de kosten als de kwaliteit van de dienstverlening? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Ja. Met de wijze van inkopen op basis van de EASP 2015 overeenkomsten wordt bewerkstelligd dat software-resellers elkaar beconcurreren. Zij bieden vervolgens softwareoplossingen aan. Het gebruik van open standaarden en de mogelijkheid tot aanbieding van open source software is onderdeel van de aanbesteding. Door het gebruik van open standaarden en door de mogelijkheid tot aanbieden van open source software kan de leveranciersafhankelijkheid in de ICT worden beperkt.
Op welke wijze heeft u bij het gunnen van de aanbesteding van het perceel aan Protinus IT en Comparex meegewogen of deze bedrijven geloofwaardig kunnen opereren bij het aanbesteden van open source software? In hoeverre woog u de berichtgeving mee dat beide gegunde partijen niet kunnen wijzen naar succesvolle referenties met betrekking tot Open Source? https://www.computable.nl/artikel/nieuws/wie-gunt-wat/5260495/3152533/fraude-drechtsteden-treft-ook-comparex.html
In de aanbesteding EASP2015 is gevraagd naar kennis en ervaring op het gebied van standaard software (open source software en closed source software). In de aanbesteding is ook beschreven dat bij gelijke geschiktheid geldt dat open source software de voorkeur geniet. In de aanbesteding is gevraagd naar referentieopdrachten op het gebied van open source software. Daarnaast is gevraagd naar een verklaring omtrent het gedrag. Er mocht bij partijen geen sprake zijn van ernstige beroepsfouten. Aanbestedingsrechtelijk is het niet mogelijk om op basis van bijgevoegde berichtgeving vooraf een inschrijver uit te sluiten.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is om de inkoop van open source software uit te besteden aan ICT-leveranciers die voor het succes van hun verdienmodel belang hebben bij het in stand houden van de leveranciersafhankelijkheid of die afhankelijk zijn van de verkoop van licenties? Zo nee, waarom niet?
Middels de aanbesteding EASP2015 zijn raamovereenkomsten afgesloten met drie ICT-leveranciers. Voor perceel één is één partij en voor perceel twee zijn twee partijen geselecteerd. Via minicompetities tussen deze drie ICT-leveranciers /software-resellers worden zij uitgenodigd om de oplossing met de beste kwaliteit/prijsverhouding aan te bieden. Die oplossing kan zowel open source als closed source, dan wel een combinatie van die twee zijn.
Software-resellers zijn afhankelijk van de verkoop van licenties en de gerelateerde dienstverlening, zoals onderhoud en support. Ook voor open source producten is in een professionele ICT-omgeving onderhoud en support noodzakelijk.
Hoe gaat u toezicht houden op de correcte uitvoering van dit perceel? Welke meetbare resultaten kan de belastingbetaler verwachten voor de besteding van deze miljoenen euro’s?
Toezicht op de raamovereenkomsten EASP2015 vindt plaats door het contractmanagement binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Ook zijn de departementale inkoopprocedures van toepassing. Het contractmanagement verkrijgt, via de deelnemende ministeries en Hoge Colleges van Staat, een gezamenlijk inzicht in de afnames onder de raamovereenkomsten. Ook wordt van de leveranciers zelf de contractinformatie over hun leveranties verkregen. Dit geeft periodiek een toetsbaar totaaloverzicht. Het totaaloverzicht op één plek levert verschillende voordelen voor de deelnemende organisaties. Voorbeelden van deze voordelen zijn: bundeling van kennis, mogelijkheid tot specialisatie en lagere kosten. Bij de keuze van het type software door het Rijk is altijd een bedrijfseconomische overweging aan de orde zoals is aangegeven in de kamerbrief over het eindrapport commissie ICT-projecten2.
Hoe verhoudt zich deze aanbesteding tot de door de Kamer in zowel de motie-Vendrik2 als de motie Oosenbrug/Gesthuizen3 geuite wens om ruimte te creëren voor open source?
Het gebruik van open standaarden en open source software, zoals bedoeld in de motie Vendrik en de motie Oosenbrug/Gesthuizen maakt uitdrukkelijk onderdeel uit van de aanbesteding. Zie ook de beantwoording van vraag 3 en 5 en de brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 februari 2016 aan uw kamer5.
De inzet van de Nederlandse regering bij de OESO Development Assistance Committee (DAC) High Level Meeting |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of en hoe Nederland vertegenwoordigd zal zijn bij de OESO-DAC High Level Meeting op 18 en 19 februari aanstaande?1
Nederland zal bij de High Level Meeting worden vertegenwoordigd door de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking en de Ambassadeur Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Kunt u toelichten wat het Nederlandse standpunt is in de discussie over de modernisering van de Official Development Assistance (ODA)? Kunt u hierbij ingaan op aspecten als opvang asielzoekers, militaire uitgaven en private sector uitgaven?
Het uitgangspunt voor de Nederlandse positie ten aanzien van modernisering ODA is neergelegd in de kabinetsreactie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 32 605, nr. 137, 17 februari 2014). Nederland acht het van belang dat ook nieuwe vormen van ontwikkelingsinzet onder ODA kunnen worden meegerekend.
Wat betreft militaire uitgaven stelt Nederland zich op het standpunt dat bepaalde elementen van een geïntegreerde benadering op veiligheid en ontwikkeling in de ODA-definitie dienen te worden opgenomen. Zo moeten activiteiten van defensieonderdelen die bijdragen aan humanitaire hulp en aan het uitvoeren van ontwikkelingsactiviteiten onder de ODA-definitie kunnen worden meegerekend, mits deze bijdrage in lijn is met humanitaire principes.
Wat betreft private sector uitgaven bepleit Nederland de erkenning dat innovatieve financieringsmechanismen van belang zijn voor ontwikkeling. Dergelijke instrumenten dragen bij aan het mobiliseren van privaat kapitaal voor de ontwikkelingsagenda. Budgettaire inspanningen die donoren hiertoe leveren, zoals garanties, dienen aan ODA toerekenbaar te zijn.
Van de kosten voor opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden kunnen de eerste twaalf maanden van het verblijf in een donorland worden gerapporteerd als ODA-uitgaven. Dat is een internationale afspraak, gemaakt in OESO-DAC-verband. Er ligt geen voorstel voor om deze definitie te wijzigen.
Kunt u het Nederlandse standpunt met betrekking tot de modernisering van de criteria rondom vrede en veiligheid toelichten? Moeten activiteiten met als doel Countering Violent Extremism worden toegerekend aan ODA?
Het Nederlandse standpunt betreffende de modernisering van de criteria rondom vrede en veiligheid is toegelicht onder vraag twee. Wat betreft Countering Violent Extremism vindt Nederland het belangrijk om onderscheid te maken tussen (para-) militaire contraterrorisme activiteiten en activiteiten gericht op het voorkomen van gewelddadig extremisme. (Para-)militaire contraterrorisme activiteiten mogen niet aan ODA worden toegerekend. Nederland vindt dat het wel mogelijk dient te zijn om de kosten van ontwikkelingsprojecten toe te rekenen die kunnen bijdragen aan het voorkomen van gewelddadig extremisme. Te denken valt aan activiteiten op het gebied van beter onderwijs, het bevorderen van werkgelegenheid en het versterken van veiligheid en rechtsorde (bijvoorbeeld door de politie te versterken, gevangenissen te verbeteren en straffeloosheid aan te pakken).
Kunt u het Nederlandse standpunt met betrekking tot de modernisering van de kosten van de asielopvang toelichten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag twee.
Bent u nog steeds van mening, zoals eerder toegelicht in de kabinetsreactie van 2014 op het rapport van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) over dit onderwerp, dat «het effect op de economische ontwikkeling en welvaart van ontwikkelingslanden van het toerekenen van de opvang van vluchtelingen in een donorland niet evident is»? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit voor het Nederlandse standpunt?
In de kabinetsreactie bij het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ontwikkelingssamenwerking, heeft het kabinet aangegeven dat er uitgaven zijn, die wel meetellen, maar waarvan het effect op de economische ontwikkeling en welvaart van ontwikkelingslanden niet evident is. De opvang van vluchtelingen in een donorland is hierbij als voorbeeld genoemd. De kabinetsreactie is nog altijd het uitgangspunt voor de Nederlandse positie in deze kabinetsperiode.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Nederland tot een minderheid in de OESO-DAC behoort die de kosten van eerstejaarsopvang van asielzoekers rapporteert als ODA? Hoe verhoudt zich dit tot de hoofddoelstelling van ODA: «the promotion of the economic development and welfare of developing countries»?
Binnen de OESO-DAC is afgesproken dat donorlanden die binnen eigen landsgrenzen asielzoekers uit ontwikkelingslanden opvangen, de hiervoor gemaakte kosten gedurende de eerste twaalf maanden van hun verblijf als ODA-uitgaven kunnen meetellen. In de praktijk rapporteren vrijwel alle OESO-DAC landen kosten voor het opvangen van asielzoekers als ODA.2
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 16 februari a.s. beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Gedumpte hangbuikzwijntjes afgeschoten in Hoenderloo' |
|
Dion Graus (PVV) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het artikel «Gedumpte hangbuikzwijntjes afgeschoten in Hoenderloo»?1 Zo ja, bent u bereid actie te ondernemen tegen het afschieten van weerloze, in dit geval zelfs gedumpte, dieren?
