| Ingediend | 15 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 26 mei 2026 (na 41 dagen) |
| Indiener | Tom van der Lee (GL) |
| Beantwoord door | Berendsen , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
| Onderwerpen | europese zaken internationaal organisatie en beleid recht werk |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07916.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2026.html |
Ja.
Het kabinet heeft uw Kamer op 24 april 2026 middels een BNC-fiche2 geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie voorgestelde 28ste regime voor ondernemingen (hierna: het voorstel).3 Het voorstel introduceert een nieuwe optionele rechtsvorm, de EU Inc. Zoals ook uiteengezet in het BNC-fiche is het kabinet voorstander van een zorgvuldig vormgegeven Europese regeling die daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden (waaronder werknemers) en die voldoende waarborgen bevat om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. te voorkomen.
Wanneer de EU Inc. na oprichting overgaat tot de dagelijkse praktijk van ondernemen, krijgt de onderneming te maken met het nationale recht dat van toepassing is op de arbeidsrelatie. Het voorstel harmoniseert het arbeidsrecht niet. Op grond van de Rome I-Verordening4 zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht.5 Om de bescherming van werknemers te waarborgen is effectief toezicht en handhaving van belang. Het kabinet ziet dat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde samenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving, des te meer omdat de oprichting en verplaatsing van een EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor het lastiger te achterhalen zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een arbeidsrechtelijk handhavingsverzoek moet worden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten te omzeilen en effectieve handhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Het kabinet zet daarom in de onderhandelingen erop in om het voorstel op dit punt te verbeteren.
Zie antwoord vraag 2.
Het kabinet meent dat ook de waarborgen om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. voor andere financiële en fiscale criminaliteitsvormen te voorkomen in het voorstel versterkt moeten worden. In het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet kijkt naar uitbreiding van de reikwijdte van cliëntonderzoek en rechercheplicht van de notaris en de bevoegdheden voor nationale autoriteiten als de Belastingdienst. De preventieve controle in het voorstel lijkt beperkt te worden tot een formele controle van de statuten van de EU Inc. en rechtsbevoegdheid van haar oprichters. Nadere controle, ook na oprichting, op de EU Inc. en haar handelingen, lijken in beginsel niet te zijn toegestaan. Zo mag op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Het gebrek aan dergelijke waarborgen voor het voorkomen van fraude en misbruik van een EU Inc. betekent voor toezichthouders mogelijk minder zicht op belastingstructuren, belastingfraude- en witwasstructuren. Het kabinet zal ervoor pleiten dat er meer bevoegdheden in de verordening komen voor relevante poortwachters, zodat er meer controle is op de oprichtingshandeling en op eventuele fraude en witwassen.
Het kabinet zet zich in de onderhandelingen constructief in om voorstellen voor verbetering van de waarborgen tegen fraude, witwassen en misbruik te formuleren. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk van deze versterking in de verordening zelf wordt geregeld, en, waar van toepassing, dit in lijn is met bestaande EU-regelgeving op dit terrein, zodat gefragmenteerd beleid en verplaatsing van criminaliteit naar de lidstaat met de minste waarborgen kan worden voorkomen. Dat is ook van belang voor alle ondernemers die met de juiste intenties een EU Inc.-onderneming oprichten, en daarmee voor het succes van de EU Inc. als nieuwe rechtsvorm.
Overigens kent het Europese antiwitwaspakket (AML-pakket), dat vanaf 10 juli 2027 in werking treedt, een registratieplicht voor domicilieverleners. Domicilieverleners zijn partijen die een post- of brievenbusadres verlenen aan klanten. De registratieplicht zorgt ervoor dat er meer grip komt op partijen die dergelijke adressen aanbieden waar zogenaamde brievenbusfirma’s gebruik van maken. Domicilieverleners dienen nu al aan cliëntonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit (FIU-Nederland). Dit wordt voorgezet onder het AML-pakket. Het kabinet zet tijdens de onderhandelingen in op goede aansluiting van het EU Inc.-voorstel op de bestaande Europese anti-witwasregelgeving.
Het is voor het kabinet van belang dat de toepassing van landelijke arbeidswetgeving op de arbeidsrelaties van de EU Inc. met haar werknemers verzekerd is. Dit geldt eveneens voor effectieve handhaving. Dit zorgt er immers voor dat concurrentie plaatsvindt op basis van innovatie, in plaats van op basis van arbeidsvoorwaarden.
Het kabinet erkent dat flexibel werk risico’s met zich meebrengt voor werkenden, maatschappelijke ongelijkheid vergroot en financiële zekerheden bemoeilijkt die nodig zijn voor bijvoorbeeld het kopen van een huis of het starten van een gezin. Dit is ook de reden waarom het arbeidsmarktpakket tot stand is gekomen.6 Conform het coalitieakkoord zet het kabinet in op afronding van dit pakket. Het arbeidsmarktpakket vergroot enerzijds de zekerheid van werkenden en anderzijds de wendbaarheid van werkgevers. Op deze manier worden duurzame arbeidsrelaties binnen wendbare ondernemingen gestimuleerd. In dit kader is bijvoorbeeld het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers door de Tweede Kamer aanvaard om de zekerheid van flexwerkers te vergroten.7 Uiteindelijk dient het gehele pakket de arbeidsmarkt toekomstbestendiger te maken.
