De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
De gevolgen van de overgangsregeling voor het invoedingstarief voor de subsidietenders IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangekondigde overgangsregeling voor het invoedingstarief?1
Ja.
Klopt het dat het verplichtingenbudget voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B is verhoogd vanwege de mogelijke invoering van een invoedingstarief?
Ja.
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over het voornemen van de ACM om een invoedingstarief in te voeren en wanneer heeft u besloten het verplichtingenbudget te verhogen?
In oktober 2024 heeft de ACM op haar website aangekondigd onderzoek te doen naar de invoering van een invoedingstarief. De hoogte, vormgeving, overgangsperiode en eventuele uitzonderingen van het beoogde invoedingstarief waren toen (ook) nog niet duidelijk. Deze aankondiging was een stap in een langer durend proces waarin ACM zelfstandig onderzoek uitvoert en regelmatig belanghebbenden, waaronder EZK, consulteert. De ACM neemt later in het besluitvormingsproces definitieve keuzes over het invoedingstarief. Die zijn nog niet genomen.
Naar aanleiding van gesprekken met de ACM en de zorgen van de sector wind op zee ten tijde van de marktconsultatie van de ontwerpregeling van IJmuiden Ver Gamma is in het voorjaar van 2026 besloten om het verplichtingenbudget te verhogen.
Welke gevolgen heeft de aangekondigde overgangstermijn van twintig jaar voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B?
De ACM heeft een overgangstermijn van 20 jaar aangekondigd waarvoor het invoedingstarief niet zal gelden. De termijn van 20 jaar begint te lopen op het moment dat de investering in gebruik wordt genomen. Projecten waarvoor een definitieve investeringsbeslissing is genomen vóór de ingangsdatum van het invoedingstarief – op dit moment voorzien op 1 januari 2032 – komen in aanmerking voor deze overgangstermijn.
De vergunninghouders van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B kunnen een definitieve investeringsbeslissing nemen voor de inwerkingtreding van het invoedingstarief en vallen dan onder de aangekondigde overgangstermijn. Omdat de windparken voorzien om in gebruik te worden genomen in 2032 zijn ze tot en met 2052 uitgezonderd van het betalen van een invoedingstarief.
Vergunningen voor windparken op zee worden echter afgegeven voor een periode van veertig jaar. Dit betekent dat IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B slechts gedeeltelijk zullen worden vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen daarom ook het risico van de periode na de vrijstelling meenemen in de berekeningen van de businesscase wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Daarnaast heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De overgangsperiode van 20 jaar is positief ontvangen door de sector. Windparkontwikkelaars hebben aangegeven dat de overgangstermijn een deel van de zorgen over het invoedingstarief wegneemt, maar zeker niet alle zorgen.
Kunt u bevestigen dat deze windparken onder het overgangsrecht vallen wanneer vóór de voorziene invoering van het invoedingstarief op 1 januari 2032 een definitieve investeringsbeslissing wordt genomen en dat zij daardoor gedurende hun volledige subsidieperiode van vijftien jaar geen invoedingstarief hoeven te betalen?
Ja, op basis van de informatie die de ACM heeft gecommuniceerd.
Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen worden windparken op zee vergund voor een periode van veertig jaar. IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn dus slechts gedeeltelijk vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars kunnen daarom ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag, wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Deelt u de conclusie dat de onderbouwing voor de verhoging van de maximale tenderbedragen door de twintigjarige overgangstermijn grotendeels is komen te vervallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen is een vergunninghouder van het windpark Gamma-A en Gamma-B slechts een gedeelte van de veertigjarige vergunningsduur vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag dat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Ook heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De markt moet de ruimte hebben het risico in te kunnen prijzen passend binnen hun businesscase. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Welk deel van de verhoging van de maximale tenderbedragen met € 13 per MWh en de daarmee samenhangende verhoging van het verplichtingenbudget met € 1,56 miljard was bedoeld om het risico van het invoedingstarief op te vangen?
In de Kamerbrief over de definitieve tenderregelingen van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn daarvoor de volgende tabellen opgenomen. Daarin is te lezen dat het leidt tot een verhoogd verplichtingenbudget van € 780 miljoen per kavel. Dit bedrag kan lager uitvallen als het winnend tenderdrag lager is:
IJmuiden Ver Gamma- A
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 104/MWh
€ 2,379 mld
€ 3,978 mld
Bij € 117/MWh
€ 3,159 mld
€ 4,758 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
IJmuiden Ver Gamma- B
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 103/MWh
€ 2,271 mld
€ 3,918 mld
Bij € 116/MWh
€ 3,051 mld
€ 4,698 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
Bent u bereid het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vóór de openstelling van de tenders opnieuw te laten berekenen welke maximale tenderbedragen nodig zijn, rekening houdend met de aangekondigde overgangsregeling?
Nee, omdat ik niet van plan ben om het maximale tenderbedrag nog aan te passen. Op basis van het budget en voorwaarden in de definitieve tenderregeling besluit een windparkontwikkelaar wel of geen vergunningsaanvraag voor te bereiden. De kosten van het voorbereiden van een aanvraag zijn aanzienlijk. Een definitieve tenderregeling moet dus voldoende zekerheid bieden voor windparkontwikkelaars om een aanvraag voor te willen bereiden en in te kunnen dienen. Als er ná publicatie van de definitieve tenderregeling wel wijzigingen worden aangebracht (lees: verlaagd), dan leidt dit tot een afbreukrisico voor deze en toekomstige tenders van windparken op zee. Dit omdat de definitieve tenderregeling windparkontwikkelaars dan onvoldoende zekerheid biedt over de robuustheid van de kaders die nodig zijn om een vergunningsaanvraag voor te kunnen bereiden en in te dienen die past binnen hun businesscase.
Wel zal in de voorbereiding van volgende tenders voor windparken op zee zoveel als mogelijk de ervaring met deze tender en de meest recente informatie van de ACM over het invoedingstarief worden betrokken.
Bent u bereid de maximale tenderbedragen en subsidieplafonds vóór de openstelling van de tenders te verlagen wanneer uit deze berekening blijkt dat de huidige bedragen niet langer noodzakelijk zijn?
Nee. Zie het antwoord onder 8.
Hoe voorkomt u dat windparkontwikkelaars subsidie ontvangen voor kosten die zij vanwege het overgangsrecht tijdens de subsidieperiode niet hoeven te maken?
Omdat het een tender in competitie is zal een windparkontwikkelaar voor een grotere winkans een lager tenderbedrag willen bieden als de businesscase daartoe ruimte biedt. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland uitzonderlijke maatregelen neemt vanwege de waterschaarste. |
|
Mona Keijzer |
|
Silvio Erkens (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
Bent u bekend met het besluit van het Hoogheemraadschap van Delfland om per 5 augustus 2026 een volledig verbod in te stellen op het onttrekken van oppervlaktewater voor onder meer de glastuinbouw, landbouw en andere economische functies?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Kunt u uiteenzetten hoe ernstig het watertekort in Delfland daadwerkelijk is en op welke objectieve gegevens dit besluit is gebaseerd? In hoeverre verschilt de huidige situatie van eerdere droge jaren waarin dergelijke ingrijpende maatregelen niet of later zijn genomen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) heeft te maken met een ernstig watertekort en ziet, als gevolg daarvan, risico’s voor de stabiliteit van keringen binnen het beheergebied toenemen. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte waterkwaliteit. Een watertekort ontstaat geleidelijk en wordt objectief beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling in waterstanden, aanvoerdebieten en berekeningen van de watervraag en -verlies door bijvoorbeeld verdamping.
Vergeleken met eerdere droogte jaren is de huidige droogte zeer ernstig. Het huidige neerslagtekort valt in de 5% hoogste ooit gemeten en ook de rivierafvoeren zijn historisch laag. De afvoer van de Rijn is met 553 m3/s lager dan ooit gemeten, de afvoer van de Maas is laag, grondwaterstanden zijn op de meeste plaatsen laag tot extreem laag en ook het waterpeil van het IJsselmeer is onder de zomerse ondergrens gezakt. Bij gebrek aan externe wateraanvoermogelijkheden zijn waterschappen als Delfland genoodzaakt pijnlijke maatregelen te nemen om de watervraag te verminderen; aan de aanbodkant kan immers niet of beperkt gestuurd worden. Zoals in Delfland het geval is, kunnen deze maatregelen onder meer de glastuinbouw, landbouw en natuur, maar ook andere categorie 3 en 4 functies uit de wettelijke verdringingsreeks hard raken. Toch zijn deze maatregelen nodig om de waterveiligheid te borgen en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen (categorie 1 en 2 functies uit de verdringingsreeks).
Kunt u gezien het watertekort het experiment «Haringvlietsluizen op een kier»1 tijdelijk stopzetten, zodat er minder zout water de Haringvliet binnenstroomt?
In het Kierbesluit Haringvlietsluizen is rekening gehouden met situaties van lage Rijnafvoeren en droogte. Dit is vastgelegd in een bedienprotocol. Bij een Rijnafvoer van 1.100 m3/s of lager gaan de Haringvlietsluizen dicht. Daarom zijn de sluizen deze zomer al sinds 25 juni dicht. Er is daardoor geen risico op verzilting van de inlaatpunten voor zoetwater in dit gebied als gevolg van het Kierbesluit.
Is bij u bekend welke economische schade dit verbod kan veroorzaken voor boeren en tuinders in het beheergebied van Delfland, in het bijzonder voor grondgebonden glastuinbouwbedrijven met teelten zoals radijs, sla, chrysanten en alstroemeria?
Op 13 augustus jl zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken. Er is sprake van economische schade, maar de omvang van deze schade is lastig exact in te schatten.
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven in de groente- en bloementeelt. Ongeveer 10% hiervan teelt in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. De omvang van de economische schade voor deze bedrijven is onder meer afhankelijk van het gewas en het aantal teeltcycli. Bij langdurige teelten, zoals alstroemeria, kan de economische schade groter zijn dan bij gewassen met meerdere teeltcycli per jaar. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 11.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit onttrekkingsverbod kan hebben voor de productie, werkgelegenheid en bedrijfscontinuïteit van de naar schatting 150 glastuinbouwbedrijven2 ?
Het onttrekkingsverbod zal gevolgen hebben voor een aanzienlijk deel van de glastuinbouwbedrijven in dit gebied. De omvang van de gevolgen is afhankelijk van vele factoren zoals de mate van waterbuffer die de bedrijven hebben kunnen opbouwen vóórafgaand aan het onttrekkingsverbod, de mogelijkheid en kosten van de inzet van alternatieve waterbronnen, de inzet van ondernemers om hun weerbaarheid tegen droogte te versterken (bijv. met investeringen in waterrecirculatie technieken of droogtebestendige gewassen en teeltsystemen), en de uiteindelijke duur van het onttrekkingsverbod. Na afloop van de droogte zal het Rijk de economische schade als gevolg van de huidige droogte landelijk in beeld brengen en evalueren.
Klopt het dat tuinders onvoldoende of zeer laat zijn geïnformeerd over de ernst van de situatie en de mogelijkheid van een volledig onttrekkingsverbod? Zo ja, acht u dit goed bestuur en bent u bereid Delfland hierop aan te spreken?
De droogtesituatie wordt door waterbeheerders dagelijks geëvalueerd en impactvolle besluiten worden zo lang als de situatie dat toelaat uitgesteld om onnodige schade ten gevolge daarvan te voorkomen. Delfland geeft aan dat een onverwacht sterke daling van de Rijnafvoer in combinatie met een uitzonderlijk neerslagtekort ertoe heeft geleid dat het snel moest besluiten tot een onttrekkingsverbod. Betrokken stakeholders zijn daarna zo snel mogelijk geïnformeerd. Daarbij geeft Delfland aan de periode tussen het nemen van het besluit en het ingaan van het onttrekkingsverbod zo lang mogelijk te hebben gemaakt (zo lang als de situatie toeliet) om de sectoren te kunnen informeren. Delfland heeft gehandeld conform de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks die bij de betrokken partijen bekend is. Op dit moment sta ik in nauw contact met Delfland en Glastuinbouw Nederland over de droogtesituatie en ieders handelingspersperspectief.
Klopt het dat in eerdere communicatie van Delfland richting ondernemers de indruk is gewekt dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn? Hoe beoordeelt u in dat licht de communicatie vanuit Delfland richting ondernemers?
Nee, dit klopt niet. Delfland heeft niet gecommuniceerd dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn. Via de website, sociale media en de lokale pers is door het waterschap gedurende de droogteperiode uitvoerig gecommuniceerd over de droogtesituatie, de zorgen over de zoetwaterbeschikbaarheid en de reeds genomen en mogelijk nog te nemen maatregelen.
Klopt het dat Delfland vooral vasthoudt aan normen omtrent zoutgehalten in het water en daarom kiest voor een volledig verbod op onttrekking? Zo ja, welke afweging is daarbij gemaakt tussen de risico's van een tijdelijk hoger zoutgehalte enerzijds en het volledig verloren gaan van gewassen anderzijds?
Delfland geeft aan dat bij de afweging die is gemaakt de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks is gehanteerd, waarbij waterveiligheid de hoogste prioriteit heeft. Bij de afweging omtrent een tijdelijk hoger zoutgehalte is meegewogen dat dit leidt tot verdere verzilting van het watersysteem. Dit brengt risico's met zich mee voor verschillende zoetwatervragers, waaronder de landbouw en glastuinbouwsector zelf en de (onderwater)natuur. Daarnaast heeft Delfland afspraken over het doorvoeren van water met een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit met het buurwaterschap, waar het water ook meerdere gebruiksfuncties moet kunnen dienen.
Is onderzocht of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, bijvoorbeeld uitsluitend overdag, mogelijk was geweest, zodat in de nacht nog beperkt gebruik van oppervlaktewater kon plaatsvinden?
Ja, Delfland geeft aan een gedeeltelijk onttrekkingsverbod te hebben overwogen. Geconcludeerd is echter dat ál het beschikbare zoetwater nodig is om de waterveiligheid te borgen. Inmiddels zijn al bij verschillende dijken binnen het beheergebied scheuren ontstaan. Het waterschap monitort de dijken nauwlettend en voert waar nodig herstelwerkzaamheden uit.
Is onderzocht of onder gecontroleerde omstandigheden tijdelijk een hoger zoutgehalte kon worden toegestaan om ernstige economische schade aan voedsel- en sierteeltgewassen te voorkomen? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Ja, Delfland geeft aan dat deze mogelijkheid is onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Indien tijdelijke toelating van zouter water onvoldoende hulp zou bieden, is onderzocht of aanvullend gebruik kan worden gemaakt van gezuiverd effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Hoek van Holland of Waterzuivering Harnaschpolder in Den Hoorn voor de bloementuinbouw? Zo nee, waarom niet?
Ja, Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in goed gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Er liggen meer opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ook ontzilting van brak- of zoutwater.
Kunt u toezeggen om samen met Delfland, de glastuinbouwsector en andere betrokken partijen te onderzoeken of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, een hoger zoutgehalte of een tijdelijke inzet van gezuiverd effluent van de RWZI Hoek van Holland mogelijk kan zijn om acute schade aan gewassen en bedrijven te voorkomen?
Op donderdag 13 augustus jl. zijn Staatssecretaris Silvio Erkens van het Ministerie van LVVN en ik bij Delfland op bezoek geweest, waar we met het waterschap en de sector hebben gesproken over het beschermen van de dijken en de mogelijkheden om schade aan gewassen door de watertekorten te voorkomen. Zo hebben wij bijvoorbeeld gesproken over het gebruik van gezuiverd effluent en het ontzilten van zoutwater. Met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden de verschillende opties uitvoerbaar zijn. Feitelijk wordt momenteel reeds 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke rol speelt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) bij deze besluitvorming en is binnen die commissie gesproken over alternatieven waarbij bijvoorbeeld tijdelijk meer verzilting wordt geaccepteerd ten gunste van voedselproductie en economische continuïteit? Zo nee, waarom is deze commissie niet meegenomen hierin en welke lessen trekt u hieruit?