Ja. Zie verder antwoorden 4, 5 en 6.
Waarom zijn er geen terzake deskundigen inclusief de benodigde middelen ingeschakeld waarmee in het verleden hangbuikzwijntjes en andere dieren in korte tijd werden ingesloten en (op)gevangen?
In dit concrete geval is deskundigheid van de politie ingeschakeld. Het betreft een politiefunctionaris met taakaccent dierenwelzijn.
Wie diende het verzoek in en wie gaf toestemming om de dieren te doden?
Het verzoek tot afschot werd ingediend door het Staatsbosbeheer, eigenaar van het terrein waar de hangbuikzwijntjes waren losgelaten. Toestemming is gegeven door de dienstdoende politiefunctionaris.
Staatsbosbeheer beweert dat «niemand de dieren wil hebben», terwijl tal van hulpdiensten en opvangcentra nimmer een verzoek hebben ontvangen; wat is uw reactie hierop? Wat zijn de gevolgen voor de mensen (hun eventuele jachtakte en wapenvergunning) die direct verantwoordelijk zijn voor de geopperde onzin en de dood van onschuldige dieren?
Het Staatsbosbeheer werd op donderdag 4 februari geconfronteerd met 5 hangbuikzwijntjes die op haar terreinen waren losgelaten. De aanwezigheid van deze zwijntjes brengt mogelijk risico’s met zich mee voor de verkeersveiligheid, de volksgezondheid en het welzijn van de zwijntjes zelf. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) heeft op verzoek van Staatsbosbeheer geadviseerd de dieren daarom zo spoedig mogelijk van het terrein te verwijderen. Drie zwijntjes konden worden gevangen en ondergebracht in een dierenopvangcentrum. Bij de twee andere zwijntjes lukte het vangen niet. Daarop heeft de politie toestemming verleend om de twee overgebleven dieren af te schieten.
Hoe verenigt u het gebeuren met de geldende zorgplicht voor deze, niet onder de Flora- en Faunawet vallende, gehouden dieren?
Zoals ik in antwoord 4 heb ik aangegeven is het besluit tot afschieten op een weloverwogen wijze tot stand gekomen. Opsporing en eventuele rechtsvervolging van de eigenaren van betreffende dieren is een zaak van de politie en het Openbaar Ministerie. In dit verband wijs ik u ook op de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016 over het houdverbod van dieren (Tweede Kamer 2015–2016, 28 286 nr. 853).
Welke stappen gaat u zetten om dit soort hufterig gedrag jegens dieren in de toekomst te voorkomen en in accurate noodhulp te voorzien? Wat gaat u ondernemen om de «dumper(s)» op te sporen? Deelt u de mening dat er gevangenisstraf moet worden opgelegd inclusief een levenslang verbod op het houden van dieren?
Zie antwoord vraag 5.
De positie van de cliëntenraad bij de fusie van het Zuwe Hofpoort (Woerden) en Antonius Ziekenhuis (Nieuwegein) |
|
Loes Ypma (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over de voorgenomen fusie van het Zuwe Hofpoort en Antonius ziekenhuis?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de Raad van Bestuur van het Zuwe Hofpoort de huidige cliëntenraad met een eenzijdig besluit heeft opgeheven? Bestaat een dergelijke bevoegdheid? Op basis van welke bevoegdheden is dit door het bestuur eenzijdig gedaan? Hoe kan dit besluit worden teruggedraaid, indien dit onrechtmatig is? Wat zegt deze wijze van handelen van het bestuur volgens u over de bestuurscultuur?
De raad van bestuur van het Antonius Ziekenhuis heeft mij laten weten dat de wijziging van de medezeggenschapsstuctuur een gezamenlijk besluit is geweest dat is genomen in een vergadering op 14 mei 2015 waarbij de raden van bestuur van beide ziekenhuizen en de beide cliëntenraden aanwezig waren. De voormalige cliëntenraad van het Zuwe Hofpoort heeft vervolgens op 9 oktober 2015 via een persbericht en een artikel in een lokale krant aangegeven dat zij per 1 januari 2016 zou ophouden te bestaan. Het is niet aan mij om te oordelen over wat precies is voorgevallen tussen cliëntenraad en de raad van bestuur van het ziekenhuis. Wel kan de rechter op grond van de Wet medezeggenschap cliënten Zorginstellingen (Wmcz) de rechtmatigheid van dergelijke besluiten toetsen.
Wat is nu de status van de voorgenomen fusie? Hoe verhoudt de situatie dat de Raad van Bestuur lijkt te handelen alsof de fusie is afgerond zich tot de situatie dat de cliëntenraad nog wacht op een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) omtrent hun bezwaren hiertegen? Hoe wenselijk is het om de fusie door te voeren, terwijl patiënten en cliënten (uitgerekend de mensen om wie de zorg draait) nog bezwaren hiertegen hebben en zich bovendien niet gehoord voelen in het proces?
Ik heb van de NZa vernomen dat de fusie inmiddels geëffectueerd is. De NZa heeft mij toegelicht dat op onderhavige situatie de bestuursrechtelijke beginselen van toepassing zijn en dat daarom het bezwaar van de cliëntenraad geen schorsende werking heeft op het primair besluit. Ook heeft de NZa aangegeven dat de cliëntenraad geen voorlopige voorziening heeft aangevraagd om, aanhangend het bezwaar, de effectuering van de fusie tegen te houden. Dat betekent dat het de raad van bestuur in beginsel vrij stond om de fusie te effectueren. Inmiddels heeft de NZa een beslissing op bezwaar genomen en de bezwaren van de cliëntenraad ongegrond verklaard. Een eventuele vernietiging van het besluit van de NZa door de rechter naar aanleiding van een eventueel beroep van de cliëntenraad en de mogelijke gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van de raad van bestuur.
Kunt u aangeven welk afwegingskader de NZa heeft gehanteerd, aangezien uit de beantwoording van de genoemde eerdere vragen over dit onderwerp blijkt dat de NZa van mening is dat de cliëntenraad «zorgvuldig is betrokken» bij het besluit tot de voorgenomen fusie, terwijl de cliëntenraad deze opvatting niet deelt? Zijn deze afweging en het besluit openbaar? Zo nee, waarom niet?
Het door de NZa gehanteerde afwegingskader is opgenomen in artikel 49c, tweede lid, Wmg. Zowel het besluit van de NZa als de fusie-effectrapportage, waar de goedkeuring van de NZa mede op is gebaseerd, zijn openbaar. Deze zijn te vinden op https://www.nza.nl/publicaties/Besluiten/Fusiebesluiten/. Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb aangegeven, heeft de NZa inmiddels een beslissing op bezwaar genomen. Deze beslissing op bezwaar zal binnenkort te vinden zijn op https://www.nza.nl/publicaties/Besluiten/Beslissingenopbezwaar/.
Komen er in uw nieuwe voorstellen voor zeggenschap van cliënten en patiënten, naast zeggenschap over eigen behandeling, ook voorstellen om de positie van cliënten- en patiëntenraden te versterken, met als doel om vanuit hun wens en visie de zorg ook op instellings- en regioniveau samen in te vullen? Kunnen die voorstellen volgens u de ontevredenheid, die nu heerst bij de cliëntenraad van het Zuwe Hofpoort, voorkomen?
Zoals ik de Kamer ook heb toegelicht in mijn antwoorden op de eerdere Kamervragen over onderhavige casus (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 1276), ben ik voornemens maatregelen te nemen om de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen te verbeteren. Zoals ik in de tweede voortgangrapportage «Kwaliteit Loont» (Kamerstuk 31 765, nr. 172) heb aangegeven win ik momenteel advies in over de implicaties van de motie van de leden Bouwmeester en Dik-Faber (34 300 XVI, nr. 52) die bij de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2016 is aangenomen. Ik verwacht de uitkomsten hiervan samen met mijn reactie daarop voor de zomer van 2016 naar uw Kamer te kunnen sturen. Parallel aan het adviestraject over bovengenoemde motie, ga ik ook verder met sectorpartijen in gesprek om te komen tot passende maatregelen. Ik denk met dit proces samen met alle betrokkenen tot een evenwichtig pakket aan maatregelen te kunnen komen dat daadwerkelijk gaat bijdragen aan het verbeteren van de medezeggenschap van cliënten.
Daarmee wordt niet voorkomen dat een cliëntenraad nimmer ontevreden zal zijn over een specifieke situatie. Het is aan de rechter om in die individuele gevallen tot een oordeel te komen.
Financiële ondersteuning voor volwassen scholieren |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de financiële ondersteuning die vanuit de overheid beschikbaar is voor volwassen scholieren? Klopt het dat zij na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar geen aanspraak meer maken op ondersteuning vanuit de kindregelingen en nog niet in aanmerking komen voor studiefinanciering? Klopt het dat zij in de huidige situatie tijdens de genoemde periode alleen aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de Dienst uitvoering onderwijs (DUO)? In hoeverre is deze tegemoetkoming toereikend?