Het kabinet is het ermee eens dat het voor werknemers duidelijk moet zijn waar zij hun recht kunnen halen. Het voorstel voor de EU Inc. laat onverlet dat de Rome-I Verordening van toepassing is op individuele arbeidsverhoudingen binnen een EU Inc. Verder regelt Verordening Brussel Ibis8 welke rechter bevoegd is bij geschillen inzake een arbeidsovereenkomst. Hieruit volgt dat werknemers van een EU Inc. die gewoonlijk werkzaam zijn in Nederland, in Nederland naar de rechter kunnen bij een geschil over de arbeidsovereenkomst. Daarbij is van belang dat ontduiking van werknemersrechten wordt voorkomen. Het kabinet zet zich er tijdens de onderhandelingen voor in dat het voorstel hiervoor voldoende waarborgen bevat.
Op grond van de Rome I-Verordening zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht. Het wettelijk minimumloon is bijzonder dwingend recht dat geldt voor alle ondernemingen die in Nederland werknemers werk laten verrichten, dus ook huidige buitenlandse ondernemingen en in de toekomst EU Inc.-ondernemingen. Dit betekent dat werknemers van een EU Inc.-onderneming, net als andere werknemers, recht hebben op het wettelijk minimumloon dat tijdig en giraal dient te worden uitbetaald. Per gewerkt uur dient dus minimaal het minimumloon betaald te worden. Het minimumloon kan niet worden uitbetaald met opties. Eventuele beloningen boven op het minimumloon zouden mogelijkerwijs via werknemersopties uitgekeerd kunnen worden, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 10.
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB)9 spreekt uit dat het voorstel voor een EU Inc. leidt tot de afbraak van de preventieve rechtsbescherming, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, wat juist een nadelig effect kan hebben op de concurrentiepositie binnen de EU. In het BNC-fiche onderstreept het kabinet eveneens dat het juridisch raamwerk van het voorstel op dit moment onvoldoende waarborgen bevat om fraude en witwassen tegen te gaan en benadrukt het dat het voorstel voldoende rechtszekerheid moet bieden (zie nader hierboven de antwoorden op vragen 2 tot en met 4).
In de overwegingen van het voorstel wordt aangegeven dat de verplichtingen op grond van de Unie- en nationale wetgeving in verband met anti-witwasmaatregelen onverminderd van kracht blijven.10 Echter, zoals hierboven toegelicht, lijken de mogelijkheden in het voorstel voor (preventieve) controle op de EU Inc. en haar rechtshandelingen beperkt. Zo mag er op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Dit is voor het kabinet lastig te rijmen met de verplichtingen die op grond van de nieuwe Europese antiwitwasverordening, als onderdeel van het AML-pakket, gelden voor notarissen.11 Het kabinet herkent dan ook de zorgen die zijn geuit omtrent de risico’s op het gebied van witwassen.
Het kabinet ziet de meerwaarde van een Europese werknemersoptieregeling waarbij de fiscale aspecten competitief en eenduidig worden geregeld. Dit kan een belangrijke stap zijn voor Europese bedrijven om talent aan te trekken. Bij een eenduidige invulling zou ook geregeld moeten worden of er bij verkoop sprake is van loon of vermogenswinst en moet het voorstel inhoudelijk worden uitgewerkt, bijvoorbeeld ten aanzien van het tegengaan van fiscale arbitrage en mogelijkheden tot handhaving. In de uitwerking hiervan zal het kabinet zich constructief opstellen.
Het kabinet neemt aan dat het verschil in, onder andere, de fiscale behandeling voortvloeit uit het doel om de EU Inc. competitief en aantrekkelijk te maken. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat een afwijkende fiscale behandeling gebaseerd op rechtsvorm juridisch kwetsbaar is en mogelijk niet wenselijk. Het separaat bespreken van een Europese werknemersoptieregeling in een (fiscale) richtlijn biedt meer flexibiliteit op het vlak van invulling en implementatie in tegenstelling tot de onderhavige Verordening.
Overigens is de vraag of in Nederland gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om werknemersopties aan te bieden, ook afhankelijk van de vraag of en onder welke cao werknemers van een EU Inc.-onderneming vallen, of deze cao een dergelijke regeling toelaat en onder welke voorwaarden. Onder welke cao een werknemer valt, is een kwestie van arbeidsrecht. Zoals hierboven toegelicht, laat het voorstel het nationale arbeidsrecht, en daarmee de toepasselijke cao die een werknemersoptieregeling al dan niet toestaat, onverlet.
Het klopt dat werknemers bij een faillissement niet alleen hun baan verliezen, maar dat ook hun aandelenpakket waardeloos wordt. Dit geldt niet specifiek voor EU Inc.-ondernemingen, maar geldt voor ieder bedrijf dat opties aan zijn werknemers verstrekt. Dit is een inherent gevolg van de beloning in aandelen. Aandelen betreffen risicodragend kapitaal. Deze kunnen in waarde stijgen bij goede prestaties van het bedrijf en waardeloos worden bij faillissement.
Zoals ook in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, is het afhankelijk van de positie van het bedrijf of het een dergelijk pakket kan bieden aan zijn werknemers. Natuurlijk moeten werknemers altijd goed over hun arbeidsvoorwaarden worden geïnformeerd, ook als dit een aandelenpakket is.
Zoals hierboven vermeld, gaat het voorstel voor de EU Inc. uit van toepassing van de Rome-I-Verordening. Op grond van die verordening wordt een arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk werkt en door het bijzonder dwingend recht van het land waar de onderneming werk laat verrichten. Doordat de pensioenovereenkomst onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betekent dit dat de Rome-I-Verordening ook regelt welk recht op de pensioenovereenkomst van toepassing is.
Hierbij deel ik u, mede namens de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, van Financiën en van Buitenlandse Zaken, mede dat de schriftelijke vragen van het lid Van der Lee (GroenLinks-PvdA), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» (ingezonden 15 april 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.