De LCW heeft een landelijk coördinerende en adviserende functie, maar de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor beheermaatregelen ligt bij de betreffende waterbeheerder(s). Bovenregionale afstemming vindt binnen de LCW plaats. In dit geval was dit een maatregel binnen één Regionaal Droogte Overleg (RDO) en was er dus geen afstemming nodig met de LCW.
Hoe verhoudt de droogtesituatie in het beheergebied van Delfland zich tot de situatie in andere delen van Nederland waar eveneens sprake is van aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren?
De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s om verschillende redenen. Het neerslagtekort in deze regio is groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoetwater in het gebied is beperkt mogelijk. Door de ligging aan zee is er ook sprake van toenemende zoutindringing, wat een probleem is voor de landbouw vanwege schade aan gewassen. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en liggen er veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied van Delfland.
Zijn er andere waterschappen die momenteel te maken hebben met vergelijkbare omstandigheden, maar waarbij geen volledig verbod op het onttrekken van oppervlaktewater voor de glastuinbouw of landbouw is ingesteld? Zo ja, welke verschillen bestaan er in de gekozen aanpak en belangenafweging?
Ja, ook bij andere waterschappen doen zich vergelijkbare omstandigheden met betrekking tot droogte voor. Echter, door regionale verschillen is de situatie bij elk waterschap anders, zo ook de omvang van de watertekorten en de genomen maatregelen. In het oosten van Nederland, waar de bodem veel zandiger is, staat het oppervlaktewatersysteem in nauwere verbinding met het grondwatersysteem. Meer dan elders zetten waterschappen hier in op grondwatermaatregelen, zoals grondwateronttrekkingsverboden. Deze zijn op verschillende plekken ingesteld om onomkeerbare schade aan Natura 2000-gebieden, eveneens categorie 1 in de verdringingsreeks, te voorkomen. In het noorden van Nederland daarentegen is het neerslagtekort kleiner en is wateraanvoer uit het IJsselmeer tot nu toe mogelijk geweest. De droogteproblematiek is hier dan ook minder kritiek.
Zo maken waterbeheerders binnen hun eigen bevoegdheden en regionale context een eigen afweging over de inzet van maatregelen. Daarbij worden de effectiviteit en proportionaliteit beoordeeld, passend bij de omstandigheden in het eigen beheergebied. Overigens hebben inmiddels de meeste regio’s onttrekkingsverboden ingesteld.
Klopt het dat Glastuinbouw Nederland niet is betrokken bij de totstandkoming van deze maatregelen en dat overleg over alternatieve oplossingen beperkt of zelfs niet heeft plaatsgevonden? Indien dit klopt, hoe beoordeelt u dat?
Delfland heeft het besluit zelfstandig genomen. Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit. Verder geldt dat reeds enkele jaren, ook tijdens eerdere perioden van droogte, regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen Delfland en Glastuinbouw Nederland over alternatieve gietwaterbronnen. De huidige droge periode onderstreept het belang van deze gesprekken. Momenteel worden met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zie vraag 12.
Is de gemeente Westland, waar een groot gedeelte tuinders actief zijn, vooraf betrokken door Delfland bij de totstandkoming van deze maatregel en eventuele alternatieven? Zo niet, hoe beoordeelt u dit gebrek aan afstemming door Delfland?
De gemeente Westland is, net als andere stakeholders, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de maatregelen geïnformeerd. Ik herken het beeld niet dat er een gebrek aan afstemming is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Deelt dit kabinet de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers zwaarwegende publieke belangen zijn die nadrukkelijk moeten worden meegewogen bij besluiten over waterschaarste?
Het kabinet deelt de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers belangrijk zijn. Daarom zet het kabinet zich ervoor in om met maatregelen de balans tussen watervraag en wateraanbod zo lang mogelijk in stand te houden, waardoor het inzetten van de verdringingsreeks zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Echter in zeer droge perioden zoals nu, is dit niet langer mogelijk en bepaalt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks welke belangen maatschappelijk het zwaarst wegen.
Hoe weegt het kabinet in situaties van waterschaarste, buiten het al bestaande overzicht van verdeling van zoetwater in droge tijden3 , de belangen van voedselproductie, werkgelegenheid en economische continuïteit af tegen andere belangen binnen de verdringingsreeks?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld tussen de volgende vier categorieën (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– Verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Voor de afweging binnen de categorieën van de verdringingsreeks geldt dat Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen treffen die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
Daarbij geldt dat de categorieën 1 en 2 een vaste prioriteitsvolgorde kennen; dat is te zien aan de nummering in bovenstaand schema. Het gaat hierbij met name om maatschappelijke functies, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. Zo wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen van schade aan waterkeringen en aan vitale natuur, en ook aan het waarborgen van de leveringszekerheid van energie en drinkwater.
Binnen de categorieën 3 en 4 is er ruimte voor regionaal maatwerk; hier geldt geen vaste prioriteitsvolgorde. Regionaal kan dus door waterbeheerders worden bepaald welke volgorde binnen deze categorieën wordt aangehouden. Deze categorieën betreffen vooral, maar niet uitsluitend, economische functies. De mate waarin verschillende functies worden getroffen, kan daarbij sterk verschillen per regio. Categorie 3 heeft binnen de verdringingsreeks een bijzondere positie. Deze categorie vormt een uitzondering op categorie 4, waaronder onder meer landbouw en industrie vallen. Het uitgangspunt is dat met een relatief kleine hoeveelheid water, gedurende een beperkte periode, een zeer groot maatschappelijk of economisch effect kan worden bereikt, bijvoorbeeld door massale faillissementen of het volledig falen van de oogst te voorkomen. Ook bij categorie 3 blijft echter gelden dat de belangen uit categorie 1 en 2 voorgaan. Dat speelt op dit moment ook in Delfland, waar het borgen van de waterveiligheid zwaarder weegt dan het beschikbaar stellen van water voor functies in de categorieën 3 en 4.
Bent u momenteel in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, Glastuinbouw Nederland en andere betrokken partijen over de gevolgen van deze maatregel? Zo nee, bent u bereid dit overleg met spoed te initiëren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid zich actief in te zetten voor een oplossing waarbij ondernemers niet onnodig de dupe worden van bestuurlijke keuzes en waarbij ondernemers die binnen enkele dagen zonder water komen te zitten worden geholpen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat waterschaarste ingrijpende gevolgen kan hebben voor ondernemers. Tegelijkertijd, bij ernstige waterschaarste moeten maatregelen worden genomen om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers niet onnodig worden geraakt en dat binnen de kaders van de verdringingsreeks waar mogelijk naar oplossingen wordt gezocht. Daarom worden nu ook met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zoals het ontzilten van water en het hergebruik van effluent. Tevens wordt momenteel 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie). Tegelijkertijd kunnen ondernemers zichzelf ook weerbaar maken tegen waterschaarste. Het kabinet ondersteunt en stimuleert dit onder andere via het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
Deelt u de mening dat een overheid betrouwbaar, voorspelbaar en dienstbaar behoort te handelen en dat ingrijpende besluiten die ondernemers direct raken tijdig, zorgvuldig en in overleg met betrokken sectoren moeten worden voorbereid? Is dit volgens u beiden voldoende gebeurd? Zo ja, graag een tijdlijn van overleggen met de daarbij horende gespreksonderwerpen. Zo nee, hoe reflecteert u hierop en welke lessen trekt u hieruit?
Ja, die mening deel ik. Delfland geeft aan dat de situatie snelle besluitvorming vergde. Zij hebben daarbij een brede belangenafweging gemaakt conform de wettelijke verdringingsreeks. Hierbij zijn de belangen van alle stakeholders gewogen. Bijvoorbeeld die van gemeenten, binnenvaart, inwoners, recreatie en ondernemers, én de glastuinbouw. Voor een tijdlijn van overleggen verwijs ik u graag naar Delfland.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Delfland over hun handelwijze, communicatie en belangenafweging rondom dit onttrekkingsverbod, zodat kan worden vastgesteld of hier sprake is geweest van zorgvuldig en proportioneel bestuur?
Ik zie geen aanleiding om met Delfland hierover in gesprek te gaan. Delfland heeft binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks gehandeld. Wel is het zo dat elke droogteperiode door de LCW breed geëvalueerd wordt. Het onttrekkingsverbod van Delfland zal naar alle waarschijnlijkheid onderdeel vormen van deze evaluatie.
Kunt u deze vragen, gezien de acute situatie, de beperkte watervoorraden bij veel tuinders en de dreigende economische schade, uiterlijk 12 augustus 2026 beantwoorden?
Ik heb geprobeerd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Tot slot, bied ik graag aan om een technische briefing over de Droogte aan de Tweede Kamer te (laten) verzorgen. Graag hoor ik of uw Kamer daar behoefte aan heeft.
Het wolven – en natuurbeleid |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten (zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps- en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het gaat inderdaad over het algemeen niet goed met natuur en biodiversiteit in Nederland. Dit blijkt, naast uit de rapporten van IPBES en IPCC, ook uit nationale rapportages zoals die van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 472).1 We zien dat lokaal ook verbetering plaats vindt door natuurherstelmaatregelen, maar over het geheel bezien nemen bijzondere, van oorsprong hier voorkomende natuurwaarden nog steeds af. De natuur wordt daarmee steeds eenvormiger in plaats van (bio)diverser. De nationale rapportages voor Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn over de periode 2019–2024 laten zien dat slechts 6 van de 52 habitattypen (12%) en 20 van de 91 Habitatrichtlijnsoorten (22%) in gunstige staat zijn. De vogels laten een iets rooskleuriger beeld zien, maar daarvoor worden alleen aantallen en trends gerapporteerd en niet of die aantallen voldoende zijn.
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Een wolf is een groot roofdier en heeft een belangrijke sturende rol in het ecosysteem. Hij staat bovenaan in de voedselpiramide.
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) wordt bekendheid gegeven aan de aanwezigheid van wolven in Nederland. Het LIW biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven.
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Dit blijkt inderdaad uit onderzoek van PBL en ook uit bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde rapportage over soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).2 Een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde natuur is voldoende ruimte. De natuurherstelverordening bevat bindende en tijdsgebonden verplichtingen en maakt de noodzaak voor meer ruimte voor natuur daarmee extra urgent.
Naast deze wettelijke verplichtingen toont onderzoek aan dat investeringen in natuur tal van maatschappelijke en economische voordelen hebben.
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel daarvan is voor de export?
In 2025 was het gemiddeld aantal schapen in Nederland ongeveer 900.500 schapen. In dat jaar zijn ongeveer 481.000 slachtingen gemeld. Het is niet bekend hoeveel geslachte schapen bestemd waren voor de export.
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Ja.
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de wettelijke verplichting om te zorgen voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde soorten en habitattypen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daarvoor meer ruimte nodig is. Dat hoeft niet allemaal te worden ingevuld met gebieden met een exclusieve natuurfunctie; leefgebieden van veel soorten kunnen bijvoorbeeld goed samengaan met andere functies. De ruimtelijke inpassing van de Nederlandse natuurdoelen vraagt zorgvuldige afweging met andere ruimtelijke opgaven.
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501–08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Zoals aangegeven in de meest recente rapportage van de VHR gaat het met een aanzienlijk deel van de Nederlandse beschermde soorten niet goed. Via verschillende instrumenten en programma’s wordt gewerkt aan populatieherstel (bijvoorbeeld Programma Natuur, Groen in en om de Stad, Basiskwaliteit Natuur). In het kader van de NHV worden aanvullende maatregelen ontwikkeld om de situatie te verbeteren. Voor diersoorten bevat de NHV een algemene verplichting om voor alle VHR-soorten voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Daarnaast zijn er ook tijdgebonden kwantitatieve verplichtingen voor specifieke soortgroepen (boerenlandvogels, bosvogels, mariene soorten en bestuiverpopulaties). Het kabinet geeft invulling aan deze verplichtingen in het Natuurplan. Voor het voldoen aan de bestaande Europese afspraken rondom natuur heeft het kabinet extra maatregelen genomen met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk II 2025–2026, 36 800 XIV, nr. 87).
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wolf is er nu eenmaal in Nederland, dus we moeten manieren vinden om daar op een goede manier mee om te gaan. Hierbij heb ik extra oog voor de veiligheid van inwoners in wolvengebieden. Via het LIW en nationale regelgeving geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het omgaan met wolven in Nederland.
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag, gaat u in dat kader nemen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde «probleemsituaties met een wolf»? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet extra doen?
Het ligt in de verwachting dat een uitbreiding of ontsnippering van dat habitat ertoe leidt dat er in beginsel ruimte komt voor het bestaand aantal roedels wolven. Of het ook leidt tot een kleinere kans op probleemsituaties met wolven kan ik nu niet zeggen, er is geen onderzoek naar gedaan.
Voor zover het gaat om wolvenaanvallen op vee heeft Wageningen Environmental Research, zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, een ruimtelijke analyse uitgevoerd van de schade in Nederland. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen zouden kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm uit het Besluit houders van dieren met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad in december.
Erkent u dat de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels introduceert voor de begrippen «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf», maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Provincies zijn bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit. De amvb vult de beoordelingsregels voor een flora- en fauna-activiteit voor handelingen met betrekking tot een wolf in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) aan met specifieke regels voor het geval sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» (de nieuwe artikelen 8.74la en 8.74lb Bkl). Deze aanvullende beoordelingsregels zijn bedoeld om het bevoegd gezag specifieke handvatten te bieden voor de toetsing aan de vereisten voor vergunningverlening. Het is aan bevoegd gezag om hieraan invulling te geven in het kader van de daadwerkelijke vergunningverlening.
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
De amvb behoeft geen verdere invulling en er is hiervoor daarom geen vervolgproces waar wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts bij worden betrokken. Wel moeten provincies, als bevoegd gezag, als zij bij de vergunningverlening gebruik maken van de mogelijkheden die de amvb biedt, gebruikmaken van het oordeel van wolvendeskundigen bij de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen hebben?
Het opstellen van draaiboeken en protocollen, als ook het per geval vaststellen of er sprake is van een probleemsituatie of een probleemwolf is de bevoegdheid van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welke manier het dit plaatsvindt.
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte in Nederland?
De Europese regelgeving bepaalt de algemene kaders van het Nederlandse wolvenbeleid. Het verlenen van een vergunning voor het doden, of vangen, van een wolf is binnen deze kaders mogelijk, wanneer aan bepaalde vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, het tweede vereiste is de aanwezigheid van een goede rechtvaardigingsgrond voor de handeling. Het derde vereiste is dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het bevoegd gezag toetst dus bij de beoordeling van een vergunningaanvraag onder meer of er geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen dan het opzettelijk doden van de wolf zijn. Er wordt in de praktijk serieus omgegaan met deze voorwaarden en er wordt niet lichtzinnig omgegaan met het doden van wolven.
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen om zelfstandig wolven te verjagen?
Het klopt dat het enkel verstoren van wolven niet langer vergunningplichtig is nu de wolf is toegevoegd aan bijlage IX bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wel valt verstoring onder de specifieke zorgplicht, die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Provincies zijn voor de specifieke zorgplicht het bevoegd gezag. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat van de initiatiefnemer van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een soort, wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen daadwerkelijk nadelige gevolgen kan hebben en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen. Het uitgangspunt van deze specifieke zorgplicht is ook dat handelingen met mogelijk nadelige gevolgen voor in het wild levende planten en dieren achterwege worden gelaten. Dit betekent dat verstoring op een zorgvuldige manier moet gebeuren om nadelige gevolgen voor in dit geval de wolvenpopulatie te voorkomen. Provincies kunnen daarover maatwerkregels stellen of in individuele gevallen maatwerkvoorschriften geven, om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop bij het verstoren van wolven aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven (artikelen 11.29 en 11.31 van het Bal). In de praktijk zal de verstoring vaak gebeuren door gespecialiseerde eenheden die in opdracht van de provincie werken. Hiermee is gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van een vrijbrief en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met het verjagen van wolven.