Ouders van scholieren onder de 18 jaar hebben recht op kinderbijslag en kindgebondenbudget. Dit eindigt als de scholier 18 wordt. Scholieren van 18 jaar en ouder kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor scholieren via de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Deze tegemoetkoming geldt voor scholieren die een voltijdsopleiding doen in het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming voor scholieren bestaat uit een basistoelage en een inkomenafhankelijke bijdrage in de schoolkosten. De basistoelage is ca € 113,– per maand voor een thuiswonende scholier. Er is daarnaast een inkomensafhankelijke bijdrage in de schoolkosten mogelijk. Voor het voortgezet onderwijs (bovenbouw) bedraagt deze bijdrage in de schoolkosten maximaal ca. € 86,– per maand. In totaal ontvangen per ultimo 2015 33.244 scholieren een tegemoetkoming via de DUO (in het Vavo 2.363 scholieren, in het voortgezet onderwijs 28.161 scholieren en in het VSO 2.721 scholieren). De hoogte van de tegemoetkoming van DUO is in lijn met de bedragen van de kinderbijslag en het kindgebondenbudget, toen de scholier nog 17 jaar was.
Als de scholieren na het voortgezet onderwijs een vervolgopleiding gaan doen (mbo of ho), komen zij in aanmerking voor de studiefinanciering die daar geldt. Er bestaat geen recht op algemene bijstand.
Wat betreft het recht op bijstand voor jongeren vanaf 18 jaar die niet meer naar school gaan en ook geen vervolgopleiding volgen, geldt in beginsel het reguliere uitkeringsregime van de Participatiewet. Deze wet biedt ook voor hen een laatste vangnet voor wie niet zelf in het levensonderhoud kan voorzien. Met inachtneming van de overige voorwaarden die gelden voor het recht op bijstand – zoals de vier weken zoektermijn en het naar vermogen voldoen aan de arbeidsverplichtingen – kan de jongere in beginsel in aanmerking komen voor (aanvullende) bijstand.
De landelijke bijstandsnorm voor een alleenstaande van 18,19, en 20 jaar zonder kinderen, bedraagt ca € 240,– per maand. In dit verband is het van belang dat het college van burgemeester en wethouders met artikel 28 Participatiewet de mogelijkheid heeft om deze landelijke bijstandsnorm lager vast te stellen als de belanghebbende recent zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. Het college heeft deze mogelijkheid gedurende 6 maanden na het tijdstip van beëindiging van de scholing of beroepsopleiding. De achterliggende gedachte hierbij is dat de belanghebbende tijdens de school/studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op zijn beperkte inkomen en dat zijn noodzakelijke kosten niet onmiddellijk toenemen als hij of zij de studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. Het college heeft hiermee de bevoegd- en verantwoordelijkheid om in individuele gevallen maatwerk toe te passen. Hiermee kan worden voorkomen dat de jongere in een problematische financiële situatie geraakt.
Kunt u nader inzicht geven in hoeverre er voor deze volwassen scholieren sprake is van een problematische financiële situatie gedurende de periode dat zij nog op school zitten en nog niet aan een opleiding zijn begonnen? In hoeverre is er sprake van een inkomensachteruitgang wat betreft ondersteuning vanuit de overheid? Om welke bedragen gaat het hier precies? Hoeveel mensen hebben te maken met deze problematiek? In hoeverre kan deze inkomensachteruitgang het afronden van school of het beginnen van een opleiding bemoeilijken? Deelt u de mening dat dit voorkomen dient te worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzicht geven in hoe gemeenten omgaan met deze problematiek voor volwassen scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen? Is er sprake van verschillen tussen gemeenten? Wat zijn de verantwoordelijkheden en mogelijkheden voor gemeenten om financieel bij te springen in deze, bijvoorbeeld door middel van categoriale bijzondere bijstand of individuele bijzondere bijstand? Bent u bereid om bij gemeenten aan te dringen op actie om te voorkomen dat volwassen scholieren geconfronteerd worden met een grote inkomensachteruitgang? Zo ja, welke actie wilt u dat de gemeenten ondernemen? Zo niet, waarom niet?
Ik beschik niet over informatie hoe gemeenten omgaan met de volwassen scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen. Zoals hiervoor aangegeven betreft het hier individueel maatwerk.
Ten aanzien van de verlening van individuele bijzondere bijstand geldt dat dit een expliciete verantwoordelijkheid van de colleges is. Het verlenen van categoriale bijzondere bijstand is per 1 januari 2015, met uitzondering van de collectieve aanvullende zorgverzekering, niet meer mogelijk.
In de Participatiewet (artikel 12) geldt ten aanzien van jongeren van 18 tot 21 jaar overigens een specifieke regeling voor wat betreft de verlening van individuele bijzondere bijstand. Deze jongeren hebben namelijk alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een financieel beroep op hun ouders niet mogelijk is. Dit heeft te maken met de onderhoudsplicht van de ouders voor kinderen tot 21 jaar. Indien de ouders kunnen aantonen dat zij over onvoldoende middelen beschikken om in de kosten van het bestaan van hun 18 tot 21 jarige kind te voorzien, bestaat er mogelijk een individueel recht op bijzondere bijstand voor de betreffende jongere. Eventuele verschillen tussen gemeenten in de verlening van bijzondere bijstand aan scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen, zijn een logisch gevolg van de decentrale uitvoering van de Participatiewet.
Het bericht dat er meer onderzoek nodig is naar een alternatieve variant van 380kV –verbinding van het toekomstige windpark Borssele |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de «onderzeese kabel» en de radiouitzending over de alternatieve Westerschelde – variant?1
Ja.
Bent u bekend met de verzoeken vanuit bewoners, lokale politiek, alsmede de provincie Zeeland die al meer dan een jaar unaniem pleiten voor onderzoek naar de Westerschelde-optie? Op welke wijze bent u omgegaan met dit verzoek?2
Ja, ik ben bekend met dit verzoek. Begin 2015 is de vraag aan de orde geweest of aansluiting van het windpark op het nieuwe 380 kV-station Rilland mogelijk zou zijn. De gedachte van de vraagstellers was dat deze aansluiting dan in plaats van de nieuwe 380 kV-verbinding zou kunnen komen. Toen is al de volgende informatie verstrekt:
Over nut en noodzaak van de verbinding kan ik het volgende aangeven. TenneT is op grond van de Elektriciteitswet 1998 aangewezen als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. TenneT heeft op het gebied van de elektriciteitsvoorziening twee wettelijke taken: een transporttaak (Elektriciteitswet, artikel 16, lid 1) en een systeemtaak (idem, artikel 16, lid 2). De transporttaak houdt in dat TenneT de elektriciteit transporteert en daarvoor een net van voldoende kwaliteit en capaciteit in werking heeft. De systeemtaak houdt in dat TenneT zorgt voor evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van stroom. Op TenneT rust daarmee onder meer de wettelijke taak om het landelijke hoogspanningsnetwerk in werking te hebben, te onderhouden en de veiligheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Daarnaast is TenneT op grond van diezelfde wet verantwoordelijk voor het herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het netwerk. Hoewel de wetgever TenneT een grote mate van vrijheid heeft gegeven in de manier waarop het bedrijf zijn wettelijke taken mag invullen, is TenneT wel verplicht om iedere partij die daarom verzoekt op het hoogspanningsnet aan te sluiten (artikel 23). Verder moet TenneT ervoor zorgen dat het transport van elektriciteit ook bij storing is gegarandeerd. Deze eis geldt onverkort als het net in onderhoud is. De wettelijke bepalingen zijn nader uitgewerkt in regelgeving (Codes) die de Autoriteit Consument & Markt (ACM) vaststelt voor de energiemarkt. Ten aanzien van de genoemde taken van TenneT is de Netcode vooral relevant. De Netcode bevat voorschriften voor netbeheerders en netgebruikers, op drie gebieden: het functioneren van de netten, het aansluiten van klanten op de netten en het transporteren van elektriciteit over de netten.
In het gebied Borssele/Vlissingen zit de huidige 380 kV-verbinding «vol». Immers, met de huidige capaciteit van de verbinding is er eigenlijk slechts ruimte voor 1600 MW in plaats van de 2090 MW die nodig is. Het hoogspanningsnetwerk vanuit Borssele wordt volledig benut voor het transport van elektriciteit. Dit betekent:
Belangrijk in dit kader is dat de huidige 380 kV-verbinding in Zeeland een zogenaamde uitloper is van het landelijke hoogspanningsnet. In geval van een grote storing is er geen alternatief aanwezig. Dat betekent dat er sprake is van langdurige stroomuitval. In meerdere delen van het landelijke hoogspanningsnet is TenneT bezig zogenaamde ringstructuren te creëren bijvoorbeeld in het westen van Nederland (Randstad 380 kV Zuidring en Noordring). Met de nieuwe 380 kV-verbinding vanuit Borssele via Rilland naar Tilburg wordt ook zo’n ringstructuur in Zeeland gecreëerd waarmee de leveringszekerheid voor de toekomst aanmerkelijk wordt verbeterd.