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
De toegestane middelen zijn niet gespecificeerd en er is, mits het legaal toegestane middelen betreft, geen beperking aan diegenen die deze middelen mogen gebruiken. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat alle legale middelen zijn toegestaan, mits deze niet dodelijk zijn en geen inbreuk maken op de staat van instandhouding, waaronder middelen die geluid- en lichtsignalen verspreiden. Het bevoegd gezag kan, desgewenst met behulp van een wolvendeskundige, bepalen welke middelen in welke situatie en op welke ingezet kunnen worden. Het verjagen en verstoren van de wolf valt daarnaast onder de specifieke zorgplicht die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen? Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
In het advies is de Afdeling advisering van de Raad van State inderdaad ingegaan op de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen te betrekken wolvendeskundige. In de nota van toelichting ben ik daarom nader ingegaan op de rol van deze wolvendeskundige bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag. Een wolvendeskundige heeft expertise op het gebied van wolvengedrag, wetgeving of sociale impact en heeft daarom kennis over de interactie tussen wolven en hun leefomgeving, hoe een roedel functioneert, migreert of jaagt. Vanuit zijn expertise kan hij bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Zijn deskundigheid kan blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan de in te schakelen deskundige. Hierbij is het van belang dat de onafhankelijkheid en expertise van de geraadpleegde wolvendeskundige maatschappelijk niet ter discussie staat. De deskundige zal bijvoorbeeld zelf geen direct belang mogen hebben bij het doden of vangen van wolven en geen deel mogen uitmaken van een actiegroep of een organisatie waarvan de maatschappelijke integriteit rond de positie van de wolf ter discussie staat. Er kan voor een deskundige uit het nog op te richten Landelijk Deskundigenteam Wolven worden gekozen, dit is niet verplicht.
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter plaatse kan zijn?
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Naar verwachting is dit team op voor het eind van het jaar operationeel.
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33 576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, hebben de provincies het voortouw bij de inrichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven. Hierbij wordt rekening gehouden met deskundigheid en objectiviteit van de leden. Het past niet bij de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies om hier een instructie over mee te geven.
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een «probleemwolf» en dat de Afdeling ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) heb aangegeven, heeft de Raad van State in haar advies van 20 mei jl. aangegeven de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend te vinden en geadviseerd nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Naar aanleiding van dit advies heb ik de nota van toelichting daarom aangevuld en heb ik daarnaast de bepaling over feitelijke vaststelling gewijzigd.
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische duiding van dit instrument?
Als een mens door een wolf is aangevallen en er daarbij ook letsel is toegebracht, is er sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n situatie moet er snel kunnen worden gehandeld en moet worden voorkomen dat op dat moment nog een volledige vergunningprocedure moet worden doorlopen. Daarom vind ik het van belang dat het voor deze meest ernstige situatie van agressie mogelijk is om vooraf een vergunning te verlenen voor het doden van een wolf. Als voor deze situaties op voorhand al een vergunning is verleend, ligt deze vergunning als het ware al op de plank en kan snel worden ingezet. Gelet op de vragen van de Raad van State heb ik de nota van toelichting op dit punt aangevuld, waarbij nader is ingegaan op de passendheid, wenselijkheid en meerwaarde van het instrument van de vergunning op voorhand voor toekomstige situaties, en op de specifieke waarborgen die zijn verbonden aan deze vergunning. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling – zoals ook toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) – de bepaling over deze feitelijke vaststelling gewijzigd in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Met deze wijziging worden onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en blijft de snelheid van het proces behouden. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 22 heb aangegeven, is er als een mens door een wolf is aangevallen en daarbij ook letsel is toegebracht, sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n geval moet er snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan immers noodzakelijk zijn om direct in te grijpen om te voorkomen dat de situatie zich herhaalt of dat het gevaarlijke gedrag wordt overgenomen door andere wolven van dezelfde roedel, wat mogelijk tot grootschaliger ingrijpen met voor de populatie grotere gevolgen zou kunnen noodzaken. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl maakt het mogelijk dat er voor deze meest ernstige situatie van agressie op voorhand een vergunning is verleend, zodat deze op de plank ligt als zo’n situatie zich voordoet en er niet nog een volledige vergunningprocedure doorlopen moet worden.
Omdat het gaat om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft, wordt aan deze vergunning een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (zie ook mijn antwoord op vraag 22).
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de vergunning op voorhand en het later «activeren» daarvan niet averechts kan werken, doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Nee. Zoals ik mijn antwoorden op de vragen 22 en 23 heb toegelicht, is de bepaling over de feitelijke vaststelling naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd. In deze antwoorden heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift is vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Zie mijn antwoorden op de vragen 22, 23 en 24.
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele, feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers bij gaat betrekken?
Het gaat om een vergunning op voorhand voor toekomstige situaties. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect op de populatie naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen.
Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe is in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een advies- en informatieplicht is verbonden. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 22 en 23.
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om een vergunning op voorhand te verlenen. Ik verzoek hen juist om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Bent u bereid om begrippen als «verstoring», «aversieve conditionering», «pogingen», «hetzelfde gebied» en «geïnteresseerd lijkt» alsnog nader te duiden in een ministeriële regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen, om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de wolven?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om een nadere invulling te geven aan deze begrippen. Ik zie geen reden om deze begrippen nader in te vullen.
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd? Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen? Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Op basis van de beschikbare gegevens van BIJ12 over schademeldingen in het kader van aanvallen op landbouwdieren door wolven blijkt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen sprake was van beschermingsmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de provinciale adviesnormen. De exacte cijfers per jaar (2022–2025) zijn hieronder weergegeven.3
JAAR
TOTAAL AANTAL SCHADEMELDINGEN1
AANTAL GEVALLEN MET ONVOLDOENDE OF GEEN BESCHERMING
PERCENTAGE ONVOLDOENDE BESCHERMING
2022
312
308
99%
2023
427
418
98%
2024
804
773
96%
20252
1.121
1.040
92%
Het totaal aantal aanvallen betreft alleen de gevallen waarbij een schadeclaim is ingediend en waarbij de schade (vermoedelijk) is veroorzaakt door een wolf.
Deze getallen wijken af van de BIJ12 jaarrapportage wolf 20253. Dit komt omdat er ten tijde van de publicatie van de jaarrapportage nog 13 meldingen in behandeling waren.
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie voor wolvenaanvallen?
Uit informatie van BIJ12 blijkt dat de provincies de afgelopen jaren de volgende tegemoetkoming in de wolvenschade hebben uitgekeerd:4
2022: € 300.708,00
2023: € 366.818,00
2024: € 928.382,00
2025: € 1.551.602,00
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
De NVWA behandelt jaarlijks een groot aantal meldingen over dierenwelzijn. Meldingen van onvoldoende bescherming van vee tegen wolven vallen daar ook onder. Er is geen specifieke capaciteit toebedeeld aan inspecties over bescherming tegen wolven. Meldingen over onvoldoende bescherming tegen roofdieren worden beoordeeld en risicogericht opgepakt. Er wordt daarvoor gekeken hoeveel aanvallen er hebben plaatsgevonden, in welk gebied deze hebben plaatsgevonden en welke maatregelen de houder lijkt te hebben genomen.
De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij duidelijk sprake is van een exces. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. In geval van een exces wordt er een fysieke inspectie uitgevoerd door een inspecteur dierenwelzijn. Er wordt gekeken welke dieren aanwezig zijn, in welk gebied ze staan en op welke manier bescherming wordt geboden tegen wolven. De NVWA benut hierbij de fauna preventiekit van BIJ12. Indien een overtreding wordt geconstateerd, volgt een interventie en een herinspectie.
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerendemaatregelen en dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met juni 2026 zijn er 8 inspecties uitgevoerd. In 6 gevallen is er een overtreding geconstateerd en een officiële waarschuwing gegeven. Ook zijn er 3 herinspecties uitgevoerd. Bij deze herinspecties bleek de situatie op orde.
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Dierhouders zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun dieren tegen roofdieren, waaronder wolven. Om deze verplichting concreter te maken, wordt gewerkt aan een beleidsregel. Deze zal helderheid bieden over de verwachtingen en normen voor veebescherming. Dit draagt bij aan een effectiever toezicht en handhaving. Daarnaast zetten overheden in op het ondersteunen van dierhouders bij het treffen van adequate wolfwerende maatregelen. Dit vergt namelijk aanzienlijke inspanningen, specifieke kennis en expertise. Om dierhouders hierbij te ondersteunen, zijn de volgende maatregelen genomen:
Er zijn diverse initiatieven gestart of in ontwikkeling, zoals de Drentse praktijkproef met mobiele wolfwerende rasters. Deze initiatieven dragen bij aan kennisontwikkeling en praktische toepassing van beschermingsmaatregelen. Uit de huidige ontwikkelingen blijkt dat dierhouders in toenemende mate gebruikmaken van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden. Dit onderstreept het belang van deze regelingen en initiatieven voor de praktijk.
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo nee, waarom niet?
Het uitkeren van tegemoetkomingen bij schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. De provincies bepalen zelf de voorwaarden en vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. Het is aan provincies om te bepalen wanneer er wat hen betreft voldoende praktische en doelmatige mogelijkheden tot ingrijpen zijn die het opportuun maken om preventieve maatregelen als voorwaarde te stellen.
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
De rapporten zijn met de provincies gedeeld en besproken. Daarbij is afgesproken dat provincies bezien hoe de uitkomsten kunnen worden betrokken bij hun subsidieregelingen. Ook is aangeboden provincies te ondersteunen bij aanvragen voor Europese fondsen. Van dit aanbod is tot op heden geen gebruik gemaakt. Wel wordt op initiatief van LVVN en Gelderland gekeken of deelname aan het Europese LIFE-project «Wild Wolf» haalbaar is. De provincies Drenthe, Noord-Brabant en Groningen hebben aangegeven ook interesse te hebben in deelname.
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Provincies zijn verantwoordelijk voor de subsidieregelingen voor wolfwerende maatregelen. Het ministerie verkent de aanvullende inzet van rijksregelingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en kan provincies ondersteunen bij Europese aanvragen. De aanbevelingen om bestaande regelingen toegankelijker en eenvoudiger te maken, het verhoogde de-minimisplafond te benutten en Europese financieringsmogelijkheden nader te onderzoeken, worden onderschreven. Provincies bepalen zelf of en hoe zij hun regelingen aanpassen. Voor LIFE en Horizon Europa zijn samenwerkingsprojecten en een langdurige voorbereiding vereist. Het EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode weinig financiële ruimte. Deze mogelijkheden zijn daarom tot op heden niet omgezet in afzonderlijke landelijke subsidieregelingen.
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, biedt het LIW feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland. Specifieke gegevens over maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf worden niet structureel bijgehouden. In 2025 en 2026 is er € 2.653.000
besteed aan het LIW.
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek óók voor preventie van wolf-mensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren door veehouders, ook per provincie?1
De gevraagde informatie is niet op dit detailniveau beschikbaar. Europese fondsen registreren uitgaven naar programma en projectdoel en niet afzonderlijk als preventie van mens-wolfconflicten of bescherming van landbouwdieren. Daardoor kan de Nederlandse benutting niet per jaar en provincie worden uitgesplitst. Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat binnen Horizon Europa maximaal € 37 miljoen beschikbaar was voor relevante oproepen en binnen LIFE maximaal € 3,5 miljoen per project, hier is door Nederland nog geen gebruik van gemaakt. Binnen het GLB is voor de regeling Productieve investeringen Groen-Blauw en dierenwelzijn voor 2023–2028 in totaal € 50 miljoen beschikbaar, in ieder geval Gelderland heeft hier een subsidiemogelijkheid voor gerealiseerd. EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode naar verwachting weinig ruimte. Provincies maken voor wolfwerende maatregelen vooralsnog beperkt gebruik van Europese fondsen; wel worden dus rijksmiddelen en provinciale middelen ingezet, zie ook mijn antwoord op vraag 33.
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Dit verband kan niet causaal worden vastgesteld. Het aantal dierhouders dat maatregelen treft, wordt niet landelijk op uniforme wijze geregistreerd. Ter uitvoering van de motie heeft het kabinet de provinciale subsidieregelingen en de Europese financieringsmogelijkheden laten onderzoeken, de uitkomsten met provincies gedeeld en ondersteuning bij Europese aanvragen aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat acht provincies begin 2025 een subsidieregeling hadden en dat in meerdere provincies budgetten zijn verhoogd of regelingen zijn vereenvoudigd. Dit wijst op een toenemend gebruik van wolfwerende maatregelen, maar maakt niet inzichtelijk welk deel daarvan rechtstreeks het gevolg is van de motie.
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien van de wolf?
Er is tot op heden door de provincies geen vervolg gegeven aan deze oproep, want er zijn momenteel bij de provincies geen aanwijzingen dat er sprake is van een tekort aan voedsel voor wolven in de leefgebieden. Daarnaast is het beheer van grote hoefdieren in deze gebieden vaak een onderdeel van een breder beleid, zoals het voorkomen van aanrijdingen en biodiversiteitsherstel door graasdrukvermindering. De impact van wolven op de populatie is niet voldoende om die doelstellingen te bereiken.
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder het mom van «spoed» wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
De oproep is bekend bij de provincies. Het is aan hen als bevoegd gezag om te besluiten over de invulling van het natuurbeleid. Zie ook mijn antwoord op vraag 40.
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen en het afsluiten van natuurgebieden?
Via het LIW, het landelijk initiatief veebescherming en de amvb zet me ik in om informatie beschikbaar te stellen en preventieve maatregelen mogelijk te maken en te ondersteunen waarmee incidenten met wolven kunnen worden voorkomen. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 3 en 37.
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven? Welke van die maatrgelen zijn wel en niet overgenomen?
Het LIW en BIJ12 maken bij hun informatievoorziening gebruik van wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen. Er wordt niet bijgehouden welke informatie wel en niet wordt overgenomen.
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: «De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur van de vergunning op voorhand»? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 480) zelf?
In de Kamerbrief van 24 april jl. heb ik aangegeven dat ik verschillende varianten van de vergunning op voorhand voor toekomstige situatie heb verkend en dat juridische risico’s in dit verband niet zijn uit te sluiten. De juridische risico’s waarover het in de bijbehorende beslisnota ging, zagen op de juridische houdbaarheid van een dergelijke op voorhand verleende vergunning, waarbij onder meer onzekerheid over de staat van instandhouding van de wolf, toetsing van de situatie in het individuele geval en vraagstukken over rechtsbescherming een rol spelen. Juristen van mijn ministerie hebben over deze varianten een risico-inschatting gemaakt en deze is ook onderschreven door de Landsadvocaat. Met de vormgeving van de vergunning op voorhand met aanvullende waarborgen zoals deze nu in de amvb is opgenomen zijn de risico’s zoveel mogelijk beperkt. Zekerheidshalve heb ik – zoals ook in die brief genoemd – het ontwerpbesluit opnieuw aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 484) en ook in mijn antwoord op uw vragen 21, 22 en 23 heb toegelicht, heb ik vervolgens naar aanleiding van dat advies de toelichting nog aangevuld en het aan die vergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
Bent u bereid in het kader van Artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota, inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
De beslisnota is, op persoonsgegevens na, reeds volledig openbaar.
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten worden «geactiveerd» na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is? Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden) wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd, door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Aan de vergunning op voorhand is een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij in een concrete situatie daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (artikel 8.74sa Bkl).
De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd gezag geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag in op vraag of het hier daadwerkelijk om de wolf gaat die letsel heeft toegebracht. Er is geen vereiste identificatiemethode of -termijn vastgelegd en er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Omdat er sprake is van letsel zal er waarschijnlijk DNA van de wolf aanwezig zijn, zodat hierbij DNA-onderzoek kan worden verricht. Het advies kan ook gaan over de verificatie van uiterlijke of gedragskenmerken van de wolf. Na ontvangst van dit advies moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag (de informatieplicht).
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zoals ik in onder meer mijn antwoord op vraag 46 heb aangegeven, is aan de vergunning op voorhand een voorschrift bestaande uit een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht verbonden, waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Het voorschrift verzekert dat het bevoegd gezag voor elk concreet geval waarbij daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning op voorhand, na raadpleging van een wolvendeskundige, heeft kunnen adviseren en daarmee toezicht kan uitoefenen. Er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Als er twijfel is over de identiteit van de wolf in kwestie, zal het bevoegd daaraan in het advies aandacht besteden. De vergunninghouder zal bevoegd gezag vervolgens moeten informeren over de wijze waarop hij gevolg geeft aan het advies. Indien nodig kan het bevoegd gezag, als de vergunninghouder bijvoorbeeld in afwijking van het advies wil handelen, handhavend optreden, met bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang.
Provincies zijn voor de vergunningverlening het bevoegd gezag en hebben daarmee ook de verantwoordelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Het handelen in strijd met de voorschriften van een vergunning is ook strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. Dit geldt overigens niet specifiek voor de vergunning op voorhand voor elke vergunning voor flora- en fauna-activiteit met betrekking tot een wolf.
Het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven valt binnen beperkte gebieden, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse van Wageningen Environmental Research. We onderzoeken in het kader van het vaststellen van de Beleidsregel ter invulling van de open norm de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen als preventiezones waar wolfwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren tijdens mijn werkbezoek aan Nedersaksen: er zijn roedels wolven die schuw zijn en geen overlast veroorzaken en ook roedels die dat wel doen. We moeten ons richten op de roedels die overlast veroorzaken. Met beheer en met schuw maken. Dan zou het aantal incidenten ook omlaag kunnen gaan.
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak (waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik deel het uitgangspunt dat er gelet op de onbekende staat van instandhouding vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding en er gelet op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overgegaan tot het aan de natuur onttrekken van wolven door doden of vangen. Dat uitgangspunt is ook gehanteerd bij de in de amvb opgenomen specifieke beoordelingsregels. Ik vind het van belang dat er een brede afweging van belangen plaatsvindt, waarbij het recht op leven prevaleert.
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33 576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik zal uw Kamer voor het eind van het jaar het onderzoeksrapport toesturen. De amvb is op 11 juli jl. in werking getreden. De invulling van de specifieke beoordelingsregels is zodanig dat is verzekerd dat het onttrekken van wolven aan de natuur in een situatie dat de soort nog niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties, namelijk de meest ernstige gevallen van agressie, en met waarborgen is omgeven.
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik heb de afgelopen periode aanpassingen aan de amvb gedaan om deze juridisch houdbaar te maken, waaronder het goed verwerken van het laatste advies van de Raad van State. Zoals ook toegelicht in de nota van toelichting is daarbij rekening gehouden met de staat van instandhouding van wolven in Nederland.De toets over de vraag of het ingrijpen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat te laten voortbestaan vindt plaats bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, of de voorschriften van een vergunning wijzigen, als er sprake is van een situatie die ertoe had geleid dat de aanvraag op dat moment geweigerd had kunnen worden (artikel 8.97 van het Bkl). Daarvan zou sprake kunnen zijn als de toets aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding een andere uitkomst zou hebben. Het bevoegd gezag is hiertoe niet verplicht.
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een «probleemsituatie» geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren en bij wolven die die een probleem kunnen gaan vormen moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Het gaat bij deze zogenaamde «probleemwolven» en «probleemsituaties met een wolf» om nauwkeurig in het tweede en derde lid van artikel 8.74la van het Bkl omschreven gevallen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituaties met een wolf» wordt ook in alle gevallen een wolvendeskundige geraadpleegd. Het gaat hier om een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij ruimte is voor tegenbewijs en ook voor een nadere afweging van het bevoegd gezag in een concreet geval.
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf ligt?
Het bevoegd gezag kan gebruik maken van het wettelijk bewijsvermoeden, waarbij de specifieke beoordelingsregels zo zijn vormgegeven dat alleen als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
De specifieke beoordelingsregels zijn zo vormgegeven dat als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Alleen als aan de hier omschreven situatie wordt voldaan kan met gebruikmaking van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor het (tijdelijk) vangen of doden worden verleend. Bij de omschrijving van de omstandigheden waaronder de wolf kan worden beschouwd als een «probleemwolf», is verzekerd dat het in alle gevallen om de meest ernstige situaties gaat, namelijk situaties van gebleken agressie van een wolf tegen mensen of gehouden, goed beschermde dieren. En bij de lichtere categorie van een «probleemsituatie met een wolf» is geregeld dat de specifieke beoordelingsregels alleen van toepassing zijn bij het slechts voor korte duur uit de natuur halen van wolven, met het oog op monitoring of verplaatsing. Naar mijn idee is dit voldoende concreet in artikel 8.74la van het Bkl opgenomen.
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Het is aan provincies als bevoegd gezag om te bepalen op welke manier de provinciale interventierichtlijnen worden toegepast. Deze richtlijnen vormen geen verplichting voor provincies. Bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» waaraan het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden, betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf als bedoeld in dat artikel waarbij wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Deelt u de constatering dat het criterium voor een «probleemsituatie» met een wolf dat deze «ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan 30 meter» mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met pannenkoeken?2 3 Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Maar het kan desondanks voorkomen dat mensen en wolven elkaar tegenkomen. Dit kan leiden tot probleemsituaties. Ik keur het lokken of bewust benaderen van wolven af. Via het LIW wordt informatie verstrekt hoe het publiek met deze situatie om moet gaan. Het is aan provincies en gemeenten als bevoegd gezag, met ondersteuning van een deskundige, om in specifieke situaties te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een probleemsituatie.
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een wolf benaderen of een wolf lokken om zo een «probleemsituatie» in de zin van dit artikel te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 55 heb aangegeven, keur ik het lokken of bewust benaderen van wolven af. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat mensen bewust «probleemsituaties» uitlokken.
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 49 heb aangegeven, is de amvb op 11 juli jl. in werking getreden en zie ik geen aanleiding om hier aanpassingen aan te doen.
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze tijdlijn delen?
In mijn beantwoording van vragen van uw Kamer op 6 juli jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 512) heb ik aangegeven dat ik uw Kamer inzicht heb gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, dat ik uw Kamer heb gewezen op het belang van spoedige vaststelling van het besluit en dat het afwachten van een oordeel van uw Kamer geen vereiste is in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit.
Een reactie op de twee brieven van de Werkgroep Wolf Leusden (Kamerstukken II 2025–2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934) heeft uw Kamer op 27 augustus ontvangen in mijn brief over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025–2026, nr. 2026Z17340).
Op 6 juli jl. heb ik de Eerste Kamer de beantwoording toegestuurd van nadere vragen over wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) toegestuurd (Kamerstukken I 2025–2026, 33 118, HH). De amvb is op 10 juli jl. gepubliceerd en op 11 juli jl. in werking getreden.
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Provincies zijn het bevoegd gezag voor het uitvoeren van en controleren van het wolvenbeleid. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies hun gezamenlijke beleid vastgelegd. Daarnaast zijn er verschillende provincies die aanvullend beleid hebben geformuleerd. Het is mij niet bekend hoe elke provincie de controle uitvoert en welke capaciteit hiervoor wordt ingezet, omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van de provinciale inzet. Het kabinet heeft geen extra capaciteit vrijgemaakt voor controle van het wolvenbeleid.
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Ja.
Aanvullende berichtgeving over de situatie in Ceuta. |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel migranten verlaten Ceuta, maar duizenden willen Europese droom niet opgeven: winkels op slot en boten richting Spanje gestopt»?1
Ja.
Welke informatie heeft het kabinet ontvangen van de Spaanse autoriteiten over het aantal migranten dat Ceuta daadwerkelijk heeft verlaten en hoeveel personen zich op dit moment nog in de Spaanse exclave bevinden?
Tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. gaf Spanje aan dat er rond de 72.000 irreguliere grensoverschrijdingen zijn geweest om via Ceuta de grens met Spanje over te steken waarvan zij, in samenwerking met Marokko, rond de 70.000 irreguliere migranten naar Marokko heeft laten terug keren.
Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst van Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daarom onduidelijkheid over het precieze aantal resterende irreguliere migranten dat zich nog in Ceuta bevindt. Het is daarom van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom, samen met andere gelijkgezinden lidstaten, hierop blijven aandringen.
Op welke wijze verifieert Nederland de juistheid van informatie die door de Spaanse autoriteiten wordt verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de beveiliging van de buitengrens van de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met signalen dat de feitelijke situatie in Ceuta mogelijk afwijkt van de officiële lezing van de Spaanse autoriteiten? Zo ja, welke signalen zijn dat en welke conclusies verbindt het kabinet daaraan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien zou blijken dat de Spaanse autoriteiten bewust een ander beeld hebben geschetst van de situatie in Ceuta of onjuiste informatie hebben verstrekt over het aantal teruggekeerde migranten, welke gevolgen zou dat volgens u moeten hebben voor de samenwerking met Spanje binnen de Europese Unie?
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Het kabinet heeft tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. Frontex opgeroepen om de situatie aan de grens, het aantal irreguliere migranten in Ceuta en eventuele bewegingen nauw te blijven monitoren en hierover te rapporteren.
Deelt u de opvatting dat betrouwbare en controleerbare informatie van lidstaten essentieel is voor een goed functionerend Europees migratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wanneer zou voor u de grens bereikt zijn waarop geconcludeerd moet worden dat Spanje onvoldoende invulling geeft aan zijn verplichtingen als bewaker van de Europese buitengrens?
Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente toepassing en naleving van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. In dat kader is een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoedster van de Verdragen onmisbaar. Via Schengenevaluaties wordt getoetst of lidstaten voldoen aan het Schengen acquis. Op basis van deze evaluaties worden aanbevelingen geformuleerd die lidstaten moeten uitvoeren. Daarnaast rapporteert de Commissie over de integriteit van het Schengengebied via de Schengen barometer en het Staat van Schengenrapport. Het is, meer dan voorheen, extra van belang dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenvaluaties opvolgen om adequate toepassing en naleving van de Schengenregels te waarborgen. Het kabinet pleit er daarom voor dat tekortkomingen in de toepassing voor alle lidstaten inzichtelijk worden en politiek besproken worden tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Acht u Spanje, gelet op de huidige ontwikkelingen, nog steeds een volledig betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Het kabinet acht Spanje nog steeds een betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid. Spanje heeft, mede op aandringen van Nederland, stappen genomen om de buitengrens verder te versterken en op korte termijn grootschalige terugkeeroperaties gestart, wat ertoe heeft geleid dat een groot aantal van de irreguliere migranten reeds zijn teruggekeerd. Het kabinet spreekt erkenning uit voor de snelle acties van Spanje. Ook ten aanzien van de uitvoering van het Pact werkt Nederland goed met Spanje samen. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een onafhankelijke verificatie van de feiten rondom de gebeurtenissen in Ceuta, zodat lidstaten kunnen beschikken over objectieve informatie over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de daadwerkelijke grensbewaking? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat heeft het kabinet tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus j.l. gedaan.
Indien zou blijken dat Spanje de Europese asiel- en terugkeerregels structureel onjuist toepast of onvoldoende handhaaft, bent u dan bereid de Europese Commissie te verzoeken een inbreukprocedure tegen Spanje te starten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet er stelselmatig op in dat lidstaten het asielacquis en terugkeeracquis naleven. De Commissie ziet hierop toe, als hoedster van de verdragen. Het kabinet ziet geen reden om aan te nemen dat Spanje de verplichtingen die voortvloeien uit het asiel- en terugkeer acquis niet nakomt.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheidsregels als bedoeld in artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351 geldt dat de Nederlandse ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert. Ook de Europese Commissie heeft op op 15 juli 2026 een mededeling gepubliceerd over eventuele structurele tekortkomingen in lidstaten. Daarin concludeert de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, dat er ten aanzien van Spanje geen signalen zijn voor structurele tekortkomingen bij de uitvoering van de overdrachten onder AMbV
Bent u bereid de Europese Commissie te verzoeken onderzoek te doen naar mogelijke systematische tekortkomingen in de toepassing van de verantwoordelijkheidsregels door Spanje als bedoeld in Artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de opvatting dat, indien de Europese Commissie dergelijke systematische tekortkomingen vaststelt, andere lidstaten niet gehouden zouden moeten zijn solidariteitsbijdragen – waaronder herplaatsingen of financiële bijdragen – aan Spanje te leveren? Bent u bereid dit standpunt in Europees verband uit te dragen?
Indien de Europese Commissie systemische tekortkomingen vaststelt bij een lidstaat die solidariteit ontvangt bij het uitvoeren van de AMbV overdrachten, dan zijn de andere lidstaten niet meer verplicht om solidariteit aan deze lidstaat te geven. Op basis van de laatste evaluatie van de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, is dit voor Spanje niet aan de orde.
Bent u bereid de Spaanse ambassadeur te ontbieden indien blijkt dat de Spaanse autoriteiten de Europese partners onjuist of onvolledig hebben geïnformeerd over de migratiesituatie in Ceuta? Zo nee, waarom niet en wanneer zou u dit wel aan de orde zijn?
Dit is niet aan de orde. het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Spanje heeft snel, proactief en continu informatie gedeeld over de situatie in Ceuta.
Welke diplomatieke stappen acht u passend indien zou blijken dat Spanje bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten of de naleving van Europese verplichtingen?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid, indien Spanje de buitengrens aantoonbaar onvoldoende bewaakt en daardoor een ernstig risico ontstaat voor de openbare orde en de werking van het Schengengebied, tijdelijke maatregelen te treffen ten aanzien van het personenverkeer van en naar Spanje, waaronder intensivering van grenscontroles op lucht- en zeeverbindingen, voor zover het Unierecht daarvoor ruimte biedt? Zo nee, waarom niet?
Omdat het Schengengebied niet geschonden is en het overgrote deel van de irreguliere migranten weer is teruggekeerd is dit nu niet in beeld.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er controles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Heeft u kennisgenomen van maatregelen van andere lidstaten om het personenverkeer met Spanje tijdelijk aan aanvullende controles te onderwerpen naar aanleiding van de huidige migratiesituatie? Zo ja, hoe beoordeelt u deze maatregelen?
Ja. Het is niet aan het kabinet om de maatregelen van andere lidstaten te beoordelen.
Onder welke omstandigheden acht u het gerechtvaardigd om, met een beroep op de Schengengrenscode, tijdelijke grenscontroles ten aanzien van reizigers vanuit Spanje in te voeren indien sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid?
Zie antwoorden hierboven. Op dit moment is er geen additioneel risico voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid geconstateerd, mede vanwege het feit dat er tot op heden geen secundaire bewegingen naar het Europese vasteland zijn geconstateerd. Het kabinet blijft de situatie nauw monitoren. Mocht de situatie wijzingen en additionele maatregelen nodig blijken zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Bent u bekend met de Spaanse wetgeving op grond waarvan de Spaanse regering alleenstaande minderjarige migranten die illegaal Ceuta zijn binnengekomen niet zal terugsturen, maar deze minderjarige migranten in de procedure zal opnemen en eventueel naar andere autonome regio’s binnen Spanje zal sturen? Zo ja, kunt u aangeven of er informatie bekend is dat deze illegaal binnengekomen amv’ers reeds in de procedure zijn opgenomen dan wel verplaatst zijn naar andere autonome regio’s in Spanje?
Het kabinet heeft geen geverifieerde informatie waaruit blijkt dat de amv’ers al zijn opgenomen in een procedure dan wel zijn overgeplaatst naar andere autonome regio’s.
Op welke juridische grondslag baseert Spanje dit beleid en acht u dit in overeenstemming met de het Europese migratiebeleid?
Het is niet aan het kabinet om te beoordelen of het handelen van Spanje in lijn is met de Europese wetgeving. Het is aan de Europese Commissie als hoeder van de verdragen om hier op toe te zien.
Deelt u de opvatting dat het vooruitzicht op opvang en herverdeling binnen Europa een aanzuigende werking kan hebben op alleenstaande minderjarige migranten en mensensmokkelaars? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft duidelijk gemaakt, onder andere tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus, dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen.