Relevant is bovendien dat Borssele, samen met bijvoorbeeld Eemshaven en de Maasvlakte in het 3e Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) is aangewezen als één van de grootschalige energieproductielocaties in Nederland. Het doel van het SEV III is het waarborgen van voldoende ruimte voor grootschalige productie en transport van elektriciteit. Voor het transport wordt de verdere ontwikkeling van het landelijke hoogspanningsnet voorgestaan, zodanig dat het blijft voldoen aan de daaraan op basis van de Elektriciteitswet 1998 gestelde eisen. Door de aanwezigheid van voldoende ruimte en koelwater op deze locaties, en vanwege gemakkelijke toevoer van brandstoffen uit de hele wereld, zijn deze locaties aantrekkelijk voor producenten. De verbinding is daarom niet alleen bedoeld voor het oplossen van het onderhoudsprobleem en de afvoer van windenergie van het nieuwe windpark voor de kust van Walcheren. Ook voor mogelijke andere, toekomstige productie is deze nieuwe verbinding nodig.
Concluderend: de aanleg van de nieuwe verbinding is nodig om de levering van stroom aan Zeeuwse huishoudens en bedrijven op robuuste manier te kunnen garanderen en om ruimte te bieden aan nieuwe opwekking van elektriciteit, zowel op zee als op land.
Is het waar dat de uitgevoerde quick-scan naar de Westerschelde-optie slechts de mogelijkheid van enkele kilometers ondergrondse bekabeling op knelpunten onderzocht heeft en dat daarbij onderzeese aanleg van 220kv niet is onderzocht?
Allereerst is van belang dat een tracé door de Westerschelde alleen ziet op de aansluiting van het windpark voor de kust van Borssele. De nieuwe 380 kV-verbinding heeft echter een eigen nut en noodzaak waaraan met een kabel door de Westerschelde geen invulling zou worden gegeven. Ik ben hier in mijn antwoord op vraag 2 uitgebreid op ingegaan.
In april 2015 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de actuele ontwikkelingen met betrekking tot het ondergronds aanleggen van nieuwe 380 kV hoogspanningsverbindingen (Kamerstukken II 2014/15, 31 574, nr. 37). Ik deed dit op basis van een brief van TenneT waarin werd aangegeven dat de eerste resultaten van het onderzoek naar de 10 kilometer die ondergronds is aangelegd in de Randstad indiceren dat het technisch mogelijk is om meer dan het huidige maximum van 20 kilometer ondergronds aan te leggen. Ik heb toen aangegeven dat ik een second opinion zou laten uitvoeren op basis van die eerste onderzoeksresultaten. Daarnaast heb ik aangeven dat ik TenneT zou vragen om een quick-scan uit te voeren voor de verschillende lopende projecten waaronder Zuid-West 380 kV West.
TenneT heeft onder meer aangegeven dat per geval bekeken zou moeten worden wat mogelijk is. Op dat moment was al duidelijk dat eventuele ondergrondse aanleg alleen bedoeld zou zijn om eventuele knelpunten bij de verbinding ondergronds op te lossen. Een volledige ondergrondse aanleg al dan niet door de Westerschelde van de nieuwe 380 kV verbinding was daarmee per definitie niet aan de orde en is daarom ook niet in de quick-scan meegenomen. Het is dus juist dat de quick-scan niet de Westerschelde-optie omvat.
In mijn brief van 2 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 31 574, nr. 201) heb ik aangegeven dat ik op basis van de uitgevoerde onderzoeken en second opinion vastgesteld heb dat in Nederland 20 kilometer extra ondergrondse aanleg van hoogspanningsverbindingen mogelijk is zonder de netzekerheid onverantwoord in gevaar te brengen. Meer specifiek voor Zuid-West 380 kV West heb ik aangegeven dat ondergrondse aanleg op dit tracé niet mogelijk is omdat de leveringszekerheid onvoldoende is gegarandeerd. Deze conclusie van TenneT is bevestigd door de second opinion van Tractebel.
Is het waar dat in Duitsland (waar Tennet ook werkzaam is) een gelijkstroom verbinding is aangelegd, die circa één miljard euro kost en een veel langere verbinding heeft – vergelijkbaar met de afstand windpark tot Tilburg – onderzee en ondergronds?
Ja, dat klopt. In Duitsland worden de windparken die in het noorden ver uit de kust zijn of worden gebouwd door middel van gelijkstroomkabels verbonden met een converterstation op land. De afstanden van het landdeel variëren. Voor DolWin 2 – Dörpen West is het landdeel 90 kilometer (totale lengte circa 145 km). De kosten voor deze verbinding bedroegen circa 1 miljard euro. Dit was inclusief het converterstation op zee en een converterstation op land.
De capaciteit van deze gelijkstroomkabel is 900 MW (de capaciteit van het windpark circa 700 MW) en de kabel is N-0 uitgevoerd. Dit betekent dat bij een enkelvoudige storing dit ook daadwerkelijk direct leidt tot een stroomstoring. Bij een kabeldefect betreft dit een stroomstoring voor langere tijd. Belangrijke verschillen met de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Rilland (Zuid-West 380 kV West) zijn:
Verbindingen die onderdeel zijn van het Nederlandse landelijke 380 kV-hoogspanningsnet worden dubbel (redundant) uitgevoerd. Dat houdt in dat TenneT een enkelvoudige storing (N-1) moet kunnen opvangen in het net. Dit betekent dat tijdens onderhoud, als het ene circuit buiten bedrijf is, het andere circuit moet kunnen uitvallen zonder dat dit tot storingen in het net leidt. TenneT is verplicht het netwerk op deze manier aan te leggen op grond van artikel 31 lid 12 van de Elektriciteitswet 1998.
Bij een vergelijking tussen een bovengrondse wisselstroomverbinding zoals Zuid-West 380 kV West en een ondergrondse gelijkstroomverbinding moet dus worden uitgegaan van een verbinding die voldoet aan de wettelijke eisen die aan de bovengrondse verbinding zijn gesteld. Bij de nieuwe Zuid-West 380 kV-verbinding gaat het om een verbinding van 2 x 2650 MW. Om dit uit te voeren in gelijkstroom met een vergelijkbaar vermogen zijn meerdere converterstations nodig en 4 à 5 sets gelijkstroomkabel. Qua kosten gaat het dan om een orde van grootte van 4–5 miljard euro en er moet ruimte gevonden worden om de converterstations neer te zetten.
Een enkele (N-0) gelijkstroomkabel kan niet in de plaats komen van de 380 kV-verbinding Borssele-Rilland omdat deze niet vergelijkbaar is qua capaciteit en leveringszekerheid. Daarnaast vraagt zo’n uitvoering, gezien de eigenschappen van een gelijkstroomkabel, meerdere grote mitigerende maatregelen zoals extra converterstations.
Waarom wordt door Tennet gesteld dat de verbinding van Borssele naar Tilburg bovengronds uitgevoerd in Wintrack -masten alleen al geraamd is op 1,2 miljard euro? Op welke onderzoeken zijn deze uitspraken gebaseerd? Kunnen deze onderzoeken openbaar worden gemaakt?
In 2011 is het voorgenomen tracé bekendgemaakt. Voor dit tracé is toen een kostenraming opgesteld gebaseerd op kengetallen en ervaringscijfers van andere recent gerealiseerde projecten en aanbestedingen van 380 kV-verbindingen. Voor de verbinding van Borssele naar Tilburg worden de kosten op dit moment inderdaad geraamd op 1,2 miljard euro.
In het antwoord op vraag 4 van de vragen van het lid Smaling van 8 februari 2016 (kenmerk 2016Z02589) heb ik het volgende aangegeven. De Minister van Financiën is aandeelhouder van TenneT. Het Ministerie van Economische Zaken heeft een verantwoordelijkheid als beleidsministerie. Vanuit die rol, beoordeelt ze – samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu – de investeringsvoorstellen van TenneT (zie ook het antwoord op vraag 3). Het Ministerie van Financiën, vanuit haar rol als aandeelhouder, dient voor investeringen boven 200 miljoen euro haar goedkeuring te verlenen. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 (art. 21) moet TenneT om het jaar bij ACM een document indienen, het zogenoemde kwaliteits- en capaciteitsdocument (KCD), waarin ook investeringen zijn opgenomen die hij zal doen voor de uitbreiding en vervanging van zijn net.
Vindt u het verdedigbaar dat door via de uitgangspunten van de derde Structuurschema Elektriciteitsschema (SEV III) vast te houden aan aanlanding in Borssele, een maatschappelijk gedragen en wellicht betere oplossing (door middel van het opwaarderen van de huidige hoogspanningsleiding en de stroom via een kabel door de Westerschelde af te voeren) niet aan de orde is en niet eens als alternatief is onderzocht? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de uw vraag wordt uitgegaan van de mogelijkheid om aan de behoefte aan extra capaciteit te voldoen door het opwaarderen van de bestaande verbinding. Technisch is opwaarderen van een hoogspanningsverbinding mogelijk. Het opwaarderen betekent dat er meer stroom door de draden moet. De draden bij de 380 kV-verbinding van Borssele naar Geertruidenberg zijn hiervoor niet geschikt. De huidige draden zullen moeten worden vervangen door nieuwe, zwaardere draden. Onafhankelijk van mogelijke uitvoeringsvarianten voor het vervangen van de draden, moet de verbinding daarvoor altijd een aantal maanden buiten gebruik worden gesteld. Dit omdat vervangen van draden waar nog 380 kV aan spanning op staat onmogelijk is, ook met inachtneming van de juiste veiligheidsmaatregelen voor de mensen die deze werkzaamheden verrichten (Arbowet). Omdat de verbinding Geertruidenberg-Borssele geen onderdeel is van een ringstructuur, is het 380 kV-station Borssele alleen via deze verbinding aangesloten op het 380 kV-net. De productiecapaciteit in Zeeland zal daarmee voor die periode moeten worden stilgelegd met alle economische consequenties van dien.