In algemene zin is het, om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, van belang dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Migranten die geen recht hebben om asiel moeten snel afgewezen worden, en de terugkeer geeffectueerd. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bestaat het risico dat deze minderjarigen zich, nadat zij binnen Spanje zijn verdeeld, vrij binnen het Schengengebied kunnen verplaatsen en uiteindelijk ook Nederland bereiken? Hoe beoordeelt u dit risico?
Voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die asiel hebben aangevraagd in Spanje geldt conform EU-regelgeving dat de lidstaat van eerste aanvraag, in dit geval Spanje, verantwoordelijk is voor de beoordeling van het asielverzoek. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Hoe beoordeelt u het Spaanse beleid in het licht van de noodzaak om irreguliere migratie en mensensmokkel tegen te gaan?
Het is niet aan het kabinet om het beleid van Spanje te beoordelen. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Hen is gevraagd hierin in ieder geval de oorzaken, inclusief de rol van mensensmokkelaars en tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens, mee te nemen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een eenduidig Europees beleid waarbij ook voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen dat erop ziet dat ook zij, bij illegale grensoverschrijding, direct teruggestuurd worden?
Indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) zonder verblijfsvergunning op het grondgebied van een lidstaat verkeert, kan een lidstaat een terugkeerbesluit nemen en is de amv daarmee vertrekplichtig. Hier zijn wel voorwaardes aan verbonden om de amv te beschermen en niet zonder adequate opvang naar het land van herkomst te sturen. De amv heeft ook, net zoals iedereen, het recht om asiel aan te vragen. Zodra de asielprocedure loopt heeft de amv, net zoals ieder ander, het recht om deze af te wachten op het territorium van de lidstaat waar de asielprocedure is aangevraagd.
Het beleid en de bijzondere waarborgen en uitzonderingen inzake de procedure en beoordeling van asielverzoeken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen is op Europees niveau vastgelegd in onder andere de Asielprocedureverordening. Daarmee is er reeds eenduidig Europees beleid.
Bent u het eens met de uitspraak van de Minister-President op X waarin hij stelt dat de invasie te wijten is aan mensensmokkelaars?2
Het is een gegeven dat mensensmokkelaars een kwalijke rol spelen in de migratieroutes tussen Noord-Afrika en Europa. Het kabinet heeft de rol van mensensmokkelaars, het misbruik dat zij maken van kwetsbare personen en de rol die zij hebben gespeeld in dit incident veroordeeld. Het kabinet vindt het van belang dat het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars doorbroken wordt.
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kunt u onderbouwen op basis van welke concrete informatie de Minister-President stelt dat de gebeurtenissen in Ceuta zijn veroorzaakt door mensensmokkelaars? Beschikt het kabinet over bevestigde inlichtingen of strafrechtelijke onderzoeken waaruit dit blijkt, of betreft dit een aanname? Indien die onderbouwing ontbreekt, waarom presenteert de Minister-President deze lezing, welke u volgt, dan als een vaststaand feit, terwijl er ook andere verklaringen voor de massale grensbestorming worden genoemd?
Zoals hierboven aangegeven veroordeelt het kabinet de rol die mensensmokkelaars hebben gespeeld. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is het van belang dat er verder onderzoek wordt gedaan naar de totstandkoming van dit incident, het samenspel tussen de verschillende factoren waaronder mogelijke tekortkomingen aan de buitengrens en de rol van mensensmokkelaars is hierbij van belang. Nederland heeft hiertoe tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus jl. opgeroepen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bekend met het bericht «Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot»?3 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. Het is op dit moment is moeilijk te kwantificeren welke factoren allemaal een rol hebben gespeeld en in welke omvang. Het kabinet loopt niet vooruit op de uitkomsten van het eerdergenoemde onderzoek.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Spaanse inlichtingendiensten, volgens de Spaanse krant ABC, op de hoogte waren van de dreiging van de invasie in Ceuta? En hoe beoordeelt u het optreden van de Spaanse inlichtingendienst?
Het is niet aan het kabinet om het optreden van de Spaanse inlichtingdiensten te beoordelen.
Bent u bekend met de aanwijzingen dat Marokkaanse autoriteiten onvoldoende hebben opgetreden tegen mensensmokkel, georganiseerde migratiestromen of online oproepen om de oversteek naar Ceuta te maken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze?
Het kabinet gaat nu niet in op dit soort analyses over het ontstaan van de situatie. Het kabinet is van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
In hoeverre deelt u de zorgen van de Spaanse autoriteiten dat migratie opnieuw als politiek drukmiddel zou kunnen worden ingezet? En welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat dit gaat gebeuren?
De Raad heeft in 2024 een Verordening vastgesteld met maatregelen in geval van instrumentalisering van migratie. Daarnaast is een gezamenlijke inzet op de versterking van buitengrenzen en de andere maatregelen zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 7 essentieel.
Welke rol speelt de samenwerking tussen de Europese Unie en Marokko bij grensbewaking en het tegengaan van illegale migratie, en voldoet Marokko volgens u momenteel aan de gemaakte afspraken?
Zowel de Europese Unie als EU-lidstaten onderhouden nauwe betrekkingen met Marokko op het gebied van migratie en werken samen op verschillende terreinen, waaronder grensmanagement en het verbeteren van terugkeersamenwerking. Marokko heeft voorts constructief meegewerkt aan terugkeer van vertrek-plichtige vreemdelingen en in nauwe samenwerking met Spanje ondersteund bij het tegengaan van verdere irreguliere bewegingen.
De massale bestorming van de Spaanse exclaves Ceuta en Melilla en de gevolgen daarvan voor Nederland |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat volgens schattingen van het Spaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 24 uur tijd circa 49.000 migranten vanuit Marokko de Spaanse exclave Ceuta zijn binnengedrongen, zowel over land als via zee?1 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat de grens van Ceuta geen louter Spaanse aangelegenheid is, maar een gemeenschappelijke buitengrens van de Europese Unie en het Schengengebied, waarvan het bezwijken directe gevolgen heeft voor Nederland?
Met de eerder toegelichte inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden en zijn er dus geen directe gevolgen voor Nederland geconstateerd.
De situatie in Ceuta benadrukt opnieuw dat het beschermen en handhaven van de buitengrens van Europa van groot belang is. Nederland heeft in de extra JBZ-Raad van 4 februari onderstreept dat dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken. De EU moet in onderlinge solidariteit blijven investeren in het versterken van de buitengrenzen, het tegengaan van irreguliere migratie en de terugkeer van vertrekplichtige migranten. Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente implementatie van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. Een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoeder van de Verdragen, is daarbij onmisbaar. Tegelijkertijd vraagt het ook, meer dan voorheen, dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties opvolgen om hun implementatie te versterken. Ook pleit het kabinet onverminderd voor het transparant maken en open bespreken van de tekortkomingen en het bespreken hiervan tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Erkent u dat migranten Ceuta beschouwen als toegangspoort tot de Europese Unie en dat een aanzienlijk deel van hen zal trachten door te reizen naar Noordwest-Europese lidstaten, waaronder Nederland?
Zie antwoord hierboven. Doordat doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd kan, is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. De situatie in Ceuta benadrukt opnieuw dat het beschermen en handhaven van de buitengrens van Europa en het tegengaan van irreguliere migratie van groot belang is. Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken.
Welke lessen heeft de Europese Unie volgens u getrokken uit de bestorming van de Spaanse exclave Melilla in juni 2022 en Ceuta in mei 2021, waarbij eveneens duizenden migranten binnenkwamen?3
De situatie bij Ceuta van vorige week is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Dit incident was van een compleet andere ordegrootte dan de situaties waar de vraagsteller naar verwijst, waarbij het respectievelijk ging om 2000 en 8000 migranten. Tijdens de extra informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. gaf Spanje aan dat er rond de 72.000 irreguliere grensoverschrijdingen zijn geweest om via Ceuta de grens met Spanje over te steken. De Spaanse autoriteiten hebben voor het overgroote deel van deze migranten de terug naar Marokkaans grondgebied bewerkstelligd.
In de afgelopen jaren heeft de EU geïnvesteerd in het verder versterken van het Europese asiel- en migratiesysteem, alsook het versterken van de buitengrenzen. In het algemeen zijn daardoor de irreguliere grensoverschrijdingen in de EU de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. Ook lijkt het erop dat het Spanje met het huidige instrumentarium is gelukt om te zorgen dat het Schengengebied niet is geschonden.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Marokkaanse grenswachters kort voor de massale oversteek plotseling van hun posten verdwenen?4 5
Het kabinet heeft gepleit om oorzaken nader te onderzoeken en loopt hier niet op vooruit. Wel ziet het kabinet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. Er is op dit moment daarom geen aanleiding voor maatregelen, des te meer omdat Marokko constructief heeft meegewerkt aan terugkeer van vertrek-plichtige vreemdelingen en in nauwe samenwerking met Spanje ondersteund bij het tegengaan van verdere irreguliere migratie.
Verder is het kabinet van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Deelt u de analyse dat Marokko migratie doelbewust inzet als diplomatiek drukmiddel jegens Spanje en de Europese Unie?6
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om, bilateraal dan wel in EU-verband, consequenties te verbinden aan dit Marokkaanse handelen, bijvoorbeeld op het terrein van visumverlening, handelspreferenties of ontwikkelingssamenwerking?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof van begin juli 2026, waarin is geoordeeld dat migranten die zwemmend of per boot Ceuta bereiken niet zonder procedure mogen worden teruggestuurd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat volgens de Spaanse regering mensensmokkelbendes van deze uitspraak misbruik maken om de huidige massale oversteek te organiseren?
Nederland heeft, onder andere tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus, de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen opgeroepen om samen met Spanje te onderzoeken hoe dit tot stand heeft kunnen komen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Erkent u dat hiermee opnieuw is aangetoond dat juridische waarborgen die uitzetting zonder procedure onmogelijk maken, een aanzuigende werking op illegale migratie hebben?
Nee. Juridische waarborgen zijn de basis van een goed werkende rechtsstaat. Wel is het van belang om dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen te onderzoeken hoe de situatie bij Ceuta tot stand is gekomen. Nederland heeft daarom in de iJBZ-raad van 4 augustus, gevraagd om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie en de relevant EU-agentschappen, in samenwerking met Spanje, om hierover meer helderheid te krijgen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bekend met het arrest N.D. en N.T. tegen Spanje, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat Spanje migranten die massaal het grenshek bij Melilla bestormden direct mocht terugleiden, zonder daarmee het verbod op collectieve uitzetting te schenden?7
Ja, ik ben bekend met de uitspraak van het EHRM.
Bent u bereid om in Europees verband te bepleiten dat de ruimte die dit arrest biedt voor het direct terugleiden van migranten die de buitengrens massaal bestormen, door de lidstaten maximaal wordt benut?
Op 15 mei jl. heeft de Raad van Europa, mede op aandringen van Nederland, de Chisinau-verklaring aangenomen. Hierin wordt verwezen naar een situatie van massale aankomsten. De verklaring bevestigt de soevereiniteit van lidstaten in het beschermen van nationale grenzen en het besluiten over wie op het grondgebied mag verblijven, in overeenstemming met de verplichtingen onder het EVRM. Het kabinet heeft, samen met andere lidstaten, opgeroepen tot de snelle en effectieve implementatie van de Chisinau-verklaring. Het EHRM oordeelde overigens in genoemde zaak dat er geen schending was van het verbod op collectieve uitzetting omdat de verzoekers geen gebruik hadden gemaakt van bestaande juridische procedures om legaal toegang te krijgen tot Spaans grondgebied.
Bent u bekend met de buitengewone regularisatieregeling van de regering-Sánchez, op grond waarvan illegaal in Spanje verblijvende migranten tussen 16 april en 30 juni 2026 een verblijfs- en werkvergunning konden aanvragen, en waarvoor blijkens mededelingen van de Spaanse regering ruim één miljoen aanvragen zijn ingediend?8 9
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u tevens bekend met het door premier Sánchez op 30 juni 2026 gepresenteerde «Plan voor Integratie en Burgerschap 2026–2030», waarin deze massale regularisatie uitdrukkelijk wordt gepresenteerd als eerste stap op weg naar volwaardig burgerschap?
Het kabinet is bekend met het Spaanse «Plan voor Integratie en Burgerschap 2026–2030»
Wat zegt de huidige explosieve toestroom richting Ceuta, die kort volgt op de afronding van de Spaanse regularisatieronde en de presentatie van het genoemde plan, volgens u over de aanzuigende werking van dergelijke versoepelingen?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere EU-lidstaten aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welk effect de afronding van de regularisatie precies heeft gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de informele JBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van de gebeurtenissen te onderzoek. Daarop gaan we niet vooruitlopen.
Indien u van oordeel bent dat er geen verband bestaat tussen het Spaanse regularisatiebeleid en de huidige toestroom, kunt u die opvatting dan onderbouwen met een alternatieve verklaring voor het feit dat juist nu tienduizenden Marokkanen de oversteek naar Spaans grondgebied wagen?
Zie antwoord vraag 15.
Erkent u dat een door Spanje afgegeven verblijfsvergunning de houder het recht geeft om vrij door het Schengengebied, en dus ook door Nederland, te reizen?
De door Spanje afgegeven vergunning geeft recht op verblijf en werk in Spanje. Op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst mag de houder van een dergelijke vergunning maximaal 90 dagen in andere Schengenlanden verblijven, voor zover aan de toepasselijke voorwaarden voor binnenkomst wordt voldaan. Iemand met een dergelijke vergunning heeft geen recht om zich in Nederland te vestigen. Uiteraard houdt Nederland in nauw contact met Spanje de situatie in de gaten.
Erkent u dat geregulariseerde migranten na vijf jaar legaal verblijf in Spanje de status van langdurig ingezetene kunnen verkrijgen, die hun onder voorwaarden het recht geeft zich in andere lidstaten, waaronder Nederland, te vestigen?
Op grond van de Richtlijn Langdurig Ingezeten (richtlijn 2003/109/EG) kunnen onderdanen uit derde landen de status van langdurig ingezetene krijgen wanneer zij legaal en ononderbroken vijf jaar op het grondgebied van een lidstaat verblijven en voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze status geeft hen onder voorwaarden het recht om langer dan drie maanden in een andere lidstaat te verblijven. In die andere lidstaat moet dan wel een verblijfsvergunning worden aangevraagd, waarbij getoetst wordt op onder meer een gevaar voor openbare orde en het middelenvereiste. Komt de langdurig ingezetene derdelander voor arbeid naar Nederland, dan geldt in Nederland in het eerste jaar een arbeidsmarkttoets.
Deelt u dan ook de conclusie dat het Spaanse regularisatie- en naturalisatiebeleid daarmee de facto mede Nederlands migratiebeleid is, zonder dat de Staten-Generaal of de Nederlandse kiezer daarover enige zeggenschap heeft gehad?
Nee, de richtlijn langdurig ingezetenen heeft geen betrekking op naturalisatie. Daarover gaan de lidstaten zelf.
Bent u bekend met het bericht dat Italië ermee heeft gedreigd Spanje tijdelijk uit het Schengengebied te weren vanwege deze crisis, en deelt u de daaraan ten grondslag liggende zorg dat via Spanje toegelaten migranten zich vervolgens ongehinderd over het Schengengebied kunnen verspreiden?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Die zorg deelt het kabinet niet, want doorreizen vanuit Ceuta kan enkel gecontroleerd. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied.
Bent u bereid om in het licht van deze crisis de controles aan de Nederlandse landsgrens te intensiveren?
Het is evident de Nederland haar eigen binnengrenzen bewaakt. In Nederland voert de Koninklijke Marechaussee (KMar) in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid – en op dit moment in het kader van de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode – informatie- en risicogestuurde controles uit op inkomende intra-Schengenvluchten en treinen en op wegen en vaarwegen in de binnengrensstreek met België en Duitsland. De inzet van deze controles gebeurt op basis van informatie ten aanzien van risico’s op illegale migratie en mensensmokkel. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de KMar de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Kunt u uitsluiten dat Nederland op grond van het solidariteitsmechanisme van de per 12 juni 2026 van toepassing geworden Asiel- en Migratiebeheerverordening zal worden verplicht om naar aanleiding van deze crisis asielzoekers uit Spanje over te nemen dan wel financiële solidariteitsbijdragen te leveren?10
De berekening van welke lidstaten solidariteit ontvangen onder het solidariteitsmechanisme is gebaseerd op verschillende factoren waaronder de bevolkingsomvang, BBP en de irreguliere asielaankomsten en asielprocedures, van de afgelopen vijf jaar. Vervolgens is het aan de Europese Commissie om tot een voorstel te komen van de verdeling en daarmee hoeveel solidariteit lidstaten ontvangen. Hier moet overeenstemming over bereikt worden binnen de EU. Het kabinet kan daar geen berekening van maken.
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, kunt u dan aangeven met de overname van hoeveel asielzoekers of met welke financiële bijdragen Nederland in het uiterste geval rekening moet houden?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de opvatting dat de inzet van slechts zestig Spaanse militairen tegenover een toestroom van tienduizenden migranten volstrekt ontoereikend is om deze buitengrens van de Europese Unie te verdedigen?
Het kabinet is van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan daar moeten ook een analyse bij zitten over de mogelijke tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens bij Ceuta. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Daarbij is het cruciaal dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie.
Heeft de Nederlandse regering Spanje personele of materiële steun aangeboden voor de bewaking van de buitengrens bij Ceuta?
Er is op dit moment geen concrete steun toegezegd of gevraagd door Spanje. In algemene zin zal Nederland lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken waar mogelijk steunen als zij daarom vragen.
Indien het antwoord op vraag 25 ontkennend luidt, bent u dan bereid een dergelijk aanbod, in overleg met de Minister van Defensie, alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 25.
Bent u bereid deze crisis en de grensoverschrijdende gevolgen van het Spaanse regularisatie- en naturalisatiebeleid te agenderen voor de eerstvolgende JBZ-Raad en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de iJBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van dit incident te onderzoek. Daarop gaan we niet vooruitlopen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
Een massale grensoversteek bij Ceuta |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is het meest recente bekende aantal illegale migranten dat sinds 30 juli 2026 vanuit Marokko de grens met de Spaanse exclave Ceuta is overgestoken? Hoeveel potentiële illegale migranten zijn nog onderweg? En wat is de meest recente situatie in Melilla?
Tijdens de extra informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. schatte Spanje dat er 72.000 mensen op irreguliere wijze bij Ceuta de grens zijn overgestoken en een paar honderd bij Melilla en dat 70.000 personen ook weer zijn vertrokken uit Ceuta. Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst in Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daarom onduidelijkheid over het precieze aantal resterende irreguliere migranten dat zich nog in Ceuta bevindt. Het is daarom van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom, samen met andere gelijkgezinden lidstaten, hierop blijven aandringen.
Deelt u de opvatting dat een lidstaat die zijn buitengrens niet effectief bewaakt en die illegale migranten niet tegenhoudt en terugstuurt niet alleen zijn eigen grens opent, maar die van alle lidstaten, Nederland inbegrepen? Welke consequentie verbindt het kabinet daaraan voor de Nederlandse opstelling jegens Spanje?
Spanje heeft, in samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de migranten bewerkstelligd en nieuwe aankomsten voorkomen door de grens te versterken. Daarbij is van belang dat voor de gebieden Ceuta en Melilla speciale Schengenregels gelden (die Spanje heeft uitgevoerd). Er zijn standaard controles tussen Ceuta en Melilla en het vasteland van Spanje (en andere Schengenstaten). Doorreizen vanuit Ceuta naar de rest van Schengen gaat enkel gecontroleerd. Hierdoor is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft tijdens de extra informele JBZ-Raad opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is noodzakelijk dat Spanje haar inzet op het terug laten keren van de resterende irreguliere migranten blijft voortzetten. Spanje heeft tijdens de JBZ-raad bevestigd dat zij dit zal doen. Het kabinet blijft hier aandacht voor vragen.
Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Hen is gevraagd hierin in ieder geval de oorzaken, inclusief de rol van mensensmokkelaars en tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens, mee te nemen. Hoe sociale media in dit verband zijn gebruikt, is ook een belangrijk aandachtspunt. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u ermee bekend dat de Italiaanse regering naar aanleiding van deze gebeurtenissen heeft bepleit Spanje tijdelijk uit het Schengengebied te weren? Deelt u de conclusie dat de massale illegale grensoversteek bij de Spaanse exclaves (en eerder al het massale generale pardon voor illegalen) een onaanvaardbaar risico voor andere lidstaten, inclusief Nederland, vormt en bent u bereid de Italianen te steunen in hun inzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met de reactie van Italië. Daarbij verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 2 over de aanvullende Schengenregels en de constatering dat het Schengengebied niet geschonden lijkt.
Het is evident de Nederland haar eigen binnengrenzen bewaakt. In Nederland voert de Koninklijke Marechaussee (KMar) in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid – en op dit moment in het kader van de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode – informatie- en risicogestuurde controles uit op inkomende intra-Schengenvluchten en treinen en op wegen en vaarwegen in de binnengrensstreek met België en Duitsland. De inzet van deze controles gebeurt op basis van informatie ten aanzien van risico’s op illegale migratie en mensensmokkel. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de KMar de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), waarmee extra druk op ons asielstelsel door de situatie in Ceuta wordt voorkomen. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert. Indien een lidstaat aan de buitengrens de grens onvoldoende beheert zijn er afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden tot ingrijpen. Dit is nu niet aan de orde.
Welke andere instrumenten staan lidstaten dan ter beschikking wanneer een medelidstaat zijn buitengrens structureel niet effectief bewaakt, en is het kabinet bereid die instrumenten in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is u bekend over de wegkijkende en/of zelfs faciliterende rol van Marokko in deze massale illegale grensoversteek? Welke financiële, diplomatieke, visumgerelateerde consequenties, etc. bepleit en verbindt u hieraan richting Marokko?
Het kabinet heeft gepleit om oorzaken nader te onderzoeken en loopt hier niet op vooruit. Het kabinet ziet voorts dat de samenwerking met Marokko cruciaal is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. Het kabinet spreekt waardering uit voor de samenwerking en optreden met en van Marokko.
Deelt u de opvatting dat een Pact waarvan de verplichte grensprocedure niet werkt voor een groot deel van de groep die nu de buitengrens overschrijdt, zijn belangrijkste belofte niet waarmaakt? Indien u die opvatting niet deelt, waaruit blijkt dan dat het Pact in deze eerste praktijktest wel werkt?
Zie beantwoording op voorgaande vragen. De situatie zoals we vorige week zagen is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Tegelijkertijd heeft Spanje, in samenwerking met Marokko, de nodige stappen gezet om de situatie weer onder controle te krijgen en is het grootste deel van deze irreguliere migranten teruggekeerd.
In algemene zin is het, om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, van belang dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie en toepassing van het Asiel- en Migratiepact, dat sinds juni in werking is, de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhubs.
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Spaanse Tribunal Supremo dat grensweigering niet mag worden toegepast op migranten die zwemmend Ceuta of Melilla willen bereiken, maar dat die dus niet mogen worden terugoverhandigd aan Marokko en in Spanje in procedure moeten worden genomen?1 Ziet u een verband met de recente toestroom van pogingen van migranten om zwemmend, soms met wetsuit en andere voorwerpen, die enclaves te bereiken?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere EU-lidstaten aan de Europese Commissie, het Voorzitterschap en de Voorzitter van de Europese Raad is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welk effect de afronding van de regularisatie precies heeft gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de JBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van de gebeurtenissen te onderzoek. Daarop gaat het kabinet niet vooruitlopen.
In deze uitspraak wordt verwezen naar de uitspraak van het EVRM-Hof in Straatsburg Hirsi-Jamaa tegen Italië? Deelt u de mening dat dit andermaal aantoont dat deze jurisprudentie moet worden teruggedraaid? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet respecteert de taak van het EHRM om, middels zijn jurisprudentie, erop toe te zien dat Staten die partij zijn bij het EVRM hun verdragsverplichtingen nakomen.
Op 15 mei jl. is door de Raad van Europa, mede op aandringen van Nederland, de Chisinau-verklaring aangenomen. In de Chisinau-verklaring wordt de ruimte van Staten binnen het systeem van de Raad van Europa en het EVRM om hun eigen asiel- en migratiebeleid te voeren, waaronder innovatieve oplossingen, ook benadrukt. Onderdeel van deze ruimte zijn bijvoorbeeld ook de beginselen van subsidiariteit en de beoordelingsruimte die lidstaten hebben. Het kabinet heeft samen met 21 andere EU-lidstaten in een brief aan de Europese Commissie, het Voorzitterschap en de Voorzitter van de Europese Raad opgeroepen tot de snelle en effectieve implementatie van de Chisinau-verklaring.
Deelt u de opvatting dat het onaanvaardbaar is dat de gevolgen van een grens die elders niet wordt bewaakt uiteindelijk neerslaan in Nederlandse gemeenten? Welke concrete en aanvullende instroombeperkende maatregelen neemt het kabinet nog deze zomer om dat te voorkomen?
Zoals in eerdere antwoorden reeds aangegeven, kan doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd. Hierdoor is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Zie ook het antwoord op vraag 3–4 over het informatiegestuurd optreden van de Koninklijke Marechaussee aan de binnengrens van Nederland.
Bent u tevens bereid om, gelet op deze ontwikkelingen in combinatie met de enorme druk op de Nederlandse samenleving en opvangcapaciteit, alsnog over te gaan tot invoering van het noodrecht met betrekking tot asiel? Zo nee, waarom niet?
Nee,het overgrote deel van de irreguliere migranten is teruggekeerd en het Schengengebied lijkt niet geschonden. Het kabinet monitort de situatie nauw. Indien nodig kan het kabinet aanvullende maatregelen nemen in het kader van grensbeheer. Nationale maatregelen op asiel zijn niet aan de orde.
Kunt u bevestigen dat de binnengrenscontroles thans lopen tot uiterlijk 30 september 2026? Bent u bereid deze tenminste te verlengen en te intensiveren zolang de druk op de zuidelijke buitengrens aanhoudt en de Kamer daarover zo snel mogelijk te informeren?
Zoals het kabinet op 8 mei jl. aan uw Kamer heeft gemeld, loopt de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode tot eind september. Deze controles worden informatie- en risicogestuurd uitgevoerd. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de Marechaussee de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Bent u ermee bekend dat UNHCR op zijn publieksvoorlichting voor Spanje, beschikbaar in het Spaans, Arabisch, Engels, Frans en Oekraiens en voorzien van een instructievideo, uitlegt hoe men aan de grensposten van Ceuta en Melilla asiel aanvraagt? Deelt u de conclusie dat dit neerkomt op het stimuleren van illegale migratie?
UNHCR is de VN-organisatie gemandateerd met de bescherming van vluchtelingen en ontheemden, waarbij het waarborgen van het recht op asiel als een kerntaak wordt beschouwd. Onderdeel hiervan is ook het verschaffen van informatie waaronder over asielprocedures in verschillende landen.
Kunt u aangeven welk deel van de Nederlandse bijdrage aan UNHCR in 2025 en 2026 aan voorlichting van dit type is besteed?
Nederland doet geen gerichte bijdrage aan de activiteiten van UNHCR in Spanje. Daarmee wordt er dus ook niet specifiek aan deze voorlichting bijgedragen. Wel doet Nederland jaarlijks een ongeoormerkte bijdrage aan de centrale begroting van UNHCR, zodat de organisatie dit kan besteden, vanuit hun mandaat, op de meest effectieve en (kosten-)efficiënte manier en waar de noden het hoogst zijn. Details worden door UNHCR weergegeven in hun jaarlijkse rapporten2. Het Nederlandse aandeel in deze middelen valt niet volledig te herleiden.
Bent u ermee bekend dat sinds 12 juni 2026 de Europese lijst van veilige landen van herkomst geldt, waarop Marokko is opgenomen? Kunt u bevestigen dat het inwilligingspercentage voor Marokkaanse onderdanen onder de twintig procent ligt, en dat daarmee de verplichte asielgrensprocedure van toepassing is op Marokkaanse verzoekers die na 12 juni 2026 aan de buitengrens een verzoek indienen?
Ja, daar is het kabinet mee bekend. Er is in beginsel een verplichting tot het toepassen van de asielgrensprocedure indien de vreemdeling aan de buitengrens een aanvraag indient en afkomstig is uit een land waarvoor het inwilligingspercentage blijkens de EUROSTAT-gegevens 20% of minder is. Het inwilligingspercentage van aanvragen van Marokkaanse onderdanen was volgens de cijfers van Eurostat 4,5%. De verplichting geldt dus in het geval van Marokkaanse onderdanen, behoudens de algemeen geldende uitzonderingen. Indien de asielgrensprocedure niet van toepassing is, dan vallen deze aanvragen, onder andere omdat Marokko is opgenomen op de Europese lijst van veilige landen van herkomst (Bijlage II van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348), onder een versnelde asielprocedure.
Deelt u de mening dat dergelijke bestormingen vanuit een veilig land als Marokko niet mogen worden «beloond» met een asielprocedure en dat de groep die op deze manier Ceuta heeft bereikt dus direct moet worden teruggestuurd? Zo nee, waarom niet? Is het kabinet bereid dit standpunt over te brengen aan de Spaanse en Marokkaanse overheden?
Het kabinet is van mening dat Spanje en Marokko hun volle inzet moeten richten op de terugkeer van de resterende irreguliere migranten om daarmee secundaire migratie tegen te gaan. Dat standpunt heeft Nederland ook overgebracht tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl.
Op welke manier gaat u voorkomen en monitoren of deze migranten naar Nederland doorreizen?
Zoals in voorgaande antwoorden aangegeven heeft Spanje, in goede samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de migranten bewerkstelligd en nieuwe aankomsten voorkomen door de grens te versterken. Doordat doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd kan, is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, dan worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de Asiel- en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op het asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Wilt u deze vragen één-voor-één en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het kabinet heeft getracht de beantwoording van de vragen zo spoedig mogelijk aan uw Kamer te doen toekomen. Daarbij is rekening gehouden met de laatste relevante ontwikkelingen, zoals de extra informele JBZ-Raad. Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
De afwezigheid van Omar Elshal tijdens zijn rechtszitting in Egypte. |
|
Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwachte wending bij zaak ASML’er Omar (33): hij was tot ieders verrassing niet in de rechtbank aanwezig»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Teunissen en Van Baarle over de detentie van de Nederlandse ASML-medewerker Omar Elshal?2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke diplomatieke inspanningen de Nederlandse regering sinds de beantwoording van deze Kamervragen heeft verricht om de rechtspositie, consulaire toegang en het welzijn van de heer Elshal te bevorderen?
Wereldwijd zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat willen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte. De Nederlandse overheid kan niet treden in de rechtsgang van een ander land, dat zou andersom ook onwenselijk zijn. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich inzetten om consulaire bijstand te verlenen aan de gedetineerde en brengt deze casus op in gesprekken op verschillende niveaus.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Was de Nederlandse ambassade voorafgaand aan de rechtszitting ervan op de hoogte dat de heer Elshal niet naar de rechtbank zou worden overgebracht? Zo ja, wanneer is de ambassade hiervan op de hoogte gesteld en door wie?
Nee.
Heeft de Nederlandse regering inmiddels bij de Egyptische autoriteiten opheldering gevraagd over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn eigen rechtszitting aanwezig was? Zo ja, wat is daarop geantwoord? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Klopt het dat de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was bij de betreffende rechtszitting met het voornemen om de heer Elshal na afloop consulaire bijstand te verlenen? Welke gevolgen heeft zijn afwezigheid gehad voor de mogelijkheid om consulaire toegang te verkrijgen?
De Nederlandse vertegenwoordiging was aanwezig, maar kreeg geen toegang tot de zitting.