Daarbij komt dat er nu al een tekort aan transportcapaciteit is in dit gebied en dat dit tekort blijft toenemen. Het buitengebruikstellen van de verbinding zou ertoe leiden dat het 380 kV-station Borssele niet meer gevoed wordt uit het 380 kV-net. Zeeland wordt daardoor als het ware een soort «elektrisch schiereiland» doordat alleen een koppeling via het 150 kV-net mogelijk is. Hierdoor is er een grote kans op netinstabiliteit. Dit zou betekenen dat de balans tussen vraag en aanbod in Zeeland niet eenvoudig te beheersen is en daardoor de kans op uitval in Zeeland aanmerkelijk is. Daarmee is de opwaardering van de bestaande 380 kV-verbinding geen realistische optie als alternatief voor een nieuwe 380 kV-verbinding.
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op nut en noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding. Ook heb ik daarin de relevantie van het gebied Borssele-Vlissingen vanuit het SEV III uiteengezet. Ik ben van mening dat de maatschappelijke belangen het best worden gediend met de nieuwe 380 kV-verbinding, waarmee een oplossing wordt geboden voor verschillende nationale belangen maar waaraan invulling is gegeven met oog voor de regionale en lokale belangen. Voor dit laatste verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 van het lid Van Veldhoven (D66) van 11 februari 2016 (kenmerk 2016Z03010), welke parallel aan deze beantwoording naar uw Kamer wordt gestuurd.
Is een investering in converterstations samen met een opwaardering van het huidige net goedkoper dan de nieuwe plannen? Is dit onderzocht? Zo ja, kunnen deze onderzoeken openbaar gemaakt worden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Nee. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zal een verbinding uitgevoerd met gelijkstroom ter vervanging van een bovengrondse 380 kV-verbinding met wisselstroom aan andere eisen moeten voldoen. De kosten van zo’n gelijkstroomverbinding worden daarmee vele malen hoger. Voor de Zeeuwse situatie is hiervoor naar de kosten niet specifiek onderzoek gedaan. De gegevens zijn op basis van ervaringsgegevens van TenneT tot stand gekomen.
In het antwoord op vraag 6 is verder aangegeven waarom opwaardering van de bestaande verbinding geen realistische optie is en waarom de nieuwe 380 kV-verbinding de meest toekomstvaste oplossing is voor de Zeeuwse situatie.
Is het waar dat vooruitlopend op een plan dat nog ter inzage gelegd moet worden, grondeigenaren langs het toekomstige tracé (ondermeer bij Krabbendijke en ‘s Heerenhoek) een gedoogplicht opgelegd krijgen om de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten nu al mogelijk te maken? Zo ja, maakt dit gedrag de nog plaats te vinden inspraak naar uw mening een wassen neus?
Nee, het opleggen van gedoogplicht is momenteel niet aan de orde. Het uitgangspunt voor TenneT voor het afsluiten van de zakelijk recht overeenkomst (ZRO) is om zo veel mogelijk tot minnelijke overeenstemming te komen. Het opleggen van gedoogplicht wordt pas overwogen als er na vele gesprekken geen zicht is op overeenstemming.
De aanleg van de hoogspanningsmasten, ook voor de nieuwe Zuid-West 380 kV-verbinding, is pas mogelijk als dit ook planologisch geregeld is. Hiervoor kan een ieder eerst zienswijzen indienen op het ontwerpinpassingsplan. Indien deze zienswijzen daartoe aanleiding geven wordt het plan aangepast. Er worden zoals gebruikelijk ook informatieavonden houden waar mensen terecht kunnen met vragen en voor informatie. Ook zijn er andere informatiekanalen waar men terecht kan, zoals de website van het project en een telefonisch service centre bij TenneT. Daarna is er nog beroep mogelijk op het definitieve inpassingsplan bij de Raad van State.
In de onderzoeksfase is in voorkomende gevallen sprake geweest van gedoogplicht voor het kunnen verrichten van onderzoek. Dit is een tijdelijke toestemming voor het doen van onderzoek op een specifieke locatie. De gegevens van deze onderzoeken waren nodig om de juiste informatie beschikbaar te hebben voor het aanvragen van de ontwerpvergunningen.
Is er onderzoek gedaan naar de invloeden van bewoning tussen de twee hoogspanningstracés van 380kV in, waarbij de afstand tussen de ene kabel 100 meter is en ten opzichte van de tweede kabel 250 meter? Is in kaart gebracht hoeveel bewoners te maken krijgen met een dergelijke situatie? Bent u bereid een onafhankelijk bureau onderzoek te laten doen naar het op korte afstand wonen tussen twee hoogspanningstracés? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van het tracé wordt rekening gehouden met het beleidsadvies inzake hoogspanningslijnen en het magneetveld van 3 oktober 2005. Hierin wordt geadviseerd «zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)». Bij het berekenen van deze magneetveldzone wordt gebruik gemaakt van de hiervoor opgestelde Handreiking van het RIVM. Met de rekenmethodiek in deze Handreiking wordt de magneetveldzone op een zo eenduidig en transparant mogelijke manier berekend.
De Handreiking is inmiddels een aantal keren geactualiseerd. Het RIVM heeft op 10 juni 2013 het rapport «Berekening magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen in elkaars nabijheid» gepubliceerd. De actualisering van de Handreiking naar aanleiding van dit rapport ziet op het nauwkeuriger in beeld brengen van magneetvelden in situaties waar hoogspanningsverbindingen zich in elkaars nabijheid bevinden.
Uiteraard is ook de magneetveldzone voor de nieuwe Zuid-West 380 kV West-verbinding berekend. Hierbij is gewerkt met die versie van de Handreiking van het RIVM waarin reeds rekening is gehouden met lijnen die zich in elkaars nabijheid bevinden. De berekeningen zijn gedaan door een bureau van de lijst met Adviesbureaus waarvan bekend is dat ze ervaring hebben met zoneberekeningen volgens de RIVM-handreiking. Al deze bureaus dienen zich te houden aan de rekenmethodiek van het RIVM. Daarmee zijn deze berekeningen onafhankelijk. Dit geldt dus ook voor de berekeningen die zijn gedaan voor het project Zuid-West 380 kV West. Deze berekeningen worden zoals gebruikelijk bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegd zodat de gegevens voor een ieder beschikbaar zijn.
Is het naar uw mening uit te leggen, dat de vergoeding voor een «ongevraagde» hoogspanningsmast op een kavel eenmalig € 3.500 bedraagt tegenover de vergoeding voor één windmolen van € 25.000 per jaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
TenneT betaalt een reële waardevermindering aan de landeigenaar en daar gelden normbedragen voor die met LTO zijn overeengekomen. Daarnaast betaalt TenneT jaarlijks een inkomensschade voor gederfde inkomsten en extra werkzaamheden die het gevolg zijn van plaatsing van een of meerdere hoogspanningsmasten, ook op basis van afspraken met LTO.
De hoogte van grondvergoedingen bij windturbines worden bij individuele projecten voornamelijk beïnvloed door de onderlinge concurrentie van windontwikkelaars, het windklimaat van het gebied, de schaarste aan grond en eventuele positieve overheidsplannen voor de locatie. Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) baseert de grondvergoeding bij windturbines op te verwachten geproduceerd vermogen. Dit wordt in de SDE+ vergoed. Dit is dus een geheel andere grondslag dan bij hoogspanningsmasten.
Daarbij komt dat de gedoogplicht voor windturbines nog niet effectief kon worden ingezet; voor hoogspanningsmasten kon dat wel. Hier komt met het recent door uw Kamer aangenomen wetsvoorstel «tijdig realiseren doelstellingen Energie-akkoord» (Kamerstuk 34 401) verandering in.
Naar verwachting kan dit samen met de teruglopende vergoeding voor grondkosten in de SDE+ die ik sinds een aantal jaren heb ingezet een dempend effect hebben op de grondvergoeding voor windmolens.
Bent u bereid onafhankelijk te (laten) onderzoeken wat de kosten van een kabel van 80 kilometer tot aan Rilland kost uitgevoerd met wisselstroom en uitgevoerd met gelijkstroom en daarnaast ook de haalbaarheid, mogelijkheden en onmogelijkheden te onderzoeken, daarvan een onafhankelijk rapport op te stellen en dit aan de Kamer voor te leggen? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven waarom een kabel uitgevoerd in wisselstroom met een lengte van 80 kilometer niet mogelijk is. Daarnaast heb ik in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven dat de kosten van een gelijkstroomverbinding met dezelfde eisen als waar de nieuwe Zuid-West 380 kV West-verbinding aan moet voldoen vele malen hoger zijn dan een bovengrondse 380 kV-verbinding. Hoewel er geen specifiek onderzoek is gedaan naar de exacte hoogte van de kosten van beide opties, is het feit dat de uitvoering in wisselstroom geen realistisch alternatief is en een uitvoering in gelijkstroom geen oplossing is voor de Zeeuwse situatie en bovendien nog eens vele malen duurder, voor mij reden hier geen nader onderzoek naar te laten doen.