Klopt het dat pas nadat bekend was geworden dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij de rechtszitting aanwezig zouden zijn, bleek dat de heer Elshal niet was voorgeleid? Deelt u de opvatting dat deze gang van zaken ernstige vragen oproept en dat hierover volledige opheldering dient te worden verkregen? Welke concrete stappen onderneemt u om deze opheldering van de Egyptische autoriteiten te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Welke concrete stappen onderneemt de regering momenteel om alsnog spoedig consulaire toegang tot de heer Elshal te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich onverminderd inzetten, ook op politiek niveau, om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Is het kabinet bereid de diplomatieke druk op de Egyptische autoriteiten te intensiveren teneinde onverwijld consulaire toegang en een eerlijke rechtsgang voor de heer Elshal te bewerkstelligen? Zo ja, op welke wijze zal de regering deze diplomatieke druk intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Minister bereid om de voortgang van nieuwe Nederlandse samenwerkingsprojecten met Egypte afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in de behandeling van de heer Elshal en de naleving van internationale consulaire verplichtingen? Zo ja, op welke wijze zal de Minister hier uitvoering aan geven? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoekt bij individuele consulaire zaken steeds welke diplomatieke en beleidsmatige manieren in een specifieke zaak het meest effect hebben, bijvoorbeeld om consulaire toegang te krijgen. Over de aard en inhoud van de concrete handelingen en interventies kan echter geen inzicht worden gegeven, om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de consulaire belangenbehartiging niet te schaden.
Is de Minister bereid deze zaak actief onder de aandacht te brengen van de Europese Unie en de EU-delegatie in Egypte, met het verzoek de kwestie van de detentie van de heer Elshal en de toegang tot consulaire bijstand nadrukkelijk aan de orde te stellen in de contacten met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld onder antwoord 10, beoordeelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij individuele consulaire zaken continu welke manieren om consulaire toegang te krijgen in een specifieke zaak het meest effectief zijn. Daarbij worden politieke en diplomatieke relaties in EU-verband ook in de afweging opgenomen.
Is de Minister bereid de Egyptische ambassadeur in Nederland te ontbieden om opheldering te verlangen over de afwezigheid van de heer Elshal tijdens zijn rechtszitting en om aan te dringen op onmiddellijke consulaire toegang? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in antwoord 13 en 14, heb ik in dit geval ervoor gekozen de zaak van de heer Elshal direct op te brengen en bespreken bij mijn Egyptische ambtgenoot.
Heeft de Minister deze zaak inmiddels persoonlijk besproken met zijn Egyptische ambtgenoot? Zo ja, wanneer en wat was de uitkomst van dat gesprek?
Bij een recente ontmoeting met mijn Egyptische ambtgenoot heb ik zaak van de heer Elshal nadrukkelijk onder de aandacht gebracht en besproken. Over de inhoud van het gesprek doe ik om de bij antwoord 3 genoemde redenen geen uitspraken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich onverminderd blijven inzetten om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Indien de Minister dit nog niet persoonlijk met zijn Egyptische ambtgenoot heeft besproken, is hij bereid dit op de kortst mogelijke termijn alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het onverklaard uitblijven van de heer Elshal bij zijn eigen rechtszitting, terwijl de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was om de zitting bij te wonen en consulaire bijstand te verlenen, een zeer zorgwekkende ontwikkeling is die aanleiding geeft tot intensivering van de Nederlandse diplomatieke inzet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat de rechter tijdens de betreffende rechtszitting heeft verklaard dat de heer Omar Elshal de enige van in totaal 71 verdachten in deze strafzaak was die niet naar de rechtbank was overgebracht? Zo ja, op welke informatie baseert de regering zich om de juistheid van deze mededeling te beoordelen? Welke mogelijkheden heeft de regering om de juistheid hiervan zelfstandig of via diplomatieke kanalen te verifiëren? Deelt u de opvatting dat, indien deze mededeling juist is, dit de zorgen over de behandeling van de heer Elshal verder vergroot? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke concrete maatregelen zal de regering nemen om te waarborgen dat een dergelijke situatie zich bij toekomstige rechtszittingen niet opnieuw voordoet en dat medewerkers van de Nederlandse ambassade daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de rechtszittingen van de heer Elshal bij te wonen en hem aansluitend consulaire bijstand te verlenen? Is de regering bereid hierover vooraf duidelijke afspraken te maken met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid mengt zich niet in de rechtsgang van de staat van detentie, dat zouden we andersom in de Nederlandse rechtsgang ook onwenselijk achten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken dringt er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen en consulaire toegang te verlenen.
Is de Minister bereid de Kamer onverwijld te informeren zodra duidelijkheid bestaat over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn rechtszitting aanwezig was en over de uitkomsten van de diplomatieke contacten die hierover met de Egyptische autoriteiten zijn gevoerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het artikel waaruit blijkt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alleen Nederlandse chauffeurs krijgen boete als ze over Merwedebrug rijden: «Pure concurrentievervalsing»» en kunt aangeven of het klopt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden? Zo nee, kunt u toelichten waar de bevindingen van het AD vandaan komen en waarom deze onjuist zijn?1
Bent u indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is bereid om het uitschrijven van bekeuringen aan Nederlandse chauffeurs te staken zolang buitenlandse chauffeurs geen bekeuring kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat louter het bekeuren van Nederlandse chauffeurs discriminatie is en dat dit past in de trend bij de overheid waarin Nederlanders overmatig worden benadeeld ten opzichte van niet-Nederlanders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vereisen dat overtreders ongeacht nationaliteit op gelijke wijze worden behandeld? Zo ja, hoe wordt daarop toegezien en hoe gaat u deze evidente discriminerende situatie oplossen?
Acht u het indien buitenlandse overtreders niet of moeilijk kunnen worden beboet dan rechtvaardig dat Nederlandse ondernemers hierdoor relatief zwaarder worden getroffen?
Hoe lang verwacht u dat het verbod voor vrachtverkeer op de Merwedebrug nog noodzakelijk blijft en wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de duur van de maatregel?
Wanneer gaat u eindelijk eens (adequaat) investeren in de infrastructuur teneinde te voorkomen dat het bekeuren van vrachtwagenchauffeurs überhaupt nodig is?
De migranteninvasie in de Spaanse enclave Ceuta |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat duizenden illegale migranten de Spaanse enclave Ceuta zijn binnengedrongen nadat de Marokkaanse grensbewaking zich plotseling had teruggetrokken?1 2
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat dit opnieuw laat zien dat de buitengrenzen van Europa zo lek zijn als een mandje en dat ook na de inwerkingtreding van het Migratiepact Europese landen onvoldoende controle over hun eigen landsgrenzen hebben en dus ook de Europese buitengrenzen? Zo nee, waarom niet?
De situatie zoals we deze donderdag en vrijdag zagen bij Ceuta is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk, die bovendien van 72 mensen het leven heeft gekost. Het kabinet betreurt dit. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en adequaat gehandeld zou worden in deze crisissituatie. Spanje moest direct de buitengrens van Europa versterken en alles richten op de terugkeer van de irreguliere migranten om daarmee risico’s op secundaire migratie tegen te gaan. Spanje heeft daarmee in lijn de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Het Asiel en Migratiepact regelt het EU-asielsysteem. Onderdeel hiervan zijn de inrichting van de asielprocedures regulier en aan de buitengrens, de afspraken over overdrachten van personen in de asielprocedure en een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Het beheren van de Europese buitengrens wordt daarentegen geregeld in het Schengengrenscode. Voor het beheren van de buitengrens biedt het EU-instrumentarium verschillende belangrijke handvatten om ook in situaties als deze controle te houden over deze delen van de buitengrens. Het Asiel en Migratiepact is daarom in de reactie niet in beeld. Voor de gebieden Ceuta en Melilla gelden daarbij speciale Schengenregels. Er zijn standaard controles tussen Ceuta en Melilla en het vasteland van Spanje (en andere Schengenstaten). Doorreizen vanuit Ceuta naar de rest van Schengen gaat daarom enkel gecontroleerd.
De Schengengrenscode biedt aanvullende maatregelen om irreguliere migratiebewegingen tegen te gaan. In uitzonderlijke, dreigende situaties kunnen onder meer de tijdelijke herinvoering van grenscontroles aan binnengrenzen, intensivering van bewaking en controles aan de buitengrens, risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied, en EU-ondersteuning worden ingezet. Spanje heeft vrijdag, 31 juli jl., direct extra maatregelen aangekondigd, waaronder extra fysieke grensbescherming en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Bent u bekend met de beelden waarop te zien is dat de Spaanse autoriteiten de hekken openzetten voor illegale migranten?3
Het kabinet heeft de beelden waarnaar wordt gerefereerd bekeken, het is onduidelijk wat er precies te zien is en het kabinet gaat hierover niet speculeren.
Spanje heeft reeds jaren afspraken met Marokko om de grensovergangen bij Ceuta en Melilla goed te bewaken. Spanje heeft zich ingezet om de openbare orde en veiligheid in het gebied te herstellen, de grens bij Ceuta verder fysiek te versterken en de irreguliere migranten zo snel als mogelijk te laten terugkeren. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal hier blijvend op aandringen.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze van Spanje, mede in het licht van de gemaakte afspraken in het Migratiepact?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe groot acht u de kans dat een deel van deze illegale migranten uiteindelijk zal doorreizen naar Nederland? En kunt u uiteenzetten waar u dit op baseert?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
De Europese Commissie heeft mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren en operationele stappen ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak te identificeren. Ook heeft Nederland met 214 andere EU-lidstaten op zaterdag 1 augustus jl. een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad waarin de lidstaten zorg uitten over de gebeurtenissen in Ceuta, benadrukten dat alle nodige maatregelen genomen moeten worden om de grenzen te versterken en verzochten om een extra online JBZ-raad. Deze JBZ-raad vindt op dinsdag 4 augustus plaats. De Minister van Asiel en Migratie neemt hieraan deel. Het kabinet blijft de ontwikkelingen op Ceuta nauwgezet volgen, en blijft bijdragen aan een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat migranten die via Spanje de Europese Unie zijn binnengekomen uiteindelijk in Nederland terechtkomen? Indien u geen maatregelen neemt kunt u uitleggen waarom u die niet neemt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om de grenzen te sluiten dan wel extra grenscontroles uit te voeren dan wel andere maatregelen te treffen om te kunnen controleren of deze migranten niet alsnog Nederland binnenkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor onmiddellijke sluiting van de Europese buitengrenzen en een zerotollerancebeleid te voeren ten aanzien van alle illegale grensoverschrijdingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse autoriteiten, die volgens de berichtgeving de grensbewaking hebben verminderd of beëindigd, waardoor duizenden migranten ongehinderd de grens konden oversteken?
Het kabinet gaat niet speculeren over het ontstaan van deze situatie. Wel ziet het kabinet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend, 31 juli jl., de noodzaak snel te handelen benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko stelt zich hierin constructief op en werkt voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen maximale druk uit te oefenen op Marokko om zijn grenzen effectief te bewaken en migranten terug te nemen? Zo nee, waarom niet?
De samenwerking met Marokko is van cruciaal belang om de situatie onder controle te brengen en te houden. Deze samenwerking is nauw. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken al nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken. Ook heeft de Commissie aangeboden te ondersteunen bij het onder controle krijgen van de situatie. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Bovendien heeft Marokko constructief gehandeld en werkt het voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Deelt u de mening dat de voortdurende instroom van illegale en niet-gescreende migranten een ernstig veiligheidsrisico vormt voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording van vraag 2. Het is niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta naar de rest van het Schengengebied. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Tegelijkertijd is het effectief beheren van de buitengrenzen en het screenen van personen die het grensgebied binnenkomen noodzakelijk voor de EU om te kunnen controleren en besluiten wie er het grensgebied binnenkomt.
Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken. De EU moet in onderlinge solidariteit blijven investeren in het versterken van de buitengrenzen, het tegengaan van irreguliere migratie en de terugkeer van vertrekplichtige migranten. Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente implementatie van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. Een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoeder van de Verdragen, is daarbij onmisbaar. Tegelijkertijd vraagt het ook, meer dan voorheen, dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties opvolgen om hun implementatie te versterken. Ook pleit het kabinet onverminderd voor het transparant maken en open bespreken van de tekortkomingen en het bespreken hiervan tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Indien het antwoord op vraag 11 nee is, hoe beoordeelt u in dat licht de berichtgeving waarin een illegale migrant zegt al eerder door Nederland te zijn uitgezet om een gevangenisstraf van vijf jaar te ontlopen?4
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken over de reden voor de plotselinge toestroom van migranten?5
De Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gewezen op mogelijke rol van mensensmokkel. Het kabinet dringt erop aan dat goed onderzoek gedaan wordt naar de oorsprong van deze situatie en of mensensmokkel hier een specifieke rol heeft gehad
Deelt u de mening dat, gelet op deze gebeurtenissen, het Migratiepact niet werkt, omdat er nog steeds geen functionerende Europese grenscontrole is, illegale grensoverschrijdingen blijven plaatsvinden en er op dit moment niets geregeld is voor terugkeer?
Zie beantwoording op voorgaande vragen. De situatie zoals we vorige week zagen is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Tegelijkertijd namen Spanje en Marokko de nodige stappen om de situatie weer onder controle te krijgen en zijn direct gestart met de organisatie van grootschalige terugkeer en het versterken van de buitengrens. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
In algemene zin is het van belang om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bent u bereid om, gelet op de gebrekkige grenscontroles en inzet van de Spaanse regering om de situatie in Ceuta onder controle te krijgen, de Solidariteitbijdrage die voortvloeit uit het Migratiepact niet meer aan Spanje te betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op voorgaande vragen. Een dergelijke inzet is niet aan de orde.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten uit het Migratiepact in een situatie als deze daadwerkelijk in werking treden en op welke wijze deze bijdragen aan het beperken van irreguliere migratie?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Welke gevolgen heeft deze situatie volgens u voor de geloofwaardigheid en uitvoerbaarheid van het Migratiepact?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het blijft van belang dat alle EU-lidstaten dit instrumentarium volledig implementeren. Daar roept Nederland consequent toe op, zo ook in het in EU-verband ingelaste crisisberaad van afgelopen weekend.
Een massale bestorming van de Spaanse exclave Ceuta door bijna 50.000 migranten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 50.000 migranten aangekomen in Spaanse exclave Ceuta na massale bestorming vanuit Marokko, zeker 18 doden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onbestaanbaar is dat bijna 50.000 migranten de EU-buitengrenzen bestormen in Ceuta? Zo nee, waarom niet?
Ja, ontstane situatie in Ceuta is onacceptabel, zeer zorgelijk en een uitzonderlijke situatie. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en effectief opgetreden zou worden. Nederland heeft daarom op vrijdagochtend, 31 juli jl. direct contact opgenomen met de Minister van Buitenlandse Zaken van Marokko, de Minister van Buitenlandse Zaken van Spanje en de Eurocommissaris van Binnenlandse Zaken van de Europese Commissie
Acht u Spanje in staat om de grens(controle) in Ceuta weer onder controle te krijgen? Kunt u met spoed de Spaanse regering aanspreken op hun verantwoordelijkheid om deze massale bestorming een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Spanje heeft, in nauwe samenwerking met Marokko en de Europese Commissie acuut opgetreden, door te starten met de grootschalige terugkeer en de versterking van de grens. Maatregelen die Spanje heeft genomen op vrijdag 31 juli zijn onder andere extra fysieke grensbescherming, een zee barrière, inzet van het leger en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta. Spanje en Marokko hebben op grote schaal personen laten terugkeren naar Marokko. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Bent u bereid aan uw Spaanse ambtsgenoot mede te delen dat u verwacht dat Spanje aan geen van deze migranten een verblijfsvergunning af zal geven vanwege de aanzuigende werking die hierdoor zal ontstaan? Bent u hierbij ook van plan om mede te delen dat deze migranten onder geen enkel beding naar het Europese vasteland mogen worden overgebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft Nederland samen met 21 andere lidstaten2 een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad, om nogmaals het belang van een acute aanpak te benadrukken en te vragen om een gecoördineerde aanpak om mensensmokkel, instrumentalisering van migranten en hybride dreigingen tegen te gaan en zo de EU weerbaarder te maken. In deze brief hebben de ondertekenaars ook benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken, benadrukt dat smokkelaars geen ruimte mogen krijgen en aangegeven dat de perceptie moet worden weggenomen dat dergelijke illegale binnenkomst direct leiden tot legaal verblijf.
De Commissie staat blijvend nauw in contact met Spanje. De Minister van Asiel en Migratie heeft op vrijdagochtend Eurocommissaris Brunner opgeroepen om snel ondersteuning te bieden en te komen tot een gecoördineerde EU-aanpak om de buitengrens te versterken en de migranten te laten terugkeren. Daarnaast heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Kunt u verzekeren dat elke optie in het Europese Asiel- en Migratiepact om deze migranten te weren uit Europa zal worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat deze illegale migranten teruggestuurd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook voorgaande beantwoording. Zoals reeds heeft Spanje gestart, o.a. naar aandringen van Nederland, met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Op welke manier bent u bereid Spanje te ondersteunen bij de terugkeerprocedures van deze illegale migranten?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Als verdere ondersteuning nodig is dan is Nederland en de Europese Commissie daartoe bereid. Daarnaast blijft de Commissie nauw in contact met Spanje. Ook heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak.
Wat is de rol van Marokko bij deze bestorming? Meent u dat de Marokkaanse autoriteiten alles hebben gedaan om deze bestorming tegen te houden?
Het kabinet ziet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko heeft zich constructief opgesteld en voortvarend meegewerkt aan de terugkeer van de migranten.
Welke rol speelt het Spaanse voorstel om meer dan een miljoen illegale migranten in het land te legaliseren en de uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof dat op zee onderschepte migranten niet meer rechtstreeks teruggestuurd mogen worden bij deze bestorming?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten3 aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Nederland zal in de JBZ-raad vragen om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie om hierover meer helderheid te krijgen.
Bent u bereid om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje extra grenscontroles uit te laten voeren op alle directe vluchten afkomstig vanuit Spanje om te voorkomen dat deze migranten door zullen reizen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft aangegeven dat geen van de migranten die irregulier in Ceuta zijn aangekomen, zijn doorgereisd naar de EU.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u van plan om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje bij de Europese Commissie een klacht in te dienen met als doel het starten van een inbreukprocedure tegen Spanje? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft de situatie nu onder controle. Echter benadrukt het kabinet dat de situatie in Ceuta een ongekende schending is van de integriteit van de buitengrens van Europa en alles moet er dan ook op gericht zijn om dit in de toekomst te voorkomen. Er zal een grondig onderzoek moeten plaatsvinden door de Europese Commissie over hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan. Het kabinet benadrukt dat het cruciaal is dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie. Het kabinet zal tijdens de informele JBZ-raad hierop aandringen. Bij het verslag over de informele JBZ-raad zal uw Kamer over bovenstaande punten opnieuw worden geïnformeerd.
Bent u bereid om, gezien de omvang van deze bestorming, te pleiten voor een extra JBZ-Raad? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft samen met 21 andere lidstaten op zaterdagochtend 1 augustus jl. opgeroepen tot een extra informele JBZ-raad. Deze vindt op dinsdag 4 augustus plaats.
Wat vindt u van het standpunt van de Italiaanse regering over opschorting van Schengen en is dit voor het kabinet een reële mogelijkheid?
Met de aanscherping van de Schengengrenscode in 2022 is het instrumentarium dat een lidstaat ter beschikking heeft om te reageren op situaties van ernstige bedreigingen voor de openbare orde en binnenlandse veiligheid substantieel uitgebreid. Elke lidstaat kan binnen de Schengengrenscode tijdelijke interne grenscontroles herinvoeren wanneer sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden.
Naar het oordeel van het kabinet biedt de Schengengrenscode adequate mogelijkheden voor lidstaten om te reageren met onder meer informatie en risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied. Door het adequate optreden Spanje heeft direct de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Daarnaast is het binnen de kaders van de Schengengrenscode niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta. Het kabinet acht het van belang dat Schengenlidstaten transparant en open tekortkomingen en verbeterpunten in het Schengengebied bespreken, om te zorgen dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken, en waar nodig elkaar kunnen ondersteunen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen zeven dagen beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De langdurige storing van kerncentrale Borssele |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kerncentrale Borssele sinds 27 juni 2026 twee weken buiten bedrijf was vanwege een lekkage in het nucleaire gedeelte?1
Ja.
Klopt het dat, drie weken na afronding van deze onderhoudsstop, de centrale opnieuw moest worden stilgelegd vanwege een lekkage?
Ja. De reden hiervoor was een kleine lekkage aan een afsluiter in het nucleaire deel van de kerncentrale. Om dit zorgvuldig en volgens protocol te verhelpen, is de centrale tijdelijk uit bedrijf genomen.
Wat zijn de gevolgen van deze lekkage en het stilleggen van de kerncentrale?
De lekkage en het stilleggen van de centrale heeft geen gevolgen gehad voor de medewerkers van EPZ, omwonenden en de kerncentrale. De afsluiter die lekte is vervangen. Tijdens de reparatiewerkzaamheden vond EPZ in dezelfde ruimte een leiding in mindere staat. EPZ heeft een deel van deze leiding vervangen. Op 16 juli jl. is de kerncentrale volgens protocol weer veilig in bedrijf gegaan.
EPZ heeft de toezichthouder Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedurende het gehele proces op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
De kerncentrale heeft een elektrisch vermogen van 485 MW. Dat betekent dat de centrale 11.640 MWh elektriciteit per dag kan leveren als de centrale 24 uur op vol vermogen kan draaien. De centrale was aan het begin van de zomer 19 dagen buiten bedrijf. In die periode had 221.160 MWh elektriciteit opgewekt kunnen worden.
Wanneer gaat de centrale weer stroom leveren? Hoeveel stroom is er door dit onderhoud minder opgewekt dan voorzien?
Zie antwoord vraag 3.
Is de storing gerelateerd aan de leeftijd van de reactor? Zijn er nog leveranciers om dit soort storingen te verhelpen?
Er is geen verband tussen het optreden van de lekkage en de leeftijd van de reactor. Zoals aangegeven is de lekkage gerepareerd en is de kerncentrale weer veilig in bedrijf.
Hoe verhoudt dit incident zich met de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van Borssele?
Er is geen relatie tussen deze ongewone gebeurtenis en de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele. Voordat de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale vergund kan worden door de ANVS, zal zij uiteraard uitvoerig verouderingsaspecten en de daarbij behorende eisen om de veiligheid te borgen onderzoeken, als onderdeel van het vergunningsverleningsproces.
In hoeverre wordt de ervaring met de betrouwbaarheid en onderhoudsgevoeligheid (en de daarmee verbonden kosten) van de bestaande centrale in Borssele meegewogen in de besluitvorming over de twee nieuwe, aanzienlijk grotere kerncentrales?
Het kabinet beschouwt kernenergie als een betrouwbare en waardevolle aanvulling op de Nederlandse energiemix. Net als andere grote energiecentrales heeft een kerncentrale periodiek onderhoud nodig. De kosten hiervoor vormen een vast onderdeel van de structurele operationele uitgaven en worden meegenomen in de business case voor de nieuwe centrales.
Bent u bereid de Kamer, zodra de centrale weer in bedrijf is, een overzicht te sturen over de oorzaak en gevolgen van deze storing, inclusief het oordeel van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)?
Jaarlijks stuurt de Staatssecretaris van IenW de rapportage Ongewone Gebeurtenissen met daarin de meldplichtige gebeurtenissen bij nucleaire installaties (opgesteld door de ANVS) aan de Kamer en publiceert de ANVS deze op haar website. Dat zal in de toekomst zo blijven. Ook deze ongewone gebeurtenis zal in de rapportage over 2026 gemeld worden. Een actueel overzicht van ongewone gebeurtenissen is ook te vinden op de website van de ANVS2.
Het uitblijven van een besluit over nationale normen voor windturbines op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het commissiedebat Hernieuwbare Energie op 15 april 2026 en die is herhaald in het antwoord van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land1, om de Kamer vóór de zomer te informeren over de nieuwe landelijke normen voor windturbines op land?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit besluit wel op de agenda van de ministerraad van 10 juli 2026 stond maar daarna niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ja, het onderwerp stond op de agenda van de ministerraad van 10 juli jl. Daar heeft echter geen finale besluitvorming plaatsgevonden waardoor het informeren van de Kamer niet mogelijk is gebleken. Het onderwerp is in de ministerraad van 28 augustus opnieuw behandeld.
Klopt het dat de overbruggingsregeling voor bestaande windparken opnieuw is verlengd, ditmaal tot en met 31 december 2027? Betekent dit dat de eerdergenoemde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 voor de definitieve milieunormen niet langer haalbaar wordt geacht?2
Het kabinet is voornemens de overbruggingsregeling te verlengen. Het voorstel hiertoe ligt nu bij de Raad van State. Inwerkingtreding van de nieuwe normen zal niet voor 1 januari 2027 kunnen plaatsvinden.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor provincies en gemeenten die bij hun ruimtelijke besluitvorming over windparken op land wachten op landelijke duidelijkheid?
Met de Kamerbrief die na de ministerraad van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat het ontwerpbesluit voor het einde van dit jaar voor voorhang wordt aangeboden. Hiermee wordt zo spoedig mogelijk duidelijkheid gecreëerd over de landelijke milieu- en afstandsnormen voor windturbines op land. In de tussentijd kunnen provincies en gemeenten zelf normen stellen om ruimtelijke besluitvorming over windparken doorgang te laten vinden en zorgt de tijdelijke overbruggingsregeling ervoor dat de huidige milieunormen blijven gelden voor bestaande windparken.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor de realisatiegraad van wind op land, die volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) steeds verder afneemt?
Zoals blijkt uit de Monitor Wind op Land3, neemt de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines af. Naast factoren als netcongestie, vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures en beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, draagt ook de onzekerheid over het uitblijven van duidelijkheid over landelijke afstandsnormen voor windturbines op land hieraan bij. Het ontbreken daarvan is daarmee niet de enige, maar wel één van de factoren die de realisatie van windturbines beperkt.
Erkent u dat het verder uitstellen van een besluit ervoor zorgt dat de uitrol van wind op land stagneert en de RES-doelen niet worden gehaald en dat de Nederlandse energie-afhankelijkheid hierdoor langer in stand wordt gehouden? Zo ja, gaat u dan zo spoedig mogelijk landelijke milieunormen vaststellen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 heeft de onzekerheid over het uitblijven van landelijke normen inderdaad bijgedragen aan een daling in de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines op land.
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland voornemens is een afstandsnorm in de provinciale Omgevingsverordening op te nemen en deze in september 2026 vast te stellen?
Ja, zoals blijkt uit Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek4 zal de Omgevingsverordening worden voorgelegd aan de Staten in het derde kwartaal van 2026.
Bent u ermee bekend dat deze afstandsnorm ervoor zorgt dat het RES-doel in Gelderland waar de provincie zich ook aan heeft gecommitteerd, niet meer wordt gehaald, zoals uit een eigen analyse van de provincie blijkt?3
Uit de Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek blijkt dat de Provincie Gelderland concludeert dat een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte ertoe leidt dat Regio Foodvalley niet de RES-doelstelling voor windenergie op land kan behalen.
Omdat de Gelderse RES-regio’s hebben afgesproken elkaars RES-opgave niet over te nemen, concludeert de provincie Gelderland dat de Gelderse RES-doelstelling niet haalbaar is. Daarbij benoemen de provincie Gelderland dat de RES-doelstelling in Gelderland ook zonder afstandsnorm al onder druk staat door o.a. netcongestie en de aanwezigheid van de wespendief.
Het kabinet heeft de Kamer op 28 augustus 2026 geïnformeerd dat het voornemens is om in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een instructieregel op te nemen op grond waarvan bij het nemen van ruimtelijke besluiten, zoals het vaststellen van een omgevingsplan, rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en de dichtstbijzijnde woning.
«Rekening houden met» betekent dat de afstandsnorm zwaar weegt in de belangenafweging die in het kader van dergelijke besluiten plaatsvindt, maar niet dwingt tot een bepaalde uitkomst. Gemotiveerd kan een kleinere afstand worden gehanteerd. Dat biedt ruimte voor het nastreven van de RES-doelstelling in Gelderland en om aanvullende opwek mogelijk te maken.
Zoals benoemd in de Kamerbrief Versterking van de Decentrale Ontwikkelingen in het Energiesysteem6, zal de Minister van Klimaat en Groene Groei, in het licht van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, toewerken naar nieuwe richtwaarden voor de opwek van zon en wind op land voor 2040, en deze laten landen in de te maken energieafspraken met medeoverheden.
Is de afstandsnorm die Gelderland beoogt afwijkend van de milieunormen die u beoogt? Zo ja, kunt u uitleggen waarin deze norm van Gelderland afwijkt?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat er gekozen is voor een afstandsnorm van twee keer tiphoogte met uitzonderingen, en de ruimte om daar beargumenteerd naar beneden toe van af te wijken.
Bent u het ermee eens dat het zeer wenselijk is dat er zo snel mogelijk landelijke milieunormen voor windmolens op land worden vastgesteld die enerzijds milieueffecten van windmolens op land beperken, maar wel zorgen dat de RES-doelen binnen de afgesproken termijn worden behaald?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat gemeenten en provincies eigen, van elkaar afwijkende normen gaan vaststellen die ervoor zorgen dat de al jaren gewenste duidelijkheid rond de milieunormen voor windmolens op land voor omwonenden, initiatiefnemers, gemeenten en provincies blijft ontbreken?
Ja. Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, biedt het kabinet meer duidelijkheid over de nieuwe normen voor windturbines op land.
Hoe voorkomt u dat er door het ontbreken van landelijke regie een wildgroei aan afstandsnormen op regionaal niveau (zoals o.a. in Drenthe en Gelderland) gaat ontstaan?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, is de Kamer geïnformeerd over de keuze voor een instructieregel die bepaalt dat bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen windturbine(s) en de dichtstbijzijnde woning. Deze instructieregel wordt de komende periode uitgewerkt in de ontwerp-AMvB, die nog dit jaar aan het parlement zal worden verzonden in het kader van de voorhang. Met deze instructieregel wordt op nationaal niveau voorzien in één uniforme afstandsnorm. Daarmee wordt voorkomen dat provincies eigen instructieregels over de afstand tot windturbines kunnen stellen.
Wat is uw standpunt over een afstandsnorm voor windmolens op land? Kunt u hierbij uw antwoorden van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land, waarin u het gebrek aan meerwaarde c.q. de nadelen van een afstandsnorm noemt, hierbij betrekken? Kunt u hierbij ook de brief van o.a. VNG, NVDE en VNO NCW over milieunormen betrekken?4
Zoals ook hierboven beantwoord, is de Kamer na de MR van 28 augustus geïnformeerd dat het kabinet kiest om de in het ontwerpbesluit opgenomen afstandsnorm van twee keer de tiphoogte van een windturbine met uitzonderingen te behouden. Een afstandsnorm biedt geen extra bescherming tegen hinder van windturbines, deze wordt immers al door de milieunormen over bijvoorbeeld geluid verzekerd. De afstandsnorm biedt enkel duidelijkheid aan burgers, omwonenden en bestuurders over de afstand tussen woningen en windturbines. In de verzonden Kamerbrief wordt toegelicht hoe de keuze recht doet aan het belang van de energieopgave enerzijds en aan de zorgen van omwonenden anderzijds.
Kunt u een concrete datum noemen waarop de Kamer de toegezegde brief alsnog kan verwachten? Kunt u toezeggen dat het besluit over landelijke normen alsnog in de eerstvolgende ministerraad, die gepland is voor 14 augustus 2026, wordt genomen?
De Kamer is op 28 augustus jl. over het besluit van het kabinet geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 1 september 2026 beantwoorden, zodat er snel meer duidelijkheid komt?
Ja.
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.