Mogelijke veiligheidsrisico’s van pinpassen waarmee contactloos betaald kan worden |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een onderzoek van de Consumentenbond uitwijst dat met contactloos betalen veel grotere bedragen ongemerkt blijken te kunnen worden afgeschreven dan banken en consumenten denken?
Ja.
Is het waar dat banken beweren dat contactloze betalingen boven de € 50 niet mogelijk zijn, maar dat dit feitelijk wél mogelijk is, en dat derhalve contactloos rollen voor bedragen veel hoger dan € 50 in principe mogelijk is?
Nee. Bij contactloze betalingen moet bij bedragen boven de 25 euro altijd de pincode worden ingetikt. Bij bedragen tot en met 25 euro is een pincode meestal niet nodig. Om te verhinderen dat een dief langdurig zonder pincode met een gestolen betaalpas1 kan betalen, geldt een cumulatieve limiet van 50 euro. Wanneer de pashouder achter elkaar kleine bedragen zonder pincode contactloos betaalt en al die bedragen bij elkaar opgeteld de 50 euro overschrijden, dan moet hij alsnog de pinpas in de automaat steken en zijn pincode intikken. Deze limiet geldt voor onbepaalde tijd, dus ook als de betalingen zonder pincode over meerdere dagen gespreid zijn.
De mogelijkheid bestaat echter voor de klant, bij sommige banken, om de limiet voor contactloos betalen te verhogen naar maximaal 250 euro. De Consumentenbond merkt hierover op dat banken niet altijd juist uitleggen of en wanneer de betaalpas bij een contactloze betaling in de betaalautomaat gestoken moet worden. Klanten krijgen soms van hun bank te horen dat bij betalingen vanaf 50 euro de betaalpas altijd in de automaat gestoken moet worden. Indien een klant ervoor gekozen heeft zijn limiet te verhogen is dit niet juist. Vanuit de Betaalvereniging Nederland («BVN») heb ik begrepen dat de banken hebben toegezegd hun uitleg aan pashouders op dit vlak te verbeteren.
Is het waar dat het aanvragen en misbruiken van een mobiel betaalapparaat hiervoor vrij eenvoudig is?
Nee. Om met een contactloze betaalautomaat te kunnen frauderen, moet de dader zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en een betaalrekening hebben. De fraudeur moet zijn betaalautomaat bovendien laten registreren voordat er betalingen mee gedaan kunnen worden. Betalingen worden niet direct op de bankrekening van de fraudeur bijgeschreven, daar gaat minimaal één werkdag overheen. De pakkans bij misbruik van de automaat is daardoor hoog, en ik schat in dat deze vorm van fraude voor criminelen niet erg lonend zal zijn.
Is het waar dat contactloos digitaal zakkenrollen voorkomen kan worden door een speciaal beschermend hoesje om de contactloze pin-pas met NFC-chip te doen, maar dat niet alle banken deze hoesjes standaard – vergezeld van een waarschuwing – verstrekken?
Dat is waar. Een speciaal beschermend hoesje zorgt ervoor dat het niet meer mogelijk is om automatisch verbinding te maken tussen de betaalautomaat en de pinpas.
In werkelijkheid is het onwaarschijnlijk dat op deze manier ongemerkt contactloze betalingen door criminelen gedaan kunnen worden. Tot op heden is deze vorm van fraude dan ook nog niet voorgekomen. Volgens informatie van de BVN blijkt dat contactloze betaling alleen mogelijk is als de betaalpas op minder dan vijf centimeter afstand van de betaalautomaat wordt gehouden. Wanneer een contactloze betaalpas samen met andere contactloze passen is opgeborgen (zoals een OV-chipkaart, toegangspas of andere contactloze betaalpas), is het zeer onwaarschijnlijk dat daarmee ongemerkt contactloos kan worden betaald. Een betaalautomaat raakt dan in de war van alle signalen van de verschillende contactloze passen.
Bent u bereid banken aan te spreken op mogelijke contactloze betalingen boven de € 50, en banken te vragen mogelijke veiligheidsrisico’s te laten «repareren»?
Ik heb regelmatig overleg met banken en andere financiële instellingen om de financiële dienstverlening te kunnen verbeteren. Een belangrijk onderdeel hierin is dat veiligheidsrisico’s, waaronder die welke betrekking hebben op contactloos betalen, tot een minimum beperkt worden. Burgers moeten immers veilig hun transacties kunnen verrichten. Ik denk graag met de banken mee om deze risico’s te beperken, maar het is uiteindelijk aan de banken zelf om hier gehoor aan te geven en eventuele risicomaatregelen te implementeren.
Bent u bereid banken te vragen standaard beschermende hoesjes te leveren bij nieuwe contactloze betaalpassen, vergezeld van gedegen voorlichting over de mogelijke gevaren van het bij zich dragen van de pas zonder beveiligende houder?
Zie antwoord vraag 5.
Het evacueren van reizigers uit gestrande treinen |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Reizigers 3,5 uur vast in trein»1, «Treinreizigers gestrand: drieënhalf uur zonder licht en frisse lucht»2 en «Ongeduldige reizigers breken uit defecte trein Zaltbommel»?3 Herinnert u zich de brief van uw voorganger over gestrande treinen op de HSL4 en de brief van uw voorganger over diesellocs en het bergen van gestrande treinen?5
Ja, ik ken de berichten en de brieven waar de vraagsteller naar verwijst. Dat deze incidenten zich hebben voorgedaan vind ik samen met NS en ProRail onacceptabel. Reizigers moeten er van op aan kunnen dat ze zo snel mogelijk uit een dergelijke benarde positie verlost worden zodat ze hun reis kunnen voortzetten. Ik heb NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen op het hoofdrailnet en de HSL over de afgelopen jaren, gericht op verbeteringen. Ook het toezicht van Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zal daar mede op gericht zijn. Ik zal u over de uitkomst van deze evaluatie nader informeren.
Heeft u een overzicht van het aantal gestrande treinen op zowel hoofdrailnet, HSL als regionaal spoor sinds 2011 en het oponthoud per gestrande trein?
ProRail meldt dat er tussen december 2013 en februari 2016 1.828 treinen twintig minuten of langer zijn gestrand. Er reden ongeveer 3,4 miljoen treinen, dus dit komt neer op 0,05% gestrande treinen. Op basis van deze cijfers is geen onderscheid te maken tussen het hoofdrailnet en HSL.
Kunt u verklaren waarom het woensdag 4 november drieënhalf uur duurde voordat gestrande reizigers tussen Den Bosch en Nijmegen werden geëvacueerd?
In dit geval bleef de trein aanvankelijk langs het perron staan, waardoor evacuatie niet nodig was: de reizigers konden desgewenst uitstappen. Nadat de trein weer verder kon rijden, strandde deze helaas alsnog. NS en ProRail hebben de afhandeling van gestrande treinen conform de procedures uitgevoerd, maar door praktische problemen duurde het langer dan verwacht.
De normale afhandeling is erop gericht om de hinder voor reizigers bij een stranding tot een minimum te beperken. De procedure is dat NS en ProRail maximaal een kwartier na een stranding, als zeker is dat de trein niet meer zelfstandig verder kan rijden, gezamenlijk de calamiteitenafhandeling beginnen. Ze hebben de ambitie om in 98% van de gevallen de reizigers binnen een uur hun weg te laten vervolgen. In de overige gevallen streven ze ernaar het oponthoud van de reizigers tot maximaal twee uur te beperken. In alle gevallen is het doel de reizigers binnen één uur zorg te bieden. Voor de evacuatie van de gestrande reizigers geldt een driesporenbeleid. NS en ProRail bereiden tegelijkertijd drie vormen van evacuatie voor:
Kunt u verklaren waarom dinsdag 24 november de gestrande trein niet werd weggesleept naar het dichtstbijzijnde station, maar er bussen werden ingezet terwijl deze de trein niet konden bereiken?
In dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd, waardoor niet meteen de evacuatie-methode werd gekozen die de beste bleek: het wegslepen van de trein. De bus die werd ingezet kon de trein in dit geval wel bereiken en is gebruikt om veertig reizigers naar Schiphol te vervoeren.
Kunt u verklaren waarom donderdag 28 januari pas na drie uur is besloten de reizigers in een gestrande trein op de HSL te evacueren?
Na een eerste stop meldde de machinist dat de trein weer kon rijden. Daarop zijn de acties in het kader van de calamiteitenafhandeling gestaakt. Even later is de trein opnieuw stil komen te staan en is de calamiteiten afhandeling opnieuw gestart. Een belemmerende factor bij de HSL is dat het spoor door ligging en afscherming voor hulpdiensten vaak minder eenvoudig te bereiken is en er strenge veiligheidsvoorschriften gelden zowel voor het inzetten van evacuatietreinen als het fysiek ontruimen van gestrande treinen. Ook in dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd.
Dit specifieke incident wordt door de ILT onderzocht. Dat onderzoek zal naar verwachting in maart zijn afgerond. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Deelt u de mening dat genoemde langdurige evacuaties niet voldoen aan de in 2011 na een Veiligheidswaarschuwing van de inspectie uitgesproken ambitie om in 98% van de gevallen de reiziger binnen één uur zijn weg te laten vervolgen en in de overige gevallen er naar te streven het oponthoud van de reiziger tot maximaal twee uur te beperken?
Ja, die mening deel ik. De procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen (zie antwoord 3) zijn in twee van de drie in de vragen genoemde gevallen onvoldoende opgevolgd. Er was in de praktijk sprake van verkeerde keuzes en menselijke fouten. NS en ProRail laten mij weten dat ze het belangrijk vinden om de gang van zaken zo snel als redelijkerwijs mogelijk te verbeteren. Rolvastheid is daarbij van groot belang.
Ik heb NS en ProRail op dit alles nadrukkelijk aangesproken en hen verzocht om gezamenlijk een evaluatie te maken (zie antwoord 1). Deze evaluatie moet een beeld geven van wat er goed gaat en wat er beter moet.
Welke quick-wins zijn met betrekking tot gestrande treinen op de HSL genomen zoals aangekondigd in de brief van september 2014?
NS en ProRail hebben maatregelen met snelle verbeterkansen voor de Intercity direct, waarvan in de brief sprake is6, opgestart en ingevoerd:
Verder hebben NS en ProRail een projectleider aangesteld om de verbetermaatregelen voor strandingen en evacuaties aan te pakken. Deze maatregelen maken deel uit van een breder verbeterplan voor de Intercity direct gericht op het verbeteren van de prestaties.
Kunt u de evaluaties over gestrande treinen op de HSL die sinds begin 2014 zijn gemaakt naar de Kamer sturen? Welke maatregelen zijn er naar aanleiding van deze evaluaties genomen?
NS en ProRail leggen bij elk incident (zoals een stranding) intern vast wat er is gebeurd. Ik ontvang niet over elke gestrande trein een rapport en kan dat dus niet naar uw Kamer sturen. Wel heb ik NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen in de afgelopen jaren (zie antwoord 1).
Voor de genomen maatregelen verwijs ik naar antwoord 7.
Is bij genoemde gestrande treinen de afspraak met de inspectie nagekomen dat voor de gestrande reizigers serviceteams worden ingezet, dat binnen één uur zorg op maat wordt geboden waaronder voedsel en drank en dat direct parallelle oplossingstrajecten worden opgestart, waarbij de oplossing die het snelst tot resultaat leidt, wordt uitgevoerd?
In twee van de drie genoemde gevallen was in strijd met de afgesproken procedure geen Veiligheid & Service team aanwezig.
Zijn er voor de HSL elektrische bergingslocomotieven beschikbaar om gestrande treinen te verslepen naar het dichtstbijzijnde station? Zijn er in geval van een stroomstoring voor de HSL diesel bergingslocomotieven beschikbaar?
Zie antwoord 7.
Herinnert u zich de bevindingen van de commissie Kuiken6 over de werkwijze van de inspectie in het algemeen en de melding van uw voorganger in de eerder genoemde brief uit 2011 dat de inspectie het verbeterproces rond gestrande treinen nauwlettend zou volgen?
Ja. Naar aanleiding daarvan heeft de ILT geparticipeerd in een projectgroep van NS en ProRail waarin partijen gezamenlijk werken aan het verbeteren van de berging van gestrande treinen. In deze projectgroep zijn afspraken gemaakt over diverse te nemen maatregelen en acties die erop gericht waren dat spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder ervoor zorgen dat de risico’s verbonden aan het tijdig bergen van treinen worden beheerst. Daartoe behoort ook de veiligheid van de reizigers in alle weersomstandigheden.
Heeft de inspectie als vervolg op de genoemde Veiligheidswaarschuwing het versterkt toezicht op de geconstateerde knelpunten rond gestrande treinen inmiddels afgerond? Is hierbij door de inspectie getoetst of het afgesproken verbeterproces ook in de praktijk is uitgevoerd en of dit werkt?
In maart 2011 concludeerde de ILT dat er operationeel een aantoonbare verbetering had plaatsgevonden waarbij het bergen van gestrande treinen daadwerkelijk de juiste prioriteit had gekregen. Op 2 december 20138 heeft de ILT het verscherpte toezicht opgeheven, omdat er naar het oordeel van de ILT op dat moment sprake was van een verbeterproces dat voldoende bestendig was. De spoorsector had gezamenlijk een groot aantal voorgenomen maatregelen uit 2011 geëffectueerd en in 99% van de strandingen op het conventionele spoor werden de reizigers binnen twee uur geëvacueerd.
De gevallen die in deze brief aan de orde komen, zijn voor de ILT aanleiding om naast het onderzoek genoemd in antwoord 5 op korte termijn opnieuw met de betrokken spoorpartijen in gesprek te gaan.
Het feit dat bij de hengstenkeuring van de KVTH bijna alleen maar paarden met gecoupeerde staarten meedoen, terwijl couperen sinds 2001 verboden is |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving rondom de laatste hengstenkeuring van de Koninklijke Vereniging «Het Nederlandse Trekpaard en De Haflinger» (KVTH) op 23 januari jl.?1
Ja.
Is het u ook opgevallen dat op het beeldmateriaal bijna alleen maar paarden met gecoupeerde staarten te zien zijn? Hoe verklaart u dit?
Het couperen van dieren (staarten, oren) is sinds 2001 een verboden lichamelijke ingreep in Nederland, tenzij de ingreep uit medische noodzaak wordt verricht. Ook verboden is de toelating tot een tentoonstelling of een keuring van dieren (als ook het deelnemen aan of toelaten tot wedstrijden van dieren) waarbij een verboden lichamelijke ingreep is verricht. Volgens een uitspraak uit 2002 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) evenwel, is de reikwijdte van het tentoonstellingsverbod beperkt. Indien een dier legaal in het buitenland is gecoupeerd, mag het volgens de uitspraak toch in Nederland worden tentoongesteld. Ik verwijs hiervoor ook naar eerdere brieven over dit onderwerp en beantwoorde vragen (Kamerstukken 28 286, nr. 76; Kamerstukken 31 389, nr. 3; Kamerstukken 31 389, nr. 5; Kamerstukken 28 286, nr. 246, Kamerstukken 31 389, nr. 125; Kamerstukken II 2012/13, Aanhangsel, nr. 2029; Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel, nr. 368; Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel, nr. 1043).
Ik vind dit uit het oogpunt van dierenwelzijn niet gewenst en vind dat het tentoonstellingsverbod uit Europeesrechtelijk perspectief bezien wel degelijk gerechtvaardigd kan worden.
Ik ben van mening dat dit tonen van gecoupeerde dieren op tentoonstellingen of keuringen, zeker als dergelijke dieren in de prijzen vallen, het couperen van dieren stimuleert. Het kan er toe leiden dat dieren illegaal in Nederland worden gecoupeerd of dat houders dieren laten couperen in landen waar couperen niet verboden is.
Gelet hierop ben ik voornemens de komende periode bestuursrechtelijk te gaan handhaven op het tentoonstellingsverbod. De verwachting is dat het tentoonstellingsverbod dan op termijn opnieuw bij de rechter aan de orde komt. Tegelijkertijd zal ik onderzoeken op welke wijze het verbod effectiever kan worden gehandhaafd. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat er niet succesvol tot strafrechtelijke vervolging kan worden overgegaan in de gevallen waarop de genoemde uitspraak van het CBb van toepassing is.
Welke acties gaat u ondernemen tegen de KVTH?
Zie antwoord vraag 2.
Bij het algemeen overleg Paardenhouderij dd. 7 april 2015 zei u «In de rechtspraak hebben zich heel recentelijk ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot hondententoonstellingen. Daarom zie ik nu ook mogelijkheden om het tentoonstellingsverbod van gecoupeerde dieren beter te handhaven, ook voor dieren die legaal in het buitenland gecoupeerd zijn.»; op welke recente ontwikkelingen doelde u? Welke betere handhaafmogelijkheden zag u? Hoe heeft u deze verbeterde handhaafmogelijkheden in de praktijk gebracht en welke resultaten zijn hiervan te melden? Kunt u de motie (Kamerstuk 28 286, nr. 481) die vraagt om een tentoonstellingsverbod bij uw antwoord betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat de geïntensifieerde inspanningen bij de hengstenkeuring van de KVTH geen resultaten hebben opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke acties gaat u ondernemen die wel het gewenste resultaat zullen hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat als de KVTH in haar wedstrijdreglement zou opnemen dat paarden met geamputeerde staarten niet mogen meedoen, het probleem van couperen grotendeels opgelost is? Zo ja, wat gaat u doen om druk uit te oefenen op de KVTH om dit op te nemen in het wedstrijdreglement en wat heeft u reeds gedaan?
Ja. Ondanks diverse verzoeken heeft de KVTH niet de wil het couperen op vrijwillige basis uit te bannen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 2 t/m 6.
Vindt u dat de KVTH het predicaat koninklijk verdient?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen over het ontnemen van het predicaat «Koninklijke» van 28 augustus 2013 (2013–2014, nr. 368).
Bent u bereid een meldplicht voor dierenartsen in te voeren waarbij ze met foto’s en documenten de medische noodzaak van couperen moeten onderbouwen en centraal moeten melden om zo inzicht te krijgen bij welke stallen en bij welke dierenartsen opvallend veel staarten worden gecoupeerd?
Lichamelijke ingrepen bij dieren zijn verboden, tenzij de ingreep krachtens de wet is aangewezen of er een diergeneeskundige noodzaak bestaat om de ingreep toe te passen. Het couperen van staarten is een lichamelijke ingreep die alleen is toegestaan indien daar een diergeneeskundige noodzaak voor bestaat. De diergeneeskundige noodzaak dient door de dierenarts aangetoond te kunnen worden. Indien hij dat niet kan, is hij daarop tuchtrechtelijk aanspreekbaar. Een extra meldplicht heeft een zeer geringe toegevoegde waarde en leidt daarnaast tot een behoorlijke en onwenselijke lastenverzwaring.
Wilt u reageren op de volgende opmerking in Dagblad De Limburger: «Iemand zei tegen mij; «ik wil stoppen met couperen, maar dan maken mijn paarden geen schijn van kans tijdens de veulenkeuring». Het zijn altijd gecoupeerde paarden die winnen.»?2
Dit maakt dat het noodzakelijk is het bestaande verbod afdoende te kunnen handhaven. Ik verwijs u verder ook naar het antwoord op vragen 2 t/m 6.
Klopt het dat het recent in Frankrijk verboden is om een paard met een gecoupeerde staart te transporteren of tentoon te stellen? Zo ja, waarom kan in Frankrijk wel een tentoonstellingsverbod bewerkstelligd worden maar in Nederland niet? Zijn er in Nederland juridische obstakels om een transportverbod voor gecoupeerde paarden af te kondigen?
Het klopt dat in Frankrijk deelname van een paard met een gecoupeerde staart aan tentoonstellingen is verboden, een transportverbod is echter niet afgekondigd. Het instellen van een transportverbod zou in strijd zijn met de EU-bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en diensten en is naar mijn oordeel om die reden juridisch gezien niet haalbaar. Ik verwijs u verder naar antwoord op vragen 2 t/m 6 waarin wordt verwezen naar een uitspraak van het CBb.
Minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) in collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) |
|
Kees Verhoeven (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is hoofdstuk IIa van de cao voor architectenbureaus 2015–2017 in strijd met het kartelverbod uit de Mededingingswet? Zo nee, waarom niet?1
Het mededingingsbeleid en daarmee de mededingingsregels in Nederland vallen binnen de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is belast met het toezicht op de naleving van die mededingingsregels en is onafhankelijk waar het de beoordeling van individuele zaken betreft. Het is dan ook slechts aan de ACM om uitspraken te doen in individuele zaken. In het geval een afspraak in cao’s is opgenomen wordt er op dat moment met het oog op de avv-procedure een inschatting gemaakt over mogelijke strijdigheid van een dergelijke cao-afspraak met het mededingingsrecht door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zie hiervoor ook de antwoorden op de vragen 7 en 8.
Heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderzoek gedaan naar de tariefafspraken voor zzp'ers in de cao voor architectenbureaus? Wat was de uitkomst van dit onderzoek?
Indien de ACM daartoe aanleiding ziet, dan zal een mededingingsrechtelijk onderzoek gestart worden. De ACM doet, in het belang van de opsporing, geen uitspraken over het wel of niet bestaan van een mededingingsrechtelijk onderzoek.
Als cao-bepalingen over tarieven voor zzp'ers die te kwalificeren zijn als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen, is er dan sprake van overtreding van het kartelverbod uit de Mededingingswet op het moment dat cao-partijen de betreffende cao-afspraken zijn gemaakt of op het moment dat tussen een individuele opdrachtgever en opdrachtnemer op basis van de cao een contract wordt afgesloten?
De inbreuk ontstaat op het moment dat de desbetreffende afspraak is gemaakt.
Waarom zijn voor schijnzelfstandigen tariefafspraken nodig in cao’s? Waarom zijn op schijnzelfstandigen niet de loontabellen voor werknemers van toepassing?
Het Hof van Justitie van de EU heeft in de zaak FNV KIEM/Nederlandse Staat in zijn uitspraak aangegeven dat dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers schijnzelfstandig zijn. Het begrip schijnzelfstandige is daarmee niet gelijk aan het begrip «werknemer» in arbeidsrechtelijke zin. De rechter heeft tot op heden niet geoordeeld dat schijnzelfstandigen (geen ondernemers in de zin van het mededingingsrecht) per definitie werknemers zijn. Om die reden kan niet zonder meer gesteld worden dat de loontabellen voor werknemers ook van toepassing zijn op schijnzelfstandigen. Ten aanzien van schijnzelfstandigen die zijn aan te merken als werknemers is het in principe niet nodig om afzonderlijke tariefafspraken te maken in de cao, omdat de integrale cao onverkort op hen van toepassing is.
Kunnen tariefafspraken voor zzp’ers in cao’s van toepassing zijn op zelfstandig ondernemers die conform een goedgekeurde modelovereenkomst op grond van de Wet Deregulering Arbeidsrelaties werken en derhalve geen schijnzelfstandige zijn?
Het werken conform een beoordeelde modelovereenkomst houdt in dat er fiscaal geen sprake is van werknemerschap en daarmee geen inhoudingsplicht voor de opdrachtgever. Dat doet niet af aan de beoordeling op grond van het mededingingsrecht. De Belastingdienst toetst niet of er volgens het mededingingsrecht sprake is van een onderneming. Het is dus niet uit te sluiten dat een tariefafspraak in een cao, zonder strijdigheid met de mededingingsregels, van toepassing is op een opdrachtnemer die met een modelovereenkomst werkt. Dit zou het geval kunnen zijn als er geen sprake is van een ondernemer in de zin van het mededingingsrecht maar er tegelijkertijd ook geen sprake is van een inhoudingsplicht voor de opdrachtgever.
Deelt u de mening dat tariefafspraken in cao’s voor zzp'ers, die alleen van toepassing kunnen zijn op schijnzelfstandigen en niet op zzp'ers die te kwalificeren zijn als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht, tot onduidelijkheid leiden voor opdrachtgevers en opdrachtnemers? Acht u dit gewenst?
Duidelijkheid op het gebied van schijnzelfstandigheid kan wenselijk zijn voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het is echter primair aan de partijen zelf om binnen de grenzen van de wet te bepalen wat de reikwijdte is van de afgesloten cao. Concreet ten aanzien van schijnzelfstandigheid betekent dat dat als er wordt gekozen voor een cao die ook ziet op zzp’ers, partijen dan zelf dienen te beoordelen of er sprake is van zzp’ers die vallen onder het ondernemingsbegrip uit het mededingingsrecht of niet.
Worden cao-bepalingen over tarieven voor zzp'ers – die hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen – algemeen verbindend verklaard? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot artikel 5.1 van het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring CAO-bepalingen (AVV) waarin is bepaald dat cao-bepalingen die kennelijk in strijd zijn met wet- en regelgeving niet voor het algemeen verbindend verklaren in aanmerking komen?
Nee, deze bepalingen worden thans niet algemeen verbindend verklaard, wegens een te groot risico op strijdigheid met het mededingingsrecht.
Zijn de bepalingen uit hoofdstuk IIa van de cao voor architectenbureaus 2015–2017 algemeen verbindend verklaard, of bent u voornemens om dit te gaan doen?
Omdat de avv-procedure nog loopt, kan ik hier niet op vooruitlopen.
Deelt u de mening dat het van belang is dat er meer duidelijkheid komt over de vraag wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid? Zijn er duidelijke beleidsregels of andere criteria op basis waarvan wordt uitgemaakt of er sprake is van schijnzelfstandigheid in de zin van de mededingingsregels, in de zin van het privaatrecht of in de zin van het fiscaal recht? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen?
Het is Europeesrechtelijk vastgelegd wanneer sprake is van een ondernemer in zin van het mededingingsrecht.
Dit begrip en de daarbij behorende criteria zijn nader uitgewerkt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in de uitspraak FNV KIEM/Nederlandse Staat bepaald dat schijnzelfstandigen dienstverleners zijn van wie de situatie vergelijkbaar is met die van werknemers. Indien de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een mededingingsrechtelijk onderzoek start, dan zal zij beoordelen of bij de desbetreffende dienstverlener sprake is van een onderneming in de zin van artikel 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de Mededingingswet. Per geval kan zodoende onderzocht worden of sprake is van een ondernemer in de zin van het mededingingsrecht. Voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst zijn criteria opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Bij de beoordeling of er sprake is van een dienstbetrekking wordt door de Belastingdienst aangesloten bij de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Deze zijn nader ingevuld in de (fiscale en civielrechtelijke) jurisprudentie. Gezien de reeds aanwezige uitwerking is er op dit moment geen noodzaak tot het opstellen van beleidsregels.